Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog

Anschluss

De Anschluss (Duits voor 'aansluiting', 'verbinding', 'annexatie') is de internationaal gangbare, geschiedkundige term voor de Duitse annexatie van Oostenrijk in een "Groot-Duitsland" op 13 maart 1938. De annexatie kon rekenen op vrij algemene steun van de Oostenrijkse bevolking en werd voorbereid door de Oostenrijkse nazipartij. De annexatie geschiedde door een inval van Duitse troepen, waarbij echter geen schot werd gelost. Door de Anschluss verloor Oostenrijk zijn zelfstandigheid, werd in het Duitse Rijk opgenomen en heette tot 1942 Ostmark en nadien Alpen- und Donau-Reichsgaue tot de bevrijding door de Russen in maart 1945.
De Anschluss van Oostenrijk
In de eerste jaren van het Interbellum (1918-1939) was de Groot-Duitse gedachte door het ontstaan van Oostenrijk nieuw leven ingeblazen. Referenda in Oostenrijkse provincies wezen uit dat ten minste driekwart van de bevolking een samengaan met Duitsland wenste, nu de niet-Duitse (en een deel van de Duitse) rijksdelen verloren waren gegaan. De Fransen dreigden met sancties als dit soort referenda in de toekomst nog werden gehouden, en Oostenrijk begon zijn bestaan als zelfstandig land.
Oostenrijk kende al vanaf het begin van de jaren twintig een eigen nazipartij. Aangemoedigd door Hitlers demagogische radio-uitzendingen begonnen de Oostenrijkse nazi's hun land te terroriseren, een situatie die verergerde na hun verkiezingswinst in april 1932. Als reactie op de opkomst van de Oostenrijkse nazi's voerde kanselier Engelbert Dollfuss een dictatoriaal regime, georiënteerd op het fascistische Italië. De moord op Dollfuss (25 juli 1934) en op vele van zijn aanhangers (zie Juliputsch) maakte het de Oostenrijkse nazi's mogelijk het land politiek en cultureel te domineren. De staatsgreep mislukte evenwel en Dollfuss werd opgevolgd door Kurt von Schuschnigg. De verhouding van Oostenrijk met Italië, Engeland en Frankrijk was nu ernstig geschonden terwijl Hitler nog niet klaar was voor een invasie, en hij was dan ook woedend op de Oostenrijkse nazi's, die hij "amateurs" noemde. Schuschnigg was zich echter bewust van de penibele situatie en trachtte zich met zijn steeds geduchtere noorderbuur te verzoenen.
Door de toenadering tussen Mussolini en Hitler verloor Oostenrijk in 1936 de Italiaanse steun. Ook Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk boden geen oplossing. In maart 1938 werd de druk opgevoerd. Een bezoek van Schuschnigg aan Hitler liep uit op regelrechte intimidatie door de laatste. Onder Hitlers druk werd de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart als minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de regering. Na chantage door Hitler trad Schuschnigg op 11 maart 1938 af, waarna nazileider Seyss-Inquart op 12 maart 1938 tot kanselier van Oostenrijk benoemd werd. Zijn eerste daad was op 12 maart een, tevoren opgesteld, telegram te versturen waarin hij Duitsland vroeg om het Duitse leger te zenden "om vrede en veiligheid te brengen ... en om bloedvergieten te voorkomen".
Dezelfde twaalfde maart trokken Duitse troepen Oostenrijk binnen. Er werd geen enkele tegenstand geboden en de troepen werden met bloemen en gejuich begroet. Toch bleek de coördinatie tussen de troepen slecht, wat door de generaals zwaar ter harte werd genomen. De blunders die bij de invasie van Oostenrijk voorkwamen zouden immers cruciaal zijn bij een tegenstander die zich wel zou verzetten. Hitler zelf stak die middag de grens over bij Braunau, zijn geboorteplaats. Die avond arriveerde hij in Linz, zijn lievelingsstad. De daadwerkelijke bezetting van Oostenrijk duurde drie dagen.
De Oostenrijkse nazi's hadden al langere tijd onrust veroorzaakt als deel van Hitlers strategie om Oostenrijk te ondermijnen. Na de benoeming van Seyss-Inquart en de daaropvolgende binnentrekking van Duitse troepen gingen alle remmen los. Politieagenten en burgers sloten zich bij Oostenrijkse nazi's aan in massale triomftochten door het hele land, die uiteindelijk ontaardden in rellen en mishandeling van joden, communisten en andere tegenstanders van de nazi's. In Wenen ontstond een run op het station om de trein naar Praag te halen, maar de bendes drongen stations en treinen binnen om Joden uit de trein te slepen en te mishandelen. Wie toch de grens haalde werd teleurgesteld: de Tsjechen stuurden iedereen die geen geldige papieren had terug. De wegen naar de grens stonden vol en men trachtte uiteindelijk te voet de grens over te steken. Sommige Joden pleegden zelfmoord. Degenen die dat niet deden, kregen al snel een voorproefje van wat komen ging: 's ochtends werden ze door nazibendes opgehaald om de Weense straten met tandenborstels schoon te maken onder spot en hoongelach van omstanders.
Op 13 maart 1938 proclameerde Hitler de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland. Of hij direct volledige aansluiting wilde, was de eerste dagen nog onzeker: men dacht ook aan een soort personele unie, waarbij Hitler naast president en kanselier van Duitsland ook president van Oostenrijk zou worden. Tijdens de intocht in Oostenrijk, waarbij Hitler als een held werd onthaald, besloot hij op aandringen van Göring en omdat hij wist dat Mussolini geen bezwaar meer zou maken, tot een volledige fusie, waarna Oostenrijk werd uitgeroepen tot provincie van Duitsland. Seyss-Inquart werd de rijksstadhouder van Ostmark, de nieuwe naam van Oostenrijk. De Anschluss was daarmee compleet.
Dezelfde 13e maart vond Schuschniggs plebisciet alsnog plaats, nu echter onder Duitse supervisie. Dit plebisciet was vrij noch geheim. Bovendien was aan ongeveer 10% van het electoraat, voornamelijk Joden en ex-leden van linkse partijen, het stemrecht ontzegd. Stembiljetten werden door ambtenaren bij de stembus uitgedeeld en moesten in hun aanwezigheid ingevuld worden. De uitslag was overweldigend in het voordeel van aansluiting bij Duitsland, maar het was veelbetekenend dat sommige afgelegen delen van Oostenrijk die op dat moment nog onbezet waren in meerderheid tegen de Anschluss stemden.
Op 10 april werd opnieuw een volksraadpleging gehouden waarin de Oostenrijkers gevraagd werd of zij wilden terugkeren naar het Duitse Rijk. De uitslag was een duidelijk ja. Na de Tweede Wereldoorlog was (en is) de algemene mening dat de nazi's deze uitslag gemanipuleerd hadden. De uitslag was immers 99% "ja", een ongeloofwaardig hoog getal. Wel staat vast dat veel Oostenrijkers de Anschluss wel toejuichten, ten dele vanuit de gedachte er maar het beste van te maken.
Op een receptie te Berlijn informeerde de Tsjecho-Slowaakse ambassadeur bezorgd of Duitsland geen territoriale eisen ten aanzien van Tsjecho-Slowakije koesterde. Hij werd gerustgesteld: "Dit is onze laatste eis".

Gemotoriseerde troepen rijden bij Schärding de Oostenrijkse grens over (13 maart 1938)
Oostenrijk in de geschiedenis
Marchia Orientalis (976–1156)
Hertogdom Oostenrijk (1156–1453)
Aartshertogdom Oostenrijk (1453–1804)
Oostenrijkse Kreits (1512–1806)
Habsburgse Monarchie (1526–1804)
Keizerrijk Oostenrijk (1804–1867)
Ausgleich (1867)
Oostenrijk-Hongarije (1867–1918)
Republiek Duits-Oostenrijk (1918–1919)
Eerste Oostenrijkse Republiek (1919–1938)
Anschluss (1938)
Groot-Duitse Rijk (1938–1945)
Geallieerde bezettingszones (1945–1955)
Tweede Oostenrijkse Republiek (1955-heden)

De Anschluss van Sudetenland en Tsjecho-Slowakije
Na de annexatie van Oostenrijk bij Duitsland lag het in de lijn van de verwachtingen dat Hitler dit zou herhalen. Hitler wilde de gebieden die bij de Vrede van Versailles (1919) van Duitsland waren afgenomen, terugwinnen. Zijn volgende doel was Tsjecho-Slowakije en bij de voorbereiding van de vernietiging van Tsjecho-Slowakije (zie Fall Grün) begon Hitler eisen te stellen ten aanzien van Sudetenland, in de grensstreek van Bohemen. Het Sudetengebied werd bewoond door ongeveer 2,8 miljoen Volksduitsers en bevatte een groot deel van de natuurlijke hulpbronnen van Tsjecho-Slowakije en het grootste deel van zijn industrie. Ook lagen daar de hoofdverdedigingslinies van het Tsjecho-Slowaakse leger. Bovendien maakten Bohemen en Moravië, Tsjechië dus, vroeger deel uit van het Heilige Roomse Rijk, waar Hitler mee dweepte als het Erste Reich.
Tsjecho-Slowakije was schijnbaar een van de gelukkigere creaties uit het statensysteem van het interbellum. De economie floreerde en liet die van de meeste Oost- en Zuid-Europese staten achter zich. Ter bescherming van de lange grenzen vertrouwde Tsjecho-Slowakije op een leger van 180.000 man, weliswaar kleiner maar kwalitatief beter dan de Wehrmacht. Aangevuld met reservisten kon men bijna een miljoen man oproepen. Zwak punt vormden echter de minderheden: de Sudetenduitsers, Slowaken, Roethenen, Polen en Hongaren bleven mopperen. Hitler speelde hier op in, en was vast van plan Tsjecho-Slowakije te vernietigen. Polen en Hongarije hoopten te zijner tijd een deel te annexeren. De grootste Slowaakse partij, de Slowaakse Volkspartij, streefde naar onafhankelijkheid, terwijl de Sudetenduitse nazipartij de belangrijkste politieke partij in Sudetenland was (en de op één na grootste partij in Tsjecho-Slowakije), en werd gesteund door Berlijn.
De haviken in de NSDAP en Duitse regering stuurden doelbewust op een oorlog aan. De meest prominente figuren hierin waren Hitler zelf en ook Ribbentrop. Göring en een aantal anderen voorzagen echter dat Duitsland niet klaar was voor een oorlog. Niet alleen werd de oorlog niet algemeen gesteund door de bevolking, maar ook werden de krachten van Duitsland onvoldoende geacht. De voorraden aan strategische grondstoffen waren maar voor enkele maanden voldoende wanneer Groot-Brittannië een blokkade zou uitvoeren. De kleine Duitse Kriegsmarine zou daar niets tegen kunnen doen. Een Brits-Frans offensief met ruim 100 divisies zou het nog prille en onvoldoende getrainde nieuwe Duitse leger wellicht niet kunnen weerstaan, zeker niet wanneer ook op een tweede front tegen Tsjecho-Slowakije gestreden zou worden. En het was zelfs niet zeker of Duitsland dit laatste land wel kon verslaan. Slechts 55 Duitse divisies konden worden ingezet tegen 45 Tsjechslowaakse divisies in een sterke verdedigingslinie. Wanneer de Sovjet-Unie ook de kant van Praag zou kiezen zou de Duitse positie hopeloos zijn.
Na de bedreigingen door Hitler werd er in Britse, Franse, Italiaanse en Duitse diplomatieke kringen nauw overleg gepleegd om uit de impasse te komen en een oorlog af te wenden. Hermann Göring zelf zou, naar het schijnt, Mussolini benaderd hebben met het verzoek een voorstel voor een conferentie te doen.[bron?] Op 20 mei 1938 mobiliseerde Tsjecho-Slowakije zijn leger gedeeltelijk en op 30 mei initieerde Hitler een directief dat operatie [Fall Grün]] officieel bevestigde. Op 23 september 1938 mobiliseerde Tsjecho-Slowakije zijn leger geheel, nadat de politieke pogingen dreigden te mislukken. Hiermee anticipeerde het op een Duitse aanval op 1 oktober 1938. De uitvoering van operatie Fall Grün werd afgeblazen nadat op 30 september 1938 het Verdrag van München werd gesloten tussen het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Duitsland. Dit verdrag verklaarde dat Sudetenland bij Duitsland werd ingelijfd, waardoor Tsjecho-Slowakije, tegen zijn wil, dit gebied tezamen met het grootste deel van zijn verdediging en vestingwerken op de grens verloor en nagenoeg weerloos achterbleef. Het land werd als Tweede Republiek Tsjecho-Slowakije een soort federatie tussen Tsjechië, Slowakije en Roethenië (Transkarpatië). De Britten hechtten zoveel waarde aan de Duitse belofte dat er geen verdere territoriale eisen in Europa zouden zijn, dat ze bereid waren de Tsjechen te laten vallen. De Fransen wilden niet in hun eentje een oorlog in en zo kregen de Tsjechen achteraf te horen (want zij waren immers niet uitgenodigd op de conferentie) dat ze niet gesteund zouden worden en Sudetenland maar moesten opgeven.
Ook Hongarije stelde territoriale eisen met betrekking tot het Tsjecho-Slowaakse gebied. Deze eis was tijdens het Verdrag van München blijven liggen, maar werd uiteindelijk op 2 november 1938 alsnog voor een belangrijk deel ingewilligd: Duitsland en Italië wezen de zuidelijke grensstrook van Slowakije toe aan Hongarije via de Eerste toekenning van Wenen. Daartoe behoorde ook 20% van Roethenië.
Vanuit het Duitse leger bestond een complot tegen Hitler. Dit werd opgezet door de zogenaamde groep-Ludwig Beck, waartoe ook admiraal Wilhelm Canaris behoorde en later ook Erwin Rommel en Claus Schenk von Stauffenberg zouden toetreden. De staatsgreep was gepland omdat de leiders Duitsland niet opgewassen vonden voor een nieuwe oorlog. De bedoeling was strategische punten in Duitsland te bezetten door loyale legereenheden en Hitler te arresteren en te berechten op het moment dat hij bevel zou geven Tsjechslowakije aan te vallen. De aanklacht zou luiden dat Hitler Duitsland "ruïneerde". Men vermoedde dat geallieerde oorlogsverklaringen de doodsteek voor Hitlers imago zouden betekenen daar een oorlog zelfs in nazikringen niet populair was. Haviken als Ribbentrop en Hitler waren nog redelijk geïsoleerd, de meeste hogere functionarissen en partijbonzen zoals Göring vonden dat Duitsland niet klaar was voor een oorlog. De samenzweerders trachtten dan ook via allerlei kanalen Engeland en Frankrijk tot een strijdbare houding jegens Duitsland aan te zetten. Het Verdrag van München doorkruiste echter dit plan: Hitler kreeg langs diplomatieke weg wat hij wilde, en was populairder dan ooit. Een staatsgreep zou geen algemene steun meer krijgen en het plan werd dan ook afgeblazen.
Hitler bleef alles doen om Tsjecho-Slowakije verder te ondermijnen. Hij moedigde de Slowaken en Roethenen aan zo min mogelijk rekening te houden met de centrale regering in Praag. Slowakije en Roethenië namen beide de kans waar om hun autonomie te bewerkstelligen. Gesteund door Hitler riepen de Slowaakse separatisten op 14 maart 1939 de "onafhankelijkheid" van Slowakije uit, doch dit was in wezen een vazalstaat van Duitsland. In de nacht van 14 op 15 maart werd de Tsjechische president Emil Hácha, middels intimidatie, gedwongen de overgave te tekenen. Op 15 maart 1939 werd Praag door Duitse troepen bezet, waarna het resterende deel van Tsjechië met weinig weerstand door Duitsland werd geannexeerd. De Tsjechische soldaten bleven in hun kazernes en leverden hun wapens in. Hongarije nam de door hen begeerde delen in, inclusief Roethenië, op regie van Hitler. Op 16 maart 1939 stationeerden Duitse divisies zich in het westen van de vazalstaat Slowakije en het Tsjechische kerngebied werd uitgeroepen tot Protectoraat Bohemen en Moravië, dat eerst zou worden bestuurd door de Rijksprotector Konstantin von Neurath.
Verdere annexaties van het Derde Rijk
Op 22 maart 1939 werd Litouwen gedwongen om het in 1923 verworven Memelland terug te geven aan het Derde Rijk. Nadat de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 begonnen was, werd Polen veroverd. Grote gebieden in het westen van het door Duitsland verkregen deel van Polen werden direct bij het Rijk gevoegd: West-Pruisen en het Wartheland werden geannexeerd ondanks een Poolse meerderheid in die gebieden. Een Germanisering van de gebieden was het gevolg. De rest van West-Polen werd een Generalgouvernment onder Duitse bezetting, en dus een indirect deel van Duitsland. Tijdens de oorlog werden bovendien delen van Slovenië (Stiermarken), Elzas-Lotharingen, de Belgische Oostkantons en Galicië in de Oekraïne (bij het Generalgouvernment gevoegd) geannexeerd, waardoor Duitsland zo verder vergroot werd.
Ausschluss
Dit in tegenstelling tot de Ausschluss, de uitsluiting van Oostenrijk uit Duitsland, meestal geïmpliceerd onder Pruisische dominantie van Duitsland. De Anschluss was het onderwerp van een debat dat voorafging aan de oorlog tussen Oostenrijk en Pruisen in 1866. Het verlies van deze oorlog door Oostenrijk maakte het Otto von Bismarck in 1871 mogelijk een door Pruisen gedomineerd Duits Rijk op te richten. Na de Eerste Wereldoorlog viel Oostenrijk-Hongarije uiteen. Op 12 november 1918 werd de republiek Deutschösterreich uitgeroepen als onderdeel van Duitsland. Het Verdrag van Versailles uit 1918/1919 verbood echter nadrukkelijk iedere aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland, waarna een deel van Deutschösterreich een zelfstandige republiek werd. Aanvankelijk hield Oostenrijk nog verkiezingen, alleen voor mannen.

De verwijdering van een slagboom op de Duits-Oostenrijkse grens door douanebeambten van beide landen.

Stembiljet van de volksraadpleging van 10 april 1938

Hitler inspecteert een erewacht voor de Praagse burcht op 15 maart 1939.

De annexaties van nazi-Duitsland tussen 1938 en 1943.

Geallieerde bezettingszones in Oostenrijk

Oostenrijk, de Donau- und Alpengaue van het Derde Rijk, werd na de Tweede Wereldoorlog van 1945 tot 1955 bezet door de vier geallieerde mogendheden. Het land werd opgedeeld in vier bezettingszones.
Bezettingszones in Oostenrijk
De bezettingszones en het gemeenschappelijk bestuur van de stad Wenen werden op 4 juli 1945 vastgesteld. De globale verdeling had echter al eerder, bij het Verdrag van Moskou van 30 oktober 1943, plaatsgevonden. Op dit verdrag werden enkele wijzigingen aangebracht, toen Frankrijk als vierde bezettingsmacht werd toegevoegd. Waarschijnlijk was de geplande verdeling van Oostenrijk bij de Wehrmacht en de SS al bekend aangezien al in januari 1945 talrijke nazi's zich vestigden in de later door de Amerikanen bezette Salzkammergut.
De bezettingszones bestonden, met uitzondering van Wenen, uit:
Sovjetzone: Burgenland, Neder-Oostenrijk, Opper-Oostenrijk ten noorden van de Donau (Mühlviertel) en ten oosten van de rivier de Enns
Amerikaanse zone: Opper-Oostenrijk ten zuiden van de Donau en ten westen van de Enns, Salzburger Land, en de Salzkammergut in Stiermarken
Britse zone: Karinthië, Oost-Tirol, Stiermarken met uitzondering van de Salzkammergut
Franse zone: Noord-Tirol en Vorarlberg
Om van de ene zone naar de andere te reizen had men een geallieerde identiteitskaart nodig. Deze was moeilijk te krijgen en moest voorzien zijn van elf verschillende stempels. In juli 1954 werden deze controles opgeheven.
Bezettingszones in Wenen
Wenen werd oorspronkelijk, net als Berlijn door de Russen bezet. Pas na het Verdrag van Potsdam in augustus 1945 kwamen ook andere geallieerde troepen naar de hoofdstad. Hierbij werd de stad verdeeld in vier zones. De hoofdkwartieren van de verschillende bezettingsmachten waren gevestigd in Paleis Schönbrunn (Britten), de Oostenrijkse nationale bank (Amerikanen), hotel Kummer (Fransen) en in Baden bei Wien, net buiten Wenen (Russen).
De bezettingszones in Wenen
De zonegrenzen waren weliswaar duidelijk aangegeven, maar reizen tussen de verschillende zones was wel mogelijk. De saamhorigheid van de vier machten moest in de politie tot uitdrukking komen, waar van iedere bezetter één soldaat bij een patrouille hoorde. Dit mislukte echter, wat tot gevolg had dat Wenen het centrum van de spionage tussen de vier landen werd. Geïnspireerd door dit thema werden de speelfilms De derde man en Die Vier im Jeep gemaakt.
Bij de afbakening van de sectorgrenzen werd uitgegaan van de Weense gemeentegrenzen uit 1937, vóór de oprichting van het zogenaamde Groot-Wenen. De districten werden als volgt verdeeld:
Internationale zone (elke maand afwisselend door de vier machten): 1e district (binnenstad van Wenen);
Verenigde Staten: districten 7, 8, 9, 17, 18 en 19;
Groot-Brittannië: districten 3, 5, 11, 12 en 13;
Frankrijk: districten 6, 14, 15 en 16;
Sovjet-Unie: districten 2, 4, 10, 20, 21 en 22.
Verhouding tot de bezetters[bewerken]
Waar de geallieerden in eerste instantie als bevrijders werden onthaald, ontstonden later spanningen tussen de bevolking en de bezettingsmachten. Reden hiervoor was het hevige nationaalsocialisme onder de Oostenrijkse bevolking ten tijde van de Anschluss en de oorlog, wat kwaad bloed zette bij de geallieerden. Een andere reden was de propaganda onder het Duitse Rijk, dat de angst voor de vijand flink had opgewekt. De hoofdreden was echter de onzekere toekomst voor de bevolking met daarbij de angst voor een communistische overheersing.
In de Russische zone werden nazi's en SS'ers naar Siberië verbannen. Vaak werden nabestaanden hierover in het ongewisse gelaten. Het aantal zelfmoorden steeg, onder andere hierdoor, enorm. Omdat de wederopbouw voorrang moest krijgen en primaire levensbehoeften als voedsel, water, nutsvoorzieningen en transport veiliggesteld moesten worden, werden zogenoemde minderbelasten hiervoor ingezet. Hierdoor ontstond de situatie dat ambtenaren en officieren die eerder het naziregime hadden ondersteund, plaats kregen in de nieuwe overheidsinstellingen.
De spanning onder de bevolking steeg ten tijde van de Blokkade van Berlijn. Een luchtbrug van de geallieerden, zoals in Berlijn, was in Wenen onmogelijk. De beide luchthavens van de stad lagen immers in sovjetgebied. Daarom werden kleine start- en landingsbanen in Heiligenstadt en voor Paleis Schönbrunn aangelegd. Hier konden kleine vliegtuigen landen. Een volledige luchtbrug voor aanvoer van alle levensbehoeften zou echter niet mogelijk zijn geweest.
Einde van de bezetting
Hervormingen in het bestuur van de geallieerden waren al in 1953 zichtbaar. Zo werden de grensovergangen over de Enns en bij de Semmeringpas geopend, zodat treinen hier niet meer hoefden te wachten. Een gemeenschappelijk Oostenrijks paspoort werd ingevoerd en de laatste bonkaarten werden afgeschaft.
Op 15 mei 1955 werd het Oostenrijks Staatsverdrag gesloten, waarna op 19 oktober de laatste Russen en op 25 oktober de laatste Britten het land verlieten. De neutraliteit moest echter gehandhaafd blijven. Door het verdrag werd een permanente deling van Oostenrijk, zoals in Duitsland, afgewend. De neutraliteit werd in de grondwet van 26 oktober 1955 vastgelegd en tegenwoordig is 26 oktober een nationale feestdag.

Austria Bundesadler.svg

1945


Algemene gegevens
Hoofdstad
Wenen
Oostenrijk in de geschiedenis
Marchia Orientalis (976–1156)
Hertogdom Oostenrijk (1156–1453)
Aartshertogdom Oostenrijk (1453–1804)
Oostenrijkse Kreits (1512–1806)
Habsburgse Monarchie (1526–1804)
Keizerrijk Oostenrijk (1804–1867)
Ausgleich (1867)
Oostenrijk-Hongarije (1867–1918)
Republiek Duits-Oostenrijk (1918–1919)
Eerste Oostenrijkse Republiek (1919–1938)
Anschluss (1938)
Groot-Duitse Rijk (1938–1945)
Geallieerde bezettingszones (1945–1955)
Tweede Oostenrijkse Republiek (1955-heden
 

Oostenrijks referendum 1938

Het Oostenrijks referendum met betrekking tot de Anschluss vond op 10 april 1938 plaats. De bevolking van het reeds op 12 maart 1938 door Nazi-Duitsland bezette Oostenrijk moest zich uitspreken over de aansluiting (Anschluss) van Oostenrijk bij het Derde Rijk. Bij een opkomst van 99,71% stemde 99,73% van de Oostenrijkse kiesgerechtigden vóór de Anschluss.

Achtergrond
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog stortte het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk als een kaartenhuis in elkaar en viel uiteen in verschillende nieuwe staten, zoals Hongarije, Tsjechoslowakije, Joegoslavië, Polen en Oostenrijk. De voorlopige regering van de nieuwe republiek Oostenrijk wilde dat het land zich zou aansluiten bij republiek Duitsland omdat het kleine, nieuwgevormde Oostenrijk in hun ogen niet levensvatbaar was. De Entente-mogendheden, de overwinnaars die Oostenrijk-Hongarije en Duitsland hadden verslagen, voelden niets voor zo'n aansluiting. In hun ogen zou een Groot-Duits Rijk in de toekomst weer een bedreiging gaan vormen. Bij het Verdrag van Saint-Germain (1919), dat de vrede tussen Oostenrijk en de Entente bezegelde, werd een Anschluss expliciet verboden (artikel 88).

Tijdens het Interbellum bleven bepaalde politieke, de SDAPÖ (sociaaldemocraten) en met name de GDVP (Duits-nationalen), voorstanders van een Anschluss. De CS (katholieke partij) was en bleef tegenstander van een aanhechting van Oostenrijk aan Duitsland. Van de anti-democratische partijen was de DNSAP, de Oostenrijkse nazi-partij, de grootste pleitbezorger van een Anschluss. Dr. Engelbert Dollfuss, sinds mei 1932 bondskanselier, was een fel tegenstander van een Anschluss en verbood in 1934 alle politieke partijen en verving deze door het Vaterländische Front (VF). Later dat jaar werd Dollfuss door Oostenrijkse nazi's vermoord. Zijn opvolger, dr. Kurt Schuschnigg, zette de koers van Dollfuss voort en wist zich aanvankelijk gesteund door de Italiaanse dictator Mussolini die niks zag in een Groot-Duits Rijk al noorderbuur en wilde Oostenrijk als neutrale bufferstaat handhaven. De toenadering tussen Hitler en Mussolini die na 1936 plaatsvond, bezegelde het lot van Oostenrijk als onafhankelijke staat. Onder druk van Hitler zag Schuschnigg zich genoodzaakt om in het voorjaar van 1938 enkele nazi's in zijn regering op te nemen. Na chantage door Hitler trad Schuschnigg op 11 maart 1938 af, waarna nazileider Seyss-Inquart op 12 maart 1938 tot kanselier van Oostenrijk benoemd werd. Seyss-Inquart verzocht de regering van het Derde Rijk om het Duitse leger te sturen om in te staan voor de veiligheid van de Oostenrijkse bevolking. In de dagen daarna voltrok zich de bezetting van Oostenrijk die door de Oostenrijkse bevolking over het algemeen werd begroet.

Referendum

Na de bezetting van Oostenrijk wilde de Duitse regering de occupatie van het land legitimeren door het uitschrijven van een referendum dat op 10 april 1938 werd gehouden. Linkse Oostenrijkers en joden werd het stemrecht ontzegd. In aanloop naar het referendum voerde men een agressieve campagne om bij het referendum in te stemmen met een Anschluss. Tijdens de campagne werden antisemitische en anti-katholieke aanplakbiljetten en posters gebruikt. Dr. Karl Renner, de leider van de sociaaldemocraten en aartsbisschop Theodor Innitzer riepen de bevolking op om "ja" te stemmen bij het referendum.

99% van de bevolking sprak zich volgens de autoriteiten uit vóór de Anschluss. Hoewel men er niet aan hoeft te twijfelen dat de uitslag gemanipuleerd is, hoeft men er ook niet aan te twijfelen dat het overgrote deel van de bevolking op dat moment ook daadwerkelijk vóór een Anschluss was.

Het gebruikte stembiljet

Oostenrijks referendum van 20 januari 2013
"Stemt u met de op 13 maart 1938 voltrokken hereniging van
Oostenrijk met het Duitse Rijk in en stemt u voor de
lijst van onze Führer Adolf Hitler?"
KeuzeStemmenPercentageYes check.svg Ja4.453.91299,73%Dark Red x.svg Neen11.9290,27%Geldige stemmen4.465.84199,87%Ongeldige of blanco stemmen5.7770,13%Totaal aantal stemmen4.471.618100%Geregistreerde kiezers en opkomst4.484.61799,71%
 

 

Ostmark (gebied)

Ostmark was na de Anschluss van Oostenrijk in maart 1938, vanaf later in dat jaar de benaming van het door nazi-Duitsland geannexeerde Oostenrijk. Arthur Seyss-Inquart, de Oostenrijkse nazileider, werd door Adolf Hitler aangesteld als rijksstadhouder van de Ostmark (hij werd in 1940 rijkscommissaris in het bezette Nederland).

Aanvankelijk werd het geannexeerde Oostenrijk nog aangeduid als Land Österreich, maar op 14 oktober 1938 werd de naam in Ostmark veranderd. Deze naam verwees naar de middeleeuwse Oostmark die het zuidoostelijke grensgebied van het Heilige Roomse Rijk had gevormd.

In 1939 werd de Ostmark in zeven rijksgouwen (Reichsgaue) opgedeeld. De belangrijkste rijksgouw was die van Wenen. Baldur von Schirach, de vroegere leider van de Hitlerjugend, werd in 1940 gouwleider (Gauleiter) van Wenen. Vanaf 1940 werd het gebied van het voormalige Oostenrijk aangeduid als Reichsgaue der Ostmark. Deze naam deed echter nog te veel denken aan het vroegere, onafhankelijke Oostenrijk, dus werd de naam in 1942 veranderd in Alpen- und Donaureichsgaue

Slag om Wenen

De Slag om Wenen of Weens Offensief was een strijd tussen het Rode Leger en de Duitse Wehrmacht in Wenen en het Wienerwald en duurde van 2 april tot 13 april 1945.
Achtergrond
Na de Slag om Boedapest en de mislukking van Operatie Frühlingserwachen trok het 6de SS-Panzerleger zich in etappes terug naar het gebied om Wenen. De Duitsers bereidde wanhopig defensieve posities voor om te pogen de stad te beschermen tegen de snel oprukkende Sovjets.
Tijdens de lente van 1945 was de opmars van de 3de Oekraïense Front onder de Sovjet-generaal Fjodor Tolboechin die aan beide zijden van de Donau door West-Hongarije oprukte in een stroomversnelling geraakt.
Op 30 maart 1945 staken de oprukkende Sovjet-troepen de rivier de Hron en de Nitra over veroverde daarna Sopron en Nagykanizsa en staken ten slotte de grens van Hongarije met Oostenrijk over. Tolboechin was nu klaar om op te rukken in Oostenrijk en Wenen te veroveren.
De slag
Op 2 april 1945 ontkende Radio Wenen dat de Oostenrijkse hoofdstad tot open stad was verklaard. Op dezelfde dag naderde de Sovjet-troepen vanuit het zuiden Wenen, nadat ze eerder Wiener Neustadt, Eisenstadt, Neunkirchen en Gloggnitz hadden bezet. Baden en Bratislava werden op 4 april 1945 bezet.
Nadat ze in het gebied van Wenen waren gearriveerd omsingelde, belegerde en viel het 3de Oekraïense Front de stad aan. Betrokken bij de aanval waren het Sovjet 4de Gardeleger, het Sovjet 6de Garde Tankleger, het Sovjet 9de Gardeleger en het Sovjet 46ste Leger. De Oostenrijkse Verzetsgroep 05 geleid door Carl Szokoll wilde Wenen van vernietiging besparen en probeerde actief de Duitse verdedigingen te saboteren om de intocht van het Rode Leger te ondersteunen.
De enige belangrijke Duitse strijdmacht die tegenover de Sovjets stonden was de Duitse II.SS-Panzerkorps van het Zesde SS-Pantserleger samen met bijeengeraapte troepen uit het garnizoen en uit de eenheden van de luchtbescherming. De verdediging van Wenen werd geleid door generaal Rudolf von Bünau met de eenheden van de II.SS-Panzerkorps onder bevel van SS-generaal Wilhelm Bittrich.
De slag om de Oostenrijkse hoofdstad wordt in sommige gevallen gekenmerkt door hevige stadsgevechten, maar er waren ook delen in de stad waar de Sovjets weinig tegenstand ondervonden. De Zesde Panzer Division verdedigde vanuit het Prater Park, in het zuiden van de stad lagen de 2de en 3de SS-Panzer Divisions en in het noorden lag de Führer-Grenadier Division. De Sovjets vielen met het 4de Gardeleger en delen van het 9de Gardeleger Wenen binnen vanuit de oostelijke en zuidelijke buitenwijken. De Duitse verdedigers hielden de Sovjets tot 7 april uit de zuidelijke buitenwijk van de stad. Echter na het succesvol bereiken van diverse steunpunten in de zuidelijke buitenwijken, rukte de sovjets op 8 april de westelijke buitenwijken met het 6de Garde Tankleger en het grootste deel van het 9de Gardeleger binnen. De westelijke buitenwijken waren vooral van belang voor de Sovjets omdat daar het centraal station van Wenen bevond. Het sovjetsucces in de westelijke buitenwijken leidde snel tot infiltratie in de oostelijke en noordelijke buitenwijken later op de dag. Ten noorden van de Donau rukte het 46ste Leger door de noordelijke buitenwijken op naar het westen. Centraal-Wenen was nu van de rest van Oostenrijk afgesloten.
Op 9 april begonnen de Sovjets met de infiltratie in het centrum van de stad, maar de straatgevechten duurde nog enkele dagen voort. In de nacht van 11 april bestormde het 4de Gardeleger de Donau-kanalen met de 20ste Gardekorps en de 1ste Gemechaniseerde Korps die richting de Reichsbrücke oprukte. In een coup de main landde op 13 april troepen van de 80ste Gardedivisie en de 7de Garde Luchtlandingsdivisies op beide zijde van de brug waar ze de ontstekingsdraden doorknipte en de brug veiligstelde. Hoewel andere belangrijke bruggen wel waren verwoest. Wenen viel uiteindelijk op 13 april 1945 toen de laatste verdedigers van de stad zich overgaven. De II.SS-Panzerkorps van Bittrich was instaat in de avond van 13 april uit te breken naar het westen om omsingeling te voorkomen. Op dezelfde dag nam het 46ste Leger Essling in en er landde marine-infanterie-eenheden bij Klosterneuburg.
Terwijl de straatgevechten op 8 april in de zuidelijke en westelijke buitenwijken van Wenen verhevigde, rukte andere troepen van de 3de Oekraïense Front voorbij Wenen en rukte op richting Linz en Graz.
Nasleep
Op 15 april 1945 rukte de legers van het 3de Oekraïense Front verder Oostenrijk binnen. De compleet vermoeide overblijfselen van wat het 6. SS-Panzerleger was werd gedwongen te vluchten naar een gebied tussen Wenen en Linz. Net achter de terugtrekkende Duitsers waren delen van het Sovjet 9e Gardeleger en het Sovjet 46e Leger. Het Sovjet 26e Leger en het Sovjet 27e Leger rukte op naar het gebied ten noorden van Graz, net achter het terugtrekkende Duitse Zesde Leger. Het Sovjet 57ste Leger en het Bulgaarse 1ste Leger rukten ten zuiden naar Graz op, vlak achter het terugtrekkende Duitse 2de Pantserleger. Geen van deze Duitse legers was alleen in staat om de oprukkende Sovjets-troepen tijdelijk tot stilstand te brengen.
Bepaalde van de mooiste gebouwen van Wenen lagen na de slag in puin. Er was geen water, elektriciteit of gas en bendes van buitenlanders of Oostenrijkers plunderde en vielen weerloze burgers aan vanwege afwezigheid van politie. Terwijl de Sovjets aanvalstroepen in het algemeen zich gedroegen, was de tweede golf van Sovjet-troepen die in de stad arriveerde slecht gedisciplineerd. Die troepen gingen zich te buiten aan plundering en verkrachting.
Net als Bittrich kon generaal von Bünau voordat Wenen viel aan Sovjet-gevangenschap ontsnappen. Van 16 april 1945 tot aan de Duitse capitulatie leidde hij Generalkommando von Bünau en gaf zich uiteindelijk op 8 mei over aan de Amerikanen. Von Bünau was tot april 1947 krijgsgevangene, Bittrich die zich ook de Amerikanen overgaf bleef tot 1954 krijgsgevangene. Fjodor Tolboechin ging tot 1949 door met zijn commando over de sovjet Zuidelijke Groep van Eenheden en de Transkaukasische Militaire District.
De Oostenrijkse politicus Karl Renner richtte in april 1945 een Voorlopige Regering in Wenen op met de stilzwijgende goedkeuring van de Sovjets en verklaarde de Oostenrijkse afscheiding van Duitsland.

Het Rode Leger rijden met hun voertuigen door Wenen binnen

Het Rode Leger rijden met hun voertuigen door Wenen binnen
Datum 2 april - 13 april 1945
Locatie Wenen, Oostenrijk
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie
Strijdende partijen
Flag of the NSDAP (1920–1945).svg Duitsland Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie
Flag of the Bulgarian Homeland Front.svg Bulgarije
Leiders en commandanten
Flag of the NSDAP (1920–1945).svg Rudolf von Bünau
Flag of the NSDAP (1920–1945).svg Wilhelm Bittrich Flag of the Soviet Union.svg Fjodor Tolboechin
Flag of the Bulgarian Homeland Front.svg Vladimir Stoychev
Troepensterkte
1 leger (onderbezet)
Lokale strijders 4 legers (volledige sterkte)
644.700 Sovjets en 100.900 Bulgaren in 85 divisies en 3 brigades
Verliezen
19.000 doden
47.000 krijgsgevangenen
20.000 (Wenen) 5.000 (Omgeving) 20% van de slachtoffers waren burgers.

Oostenrijks persoon in de Tweede Wereldoorlog

Alois Brunner (SS'er)

Alois Brunner (Nádkút, 8 april 1912 - waarschijnlijk Damascus, december 2001)was een Oostenrijks oorlogsmisdadiger.
Op negentienjarige leeftijd werd hij lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij en de SA. Omdat de NSDAP verboden was, verloor hij zijn baan bij een warenhuis. Later werd hij ook lid van de SS.
In 1938 leerde hij Adolf Eichmann kennen en werd zijn assistent. Hij was van 1943 tot 1944 commandant van Kamp Drancy bij Parijs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij verantwoordelijk voor de dood van minstens 130.000 Joden.
Na de oorlog vluchtte hij via de rattenlijn naar Syrië, en ging daar wonen onder de schuilnaam dr. Georg Fischer. Hij werkte daar voor de geheime dienst. In 1954 en 1956 werd hij door een Franse rechtbank bij verstek ter dood veroordeeld. Bij aanslagen met bombrieven op zijn leven in 1961 en 1980 verloor hij één oog en een aantal vingers. Deze aanslagen waren gepleegd door de Israëlische geheime dienst Mossad. Hij werd tevergeefs gezocht door het echtpaar Serge en Beate Klarsfeld.
In 1987 vertelde Brunner in een telefonisch interview met de Amerikaanse krant Chicago Sun-Times vanuit Syrië dat hij geen spijt van zijn misdaden had en ze opnieuw zou begaan als hij de kans kreeg.
In 1989 stond Syrië op het punt om Brunner uit te leveren, maar door de val van de Muur ging dat niet door.
Sinds 1999 wordt beweerd dat Brunner in 1996 overleden is, maar deze geruchten zijn nooit bevestigd. Syrië heeft altijd geweigerd om hem uit te leveren. Er zijn ook nog andere geruchten dat hij onder strenge politiebewaking in het luxe "Meridian hotel" in de Syrische hoofdstad Damascus zou leven.
Op 2 maart 2001 werd hij bij verstek door een Franse rechtbank veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Op 9 december 2005 werd bekend dat de politie van Brazilië hem in Salvador da Bahia, in het noordoosten van dat land, op het spoor was: hij zou in 1999 vanuit Syrië daarheen geëmigreerd zijn, en op het moment van die bekendmaking (december 2005) op vakantie zijn in Luzern, Zwitserland. Zelf ontkende de gevonden persoon dat hij Alois Brunner was en beweerde veel jonger te zijn dan de gezochte nazi: hij zou in 1939 geboren zijn in Zwitserland. Op 13 juli 2007 werd bekend dat Oostenrijk hem nog steeds zoekt als voortvluchtige oorlogsmisdadiger, en dat tegen een beloning van vijftigduizend euro. Hetzelfde gold daarvoor voor Aribert Heim.
Op 30 november 2014 maakte het Simon Wiesenthal Center bekend Brunner van de lijst met meest gezochte nazi's afgehaald te hebben. Volgens het instituut is er voldoende bewijs dat Brunner in 2010 is overleden.
Op 11 januari 2017 melden drie Syrische oud-medewerkers van de Syrische geheime dienst aan het Franse tijdschrift XXI dat Brunner al in 2001 is gestorven.Een van de mannen, Omar, was naar eigen zeggen de bewaker van Brunner. Brunner werd vastgehouden door de dienst in een kelder in Damascus. Brunner zou daar al, in slechte omstandigheden, onder huisarrest hebben gestaan sinds het eind van de jaren negentig om veiligheidsredenen. In 2001, op 89-jarige leeftijd, zou hij zijn gestorven.
De exacte locatie van zijn graf zou niet te achterhalen zijn.
Militaire loopbaan
SS-Mann: 10 augustus 1939
SS- Untersturmführer: 20 april 1940
SS- Obersturmführer: 9 november 1940
SS- Hauptsturmführer: 30 januari 1942
Registratienummer[bewerken]
NSDAP-nr.: 510 064

Alois Brunner
Bijnaam dr. Georg Fischer (schuilnaam)
Geboren 8 april 1912
Nádkút, Oostenrijk-Hongarije
Overleden verdwenen 1996, waarschijnlijk 2001
Damascus, Syrië
Religie Gottgläubig[1]
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Rang SS-Hauptsturmführer collar.svg SS-Hauptsturmführer
Leiding over Kamp Drancy
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

Amon Göth

Amon Leopold Göth (Wenen, 12 november 1908 - Płaszów, 13 september 1946) was een Oostenrijks Hauptsturmführer van de SS en commandant van het naziconcentratiekamp Płaszów.
Levensloop

Op 22-jarige leeftijd sloot hij zich aan bij de Oostenrijkse nazipartij en de SS. Omdat de Oostenrijkse SS illegaal was tot de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland, is weinig bekend van de activiteiten van Göth in die tijd. Tussen 1932 en 1936 was Göth lid van de algemene-SS in Wenen. In 1937 had hij de rang van Oberscharführer bereikt. Tussen 1938 en 1941 opereerde hij bij de SS-Standarten, regiment 11, in Wenen. Op 14 juli 1941 kreeg hij de rang van Untersturmführer.
In augustus 1942 verliet Göth Wenen om naar Krakau te gaan. Hij werd benoemd tot SS-officier bij de concentratiekampdiensten en op 11 februari 1943 kreeg hij opdracht om een dwangarbeiderskamp te bouwen en te leiden bij Płaszów. Met dwangarbeiders duurde het een maand om het kamp te bouwen. Hierbij liet hij de grafzerken van een nabijgelegen joodse begraafplaats gebruiken om een verharde weg aan te leggen. Op 13 maart 1943 werd het getto van Krakau ontruimd; de overlevenden werden naar het nieuwe werkkamp gebracht. Bij de ontruiming kwamen naar schatting 2000 mensen om het leven, velen van hen werden persoonlijk door Göth geëxecuteerd.
Op 3 september 1943 was Göth betrokken bij de ontruiming van het getto in Tarnów. Een onbekend aantal mensen werd hierbij vermoord. Op 3 februari 1944 gaf Göth opdracht tot het sluiten van het concentratiekamp Szebnie. Veel gevangenen (naar schatting enkele duizenden) werden hierbij vermoord, anderen overgebracht naar andere kampen.
Op 20 april 1944 werd Amon Göth gepromoveerd tot SS-Hauptsturmführer. Dit betekende voor hem een dubbele promotie, omdat hij de rang van SS-Obersturmführer oversloeg. Hij werd ook benoemd tot officier van de Waffen-SS. Hij bleef commandant van het concentratiekamp Płaszów.
Göth was berucht om zijn martelingen en moorden in het concentratiekamp. Göth werd internationaal bekend door de film Schindler's List, hoewel het beeld van Göth dat in deze film werd geschetst (waarin hij bijvoorbeeld vanaf zijn balkon gevangenen doodschoot met een scherpschuttersgeweer) slechts een deel van zijn misdaden beschrijft. Van Göth wordt gezegd dat hij zeker 500 Joden persoonlijk heeft doodgeschoten. Poldek Pfefferberg (een van de Joden die door Oskar Schindler is gered) zei ooit: Als je Göth zag, zag je de dood.
Hoe precies de relatie tussen Göth en Oskar Schindler was, is niet duidelijk. Velen nemen aan (zoals ook in de film Schindler's List te zien is), dat Oskar Schindler bevriend werd met Göth om het leven van Joden te kunnen redden. Deze Joden woonden oorspronkelijk in een subkamp in de fabriek van Schindler. Maar op 4 september 1944, toen het leger van de Sovjet-Unie dichterbij kwam, moesten zij van de nazi-autoriteiten verhuizen naar het kamp in Płaszów. Toen het kamp Płaszów op 15 oktober zelf moest sluiten, kwam Schindler met zijn beruchte lijst van mensen die niet vermoord mochten worden, maar naar een nieuwe kriegswichtige fabriek in Brunnlitz in Tsjechoslowakije werden getransporteerd.
Op 13 september werd Amon Göth ontheven van zijn functie als commandant van het Płaszów-kamp. Korte tijd later werd hij beschuldigd van diefstal van Joodse goederen, die volgens de nazi's toekwamen aan het Rijk. Vanwege het verloop van de oorlog zou Göth nooit voor een rechtbank verschijnen. In Oostenrijk werd door SS-artsen een psychische stoornis vastgesteld. Hij werd naar een sanatorium gebracht, waar hij in mei 1945 door Amerikaanse troepen werd gearresteerd.
Na de oorlog werd Amon Göth door het hooggerechtshof van Polen schuldig bevonden aan de dood van tienduizenden mensen. Hij werd ter dood veroordeeld en op 13 september 1946 opgehangen, niet ver van de plaats waar Płaszów gelegen had.
In 2002 verscheen een boek met interviews met de dochter van Amon Göth, Monika Göth, onder de titel Ich muss doch meinen Vater lieben, oder?. Voor de eerste keer vertelde Monika Göth over haar moeder, die haar man altijd geprezen had, en de schok die haar moeder kreeg toen ze erachter kwam welke rol haar man bij de Holocaust gespeeld had. Na een serie interviews pleegde haar moeder, in de jaren tachtig, zelfmoord.
Militaire loopbaan
SS-Mann: 1930
SS-Scharführer: 1935
SS-Oberscharführer: 1941
SS-Untersturmführer: 14 juli 1941
SS-Hauptsturmführer: 1 augustus 1943
SS-Hauptsturmführer der Reserve Waffen-SS: 20 april 1944
SS-Sturmbannführer: onbevestigde promotie
Registratienummers[bewerken]
NSDAP-nr.: 510 764
SS-nr.: 43 673
Decoraties
Medaille ter Herinnering aan de 13e Maart 1938
Ehrenwinkel der Alten Kämpfer
SS-Julleuchter
Rijksinsigne voor Sport

Amon Göth in Poolse gevangenschap (1946)

Amon Göth in Poolse gevangenschap (1946)
Geboren 12 november 1908
Wenen, Oostenrijk-Hongarije
Overleden 13 september 1946
Płaszów
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Heimwehr
Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1932 - 1945
Rang HH-SS-Hauptsturmfuhrer-Collar.png SS Hauptsturmführer (Nachschub).jpg
SS-Hauptsturmführer
Eenheid 11. SS-Standarte
SS-Totenkopfverbände
Leiding over Commandant concentratiekamp Płaszów
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie decoraties
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

 

Edith Hahn Beer

Edith Hahn Beer (Wenen, 24 januari 1914 – Londen, 17 maart 2009) was een Oostenrijkse jodin die de Holocaust overleefde door een andere identiteit aan te nemen en te trouwen met een lid van de nazi-partij, de NSDAP.
Jeugd en studie
Edith Hahn werd geboren in een geassimileerd joods gezin van drie kinderen. Haar ouders, Clotilde en Leopold Hahn, bezaten een restaurant in Wenen, waar de familie graag vertoefde. Het was geen "kosjer" restaurant, omdat haar ouders niet orthodox waren, en zelden naar de synagoge gingen. Edith ontwikkelde zich als een gelukkig en intelligent kind. Ze was leergierig en leerde zo goed dat haar schoolleraar haar vader overhaalde om haar naar het hoger onderwijs te sturen, iets dat in die tijd voor meisjes ongebruikelijk was. Tijdens haar schooltijd werd Edith verliefd op Joseph 'Pepi' Rosenfeld, de zoon van een joodse vader en een katholieke moeder. Ze vonden elkaar in dezelfde intellectuele interesses. Met hem sprak ze over politiek, filosofie, over socialisme, en het verbeteren van de wereld. Twee derde van de bevolking in Wenen was destijds socialistisch. Ook Edith voelde zich aangetrokken tot het socialisme. Er werd in Oostenrijk nog niet veel over Hitler gesproken, omdat het opkomende nazisme in Duitsland ver van hun bed leek. Edith beschouwde Hitler niet als een 'denker', maar als een bombastisch spreker. Hoewel Edith voornamelijk geïnteresseerd was in filosofie, schreef ze zich in 1933 in aan de Universiteit van Wenen voor een rechtenstudie. Ze wilde advocaat of rechter worden, en voelde ambities om zich in te zetten voor rechtvaardigheid.
Anschluss
Tijdens haar studie werd Oostenrijk in 1938 ingelijfd bij Duitsland (de Anschluss), en werd het Edith onmogelijk gemaakt haar studie af te maken. Vlak voor haar laatste examen, waarna ze haar doctoraaldiploma in ontvangst zou nemen, kreeg ze te horen dat ze als jodin niet meer welkom was en haar diploma kon vergeten. In Oostenrijk ontwikkelde de Jodenhaat zich nog sneller en grimmiger dan in Duitsland en Edith wilde net als vele andere joden snel uit het land weg. Haar geliefde Pepi wilde dit echter niet, omdat zijn moeder had gedreigd met zelfmoord als hij dat zou doen. Edith voelde zich daardoor gedwongen te blijven omdat ze Pepi niet wilde verlaten. Haar twee zussen vertrokken nog net op tijd, op de avond van de Kristallnacht, naar Palestina. De niet-joodse moeder van Pepi had intussen besloten haar zoon bij de joden (en dus ook bij Edith) weg te halen. Nog diezelfde Kristallnacht moest Edith daarom afscheid nemen van Pepi.


Dwangarbeid
Edith en haar moeder werden door de Gestapo gedwongen te verhuizen naar het Weense ghetto, waar ze leefden in één kamer met 5 anderen, in een 1-persoonsappartement. De nazi's gingen over tot nauwkeurige registratie van alle joden, en in het voorjaar van 1941 moesten Edith en haar moeder zich melden bij het registratiebureau in Wenen. Maar terwijl ze in de rij stonden, werden ze eruit geplukt door de Gestapo om op transport te worden gezet naar Noord-Duitsland (Osterburg) voor dwangarbeid op het land. Edith pleitte voor haar moeder, om haar vanwege haar hoge leeftijd te sparen, hetgeen lukte. Maar Edith zelf ontkwam niet aan het transport. Hierna zouden moeder en dochter elkaar nooit meer zien. Pas na 13 maanden zou Edith terugkeren in Wenen, in juni 1942. Het was de bedoeling dat ze haar moeder zou weerzien, maar deze bleek twee weken daarvoor te zijn gedeporteerd naar Polen. Omdat Edith haar jodenster van haar kleding had gerukt en wilde onderduiken, keerde Pepi, die nog altijd in Wenen woonde, zich uit angst van haar af. Na zes weken te hebben geschuild in stadsparken, meldde Edith zich ten einde raad bij een nazi-vrouw van wie ze in Osterburg gehoord had dat die een jodin had geholpen. Deze vrouw was Maria Niederall, een lid van de NSDAP. Zij gaf Edith het adres van een man aan wie ze de volledige waarheid moest vertellen. Tot Ediths schrik bleek dit een SS'er te zijn, maar hij toonde zich inderdaad behulpzaam. Hij adviseerde Edith een paspoorttruc toe te passen, en gaf nauwkeurige aanwijzingen hoe dit moest worden uitgevoerd. Met hulp van haar christelijke vriendin Christl Margarethe Denner lukte dit. Hierna ging Edith door het leven als 'Margarethe (Grete) Denner'.
München en huwelijk
Met haar vervalste 'arische' paspoort reisde Edith in augustus 1942 naar München. Daar ging ze voor het Rode Kruis werken. Vlak daarna ontmoette ze in een kunstgalerie Werner Vetter, een kunstschilder die uit broodnood vliegtuigen voor de Luftwaffe beschilderde en lid was van de NSDAP. Werner werd verliefd op Grete (Edith) en vroeg haar ten huwelijk. Omdat Edith besefte dat de ontdekking van haar ware identiteit na een huwelijk met een NSDAP-lid haar in diepe problemen kon brengen, besloot ze hem de waarheid omtrent haar joods-zijn en haar valse papieren te vertellen. Tot haar verrassing vond Werner dit geen probleem. Hij beloofde haar joodse identiteit geheim te houden, een belofte die hij nooit geschonden heeft. Begin 1943 trok ze bij hem in, in zijn appartement in Brandenburg an der Havel. Toen Edith op de kinderafdeling van het plaatselijke ziekenhuis werd geplaatst, ontstond bij haar de wens een kind te krijgen. Werner ging onder sputteren akkoord, op voorwaarde dat ze zouden trouwen. En zo geschiedde op 16 oktober 1943. Op 9 april 1944 werd hun dochter Maria Angelika Vetter geboren. Zij is vermoedelijk het enige joodse kind dat in een nazi-ziekenhuis ter wereld kwam. Op 1 september 1944 werd Werner opgeroepen voor het leger om te vechten aan het Oostfront. Zijn superieur zag kwaliteiten in Werner, en maakte hem tot officier. En zo werd de eens door nazi's opgejaagde jodin Edith Hahn de vrouw van een nazi-officier. In maart 1945 werd Werner door de Russen gevangengenomen toen zijn legereenheid werd aangevallen, waarna hij naar een gevangenkamp in Siberië werd gestuurd.
Na de oorlog
Hoewel ook het appartement van Werner en Edith in Brandenburg door de geallieerde bombardementen op Duitsland was verwoest, vond ze wonderwel in de rokende puinhopen haar originele paspoort en universiteitspapieren terug, die ze daar in een koffer had verstopt. Ze hernam daarop haar oorspronkelijke identiteit, en heette voortaan "Edith Vetter geb. Hahn". Op zoek naar nieuws over haar moeder, toog ze naar een doorgangskamp in Berlijn voor overlevende Joden. Daar werd ze door mede-Joden echter begroet met haat, omdat ze de oorlog ongeschonden had doorstaan en er zo gezond uitzag. De communisten boden haar een baan aan als rechter in Brandenburg, die ze met beide handen aannam. Twee jaar na de oorlog keerde Werner Vetter tegen alle verwachting in levend terug. Edith wilde de relatie met hem voortzetten, en zelfs een nieuw kind van hem, omdat ze van hem hield en hij haar al die tijd bescherming had geboden. Werner was echter niet opgewassen tegen de verandering die zijn 'Grete' had ondergaan. Van een dienstbare huisvrouw was Edith veranderd in een zelfbewuste vrouw die een baan als rechter had, en niet altijd voor hem klaar kon staan. Dit gaf zoveel wrijving dat Werner een scheiding aanvroeg. Hij stierf in 2002 in Duitsland. Na haar scheiding met Werner Vetter kon Edith zich steeds minder vinden in het strenge communistische beleid in (Oost)Duitsland, en vertrok ze naar Londen waar haar zus woonde.
Later leven
In 1957 hertrouwde Edith met Fred Beer, een in Londen woonachtige Weense jood, die net als zij de Holocaust had overleefd. Na zijn dood, emigreerde Edith naar Israël. In haar laatste levensfase keerde zij toch weer terug naar Londen, waar ze haar laatste jaren sleet in een verpleeghuis. In 1999 verscheen haar Engelstalige autobiografie, die het jaar daarop in het Duits werd uitgegeven onder de titel Ich ging durchs Feuer und brannte nicht. In 2002 werd haar boek tot een documentaire verfilmd, onder regie van Liz Garbus.

Aribert Heim

Aribert Heim alias Dr. Tod en Tarek Hussein Farid (Bad Radkersburg, 28 juni 1914 - Caïro, 10 augustus 1992) was een Oostenrijks nazi-arts en oorlogsmisdadiger.
Rol in de Tweede Wereldoorlog
In het voorjaar van 1940 werd hij lid van de Waffen-SS en in oktober 1941 werd hij naar concentratiekamp Mauthausen gestuurd, waar hij gruwelijke medische experimenten uitvoerde op gevangenen. Later ging hij werken in een veldhospitaal in Wenen en ook was hij arts bij de 6. SS-Gebirgs-Division Nord in Finland. Hij kreeg voor zijn rol in de Tweede Wereldoorlog de bijnaam Doktor Tod (Dr. Death) en Mini Mengele.
Onder Heim groeide het Mauthausen-kamp uit tot een centrum voor medische experimenten. Omdat hij en zijn collega-wetenschappers aan een programma werkten om een verdovende pijnstiller te fabriceren, wilde hij de diepere dynamiek van het pijngevoel, en het uithoudingsvermogen van het organisme doorgronden. Mensen waren voor hem hierbij slechts proefkonijnen. Heim liet zijn slachtoffers op een operatietafel vastbinden, stelde hen met perverse zin voor wellevendheid op hun gemak, en begon met zijn 'wetenschappelijke experimenten', een Zeiss-Chronometer in de hand om vast te stellen hoelang het proefobject erover deed om te sterven, en hoe spastisch en luidkeels diens doodsstrijd verliep. Drie Spanjaarden kregen bijvoorbeeld benzeen in het hart of de longen geïnjecteerd. Bij anderen werden zonder narcose de appendix of ledematen geamputeerd.
Het gruwelijkste verhaal is dat van twee Joodse mannen, 18 en 20 jaar oud. Heim beloofde hun dat ze zouden worden vrijgelaten in ruil voor een kleine, onschuldige ingreep. Ze werden echter door Heim verdoofd en vervolgens met een operatiemes opengesneden en ontleed. Nadat beide slachtoffers ontleed waren, werd hun hoofd afgesneden waarna de overige delen van de lichamen werden verbrand.[3] Eén van deze Joodse hoofden kwam als presse-papier op Heims bureau te staan. Het andere schonk hij als trofee aan een bevriende nazi. Ook liet hij lampenkappen vervaardigen van de geprepareerde huid van zijn slachtoffers.
Na de Tweede Wereldoorlog
Op 15 maart 1945 werd hij gevangengenomen door Amerikaanse soldaten. Hij werd om vreemde redenen (die mogelijk verband houden met de intussen bekende pogingen van Amerikanen en Sovjets om naziwetenschappers in dienst te nemen) vrijgelaten en werkte na de oorlog als gynaecoloog in het chique kuuroord Baden-Baden, totdat hij in 1962 verdween. Dat was de tijd van Eichmann in Jeruzalem, van Hannah Arendts verslagen in de NY Times, en van het ontwakende besef dat veel nazi's zich ongestoord onder het volk bevonden.
Zijn familie had iedereen voorgelogen dat Heim in Zuid-Amerika was overleden aan kanker; er werd echter nog steeds geld overgemaakt onder zijn naam. In 2000 ontdekte het Simon Wiesenthal Centrum een geheime bankrekening van hem in Berlijn. Er werd een internationaal opsporingsbevel uitgevaardigd en Heim werd op de lijst gezet van het project Operation Last Chance, een operatie van het Simon Wiesenthalcentrum. In november 2005 werd verklaard dat hij was gezien in Palafrugell in Spanje, maar later weer zou zijn verdwenen. Op 13 juli 2007 werd bekend dat Oostenrijk hem nog steeds hoopte op te sporen als voortvluchtige oorlogsmisdadiger tegen een beloning van 50.000 euro. Dit gold ook voor Alois Brunner.
Lange tijd werd gedacht dat Heim zich in Spanje ophield. Verwanten zouden tot 2003 nog geld aan hem hebben kunnen overmaken. Tevens doken regelmatig getuigenissen op van mensen die hem daar meenden te hebben gezien, herkenbaar aan het V-achtige litteken aan de rechterkant van zijn mond. Heim was ruim 1.89 meter lang.
Op 30 juni 2008 uitte het hoofd van het Simon Wiesenthal Centrum de beschuldiging dat een rechter in het Duitse Baden-Baden de zoektocht naar Aribert Heim blokkeerde.In juli 2008 maakte het Simon Wiesenthal Centrum het vermoeden bekend dat Aribert Heim mogelijk in Chili zou verblijven. Heims 62-jarige dochter Waltraud Boser woont inderdaad in het Chileense Puerto Montt.
Overlijden
Op 4 februari 2009 publiceerden de New York Times en de Duitse publieke televisieomroep ZDFde conclusies van een gemeenschappelijke recherche. De berichten meldden dat Aribert Heim reeds 1992 in Caïro aan darmkanker overleden zou zijn. Hij zou aldaar op een armenbegraafplaats zijn bijgezet, nadat de Egyptische autoriteiten erachter waren gekomen dat Heims zoon het lichaam van zijn vader aan de wetenschap ter beschikking wilde stellen. Daar Heim zich reeds in de jaren 80 tot de islam zou hebben bekeerd (onder de schuilnaam Tarek Hussein Farid), zou dit echter verboden zijn; vermoedelijk is zijn lichaam in een massagraf begraven. Voordat hij zich bekeerde, gebruikte hij in het dagelijks leven zijn tweede voornaam Ferdinand. Het Simon Wiesenthalcentrum wenste een nader onderzoek met bij voorkeur DNA-bewijs; het zou niet de eerste keer zijn dat een oorlogsmisdadiger zijn eigen dood zou veinzen.
Op 21 september 2012 werd Heim door een Duitse rechtbank officieel dood verklaard.
Trivia
Volgens het in oktober 2007 verschenen boek "Ni oubli, Ni pardon" (Vergeten, noch vergeven) van de Israëlische ex-commando Danny Baz zou Aribert Heim door de groep nazi-jagers La Chouette (De uil), waar hij deel van zegt te hebben uitgemaakt, om het leven zijn gebracht op het eiland Santa Catalina voor de Californische kust in 1982. Dit na hem te hebben opgespoord in Canada en vervolgens te hebben ontvoerd. De groep werd gefinancierd door een slachtoffer van Heim, die na de oorlog zijn opgebouwde vermogen inzette om wraak te nemen. La Chouette zou ook leden van een Duits executiepeloton, dat op de Balkan Joodse Europeanen vermoordde, en enkele Hongaarse nazicollaborators hebben vermoord. De groep zou de moord op Heim geheim hebben gehouden. Ook de familie van Heim zweeg, onder meer om zijn pensioen en andere inkomsten op te strijken, aldus Baz in zijn autobiografie. Nazi-jager Efraim Zuroff, boegbeeld van de Wiesenthalstichting, verklaarde echter dat dit boek bestond uit leugens en dat Heim nog steeds in leven zou zijn: zo zou hij in 1986 nog een brief aan zijn familie hebben geschreven.
Registratienummers
NSDAP-nr.: 6 116 098
SS-nr.: 367 744 (1 oktober 1938)

Aribert Heim
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Bijnaam Dr. Tod
Mini Mengele
Tarek Hussein Farid
Geboren 28 juni 1914
Bad Radkersburg, Oostenrijk-Hongarije
Overleden 10 augustus 1992
Caïro, Egypte
Begraven Begraafplaats voor de arme; Caïro, Egypte
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Logo-WaffenSS.jpg Waffen-SS
Dienstjaren 1940 - 1945
Rang HH-SS-Hauptsturmfuhrer-Collar.png SS Hauptsturmführer (Nachschub).jpg
SS-Hauptsturmführer
Eenheid SS-Verfügungstruppe
Concentratiekamp Mauthausen
6. SS-Gebirgs-Division Nord
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Vervolgoorlog
Westfront
Slag om de Ardennen
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

Otto Hofmann

Otto Hofmann (Innsbruck, 16 maart 1896 - Bad Mergentheim, 31 december 1982) was een Oostenrijkse SS-Obergruppenführer. Hij maakte tijdens de naziperiode deel uit van het ministerie voor Rassenvestiging.

Oorspronkelijk opgeleid als wijnhandelaar werd Hofmann in 1931 lid van de SS. In de periode 1937-1943 was Hofmann het hoofd van de RuSHA (Ras en Vestigingsbureau) binnen de SS. In zijn ambt nam hij ook deel aan de Wannseeconferentie op 20 januari 1942. In 1943 werd hij overgeplaatst naar Stuttgart als SS-leider voor de politie in Zuidoost-Duitsland.

Otto Hofmann tijdens een toespraak in Nederland (juli 1942)
In 1948 werd hij veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf voor oorlogsmisdaden maar hij werd vrijgelaten in 1954.

Militaire loopbaan
General der Waffen-SS: 1 juli 1944
SS-Obergruppenführer en General der Polizei: 21 juni 1943
Generalleutnant der Waffen-SS: 27 juni 1942
SS-Gruppenführer: 20 april 1941
SS-Brigadeführer: 10 september 1939
SS-Oberführer: 15 september 1935
SS-Standartenführer: 20 april 1934
SS-Obersturmbannführer: 1 januari 1934
SS-Sturmbannführer: 30 januari 1933
SS-Hauptsturmführer: 9 september 1932
SS-Untersturmführer: 17 december 1931 (datum indiensttreding in de SS)
Leutnant: maart 1917
Fahnenjunker: 1914
Registratienummers
NSDAP-nr.: 145 729 (lid 1 augustus 1929)
SS-nr.: 7646 (lid 1 april 1931)
Decoraties
IJzeren kruis 1914, 1e klasse (18 november 1918) en 2e klasse (december 1916)
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e klasse en 2e klasse met Zwaarden
Gouden Ereteken van de NSDAP
Dienstonderscheiding van de NSDAP in zilver en brons
Dienstonderscheiding van de SS
Ehrendegen des Reichsführers-SS
SS-Ehrenring
Erekruis voor de Wereldoorlog
Ehrenwinkel der Alten Kämpfer
Landesorden
Badge voor Observatieofficieren vanuit vliegtuigen in januari 1919

Tijdens het proces in maart 1948

Tijdens het proces in maart 1948
Geboren 16 maart 1896
Innsbruck, Oostenrijk
Overleden 31 december 1982
Bad Mergentheim
Land/partij Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel War Ensign of Germany (1903-1918).svg Deutsches Heer
Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1914 - 1919
1931 - 1945
Rang HH-SS-Obergruppenfuhrer-Collar.png SS Obergruppenführer.jpg
SS-Obergruppenführer
Eenheid 9. Bayerischen Feldartillerie-Regiment
Bayerischen Reserve-Feldartillerie-Regiment 8
Leiding over Chef van de SS-Rasse und Siedlungshauptamt
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Oostfront
Tweede Wereldoorlog

Ernst Kaltenbrunner

Dr. Ernst Kaltenbrunner (Ried im Innkreis, 4 oktober 1903 - Neurenberg, 16 oktober 1946) was een Oostenrijks SS-Obergruppenführer en hoofd van het Reichssicherheitshauptamt ('Hoofddienst voor de Rijksveiligheid'), RSHA, van het Derde Rijk.
Achtergrond en eerste jaren bij de SS
Kaltenbrunner studeerde rechten en was vervolgens enkele jaren als advocaat werkzaam. In 1932 sloot hij zich bij de Oostenrijkse nationaalsocialisten aan. Als zodanig was hij ook betrokken bij de geslaagde moordaanslag in 1934 op de Oostenrijkse bondskanselier Engelbert Dollfuss van het katholieke nationale Heimatfront. In 1937 werd hij chef van de Oostenrijkse SS. Na de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland (Anschluss) werd hij in augustus 1938 staatssecretaris voor veiligheidszaken in de regering van Arthur Seyss-Inquart. In september van datzelfde jaar werd hij door SS-leider Heinrich Himmler tot Höhere SS- und Polizeiführer Donau benoemd. In deze functie had hij de leiding over de gehele SS van het Oostenrijkse deel van het Duitse Rijk.
Hoofd van het RSHA
Kaltenbrunner voelde zich achtergesteld bij Reinhard Heydrich, de chef van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), de binnenlandse veiligheidsdienst van nazi-Duitsland. Onderdelen van het RSHA waren onder andere de Sicherheitsdienst (SD) en de Geheime Staatspolizei (Gestapo). De SD en de Gestapo maakten zich op grote schaal schuldig aan martelingen en moord. Met name op Joden, andersdenkenden en mogelijke vijanden van het Derde Rijk.
Nadat er op 27 mei 1942 in Praag een succesvolle moordaanslag op Heydrich was gepleegd, werd Kaltenbrunner op 30 januari 1943 als nieuwe chef van het RSHA aangesteld. Zijn belangrijkste ondergeschikten waren Heinrich Müller, chef van de Gestapo en Adolf Eichmann, organisator van de Endlösung. Kaltenbrunner kreeg ook de supervisie over de beruchte SS-Einsatzgruppen. Deze moordeenheden van de SS kwamen in Rusland achter de gewone legereenheden aan om in het net veroverde gebied eventueel verzet tegen de Duitsers uit te schakelen en Joden te vermoorden. Later werden ze ingezet in de concentratiekampen. De Einsatzgruppen pleegden op grote schaal genocide en hebben honderdduizenden burgers vermoord.
Kaltenbrunner hield zich zeer actief bezig met de Jodenvervolging, getuige de vele door hem opgestelde en ondertekende documenten. Zijn macht groeide steeds meer. Op 21 juni 1943 werd hij bevorderd tot SS-Obergruppenführer en General der Polizei. Na de aanslag van 20 juli 1944 op Hitler zorgde hij als hoofd van het RSHA ervoor dat diverse samenzweerders snel ter dood werden gebracht en andere werden opgespoord en verhoord. Zijn macht werd nog groter en hij werd Hitlers vertrouweling. Nadat admiraal Wilhelm Canaris eind juli 1944 was gearresteerd, werd ook de inlichtingendienst Abwehr in het RSHA opgenomen. Canaris speelde namelijk een belangrijke rol in het Duitse verzet, zo had de SD ontdekt. Op 1 december 1944 volgde Kaltenbrunners promotie tot General der Waffen-SS.
Laatste oorlogsmaanden en proces van Neurenberg[bewerken]
In april 1945, vlak voor de zelfmoord van Hitler, verplaatste Kaltenbrunner het kantoor van het RSHA naar Oostenrijk om de strijd tegen de geallieerden aldaar voort te zetten. Daar kwam echter niets van terecht en op 11 mei werd hij door het Amerikaanse leger gevangengenomen.
Op 23 mei 1945 pleegde Himmler zelfmoord, waarna de geallieerden Kaltenbrunner als belangrijkste man van de SS zagen. Doordat er veel documenten van hem bewaard waren gebleven, werden hem drie van de vier hoofdaanklachten ten laste gelegd en in totaal dertien aanklachten. De belangrijkste getuige in het proces tegen hem was Rudolf Höss, de voormalige commandant van het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz.
Kaltenbrunner verdedigde zich door te zeggen dat hij niet van de toestanden in de concentratiekampen had geweten en dat hij helemaal niet de Europese Joden had willen vermoorden. Maar er was bewijs dat hij verscheidene malen het concentratiekamp Mauthausen had bezocht en minstens één keer getuige van een vergassing was geweest. Ernst Kaltenbrunner werd op 1 oktober 1946 schuldig bevonden aan de derde en de vierde hoofdaanklacht, te weten oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd veroordeeld tot de dood door de strop. Het vonnis werd even na middernacht op 16 oktober te Neurenberg uitgevoerd. Zijn laatste woorden waren "Deutschland, Sieg Heil".

Ernst Kaltenbrunner tijdens het proces in Neurenberg(foto: Truman Library)

Ernst Kaltenbrunner tijdens het proces in Neurenberg
(foto: Truman Library)
Geboren 4 oktober 1903
Ried im Innkreis, Oostenrijk-Hongarije
Overleden 16 oktober 1946 (43 jaar)
Neurenberg, Amerikaanse bezettingszone in Duitsland
Begraven Lichaam gecremeerd; as verstrooid in de rivier de Isar.
Religie Rooms-kaholiek, verklaarde zich later “Gottgläubig”[1]
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1931 - 1942
Rang HH-SS-Obergruppenfuhrer-Collar.png SS Obergruppenführer.jpg
SS-Obergruppenführer und General der Polizei und Waffen-SS
Leiding over Chef van het Reichssicherheitshauptamt
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Advocaat

Militaire loopbaan
SS-Mann: 31 augustus 1931
SS-Oberscharführer: 1932
SS-Sturmhauptführer: 25 september 1932
SS-Standartenführer: 20 april 1936
SS-Oberführer: 20 april 1937
SS-Brigadeführer: 12 maart 1938
SS-Gruppenführer: 11 september 1938
SS-Untersturmführer der Reserve: 1 juli 1940
Generalleutnant der Polizei: 1 april 1941
SS-Obergruppenführer und General der Polizei: 21 juni 1943
General der Waffen-SS: 1 december 1944
Registratienummers
NSDAP-nr.: 300 179 (lid 18 oktober 1930)
SS-nr.: 13 039 (lid 31 augustus 1931)
Decoraties
Ridderkruis van het Kruis voor Oorlogsverdienste op 15 november 1944 als SS-Obergruppenführer und General der Polizei & Chef, RSH
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e klasse (30 januari 1943) en 2e klasse (1942) met Zwaarden
Ehrenwinkel der Alten Kämpfer
SS-Ehrenring
SS-Julleuchter
Ehrendegen des Reichsführers-SS
Bloedorde op 6 mei 1942
Gouden Ereteken van de NSDAP op 30 januari 1939
Medaille ter Herinnering aan de 13e Maart 1938 in 1938
Anschlussmedaille met Gesp „Prager Burg“ in 1938
Dienstonderscheiding van de NSDAP in zilver (1939) en brons
Dienstonderscheiding van de SS, 4e, 3e en 2e graad
Duitse Kruis in zilver op 22 oktober 1943 als SS-Obergruppenführer und General der Polizei und Chef RSiHA Berlin[4]
SS-Zivilabzeichen-nr.: 160180

Ella Lingens

Ella Lingens-Reiner (Wenen, Oostenrijk-Hongarije, 18 november 1908 - 30 december 2002) was een Oostenrijkse juriste en arts die als tegenstander van het nationaalsocialisme van 1943 tot 1945 in verschillende concentratiekampen zat. In 1980 kreeg zij van Jad Wasjem de eretitel Rechtvaardige onder de Volkeren.
Leven
Ella Lingens studeerde geneeskunde en rechten aan de Ludwig Maximilians-Universiteit in München, de Philipps-Universiteit in Marburg en de Universiteit van Wenen. Zij was getrouwd met de Duitse arts Kurt Lingens, die al in 1933 wegens zijn lidmaatschap van een antifascistische studentengroep van alle Duitse universiteiten was uitgesloten.
Na de Anschluss van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland in maart 1938 overlegde het paar of ze zouden emigreren of in Oostenrijk blijven, en of het mogelijk was te blijven zonder medeschuldig te worden. Ze besloten voorlopig nog niet te emigreren.
In de maanden na 12 maart 1938 hielpen ze joodse medestudenten van Ella Lingens te emigreren. Tijdens de Kristallnacht verborgen ze in hun huis aan de rand van Wenen tien joodse families. Andere joodse mensen hielp het paar naar Hongarije te vluchten, ze namen verschillende van hen voorlopig in huis en ze ondersteunden de ouders van vertrokken vrienden met levensmiddelen.
In de zomer van 1942 begonnen de omvangrijke deportaties van de nog in Wenen verblijvende joden. Sommigen wendden zich tot het echtpaar Lingens om hulp. In de zomer van 1942 verzocht de Poolse ondergrondse, waarmee ze contact hadden, Ella en Kurt Lingens twee joodse echtparen bij hun vlucht te helpen. Ze namen een paar in huis en vonden een onderduikadres voor het andere paar. Met hulp van een tussenpersoon zouden de echtparen naar Zwitserland gebracht worden. Deze tussenpersoon, een vroegere acteur genaamd Klinger, was echter een politiespion van de Gestapo, die de vluchtelingen op 4 september 1942 in Feldkirch aan de autoriteiten verried en hun helpers verklikte. Ella en Kurt Lingens werden op 13 oktober 1942 gearresteerd en in het Weense hoofdkwartier van de Gestapo in het voormalige Hotel Metropol aan de Morzinplatz gevangengezet. Kurt Lingens werd naar een strafcompagnie in Rusland gestuurd.
Ella Lingens werd vervolgens vier maanden in de Gestapo-gevangenis in Wenen opgesloten en herhaaldelijk verhoord. In februari 1943 werd ze naar Auschwitz gedeporteerd. Hoewel zij als arts een bevoorrechte positie had, zette zij zich voor haar medegevangenen in en probeerde hen te behoeden voor vernietiging. Maar ook voor Lingens was Auschwitz de hel. In april 1943 kreeg zij vlektyfus en overleefde ternauwernood. Halverwege 1943 werd zij voor twee maanden naar het buitencommando Babitz van Auschwitz overgeplaatst. In december 1944 werd zij naar Dachau getransporteerd, waar ze, onder andere in het Agfacommando, gevangen bleef tot eind april 1945 Dachau door het Amerikaanse leger werd bevrijd.
Daarna moest zij een haar leven opnieuw opbouwen. Zoals veel andere concentratiekampoverlevers werd ook zij geplaagd door schuldgevoel: Leef ik, terwijl de anderen in mijn plaats gestorven zijn? vroeg ze zich herhaaldelijk af. In tegenstelling tot veel andere concentratiekampgevangenen begon zij al in 1947 haar herinneringen op te schrijven en haar ervaringen in Auschwitz te analyseren.
In de jaren na de bevrijding, toen het nationaalsocialistische verleden van Oostenrijk werd doodgezwegen, liet Ella Lingens zich er niet van weerhouden aan de misdaden van het verleden te herinneren. Ze ging, ondanks de daarmee verbonden psychische belasting, als ooggetuige naar scholen en lerarenopleidingen, om de volgende generatie over het duistere verleden van fascisme, oorlog en dictatuur te vertellen.
Hoewel ze in het buitenland vereerd en gewaardeerd werd, bleef Ella Lingens in Oostenrijk grotendeels onbekend. Na de oorlog rondde zij haar studie geneeskunde af en werkte in verscheidene klinieken en in de openbare gezondheidszorg. Ze werd adviseur van het ministerie voor gezondheid en milieu en ging in 1973 met pensioen.
In maart 1964 trad Lingens tijdens het eerste Frankfurter Auschwitzproces op als getuige.Jad Wasjem kende Ella Lingens-Reiner en Kurt Lingens in 1980 in Jeruzalem de eremedaille Rechtvaardige onder de Volkeren toe.
Ella Lingens-Reiner stierf op 30 december 2002 in Wenen. Haar zoon Peter Michael Lingens berichtte later: Een paar dagen voor haar dood verliet mijn moeder nog een keer haar bed. Ze steunde tegen de muur van de kamer en van de lange gang en stond plotseling, kennelijk wat verward, in de deur van de woonkamer. Terwijl elk gesprek verstomde, herhaalde ze met angstig opengesperde ogen een enkele zin: "Zullen jullie mij niet verbranden? Jullie zullen mij toch niet verbranden hè?Ze werd op 10 januari 2003 op de Weense Algemene Begraafplaats bijgezet in een eregraf (groep 40, nummer 90).
In 2003 verscheen haar boek Gefangene der Angst – Ein Leben im Zeichen des Widerstandes, dat door haar zoon, die intussen een van de bekendste journalisten van Oostenrijk geworden was, opnieuw werd uitgegeven. Daarin beschreef ze de jaren van het verzet en haar ervaringen als gevangene in de nationaalsocialistische concentratiekampen.
Trivia
Een Weense middelbare school in Floridsdorf draagt sinds 2006 de naam Ella Lingens Gymnasium.
In 2012 werd in Wenen Donaustadt de Ella Lingens Straße naar haar genoemd.
Bibliografie[bewerken]
Prisoners of Fear. Met een voorwoord door Arturo Barea. London: Victor Gollancz, 1948
Gefangene der Angst. Ein Leben im Zeichen des Widerstandes. Deuticke, Wenen 2003, ISBN 3-216-30712-3. (Daaruit het Personenregister)
Berliner Taschenbuch Verlag btv, Berlin 2005, ISBN 383330152X.
Selektion im Frauenlager. In Hans Günther Adler, Hermann Langbein & Ella Lingens-Reiner (Hrsg.): Auschwitz. Zeugnisse und Berichte. Europäische Verlagsanstalt EVA, 2. Keulen 1979, ISBN 3434004114, pag. 98–104.[5]
6e Aufl., met een voorwoord van Katharina Stengel: Schriftenreihe 1520. Bundeszentrale für politische Bildung BpB, Bonn 2014 ISBN 9783838905204 pag. 100 - 107
Literatuur
Hermann Langbein: Menschen in Auschwitz. Ullstein, Frankfurt 1980, ISBN 3-548-33014-2
Lexikon der Gerechten unter den Völkern. Deutsche und Österreicher. Hrsg. door Daniel Fraenkel (Duitser) en Jakob Borut (Oostenrijker). Wallstein, Göttingen 2005, ISBN 3-89244-900-7, pag. 332f
Ilse Korotin (Hrsg.): „Die Zivilisation ist nur eine ganz dünne Decke ...“ Ella Lingens (1908–2002). Ärztin, Widerstandskämpferin, Zeugin der Anklage. Serie: Biografia. Neue Ergebnisse der Frauenbiografieforschung, 8e praesens, Wenen 2010, ISBN 978-3-7069-0646-3

Ella Lingens-Reiner: Prisoners of Fear (1948)

Anton Reinthaller

Anton Reinthaller (Mettmach 14 april 1895 - aldaar 6 maart 1958) was een Oostenrijks grootgrondbezitter en politicus (NSDAP, FPÖ).
Biografie
Vroege carrière

Reinthaller was de zoon van een landbouwer. Hij bezocht de lagere school in zijn geboorteplaats en het gymnasium in Linz. Aan de Eerste Wereldoorlog nam hij deel als militair van het k. u. k.-leger en was van juni 1916 tot juni 1918 gevangene in een Russisch krijgsgevangenkamp. Tijdens de oorlog bereikte hij de rang van eerste luitenant der reserves. Na zijn terugkeer in Oostenrijk studeerde en land- en bosbouwkunde aan de landbouwhogeschool van Wenen. Na het afsluiten van zijn studie was hij werkzaam als bos- en landbouwer.
Gedurende het interbellum was hij eerst lid van de Landbund, maar sloot zich in 1930 aan bij de NSDAP. Na de mislukte Juliputsch in 1934 waarbij bondskanselier Engelbert Dollfuss het leven liet, werd Reinthaller in Burgenland in een gevangenkamp geïnterneerd waar hij vriendschap sloot met Ernst Kaltenbrunner. Na enige tijd kwam hij weer vrij en wierp zich op als leider van een groep nazi's die samenwerking met de autoritaire regering van Oostenrijk. Pogingen van Reinthaller om de Oostenrijkse nazi's te laten toetreden tot het Vaterländische Front (VF), de enige toegestane politieke partij, stuitte op verzet bij de leiding van het VF, maar ook bij de leiding van de (illegale) NSDAP.
Carrière tijdens de nazi-tijd
Na de Anschluss werd Reinthaller op 11 maart 1938 in het kabinet-Seyss-Inquart opgenomen als minister van Land- en Bosbouw. Nadat de aanhechting van Oostenrijk aan het Derde Rijk volledig voltooid was werd Reinthaller in april 1938 lid van de Rijksdag en fungeerde van 1939 tot het einde van de Tweede Wereldoorlog als staatssecretaris Voedselvoorziening en Landbouw in de rijksregering. Daarnaast vervulde hij nog tal van overheidsfuncties zoals Gauamtsleiter van het Landvolk van de Neder-Donau en hoofd van de regionale voedselvoorziening van Donauland.
In december 1938 trad Reinthaller toe tot de SS en op 30 januari 1941 bereikte hij de rang van Brigadeführer (generaal-majoor).
In 1945 werd hij gevangengenomen door de Amerikanen en werd in 1950 overgedragen aan de Oostenrijkse autoriteiten.
Naoorlogse carrière
Reinthaller werd na de oorlog vervolgd voor hoogverraad en stond in 1950 en 1952 terecht. Hij werd respectievelijk veroordeeld tot 3 en 21/2 jaar gevangenisstraf.
In 1955 richtte hij met Friedrich Peter en Emil van Tongel de Duits-nationale Freiheitspartei op. Nog datzelfde jaar fuseerde de Freiheitspartei met het VdU tot de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ). In april 1956 werd Reinthaller met 117 van de 124 stemmen tot voorzitter van de FPÖ gekozen en versloeg daarmee zijn tegenstander, de liberaal georiënteerde Herbert Kraus[1] Reinthaller maakte van de nieuwe FPÖ een extreem-rechtse en Duits-nationale partij waar amper ruimte was voor een liberaal tegengeluid. In 1957 werd onder zijn voorzitterschap de Richtlinien freiheitlicher Politik ("Richtlijnen voor Vrijheidslievende Politiek") aangenomen, een document waarin de Groot-Duitse aspiraties van Reinthaller en de zijnen duidelijk in doorklonken.
Anton Reinthaller overleed in 1958 en werd als voorzitter van de FPÖ opgevolgd door de vroegere SS-Obersturmführer Friedrich Peter.
Onderscheidingen
Erechevron der SS
Gouden Ereteken van de NSDAP

Anton Reinthaller

Kurt Schuschnigg

Kurt Alois Josef Johann (Edler von) Schuschnigg, sinds het afschaffen van de adel in Oostenrijk (1919) zonder Edler von (Riva del Garda, 14 december 1897 - Mutters, 18 november 1977) was een Oostenrijks bondskanselier (1934-1938). Hij was afkomstig uit de lagere adel. Zijn vader was een Oostenrijk-Hongaars generaal.
Schuschnigg studeerde rechten te Innsbruck. Hij was er lid van A.V. Austria Innsbruck, een katholieke studentenvereniging die behoorde tot het Cartellverband der katholischen deutschen Studentenverbindungen. Schuschnigg vocht in de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog was hij korte tijd advocaat. In 1927 werd hij voor de Christelijk-Sociale Partij in het parlement gekozen. In 1927 richtte hij de Ostmärkische Sturmscharen, een partijmilitie op. Na de moord op Engelbert Dollfuss, de bondskanselier, door de nazi's (25 juli 1934, zie Juliputsch) volgde Schuschnigg hem op. In 1936 werd hij tevens minister van Oorlog en Binnenlandse Zaken. Hij regeerde sindsdien met dictatoriale volmachten.
Net als Dollfuss zocht Schuschnigg steun bij Mussolini's Italië om Oostenrijks onafhankelijkheid te waarborgen. Nadat er echter een goede verstandhouding tussen Hitler en Mussolini was ontstaan, zocht Schuschnigg vooral steun bij Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Een herstel van het keizerrijk onder de Habsburgers werd door de Fransen en de Kleine Entente (Tsjecho-Slowakije en Roemenië) tegengewerkt.
In 1937 groeide de Anschlussgedachte in Duitsland en kon zij ook op meer enthousiasme rekenen bij de Oostenrijkers zelf. In 1937 sloot Oostenrijk met Duitsland een tolunie. Schuschnigg meende dat Hitler hierna minder agressief zou zijn ten opzichte van de Oostenrijkse staat vanwege de Oostenrijkse toenadering. In 1938 werden Schuschnigg en zijn minister van Buitenlandse Zaken Guido Schmidt naar Berchtesgaden, Hitlers buitenverblijf 'het Berghof' ontboden, waar Hitler een Anschluss eiste. Schuschnigg en Schmidt keerden echter terug, nadat ze slechts enkele kleine concessies hadden gedaan. Terug in Oostenrijk trachtte Schuschnigg het volk via een volksstemming te laten beslissen of men vóór of tegen een Anschluss was. Hitler, op de hoogte gesteld van Schuschniggs plannen, werd woedend en dreigde met een Duitse bezetting indien hij niet zou aftreden als bondskanselier en de macht zou overdragen aan Arthur Seyss-Inquart. Schuschnigg, bevreesd voor een bloedige oorlog, trad af op 11 maart 1938, waarna President Miklas van Oostenrijk zich hevig verzette tegen de benoeming van Seyss-Inquart, maar zich later toch genoodzaakt zag hem als bondskanselier aan te stellen. Seyss-Inquart stuurde op de eerste dag van zijn aanstelling (12 maart 1938) een telegram naar Duitsland met het verzoek om troepen te sturen ter bescherming van Oostenrijk, waarna de Anschluss een voldongen feit was. Voortaan zou Oostenrijk de naam Ostmark hebben en werd het een provincie van het Groot-Duitse Rijk van Adolf Hitler.
Schuschnigg werd na de Anschluss gearresteerd en opgesloten in een concentratiekamp. In 1945 werd hij door de Amerikanen bevrijd. Na de Tweede Wereldoorlog ging hij naar de Verenigde Staten, werd hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van St. Louis en verwierf de Amerikaanse nationaliteit. In 1968 keerde hij terug naar Oostenrijk maar ging niet meer de politiek in. In 1977 overleed Kurt Schuschnigg op 79-jarige leeftijd.

Kurt von Schuschnigg

Siegfried Seidl

Siegfried Seidl (Tulln an der Donau (Oostenrijk-Hongarije), 24 augustus 1911 - Wenen, 4 februari 1947) was in de Tweede Wereldoorlog commandant van het getto Theresienstadt, in de hedendaagse Tsjechische Republiek. Hij werd later als oorlogsmisdadiger veroordeeld en geëxecuteerd.
Biografie
Siegfried Seidl werd geboren in Tulln an der Donau, indertijd in de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie gelegen, tegenwoordig in Neder-Oostenrijk. Zijn vader, die als kapper werkte, sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog, zijn moeder werkte op de Bondskanselarij.[1] Na zijn middelbare school in Klosterneuburg en Horn te hebben afgemaakt ging Seidl rechten studeren in Wenen. Na drie semesters onderbrak hij zijn studie en nam verschillende baantjes aan. Van september 1932 tot mei 1933 werkte hij als stoker op de Bondskanselarij, zijn moeder had hem aan het baantje geholpen. Vanaf 1935 tot 1938 studeerde Seidl geschiedenis en germanistiek aan de Universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1941 maar zijn titel werd hem in 1947 ontnomen.
In 1938 en 1939 werkte Seidl bij de beveiligingsafdeling van de motorenfabriek Austro-Fiat.Op 2 maart 1939 trouwde Seidl met Elisabeth Stieber, een voormalige kleuterleidster, lid van de NSDAP, de NS-Frauenschaft (NSF: de nationaalsocialistische vrouwenbeweging) en ondersteunend lid van de SS.
Nazicarrière
Op 15 oktober 1930 werd Seidl lid van de NSDAP (nummer 300 738). Van september 1931 tot mei 1932 was hij actief in de SA. Op de dag dat hij de SA verliet werd Seidl lid van de elfde SS-Standarte (SS-regiment) als SS-Scharführer (equivalent van eerste sergeant) (nummer 46 106).Naar eigen zeggen zou hij vanaf december 1939 inspecteur van de Sicherheitspolizei in Wenen zijn geweest.
Vanaf januari 1940 werd Seidl ingedeeld bij het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) – afdeling IVB4, onder Adolf Eichmann's commando en werd hij geplaatst bij de SS in Poznań (Polen). Op 30 oktober 1941 werd Seidl door Eichmann belast met het opzetten van het getto Theresienstadt.Van november 1941 tot juli 1943 functioneerde Seidl als commandant van het getto en was als zodanig verantwoordelijk voor de mishandeling en de dood van duizenden gevangenen. In november 1942 werd Seidl gepromoveerd tot SS-Hauptsturmführer (kapitein).Als commandant rapporteerde Seidl direct aan Hans Günther, chef van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (Centraal bureau voor Joodse emigratie) in Praag. Günther op zijn beurt legde verantwoording af bij Eichmann op het RSHA IV B 4 in Berlijn.
Seidl werd op 3 juli 1943 aangesteld als kampinspecteur, Gestapo-chef van het concentratiekamp Bergen-Belsen.SS-Obersturmführer (eerste luitenant) Anton Burger volgde hem op als commandant van Theresienstadt. Na Bergen-Belsen werd Seidl naar Mauthausen gezonden, om er voorbereidingen voor Sondereinsatzkommando-Eichmann (SEK) te treffen. Op 19 maart 1944 kwam Seidl met een Panzerdivision in Boedapest aan,waar hij zich voegde bij de vijfde Einsatzgruppe (paramilitair SS-moordcommando). Als bevelhebber van de buitenpost Debrecen maakte Seidl deel uit van het SEK.De SEK organiseerde de grootste en snelste deportatie van de Holocaust. Vanaf 15 mei tot 9 juli, dat wil zeggen in 56 dagen, werden volgens Duitse verslagen 437.402 Joden uit Hongarije gedeporteerd. Op vijftienduizend na kwamen zij allen in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau om het leven.
Juli 1944, toen de evacuatie van de Hongaarse Joden was voltooid, werd Seidl benoemd tot waarnemend leider van het Sondereinsatzkommando in Wenen onder SS-Obersturmbannführer (luitenant-kolonel) Hermann Krumey. Seidl regelde voor de overgebleven Joden dwangarbeiderskampen, die gebouwd werden in Wenen en in Neder-Oostenrijk.
Op 14 november 1946 werd Seidl door het Volksgericht (Oostenrijkse volksrechtbank - opgericht om nazi-oorlogsmisdaden te berechten) in Wenen ter dood veroordeeld. Hij werd op 4 februari 1947 om 06.00 opgehangen, de dood werd om 06.09 uur vastgesteld.
Militaire loopbaan
SS-Oberscharführer:
SS-Untersturmführer: 10 september 1939
SS-Obersturmführer: 20 april 1941
SS-Hauptsturmführer: 20 november 1942

Siegfried Seidl

Siegfried Seidl
Geboren 24 augustus 1911
Tulln an der Donau, Oostenrijk-Hongarije
Overleden 4 februari 1947
Wenen, Oostenrijk
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1939 - 1945
Rang HH-SS-Hauptsturmfuhrer-Collar.png SS Hauptsturmführer (Nachschub).jpg
SS-Hauptsturmführer
Eenheid Reichssicherheitshauptamt RSHA
Leiding over Commandant van Theresienstadt
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Holocaust
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog

1-Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog