Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog in Nederland

Dit artikel beschrijft het verloop van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.
Aanloop naar de oorlog
In de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog onderging Nederland evenals andere landen de invloed van de mondiale recessie na de beurscrash van 1929. Minister-president Hendrikus Colijn voerde de politiek van de harde gulden. Deze leidde wel tot een harde valuta, vermeed de hyperinflatie zoals deze in Duitsland ontstond, maar veroorzaakte volgens sommige economen ook veel armoede. De Vereeniging Nederlandsch Fabrikaat trachtte met de campagne Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar de economische neergang te keren. Mede door de armoede was ook in Nederland de opkomst van het nationaalsocialisme mogelijk. Anton Mussert richtte begin 1932 samen met Kees van Geelkerken de N.S.B. op. Onder invloed van de economische malaise en de gebroken geweer beweging werden budgettaire prioriteiten niet bij het toenmalige Ministerie van Oorlog gelegd. Pas in 1939, toen de geallieerden Duitsland de oorlog verklaarden, mobiliseerde Nederland. Men trachtte nog op de valreep wapens te kopen in onder andere Zweden, Engeland en Zwitserland, maar al snel werden geen orders meer geaccepteerd. In de winter 1939-1940, met name in november 1939, ontstond een aantal keer een crisissfeer. Het Venlo-incident, en het uitlekken van de Duitse aanvalsplannen zorgden een aantal keer voor paniek, maar telkens dreef de bui over. De Nederlandse agenten in Berlijn hadden een paar keer gewaarschuwd, maar werden op het laatst niet meer geloofd. Dat gold ook toen op de avond van 9 mei 1940 de volgende boodschap werd doorgegeven: Morgenvroeg bij het krieken van de dag. Houdt stand!
Eerste slachtoffers
Op 8 september 1939 sneuvelden de eerste Nederlandse militairen, bij het zinken van de mijnenveger Willem van Ewijck, ter hoogte van de Noordvaarder bij West-Terschelling. Bij het tot stand brengen van een doorvaart in het Boomkensdiep werd het schip door een geactiveerde verspermijn midscheeps geraakt. De mijnenveger brak in tweeŽn en zonk onmiddellijk in 10 meter diep water. Daarbij verloren 30 bemanningsleden het leven.
Op 18 november 1939 zonk het Nederlandse passagiersschip Simon Bolivar voor de oostkust van Engeland na op een vermoedelijk Duitse mijn gelopen te zijn. Daarbij kwamen 84 passagiers en 18 bemanningsleden om. Dit waren de eerste Nederlandse burgerslachtoffers van de oorlog.
De Duitse inval

Hoewel Nederland bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 zich opnieuw neutraal had verklaard, viel Duitsland op 10 mei 1940 Nederland (alsmede BelgiŽ en Luxemburg) toch binnen.

Adolf Hitler liet op vrijdag 3 uur 55 Nederlandse tijd de invasie op Nederland inzetten. Het slecht bewapende Nederlandse leger werd snel door de Duitsers onder de voet gelopen (zie ook Duitse aanval op Nederland). Bij de Afsluitdijk, de Grebbeberg en de Moerdijkbrug bood het Nederlandse leger weerstand. Een Duitse luchtlanding bij Den Haag, bedoeld om het Nederlandse Koninklijk Huis en de regering gevangen te nemen, mislukte. De aanval op de regering was toevertrouwd aan de 22e Luchtlanding Infanteriedivisie. Hun belangrijkste taak was het veroveren van de vliegvelden rondom Den Haag, en daarna koningin Wilhelmina te gijzelen. Voor het verplaatsen van de uit 10 000 man bestaande divisie waren twee dagen uitgetrokken. Het Nederlandse leger sloeg tegen alle verwachtingen in de aanval af: 525 Duitse vliegtuigen werden neergehaald.

De koningin en de ministers weken uit naar Londen (zie Londens kabinet, het ambt van staatssecretaris bestond destijds nog niet). Op 13 mei droeg minister Max Steenberghe (die eerst samen met Aart van Rhijn in het land had willen blijven), terwijl de anderen al in Hoek van Holland waren, op eigen initiatief, maar uit naam van de koningin en het kabinet, het regeringsgezag in Nederland over aan opperbevelhebber generaal Henri Winkelman en verzocht de secretarissen-generaal zich naar de aanwijzingen van Winkelman te gedragen. Dit werd die middag door het kabinet, en op 15 mei door de koningin informeel goedgekeurd (er werd niets op papier gezet).



Op 14 mei eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam; de stad werd daarop overgegeven, maar werd toch gebombardeerd (zie bombardement op Rotterdam) met ca. 800 doden en 78 000 daklozen tot gevolg. Er werd van gezegd dat dit door een communicatieprobleem was veroorzaakt. Na dit bombardement besloot het Nederlandse leger te capituleren. Deze capitulatie vond plaats op de nacht van woensdag 15 mei in het dorpje Rijsoord (gemeente Ridderkerk, gelegen onder Rotterdam).[3] De capitulatie werd getekend door generaal Winkelman, in een school die was gevorderd door generaal Kurt Student en die in eerste instantie als diens hoofdkwartier had dienstgedaan (deze school is tegenwoordig een museum); de hierbij aanwezige hoogste officier van Duitse zijde was generaal Georg von KŁchler. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd totdat een bombardement op Middelburg ook de overgave van Zeeland forceerde.

De hoop was dat de Fransen en Engelsen snel Nederland weer zouden bevrijden maar na de evacuatie uit Duinkerken, waar de geallieerden maar ternauwernood aan omsingeling ontsnapten, volgde de capitulatie van Frankrijk. Het nieuwe bewind onder maarschalk Pťtain (Vichy-regime) ging met de Duitsers samenwerken (collaboratie). Ook de regering van minister-president De Geer werd uitgenodigd terug te keren. De Geer wilde daaraan gehoor geven maar dat zinde koningin Wilhelmina allerminst. De Nederlandse marine en handelsvloot waren van groot belang voor de Engelsen en dan was er nog Nederlands-IndiŽ met al zijn olie. Frankrijk moest later Indochina van de Duitsers aan Japan overdragen en Wilhelmina was bang dat hetzelfde met Nederlands-IndiŽ zou gebeuren. Zij ontsloeg haar premier en stelde een andere aan (Pieter Sjoerds Gerbrandy) die wel door wilde vechten.

Tijdens de meidagen van 1940 vielen aan Nederlandse zijde 2200 slachtoffers en er waren ongeveer 7000 gewonden.

Rotterdam na het bombardement (en puinruiming) met de ruÔne van de Laurenskerk.

 

Duitse troepen arriveren in mei op de Dam in Amsterdam

De bezetting
Na de Nederlandse capitulatie en het vertrek van de laatste Franse troepen was heel Nederland bezet. Bij het vertrek had de Nederlandse regering haar bevoegdheden aan generaal Henri Winkelman overgedragen.
De Duitsers stelden Duits bestuur in Nederland in, geleid door een rijkscommissaris (Reichskommissar), de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart; hij werd op 29 mei 1940 geÔnstalleerd. De secretarissen-generaal bleven aan en werkten nu onder hem. Winkelman, aan wie ze formeel gehoorzaamheid verschuldigd waren, werd door de Duitsers verwijderd omdat hij zich onvoldoende coŲperatief opstelde. Dit bestuur was derhalve geen militair bestuur maar een burgerlijk bestuur. Hitler had deze optie om ideologische redenen gekozen: Nederlanders waren een "verwant broedervolk" en moesten voor het nationaalsocialisme worden gewonnen.
Anton Mussert hoopte op bevoegdheden voor hem en zijn NSB, maar moest genoegen nemen met lagere posten. Seyss-Inquart hoopte de Nederlanders te winnen voor het nationaalsocialisme en het staats- en economisch bestel zo intact mogelijk in handen te krijgen. Hiertoe hanteerde hij de "fluwelen handschoen-aanpak". Hij besefte terdege dat de NSB veel te weinig draagvlak bezat en bovendien onvoldoende geschikte kandidaten voor hogere functies bood.
Economie
Enkele dagen na de Nederlandse capitulatie meldden zich al Duitse officieren bij Nederlandse scheepswerven, vliegtuigbouwers en andere industrie van belang. De Duitsers hadden schepen en vliegtuigen nodig, plus beton voor hun bunkers, textiel voor hun uniformen, etc. Dit bracht de directies in een dilemma: aanblijven of weigeren? Het eerste zou hen, als de geallieerden toch de oorlog zouden winnen, in de problemen brengen, het tweede betekende hoogstwaarschijnlijk dat Duitsers of NSB'ers hun bedrijven zouden overnemen. Uiteindelijk kozen veel bedrijven toch voor collaboratie, met name als het om zaken ging die slechts indirect voor oorlog konden dienen. De Duitsers gingen verder over tot grootschalige confiscatie van voorraden.
Veel bedrijven waren de Duitsers zelfs graag ter wille. Omdat Frankrijk en BelgiŽ de eerste dagen nog niet gepacificeerd waren, konden zij zo veel mogelijk winstgevende orders van de Duitsers in de wacht slepen. Ondanks negatieve effecten van de Engelse blokkade leek de bezetting mee te vallen. Bedrijven als Philips keerden recorddividenden uit en boekten recordwinsten. Maar ook de binnenlandse markt en het midden- en kleinbedrijf profiteerden van de opleving. Er ontstond een run op verschillende goederen, omdat veel Nederlanders toch bang waren dat er in de toekomst weleens schaarste kon ontstaan. Verder vertrokken veel arbeiders op vrijwillige basis naar Duitsland om daar hun succes te beproeven, en creŽerde de goederendistributie ook zeer veel nieuwe vacatures. Het gevolg was een economische opleving.
Voor de aanleg van de Atlantikwall maakte de Organisation Todt gebruik van Nederlandse aannemers, die zich in het algemeen coŲperatief opstelden.[5]. In totaal waren ongeveer 50.000 Nederlanders actief voor de Organisation Todt[6].
Ook de Nederlandse scheepsbouw was voor de Duitse bezetter van groot belang. In mei 1940 waren diverse schepen voor de Koninklijke Marine in aanbouw. Deze werden afgebouwd voor de Kriegsmarine. In de zomer van 1940 werden door de diverse Nederlandse werven honderden binnenvaartschepen omgebouwd tot landingsvaartuig voor de Duitse invasie in Engeland, Operatie SeelŲwe. In het jaar 1943 werd 14% van de scheepsnieuwbouw voor Duitsland geleverd door Nederlandse werven. In totaal stonden in Nederland 85 werven en 24 machine- en apparatenfabrieken met in totaal 55.000 man personeel ter beschikking van de Duitse "RŁstungsinspektion".[7]
Steeds meer goederen werden gerantsoeneerd via het distributiestelsel. Benzine kwam in principe slechts ten goede aan de Duitsers, en reeds in de zomer van 1940 werden alle benzinepompen verzegeld. Binnenvaart moest voor bedrijven uitkomst bieden, terwijl auto's werden omgebouwd voor gasgeneratoren of de mensen zich per fiets of trein gingen verplaatsen. Omdat onderdelen echter steeds moeilijker verkrijgbaar waren moest bij reparaties een beroep gedaan worden op creativiteit of moest een substituut worden gebruikt, zoals houten fietsbanden.
Ook de verkregen inkomsten konden hierdoor steeds moeilijker worden besteed of belegd. In de eerste jaren vonden ze nog besteding in de vakantie- en recreatiesector. Veel personen en bedrijven zetten hun geld simpelweg op de bank omdat ze er verder toch niets mee konden. Ook werden schulden afgelost en verzekeringspolissen afgesloten. Later vond dit geld in toenemende mate besteding op de steeds verder uitdijende zwarte markt. Maar omdat ook zwarthandelaren zonder distributiebonnen weinig met het geld konden, verlangden ze vaak betaling in natura. Bijzondere boeken, vooroorlogs laken, pianovleugels en juwelen waren geliefde ruilobjecten.
Toen in 1941 - 1942 steeds duidelijker bleek dat de oorlog nog lang zou duren en dat een Duitse overwinning allerminst zeker was, veranderde dit beeld. De Duitsers gingen over tot het concentreren van de productie in bedrijven die voor de oorlogsvoering direct en indirect van nut waren. Veel andere bedrijven moesten hierdoor sluiten. De Jodenvervolging begon grimmiger te worden, en de Duitsers traden ook harder op tegen de bevolking, zoals bij de Februaristaking. De NSB wist bij de Duitsers een monopoliepositie in de wacht te slepen. Alle andere politieke partijen werden verboden, inclusief de Nederlandsche Unie en de fascistische rivalen van de NSB. De Duitsers begonnen nu ook steeds meer van de Nederlandse productie voor zichzelf op te eisen. Goederen werden steeds schaarser. Nog steeds maakten bedrijven winst, maar de beleggingsmogelijkheden namen gestadig af. Via allerlei instrumenten zoals de wisselkoers trachtten de Duitsers nog meer uit Nederland te persen.
Ook op de kunsten en de universiteiten verstevigden de Duitsers hun greep. Kunstenaars moesten lid worden van een speciale bond, de 'Kulturkammer'. Studenten werden gedwongen loyaliteitsverklaringen te tekenen terwijl (studenten)verenigingen Joodse leden niet meer mochten toelaten. Veel corpora en andere studentenvereniging hieven zichzelf daarom op.
Toen bleek de bezetting toch helemaal niet mee te vallen. Naarmate de oorlog vorderde, werden de gebreken steeds nijpender. In de Hongerwinter (winter 1944-'45) kwamen uiteindelijk 20 000 personen door de honger om.
Jodenvervolging
Al snel na de invasie begon de Jodenvervolging. De Duitsers stelden een 'Joodsche Raad' in. Dat was voornamelijk een manier om de identificatie van Joden en deportaties efficiŽnt te organiseren. Een aantal aanzienlijke mensen werd bereid gevonden om deze 'Raad' te organiseren en Joden werd voorgehouden dat ze veilig waren, als ze zich kwamen registreren. Er waren weinigen die daar niet op ingingen, veelal omdat dat 'de Joodse gemeenschap in gevaar zou brengen'. Er was ook vanuit de Nederlandse bevolking in deze tijd weinig verzet en een eventuele overwinning van de geallieerden leek ver weg. Zodra de Duitsers genoeg informatie hadden viel het masker, werden alle beloftes gebroken en begonnen de deportaties. In 1942 werd nabij Westerbork een doorvoerkamp voor Joden ingericht; ook bij Vught en Amersfoort verschenen Duitse concentratiekampen. Uiteindelijk waren er 107 000 van de 140 000 Joden die in het vooroorlogse Nederland hadden gewoond, naar het oosten gedeporteerd. Hiervan zijn er ongeveer 101 800 vermoord of bezweken aan dwangarbeid in de concentratiekampen. Onder de slachtoffers was Anne Frank, die later beroemd werd vanwege het dagboek dat zij schreef, terwijl ze ondergedoken zat.
Uit protest tegen de deportaties hield de Nederlandse bevolking in 1941 de Februaristaking. Hoewel het niets uitrichtte, was dit toch een flinke streep door de rekening van Seyss-Inquart, omdat zijn opzet geweest was ťn de Joden te deporteren ťn de Nederlanders voor het nationaalsocialisme te winnen. Vanaf deze tijd hielden de nazi's op een fluwelen handschoen te gebruiken.
Onderdrukking en verzet
1rightarrow blue.svg Zie Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De eerste verzetsgroepen werden al op 15 mei 1940 opgericht. De communistische partij CPN besloot op die dag om ondergronds te gaan en een verzetsorganisatie van 2000 personen op te bouwen, een omvang die door andere verzetsgroepen pas na Dolle Dinsdag in het najaar 1944 bereikt werd. De communisten kwamen op voor de rechten van de joden, de onafhankelijkheid van Nederland en herstel van de democratie; tegelijkertijd richtten ze zich tegen Engeland en het koningshuis. Uiteindelijk zouden ongeveer 25.000 personen aan het communistische verzet deelnemen; ongeveer 2000 kwamen er door fusillades of gruwelijke omstandigheden in concentratiekampen om het leven. Het communistisch verzet trad in augustus 1940 met acties naar buiten. In oktober 1940 kwam lokaal het verzetsblad De Vonk uit en in november landelijk het verzetsblad De Waarheid.
De eerste verzetsdaad werd al op 15 mei 1940 door de eenling Bernardus IJzerdraat verricht: hij verspreidde in Rotterdam pamfletten waarin hij de bevolking tot verzet opriep. IJzerdraat zelf begon vervolgens met het opbouwen van de verzetsgroep De Geuzen. Het eerste verzetsblad dat uitkwam, was Vrij Nederland, in augustus 1940.
Vermoedelijk is de eerste persoon die na de Nederlandse capitulatie door de Duitsers werd vermoord de Haagse communist Pieter Philipus van den Berg. Hij werd op 13 augustus 1940 gearresteerd en op 28 augustus 1940 vanaf de eerste verdieping van de trap in het Oranjehotel gegooid.
Er werd Arbeitseinsatz ingesteld, waarbij iedere man tussen de 18 en 45 jaar verplicht werd in de Duitse fabrieken te gaan werken (die iedere nacht gebombardeerd werden). De mannen die dit niet wilden, moesten onderduiken. Er werd ook zo veel mogelijk voedsel en andere goederen uit Nederland weggesleept zodat de rantsoenering, (de bonkaart) een middel werd om de bevolking in bedwang te houden. Wie iets verkeerd deed, zoals onderduiken, kreeg op die manier automatisch niets te eten. Joden als onderduikers hebben was extra gevaarlijk. Er stond de doodstraf op. Een derde van de mensen die dat geprobeerd hebben, hebben de oorlog niet overleefd.
De Atlantikwall, een gigantische kustverdedigingslinie die het Duitse oppercommando langs de hele Europese kust liet aanleggen, van Zuid-Frankrijk tot Denemarken, werd ook in Nederland aangelegd. Sommige woonplaatsen, zoals Scheveningen, werden hiervoor ontruimd. In Den Haag werden 3200 woningen afgebroken en 2594 ontmanteld. 20.000 huizen werden ontruimd, 65.000 mensen moesten verhuizen.
De censuur zorgde dat radio en kranten alleen het door de Duitsers goedgekeurde nieuws mochten brengen. Uiteraard was dit alleen voor de Duitsers positief nieuws. Deze nieuwsberichten konden niet helemaal het ongunstige verloop van de oorlog verbergen, immers de Duitse 'overwinningen' in Rusland kwamen steeds dichter bij Duitsland te liggen. Naar Radio Oranje, Nederlandstalige uitzendingen uit Londen, mocht niet geluisterd worden.
Deze onderdrukkingsmaatregelen stimuleerden het verzet. Illegale kranten met nieuws van Radio Oranje werden verspreid. Knokploegen pleegden overvallen om bonkaarten in handen te krijgen, om hiermee onderduikers van voedsel te voorzien.
Na een aanslag bij Putten op een Duitse officier werd op 1 oktober 1944 de hele mannelijke bevolking van deze plaats zonder proces afgevoerd naar Duitsland: de razzia van Putten.
Weinig Nederlanders verzetten zich actief of passief tegen de Duitse bezetting. De genoemde NSB collaboreerde actief met de Duitse bezetters. Ook waren er Nederlanders die zich vrijwillig meldden voor deelname aan het Duitse leger en voor de SS. Recent historisch onderzoek toont aan dat circa 25.000 Nederlanders zijn toegetreden tot de SS.
De bevrijding
Na de landing in NormandiŽ in juni 1944, rukten de geallieerden snel op in de richting van Nederland, en werd een groot deel van Zuid-Nederland bevrijd. In september 1944 werd via de "operatie Market Garden" getracht bruggen over de grote rivieren te veroveren; in Arnhem mislukte dit echter. De dinsdag van 5 september staat bekend als Dolle Dinsdag: De Nederlanders, gelovend dat de bevrijding op handen was, begonnen feest te vieren. Het deel van Nederland boven de grote rivieren moest echter nog tot het volgende jaar wachten.
Intussen verhardde ook de repressie van de Duitsers; de Deppner-executies zijn hier een voorbeeld van, waarbij 450 verzetsstrijders het leven verloren. De economische uitbuiting van Nederland nam nog verder toe in een uiterste poging met de verkregen hulpbronnen het tij te kunnen keren. Later werden in navolging van Hitlers Nerobefehl verschillende vernielingen aangericht in de Amsterdamse en Rotterdamse havens en op Schiphol, en werd onder meer de Wieringermeerpolder onderwatergezet. Sommige Duitsers en hun Nederlandse handlangers maakten zich op om desnoods tot het einde toe door te vechten, terwijl anderen meer op hun eigen overleven waren gericht. Veel Duitsers en kopstukken in het Nederlandse bedrijfsleven gaven blijk van een matigende invloed en probeerden de bevolking te helpen, deels uit eigenbelang om te voorkomen dat ze na de oorlog, die nu voor iedereen duidelijk in een Duitse nederlaag zou eindigen, vervolgd zouden worden
Ook op Walcheren heersten de Duitsers eerst nog. Van hieruit beheersten zij de toegangsweg tot de havenstad Antwerpen. En het geallieerde leger had een grote aanvoerhaven nodig: de havens in NormandiŽ waren te beperkt en te ver. Maar de sterke Duitse verdediging maakte een landing hier een hachelijke zaak. Daarom bombardeerden de geallieerden op 3 oktober de dijken van Walcheren bij Westkapelle en zetten zo Walcheren onder water. Doel was om zo de Duitse verdediging te ontregelen ter voorbereiding op een amfibische aanval. Ondanks waarschuwingen aan de bevolking met pamfletten, vonden 180 inwoners van Westkapelle de dood. Op 8 november was Walcheren vrij. Zie ook Strijd om Walcheren.
De Nederlandse regering had in 1940 geen gebruik willen maken van de aloude Hollandse Waterlinie. Het was nog steeds mogelijk Vesting Holland tot een eiland te maken, maar dit eiland bevatte nu de Randstad. Er waren te veel mensen om in leven te houden.
Hitler gaf het bevel dat de Festung Holland tot iedere prijs gehouden moest worden. De winter van 1944 op 1945 was bovendien erg streng, en dit leidde tot hongertochten en mensen die stierven van honger, uitputting, kou of ziektes. Deze winter werd bekend als de Hongerwinter.
In het voorjaar van 1945 werd de geallieerde opmars hervat. De Rijn werd overgestoken en de linkervleugel van de geallieerden bevrijdde Oost-Nederland. De stad Groningen werd met vuur verdedigd door een harde kern van Nederlandse en Duitse SS'ers, en was pas na drie dagen strijd bevrijd. Verder naar het zuiden bereikten de geallieerden de rand van de Veluwe. Een van de laatste gevechtshandelingen vond plaats in Delfzijl. In de periode 23 april - 2 mei 1945 vonden er felle gevechten plaats rondom de Noordelijke havenstad tussen het "5th Canadian Armoured Division" en het Duitse leger.
Op het eiland Texel maakten 800 GeorgiŽrs deel uit van het Duitse leger, deels vrijwillig, deels min of meer gedwongen. Op 5 april 1945 kwamen zij tegen de Duitsers in opstand. Deze opstand van de GeorgiŽrs werd door het Duitse leger na vijf weken strijd neergeslagen. Er kwamen 565 GeorgiŽrs, 120 Texelaars en 800 Duitsers bij om. De Duitsers waren op Texel aan de macht tot 20 mei, toen Canadese militairen op het eiland aankwamen. De 228 overlevende GeorgiŽrs werden na de oorlog uitgeleverd aan de Sovjet-Unie.
Op 13 maart 1945 keerde Koningin Wilhelmina terug uit ballingschap; zij betrad de Nederlandse bodem in Eede (Zeeuws-Vlaanderen) en verbleef tijdelijk in Cadzand.
Op 4 mei 1945 capituleerde de Duitse admiraal Von Friedeburg te LŁneburg namens de Duitse troepen in Noordwest-Duitsland, Nederland, Sleeswijk-Holstein en Denemarken voor de Britse veldmaarschalk Montgomery. Op de dag dat die capitulatie inging, 5 mei, ontbood de Canadese generaal Charles Foulkes de Duitse opperbevelhebber Johannes Blaskowitz naar Hotel De Wereld in Wageningen om daar in het bijzijn van Prins Bernhard (commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten) de uitwerking van de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland te bespreken. Blaskowitz vroeg 24 uur bedenktijd. Een dag later (dus op 6 mei 1945) werden de uitgewerkte voorwaarden van de capitulatie getekend in een boerderij te Nude, even buiten Wageningen.[8] Het veroveren van Vesting Holland was niet meer nodig. Later zou het beeld ontstaan dat de bespreking in Hotel de Wereld op 5 mei de gebeurtenis was geweest waarbij de Duitsers hadden gecapituleerd.
Een Duitse SS-militie van 123 man had zich verschanst op Schiermonnikoog samen met ongeveer 500 wehrmachtsoldaten, dezen werden op 11 juni door de Canadezen ingerekend.

Kaart van de slag om de Schelde.

Nederlands-IndiŽ
In Nederlands-IndiŽ had men verontwaardigd op de overval gereageerd. Het land was direct tot de geallieerden toegetreden. Duitse en Japanse burgers, spion of niet, werden geÔnterneerd, evenals NSB'ers.
Japan was echter in conflict geraakt met de Verenigde Staten en Groot-BrittanniŽ. Een aantal gebeurtenissen, zoals de inbezitneming van Frans Indo-China, overtuigden de Nederlandse politici dat ook Japan een gevaar vormde. Samen met de Verenigde Staten kondigde Nederlands-IndiŽ een olieboycot tegen Japan af. Hierop besloot Japan tot een militaire campagne om eerst de Verenigde Staten militair te verlammen om vervolgens de gebieden in Zuidoost-AziŽ te bezetten. Na de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 verklaarde Nederland met alle overzeese gebiedsdelen Japan de oorlog.
Verovering door Japan

HNLMS De Ruyter, het vlaggeschip van admiraal Karel Doorman
De geallieerden trachtten een ABCD-front (America, Britain, China, Dutch East-Indies) op te zetten, maar na Hongkong, de Filipijnen, MaleisiŽ en Singapore, vielen de Japanners op 10 januari 1942 Nederlands-IndiŽ binnen. De geallieerden wisten de Japanners een nederlaag toe te brengen, maar redden het uiteindelijk niet tegen de overmacht. De Nederlandse admiraal Karel Doorman ging op 27 en 28 februari 1942 met een geallieerd eskader onder zijn bevel ten onder in de Eerste slag in de Javazee. Dezelfde nacht landden de Japanners op Java, en sloten de Nederlandse troepen in.
Japanse bezetting
1rightarrow blue.svg Zie Japanse bezetting van Nederlands-IndiŽ voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De Nederlanders gaven zich over op 8 maart[9] van dat jaar. De Nederlandse soldaten werden gevangengezet in werkkampen. Later werden alle Nederlanders geÔnterneerd in kampen, de zogenaamde jappenkampen. Ook werden sommigen tewerkgesteld aan de Birma spoorweg. Veel Nederlandse meisjes en vrouwen werden gedwongen tot prostitutie, de zogenaamde troostmeisjes. De houding van de inheemse bevolking was gemengd. Een aantal IndonesiŽrs, zoals de Molukkers, was zeer pro-Nederlands, en streed met de Nederlanders mee. Een grote groep was onverschillig: Nederlanders of Japanners, het waren allebei bezetters. Een niet onaanzienlijke groep, waaronder de PNI van Soekarno, besloot met de Japanners te praten in de hoop dat zij wellicht redelijker waren dan de Nederlanders. Een aantal IndonesiŽrs verrichtte hand-en-spandiensten voor de Japanners, of richtte hun woede op de Nederlanders en etnische Chinezen. Aanvankelijk was men wel gevoelig voor de Japanse propaganda over "Asia Raya" (Groot AziŽ) maar al snel toonde de bezetter zijn ware gezicht. Het land werd leeggezogen, voedsel (rijst) werd naar Japan gestuurd. En Japan stelde onder de vlag van "Asia Raya" het instituut "Romusha" op, dat wil zeggen dat Kamponghoofden en stadsbesturen "vrijwilligers" moesten aanwijzen. In feite waren dit dwangarbeiders die onder hetzelfde regime (geen eten en veel slaag) als krijgsgevangenen en burger geÔnterneerden te werk werden gesteld. Zie bijvoorbeeld ook de affaire Junyu Maru. Precieze cijfers zijn niet bekend maar de schattingen lopen uiteen van 400 000 tot 600 000 Romusha's die het leven lieten. Japan steunde echter het Indonesische onafhankelijkheidsstreven zover het Tokio zelf uitkwam: Onder druk van o.a. Soekarno was er eerder de Peta (Pembela Tana Ayer) opgericht. De grondslag van wat later de TNI werd. De generaals Suharto en Nasution kwamen voort uit de rangen van de Peta. Overal op Java werden in het geheim "strijdgroepen", de Banteng groepen (Banteng is een wilde buffel) opgericht. Zogenaamd ter verdediging tegen een geallieerde inval maar in feite ook bedoeld voor een eventuele opstand tegen de Japanse bezetter. Soekarno, Hatta en Sjahrir hadden in geheim overleg de rollen verdeeld: Soekarno zou, gezien zijn verleden, optreden als "vlag" cq. woordvoerder en samenwerken met het Japanse gezag. De "collaboratie" was dus kunstmatig. Zie de diverse biografieŽn over (en van) Soekarno. GedrieŽn ontwierpen zij te Sinkaleng in 1944 de Panca Sila, het grondvest van de Indonesische Grondwet met de drie principes: ťťn staat, ťťn volk, ťťn God. Pas op 15 augustus 1945 accepteerde men de onafhankelijkheidsverklaring van IndonesiŽ, onder zware druk van Indonesische studenten door Soekarno uitgesproken op zijn adres te Pegangsaan Oost te Jakarta. Op dezelfde dag capituleerde Japan. De ondertekening van de capitulatie vond pas begin september plaats op het Amerikaanse vlaggenschip "Missouri" door Shigemitsu en generaal Mac Arthur.
De Nederlandse onderzeeŽrs vochten aan geallieerde zijde door. Zij maakten als deel van de geallieerde strijdkrachten jacht op Japanse olietransporten van IndiŽ naar Japan en op troepen- en wapentransporten van Japan naar de strijd op onder andere Nieuw-Guinea. Ook bleven tot 1943 verzetshaarden actief op onder andere Sumatra en Timor, en hielden de Nederlanders met geallieerde hulp in het uiterste zuiden van Nieuw-Guinea stand. Ook de Nederlands (Indische) Luchtmacht vocht mee. Vanuit AustraliŽ vocht het 118e squadron, uitgerust met Mitchell B25 vliegtuigen mee onder Squadron Leader majoor Wolff, de latere commodore van de Nederlandse Luchtmacht.
Bij de herovering van de door Japan bezette gebieden had Nederlands-IndiŽ geen prioriteit. Men hoopte door de verovering van de Pacifische eilanden het Japanse moederland te isoleren van zijn grondstoffenreservoirs, waarvan Nederlands-IndiŽ er ťťn was. De geÔsoleerde troepen zouden later makkelijk verslagen kunnen worden volgens deze strategie. De herovering van de Filipijnen had wel prioriteit, deels vanwege generaal Mac Arthurs befaamde uitspraak bij zijn evacuatie van Corregidor "I shall return" en deels vanwege het gegeven dat de Filipijnen een Amerikaanse kolonie was. Voor die herovering waren steunpunten nodig. Het eerste steunpunt was het eiland Biak (bij Irian), het tweede steunpunt was Morotai, ten noorden van Halmahera. De Japanners gaven zich over op 15 augustus 1945, nadat de Amerikanen twee atoombommen op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki hadden geworpen. Het aantal slachtoffers was groot maar minder groot dan het aantal slachtoffers in Tokio door de bijna dagelijkse Amerikaanse bombardementen met (brand)bommen. De "impact" lag in het feit dat het bij Hirosjima en Nagasaki elk om ťťn enkele bom ging (en de Japanners wisten niet dat de Amerikanen er niet meer van hadden). De ondertekening van de capitulatie vond begin september plaats door de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Mamoru Shigemitsu en generaal Douglas MacArthur op het Amerikaanse vlaggenschip Missouri.
Na de Tweede Wereldoorlog vonden de Nederlanders een heel ander Nederlands-IndiŽ terug, dat niet meer bereid was terug te keren onder Nederlandse soevereiniteit.
Na de oorlog
NSB'ers en kaalgeschoren "moffenmeiden" worden opgebracht door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Na de oorlog werden in sommige plaatsen mensen, waarvan men meende dat zij tijdens de oorlog de Duitsers geholpen hadden, zonder vorm van proces gedood of op andere wijze gestraft (bijltjesdag). Van veel 'moffenhoeren' (Nederlandse meisjes die een relatie aangegaan waren met Duitse soldaten) werd het hoofd kaalgeschoren. NSB'ers en andere (vermeende) landverraders werden vaak eerst door het dorp of de stad geleid waarna ze gevangen werden gezet. In Groningen werden deze mensen in de Korenbeurs aan de Vismarkt vastgezet. Iedere dag werden ze gelucht, waarbij ze door een menigte bespuwd en bespot werden. Andere vermeende landverraders werden overgebracht naar voormalige concentratiekampen, zoals Vught.
Anderen werden na een rechtszaak veroordeeld, bijvoorbeeld de drie van Breda. Weer anderen bleken onterecht te zijn gearresteerd, en werden na soms lange periodes van voorarrest vrijgesproken (zie Theo Haze).
De banktegoeden van omgekomen Joodse landgenoten waren een halve eeuw later nog onderwerp van procesgang. Ook de kunstroof door de Duitsers vindt nog steeds een vervolg. De teruggegeven kunstvoorwerpen worden ten dele door de Nederlandse regering vastgehouden en niet aan de oorspronkelijke eigenaren teruggegeven.
Nederlands-IndiŽ moest aanvankelijk door de Britten bezet worden om de orde te handhaven. De PNI had een eigen republiek gesticht, die onafhankelijkheid eiste. Nederland wilde aanvankelijk niet met de vermeende collaborateur Soekarno praten, en drukte de opstand militair de kop in met de zogenaamde politionele acties. De term 'acties' suggereerde een politie-optreden, maar het ging hier in feite om een militaire campagne. Hoewel militair een succes (Soekarno en Hatta werden bovendien gevangengenomen), verspeelde Nederland in rap tempo het politiek krediet in de wereld. Slechts de Britten steunden de Nederlanders verbaal. Uit Moskou kwamen scheldkanonnades over het 'koloniale imperialisme' van Nederland, terwijl de VS dreigden de Marshallhulp in te trekken. In 1949 verleende Nederland aan IndonesiŽ de onafhankelijkheid. Nederlands-Nieuw-Guinea zou in 1962 aan IndonesiŽ worden overgedragen.
De Tweede Wereldoorlog heeft diepe sporen in de Nederlandse samenleving nagelaten. Jaarlijks vindt de dodenherdenking plaats. Maar ook onder de levenden zijn er velen, die emotionele wonden hebben opgelopen, zowel in de eerste als in de tweede generatie. In het jaar 2000 verstrekte de Pensioen- en Uitkeringsraad nog jaarlijks een uitkering aan 24 000 mensen (waaronder ook slachtoffers uit latere oorlogen, zoals in Korea).
Slachtoffers in Nederland
Tijdens de bezetting van Nederland zijn enkele bevolkingsgroepen extra hard getroffen. Van de joden werd 85% vermoord. Van de communisten werd 25% vermoord. Ook van de Jehova's getuigen werd ongeveer 25% vermoord. Van de Roma en Sinti werd 5% vermoord. Er werden ruim drieduizend Nederlanders gefusilleerd. Na de oorlog zijn er op diverse plekken in het land monumenten opgericht ter herdenking van de slachtoffers.

HNLMS De Ruyter, het vlaggeschip van admiraal Karel Doorman

 

 

 

 

 

 

NSB'ers en kaalgeschoren "moffenmeiden" worden opgebracht door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten.

De Amsterdamsche Keurkamer

De Amsterdamsche Keurkamer was een Nederlandse uitgeverij. Zij werd opgericht op 21 juli 1932 door drie vennoten: George Kettmann (1898-1970), Margot Warnsinck (1909-1952) en Frans Smit (1913-?). De Amsterdamsche Keurkamer was de eerste nationaalsocialistische uitgeverij in Nederland. Haar belangrijkste uitgave was zonder twijfel de Nederlandse vertaling van Hitlers Mein Kampf. De uitgeverij heeft haar gehele bestaan in dienst gesteld van het nationaalsocialisme. Met de verspreiding van politieke en culturele uitgaven bouwde zij mee aan het geestelijk fundament voor het Nederlandse fascisme en nationaalsocialisme. Op 17 juli 1952 beŽindigde de uitgeverij haar bestaan.


Begin en opbouw 1932-1938
Op de vraag waarom De Amsterdamsche Keurkamer werd opgericht, gaf haar directeur George Kettmann antwoord in een brief van 25 januari 1937 aan een van zijn auteurs: Onze uitgeverij is vijf jaar geleden opgericht met het doel het nationaalsocialisme als cultuurstroming mede op te vangen en te verbreiden, zoowel in uitgaven met uitgesproken fascistische strekking als werk van letterkundige waarde. Naast deze idealistische doelstelling, waren er ook meer praktische redenen. Het echtpaar Kettmann-Warnsinck verkeerde in behoeftige omstandigheden en het hoopte door een uitgeverij te beginnen, het financieel slechte tij te keren. Ook zocht Kettmann een plek waar hij zijn eigen letterkundig werk zou kunnen onderbrengen.

George Kettmann en Margot Warnsinck waren al vroeg bekeerd tot het fascistische, en later, het nationaalsocialistische gedachtegoed. Beiden waren lid van de Fascistenbond 'De Bezem' van Jan Baars. Beiden zegden dit lidmaatschap op 30 juni 1932 op en meldden zich op 2 augustus 1932 samen aan bij de NSB. Later dat jaar, op 12 oktober 1932, traden George Kettmann en Margot Warnsinck in het huwelijk. Kettmann had al enige boekpublicaties op zijn naam staan en Warnsinck zou zich ontwikkelen tot meisjesboekenschrijfster. Frans Albert Reinart Smit werd geboren op 11 februari 1913 te Amsterdam. Hij was accountantsbediende en hield zich voornamelijk bezig met de zakelijke aspecten. Zijn brieven ondertekende hij met 'fascistengroet', zodat mag worden geconcludeerd dat hij sympathie koesterde voor deze ideologie. Op 1 maart 1937 trad hij als vennoot uit De Amsterdamsche Keurkamer.

Symboliek
De naam die werd gekozen doet vermoeden dat de initiatiefnemers hebben gedacht aan een bekende vaderlandse rederijkerskamer, die precies driehonderd jaar daarvoor, in 1632, werd opgericht: De Amsterdamsche Kamer. Het uitgeversvignet, vermoedelijk ontworpen door Kettmann, moest de bekendheid vergroten en voor herkenning zorgen. De letters DAK vormden het uitgangspunt. De kleurensymboliek was identiek aan die van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland: rood symboliseerde het bloed en zwart stelde de aarde, de bodem, voor. Bij het tienjarig bestaan van de uitgeverij werd het vignet voorzien van een randschrift: Dienende Arbeid Kroont. Kettmann lichtte dit later toe: Dienende arbeid op zichzelf zou kunnen duiden op Únvrijheid, op de onderwerping aan een almachtige staat; het derde woord waarborgt echter een zo koninklijk zelfrespect, dat dit vrijwillig dienen de arbeid als zelfverwezenlijking vooropstelt.

Mussolini en Hitler
De uitgeverij kwam moeizaam van de grond. Pas een jaar na de oprichting verscheen haar eerste uitgave: Benito Mussolini: van de straat tot de macht in de vertaling van Ellen Forest (pseudoniem van Lucy Mary Pierson-Franssen). Tegen het eind van 1933 volgde de officiŽle erkenning door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels. Daarmee verwierf de uitgeverij het recht om rechtstreeks aan erkende boekhandels te leveren. Al in 1934 stelde Kettmann pogingen in het werk om Hitlers Mein Kampf in een Nederlandse vertaling op de markt te brengen. Een van zijn auteurs, de in Berlijn als persagent werkzame Johannes GŲbel, bood hem de vertaalrechten van het boek aan. Maar omdat Kettmann de uitgave financieel niet aankon, moest hij het aanbod laten lopen. Vier jaar later zou hij opnieuw, en nu met succes, gebruikmaken van GŲbels diensten. Toen verscheen dan eindelijk Mijn kamp. Met De jonge leeuw, waarin Kettmann zijn eigen poŽzie had gebundeld, kreeg de jonge uitgeverij voor het eerst enige publiciteit en succes. Zowel de politieke mede- als tegenstanders bespraken de bundel en al met al zorgde dit voor een krachtige stimulans voor de verkoop. Binnen twee jaar was de eerste druk van 1000 exemplaren uitverkocht en al in 1937 volgde een tweede druk. In 1943 volgde zelfs nog een derde, inhoudelijk sterk gereduceerde, druk. Met het uitgeven van De jonge leeuw had de uitgeverij het begin van de Nederlandse nationaalsocialistische poŽzie gemarkeerd. In de jaren die volgden lukte het de uitgeverij maar ternauwernood het hoofd boven water te houden.

Mijn kamp, Nederlandse vertaling door Steven Barends. Uitgave De Amsterdamsche Keurkamer, 1939

Bloeitijd en einde 1939-1945
Aan de vooravond van de Duitse bezetting had De Amsterdamsche Keurkamer dringend behoefte aan een krachtige impuls. Zakelijk ging het de uitgeverij niet voor de wind en er was behoefte aan een 'klapper'. Kettmann wendde zich begin 1938 opnieuw tot GŲbel, ditmaal met succes. Als vertaler trok hij de nationaalsocialistische dichter Steven Barends aan, die vijf maanden nodig had om de vertaalklus van 850 pagina's te klaren. Als Nederlandse titel werd eerst nog Mijn strijd overwogen. Toch koos Kettmann voor 'kamp', omdat deze klank al bij voorbaat elke twijfel uitsloot, of men wel met hťt boek van de Duitse FŁhrer te maken had, aldus Kettmann. Op 6 december 1939 lag het werk van de 'Leider aller Germanen' in de boekhandels. Mijn kamp sloeg in als een bom. Op de dag van verschijnen was de eerste druk met een oplage van 3000 exemplaren uitverkocht. Er zouden in totaal zes drukken van het boek verschijnen, met een gezamenlijke oplage van 110.000 exemplaren. Bovendien verscheen voor de Belgische markt een 'Sonderausgabe' van 10.000 stuks en een Volksuitgave van 30.000 exemplaren. Dat brengt de totale oplage van Mijn kamp op 150.000 exemplaren. Zo werd Mijn kamp de kurk waarop De Amsterdamsche Keurkamer dreef. Het commerciŽle succes ervan vormde een gedegen garantie voor het voortbestaan.
De eerste oorlogsjaren had de uitgeverij, in tegenstelling tot haar ervaringen in de jaren dertig, geen moeite met de verspreiding van het nationaalsocialistische gedachtegoed. Na mei 1940 ondervond zij de comfortabele ruggesteun van een nieuwe, gelijkgezinde overheid die voor de uitgeverij lastige maatregelen uit de weg ruimde. In deze jaren verschenen enkele werken die medebepalend zouden worden voor de beruchte naam die De Amsterdamsche Keurkamer zou krijgen. Menig antisemitisch werk zag het licht, met als hoogtepunt het in 1940 verschenen Bloed en mythe als levenswet van Pieter Emiel Keuchenius, biologieleraar en fervent antisemiet. Er verschenen drie drukken van, met een totale oplage van meer dan 10.000 exemplaren. Op literair gebied publiceerde de uitgeverij veel proza, ook nam zij het eertijds beroemde literaire tijdschrift De Nieuwe Gids over, daarnaast profileerde zij zich met letterkundige polemiek en zij waagde zich tot slot zelfs op wetenschappelijk gebied. Er verschenen werken van onder meer Hans Fallada, mr. Robert van Genechten, Will Vesper, Margot Warnsinck, Martien Beversluis, Felix Riemkasten en Werner Daitz.
In april 1941 verhuisde de uitgeverij naar een prestigieus pand aan de Amsterdamse Prinsengracht 993. Het echtpaar Kettmann-Warnsinck nam er eveneens zijn intrek. Kettmann staakte zijn werkzaamheden voor het NSB-weekblad Volk en Vaderland en er werd nieuw personeel aangenomen: het ging de uitgeverij voor de wind. Dat had ook zo zijn voordelen voor het uitgeversechtpaar dat op grote voet leefde, met (de oorlogsomstandigheden in ogenschouw nemende) veel luxe en dito personeel. Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de uitgeverij verscheen in het voorjaar van 1942 de groots opgezette en rijkelijk met foto's geÔllustreerde jubileumuitgave van ruim 600 pagina's: het Keurjaarboek 1932-1942. Kettmann vond dr. Tobie Goedewaagen bereid het boek in te leiden. Deze Goedewaagen was secretaris-generaal van het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, president van de Nederlandsche Kultuurkamer en met zijn literair-filosofische achtergrond de culturele leider bij uitstek binnen het Nederlandse nationaalsocialisme. Kettmann kreeg vanuit Duitsland permissie om een officiŽle foto van Adolf Hitler op te nemen, hetgeen de wrevel van NSB-leider Mussert opriep, die niet gevraagd was een bijdrage te leveren. Hieruit blijkt dat het proces van radicalisering waarin Kettmann zich bevond, een volgende fase was ingegaan: hij begon zich van de NSB af te wenden en zich ideologisch meer te richten op de ontwikkelingen in Duitsland. Als logische stap in dat proces had hij zich op 7 maart 1942 al aangemeld bij de Nederlandse SS.
Beoordeeld naar productie en uitgaven die op stapel stonden, kende De Amsterdamsche Keurkamer in de jaren 1943 en 1944 een bloeitijd als nooit tevoren. De totale boekenproductie in Nederland was gezakt van 4885 titels in 1940 naar 1847 in 1944. Toch bleef de productie van De Amsterdamsche Keurkamer op peil. Begin 1944 raakte de uitgeverij ook betrokken bij de uitgave van De Gil, periodiek orgaan voor nuchter Nederland, een satirisch krantje dat nogal wat stof deed opwaaien.
Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) vroeg de papiergroothandel Van Gelder in Amsterdam het faillissement van de uitgeverij aan. Met steun van de SS, die zich garant stelde voor de schuldenlast, wist Kettmann het faillissement op 21 december 1944 ongedaan te maken. Als tegenprestatie werd de gehele resterende voorraad van de uitgeverij (185 pakketten met velerlei boeken) naar het SS-Hauptamt in Berlijn getransporteerd. De SS verkocht de voorraad door aan het Deutsche Arbeitsfront, die de boeken gratis zou verdelen over de Nederlandse arbeidskampen in Duitsland.
Van uitgeven kwam in die omstandigheden natuurlijk niets meer: De Amsterdamsche Keurkamer bestond alleen nog in naam. Nadat de laatste werknemer van de uitgeverij het pand in april 1945 had verlaten, viel het ten prooi aan plunderaars. Daardoor is een groot deel van het uitgeversarchief, samen met vrijwel alle persoonlijke bezittingen van het echtpaar Kettmann, verdwenen. De Amsterdamse Kamer van Koophandel beŽindigt de inschrijving van de onderneming op 1 januari 1946.
Epiloog 1946-1952
Margot Warnsinck trachtte in de jaren na de oorlog schoon schip te maken. Daarbij bleef het faillissement van De Amsterdamsche Keurkamer haar achtervolgen. Een deel van de oude schulden was blijven staan en als mede-vennoot was zij daarvoor persoonlijk aansprakelijk. Zij ondernam stappen om hieraan een einde te maken. Zij liet daarom op 10 februari 1951 De Amsterdamsche Keurkamer opnieuw in staat van faillissement verklaren. Op 17 juli 1952 werd dit faillissement beŽindigd. Zelf maakte Margot Warnsinck dit niet meer mee; zij overleed op 27 januari 1952. Na een bestaan van (op vier dagen na) twintig jaar, viel zo het doek over de meest bekende en invloedrijke Nederlandse nationaalsocialistische uitgeverij.
Tot slot
De Amsterdamsche Keurkamer was de eerste nationaalsocialistische uitgeverij in Nederland. Haar streven om deze ideologie te verbreiden heeft zij tot het eind toe volgehouden. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de inzet van haar directeur George Kettmann. Hij drukte met zijn persoonlijkheid een grote stempel op de onderneming.
Aan de politieke auteurs was er naast Hitler, wiens Mein Kampf zeer gezichtsbepalend was voor de uitgeverij, geen enkele schrijver die kon bogen op een grote reputatie. De succesvolste buitenlandse auteurs op politiek terrein waren de Duitsers Anton Zischka en Friedrich Griese, die al een zekere faam in Nederland hadden, en Werner Daitz, wiens economische geschriften tweemaal werden herdrukt en een aanzienlijke oplage behaalden. Gelet op het aantal politieke uitgaven heeft de uitgeverij een wezenlijk aandeel gehad in de verspreiding van fascistische en nationaalsocialistische ideeŽn.
Op literair gebied lag de zaak anders. De Amsterdamsche Keurkamer is er niet in geslaagd haar letterkundige uitgaven geaccepteerd te krijgen buiten de eigen kring van medestanders. Dit ondanks het feit dat het Kettmann lukte een groep dichters binnen te halen waarvan enkelen reeds een zekere naam en faam opgebouwd hadden, zoals Martien Beversluis, Wies Moens, Johan Theunisz en Henri Bruning. Kettmann zelf genoot ruime bekendheid als 'de dichter van het nationaalsocialisme'. Voor Duitse auteurs kon Kettmann terugvallen op bekendere namen als Hans Fallada, Will Vesper en Hanns Johst. Al met al is de betekenis van De Amsterdamsche Keurkamer voor het Nederlandse literaire leven tijdens het interbellum van ondergeschikt belang geweest.
Hoewel het lezerspubliek van de uitgeverij zich in hoofdzaak beperkte tot fascistische en nationaalsocialistische kringen, heeft De Amsterdamsche Keurkamer zich een blijvende plaats verworven in de Nederlandse geschiedenis. Zij verspreidde relatief veel oorspronkelijk Nederlandstalig werk, zij was de oudste Nederlandse nationaalsocialistische uitgeverij en zij was, last but not least, de uitgeefster van de bijbel van het nationaalsocialisme: Mein Kampf.

Arbeidsinzet

Arbeitsinzet was de Arbeitseinsatz in Nederland voor de vaak gedwongen inschakeling in de Duitse oorlogseconomie van arbeiders tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Vrijwilligheid
Al vůůr het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren er Nederlanders in Duitsland werkzaam. Dat land was zich vanaf 1933 in een ijltempo aan het opbouwen en er was volop werk te vinden, terwijl thuis de economische crisis maar bleef voortduren. Niet alle werkzaamheid in Duitsland was trouwens vrijwillig. Al voor de bezetting, namelijk tussen februari 1938 en september 1939, achtten de arbeidsbureaus werk in Duitsland 'passende arbeid' voor werklozen. KVP-voorman Carl Romme was hier instrumenteel in. Vooral in de grensstreken werd dit ook toegepast: Ongeveer 1800 mannen werden gedwongen tewerkgesteld bij de oosterburen. Weigering resulteerde in stopzetting van de werklozensteun. Bovendien kwam men dan niet meer in aanmerking voor binnenlandse werkverschaffingsplaatsen. In het eerste anderhalf jaar van de bezetting bleef de bemoeienis van de nieuwe machthebbers met de arbeidsmarkt beperkt. Wel kwamen de Geschšftsgruppe Soziale Verwaltung van het Rijkscommissariaat en het Departement van Sociale Zaken al in juni 1940 overeen meer dwang uit te oefenen op werklozen om arbeid in Duitsland te accepteren.
In het najaar van 1940 begonnen Duitse bedrijven actief arbeidskrachten te werven in Nederland, maar het aantal aanmeldingen bleef ondanks de maatregelen tegen werklozen achter bij de verwachtingen die de Duitsers koesterden. In september 1941 waren zo'n 92.000 Nederlanders in Duitsland werkzaam. In maart van het daaropvolgende jaar werkten er al ongeveer 165.000 (exclusief nog eens 72.000 grensarbeiders), maar voor de wapenindustrie, die daar nu op volle toeren draaide, was dit niet genoeg. Veel van degenen die zich hadden laten overhalen keerden overigens al vůůr het aflopen van hun contract terug naar Nederland, zwaar teleurgesteld in de verworvenheden van de Neuordnung.
Dwang
Langzaam maar zeker werd door de Duitse autoriteiten de druk op de Nederlandse arbeidsmarkt vergroot. Voor Berlijn werd duidelijk dat de oorlog langer zou duren dan men gedacht had en dat miljoenen Duitsers moesten worden gemobiliseerd voor de mensenverslindende veldtochten. Het Reichsarbeitsministerium kreeg via de Arbeitsšmter steeds meer aanvragen van het Duitse bedrijfsleven voor nieuwe arbeidskrachten. Vervanging voor de opengevallen arbeidsplaatsen moest wel gevonden worden in de bezette gebieden, ook als die door rassenmšŖig gleichartige VŲlker, zoals het Nederlandse, bewoond werden. Toen het front voor Moskou vastliep en Duitsland ook de Verenigde Staten tegenover zich kreeg werd het tijd voor de grote aanpak. In januari 1942 verklaarde Reichsmarschall Hermann GŲring dat het voor het Reich dringend noodzakelijk was arbeiders uit deze gebieden te verplichten voor de Duitse oorlogsindustrie te werken. In die maand werd in Nederland de Nederlandse Arbeidsdienst ingesteld. Jonge mannen moesten voor deze dienst hun arbeidsdienstplicht vervullen.
Op 21 maart 1942 werd SS- u. SA-SS-ObergruppenfŁhrer Fritz Sauckel, Gauleiter in ThŁringen, benoemd tot Generalbevollmšchtigter fŁr den Arbeitseinsatz. Het werd zijn taak de onvrijwillige tewerkstelling in het Derde Rijk te organiseren. Vůůr het einde van de oorlog zou hij miljoenen Europeanen laten wegvoeren om hen in te zetten in de Duitse wapenindustrie. Hij werd in 1946 opgehangen te Neurenberg.
De Leiter van het Arbeitsbereich in den Niederlanden en Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fritz Schmidt kreeg als Beauftragter van Sauckel in Nederland dezelfde taak. Onder hem ressorteerde vanaf april 1942 de Hauptabteilung Soziale Verwaltung, de vroegere Geschšftsgruppe. Dit orgaan, dat voorheen onder verantwoordelijkheid viel van Hans FischbŲck, Generalkommissar fŁr Finanz und Wirtschaft, zou zich intensief gaan bezig gaan houden met het inschakelen van Nederlanders in de Duitse oorlogseconomie.
Uitkamactie
Op 23 maart van hetzelfde jaar was het Landoorlogreglement, waarin bepalingen waren opgenomen tegen het werken voor een vijandelijke mogendheid, buiten werking gesteld door een verordening waarin een dienstverplichting voor alle Nederlanders werd afgekondigd - dus ook voor niet-werklozen! De weg was vrij voor de Holland- of Sauckel-Aktionen: de stelselmatige uitkamming van Nederlandse bedrijven voor arbeiders die in aanmerking kwamen voor gedwongen arbeid in nazi-Duitsland.
In 1942 zien we al dat Nederlandse bedrijven opgave moeten doen van hun personeelsbestand met daarbij aangetekend de (on)misbaarheid van elke afzonderlijke werknemer. Fachberater en Fachberaterinnen, ook wel Fachwerber genaamd en meestal overtuigde nationaal-socialisten, werden namens de Hauptabteilung Soziale Verwaltung als toezichthouders op de gewestelijke arbeidsbureaus aangesteld en zij wezen uiteindelijk aan wie er geschikt waren voor uitzending naar Duitsland. Zij werkten aan de hand van lijsten die waren opgesteld door zogenaamde 'uitkamcommissies', bestaande uit een vertegenwoordiger van het Amt fŁr Technik en een ambtenaar van het arbeidsbureau. Hun lijsten werden dagelijks opgestuurd naar de Fachberater die kandidaten voor uitzending lieten oproepen. Natuurlijk kwamen de bedrijfstakken die niet direct voor de oorlogvoering van belang waren, zoals de vervaardigers van luxe-artikelen, het eerst voor een bezoek van de commissies in aanmerking.
In april 1942 ging de Holland-Aktion I van start, bedoeld om 30.000 Nederlandse arbeiders te werven voor de Duitse metaalindustrie. In september en oktober van dat jaar werden voor de Holland-Aktion II 40.000 mensen opgeŽist. Later werden nog het Programm-RŁstung-November 1942 afgekondigd, dat 35.000 arbeiders moest opleveren, gevolgd door de Stahl- u. Eisen-Aktion vanaf 15 januari 1943, in het kader waarvan binnen twee maanden 22.000 metaalarbeiders naar Duitsland zouden moeten worden afgevoerd. De uitkamcommissies waren verre van kieskeurig omdat het quotum, dat door het Reichsarbeitsministerium in Berlijn was vastgesteld, gehaald moest worden en zo gebeurde het veelvuldig dat arbeidsongeschikten werden geselecteerd.
Studenten die de loyaliteitsverklaring niet wilden tekenen werden werkloos en zij werden daarom opgeroepen voor de Arbeitseinsatz.
Internering en razzia's
Eind maart 1943 waren er al Ī 227.000 Nederlanders tewerkgesteld in het Derde Rijk. Begin januari 1944 was dit getal (onder andere door de hernieuwde krijgsgevangenschap van Nederlandse militairen) gestegen tot omstreeks 275.000. Er zouden nog vele landgenoten volgen - zo'n 120.000 alleen al via razzia's in het laatste oorlogsjaar.

Oproep tot dwangarbeid in Friesland (1945)

 

Overzichtskaart met plaatsen waar mannen van de razzia van Rotterdam tewerkgesteld werden

Bleekneusje

Bleekneusje was de term die tussen 1883 en 1970 gebruikt werd voor een kind dat door de gevolgen van oorlog, armoede, ondervoeding, tuberculose en andere gezondheidsproblemen, in een zogenaamde vakantie- of gezondheidskolonie werd gehuisvest om weer op sterkte te komen.
Tweede Wereldoorlog
Kinderen uit Rozendaal arriveren in 1945 per schip in Tilbury (Groot-BrittanniŽ)
Begin 1945, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden vele Nederlandse kinderen die slachtoffer waren geworden van de hongerwinter, in buitenlandse en ook binnenlandse vakantiekolonies en gastgezinnen gehuisvest, om daar weer op sterkte te komen.
In de periode 1945/46 werden via de Nationale Commissie tot Uitzending van Nederlandsche kinderen, die ressorteerde onder het Ministerie van Sociale Zaken, enkele tienduizenden kinderen uit de grote steden ondergebracht bij Nederlandse pleeggezinnen, maar ook 30.000 kinderen in het buitenland ondergebracht. Van hen gingen er: 9500 naar Zwitserland, 9300 naar Groot-BrittanniŽ, 6000 naar Denemarken, 3200 naar BelgiŽ, 2400 naar Zweden, 350 naar Frankrijk.[1].
In 1959 hield de AVRO een grote inzamelingsactie met de naam: Alles op een kaart. De VARA hield een speelgoedactie waardoor de tehuizen van speelgoed werden voorzien.[2].
Vakantiekoloniehuizen in Nederland
In de provincie Friesland was er op Vlieland het tehuis Ďt Vlie, in Rijs het tehuis Mooi Gaasterland en op Schiermonnikoog de tehuizen St.Egbert en Elim.
In de provincie Drenthe was er in Hoogeveen het tehuis Noorderhuis en in Rolde het tehuis ít Ruige Veld.
In de provincie Gelderland waren er 23 tehuizen.
In de provincie Utrecht waren er 15 tehuizen.
In de provincie Noord-Holland waren er 24 tehuizen, voornamelijk gelegen aan zee.
In de provincie Zuid-Holland was er in Hoek van Holland het tehuis R.K. Koloniehuis en in Katwijk aan Zee het kleuterkoloniehuis. In Oostvoorne waren er 3: Ons Genoegen, naar Buiten en Agathahuis, en in Ter Heijde het tehuis met dezelfde naam als de plaatsnaam.
In de provincie Zeeland was er in Domburg het tehuis met de naam: Zonneveld
In de provincie Noord-Brabant waren er 10 tehuizen
In de provincie Limburg was er in Bunde het tehuis Overbunde en in Venlo het tehuis Mgr.Mutsaersoord.
In 1970 werd er in de Staatscourant een artikel gepubliceerd aan welke voorwaarden een medisch kindertehuis moest voldoen om voor de AWBZ in aanmerking te kunnen komen. Slechts 13 tehuizen kregen uiteindelijk toestemming om te blijven bestaan.[2].
In 1998 was er in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem een tentoonstelling met de titel: Alle bleekneuzen naar buiten.

Kinderen uit Rozendaal arriveren in 1945 per schip in Tilbury (Groot-BrittanniŽ)

BOAC-vlucht 777

Op 1 juni 1943 vloog de Ibis, een KLM-vliegtuig van het type Douglas DC-3 met vliegtuigregistratie 'PH-ALI', als reguliere passagierslijndienst BOAC-vlucht 777 van Lissabon naar Bristol. Dit was een van de toestellen en bemanningen van de KLM die waren uitgeweken naar Engeland na de Duitse inval in Nederland. Onder de dertien passagiers bevonden zich verschillende bekende personen, waaronder de destijds beroemde filmacteur Leslie Howard. Het toestel werd boven de Golf van Biskaje door acht Luftwaffe-jagers aangevallen en stortte in zee. Er waren geen overlevenden.

De Ibis was op deze route al twee keer eerder aangevallen.

Beschrijving vlucht

Rapport van de zoektocht naar het verongelukte toestel door een Spaanse destroyer
Enige uren na vertrek uit Portugal vloog het toestel boven de Golf van Biskaje toen het ongeveer 350 km ten noorden van La CoruŮa werd aangevallen door acht Duitse Junkers Ju 88-jachtvliegtuigen en in zee stortte.[1] Alle passagiers en bemanningsleden kwamen hierbij om. Aanvankelijk werd vermoed dat het toestel was aangevallen omdat de Duitsers dachten dat de Britse premier Winston Churchill zich aan boord bevond. Churchill zou rond dezelfde tijd vanuit Noord-Afrika naar Engeland terugkomen en de meereizende accountant van filmster Howard had gelijkenissen (ook qua postuur) met Churchill. Latere theorieŽn suggereren dat het toestel werd aangevallen omdat verscheidene passagiers, inclusief Howard, Britse spionnen zouden zijn. Ook zijn er theorieŽn dat de Engelsen al zouden hebben geweten van de op handen zijnde aanval, maar dit niet openbaar konden maken om niet te verraden dat zij de Enigma-codering hadden gekraakt.

Een artistieke impressie van het door BOAC gebruikte kleurenschema

De bunker van Seyss-Inquart

De bunker van Seyss-Inquart ligt op landgoed Clingendael en dateert uit de Tweede Wereldoorlog. Hij maakte deel uit van de StŁtzpunktgruppe Clingendael.
Tijdens de oorlog
Terwijl Arthur Seyss-Inquart op landgoed Clingendael woonde, liet hij door de Abteilung Siedlung und Bauten een schuilbunker in het park bouwen aan de grens met landgoed Oosterbeek[1]. Hij werd ruim 70x30 meter en omdat er een 4 meter dik, pannen puntdak met schoorstenen op kwam werd hij 20 meter hoog. Zo leek het vanuit de lucht op een gewone boerderij. De buitenmuren zijn van beton, afgewerkt met bakstenen of beschilderd om op een bakstenen muur te lijken.
De bunker (Baupunkt 237) is een schuilbunker en daartegenaan is een dubbele keukenbunker (type 645), beveiligd door 2 meter dikke muren, schietgaten en zware ijzeren deuren van het type 434 P01. Bij de keuken is ook de nooduitgang.
De schuilbunker had op de begane grond de werkkamer van Seyss-Inquart. Er waren nog een paar kamers inclusief een stookkamer en een machinekamer. Onder het dak was een grote zolder, waar de betonnen spanten van het dak nog te zien zijn. Vanuit de zolder had men toegang tot twee observatie- en luchtafweertorens.
In het ernaast gelegen Landgoed Oosterbeek werden vier type 625 bunkers gebouwd, waarvan er thans nog drie aanwezig zijn. Hierin stonden 7,5 cm PAK 40 kanonnen ter verdediging van de commandobunker.
Na de oorlog
Na de oorlog werd de bunker ook beveiligd door gasdeuren. De Koninklijke Landmacht maakte nog gebruik van de bunker, onder meer om verbinding te houden met Nederlandse troepen overzee. Tijdens de Koude Oorlog werd er rekening mee gehouden dat de Nederlandse regering hier in crisissituaties onderdak moest kunnen vinden.
Rijksmonument
Op 16 juni 2000 was de eerste openstelling van de bunker, hoewel hij toen alleen voor leden van Stichting Militair Erfgoed toegankelijk was. In 2012 is de procedure gestart om van de bunker een rijksmonument te maken.Stichting Atlantikwall Museum Scheveningen wil hier tentoonstellingen en lezingen organiseren.
Apeldoorn
Seyss-Inquart heeft in Apeldoorn een buitenverblijf gehad. Aan de Loolaan liet hij een commandobunker bouwen met het uiterlijk van een fraaie witgeschilderde villa. Tijdens de Apeldoorn's erfgoed-week en Open Monumentendag is de bunker meestal te bezichtigen.

Zuidkant van de bunker, ogenschijnlijk een boerderij

Zuidkant van de bunker, ogenschijnlijk een boerderij
Locatie landgoed Clingendael
Oorspr. functie schuilbunker

 

Deutsche Zeitung in den Niederlanden

De Deutsche Zeitung in den Niederlanden was een Duitstalige krant die gedurende de Duitse bezetting van Nederland in Nederland werd uitgegeven. De krant verscheen van 5 juni 1940 tot aan de Duitse capitulatie op 5 mei 1945. De Deutsche Zeitung in den Niederlanden (DZN) was een van de Duitse bezettingskranten die in Europa verschenen en werd uitgegeven door de Europa uitgeverij, dochteronderneming van de Eher uitgeverij (Franz-Eher-Verlag).

De DZN was de opvolger van de Reichsdeutschen Nachrichten in den Niederlanden, een krant die vanaf 4 maart 1939 werd uitgegeven door de Reichsdeutsche Gemeinschaft, een deel van de NSDAP/AO. Het laatste nummer van de Reichsdeutsche Nachrichten verscheen op 31 mei 1940; het eerste nummer van de Deutsche Zeitung in den Niederlanden verscheen op 5 juni 1940. De redactie van de krant was gevestigd in Amsterdam. Vanaf 1942 was de redactie werkzaam vanuit het Telegraaf-gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal. De krant werd ook bij de Telegraaf gedrukt. De krant richtte zich niet alleen op de Duitse lezers, maar ook op Nederlandse lezers. Om die reden werd gebruikgemaakt van Antiqua-lettertypen, in plaats van de in Duitsland gangbare Fraktur, een gotische drukletter. In de eerste maanden verscheen de krant in een oplage van 30.000 exemplaren. In mei 1942 was een oplage van 54.500 bereikt.

Het laatste nummer, nummer 285, van de DZN verscheen op 5 mei 1945. In dit nummer werd nog tegengesproken dat de Duitse troepen in Nederland hadden gecapituleerd.                          Affiche uit 1940

Doetinchem in de Tweede Wereldoorlog

Doetinchem tijdens de Tweede Wereldoorlog is een beschrijving van gebeurtenissen in de Nederlandse stad Doetinchem gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de brug over de Oude IJssel opgeblazen door het Nederlandse leger om de Duitse opmars te vertragen. Tijdens de oorlog was er slechts een kleine Duitse bezettingsmacht in de stad gelegerd.
Joodse bevolking
Doetinchem had in de eeuwen voor de oorlog steeds een kleine Joodse minderheid. Deze gemeenschap bouwde in 1878 een synagoge aan de Waterstraat. Er was daarvoor al een Joodse begraafplaats op de IJkenberg. In de jaren 1930 kwamen achttien Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk in Doetinchem wonen.
De eerste Duitse maatregelen tegen de joden kwamen in november 1940, toen de joodse leraren van het gemeentelijk lyceum moesten worden ontslagen. Leerlingen uit de hoogste klassen staakten uit protest daartegen. In september 1941 werden alle Joodse leerlingen van de scholen gestuurd. DrieŽndertig leerlingen kregen toen tot februari 1943 les op een nieuw opgerichte Joodse school.
Begin 1943 werden in de gereformeerde pastorie Villa Bouchina voor zeven weken enkele joden gehuisvest die speciale bescherming genoten van NSB-leider Anton Mussert. Deze gevangenen zijn naar concentratiekamp TheresiŽnstadt gedeporteerd. Voor een deel overleefden zij de oorlog.
Nadat al in 1941 en 1942 mannen waren opgepakt werden in de nacht van 17 op 18 november 1942 achtenzestig mensen weggevoerd. Op april 1943 werden de laatste overgebleven Joden naar Kamp Vught gebracht. In totaal zijn 124 Doetinchemse joden gedeporteerd. Hiervan overleefde niemand de ontberingen in de Duitse kampen. De enige overlevenden waren de ongeveer 56 ongedokenen.[1] De synagoge bij een bombardement vernielde synagoge werd niet herbouwd omdat het aantal Doetinchemse joden te klein was geworden. In 2007 verrees in de Boliestraat een monument ter herinnering aan de verdwenen Joodse gemeenschap.
Het einde
Toen het Duitse leger steeds verder in het nauw gedreven werd door de geallieerden werden er door de Duitsers in Doetinchem zestien gijzelaars genomen. Deze werden vrijgelaten als er voor elke gijzelaar 100 mannen loopgraven bij Giesbeek zouden gaan graven. De toen gemaakte verdedigingswerken zijn nooit gebruikt. Toen tijdens de operatie Market Garden de stad Arnhem en de omliggende dorpen werden ontruimd zijn een aantal evacuťs in Doetinchem gehuisvest.
Bij wijze van strafmaatregel werden in maart 1945 in Doetinchem enkele gevangenen geŽxecuteerd vanwege een bij het Veluwse plaatsje Putten door het Nederlandse verzet gepleegde aanslag op een hoge Duitse officier.
Aan het eind van de oorlog kreeg de stad nog zware klappen. Op 19, 21 en 23 maart 1945 om 8:40, 16:55 en 17:30 respectievelijk, bombardeerden Britse vliegtuigen het centrum van de stad. Mogelijk waren de Duitse plaatsen Isselburg en Anholt het eigenlijke doelwit, maar het is ook mogelijk dat een in Doetinchem samengetrokken Duitse troepenmacht getroffen moest worden. De aanwezige Duitse troepen verdedigden zich tot het laatste moment. Toegangswegen tot de stad warenen geblokkeerd met kapotte treinwagons en er werd getracht om enkele bruggen op te blazen. Dit laatste is voorkomen door het verzet. Op 1 april 1945 werd Doetinchem na enkele gevechten bevrijd door het Canadese leger.
Tijdens de bombardementen is een groot deel van de historische binnenstad verwoest en zijn 180 mensen omgekomen. De oude Catharinakerk, die bijna geheel in puin lag, werd opnieuw opgebouwd. De Rooms-katholieke kerk aan de Waterstraat werd niet herbouwd maar verhuisde naar het Pasplein.

Joods monument Boliestraat

Groepsschuilplaats Type P

Een Groepsschuilplaats Type P, vanwege de karakteristieke vorm vaak ook Piramide genoemd, is een in zwaar gewapend beton uitgevoerd Nederlands militair bouwwerk uit de mobilisatieperiode 1939-1940, bedoeld als schuilplaats voor een groep (10-13 man) infanteristen bij artilleriebeschietingen. In tegenstelling tot een kazemat heeft een groepsschuilplaats geen actieve gevechtsfunctie, er zijn geen opstellingsplaatsen voor wapens als mitrailleurs of kanonnen.

Beschrijving
Een groepsschuilplaats is circa 8,2 m lang, 6,5 m breed en 4,85 m hoog. De buitenmuren zijn 1,5 m dik, die aan de niet-afgeschuinde frontzijde 1,8 m en de binnenmuren 0,8 m, terwijl de bovendekking 2,15 m en de bodemplaat 0,9 m dik zijn. Deze diktes waren conform Voorschrift Inrichting Stellingen (een serie door de KMA in 1928-1934 uitgegeven handboeken), in dit geval voor een weerstandsvermogen tegen een voortgezette beschieting met 21 cm brisantgranaten en enkele voltreffers van 28 cm (W 21-28). De afwachtingsruimte (zie afbeelding 3) is 3,5 m lang en 3,0 m breed. Er werden ook lichter (W 15-21) uitgevoerde exemplaren gebouwd die door de dunnere wanden en dekkingen kleiner zijn.

Aan de achterkant van de groepsschuilplaats bevindt zich de ingang met hoge drempel, deze geeft toegang (3 treden af) tot een portiekje dat bestreken wordt door een schietgat vanuit de afwachtingsruimte (zie afbeelding 2). Naar links bevindt zich een deur naar een portaal, van waaruit via een tweede deur naar rechts de verblijfsruimte betreden kan worden. De deuren openden naar buiten zodat een eventuele explosiedruk de deur dicht zou drukken. Het portaal kon dienen als sluis tegen strijdgassen. De schuilplaats is verder voorzien van doorvoeren voor ventilatie, telefoon en, naar boven, voor een periscoop. De deuren zouden in dik staal uitgevoerd en driedelig zijn, het middelste deel diende als noodluik voor als de deur geblokkeerd zou raken. Aan de haken langs de schuine zijden kon camouflagemateriaal bevestigd worden. Boven de ingang is vaak het bouwjaar of het vak- en volgnummer als reliŽf in het beton ingegoten.

Locaties
Voor militairen in loopgraven was het noodzakelijk een schuilplek te hebben tijdens beschietingen. De groepsschuilplaats was hiervoor een oplossing in vlak en open terrein waar camouflage en goede dekkingsmogelijkheden ontbraken.

Bij de versterking de Vesting Holland in 1939 en 1940 zijn, met name in het oostfront (de voormalige Nieuwe Hollandse Waterlinie) en in het Zuidfront aan de Nieuwe Merwede en het Hollandsch Diep, zo'n 570 groepsschuilplaatsen gebouwd. De meeste daarvan, ook onafgebouwde, zijn nog aanwezig, zij het meestal zonder deuren, andere onderdelen of uitrustingsstukken. Velen hebben inmiddels een monumentenstatus. Een uniek dubbel exemplaar bevindt zich aan de Machinekade in Maarssen. Daar is door de inklinking van de bodem de zware fundering met heipalen goed te zien.

De meeste van de schuilplaatsen zijn dichtgemetseld en daardoor niet toegankelijk. Op het buitenterrein van het Muizenfort in Muiden staat een schuilplaats die wel van binnen is te bezichtigen. Via het museum kan men naar de voorzijde van het fort en dan is de groepsschuilplaats te bereiken na een korte wandeling door de loopgraven. Ook bij het Werk aan het Spoel is een schuilplaats van dit type van binnen te bezichtigen. Aan de Diefdijk bij de A2 staat een doormidden gezaagde schuilplaats, waardoor de dikte van de de muren, vloer en plafond duidelijk te zien is.

Groepsschuilplaats aan de Diefdijk bij Leerdam

Doormidden gezaagde groepsschuilplaats aan de Diefdijk bij de A2.

Daniel Johannes von Balluseck

DaniŽl Johannes (Day) von Balluseck (Utrecht, 8 maart 1895 Ė 's-Gravenhage, 27 februari 1976) was een Nederlands journalist en diplomaat. Hij was van 1929 tot 1949 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. Onder zijn leiding nam de krant tijdens de Tweede Wereldoorlog een ferme, liberale houding aan tegenover de Duitse bezetter en zijn Nederlandse handlangers. Als gevolg hiervan werd hij meermalen gearresteerd en in 1942 overgebracht naar kamp Haaren en later, als gijzelaar naar kamp Sint-Michielsgestel. Hier maakte hij deel uit van de Heeren Zeventien.
In 1949 verliet hij de journalistiek en werd permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de Verenigde Naties in New York. Tijdens zijn ambtsperiode, die tot 1955 duurde, was Nederland gedurende twee jaar (1951-1952) lid van de Veiligheidsraad, die hij gedurende twee periodes van ťťn maand voorzat. Na 1955 was hij nog ambassadeur te Moskou en Ottawa.
Wegens de impopulariteit van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog gebruikte hij, naast zijn officiŽle achternaam "Von Balluseck", ook het Franse equivalent hiervan "De Balluseck".
Afkomst
Von Balluseck werd geboren in de van origine Russische familie Von Balluseck. Zijn vader, Felix Adolph von Balluseck, luitenant-kwartiermeester in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, was de derde zoon van Felix von Balluseck. Laatstgenoemde had zich onderscheiden in Nederlands-IndiŽ tijdens de Tweede Atjehexpeditie. Zijn moeder, Johanna Wilhelmina Soeterik, was de oudste dochter van DaniŽl Johannes Soeterik naar wie Von Balluseck werd vernoemd. In 1995 werden drie leden van dit geslacht ingelijfd in de Nederlandse adel, onder wie de zoon van Daniel Johannes, Maarten von Balluseck (geboren 1925).
Loopbaan
Von Balluseck bezocht in 1913, na de HBS in Den Haag doorlopen te hebben de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam die juist dat jaar haar deuren geopend had. Hij onderbrak zijn studie voor enige tijd waarin hij naar Londen afreisde en aldaar aan het Nederlandse consulaat-generaal werkte. Hij bleef echter in Rotterdam studeren tot 1916 waarna hij de Nederlandsche Handels-Hoogeschool verliet zonder examens te doen. Hierna begon hij in 1917 een studie sociale en economische wetenschappen en rechtsgeleerdheid in GenŤve welke hij tevens niet voltooide. Hij schreef zich, terug in Nederland opnieuw in voor een studie rechtsgeleerdheid in Amsterdam maar vertrok in 1918 om als redacteur Buitenland voor het Algemeen Handelsblad te Amsterdam te gaan werken. Het Handelsblad zond hem in 1918 uit naar eerst Londen en daarna Parijs om daar, als "noodhulpcorrespondent" verslag te doen van de vredesconferentie die een eind zou maken aan de Eerste Wereldoorlog. In 1919 vertrok hij als correspondent naar New York waar hij tot 1925 bleef. Na vervolgens nog twee jaar in GenŤve en ťťn jaar in Londen werd hij in 1929 benoemd tot hoofdredacteur naast zittend hoofdredacteur Jan Kalff Jr. die in 1931 aftrad.
Als hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad zette Von Balluseck de rechts-liberale koers van de krant voort. Hij had een grote afkeer voor het opkomende Nationaalsocialisme en bestreed dit dan ook in zijn artikelen. Zijn medewerkers liet hij grote vrijheid in hun artikelen. Het vertrouwen dat hij zijn medewerkers schonk werd slechts beschaamd door Max Blokzijl, correspondent te Berlijn, en S.S. Hoogterp, redacteur landbouw. Beide mannen kwamen na 10 mei 1940 openlijk voor hun lidmaatschap van de NSB uit, S.S. Hoogterp zou Von Balluseck tijdens de bezettingsjaren vervangen als hoofdredacteur.
Met de directeur van het Algemeen Handelsblad, A. Heldring, had Von Balluseck een gespannen verhouding. De eerste meende dat de felle wijze waarop de hoofdredacteur de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) bestreed, de krant te veel lezers kostte. Ook vond hij dat Von Balluseck overigens te weinig belangstelling voor, en kennis van, binnenlandse politiek had. De toon van de krant werd steeds meer bepaald door de directeur, die bij het Algemeen Handelsblad tevens hoofdredactionele zeggenschap had. Het conflict laaide zo hoog op dat er ten slotte ook van een persoonlijke incompatibiliteit gesproken werd. Het leidde ertoe dat Von Balluseck, met ingang van 1 januari 1938 ontslag werd verleend uit zijn functie, desalniettemin bleef hij de persoonlijke titel van "hoofdredacteur" voeren al werd zijn naam uit de kop van de krant verwijderd. Na Heldrings dood, in september 1938 hernam Von Balluseck zijn oude functie, hoewel zijn naam pas in 15 oktober 1939 weer in de kop van de krant verscheen.
Tijdens het eerste jaar van de Duitse bezetting bestreed het Algemeen Handelsblad onder Von Balluseck het nationaalsocialisme. Als gevolg hiervan groeide het aantal abonnees tot een ongekende hoogte: op 30 juni 1941 was dat ca. 60.000. In zijn kolommen verwelkomde Von Balluseck de totstandkoming van de Nederlandsche Unie in 1940. Hij had zelf een rol gespeeld bij de oprichting van de politieke beweging die door velen gezien werd als de tegenhanger van de door de bezetter begunstigde NSB. Op 7 juli 1941 werd Von Balluseck gearresteerd nadat er meermalen geen gehoor was gegeven aan de eis hem te ontslaan. Hij werd gevangengezet in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel). Na een maand werd hij vrijgelaten zonder aan enig verhoor te zijn onderworpen. De Duitse eis hem te ontslaan was inmiddels ingewilligd door de nieuwe directie en commissarissen. Kort daarop (januari 1942) werd hij opnieuw gearresteerd en als gijzelaar overgebracht naar kamp Haaren en later naar kamp Sint-Michielsgestel. Tijdens zijn gevangenschap vertegenwoordigde hij de Liberale Staatspartij als lid van de groep de "Heeren Zeventien". In september 1944 kwam hij vrij.
Na de bevrijding van Nederland was Von Balluseck, in afwachting van de herverschijning van het Algemeen Handelsblad, dat een verschijningsverbod opgelegd had gekregen, voor korte tijd redacteur voor de Regeeringsvoorlichtingsdienst van Revue van buitenlandsche stemmen. Op 1 september 1945 verscheen het Handelsblad weer, echter niet onder NV Algemeen Handelsblad maar onder een stichting waarvan Dirk Uipko Stikker de voorzitter was. Na ruim vier jaar werd Von Balluseck weer hoofdredacteur. Hij trachtte van zijn krant een links-liberaal dagblad te maken naar voorbeeld van de toenmalige Manchester Guardian. De traditionele lezerskring van het Algemeen Handelsblad moest echter niets hebben van enig begrip voor het Indonesische nationalisme vanuit een links-socialistische invalshoek. Iets waar Von Balluseck blijkens een boekje, wat hij in 1945 uitgaf, zelf ook geen oog voor had.
In 1948 werd zijn vriend Dirk Uipko Stikker minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Drees. Hij vroeg Von Balluseck, die hem al een keer eerder geholpen had een redevoering op te stellen, hem bij te staan als adviseur. Von Balluseck combineerde zijn hoofdredacteurschap een tijd lang met zijn functie als adviseur, waarvoor een aparte kamer op het departement kreeg. Niet al zijn collega's konden deze combinatie van verantwoordelijkheden appreciŽren, zo had hij nooit een diplomatieke opleiding genoten wat ook in zijn latere leven af en toe tot enige rancune leidde. Een jaar later ruilde hij zijn journalistieke carriŤre in voor een diplomatieke. Per 1 februari 1951 aanvaardde hij de post van permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York City. Tijdens zijn ambtsperiode was Nederland gedurende twee jaar (1951-1952) lid van de Veiligheidsraad die Von Balluseck gedurende twee periodes van ťťn maand voorzat. In 1955 liep zijn ambtstermijn af en werd hij buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur te Moskou en later (1958) te Ottawa.
Tijdens Von Ballusecks ambtsperiode in Ottawa (1950) kreeg minister-president Jan Eduard de Quay, bij de formatie van zijn kabinet de suggestie zittend minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns te vervangen door Von Balluseck. Het bleef bij een suggestie en twee jaar later keerde Von Balluseck gepensioneerd terug naar Nederland. Namens het ministerie van Buitenlandse Zaken was hij tot 1969 staflid van het Defensie Studie Centrum en van 1962 tot 1971 voorzitter van het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken. Tevens schreef hij tot 1971 ook een wekelijkse rubriek over internationale aangelegenheden in de Haagsche Courant.
Persoonlijk
Von Balluseck trouwde op 25 juni 1924 in New Jersey met Jacqueline Wijnanda Volk met wie hij een jaar later een zoon had. In 1932 liep het huwelijk ten einde en hij hertrouwde exact een maand later in 's-Gravenhage met Erry Anna Eringaard, kleindochter van Jacob Cornelis van Marken. Dit huwelijk bleef kinderloos. Hij ontving tijdens zijn leven verschillende onderscheidingen, zo was hij ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en officier in de Orde van Oranje-Nassau. Hij overleed op 27 februari 1976 na een kortstondige ziekte in 's-Gravenhage.

Von Balluseck (staand)(1965)

Von Balluseck (staand)(1965)
Volledige naam DaniŽl Johannes von Balluseck
Geboren 8 maart 1895
Overleden 27 februari 1976
Partij Liberale Staatspartij
Functies
1929-1949 Hoofdredacteur Algemeen Handelsblad
1950-1955 Permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de Verenigde Naties te New York
1955-1957 Ambassadeur te Moskou
1958-1960 Ambassadeur te Ottawa
1961-1969 Staflid, namens het ministerie van Buitenlandse Zaken, van het Defensie Studie Centrum
1962-1971 Voorzitter van het Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken
Portaal Portaalicoon Politiek
 

Koepelkazemat

De Koepelkazemat Type G werd in 1936 in Nederland geÔntroduceerd. Het waren betonnen bunkers van een standaardontwerp. In de kazemat zat een gietstalen kern waarin een machinegeweer was opgesteld. In totaal zijn er enkele honderden geplaatst voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog zijn vele vernietigd door de gietstalenkern te verwijderen en deze om te smelten ten dienste van de Duitse wapenindustrie.

Ontwerp
De koepelkazemat was een variant van een Frans ontwerp dat al in 1917 werd toegepast. De betonnen bunker was bijna vierkant en was circa 7 meter lang, 6,5 meter breed en 3 meter hoog.[1] De voorzijde was schuin afgewerkt om vijandig vuur af te laten ketsen en om een vrij schootsveld voor de schutter te behouden. Een lichte of zware mitrailleur was in een gietstalen koepel geplaatst.

Deze koepels waren verankerd in en deels opgenomen in de betonnen bunker; ze hadden een doorsnede van 1,75 meter en het gietstaal was tussen de 11 en 17 centimeter dik.[1] Het schietgat en de ingang, een deur aan de achterzijde van de koepel, konden van binnenuit gasvrij worden afgesloten. Vanwege de geringe omvang en rondingen was de koepel zelf moeilijk door de vijand te raken.

De koepels konden in Nederland worden gefabriceerd. De eerste bestelling van 100 stuks werd geplaatst bij Demka, een dochteronderneming van Koninklijke Hoogovens, gevolgd door een tweede bestelling van 50 stuks bij het Belgische staalbedrijf John Cockerill S.A..De totale productie kan 700 stuks zijn geweest, maar slechts weinigen hebben de oorlog overleefd.

Gebruik
De koepelkazematten zijn vooral in de mobilisatiejaren 1939-1940 geplaatst in diverse Nederlandse verdedigingslinies.Zij kwamen voor in de IJssellinie, de Maaslinie, de Grebbelinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze laatste linie kreeg circa 80 exemplaren of op forten of tussen groepsschuilplaatsen in het terrein.

Het Duitse leger was bij inspectie onder de indruk van de koepelkazematten; ze waren moeilijk uit te schakelen door de kleine schietopening en de goede mogelijkheden ze te camoufleren. Doordat de meeste met de schietopening naar het oosten waren gericht waren ze voor de Duitsers niet erg bruikbaar omdat uit deze richting geen geallieerde aanval werd verwacht. Er was wel interesse om het gietstaal van de koepels ter hergebruiken, daarom werden in 1941 de meeste uit hun betonnen omhulling gesloopt en afgevoerd voor de Duitse oorlogsindustrie. Aan de kust werden een aantal exemplaren opgenomen in de Atlantikwall, veel hiervan zijn na de oorlog alsnog gesloopt. Er resteren nog slechts enkele complete koepelkazematten, onder meer op Fort Vechten en Fort Everdingen

Koepelkazemat op Fort bij Vechten

Ingang naar de koepel

1-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4