Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog

Četniks

Četniks (ook wel geschreven als Chetniks, spreek uit: [tsjetnieks], in het Servisch četnici, четници, van het Servische woord četa, dat 'militaire compagnie' betekent) is de benaming voor leden van een nationalistische en royalistische guerrillaorganisatie in JoegoslaviŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij vernoemden zich naar de negentiende-eeuwse Servische strijders tegen het Ottomaanse overheersing. Hun doel was de Joegoslavische koninklijke familie opnieuw aan de macht te brengen.
Achtergrond Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het Joegoslavische leger binnen een week uiteengevallen. Een aantal soldaten gaf zich over, maar hele divisies van het leger verdwenen in de bossen en bergen. Uit deze resten richtten militairen van het Koninklijke Joegoslavische Patriottische Leger op 13 mei 1941 de Četniks op, ter ondersteuning van de monarchistische Joegoslavische regering in ballingschap. Onder de Četniks waren Slovenen, Kroaten, Montenegrijnen en Bosnische moslims en bovenal uiteraard ServiŽrs te vinden. Leider van de organisatie werd de Servische kolonel Dragoljub Mihailović. Aanvankelijk hadden de Četniks vrij spel: de Duitsers verplaatsten het leeuwendeel van hun legers naar het oostfront.
De beweging was veel minder eensgezind dan de partizanen van Tito. Četniks waren in de eerste plaats lokaal georganiseerd, en voelden zich vaak sterk gebonden aan de verdediging van hun eigen dorp. Als ze niet aan een operatie ver van huis wilden deelnemen, deden ze het niet. Lokale commandanten hadden vaak meer gezag dan Mihailović. Toch was er wel een centrale leiding, in het plaatsje Ravna Gora. Dit lag vlak naast de partizanenrepubliek in Uzice, en men trachtte in het begin onder de leus "een land twee meesters" als goede buren met elkaar om te gaan.
Na enige tijd bleek dat de partizanen effectiever waren in hun verzet tegen de Duitsers en Italianen. De verdeeldheid speelde de Četniks parten, daarnaast waren zij vertegenwoordigers van de door ServiŽrs gedomineerde monarchie. Neerbuigendheid en racisme tegen niet-ServiŽrs en moslims kwam regelmatig voor. Soms namen Četniks uit de Krajina en BosniŽ wraak op moslims voor agressie door de Ustaöabeweging. Bij de partizanen was daarentegen iedereen welkom, waardoor zij op een breed draagvlak konden rekenen. De concurrentie tussen beide groepen werd steeds heviger.
Jvuo1942 en.png
Uiteindelijk ontstond er verdeeldheid in de beweging over de te volgen koers. Een deel wilde de buitenlandse indringers (vooral Duitsers) bestrijden, een ander deel voorzag in de communistische partizanen een veel groter gevaar, en verlegde daarom de aandacht op hen. Zodoende kwam collaboratie tussen Četniks enerzijds en Italianen en Duitsers anderzijds geregeld voor. Met inachtneming van het voorgaande moet wel worden vermeld dat dit slechts bepaalde groepen betrof: anderen wilden van collaboratie niets weten.
Vanwege deze halfslachtige houding verlegden de Geallieerden vanaf eind 1943 hun steun van de Četniks naar de partizanen van Tito. Onder zware druk erkende in 1944 de regering in ballingschap de partizanenbeweging als de legitieme strijdkrachten van JoegoslaviŽ en riep de Četniks op zich bij hen te voegen.
Daaraan werd niet altijd gehoor gegeven, en naarmate de partizanen oprukten, trokken de Četniks zich meer en meer terug in ItaliŽ en Oostenrijk. Velen werden gevangengenomen door Britse troepen en teruggestuurd naar JoegoslaviŽ, waar ze veroordeeld werden tot gevangenisstraffen of de dood, vooral in de eerste maanden na de oorlog. Een onbekend aantal dook bij familie en vrienden in JoegoslaviŽ onder.
In 1946 werden de laatste Četniks in de bossen van oost-BosniŽ gevangengenomen. Onder hen was Draěa Mihailović. Nog datzelfde jaar werd hij berecht en terechtgesteld wegens hoogverraad.
Tijdens de oorlogen in JoegoslaviŽ in de jaren negentig werden de ServiŽrs door hun vijanden dikwijls bespottend "Četniks" genoemd. Servische paramilitairen die onder leiding van Vojislav äeöelj voor een Groot-ServiŽ vochten, noemden zichzelf zo. In 1989 vertrok äeöelj naar de Verenigde Staten, waar Momčilo Đujić, een Cetnik leider uit de Tweede Wereldoorlog, hem de titel Vojvode van de Cetniks gaf.

Vlag van de Četniks Za kralja i otačbinu - "Voor de koning en het vaderland" Sloboda ili smrt - "Vrijheid of de dood"

 

Jvuo1942 en.png

Invasie van JoegoslaviŽ

De Invasie van JoegoslaviŽ (6 april - 18 april 1941), ook bekend als de Apriloorlog (Kroatisch: Travanjski rat, Servisch: Априлски рат, Bosnisch: Aprilski rat, Sloveens: Aprilska vojna) was de aanval van de asmogendheden op het Koninkrijk JoegoslaviŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog. De invasie eindigde met de overgave van het koninklijk leger op 18 april 1941, de bezetting van de regio door de asmogendheden en de creatie van de Onafhankelijke Staat KroatiŽ.

Achtergrond
In oktober 1940 viel het fascistische ItaliŽ Griekenland binnen, maar werd teruggedreven in AlbaniŽ. De Duitse FŁhrer Adolf Hitler kwam vervolgens zijn bondgenoot Benito Mussolini te hulp. Hij deed dit niet alleen om het aanzien van de asmogendheden te herstellen, maar ook om te voorkomen dat Groot-BrittanniŽ de kans kreeg om de Roemeense olievelden te bombarderen, waar Duitsland de meeste aardolie vandaan haalde.

Nadat Hongarije, RoemeniŽ en Bulgarije zich hadden aangesloten bij de asmogendheden voerde Hitler druk uit op JoegoslaviŽ om zich ook bij het driemogendhedenpact te voegen. Regent prins Paul van JoegoslaviŽ zwichtte onder de druk op 25 maart 1941. Twee dagen later vond er een staatsgreep plaats en Peter II, die nog maar 17 jaar was, werd door het leger op de troon gezet om zijn oom de regent te vervangen. Deze onverwachte gebeurtenis maakte dat Hitler besloot samen met bondgenoten JoegoslaviŽ binnen te vallen.

Invasie
Vanaf 6 april vielen de vijandige legers het land binnen. De Duitse Luftwaffe bombardeerde Belgrado. Het Duitse leger viel als eerste aan, enkele dagen later gevolgd door Italiaanse en Hongaarse troepen. Koning Boris III van Bulgarije zette geen troepen in met als argument dat hij deze nodig had om het Duitse twaalfde leger tegen Turkije te beschermen. Ook RoemeniŽ hield zich op deze wijze buiten de strijd.

Joegoslavische leger[bewerken]
Het Koninklijke Joegoslavische leger was gevormd na de Eerste Wereldoorlog en uitgerust met wapens en materiaal uit die periode, hoewel enige modernisering intussen op gang was gekomen.

Illustratie van de As invasie van JoegoslaviŽ uit de Why We Fight series

Jasenovac (concentratiekamp)

Jasenovac was het grootste concentratiekamp en vernietigingskamp in KroatiŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het werd opgericht onder het leiderschap van Ante Pavelić door de Ustaöabeweging in augustus 1941, en in april 1945 werd het grotendeels door de kampbewakers vernietigd in een poging het bewijsmateriaal te vernielen.

Jasenovac was een complex van vijf grotere en drie kleinere kampen, verspreid over 240 vierkante kilometer langs de rivier de Sava. Het grootste deel van het kamp lag bij de stad Jasenovac, zo'n 100 kilometer ten zuidoosten van Zagreb.

In Jasenovac werden voornamelijk ServiŽrs en zigeuners omgebracht, en vaak op gruwelijke manier verminkt. Vooral bekend zijn de praktijken waarbij de kampbewaarders wedstrijden hielden wie in een bepaalde tijd de meeste gevangenen kon ombrengen. Miroslav Filipović was daar een van de kampbeulen.

Het aantal slachtoffers van Jasenovac tijdens de Tweede Wereldoorlog is niet precies bekend. Schattingen van enkele tienduizenden tot aantallen dicht bij een miljoen worden gehoord. Tijdens het JoegoslaviŽ van Tito werd een getal van 500.000 - 600.000 als officieel aantal slachtoffers aangehouden.

Ingebruikname augustus 1941
Gesloten april 1945
Locatie Jasenovac
Verantwoordelijk land Onafhankelijke Staat KroatiŽ

Onafhankelijke Staat KroatiŽ

De Onafhankelijke Staat KroatiŽ (Kroatisch: Nezavisna Drěava Hrvatska, (NDH)) was een fascistische vazalstaat in KroatiŽ gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het land werd geregeerd door de Ustaöabeweging.

De onafhankelijkheid van KroatiŽ werd op 10 april 1941, nog tijdens de inval van de asmogendheden in JoegoslaviŽ, uitgeroepen door Slavko Kvaternik. Adolf Hitler verleende zijn goedkeuring aan deze staat. Aan het hoofd kwam Ante Pavelić te staan. Hij kreeg de titel poglavnik, vergelijkbaar met het Duitse FŁhrer. Een Italiaanse edelman werd tot koning Tomislav II benoemd, genoemd naar een middeleeuwse vorst Tomislav I. Tomislav II regeerde slechts in naam; hij heeft zelfs nooit voet op Kroatische bodem gezet.

De staat bestond uit het hedendaagse KroatiŽ, minus DalmatiŽ en IstriŽ, dat aan ItaliŽ werd toegekend, en enkele stukjes in het noorden die onder Hongaars bestuur kwamen te staan. Bovendien omvatte de NDH geheel BosniŽ en Herzegovina. Omdat KroatiŽ geen slagvaardig leger had, werd de noordoostelijke helft beheerd door de Wehrmacht, terwijl het Italiaanse leger het zuidwesten controleerde. Na de capitulatie van ItaliŽ in 1943 werd DalmatiŽ ook aan de NDH toegekend.

De Ustaöe stortten zich - volgens historici uit de Verenigde Staten, West-Duitsland en communistisch JoegoslaviŽ - op een grootschalige genocide op Joden, Zigeuners en Serven. Schattingen van het totaal aantal slachtoffers lopen uiteen van 300.000 tot 1.000.000, maar de meeste historici houden het op 600.000. Het concentratiekamp Jasenovac werd het grootste niet-Duitse concentratiekamp. De regering poogde zich geheel van de Serven, die in het oosten van het land leefden, te ontdoen. Zij stelde zich, volgens bepaalde historici, tot doel een derde van de Serven te vermoorden, een derde te deporteren en een derde te bekeren tot het Rooms-katholicisme en daarmee te kroatiseren. In hoeverre de rooms-katholieke kerk de Ustaöadictatuur steunde of de gewelddadigheden veroordeelde is een onderwerp van discussie onder historici.

Begin 1945 stond het grootste deel van de NDH onder controle van de communistische partizanen van maarschalk Tito, maar pas in mei 1945 gaven de laatste Ustaöatroepen zich over. De meeste Ustaöaleiders werden door de partizanen gedood in het Bloedbad van Bleiburg. Enkele leiders, waaronder Pavelić, wisten echter te vluchten naar ArgentiniŽ. In 1959 overleed hij in Madrid.

1941 - 1943

1941 - 1943
Algemene gegevens
Hoofdstad Zagreb
Talen Kroatisch
Religie(s) Rooms-katholiek
Munteenheid Kuna
Regering
Regeringsvorm Constitutionele monarchie
Dynastie Savoye
Staatshoofd Tomislav II
Geschiedenis
- Ontstaan 10 april 1941
- Opgeheven 15 mei 1945

Onafhankelijke Staat Montenegro

De Onafhankelijke Staat Montenegro (Montenegrijns: Краљевина Црна Гора, Kraljevina Crna Gora) was een protectoraat op de Balkan tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de asmogendheden van het Koninkrijk ItaliŽ (1941-1943) en later onder nazi-Duitsland (1943-1944).

Geschiedenis
Na de invasie van JoegoslaviŽ door nazi-Duitsland en het fascistische ItaliŽ op 6 april 1941 gaf het Koninklijke Joegoslavische leger zich al snel over. Sekula Drljević, de leider van de Montenegrijnse federalisten in het Koninkrijk JoegoslaviŽ vestigde het Voorlopig Administratieve Comitť van Montenegro dat opereerde als een collaborerend orgaan van ItaliŽ. Op 5 mei 1941 werd het Comitť echter al opgeheven en werd de Raad van Montenegro opgericht onder Italiaanse bezetting.

Koning Victor Emmanuel III van ItaliŽ, die onder invloed stond van zijn vrouw Helena van Montenegro (dochter van koning Nicolaas I van Montenegro), stelde aan Mussolini voor om van Montenegro een onafhankelijke staat te maken tegen de wil in van de fascistische Kroaten van Ante Pavelić en de Albanezen die Montenegro voor zichzelf wilden. De Onafhankelijke Staat Montenegro ("Protectoraat") werd gecreŽerd onder fascistische controle toen Krsto Zrnov Popović terugkeerde van zijn ballingschap in Rome. Hij zou de Zelenaöi (groene partij) gaan leiden, die sinds 1918 bestonden om de onafhankelijke Montenegrijnse monarchie opnieuw in te voeren. Zij werden ook de Lovćen Brigade genoemd.
Het "Protectoraat" was in naam een koninkrijk, hoewel prins MichaŽl van Montenegro nooit de kroon aanvaardde.

In 1942 brak er een burgeroorlog uit tussen de Partizanen en de Četniks. De grenzen van het land waren ook niet altijd even duidelijk. De Sanděak-regio werd bij het land gevoegd. Montenegro leek echter enkel op papier te bestaan omdat het zogenaamde grondgebied na de lente van 1942 niet door de zogenaamde regering gecontroleerd werd. De Baai van Kotor werd geannexeerd aan de Dalmatische provincie van het Koninkrijk ItaliŽ tot september 1943.

In oktober 1943 werd Sekula Drljević verbannen uit Montenegro. Hij vormde De Montenegrijnse Staatsraad in de Onafhankelijke Staat KroatiŽ in 1944 en probeerde zo een regering in ballingschap te vormen.
Intussen annexeerde Ante Pavelić in september 1943 het protectoraat en de Italiaanse provincie Kotor. Alle Montenegrijnen bleven echter onder Duitse controle en er heerste een hevige en bloedige guerrillaoorlog die het gebied verwoestte.
In december 1944 trokken de Duitse troepen zich terug uit Montenegro en de partizanen van Tito begonnen het gebied te controleren waarna het land Montenegro officieel ophield te bestaan.

Kingdom of Montenegro (1941-1944).png

Geschiedenis van Montenegro
Praevalitana
Duklja
Vorstendom Zeta
Montenegro. Ottomaanse provincie
Vorstendom Montenegro
Koninkrijk Montenegro
Zeta Banovina
Onafhankelijke Staat Montenegro
Socialistische Republiek Montenegro
FR JoegoslaviŽ
ServiŽ en Montenegro
Republiek Montenegro

Rab (concentratiekamp)

Het concentratiekamp Rab werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in juli 1942 opgezet toen de Italianen een concentratiekamp vlak bij het dorp Kampor op het eiland Rab hadden gebouwd. Het kamp werd afgebroken na de Italiaanse overgave in september 1943.

Het kamp kon 10.000 gevangenen houden, voornamelijk Slovenen, Kroaten en Joden in verschillende departement. Zo'n 1200 gevangenen zijn de hongerdood gestorven of door de extreme weersomstandigheden in de winter en in de zomer. Daarna zijn nog zo'n 800 gevangenen van Rab omgekomen toen zij verplaatst werden naar andere Italiaanse concentratiekampen zoals Gonars en Padua. De opheffing van het kamp werd uitgevoerd door een opstand van de geÔnterneerden, waarbij alle Italiaanse soldaten werden ontwapend en geen slachtoffers onder hen waren te betreuren. Het is het enige voorbeeld van de bevrijding van een concentratiekamp tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin geen slachtoffers vielen. De gevangenen die tot september 1943 overleefd hadden vormden het Rab bataljon dat zich met de partizanen tegen de Duitsers keerde.

In 1953 werd volgens plan van Edvard Ravnikar een herdenkingsplaats gebouwd, ironisch genoeg waren de bouwers gevangenen van het communistische kamp op het nabije eiland Goli Otok.

Door de propaganda van ItaliŽ is niet veel bekend over deze kampen. In 2003 zei de minister-president van ItaliŽ (Silvio Berlusconi) zelfs dat er tijdens het Fascisme geen Italiaanse concentratiekampen waren, maar "slechts gedwongen vakantie" voor de tegenstanders van het regime.

Een overzichtsfoto van het concentratiekamp Rab in 1942

ServiŽ in de Tweede Wereldoorlog

Enkele maanden na de bezetting en verdeling van JoegoslaviŽ door de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog werd ServiŽ een militaire administratie van nazi-Duitsland in 1941 (tot 1943 met hulp van ItaliŽ). Tijdens deze bezetting werd er in Belgrado een marionettenregering aangesteld onder leiding van generaal Milan Nedic.Het grondgebied omvatte het huidige Centraal-ServiŽ, het noordelijke gedeelte van Kosovo en de regio Banat.
De opdeling van JoegoslaviŽ en de vorming van het ServiŽ van Milan Nedic
Nadat de Joegoslavische strijdkrachten hadden gecapituleerd voor de asmogendheden, werd het land onder de overwinnaars opgedeeld:
ItaliŽ kreeg een deel van SloveniŽ, DalmatiŽ, Kosovo en de zeggenschap in Montenegro.
Hongarije annexeerde de stad Subotica, de Banat en enkele kleine Kroatische grensplaatsen waar Hongaren woonden.
Bulgarije nam MacedoniŽ en delen van Zuid-ServiŽ over (Dimitrovgrad)
Nazi-Duitsland zelf annexeerde het centrale deel van SloveniŽ bij haar Oostenrijkse provincie Kšrnten.
Het gebied Centralna Srbija (Centraal-ServiŽ) bleef echter onbezet: hier nam een Duitse militaire missie onder leiding van Franz BŲhme de macht over. Zoals in veel bezette gebieden (bijvoorbeeld Vichy-Frankrijk) zochten de Duitsers fascisten die een marionnetregering op wilde zetten om de media en anti-partizanenacties te regelen binnen hun eigen "land". Ze vonden generaal Milan Nedić bereid een regering op te zetten.
Milan Nedić had echter bepaalde eisen voor het accepteren van zijn positie als Servische regeringsleider:
De strijd tegen het Joegoslavische Volksleger onder Josip Tito was de zaak van ServiŽ.
Joegoslavische soldaten die ziek waren of ouder als 55 jaar zouden door Duitsland worden teruggegeven.
Servische mensen zouden via een vaste maanddienst brieven aan hun gevangen vrienden mogen schrijven.
Duitsland moest maatregelen nemen tegen het beestachtig vermoorden van ServiŽrs door de Onafhankelijke Staat KroatiŽ (waar onder leiding van Ante Pavelic bijna 300.000 ServiŽrs werden vermoord).
De nationale emblemen van ServiŽ zouden gedragen mogen worden binnen Centralna Srbija.
Franz BŲhme ging akkoord met deze voorwaarden en op 1 september 1941 werd de regering Nedić opgezet in Belgrado.
Nedic's ServiŽ 1941-1945
De eerste premier van het nieuwe Centralna Srbija, Milan Aćimović, begon zijn regering met het uitroeien van alle moslims, Kroaten en etnische minderheden in de meertalige regio Sanjak, als reactie op de moord op ServiŽrs en Bosnische christenen door het regime van Ante Pavelic in KroatiŽ. Hiermee verspeelde Milan Aćimović veel goede wil in KroatiŽ en de internationale wereld. De geallieerden gingen dan ook dezelfde politiek volgen als ze met de Onafhankelijke Staat KroatiŽ deden: er volgde geen erkenning. Een jaar later moest Milan Aćimović echter aftreden: de druk van de Duitsers werd sterker en de partizanen lieten zich steeds vaker gelden in het bergland van ServiŽ. Milan Nedic werd de nieuwe Servische premier.
Een nieuw Duits/Italiaans offensief tegen het Joegoslavische Volksleger zag Servische Cetniks in de Duitse gelederen: de operatie leek succes te hebben. veel partizanen vluchtten naar Montenegro en het op de Kroaten veroverde eiland Vis. Toch keerde de partizanen altijd weer terug: en eind 1943 lagen grote delen van ServiŽ in hun handen. Nedic onderhield koele banden met de Kroatische staat - waar veel spanning mee was door de anti-Servische politiek van de Ustacha in Zagreb - en tevens een geheime briefwisseling met de Joegoslavische koning Peter, tegenover wie hij claimde te willen redden wat er te redden viel van ServiŽ.
In 1944 vluchtte Nedic met het overgrote merendeel van zijn ministers naar de Oostenrijkse stad KitzbŁhel, waar hij na de oorlog door de Britten werd overgedragen aan het Joegoslavische regime onder Tito. Nedic pleegde op 4 februari 1946 zelfmoord in zijn cel in Belgrado, en met hem viel de republiek Centralna Srbija.
De Servische militie onder Nedić
Nedić nam meteen na zijn aantreden enkele militaire maatregelen: er werd een Servische Waffen-SS opgezet waar Servische fascisten dienst konden nemen in de Wehrmacht. Tevens werd er een Nationale Servische Garde opgericht die de hoofdstad moest beschermen tegen partizanen, en regionale legertjes: de Cetniks. Later, in 1943, werden deze groepen samengevoegd tot het Servische Vrijwilligerskorps (Srpski Dobrovoljački Korpus). Ondanks hevige gevechten met de Joegoslavische partizanen van Tito in onder andere Sanjak hadden deze eind 1943 reeds grote delen van ServiŽ in handen. De Servische Waffen-SS werd in Rusland bijna tot op de laatste man opgeofferd bij Stalingrad.

Flag of Serbia (1941Ė1944).svg

Coat of arms of Serbia (1941Ė1944).svg

Влада Националног Спаса
Vlada Nacionalnog Spasa
Regierung der nationalen Rettung

Serbia1941 1944.png

Sloveens Bevrijdingsfront

Het Sloveens Bevrijdingsfront (Sloveens: Osvobodilna fronta, afgekort OF) was een op 27 april 1941 ten huize van Josip Vidmar in Ljubljana opgerichte organisatie ter bevrijding van de door Slovenen bewoonde bezette gebieden in JoegoslaviŽ, Oostenrijk, Hongarije en ItaliŽ. Tot de Duitse aanval op de Sovjet-Unie heette het OF Anti-imperialistisch Front.
Initiatiefnemer tot de oprichting van het bevrijdingsfront was in eerste instantie de Communistische Partij van SloveniŽ, daarnaast echter ook christendemocraten (de fractie van Janez Krek), de Sokol-organisatie en een deel van de links en liberaal georiŽnteerde intelligentsia. Tijdens de eerste bijeenkomst werd tot de opname van de gewapende strijd en de vorming van het Sloveense partizanenleger besloten.
Programma:
Uitgangspunt voor de bevrijding en vereniging van alle Slovenen is de gewapende strijd tegen de bezetter;
Na de bevrijding grijpt het OF de macht in heel SloveniŽ en voert de volksdemocratie in;
Na de bevrijding zal het Sloveense volk zelfstandig bepalen welke bestuursorde in het "Verenigde SloveniŽ" zal gelden;
Het volksleger bestaat uit de Sloveense partizanen eenheden van het bevrijdingsfront en de "Volksverdediging" (die zich tot de politieke afdeling in het bevrijdingsfront ontwikkelde)
Op 28 februari 1943 nam het OF de Dolomietenverklaring (genoemd naar de Sloveense Dolomieten bij Horjul) aan, waarin de Communistische Partij het monopolie op de besluitvorming binnen het OF werd toegekend met de belofte dat het pluralisme in de beweging na de oorlog zou worden hersteld. De OF organiseerde in 1943 de Assemblee van Kočevje, een Sloveense volksvertegenwoordiging in oorlogstijd, die besloot tot aansluiting bij de Anti-Fascistische Raad voor de Nationale Bevrijding van JoegoslaviŽ (AVNOJ). De aansluiting vond plaats onder benadrukking van de Sloveense autonomie in een nieuw op te richten JoegoslaviŽ, waarin SloveniŽ over met name een eigen munteenheid en eigen leger zou beschikken. De communistische partij in Primorska, het voormalige Oostenrijkse kroonland KŁstenland dat sinds 1918 deel van ItaliŽ was, sloot in 1936 een samenwerkingspact met de in 1924 opgerichte Sloveense nationalistische verzetsorganisatie TIGR.
Het Sloveens Bevrijdingsfront beschikte gedurende de bezettingstijd over een aantal ondergrondse instellingen: een eigen theater, verschillende hospitalen, kranten, tijdschriften een radioprogramma en orkesten.

Vlag van het Bevrijdingsfront. De zigzag is een stilisering van de Triglav.

TIGR

TIGR was de eerste illegale gewapende verzetsorganisatie tegen het fascisme in Europa. TIGR stond voor: TriŽst (Trst), IstriŽ (Istra), Gorizia (Gorica) en Rijeka. De organisatie werd op 28 december 1924 in TriŽst opgericht. Zij was ontstaan vanuit de politiek gematigde vereniging Edinost en Sloveense studentenorganisaties in TriŽst. Het beschikte over circa 200 cellen op het in 1918 door ItaliŽ bezette en vanaf 1921 ingelijfde Oostenrijks-Hongaarse grondgebied (zie verdragen van 1920 en 1924). Elke cel bestond uit drie personen, die militaire dienst zouden moeten hebben gedaan.
Achtergrond     Na de bezetting van de voornamelijk door Slovenen en Kroaten bewoonde gebieden van Oostenrijk-Hongarije door ItaliŽ in 1918, werden deze gebieden tussen 1920 en 1924 bij verdrag gelegaliseerd. Hierop volgde een repressie van de niet-Italiaanse bevolkingsgroepen, aanvankelijk uitgevoerd door de zwarthemden, fascistische knokploegen. Zo werd in 1918 de Sloveense bisschop van TriŽst Andrej Karlin door deze knokploegen verdreven en vond in 1920 de brandaanslag op de Narodni Dom plaats. Vanaf 1922 wordt het fascisme geleidelijk geÔnstitutionaliseerd wat gepaard ging met beperkende maatregelen:
Afschaffing van de persvrijheid
Oprichting van een Bijzondere Rechtbank voor de Staatsveiligheid
Sluiting van Sloveense en Kroatische scholen
Verbod op Sloveense en Kroatische pers en instellingen
Verbod op het gebruik van de Sloveense en Kroatische taal
Verplichte italianisering van Sloveense en Kroatische familienamen (ad absurdum: wegbeitelen van "ongewenste" namen uit grafzerken)
Verdrijving van Slovenen en Kroaten door confiscatie van eigendom. De hiervoor in 1920 opgerichte organisatie werd hervormd in 1931 onder de naam "Ente di rinascata agraria delle Tre Venezie" en leidde tot 7000 etnisch gemotiveerde confiscaties.
Het klimaat werd correct weergegeven door de Sindacati prefessionisti ed artisti della venezia Giulia (verbond van cultureel werkers), dat in 1929 meende: "men dient onophoudelijk te strijden tegen alle onreine talen, alle absurditeiten van een of andere kunst, die niet de onze is, tegen elk dilettantisme, in de naam van de ware schoonheid van de Italiaanse kunst". Het dagblad Il Popolo di Trieste eiste in 1930 een "etnische bonificatie, zoals Kemal AtatŁrk deed" (zie: Armeense genocide). In deze omstandigheden ontstond de gedachte dat militant en desnoods gewapend verzet de enige uitweg was.
1924-1926     TIGR coŲrdineerde haar acties in de jaren 1925 en 1926 met de pro-Joegoslavische en op een centralistisch JoegoslaviŽ gerichte Orjuna. Deze samenwerking had een ad-hockarakter. De samenwerking werd eind 1926 door TIGR beŽindigd, enerzijds omdat de Orjuna te veel op eigen houtje handelde en anderzijds omdat de Orjuna in 1926 in SloveniŽ en uiteindelijk in 1929 in geheel JoegoslaviŽ verboden werd. Hierdoor had de Orjuna nauwelijks nog mogelijkheden om TIGR te voorzien van hulpmiddelen, logistieke en financiŽle steun.
Acties
De acties van TIGR bestonden vooral uit overvallen (met name op spoorwegen) en bomaanslagen (bijvoorbeeld op de opbouw van de geconfisqueerde Narodni Dom). Ook door haar als collaborateurs gebrandmerkte volksgenoten werden sporadisch slachtoffer van aanslagen. Het aantal collaborateurs was overigens gering, volgens de Italiaanse prefectuur waren in 1927 slechts 150 Slovenen ingetreden bij de fascistische MVSN ("Milizia volontaria per la sicurezza nazionale"). In 1930 voerde het een moordaanslag uit op de redacteur van Il Popolo di Trieste. In 1938 plande TIGR een moordaanslag op Benito Mussolini in Kobarid, maar voerde deze op het laatste moment niet uit omdat het aantal burgerslachtoffers te groot zou zijn. Uit het binnenland van ItaliŽ toegereisde leraren, die de Sloveense onderwijzers moesten vervangen om zo Italiaanstalig onderwijs veilig te stellen, werden incidenteel ook aangevallen.
TIGR was eveneens actief op het gebied van propaganda. Het gaf het in beginsel elke twee weken illegaal verschijnende blad "Svoboda" (De vrijheid) uit en een boekenreeks. "Svoboda" verscheen zonder onderbreking van 1928 tot 1940. De uitgaven bevatten behalve politieke propaganda met name literaire teksten van de verboden Sloveense schrijvers en dichters (bijvoorbeeld Simon Gregorčič, Srečko Kosovel, Drago Bajc, Oton éupančič en TIGR-lid Ciril Kosmač) en essays over fascisme versus antifascisme.
1926-1936

Vanaf december 1926 tot 1936 ging TIGR een zelfstandige weg. Als gevolg van het politieonderzoek naar de moord op de Il Popolo-redacteur in 1930 werd gedeeltelijk ontmanteld. Zestien activisten werden in 1930 terechtgesteld, van wie vier de doodstraf kregen en geŽxecuteerd werden in Bassovizza (Bazovica). Vanaf deze tijd nam het aantal oproepen tot geweld duidelijk af en werd meer nadruk gelegd op samenwerking met andere verzetsorganisaties. Via de politieke emigratie in Parijs werd contact gelegd met het in 1929 opgerichte verwante Giustizia e Libertŗ. Vanaf 1934 viel ook een toenemende afkeer van JoegoslaviŽ te bespeuren; antifascisme werd duidelijker op de voorgrond geplaatst dan de nationale bevrijding en aansluiting bij JoegoslaviŽ. Dit opende waarschijnlijk de mogelijkheid voor de Partito Comunista Italiano om in december 1935 te besluiten met TIGR te gaan samenwerken binnen een te vormen volksfront.
Na 1936
TIGR werkte vanaf dit moment samen met de Partito Comunista Italiano. Eerst in 1941 werd de organisatiestructuur door de Italiaanse bezetter ontmanteld. Vele leden van TIGR continueerden daarop hun verzetsactiviteiten binnen het Sloveens Bevrijdingsfront.
Terrorisme en verzet
In de Italiaanse geschiedschrijving wordt TIGR met regelmaat als een terroristische organisatie omschreven, terwijl de organisatie in SloveniŽ in de laatste twee decennia vooral als legitieme verzetsorganisatie wordt geŽerd. De beoordeling van TIGR moet geplaatst worden in het kader van de Italiaans-Sloveense betrekkingen, die achtereenvolgens via irredentisme, fascisme en de behandeling van de Sloveenstalige minderheid in Friuli-Venezia Giulia steeds problematisch zijn geweest.
Controverse rond oprichtingsdatum
In meerdere bronnen wordt 31 augustus 1927 als oprichtingsdatum aangegeven. Op die dag vond op de berg Nanos bij Gorizia een bijeenkomst plaats van vertegenwoordigers van verschillende Sloveense verenigingen die besloten tot illegale actie over te gaan. Echter waren de hier aanwezige hoofdacteurs van TIGR al voorheen actief in de organisatie van het verzet op verschillende plaatsen (met name in Idrija, Postojna, Bovec, Gorizia, Tolmin en TriŽst). Veel dezelfde personen waren aanwezig op de bijeenkomst in TriŽst op 28 december 1924, waar de organisatie TIGR werd opgericht. De bijeenkomst in 1927 had dan ook vooral tot doel bestaande activiteiten van de steeds meer individueel opererende groepen in een vernieuwde organisatie te coŲrdineren.
Verhouding tot de Communistische Partij

In de jaren na 1930 stond de Sloveense Communistische Partij niet onverdeeld positief jegens TIGR. Enerzijds zag zij in deze organisatie een concurrent en anderzijds zou TIGR te weinig de klassenstrijd benadrukken. De aanvankelijke samenwerking van TIGR met de Orjuna werd bovendien als een bewijs voor "burgerlijk chauvinisme" van TIGR beschouwd. Aansluiting bij een kapitalistisch JoegoslaviŽ zou de Slovenen van de regen in de drup helpen. Om deze redenen werd TIGR na de machtsgreep van de communisten in JoegoslaviŽ decennia doodgezwegen of als reactionaire groepering gebrandmerkt. Na 1980 heeft geschiedkundig onderzoek dit beeld genuanceerd, maar het zou tot 1997 duren voordat TIGR formeel erkenning zou vinden voor de bijdrage die het leverde aan de bevrijding van West- en Zuid-SloveniŽ in de vorm van de verlening van de hoogste Sloveense onderscheiding.
Erkenning
In Mala Gora bij Ribnica vond op 13 mei 1941 het eerste openlijke gevecht in oorlogstijd plaats tussen de bezetter en het verzet in de vorm van een TIGR-formatie. Op 15 mei 2004 vond er een herdenkingsbijeenkomst van de Sloveense oud-strijders plaats, waar deze TIGR erkenden als voorloper van het Sloveens Bevrijdingsfront. Op 13 mei 2005 werd op dezelfde plaats dezelfde gebeurtenis herdacht door de Sloveense premier Janöa. Een eerste formele erkenning kreeg TIGR door de verlening van de hoogste Sloveense onderscheiding in 1997

Gedenkplaat

 

 

Plaquette ter ere van Danilo Zelen, leider van TIGR. Hij viel 1941 in Mala Gora

 

 

Balkanveldtocht

De Balkanveldtocht tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond uit de Duitse en Italiaanse aanval op Griekenland en JoegoslaviŽ.
Achtergrond
De territoriale integriteit van AlbaniŽ werd gegarandeerd op de Vredesconferentie van Parijs in 1919, nadat de Amerikaanse president Woodrow Wilson een plan van de Europese mogendheden afkeurde om AlbaniŽ onder zijn buurlanden te verdelen.
Met de complete ineenstorting van de Ottomaanse en Oostenrijks-Hongaarse keizerrijken na de Eerste Wereldoorlog keken de Albanezen naar ItaliŽ voor bescherming tegen op uitbreiding gezinde buurlanden. Na 1925 probeerde Benito Mussolini echter om steeds meer controle over AlbaniŽ te verwerven. In 1928 werd AlbaniŽ een koninkrijk onder Zog I, een conservatieve moslim clanhoofd en voormalig eerste minister.
Zog slaagde er niet in om de toenemende inmenging van ItaliŽ in de binnenlandse Albanese aangelegenheden tegen te houden. In april 1939 bezetten Mussolini's troepen AlbaniŽ, zetten Zog af, en annexeerden het land.
Grieks-Italiaanse Oorlog
Op de avond van 28 oktober 1940 overhandigde de Italiaanse ambassadeur in Athene een ultimatum aan de nationaalsocialistisch gezinde Griekse dictator Metaxas. ItaliŽ had reeds een belangrijk deel van het Italiaanse leger aan de Albanees-Griekse grens geconcentreerd. De Duce eiste grote concessies van Griekenland, met de dreiging van oorlog als deze niet ingewilligd werden.
Metaxas was van oorsprong Duitsgezind geweest. Hoewel het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hem gedwongen had een ruk naar Engeland te maken. Toch waren zijn banden met nazi-Duitsland goed gebleven. Metaxas antwoordde met een duidelijk "Nee". De Griekse bevolking meldde zich massaal bij het leger. Premier Metaxas had, ondanks zijn pro-Duitse houding, rekening gehouden met de mogelijkheid van oorlog. Langs de Bulgaars-Griekse grens was de Metaxaslinie aangelegd. Het Italiaanse leger viel aan van 28 oktober tot 13 november 1940, maar werd tegengehouden, waarop het Griekse leger van 14 november 1940 tot 8 maart 1941 een tegenaanval deed die hen tot in AlbaniŽ bracht. Zo werden op 19 november de Italiaanse troepen over de rivier de Kalamas teruggedreven, terwijl op 4 december Griekse troepen Premeti en de Albanese havenplaats SarandŽ bezetten. Hierop onthief Mussolini op 6 december de chef van de generale staf, maarschalk Badoglio, van zijn post.
Op 13 januari 1941 sloeg Griekenland nog een Brits aanbod tot het zenden van troepen af, maar op 8 februari werden de onderhandelingen hierover hervat. Op deze datum tekende Bulgarije ook een overeenkomst met Duitsland voor het doorlaten van Duitse troepen voor een aanval op Griekenland.
Op 24 februari keurde het Engelse kabinet het zenden van Britse troepen naar Griekenland goed.
Duitsland benaderde ook Turkije over deelname, maar de Turkse president Ismet InŲnŁ liet op 15 maart weten vastbesloten te zijn neutraal te blijven.
Van 9 maart tot 5 april voerde ItaliŽ een nieuwe aanval uit, die echter vastliep op de Griekse verdediging. Twee dagen daarvoor, op 7 maart, waren de eerste van 50.000 man Britse troepen op Griekse bodem geland.
De Duce riep Duitsland te hulp
De aanval op JoegoslaviŽ
Bevel 25, oftewel FŁhrerweisung 25, was het plan om JoegoslaviŽ aan te vallen en te verslaan.
De Duitse aanval op JoegoslaviŽ kwam voort uit de Italiaanse afgang in Griekenland. Hitler voelde zich gedwongen zijn mediterrane bondgenoot te hulp te komen. Zijn voorbereiding voor de aanval op de Sovjet-Unie maakte echter dat hij de voorkeur gaf aan diplomatieke middelen boven het directe gebruik van militaire middelen.
Op 9 maart stelde de Duitse ambassadeur een ultimatum aan de Joegoslavische regering. Op 25 maart ondertekende JoegoslaviŽ hierop onder druk het driemogendhedenpact tussen Duitsland, ItaliŽ en Japan. JoegoslaviŽ had hierin slechts minimale concessies hoeven te doen en tekende vanuit een ongunstige onderhandelingspositie daar het economisch afhankelijk van Duitsland was en omringd was door vijandig gezinde buurstaten. Deze ondertekening leidde desalniettemin tot veel weerstand binnen JoegoslaviŽ, en 2 dagen later werd prins-regent Paul van JoegoslaviŽ afgezet. De 17-jarige Peter werd meerderjarig verklaard en besteeg hierop de troon als Peter II.
Hitler zag (volgens zijn latere redevoering op 11 december 1941 in deze revolte de hand van Rusland en, deels, Engeland. Om die reden ondertekende Hitler nog dezelfde dag FŁhrerweisung nr.25 voor de aanval op JoegoslaviŽ en Griekenland. Terwijl de voorbereidingen voor de aanval op de Sovjet-Unie in volle gang waren, stelde het Duitse oppercommando in 8 dagen een plan op voor de aanval op JoegoslaviŽ. Overigens wilde de Kroatische Boerenpartij slechts met de nieuwe regering samenwerken indien alsnog tot het Driemogendhedenpact werd toegestreden. De regering ging hiermee akkoord en zo werd de eigenlijke reden van de coup terzijde gesteld. Toch weigerde Hitler zijn aanvalsvoorbereidingen te staken: zelfs als JoegoslaviŽ zich volledig loyaal verkleerde moest het als vijand beschouwd worden en worden vernietigd. Ook een niet-aanvalsverdrag tussen JoegoslaviŽ en de Sovjet-Unie bracht geen soelaas: de Sovjet-Unie deed niets om JoegoslaviŽ te helpen.
Op papier was het Joegoslavische leger redelijk sterk: 500.000 man, en dit aantal kon worden uitgebreid tot bijna een miljoen. Het Joegoslavische bergland vormde een uitstekend terrein voor een langdurige verdediging. De slechte wegen zouden de manoeuvreerbaarheid en inzetbaarheid van tanks belemmeren.
Op 6 april besloot Hitler om op basis van dit plan JoegoslaviŽ en Griekenland aan te vallen. Duitsland verklaarde de oorlog, en terwijl Duitse pantsereenheden en troepen de Joegoslavische grens passeerden, voerde de Luftwaffe in de vroege morgen een grote aanval op Belgrado uit. Hierbij werd het commandocentrum van het Joegoslavische leger volkomen verwoest. Hoewel een aantal officieren ontsnapten en in een buitenwijk van de hoofdstad een nieuw commandocentrum opzetten, was er vanaf dit bombardement feitelijk geen coŲrdinatie meer binnen het Joegoslavische leger. 17.000 inwoners van Belgrado vonden de dood bij dit bombardement. Hoewel dit de Duitsers tactische en strategische voordelen bood waren die bijkomstigheden: hoofddoel was het 'straffen' van JoegoslaviŽ. Het bombardement had dan ook als codewoord Unternehmen Strafgericht (Operatie Strafgerecht).
Ondanks dit gebrek aan coŲrdinatie trok een Joegoslavisch legerkorps in het zuidwesten AlbaniŽ binnen. Dit was afgesproken met de Grieken, door het elimineren van het Italiaanse front zou een partij uit de oorlog gezet worden. De Joegoslaven rukten inderdaad op in AlbaniŽ, maar de opmars op dit front werd ingehaald door de Duitse opmars. De Duitse legers waren in drie aanvalscolonnes gegroepeerd: De 1e pantsergroep viel vanuit Bulgarije aan. Het 2e leger onder generaal Maximilian von Weichs viel aan vanuit het noorden, en het 12e leger onder veldmaarschalk Wilhelm List vanuit het oosten.
De eerste twee dagen viel de 1e Pantsergroep onder Ewald von Kleist niet aan, omdat niet alle belangrijke eenheden in Bulgarije aanwezig waren. Vanuit Bulgarije doorbrak de 1e Pantsergroep op 8 april de Joegoslavische verdediging bij Pirot. De verdediging werd hier gevoerd door het Joegoslavische 5e leger. De Duitsers braken reeds op de eerste dag van hun aanval door de Joegoslavische verdediging heen, waarop de Joegoslavische commandant besloot terug te trekken op Morava. Deze terugtrekking werd echter ingehaald door de Duitse inname van Niö op 9 april. Van hieruit lag de weg naar Belgrado open.
Het Duitse 2e Leger viel aan over de Joegoslavische noordgrens. Zij hadden hun aanval op 10 april gepland staan. Op 1 april vielen zij reeds in opdracht van het Duitse opperbevel de brug bij Bares en de spoorbrug bij Koprivnica aan. Tegen de avond van 6 april had gebrek aan Joegoslavische weerstand de legerleiding ervan overtuigd dat de Joegoslaven geen groot verzet aan de grens zouden bieden. Het Joegoslavische leger in dit gebied bestond voor een belangrijk deel uit Kroaten. Velen hiervan zagen de Duitsers als bevrijders van hun Servische onderdrukkers, en weigerden tegen de Duitsers te vechten. Op 10 april staken de Duitsers de Drava-brug bij Bares over. Het uiteenvallen van het Joegoslavische leger had toen reeds grote vormen aangenomen. Ondanks de slechte wegen konden de Duitsers hierdoor snel oprukken. Op 12 april werd Belgrado van drie kanten ingenomen. Hierna rukten de Duitsers op naar Sarajevo, dat op 14 april werd ingenomen. Op 18 april, 12 dagen na het begin van de strijd, werd een wapenstilstand gesloten.
In KroatiŽ zag Ustaöaleider Ante Pavelic zijn kans schoon en riep op 10 april 1941 de Onafhankelijke Staat KroatiŽ uit. Op dat moment telde zijn ondergrondse beweging rond de 300 personen; de meeste Kroaten steunden de Boerenpartij en namen de Ustaöe niet serieus. Dit veranderde nu Duitsland en ItaliŽ (opnieuw) de Ustaöe gingen steunen nu ze in oorlog waren met de wettige regering. De beweging groeide snel door een toestroom van carriŤrejagers, opportunisten en pragmatici die dachten dat deze nieuwe staat duurzaam was.
In JoegoslaviŽ bevond zich verder een Volksduitse minderheid, die ontevreden was over het feit dat ze na het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije in een Slavische staat moesten leven en hun voorkeurspositie kwijt waren. In een aantal gevallen keerden Volksduitsers zich tegen de regering en verleenden steun aan de Duitse invallers.
De Duitsers verloren 558 man. De Joegoslavische verliezen waren veel hoger; de Duitsers maakten 340.000 krijgsgevangenen.
Het Joegoslavische leger capituleerde snel. Veel soldaten deserteerden na de overgave en zetten als Četniks of partizanen hun verzet in de bergen voort.
Operatie Marita
Operatie Marita was het Duitse plan voor de verovering van Griekenland.
Terwijl een Duitse divisie de Griekse Metaxaslinie langs de Grieks-Bulgaarse grens frontaal aanviel, trok een veel grotere Duitse legermacht door JoegoslaviŽ om de Metaxaslinie heen.
Op 9 april gaf de Metaxaslinie zich over. De Duitse tanks trokken door JoegoslaviŽ ook op richting Albanese grens. Ook de stad Saloniki geeft zich op deze dag over.
De Griekse en Commonwealth-strijdkrachten trokken zich zo goed mogelijk terug. Van 14-18 april volgde de Slag bij Olympus.
Op 19 april trokken Bulgaarse eenheden door de overgegeven Metaxaslinie Griekenland binnen. Op 20 april moest het Griekse Epirus-leger zich ingesloten overgeven.
De Griekse regering evacueerde op 22 april naar Kreta. Het Griekse leger in ThessaliŽ capituleerde op deze dag.
Op 24 april doorbraken de Duitsers deze door de Engelsen verdedigde stelling bij Thermopylae (Slag bij Thermopylae). Hierna volgde onmiddellijk Operatie Demon, in de periode 24-29 april werd de evacuatie van Engelse troepen uit Griekenland uitgevoerd. Op 27 april werd de swastika op de Acropolis gehesen.
Dit betekende voor de Grieken echter geen overgave. Op 29 april bereikten de Duitsers de zuidkust van de Peloponnesus, de dag daarna eindigden de vijandelijkheden.
Het aantal Griekse slachtoffers als doden en gewonden is niet bekend. De Duitsers maakten 270.000 Grieken krijgsgevangen. De Britten verloren 11.840 man uit een totale strijdmacht van 53.000 man, met name in de laatste drie dagen. De Duitse verliezen bedroegen 1100 doden en 4000 gewonden en vermisten.

Duitse parachutisten op Kreta in 1941.

Duitse parachutisten op Kreta in 1941.
Datum 28 oktober 1940 - 1 juni 1941
Locatie Koninkrijk AlbaniŽ, Koninkrijk JoegoslaviŽ, Koninkrijk Griekenland en de Griekse eilanden
Resultaat Overwinning voor de asmogendheden
Strijdende partijen
Asmogendheden:
Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Flag of Albania (1939-1943).svg Koninkrijk AlbaniŽ
Flag of Hungary (1915-1918, 1919-1946).svg Koninkrijk Hongarije
Flag of Bulgaria.svg Koninkrijk Bulgarije
Flag of Romania.svg Koninkrijk RoemeniŽ Geallieerden:
Flag of the Kingdom of Yugoslavia.svg Koninkrijk JoegoslaviŽ
State Flag of Greece (1863-1924 and 1935-1970).svg Koninkrijk Griekenland
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of Australia.svg AustraliŽ
Flag of New Zealand.svg Nieuw-Zeeland
Leiders en commandanten
Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Wilhelm List
Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Maximilian von Weichs
Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Kurt Student
Flag of Italy (1861-1946).svg Ugo Cavallero
Flag of Italy (1861-1946).svg Giovanni Messe Flag of the Kingdom of Yugoslavia.svg Milorad Petrović
State Flag of Greece (1863-1924 and 1935-1970).svg Alexandros Papagos
Flag of the United Kingdom.svg Henry Maitland Wilson
Troepensterkte
Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg 680.000 troepen
Flag of Italy (1861-1946).svg 565.000 troepen Flag of the Kingdom of Yugoslavia.svg 850.000 troepen
State Flag of Greece (1863-1924 and 1935-1970).svg 430.000 troepen
Flag of the United Kingdom.svg 62.612 troepen

Een Panzer III rijdt JoegoslaviŽ in vanuit Bulgarije

Piraeus na een Duits bombardement

 

Duitse parachutisten springen uit Junkers Ju 52 boven Kreta

Lessen uit de oorlog
Vanuit politiek en militair oogpunt was de aanleiding - de Italiaanse aanval op Griekenland - een blunder, daar het de Grieken in het geallieerde kamp dreef en de Britten een excuus voor interventie gaf.
De slechte prestaties van de Italiaanse strijdkrachten wordt vaak verweten aan een slecht moraal. Echter een slechte uitrusting behoort eveneens tot de oorzaken - in de winter deden zich onder de Italianen veel bevriezingsverschijnselen voor. De organisatie wordt wel als reden genoemd (een Italiaanse divisie telde slechts twee regimenten), maar de Italianen hadden meer artillerie dan de Grieken. Een andere mogelijke oorzaak was de bemoeizucht van Mussolini en diens beslissing om in een ongunstig seizoen onder ongunstige omstandigheden en met minimale voorbereidingen een oorlog te beginnen.
Generaal Sebastiano Visconti Prasca schreef het falen toe aan persoonlijke agenda's, slechte organisatie, corruptie en gebrek aan samenwerking.
De grote verliezen bij de luchtlandingsoperatie op Kreta (de tweede keer na de mislukte landing bij Den Haag) leidden ertoe dat de Duitsers geen luchtlandingsoperaties meer inzetten. De geallieerden waren echter onder de indruk en zouden later in de oorlog met succes luchtlandingsoperaties toepassen.
De Engelse interventie was waarschijnlijk een grove fout. Allereerst verschafte het Hitler een excuus voor een aanval. De Duitse interventie frustreerde de Griekse strategie. De Engelse strijdmacht was ook niet in staat de Duitse aanval te stoppen of zelfs maar ernstig te vertragen. Het vertrek van deze troepen uit Noord-Afrika zorgde dat Rommel tijd kreeg in Noord-Afrika zijn Afrika Korps op te bouwen.
De Griekse verdediging heeft mogelijk beslissend bijgedragen aan de eindoverwinning van de Tweede Wereldoorlog doordat het de aanval op de Sovjet-Unie vertraagde.
Hitlers chef-staf Veldmaarschalk Keitel verklaarde op het Proces van Neurenberg:
"De ongelooflijk taaie weerstand van de Grieken vertraagde de campagne tegen Rusland met twee maanden. Zonder deze vertraging zou de uitslag van de gevechten op het oostelijk front en de uitslag van de oorlog anders zijn geweest, en zouden de beschuldigers van vandaag hier de beschuldigden zijn geweest."
Hitler verklaarde:
"De deelname van ItaliŽ aan de oorlog bleek voor ons catastrofaal. Hadden de Italianen niet Griekenland aangevallen en onze hulp nodig gehad, dan had de oorlog een ander verloop gehad. We hadden de tijd gehad om Moskou en Leningrad in te nemen voor de Russische winter inzette."
Bovendien liep veel materieel ook slijtage en averij op en kon daardoor niet meer optimaal benut worden.
Anderen, onder wie Basil Liddell Hart, beweren dat het weer en niet de Griekse verdediging de aanval op Rusland hebben vertraagd.
Duitse eenheden
2e leger onder Generaal Maximilian von Weichs zu Glon.
49e Bergkorps, Generaal Ludwig KŁbler
51e Legerkorps, Generaal Hans-Wolfgang Reinhardt
46e Legerkorps (gemotoriseerd/pantser), Generaal Heinrich von Vietinghoff Gennant Scheel
52e Legerkorps, Generaal Kurt von Briesen (reserve)
12e leger, Veldmaarschalk Wilhelm List.
40e legerkorps (gemotoriseerd), Generaal Georg Stumme
18e Bergkorps, Generaal Franz BŲhme
30e Legerkorps, Generaal Otto Hartmann
50e Legerkorps, Generaal Georg Lindemann (reserve)
Pantsergroep 1, Generaal Ewald von Kleist.
14e Legerkorps (gemotoriseerd/pantser), Generaal Gustav von Wieterscheim.
41e Legerkorps (gemotoriseerd/pantser), Generaal Georg-Hans Reinhardt.
11e Legerkorps, Generaal Joachim von Kortzfleisch.
Italiaanse eenheden[bewerken]
2e Italiaanse leger (Joegoslavische noordwestgrens)
5e Italiaanse korps
6e Italiaanse korps
11e Italiaanse korps
9e Italiaanse leger (AlbaniŽ)
11e Italiaanse leger (AlbaniŽ)
(Onvolledig)
Griekse eenheden
Opperbevelhebber: generaal (later veldmaarschalk) Alexander Papagos
1e leger (AlbaniŽ)
1e Griekse legerkorps
2e Griekse legerkorps
3e Griekse legerkorps
2e leger (Bulgaarse grens)
(Onvolledig)
Gemenebest-eenheden[bewerken]
6e Australische divisie Majoor Generaal Iven Mackay,
2e Nieuw-Zeelandse divisie Majoor Generaal Sir Bernard Freyberg
1e Britse pantser brigade
(onvolledig)
JoegoslaviŽ[bewerken]
4e Joegoslavische leger (noordgrens)
5e Joegoslavische leger (Bulgaarse grens)
7e Joegoslavische leger (noordwest grens met ItaliŽ)

1-Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog