Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Italie in de Tweede Wereldoorlog

Italiaanse tank in de Tweede Wereldoorlog

Carro Armato P 40

De Carro Armato P40 of afgekort de P40 is een Italiaanse zware tank uit de Tweede Wereldoorlog.

In 1940 begon de ontwikkeling van de P40 en het eerste prototype was klaar in 1942. De P40 was bewapend met een 75 mm-kanon en een 8 mm-machinegeweer. De bepantsering varieerde van 20 mm aan de bovenkant tot 50 mm aan de voorkant. In totaal woog de tank 26 ton. Hoewel de P40 werd aangeduid als een zware tank waren bewapening, bepantsering en gewicht vergelijkbaar met middelbare tanks van andere landen. De P40 had een dieselmotor, maar de Italiaanse tankindustrie had niet de beschikking over deze motoren met als gevolg dat deze eerst moesten worden ontwikkeld.

De P40 werd in 1943 en 1944 geproduceerd door Ansaldo. Er waren oorspronkelijk 1.200 tanks besteld maar er waren maar 100 gevechtsklare exemplaren toen de productie werd gestopt. Er zouden nog twee varianten van de P40 komen, maar deze plannen zijn nooit uitgevoerd. De Wehrmacht nam de P40's over en gaf de tank de typeaanduiding Panzerkampfwagen P40 737(i).

P26-40 tank.jpg

Periode -
Bemanning 4
Lengte 5,80 m
Breedte 2,80 m
Hoogte 2,50 m
Gewicht 26 ton
Pantser en bewapening
Pantser 20-50 mm
Hoofdbewapening 75 mm-kanon
Secundaire bewapening 8 mm-machinegeweer
Motor V-12 SPA 342 dieselmotor
Snelheid (op wegen) 40 km/h
Rijbereik 280 km

De L3/35 een lichte Italiaanse tank

De L3/35 was een lichte Italiaanse tank, een verbeterde versie van de L3/33. De productie van de L3/33 startte in 1933 en werd vanaf 1935 overgenomen door de L3/35 waarvan de productie pas tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gestaakt. Qua kracht was het een tankette. Het had een lichte bepantsering en bewapening. De bemanning bestond uit twee personen. Het voertuig is op vele fronten ingezet, maar tijdens de eerste gevechten in Noord-Afrika kwamen de tekortkomingen al aan het licht.

Geschiedenis
In 1929 kocht het Italiaanse leger een aantal Vickers Carden-Loyd Mark VI tankettes met de mogelijkheid deze ook zelf te produceren. De eerste Italiaanse voertuigen kregen de aanduiding Carro Veloce 29. In totaal zijn 21 exemplaren gefabriceerd.[1] Het waren lichte voertuigen met maximaal 9 mm dik pantser; het gewicht was 1,7 ton. Een Ford benzinemotor met een vermogen van 20 pk gaf het een maximale snelheid van 40 km/u.[1] De bewapening was een Fiat Model 14 watergekoelde machinegeweer met een kaliber van 6,5mm. De bemanning bestond uit twee personen, een chauffeur en een commandant/schutter.

De Carro Veleco 33 was de opvolger ontwikkeld door de Italiaanse producent Ansaldo in 1931-1932. De belangrijkste veranderingen betroffen het mechaniek om de rupsbanden strak te houden. Het gewicht nam toe naar ruim 3 ton hetgeen een zwaardere motor noodzakelijk maakte. Het watergekoelde model machinegeweer werd vervangen door een luchtgekoelde versie. Uitvoeringen met twee Breda-machinegeweren van 8mm kwamen nog later in productie[2]. Het voertuig werd in 1933 in dienst genomen.

In 1935 werd de Carro Veloce 35 geïntroduceerd. Deze had wederom een aantal verbeteringen. Bronnen geven verschillende informatie over de benzinemotor die toegepast werd, of 68 pk[1] of dezelfde motor als in de Carro Veloce 33, met 42 pk.[3] De bewapening bleef echter ongewijzigd.

Aan het eind van de jaren 30 werd de type-aanduiding gewijzigd in L3/33 of L3/35 waarbij de L staat voor (it) Leggero (licht), 3 het gewicht in tonnen en 33 het jaar van introductie (1933). In totaal zijn er vanaf 1933 ruim 2.250 exemplaren gemaakt. De productie werd pas in de Tweede Wereldoorlog gestaakt.

Vlammenwerper versie
L3 Lf vlammenwerper

De L3 Lf (Lf staat voor (it) Lancia fiamme of vlammenwerper) was een andere versie van de L3 tankette. De ontwikkeling van dit voertuig begon in 1935. Op de plaats van het machinegeweer kwam de vlammenwerper en 500 liter brandstof werd meegevoerd in een gepantserde aanhangwagen.[4] Latere versies kregen, naast de aanhangwagen, een extra tank van 60 liter achter op het voertuig, boven de motor, gemonteerd. De brandstof werd met een pomp, aangedreven door de versnellingsbak, tot 40 meter ver weg gespoten.[5] In Tobroek heeft het Britse leger een aantal exemplaren op de Italianen veroverd, maar er zijn geen bewijzen dat deze voertuigen ook daadwerkelijk zijn ingezet.

Gebruik[bewerken]
De L3/35 was overal waar de Italiaanse fascisten gelegerd waren. Meer dan 40 L3/35`s vochten in Griekenland. In Noord-Afrika vochten ook deze tanks, maar niet met veel succes. Later gebruikten ook de nazi's tanks van dit type in Noord-Italië (1944). Maar de L3/35 had al afgedaan en was niet meer modern.

L3/35

Periode -
Bemanning 2
Lengte 3,18 m
Breedte 1,42 m
Hoogte 1,30 m
Gewicht 3,2 ton
Pantser en bewapening
Pantser maximaal 14 mm
Hoofdbewapening 1x 6,5mm-machinegeweer
of 2x 8mm-Breda machinegeweren
Motor Fiat-SPA CV3-viercilinder benzinemotor
vermogen: 42 pk (31 kW)
Snelheid (op wegen) 42 km/u
Rijbereik 125 kilometer

De Fiat-Ansaldo M11/39 middelzware tank

De Fiat-Ansaldo M11/39 was een Italiaanse middelzware tank ontwikkeld in de jaren 30. Het voertuig kwam in 1939 in productie en in totaal zijn 100 exemplaren gemaakt. De tank werd ingezet in Afrika en in Italië in 1939-1944. De officiële typeaanduiding was Carro Armato M 11/39, waarbij de M staat voor (it) Medio (middelzwaar), gevolgd door het gewicht in tonnen en het jaar van introductie (1939).

Beschrijving
De tank was een gezamenlijk project van Fiat en dochteronderneming SPA, en Ansaldo. De laatste verzorgde het ontwerp van de bepantsering en bewapening. De M11/39 was gebaseerd op een verouderd concept. Het hoofdwapen, een 37mm-kanon was geplaatst in de romp van de tank en niet in de geschutskoepel. Het kanon kon daardoor maar beperkt, ongeveer 15 graden naar links en naar rechts, worden bewogen. Wilde men het doel onder schot houden, dan moest de hele tank draaien. De geschutskoepel was te klein en slechts uitgerust met een Breda Model 38 machinegeweer. De koepel kon alleen handmatig worden gedraaid en bood nauwelijks voldoende ruimte voor de schutter. Deze tekortkoming leidde tot een aanpassing van het ontwerp en de M13/40 was de opvolger.

Het pantser was aan de voorzijde 30 mm dik, aan de zijkanten 15 mm en bij de platliggende delen van de tank 6 mm. Het pantser was met klinknagels bevestigd. Bij een vijandig treffen konden de klinknagels loskomen en de bemanning verwonden of zelfs doden. De bemanning bestond uit drie personen; commandant, schutter en chauffeur. Het voertuig had ruimte voor een radio, maar deze werd niet geïnstalleerd. Het voertuig bood ruimte om 84 37mm-granaten en 2.808 8mm-mitrailleurpatronen mee te nemen.

Gebruik
Italië heeft 72 exemplaren naar Noord-Afrika verscheept en 24 stuks naar Oost-Afrika. De vier overgebleven exemplaren zijn in Italië achtergebleven. In vergelijking tot de veelgebruikte tankettes in Afrika, de L3/33 en L3/35, was de tank wel een verbetering.

In de strijd in Noord-Afrika was de tank duidelijk de mindere in vergelijking tot de Britse tanks waaronder de Matilda.

Twee M11/39 tanks veroverd door Australische militairen

Periode -
Bemanning chauffeur, schutter en commandant
Lengte 4,7 m
Breedte 2,2 m
Hoogte 2,3 m
Gewicht 11,2 ton
Pantser en bewapening
Pantser maximaal 30 mm
Hoofdbewapening 37mm Vickers-Terni L/40 kanon
2 8mm-Breda Model 38 machinegeweren
Motor Fiat SPA 8T V-8 dieselmotor
vermogen 105 pk
Snelheid (op wegen) 32 km/u
Rijbereik 200 kilometer

De Fiat-Ansaldo M13/40

De Fiat-Ansaldo M13/40 of kortweg de M13/40 is een Italiaanse lichte tank uit de Tweede Wereldoorlog.

Beschrijving
De M13/40 werd in 1940 in productie genomen als opvolger van de M11/39. De M13/40 was bedoeld als een middelzware tank maar was eigenlijk een lichte tank. De stalen platen van de tank waren met klinknagels vastgezet. Het pantser had een dikte van maximaal 42 mm. De hoofdbewapening was een 47mm-kanon en er werden 104 granaten meegenomen in de tank. Verder waren er drie machinegeweren waarvan twee in de romp en een coaxiaal aan het kanon in de toren. Boven de toren kon een extra machinegeweer worden geplaatst tegen luchtdoelen.

De dieselmotor had een vermogen van 120 pk. Er kon zo'n 180 liter aan brandstof worden meegenomen waardoor de tank een bereik kreeg van circa 200 kilometer. De versnellingsbak telde vier versnellingen voor- en een achteruit.

Inzet
De eerste keer dat M13/40 in actie kwam was eind 1940 in Noord-Afrika. Het type werd in 1941 ook ingezet in de Grieks-Italiaanse Oorlog. Van de M13/40 werden ongeveer 60-70 tanks per maand geproduceerd. Hij was makkelijk te vervoeren en ook de productie was eenvoudig. Aanvankelijk had de M13/40 genoeg vuurkracht om de meeste Britse tanks uit te schakelen, maar al vrij snel raakte het type verouderd. Een groot nadeel was de motor, die hetzelfde was als die van de M11/39 en eigenlijk te zwak was voor de zwaardere M13.

Een aantal buitgemaakte M13's werd in Afrika ingezet door het Australische leger. Na de Italiaanse capitulatie in september 1943 nam het Duitse leger een aantal M13's buit die vervolgens voornamelijk werden ingezet tegen partizanen.

Italiaanse Fiat M13/40 tank in de Bovington Tank museum.

Italiaanse Fiat M13/40 tank in de Bovington Tank museum

Periode -
Bemanning 4
Lengte 4,9 m
Breedte 2,2 m
Hoogte 2,39 m
Gewicht 14 ton
Pantser en bewapening
Pantser 42 mm
Hoofdbewapening 47mm-kanon
Secundaire bewapening 8mm-machinegeweer
Motor Fiat V-8 120 pk dieselmotor
Snelheid (op wegen) 32 km/u
Rijbereik 200 km

De M14/41 Italiaanse lichte tank

De M14/41 is een Italiaanse lichte tank uit de Tweede Wereldoorlog. Het was de opvolger van de M13/40 en werd door het Italiaanse leger gebruikt vanaf 1941. De officiële typeaanduiding was Carro Armato M 14/41, waarbij de M staat voor (it) Medio (middelzwaar), gevolgd door het gewicht in tonnen en het jaar van introductie (1941). Het type werd door de Italianen officieel aangeduid als een middelzware tank maar was qua gewicht en bepantsering in feite een lichte tank.


Beschrijving
De M14/41 was de opvolger van de M13/40. De romp was van een beter ontwerp en het pantser dikker gemaakt tot een maximum van 42 mm. Het kreeg ook een sterkere Fiat dieselmotor met een vermogen van 145 pk. De bewapening was nagenoeg gelijk aan die van de voorganger, een 47mm-kanon en twee Breda Model 38 machinegeweren met een kaliber van 8mm. Er was ruimte om 87 47mm-granaten en ruim 2.600 machinegeweerpatronen mee te nemen. De tank was in productie in 1941 en 1942 en er zijn circa 800[1] exemplaren van gemaakt. Eenmaal door het leger in gebruik genomen, bleek de tank niet opgewassen tegen geallieerde antitankwapens.

In gebruik

De tank werd voor het eerst in Noord-Afrika tegen het Britse leger ingezet. Hier kwamen de gebreken snel aan het licht; het was mechanisch ontbetrouwbaar en vloog snel in brand na een treffer. Na het terugtrekken van het Italiaanse leger uit Noord-Afrika werd de tank niet meer ingezet. Britse troepen namen de Italiaanse tanks die in hun handen waren gevallen nog wel in gebruik, bij gebrek aan beter. Eenmaal voorzien van eigen tanks verdwenen de Italiaanse tanks snel van het strijdtoneel.
Vanaf 1943 werd de M14/41 door Duitsland gebruikt onder de aanduiding Pz.Kpfw 736(i).

Andere versies
Het chassis van de tank werd ook gebruikt voor het gemechaniseerd geschut met de typeaanduiding Semovente 90/53.

Een M14/41 in de Opstand van Warschau

Periode -
Bemanning 4
Lengte 4,92 m
Breedte 2,20 m
Hoogte 2,38 m
Gewicht 14.000 kg
Pantser en bewapening
Pantser 6-42 mm
Hoofdbewapening 1x 47mm-kanon
Secundaire bewapening 2x Breda machinegeweer
Motor V8-cilinder dieselmotor SPA TM40; 145 pk
Snelheid (op wegen) 32 km/u
Rijbereik 200 km

De M15/42 Italiaanse middelzware tank

De M15/42 was een Italiaanse middelzware tank uit de Tweede Wereldoorlog. De tank kwam in januari 1943 in productie en was eigenlijk al verouderd. In totaal zijn er ruim 100 exemplaren van gemaakt.

Geschiedenis
De M15/42 werd ontwikkeld uit de M13/40 en de M14/41 en woog 15 ton. Verbeteringen waren een sterkere motor, een betere bepantsering tot maximaal 42 mm en een beter 47mm-kanon. Luchtfilters moesten de tank meer geschikt maken voor de oorlog in de woestijn. Het pantser was met klinknagels bevestigd.

De geschutskoepel werd elektrische bediend en kon een volledige cirkel maken. Het 47mm-kanon kon 20 graden omhoog en 12 graden naar beneden worden gericht. Binnen het voertuig was ruimte om 111 granaten mee te nemen. Op het dak van de koepel was een 8mm-Breda Model 38 machinegeweer geïnstalleerd tegen luchtdoelen. Verder was het voertuig uitgerust met een coaxiaal machinegeweer in de koepel en nog eens twee in de romp. Het voertuig werd uitgerust met diverse motoren; zowel benzine- als dieselmotoren werden gebruikt.

Inzet
De tank ging in productie in januari 1943, maar het ontwerp was toen al achterhaald. Het 47mm-kanon was niet opgewassen tegen de vele modernere geallieerde tanks uit die tijd. Tot de Italiaanse capitulatie in september 1943 waren er slechts 90 tanks gemaakt. Een deel hiervan werd in Rome ingezet tegen de Duitsers. Tijdens de Duitse bezetting werden nog 28 tot 40 tanks geproduceerd. De Wehrmacht gaf de tank de typeaanduiding PzKpfw M 15/42 738(i).

de M15/42 op een tentoonstelling in Saumur

Bemanning 4
Lengte 4,92 m
Breedte 2,2 m
Hoogte 2,4 m
Gewicht 15,5 ton
Pantser en bewapening
Pantser 14-45 mm
Hoofdbewapening 47mm-kanon
Secundaire bewapening 4 x 8mm-Breda machinegeweren
Motor benzine 192 pk
Snelheid (op wegen) 40 km/u
Rijbereik 280 km

Semovente da 75/18

De Semovente da 75/18 was een Italiaans mobiel geschut uit de Tweede Wereldoorlog. Het voertuig was multifunctioneel en wordt beschouwd als een van de beste Italiaanse pantservoertuigen uit de Tweede Wereldoorlog. Het voertuig was geïnspireerd door de Duitse StuG III Ausf. B. Het eerste prototype werd gebouwd in 1941. Na de Italiaanse capitulatie werden veel voertuigen overgenomen door de Duitse troepen. Bij deze eenheden bleven ze in dienst tot het einde van de oorlog.


Voorgeschiedenis
Toen het Duitse leger in 1940 Frankrijk binnenviel, viel het de Italianen op hoe succesvol de StuG III Ausf. B zijn rol vervulde. Een van die Italianen was Sergio Berlese, een kolonel van de eenheid 'Regio Esercito'. Berlese had al naam gemaakt door zijn Obice da 75/18 mod.34. Als basis nam hij het reeds bestaande chassis van de medium tank M13/40. Het eerste prototype werd gebouwd door FIAT en was op 10 februari 1941 gereed.Het voertuig onderging tests en deze bleken zeer succesvol. Er werden in totaal 60 voertuigen besteld. In principe moesten ze rond midden 1941 geleverd worden, maar dit was niet haalbaar in de korte tijd van vijf tot zes maanden. De voertuigen werden in dezelfde fabrieken geproduceerd als de M13/40 tanks. Het hoofddoel van de Semovente zou zijn om bunkers en machinegeweernesten aan te vallen.

Beschrijving
De naam 75/18 is afgeleid van het Ansaldo L/18 kanon.Dit betekende dat het kaliber 75 mm was en de lengte 18 kalibers. In plaats van een koepel had dit pantservoertuig een kazemat, welke op het chassis was geklonken. Dit was zwakker dan lassen, terwijl dat indertijd al veel gebeurde. In de kazemat was genoeg ruimte voor de kleine bemanning om hun taken op een normale manier uit te voeren. Door de kleine bemanning van drie hadden ze meer taken per persoon. Zo moest de commandant ook nog eens het kanon richten en vuren. De bemanning had als secundaire bewapening de beschikking over kleine handwapens of een 6,5mm Breda machinegeweer. In principe kon deze naast het dakluik gemonteerd worden, maar in werkelijkheid kwam dat vrijwel nooit voor. Het gemis van een coaxiale mitrailleur was minder positief. De radio was van het type RF1 CA welke ook een intercomsysteem had en deze werd bediend door de lader. De richt- en gezichtsveldapparatuur bevond zich aan de rechterzijde van het voertuig.

Het kanon was geplaatst in een halfbolle kanonmantel welke een draaiing kon bereiken van 40 graden en een elevatie van -12/+22 graden. Het kanon was een relatief modern ontwerp en had een mondingsrem met kleine mondingsgaten. De totale munitie bestond uit 44 granaten, wat tijdens de gevechten te weinig bleek te zijn.Het kanon was bedoeld voor ondersteuning van de infanterie en daarom lag de mondingssnelheid laag met 450 meter per seconde. Door de beperkte elevatie van 22 graden had het kanon slechts een bereik van 7-7,5 km. Het kanon had zonder die beperking een bereik van 9,5 km bij een elevatie van 45 graden. Het bereik was in verhouding met de Britse Sexton, de Amerikaanse M7 Priest of de Duitse Wespe ondermaats.

De Fiat SPA 8T V8 dieselmotor leverde 125 pk en daarmee was de 75/18 niet uitermate snel. Van de M13/40 versie werden in totaal zestig stuks gebouwd

De Semovente 75/18 in gerestaureerde staat.

Aantal gebouwd 262
Periode 1941-1945
Bemanning 3
Lengte 4,92 m
Breedte 2,28 m
Hoogte 1,85 m
Gewicht 13,1 ton
Pantser en bewapening
Pantser 6-50 mm
Hoofdbewapening 75mm Obice da 75/18 modello 34
Secundaire bewapening 1x 6,5mm Breda
Motor FIAT SPA M40 8T V8 dieselmotor, 125 pk
Snelheid (op wegen) 32 km/u

Model M14/41
In eerste instantie werd het M13/40 chassis gebruikt, maar dit werd veranderd naar het M14/41 chassis. De motor nam in kracht toe met 20 pk tot 145 pk. Daarnaast werden er dubbele pantserplaten gebruikt met een totale dikte van 50mm. Het gebruik van twee pantserplaten was effectiever dan één plaat van 50mm. Ultieme protectie werd echter niet bereikt, omdat het niet was afgeschuind. De 6,5mm Breda, in praktijk vaak afwezig, werd nu vervangen voor een krachtigere 8mm Breda machinegeweer met ongeveer 1100 kogels.
In 1943 werd het chassis van de M15/42 toegepast. Deze was qua specificaties echter vrijwel identiek aan het M14/41 model. Eind 1943 was de productie gepland om te stoppen. Er zouden betere modellen gebouwd gaan worden als de Semovente 75/34, 75/46 en de 105/25. Ook zou daarna zijn opvolger snel op het strijdtoneel verschijnen, de P26/40.[3][5]
Operationele geschiedenis
Officieel was de 75/18 ontworpen als mobiele artillerie en werd daarom ook in divisies ingedeeld. De structuur van deze divisies bestond uit twee artilleriegroepen voor elke pantserdivisie. Een groep bestond uit twee batterijen van elk vier stuks en een commandovoertuig. De eerste levering was net genoeg om drie divisies te voorzien.
De eenheden welke uitgerust waren met de 75/18 zagen voor het eerst actie in Libië aan het begin van 1942. Ook bij El Alamein presteerde het voertuig goed. Een erg positief punt was de diversiteit van de Semovente. Ondanks het beperkte bereik bleek het kanon effectief te zijn met indirect vuur. Ook in direct vuur kon de Semovente zich goed verweren en de M3 Lee/Grant en M4 Sherman konden zelfs worden uitgeschakeld als er gebruik werd gemaakt van HEAT (High Explosive Anti Tank) granaten.
Duits gebruik
Naast de gevechten in Noord-Afrika nam het ook deel in de gevechten in Sicilië en Zuid-Italië. Na de Italiaanse overgave in november 1943 werden er 123 voertuigen in beslag genomen door de Duitsers en 55 stuks werden onder Duits bevel geproduceerd. Veel van deze werden toegevoegd aan het Oostenrijkse 22. SS vrijwillige Cavalerie divisie 'Maria Theresa' en ook aan de Gebirgsdivision, welke vocht in de Balkan en Noord-Italië. Een deel heeft nog dienstgedaan tot het einde van de oorlog.[2][6]
Zoals alle in beslag genomen voertuigen, kreeg ook de Semovente da 75/18 een andere aanduiding van de nazi's, namelijk StuG M42L 853(i), waarbij de i staat voor Italië.[3]
Overgebleven exemplaren
M40, plaatnummer 4445, Aberdeen Proving Ground.
M40, beschadigde conditie, El Alamein Militair museum.
M40, of M41, Musée des Blindés in Saumur.
M41, plaatnummer 4462, gebruikt in het naoorlogse Italiaanse leger, Historisch museum van militaire gemotoriseerde afdelingen, Cecchignola, Rome.
M41, plaatnummer 5727, gebruikt in het naoorlogse Italiaanse leger, gerestaureerd in 2005 door Oto Melara, nu in hun museum in La Spezia.
M41, nu in het Scuola truppe corazatte, Caserta.
M42, nu in het Reggimento Artigliera a Cavallo, Milaan.
M42, plaatnummer 6173, met een dummykanon, Rocca di Bergamo
M42 StuG, nummer 114, in de buurt van Rimni opgegraven en gerestaureerd in 2000, staat nu in het Museo dell'Aviazione in Rimni sinds 2004.
Een onbekende versie staat in Nocera Inferiore, Napels.

Italiaans vliegtuig in de Tweede Wereldoorlog

De Fiat CR.42 Falco (Valk) was een eenzitsgevechtsvliegtuig van Italiaanse makelij, dat voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog dienstdeed bij (voornamelijk) de Italiaanse luchtmacht, de Regia Aeronautica. Het door de Turijnse fabrikant geproduceerde toestel deed in kleine aantallen ook dienst bij de Belgische, Zweedse en Hongaarse luchtstrijdkrachten. In totaal werden er meer dan 1.800 exemplaren gebouwd, waardoor de Falco het meestgebouwde van alle Italiaanse toestellen uit de Tweede Wereldoorlog is.De CR.42 was de laatste door Fiat geproduceerde dubbeldekker die aan het front dienstdeed als jachtvliegtuig en wordt wel gezien als de ultieme ontwikkeling van het dubbeldekkertype. Zo prees de RAF de uitzonderlijke wendbaarheid en merkte ze op dat het toestel "ontzettend sterk gebouwd" was.Het toestal kwam voort uit de eerder ontwikkelde CR.32, die onder meer tijdens de Spaanse Burgeroorlog dienstdeed. Het vliegtuig bewees uitstekende diensten in de handen van Hongaarse piloten, die er aan het Oostfront een winst/verliesratio van 24:2 mee scoorden.

Ontwerp en ontwikkeling
De CR.42 was in feite een evolutie van de CR.32, die op haar beurt afstamde van de CR.30-serie die in 1932 ontwikkeld werd. De Regia Aeronautica had de CR.32 met veel succes ingezet tijdens de Spaanse Burgeroorlog, wat Fiat ertoe dreef een moderne jager te ontwikkelen, gebaseerd rond de nieuwe Fiat A.74R1C.38-luchtgekoelde radiaalmotor. Deze dreef een driebladige Fiat-Hamilton Standard 3D.41-1-propellor aan met een diameter van 2,9 m. De stevige vleugels werden gebouwd uit de lichtgewicht duralumin legering en staal, bedekt met stof of canvas zoals ook bij de Hawker Hurricane nog gebruikt werd. Hij had een maximumsnelheid van 438 km/u op een hoogte van 5.300 m en 342 km/u op zeeniveau en deed er één minuut en 25 seconden over om tot 1 km hoogte te klimmen.

Ondanks het feit dat het een dubbeldekker betrof, had de CR.42 een slank en modern design, gebaseerd op een stevig stalen frame met een afgeronde motorbehuizing en stroomlijnkappen voor het vaste landingsgestel. Het toestel had overigens een grotere boven- dan ondervleugel, een configuratie die ook wel anderhalfdekker genoemd wordt (en: sequiplane). De Fiat was uitzonderlijk wendbaar dankzij de lage vleugelbelasting maar had daarentegen in gevechtssituaties te kampen met een gebrek aan bepantsering en het ontbreken van radioapparatuur.

Tijdens de evaluatiefase kwam de CR.42 als winnaar uit de bus in de tests tegen de Caproni Ca.165-dubbeldekker, hoewel deze laatste weliswaar minder manoeuvreerbaar was, maar wel sneller. Hoewel dubbeldekker eind jaren 30 al min of meer als verouderd beschouwd werden, hadden toch de nodige buitenlandse luchtmachten interesse in het toestel en werd een aantal Falco's aan het buitenland geleverd.

Al gauw na de invoering van het type ontwikkelde Fiat enkele varianten. De CR.42bis en de CR.42ter kregen een krachtigere bewapening, voorts werden de CR.42N-nachtjager, de CR.42AS voor grondaanvallen en de CR.42B Biposto (tweezitter)trainer ontwikkeld.

Ook enkele experimentele versies werden ontwikkeld, waaronder de I.CR.42 (Idrovolante oftewel watervliegtuig), die in 1938 op de tekentafel kwam. De opdracht voor het prototype ging naar de CMASA-fabrieken in Marina di Pisa aan de Thyrreense kust, het enige exemplaar werd in 1940 voltooid. Uit de tests, die in 1941 van start gingen bij Vigna di Valle op het meer van Bracciano ten noorden van Rome, bleek al snel dat de watervliegtuiguitvoering weinig toevoegingen had. De topsnelheid ging omlaag naar 423 km/u, terwijl het dienstplafond op nog slechts 9.000 m uitkwam, voornaamste factor was het toegenomen leeggewicht en de vergrote luchtweerstand.

Een ander experiment was de CR.42DB, een poging om de prestaties van het type te verbeteren door het inbouwen van een Duitse Daimler-Benz DB 601 V12-motor, die in de Messerschmitt Bf 109 gebruikt werd. Dit prototype, de MM469, werd in maart 1941 gevlogen door testpiloot Valentino Cus in de buurt van Rome. Hij haalde er een topsnelheid van 518 km/u mee, terwijl het dienstplafond werd vastgesteld op 10.600 m, het bereik ging naar 1.250 km. Het project werd echter afgeblazen omdat het geen voordelen bood ten opzichte van bestaande eendekkerjagers. Hoewel het toestel nooit de productiefase bereikte, heeft het tot op heden wel de onderscheiding het snelste dubbeldekkervliegtuig aller tijden te zijn.

Hoeveel CR.42's er precies gebouwd zijn is niet helemaal duidelijk. De meest waarschijnlijke schatting is een totaal van 1.819 stuks, inclusief de 63 (volgens sommige bronnen 51) toestellen die onder Luftwaffe-toezicht gebouwd werden, alsmede 140 exportexemplaren.

Fiat CR.42 aka J11.jpg

Rol Jachtvliegtuig
Bemanning 1
Status
Gebruik Italië (1939-1945), Zweden, Hongarije, België en Duitsland
Afmetingen
Lengte 8,25 m
Hoogte 3,58 m
Spanwijdte 9,70 m (boven) 6,50 m (onder) m
Vleugeloppervlak 22,4 m² (bovenvleugel) m²
Gewicht
Leeggewicht 1,782 kg
Krachtbron
Motor(en) Fiat A.74 RC38 luchtgekoelde radiaalmotor, 14 cilinders
Vermogen 840 pk kW
Prestaties
Klimsnelheid 11,8 m/s
Vliegbereik 780 km
Dienstplafond 10.210 m
Bewapening
Boordgeschut Vroege series: Breda SAFAT 7,7 mm (0,303 inch)
Later 2 × 12,7 mm (0,5 inch) Breda SAFAT mitrailleurs, 400 patronen.
2 × 12,7 mm (0,5 inch) mitrailleurs on de vleugels op sommige uitvoeringen.
Bommen 200 kg verdeeld over twee ophangpunten

Operationele geschiedenis
Regia Aeronautica

De Fiat CR.42 trad in mei 1939 in dienst van de Italiaanse luchtmacht, bij het 53e Stormo, dat haar basis op het Turijnse vliegveld Caselle had. Toen Italië zich in mei 1940 in de Tweede Wereldoorlog mengde, waren er al zo'n 300 toestellen geleverd. De Falchi (Italiaans meervoud van Falco) werden tot aan de wapenstilstand van 8 september 1943 vooral ingezet ter verdediging van vliegvelden, steden en marinehavens. Verder nam de CR.42 het boven Malta op tegen de Britse Gloster Gladiator en later ook de Hawker Hurricane, soms met onverwacht succes. Vooral de manoeuvreerbaarheid van de Falco baarde de Britten zorgen. Een rapport van de Britse geheime dienst uit oktober 1940, dat aan alle RAF-eenheden gestuurd werd stelde dat: 'De wendbaarheid van de CR.42 en in het bijzonder haar vermogen om een uiterst scherpe halve rol uit te voeren, heeft voor de nodige verrassing gezorgd bij andere piloten en heeft zonder twijfel vele Italiaanse piloten voor hun vernietiging behoed.'[7] Ten tijde van de wapenstilstand in 1943 waren er overigens nog slechts 60 toestellen in vliegende staat.
De Slag om Frankrijk
De vuurdoop van de CR.42 had plaats op de ochtend van 13 juni 1940, toen 23 piloten van de 23e ‘’Gruppo’’ van het 3e ‘’Stormo’’ als escorte dienden voor tien Fiat BR.20-bommenwerpers die de haven van Toulon aanvielen.Tegelijkertijd vielen twaalf ‘’Falchi’’ (151e ‘’ Gruppo’’, 53e ‘’Stormo’’) het vliegveld van Fayence in de Provençe aan, waar echter weinig schade aangericht werd. Hetzelfde deden ze later in Hyères, waar ze op de grond zo’n 20 vliegtuigen vernield werden.Italiaanse piloten van de 151e ‘’Gruppo’’ claimden verder een Franse Vought V-156 te hebben neergeschoten. Minder geluk had een CR.42 van het 82e ‘’Squadriglia’’ (13e ‘’Gruppo’’), die opsteeg om een Franse verkenner te onderscheppen, maar daarin faalde en vervolgens crashte bij de landing, waardoor de piloot omkwam.
Op 15 juni namen 67 CR.42’s van de eerdergenoemde eenheden alsmede de 18e ‘’Gruppo’’ van het 3e ‘’Stormo’’ deel aan een aanval op vliegvelden in Zuid-Frankrijk. 27 dubbeldekkers van de 150e ‘’Gruppo’’ mitrailleerden daarbij het veld van Cuers-Pierrefou, waar zo’n 15 Vought V-156’s in brand werden geschoten.[8] Zeven van die Fiats die als escorte dienden warden onderschept door Franse Bloch MB.152’s (MB.151’s volgens andere bronnen) van A.C.-3 die één “Falco” neerhaalden en een andere tot landen dwongen. De Italiaanse piloten claimden zelf vier Franse jagers te hebben neergehaald. Later vielen de Fiats de vliegvelden van Cannet des Maures en Puert Pierrefin aan, die vlak bij de grens lagen. Ditmaal reageerde de Franse luchtmacht wel adequaat, de Fiats werden onderschept door Dewoitine D.520’s van G.C.III/6. De piloten van de ‘’Regia Aeronautica’’ claimden hier 8 à 10 overwinningen en een groot aantal op de grond vernielde toestellen, ze kregen uiteindelijk drie Bloch’s en vijf Dewoitine’s toegewezen voor een eigen verlies van vijf CR.42’s.
Malta
Boven Malta kwamen de CR.42’s op 3 juli 1940 voor het eerst Hurricanes tegen. Op die dag had de Britse ‘’Flying Officer’’ Waters (P2614) net een Savoia-Marchetti SM.79-bommenwerper neergehaald (zo’n 8 km van Kalafrana) toen een aantal escorterende CR.42’s hem aanviel, en zijn toestel zwaar beschadigden. Waters maakte een noodlanding waardoor het toestel afgeschreven moest worden.De Britse piloten kwamen er al gauw achter dat de Italiaanse dubbeldekkers veel wendbaarder waren dan zijzelf.
Pilot Officer Jock Barber herinnerde: "Tijdens mijn eerste gevecht, op 9 juli, viel ik de leider van een ‘’Squadriglia’’ Falco’s aan terwijl Flt.Lt George Burges een SM.79 aanviel. Toen ik van 100 meter afstand op een CR.42 schoot, deed ‘ie een scherpe rol en ging al spinnend naar beneden. Toen was ik echter verwikkeld in een ‘’dogfight’’ met de overgebleven CR.42’s, dat ging zo door tot op ongeveer 3.000 meter hoogte toen m’n munitie op was, zonder veel succes, al geloof ik dat ik aan het begin wel de leider geraakt heb. Ik kwam er al vrij gauw achter dat het geen doen was om een klassieke dogfight met die dubbeldekkers te houden. Ze waren zo wendbaar dat je ze nauwelijks in je vizier kreeg en ik moest maar blijven duiken en draaien om zelf niet beschoten te worden. Tegen die tijd was George uit zicht verdwenen dus drukte ik m’n neus naar beneden en ging er vol gas vandoor.
Een week later vloog een dozijn CR.42’s van de 23e ‘’Gruppo’’ een verkenningsvlucht boven Malta. Flt.Lt’s Peter Keeble en Burges gingen direct de lucht in om ze te onderscheppen, maar in de daaropvolgende actie raakten de Britten sterk onder de indruk van de wendbaarheid van de Italiaanse dubbeldekker. Keeble viel een CR.42 aan - waarschijnlijk het toestel (MM4368) van ‘’Sottotenente’’ Mario Benedetti van het 74e ‘’Squadriglia’’ – dat vervolgens crashte, waarbij de piloot omkwam, maar werd vervolgens zelf aangevallen door de CR.42’s van ‘’Tenente’’ Mario Pinna en ‘’Tenente’’ Oscar Abello. Keeble probeerde een dogfight aan te gaan met de Italianen, maar werd in de motor geraakt. Het toestel stortte neer bij Wied-il-Ghajn, en ontplofte. Keeble was de eerste Britse piloot die tijdens gevechtshandelingen boven Malta omkwam.Tevens was dit de eerste luchtoverwinning van een CR.42 tegen een Hurricane.
Nachtjageroperaties
De CR.42 was de voornaamste nachtjager van de ‘’Regia Aeronautica’’ terwijl het toestel niet over een radar beschikte en vaak zelfs geen radio had. De eerste nachtelijke onderschepping vond plaats in de nacht van 13 op 14 augustus 1940, toen ‘’Capitano’’ Giorgio Graffer een Britse Armstrong Whitworth Whitley bommenwerper lokaliseerde die onderweg was Turijn te bombarderen. Toen Graffer’s machinegeweren vastliepen, besloot hij de bommenwerper te rammen waarna hij uit het toestel sprong. De Brit was zwaar beschadigd en stortte uiteindelijk in het Kanaal bij een poging zijn thuisbasis te bereiken.
Corpo Aereo Italiano
Op 11 en 23 november 1940 vlogen de CR.42’s twee raids boven Groot Brittannië als onderdeel van de “Corpo Aereo Italiano” (Italiaanse Luchtvaart Eenheid). De Duitse toestellen van de Luftwaffe hadden daarbij overigens moeite met het in formatie vliegen met de veel tragere Italiaanse dubbeldekkers. Maar hoewel ze trager waren, een open cockpit hadden, niet over radio beschikten en maar licht bewapend waren, draaiden de CR.42’s veel scherper dan de Hurricanes en Spitfires en bleken moeilijk te raken. Veel succes hadden de Italianen echter niet en in de winter werden de CR.42’s weer terugverplaatst naar het Middellandse Zeegebied.
Oost-Afrika
In ‘’Africa Orientale Italiana’’ (A.O.I. – “Italiaans Oost-Afrika”) deden de lichte dubbeldekkers het aanzienlijk beter. Zo was het met dit toestel dat Mario Visintini de hoogstscorende dubbeldekkeraas uit WO II werd (16 overwinningen), terwijl zijn collega’s Luigi Baron en Aroldo Soffritti met de CR.42 respectievelijk 12 en 8 overwinningen behaalden.[18] Tijdens deze campagne vernielden de Fiat-jagers overigens ook nog een aanzienlijk aantal vliegtuigen van de RAF en de Zuid-Afrikaanse luchtmacht tijdens grondaanvallen.[19]
In 1940 waren uiteindelijk drie “Squadriglie” in Italiaans Oost-Afrika (dat bestond uit Ethiopië, Italiaans Eritrea en Italiaans Somaliland) met de CR.42 uitgerust. Het 412e – en meest ervaren – squadron lag in Gura, terwijl het 414e in Massawa en het 413e in Assab gestationeerd waren. De gevechtshandelingen begonnen in juni en duurden tot aan de herfst van 1941. De Italianen kregen vooral te maken met bommenwerpers en verkenningstoestellen, waarvan er een aanzienlijk aantal neergehaald werd. Op 12 juni 1940 viel het 412e Squadriglia negen Vickers Wellesley bommenwerpers aan boven Asmara, waarbij Tenente Carlo Canella de eerste overwinning met een CR.42 boven Oostelijk Afrika claimde: Een Wellesley was danig beschadigd dat ze een gedwongen noodlanding moest uitvoeren. Twee dagen later onderschepte het 412e opnieuw een aantal Wellesleys, die Massawa probeerden te bombarderen. Bij deze actie behaalde Mario Visintini de eerste van zijn 16 overwinningen.
De luchtgevechten hadden voornamelijk plaats bij aanvallen op vijandelijke vliegvelden. Hevige strijd was begin november 1940 tijdens het Britse offensief tegen de Italiaanse forten van Gallabat en Metemma bij de Soedanese grens. De ‘’Regia Aeronautica’’ wist hierbij een luchtoverwicht te behouden, zelfs tegen soms sterkere tegenstanders.[22] Verliezen werden er echter ook geleden, zeker zs Fiats gingen verloren en ongeveer een dozijn werd beschadigd.
Noord-Afrika
Bij het uitbreken van de oorlogshandelingen in Italiaans Noord-Afrika, waren er aldaar 127 Fiat CR.42’s gestationeerd, verdeeld over de 13e ‘’Gruppo’’ (2e ‘’Stormo’’) in Castel Benito en de 10e en 9e ‘’Gruppo’’ in Benina. Aanvankelijk nam de ‘’Falco’’ het daarbij op tegen haar tijdgenoten Gloster Gladiator en Hawker Hart van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht.
Het werd echter steeds sterker duidelijk dat de CR.42 niet op kon tegen het modernere materieel dat de geallieerden in de strijd gooiden. Alleen de wendbaarheid en de vaardigheid van de piloten waren daarbij niet meer genoeg. Desalniettemin vond er op 8 augustus 1940 een luchtduel tussen vergelijkbare rivalen plaats: 16 Fiat CR.42’s van de 9e en 10e ‘’Gruppi’’ van de 4e ‘’Stormo’’ werden onderschept door 14 Gladiators van het 80e RAF Squadron boven Gabr Saleh. Vier CR.42’s werden neergeschoten, terwijl er nog vier moesten noodlanden. De Italianen zelf claimden 5 Gladiators te hebben neergeschoten en twee ‘waarschijnlijk’. In dat luchtgevecht bleken duidelijk de voordelen van de Gladiator ten opzichte van de CR.42. De Gladiators hadden radio’s aan boord de het uitvoeren van gecoördineerde aanvallen mogelijk maakte, terwijl het toestel ook beter presteerde op lage hoogtes, waar ze een betere horizontale wendbaarheid had dan de ‘’Falchi’’.[25]
Ervaren Italiaanse piloten, veelal veteranen uit de Spaanse Burgeroorlog, wisten de uitzonderlijke wendbaarheid van de CR.42 echter naar hun voordeel te gebruiken in succesvolle gevechten tegen Gladiators, Hurricanes en Spitfires. Ze dwongen de Britten hierbij om “De tactieken over te nemen die de Duitse Messerschmitt-piloten tegen hen hadden gebruikt: nabije gevechten ontwijken en aanvallen vanuit duikvluchten.”[24] Op 31 oktober scoorden de Fiats hun eerste bevestigde overwinningen boven Noord-Afrika tegen de Hawker-jagers: ‘’Sergente Maggiore’’ Davide Colauzzi en ‘’Sergente’’ Mario Turchi van het 368e ‘’Squadriglia’’ schoten daarbij de Canadees Edmond Kidder Leveille en de Brit Perry St. Quintin uit de lucht.[26] Aan Italiaanse zijde werden echter ook de nodige verliezen geleden die pas afnamen toen de modernere Macchi C.200 en de Duitse Messerschmitt Bf 109 and Messerschmitt Bf 110 van Luftflotte 4 arriveerden in April 1941.
De Koninklijke Hongaarse Luchtmacht
De eerste buitenlandse koper van de CR.42 was de Hongaarse Luchtmacht, die halverwege 1938 een order plaatste voor 52 toestellen. Hoewel de Hongaren wisten dat de CR.42 feitelijk verouderd was, achtten ze het heruitrusten van hun luchtmacht essentieel, daarbij geholpen door het feit dat de Italianen aangaven de Hongaren voorrang te geven over de ‘’Regia Aeronautica’’ bij de levering van de toestellen. Tegen eind 1939 had Hongarije de beschikking over zo’n 17 CR.42’s, die ingedeeld werden bij de 1. Vadász Ezred (1e Luchtvaartafdeling) die op dat moment nog met CR.32’s vloog. Halverwege 1940 waren de eerste squadrons volledig met CR.42’s uitgerust.
In totaal bestelden de Hongaren 70 toestellen, maar dankzij een ruilhandelovereenkomst met een geconfisqueerde Joegoslavische Savoia-Marchetti SM.79 kregen ze er in 19411 nog twee bij. De Fiat dubbeldekkers werden voor het eerst ingezet in april 1941, bij de aanval tegen Joegoslavië. Gedurende dit korte conflict verloren de Hongaren twee CR.42’s.[27] Later behaalden de Hongaarse piloten ook nog de nodige successen tegen de Russen aan het Oostfront, maar al gauw werden de verouderde CR.42’s nog louter ingezet als grondaanvalsvliegtuig.
Hoewel ze gewoonlijk te maken hadden met sterkere tegenstand, behaalden de Hongaarse CR.42’s 25 overwinningen in de lucht, terwijl ze er zelf twee verloren.De overgebleven CR.42’s werden voorts gedegradeerd tot opleidingsvliegtuigen, totdat in 1944 een eenheid van nachtelijke aanvallen werd gevormd met de Fiat dubbeldekkers, hoewel er echter geen aanwijzingen zijn dat er ook daadwerkelijk operationele vluchten mee werden uitgevoerd. Het gros van de CR.42’s ging verloren bij opleidingsongevallen en aanvallen (zgn. ‘’strafing attacks’’) door Amerikaanse vliegtuigen in 1944, zodat uiteindelijk geen enkele Hongaarse ‘’Falco’’ de oorlog overleefde
Belgische Luchtmacht
In 1939 kocht een afvaardiging van de Belgische Aéronautique Militaire 40 CR.42’s, tegen een totaalbedrag van 40 miljoen Belgische Francs.[29] De eerste Fiat arriveerde op 6 maart 1940 (één toestel ging verloren bij de landing), waarna het gros van de CR.42’s naar de Evere Établissements Généraux de l'Aéronautique Militaire werd gestuurd voor verdere uitrusting. Het eerste operationele squadron, met 15 Fiats, was de IIème “Group de Chasse”, gestationeerd in Nijvel, ten zuiden van Brussel.
Aan de vooravond van de Duitse inval op 10 mei, had de Belgische luchtmacht waarschijnlijk de beschikking over 30 Fiat CR.42’s. Op 9 mei waren er twee operationele eenheden die met de Falco’s vlogen, te weten het 3e "Cocotte rouge", dat 14 stuks ter beschikking had en het 4e “Cocotte Blanche” dat er 11 had. Daarnaast waren er nog enkele die met mechanische mankementen in hangars stonden.De Fiats waren feitelijk geen partij voor de veel talrijkere Duitse Messerschmitt Bf 109’s, maar wisten toch enkele successen te boeken. De Belgen kregen hun vuurdoop op 10 mei, toen ze een formatie Junkers Ju-52’s aanvielen in de buurt van Tongeren, waarbij een Ju-52 tot een noodlanding gedwongen werd. De Fiats werden vervolgens onderschept door de Bf 109’s maar wisten, dankzij de superieure wendbaarheid van de CR.42, allen behouden thuis te komen. Op die dag claimden de Belgen overigens nog vier Duitse toestellen: drie Dornier Do-17 en een Bf 109, maar nog diezelfde dag vernielden Junkers Ju-87 ‘’Stuka’’’s niet minder dan 14 Fiats die aan de grond stonden op het vliegveld van Brustem.
In totaal werden er 35 missies gevlogen, waarbij de Fiat CR.42’s zeker 5 en waarschijnlijk zelfs acht[32] vijandelijke toestellen neerhaalden, waaronder Dornier Do 17, Junkers Ju 52 en de gevreesde Bf 109 tegen een eigen verlies van twee Fiats. Overigens werden de enige twee met zekerheid neergehaalde Bf 109’s door Charles Goffin uit de lucht geschoten.[33] Na de Belgische capitulatie werden de vijf overgebleven Fiat CR.42’s in een depot van de Franse Luchtmacht in Fréjorques gestald, waar ze door de Duitsers gevonden werden.Wat er vervolgens mee gebeurd is, is niet bekend.Totale claims van de Belgische Falco’s waren acht Do-17, vier Bf 109’s en één Ju-52.
Zweedse Luchtmacht
CR.42 in de kleuren van de Zweedse Luchtmacht
De Zweedse Luchtmacht kocht als noodoplossing verschillende Italiaanse vliegtuigtypes in de periode 1939-1941. Dit vanwege het feit dat Italië het enige land was dat vliegtuigen wilde leveren aan het neutrale Zweden en de binnenlandse productie pas tegen 1943 voor voldoende vliegtuigen zou kunnen zorgen. Tussen 1940 en 1941 ontving Zweden 72 met radio uitgeruste CR.42’s, die overigens ook over een 20mm dikke pantserplaat achter de piloot beschikten en enkele uitgerust waren met een ski-landingsgestel. De Zweedse toestellen werden aangeduid als “J-11”.
De J 11s werden aanvankelijk toebedeeld aan Squadron F9, dat verantwoordelijk was voor de luchtverdediging van Göteborg, maar werden in 1943 overgedragen aan het nieuw opgerichte Squadron F13 in Norrköping, toen F9 zelf met modernere jagers werd uitgerust.
De vanuit Kiruna (in Noord-Zweden) opererende J 11’s waren uitgerust met een ski-onderstel om op sneeuwondergrond te kunnen landen. In de lente werden de J 11’s van de 1e Divisie overgeplaatst naar het vliegveld van Luleå, vanwaar verschillende noodstarts gemaakt werden om Duitse vliegtuigen te onderscheppen die de Zweedse grens geschonden hadden. Het lukte de Zweden echter vrijwel nooit om ook daadwerkelijk contact te maken. De J 11’s van de 2e en 3e Divisies die in Göteborg gestationeerd waren lukte het wel een enkele maal om de indringers te onderscheppen en ze te dwingen het Zweedse luchtruim te verlaten.
Tijdens de dienstjaren bij de Zweedse luchtmacht vonden er echter ook veel ongelukken plaats met de CR.42’s, soms vanwege de slechte materialen die de Fiat-fabrieken gebruikt hadden. Tegen eind 1942 waren er al 8 verloren gegaan en eind 1943 nog eens 17 meer. In totaal gingen er zo’n 30 CR.42’s verloren door ongelukken en mechanisch falen.[38] De Zweedse piloten waren enthousiast over de wendbaarheid van de Fiats,[39] maar klaagden over het algemeen over de te lage topsnelheid, de magere bepantsering en de open cockpits, die in het Scandinavische klimaat niet ideaal waren.[38] De overgebleven J 11’s werden in maart 1945 afgedankt, één ervan werd met het oog op de toekomst “weggezet”in een hangar bij Squadron F3 en staat nu in het Zweedse luchtmachtmuseum in Linköping.
Luftwaffe
Na de wapenstilstand van 8 september 1943 nam de Luftwaffe het gros van de ‘’Regia Aeronautica’’ vliegtuigen over, waaronder ook een aantal CR.42’s.Ondertussen hadden de Duitsers de industrie in Noord-Italië onder controle gekregen en verordonneerden aldus Fiat om nog eens 200 CR.42LW’s (LW = ”Luftwaffe”) te bouwen. Deze waren bedoeld als stoorvliegtuigen voor nachtelijke incursies en voor het bestrijden van partizanen. Een aantal van de in beslag genomen Fiats werden ingedeeld als trainingvliegtuig. Eén van de Duitse eenheden die met de CR.42 vloog was de “Nachtschlachtgruppe” NSGr. 9, gestationeerd in Udine, dat tot taak had om verzetsstrijders in de Alpen, Istrië en in Kroatië te bestrijden. De eerste “Staffel” kreeg haar Falco’s in november 1943 en vertrok in januari 1944 naar het vliegveld van Caselle bij Turijn, om van daaruit tegen partizanen in de zuidelijke Alpen op te treden. Eind januari kreeg ook het No. 2 Staffel de CR.42, de opleiding van de piloten vond plaats nabij Venaria Reale.
Na de geallieerde landing in Anzio opereerden deze twee “Staffel” vanuit het vliegveld van Centocelle nabij Rome. Van hieruit werden voornamelijk op maanverlichte nachten operaties gevlogen boven het zuiden van de ‘’Regione’’ Latium. NSGr. 9 viel de geallieerden aan in de buurt van Monte Cassino. Hoewel de CR.42 goed presteerde als lichte bommenwerper begon NSGr. 9 langzamerhand over te stappen op de Junkers Ju 87D “Stuka”. Het tweede “Staffel” hield haar dubbeldekkers tot halverwege 1944, op 31 mei had ze er nog 18, waarvan 15 inzetbaar.
Door de geallieerde bombardementen op de Fiat fabrieken in Turijn werden er slechts 150 CR.42LW’s afgeleverd, waarvan er 112 operationeel werden. Overigens gebruikte ook “Jagdgeschwader” JG 107 de Falco, voornamelijk als nachtjager, jachtbommenwerper of als opleidingsvliegtuig. De Duitse leerlingpiloten gaven het toestel de bijnaam "Die Pressluftorgel" oftewel "het luchtdrukorgel".

De Fiat G.50

 

De Fiat G.50 "Freccia" was een gevechtsvliegtuig , single-engine eendekker auto's aan lage-vleugel van de rijke Italiaanse Fiat Aviation in de jaren dertig en het product is dezelfde die door zijn dochteronderneming Costruzioni Meccaniche Aviation SA (CMASA).
Eerste single-seat eendekker gevechtsvliegtuig Italiaanse all-metal, met intrekbare trolley en gesloten cockpit, vloog voor het eerst in februari 1937 en het volgende jaar in dienst bij de Royal Air Force . Het werd in dienst van ' Aviation Legionnaire tijdens de Spaanse Burgeroorlog . Hoewel het niet erg krachtig en niet erg concreet, was het zeer gemakkelijk te hanteren, een gemeenschappelijk kenmerk van de Italiaanse jacht tijd.Hij vond werk in het buitenland, de luchtmacht Kroatische . 35 voorbeelden werden verkocht aan Finland, waar onder de vlag van Suomen ilmavoimat , de luchtmacht Finland , het monoplan Fiat behaalde het grootste succes (99 luchtoverwinningen bevestigd) [3] [4] met een snelheid overwinningen / verliezen 33 1.
Fiat G.50
Ontworpen door ' ingenieur Giuseppe Gabrielli vanaf april 1935 . Het voorlopig ontwerp werd voltooid in september van dat jaar, maar werd onderworpen aan radicale veranderingen om beter te kunnen voldoen aan de eisen van de Royal Air Force .

De oorspronkelijke specificaties feit betrokken zijn ook het gebruik als aanval; hiervoor werd voorzien van een inwendige bommenruim en een bijzonder zware wapens lancering omvattende 20 mm wapens; dan wanneer de wedstrijd naar een pure jacht verplaatst de ontwerper bevond zich het alternatief van het herinrichten van alle of de bestaande accepteren van de sancties in termen van gewicht en aerodynamica aan te passen. Er werd gekozen voor de laatste weg, wegens tijdgebrek.
Het eerste prototype , de MM.334, werd gebouwd door CMASA en vloog voor het eerst in februari 26 op 1937 , onder het bevel van testpiloot Giovanni De Briganti , en werd de eerste eendekker gevechtsvliegtuig van de wedstrijd gehouden in 1936 voor het 'modernisering van de vlieg lijn als onderdeel van het Project R .

Eendekker met een lage-wing cantilever, met als enige regering oppervlakken gecoat doek. "Het werd gekenmerkt door een robuuste, volledig metalen, en het was onze eerste vechter intrekbaar landingsgestel" (Giorgio Bignozzi, Planes of Italië Milaan Editions ECA 2000). Vooral de voorpoten van de wagen waren terugtrekbare binnen terwijl de vaste staartwiel. Bijzonder handig om een monoplan zijn de G.50 had een topsnelheid tweedekker Fiat CR.42 slechts 33 km / h, en gelijk aan wapens was. Misschien is de beste eigenschap van het project was de uitzonderlijke sterkte van de cel, die het gebruik ervan de voorkeur als een aanval wanneer, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd overklast als een vechter. Gemotoriseerde met betrouwbare radiale motor Fiat A.74 RC.38 waarmee een kracht nominale van 840 pk (618 kW ), in licentie vervaardiging van de Amerikaanse Pratt & Whitney R-1830-64 met gelijke kracht, deze motor gedeeld veel projecten eigentijds, met inbegrip van precies l ' MC200 , de CR42 en andere vliegtuigen.

Onmiddellijk bleek hij de neiging van alle 'vliegtuigen autorotatie , het probleem in gemeenschappelijk voor de MC200, en die ook niet is opgelost in de eerste exemplaren van de serie. "De Fiat G.50 - herinner Luigi Gorrini , een van de belangrijkste routes van de Royal Air Force , met 19 knockdowns, in een interview met journalist Andrea Benzi - was een eendekker, erg" neus "Hij maakte veel slachtoffers en wanneer het. dat het zo was al achterhaald. een vreemde machine, je moest heel voorzichtig zijn tijdens het opstijgen en de landing te zijn. " Onder de jacht op de concurrentie, MC200, Caproni Vizzola F.5 , Reggiane Re.2000 , Imam Ro.51 en AUT 18 (de laatste gepresenteerd met vertraging), de G.50 was niet de meest levensvatbare projecten, en misschien na Ro.51, die nog had een vast landingsgestel, het was het verleden. Maar overwegingen die verder gingen dan de werkelijke levensvatbaarheid van de projecten (vergelijkingen en evaluaties van de testers hadden een indicatieve waarde voor het ministerie Air Force) en rationele planning van de bouw van militaire vliegtuigen betekende dat de generale staf van de ' Regia Aeronautica niet scartasse de G.50. Dus, als de winnaar van de aanbesteding was om het te Macchi MC200 (met uitzondering van Re.2000 dat, hoewel geavanceerde hadden motorproblemen die nooit zijn opgelost, en andere "kleine" projecten), Fiat had ook zijn om de G.50, gekenmerkt door bepaalde snelheid van realisatie, hoger dan die van de jacht Macchi (maar lager dan Reggiane).
Beide prototypes en de eerste 45 serie vliegtuigen had een gesloten cockpit met anticappottamento structuur volgens ministers specificatie. Deze oplossing ook gebruikelijk om Macchi vechter, werd verlaten als gevolg van problemen in de testfase, het openen van de luifel tijdens de vlucht zodra je langs een bepaalde snelheid, riskeert indien nodig, om het vliegtuig te verlaten. In plaats van het vinden van een technische oplossing voor het probleem voorkeur gesloten dak door twee torpedojagers verwijderen, vervangen in sommige uitvoeringen met transparante zijwanden. Het ongeduld van de vriendelijke Italiaan gesloten cockpit beïnvloed slechts minimaal optie meer is afgeleid van het oorspronkelijke defect van het project .
Uitgaande van de oorspronkelijke 46 werd vervolgens leidt het open kuip ook aangenomen flappen aangepast, herontworpen verticale staartoppervlakten. Van deze eerste versie werden ze gemaakt 206 exemplaren vervaardigd uit CMASA en 6 door Fiat. Aan het begin van 1938 de Regia Aeronautica gevraagd Fiat aan de realisatie van een twee-seater training model, om de overgang naar dit eendekker te vergemakkelijken, niet van eenvoudige loodsen, van tweedekkers. De student zitten in de stoel, in een volledig gesloten cabine, voorzien van twee rolbeugel, een anti-rollover centrale en één van de achtersteun. De eerste voorbeelden van dit model, genaamd Fiat G.50 / B (twee handvaten Bc.), Werden in de tweede helft van 1939. De eerste vijf exemplaren maakten deel 1 van de constructieve series. De volgende productie werd toevertrouwd aan CMASA het aantal kopieën bedroeg 106. Een monster werd later omgezet in een verkenningsvliegtuig voorzien planimetrische camera. Andere G.50 / B aangepast om op korte afstand verkenning en voorzien grendelhaak, voor het beoogde gebruik van het vliegdekschip Aquila , die nooit operationeel.

Fiat G50 van de Finse Luchtmacht

Rol
Jachtvliegtuig
Bemanning
1
Status
Eerste vlucht
1937
Aantal gebouwd
791
Gebruik
Italië, Spanje, Duitsland, Finland, Kroatië, Joegoslavië
Afmetingen
Lengte
7,29 m m
Hoogte
2,96 m m
Spanwijdte
10,96 m m
Gewicht
Leeggewicht
1.975 kg kg
Max. gewicht
2.706 kg kg
Krachtbron
Motor(en)
Fiat A.74 RC38 radiaal motor
Prestaties
Topsnelheid
472 km/u
Vliegbereik
670km km
Dienstplafond
9.835 m m
Bewapening
Boordgeschut
2 x 12.7 mm Breda-SAFAT machinegeweren
 

Savoia-Marchetti S.M.75

De Savoia-Marchetti S.M.75 Marsupiale (buideldier) was een Italiaans passagiers- en (militair) transportvliegtuig uit de jaren dertig en veertig van de 20e eeuw. Het was een driemotorige laagdekker met een metalen en houten constructie met een intrekbaar conventioneel onderstel met staartwiel.
Ontwikkeling
De S.M.75 werd ontworpen als reactie op een verzoek om informatie van de Italiaanse luchtvaartmaatschappij Ala Littoria, die op zoek was naar een modern lijn- en vrachtvliegtuig voor de middellange en lange afstand ter vervanging voor haar Savoia-Marchetti S.M.73.
Voor de S.M.75 ging chef-ontwerper Alessandro Marchetti uit van het basisontwerp van de S.M.73, maar hij introduceerde een intrekbaar onderstel om de luchtweerstand te verminderen. Het vliegtuigcasco van de S.M.75 bestond uit een stalen buizenframe met stof en multiplex bekleding, de roer- en stuurvlakken waren met multiplex bedekt. De S.M.75 had een vierkoppige bemanning en bood plaats aan maximaal 25 passagiers. Hij was uitgerust met drie Alfa Romeo 126 RC.34-radiaalmotoren, die elk een vermogen hadden van 559 kW (750 pk) op 3.400 meter hoogte. Zijn korte startlengte van 337 meter en nog kortere landingsafstand van 280 meter betekende dat het vliegtuig geschikt was voor secundaire vliegvelden met korte start- en landingsbanen.
Op november 1937 vloog de S.M.75 voor het eerst vanaf Novara in Piedmont. Het vliegtuig maakte zijn eerste commerciële vlucht bij Ala Littoria in 1938 en bij LATI in 1939, en deed dienst binnen Europa en op vluchten naar Zuid-Amerika, alsook op de route Rome–Addis Abeba na de invasie van Italië.
De S.M.75 bleek in staat met gemak een vierkoppige bemanning en 17 passagiers met hun bagage over een afstand van 1.721 km te kunnen vervoeren bij een snelheid van 362 km/h op 4.000 meter hoogte. Daarnaast behaalde het vliegtuig een aantal wereldrecords, onder andere voor snelheid met lading op lange afstand. Een S.M.75 werd aangepast voor de endurance world records, en slaagde daar in 1939 in door een afstand van 12.000 km te vliegen.
De enige buitenlandse order voor de S.M.75 werd gedaan door de Hongaarse luchtvaartmaatschappij MALÉRT die, in 1937, vijf van deze kisten bij Savoia Marchetti bestelde.
Afgeleiden varianten
S.M.75bis
Elf van de S.M.75's werden uitgevoerd met drie Alfa Romeo 126 RC.18-radiaalmotoren, met elk een vermogen van 641 kW (680 pk) op 1.800 meter hoogte, en werden aangeduid met S.M.75bis.
S.M.75 GA
De S.M.75 GA (hierbij staat GA voor Grande Autonomia, in het Nederlands 'lange afstand') was een verbeterde versie van de S.M.75, waarbij het vliegtuig was uitgevoerd met drie Alfa Romeo 128-radiaalmotoren van 641 kW (861 pk), een krachtige radio en reservebrandstoftanks om het vliegbereik te vergroten tot 7.000 km bij een lading van 1.100 kg. Met een vier- of vijfkoppige bemanning en 200 kg lading kon de S.M.75 GA een afstand van 8.005 km overbruggen bij 298 km/h op een hoogte van tussen de 3.500 en 5.000 meter.
S.M.76
In 1939 ontving de Italiaanse luchtvaartmaatschappij LATI haar eerste S.M.75. Het vliegtuig werd in 1940 omgedoopt tot S.M.76.
S.M.82
De Regia Aeronautica (Italiaanse Koninklijke Luchtmacht) toonde een warme belangstelling voor de S.M.75, reden waarom er een militaire versie van werd ontwikkeld. Bij deze militaire versie ontbraken de ramen in de passagierscabine, maar zij was uitgerust met een versterkt paneel om de installatie van een geschutskoepel boven op de romp mogelijk te maken. Het model was uitgerust met drie Alfa Romeo 128 RC.21-radiaalmotoren en had een grotere vrachtcapaciteit dan de S.M.75.
S.M.87
In 1939 verscheen een versie van de S.M.75 met drijvers. Het vliegtuig, bekend als de S.M.87, werd aangedreven door drie Fiat A.80-motoren van elk 746 kW (1000 pk). Het kon een snelheid van 365 km/h halen, had een plafond (maximale vlieghoogte) van 6.250 km en een bereik van 2.200 km (1.400 km) en kon een vierkoppige bemanning plus 24 passagiers vervoeren. Er werden er vier van gemaakt.
S.M.90
De S.M.90 was een versie van de S.M.75 uitgerust met krachtiger Alfa Romeo 135 R.C.32-radiaalmotoren van 1.044 kW (1.400 pk) per stuk. Dit model had een langere romp dan de S.M.75. Er werd er maar één van gebouwd.

Een van de vijf Savoia Marchetti's door MALÉRT besteld

Een van de vijf Savoia Marchetti's door MALÉRT besteld
Fabrikant Savoia Marchetti
Lengte 21,895 m
Spanwijdte 29,693 m
Hoogte (vanaf de grond) 5,410 m
Stoelen voor passagiers 24
Leeggewicht 9.480 kg
Motoren 3x Alfa Romeo 126 R.C.34
Max. stuwkracht per motor 750 pk (560 kW)
Kruissnelheid 325 km/h (max. 369 km/h)
Max. reikwijdte 2.279 km
Eerste vlucht 1937
Voornaamste gebruikers Italië, Hongarije
Aantal gebouwd 90

Een Savoia Marchetti S.M.75GA in Oost-Azië

Savoia-Marchetti SM.79

De Savoia-Marchetti SM.79 Sparviero (Italiaans voor sperwer) was een driemotorige Italiaanse bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk was dit toestel tussen de jaren 1937-1939 ontworpen als passagiersvliegtuig en als een snel postvliegtuig voor de Italiaanse koloniën in Noord-Afrika en Oost-Afrika. In die periode was de Sparviero een van de snelste vliegtuigen ter wereld en zette 26 wereldrecords voor snelheid.
De Sparviero kwam voor het eerst in actie tijdens de Spaanse Burgeroorlog en later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd het toestel aan alle fronten ingezet waar Italië aanwezig was. Het beste kwam dit toestel tot zijn recht in het Middellandse Zeegebied, waar het ingezet werd als torpedobommenwerper. In die hoedanigheid heeft de Sparviero veel succes geboekt tegen Geallieerde schepen.
De Sparviero is bekend geworden vanwege zijn elegante bouw. Ook was het toestel geliefd bij haar bemanning. Al met al zijn er zo'n 1300 Sparviero's gebouwd. Het toestel bleef tot aan 1952 actief in Italië.
Ontwikkeling
Het project voor de SM.79 begon in 1934. Het idee was om een snel transportvliegtuig te maken die ook plaats bood aan acht passagiers. Ook zou het in staat moeten zijn om aan luchtraces deel te kunnen nemen. De piloot Adriano Bacula vloog het eerste prototype op 28 september 1934. Aanvankelijk zou het toestel drie Isotta-Fraschini Asso XI Ri motoren van 800pk krijgen maar later werd toch besloten om minder krachtige motoren te plaatsen, namelijk de Piaggio P.IX RC.40 Stella die elk 590 pk hadden.
Het prototype kwam te laat om aan de London-Melbourne luchtrace mee te kunnen doen maar vloog van Milaan naar Rome in slechts één uur en tien minuten met een gemiddelde snelheid van 410 km/h. Later, op 2 augustus 1935, zette het prototype een record door van Rome naar Massaua in Italiaans-Eritrea te vliegen in 12 uur tijd (weliswaar met een tankstop in Caïro). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was dit vliegtuig een van de belangrijkste aanvallende vliegtuigen van de Italianen. Ook was dit toestel in voldoende mate beschikbaar. De officiële productie startte in oktober 1936 en eindigde in juni 1943 met een totaal van 1217 toestellen. Een deel werd ook onder licentie gebouwd in andere landen.
Ontwerp en bewapening
Wanneer de Sparviero vol gas gaf tijdens het opstijgen, had het slechts 300 meter nodig om van de grond los te komen. Vervolgens was het toestel in staat om:
in 3 minuten naar 1000 meter te stijgen (3280 ft)
in 6 minuten en 30 seconden naar 2000 meter te stijgen (6650 ft)
in 9 minuten en 34 seconden naar 3000 meter te stijgen (9840 ft)
in 13 minuten en 2 seconden naar 4000 meter te stijgen (13120 ft)
in 17 minuten en 43 seconden naar 5000 meter te stijgen (16400 ft)
De bommenwerper versie had tien brandstoftanks met een gezamenlijke inhoud van 3460 liter. Maximale actieradius was niet bevestigd. Maar om vanaf Libië de hoofdstad Addis Ababa van Italiaans Oost-Afrika te kunnen bereiken tijdens een non-stopvlucht, moest het toestel aangepast worden om meer brandstof te kunnen vervoeren om zodoende de meer dan 2000 km te kunnen overbruggen. De afstand die het kon afleggen met een vracht van 1000 kg lag tussen de 800 en 900 km.
De Sparviero presteerde goed. Vanwege de houten structuur van de romp was het licht genoeg om een tijdje te kunnen blijven drijven als het een noodlanding op zee moest maken. Dit gaf de bemanning voldoende tijd om henzelf in veiligheid te brengen. Ook de motor, die voor de cockpit aanwezig was, gaf voldoende bescherming tegen vijandelijk afweergeschut.
Voor de torpedobommenwerper lag de effectieve afstand voor het loslaten van de torpedo tussen de 500 en 1000 meter voor het doelwit. Daarbij werd laag gevlogen om beter te kunnen mikken. Het nadeel was echter wel dat het vliegtuig dan vaak beschoten werd door alles was de tegenstander in huis had. Van lichte wapens tot zware kanonnen.
De defensieve bewapening van de SM.79 bestond uit vier en later vijf machinegeweren. Elk machinegeweer (behalve die aan de voorkant) had 500 kogels. Hoewel de Sparviero halverwege de jaren 30 bekendstond als zwaarbewapend en zwaar bepantserd, was het toestel halverwege de Tweede Wereldoorlog kwetsbaar voor de moderne vliegtuigen die de Engelsen en Amerikanen hadden. Al tijdens de Spaanse Burgeroorlog kwam al aan het licht dat de Sparviero kwetsbaar kon zijn als het bepaalde jagers tegenkwam.
De bommenwerper versie kon twee bommen van 500 kg of vijf van 250 kg, dan wel twaalf van 50 of 100 kg. Ook bestond er de mogelijkheid om honderden kleine clusterbommen te vervoeren. De bommenrichter had een 85° gezichtsveld, een Jozza-2 bommenrichtsysteem en verscheidene systemen om de bommen los te kunnen laten.
De torpedobommenwerper had de mogelijkheid om één torpedo van 876 kg mee te nemen. Deze had een lengte van 5,46 m en een springlading van 170 kg. De torpedo kon 3 kilometer afleggen met een snelheid van 74 km/u. De torpedo kon afgeworpen worden tussen de 40 en de 120 meter boven zeeniveau waarbij het vliegtuig tot 300 km/u kon vliegen. De enige reden dat bij de Regia Aeronautica alleen de Sparviero dienstdeed als torpedobommenwerper was dat het erg moeilijk was om goede en effectieve torpedobommenwerper-technieken te ontwerpen. Met andere Italiaanse vliegtuigen werd geëxperimenteerd met torpedo's, waaronder de Caproni Ca.314, maar niets leverde iets goeds op.
Operationele geschiedenis
Recordzetter

Hoewel Italië niet in staat was om de Schneider Trophy te winnen, wilde Mussolini toch doorzetten met het verbeteren van de Italiaanse luchtmacht. Deels ook om zijn fascistische staat aan de wereld te promoten. Ondanks eerdere successen werden er nog een aantal Sparviero's aangepast om nieuwe wereldrecords te plaatsen. Op 23 september 1935 vloog een Sparviero ,die beladen was met 2000 kg aan vracht, 2000 km met een gemiddelde snelheid van 389,61 km/u en brak daarmee meteen zes wereldrecords.
Later deden vijf SM.79CS's mee aan de luchtrace Parijs-Damascus-Istres waarbij drie toestellen de eerste drie plaatsen wonnen. De andere twee werden respectievelijk zesde en zevende. In 1938 werden er drie Sparviero's omgebouwd om de Atlantische Oceaan over te kunnen steken om Brazilië te kunnen bereiken. Ze stegen op op 24 januari en landden elf uur later in Dakar. Na bijgetankt te hebben stegen ze weer op om naar Rio de Janeiro te vliegen en kwamen daar om 22:45 lokale tijd aan op 25 januari. Eén toestel landde in Natal waar het bleef staan en later aan de Braziliaanse luchtmacht werd geschonken.
Spaanse Burgeroorlog
De SM.79 kwam voor het eerst in actie in Spanje, tijdens de Spaanse Burgeroorlog. De Aviazione Legionaria, een eenheid die door Mussolini naar Spanje gestuurd werd om Franco te helpen, gebruikte de Sparviero's. Aan het einde van 1936 werden de Sparviero's operationeel ingezet boven Spanje in de 8° Stormo B.T. (Bombardamento Tattico) met Gruppi XXVII° en XXVIII° onder leiding van Tenente Colonnello Riccardo Seidl. Ze hadden hun basis op de Balearen en de eenheid droeg de naam Falchi delle Baleari (Balearische valken). Ze vlogen hoofdzakelijk over Catalonië en de belangrijkste steden in West-Spanje. Tijdens hun deelname zouden ze 2700 burgers hebben gedood en er meer dan 7000 hebben verwond. Vanaf het begin van de deelname aan de burgeroorlog tot aan het einde, hebben zeker 100 Sparviero's boven Spanje gevlogen en slechts vier zijn er verloren gegaan tijdens gevechtshandelingen. Doordat Italië flink wat ervaring had opgedaan tijdens het conflict, werd in oktober 1938 besloten dat de SM.79-II voortaan de ruggengraat van de bommenwerpers in de Tweede Wereldoorlog moest gaan vormen
Joegoslavië
Nadat de Spaanse Burgeroorlog afgelopen was, stroomden positieve rapporten over het toestel naar Joegoslavië. Dit leidde tot het besluit om in 1938, 45 Sparviero's aan te schaffen van de variant SM.79-I. In Joegoslavië droegen ze de naam SM.79K. In 1939 werden ze geleverd maar helaas werden ze bijna allemaal vernietigd toen nazi-Duitsland Joegoslavië in 1941 binnenviel. Hetzij door hun eigen bemanning hetzij door de Duitsers. Toch wisten de Joegoslavische Sparviero's wat successen te boeken tegen de Duitsers en Italianen.
Roemenië  In 1937 bestelde de Roemeense overheid 24 tweemotorige SM.79B bommenwerpers uitgerust met een 1000pk Gnome-Rhône Mistral Major 14K motor. Deze vliegtuigen bleken niet krachtig genoeg te zijn en daarom besloot men in februari 1940 om acht vliegtuigen met twee Junkers Jumo 211 motoren van 1200 pk te bestellen. Ze werden geleverd in 1941-42. Nog 72 SM.79's werden in Roemenië onder licentie gebouwd door de Industria Aeronautică Română. Tijdens de oorlog leden deze vliegtuigen veel verliezen. Omdat ze op lage hoogte werden ingezet als bommenwerper.
Brazilië en Irak
Tweemotorige toestellen werden aan Brazilië en Irak verkocht, respectievelijk drie en vier toestellen.
Regia Aeronautica
Bijna 600 SM-79-I en -II waren in dienst toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze werden ingezet aan elk front waar de Italianen aanwezig waren. Begin 1936 was de 12° Stormo de eerste groep die uitgerust werd met de SM.79. Toen de Spaanse Burgeroorlog uitbrak, waren er slechts zes in staat om deel te nemen aan de strijd. Maar in 1937 waren dat er al 15. Toch werden ze ingezet in de strijd en werden er slechts weinig verliezen geleden. Ongeveer 19 van het totaal werden er vernietigd.
Het eerste treffen met vijandelijke vliegtuigen vond plaats op 11 oktober 1937 toen drie Sparviero's aangevallen werden door 12 Russische Polikarpov I-16s. Eén Sparviero werd beschadigd maar de boordschutters wisten verdere aanvallen te verijdelen. Alle bommenwerpers kwamen veilig op hun vliegveld aan. Eén toestel was 27 keer geraakt, vooral in de brandstoftanks. Andere aanvallen gedurende het conflict leverden voor de Sparviero's geen verliezen op.
Gedurende het conflict in Spanje kwamen er toch een aantal kinderziektes aan het licht. Zo waren er geen zuurstofmaskers aan boord die het mogelijk maakten om op grote hoogte te opereren. Ook bleek het toestel instabiel te zijn en ontstonden er flinke trillingen als men sneller dan 400 km/h vloog. Soms werden de problemen opgelost, maar vaak ook niet. Generaal Valle probeerde te bewijzen dat de Sparviero wel degelijk in staat was om nachtbombardementen uit te voeren. Hij steeg op vanaf Guidonia en bombardeerde Barcelona. De tocht duurde zes uur en 15 minuten. Het was hem niet alleen gelukt om in de nacht succesvol te zijn in de Sparviero maar liet ook zien dat het toestel 1000 km kon vliegen met een bommenlading van acht 100 kg bommen. Gedurende de rest van de burgeroorlog opereerden de Sparviero's vanaf de Balearen en later ook vanaf het vasteland van Spanje. Escorte had de Sparviero niet nodig. Andere vliegtuigen waren te langzaam.
Na de Spaanse Burgeroorlog gingen de 111° en 8° Stormo het toestel in gebruik nemen. Tegen het einde van 1939 waren er haast al 388 Sparviero's in dienst. De Sparviero werd ook met succes ingezet tijdens de Invasie van Albanië in de herfst van 1939.
Malta
In juni 1940 verloor de Sparviero zijn reputatie als onkwetsbaar toen de Sparviero's boven Malta Gloster Gladiators en Hawker Hurricanes in de strijd tegenkwamen. De eerste Sparviero boven Malta werd neergeschoten door twee Gloster Gladiators op 22 juni. Het toestel vloog in de brand en stortte neer in zee. Slechts twee van de zes bemanningsleden overleefden de crash. Een andere Sparviero werd op 10 juli 1940 neergeschoten boven Malta. Deze Sparviero maakte deel uit van 20 andere Sparviero's van de 195a Squadriglia, 90° Gruppo, 30° Stormo Bombardamento Terrestre die op weg waren om havens op Malta te bombarderen. De bewuste Sparviero werd gevlogen door Sottotenente Felice Filippi en kwam brandend naar beneden. Niemand overleefde de crash.
Andere plaatsen
Een kleine groep Sparviero's opereerde in Ethiopië. In het westelijke gedeelte van Italiaans Oost-Afrika stond de 44° Gruppo paraat op hun basis in Dire Dawa met in totaal 24 toestellen. Op 13 juni 1940 zagen de Sparviero's in dat gebied voor het eerst actie. Op die dag vielen negen Sparviero's van de 44° Gruppo Aden aan, dat in handen was van Engeland. Een aantal van deze vliegtuigen raakten tijdens de aanval beschadigd, toen ze aangevallen werden door Gloster Gladiators.
In Noord-Afrika hadden de Italianen ongeveer 100 SM.79's klaarstaan voor gebruik. Deze toestellen werden voornamelijk gebruikt voor het bombarderen niet niet-strategische doelen in de woestijn.
Tijdens de gevechten in Noord-Afrika verloor de Regia Aeronautica veel van haar Sparviero's. Aanvallen van Engelse vliegtuigen waren zo hevig, dat aan het begin van 1941 er nog maar 40 Sparviero's operationeel waren. Aan het einde van 1941 was er slechts één Squadriglia operationeel. In de Tweede slag om El Alamein voerden de Sparviero's slechts defensieve taken uit. Onder anderen het opzoeken en bombarderen van SAS-eenheden in de woestijn.
In de herfst van 1940 werden SM.79's ook ingezet in de strijd tegen Joegoslavië en Griekenland. Toch werden er in deze gebieden niet de gewenste resultaten behaald. De RAF bood hardnekkig weerstand en de weersomstandigheden waren niet optimaal. Boven het Middellands Zee gebied voerden de Sparviero's hoofdzakelijk verkenningsvluchten uit. Ook werden ze ingezet om schepen aan te vallen.

Rol Medium bommenwerper , torpedo bommenwerper
Fabrikant Savoia-Marchetti
Eerste vlucht 28 september 1934
Invoering 1936
Gepensioneerd 1952 (Italië) 
1959 (Libanon)
Primaire gebruikers Regia Aeronautica 
Aeronautica Nazionale Repubblicana 
Voorzee Aerone Regale ale României
Spaanse Luchtmacht
geproduceerd 1936-1945
Aantal gebouwd 1.240

 

SM.79 tijdens de vlucht

 

 

 

Savoia Marchetti SM.79 Bs Irak Luchtmacht

 

 

 

SM.79 aanval op een konvooi richting Malta.

 

Savoia-Marchetti SM79 over Sciacca

1-Italie in de Tweede Wereldoorlog