Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Griekenland in de Tweede Wereldoorlog

Alice van Battenberg

Victoria Alice Elizabeth Julia Maria van Battenberg (Windsor Castle, 25 februari 1885 Ė Buckingham Palace, 5 december 1969), van geboorte een Duitse prinses, door haar huwelijk een Griekse prinses, werd door het huwelijk van haar zoon Philip de schoonmoeder van de Britse koningin Elizabeth II.
Familie
Zij was het eerste kind van Lodewijk Alexander van Battenberg en prinses Victoria Maria van Hessen-Darmstadt. Haar moeder was de oudste dochter van prinses Alice, de tweede dochter van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Prinses Alice trouwde met prins Andreas van Griekenland, met wie ze vijf kinderen kreeg, waaronder prins Philip, de echtgenoot van de huidige Britse koningin Elizabeth II.
Prinses Alice bracht het grootste deel van haar jeugd door in Londen. Er werd bij haar aangeboren doofheid geconstateerd. Toch was dat voor prinses Alice niet onoverkomelijk; ze leerde liplezen in het Engels, Frans, Duits en later ook in het Grieks.
Huwelijk en gezin
Op 7 oktober 1903 trouwde prinses Alice te Darmstadt met Prins Andreas, de zoon van Koning George I van Griekenland. Omdat het paar verwant was aan verscheidene vorstenhuizen, was bijna heel koninklijk Europa bij elkaar gekomen voor hun bruiloft. Vanaf haar huwelijk droeg prinses Alice de titel ĎPrinses Andreas van Griekenlandí.
Het paar kreeg vijf kinderen:
Margaretha (18 april 1905 Ė 24 april 1981), trouwde met prins Godfried zu Hohenlohe-Langenburg, de zoon van Ernst zu Hohenlohe-Langenburg
Theodora (30 mei 1906 Ė 16 oktober 1969), trouwde met Markgraaf Berthold van Baden, zoon van Max van Baden.
Cecilia (22 juni 1911 Ė 16 november 1937), trouwde met George Donatus van Hessen-Darmstadt en kwam in 1937 in Oostende om bij het vliegtuigongeluk van de Sabena OO-AUB
Sophia (26 juni 1914 Ė 24 november 2001), trouwde met Christoffel van Hessen-Kassel, die ook afstamde van Victoria via haar oudste dochter Victoria.
Filips (10 juni 1921), trouwde als Philip Mountbatten met de toenmalige prinses Elizabeth van Windsor, de latere koningin van het Verenigd Koninkrijk.
Nadat er in Griekenland in 1922 een staatsgreep had plaatsgevonden, werd Andreas beschuldigd van hoogverraad en gevangengenomen. Na tussenkomst van de Engelse regering werd hij vrijgelaten en ging hij met zijn gezin in ballingschap in Frankrijk, waar ze in de buurt van Parijs gingen wonen.
Verdere levensloop
Prinses Alice kreeg in 1930 een zenuwinzinking, waarna ze in een sanatorium in Zwitserland werd geplaatst. Na haar verblijf in het sanatorium kwam ze nog enkele keren in verschillende inrichtingen terecht.
Tijdens haar verblijf in het sanatorium groeiden prinses Alice en prins Andreas uit elkaar, wat ertoe leidde dat ze op verschillende plaatsen in Europa gingen wonen. Prins Andreas vestigde zich in Monaco, waar hij in 1944 ook overleed. Prinses Alice ging in Athene wonen, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een joods gezin bij haar liet onderduiken, waarvoor ze postuum werd onderscheiden met de titel Rechtvaardige onder de Volkeren.
In 1947 ging prinses Alice naar Engeland om de bruiloft van haar zoon Philip en de Engelse prinses Elizabeth bij te wonen. Vervolgens woonde ze twintig jaar lang in Griekenland, dat werd geregeerd door koning Constantijn II. In 1949 richtte ze een Grieks-orthodoxe kloosterzusterorde op, de Christelijke Zusterschap van Martha en Maria.
Toen de koning in 1967 in vrijwillige ballingschap ging vanwege een nieuwe staatsgreep, werd prinses Alice door haar zoon en schoondochter uitgenodigd om in Engeland te wonen. Dat aanbod nam ze aan. Prinses Alice stierf eind 1969 op 84-jarige leeftijd op Buckingham Palace.
Voor haar heengaan had zij te kennen gegeven in de Maria Magdalenakerk bij Getsemane op de Olijfberg te Jeruzalem te willen worden begraven; in 1988 werden haar stoffelijke resten aldaar bijgezet.

Vader Lodewijk Alexander van Battenberg
Moeder Victoria Maria van Hessen-Darmstadt
Dynastie Huis Battenberg
Partner van Andreas van Griekenland
Geboorteplaats Windsor Castle

George II van Griekenland

George II (Grieks: Γεώργιος Β', Βασιλεύς των Ελλήνων, Georgios B' Vasileķs tōn Ellēnōn) (Paleis Tatoi, Athene, 19 juli 1890 Ė Koninklijk Paleis, Athene, 1 april 1947) was koning van Griekenland van 1922 tot 1923 en van 1935 tot 1947 (tussen 1941 en 1946 in ballingschap).

Levensloop

Hij was de oudste zoon van koning Constantijn I en koningin Sophie. Na zijn vaders abdicatie op 27 september 1922 kwam hij op de Griekse troon.

Geen enkel Europees land heeft zo gesold met zijn koningen als Griekenland. In 1923 schafte het Griekse parlement de monarchie af en riep de republiek uit. Na ťťn jaar koning geweest te zijn, vertrok George II naar Londen.

De Tweede Griekse republiek (1924-1935) slaagde er niet in de problemen het hoofd te bieden. Onlust heerste er in het land: militaire opstanden, voortdurende wisselingen van ministeries, staatsgrepen en dictatuur. Venizelos werd in 1928 teruggehaald en bracht enige verbetering in de politieke, economische en financiŽle toestand. Maar in 1932 werd hij door de royalisten ten val gebracht en weer verbannen.

In 1935 besliste een volksraadpleging over het herstel van de monarchie en George II keerde terug naar Athene. De ernstige, eenvoudige en spaarzame vorst leefde als een eenzame in zijn geplunderde paleis. Na veertien ongelukkige huwelijksjaren (1921-1935) had koningin Elisabeth, oudste dochter van koning Ferdinand I van RoemeniŽ, zich van hem laten scheiden.

George II bestreed de corruptie in het leger en in de politiek, kondigde amnestie af, maar slaagde er niet in te regeren als een constitutioneel monarch. Hij vormde een militaire dictatuur geleid door de rechtse generaal Metaxas, die alles wat naar links rook naar het buitenland verbande. Op 28 oktober 1940 vielen de Italianen het land binnen, nadat de koning een ultimatum van de Duce naast zich had neergelegd. Griekenland bood dapper weerstand, die echter niet meer mocht baten.

Toen op 6 april 1941 ook de Duitsers het land binnenrukten, verliet de koning met zijn regering het land. In oktober 1944 gaven de Duitsers Athene over aan de Engelsen; de uitgeweken regering keerde naar Griekenland terug. Een volksstemming in 1946 riep ook koning George II weer op de troon, maar een jaar later stierf hij, kinderloos, aan een hartaanval. Hij werd opgevolgd door zijn broer Paul.

Koning der Hellenen
Periode 1922-1923
1935-1947
Voorganger Constantijn I
Opvolger Paul I
Vader Constantijn I van Griekenland
Moeder Sophie van Pruisen
Dynastie Sleeswijk-Holstein- Sonderburg-GlŁcksburg

Helena van Griekenland

Helena van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-GlŁcksburg, (Grieks: Πριγκίπισσα Ελένη της Ελλάδας και Δανίας) Athene, 3 mei 1896 - Lausanne, 28 november 1982) was de vrouw van de Roemeense kroonprins Carol II van RoemeniŽ en de moeder van koning Michael van RoemeniŽ. Ze werd geboren als prinses van Griekenland en Denemarken. Helena kreeg de titel Koningin-moeder van RoemeniŽ.
Jeugd
Helena werd geboren op 3 mei 1896 in Athene als de eerste dochter van de Griekse koning Constantijn I van Griekenland en zijn vrouw Sophie van Pruisen. Helena had drie oudere broers, George, Alexander en Paul, die alle drie een periode koning van Griekenland zouden zijn. Daarnaast heeft ze twee jongere zussen: Irene, korte tijd koningin van KroatiŽ en Katherine, lady Brandram.
In 1910 trad Helena samen met haar familie in ballingschap nadat er een militaire coup had plaatsgevonden met als doel haar grootvader George I te vervangen door Constantijn I. De familie bracht de zomer door in Schloss Friedrichshof, het slot van haar grootmoeder Victoria van Saksen-Coburg en Gotha. Gedurende de winter verbleef de koninklijke familie in Frankfurt. In 1917 moest Helena opnieuw met haar familie in ballingschap treden. Haar vader Constantijn, destijds koning, had de geallieerden niet gesteund in de Eerste Wereldoorlog en moest het land verlaten van minister-president Venizelos. Na een kort verblijf in St. Moritz kreeg de familie een permanente villa in ZŁrich. Hun verplaatsingen in de wereld werden streng aan banden gelegd door de Geallieerden. De koninklijke familie werd gestationeerd in het Duitse gedeelte van Zwitserland. Het Franstalige en Engelstalige personeel werd ontslagen en contact met Engelse of Franse personen werd verboden.
Kroonprinses van RoemeniŽ
In december 1919 ontmoette Helena de Roemeense kroonprins Carol in Luzern. Carol en Helena waren familie van elkaar. Hun moeders waren beide kleindochters van Victoria van het Verenigd Koninkrijk: Helena's moeder Sophia via haar moeder Victoria van Saksen-Coburg en Gotha en Carols moeder Marie via haar vader Alfred van Saksen-Coburg en Gotha. Carol was net teruggekeerd van zijn wereldreis. Vůůr deze wereldreis was hij gescheiden van zijn eerste vrouw, Zizi Lambrino. Helena vergezelde Carol bij het huwelijk van haar broer George II van Griekenland met Carols zuster Elisabeth van RoemeniŽ. In november 1920 bracht Carol een bezoek aan Zurich en vroeg hij toestemming aan Constantijn om met diens dochter te mogen trouwen. Het huwelijk was geen gearrangeerd huwelijk, in tegenstelling van wat in die tijd veelvoorkomend was. Sophie van Pruisen was zelfs tegen het huwelijk.
In december 1920 werd Constantijn I weer op de Griekse troon gebracht. Helena keerde terug naar Athene. Op 10 maart 1921 trouwde Helena met kroonprins Carol II van RoemeniŽ in de Grote Metropolitaan. Ze was de eerste prinses die trouwde in Athene. De bruid droeg de Roemeense ĎGreek Keyí tiara, een cadeau van haar schoonmoeder. Het pasgetrouwde stel verbleef na de bruiloft in het paleis van Tatoi, maar vertrok begin mei met een zeilboot naar Boekarest.
Helena en Carol hadden een appartement op de Boulevard Geniului, maar ze brachten hun meeste tijd door op het Foishor, een Zwitserse chalet in Sinaia. De twee hadden in eerste instantie een gelukkig huwelijk, maar al snel werd de relatie killer. Op 25 oktober 1921 beviel Helena van haar enige zoon met Carol, Michael van RoemeniŽ. ďEr waren complicaties bij de bevalling en zowel moeder als zoon leken het niet te overleven.Ē Er gingen geruchten dat de baby te vroeg zou zijn geboren (de baby was nog maar zeven en een halve maand na het huwelijk van zijn ouders geboren). Er volgde daarop dan weer speculaties dat Helena vůůr het huwelijk zwanger was geworden, omdat de baby een gezond gewicht van negen pond had.
In december 1921 verhuisde de familie naar een huis in de Chaussťe Kyselef in Boekarest. Helena probeerde een school voor verpleegkundigen op te richten om de normen te verbeteren. In 1925 begon haar man een affaire met Magda Lupescu en in december van dat jaar deed Carol afstand van de Roemeense troon en verliet RoemeniŽ. Op 4 januari 1926 ratificeerde het Roemeense parlement de troonsafstand en voerde een wet door die Helena de titel Ďíprinses van RoemeniŽíí zou toewijzen. Helena bleef samen met haar zoon in RoemeniŽ. Michael was nu erfprins geworden.

Koningin-moeder van RoemeniŽ
Periode 1940-1982
Vader Constantijn I van Griekenland
Moeder Sophie van Pruisen
Dynastie Sleeswijk-Holstein- Sonderburg-GlŁcksburg
Huis Hohenzollern

Scheiding
In juli 1927 volgde de dan vijfjarige Michael zijn grootvader op als koning van RoemeniŽ. Helena hield alleen de titel van prinses van Roemenie, maar had geen officiŽle positie binnen het koninkrijk. Ze werd geen lid van de raad die in naam van Michael regeerde. In december 1927 vroeg Carol Helena om een scheiding. In eerste instantie weigerde ze mee te werken, maar uiteindelijk stemde ze, na advies van de regering, met het voorstel in. Op 21 juni 1928 werd het huwelijk door het Hooggerechtshof van RoemeniŽ nietig verklaard.
Op 6 juni 1930 keerde Carol terug naar RoemeniŽ en claimde de troon. Hij kreeg hulp van politica zoals Iuliu Maniu. Helena bleef samen met haar zoon in haar eigen woning in het Chaussťe Kyselef in Boekarest wonen. Er vonden maandenlang gesprekken plaats tussen Helena en Carol over een mogelijke nietigverklaring van de scheiding. De regering en de publieke opinie waren nieuwsgierig wat deze gesprekken zouden brengen. Een gezamenlijke troonsbestijging stond gepland voor het midden van september. Minister-president Iuliu Maniu vertelde Helena dat als een gevolg van de vernietiging van de wet van 4 januari 1926, Carol legitiem koning was geworden in juli 1927. Helena was automatisch koningin geworden.
De regering presenteerde een decreet aan Carol, waarin Helena officieel als ĎíHare Majesteit, de Koningin van RoemeniŽíí zou worden aangesproken. Carol besloot echter dat Helena voortaan als Hare Majesteit Helen moest worden aangesproken. Helena gaf niemand toestemming om deze titel in haar bijzijn te gebruiken.
Uiteindelijk werd evenwel duidelijk dat Carol geen nietigverklaring van de scheiding wilde en dat hij en zijn geliefde Madame Lupescu samen leefden op het Foishor. Opdat Helena geen tegenstand zou bieden tegen de regeringsplannen om de scheiding nietig te verklaren, besloot Carol maatregelen tegen haar te nemen. Carol plaatste bewakers om het huis van Helena heen en iedereen die haar bezocht werd vervolgd. De titel ere-kolonel van het Roshiori-regiment werd haar afgenomen.
Helena besloot onder die omstandigheden in ballingschap te gaan. Na een kort bezoek aan Londen, vertrok ze naar de villa van haar moeder in de buurt van Florence. Er volgde een slepend conflict tussen Carol en Helena over de opvoeding van Michael. Helena en Carol discussieerden over wanneer en onder welke omstandigheden Carol zijn zoon mocht zien. In oktober 1932 keerde Helena terug naar Boekarest. Carol begon een campagne in de pers waarin hij suggereerde dat Helena twee keer had geprobeerd zelfmoord te plegen. De regering liet een verklaring uitgaan die Helena toestemming gaf om zes maanden per jaar in RoemeniŽ te verblijven. Haar zoon Michael mocht RoemeniŽ ťťn maand per jaar bezoeken.
Ondanks de officiŽle toestemming om te verblijven in Roemenie, werd verwacht dat Helena in Florence zou blijven. Met haar alimentatie kon Helena het veroorloven om een villa in de buurt van San Domenico aan te schaffen. In het voorjaar van 1934 nam Helena haar intrek in Villa Sparta, samen met haar broer Paul en zusters Catherine en Irene. Ze woonde hier gedurende tien jaar. Michael vergezelde haar voor ongeveer een maand per jaar.
Koningin-moeder van RoemeniŽ
In september 1940 werd Michael opnieuw tot koning verheven van RoemeniŽ. Michael had op dat moment de leeftijd van 18 jaar bereikt. Hij wilde dat zijn moeder Helena terugkeerde naar RoemeniŽ. Ze kreeg de titel Koning-moeder van RoemeniŽ toegewezen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte Helena zich op de verzorging van gewonde soldaten. Voor haar hulp aan het redden van Roemeense joden ontving Helena de status Rechtvaardige onder de Volkeren.
Helena was een vooraanstaande gast bij het huwelijk van haar neef Philip Mountbatten met de Engelse kroonprinses Elizabeth II van het Verenigd Koninkrijk in 1947. In hetzelfde jaar werd Michael gedwongen om te abdiceren. Helena keerde terug naar Villa Sparta in San Domenico. Later woonde ze in Florence en Lausanne. Helena overleed in 1982 op de leeftijd van 86 jaar in Lausanne.
Titels
2 mei 1896 - 10 maart 1921: Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Helena van Griekenland en Denemarken
10 maart 1921 - 4 januari 1926: Haar Koninklijke Hoogheid, Kroonprinses van RoemeniŽ
4 januari 1926 - 21 juni 1928: Haar Koninklijke Hoogheid, Prinses van RoemeniŽ
21 juni 1928 - 8 juni 1930: Hare Majesteit Helen, Koninklijke Moeder van De Koning
8 juni 1930 - 6 september 1940: Hare Majesteit Helen, Koninklijke Moeder van de Kroonprins
6 september 1940 - 30 december 1947: Hare Koninklijke De Koningin-Moeder van RoemeniŽ
30 december 1947 - 28 november 1982: Hare Majesteit Koningin-Moeder Helena van RoemeniŽ (titulair)

Helena met haar echtgenoot Carol II van RoemeniŽ

 

De Standaard van de Koningin-Moeder van RoemeniŽ (1941-1947)

Alexandros Koryzis

Alexandros Koryzis (Grieks: Αλέξανδρος Κορυζής) (Poros, 1885 - Athene, 18 april 1941) was een Grieks generaal en politicus.
Na de dood van de Griekse minister-president Ioannis Metaxas op 29 januari 1941, midden tijdens de Italiaanse veldtocht tegen Griekenland, werd Alexandros Koryzis minister-president en minister van Buitenlandse Zaken. Daarvoor was hij gouverneur geweest van de Bank van Griekenland. Hij accepteerde Britse militaire steun. Na de afgekondigde staat van beleg in Athene, pleegde hij zelfmoord. Aanvankelijk werd bekendgemaakt dat hij overleden was aan een hartaanval, om totale paniek bij de bevolking te voorkomen. Emmanouil Tsouderos volgde hem als premier op.
Op het eiland Poros waar Koryzis vandaan komt, staat een museum dat aan zijn leven is gewijd

Geboren 1885
Poros, Griekenland
Overleden 18 april 1941
Athene, Griekenland
Premier van Griekenland
Aangetreden 29 januari 1941
Einde termijn 18 april 1941
Voorganger Ioannis Metaxas
Opvolger Emmanouil Tsouderos
Portaal Portaalicoon Politiek

AlexandrosKoryzis--P02018.027.jpeg

Ioannis Metaxas

Ioannis Metaxas (Grieks: Ιωάννης Μεταξάς, IoŠnnis MetaxŠs; in het Nederlands ook Johannes, Johan of Jan Metaxas genoemd) (Ithaka, 12 april 1871 Ė Athene, 29 januari 1941) was een Grieks generaal en staatsman.
Militaire en politieke carriŤre
Ioannis Metaxas werd geboren in 1871 in Ithaca. Hij werd militair en diende mee in de Grieks-Turkse oorlog in 1897. Nadien studeerde hij in Duitsland aan de militaire academie van Berlijn. Toen hij terugkeerde werd hij adjudant van Venizelos, de toenmalige premier en minister van Oorlog, samen moderniseerden ze het Griekse leger, waarmee zij in de Balkanoorlogen (1912-1913) successen behaalden. Metaxas werd in 1913 aangesteld als staf-chef van het leger. In 1915 wenste Venizelos de geallieerden te steunen voor de expeditie naar de Dardanellen, maar Metaxas verkoos de zijde van koning Constantijn I, die Griekenland neutraal wilde houden. In 1916 promoveerde hij tot Luitenant-Generaal, hij was ťťn van de weinigen die gekant was tegen de verderzetting van de Grieks-Turkse oorlog. In juni 1917 werd, met steun van de geallieerden, koning Constantijn I afgezet en greep Venizelos de macht. Metaxas volgde de koning in diens ballingschap naar Corsica. Geen van beiden keerden terug tot 1920, wanneer Venizelos de verkiezingen verloor. Wanneer de Griekse troepen in 1922 op catastrofale wijze door Kemal Ataturk verslagen werden in de Grieks-Turkse oorlog, wordt koning Constantijn opnieuw gedwongen in ballingschap te gaan. Metaxas gaat de politiek in en richt op 12 oktober 1922 een rechtse partij op. Een jaar later, in oktober 1923, werd hij echter als gevolg van zijn banden met een royalist gedwongen opnieuw het land te verlaten. Kort daarop werd ook koning George II (zoon van Constantijn I) gedwongen in ballingschap te gaan en werd in maart 1924 de Tweede Helleense Republiek uitgeroepen. Metaxas keerde terug naar Griekenland en verklaarde de regime-wisseling te aanvaarden. Na de verkiezingen van 1926 werd hij minister van communicatie in de regering van Alexandros Zaimis. Hoewel bij de daaropvolgende verkiezingen van 1928, 1932 en 1933 het aantal behaalde zetels voor zijn partij daalde, werd Metaxas in 1933 minister van binnenlandse zaken. Bij de verkiezingen van 1935 en 1936 ging hij telkens een coalitie aan met andere kleine royalistische partijen. In 1935 werd hij minister van Oorlog. Na een betwistbaar referendum keerde koning George II terug naar Griekenland. Bang voor een coup duidt koning George II op 13 april 1936 Metaxas aan als eerste minister ad-interim. De aanstelling werd bekrachtigd door het Grieks parlement. Naar aanleiding van onrust roept Metaxas op 4 augustus 1936 de noodtoestand uit en met goedkeuring van de koning stuurt hij het parlement naar huis en regeerde sindsdien dictatoriaal. In 1938 laat hij zich tot premier voor het leven benoemen en wijdt hij zich volledig aan zijn ideaal: de opbouw van een "Derde Griekse Rijk". Staatspropaganda portretteren Metaxas als ďRedder van de natieĒ die eenheid bracht in een verdeeld land.
Intern gevoerde politiek
Metaxas verbood andere politieke partijen en stakingen en liet de media censureren. Ook ďanti-GriekseĒ literatuur wordt gezien als gevaar voor de staat en bijgevolg werden boeken verbrand van niet enkel Griekse schrijvers maar ook van schrijvers als Goethe, Shaw en Freud. Toen Metaxas in 1938 minister van Onderwijs werd, liet hij eveneens alle schoolboeken herschrijven, zodat ze pasten binnen de ideologie van zijn regime. Metaxas nam verschillende instituties over van het Italiaanse fascistische regime, zoals een nationale arbeidsdienst, de acht uur durende werkdag, verbetering van de werkomstandigheden en het sociale zekerheidssysteem (Ίδρυμα Κοινωνικών Ασφαλίσεων, IKA), nog steeds het grootste sociale zekerheidsinstituut in Griekenland. Metaxasí macht was gebaseerd op de steun van het leger en koning George II
Gevoerde politiek met betrekking tot het buitenland[bewerken]
In de late jaren í30 was Griekenland, zoals meerdere Balkanlanden, een belangrijke handelspartner voor Duitsland. Metaxas - die door zijn opleiding in Duitsland eerder Duitsgezind was - probeerde te balanceren tussen het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Zijn pogingen om Griekenland buiten Wereldoorlog II te houden kwamen resoluut aan hun einde toen Mussolini op 28 oktober 1940, Griekenland een ultimatum voorlegde om zich over te geven aan de Italiaanse troepen. Metaxas zou volgens de legende simpelweg ďΟχιĒ (ochi is Grieks voor ďNeeĒ) geantwoord hebben aan de Italiaanse afgezanten. Trots op hun kordate antwoord vieren de Grieken tot op heden (op 28 oktober) ďOchi-dagĒ. Een paar uur na dit antwoord echter, viel ItaliŽ Griekenland binnen via AlbaniŽ. Dit was de start van de Grieks-Italiaanse oorlog. Dankzij hun voorbereidingen en goede verdediging, was Griekenland in staat om de Italiaanse legers terug te dringen tot in AlbaniŽ en daarbij ook het zuidelijke deel van AlbaniŽ te bezetten. Deze nederlaag van de asmogendheden leidde tot de inval van Duitsland in Griekenland op 6 april 1941. Hierbij omtrokken ze de Metaxaslinie, die door Metaxas langs de Grieks-Bulgaarse grens geconstrueerd was.
Levenseinde
De Duitse inval in Griekenland maakte Metaxas echter niet meer mee, hij overleed op 29 januari 1941 in Athene, kort na de Italiaanse invasie. Alexandros Korizis volgde hem op als minister-president.
Zijn memoires werden in 1951 onder de titel Hemerologion ('dagboek') door zijn weduwe uitgegeven.

Ioannis Metaxas in 1937
Geboren 12 april 1871
Ithaka, Vlag van Griekenland 1828-1978 Griekenland
Overleden 29 januari 1941
Athene, Vlag van Griekenland 1828-1978 Griekenland
Politieke partij Vrijdenkerspartij
Premier van Griekenland
Aangetreden 1936
Einde termijn 1941
Voorganger Konstantinos Demertzis
Opvolger Alexandros Korizis
Portaal Portaalicoon Politiek
 

Nikolaos Plastiras

Nikolaos Plastiras (Grieks: Νικόλαος Πλαστήρας) (Karditsa, 4 november 1883 - Athene, 26 juni 1953) was een vooraanstaand Grieks militair, generaal, politicus en eerste minister.
Militaire loopbaan
Balkanoorlog en Eerste Wereldoorlog
Nadat Plastiras afstudeerde van school, begon hij in 1904 een militaire loopbaan als vrijwilliger in het vijfde infanterieregiment. Tussen 1904 en 1908 nam hij deel aan veldslagen met Bulgarije en het Ottomaanse Rijk in het bezette MacedoniŽ. In 1910 studeerde Plastiras af van de onderofficiersschool en nam vervolgens deel aan de Balkanoorlog van 1912-1913. Tijdens deze oorlog viel hij op wegens zijn dapperheid en kreeg hij al gauw de bijnaam de zwarte ruiter.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog steunde hij als majoor het Megali Idea van toenmalig eerste minister Eleftherios Venizelos. Gedurende de strijd aan het Salonikifront en na de Veldslag van Skra-di-Legen van 16 mei 1918 kon hij in het leger promoveren tot onderluitenant.
Grieks-Turkse Oorlog en revolutie van 1922
Na de Eerste Wereldoorlog was hij in 1919 als kolonel commandeur van het 42ste Evzoneregiment in de OekraÔne, om daar uiteindelijk tevergeefs tegen het Rode Leger te vechten. In de daaropvolgende Grieks-Turkse Oorlog leidden de Griekse troepen enkele pijnlijke nederlagen, die door de Grieken ook wel de Klein-Aziatische catastrofe genoemd wordt en die door de Turken ook wel de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog genoemd wordt. Niettemin zorgde een militaire strategie onder leiding van Plastiras ervoor dat onder andere duizenden Anatolische Grieken gered konden worden. Hierdoor werd hij zeer populair bij de Grieken. De Turken daarentegen gaven hem de bijnaam de zwarte peper en het Evzoneregiment kreeg als bijnaam het leger van Satan.
Na de vele nederlagen keerden Plastiras en de troepen die nog overbleven terug naar Athene, waar hij samen met enkele andere officieren een revolutie aanvoerde. Door de ondersteuning van leger en marine en de steun van het volk en oud-eerste minister Venizelos slaagde hij erin om heel Griekenland onder controle te krijgen. Hierdoor moest koning Constantijn I opstappen en werd zijn zoon George II als opvolger aangeduid. Vervolgens werd het leger gereorganiseerd en volgde de omstreden berechting van vroegere eerste ministers Dimitrios Gounaris, Petros Protopapadakis en enkele hoge officieren wegens hoogverraad in verband met de Griekse nederlagen tijdens de Grieks-Turkse oorlog.
Kort nadien keerde oud-eerste minister Eleftherios Venizelos terug uit ballingschap en leidde die de Griekse delegatie bij het Verdrag van Lausanne. Wegens de internationale spanningen, economische problemen et cetera zag Plastiras zich gedwongen om politieke maatregelen te nemen. Nadat een royalistische putsch mislukte, dwong hij koning George II eind 1923 om in ballingschap te gaan en stelde vervolgens op 19 december 1923 Pavlos Koundouriotis aan als voorlopig regent. Kountouriotis zou later president van Griekenland worden.
Na de Griekse Parlementsverkiezingen van december 1923 zette Plastiras op 2 januari 1924 zijn militaire loopbaan stop en trok zich terug uit het publieke leven.
Griekse republiek en Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Griekse republiek werd Griekenland politiek instabiel en geplaagd door vele regeringscrisissen en conflicten tussen Venizelos en koningsgezinden. Bovendien kende Griekenland in deze periode ook een grote economische crisis. Tijdens de dictatuur van Theodoros Pangalos werd Plastiras vervolgd.
In maart 1933 probeerde hij nog een putsch uit te voeren nadat de royalisten de parlementsverkiezingen hadden gewonnen, maar dat mislukte. Nadat zelfs Venizelos protesteerde tegen Plastiras' putsch, vertrok hij naar het buitenland. Na de mislukte revolutie van 1935 door aanhangers van Venizelos, werd hij bij verstek ter dood veroordeeld.
Niettemin werd hij door de Grieken vereerd als een oorlogsheld en een trouwe republikein. Na de inval van de Duitse Wehrmacht in 1941, steunde Plastiras vanuit zijn ballingschapsplaats in Frankrijk de Nationaal Republikeinse Griekse Liga.
Politieke loopbaan
Eerste mandaat van premier

Na de bevrijding leidde Plastiras van 3 januari 1945 tot 9 april 1945 een regering. Tijdens deze drie maanden moest hij vaak bemiddelen tussen de royalisten. Door zijn republikeinse sympathieŽn wantrouwde de Britse Controlemacht hem echter en moest hij ontslag nemen.
Tweede mandaat van premier
Na de Griekse Burgeroorlog richtte Plastiras in 1949 de Nationale Progressieve Centrumunie (EPEK) op. Vervolgens vormde hij op 15 april 1950 een coalitieregering met de Liberale Partij van Sophoklis Venizelos en de Democratisch-Sociale Partij van Giorgos Papandreou. Nadat ťťn van de coalitiepartners verder vertrouwen in de regering opzegde, diende hij het ontslag van de regering in en werd Plastiras op 21 augustus 1950 opgevolgd door Sophoklis Venizelos.
Derde mandaat van premier
Nadat EPEK de parlementsverkiezingen van augustus 1951 won, vormde hij op 1 september 1951 een regering met de Liberale Partij die oplossingen zou zoeken om de grote problemen van Griekenland te doen verdwijnen. In oktober 1952 verloor Plastiras de verkiezingen en trad op 11 oktober 1952 af als premier.
Hij verliet teleurgesteld de politiek en stierf ťťn jaar later in Athene. Zijn dood zorgde voor een diepe rouw in Griekenland.

Nikolaos Plastiras, Grieks generaal en politicus.

 

Standbeeld van Nikolaos Plastiras in zijn geboortestad.

Shlomo Venezia

Shlomo Venezia (Grieks: Σλόμο Βενέτσια) (Thessaloniki, 26 juli 1923 Ė Rome, 1 oktober 2012) was een Jood van Grieks-Italiaans afkomst, geboren en getogen in Thessaloniki, Griekenland. Hij werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, waar hij werd ingedeeld bij het Sonderkommando. Hij was een van de weinige leden van het Sonderkommando die de oorlog overleefde.

Biografie
Voor de deportatie

Shlomo Venezia groeide op in het Griekse Thessaloniki. Na de Duitse inval vluchtten Venezia en zijn familie naar Athene waar ze in barre omstandigheden moesten leven. Toen Shlomo 20 jaar oud was werden hij en zijn familie echter opgepakt door de SS en in een vrachtwagen naar een kamp gebracht waar ze een week verbleven. Daarna werden ze gedeporteerd naar het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. De levensomstandigheden in Griekenland waren inmiddels zo slecht geworden, dat de familie dit als een verbetering zag: in hun ogen waren de Duitsers streng maar eerlijk. Dit dachten ze zelfs nog na de aankomst in Birkenau: ze geloofden dat ze er zouden werken voor het Reich. Na een dagenlange reis was iedereen zo uitgeput door het gebrek aan voedsel en slaap dat men alles onderging zonder hierbij vragen te stellen. Na een treinreis van elf dagen kwam de familie in april 1944 aan in Auschwitz. Op het perron werd Shlomo hardhandig van zijn moeder gescheiden. Hij heeft haar en zijn zusters nooit teruggezien.

Aankomst in Auschwitz
Bij aankomst in Auschwitz moesten de mannen aan de ene kant staan en de vrouwen en kinderen aan de andere kant. Alles gebeurde zo snel dat de Joden niet beseften dat ze voorgoed gescheiden werden van hun families. Venezia's groep telde ongeveer 300 man en de andere groep zo'n 1.500 mensen. Deze groep werd direct naar de gaskamers geleid. Venezia en zijn lotgenoten moesten te voet naar het kamp waar ze aankwamen in een met prikkeldraad afgezette plein. Boven de toegangspoort hing het opschrift Arbeit macht frei. Nog steeds dachten ze in een werkkamp aangekomen te zijn.

Een Duitse officier stuurde hen echter terug naar Birkenau waar ze naar de Zentralsauna werden geleid, het gebouw waar iedereen gekeurd en gedesinfecteerd werd. Twee officieren-artsen deden de eerste keuring en stuurden de zwaksten onder hen meteen weg. De rest werd kaalgeschoren en moest ze zich uitkleden om naar de douches te gaan waar een Duitser zich amuseerde door hen afwisselend onder ijskoud en heet water te zetten. Vervolgens werd hen door medegevangenen een registratienummer op hun linkerarm getatoeŽerd. Venezia kreeg nummer 182727.

Bij het verlaten van de Zentralsauna werd Venezia geroepen door een jongen die hij in eerste instantie niet herkende door zijn korte haar en de grijsgestreepte gevangenenkledij. Het bleek zijn broer te zijn. Toen kwam hij ook te weten wat er met zijn moeder was gebeurd: toen hij naar haar vroeg, wees iemand naar de rook uit de grote schoorsteen en vertelde dat iedereen die met hen was meegekomen, zich al aan het "losmaken" waren van deze plek. Langzaam groeide het besef dat ze er misschien niet allemaal levend uit zouden komen.

Na enkele dagen quarantaine kwamen Duitse officieren de barak binnen en vroegen de gevangenen naar hun beroep. Ze beseften dat ze maar beter een nuttig beroep konden noemen. Venezia zei dat hij kapper was van beroep, omdat hij bij aankomst geschoren werd door andere gevangenen en hoorde dat zij niets anders hoefden te doen dan iedereen kaalscheren. Zo'n tachtig man, onder wie Shlomo en zijn broer werden naar een afgesloten gedeelte van het kamp gebracht. Daar kreeg hij brood met jam toegestoken van iemand die hem verzekerde dat ze voortaan genoeg te eten zouden krijgen, omdat ze nu in een speciale eenheid zaten: het Sonderkommando.

Het Sonderkommand
In het kamp werden de leden van het Sonderkommando gedwongen mee te helpen aan de massavernietiging van hun eigen volk. In opdracht van de SS begeleidden ze mensen naar de gaskamers om later hun lijken op te moeten ruimen en de sporen die in de gaskamers achter waren gebleven, uit te wissen. Na enige maanden waren de meesten van hen verzwakt door ondervoeding, vermoeidheid en ziekte, en werden dan zelf vermoord. Vlak voor de bevrijding van het kamp door de soldaten van het Rode Leger werden de meeste nog levende leden van het Sonderkommando als getuigen gezien en uit de weg geruimd.

Shlomo's verhaal
Als zogezegde kapper moest Venezia het haar van de dode vrouwen afknippen. Hij kwam er nog goed vanaf in vergelijking met een vriend die had verteld dat hij tandarts was: hij moest de lijken de gouden tanden uittrekken, wat niet altijd even gemakkelijk ging. Wanneer de lijkstijfheid was ingetreden, moest hij eerst de kaken openbreken. Doordat er op het laatst zoveel transporten aankwamen en er zoveel mensen werden vergast, werden ook de kappers al vlug ingedeeld voor andere klussen, zoals het begeleiden van de mensen tot de gaskamer en daarna het opruimen van de lijken.
Venezia werd in Crematorium III tewerkgesteld, waar men bij het binnenkomen eerst de kleedkamers heeft en daarna de gaskamer. Er was een lift geÔnstalleerd die de gaskamer verbond met de ovens die zich een verdieping hoger bevonden. Eerst werden de vrouwen en kinderen naar de kleedkamer gebracht waar ze zich moesten uitkleden om daarna zogezegd onder de douche te gaan. Er werd hun gezegd om het nummer van hun kapstok te onthouden zodat ze na hun douche hun kleren gemakkelijker zouden terugvinden. Daarna waren de mannen aan de beurt. Uiteindelijk werden ze naar de doucheruimte bij de vrouwen en kinderen gebracht. Er werden zo'n 1.500 tot 1.700 mensen samengeperst in een kamer die daar niet op voorzien was. Velen stierven al vůůr de vergassing.
Venezia en zijn medehelpers hoorden de mensen schreeuwen en huilen toen ze goed en wel beseften dat de deur al veel te lang dicht was en er nog steeds geen water uit de douchekoppen kwam. En dan ging het licht uit en na enige tijd weer aan, omdat een bewaker door een luik controleerde of de kamer wel vol genoeg was. Wanneer het licht opnieuw aanging, hoorde men de mensen opgelucht ademhalen. Het licht ging echter weer uit, en de Zyklon-B-tabletten werden in de kamer gedeponeerd door de dakpijpen en de leidingen. De mensen schreeuwden het uit. Twaalf minuten later was het weer stil, iedereen was dood. Zo ging het altijd, aldus Venezia.

Eťn iemand heeft het eens overleefd. Na het openen van de gaskamer hoorde iemand een vreemd geluid, een soort gerochel en gehuil. Het bleek afkomstig te zijn van een baby die zodanig aan de borst van haar moeder had gezogen dat zij relatief weinig gas had ingeademd: het kind leefde nog tussen die stapel lijken. Het meisje hing nog steeds vastgeklampt aan haar moeders borst. Een Duitser vond haar en schoot het kind koelbloedig dood.

Tijdens een van de laatste vergassingen in het crematorium moest Venezia een groep mannen begeleiden in de kleedkamer toen hij iemand zijn naam hoorde roepen. Het was Lťon Venezia, een neef van zijn vader. Hij was gewond en niet meer in staat om te werken en werd dus naar de gaskamer gestuurd. Lťon was in paniek en vroeg Shlomo hem te helpen te vluchten. Het was inmiddels bij iedereen bekend dat niemand de kamer nog levend verliet. Shlomo zei hem dat hij hem niet kon redden maar deed er alles aan om hem gerust te stellen. Hij gaf hem nog brood en sardines zodat zijn vaders neef zich wat beter voelde. Lťon vroeg aan Shlomo hoelang het duurde vooraleer men doodging en of het pijn deed. Shlomo Venezia loog niet en zei hem dat het 10 ŗ 12 minuten zou duren, maar hij durfde hem niet zeggen hoe lŗng die 12 minuten zouden duren. Gearmd gingen Shlomo en Lťon de gaskamer binnen. Zijn kameraden moesten Shlomo ondersteunen en ervoor zorgen dat hij Lťon niet te zien kreeg toen de deur weer openging.
Door zijn verstand op nul te zetten en te werken als een automaat kon Shlomo dit gruwelijk werk volhouden. Dit was de enige manier om in leven te blijven, toch zo lang mogelijk en met zeer veel geluk. Het werk was gruwelijk maar hij leerde ermee leven, zelfs met de verschrikkelijke geur en het zicht van de stapels lijken. Als de deur van de gaskamer openging, bood dit een onbeschrijfelijke aanblik van dode lichamen, die in een smurrie van urine, uitwerpselen, braaksel en bloed lagen. Dit was de smerigste dood die men zich kon indenken. Sommige lijken waren erg rood, anderen dan weer zeer wit, of hadden uitpuilende ogen. In de eerste dagen dat hij met dit karwei belast was kon Shlomo amper eten. Hij kon zijn brood nauwelijks aanraken omdat de geur van de dood op zijn handen kleefde en hij voelde zich bezoedeld door de dood. Gaandeweg leerde hij ermee leven en ermee om te gaan, hoe hard het ook was. Per slot van rekening werden hij en zijn lotgenoten gedwongen dit vuile werk te doen: als iemand weigerde dit werk uit te voeren, werd de man meteen met een nekschot afgemaakt, wat Venezia had zien gebeuren. En als zij het niet deden, moest iemand anders het voor hen doen. Het was een kwestie van overleven en genoeg eten te hebben en voor zichzelf te zorgen, en proberen helder te denken, anders gingen ze er zelf aan kapot.
Om de drie maanden ongeveer, werd er een selectie doorgevoerd in het Sonderkommando. Van de zowat 900 leden werden er telkens zo'n 250 man uitgepikt om gedood te worden en vervangen te worden door nieuwe mannen. Naarmate de tijd verstreek, begon Venezia ook zijn dagen te tellen. Omdat er op het einde nog een enorm aantal Hongaren werden gedeporteerd en de tijd begon te dringen, kwam vanuit Berlijn het bevel dat het huidige Sonderkommando moest aanblijven om op korte termijn nog zo veel mogelijk mensen te kunnen doden.
Op een dag zagen ze duizenden mensen het kamp verlaten. Waar er tot nu toe alleen mensen binnenkwamen, was er nu een massale uittocht aan de gang. Toen kwam er een SS'er de barak binnen die riep dat ze binnen moesten blijven. Venezia en de zijnen vonden dit verdacht, want ze moesten altijd binnenblijven als ze niet aan het werk moesten. Ze wisten dat ze, als ze als enige achter zouden blijven, gedood zouden worden, omdat ze te veel wisten. Hij en zijn medegevangenen van het Sonderkommando ontvluchtten hun barak en mengden zich onder de andere gevangenen. Dat was het beste dat ze konden doen want toen ze 's avonds in Auschwitz aankwamen, waren de Duitsers naar hen op zoek. Ze vroegen wie in het Sonderkommando gezeten had, maar niemand bekende natuurlijk. Op deze manier konden Venezia en de zijnen opgaan in de massa. Venezia werd daarna tewerkgesteld in Melk en in Ebensee, waar hij bij temperaturen van -20įC buiten moest werken. Het kon Venezia toen niet veel schelen; hij was zo blij dat hij weg was van de gaskamers, dat hij de kou niet voelde. Hij is daar gebleven tot aan de bevrijding.
Bevrijd
Na de bevrijding door de Amerikanen werden ze eerst ontsmet met DDT en moesten ze een rŲntgenfoto laten maken. Venezia werd meteen naar een tent gebracht zonder te weten wat hem mankeerde. Het was zeer lang geleden dat hij nog tussen smetteloze lakens en in een zacht bed had gelegen. Een vriend die hem kwam bezoeken zag dat er aan Shlomo's bed een bordje met de vermelding "TBC" hing. Zijn vriend en de anderen maakten plannen om via ItaliŽ naar Palestina te trekken en Venezia wilde met hen mee. Venezia raakte echter niet verder dan ItaliŽ, waar zijn ziekte doorbrak. Hij werd naar een sanatorium nabij Rome gebracht en het heeft tweeŽnhalf jaar geduurd voor hij genezen was. Psychisch er weer bovenop komen duurde langer: ongeveer zeven jaar. Venezia bleef in Rome, ging Engels studeren en doorliep ook de hotelschool. Tijdens de Engelse les leerde Venezia zijn toekomstige vrouw kennen. Ze kregen drie kinderen en vijf kleinkinderen.
Venezia's getuigenis
Kort na de oorlog wilde niemand naar Venezia luisteren. De oorlog was zwaar geweest voor iedereen en niemand wilde er nog aan herinnerd worden. Bovendien heeft het lang geduurd tot Venezia het een plaats kon geven in zijn leven. Op een gegeven moment zag Venezia op gevels in het centrum van Rome antisemitische slogans en hakenkruizen opduiken. Toen vond Venezia dat het tijd was om na 65 jaar zijn verhaal te doen, om te vertellen wat hij had gezien, gehoord en meegemaakt.

Sophoklis Venizelos

Sophoklis Venizelos (Grieks: Σοφοκλής Βενιζέλος) (Chania, 3 augustus 1894 - 7 februari 1964) was een Grieks politicus en eerste minister.
Levensloop
Venizelos werd geboren op het eiland Kreta als de tweede zoon van vooraanstaand politicus Eleftherios Venizelos.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog en de Grieks-Turkse Oorlog diende hij bij het Griekse leger. Hij kon er opklimmen tot kapitein van de artillerie.
Nadat hij het leger verliet, stapte Venizelos in de politiek. In 1920 werd hij verkozen in het Parlement van Griekenland voor de Liberale Partij, de partij die toen door zijn vader geleid werd.
Nadat Griekenland in 1941 bezet werd door troepen uit Nazi-Duitsland, werd hij ambassadeur naar de Verenigde Staten namens de Griekse regering in ballingschap die zetelde in CaÔro. In 1943 werd hij minister in deze regering onder leiding van Emmanouil Tsouderos. Van 13 tot 26 april 1944 leidde hij deze regering even.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog keerde Venizelos terug naar Griekenland en werd ondervoorzitter van de Liberale Partij en minister in de nieuwe regering onder leiding van Giorgos Papandreou.
In 1948 volgde hij Themistoklis Sophoulis op als leider van de Liberale Partij en werd ook minister in verschillende kortstondige liberale regeringen. Van 23 maart tot 15 april 1950 en van 21 augustus 1950 tot 1 november 1951 leidde hij zelf ook twee kortstondige liberale regeringen.
In 1954 kwam zijn jarenlange vriendschap met Papandreou in de problemen door de oprichting van de Liberale Democratische Unie. In 1958 werden de problemen opgelost en in 1961 werd Venizelos lid van Papandreou's Centrumunie. Hij bleef lid van deze partij tot aan zijn dood.
Hij stierf op het passagiersschip Hellas dat van Piraeus naar Chania voer. Hij werd naast zijn vader begraven op het eiland Kreta.

Sophoklis Venizelos in 1921 rechts met zijn vader links

Grieks verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Georgios Papandreou (1888-1968)

Georgios Papandreou (Grieks: Γεώργιος Παπανδρέου; in het Nederlands meestal George Papandreou genoemd) (Kalentzi, 13 februari 1888 Ė Athene, 1 november 1968) was een Grieks liberaal politicus.

Papandreou studeerde rechten, economie en politiek en was sedert 1923 vele malen minister onder Venizelos. Tijdens de dictatuur van Metaxas (1936Ė1941) werd hij gedeporteerd.

Wegens verzetshandelingen werd hij in de Tweede Wereldoorlog door de Italiaanse bezetters gearresteerd. Papandreou kon echter ontsnappen naar CaÔro, waar hij in oktober 1944 premier werd van een door de Britten geÔnspireerd kabinet van nationale eenheid, dat na de bevrijding naar Griekenland kwam. Na problemen in december 1944 trad Papandreou af. Hij bleef echter wel tot 1952 deel uitmaken van verscheidene regeringen. In dat jaar begon voor hem een lange periode van oppositie.

In 1961 bundelde hij alle Griekse centrumpartijen tot de Unie van het Centrum (Enosis Kentrou), die in 1963 een stembusoverwinning behaalde. Om een parlementaire meerderheid te vormen vond Papandreou echter dat hij te veel afhankelijk zou zijn van de communisten, en schreef nieuwe verkiezingen uit, die hij glansrijk won in februari 1964. Door zijn uitdrukkelijke wens een aantal rechtse officieren uit het leger te verwijderen, kwam het in juli 1965 tot een ernstig meningsverschil met koning Constantijn II. Papandreou nam ontslag en dat was het begin van een langdurige regeringscrisis. In vele Griekse steden werden ten gunste van hem grote demonstraties gehouden. Na de staatsgreep van de kolonels in april 1967 werd Papandreou geÔnterneerd, maar onder buitenlandse druk op 23 september 1967 vrijgelaten. Hij overleed enkele maanden later.
Papandreou ontving in 1965 een eredoctoraat van de Universiteit van Belgrado.
Hij was de vader van Andreas Papandreou en de grootvader van Giorgos Papandreou.

Geboren 13 februari 1888
Kalentzi, Griekenland
Overleden 1 november 1968
Athene, Griekenland
Politieke partij Unie van het Centrum
Partner Sofia Mineyko
Premier van Griekenland (3 periodes)
Aangetreden 26 april 1944
8 november 1963
19 februari 1964
Einde termijn 3 januari 1945
30 december 1963
15 juli 1965
Voorganger Sophoklis Venizelos
Stylianos Mavromichalis
Ioannis Paraskevopoulos
Opvolger Nikolaos Plastiras
Ioannis Paraskevopoulos
Georgios Athanasiadis-Novas

Geboren 13 februari 1888
Kalentzi, Griekenland

Karolos Papoulias

Karolos Papoulias [ˈkarolos paˈpuʎas] (Grieks: Κάρολος Παπούλιας) (Ioannina, 4 juni 1929) is een Grieks politicus en was de president van Griekenland van 12 maart 2005 tot 13 maart 2015. Hij werd opgevolgd door Prokopis Pavlopoulos.Van 1985 tot 1989 en van 1993 tot 1996 was hij minister van Buitenlandse Zaken.
Leven en werk
Papoulias is de zoon van de generaal-majoor Gregorios Papoulias. Hij heeft rechten gestudeerd aan de Universiteit van Athene en de Universiteit van Milaan en is gepromoveerd in het internationaal privaatrecht aan de Universiteit van Keulen. Hij was actief in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en was een van de oprichters van de Panhelleense Socialistische Beweging (PASOK).
Papoulias is lang lid geweest van het parlement en vervulde diverse bestuurlijke functies. Toen PASOK in 1981 aan de macht kwam, werd hij onderminister van Buitenlandse Zaken onder Andreas Papandreou. Vanaf 1985 tot 1989 was hij minister van Buitenlandse Zaken. Zelf afkomstig uit Epirus, besteedde hij veel aandacht aan verbetering van de betrekkingen met AlbaniŽ. Voor de Grieken hing daarbij veel af van verbetering van de leefsituatie van de etnische Grieken in het zuiden van AlbaniŽ, door Athene 'Noord-Epirus' genoemd. De Griekse regering kondigde op 28 augustus 1987 haar besluit aan de sinds 1940 heersende staat van oorlog met AlbaniŽ op te heffen.
Papoulias keerde in 1993 terug als minister van Buitenlandse Zaken. In deze periode viel JoegoslaviŽ uiteen, en verklaarde MacedoniŽ zich onafhankelijk. Dit leidde tot heftige reacties van de PASOK-regering, die de naam MacedoniŽ reserveerde voor de eigen noordelijke provincie. Ook de ster op de vlag van de jonge staat behoorde volgens het kabinet-Papandreou tot het Griekse erfgoed. Papoulias had grote moeite om internationaal begrip te krijgen voor de woede van zijn volk. Uiteindelijk wist hij met de regering van MacedoniŽ, door hem consequent de 'republiek Skopje' genoemd, tot een akkoord te komen.
Op 8 februari 2005 koos het parlement hem met 279 van de 300 stemmen tot staatshoofd, en op 12 maart volgde hij Konstandinos Stefanopoulos op als president van Griekenland. Op 3 februari 2010 werd hij herkozen met 266 stemmen.
De president van Griekenland wordt gekozen op voordracht van de premier. Er zijn geen tegenkandidaten, wel geldt een stemmenminimum van twee derde. Als na drie stemrondes geen president is gekozen, volgen nieuwe parlementsverkiezingen. Om die reden steunde Papoulias' eigen partij de PASOK, op dat moment in de oppositie, aanvankelijk in 2009 zijn herverkiezing niet. De partij hoopte zo verkiezingen te forceren. Toen die er om andere redenen in het najaar van 2009 toch kwamen, was de weg vrij voor een tweede termijn.
Tijdens de financiŽle crisis in november 2011 speelde de president een belangrijke rol bij de vorming van een overgangsregering op brede basis onder leiding van Loukas Papadimos. De onderhandelingen tussen vertrekkend premier Giorgos Papandreou, Giorgios Karatzaferis en oppositieleider Andonis Samaras vonden plaats in zijn werkkamer.
In mei en juni 2012 trad de president opnieuw op de voorgrond. Na de parlementsverkiezingen van 9 mei slaagden de leiders van de twee grootste partijen er niet in een nieuwe regering te vormen. Daarna voerde Papoulias enkele dagen besprekingen met alle partijen, maar ten slotte moest hij besluiten tot nieuwe verkiezingen op 17 juni. Die leverden een meerderheid op voor een regering van Nea Dimokratia met steun van Pasok en het kleine DIMAR. De nieuwe premier Antonis Samaras kreeg echter een netvliesloslating en moest na een oogoperatie rust houden. Omdat hij op de top van Europese regeringsleiders niet kon worden vertegenwoordigd door een minister, leidde president Papoulias de Griekse delegatie. Hij vroeg de Europese leiders om wat meer geduld met de Grieken maar kreeg de boodschap mee naar huis, dat zijn land de afgesproken bezuinigingen volgens schema moest doorvoeren.
Persoonlijk leven
Papoulias is getrouwd met Maria Papoulias-Panou en heeft drie dochters. Naast Grieks spreekt hij Duits, Frans en Italiaans.

Karolos Papoulias.jpg

Geboren 4 juni 1929
Ioannina, Griekenland
Politieke partij PASOK
Partner Maria Papoulias
President van Griekenland
Aangetreden 12 maart 2005
Einde termijn 13 maart 2015
Voorganger Konstandinos Stefanopoulos
Opvolger Prokopis Pavlopoulos
Portaal Portaalicoon Politiek
 

Themistoklis Sophoulis

Themistoklis Sophoulis (Grieks: Θεμιστοκλής Σοφούλης) (Vathy, 1860 - Kifisia, 24 juni 1949) was een prominent Grieks politicus die op zeer hoge leeftijd premier van het land werd.
Levensloop
Studies en werk als archeoloog

Sophoulis studeerde filosofie aan de Universiteit van Athene en later in Duitsland, waar hij zich specialiseerde in archeologie. Als archeoloog publiceerde hij enkele inzichtelijke verslagen en nam hij actief deel aan verschillende graafwerken in Griekenland.
Actief in de politiek van Samos
In 1900 zette Sophoulis zijn werk als archeoloog stop wanneer hij verkozen werd in het parlement van Samos. In dit parlement leidde hij zijn eigen radicale fractie. In 1902 werd hij verkozen als voorzitter van dit parlement en was daarmee in feite de premier van Samos.
Zijn pro-Griekse standpunten zorgden voor grote spanningen in Samos. Toen in 1908 de prins van het eiland een Turkse interventie vroeg, moest Sophoulis naar het Griekse vasteland vertrekken. Tijdens de Eerste Balkanoorlog landde hij terug in Samos met enkele medeballingen. Al gauw was heel het eiland onder controle van hen. Het Ottomaanse leger vluchtte naar AnatoliŽ en het parlement van het eiland verklaarde in november 1912 dat Samos zich met Griekenland zou verenigen.
Actief in de Griekse politiek
De vereniging van Samos met Griekenland vond officieel plaats op 2 juli 1913. Nadien leidde Sophoulis voor een tijdje een voorlopige regering van Samos tot in april 1914, toen hij gouverneur-generaal van MacedoniŽ werd. Als gouverneur-generaal verbleef hij in Thessaloniki.


Hij bleef gouverneur-generaal tot in april 1915, toen hij ontslag nam uit solidariteit met Eleftherios Venizelos, die ontslag moest nemen als premier van Griekenland na een bitter dispuut met koning Constantijn.

Sophoulis werd bij de parlementsverkiezingen in mei 1915 verkozen in het Parlement van Griekenland. Hij was van 1916 tot 1917 tevens minister van Binnenlandse Zaken van de Regering van Nationale Verdediging van Eleftherios Venizelos die zetelde in Thessaloniki tijdens het Nationale Schisma. Nadat koning Constantijn in 1917 uiteindelijk verbannen werd, keerde de regering terug naar Athene en werd Sophoulis verkozen als voorzitter van het Griekse Parlement. Hij oefende dit mandaat uit tot in 1920.

Leider van de Liberale Partij
Nadat Eleftherios Venizelos in 1920 Griekenland verliet, werd Sophoulis de nieuwe leider van de Liberale Partij. Van 25 juli tot 27 november 1924 was hij voor een eerste keer premier van Griekenland.
In 1926 werd hij terug parlementsvoorzitter na de afzetting van dictator Theodoros Pangalos tot 1928. In dat jaar werd hij minister van Defensie in de regering van de inmiddels terugkeerde Eleftherios Venizelos tot in 1930. In 1930 begon Sophoulis aan zijn derde mandaat van parlementsvoorzitter tot in 1933, toen de Volkspartij van Panagis Tsaldaris de verkiezingen won.

Na het aftreden van Tsaldaris en het herstel van de monarchie werd hij op 16 maart 1936 opnieuw verkozen tot parlementsvoorzitter. Deze keer oefende hij het mandaat uit tot het begin van de dictatuur van Ioannis Metaxas later dat jaar.
Tijdens de dictatuur van Metaxas waarschuwde Sophoulis in april 1939 koning George II, omdat hij vond dat Metaxas te veel naar fascisme neigde. Tijdens de bezetting van Griekenland in de Tweede Wereldoorlog hield hij contact met de geallieerde troepen in het Midden-Oosten en weigerde hij met het Nationale Bevrijdingsfront mee te werken. Nadat Sophoulis opriep om na de Bevrijding een communistische regering te vormen, werd hij in april 1944 opgepakt door de Duitsers en naar het concentratiekamp in Haidari gebracht. Hij overleefde ondanks zijn hoge leeftijd het concentratiekamp en werd in oktober 1944 door de geallieerden bevrijd.
Na de Tweede Wereldoorlog leidde Sophoulis van 22 november 1945 tot 4 april 1946 voor de tweede maal een regering. Nadat de Liberale Partij bij de verkiezingen van 1946 een nederlaag leed, moest hij het premierschap afstaan aan Konstantinos Tsaldaris van de Volkspartij. Zijn inspanningen om de Griekse Burgeroorlog te vermijden werden tegenhouden door de Volkspartij. Ondanks de slechte relatie tussen de Liberale Partij en de Volkspartij leidde hij vanaf 7 september 1947 een regering met deze twee partijen. Hij bleef premier tot aan zijn overlijden kort voor het einde van de Griekse Burgeroorlog.
Sophoulis overleed op 24 juni 1949 op 89-jarige leeftijd.

Mikis Theodorakis

Mikis Theodorakis (Grieks: Μίκης Θεοδωράκης) (Chios, 29 juli 1925) is een Grieks componist en politicus.
Oorlog en politiek
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij actief in het Griekse verzet, en werd gevangengenomen en gemarteld. Hij was ook actief tijdens de Griekse Burgeroorlog van 1944 tot 1949.
In 1967 na een staatsgreep kwamen de kolonels aan de macht in Griekenland. Theodorakis ging ondergronds, en stichtte het "patriottisch front". Met decreet Nr. 13 werd het verboden om de muziek van Theodorakis te spelen en te beluisteren. Hij werd gearresteerd en daarna verbannen. Later werd hij geÔnterneerd in een concentratiekamp te Oropos. Dankzij een internationale campagne waarin onder anderen Dmitri Sjostakovitsj, Leonard Bernstein, Arthur Miller en Harry Belafonte actief waren, werd hij in 1970 vrijgelaten, maar uit Griekenland verbannen.
Tijdens zijn verbanning was hij een onvermoeid voorvechter van de strijd tegen het kolonelsregime, hij gaf honderden concerten en werd zo een boegbeeld van het verzet.
Na de val van het kolonelsregime kwam hij terug naar Griekenland, naast zijn muzikale werk ging hij in de politiek, en was meermalen lid van het Griekse parlement en was van 1990 tot 1992 minister in de regering van Konstantinos Mitsotakis.
Muziek
Theodorakis componeerde al zeer vroeg, zijn vroegste werk stamt van voor de tijd dat hij een instrument kon spelen, hij vormde een koor en gaf zijn eerste concert in zijn zeventiende levensjaar. Hij studeerde eerst muziek aan het conservatorium van Athene en daarna dat van Parijs. Hij studeerde muziekanalyse onder Olivier Messiaen en directie onder Eugene Bigot. Zijn werk werd vanaf het begin enorm gewaardeerd.
Met zijn terugkeer naar de Griekse muziek, begon een renaissance in de Griekse muziek. Nog steeds geldt de samenwerking met Maria Farantouri als het beste wat de Griekse muziek te bieden heeft. Theodorakis heeft veel muziek geschreven, symfonische muziek, opera, ballet, liederen, cantates en oratoria en filmmuziek. In de laatste categorie componeerde hij het nummer La danse de Zorba voor de film Zorba de Griek. Het werd ťťn van de grootste Top 40 hits aller tijden.
In 2007 ontving hij de Lifetime Achievement Award voor zijn volledige oeuvre in het World Soundtrack Awards-gala op het Internationaal Filmfestival van Vlaanderen-Gent.
Vanaf 1980 houdt Theodorakis zich hoofdzakelijk met klassieke muziek - onder andere 5 opera's, requiem, 5 symfonieŽn - bezig, maar het componeren van liedcycli heeft hij niet geheel opgegeven. Zo componeerde hij in 2006 de liederencyclus "Odysseia" die in 2007 in een vertolking van Maria Farantouri bij het Griekse label Legend verscheen.
Voor de openingsceremonie van de Olympische Spelen in China componeerde hij een rhapsodie voor trompet en orkest, na al eerder een rhapsodie voor cello en orkest en een voor gitaar en orkest gecomponeerd te hebben.
Opera's
1984-85: Kostas Karyotakis (The Metamorphosis of Dionysos)
1988-90: Medea
1992-93: Elektra
1995-96: Antigone
1999-01: Lysistrata
Theodorakis' werk in het Nederland
Tijdens een bezoek aan Nederland bezocht Theodorakis het cabaret Shaffy Chantant, waar hij kennismaakte met Liesbeth List, hetgeen resulteerde in een samenwerking. Op de elpee Liesbeth List zingt Theodorakis, die in 1967[1] uitkwam, zong Liesbeth List composities van Theodorakis met teksten uit de "Mauthausen Cyclus" van de Griekse Holocaust-overlevende Iakov Kambanellis in een (omstreden) bewerking van Lennaert Nijgh, en teksten van de Ierse nationalist Brendan Behan over de Ierse Onafhankelijkheidsoorlog in vertaling van Cees Nooteboom.

Mikis Theodorakis

Markos Vafiadis

Markos Vafiadis (Grieks: Μάρκος Βαφιάδης), kortweg Generaal Markos, (Theodosioupolis, 1906 - Athene, 23 februari 1992) was een kolonel in het reguliere Griekse Leger. In 1938 sloot hij zich aan bij de KKE (Kommounistikon Komma Ellados, d.i. Communistische Partij van Griekenland). Na de Griekse capitulatie in april 1941 sloot hij zich aan bij het verzet. In september 1941 werd hij commandant van een EAM/ELAS-groep. De EAM, een communistisch gekleurde verzetsgroep, bestreed de Duitse bezetter gedurende de Tweede Wereldoorlog. Markos Vafiadis raakte al snel bekend onder de naam 'generaal Markos'. Op 30 oktober 1944 marcheerde de EAM/ELAS o.l.v. generaal Markos Thessaloniki binnen.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte de EAM spoedig in onmin met de Griekse regering in Athene wat in 1946 leidde tot een burgeroorlog tussen het Griekse Leger en de EAM. De ELAS, de militaire tak van de EAM, werd omgedoopt tot het Democratisch Leger van Griekenland. In 1946 werd generaal Markos chef van operaties van het Democratisch Leger en tevens lid van het politbureau van de KKE (communistische partij). Op 24 december 1947 werd Markos premier van de Voorlopige Democratische Regering van Griekenland.

In februari 1949 werd hij vervangen door Nikolaos Zachariadis, de secretaris-generaal van de KKE, die op zijn beurt in april werd vervangen door Dimitrios Partsalidis.

Markos Vafiadis overleed in 1992 te Athene.

1-Griekenland in de Tweede Wereldoorlog

1---2