Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog      Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog      Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog      Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog      Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog       Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog       Operatie Overlord 1944      Het einde Van de Tweede Wereldoorlog     

Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog

bombardement op Barrow-in-Furness

Barrow-in-Furness, dikwijls kortweg Barrow genoemd, is een stad in Noordwest-Engeland, gelegen op het schiereiland Furness aan de noordwestelijke punt van Morecambe Bay, en vormt de hoofdplaats van het gelijknamige district Barrow-in-Furness. Dit district wordt sedert 1974 bestuurlijk gezien tot Cumbria gerekend, maar lag van oudsher in het historische graafschap Lancashire, waarvan de grens nooit werd aangepast. Barrow kan dus een grensstad tussen twee graafschappen genoemd worden. De stad is vooral bekend om de scheepswerf van BAE Systems op Barroweiland, die een zeer belangrijke bron van werkgelegenheid is en zich begin 21ste eeuw op het vervaardigen van nucleaire duikboten toelegt. De stad Barrow-in-Furness is relatief jong en kwam eerst in de late 19de eeuw tot volle ontwikkeling. Ze draagt qua stadsplanning een sterk Victoriaans stempel, met het stadhuis van Barrow-in-Furness uit 1885 als voornaamste blikvanger. Inwoners van Barrow worden Barrovianen (Barrovians) genoemd.
Stadsontwikkeling
Ofschoon Barrow-in-Furness als een typisch 19de-eeuwse industriestad bekendstaat, waren hier reeds vestigingen in de middeleeuwen, niet het minst de nabije Abdij van Furness. Echter, ook de Vikingen hadden voordien reeds hun aanwezigheid kenbaar gemaakt. Het Dock Museum kocht in 2011 een schat van zilveren muntstukken aan die kort voordien waren ontdekt en die van omstreeks het jaar 950 dateren. Het lijkt erop dat de Vikingen indertijd over het gebied regeerden, gezien de diverse plaatsnamen in de omgeving. De naam Barrow komt eveneens van het Oudnoordse ‘Barrai’, dat baar eiland, dus naakt eiland, betekent. Dit verwees wellicht naar het eiland Barrow vóór de kust, dat heden ten dage met de stad vergroeid is. De Abdij van Furness creëerde een gehucht genaamd ‘Barrai’ vóór het punt tegenover dit eiland. De eerste vermelding van de naam dateert uit 1190 en werd geregeld ook ‘Barrowhead’ genoemd. De abdij bakende haar terrein af door de bedding van een beekje uit te graven, dat tegenwoordig ‘Sarah Beck’ heet. Aan de overkant van Sarah Beck bevond zich het landgoed van de Normandische ridder Michael le Fleming. De beek vormt nog steeds de grens van de borough.
Tot ongeveer 1750 bleef het inwonerspeil van Barrow rond 50 mensen schommelen. Het was een landbouwdorp, met huizen vervaardigd uit plaatselijke zandsteen en keien die aan de kust gevonden werden. Ofschoon Barrowhead aan de zee lag, was visvangst nooit de belangrijkste bron van inkomsten. In de tweede helft van de 18de eeuw begon het aantal inwoners gestadig aan te groeien en omstreeks 1840 telde Barrow reeds 150 inwoners en twee herbergen, waarvan The Ship Inn geregeld overstroomde omdat hij te dicht bij de waterkant stond.
Mijnindustrie
De groei van Barrow-in-Furness was in eerste instantie vooral een gevolg van de aanwezigheid van hematiet in de ondergrond. Deze wordt duidelijk bij regenval; diverse poelen aan de kust ontwikkelen dan immers een rode kleur. Het erts werd reeds lang vóór de Industriële revolutie ontgonnen, maar het was de aanleg van vier steigers in het Walney Channel die de doorslag gaf voor de commerciële expansie van het dorp. Walney Island vormt een natuurlijke beschutting voor Barrow; het kanaal staat bij laagwater zo goed als droog, maar is bij hoogwater bevaarbaar. Van hieruit kon handel gedreven worden met ijzersmelterijen in de Midlands en Wales. Omstreeks het jaar 1800 werd reeds 11.000 ton hematiet per jaar ontgonnen, en naar het ijzererts van Furness bestond aanzienlijke vraag. In 1840 was dit aantal tot 75.000 ton per jaar opgelopen; de mijnen bevonden zich echter in de omgeving van Dalton-in-Furness en Lindal, en de wegen naar Barrow voor de verscheping waren bovenal ’s winters moeilijk begaanbaar. Dit was de aanleiding voor de aanleg van de Furness Railway, in wezen een kleinschalige spoorwegonderneming op het schiereiland Furness. Toen de maatschappij echter in 1857 de viaducten over de Kent en de Leven aankocht, betekende dit het begin van een explosieve wasdom voor Barrow-in-Furness. In 1866 werd de plaats een zelfstandige gemeente. Walney Island, Yarlside en Rampside — gebieden die voorheen tot Dalton-in-Furness hadden behoord — werden in respectievelijk 1872, 1875 en 1881 bij Barrow gevoegd. Rond 1879 telde de stad 45.000 inwoners.
Belangrijke figuren in de vroege ontwikkelingsgeschiedenis van Barrow waren James Ramsden, Henry Schneider en William Cavendish, 7de hertog van Devonshire. De zakenman Schneider was in 1851, tezamen met zijn partner Robert Hannay, de oprichter van een staalfabriek te Askam. Teneinde eenvoudiger aan ijzererts te geraken, financierde hij de uitbreiding van de Furness Railway, waarvan James Ramsden directeur was. Ramsden bracht op zijn beurt in 1863 met de hertog van Devonshire een bezoek aan de staalfabriek Brown in Sheffield, alwaar men met het Bessemerprocedé was gaan experimenteren. Twee jaar later werd de eerste staalfabriek in Barrow met het Bessemerprocedé opgestart; deze fuseerde algauw met de fabriek van Schneider tot de Barrow Hćmatite Steel Company, die dertig jaar lang de economische sterkhouder van de stad zou blijven. James Ramsden, spoorwegambtenaar en politicus voor de Liberal Party, werd de eerste burgemeester van Barrow-in-Furness, een functie waarin hij viermaal herverkozen werd. In 1872 werd hij geridderd, en het eerste standbeeld van de stad was er een van hem. Hij stichtte eveneens een fabriek voor jute in Barrow; deze kende slechts matig succes. De hertog van Devonshire was de belangrijkste financierder voor de infrastructuur van het prille Barrow.
De tweede helft van de 19de eeuw was de periode waarin Barrow-in-Furness de grootste veranderingen doormaakte. Op amper 20 jaar tijd zwol het aantal inwoners van 800 naar 45.000. Barrow werd in die tijd ‘het Engelse Chicago’ genoemd. Arbeiders stroomden van over de hele Britse Eilanden naar Barrow om in de staalindustrie te werken, en zij dienden uiteraard gehuisvest te worden. Hiervoor nam de staalfabriek bouwmaatschappijen in onderaanneming, en duizenden huizen werden gebouwd waarvan de fabriek de huisbaas was; als eerste werden op Barroweiland nieuwe wijken geschapen. Dit bood tevens een handige methode om protesten van ontevreden werknemers tegen te gaan: de directie kon steeds met verdrijving uit de woning dreigen. Ook werden loonsverhogingen geregeld gecompenseerd door een stijging van de huishuur. De levensomstandigheden in dergelijke woningen waren van slechte kwaliteit. De Furness Railway liet ze in de jaren 1870 afbreken en vervangen door appartementsblokken die de Devonshire Buildings gedoopt werden, naar de hertog van Devonshire die immers de belangrijkste geldschieter van de spoorwegmaatschappij was.
Tezelfdertijd werd het stadscentrum ingrijpend vernieuwd. De oude restanten van het dorpje Barrow werden definitief vernietigd; de laatste van deze oude boerderijen verdween in 1937. Midden door de stad werd een brede laan aangelegd die van Dalton-in-Furness tot aan de zee reikt; deze straat werd Abbey Road genoemd en vormt de belangrijkste verkeersader. Er werden hotels, banken, een theater en kantoorgebouwen in Barrow opgetrokken. Desalniettemin had Barrow-in-Furness een slechte reputatie. Er waren nauwelijks ‘autochtone’ Barrovianen, er braken geregeld gevechten tussen immigranten uit verschillende streken uit, en in 1864 vond in Barrow een pogrom tegen de Ieren plaats, die akkoord gingen om voor een lager loon te werken. Straatgevechten en openbare dronkenschap vormden een probleem, en het was een notoir feit dat de politiemacht van Barrow-in-Furness consequent uitsluitend de allersterkst gebouwde mannen rekruteerde, zodat deze de grootste uniformen van het Verenigd Koninkrijk droegen.
Tegen het eind van de 19de eeuw begonnen de ijzerertsvoorraden van Furness te slinken. De stad moest nu concurreren met andere plaatsen die ook ertsen bezaten die minder zuiver dan die van Barrow waren, maar dankzij technologische vooruitgang evengoed gebruikt konden worden. Er waren geen opvolgers voor de stichtende generatie van Schneider, Ramsden en Cavendish, en de bouw van het stadhuis ter gelegenheid van het gouden jubileum van Koningin Victoria was in wezen een laatste prestigeproject. In de laatste jaren 1800 heerste werkloosheid en trokken vele arbeiders weg naar de Nieuwe Wereld. De mijnen werden gesloten of hun activiteit werd sterk verlaagd. Er zou in Barrow nog tot 1963 ijzererts ontgonnen worden.
Scheepsbouw
De ommezwaai kwam echter spoedig en onverwacht, toen het Sheffieldse staalbedrijf Vickers kort voor 1900 een scheepswerf kocht, die door Sir Ramsden was aangelegd en waarop een lokale wapenfabrikant, de Naval Construction and Armaments Company, in 1895 de kruiser Powerful te water had gelaten. Vickers kocht eveneens het bedrijf Maxim op en begon op Barroweiland een lange reeks oorlogsschepen te bouwen. De onderneming sloot wereldwijd contracten af en kwam hierdoor geregeld in conflict met de admiraliteit, die vreesde dat vijandige naties sneller aan de gewenste schepen zouden komen. Tegen 1910 werkten ruim 10.000 mensen op de scheepswerf. Vickers was een voor die tijd technologisch geavanceerd bedrijf en wilde de arbeidsprocessen zo efficiënt mogelijk maken, hetgeen geregeld tot stakingen leidde.
De bouw van Vickerstown op Walney Island had uitsluitend tot doel, de vele arbeiders te huisvesten die van elders waren gekomen en geen vaste verblijfplaats hadden. In 1904 waren 950 huizen voltooid en in 1908 werd de Jubilee Bridge gebouwd die Walney met het vasteland verbond, tot ergernis van de Furness Railway die een veerdienst exploiteerde. Vickerstown moest modern ogen en bezat winkels en zelfs een boerderij; het stadje was eigendom van Vickers en de onderneming trad, net zoals voorheen bij de staalfabriek het geval was geweest, als de huisbaas van de bewoners op.
Aan het eind van de Victoriaanse periode traden veranderingen in het politieke en economische klimaat van Barrow op. Naarmate de bevolking bleef aangroeien, was er eveneens meer behoefte aan onderwijs en bestrijding van de kindersterfte door tyfus, roodvonk en mazelen. Er waren in de vroege 20ste eeuw geregeld kortstondige recessies die voor onzekerheid zorgden, maar globaal genomen ging de economie in stijgende lijn. In 1906 werd Charles Duncan het eerste parlementslid voor het kiesdistrict Barrow van de Labour Party.
De Eerste Wereldoorlog had voor Barrow-in-Furness een ambigue betekenis. Vickers draaide permanent op volle toeren met arbeiders van beide geslachten, en in januari 1917 werkten ruim 31.000 mensen in de fabriek; naar schatting telde Barrow rond die tijd wellicht 70.000 inwoners. Wie tijdens de Eerste Wereldoorlog in de wapenindustrie werkte, had een beschermde status en mocht noch voor de legerdienst opgeroepen worden, noch zich vrijwillig aanmelden. Het ironische gevolg hiervan was dat Barrow tijdens de oorlog welvarender dan ooit tevoren werd. De eerste vluchtelingen in de stad waren Belgen, die enthousiast onthaald werden. Naarmate de oorlog voortschreed, groeide echter de naijver jegens de vluchtelingen, die de huizen van de lokale bevolking bezetten.
Op de economische piek volgde na de wapenstilstand onverwijld een scherpe terugval; de jaren 20 waren voor Barrow een periode van zware armoede, hoge werkloosheid en inkrimping van de bevolking. In 1920 kreeg Barrow voor het eerst een Labour-burgemeester: George Basterfield, tevens dichter en alpinist. De stad was afhankelijk van de fabricage van wapenen, en nadat verschillende internationale verdragen de wapenwedloop aan banden hadden gelegd, leidde dit tot massale afvloeiingen bij Vickers. Naar het eind van de jaren 20 toe kwam een licht herstel; het bedrijf poogde het verlies zo goed mogelijk te beperken door in plaats van oorlogsschepen vooral buizen, ketels en treinlocomotieven te maken.
De Wall Street Crash van 1929 had ook gevolgen voor Barrow-in-Furness; begin jaren 30 zorgde de crisis opnieuw voor grootschalige ontslagen op de scheepswerf. In die periode trachtte het stadbestuur de noden te lenigen door openbare werken te organiseren, zoals de aanbouw van een openluchtzwembad op Walney en het restaureren van Piel Castle. In 1935 werd de tol voor het gebruik van de brug naar Walney afgeschaft. In de tweede helft van de jaren 30 werd massaal geďnvesteerd in scholen, woningbouw en gezondheidszorg. Door de oorlogsdreiging van Nazi-Duitsland groeide wederom de economische bedrijvigheid in Barrow. De Hindenburg werd in die tijd tweemaal boven Barrow opgemerkt; het aannemelijke vermoeden was dat de nazi’s boven de scheepswerven en staalfabrieken spioneerden. Daadwerkelijk werd Vickers in 1941 tweemaal door de Luftwaffe gebombardeerd. Ook elders in de stad werden honderden huizen vernield.
De Tweede Wereldoorlog was, net zoals de Eerste, een periode van uitgebreide economische groei, niettegenstaande de vijandelijke bombardementen. Een gevolg hiervan was dat na de oorlog een grote behoefte aan woningen bestond. In de jaren 50 en 60 volgde een expansieve wasdom van het stadscentrum. Barrow-in-Furness was tot dan toe door velden en weiden omringd geweest. Met de nieuwe hoogconjunctuur breidde zich het verstedelijkte gebied steeds verder noordwaarts uit, totdat het bijna het grondgebied van Dalton-in-Furness bereikte. Er werden buiten het stadscentrum nieuwe woonwijken gecreëerd, terwijl de oude Victoriaanse kern ingrijpend werd gewijzigd. Meerdere 19de-eeuwse gebouwen, waaronder de residentie Abbotswood van James Ramsden, moesten wijken. De jaren 70 en 80 zagen de komst van de grote winkelketens in de stad, die zienderogen gemoderniseerd werd.
In tegenstelling tot in het interbellum veroorzaakte het einde van de Tweede Wereldoorlog geen economische depressie. Vickers ging zich toeleggen op de bouw van olietankers en oceaanlijners. In de jaren 80 kreeg het bedrijf de opdracht om vier duikboten voor het Trident-programma te bouwen; hiervoor moest een immens droogdok gebouwd worden, de Devonshire Dock Hall, die toentertijd de grootste in haar soort.
In 2011 telde Barrow 56.745 inwoners; dit is weliswaar hetzelfde inwonersaantal als honderd jaar voordien, maar in de tussentijd zijn de grenzen van de stad aanzienlijk uitgebreid.
Bezienswaardigheden
Het stadssilhouet van Barrow-in-Furness wordt gedomineerd door zijn stadhuis met toren. Naar Barroweiland toe is de Devonshire Dock Hall van BAE Systems het meest in het oog springende bouwwerk. Er zijn nog enkele oude kerken, zoals de katholieke Saint Patrick’s Church op Barroweiland en de Saint John’s en Saint James’s Church. Barrow Park bezit een oude kiosk waarheen trappen leiden vanaf het oorlogsmonument op de centrale heuvel.
Bij het spoorwegstation staat een standbeeld van voetballer Emlyn Hughes. De weg naar het stadscentrum vanaf het station volgt het oude rechtlijnige, Victoriaanse traject in de richting van de zee en doorsnijdt Ramsden Square, waarop het standbeeld van Sir James Ramsden staat. Aan de waterkant bij Barroweiland staat enerzijds de Devonshire Dock Hall en daartegenover een grote Tesco. Tussen de Jubilee Bridge naar Walney Island en deze supermarkt bevindt zich het Dock Museum. Ook Henry Schneider kreeg zijn eigen Schneider Square met monument.
De Abdij van Furness staat verder landinwaarts, aan het begin van Abbey Road bij Dalton-in-Furness. Andere bezienswaardigheden zijn Piel Castle op Piel Island en de natuurreservaten van Walney, alsook de windmolenparken.
Het theater van Barrow heet het forum twenty eight theatre en bevindt zich tegenover de winkelstraten. In de jaren 90 werd een steegje aangelegd dat de rechtstreekse toegang vanuit het theater tot het winkelcentrum mogelijk maakt. Dit commerciële kwartier van de stad is geheel verkeersvrij.

 

 

 

 

 

bombardement op Dresden 13 februari 1945

Het grote geallieerde bombardement op Dresden vond plaats in de nacht van 13 op 14 februari 1945, waarna er de volgende ochtend nog een derde luchtaanval volgde. De Duitse stad Dresden, de beroemde barokstad en oude hoofdstad van het Keurvorstendom Saksen, was tot dan slechts enkele keren licht getroffen door de Amerikaanse luchtmacht, maar dit waren enkel secundaire acties. Bij deze aanvallen werd echter het grootste deel van de historische binnenstad verwoest. Ook werd de militaire en industriële infrastructuur geheel lamgelegd.
Het aantal burgerslachtoffers bij deze aanvallen bedraagt ca. 25.000, al lopen de schattingen uiteen, gezien de ongedocumenteerde massale instroom van vluchtelingen die vanuit het Oostfront naar Dresden waren getrokken. Veel Duitsers waren ervan uitgegaan dat het unieke historische centrum van Dresden toch niet aangevallen zou worden en vluchtten er dus heen; velen van hen waren afkomstig uit het oosten van Duitsland, dat in dezelfde periode door de Sovjet-Unie werd veroverd.
Tot op heden is er discussie over de vraag of de geallieerde tapijtbombardementen zoals die op Dresden zijn uitgevoerd al dan niet als een oorlogsmisdaad kunnen worden beschouwd.
Achtergrond
Begin 1945 maakten de geallieerden zich op voor het eindoffensief tegen nazi-Duitsland. Onderdeel daarvan was het uitvoeren van zogenaamde tapijtbombardementen op steden, met als strategisch doel zo veel mogelijk schade en slachtoffers te veroorzaken en zo het Duitse moreel te breken. Daarbij kwam nog het indirecte effect dat de Luftwaffe zich steeds meer moest beperken tot luchtverdediging van Duits grondgebied en steeds minder van zijn capaciteit kon inzetten ter ondersteuning van de eigen grondtroepen. Zo werd eind 1942 nog 40% van de Luftwaffe gebruikt ter ondersteuning van de Wehrmacht aan het oostfront; eind 1943 werd nog hooguit 20% daarvoor ingezet. Naast deze globale doelen was het bombardement van Dresden meer specifiek bedoeld het belangrijke spoorwegknooppunt in Dresden te treffen en zo de Duitse aanvoer naar het oostfront af te snijden. Hiermee kwamen de geallieerden eindelijk tegemoet aan de al veel eerder in de oorlog door de Russen gevraagde directe militaire steun aan hun operaties.
Dit waren de officiële doelen. Volgens sommige bronnen zou aan geallieerde zijde het echte doel van het bombardement zijn geweest te laten zien waartoe de geallieerden zo nodig in staat waren, als waarschuwing aan de steeds dichterbij komende Russen.
Het brein achter operatie Thunderclap (donderslag) was de Engelse luchtmaarschalk Arthur Harris, die in Dresden hetzelfde wilde bereiken als eerder in Hamburg (1943): een vuurstorm. Het principe hiervan is om éérst een groot aantal brandhaarden te veroorzaken, dicht bij elkaar. Die oplaaiende brand stuwt hete rookgassen omhoog en zuigt daardoor lucht uit de omgeving aan, wat wind veroorzaakt; hoe meer vuur, des te meer wind die tot een storm aanwakkert.
In Dresden zelf waren alle voorwaarden voor een vuurstorm aanwezig: een oude, deels van hout gebouwde binnenstad, bestaande uit kwetsbare historische panden en nog maar nauwelijks gebombardeerd.
De bombardementen
Eerste aanvallen: najaar 1944- januari 1945

Op 24 augustus 1944 waren er voor het eerst geallieerde luchtaanvallen op gedeelten van Dresden die belangrijk waren voor de industrie, zoals de wijk Gittersee en het stadsdeel Coschütz, waarbij in totaal ruim 200 slachtoffers vielen.
Op 7 oktober was er een eerste aanval met B-17's van de USAAF op het gedeelte van de binnenstad rondom station Friedrichstad en het industriegebied ten noorden hiervan, waar zich een voor de wapenproductie gebruikte fabriek van Seidel & Naumann bevond. Ook de haven aan de Elbe werd getroffen. In totaal vielen bij deze aanval 270 doden.
Op 16 januari 1945 bombardeerde de USAAF station Friedrichstadt nogmaals met 133 vliegtuigen, 279,8 ton brisantbommen en 41,6 ton brandbommen. Hierbij werden ook de stadsdelen Cotta, Löbtau en Leutewitz getroffen. In totaal vielen er ruim 330 doden.
Februari 1945
Het bombardement van 13-14 februari 1945 werd in drie aanvalsgolven uitgevoerd, door in totaal bijna 1500 vliegtuigen die brisantbommen en brandbommen afwierpen. Het gebruik van brandbommen was niet uniek voor de aanval op Dresden. De RAF gebruikte deze vaak bij haar strategische bombardementen, die vrijwel steeds 's nachts werden uitgevoerd. De bewust veroorzaakte branden dienden naast hun verwoestende werking ook als baken om de grote aantallen bommenwerpers naar hun doel te leiden.
De eerste aanvalsgolf kwam in de avond van 13 februari en werd uitgevoerd door 244 Avro Lancaster-bommenwerpers van de Britse Royal Air Force. In Dresden was om 21:45 het Fliegeralarm afgegaan, waarna veel mensen dekking zochten in hun kelders of schuilkelders. Eerst werden door de Avro Lancasters magnesiumtoortsen (door de Duitsers "kerstbomen" genoemd) aan parachutes gedropt om het terrein goed te verlichten. Vervolgens dropten De Havilland Mosquitos van de RAF-groep nr. 8 rode markeerders op het goed zichtbare Heinz-Steyer-Stadion. Ze gebruikten daarbij hun H2S. Daarna volgde het echte bombardement, dat van 22:15 tot 22:28 duurde. Eerst vielen er 529 luchtmijnen die vlak boven de grond ontploften en de daken met een schokgolf verwoestten, daarna werden er 1800 brand- en brisantbommen met een gewicht van in totaal 900 ton afgeworpen. Hierdoor stond binnen een kwartier drie vierde van de oude stad in brand. De vlammen waren tot in de wijde omtrek zichtbaar.
De tweede en hevigste aanvalsgolf volgde kort daarop, van 01.22 tot 01.54 uur. Inmiddels was het 14 februari. Deze aanval werd uitgevoerd door 529 Britse Lancasters die in totaal meer dan 2600 ton bommen afwierpen (1477,7 ton ofwel 600.000 staafbrandbommen en 1181,6 ton brandbommen). Het getroffen gebied liep van Löbtau tot Blasewitz en van het nieuwe deel van de stad tot aan Zschertnitz. Ook enkele gebouwen van het Stadtkrankenhaus Johannstadt werden zwaar getroffen, evenals het diaconessenhuis, de Elbwiesen en de Großer Garten. Naar deze plekken waren juist veel mensen gevlucht na de eerste luchtaanval. De Britten losten bovendien antiradarsneeuw om de radar van de Duitse luchtafweer te verblinden. Als gevolg van deze tweede grote aanval konden de branden die door de eerste aanval waren veroorzaakt niet worden geblust en ontstond er in de stad een gigantische vuurstorm toen de verschillende grote branden samensmolten. Hele straten werden hierdoor volledig verwoest en de hitte die ontstond was zo intens dat glas en metaal smolten. Door de aanzuigkracht van de wervelende lucht konden veel mensen niet meer aan de vlammen ontsnappen, zij verbrandden of stikten. Degenen die zich in schuilkelders hadden kunnen verschansen stikten alsnog door de brandgassen.
Hierna volgde er een derde aanval op 14 februari, van 12.15 tot 12.25 uur, opnieuw uitgevoerd door de USAAF, met 311 tot 316 B-17-bommenwerpers, ook wel Vliegende Forten genoemd, en tussen de 100 en 200 escortejagers. Hun bommen (800 springbommen (474,5 ton) en 136.800 staafbrandbommen) troffen vooral de reeds bestaande puinhopen naast enkele wapenbedrijven, het ziekenhuis, het station en het Reichsbahnausbesserungswerk in Friedrichstadt. Ze richtten in vergelijking met de eerdere aanvallen niet veel nieuwe materiële schade aan, maar maakten wel nog meer slachtoffers.
Op 15 februari volgde aan het eind van de ochtend een vierde aanval, waarbij de Amerikaanse B-17's nog eens 460 ton bommen afwierpen. Deze kwamen door het slechte zicht echter neer in het hele gebied van Meißen tot aan Pirna.
De Frauenkirche was na de eerste twee aanvallen in eerste instantie blijven staan, maar het gebouw was van binnen compleet uitgebrand en van buiten volkomen poreus geworden als gevolg van de alom heersende verzengende hitte. In de ochtend van 15 februari begaven de buitenmuren het en kwam de koepel omlaag.
De schattingen van het aantal slachtoffers lopen nogal uiteen, maar het meest aannemelijk is het getal van 25.000 doden en 30.000 gewonden.Deze hoge aantallen zijn mede veroorzaakt doordat er op het moment van de bombardementen veel vluchtelingen in de stad waren, die bovendien na de eerste aanvallen geen kans hadden weg te komen doordat ook de treinsporen waren getroffen.
Om een indruk te geven van de hevigheid van het bombardement: het centrum van Berlijn was na honderden bombardementen voor bijna 100% verwoest, in Dresden was dat 70% na slechts één bombardement.
Nasleep
Ongeveer 1000 mensen die in de Annenkirche dekking hadden gezocht overleefden de luchtaanvallen. Ook slaagden sommige mensen er toch nog in de stad tijdig te ontvluchten of uit te wijken naar stadsdelen die minder zwaar werden getroffen, zoals Mockritz, Pieschen, Blasewitz en Löbtau.
Doordat ook het centrale gebouw van de Gestapo werd verwoest, kon de geplande deportatie van 198 Joden die nog in Dresden in het Judenhaus aanwezig waren niet doorgaan. Als gevolg van de bombardementen stierven er ongeveer 40 van hen. Zij die overleefden moesten de daaropvolgende dagen de stad zien te ontvluchten, omdat de Gestapo nog steeds naar hen op zoek was. Uiteindelijk hebben ongeveer 70 van deze joden zo kunnen ontsnappen aan de Holocaust. Enkele van deze overlevenden zijn later zeer beroemd geworden (Henny Brenner, Josef Skupa en Victor Klemperer).
De bombardementen van februari 1945 vernietigden veel van de cultuurhistorische momenten uit de laat-barokke tijd in Dresden, behalve de Frauenkirche ook de Semperoper, het Residenzschloss, de Sophienkirche en het Zwinger, evenals het Albert-Theater en het Palais der Sekundogenitur. De regering van de DDR heeft later besloten veel van de ruďnes, met name woningen en gebouwen in de historische binnenstad definitief op te ruimen, maar een aantal van de historische monumenten te reconstrueren en te herbouwen, zoals de Augustusbrücke (in 1949), de Kreuzkirche (tot 1955), der Zwinger (tot 1963), de Katholische Hofkirche (tot 1965), de Semperoper (tot 1985), het Japanische Palais (tot 1987). Na de Duitse hereniging werd de Frauenkirche, die de DDR-autoriteiten eerst als ruďne hadden willen bewaren, alsnog in haar oorspronkelijke vorm gerestaureerd.
Evaluatie
Bombardementen als die op Rotterdam, Coventry, Hamburg en Dresden zijn tot op de dag van vandaag zeer omstreden: was het oorlogsvoering volgens de conventies van Genčve, of waren het oorlogsmisdaden? De officiële mening van de naoorlogse DDR-regering was dat het bombardement op Dresden onnodig was en alleen bedoeld om de schade aan de Sovjet-bezettingszone van Duitsland te maximaliseren. In rechts-extremistische kring is zelfs het begrip 'Bomben-Holocaust' uitgevonden om dit bombardement te typeren, waarmee tegelijk de genocide-misdaden van de Holocaust worden gerelativeerd.
Het idee om tapijtbombardementen uit te voeren was overigens al veel eerder ontstaan, eind 1941, toen bleek dat de RAF met haar nachtelijke precisiebombardementen op fabrieken (met name in het Ruhrgebied) onvoldoende succes had. Het Britse Ministerie van Oorlog besloot toen zijn tactiek aan te passen en tapijt- in plaats van precisiebombardementen uit te gaan voeren. Arthur Harris zou overigens niet gezien moeten worden als de geestelijke vader van dit idee; uit officiële documenten blijkt dat de beslissing om over te gaan op tapijtbombardementen genomen is voor zijn aanstelling als commandant van het 'Bombercommand'. De aanval op Dresden vond wel plaats onder zijn bevel.
Op 28 maart 1945 liet Winston Churchill aan de Royal Air Force weten niet veel heil meer te zien in nog meer terreurbombardementen op Duitse steden.

Fotochroom van Dresden in de jaren 90 van de 19e eeuw, voordat de vernietiging tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatsvond. Te zien zijn onder meer de Frauenkirche, de Augustusbrug en de Katholische Hofkirche.

Het centrum van Dresden na de luchtaanval

Resten van de Frauenkirche, foto uit 1970

Een stalen mast naast de spoorlijn

Een stapel lijken op de Altmarkt wacht op crematie

Puinruimen na het bombardement

Bombardement op Hamburg 1944-1945

Het Bombardement op Hamburg, ook wel Operation Gomorrha genoemd, was het bombardement dat de Britten in de Tweede Wereldoorlog, op 24 juli 1943, uitvoerden op de Duitse stad Hamburg Het offensief van 'Bomber' Harris duurde tot 3 augustus. In totaal vlogen 2353 zware bommenwerpers over de stad. Er viel ruim negenduizend ton brisant- en brandbommen. In de nacht van 24 juli vielen bijna honderdduizend brandbommen op de stad.

In tegenstelling tot de Amerikanen gebruikten de Britten een tapijtbombardement-techniek. Hele steden werden opgedeeld in sectoren. Een eerste bommenlading bestond uit explosieve luchtmijnen die daken wegrukten en vensters lieten springen. Hierna volgden brandbommen en brisantbommen om alles in brand te steken. Door het ontbreken van daken ontstonden al gauw hele vuurstormen die zo intens waren dat de zuurstof uit schuilkelders werd gezogen, dat rook in deze schuilkelders trok, waterleidingen zwaar beschadigd werden, ... Door gebruik van bommen met een tijdsontsteking werd het bluswerk bemoeilijkt, daar men niet wist wanneer deze bommen zouden ontploffen.

Door deze techniek, en door goede weersomstandigheden (droge zomerlucht en warme temperaturen, in de nacht daalde de temperatuur niet onder de dertig graden) werd er in Hamburg een ware vuurstorm ontketend door ruim zevenhonderd bommenwerpers. Volgens officiële cijfers vielen er die nacht 18.474 doden. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger doordat niet alle lichamen geborgen konden worden. Door de intense hitte en de dagenlange brand restte van veel lichamen niet meer dan verkoolde beenderen en as.

Met naar schatting 42.000 doden staat Hamburg op de eerste plaats in de top-tien van 'doden bij luchtaanvallen'. Dresden staat tweede, maar daar vielen de circa 25.000 doden. In Hamburg was dit niet het geval; in de nacht van 29 op 30 juli vielen in de wijk Barmbek 10.000 doden. In totaal werden in Hamburg 277.000 woningen verwoest, de helft van alle woonruimte van de stad.

De Britten spraken in hun oorlogspropaganda van het "Hamburgiseren" van Duitse steden.

Verwoeste huizen in Hamburg (foto rond 1944/1945)

Monument voor de slachtoffers in een bunker aan de Hamburger Straße met als onderschrift "In de nacht van de 30e juli 1943 stierven 370 personen in de luchtaanvalsschuilplaats aan de Hamburger Straße in een bombardement. Deze doden herinneren ons: Nooit weer fascisme. Nooit weer oorlog."

bombardement op Tokio 9-10 maart 1945

De Tweede wereldoorlog. Na het bombardement op Pearl Harbour willen de Amerikanen een wraak actie op Japan om zo het moraal weer een boost te geven.

18 april 1942. In wat een van de meest gedurfde raids in onze geschiedenis wordt, vallen zestien bommenwerpers vanaf een vliegdekschip het Japanse thuisfront aan. Deze aanval, geleid door Lt-Kol. Doolittle, is militair gezien onbelangrijk, maar hij zorgt wel voor ’n morele opkikker voor 'n uitgetelde natie. Onmiddellijk na Pearl Harbor bespraken de president en z’n staf de mogelijkheid van een vergeldingsaanval op Tokio. De problemen leken eerst onoverkomelijk. Het belangrijkste was de veiligheid van de Navy die door de Japanse verrassingsaanval gedecimeerd was. De schepen zouden na de lancering onmiddellijk moeten wegstomen. De Raiders zouden ergens op het continent moeten landen. Zelfs dat werd bemoeilijkt door diplomatieke overwegingen. De Russen vechten voor hun leven tegen de nazi's en kunnen het risico op een oorlog met Japan niet lopen. De vliegtuigen moeten doorvliegen naar China, 2250 km verderop. Dat is te ver voor marinevliegtuigen.
De vloot vertrekt
De luchtmacht heeft wel bommenwerpers met 'n actieradius van 3000 km. Stafchef van de luchtmacht Arnold beval Doolittle om vrijwilligers op te leiden. Na 'n maand opleiding, schepen Doolittle en z’n mannen in op hun vliegdekschip voor de lange reis over de oceaan. Op de ochtend van 18 april merkt de vloot een Japanse boot op. USS Nashville opent het vuur en keldert het schip met man en muis. Men weet echter niet of de Japanners een bericht hebben verzonden. Hoewel nog honderden kilometers van hun vertrekpunt, moet Doolittle kiezen: de missie afgelasten of vertrekken in de wetenschap dat ze niet genoeg brandstof hebben. Hij vindt dit het risico waard en zet het licht op groen. Omdat hij als eerste vertrekt, heeft Doolittle 'n nog kortere startbaan. De B-25 rolt langzaam vooruit en terwijl het dek korter wordt, trekt Doolittle de neus omhoog. De marinepiloten die weten wat het betekent om zo te moeten starten, geloven hun ogen niet wanneer de bommenwerpers die anders een startbaan van 2 km nodig hebben, na elkaar de lage wolken opzoeken. Zodra ze vertrokken zijn, geeft Halsey het bevel om te wenden. Ze vliegen laag om niet te worden ontdekt. De bommenlading van 1000 kg bestaat uit explosieven en brandbommen. Om te voorkomen dat de Japanners neergehaalde vliegtuigen ontmantelen, heeft men de bommenlichtinstallaties uit de cockpits verwijderd. Doolittle en z'n mannen weten dat niet de schade maar het bombardement zelf belangrijk is.
Tokyo wordt vernietigd
Het doel is niet een bepaald gebouw of een fabriek, maar het zelfvertrouwen van de Japanse natie. Na 5 uur vliegen bereiken de Raiders de kust van Japan. 13 vliegen er naar Tokio en 3 naar Nagoya, Osaka en Kobe. Iets na de middag bereiken ze Tokio. De Raiders komen aanvliegen en laten hun bommen vallen op willekeurige doelen: een kraan, 'n schip in 'n droogdok, 'n school... Het paleis van de keizer wordt niet gebombardeerd omdat men bang is dat een aanval op zo'n nationaal symbool de Japanners tot nog meer agressie zal aanzetten. Wanneer hun taak volbracht is, koersen ze richting China. Niemand haalt z'n voorziene landingsplaats. Twee vliegtuigen landen achter de vijandelijke linies. Enkele vliegers worden terechtgesteld. De anderen maken ’n noodlanding of springen boven China. Een vliegt, tegen alle bevelen in, naar Vladivostok. De Russen vrezen de Japanse reactie en interneren de bemanning. Doolittle en z'n bemanning worden gered door Chinese soldaten. Thuis verspreidt het nieuws zich snel. Roosevelt vermeldt Doolittle en z'n mannen in het publiek. Mensen komen op straat om te vieren. Het is maar 'n kleine overwinning, maar voor iedereen die wil vieren is 'n kleine overwinning genoeg aan het begin van wat een lange oorlog belooft te worden.
Japanse Amerikanen geďnterneerd
19 januari 1942. Washington DC. Zwichtend voor grote politieke druk tekent Roosevelt decreet 9066. Dat staat het leger toe de bevolking uit strategische gebieden te evacueren. Op het oog lijkt het een gewone overheidsmaatregel in het kader van de oorlogsinspanning. Maar het is een politieke aanval op een specifieke groep mensen in een afgebakend gebied. Japanse Amerikanen woonachtig langs de westkust. Sinds Pearl Harbour is de roep om Japanse Amerikanen uit te zetten onder de lokale bevolking gegroeid. Deze is opgepakt door lokale politici en aangewakkerd door de pers. Op 2 maart worden Californië, Washington en Oregon bestempeld tot strategisch gebied. Meer dan 110.000 Japanse Amerikanen moeten huis of bedrijf verlaten hun bezit achterlaten en zich onderwerpen aan gedwongen internering. De vooroordelen zijn geen gevolg van de oorlog. Ze worden gevoed door een sterke neiging tot discriminatie van Japanse immigranten in dit deel van het land. AI jaren zijn Japanse immigranten en hun in de VS geboren kinderen mikpunt van racistische wetten waaronder restricties op grondbezit en immigratiequota. Met het decreet van Roosevelt in de hand, kon de legerleiding inmiddels volledig overtuigd van de noodzaak tot internering tot actie overgaan. Nu worden deze mensen, allen Amerikanen die vol goede moed en met hard werken hun bestaan opbouwden door hun eigen regering veroordeeld tot een leven vol ellende onzekerheid en vervlogen dromen.

Het bombardement op Tokio van 9 op 10 maart 1945 was één van de verschillende bombardementen op Tokio. Algemeen wordt het gezien als het dodelijkste

.

1940-1949,Amerikaans,Archiefbeelden,
Bombardement op Tokio,Horizontaal,
Japan,Tokio,Zich overgeven

Duitse bommen op Leuven 11 Mei 1940

LEUVEN IN MEI 1940 
Als de Duiters begin september 1939 Polen binnenvallen, zijn ook de grootste optimisten niet meer zo overtuigd dat Belgię aan een nieuwe oorlog kan ontsnappen door een neutrale houding aan te nemen. 
Het leger wordt op oorlogsvoet gebracht en telt al gauw maar liefst 600.000 manschappen, goed voor 16 procent van de mannelijke actieve bevolking. Verdedigingswerken worden in een ongezien tempo uitgevoerd, waarbij vooral energie gestoken wordt in een centraal gelegen stelling, gaande van de fortengordel van Antwerpen over Waver naar de Maas in Namen. De KW-linie, waarbij KW staat voor Koningshooikt Waver, moet een herhaling van het Von Schlieffen-plan onmogelijk maken, een maneuver waarbij de Duitse legers door de Vlaamse laagvlakten trekken om de zwak verdedigde Frans-Belgische grens te overschrijden. 
De verdedigingslijn van het Albert-kanaal met het Fort van Eben-Emael als sluitstuk moet de nodige respijt verschaffen om geallieerde steun op de KW-linie en aansluitende verdedigingslijnen te verzekeren. 
De streek van Leuven wordt in ijltempo voorzien van allerlei verdedigingswerken, waarvan we vandaag nog sommige sporen zien. Langsheen de KW-linie wordt een ijzeren muur van maar liefst 30.000 metalen Cointet-elementen geplaatst. Bijkomend moeten hindernissen zoals de Vaart tussen Leuven en Mechelen, tankgrachten zoals deze van Haacht en inundaties het in Polen zo duidelijk efficiĂ«nt gebleken “nieuwe wapen”, de tank, de pas afsnijden. Maar liefst 235 bunkers op de KW-linie moeten het oprukken van de Duitsers verder onmogelijk maken. Bij de Duitse inval op 10 mei trekken Britse en Franse troepen ons land binnen en rukken op naar vooraf geplande stellingen. 
De derde Britse Infanteriedivisie onder commando van toenmalig Generaal-Majoor Montgomery krijgt de opdracht de stad Leuven te verdedigen. In de vooravond bereiken de eerste Britten de stad en worden er met opluchting verwelkomd door de Leuvense bevolking. Een samenscholing aan de Tiensepoort trekt de aandacht van Duitse piloten, waarop rond 18u30 een Staffel Stuka’s haar bommen lost in deze buurt. Er vallen maar liefst 101 doden bij de bevolking, waarbij één voltreffer op een garage in de Tiensesteenweg (de huidige fotozaak Vanbergen) tientallen slachtoffers veroorzaakt, passagiers van een bus die er schuilden. Dit drama, slechte herinneringen uit de eerste wereldoorlog en de vaststelling dat de Britten nog meer verdedigingswerken beginnen uit te voeren, zet veel Leuvenaars aan andere oorden op te zoeken. De stad stroomt leeg.
Op 11 mei in de voormiddag nemen Engelse cavalerieregimenten stellingen in ten oosten van Leuven. Later op de dag komen ook infanterieregimenten aan die zich meer op de verdediging van de stad zelf zullen concentreren, waar nog Belgische eenheden van de 10e Infanteriedivisie aanwezig zijn. Duitse vliegtuigen bestoken vooral de wijk rond de Vaartkom met brandbommen, waarbij heel wat grote constructies vernietigd worden, en beschadigen ook gebouwen van het OCMW in de Frederik Lintstraat.
Op 12 mei vindt boven het Leuvense een luchtgevecht plaats tussen drie Britse Hurricanes en een Staffel Stuka’s, waarbij vier Stuka’s neerstorten. De troepen van het 6e Duitse Leger, in de geschiedenisboeken vooral gekend voor haar nederlaag in Stalingrad begin 1943, hebben in twee dagen tijd een behoorlijke afstand afgelegd en geraken al dichtbij Diest. 
Op 13 mei beginnen de Britse troepen met het leggen van mijnen, waarbij helaas de eerste slachtoffers zeven Belgische militairen van het 19e Artillerie zijn die niet op de hoogte waren van de pas gelegde mijnen. Alles wordt ook voorbereid om de vele bruggen in het Leuvense op te blazen. Eén dag later worden de overgebleven Leuvenaars verplicht te vertrekken: de Duitsers zijn voorbij Diest geraakt en rukken nu met drie in Polen geharde divisies op naar de stad (de 14e Divisie via de Naamsesteenweg, de 19e Divisie via de Aarschotse- en de Diestsesteenweg en de 255e Divisie ten Noorden van Leuven). Rond 16 uur beginnen de Britten met het opblazen van de bruggen. In de vooravond proberen de eerste Duitse troepen reeds over de Dijle te geraken en het Leuvense station te veroveren. Ze ondervinden dat de verdedigingswerken heel wat sterker zijn dan verwacht. Britse en Belgische artillerie – samen maar liefst bijna 300 stukken sterk – maakt bovendien elke Duitse troepenconcentratie moeilijk. De Duitsers hebben zelf nog geen artilleriesteun, waardoor besloten wordt te wachten op de komst van versterking. 
Op 15 mei tasten de Duitsers het gehele front van de KW-lijn af, waarbij de Cointet-muur haar degelijkheid bewijst. In de voormiddag grijpen een reeks lokale gevechten plaats. Elementen van de 19e Divisie slagen erin het Leuvens stationcomplex met haar vele loodsen binnen te dringen, maar worden even later door de Royal Ulster Rifles bij een tegenaanval teruggedrongen. 
Rond 13u30 proberen de Duitsers een doorbraak te forceren in Wilsele na een voorbereidend artillerievuur van twee uur. De Coldstream Guards lijden zware verliezen maar de Duitsers slagen niet in hun opzet. Nieuwe pogingen in de stationsbuurt mislukken eveneens en de Duitsers beseffen dat Leuven een harde noot om te kraken wordt. 
De 16e mei wordt voor beide kampen vooral een dag van relatieve rust en reorganisatie. De Duitsers bereiden immers een groot maneuver voor om de volgende morgen met een massale gecoördineerde aanval de stad langs twee kanten te penetreren na zeer intensieve artilleriebeschietingen. 
In Wijgmaal wordt wel gevochten: de fabriek van Remy vormt de scheidingslijn tussen de 3e Britse Divisie en de Belgische 5e Divisie. Op de toren van Remy staan zowel Belgische als Britse artilleriewaarnemers. Het Vierde Jagers te Voet verdedigt de fabriek en beschikt dus over een bruggenhoofd aan de overkant van de Vaart. Belgische artillerie maakt een nadering van het Remy-complex door elementen van de Duitse 255e Infanteriedivisie onmogelijk en weet ook een Duitse gemotoriseerde kolonne op de Aarschotsesteenweg uit te schakelen. Duits tegenvuur treft wel de Remy-fabrieken, maar lukt er niet in onze troepen te verdrijven. De Coldstream Guards komen ook nog maar eens onder druk, maar weten hun stellingen te handhaven. 
En dan volgt op 17 mei de anti-climax: in de nacht van 16 op 17 mei wordt de stad verlaten door de Britten. Ook onze Belgische troepen trekken zich terug uit de KW-linie, dit tot grote ontgoocheling van de vele militairen die zich sterk voelen achter deze tot dan nauwelijks onder druk gekomen verdedigingslijn. De reden is eenvoudig: ten noorden van de stelling heeft Nederland zich net overgegeven en rukken sterke Duitse troepen op, en ten zuiden waren de Duitsers al enkele dagen eerder geslaagd in een doorbraak over de Maas bij Sedan. Een omsingeling dreigt en kan enkel voorkomen worden door terug te trekken achter de Schelde. 
De stad ontsnapt door deze strategische beslissing aan zware artilleriebeschietingen, die alleszins onze stationsbuurt vandaag een heel ander uitzicht zouden hebben gegeven. In de nacht van 16 op 17 mei brandt wel nog de vrij nieuwe universiteitsbibliotheek uit. Bijna 900.000 boeken, waaronder ook vele kostbare werken, gaan in de vlammen op. Wie schuld draagt aan dit drama is tot op vandaag niet uitgemaakt, niettegenstaande een uitvoerig onderzoek door de Leuvense Procureur na de bevrijding. De Duitsers zijn ervan overtuigd dat de Britten geen fantastisch observatiepunt wilden achterlaten bij hun terugtrekking uit de stad en dat ze daarom de bibliotheek in brand staken. De Britten zijn ervan overtuigd dat Duitse artillerie, die vanaf de 14e mei regelmatig de stad beschoot, aan de basis ligt van de brand. Feit is dat heel weinig Leuvense kunstschatten van enige bescherming genoten toen de stad in het hart van een oorlogszone was terecht gekomen. Dat was overigens ook zo tijdens de bombardementen van mei 1944. 
De Duitsers tellen meer dan tweehonderd gesneuvelden in het Leuvense – de cijfers van de 255e ID zijn niet bekend en de andere eenheden totaliseren er 209 van 14 tot 17 mei – en de niet gepubliceerde verliescijfers langs Britse zijde waren allicht van dezelfde orde.

 

 

 

 

bombardementen op Amsterdam-Noord

De geallieerde bombardementen op Amsterdam-Noord vonden plaats in juli 1943 gedurende de Tweede Wereldoorlog. Ze waren gericht op de Fokker vliegtuigfabrieken te Amsterdam die waren ingeschakeld bij de Duitse oorlogsindustrie en kostten meer dan 200 mensen het leve


Tijdsverloop

Driemaal in korte tijd was de Fokkerfabriek doelwit van geallieerde aanvallen:
Op zaterdag 17 juli kwamen 41 B-17 Flying Fortress van het toen nog onervaren Amerikaanse achtste luchtleger in actie. Geen enkele bom raakte de Fokkerfabriek, ze kwamen op de omliggende woonwijken terecht, met 158 doden en 119 zwaargewonden als gevolg. Van de honderden gewonden overleden velen later aan hun verwondingen.
Op zondag 25 juli raakten 10 Engelse Mitchell bommenwerpers de vliegtuigfabriek wél en legde het complex grotendeels in de as.
Op woensdag 28 juli herhaalden vliegers van de Vrije Fransen het bombardement op de fabriek.

Gevolgen

De aanval van 17 juli 1943 is het zwaarste bombardement dat de stad Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog te verduren kreeg. Deze eerste geallieerde poging de Fokkerfabriek te vernietigen miste het doel goeddeels, de bommen kwamen vooral terecht op woonwijken, een klooster (Sint-Rosaklooster) en een kerk (Sint-Ritakerk) en een meubel- en teerfabriek. Er werden 106 huizen vernietigd, 206 huizen zwaar beschadigd en 676 huizen liepen glas- en dakschade op. De ruim 200 doden waren vooral burgerslachtoffers. Omdat het een geallieerde aanval betrof is deze gebeurtenis altijd een gevoelig onderwerp geweest.

De volgende twee aanvallen kostten nog circa 20 burgers in Noord het leven en de ravage was enorm. Fokker kon de rest van de oorlog het vroegere productiepeil niet meer bereiken.

Herdenking

Jaarlijks vindt op 17 juli een herdenking plaats op De Nieuwe Noorder. In 2003 is daar in opdracht van de stadsdeelraad een eenvoudig herinneringsmonument geplaatst.

Het Fokkermonument op De Nieuwe Noorder

Geallieerde Bombardementen in Amsterdam Noord op de Fokkerfabriek in juli 1943

Bombardement op Enkhuizen 15 maart,1945

De oorlog was redelijk rustig aan Enkhuizen voorbij getrokken. In de nacht ronkten regelmatig Britse bommenwerpers naar Duitsland via de oostelijke punt van West-Friesland en overdag trokken Amerikaanse bommenwerpers hun condensstrepen om hun dodelijke lading te bezorgen. Enkhuizen was daarbij een prima navigatiepunt. Een enkele keer was Enkhuizen zelf het doelwit voor bommen. Bij een bombardement in oktober 1940 in de omgeving van de Oostertuinstraat en Paktuinen was één persoon omgekomen.
Ondanks het gebrek aan van alles, was men de hongerwinter van ‘44/’45 doorgekomen. Maar er was natuurlijk voldoende ellende. Verschillende mannen waren onder dwang aan het werk gezet (Arbeitseinsatz) in Duitsland of waren ondergedoken om te ontsnappen aan de Duitse bezetter. Er waren verzetsgroepen in Enhuizen actief. De bekendste hiervan was de groep van Sas Sietses, Dirk Wierenga en Tom Kranenburg (waarvan de laatste twee een straatnaam hebben in Enkhuizen). Door verraad was deze groep eind 1943 in handen van de Duitsers gevallen. Een opvolgende groep had als mensen Adrie (Flip) Fluitman en Piet Smit in de gelederen. Piet Smit stond bekend om zijn organisatietalent en kwam later terecht bij de Packardgroep in Amsterdam (ook deze mannen hebben een straat vernoemd gekregen). De verzetsgroep begeleidde voornamelijk mannen die naar een onderduikadres moesten, en verzorgden de aanmaak en verspreiding van illegale krantjes, zoals de ‘Klaroen der Bevrijding’. Het zag er naar uit dat Enkhuizen de oorlog zou uitzingen zonder al te veel schade. Maar de laatste loodjes wegen vaak het zwaarst,… ook voor Enkhuizen. 
In de haven lagen in de oorlog verschillende boten van de Duitse Wasserschutzpolizei. Deze hielden toezicht op de vissers die nog wel eens een onderduiker zo trachtten weg te smokkelen en op het neerkomen van aangeschoten vliegtuigen en hun piloten. Maar in 1945 waren van deze Duitse vloot nog maar drie schepen actief. Tegen het einde van de oorlog patrouilleerden Geallieerde jagers met grote regelmaat over het IJsselmeer. De enige ontsnappingsmogelijkheid voor het Duitse 88ste Legerkorps in Noord-Holland was de Afsluitdijk en het gebruik van boten vanuit de havens aan het IJsselmeer. 
Op donderdag 15 maart, 1945, rond 16.15 uur, draaiden vier Spitfires van de Britse RAF, het No. 308 (Pools) ‘City of Krakow’ Squadron, op de haven van Enkhuizen aan. In twee formaties van twee doken ze naar hun doel, een twaalftal schuiten. Onder ieder toestel hing centraal een bom van 500 pond en onder iedere vleugel een bom van 250 pond. Deze twaalf bommen zouden voor een enorme schade zorgen en een groot aantal doden. 
De bommen vielen niet op de schuiten, maar op de huizen en in de straten rond de Drommedaris. De Spitfire was van oorsprong een jachtvliegtuig en het werpen van bommen was min of meer op goed geluk. Ondanks dat er Duisters met mitrailleurs op de vliegtuigen schoten, konden deze niet verhinderen dat de bommen neerkwamen. Een groepje van zes kinderen, druk doende een ‘fort’ te bouwen van een stapel stenen worden dodelijk getroffen door de bomscherven. Eén van de bommen komt terecht op de timmerfabriek waarbij ook direct vier mannen het leven lieten. Het personeel van de fabriek was juist geďnstrueerd wat te doen bij een luchtaanval. Cees Pruijs was juist op de terugweg naar de fabriek toen de luchtaanval begon, hij schuilde onder de poort van de Drommedaris en dacht daar veilig te zijn. Maar ook hij werd getroffen door de scherven en sneuvelde. Verder worden enkele wandelaars, genietende van het vroege voorjaarszonnetje, dodelijk getroffen. Arie Kenter schuilt in het Slijkwegje als een muur het begeeft en hij er onder bedolven raakt en omkomt. De 26 jarige Nel de Graaf-Ooteman wordt in de keuken van haar schoonmoeder dodelijk getroffen door een scherf in het hoofd. Haar schoonmoeder raakt zwaar gewond. Ook wordt een 15 jarige Duitse jongen, Albert Nordhorst, dodelijk getroffen als deze schildwachtdienst doet voor het huis van Smeding (het huidige restaurant ‘De Admiraal’). In de oorlog was hier de Jeugdstorm en de Hitlerjugend ondergebracht. Er komen uiteindelijk 23 mensen door de aanval om het leven. Verschillende raken gewond. De man met het meest geluk is waarschijnlijk de 70 jarige Gerrit Jordens. Deze liep net tussen de Drommedaris en de visafslag toen de bommen vielen. Een scherf vliegt door zijn pet en neemt een stukje hoofdhuid mee. Het bloed enorm, maar hij wordt opgevangen door omwonenden en kan het navertellen. Het bombardement is binnen twee minuten voorbij, maar de schade is enorm in het havengebied. 
Nagenoeg had geen huis in het havengebied meer een pan op het dak en waren de meeste ramen gesneuveld. De Drommedaris krijgt verschillende inslagen van scherven te verwerken en de brug naar de Dijk is vernield. Ter hoogte van de woning nummer 10 aan de Havenweg krijgt de dijk een voltreffer waardoor een metersdiepe krater ontstond. Tegenwoordig is van al deze schade weinig terug te vinden. Alles bij elkaar worden zo’n 300 schadegevallen gemeld met een totale waarde van 100.000 gulden. Twee panden zijn volkomen vernield en de timmerfabriek door brand verwoest. Dertien panden hebben zeer zware schade, de overige 279 schadegevallen lopen uiteen van licht (183) tot middelgrote schade. De getroffen mensen worden elders in Enkhuizen ondergebracht. 
De omgekomen mensen worden in eerste instantie naar het Café Van Leyen gebracht om vervolgens naar de Eucheriuskapel gebracht te worden (die dan al als gymzaal dienst doet). Per handkar worden de gewonden, die niet kunnen lopen, naar het Snouck van Loosenziekenhuis aan de Vijzelstraat gebracht. Hier raken de gangen overvol aan gewonden. Het ziekenhuis is niet berekend op zoveel gewonden. De dienstdoende artsen, Reitsma en Bekkering instrueren mensen van het Rode Kruis en de EHBO. Ortscommandant Preusz, die in Enkhuizen weinig druk uit oefende op de bevolking, zorgt dat er hout wordt aangevoerd voor het aanmaken van kisten zodat de slachtoffers fatsoenlijke begraven kunnen worden. De begrafenissen vinden op 19 en 20 maart plaats van negen uur in de ochtend tot zes uur ’s avonds. Ieder uur wordt er één dode begraven op de algemene en Rooms-katholieke begraafplaats. Naast de omgekomen Enkhuizers en de Duitse dode, waren er ook twee Amsterdammers omgekomen. Een vijf jarig jongetje, Johan Bekkers die als hongervluchteling was ondergebracht aan het Slijkwegje en Johan Koelink die met zijn boot in de haven lag werden slachtoffer van het bombardement. 
Tegen het einde van de oorlog werd Ortscommandant Preusz vervangen door de fanatiekere Bär. Deze vond de achterstallige werkzaamheden op het bureau van Preusz. Hij ging gelijk aan het werk. Als eerste werd de illegale drukkerij voor ‘De Klaroen der Bevrijding’ aangepakt. Deze was gehuisvest bij Keesman in de Westerstraat. Op 25 april, 1945 werd een inval gedaan in het huis van Keesman. Op de bonkende dreunen deed Sam Keesman zijn verloofde Gré open. De Duitsers doorzochten de woning, maar buiten twee illegale blaadjes werd niets gevonden. Leo Fluitman, een broer van Flip, die er logeerde, werd hardhandig aangepakt door een Hollandse SS ‘er. Sam Keesman vluchtte daarop de tuin in. Hier stonden ook Duitse soldaten, maar ze schoten niet op de voort rennende Keesman. Even later klonken toch enkele schoten, het was Bär zelf die het vuur opende. Keesman werd in beide benen getroffen en belandde in het ziekenhuis. Leo Fluitman en de vader van Keesman werden voor enkele dagen vastgezet in het hoofdkwartier van de Duitsers, de oude huishoudschool. Tien dagen later kwamen de Canadezen Enkhuizen binnen en werden verwelkomt door Keesman in een rolstoel. 
De vernielde huizen rond de haven van Enkhuizen werden weer gerepareerd en herbouwd. Tegenwoordig herinnerd weinig meer aan de actie van de Geallieerde vliegers. Met wat moeite zijn nog wat scherfgaten te vinden in de Drommedaris. 
Voor veel Enkhuizers moeten de laag vliegende Geallieerde bommenwerpers die na 29 april over Enkhuizen trokken de rillingen gegeven hebben. Maar ditmaal brachten ze geen bommen, maar waren deze bommenwerpers betrokken bij de zogenaamde Manna vluchten. Ze brachten voedsel naar de hongerlijdende bevolking van Holland. Op 5 mei, 1945, gaven de Duitsers zich over, maar de Manna vluchten gingen nog door tot 8 mei. 
De gedenkplaquette aan de voormalige visafslag
In oktober 2013 werd er een gedenkplaat onthuld aan de voormalige visafslag. Dit werd gedaan door een overlevende van het bombardement, de heer Henk Kenter, die toen het gebeurde negen jaar was. Kleine Henk kwam er zonder letsel van af, maar zijn vader, Arie, verloor wel het leven. Op de plaquette staan trouwens 24 namen, ook het slachtoffer van het bombardement op 6 oktober 1940, Klaas Spaan wordt genoemd. 
Tijdens de aanval van de Spitfires van het 308 Squadron, werd één van de toestellen toch aangeschoten door de Duitsers. De piloot, Andrzej Dromlewicz wist met zijn beschadigde hoogteroer tot aan Katwoude te komen waar hij een noodlanding maakte. Hij zette zijn toestel toevallig neer op de plek dat bij het verzet bekend stond als droppingsterrein ‘DRAUGHTS 12’. Hierdoor waren enige tijd geen wapendroppings mogelijk (tijdens de oorlog werden hier drie droppings uitgevoerd). In Volendam werd Dromlewicz opgevangen en doorgestuurd naar Monnickendam waar hij onderdook. Tot aan het einde van de oorlog zat hij eerst bij de bakker N. Out aan het Noordeinde, en later nog bij M. Veenstra aan de Kerkstraat. 
In een laatste poging door de Duitsers om de Geallieerde luchtmacht uit te schakelen werd op 1 januari 1945 operatie ‘Bodenplatte’ uitgevoerd. Volkomen onverwacht vlogen over de Geallieerde vliegvelden in Nederland en België de jagers van de Luftwaffe. Overal op de Geallieerde vliegvelden stonden binnen de kortste tijd vliegtuigen in brand. Maar er wisten ook verschillende de lucht in te komen om de Duitsers achterna te jagen. Toestellen van het 308 Squadron kwamen juist terug van een bommissie naar hun vliegveld B-61 bij Gent toen ze de aanval zagen gebeuren. De Poolse piloten gingen gelijk tot de aanval over en wisten in totaal 10 neer te schieten plus een aantal ‘waarschijnlijk’. 
Tussen 12 december, 1940 en 28 april, 1945 maakte het 308 Squadron 8812 operationele vluchten. In totaal werden 69 en ˝ vijandelijk vliegtuig neergeschoten, 13 waarschijnlijk en 21 beschadigd. 3770 bommen (waaronder de twaalf op Enkhuizen) werden afgeworpen. Ongeveer 660 vijandelijke voertuigen werden vernietigd of beschadigd. Tijdens de oorlog werd het 308 Squadron vierendertig maal verplaatst. Gedurende deze periode dienden 210 piloten onder 14 commandanten in het squadron. Er kwamen 24 piloten tijdens gevechten om het leven en 13 door ongelukken. Van 13 vliegers die een noodlanding hadden gemaakt of uit hun toestellen waren gesprongen, wisten 6 uit handen van de Duitsers te blijven en terug te keren naar hun eenheid.

De Paktuinen met de Drommedaris na het bombardement

 

De schade aan de Havenweg 5 in 1945,


De bevrijding van Enkhuizen

B-17 bommenwerpers trekken tijdens een Manna vlucht over Enkhuizen

bombardement op Mortsel 5 april 1943

Luchtaanval op Mortsel
Tijdens de bezetting van België was de Wehrmacht genoodzaakt beslag te leggen op diverse fabrieken waarin het oorlogsmaterieel kon onderhouden en gerepareerd worden. Het duurde niet lang of de Luftwaffe liet haar oog vallen op de gebouwen van wat eens de Minervafabriek was. Te Mortsel werden tot het bankroet in 1934 de bekende auto's en motoren geproduceerd. De ligging van de fabriekshallen was ideaal voor het vestigen van een "Frontreparaturbetrieb", een plaats waar vliegtuigen en motoren konden gereviseerd en hersteld worden. Mortsel lag op vrij korte, maar toch respectabele afstand van het Kanaalfront, de streek waar de Luftwaffe een groot aantal van haar toestellen verloor. Het zou bovendien geen probleem worden om geschoolde werkkrachten in de Antwerpse agglomeratie te vinden. En tenslotte was er de nabije ligging van het vliegveld Deurne.
De vliegtuigfirma Erla (genoemd naar het stadje waar in 1932 een automobielfabriekje gevestigd werd) werd vanaf 1935 ingeschakeld om het revolutionaire jachtvliegtuig van professor Willy Messerschmitt te produceren, de Bayerische Flugwerke model 109, kortweg Bf 109.
De fabriekshallen waren de geschikte plaats om beschadigde Bf 109 en Bf 110's te repareren. Daarnaast stond nog een verlaten fabriekje waar voor de oorlog parket geproduceerd werd. Daar zouden de Daimler-Benz-moteren gereviseerd worden. Reeds tijdens de Slag om Engeland draaide Frontreparaturbetrieb GL Erlawerk VII, kortweg 'Erla', op volle toeren. De Messerschmitts arriveerden van fronteenheden in België, Nederland, Noord-Frankrijk, tot bij Parijs. Na reparatie en revisie werden de toestellen vanop Deurne terug naar hun eenheid gevlogen. De geschiedenis van Erla in Mortsel werd reeds door Jean Dillen in zijn boek "Erlawerk VII Antwerpen-Mortsel 1940-1944" uitvoerig behandeld.
Het komen en gaan van Messerschmitts was niet aan het oog van de geallieerden voorbijgegaan. Doordat Mortsel heel wat dichterbij lag dan de overige Duitse vliegtuigfabrieken, toonde de USAAF een meer dan gemiddelde belangstelling voor Erla VII. De fabriekshallen te Mortsel vernietigen was dan ook een hoge prioriteit op de lijst van de USAAF...
Op 5 april startten niet minder dan negen Spitfire-Squadrons voor operatie 'Ramrod 52'. De Spits zouden voor de escorte instaan voor een Amerikaanse bombardementsstrijdmacht van negenenzeventig B-17's en vijfentwintig B-24 'Liberators'. De USAAF had op dat moment een vrij beperkte frontervaring. Op de vooravond van 5 april had zij welgeteld negenveertig oorlogsmissies op haar actief staan. De meeste doelwitten waren in Frankrijk gesitueerd; totnogtoe hadden de Amerikaanse bommenwerpers het slechts zeven maal gewaagd een doelwit in het Reich te bombarderen. Op dat moment was er binnen de hele Amerikaanse Achtste Luchtmacht welgeteld één vliegenier die reeds vierentwintig missies gevlogen had. Technical Sergeant Roscovitch van de 306 Bomb Group zou op 5 april aan de vereiste vijfentwintig missies deelgenomen hebben om met verlof te gaan.
De aanval van 5 april 1943, bij de Amerikanen geregistreerd als "Mission N° 50", zou tot één van de grootste oorlogsdrama's in de Belgische geschiedenis leiden. Tot vandaag is het een drukbesproken feit, dat verscheidene malen in de media uit de doeken gedaan werd. De trieste repercussies werden reeds door Achille Rely beschreven in zijn boeken "Bommen op Mortsel" en "Geen oorlogskruis voor Mortsel".
Binnen deze studie zullen we ons beperken tot het militaire aspect van de hele operatie, opdat de lezer zou begrijpen hoe het tot zo'n drama zou komen.
Voor "Mission N°50" werden in totaal 104 bommenwerpers ingezet. Volgens plan zouden de zware viermotorige bommenwerpers eerst een schijnmaneuver richting bezette kust uitvoeren. De B-17's zouden dit doen door een driehoekig traject boven de Noordzee af te leggen. De B-24 'Liberators' legden meer naar het zuiden een lusvormig traject af. Nadat beide formaties dit eerste gedeelte volbracht hadden, zouden ze elkaar boven North Foreland ontmoeten om vervolgens in rechte lijn Gent aan te vliegen. Ten zuiden van de Arteveldestad zou de formatie een bocht maken naar het noorden. Boven Lokeren lag het 'Intitial Point', de plaats waar de formatie om 15u.28 de koers voor de laatste keer zou wijzigen om in rechte lijn naar het doel te vliegen, dat om 15u.32 zou gebombardeerd worden. 
Vooraan de formatie B-17's zou de 306 Bomb Group vliegen, die dan respectievelijk gevolgd zou worden door de 91, 303 en 305 Bomb Groups, en de Liberators van de 44 en 93 Bomb Groups. Het hele opzet lijkt voor de buitenstaander vrij ingewikkeld, en blijkbaar was het dit ook voor de Amerikaanse vliegeniers. Van bij het verlaten van de Britse kust zouden de problemen zich opstapelen.
Afspraak gemist 
De vier Bomb Groups, met elk plusminus twintig Vliegende Forten, verlieten netjes op tijd de Engelse kust en volbrachten het afleidingsmaneuver boven de Noordzee.
De Liberators van de twee overige Bomb Groups (44 en 93 BG) zaten na afloop van het afleidingsmaneuver enkele minuten achter op schema. De Vliegende Forten bleven niet boven de plaats van afspraak wachten en waren reeds richting bezette kust vertrokken. Hierdoor zouden de Liberators een heel eind achter de Forten hinken. De Amerikaanse formatie was nu in twee stukken gebroken. Bovendien waren twee kleinere formaties moeilijker te verdedigen, zowel door de Britse Spitfires als door de Amerikaanse boordschutters. Door het uitvoeren van de schijnmaneuvers was de Luftwaffe wel verwittigd dat er een grootscheepse aanval op komst was. Reeds om 14u.44 uur startten de Focke-Wulfs van de II. Gruppe vanop Vitry. Het duurde niet lang of ze werden bijgestaan door de Wevelgemse III.Gruppe. 
Spitfire-escorte
De Luftwaffe wist blijkbaar erg snel waar de raid heen ging en richtte al haar beschikbare krachten op het Vlaamse luchtruim. Even werd gewacht, de Luftwaffepiloten wisten immers dat de Spitfire-escorte haar opdracht binnenkort zou moeten afbreken. Vanaf dat moment zou men de Amerikaanse bommenwerpers rechtstreeks aanvallen.
De schermutselingen tussen de Spitfires en de Focke-Wulfs bleven dan ook beperkt. Enkel de Kenley Wing (403 en 416 Squadron), geleid door Wing Commander 'Johnnie' Johnson, bracht het tot een treffen, waarbij zij claimden een vijftal toestellen beschadigd te hebben.
Ons is slechts bekend dat een FW 190 A-4 (Werknummer 5679) van het 2./JG 2 een kraaklanding uitvoerde bij Oostende. Het toestel raakte voor 90 % beschadigd en de piloot, Lt Johann Wiethof, was gewond. Mogelijks was Wiethof niet betrokken bij de verdediging van de Amerikaanse formatie, doch tijdens een onderschepping tijdens één van de afleidingsraids boven de Franse kust.
Bij het Sas van Gent braken de Spitfires, zoals op hun vluchtplan voorzien was, de escorte van de Amerikaanse formatie af. De geallieerde jachtpiloten hadden immers nog net genoeg brandstof in de tanks om hun thuisbasis te bereiken. En hierop hadden de Focke-Wulf-piloten gewacht. Van zodra de Spitfires slechts silhouetten waren, veranderden de Duitsers de propellorstand van hun jagers en ontgrendelden ze hun bewapening. Het was 15u.35.
'Schlageter' valt aan
De eenheid die de Vliegende Forten zou aanvallen was het gevreesde Jagdgeschwader 26, een Luftwaffe-onderdeel dat tot dan toe veel ervaring had met het bestoken van B-17's. Reeds in de buurt van Gent voerden de Schlageterjagers de eerste preciese en bliksemsnelle aanvallen uit. Ze zouden langsheen het hele traject naar Antwerpen de Amerikanen op de hielen zitten, waardoor de formatie uit elkaar viel.
We kunnen dan ook stellen dat het ondermeer de verbeten Duitse aanvallen waren die tot de tragedie bij Mortsel zouden leiden.
De Group die vooraan vloog, de 306 BG, werd geleid door Lt Col James W. Wilson. In het vliegtuig zat eveneens Brigadier Generaal Frank A. Armstrong, de bevelvoerder van de 1st Bombardement Wing. Hij had een jaar ervoor, op 17 augustus 1942, de allereerste B-17-aanval op bezet gebied geleid, en werd beschouwd als de meest ervaren tacticus van de Achtste Luchtmacht. Mensen van zijn kaliber werden van hogerhand niet aangemoedigd aan operaties deel te nemen. Hogere officieren als hij waren te kostbaar om te verliezen. Bovendien was er het gevaar dat een man als hij in krijgsgevangenschap teveel details zou kunnen geven.
Brig. General Frank A. Armstrong wou zich die 5de april rekenschap geven van de moeilijkheden waarin zijn mannen moesten vechten in het luchtruim van het bezette Europa. In zijn gevechtsrapport, dat hij na de missie schreef, lezen we : "Met gebarentaal maakte ik de piloot duidelijk dat hij alert moest zijn voor vroegtijdige aanvallers... Wees naar twee condesatiestrepen die uit het Franse luchtruim opdoken, hoog aan de hemel, rechts... Observeerde de formatie vanuit het zijraampje. Keek naar België bij het overvliegen van de kust, en vroeg me af hoe de mensen het er stelden..." 
L'il Abner
Seconden later barstten de gevechten pas goed los. Blijkbaar verliep de coördinatie tussen de Duitse jagers erg goed, want ze concentreerden hun aanvallen haast uitsluitend op de vooraan vliegende 306 Bomb Group. Hierdoor zouden ze de hele formatie ontredderen. Iemand van de achter vliegende 303 Bomb Group bevestigde : "De Duitse jagers bewerkten vooral de jongens die vooraan vlogen, ik zag er enkele naar beneden storten." In totaal zouden er vier 306 BG machines niet naar hun basis terugkeren. Een eerste machine van deze Group, met het serienummer 42-25431 en de naam "L'il Abner", raakte zwaar beschadigd door de granaten van een Focke-Wulf. De viermotor moest de formatie verlaten en werd kort daarop terug aangevallen. De machine explodeerde bij Wilrijk.
De dood van Geisshardt
Haalde de Kommandeur van de II.Gruppe, Hptm Wutz Galland een eerste B-17 naar omlaag, de Wevelgemse III.Gruppe zou er haar Kommandeur bij verliezen. Hauptmann Friedrich "Fritz" Geisshardt, sinds januari '43 Kommandeur, was die namiddag opgestegen vanop Wevelgem. Fritz Geisshardt had op dat moment maar liefst 102 overwinningen op zijn naam staan, en was daardoor één van de topschutters van de Luftwaffe.
Geisshardt had tijdens de vier maanden dat hij op Wevelgem Kommandeur was, geen enkele overwinning behaald. Mogelijks was hij die 5de april vastbesloten om zijn eerste 'Viermot' neer te halen. Hij leidde zijn formatie in het gevecht en dook meermaals tussen de B-17's door. Misschien onderschatte hij de vuurkracht van het Amerikaanse .50 machinegeweer. Het duurde niet lang of de Kommandeur kreeg er de volle lading. De Duitse piloot raakte zwaar gekwetst en moest een noodlanding uitvoeren op Gontrode, een voormalig vliegveld uit de Eerste Wereldoorlog bij Gent (andere bronnen vermelden het vliegveld Sint-Denijs-Westrem).
De Schlageter-jagers het ook op Generaal Armstrongs machine gemunt. Zonder twijfel beseften zij dat door deze machine uit te schakelen, of dan toch te hinderen, de hele raid een mislukking zou worden. Armstrong's B-17 werd in de buurt van Gent en Antwerpen maar liefst vijfentwintig maal aangevallen... Na zijn terugkeer schreef hij : "Vervloekte een FW 190 die rechts op ons afkwam. Keek naar de eerste vijandelijke aanval, vooraan de formatie. Ik toonde de piloot de aanvallers, die gevaarlijker werden. Duwde de stuurknuppel naar voor op het moment een FW 190 onze neus aanviel. Ik had weer eens het stuur vanop de achterbank overgenomen, en het speet me...
Dook weg toen een granaat de zuurstof en hydraulische installatie aan stukken reet. Keek naar de piloot en co-piloot om te zien of ze gewond waren. Voelde me misselijk worden... controleerde de zuurstofvoorraad - druk was nu onder 100... Piloot vertelde me dat Capt. Robert J. Salitrnik, navigator, geraakt was en hulp nodig had. Snoof nog eens van de zuurstof en ging naar het neusgedeelte. Kroop doorheen hydraulische vloeistof op handen en knieën naar navigator. De navigator had een grote granaatsplinter in z'n been en bloedde hevig. Ik gebruikte de darm van het zuurstofmasker om af te binden. Hielp de navigator zijn parachute af te leggen en hem neer te leggen. Spande de darm weer aan en vroeg de bommenrichter deze vast te houden. Nam gegevens uit de zak van de navigator en trachtte onze positie op de kaart te bepalen. Kon de map niet openplooien. Kroop terug naar piloot om hem onze kompaskoers op een stukje papier te geven... verloor informatie op de vloer en kroop terug..."
Dit verslag toont duidelijk hoe verward de situatie aan boord van het leidinggevende vliegtuig in de buurt van Antwerpen moet geweest zijn.
Arstrongs Fort keerde terug naar Groot-Brittannië maar de Group Navigator, Captain Robert J. Salitrnik, moest naar een hospitaal in Diddington gebracht worden. In zijn wonden, veroorzaakt door de Schlageter-aanvallen, ontstond gangreen en op 16 april overleed de navigator. Thans ligt hij begraven in Californië.

Op 5 april 1943 werd Mortsel het slachtoffer van het zwaarste bombardement ooit in de Benelux. De Amerikaanse bommenwerpers wilden de Erla-fabriek

 

 

 

 

 

 

Ik ben gelijk een wilde te keer gegaan en ben onder het puin uit gekropen. Ik stond onder de blote hemel, geen gebouw meer. Mijn kleren waren stuk en sokken

 

 


Tranen over Mortsel 
 

Amerikaanse ambassadeur erkent leed van WOII-bombardement in Mortsel

Verwarring boven het doelgebied
Intussen naderden de vier Bomb Groups Antwerpen. Vooraan vloog nog steeds de 306 BG, maar doordat deze piloten tussen Gent en Antwerpen voortdurend moesten maneuvreren om de Schlageter-aanvallen te mijden, was deze "Lead Group" uit koers geraakt en had ze snelheid verloren. Het hele bombardement dreigde toen reeds een mislukking te worden. Boven Lokeren werd de "Bomb Run" ingezet, de aanloop naar het doelwit. Luttele seconden voor de aanval werd - totaal onverwacht - nog een laatste koerscorrectie ingevoerd. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat het JG 26 nog steeds op de formaties dook, en bovendien strooide nu ook de Flak die rond Antwerpen opgesteld stond, granaten in de lucht. Omstreeks halfvier openden de bommenrichters van de 306 BG vanop een hoogte van 24 000 voet (plusminus zes kilometer) de bommenluiken. Dat ze het doelwit, de Erla-fabrieken te Mortsel, zouden raken, was op dat moment haast uitgesloten. In dergelijke gevallen zou de raid afgelast moeten worden, maar mogelijks lagen de Amerikanen zo zwaar onder vuur dat ze liever de bommen dropten om hun eigen hachje te redden.
Door het bijsturen van deze Group geraakten de "Bomb Runs" van de daarachter vliegende drie Groups reddeloos in de knoei.
De 91 Bomb Group volgde, maar op het ogenblik dat de bommenrichter vooraan deze Group de ERLA-fabrieken in zijn bomvizier had, hingen onder zijn formatie de laatste toestellen van de 306 BG ! Om de eronder vliegende toestellen te mijden, werden het lossen van de bommen met drie tot vijf seconden uitgesteld.
De 303 BG daarentegen kampte met een ander soort problemen. Tijdens de luttele seconden boven het doelwit werkte het bommenvizier niet van de B-17 die vooraan de Group vloog. Ook hier werd het lossen van de bommen met 4 ŕ 6 seconden uitgesteld, een eeuwigheid voor de betrokken bemanningen en een heel eind voor een vliegtuig dat enkele honderden kilometers per uur vloog. Hierdoor dropten de zeventien bommenwerpers van de 303 BG hun lading lukraak op de stadskern.
Even later arriveerden de Liberators, die de bommenluiken openschoven.
Beneden hen was de hel reeds losgebarsten.
Het bombardement was een totale mislukking. Er vielen inderdaad enkele bommen binnen het terrein van het doelwit, Erla VII. Hierbij gingen enkele Messerschmitt-rompen verloren alsook één volledig toestel, de Bf 109 G-4 met het Werknummer 14992. Het behoorde aan de 12./JG 2 en werd op dat ogenblik gereviseerd.
Vele huizenblokken te Mortsel waren beschadigd of lagen in puin. 936 burgers vonden de dood, waaronder 209 kinderen van drie scholen. 220 huizen waren vernield, nog eens 609 zwaar beschadigd en 3136 beschadigd.
Joe Consolmagno, de navigator van de L'il Abner die bij Wilrijk neerstortte, werd na zijn landing in een wagen gestopt, die in de richting van de getroffen stad reed. De Luitenant schreef later : "We arriveerden in een wijk waar brandslangen over de straat lagen. Overal lagen brokstukken en puin. Een man kwam uit een smeulend gebouw, blijkbaar een school. In zijn armen hield hij het slappe lichaam van een kind. "Wat zeg je daarop ?", vroeg mijn bewaker. "Dit zijn je vrienden, je bondgenoten". Er was geen antwoord op zijn vraag. Zelfs de dodelijke stilte leek ongepast."
Doorheen België laaide een golf van solidariteit met de slachtoffers. Dokters onderzochten de verstikte slachtoffers om voorzorgsmaatregelen bij de burgerbescherming te verbeteren.
Het bombardement van 5 april zou een verschrikkelijke en bloedige waarschuwing zijn voor de Belgische bevolking, die zich nu realiseerde dat de luchtoorlog zich niet enkel boven Duitsland afspeelde, en dat de "bevrijding" ook de dood met zich kon meebrengen. De Belgische ambassadeur in de Verenigde Staten zond een officiële protestbrief, en van haar kant sprak de Duitse propaganda over de "Luftgangsters" en wijdde zij grote reportages aan de begrafenisplechtigheden van de slachtoffers. Velen onder hen zouden nooit geďdentificeerd worden en hun lichamen werden op een speciaal ereperk ter aarde besteld.
Volgens Achille Rely zijn de catastrofale gevolgen vooral te wijten aan

a) de slordige voorbereiding van de missie

b) het slecht functioneren van enkele Norden-bomviziers en

c) een tijdverlies van een viertal seconden bij het droppen van de bomlading om geen bommenwerpers van de 306 BG te raken die zich op het kritieke ogenblik onder de 91 BG bevonden.
We kunnen daarbij stellen dat het vooral de aanvallen op de formatie door het Jagdgeschwader 26 waren die de Amerikaanse formatie danig ontredderde.
Het blijft tenslotte een open vraag of het al dan niet verantwoord was om vanop 24 000 voet en hoger (meer dan zes kilometer hoogte), een delikaat gesitueerd doelwit als Erla te willen treffen zonder een bloedbad in de omgeving te veroorzaken.
De aanval op Mortsel zou een smet betekenen op het blazoen van de USAAF. Daarenboven bleek nog dat de luchtverkenningen die de volgende dagen uitgevoerd werden de geallieerden duidelijk maakten dat Erla VII nauwelijks geraakt was en dat de heropbouw reeds volop aan gang was.
Door deze verschrikkelijke resultaten zou Erla niet meer in haar werk gestoord worden. De Messerschmitts rolden uit de werkhallen, tot aan het einde van de Duitse bezetting...

Burgers getroffen door bombardementen MortselBurgers getroffen door bombardementen Mortsel

 


 

Vandaag 70 jaar geleden bombardeerden Amerikaanse gevechtsvliegtuigen de ERLA fabriek in Mortsel, maar de bommen misten doel en vielen pal op Mortsel. Zo'n 1000 doden en evenveel gewonden waren de zware tol : het zwaarste bombardement op Belgisch grondgebied. Zo klonk de massabegrafenis van 9 april - rechtstreeks en integraal - op Zender Brussel ...

bombardementen op Venlo 1940---1944

De bombardementen op Venlo betreft een serie bombardementen op de stad tijdens de Tweede Wereldoorlog. De bombardementen concentreerden zich op twee plaatsen: de Maasbruggen en de Duitse Fliegerhorst
"Incidenten"
10 december 1940
Op 10 december 1940 was een squadron van de Royal Air Force op weg naar Duisburg voor een bombardement, maar in plaats daarvan werd Venlo gebombardeerd met brisantbommen en brandbommen. De oorzaak van deze vergissing is onbekend. Bij een van de dertien bominslagen kwam op de Straelseweg een kind om het leven
8 april 1943
Duits afweergeschut in de regio bestookte een Britse bommenwerper, die na een aanval op Duisburg terugvloog naar de basis waar hij gestationeerd was. Het toestel stortte neer in Blerick, nadat hij zijn overgebleven bommen had gelost boven Venlo-Zuid. Hierdoor vielen 9 burgerslachtoffers.
27 september 1944
Op 27 september 1944 voerden twaalf duikbommenwerpers een aanval uit op het stationsemplacement. Daarbij kwamen twee Duitsers om het leven. Over Venlose slachtoffers is niets bekend.
Bombardementen op de Fliegerhorst
Hoewel de Duitsers direct na de aanleg van de Fliegerhorst in Schandelo een schijnvliegveld hadden aangelegd, werd de Fliegerhorst zelf toch een aantal keren gebombardeerd. Het schijnvliegveld bleek niet het beoogde resultaat te leveren. Hieronder volgen de bombardementen op de Fliegerhorst die de archieven vermelden:
25 februari 1944
Tijdens een bombardement op de Fliegerhorst kwamen zes Venlonaren om het leven. Aan Duitse zijde vielen nog eens zeven militaire slachtoffers.
28 juni 1944
De Fliegerhorst werd deze dag gebombardeerd door één De Havilland Mosquito van de Royal Air Force. Hierbij kwamen vier Duitse militairen om het leven.
15 augustus 1944
Op 15 augustus 1944, Maria-Hemelvaart, vielen 17 slachtoffers aan Venlose zijde. De geallieerden lieten te vroeg hun bommen los, waardoor deze op de woonwijk Leutherberg terecht kwamen. Hierdoor kwamen 11 mensen om het leven.Van de zijde van de Duitsers zijn geen gegevens over slachtofers bekend.
3 september 1944
Zowel op de Fliegerhorst als op de Cöln-Mindener Bahn vielen doden door een bombardement op de Fliegerhorst.
De bombardementen op de Maasbruggen
De Bombardementen op de Maasbruggen vonden plaats tussen 13 oktober en 19 november 1944, 13 in totaal (soms tweemaal per dag). Terwijl het grootste deel van Nederlands Limburg al bevrijd was, werd rond Venlo nog hevig gevochten. Uiteindelijk werd het in 1940 bij Venlo gevoegde Blerick op 3 december 1944 bevrijd, Venlo zelf werd pas op 1 maart 1945 bevrijd.Hier beneden volgt een chronologische volgorde van de bombardementen.
13 oktober 1944
Het bombardement van vrijdag 13 oktober was het eerste in een reeks bombardementen op de Venlose Maasbruggen. Een squadron van 41 vliegtuigen naderde de bruggen, maar door een dik wolkendek waren ze niet zichtbaar. De vliegtuigen losten op goed geluk hun bommen die vooral aan de oostzijde van de binnenstad vielen, maar ook in het gebied verder oostwaarts richting Stalberg. Op 15 oktober was eveneens een bombardement gepland, maar dit werd afgelast. In totaal eiste het eerste bombardement 60 burgerslachtoffers waarvan de laatsten pas na de bevrijding werden geborgen.
18 oktober 1944
Onder slechte weersomstandigheden werden de Maasbruggen op 18 oktober 1944 opnieuw onder vuur genomen. De afgeworpen bommen misten echter hun doel en kwamen neer bij het Dominicanenklooster Mariaweide, de Roermondsestraat, de Havenstraat en de Spoorstraat. Ten minste twee burgers kwamen hierbij om het leven.
28 oktober 1944
36 bommenwerpers stegen op vanaf Melsbroek en Vitry-en-Artois. De meeste bommen die werden afgeworpen kwamen neer op de oostoever, in de binnenstad van Venlo. Ook werden de opritten naar de Maasbruggen geraakt, maar de materiële schade was miniem. Het bombardement eiste 55 burgerlevens.
Dezelfde middag werden de bruggen nogmaals gebombardeerd door nog eens 36 vliegtuigen. Vooral Blerick werd zwaar getroffen. Onder andere de Lambertuskerk werd zwaar getroffen waardoor de gewelven instortten. 19 burgers lieten bij de twee bombardementen het leven.
29 oktober 1944
Op deze zondag vertrokken 30 bommenwerpers vanaf vliegbasis Melsbroek richting Venlo; vanaf Vitry nog eens zes andere. Vooral de westelijke opritten van de bruggen werden geraakt, maar ook het Blerickse centrum werd flink getroffen. In totaal lieten 19 mensen het leven.
3 november 1944
Op 3 november zouden aanvankelijk 72 bommenwerpers vanaf Vitry in Noord-Frankrijk en vliegbasis Melsbroek opstijgen, maar door slechte weersomstandigheden werd het bombardement afgelast. 48 toestellen hadden dit bericht echter niet gekregen en stegen toch op. Uiteindelijk zouden slechts 13 vliegtuigen Venlo bereiken die 52 bommen losten. Wederom speelde het slechter weer de aanvallers parten, want de bruggen werden andermaal gemist. Vooral de zuidzijde van de Venlose binnenstad werd geraakt, waarbij in totaal 46 doden vielen.
4 november 1944
Op deze dag zetten vanuit Noord-Frankrijk en vliegbasis Melsbroek 48 bommenwerpers in de ochtend koers richting Venlo. Door een dik wolkendek was de Maasbruggen wederom niet te onderscheiden, waardoor de afgeworpen bommen hun doel misten. De bommen kwamen vooral neer op de Maaskade, Bolwaterstraat, Dwarsstraat, Ginkelstraat, Bergstraat en Puteanusstraat.
's Middags werd een nieuwe poging ondernomen om de bruggen te bombarderen met 72 bommenwerpers. Hoewel enkele afgeworpen bommen de opritten naar de bruggen wel raakten, bleven de bruggen zelf nog steeds bruikbaar. Andere bommen kwamen neer op Station Venlo, slachthuis Venlo, het station van de Maas-Buurtspoorweg, postkantoor, het grootste gedeelte van de binnenstad en de elektriciteitscentrale op de Bolwaterstraat. In Blerick vielen die dag zes doden, aan Venlose zijde dertig.
5 november 1944
Het bombardement van 5 november miste wederom doel. In plaats daarvan kwamen de bommen neer in het Hoogkwartier waarbij twee burgers en dertien zusters van het klooster Zusters van de Liefde op de Grote Kerkstraat omkwamen. 25 andere zusters werden uiteindelijk gered.
18 november 1944
Dit was de op één na laatste poging om de Maasbruggen te vernietigen. 54 bommenwerpers kozen het bewolkte luchtruim, waar af en toe gaten in vielen. 164 bommen werden afgeworpen, maar de bemanningen konden hun doel niet zien door het wolkendek. De bommen vielen verspreid over de hele stad, inclusief Blerick. In ieder geval was de operatie gedeeltelijk geslaagd, want de spoorbrug was na het bombardement onbruikbaar geworden. Deze dag viel er één burgerslachtoffer.
19 november 1944
In totaal vertrokken 68 vliegtuigen deze dag richting Venlo. Hoewel het deze dag bewolkt was, kon men de Maasbrug door de gaten in het wolkendek redelijk goed onderscheiden. Toch raakten slechts enkele bommen hun doel; enkelen vielen verspreid over de hele binnenstad en het gros ver voor of ver voorbij het doel zelf. De brug raakte zwaar beschadigd, maar was nog steeds terug te brengen in bruikbare staat. Er vielen deze dag 19 burgerslachtoffers.
Opblazen van de brug
Hoewel al deze bombardementen veel schade en slachtoffers hebben veroorzaakt, bleven de Maasbruggen intact. Uiteindelijk bliezen de Duitsers op 25 november 1944 zelf de Maasbruggen op tijdens hun aftocht
Over het sentiment onder de bevolking
De Venlose dialectzanger en dichter Funs van Grinsven vertolkte kort na de bevrijding het sentiment van de Venlose bevolking over de oorlog, bevrijding en wederopbouw in een lied. Het refrein van dat lied gaat als volgt:
Venlo mien aldblumkes oet puin gaon weer bleuje't trouwe hert geit greujein ós alde stadVenlo mien alddien kinder die hebbe getreurdtoch zingk weerós stad van plezeer't leid is gauw verkleurd Venlo mijn oudbloemen uit puin gaan weer bloeien't trouwe hart gaat groeienin onze oude stadVenlo mijn oudje kinderen hebben getreurdtoch zingt weeronze stad van plezier't leed is gauw verkleurd

De Venlose binnenstad na de bombardementen, met rechts de zwaar beschadigde toren van de Sint-Martinuskerk 
Datum 10 december 1940
25 februari-3 september 1944
13 oktober-19 november 1944 
Locatie Venlo, Nederland 
Resultaat bevrijding van Nederland 
Verliezen 

285 tot 455 slachtoffers

 

 

Zicht vanuit de binnenstad ter hoogte van V&D op het Nedinsco-complex

 

 

Mitchell bommenwerpers stijgen op van Melsbroek voor een bombardement op Venlo

Bombardement V2 op Antwerpen 1944

V 2 bommen op Antwerpen
In september 1944 word Antwerpen bevrijd en komt de haven ongeschonden in de handen van het geallieerde leger, de Duitsers houden echter stand op linkeroever en in Merksem.

Burgers zoeken dekking bij de beschieting op de linkeroever
Antwerper haven
Tussen 5 en 7 september beschieten de Duitsers van het Vlaams Hoofd de Scheldekade en de binnenstad, waarbij het Torengebouw (voor de Antwerpenaars “den Boerentoren”) het geliefkoosd doelwit was mede omdat er een observatiepost was en er een Belgische driekleur wapperde en de toren moest meer dan 50 inslagen verduren. 
Het Antwerper torengbouw in 1944

Na de bevrijding kregen de Antwerpenaren nog een andere verschrikking te verduren, de Duitsers bestookten de stad met hun nieuwste ‘vergeldingswapens’ in een poging om Antwerpen met de grond gelijk te maken en de geallieerde aanvoer van oorlogsgoederen te verhinderen, de tol voor de sinjoren was zwaar, 4.500 doden, 7.000 gewonden en 50.000 vernielde woningen. 

Op 7 oktober 1944 sloeg om 22u een V2-bom in op Brasschaat, een gemeente ten noordoosten van Antwerpen. Op vrijdag 13 oktober 1944 viel rond kwart voor tien 's morgens de eerste V-bom met een oorverdovende klap op de Antwerpse binnenstad, niemand wist wat er gebeurde was, enkelen dachten dat het om een Duitse luchtaanval ging, anderen dachten aan een gasexplosie.

Anderen beweerden dat de 'Essor commercial' in de Schildersstraat of het fabriekje van Solvay in de Zwijgerstraat ontploft was. 
Toen Britse experts ter plaatse kwamen in de Schildersstraat, vlak bij het Museum voor Schone Kunsten, werd het duidelijk, de bom, een V2, had een volledig huizenblok op de hoek van de Schildersstraat en de Karel Rogierstraat vernield. De balans was zwaar, 32 doden en 46 gewonden. Ook het nabijgelegen Museum voor Schone Kunsten werd getroffen? Een aantal kunstwerken werd door rondvliegend puin beschadigd of vernield. 
De volgende dag schreef iemand in het dagboek van de 7e Britse divisie: 'Something beastly fell in Antwerp yesterday.' Diezelfde dag viel nog een V2 op het stedelijk slachthuis aan de Lange Lobroekstraat? er vielen 12 doden te betreuren.

Op 14 oktober kreeg de geallieerde opperbevelhebber het bericht dat er de dag voordien aanvallen met 'big ben's' (V2’s) waren uitgevoerd op Antwerpen. De Britse luchtmacht liet bovendien weten over informatie te beschikken dat aanvallen met 'divers' (V1’s) in de nabije toekomst te verwachten waren. 

Op 9 december vernielde een bom het gebouw van de scheepvaartmaatschappij A.M.l. op de hoek Sint-Katelijnevest-Meirbrug. Een inslag op 29 december legde de achterzijde van het postgebouw op de Lombardenvest in puin. Op 6 januari 1945 werd het Torengebouw getroffen. Een groot gat van enkele meter diameter was het resultaat; huizen in de buurt stortten in. De schade was natuurlijk aanzienlijk, maar de stalen structuur van het gebouw werd in geen enkel opzicht aangetast, ondanks een verbogen hoofdpijler. 

v2 Raket op lanceerstelling

Tijdens de eerste weken van het offensief met de V-bommen trachtte de geallieerden deze aanvallen geheim te houden, maar het nieuws ging als een lopend vuurtje door de stad. Naarmate de dagen vorderden vielen er steeds meer V-bommen, nam het aantal doden en gewonden toe en kon men niet meer naast de vernielde huizen kijken. Al snel leerde de Antwerpenaar het typische geluid van de V1-stuwmotor te herkennen. Wanneer de motor ophield, was dit het signaal om dekking te zoeken en bang af te wachten tot de bom ergens zou neerkomen.
De V2 was een ander verhaal. Men hoorde of zag deze supersonische raket die uit de stratosfeer neerviel niet aankomen. Door de enorme snelheid en kracht bij impact boorde een V2 zich diep in de grond alvorens te exploderen. De V1 explodeerde op de begane grond waardoor meer slachtoffers in de omtrek vielen.
Een V2 bracht dan weer meer schade toe aan allerhande leidingen, zoals gas en water. De geallieerden waren echter niet van plan om de stad en de uiterst belangrijke haven zomaar prijs te geven aan de Duitse aanvallen. Geleerd uit de aanvallen op Londen zond men al zeer snel enkele luchtafweerbatterijen naar Antwerpen die ervaring hadden opgedaan in het neerhalen van V1's. Bovendien hadden de Britse en Amerikaanse bevelhebbers de bui reeds zien hangen, op 1 oktober vroeg het SHEAF (geallieerd opperbevel) de overplaatsing van het 30e AAA (Anti Aircraft Artillery) naar Antwerpen in geval van aanvallen met V-bommen.
Col Brucker liet nog weten dat er zelfs drie bataljons luchtafweer geleverd konden worden, waarvan twee die ervaring hadden opgedaan in Engeland. Uit rapporten van de inlichtingendiensten bleek zelfs dat men het begin van de Duitse aanval met V-bommen tegen Brussel kon verwachten vanaf 15 oktober, Antwerpen zou vanaf 25 oktober aangevallen worden. Deze inlichtingen bleken dus redelijk accuraat te zijn. 
Het bevel over de geallieerde luchtafweer kwam vanaf november in handen van de Amerikaanse brigadegeneraal Clare H. Armstrong, die zijn opleiding had genoten aan de prestigieuze militaire academie van West Point en sedert februari 1944 commandant was van de 50e US luchtafweerbrigade. Hij was een man die veel ervaring had opgedaan in Normandië en bij de verdediging van Parijs tegen vijandelijke luchtaanvallen.

Bombardement op Middelburg 17 mei 1940

Het bombardement op Middelburg vond plaats op 17 mei 1940 tijdens de strijd in Zeeland.
Wat voorafging
Na de Duitse aanval op Nederland in 1940 capituleerde het grootste deel van Nederland op 15 mei 1940 na het bombardement op Rotterdam. De provincie Zeeland was een afzonderlijk commando onder leiding van de Commandant Zeeland (C.Z.), schout-bij-nacht Hendrik-Jan van der Stad, die rechtstreeks verantwoording verschuldigd was aan de Nederlandse opperbevelhebber, generaal Henri Winkelman. Zeeland capituleerde niet op de vijftiende mei.
Vanaf de eerste oorlogsdag werden Franse troepen in Vlissingen ontscheept onder leiding van de Franse Général de Brigade Mary Durand ingevolge het plan Hypothčse Hollande. De opzet was om als deel van dat plan de Scheldemonding met troepen te versterken, maar daarover bestond geen formele overeenkomst met Nederland. De komst van de buitenlandse troepen werd onmiddellijk bondgenootschappelijk gedoogd.Op 15 mei vielen Duitse eenheden van het SS-Regiment "Deutschland" Zeeland binnen. In de ochtend van 17 mei waren Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen nog niet in Duitse handen.
Civiel en militair bestuur
Op 14 mei riep de commissaris van de Koningin in Zeeland, Johan Willem Quarles van Ufford, de burgemeesters van de steden Middelburg, Veere en Vlissingen bijeen om te overleggen over de evacuatie van de bevolking. Zonder verder contact met de Staten van Zeeland vertrok hij nog diezelfde avond naar Oostburg. De volgende dag motiveerde hij vanuit Zeeuws-Vlaanderen dat hij het provinciaal bestuur en zijn werkzaamheden …op vrijen Nederlandschen en gewestelijken bodem onbelemmerd en vrij van buitenlandsche invloeden… wilde uitoefenen. De burgemeester van Middelburg was Jan van Walré de Bordes.Deze drong vanaf 15 mei bij de Nederlandse en Franse militaire autoriteiten en bij het provinciebestuur tevergeefs aan om Middelburg tot open stad te verklaren. Ook de Commandant Zeeland vertrok naar Zeeuws Vlaanderen nadat hij zijn troepen op Walcheren aan de Franse Contre Amiral Charles Platon had overgedragen. Op 16 mei kwam hij zonder zijn staf in Breskens aan. Gezien die situatie voorzagen de Franse militaire autoriteiten een bestuursvacuüm op Walcheren, waarna besloten werd om admiraal Platon tot “Gouverneur van Walcheren” te benoemen.Daarmee kreeg een Franse marineofficier soeverein gezag op Nederlands grondgebied met de status van bezet gebied.
Bombardement, terreurbombardement of beschietingen?
De aanwezigheid van de Franse troepen in Zeeland had verregaande consequenties toen het Nederlandse leger op 15 mei capituleerde en de strijd in Zeeland verder ging. In de avond van 16 mei werd de Sloedam door Franse troepen in staat van verdediging gebracht in een poging de Duitse opmars te stuiten. Vanwege de Duitse druk moesten zij hun posities echter al de volgende dag, eerder dan voorzien, loslaten. Die situatie werd funest voor Middelburg, maar over de wijze waarop de binnenstad op 17 mei is verwoest en over de schuldvraag bestaan meerdere opvattingen en theorieën.
Verondersteld Duits bombardement
Tijdens hun zoektocht naar militaire doelen zijn in de ochtend van 17 mei drie vliegtuigen van Kampfgeschwader 4 (KG 4) boven Middelburg waargenomen van het type Heinkel 111 (He-111).Deze hadden een verkenningsopdracht en hebben Middelburg niet gebombardeerd. In de loop van de namiddag werden delen van de eerste en de tweede bommenwerpergroep (I.&II./KG 4) boven Walcheren ingezet om met hulp van luchtverkenners Franse en Nederlandse troepenconcentraties en artillerieopstellingen te bombarderen. In 1945 wordt publicitair verklaard ...Het noodlot naderde evenwel de stad in den vorm van een eskader Duitsche bommenwerpers, dat zonder dwingende noodzaak - de stad was niet in staat van verdediging - plotseling tot den aanval overging….Hoewel ooggetuigen beweren in de verte bombardeerde vliegtuigen te hebben gezien, zijn er onderzoekers die daaraan twijfelen omdat bewijzen daarover ontbreken.In de late namiddag werd I./KG 30 ingezet ter ondersteuning van de derde en finale Duitse aanval over de Sloedam. Die eenheid vloog in bommenwerpers van het type Junkers 88 (Ju-88).
Verondersteld Duits terreurbombardement
Uitgaande van een bombardement werd ook een vergelijk gemaakt en een verband gelegd met het bombardement op Rotterdam op 14 mei waar om tactische redenen een ultimatum aan vooraf was gegaan. Dat ontbrak voor Middelburg met als gevolg dat er werd getwijfeld aan de rechtmatigheid om bommenwerpers als geweldsmiddel in te zetten. De stad als geheel kon immers onmogelijk een militair doel zijn geweest waardoor er ook geen militaire noodzaak kon bestaan om de onverdedigde stad aan te vallen.Voor veel mensen werd het bombardement dan ook als een terroristische daad gezien. Enige decennia later bleek alsnog het bestaan van een ultimatum. Het ging om de inzet van sterke land- en luchtwapens en de capitulatievoorwaarden als dreigement bij het verdere verloop van de Duitse opmars vanaf Bath. Middelburg werd daarin niet genoemd. Het ultimatum had overigens geen consequenties, omdat de Duitse parlementaire commissie geen verbinding kon krijgen met de Commandant Zeeland.
Veronderstelde Duitse artilleriebeschietingen
Gedurende de tweede Duitse aanval over de Sloedam bereikten Duitse troepen de westzijde, maar liep daar tegen de middag opnieuw vast. Deze 800 meter lange dam was destijds de enige verbinding door het slikkengebied van Zuid Beveland met Walcheren en een makkelijk te verdedigen terreindeel. Om het verzet te breken besloot de Duitse regimentscommandant, SS-Standartenführer Felix Steiner, zijn drie artillerieafdelingen in te zetten.De intensieve beschietingen op de Franse stellingen aan de oostzijde van Walcheren werden de oorzaak van een beginnende vlucht; in de loop van de middag gevolgd door complete eenheden op basis van geruchten.Hoewel er geen bewijzen worden aangevoerd, concludeert de “Documentatiegroep Walcheren 1939-1945” na jaren onderzoek ...De verwoesting van de Middelburgse binnenstad was in de eerste plaats een gevolg van de zware Duitse artilleriebeschietingen vanuit Zuid Beveland….Ook het schrijverscollectief binnen het project het “Vergeten Bombardement” bevestigt in 2010 dat de grote brand in het centrum van de stad is ontstaan door ...(voornamelijk Duits) artillerievuur… en suggereert als oorzaak dat de stad in lijn lag met het doelengebied bij Arnemuiden.
Veronderstelde Franse artilleriebeschietingen
Volgens plan zouden de Franse troepen zich in de nacht van 17/18 mei regulier terug trekken in een poging om via Vlissingen naar Breskens te ontsnappen. Daarvoor waren voorbereidingen getroffen, maar vanwege de overhaaste terugtocht verliep deze als vlucht, en in een totale chaos. Er was aanvankelijk voorzien dat de operatie met name zou worden gedekt door een zware mobiele Franse marinebatterij bij Breskens die daar als zeegeschut was opgesteld. Vanwege de bestaande organisatorische problemen bleek die batterij niet in staat de gevraagde artilleriesteun te verlenen. Dat had vooral te maken met het ontbreken van een artilleriewaarnemer en omdat de communicatiemiddelen niet op elkaar waren afgestemd.[14] Het gevolg was dat Middelburg als oversteekplaats over het Kanaal door Walcheren een willekeurig doel werd. Door gebrek aan brisantgranaten werden daarbij uitsluitend granaten tegen zeedoelen (Obus de perforation flottant) gebruikt om bij tussenpozen Middelburg te beschieten. Er zijn 30-40 inslagen in de stadskern geďnventariseerd.Door het gebruik van dat type granaat was de oorlogsschade minimaal, maar die ontwikkelde bij de uitwerking veel energie zodat de stad op meerdere plaatsen was gaan branden.

Duitse topografische kaart van Middelburg. Het verwoeste gedeelte is gearceerd. 
Datum 17 mei 1940 
Locatie Middelburg, Nederland 
Strijdende partijen 

Flag of the Netherlands.svg Nederland
Flag of France.svg Frankrijk Flag of the NSDAP (1920–1945).svg Nazi-Duitsland 

 

Stadsbrand
Door de beschietingen braken vanaf 13.30 uur in korte tijd tientallen kleine branden uit die onmogelijk door de vrijwillige brandweer bestreden kon wordenOmdat de stad vanaf 14 mei op vrijwillige basis was geëvacueerd, ontstond door gebrek aan hulp, alsmede door haperende blusmiddelen en een harde noordoosten wind gaandeweg een onbeheersbare stadsbrand. Toen een dag later met hulp van de brandweerkorpsen van de omliggende dorpen, ‘brand meester’ werd gegeven, was de binnenstad uitgebrand.Er waren bijna 600 panden verloren gegaan, waarvan een groot aantal onvervangbare monumentale gebouwen. De daken en de houten tussenverdiepingen waren ingestort. Wat restte, waren zwartgeblakerde muren. Het aantal doden bleef beperkt tot 11 personen.Voor de dappere brandweerlieden werd in 1940 een particuliere onderscheiding, de Herinneringsmedaille van het blusschen van de brandramp te Middelburg uitgereikt.
Capitulatie
Zowel de terugtrekkende Franse troepen als de oprukkende Duitse eenheden gebruikten het Kanaal door Walcheren als flankbeveiliging bij hun terugtocht/opmars om Vlissingen te bereiken. Beiden hadden er geen belang bij om Middelburg bezet te houden of in te nemen en dat is ook niet gebeurd. Omstreeks 18.00 uur liet de waarnemend Commandant Zeeland de witte vlag in Middelburg uithangen ten teken te willen capituleren.Een deel van de Franse troepen kon via Vlissingen over de Westerschelde naar Breskens ontkomen met achterlating van grote hoeveelheden materieel. Er kwamen bij benadering 2000 Franse en 6000 Nederlandse soldaten in Duitse krijgsgevangenschap waarvan de laatsten merendeels gevluchte soldaten waren van de Peeldivisie.
Media
Een week na de rampdag, op 24 mei, schreef de regionale pers voor het eerst inventariserend over de omvang van de schade. Ook kwamen enkele ooggetuigen aan het woord, maar over de schuldvraag werd niets vermeld. Het “Twentsch Dagblad Tubantia” besteedde daar wel aandacht aan en motiveerde dat de Duitsers de stad hadden gebombardeerd omdat de Fransen zich daarin hadden verschanst.Op 31 mei verscheen in meerdere nationale en regionale dagbladen een interview met burgemeester van Walré de Bordes met daarin de zinsnede ...Thans wisten wij dat Fransche granaten daarvan de oorzaak waren. [het beschieten van Middelburg] Wij konden dat uit de schietrichting opmaken….
Schuldvraag
Om het gevaar van instorten te voorkomen, riep de burgemeester kort na de rampdag alle werkelozen op om muren omver te trekken die van oorsprong waren opgetrokken met kalkmortel. Al snel ontstond een gebied van ruďnes met het aanzicht dat de stad was gebombardeerd zoals ook de krantenfoto's van het gebombardeerde Rotterdam lieten zien. De puinhopen werden tot in de jaren 60 een speelplaats voor ravottende jeugd en een blijvende herinnering aan een door oorlogsgeweld vernielde stad. Dat kon nooit door onze bondgenoot zijn veroorzaakt, was de gangbare mening. Toch waren daar veel aanwijzingen voor. Op meerdere plaatsen lagen immers uitsluitend Franse blindgangers en de burgemeester, de brandweercommandant en meerdere militaire autoriteiten wisten met zekerheid dat enkel en alleen de Fransen op de stad hadden geschoten. Dat hadden zij onder anderen gehoord door het geluid van de aankomende granaten vanuit het zuiden, zo verklaarden zij.Dat was ook te zien aan de inslagen van granaten in de zuidelijke muren; daar waar de granaten vandaan kwamen.Vanaf juni 1940 werden veel verklaringen ingetrokken en ook de kranten berichtten er niet meer over. De samenleving wilde het niet weten en het ook niet meer horen. Als vanzelf werd in de loop van de tijd aangenomen dat Middelburg door Duitse vliegtuigen was gebombardeerd.De veranderende tijd deed de rest. De schuldvraag werd niet meer publiekelijk besproken, want men wilde in een tijd van steeds groter wordende tegenstellingen niet als “fout” worden gezien.
Het staat vast dat als gevolg van oorlogsgeweld de Middelburgse binnenstad op 17 mei 1940 is uitgebrand. Er ontbreken bewijzen dat de stad door Duitse bombardementen en/of beschietingen is vernietigd. Echter, vanwege de orale beweringen kan anderzijds ook geen zekerheid bestaan dat uitsluitend Franse beschietingen die branden hebben veroorzaakt.

Wat van hotel Verseput restte

De abdij; de plaats waar Middelburg ontstond


Monument de explosie

Bombardement op Middelburg 
Middelburg De Explosie (1988) Abdij 
Middelburg De Explosie (1988) Abdij 
Kunstenaar Ko de Jonge 
Jaar 1988 
Materiaal gevelfragmenten 
Locatie Markt, Lange Delft, Onder den Toren, Walplein, Koorkerkhof, Sint-Pieterstraat, Balans, Groenmarkt, Bachensteene, Stadhuisstraat, Zusterstraat, Hagepreekgang, Dwarskaai en Rotterdamsekaai, Middelburg 


Pas in 1986 ontstond een publieke discussie om een monument te plaatsen dat moest herinnering aan de verwoeste stad. In het Zeeuws Tijdschrift werd de burgemeester daartoe zelfs persoonlijk opgeroepen.[28] Daartoe bereid, werden twee jaar later 14 brokstukken van de uitgebrande barokke Provinciale Bibliotheek rondom de brandhaard half ingegraven. Dat monument raakte bekend onder de naam “De Explosie”.

Monument een gestolde herinnering

Een gestolde herinnering 
Monumentm.JPG 
Kunstenaar Sigurdur Gudmundsson 
Jaar 1990 
Materiaal graniet 
Locatie Nieuwe Burg, Middelburg 
Hoogte 4 meter cm 
Twee jaar later, op 17 mei 1990, werd tijdens de vijftigste herdenkingsdag alsnog een monument onthuld door prinses Juliana met daarin gebeiteld ...een gestolde herinnering…; een ingetogen tekst die volgens de omschrijving aan de burgerslachtoffers moest herinneren.[30] Omdat nadere informatie ontbrak over de achtergronden van het monument, gaf de toenmalige burgemeester twee maanden later opdracht om een informatieplaatje aan te laten brengen, waarbij ook de schuldvraag werd geformaliseerd zoals door de Gemeente verondersteld: ''EEN GESTOLDE HERINNERING" AAN HET DUITSE BOMBARDEMENT OP 17 MEI 1940. ONTHULD DOOR H.K.H. PRINSES JULIANA DER NEDERLANDEN OP 17 MEI 1990. VERVAARDIGD DOOR SIGURDUR GUDMUNDSSON OP INITIATIEF VAN DE STICHTING MONUMENTEN WALCHEREN 40-45.

Middelburg De Explosie (1988) Abdij 
Kunstenaar Ko de Jonge 
Jaar 1988 
Materiaal gevelfragmenten 
Locatie Markt, Lange Delft, Onder den Toren, Walplein, Koorkerkhof, Sint-Pieterstraat, Balans, Groenmarkt, Bachensteene, Stadhuisstraat, Zusterstraat, Hagepreekgang, Dwarskaai en Rotterdamsekaai, Middelburg


Kunstenaar Sigurdur Gudmundsson 
Jaar 1990 
Materiaal graniet 
Locatie Nieuwe Burg, Middelburg 
Hoogte 4 meter cm

bombardement op Zutphen oktober 1944

Het Bombardement

Op die veertiende oktober 1944 stegen drie squadrons vliegtuigen op om vanuit Engeland een aanval uit te voeren op de IJsselbrug in Zutphen met als doel de vernietiging van de brug. Een poging die bijna volledig mislukte.
Want de bommen kwamen in een groot gebied terecht zoals o.a op de Havenstraat, de IJsselkade, de Stationsstraat, het Stationsplein, de Rozengracht, de apenstert, het Broederenkerkplein, de Berkelkade, de Barlheze, de Spiegelstraat en de Waterstraat en er kwam zelfs nog een bom, die niet ontplofte, terecht op een pand in de Kuiperstraat. Een groot gebied waarin de sporen daarvan nog steeds zichtbaar zijn.
Heel veel mensen die op het ogenblik van de aanval in de stad waren kunnen u nu nog precies vertellen waar ze op dat moment waren en wat ze deden. Het heeft bij iedereen die het van dichtbij heeft meegemaakt een diepe indruk nagelaten.
Bijna een kwartier lang hoorde je vrijwel niets anders dan het gegier van vallende bommen en de ontploffingen en voelde je de luchtdruk. Het leek eindeloos te duren. Toen werd het plotseling stil, je ging naar buiten en zag dat de hele omgeving veranderd was in een puinhoop. Huizen verwoest, een alles doordringende lucht van stof en mensen die radeloos op zoek waren naar familie en bekenden.
Mensen die als vrijwilliger dienst deden bij de Luchtbeschermingsdienst, de Technische Noodhulp en het Rode Kruis probeerden samen met brandweer en politie om de mensen onder het puin vandaan te krijgen, de soms zeer zwaar gewonden eerste hulp te verlenen en de vaak erg verminkte doden te bergen en te identificeren. Veel van deze hulpverleners, gewone burgers, maakten situaties mee en zagen dingen die ze nooit meer vergeten hebben en die ze omdat er geen hulpverleningsinstanties waren zelf zo goed en kwaad als dat ging hebben moeten verwerken.
De slachtoffers werden na een dienst in de Walburgkerk onder zeer grote belangstelling op de begraafplaats aan de Warnsveldseweg begraven. Op 4 mei 1946 werd daar een monument onthuld. Samen met de in mei 2006 onthulde plaquette bij de Broederenkerk worden de herinneringen aan die 14e oktober 1944 zo levend gehouden.

Een jonge ooggetuige uit De Hoven, de wijk van Zutphen aan de overkant van de IJssel, vertelde hoe hij tijdens het steppen vliegtuigen zag aankomen boven de stad.

Gevels van huizen aan de Rozengracht na het bombardement, foto uit 1945.

Fatale 'Overshoot'
Spoorbrug bij Zutfen getroffen meldt De Vliegende Hollander op 20 oktober 1944. Deze krant, uitgegeven door de geallieerde luchtmacht, drukte bij het bericht een foto af van de IJsselbrug gehuld in een enorme stofwolk. Wie niet beter weet, zou inderdaad denken dat de brug getroffen is. Niets is minder waar natuurlijk. Niet de brug werd verwoest, maar veel gebouwen net achter de brug. Vandaar ook de rookpluimen en stofwolken. Immers, wanneer alleen het midden van de brug was geraakt dan zou dat veel minder stof doen opwaaien, letterlijk.
Kapotte brugdelen zouden in de IJssel zijn gezakt. „Er is hier sprake van een zogeheten overshoot”, zegt luchtmachtdeskundige G.J. Zwanenburg. „Bij een overshoot vallen de bommen achter het te bombarderen object. De schutter heeft dan net te laat afgedrukt. Dat is secondenwerk.” Het tegenovergestelde van een overshoot is een under shoot. Daarvan spreken we als de bommen voor het doel vallen. „Maar daarvan was in Zutphen geen sprake”, weet Zwanenburg.
„Hoewel het Franse squadron dit wel rapporteerde. Maar dat zal de taalverwarring zijn geweest. Het klopte niet.” De geallieerden hadden strategische motieven voor dit bombardement. Het Zutphense spoor werd door de Duitsers gebruikt voor de aanvoer van munitie en militairen vanuit de ‘Heimat’ naar Arnhem, dat in 1944 frontstad was geworden. Die aanvoer moest hoe dan ook worden afgestopt. Eerder al werd een poging hiertoe gedaan door een munitietrein bij het Zutphense emplacement op te blazen. De geallieerden stuurden vanuit Engeland drie squadrons richting Zutphen. De Royal Air Force (RAF) vaardigde de squadrons 88 en 226 af, terwijl de Fransen squadron 342 lieten meevliegen. De vliegeniers kregen de beschikking over Bostons en Mitchells. „Bij elkaar hadden ze 35 vliegtuigen met 137 bommen bij zich, waarvan 48 duizendponders”, weet Zwanenburg. Dit zijn middelzware bommen. Deze kwamen tot ontploffing na 0,25 seconde. „Er zat een kleine vertraging in de ontbranding ter bescherming van de vliegtuigen die de bommen moesten droppen.”
De vliegeniers moesten bombarderen vanuit 3000 meter hoogte. Deze afstand was noodzakelijk om het lichte luchtafweergeschut van de Duitsers te ontlopen. „Vanuit die hoogte is het lastig werken”, zegt Zwanenburg. „Ze hadden in die tijd nog niet de beschikking over de zogeheten ‘smartbombs’ die vanzelf hun doel zoeken.”
Uit de documentatie van de Engelsen blijkt dat men wel doorhad dat het aanvalsobject niet was vernietigd. „Het is aannemelijk dat sommige vliegers van het eerste squadron al verkeerd hebben gemikt. Maar het derde squadron heeft niet één keer de brug geraakt”, zegt Zwanenburg. Het weer heeft volgens hem geen nadelige rol gespeeld. Sterker, volgens de logboeken was het zicht met 10 tot 20 mijl ‘excellent’.
De luchtfoto’s zijn gemaakt door speciale toestellen die onder de vliegtuigen gemonteerd waren. Deze toestellen drukten af nadat de bommen ontploft waren. Aan de hand van de foto’s kon de RAF controleren of de bommen goed waren gevallen. Deze foto’s werden daarna vaak ter beschikking gesteld aan de pers.
Toch blijft het vreemd dat De Vliegende Hollander op 20 oktober, bijna een week na het bombardement, bericht dat de spoorbrug is opgeblazen. ‘Het bombardement was zuiver en geconcentreerd’, meldt het blad. Zelden heeft een krant er zo naast gezeten.
Doel niet vernietigd, operatie mislukt
HARTFORD De drie squadrons met de nummers 226, 88 en 342 stijgen op 14 oktober tegen half drie uur ’s middags op vanaf het RAF-vliegveld Hartford Bridge, ten zuidwesten van Londen. Dit vliegveld, pas in 1942 in gebruik genomen voor oorlogsdoeleinden, werd later pas bekend onder de naam Blackbushe. Twee van de drie squadrons zijn Brits. Het derde, nummer 342, is Frans en stond ook bekend als het Vrije Franse Squadron of Groep Lorraine. Dit squadron herbergde veel Franse vliegers maar was evenzeer een allegaartje van nationaliteiten.
De squadrons vliegen, onder escorte van 33 Mustangs en 22 Spitfires, van Hartford Bridge naar Watford ten noorden van Londen en van daaruit gaan ze richting Britse kust bij Orford. Boven de Noordzee krijgt een vliegtuig van het 88 squadron problemen en keert terug. De resterende squadrons krijgen de opdracht om ten westen van Bergen (NH) Nederland binnen te vliegen. Dan gaat het via Marken, waar de Duitse luchtafweer niet functioneerde, richting Apeldoorn. Dan nemen de bommenwerpers het spoor tussen Apeldoorn en Zutphen als richtsnoer om vervolgens bij het aanvalsobject de spoorbrug uit te komen.
De twaalf Mitchells van het 226 squadron werpen hun bommen om 15.53 uur af boven de brug. Hierbij gaat het om 48 duizendponders. Enkele bommen vallen dwars op de brug en men meldt achteraf ook een overshoot naar het zuidoosten van de brug, in dit geval de IJsselkade. Hierna meldt squadron 88 zich boven Zutphen met elf Bostons. Zij vallen de brug om exact vier uur aan met 42 vijfhonderdponders. De eerste lading bommen valt aan het oosteinde van de brug (overshoot), terwijl de tweede lading in de stad valt. Direct daarna, om 16.02 uur, volgt het 342 squadron dat eveneens met twaalf Bostons vliegt. Zij werpen 47 vijfhonderdponders af die allemaal ten oosten en zuidoosten van het aanvalsobject vallen. Dit zijn de bommen die in de omgeving Waterstraat een ravage aanrichten. De vliegtuigen maken na het afwerpen van de bommen een bocht naar rechts om koers te zetten naar Wehl, ten westen van Doetinchem. Dan gaan ze via Mook, onder Nijmegen, naar Eindhoven om via Antwerpen en Oostende terug te keren naar de basis Hartford Bridge.
Door de missers raken 105 huizen vernield. Volgens de officiële cijfers zijn 73 doden te betreuren. Ook de locomotievenloods bij het station raakt zwaar beschadigd. Het station zelf brandt van binnen uit. Tijdens de aanval ontploft ook een door de Duitsers aangebrachte springlading bij het brugdeel dat de uiterwaarden bij De Hoven overspant. Als gevolg hiervan kan het treinverkeer twee weken lang geen gebruik maken van de spoorbrug. Dat is wel een heel mager resultaat, als vernietiging van de brug het militaire doel is van de operatie.
De Bevrijding
Gezien hun stellingbouw verwachtten de Duitsers de vijand uit het westen. Maar die kwamen via Wesel naar de Achterhoek en Liemers. Op 3 april 1945 werd Baak bevrijd. Daarna volgde dan de bevrijding van Zutphen door de Canadese troepen van de 3e Canadese Infanterie Divisie. 
Aan een verslag van Oberstleutnant von Prittwitz und Gaffron wordt het volgende ontleend.
“De ingezette Duitse troepen verdedigen zich voortreffelijk en de vijand wint slecht langzaam terrein. De hier ingezette onderdelen van de 361ste en 346ste infanterie divisies trekken, alleen op bevel, terug op reeds ingerichte stellingen. Op grond van de gevaarlijke situatie aan de oostflank wordt de 361ste divisie ingezet op de westoever van de IJssel tussen Doesburg en Zutphen. De reeds in Zutphen ingezette Fallschirm Ausbildungs Bataljon wordt onder commando van de divisie geplaatst.”
In de nacht van 2 op 3 april werd de stad bijna onophoudelijk met granaten bestookt. In de verte was mitrailleurvuur te horen. Maar de Duitsers maakten geen aanstalten om te vertrekken.
De volgenden dag zag een bewoner van de Nieuwstad ziet dat Duitsers het leegstaande huis op no. 71 binnengingen. Daar nestelden zij zich ondermeer in de kelder. Kisten vol munitie werden naar binnen gebracht. Op diverse andere plaatsen werden ook huizen ontruimd voor het maken van mitrailleurnesten. Ook worden toegangswegen afgesloten en bruggen opgeblazen. 
In de nacht van 4 op 5 april slaapt bijna iedereen in de kelder. Het granaatvuur is niet van de lucht. De Canadezen in Leesten melden omstreeks 11.00 uur dat zo'n 14 Duitsers zich stevig verschansd hebben in de Ooyerhoek. Omstreeks half vijf werd gemeld dat een patrouille tot voorbij de molen wass geweest en dat ze onderweg zo'n 35 dode Duitsers hadden aangetroffen.
Omstreeks 19.00 ging een patrouille scherpschutters de Ooyerhoek in. De Duitsers hadden zware verliezen geleden en waren bezig zich terug te trekken.
Het regiment la Chaudiere kreeg de opdracht de stad zelf te bevrijden. Een stad die goed beschermd wordt door een net van waterwegen. De troepen die in Warnsveld waren werden door Duitse scherpschutters, die zich ingegraven hadden op de Zutphense begraafplaatsen, beschoten.
Omstreeks het middaguur ontmoeten twee Canadese regimenten elkaar bij tussen Leestense molen en de Ooyerhoek. Omdat de Duitsers zich daar stevig verschansten probeerden ze gezamenlijk dit gebied te veroveren. Vrijdag 6 april om 5 uur ’s morgens bliezen de Duitsers de Larebrug. Ook de huizen in de buurt raakten zwaar beschadigd. De Duitsers konden zich nualleen nog terug via het zwembadbruggetje, de sluis op de Houtwal en het pad achter het ziekenhuis terugtrekken. 
Tegen 4.00 uur 's morgens gaan twee compagnieën Chauds op weg naar het Deventerwegkwartier. Zij moeten dat veroveren. De tegenstand bestond uit fanatieke Hitlerjugend en Nederlands S.S.'ers. Zij verschansten zich in kelders en hoger gelegen etages van de huizen. De ziekendragers moeten de gewonden door een zee van vuur afvoeren. 
In de nacht van vrijdag op zaterdag 7 april barst een hevig artillerievuur los. Daarnaast wordt mitrailleurvuur gehoord dat dichterbij komt. Omstreeks 13.30 uur worden de eerste Canadezen gezien in het Warnsveldsewegkwartier bevrijd. Wel wordt dit deel vanaf de Graaf Ottosingel nog regelmatig onder vuur genomen. De bevrijders zijn intussen druk bezig met het zuiveren van de straten van ongure elementen. 
Het derde regiment in de brigade de Highlanders Light Infantry nadert de stad vanuit de Bronsbergen. 
Tegen 13.00 uur had een groep in de buurt van de Spittaalstraat veel last van scherpschutters. 
Omstreeks half elf in de avond wordt een achttien jarige jonge krijgsgevangen gemaakt die verklaart dat de meeste Duitse verdedigers zich in de afgelopen nacht al over de rivier hebben teruggetrokken. 
In de nacht van zaterdag op zondag werd in de binnenstad nog hevig gevochten geleverd. De al bijna al een week in de kelder zittende bevolking hoorde geweervuur soms dicht bij en dan weer wat verder weg. Om 7.00 uur in de ochtend is de artillerie weer actief. Van deze beschieting heeft vooral de Marsweg veel te lijden. Bij de gehavende Deventerwegbrug stonden tanks ter beveiliging van het gezuiverde stadsdeel. Aan het begin van de dag kon de brug, dank zij de genie weer gebruikt worden. Burgers vertelden de Canadezen dat de Duitsers weg waren. De bevrijders trokken met vrachtauto's, tanks en ander materiaal de stad in.
Het spreekt vanzelf dat de zege van Zutphen het werk is van het hele regiment. De bevolking toonde op een duidelijke, luide manier zijn erkenning ten opzichte van de bevrijders. 
Op het moment dat de strijd nog maar nauwelijks was gestreden bracht Prins Bernhard een bezoek aan de stad.

Gedenkteken voor het bombardement van Namen

Na de landing in Normandië, op 6 juni 1944, duurde het een hele tijd voor de Geallieerden sterk genoeg waren om de Duitse linies te doorbreken. Begin augustus probeerde het Duitse leger nog een tegenaanval maar op een bepaald moment dreigde een groot deel van het Duitse leger omsingeld te worden. Daarop werd het bevel tot de terugtocht gegeven en toen ging het plots snel: op 22 augustus slaagden Amerikaanse troepen erin de Seine over te steken, op 25 augustus trok Generaal de Gaulle triomfantelijk Parijs binnen, op 2 september stonden de Geallieerden aan de Frans-Belgische grens, op 3 september volgde de bevrijding van Brussel, ’s anderendaags gevolgd door Antwerpen.
Om het Duitse leger te beletten hun troepen te bevoorraden en versterkingen aan te voeren en tevens ook een eventuele terugtocht te bemoeilijken, voerden de Geallieerde luchtmachten bombardementen uit op verkeersknooppunten in Noord Frankrijk en België. Zo ook op 18 augustus 1944 toen de US 8th Air Force zeven bruggen over de Maas in het vizier nam: Yvoir-Houx, Namen, Huy, Seraing, Luik, Visé en Maastricht in Nederland. Elke brug werd aan een Bombardement Group toegewezen, een armada van meer dan 700 bommenwerpers en 400 jachtvliegtuigen als escorte. De brug over de Maas te Namen was het doelwit van de 351st Bombardement Group van de basis Polebrook in Groot-Brittannië. Omstreeks 18.00 u verschenen de 36 bommenwerpers boven de stad en wierpen hun dodelijke lading af. Daarbij vielen minstens 330 doden, minstens 600 zwaar gekwetsten en werden ongeveer 2000 huizen beschadigd. Ook bij de andere doelwitten (zoals Huy, 81 doden en 114 vernielde huizen) vielen talrijke slachtoffers.
De gedenkplaat voor de slachtoffers van het bombardement te Namen kwam er op initiatief van twee twintigers, Richard Dessart en Bastien Wilmotte. Ze stelden vast dat er nergens een aandenken was aan de slachtoffers van het bombardement met uitzondering van een gedenkplaat voor de slachtoffers van de Sint-Nicolaas parochie. Het gedenkteken is geplaatst aan de gevel van het Palais des Congrčs in de Rue du Beffroi en het werd onthuld op 18 augustus 2014, precies 70 jaar na de trieste gebeurtenissen.

Aanbevolen lectuur: ‘Forteresses sur la Meuse 18 aoűt 1944 : massacre ŕ Huy’ door Roger Antoine (in Aéro Journal, no 45, 2005) en ‘Namur : une ville wallonne sous les bombes américaines’ door Jacques Piron (uitgegeven bij Editions Erasme, 1994).
Bovendien werden door de twee initiatiefnemers van het gedenkteken een massa getuigenissen en foto’s verzameld op de website http://18aout.be/index.php. Later, eind 2014, begin 2015, zou er nog een boek verschijnen over het bombardement van Namen op 18 augustus 1944.

Periode: WOII
Type: Gedenkteken
Militair of Burger: Militair
Status: Niet van toepassing
België
Wallonië
Namen
Stad Namen
Datum registratie: 08/09/2014 
Datum gebeurtenis: 18/08/1944 
Datum inhuldiging: 18/08/2014 
Eigenaar: Stad Namen

1-Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog          2-Volgende

1---2