Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

Belgie in de Tweede Wereldoorlog

Leopold III Bevelhebber van het Belgische Leger

Leopold Filips Karel Albert Meinrad Hubertus Maria Miguel (Brussel, 3 november 1901 - Sint-Lambrechts-Woluwe, 25 september 1983) regeerde als koning der Belgen van 1934, na de dood van zijn vader koning Albert I van BelgiŽ, tot 1951, toen hij na de koningskwestie troonsafstand deed ten gunste van de kroonprins, zijn oudste zoon Boudewijn.
Geboorte en jeugd
Leopold III werd geboren in Brussel als prins Leopold van BelgiŽ, prins van Saksen-Coburg en Gotha.

De geboorte vond plaats in het Paleis Van der Noot d'Assche in de Wetenschapsstraat (Leopoldswijk), waar na de Tweede Wereldoorlog de Raad van State zich vestigde.Bij zijn doopsel was zijn grootoom, koning Leopold II, peter. In 1909 werd hij troonopvolger en kreeg hij de titel hertog van Brabant.
De jonge Leopold kreeg huisleraars tot aan zijn veertiende jaar. In 1914, na het uitbreken van de oorlog, vergezelde hij zijn ouders en verbleef met hen in De Panne. Van 1915 tot 1919 was hij, met onderbrekingen, leerling in Eton College. Vanaf 1919 volgde hij in Brussel een militaire opleiding. Hij ondernam ook, soms met zijn ouders, grote reizen, onder meer naar de Verenigde Staten en naar BraziliŽ. In 1925 ging hij op studiereis in Congo. 
Het Paleis Van der Noot d'Assche
Nadat een jaar lang het gerucht ging dat Leopold zich met de Italiaanse prinses Mafalda zou verloven, trouwde hij op 4 november 1926 in Stockholm met de Zweedse prinses Astrid. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren:
Josephine Charlotte (11 oktober 1927 Ė 10 januari 2005), getrouwd met groothertog Jan van Luxemburg;
Boudewijn (7 september 1930 Ė 31 juli 1993), vijfde koning der Belgen;
Albert (6 juni 1934), zesde koning der Belgen.
Het Paleis Van der Noot d'Assche
Huwelijk van Leopold III met Astrid
Koninklijk monogram van koning Leopold III.
Leopold legde op 23 februari 1934 de eed af, nadat koning Albert I op 17 februari in Marche-les-Dames het leven liet bij een rotsbeklimming.
Op 29 augustus 1935 in het Zwitserse KŁssnacht verloor Leopold III als chauffeur de controle over het stuur van de wagen en koningin Astrid werd uit de wagen geslingerd met haar hoofd tegen een perenboom, waarbij zij overleed. Leopold was licht gekwetst. Hij liet op de plaats van het ongeval een kapel bouwen.
Ereteken

Koning Leopold werd bedacht met talrijke eretekens hem verleend door andere landen. Als belangrijkste zijn te vermelden:
Het Gulden Vlies: Hij werd benoemd tot de 1154e ridder van de Orde van het Gulden Vlies in Spanje in 1923,
Hij werd in 1935 de 833e ridder van de Orde van de Kousenband.
Hij ontving in 1927 het 355e grootkruis van de Portugese Orde van de Toren en het Zwaard.

Koning der Belgen 
Periode 1934-1951 
Voorganger Albert I 
Opvolger Boudewijn 

Vader Albert I 
Moeder Elisabeth in Beieren 
Dynastie Saksen-Coburg en Gotha & BelgiŽ


 

Tweede Wereldoorlog
Leopold III op 18 mei 1940 met minister van landsverdediging generaal Denis
Neutraliteit
Onder invloed van de Duitse herbewapening liet BelgiŽ de bondgenootschappen uit de Eerste Wereldoorlog los en ging een neutrale koers volgen. Nazi-Duitsland erkende, na het opzeggen van het Verdrag van Locarno, de Belgische en Nederlandse neutraliteit. Leopold bracht ook snelle verbetering in de koele betrekkingen met de noorderbuur. Samen met koningin Wilhelmina nam hij in 1938 en 1939 enkele initiatieven met de bedoeling de vrede in Europa te bewaren. Leopold speelde wel informatie van de Belgische geheime dienst over Duitse troepenbewegingen door aan de Franse bevelhebber Maurice Gamelin.
Achttiendaagse Veldtocht
In mei 1940, bij de inval van BelgiŽ door nazi-Duitsland, stond Leopold erop om persoonlijk het opperbevel over het Belgische leger te voeren in de Achttiendaagse Veldtocht, zoals zijn vader, die zijn grote voorbeeld was, het leger in de Eerste Wereldoorlog had aangevoerd.
Hij gaf een letterlijke betekenis aan het artikel van de grondwet dat aan de koning het opperbevel over het leger gaf. De regering hield het echter bij de stelling dat, net als alle andere koninklijke prerogatieven, het bevel over het leger ondergeschikt was aan het akkoord van de regering, minstens van de minister van Defensie. Zolang er gestreden werd wilde de regering-Pierlot het ongecontroleerde bevelhebberschap aanvaarden, maar stelde de voorwaarde dat zodra de gevechten zouden eindigen en het land onder de bezetting van de Duitse overwinnaar zou komen, de koning mee met de regering het land moest verlaten en vanuit het buitenland de strijd voort moest zetten. Omdat hij dit weigerde en het zijn plicht achtte bij zijn volk te blijven kwam het tot een breuk met de regering van Hubert Pierlot. Dit gegeven vormde de kiem van de latere koningskwestie. Het laatste en dramatische gesprek tussen de koning en zijn ministers Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis vond plaats in Wijnendale op 25 mei. Na de slag aan de Leie capituleerde Leopold.
In mei 1940, bij de inval van BelgiŽ door nazi-Duitsland, stond Leopold erop om persoonlijk het opperbevel over het Belgische leger te voeren in de Achttiendaagse Veldtocht, zoals zijn vader, die zijn grote voorbeeld was, het leger in de Eerste Wereldoorlog had aangevoerd.
Hij gaf een letterlijke betekenis aan het artikel van de grondwet dat aan de koning het opperbevel over het leger gaf. De regering hield het echter bij de stelling dat, net als alle andere koninklijke prerogatieven, het bevel over het leger ondergeschikt was aan het akkoord van de regering, minstens van de minister van Defensie. Zolang er gestreden werd wilde de regering-Pierlot het ongecontroleerde bevelhebberschap aanvaarden, maar stelde de voorwaarde dat zodra de gevechten zouden eindigen en het land onder de bezetting van de Duitse overwinnaar zou komen, de koning mee met de regering het land moest verlaten en vanuit het buitenland de strijd voort moest zetten. Omdat hij dit weigerde en het zijn plicht achtte bij zijn volk te blijven kwam het tot een breuk met de regering van Hubert Pierlot. Dit gegeven vormde de kiem van de latere koningskwestie. Het laatste en dramatische gesprek tussen de koning en zijn ministers Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis vond plaats in Wijnendale op 25 mei. Na de slag aan de Leie capituleerde Leopold.

Achttiendaagse Veldtocht

De Achttiendaagse Veldtocht is de naam die achteraf gegeven werd aan de operaties van het Belgische leger tijdens de Tweede Wereldoorlog vanaf de inval door het Duitse leger in Nederland, BelgiŽ, Frankrijk op 10 mei 1940 tot de capitulatie van het Belgische leger op 28 mei 1940. Het Duitse aanvalsplan hield geen rekening met nationale grenzen. De defensieve operaties van het Belgische leger worden daarom benaderd als een onderdeel van de gezamenlijke defensieve operaties van de legers van de aangevallen landen en het te hulp gekomen Britse expeditieleger.
De politiek-militaire situatie in Europa van 1918 tot 1940
Tot de Eerste Wereldoorlog berustte het veiligheidsbeleid van BelgiŽ op de door het Verdrag van Londen (1839) opgelegde neutraliteit.
Na de Eerste Wereldoorlog had de Volkenbond veiligheid en vrede in Europa moeten verzekeren maar faalde. BelgiŽ verloor zijn vertrouwen in de Volkenbond. Na een vergeefse poging een defensief verdrag te sluiten met Groot-BrittanniŽ sloot BelgiŽ op 7 september 1920 een militair akkoord met Frankrijk.De geheimhouding rond het akkoord lokte protest en agitatie uit van Vlaamsgezinde Belgen die er een bedreiging voor de Vlaamse emancipatie in zagen.
Omdat Duitsland in gebreke bleef inzake de herstelbetalingen bezetten Franse en Belgische troepen in januari 1923 het Ruhrgebied. Aan de bezetting van de Ruhr kwam een eind in juli 1925.
In oktober van datzelfde jaar 1925 werden een reeks akkoorden gesloten, gekend onder de verzamelnaam ďLocarnoĒ, waaronder het Rijn-pakt. Duitsland aanvaardde zijn westgrens zoals die vastgelegd was in het Verdrag van Versailles, alsook de eeuwige demilitarisering van het Rijnland. Frankrijk en BelgiŽ beloofden af te zien van agressie. Het gedemilitariseerde Rijnland dekte BelgiŽ. Frankrijk, BelgiŽ en Duitsland stelden zichzelf garant en ook Groot-BrittanniŽ en ItaliŽ stelden zich borg. Zo werd ook Groot-BrittanniŽ bij de veiligheidspolitiek van BelgiŽ betrokken. Het Belgische leger op vredesvoet werd afgebouwd tot zes infanteriedivisies en twee cavaleriedivisies.
De daaropvolgende jaren leidden de diplomatieke inspanningen van Frankrijk en de Verenigde Staten Van Amerika tot de ondertekening op 27 augustus 1928 van het Briand-Kellogg-pact, ook door Duitsland. De oorlog als politiek dwangmiddel werd verbannen. In een sfeer van optimisme werd in BelgiŽ de duur van de legerdienst voor de helft van de dienstplichtigen verminderd tot acht maanden.
In december 1929 besloot de Franse regering de Maginotlinie te bouwen met het oog op het vertrek van alle legers uit het Rijngebied in 1930. In 1929 kwam ook de te volgen Belgische defensiestrategie en het Frans-Belgisch militair akkoord van 1920 weer ter sprake. Er werd begonnen met de modernisering van de forten rond Luik en Namen en op 1 april 1932 begonnen de bouwwerken voor het fort van Eben-Emael.
In januari 1933 kwam Hitler aan de macht. Duitsland verliet de Volkenbond en de ontwapeningsconferentie die in februari 1932 onder auspiciŽn van de Volkenbond in GenŤve begonnen was.
Op 18 februari 1934 verongelukte koning Albert te Marche-les-Dames. Zijn zoon Leopold III volgde hem op.
Op 2 augustus 1934 werd de kanselier Hitler ook president en de onbetwiste leider, de FŁhrer. De getalsterkte van de Reichswehr werd opgedreven tot 300.000 man, een flagrante inbreuk op de gesloten verdragen. In maart 1935 voerde Hitler de eenjarige militaire dienstplicht in. Op 7 maart 1936 zei Hitler het Verdrag van Locarno op en dezelfde dag bezetten Duitse troepen de gedemilitariseerde zone van het Rijnland. Frankrijk reageerde niet, evenmin als de andere grote staten.
BelgiŽ begon te twijfelen aan de doeltreffendheid van het dusver gevoerde veiligheidsbeleid en de gedachten daaromtrent evolueerden in de richting van neutraliteit of, naar het woordgebruik van die tijd, een onafhankelijkheidspolitiek.Onder druk van onder anderen de Vlaamse parlementariŽrs werd het het Frans-Belgische militair akkoord van 1920 herzien. Het voorzag voortaan enkel nog in stafbesprekingen.
De koning hield in de ministerraad een pleidooi voor een Ďuitsluitend en integraal Belgischeí politiek en de overeenstemmende militaire financiŽle inspanningen, er op gericht BelgiŽ buiten de conflicten van zijn buren te houden. De minister voor Buitenlandse Zaken Henri Spaak pleitte op 20 juli 1936 voor een exclusieve en integraal Belgische politiek. De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde de ďOnafhankelijkheidspolitiekĒ goed met 126 stemmen voor en 42 tegen.[6] en op 14 oktober 1936 verzaakte de regering aan de verplichtingen van het verdrag van Locarno.
Bij de annexatie door Duitsland van Oostenrijk in 1938 werd niet gereageerd.
Bij de annexatie van Tsjechische gebieden in 1938 en 1939 reageerden Frankrijk en Groot-BrittanniŽ bijzonder laks. De contacten tussen de Belgische en Franse staven werden op discrete wijze hernomen.
Op 23 augustus 1939 werd het Duits-Russisch Niet-Aanvalspact bekendgemaakt. Het was duidelijk dat Duitsland aanstuurde op oorlog.
Op 1 september 1939 viel de Duitse Wehrmacht Polen binnen. De aandacht van BelgiŽ ging evenwel in de eerste plaats naar Frankrijk en Groot-BrittanniŽ waarvan gevreesd werd dat ze door BelgiŽ zouden trekken om Duitsland aan te vallen, wat voor het neutrale BelgiŽ onaanvaardbaar was.
Frankrijk verklaarde op 3 september Duitsland de oorlog en beperkte zich verder tot de mobilisatie van de reserves en een beperkt en mislukt offensief in de Saar. Op 3 september verklaarde ook Groot-BrittanniŽ de oorlog aan Duitsland. De officiŽle staat van oorlog tussen Duitsland enerzijds en Frankrijk en Groot-BrittanniŽ anderzijds zou later de naam krijgen ďDrŰle de guerreĒ, in het Engels ďPhony WarĒ en in de Nederlandstalige krijgsgeschiedenis ďSchemeroorlogĒ.
Na de capitulatie van Polen op 28 september 1939 verplaatste BelgiŽ het gros van zijn strijdkrachten, front naar het oosten. Terecht, want zoals inmiddels bekend werd, wou Hitler nog in de herfst van 1939 in het Westen aanvallen.

Afbeeldingsresultaat voor achttiendaagse veldtocht

Ontwapening van Belgische troepen in Brugge.
Datum 10 mei - 28 mei 1940
Locatie BelgiŽ
Resultaat Duitse overwinning
Strijdende partijen
Flag of Belgium (civil).svg BelgiŽ
Flag of France.svg Frankrijk
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Leiders en commandanten
Flag of Belgium (civil).svg Koning Leopold III
Flag of Belgium (civil).svg Raoul Van Overstraeten
Flag of France.svg Maurice Gamelin (tot 19 mei 1940)
Flag of France.svg Maxime Weygand (vanaf 19 mei 1940)
Flag of the United Kingdom.svg Lord John Gort (British Expeditionary Force) Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Gerd von Rundstedt (Heeresgruppe A)
Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Fedor von Bock (Heeresgruppe B)
Troepensterkte
144 divisies
13.974 artillerie
3.384 tanks
2.249 vliegtuigen 141 divisies
7.378 artillerie
2.445 tanks
5.446 vliegtuigen (4.020 operationeel)
Verliezen
222.443+ slachtoffers (200.000 krijgsgevangenen)
900 vliegtuigen verloren 10.232 doden
8.463 vermisten
42.523 gewonden
432 vliegtuigen verloren

De politiek-militaire situatie in Europa van 1918 tot 1940
Tot de Eerste Wereldoorlog berustte het veiligheidsbeleid van BelgiŽ op de door het Verdrag van Londen (1839) opgelegde neutraliteit.
Na de Eerste Wereldoorlog had de Volkenbond veiligheid en vrede in Europa moeten verzekeren maar faalde. BelgiŽ verloor zijn vertrouwen in de Volkenbond. Na een vergeefse poging een defensief verdrag te sluiten met Groot-BrittanniŽ sloot BelgiŽ op 7 september 1920 een militair akkoord met Frankrijk.De geheimhouding rond het akkoord lokte protest en agitatie uit van Vlaamsgezinde Belgen die er een bedreiging voor de Vlaamse emancipatie in zagen.
Omdat Duitsland in gebreke bleef inzake de herstelbetalingen bezetten Franse en Belgische troepen in januari 1923 het Ruhrgebied . Aan de bezetting van de Ruhr kwam een eind in juli 1925.
In oktober van datzelfde jaar 1925 werden een reeks akkoorden gesloten, gekend onder de verzamelnaam ďLocarnoĒ, waaronder het Rijn-pakt [4]. Duitsland aanvaardde zijn westgrens zoals die vastgelegd was in het Verdrag van Versailles, alsook de eeuwige demilitarisering van het Rijnland. Frankrijk en BelgiŽ beloofden af te zien van agressie. Het gedemilitariseerde Rijnland dekte BelgiŽ. Frankrijk, BelgiŽ en Duitsland stelden zichzelf garant en ook Groot-BrittanniŽ en ItaliŽ stelden zich borg. Zo werd ook Groot-BrittanniŽ bij de veiligheidspolitiek van BelgiŽ betrokken. Het Belgische leger op vredesvoet werd afgebouwd tot zes infanteriedivisies en twee cavaleriedivisies.
De daaropvolgende jaren leidden de diplomatieke inspanningen van Frankrijk en de Verenigde Staten Van Amerika tot de ondertekening op 27 augustus 1928 van het Briand-Kellogg-pact, ook door Duitsland. De oorlog als politiek dwangmiddel werd verbannen. In een sfeer van optimisme werd in BelgiŽ de duur van de legerdienst voor de helft van de dienstplichtigen verminderd tot acht maanden.
In december 1929 besloot de Franse regering de Maginotlinie te bouwen met het oog op het vertrek van alle legers uit het Rijngebied in 1930. In 1929 kwam ook de te volgen Belgische defensiestrategie en het Frans-Belgisch militair akkoord van 1920 weer ter sprake. Er werd begonnen met de modernisering van de forten rond Luik en Namen en op 1 april 1932 begonnen de bouwwerken voor het fort van Eben-Emael.
In januari 1933 kwam Hitler aan de macht. Duitsland verliet de Volkenbond en de ontwapeningsconferentie die in februari 1932 onder auspiciŽn van de Volkenbond in GenŤve begonnen was.
Op 18 februari 1934 verongelukte koning Albert te Marche-les-Dames. Zijn zoon Leopold III volgde hem op.
Op 2 augustus 1934 werd de kanselier Hitler ook president en de onbetwiste leider, de FŁhrer. De getalsterkte van de Reichswehr werd opgedreven tot 300.000 man, een flagrante inbreuk op de gesloten verdragen. In maart 1935 voerde Hitler de eenjarige militaire dienstplicht in. Op 7 maart 1936 zei Hitler het Verdrag van Locarno op en dezelfde dag bezetten Duitse troepen de gedemilitariseerde zone van het Rijnland. Frankrijk reageerde niet, evenmin als de andere grote staten.
BelgiŽ begon te twijfelen aan de doeltreffendheid van het dusver gevoerde veiligheidsbeleid en de gedachten daaromtrent evolueerden in de richting van neutraliteit of, naar het woordgebruik van die tijd, een onafhankelijkheidspolitiek.Onder druk van onder anderen de Vlaamse parlementariŽrs werd het het Frans-Belgische militair akkoord van 1920 herzien. Het voorzag voortaan enkel nog in stafbesprekingen.
De koning hield in de ministerraad een pleidooi voor een Ďuitsluitend en integraal Belgischeí politiek en de overeenstemmende militaire financiŽle inspanningen, er op gericht BelgiŽ buiten de conflicten van zijn buren te houden. De minister voor Buitenlandse Zaken Henri Spaak pleitte op 20 juli 1936 voor een exclusieve en integraal Belgische politiek. De Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde de ďOnafhankelijkheidspolitiekĒ goed met 126 stemmen voor en 42 tegen.en op 14 oktober 1936 verzaakte de regering aan de verplichtingen van het verdrag van Locarno.
Bij de annexatie door Duitsland van Oostenrijk in 1938 werd niet gereageerd.
Bij de annexatie van Tsjechische gebieden in 1938 en 1939 reageerden Frankrijk en Groot-BrittanniŽ bijzonder laks [8]. De contacten tussen de Belgische en Franse staven werden op discrete wijze hernomen.
Op 23 augustus 1939 werd het Duits-Russisch Niet-Aanvalspact bekendgemaakt. Het was duidelijk dat Duitsland aanstuurde op oorlog.
Op 1 september 1939 viel de Duitse Wehrmacht Polen binnen. De aandacht van BelgiŽ ging evenwel in de eerste plaats naar Frankrijk en Groot-BrittanniŽ waarvan gevreesd werd dat ze door BelgiŽ zouden trekken om Duitsland aan te vallen, wat voor het neutrale BelgiŽ onaanvaardbaar was.
Frankrijk verklaarde op 3 september Duitsland de oorlog en beperkte zich verder tot de mobilisatie van de reserves en een beperkt en mislukt offensief in de Saar. Op 3 september verklaarde ook Groot-BrittanniŽ de oorlog aan Duitsland. De officiŽle staat van oorlog tussen Duitsland enerzijds en Frankrijk en Groot-BrittanniŽ anderzijds zou later de naam krijgen ďDrŰle de guerreĒ, in het Engels ďPhony WarĒ en in de Nederlandstalige krijgsgeschiedenis ďSchemeroorlogĒ.
Na de capitulatie van Polen op 28 september 1939 verplaatste BelgiŽ het gros van zijn strijdkrachten, front naar het oosten. Terecht, want zoals inmiddels bekend werd, wou Hitler nog in de herfst van 1939 in het Westen aanvallen.
De schemeroorlog, 3 september 1939 -10 mei 1940
Militaire en politieke mobilisatie in BelgiŽ

Na de bekendmaking op 23 augustus van het Duits-Russisch Niet-Aanvalspact besliste BelgiŽ zijn leger te mobiliseren. De mobilisatie begon drie dagen later, op 26 augustus, en verliep in vijf fasen.
In de eerste fase werden de actieve regimenten op oorlogsvoet gebracht.
Op 28 augustus en 1 september werden de divisies van eerste reserve opgeroepen en in het oosten gekantonneerd.
Op 3 september 1939 nam koning Leopold III het bevel van de troepen.Dezelfde dag werd de katholiek-liberale regeringscoalitie uitgebreid met de socialisten, het kabinet mocht indien nodig regeren met besluitwetten en de parlementaire mandaten werden verlengd voor de duur van de oorlog. De politieke partijen Rex en het VNV (Vlaamsch Nationaal Verbond) legden loyaliteitsverklaringen tegenover BelgiŽ af. BelgiŽ bleef vasthouden aan zijn neutraliteitspolitiek. Op 29 september 1939 wees de Belgische regering de Britse voorstellen voor geheime stafcontacten af.
Van 11 september 1939 tot 13 januari 1940 werden de divisies van tweede reserve opgeroepen. De Generale Staf werd omgevormd tot Groot Hoofdkwartier en in het Fort van Breendonk geÔnstalleerd.
De meeste troepen werden tegenover Duitsland opgesteld. In uitvoering van de neutraliteitspolitiek werden ook aan de Franse grens een aantal eenheden geÔnstalleerd. Eind september, na de Duitse veldtocht in Polen werd de dekking tegenover Frankrijk beperkt tot drie divisies.
De algemene mobilisatie ging door op 10 mei 1940, de dag van de invasie.
Het Belgische leger tijdens de schemeroorlog
De gemobiliseerde troepen werden ingekwartierd in openbare gebouwen, scholen, bioscopen, parochiezalen, en later in houten barakken in de nabijheid van de stellingen. Hun dagen waren gevuld met werken aan de weerstandsstelling, (de KW-stelling), veldwerken, instructie, karweien, wachtlopen en alarmoefeningen. De eenheden gingen om beurten naar de oefenpleinen in Leopoldsburg, Casteau, Helchteren, Brasschaat en Elsenborn voor schietoefeningen.
Per maand kregen de soldaten vijf dagen vergunning (vrijaf). Tot 25% van de manschappen mocht afwezig zijn. Daarenboven werden ca. 50.000 man, (mijnwerkers, mijningenieurs, vaders van drie kinderen, artsen, onderwijzend personeel, spoorwegpersoneel, ambtenaren) vrijgesteld en met onbepaald beroepsverlof gestuurd. Bij de vrijgestelden waren velen reserveofficier. De zonen van landbouwers kregen beroepsverlof tijdens de oogst. Ook de opgeŽiste paarden werden naar huis gestuurd!
Terwijl de vrijgestelden een normaal loon ontvingen, dienden de opgeroepen soldaten rond te komen met 30 centiem per dag en na enige tijd 1 frank, d.w.z. de prijs van een pilsje. Een kleine vergoeding voor de echtgenote loste het probleem niet op. Klachten over de hachelijke financiŽle toestand van de gezinnen, de vele straffen, het schorsen van de verloven, de stationering in het anderstalig landsgedeelte werden door het paternalistische beroepskader en het gebrekkig gevormde reservekader slecht opgevangen. Er braken nogal wat ongeregeldheden uit: ongewettigde afwezigheden, drinkgelagen, samenscholingen, betogingen, bevelsweigering. Het ďWerk koningin ElisabethĒ, waar de socialistische voorman reservekapitein-commandant Hendrik de Man een belangrijke rol in speelde, poogde de soldaten op te beuren met toneel, cabaret, zang, het soldatenuurtje op de radio, colli's.
Het Franse leger tijdens de schemeroorlog
In Frankrijk verliep de mobilisatie en de schemeroorlog, de ďdrŰle de guerre ď, op vergelijkbare wijze als in BelgiŽ en met dezelfde gevolgen. De vrijstellingen heetten er ďaffectations spťcialesĒ en hadden dezelfde effecten als in BelgiŽ. Het overheersend gevoel was dat er, voor Frankrijk, geen direct gevaar dreigde en dat wellicht de vrede nogmaals kon gered worden zoals in MŁnchen na de inval in Tsjecho-Slowakije.
Duitse, Belgische, Franse, Nederlandse en Britse militaire en politieke activiteiten[bewerken]
De schemeroorlog bleef niet beperkt tot werken aan de stellingen, afwachten en wachtlopen. De landen in oorlog ondernamen een beperkt aantal daadwerkelijke militaire acties en militaire en politieke initiatieven.
De Fransen veroverden enkele Duitse dorpen in het Warndtwald (6-13 september) in de omgeving van SaarbrŁcken. De Duitsers werkten verder aan de Siegfriedlinie. De Luftwaffe voerde tussen 1 september 1939 en 10 mei 1940 meer dan 500 verkenningsvluchten uit boven BelgiŽ.
Vanaf 9 oktober 1939 waren de Belgische autoriteiten op de hoogte dat een opmars doorheen BelgiŽ ter studie was bij de Duitse landmachtstaf (OKH Oberkommando des Heeres) en vanaf begin november vernamen de Belgen van betrouwbare bronnen dat de aanval binnen de kortste keren zou losbarsten.
Op 7 november 1939 stuurden koning Leopold III en koningin Wilhelmina een telegram naar Hitler, koning George VI van het Verenigd Koninkrijk en de Franse president Paul Lebrun, waarin zij hun diensten als bemiddelaars aanboden. Er kwam geen reactie.
BelgiŽ zou tot het uiterste vasthouden aan zijn neutraliteit maar bleef toch voortdurend in contact met Nederland, Frankrijk en Groot-BrittanniŽ voor het uitwisselen van informatie over eigen en Duitse en plannen. Franse en Britse vragen om preventief BelgiŽ binnen te trekken werden afgewezen. Anderzijds waren noch Frankrijk noch Groot-BrittanniŽ bereid duidelijke garanties te geven met betrekking tot de verdedigingsplannen en toekomst van BelgiŽ.
Het eigenmachtig optreden van de koning, de verhouding met Frankrijk en de aanslepende taalproblematiek [12] leidden in januari 1940 tot een dreigende regeringscrisis die kon bezworen worden. De stafchef Edouard Van den Bergen werd ontslagen. Hij werd vervangen door Generaal-majoor Oscar Michiels. Die werd inderhaast bevorderd tot Luitenant-generaal.
In de nacht van 10 op 11 november 1939 werd alarm geblazen langsheen het Belgische front. Er kwam geen aanval. Hitler had de aanval uitgesteld.
Op 10 januari 1940 maakte een verdwaald Duits Messerschmitt Bf 108 Taifun liaisonvliegtuig met aan boord plannen voor het offensief in het westen met de codenaam Fall Gelb, een noodlanding in Vucht bij Maasmechelen. De documenten bevestigden de vroeger ontvangen verwittigingen. De Belgen brachten de Fransen, de Britten, de Nederlanders en de Luxemburgers op de hoogte. De Fransen alarmeerden een beperkt aantal eenheden. Britten en Nederlanders dachten dat het een Duits afleidingsmanoeuvre was. In BelgiŽ werd werkelijk alarm geblazen.
Op 13 januari stuurde de Belgische militaire attachť in Berlijn, kolonel Goethals, een bericht waarin hij de mogelijkheid opperde van een Duitse aanval. Generaal Raoul Van Overstraeten, de persoonlijke militaire raadgever van de koning, liet daarop de eenheden verwittigen met: ĎAttaque ennemie quasi certaineí (vijandelijke aanval zo goed als zeker). Troepen en stellingen werden gevechtsklaar gemaakt.
Op 9 april begon de Duitse invasie van Noorwegen en Denemarken. (Operatie WeserŁbung) Britten en Fransen drongen aan om BelgiŽ preventief te mogen binnenrukken.
Op 7 mei kwamen uit Berlijn, Nederland en het Groothertogdom Luxemburg meer alarmerende geruchten en aanwijzingen. De apostolische nuntius van het Vaticaan berichtte, dat elk ogenblik een Duitse aanval op Nederland, BelgiŽ, Luxemburg en Zwitserland kon losbarsten. Terwijl in Nederland de onrust ten top steeg, voerde de Belgische minister van Defensie de opgeschorte vergunningen opnieuw in. Om 23u30 liet Goethals weten dat de aanval de 10de bij het ochtendgloren zou beginnen. Het algemeen alarm afgekondigd door de Generale Staf werd in de eenheden op ongeloof onthaald.
Rond vijf uur in de nacht van 9 op 10 mei 1940 begonnen de eerste luchtbombardementen, en werd de grens overschreden. Het zou snel blijken dat de maandenlange mobilisatie en de nationale en internationale gebeurtenissen de gevechtswaarde van de troepen en de wil tot weerstand weinig baat hadden gebracht, integendeel.

Het Belgische leger 
Manschappen
In totaal telde het Belgische leger na mobilisatie ongeveer 600.000 manschappen of ongeveer 8% van de Belgische bevolking.
Het officierenkader bestond uit bijna 5000 officieren in actieve dienst en 16.614 reserveofficieren. De beroepsofficieren waren technisch goed geschoold, maar de psychologische en sociale vorming lieten soms te wensen over.
Het onderofficierenkader bestond uit 12.000 beroepsonderofficieren en 46.000 reserveonderofficieren.
De troep bestond naast 10.000 beroepssoldaten uit dienstplichtigen van de militieklassen van 1926 tot 1939.
Bevelvoering
De bevelvoering over de Belgische krijgsmacht was verspreid over drie machtscentra: de minister van Defensie, de chef van de generale staf en koning Leopold III.[17] De koning werd bijgestaan door een persoonlijke raadgever, kolonel (vanaf 1938, generaal-majoor) Raoul Van Overstraeten. De stafchef, luitenant-generaal Oscar Michiels, was een uitvoerder die richtlijnen kreeg van de koninklijke raadgever.[18] De minister van Defensie, luitenant-generaal Henri Denis, hield zich bezig met de financiŽle, politieke en dagdagelijkse aspecten van landsverdediging.
Gevechtseenheden
De gevechtseenheden van het Belgische leger bestonden na mobilisatie uit 22 divisies van ongeveer elk 17.000 manschappen, ondergedeeld in acht legerkorpsen waaronder ťťn cavaleriekorps. Er waren achttien infanteriedivisies (zes actieve divisies, zes divisies van de eerste reserve en zes divisies van de tweede reserve), twee divisies Ardense Jagers (waarvan ťťn volledig gemotoriseerd), twee gemotoriseerde cavaleriedivisies. Daarnaast waren er nog ťťn gemotoriseerde brigade, twee regimenten grenswielrijders, twee regimenten vervoerde Rijkswacht en een regiment vestinginfanterie.
Steuneenheden
De vuursteuneenheden bestonden, buiten deze in de divisies, uit een divisie zware artillerie van het veldleger (kanonnen en houwitsers 150 tot 380 mm o.a. op treinwagons), twee regimenten vestingartillerie (Luik en Namen) en twee regimenten DTCA (Dťfense terrestre contre aťronefs; Verdediging te lande tegen luchtvaartuigen).
Het wapen van de genie en de transmissie telde 22 bataljons.
Het vliegwezen was een onderdeel van het landleger. Het telde een regiment jachtvliegtuigen en twee regimenten verkenningsvliegtuigen, in totaal 184 vliegtuigen waarvan 69 relatief recente.
Logistiek
De logistiek van het Belgische leger werd verzekerd door de "Services de l'ArriŤre", (Diensten van het Achtergebied) die instonden voor de bevoorrading vanuit de Basis van het Leger naar de eenheden en installaties op het terrein. Voor het transport gebruikte men treinen, binnenschepen, autobussen en vrachtwagens. Voor hun inwendig transport waren de meeste divisies aangewezen op paard en kar.
Bewapening en uitrusting
De actieve infanteriedivisies en die van eerste reserve waren uitgerust met het Mausergeweer model 1935. Per divisie waren er 324 machinegeweren Browning en 144 mitrailleurs Maxim, 36 mortieren 76 mm, 60 antitankkanonnen 47 mm, waarvan 12 op een gepantserd rupsonderstel (T13), en 48 kanonnen (75 mm en 105 mm houwitsers) getrokken door paarden.
Het Cavaleriecorps was een volledig mobiele, deels gemotoriseerde en gepantserde eenheid: motorfietsen en sidecars, fietsen, kanonnen van 75 mm getrokken door alle-terreintractoren, tanks van 6 ton met een mitrailleur 13,2 mm in de koepel, acht tanks van 14,5 ton voorzien met een kanon 47 mm.
Bestaande vestingen waren gemoderniseerd geworden en in Eben-Emael was in de periode 1932-1935 een nieuw fort gebouwd om de invalswegen in de buurt van Maastricht af te sluiten.
Duitse evaluatie
Het Duitse OKH (Oberkommando des Heeres; Opperbevel van de landstrijdkrachten) oordeelde genuanceerd over het Belgische leger. De beroepsofficieren en onderofficieren werden bekwaam geacht, de reserveofficieren en onderofficieren onvoldoende opgeleid, de soldaten fysiek zwak en weinig tuchtvol, de staven uitstekend. De cavalerie en de Ardense Jagers achtte het OKH waardevolle eenheden en de eenheden van tweede reserve zwak.
Het Franse leger
Het Franse leger was weliswaar gemoderniseerd geworden, maar het ideeŽngoed voor het gebruik ervan was onveranderd dat van de Eerste Wereldoorlog gebleven. Van Longwy tot aan de Zwitserse grens had Frankrijk een naar Andrť Maginot genoemde verdedigingslijn gebouwd. De lineaire defensie en de daarmee gepaard gaande mentaliteit zou Frankrijk eerder verzwakken dan beveiligen.
Frankrijk had vrij veel tanks. Kwalitatief gezien waren ze zeker niet de mindere van de Duitse. De SOMUA S35 bijvoorbeeld was een tank met een pantsering van 40 mm en een kanon van 47 mm. Een tekortkoming was wel de beperkte actieradius en de eenmanstoren waardoor ťťn persoon tegelijk tankcommandant was, lader en schutter.
Doorslaggevend was het foute gebruik van de tanks. Ze werden ingezet in kleine groepjes of als steun van de infanterie. Ook de vliegtuigen werden geÔsoleerd ingezet.
Het groeperen van tanks in afzonderlijke pantsereenheden en inzet ervan in samenwerking met de luchtmacht zou zoals in het Duitse leger veel en goede radioverbindingen vereist hebben. Die ontbraken in het Franse leger omdat er gezien de verouderde opvattingen over tactiek en bevelvoering geen behoefte aan bestond.
Het Britse expeditieleger
Het Britse expeditieleger BEF (British Expeditionary Force) dat op het continent zou ingezet worden stond onder bevel van het voormalig hoofd van de Imperiale Staf John Vererker.
De BEF bestond uit negen infanteriedivisies, een gepantserde brigade, twee lichte verkenningsbrigades en steuneenheden. In totaal telde het ongeveer 450.000 man. Het uitstekende kader officieren en onderofficieren en het grootste deel van de manschappen waren beroepssoldaten.
De BEF was bijna volledig gemotoriseerd. Het telde ongeveer 280 tanks van 5,5 tot 26 ton met een bewapening gaande van ťen enkele mitrailleur tot een kanon van 40 mm en mitrailleur. Voor het operatietoneel in Frankrijk waren 440 vrij recente vliegtuigen voorzien, waaronder 160 jagers en 160 bommenwerpers.
Een divisie, de 51e, lag aan de Maginotlinie. De rest was gelegerd in de omgeving van Rijsel tot Arras.
Het Nederlandse leger
Nederland had ongeveer 300.000 man onder de wapens gebracht. Op 10 mei telde de Nederlandse landmacht negen divisies, die onvoldoende geoefend en bewapend waren. Er was wel een goede lichte gemotoriseerde divisie met o.a. 26 gepantserde voertuigen en vier relatief goede onafhankelijke brigades. De "Luchtvaartafdeeling" beschikte over 124 luchtwaardige vliegtuigen, waarvan er 74 totaal verouderd waren.
Het Duitse leger
Duitsland had op 10 mei 1940 6.050.000 man onder de wapens. Het grootste deel van het Duitse landleger viel best te vergelijken met het Franse en Belgische leger. Een beperkt aantal, 300.000, behoorden tot de keurtroepen die het verschil maakten: pantsereenheden, parachutisten, jagerbommenwerpers.
In het westen werden 135 divisies ingezet waarvan tien pantserdivisies, en circa 3000 vliegtuigen waaronder de duikbommenwerper Stuka.De infanteriedivisies verplaatsten zich grotendeels te voet. Zwaar materieel werd getrokken door paarden. De pantserdivisies telden elk 218 tot 324 tanks waarvan een vierde lichte pantsers van 5,4 ton met als bewapening twee mitrailleurs 7,92 mm. De andere pantsers van 9,5 ton tot 19,7 ton waren bewapend met een kanon van 20 mm tot 75mm en een mitrailleur. Ze hadden een autonomie van 100 ŗ 150 km.
De tactiek van de ďWehrmachtĒ, in het bijzonder de wijze van inzet van de pantsertroepen steunde op ideeŽn die ook in Groot-BrittanniŽ en Frankrijk leefden, maar daar geen toepassing hadden gekregen.De ďWehrmachtĒ had de nieuwe tactische procedťs kunen uitproberen en ervaring opdoen in Spanje, in Oostenrijk, in het Sudetengebied, in Bohemen-MoraviŽ en in Polen.
De Duitse aanvalstactiek die later de naam ďBlitzkriegĒ kreeg bestond erin eerst de vijandelijke luchtmacht op de vliegvelden te vernietigen, dan het vijandelijke front af te tasten om de zwakke punten op te sporen en vervolgens deze ďSchwerpunktenĒ aan te vallen met combinatie van luchtmacht, tanks en infanterie om een doorbraak te realiseren. Ten slotte moesten pantsereenheden snel en zonder versagen in permanente samenwerking met de luchtmacht door de bres oprukken naar de eindobjectieven.[24] Kleine geÔsoleerde weerstandsnesten werden uitgeschakeld. Grotere weerstandsnesten werden voorbijgestoken en nadien opgeruimd door de achteropkomende infanterie.
De methode van bevelvoering in het Duitse leger was aangepast aan de tactiek: de commandanten van de eenheden kregen ruim geformuleerde opdrachten, en de wijze van uitvoeren werd aan hen overgelaten. Naar deze methode wordt soms verwezen als ďAuftragstaktikĒ. De vereiste materiŽle voorzieningen voor de gevolgde tactiek en bevelvoeringsmethode waren voorzien: radioverbindingen op elk echelon.

Gemeenschappelijke defensieve strategie
In weerwil van de neutraliteitspolitiek werkten de Belgische en Franse legertop met de Britten en de Nederlanders in het geheim een gemeenschappelijk verdedigingsplan uit. Ze verwachtten een soort heruitgave van het Schlieffenplan en, zoals in 1914, een Duitse opmars ten noorden en ten westen van de Samber en de Maas om de Maginotlinie te vermijden. De verdedigingsplannen waren eveneens geÔnspireerd door het verloop van de krijgsverrichtingen in de Eerste Wereldoorlog.

De gemeenschappelijke strategie kwam erop neer een hardnekkig defensief te voeren op een lineaire weerstandsstelling van Nederland tot Zwitserland, bezet door van noord naar zuid Nederlandse, Franse, Belgische, Britse, nogmaals Franse en Belgische, en verder weer Franse troepen. Ten westen van de weerstandsstelling moesten de troepen op vooruitgeschoven stellingen de dekking verzekeren, d.w.z. de inval detecteren, alarmeren, informeren, de vijand vertragen, verliezen toebrengen en zo mogelijk stoppen en, indien nodig, terugvallen op de weerstandsstelling. BelgiŽ voorzag daarenboven ook een nationaal bolwerk en, in het kader van de neutraliteitspolitiek, een aantal binnenlandse stellingen.
Gemeenschappelijke weerstandsstelling
In Nederland werd de rol van weerstandsstelling gespeeld door de Waterlinie, die liep langs de Zuiderzee, Utrecht en Dordrecht naar de monding van de Maas en met een geheel van forten en inundaties de Vesting Holland beschermde. De weerstandsstelling werd gedekt door een zwak bezette vooruitgeschoven stelling langs IJssel en Maas en een beter bemande dekkingsstelling langs de Grebbe en Peel. Noord-Brabant werd dus nauwelijks en Nederlands Limburg helemaal niet verdedigd.
In de streek van Breda - Sint-Lenaarts zou het Franse 7de leger de verbinding tussen Belgen en Nederlanders realiseren en tevens de Scheldemonding helpen verdedigen.
Ten zuiden van de Fransen moesten de Belgen de forten van Antwerpen houden.
Vanaf Koningshooikt, een van de forten, strekte de weerstandsstelling zich uit langs de Dijle tot Waver, (de KW-stelling), en verder naar het zuiden tot Namen. Deze stelling ligt dwars op de natuurlijke Oost-West naderingsweg, de waterscheidingslijn tussen het Scheldebekken en het Maasbekken. De KW-stelling was versterkt met een onafgebroken lijn van anti-tankhindernissen (Cointet-element, tetraŽders en anti-tankgrachten), en voorzien van gevechts- en communicatiebunkers. De stelling was aangevuld met loopgrachten en prikkeldraadversperringen en voorzien van anti-tankkanonnen en mitrailleurs.
De KW-stelling zou van Koningshooikt tot Leuven door de Belgen verdedigd worden. Op 10 mei 1940 stond alleen de 10de Belgische Infanteriedivisie opgesteld langs de Weerstandsstelling te Leuven.
Het Britse expeditiekorps (BEF) moest de voorbereide KW-stelling bezetten tussen Leuven en Waver met inbegrip van beide steden.
Vanaf Waver werd de stelling naar het zuiden verlengd over Gembloers tot Rhisnes waar ze aansloot op de vesting Namen. Tussen Waver en Namen moest het 1ste Franse Leger de KW-stelling bezetten, beide steden niet inbegrepen.
De vesting Namen zou door de Belgen bezet worden.
Vanaf Namen volgde de stelling de Maas tot Sedan in Frankrijk. Van daaraf volgde de weerstandsstelling de Belgische grens om ten slotte aan te sluiten op de Maginotlinie tot aan de Zwitserse grens. Het 9de Franse Leger en het 2de Franse Leger zouden stelling nemen op de Maas ten zuiden van Namen
De opmars van het Franse 7de leger, het 1ste leger, het 9de leger en het 2de Leger naar hun respectieve sectoren staat in Frankrijk bekend als ďla manoeuvre Dyle-BredaĒ, het Dijle-Breda manoeuvre, en in BelgiŽ als het ďDijleplanĒ.
Belgische vooruitgeschoven stellingen
Dekkingsstelling
De dekkingsstelling was de eerste van drie vooruitgeschoven stellingen. Ze volgde de anti-tankgracht van Antwerpen tot het Albertkanaal, vervolgens dit kanaal tot de forten rond Luik en verder de Maas tot Namen. Langs het Albertkanaal stond om de 600 meter een bunker met twee mitrailleurs ter hoogte van de waterspiegel). Alle bruggen waren ondermijnd met springladingen, velden waren onder water gezet en er waren tankversperringen.
Op de dekkingsstelling stelling waren op 10 mei veertien divisies opgesteld, meer dan de helft van het Belgisch leger. In geval van tegenspoed zouden ze na ontruiming van de dekkingsstelling op de KW-stelling kunnen terugvallen. Iets meer in diepte bezette de 2de Infanteriedivisie een tussenstelling achter de Gete en de Mehaigne.
Vooruitgeschoven stelling
De zogeheten vooruitgeschoven stelling liep van Antwerpen tot Aarlen. Ze volgde via Maaseik grosso modo de contouren van de grens met Nederland en Duitsland. De vooruitgeschoven stelling moest de sterkte van de Duitse troepen testen en weerstand bieden zodat het gros van het veldleger zonder vijandelijke druk de Dekkingsstelling op het Albertkanaal zou kunnen bezetten. De vooruitgeschoven stelling was ingedeeld in twee sectoren: sector Noord en sector Zuid. Sector Noord liep van Antwerpen tot Lanaken. Sector Zuid liep van Hendrik-Kapelle tot Aarlen. Tussen Lanaken en Luik viel de stelling samen met de Dekkingsstelling langs het Albertkanaal, terwijl de fortengordel rond Luik tussen de twee sectoren in lag.
In de sector Noord volgde de vooruitgeschoven stelling het Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, het Kempisch kanaal en het Belgische deel van de Zuid-Willemsvaart. Om de stelling te versterken waren langs de kanaaloevers grosso modo om de 600 meter mitrailleurbunkers gebouwd die het wateroppervlak bestreken. In de zuidelijke sector waren er geen kanalen en viel de stelling terug op verspreide steunpunten, meestal versterkt met bunkers.
Op 10 mei 1940 was de stelling volledig bezet. De legerleiding had hier consequent mobiele eenheden ingezet die snel naar de Dekkingsstelling verplaatst konden worden als hun taak erop zat: verkenningseenheden van infanteriedivisies en eenheden van het Cavaleriekorps.
Tot Turnhout werd de linie bewaakt door eenheden van de Versterkte Stelling Antwerpen.
Tussen Turnhout en Arendonk werd de Vooruitgeschoven Stelling bezet door de wielrijders van de 15de Infanteriedivisie, een divisie van tweede reserve. De 15de Infanteriedivisie zelf lag langs het Albertkanaal.
Tussen Arendonk en De Maat (Lommel) bemanden de wielrijders van de verkenningseenheid van de 18de Infanteriedivisie de linie. Dit was eveneens een divisie van tweede reserve.
Voor het meest kritieke deel van de linie, tussen Lommel en Lanaken, had de legerleiding beroep gedaan op sterkere eenheden. Voor deze taak werd in de maanden voor 10 mei een speciale tijdelijke 'Battlegroup' gevormd, de Groepering Ninitte.Deze tijdelijke eenheid viel onder het bevel van het Cavaleriekorps. Ze bestond uit het 1ste Regiment Karabiniers-Cyclisten, het per vrachtwagen vervoerde 2de Regiment Gidsen en het 1ste Regiment Jagers te Paard. Ze was daarenboven versterkt met de wielrijdersgroep van de 17de infanteriedivisie, en de 5de en 6de compagnie van de Grenswielrijders Limburg.
In de Ardennen werd de beveiliging verzekerd door de Groepering K, genoemd naar haar bevelhebber luitenant-generaal Maurice Keyaerts, bestaande uit de 1ste divisie Ardense Jagers en de 1ste Cavaleriedivisie.
Alarmstelling
De alarmstelling volgde de grens met Nederland (Nederlands Limburg) en de grens met Duitsland. Deze linie had als doel elke grensoverschrijding te detecteren en onmiddellijk te melden. Deze stelling werd bemand door territoriale brigades van de Rijkswacht en gedetacheerde manschappen van de eenheden op de vooruitgeschoven stelling
Belgische binnenlandse stellingen
In Oost- en West-Vlaanderen was een nationaal bolwerk voorzien, dat via de kusthavens kon geravitailleerd worden. Dit gebied zou verdedigd worden op het kanaal Gent-Terneuzen een bunkergordel ter dekking van Gent, en op de Boven-Schelde. De 5de Infanteriedivisie bevond zich in de regio Halle-Ninove en de 16de Infanteriedivisie in het Gentse. De bunkergordel ter hoogte van Gent was gekend als ďTÍte de Pont de Gand" (Bruggenhoofd Gent).
Bovendien waren in het binnenland stellingen gepland, ingericht en deels bezet om, wegens de neutraliteitspolitiek, het hoofd te kunnen bieden aan een mogelijke Franse of Britse invasie. Deze stellingen omvatte onder andere de linie Waver-Ninove, een onafgebroken tankhindernis met bunkers, een bunkergordel van Astene aan de Leie tot Kwatrecht aan de Schelde, de kustverdediging en geplande vernielingen langs de Franse grens (Semois, Samber, en de kanalen van Henegouwen). Een beperkt aantal eenheden was langs de Franse grens gelegerd. Langs de kust waren elementen van de 16de Infanteriedivisie gestationeerd, naast enkele artilleriebatterijen.
Evaluatie van de Belgische defensie
In de jaren voor de oorlog had BelgiŽ een enorme financiŽle inspanning geleverd voor de aanschaf van bewapening en transportmiddelen, voor kazernes, vestingbouw en veldversterkingen: vanaf 1937 bedroeg het gewoon budget voor landsverdediging 1.200 miljoen frank, d.w.z. 12% van de staatsuitgaven.
Daarbovenop werd een wezenlijk deel van het economisch potentieel van het land ingezet in de schemeroorlog: 16% van de actieve bevolking, 17% van de paarden, 12% van de auto's, 18% van de motorfietsen.De Belgische opstelling van de troepen was een compromis tussen de verdediging van gans het land en de verdediging, na een vertragend gevecht, van het essentiŽle deel, het centrum. Het hield tevens rekening met het Franse Dijle-Breda plan. De ontplooiing in diepte op drie stellingen was er ook gekomen onder politieke druk. Het zou inderdaad moeilijk geweest zijn de publieke opinie ervan te overtuigen dat BelgiŽ van bij de aanvang zou verdedigd worden op de lijn van Antwerpen - Namen - Franse grens, d.w.z. door a priori de helft van het land prijs te geven.
Het Duitse aanvalsplan
Met een oorlog in het Westen wilde Duitsland de basis leggen voor een invasie van Engeland om uiteindelijk het Europees continent en Groot-BrittanniŽ te overheersen. Het aanvankelijk aanvalsplan beoogde enkel zoveel mogelijk Belgische-Britse-Franse strijdkrachten te vernietigen en havens aan de Noordzeekust in bezit te nemen. Dat oorlogsdoel werd later onder invloed van Erich von Manstein in de geest van Clausewitz uitgebreid tot een totale overwinning op het West-Europees continent.
De Duitse operationele strategie kreeg vorm in het aanvalsplan Fall Gelb.
Het oorspronkelijke Duitse aanvalsplan, voorzien voor uitvoering in de herfst van 1939, was tot op zekere hoogte een heruitgave van het Schlieffenplan van augustus 1914. In dat plan lag de hoofdkrachtsinspanning bij de Noordelijke legergroep B. Deze legergroep moest Nederland en BelgiŽ binnen vallen, zoveel mogelijk Belgisch-Britse-Franse strijdkrachten vernietigen en havens aan de Noordzeekust in bezit nemen. In het centrum moest de legergroep A, zonder pantsereenheden, door Zuid-BelgiŽ en Luxemburg oprukken om de Zuidflank van legergroep B te beschermen. De legergroep C moest de Westwall tegenover de Maginotlinie bezetten.
Fall Gelb; De plannen
Tijdens de wintermaanden werd echter het totaal nieuw plan ontwikkeld dat in mei 1940 zal uitgevoerd worden.[35][36] De idee voor dat plan kwam van de legergroep A, onder bevel van Generaal Gerd von Rundstedt. Zijn stafchef Erich von Manstein lag aan de basis van dat nieuwe plan.Het leidende idee van het nieuw plan was dat bij de voorgenomen schending van BelgiŽ en Nederland de politieke inzet te groot was om zich tevreden te stellen met een beperkte overwinning. Niets minder dan een totale overwinning moest nagestreefd worden. Daarom stelde von Manstein voor dat de inval in BelgiŽ door de legergroep B enkel zou dienen om de Britten en Fransen te misleiden en hun strijdkrachten naar BelgiŽ lokken. De hoofdkrachtsinspanning echter moest bij de legergroep A gelegd worden. Pantserdivisies van de legergroep A moesten ongemerkt oprukken door de Ardennen, de Maas oversteken in de buurt van Sedan en dan op de waterscheidingslijn tussen het Seinebekken en Sommebekken in het zuiden en het Maas - en Scheldebekken in het noorden onversaagd doorstoten naar de Kanaalkust. De Belgisch-Britse-Franse strijdkrachten zouden dan afgesneden worden van hun bases en overgeleverd aan de vernietiging. Tegelijk moesten ook, door offensieve acties tussen Maas en Moezel, gunstige uitgangsposities veroverd worden om later een vernietigend offensief te kunnen inzetten naar het Zuiden van Frankrijk.
Offensieve en defensieve operaties in Frankrijk, BelgiŽ, Nederland
Op 10 mei 1940 in de ochtend werden de Belgische stellingen langs de Belgisch-Nederlandse grens tussen Neeroeteren (ten westen van Maaseik) en Briegden (ten westen van Maastricht) op meerdere plaatsen aangevallen door Duitse troepen die de Maas overgestoken waren en de Belgische verdediging aftastten. De Belgische troepen slaagden erin de bruggen over de Kempische kanalen op tijd te laten springen en zich terug te trekken naar het Albertkanaal. Twee bruggen over het Albertkanaal en het fort van Eben-Emael werden bij verrassing in de Slag rond het Fort Eben-Emael genomen door een nieuw soort eenheden: parachutisten.Het Belgische leger trekt zich terug naar de KW-stelling.
Fransen en Britten misleid
Het Franse oppercommando was er snel van overtuigd dat de onderstellingen waarop het Dijleplan gebaseerd was werkelijkheid waren geworden. Het gemotoriseerde 7de Franse Leger werd richting Breda gestuurd.
Het 1e Franse Leger en het 9e Franse Leger trokken volgens plan BelgiŽ binnen om hun stellingen ten zuiden van Waver en langs de Maas te bezetten.
De Britten reden BelgiŽ binnen om hun toegewezen deel van de KW-stelling te bezetten.
Op 14 mei voerde de Duitse Luftwaffe het Bombardement op Rotterdam uit. De volgende dag capituleerde het Nederlandse leger onder dreiging van een bombardement op Utrecht.
Doorbraak aan de Maas
Ondertussen trok de Duitse Legergroep A in zuidwestelijke richting door Luxemburg en de Ardennen. Twee pantserlegerkorpsen hadden de leiding. Een ervan stond onder bevel van generaal Guderian. Ze bereikten in goede orde de Maas, ten zuiden van Namen ter hoogte van Sedan. Na luchtbombardementen door de duikbommenwerpers, de Stukas, staken de pantserinfanterie-eenheden op 13 mei de Maas over. Een brug werd geslagen en op 14 mei in de namiddag waren drie pantserdivisies overgezet. Andere pantserdivisies konden de Maas oversteken te Monthermť en bij Dinant. Het 9de Franse Leger, grotendeels samengesteld uit wederopgeroepen eenheden, kon geen noemenswaardige weerstand bieden.
De weg naar de kust, op de waterscheidingslijn tussen de stroombekkens in het Noorden en in het Zuiden lag open voor de Duitse pantsers. Bevreesd voor Franse tegenaanvallen op de flank van de doorbraak, kwam Hitler tussen om de opmars af te remmen. Zijn orders werden vindingrijk omzeild door de pantsereenheden.
Franse, Britse en Belgische reacties[bewerken]
Het 7de Franse Leger werd teruggeroepen en trok in wanorde naar het zuiden. Aan de Dijle waren heftige gevechten geleverd. Na de doorbraak aan de Maas dreigden het BEF en het 1ste Franse Leger geÔsoleerd en omsingeld te worden. Ze werden teruggetrokken richting west.Enkele pogingen van Fransen en Engelsen de Duitse doorbraak op de flanken aan te pakken kwamen te laat of waren te zwak.
In een poging een continue defensielijn met de Fransen te bewaren werd ook het Belgische leger teruggetrokken op opeenvolgende defensieve stellingen. Hierbij werd gebruik gemaakt van de zuid-noord rivieren en de bestaande ingerichte binnenlandse stellingen. In de nacht van 22 op 23 mei 1940 verlieten de Belgische troepen het ďTÍte de Pont de GandĒ waar ze gevaar liepen afgesneden en omsingeld te geraken. Ze trokken terug naar een volgende en laatste, onvoorbereide verdedigingslijn, de Leie. Het vervolg van de strijd zal later omschreven worden als de slag aan de Leie 
Op 20 mei bereikten de Duitse pantsers Abbeville aan de monding van de Somme. Hitler besliste de pantsereenheden te stoppen. Het Britse expeditiekorps, het Belgische leger, het 7de Franse Leger en elementen van het 1ste en 9de Franse Leger noord van de Duitse doorbraak waren afgesneden van de rest van de Franse legermacht zuid van de Duitse doorbraak. De Britten waren bezorgd hun BEF (British Expeditionary Forces) te verliezen. Op 26 mei beslisten ze tot herinscheping in Duinkerke. In een laatste inspanning leverde het Belgische leger een bijdrage aan de bescherming van de herinscheping Operatie Dynamo.
Belgische capitulatie
Op 28 mei was het Belgische leger samen met miljoenen vluchtelingen tegen de zee samengedrukt op een klein oppervlak, zonder reserves, uitgeput. Het kon geen nuttige rol meer vervullen. Verder weerstand bieden kon alleen zorgen voor grote verliezen bij de eigen troepen en bij de vluchtelingen.
Op 28 mei capituleerde Koning Leopold III. De beslissing van de vorst zette op 31 mei kwaad bloed bij de Regering-Pierlot III in Limoges die niet was geraadpleegd.De Belgische regering vluchtte naar Frankrijk en in augustus 1940 naar Engeland. Koning Leopold III verkoos in het land te blijven, naar zijn zeggen om het lot van zijn krijgsgevangen soldaten te delen.
Gevolgen
De succesvolle Duitse inval in het Westen van 10 mei 1940 had grote directe gevolgen: BelgiŽ, Nederland en Frankrijk werden de volgende vier of vijf jaar bezet.
BelgiŽ
De nederlaag van het leger, na nauwelijks achttien dagen strijd, liet een wrange nasmaak en bezorgde BelgiŽ een ongelooflijke kater.Het contrast met de Eerste Wereldoorlog was geweldig, en dat niettegenstaande de enorme materiŽle inspanning. Nog tijdens de veldtocht hadden de leiders van de Nieuwe Ordebewegingen hun diensten aan de Duitsers aangeboden. De ideologie bleek nu belangrijker dan het vaderland. Een aantal Vlamingen dachten met hulp van de Duitsers de Vlaamse aspiraties te kunnen verwezenlijken.In BelgiŽ, maar ook in Nederland en Frankrijk werd de positie van de aanhangers van een nationalistische en autoritaire staatsordening naar het voorbeeld van nazi-Duitsland versterkt.
De overduidelijke mislukking van de neutraliteitspolitiek zou de komende decennia het veiligheidsbeleid van BelgiŽ bepalen.
De beslissing van Koning Leopold III te capituleren vond bij een goed deel van de Belgische bevolking begrip. Niettemin lag zijn beslissing aan de basis van een ernstig conflict tussen de koning en de regering. Het conflict werd nog scherper door zijn keuze als krijgsgevangene in het land te blijven, door zijn houding ten aanzien van de Duitse bezetter en zijn huwelijk met Lilian Baels. Na de Tweede Wereldoorlog leidde het conflict, gekend als de Koningskwestie, tot ernstige binnenlandse problemen rond partijpolitieke en Vlaams-Waalse tegenstellingen.
Frankrijk, Groot-BrittanniŽ

Gefrustreerd door het faliekant verloop van de operaties, in het bijzonder de nutteloze tocht van het 7de leger, de doorbraak in de sector van het 2de en 9de leger en de late en onaangepaste reacties na de doorbraak richtten de Fransen onterecht woedende verwijten naar de Belgen. De afgang van het Belgisch leger en BelgiŽ was immers te wijten aan ineenstorting van de Franse verdediging op de Maas.De Franse minister van propaganda, Ludovic-Oscar Frossard, had geen goed woord over voor koning Leopold III. De rede die premier Paul Reynaud de 28ste mei 's morgens voor de radio uitsprak, lokte overal in Frankrijk een anti-Belgische stemming uit. Vluchtelingen werden voor "sales boches du nordĒ (vuile moffen uit het Noorden)uitgescholden en in sommige gevallen zelfs gemolesteerd. De geallieerden waren nochtans wel degelijk ingelicht over het voornemen tot capitulatie.
De Britse minister van propaganda Duff Cooper daarentegen bracht langs de BBC een eresaluut aan het Belgische leger, net trouwens als Churchill. Lord Keyes bleef tot aan zijn dood een vurige verdediger van Leopold III. De militaire historicus Sir Liddell Hart noemt zijn keuze als krijgsgevangene bij zijn troepen te blijven, gezien in die tijd, ďeervolĒ.
Het Britse leger en een beperkt aantal Franse troepen slaagden erin te ontkomen met achterlaten van hun zware wapens en materieel.
Wanneer het Duitse leger het offensief hernam richting zuid, reageerde het Franse leger op tactisch gebied op dezelfde wijze als voorheen. Tanks en vliegtuigen werden geÔsoleerd ingezet in plaats van in nauwe samenwerking met de infanterie en artillerie. De negatieve mentaliteit [64] die ontstaan was door de bouw van de Maginotlinie kon onmogelijk op enkele weken omgedraaid worden en uiteindelijk moest ook het Franse Leger capituleren

De KW-stelling

Fall Gelb; De plannen

De Duitse parachutisten die het fort van Eben Emael innamen

Koning Leopold III op 18 mei 1940

 

Britse troepen schepen in te Duinkerke

Belgische annexatie van Duits grondgebied na de Tweede Wereldoorlog

BelgiŽ plande vanaf 1945, na de overgave van nazi-Duitsland, de annexatie van verschillende gebieden in Duitsland, grenzend aan BelgiŽ. Naast financiŽle compensatie werd dit als compensatiemaatregel gezien. Halverwege 1945 gaf BelgiŽ de territoriale claim voor het grootste gedeelte op.
Overdracht
Op 1 april 1949 werden grensgebieden van Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts tijdelijk overgedragen aan BelgiŽ. De gebieden waren:
de Aakse wijk Bildchen
Delen van Leykaul en enkele boerderijen in Monschau (gemeente Kalterherberg).
Losheim in de gemeente Hellenthal.
Losheimergraben.
Hemmeres, gemeente Winterspelt
Verschillende Duitse exclaves op Belgisch grondgebied bestaan nog, gevormd door het gebied ten westen van de (Belgische) Vennbahn:
Ruitzhof
MŁtzenich en Boerderij RŁckschlag (Monschau).
Het westelijk gedeelte van Lammersdorf bij Simmerath.
Delen van Roetgen
Na de oorlog gaf BelgiŽ zijn territoriale claims langzamerhand op. Volgens een Geallieerd Bevel van 26 maart 1949 dienden verschillende plaatsen en de Vennbahn (van bijzonder belang van BelgiŽ) aan BelgiŽ overgedragen te worden.Op 15 april 1949 veranderde de Belgische positie.De Belgische overheid verklaarde de opgave van haar territoriale aanspraken voor het grootste deel van het aan BelgiŽ toegewezen grondgebied. Als reden werden niet de protesten in Noordrijn-Westfalen aangevoerd, maar voortschrijdend inzicht in de inefficiŽntie van grenscorrecties.
Teruggave van de geannexeerde gebieden aan Duitsland vond plaats op 28 augustus 1958 volgens een Duits-Belgisch grensverdrag van 24 september 1956. De plaats Losheimergraben en het westelijk gedeelte van de gemeente Leykaul werden uitgezonderd, evenals enkele bossen. Ook de gemeenten Eupen en Malmedy, die door Duitsland in 1940 waren geannexeerd, bleven deel uitmaken van BelgiŽ.

Kaart met grenswijzigingen

Bevrijding van de Duitse bezetting in BelgiŽ

De Bevrijding of einde van de Duitse bezetting in BelgiŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog liep van begin tot einde september 1944, met enkele uitlopers tot begin november en met een herovering door de Duitsers van een deel van de Ardennen in december 1944 - januari 1945.
Chronologie
De geallieerde troepen die BelgiŽ bereikten, waren in de eerste plaats het Tweede Britse Leger en het Eerste Amerikaanse Leger. Ze werden bijgestaan of opgevolgd door legereenheden bestaande uit Britten, Amerikanen, Canadezen, Polen (1ste Poolse Pantserdivisie) en de Belgische troepen van de Brigade Piron. BelgiŽ werd hoofdzakelijk bezet door het 15de Duitse Leger, dat zich aan versneld tempo uit het land terugtrok en slechts ťťn strategisch doel overhield: het blokkeren van de Westerschelde en van de toegang tot de haven van Antwerpen.
Tijdens de maand september 1944 werd het grootste deel van het Belgische grondgebied van de Duitse troepen bevrijd.
Op 2 september bereikten de geallieerden de Belgische zuidergrens in de provincie Henegouwen. Dezelfde dag werden Bergen en Doornik bevrijd.
Op zondag 3 september bereikten ze Brussel en reden de eerste pantserwagens 's namiddags de stad langs de Tervurenlaan binnen. Ook Aat, La LouviŤre, Ronse werden ingenomen.
Op 4 september trokken geallieerde troepen in een overwinningsparade door de Belgische hoofdstad, met vooraan de Belgen van de Brigade Piron
Op 4 september werd Antwerpen bevrijd, evenals Leuven, Mechelen, Lier en Kortrijk
Op 4 september werd het concentratiekamp Breendonk bevrijd en onmiddellijk aangewend als interneringscentrum voor opgepakte collaborateurs
Op 6 september werden Luik en Ieper bevrijd.
Op 7 september werd generaal Bernard Montgomery op het stadhuis van Brussel ontvangen.
Op 7 september werden Verviers en de provincie Luxemburg bevrijd.
Op 7 en 8 september staken de Britse en Amerikaanse troepen het Albertkanaal over.
Op 8 september werden Roeselare, Hooglede, Tielt, Ruiselede en Aalter bevrijd
Op 11 september werd de legerbasis van Leopoldsburg (met 900 gevangenen) bevrijd
Op 12 september werd Brugge bevrijd
Op 13 september werd Gent bevrijd
Op 24 september werd Turnhout bevrijd
Op 1 november werden Knokke, Westkapelle bevrijd
Op 2 november werden Heist, Ramskapelle
Op 3 november werd Zeebrugge bevrijd en hiermee was het ganse Belgische grondgebied bevrijd.
Er was nog slag geleverd onder meer tijdens de Strijd om Hechtel. De gevechten duurden het langst in de Zwinstreek en in de polderstreek tussen West-Vlaanderen en Zeeland.
Intussen poogde Hitler het tij alsnog in zijn voordeel te doen keren door de massale inzet van zogeheten "Vergeldings-" of V-wapens (V1, V2) vanaf juli 1944. In BelgiŽ werden deze vooral tegen de haven van Antwerpen, maar ook tegen Luik ingezet.

Amerikaanse troepen in Libin op 7 september 1944


Duitse agenten van de Gestapo, gearresteerd na de bevrijding van Luik, werden samengebracht in de Citadel van Luik

Ardennenoffensief
Onder meer door de mislukking van Operatie Market Garden vertraagde de geallieerde opmars in het najaar van 1944. Gebruikmakende van het slechte weer, dat in december 1944 de geallieerde luchtmacht aan de grond hield, poogde Hitler in een gigantisch tegenoffensief met circa 30 divisies doorheen de Belgische Ardennen de sleutelhaven van Antwerpen te heroveren en de geallieerden terug in zee te drijven.
Vanuit de startlijn Monschau-Echternach slaagden de Duitsers erin de frontlijn tot op ongeveer 5 km van Dinant te trekken. Voor de inwoners van deze regio herbegon de nachtmerrie, vooral omdat in het kielzog van de Duitse troepen ook Gestapo-eenheden waren gevolgd die zich opnieuw aan gruweldaden te buiten gingen (onder meer te Bande, ten zuidoosten van Marche-en-Famenne). Maar de Amerikaanse troepen in Sankt Vith en vooral in en rond Bastenaken (Bastogne) onder leiding van brigadegeneraal Anthony McAuliffe boden hardnekkig weerstand en weigerden zich over te geven.
Door tegenaanvallen vanuit het zuiden en het noorden, en door de mogelijkheid om opnieuw de luchtmacht in te zetten, was de Duitse saillant tegen eind januari 1945 verdwenen en BelgiŽ werd definitief en volledig bevrijd.
Van op afstand bleef Antwerpen echter tot 29 maart 1945 en Luik tot 8 april, enkele weken voor de Duitse capitulatie op 7 mei en de wapenstilstand op 8 mei 1945, onder vuur liggen van de Duitse raketwapens V-1 en V-2.
Betekenis
De bevrijding van het land gebeurde onder het grote enthousiasme van de bevolking. De gevolgen waren zeer belangrijk.
De terugtrekking van de Duitsers en de opmars van de geallieerden gebeurde niet zonder aanzienlijke materiŽle schade, die te voegen was bij de schade aangericht door maandenlange luchtaanvallen van de geallieerden op strategische doelwitten en vervolgens door de Duitse V-bommen.
De bevrijding van BelgiŽ, meer bepaald van de haven van Antwerpen, was van strategisch belang voor de verdere opmars door Duitsland. Het kwam erop aan de troepenbevoorrading langs deze haven te kunnen organiseren. Pas na de verovering van Zuid-Beveland en Walcheren die op 3 november 1944 een feit was en na de zuivering van de Scheldemonding van de aanwezige mijnen, kon de haven de verwachte rol spelen. Vanaf 26 november liepen de eerste konvooien de haven binnen. De aanvoer bleef zich doorzetten, ondanks de V-bommen (tot einde maart) en het droppen van mijnen in de vaargeul door de Kriegsmarine (tot 23 januari).
Zodra een stad of dorp van de Duitsers was bevrijd, kwam naast de vreugde ook de volkswoede tot uiting en begon de jacht op echte of vermeende collaborateurs. De gevolgen van de 'epuratie', die in BelgiŽ 'Repressie' werd genoemd, lieten zich tot in de eenentwintigste eeuw gevoelen.
De regering Pierlot in ballingschap, kon op 8 september van Londen naar Brussel terugkeren en werd zonder meer aanvaard als de wettelijke leiding van het land, zodat de democratische bestuursvorm ongehinderd kon worden hersteld. Zodra ze was aangekomen, benoemde de regering nieuwe provinciegouverneurs, alsook nieuwe hoofden van de centrale administraties. Op 19 september kwamen Kamer en Senaat in plechtige zitting bijeen. De dag daarop verkozen ze Prins Karel tot regent. Op 27 september werd de regering Pierlot uitgebreid met politieke personaliteiten die tijdens de oorlog in het land waren gebleven.
Naarmate de steden en gemeenten bevrijd werden namen de tijdens de verkiezingen van oktober 1938 verkozen gemeenteraden en de in 1939 verkozen schepenen en benoemde burgemeesters, die door de Duitsers waren afgezet, onmiddellijk hun ambt weer op.
De afwezigheid van koning Leopold III, gevangene van de Duitsers, leverde de basis voor de Koningskwestie die het land politiek zou verscheuren.

   Bloedbad van Abbeville

Het Bloedbad van Abbeville was een gebeurtenis op 20 mei 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, in de Franse stad Abbeville

Administratief geÔnterneerden
Bij de Duitse inval hadden de Belgische autoriteiten tussen 10 en 15 mei een aantal verdachten ("vijandige Belgen en vijandelijke buitenlanders") opgepakt in opdracht van de auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch. "Het is duidelijk dat men heel onverantwoord en willekeurig te werk is gegaan bij de arrestaties. Ze hebben zomaar wat mensen opgehaald: uit wraak, uit jaloezie, om hun politieke overtuigingen, hun joodse afkomst of wegens hun buitenlandse nationaliteit", aldus G. Warris.[1] Deze administratief geÔnterneerden werden opgesloten in 't Pandreitje, de toenmalige gevangenis van Brugge. Onder hen bevonden zich onder anderen Joris Van Severen en Lťon Degrelle. Ondanks vergeefse pogingen van bevriende parlementsleden om Van Severen vrij te krijgen, werd hij met Degrelle en 77 anderen op 15 mei 1940 naar Frankrijk gedeporteerd. In tegenstelling tot de andere verdachten die met "spooktreinen" werden afgevoerd, werd dit gemengd gezelschap (twee aan twee geboeid) in drie autobussen via Oostende naar Duinkerke gereden, waar Degrelle uit de groep gehaald werd. In de studie 'Dossier Abbeville' komen de achtergronden van alle 'verdachte' personen uitgebreid aan bod. Tot de 21 Belgen behoorden ook Rexist Renť Wťry, Verdinaso-lid Jan Rijckoort (rechterhand van Van Severen) en VNV'er Van Gijsegem. Onder de groep bevonden zich ook 18 Joden, veertien Duitsers, een aantal Belgische communisten (Caestecker, Monami en Van Dijcke) en twee Belgen (De Bruyn en Vanderkelen) die voor de Duitse Abwehr (contraspionage) werkten.

Executie aan de kiosk

Het bloedbad van Abbeville - de lichamen van Jan Rijckoort, Joris Van Severen, Lucien Monami, Renť Wťry en twee Italianen
Drie dagen later, op 19 mei, werd de hele groep naar Abbeville gevoerd en opgesloten onder de kiosk. Toen in de nacht van 19 op 20 mei de stad Abbeville vanuit de lucht door Duitse eskaders zwaar gebombardeerd werd, dachten de Franse soldaten dat de gevangenen bevrijd zouden worden door de Duitsers. Zij besloten in de middag van 20 mei om al hun gevangenen te executeren, die vervolgens in groepjes van vier uit de kioskkelder werden gehaald, tegen de muur gezet en zonder proces doodgeschoten werden. Onder hen was er ťťn vrouw, Maria Geerolf-Ceuterick, die vrij brutaal vermoord werd door de Franse gendarmes. Zij was ťťn van de verdachten die in de chaos voor de inval per vergissing werd gearresteerd in plaats van haar schoonzoon, nl. de in Brugge wonende Nederlandse architect Ernst Warris. Na de executie (zonder vonnis) op bevel van een Franse kapitein die dienstdeed als plaatscommandant van in totaal 21 personen van 6 verschillende nationaliteiten (waaronder 8 Belgen met o.a. Van Severen en Rijckoort) eindigde dit drama door toedoen van luitenant Leclabart, die in extremis arriveerde en deze slachtpartij kon stoppen.

Kiosk van Abbeville

Het bloedbad van Abbeville - de lichamen van Jan Rijckoort, Joris Van Severen, Lucien Monami, Renť Wťry en twee Italianen

Slag aan de Leie

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse legers BelgiŽ binnen, reeds tijdens de eerste uren werd door middel van bombardementen de luchtmacht op de grond vernietigd.
Het onneembaar geachte fort van Eben-Emael bij Luik werd door de Duitsers op ťťn dag ingenomen. De bruggen over het Albertkanaal vielen in Duitse handen en de Maas werd overgestoken te Dinant.
De doorbraak in het zuiden en de uitzichtloze situatie van het Nederlandse leger in het noorden en hun overgave op 15 mei, dwongen de legerleiding om de stellingen bij het Albertkanaal prijs te geven.
Er werd gepoogd om bij de linies aan de Schelde, Terneuzen-Gent, de Leie en Ieper-Roeselare stand te houden tegen de Duitse overmacht, maar ondanks het protest van Koning Leopold III moest op bevel van de Franse opperbevelhebber generaal Maurice Gamelin de Scheldelinie nog dezelfde dag opgegeven worden.
Het 7e Franse Leger, dat intussen in Nederland door ťťn enkele Duitse pantserdivisie was teruggeslagen, trok zich samen met het Belgische leger terug en liet de vijand ongehinderd de Schelde oversteken, in de Franse pers kregen de Belgen echter de schuld van deze terugtrekking, op de conferentie van Ieper op 21 mei, werd echter erkend dat de Belgische troepen heldhaftige vertragingsmanoeuvres uitvoerden zoals de Ardeense Jagers op 18 mei aan de Dender, de 4e Lansiers op 19 mei te Zwijndrecht en op 20 mei het 3e Jagers aan de Schelde.
Aan de Leie, werd ook zwaar slag geleverd en de Belgen verloren er 2500 manschappen.
Op dat moment was de munitievoorraad bijna volledig opgebruikt en Leopold III waarschuwde de geallieerde hoofdkwartieren dat het Belgische leger zich zonder geallieerde steun zou moeten overgeven. Dit viel in dovemansoren er er kwam geen hulp.
Voor de koning en de legerleiding was het duidelijk geworden dat de strijd verloren was, het leger kon alleen nog de aftocht van het Britse Expeditieleger via Duinkerken dekken.
De meeste politici hoopten op een nieuw mirakel aan de Marne doch Leopold III vreesde een Duitse overwinning. Hij besloot dan ook tegen het advies van zijn ministers in om net als Albert I bij zijn soldaten te blijven en hun lot te delen. Hij capituleerde samen met zijn troepen op 28 mei 1940.
De beslissing om in BelgiŽ te blijven werd zowel door de reeds naar Parijs gevluchte premier Hubert Pierlot en de voltallige regering als door de Franse premier Paul Reynaud zwaar bekritiseerd.
Ongeveer 6000 soldaten en ongeveer evenveel burgers waren gedood.
10 mei 1940. 
Duitse troepen zijn bij dageraad BelgiŽ binnen gevallen. Met hun sterk bewapende pantsertroepen overspoelen zij de Belgische legermacht, die zich volgens overeenkomst terugtrekt tot aan de Schelde.
20 mei 1940. 
De toestand is niet meer houdbaar. Ons leger heeft een dappere strijd geleverd aan het front tussen Oudenaarde en Terneuzen. Het Britse leger is al gedeeltelijk aan de terugtocht begonnen.
21 mei 1940 
De geallieerden (Belgen, Britten en Fransen) beraden zich over de dramatische toestand van hun legers, die ingevolge de snelle Duitse opmars door de Ardennen en Noord-Frankrijk, volledig ingesloten dreigen te worden. Men beslist daarom tot een terugtrekking tot achter de Leie.
De 3e Belgische Infanteriedivisie van Luitenant Generaal Lozet zal zich opstellen tegen de Leieoevers van Ooigem tot Kortrijk. Van Kortrijk tot Menen zal de 1e Infanteriedivisie van Generaal Coppens post vatten.
22 mei 1940 
Tijdens de nacht vertrekt het 12e Linie van uit Wakken te voet naar Kuurne. 
Te 8 uur ís morgens komen ze aan met de 2000 overblijvende manschappen. Soldaten van het 2e Regiment Grenswielrijders hebben al post gevat langs de Leie van Harelbeke tot aan de wijk de Leiehoek te Kuurne. Deze van het 12e Linie zullen zich aansluitend ingraven langs de boorden van de Leie, tot aan de grens met Kortrijk. Koortsig beginnen onze soldaten schuttersputten en verschansingen te delven, bang afwachtend op het nakende moment, maar bereid om zich tot het uiterste te verdedigen.
23 mei 1940.
In de vroege morgen worden de bruggen over de Leie door Engelsen opgeblazen. De vernieling is gedeeltelijk mislukt en wordt door Belgische genietroepen afgewerkt 
Tegen de middag wordt ook de kerktoren van Harelbeke gedynamiteerd.
In de late namiddag wordt medegedeeld dat op bevel van de militaire overheid de Kuurnse bevolking zich, binnen de zes uren, moet terugtrekken tot achter de rivier de Mandel. Het is meteen een voorteken dat er alhier hard zal worden gevochten.
Ondertussen zijn ook Duitse Infanterietroepen tot Harelbeke doorgedrongen. Ze installeren zich met hun automatische wapens op de zolders van de huizen langs de Leie.
24 mei 1940.
Het is al de gehele nacht onrustig geweest Een lichte mist hangt over de Leievlakte.
Bij het krieken van de dag begint de Duitse Artillerie aan een geweldig offensief. Hun granaten teisteren Kuurne. De met vlas volgepropte schuren staan weldra in brand, huizen worden vernield.
Onze Artillerie, bestaande uit twee batterijen, geeft antwoord. Ook onze mitrailleurs strijden tot ter dood, van overgave geen sprake. Er wordt gevochten voor iedere meter grond. De Leiemeersen achter de Harelbeeksestraat en verderop Kortrijkwaarts zijn ťťn slagveld. De lucht stinkt van brandend vlas en granaatvuur.
De voorste gelederen van de Duitse regimenten Erdmansdorff en Bohnstedt forceren het oversteken van de Leie met opblaasbare vlotten. 
We kennen hier het verhaal van korporaal Verhaeghe uit Bissegem, die van op de hoeve Vanhaecke, (nu Verschaeve), met zijn mitrailleuse voortdurend iedere Duitse aanvalsgolf uiteen maaide, tot hij zelf sneuvelde.
Langs de Heulebeek wordt hardnekkig met handgranaten gevochten
De Duitse aanval is, ondanks een sterk verweer van de Belgische soldaten, niet meer te stuiten. Stap voor stap en huis na huis wordt Kuurne door de Duitsers veroverd.

28 mei 1940. 

De morgenstilte wordt door geen enkel oorlogsgeweld meer verstoord. 
Sedert 4.00 uur is het ďStaakt het vurenĒ van kracht; Belgie heeft gecapituleerd. Tachtig Kuurnse soldaten worden als krijgsgevangene naar Duitsland overgebracht.
De Kuurnse vluchtelingen keren terug naar hun zwaar geteisterde gemeente. De stoffelijke schade aan huizen en gebouwen is enorm, een hele rij huizen uitgebrand. Het is allemaal herstelbaar.Onherstelbaar is echter het leed dat door overlijden tijdens deĒ Slag aan de LeieĒ werd veroorzaakt. De triestige balans op Kuurns grondgebied is verschrikkelijk: 106 Belgische militairen , 45 Duitse militairen, 1 Engelse militair, 2 Kuurnse inwoners en 6 vreemde vluchtelingen, dood tijdens de beschieting.
De gesneuvelde militairen worden voorlopig ter plaatse begraven. Een ondiepe punt met een kleine terp grond, een vlug getimmerd houten kruisje met hun stamnummer en een meestal stukgeschoten soldatenhelm er bovenop. Druppelsgewijze vernemen wij ook het droevige nieuws van zeven Kuurnse soldaten die elders gesneuveld zijn tijdens deze helse meidagen. Ook zij verdienen onze hulde!
Onze dappere jongens hebben aan de Leie tegen de Duitse legers drie dagen stand gehouden. Het was voldoende om de geallieerden tijd te geven om in te schepen naar Engeland . Vier jaar later zouden zij terugkomen om ons te bevrijden.

Het front bij de aanvang van de Leieslag.

Het front bij de aanvang van de Leieslag.
Datum 24 mei - 28 mei 1940
Locatie Regio Kortrijk (Zuidwest-Vlaanderen), BelgiŽ en Nord-Pas-de-Calais
Resultaat Duitse overwinning
Belgische overgave op 28 mei
Strijdende partijen
Flag of Belgium (civil).svg BelgiŽ
Flag of France.svg Frankrijk Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Leiders en commandanten
Flag of Belgium (civil).svg Leopold III
Flag of Belgium (civil).svg Oscar Michiels Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Walter von Reichenau
Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Georg von KŁchler
Troepensterkte
500.000 soldaten 12 divisies
Verliezen
3.000 doden 1.500 doden
200 krijgsgevangenen

16 mei: pantsertroepen steken de Maas over

tot 4 juni: aftocht bij Duinkerke

Mof (scheldwoord)

Mof is een scheldwoord voor een Duitser, dat vooral in het westen van Nederland en Vlaanderen gebruikt wordt. In het noorden wordt eerder gesproken van poep en in Limburg (zowel Belgisch- als in Nederlands-Limburg) Pruusj.

Geschiedenis
Het woord mof wordt in Nederland en in Vlaanderen gebruikt. Het werd daar tijdens en na de Tweede Wereldoorlog veelvuldig gebruikt, en hoewel het gebruik aan het afnemen is, maakt het woord al honderden jaren deel uit van de Nederlandse taal. Zo kan het woord in de Nederlandse literatuur al aan eind van de 16e eeuw worden aangetroffen.[1] Ook de toneelschrijver Bredero typeert in zijn toneelstuk Moortje uit 1615 de immigranten uit het oosten met de volgende woorden als profiteurs van de Nederlandse armenzorg: "[...] Maer Moffen, Poep en knoet Dat syn troggelaars tot bedelen opghevoet".

Het woord zou afgeleid kunnen zijn van het Duitse woord Muff dat knorrepot, naar mens of iemand met een grote mond zou aanduiden. Over hoe het scheldwoord precies is ontstaan, doen verschillende volksetymologische verhalen de ronde. Een daarvan luidt dat de soldaten van Christoph Bernhard von Galen tijdens het zomerse beleg van Groningen (1672) moffen droegen, wat de Nederlanders verwijfd vonden. In het blad voor "Mathematische Wetenschappen, Natuurwetenschappen en Geneeskunde" uit 1888 wordt hierover eveneens gerept. Een citaat hierover luidt als volgt: "Toen de Bisschop van Munster in 1672 in het Oosten van ons land gevallen was, werden de soldaten tegen de strenge koude beschermd door een mof, die met een lederen riem aan den rok bevestigd was. Hiernaar werden de soldaten van de Bisschop door de Overijselenaren spottend moffen genoemd. Toen de Duitschers later veel naar Holland trokken en hier door vlijt en energie rijk werden, wekte dit niet zelden den naijver der Hollanders op. Dit gaf vervolgens aanleiding, dat het scheldwoord mof algemeen op den Duitscher werd toegepast."

Een derde mogelijkheid houdt verband met de Duitse geografie. Aan het begin van de 17e eeuw werden in Duitsland Oost-Friezen en Eemslanders (de bewoners van de streek tegen de Noord-Nederlandse grens) Muff genoemd. De streek zelf werd wel Muffrika genoemd. Dit zou dan weer door Nederland zijn overgenomen voor alle Duitsers, met inbegrip van Mofrika voor Duitsland. Koningin Wilhelmina sprak in haar radiopraatje voor Radio Oranje regelmatig over de strijd tegen de moffen. De woorden mof, Mofrika en Mofrikaans werden in 1942 uit het Nederlandse woordenboek van Koenen weggelaten uit angst voor maatregelen door de Duitse bezetter. Pas na de oorlog keerden ze geleidelijk terug in het lexicon.

Andere talen
In andere talen bestaan gelijksoortige scheldwoorden voor Duitsers.

In het Frans werd de term boche gebruikt, die ongeveer dezelfde gevoelswaarde heeft als het Nederlandse mof. Het is een afkorting van alboche, een argotwoord voor Duitser (Allemand), maar boche zelf komt mogelijk van bosch (Platduits voor bos), dat verwant is met het Franse bois (hout of bos). Als scheldwoord werd het al in de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) gebruikt en tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de Duitsers zo vaak als boches aangeduid dat het een synoniem werd en dat er andere woorden van afgeleid werden (Bochie voor Duitsland). Ook in andere talen werd boche tijdens de Eerste Wereldoorlog wel gebruikt, met name het Nederlands (in BelgiŽ, waar men toen nog niet van Moffen sprak) en ook in het Engels.

De Britten gebruikten tijdens de Eerste Wereldoorlog het zeer pejoratieve Huns (Hunnen), dat verwees naar het brute, vrijwel barbaarse gedrag van de Duitse troepen in 1914, maar terugging op de "Hunnenrede" van de Duitse keizer Willem II in 1900 waarin hij de Duitse troepen opriep zich in China te gedragen als Hunnen. Iets meer spottend was Fritz (afkorting van Friedrich), wat ook in het Frans werd gebruikt. In de Tweede Wereldoorlog spraken de Britten ook van jerries (van Germans), waar de term jerrycan (een door de geallieerden overgenomen Duitse uitvinding) van afgeleid werd.

In de Verenigde Staten werd ook het woord krauts gebruikt, van Sauerkraut (zuurkool, dat als een typisch Duits gerecht wordt gezien).

In het Limburgs en het Twents wordt het woord Pruusj of Pruus gebruikt. Een letterlijke vertaling zou Pruis zijn, van in de tijd dat het koninkrijk Pruisen zowat heel Noord-Duitsland omvatte. De gevoelswaardes van mof en Pruusj vallen dus amper te vergelijken. Pruusj wordt als licht spottend gezien, maar lang niet zo beledigend als mof. Anderzijds noemen bewoners uit Duitse grensdorpjes in Noordrijn-Westfalen waar nog Limburgs wordt gesproken de Duitsers die buiten hun regio wonen ook PrŁschen. In deze context krijgt Pruusj weer een andere betekenis, namelijk Duitsers die geen Limburgs spreken. Ook de Duitstalige Belgen gebruiken (blŲde) Preusse als vriendelijk bedoeld 'scheldwoord' voor alle Duitsers.

In Oostenrijk wordt Piefke gebruikt.

Poep

Het Poepenhemeltje, een schans nabij Assen in 1672 opgeworpen ter bescherming van de legertent van "Bommen Berend", die toen Groningen belegerde.
In het noorden van Nederland wordt vaak gesproken van poep. Het gebruik ervan is wat minder denigrerend dan dat van mof. Het woord is waarschijnlijk ontstaan als reactie op de verbazing over de uitspraak van het woord voor pop, dat in het Duits een onschuldige, soms zelfs liefkozende betekenis heeft (Puppe = schatje, poppetje), terwijl het in het Nederlands ontlasting betekent.
Poep wordt ook wel gezien als een verbastering van het Duitse Bube (= jongen) of als een verbastering van paap (= katholiek).
een blaaspoep is een Duitser die trompet speelt
blaaspoepenmuziek is Duitse hoempapa
Poepenland is Duitsland
Tussen Assen en Deurze bevindt zich het Poepenhemeltje, wellicht zo genoemd omdat Bommen Berend daar zijn kamp zou hebben opgeslagen.

Rex (partij)

Rex (van Christus Rex, "Christus is koning") was een Belgische fascistische politieke beweging. De stroming wordt rexisme genoemd.
Ontstaan


Rex werd in het begin van de jaren 30 opgericht als katholieke studieclub rond het tijdschrift XX SiŤcle (= twintigste eeuw) voor studenten. Als leider van de groep trad spoedig de jonge student Lťon Degrelle naar voren. Degrelle bouwde de beweging uit tot een autoritaire club die fel gekant was tegen het communisme en die sympathie had voor het Italiaanse fascisme.
In 1936 werd Rex een politieke partij met Degrelle aan het hoofd. Naar Degrelles eigen zeggen uit teleurstelling over de katholieke politici en ook uit protest tegen de geestelijkheid die voor hem te conformistisch en burgerlijk was en zodoende de "toegang tot de arbeidersmassa's" verhinderde. Van dan af worden ook niet-katholieken opgenomen en de ideologie op materieel vlak steeds meer seculier. Er werd ook een Vlaamse afdeling, Rex-Vlaanderen, opgericht, onder leiding van letterkundige Paul de Mont. Het rexisme deed het verrassend goed onder de Waalse middenstand en deels ook onder kantoorbedienden en kleine boeren. Degrelle, ervan overtuigd dat het tijdperk der democratie bijna voorbij was, deed mee aan de verkiezingen van mei 1936. Rex behaalde 33 zetels in het Belgische Parlement (21 in de Kamer en 12 in de Senaat). Rex-Vlaanderen behaalde 72.000 stemmen (7 %). Bij tussentijdse verkiezingen in 1937 behaalde Degrelle 19 % van de stemmen. Bij de verkiezingen van 1939 behaalde Rex nog maar vier kamerzetels en 1 senaatszetel.
Collaboratie
Tussen augustus 1936 en mei 1937 ontving Rex een maandelijkse toelage van 250.000 lire, na een bezoek van Lťon Degrelle aan Benito Mussolini. Op 26 september 1936 ontmoette hij ook Adolf Hitler en ontving Rex 100.000 Reichsmark.
Na de Duitse inval in BelgiŽ (10 mei 1940) werden Lťon Degrelle en enkele andere rexisten door de Belgische regering tijdelijk geÔnterneerd en naar Frankrijk gestuurd. Na de ondertekening van de wapenstilstand door Frankrijk worden ze echter weer vrijgelaten. Op 25 augustus 1940 verscheen met toestemming van de Duitse bezetter het dagblad Le Pays Rťel opnieuw. Het collaboreren van de leiding van Rex met de Duitse bezetter zorgde voor heel wat wrevel bij enkele, vooral de meer katholieke, Rexisten. Zo richtten enkele voormalige Rexisten, Lucien Meyer en Theo Simon in oktober 1940 een verzetsbeweging op. Bij het begin van de oorlog maakte ook de eerder katholieke corporatistische visie plaats voor een ideologische aansluiting bij het nationaalsocialisme dat eerder seculier was.
De militaire bestuurder van BelgiŽ, Eggert Reeder, wenste dat Rex zich enkel zou concentreren op WalloniŽ, zodat Brussel en Vlaanderen vrij bleven voor het VNV (dat later opzijgeschoven werd voor het groot-Germaanse DeVlag).
Op 15 oktober 1940 ging Rex-Vlaanderen op in de Eenheidsbeweging-VNV en hield zo de facto op te bestaan.
Op 1 januari 1941 maakte Degrelle bekend dat het Rexisme, het nazisme en het fascisme van Mussolini eigenlijk een en dezelfde beweging waren. Deze verklaring bracht de Belgische regering in ballingschap ertoe om na de oorlog lidmaatschap van Rex retroactief strafbaar te stellen vanaf 1 januari 1941.
Op 5 januari 1941 verheerlijkte Degrelle Adolf Hitler als "de meest buitengewone man van onze tijd ... dit genie ... Heil Hitler!", hetgeen leidde tot een verdere leegloop van Rex.
Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie zette het Duitse Militair Bestuur (nadat eerder een verzoek hiertoe afgewezen was) het licht op groen voor de oprichting van een Waals Legioen.
Pas als op 20 juli 1941 Degrelle zelf als vrijwilliger bij dit Waals Legioen gaat, begint het legioen vorm te krijgen. 850 vrijwilligers vertrekken in augustus naar het oostfront. In februari 1942, na een zware winter die het Legioen had uitgedund, werd een Legioensoldaat naar BelgiŽ gezonden om een tweede contingent soldaten te ronselen. Uiteindelijk dient Victor Matthijs, chef-ad interim van Rex, alle nationale en lokale rexistische leiders te verplichten zich aan te sluiten bij het Legioen om een tweede contingent gevuld te krijgen. Op 10 maart 1942 vertrekt dit contingent van 450 man, onder hen 150 leden van de Rexistische jeugd (15- en 16-jarigen). Tegen oktober 1942 was het Waalse Legioen alles samen herleid tot minder dan 200 personen. Degrelle wordt gepromoveerd tot luitenant en ontvangt het Zilveren Kruis voor zijn prestaties. Hij probeert tevens leden voor het Legioen te ronselen onder de Franstalige krijgsgevangenen die sinds 1940 in Duitse gevangenschap zaten. Eind 1942 heeft hij zo 140 extra Legioenleden bekomen.
Op 17 januari 1943 verklaarde Degrelle in een speech dat de Walen eigenlijk Franstalige Germanen waren, en kon hiermee de aandacht van Heinrich Himmler, die de aansluiting van geheel BelgiŽ bij Groot-Duitsland in een Groot-Germaans Rijk nastreefde, trekken. Het Waalse Legioen trad op 1 juni 1943 toe tot de Waffen-SS.
Einde
Na de bevrijding van BelgiŽ werd Rex verboden. Op 30 maart 1945 werd Rex als politieke beweging officieel ontbonden.
Degrelle ontsnapte naar Spanje, en zou nooit uitgeleverd worden. Dit omdat hij de bescherming genoot van president en generaal Franco en door het verwerven van het Spaanse staatsburgerschap in 1954 niet meer uitgeleverd kon worden. Hij stierf uiteindelijk in MŠlaga op 31 maart 1994.
Begin jaren zeventig richt een oud-lid van het Waals Legioen, Jean-Robert Debbaudt, heel eventjes opnieuw een rexistische beweging op, die bij de verkiezingen van 1974 2164 stemmen haalde in Brussel

Slag rond het Fort Eben-Emael

De Slag rond het Fort Eben-Emael was een twee dagen durende korte maar hevige strijd op 10 en 11 mei 1940 in BelgiŽ, aan vier bruggen over het Albertkanaal en rond het Fort Eben-Emael. De slag leidde tot de overgave van het Belgische militaire fort.
De aanval op het Fort Eben-Emael en de bruggen over het Albertkanaal en de schijnaanval op de KW-stelling paste in een Duitse afleidingsmanoeuvre om de aandacht af te leiden van de Slag om Frankrijk via de Belgische Ardennen. Dit alles droeg bij tot de mythe van mei 1940, waarbij Joseph Goebbels het beeld van een overweldigend superieur Duits leger versterkte en stelde tegenover de zwakke, verdeelde westerse democratieŽn.
Duitse aanvalsplan
De Duitse aanvalsplannen Fall Gelb en Fall Rot voorzagen in een snelle doorstoot door Nederland en BelgiŽ om Frankrijk aan te vallen. Hitler wilde hiermee verhinderen dat BelgiŽ, Frankrijk en Groot-BrittanniŽ de kans kregen verder te mobiliseren en hun troepen te verenigen om zo de Duitse aanval beter op te vangen.
Dit plan, uitgewerkt door generaal Von Manstein was een variant op het van de vorige oorlog bekende Schlieffenplan. Von Manstein loodste zijn pantserbrigades echter door de Ardennen waardoor de KW-stelling overbodig werd. Doordat een groot deel van het Belgische leger in mei 1940 achter deze stelling stond opgesteld, hadden de Duitse troepen aan de Belgische zuidgrens een zwakkere tegenstander. De Duitse troepen maakten een omtrekkende beweging, de zogenoemde sikkelbeweging, naar de Franse kust en sloten op deze manier het Franse leger en de British Expeditionary Force in Duinkerke in.[1]
Luchtlandingstroepen (Fallschirmjšger) onder leiding van kapitein Koch en het Duitse 6e leger (3e en 4e Panzerdivision, de 20ste Gemotoriseerde Divisie, het 151. Infanterieregiment en het 51. Pionierbataillon), onder bevel van generaal Walter von Reichenau kregen de opdracht om, vertrekkende uit de lijn Aken-Venlo, snel de Maas over te steken en zo snel mogelijk door de Belgische versterkingen te breken. De afgesproken aanvalsrichting was Tienen.
Deze eenheden kregen als bevel:
het veroveren van de bruggen over de Maas in Maastricht
de inname van de kanaalbruggen bij Kanne, Vroenhoven en Veldwezelt ten noorden van Eben-Emael
het neutraliseren van de vuurkracht van het Fort Eben-Emael richting noorden
ontzetten van de vijand in het fort en de inname ervan
luchtsteun voor de eigen infanterie op het fort en de verschillende bruggen.
De rol van het 6e Leger in het veroveren van het fort was echter beperkt: zij hadden als opdracht de bruggenhoofden aan het Albertkanaal te behouden en uit te breiden. Als belangrijkste opdracht gold het ongeschonden bewaren van de drie kanaalbruggen. De uitschakeling van het fort kwam op de tweede plaats.
Het fort vormde in de doorbraak van de Duitse troepenmacht het grootste obstakel. Zijn artilleriestukken moesten zeer snel worden uitgeschakeld om het Zesde Leger de kans te geven ongehinderd op te rukken. Tegelijkertijd moest men verhinderen dat de Belgen de tijd kregen om de zo belangrijke bruggen te vernietigen. Verrassing en snelheid waren doorslaggevend voor succes. Een klassieke grondaanval met infanterie gesteund door artillerie was uitgesloten. Dit zou tijdrovend zijn en zou gepaard gaan met groot verlies van manschappen. Hitler had een plan dat was uitgewerkt door generaal Kurt Student, waarin voor de aanval gebruik werd gemaakt van speciaal daartoe gebouwde grote transportzweefvliegtuigen. De aanvallers werden ook uitgerust met een tot dan toe onbekend wapen, de holle lading.
Voorbereiding
De Duitsers gingen niet over ťťn nacht ijs. De strikt geheimgehouden aanval werd met de meeste zorg voorbereid en geoefend. Niets werd aan het toeval overgelaten. Ze verzamelden inlichtingen over het fort via luchtfoto's, beschikbare briefkaarten en verhoor van overlopers.[bron?] Toch waren ze niet geheel correct geÔnstrueerd: men was niet op de hoogte van de valse koepels; ook wisten ze niet dat er boven op Blok V nog een Koepel-Zuid lag.[2] Eerst oefende men in het Duitse Hildesheim met belaste zweefvliegtuigen, daarna op de Tsjechische verdedigingslinie in Sudetenland en in Polen. Via luchtfoto's van het fort van Eben-Emael maakten de Duiters een schaalmodel van het fort dat duidelijk de terreinelevatie weergaf. Later oefenden ze op een terrein bij Stolberg dat sterk geleek op dat van Eben-Emael. De opleiding van de commando's was uitstekend: zij konden met vrijwel alle wapens omgaan, ze wisten hoe de "service publique" werkte en konden zelfs een Belgische tram besturen.[bron?] De geheimhouding van de actie werd streng bewaakt om het verrassingseffect te bewaren. De naam van het fort bleef tot op 10 mei 1940 zelfs geheim voor de aanvallers. De soldaten die de aanval moesten uitvoeren leefden afgezonderd vanaf begin november 1939. Zij kregen geen post en hadden geen contact met andere eenheden.

Plattegrond van Fort Eben-Emael en omgeving.

Plattegrond van Fort Eben-Emael en omgeving.
Datum 10 mei - 11 mei 1940
Locatie Fort Eben-Emael in Eben-Emael, BelgiŽ
Resultaat Duitse overwinning
Strijdende partijen
Flag of Belgium (civil).svg BelgiŽ Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Leiders en commandanten
Flag of Belgium (civil).svg Jean Jottrand Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Walter Koch
Troepensterkte
1.200+ 493
Verliezen
60 doden
1.000+ krijgsgevangenen 44 doden
99 gewonden
Duitse aanval op BelgiŽ
Fort Eben-Emael ∑ Hannuit ∑ Gembloers ∑ Leieslag

Aanval
De aanval startte vijf minuten voor de inval in Nederland en BelgiŽ en kreeg de codenaam Granit. Niet alleen het fort maar ook de drie kanaalbruggen werden aangevallen door troepen die in DFS 230-zweefvliegtuigen werden vervoerd. De Duitsers vormden een eenheid van 86 man, "Sturmabteilung Koch", verdeeld in elf groepen met ieder hun eigen doel, uitgerust met onder meer enkele vlammenwerpers en 2,5 ton explosieven. De groep van 11 zweefvliegtuigen bedoeld voor het fort, waarvan er 9 effectief geland zijn, stond onder bevel van luitenant Rudolf Witzig en kreeg als naam Groep GRANIT. Doordat de kabel tussen het zweefvliegtuig en het sleepvliegtuig knapte kon Witzig niet meedoen aan de aanval. De tweede in bevel sergeant-majoor Wenzel nam door het toepassen van de Auftragstaktik het bevel over. Het totaal aantal ingezette vliegtuigen voor de ontzetting van de kanaalbruggen en het fort bedroeg 42. De bewapening van de groep Granit bedroeg 2401 kg aan explosieven, waaronder 28 holle ladingen van elk 50 kg.[3]
De zweefvliegtuigen die het fort als doel hadden, landden in de vroege ochtend van 10 mei om 04.25 uur op het dak ervan, vlak bij de stalen koepels en kazematten. Het landen met zweefvliegtuigen had als voordeel dat dit bijna geruisloos verliep. Het garandeerde daardoor ook een groot verrassingseffect. De radar was toen nog niet beschikbaar. In tegenstelling tot het bezetten van het fort door klassieke luchtlandingstroepen met parachutes, kon een kleine groep van 8 personen die landde met een zweefvliegtuig, tegelijkertijd een opgelegde taak nauwgezet, sneller en beter gecoŲrdineerd uitvoeren. De speciaal gebouwde grote zweefvliegtuigen van het type DFS 230 konden een gewicht van 1150 kg vervoeren, goed voor 8 manschappen met hun bewapening. De bewapening van een toestel bestond uit machinegeweren, pistolen, karabijnen, vlammenwerpers, speciale handgranaten (zogenaamde eiergranaten), opvouwbare ladders, lichtsignalen en vooral de holle ladingen, waarvan de zwaarste 50 kg woog.
De drie objectieven die voor de Duitsers zeer gevaarlijk waren, vlak na de landing, waren de vier zuidelijk opgestelde luchtdoelmitrailleurs en de kleine forten Mi Nord en Mi Sud, die via mitrailleurs het vlakke plateau onder vuur konden nemen. Het luchtafweergeschut nam echter zo veel mogelijk doelen onder vuur, zonder precisie, waardoor er weinig schade werd aangericht. De verwarring bij de Belgische luchtafweer was ook compleet. Doordat de Duitse ongemarkeerde zweefvliegtuigen een grote bocht maakten en landden via het zuiden dacht men te doen te hebben met vliegtuigen met motorpech (zie plan landingsplaats zweefvliegtuigen). Het zweefvliegtuig van Fdw. Haug landde slechts op 5 m van de eerste mitrailleur, die vlug werd uitgeschakeld. Een tweede werd geneutraliseerd door een aanstormende vleugel van het vliegtuig. Al snel was de gehele batterij uitgeschakeld.
Het toestel van Wenzel landde vlak bij Mi Noord. De aanvallers merkten dat de schietgaten nog dicht waren. Via de periscoop van de observatiekoepel wierp men een kleine springlading. De kleine observatiekoepel Eben 2, bovenop Mi Noord werd uitgeschakeld met een holle lading van 50 kg. Met dit nieuw en zeer doeltreffend soort explosieven kon het grootste deel van de ontploffingskracht op ťťn punt worden geconcentreerd. De verdedigers van Mi Noord werden gedood of zwaar verwond. In het verder verloop van de strijd zou Mi Noord dienstdoen als commandopost voor de Duitse landingstroepen. Oostelijk van Mi Zuid kwam het toestel van U.Ofz. Neuhauss tot stilstand in de prikkeldraad. Tot ieders verbazing bleek Mi Zuid niet bemand en bood dus geen weerstand aan de Duitse commando's.
Het zweefvliegtuig van U.Ofz. Unger kon vlak naast de intrekbare Koepel Noord landen. Wachtmeester Joris gaf bevel tot vuren, maar men zat er zonder munitie. De dienstlift voor de aanvoer van deze munitie weigerde ook nog dienst. De kisten met munitie moesten nu via de trap aangevoerd worden. In de tussentijd plaatsten de aanvallers twee holle ladingen van 50 kg op de koepel. Deze was rond 4.45 u definitief uitgeschakeld. De intrekbare koepel Zuid met twee snelvuurkanonnen van 60 mm en een zoeklicht vormde ťťn geheel met blok V. De aanvallers konden deze koepel niet uitschakelen via geplaatste holle ladingen, slechts de schietrichting van ťťn kanon werd aangetast en kon hersteld worden. Vanaf 4.30 u kon deze batterij terug schieten.
De uitschuifbare Koepel Zuid (de pendant van koepel Noord) vormde ťťn geheel met blok V en was eveneens uitgerust met twee snelvuurkanonnen van 75 mm. De bemanning van deze bunker kreeg bevel om 20 alarmschoten af te vuren. Deze koepel bleef vrijwel de gehele operatie lang intact en vuurde onophoudelijk met boÓte-ŗ-ballegranaten en brisantgranaten. De koepel gaf ook versperringsvuur op de Maas en het Albertkanaal, direct vuur op de Jekervallei en op de molen Loverix, een verzamelpunt voor de Duitse aanvallers. Ondertussen werd deze koepel bestookt door Stuka's (duikbommenwerpers) waardoor men bij iedere aanval de koepel moest intrekken. De koepel deed haar werk tot 11 u 's morgens 11 mei tot de Belgische militaire leiding de opdracht gaf de strijd te staken. Men kreeg ook het bevel de koepel buiten werking te stellen door granaten te laten ontploffen in de kanonsloop bij ingetrokken koepelstand.
De gevechtskoepel van Blok IV met een dubbel snelvuurkanon van 60 mm en zoeklicht wordt ook snel buiten gevecht gesteld.
De drie kanonnen van de artilleriekazemat Visť 1 (gericht naar het Zuiden) begonnen met vuren. Om 4.35 stopte dit vuren door een reeks ontploffingen. Daarna waren nog twee kanonnen intact. De loop van de kanonnen werd onklaar gemaakt met springladingen. In artilleriekazemat Maastricht 1, gericht op het Noorden, werd een springlading van 12,5 kg langs een schietgat geworpen. Daardoor ontploften een aantal munitiekisten. Deze stelling werd rond 4.30 uitgeschakeld. Op Maastricht 2 die voorzien was van een observatiekoepel Eben 3, werd via een schietgat een springlading van 12,5 kg gegooid. De koepel werd met een holle lading van 50 kg vernietigd. Via verluchtingsbuizen gooiden de aanvallers granaten in de kazemat. De 24-koppige bemanning van deze kazemat werd zwaar getroffen. Slechts drie van hen bleven ongedeerd, zes van hen werden gedood, en de anderen raakten zwaargewond. De Duitse aanvallers vernielden ten slotte alle nog intact zijnde wapens.
Dan concentreren de aanvallers zich op het koninginnestuk van het Fort: de ronddraaiende koepel 120 met twee 120 mm-kanonnen. Wachtmeester Joris kreeg na lang aandringen als vuuropdracht: Schiet op het massief met de kleinste elevatiehoek. Toen bleek dat de munitieliften ontregeld waren. Men stelde ook technische mankementen bij de bediening van het geschut vast: de lammetten van de openertang waren verdwenen en men kreeg het contragewicht niet los. Plots stelde men beweging op het terrein vast. De aanvallers dwongen Belgische krijgsgevangenen met de handen in de lucht, richting Koepel 120 te stappen, terwijl zij zich zelf achter hen opstelden om zo een levend schild te scheppen. Dit was een schending van de regels van de Conventie van GenŤve bij de behandeling van krijgsgevangenen. De bemanning van de koepel trachtte zich te verdedigen met karabijnen. Er werden direct springladingen in de beide lopen van het geschut gegooid. Een holle lading van 50 kg doorboorde ook de stalen koepel waardoor ook deze koepel werd uitgeschakeld. De ontploffing van de holle lading gooide alles door elkaar in de koepel: mensen, ladingen en materieel. Een verstikkende rook vulde de koepel en alle aanwezigen vluchtten in paniek naar de middenetage. Na een tweede ontploffing was de koepel gevuld met vuur, op de middenetage hoorde men geluid van vallend staal, het licht viel uit. De bevelhebber liet direct aan de voet van de koepel de versperringsbalken aanbrengen.
Slotsom: binnen de 15 minuten waren de belangrijkste kazematten, geschutskoepels, het luchtafweergeschut en de machinegeweren van de bunkers uitgeschakeld. De vuurkracht van het fort was vanaf dan vrijwel nihil. Een Duits Wehrmachtbericht van die dag vermeldt Kampfunfšhig, m.a.w. buiten gevecht gesteld. Het fort vormde vanaf dan geen bedreiging meer voor de nog intacte bruggen van Veldwezelt en Vroenhoven.
Door het gedreun van de ontploffende holle ladingen op de koepels en kazematten brak onder de soldaten paniek uit. Het licht viel plaatselijk uit, de gangen van het fort zaten onder het stof. In het fort heerste chaos en de commandant verloor de controle over zijn troepen. Men vreesde een herhaling van het lot van Fort Loncin tijdens de Eerste Wereldoorlog waarbij het fort bestookt werd met zware granaten en vrijwel volledig vernield werd.
De Belgische bevelhebber, majoor Jean Fritz Lucien Jottrand, reageerde onmiddellijk na de eerste inslag van de holle lading en gaf het bevel de van springladingen voorziene kanaalbrug te Kanne op te blazen. Dit lukte meteen. De telefoonverbindingen met de manschappen die de twee andere kanaalbruggen van Veldwezelt en Vroenhoven bezet hielden, waren uitgevallen ten gevolge van bombardementen door Stuka's. Deze telefoonverbindingen waren namelijk niet beschermd, maar liepen open en bloot over het dak van het fort.
Tegenaanvallen van de daartoe slecht bewapende Belgische artilleristen en artillerievuur van nabijgelegen forten (Fort Pontisse met 1000 granaten van 105 mm en Fort Barchon met 40 granaten van 150 mm) konden de aanvallers, ondertussen goed geÔnstalleerd op het platform, niet uitschakelen. De Falschirmjšger zochten beschutting in de veroverde kazematten en bunkers. Ook kwam daarnaast de Duitse Luftwaffe geregeld de helling bombarderen om de tegenaanvallen te neutraliseren. De Duitsers, die via de schachten toegang kregen tot de lagere niveaus, bliezen de dubbele stalen deuren bij de ingang met holle ladingen op. In de nacht van 10 op 11 mei slaagden Duitse grondtroepen er in het westelijk gelegen kanaal en de overstromingen van de Jeker over te steken via een voetbrugje op pontons. Het gehele fort werd ingesloten. In de ochtend van 11 mei drong een Duitser met twee Belgische krijgsgevangenen via een voorheen gemaakt opening de kazemat Ma1 binnen, zij daalden de 120 trappen af naar de middenetage en plaatsten een holle lading van 50 kg tegen de metalen afsluitdeur. Het effect van de ontploffing was verschrikkelijk, de deur en de metalen trap werden geheel vernield. Door de ontstane drukgolf in de gangen werden vier Belgische soldaten direct gedood. Deze ontploffing zorgde ook voor de verspreiding van het desinfecteermiddel chloorkalk door de gangen van het fort. De vaten met chloorkalk stonden opgesteld als reserve in de galerij van de nood-luchtinlaat. Dat kreeg het effect van een vermeende gasaanval. Gezien de ervaringen aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte dit angstaanjagend. Tijdens deze actie raakte commandant Van der Auwera ernstig gewond.
De situatie in het fort was langzamerhand onhoudbaar geworden. Op 11 mei, om 12.15 uur capituleerde majoor Jottrand na het raadplegen van de Defensieraad. Hij verbrandde eerst nog relevante documenten en liet nog intacte militaire installaties onklaar maken. Er werden drie eisen gesteld:
de ongehinderde evacuatie en verzorging van de gewonden,
het sparen van het leven van alle verdedigers,
en de vrijwaring van de eer van het garnizoen.
Overste Lt. Mikosch vroeg het erewoord aan majoor Jottrand dat er in het fort geen springladingen met vertragingsmechanismen waren aangebracht.
Het neutraliseren van de slagkracht van deze reus onder de forten duurde ongeveer 31 uur. Balans van deze korte maar hevige strijd: aan Belgische zijde 24 doden en 59 gewonden, aan Duitse zijde 6 doden en 20 gewonden. Bij de gehele onderneming, inclusief de inname van de kanaalbruggen van Veldwezelt en Vroenhoven vielen 650 doden, 10% van het totaal aantal gesneuveld in de Achttiendaagse Veldtocht.
Communicatie na de slag
Deze opmerkelijke Duitse overwinning werd uitgebreid uitgebuit in de Duitse oorlogspropaganda. De tekst van een Duits Wehrmachtbericht van 11 mei 1940 luidt als volgt:
Das Fort wurde schon am 10. Mai durch eine ausgesuchte Abteilung der Luftwaffe unter FŁhrung von Oberleutnant Witzig und unter Einsatz neuartiger Angriffsmittel kampfunfšhig gemacht und die Besatzung niedergehalten.
Voor de buitenwereld worden de nieuwsoortige aanvalsmiddelen te weten, transport door middel van zweefvliegtuigen en de holle lading, verborgen gehouden. In achteraf vertoonde Duitse propagandafilms werd de rol van de Wehrmacht ook sterk belicht en die van de Luftwaffe onderbelicht. Er kwamen geen zweefvliegtuigen noch explosieven met holle ladingen in voor.
Na de val van het fort Eben-Emael trachtte Adolf Hitler de Spaanse dictator Franco over te halen om ook in de oorlog mee te doen. Daarbij bood hij zijn soldaten en de in Eben-Emael toegepaste strategie aan om over te gaan tot de bestorming van de Britse vesting Gibraltar.

De Duitse opmars tot en met 16 mei; in roze de terreinwinst van de 15e en de 16e tot ongeveer 12:00

Duitse Fallschirmjšger, opdracht volbracht,12 mei 1940

 

Zweefvliegtuig type DFS 230

Duits soldaat met vlammenwerper, 1944

 

Plan landingsplaats transportzweefvliegtuigen

 De Spooktreinen

De Spooktreinen was de naam die men gaf aan de treinen die in mei 1940, tijdens de Tweede Wereldoorlog, geÔnterneerde 'vijandige' Belgen (of buitenlanders) naar Frankrijk brachten, weg van de frontlinies na het oprukken van het Duitse Leger.
Toen het Duitse leger na 10 mei 1940 onverwacht snel oprukte, werden tienduizenden Belgen opgejaagd. Nadat Luik op 12 mei onder de voet werd gelopen, raakten de wegen in het noorden van Frankrijk vrij snel vol burgers met alle soorten vervoermiddelen op de vlucht voor het nazi-leger. Ook de Belgische regeringsleden voelden de hete adem in de nek van de oprukkende Duitsers en diezelfde dag telegrafeerde Walter Ganshof van der Meersch naar de lokale rijkswacht- en politieposten dat de administratief geÔnterneerde vijandige Belgen en buitenlanders weg van de frontlinies moesten worden gebracht met treinen, bussen en vrachtwagens.
Vervoer naar Frankrijk in primitieve omstandigheden
Vanuit de Belgische steden Antwerpen, Brussel, Luik, Bergen, Doornik enz. werden duizenden geÔnterneerden in treinen geplaatst, meestal gewone gesloten goederentreinen. Zij werden bewaakt door Belgische soldaten die hen tot de eindhalte moesten begeleiden. Deze treinen, les 'Trains FantŰmes' of Spooktreinen zoals ze later genoemd werden, kwamen maar traag op gang en de omstandigheden in de gesloten goederenwagons (met soms meer dan 50 geÔnterneerden opeengepakt) waren zeker niet ideaal: zonder sanitair, water of eten moesten de geÔnterneerden de reis proberen te overleven. Een spooktrein die was vertrokken vanuit Brussel richting Orlťans (450 kilometer verder) was zeven dagen onderweg. Sommigen dronken bij gebrek aan water hun eigen urine en vele gevangenen stierven onderweg.
Hoe verder die Spooktreinen in Frankrijk geraakten, hoe vijandiger de stemming onder de bevolking voelbaar was, o.a. door de op wagons in witte letters gekalkte tekst "Parachutistes! Espions! 5e colonne!" De lokale bevolking dacht het spionnen en landverraders waren en bij de sanitaire haltes werden velen onder hen geslagen en geschopt door hun bewakers, de bevolking of passerende colonnes Franse soldaten.
Onzeker lot in Franse handen
Voorbij de Franse grens vielen de geÔnterneerden buiten de controle van de Belgische regering. De Fransen lieten de Spooktreinen doorrijden naar het zuiden van Frankrijk, waar voormalige interneringskampen voor Spaanse Republikeinen geschikt werden geacht om die zogenaamde 'parachutisten, spionnen en vijfde colonne-Belgen' in op te sluiten. Door het snel oprukken van de Duitsers, sloegen de Belgische regerings- en parlementsleden ook op de vlucht, waarbij de meeste leden tussen 15 en 28 mei 1940 vertrokken naar Frankrijk, waar ze in Limoges een voorlopig kabinet vormden.
Vanuit Limoges werden dan enkele weken later stappen ondernomen om de Belgische geÔnterneerden weer vrij te krijgen. Dat kon pas gebeuren toen ook Frankrijk was gevallen (22 juni 1940) en de Duitsers aarzelend toestemming gaven om de Belgen vrij te laten.

SS Abukir (stoomschip)

De SS Abukir was een Brits kuststoomschip (coaster) dat in 1920 in de vaart kwam als SS Island Queen en in 1934 hernoemd werd tot SS Kyle Queen. In 1935 kreeg het schip de naam Abukir en werd het geregistreerd in Egypte. In mei 1940 werd het getorpedeerd en zonk het in de Noordzee terwijl het Britse en Belgische soldaten, piloten en burgers uit Oostende evacueerde. Dit gebeurde op de laatste dag van de Achttiendaagse Veldtocht.
Bouw en dienst tijdens vredestijd
De SS Abukir werd gebouwd door Swan, Hunter and Wigham Richardson te Wallsend, gelegen in Noordoost-Engeland aan de rivier Tyne. De bouw werd voltooid in 1920. Het schip bezat drie gegolfde vuurgangen met een totaal roosteroppervlakte van 58 vierkante voet (5 m≤) die een aan ťťn zijde openende ketel verhitte met een oppervlakte van 1.775 vierkante voet (165 m≤). Deze produceerde stoom aan een druk van 180 pond per vierkante duim naar een door drie cilinders aangedreven drievoudige stoommachine van naar schatting 97 pk. Deze dreef ťťn enkele schroef aan.
Het schip werd gebouwd als Island Queen voor de London and Channel Islands Steamship Company die Cheesewright and Ford uit Londen aanstelde als reder. In 1934 verkocht London and Channel Islands Steamship Company het schip aan Monroe Brothers uit Liverpool, die het herdoopte tot Kyle Queen.Al in 1935 werd Khedivial Mail Steamship and Graving Dock Company uit AlexandriŽ de nieuwe eigenaar.Dit bedrijf dat schepen en dokken exploiteerde voor rekening van het koninkrijk Egypte en opereerde onder de naam Khedivial Mail Line (KML), hernoemde het schip tot Abukir, naar de in de Nijldelta gelegen kustplaats Abu Qir.AlexandriŽ werd zijn nieuwe thuishaven. In 1936 werd het bedrijf heropgericht als de Pharaonic Mail Line, maar KML bleef behouden als handelsnaam.
In maart 1939 liep de Abukir vast in de haven van Larnaca (Cyprus)maar zes dagen later werd het schip weer vlot getrokken.
Opeising en reis naar BelgiŽ
Hoewel Egypte als onafhankelijk werd beschouwd, stond het land in de praktijk onder de controle van het Britse Rijk. In 1940 eiste het Britse ministerie van Oorlogsvervoer (Ministry of War Transport) zeven KML-schepen op. Vijf ervan waaronder de Abukir werden ondergebracht bij de Steam Navigation Company,een dochteronderneming van P&O.
Op 10 mei 1940 viel Duitsland de Lage Landen binnen waarbij het Groot Hertogdom Luxemburg binnen enkele uren en Nederland binnen de week werden bezet. De British Expeditionary Force (BEF) en het Eerste Franse Leger werden naar Vlaanderen gestuurd om het Belgische leger te versterken. Beide stuurden een verbindingsmissie teneinde de coŲrdinatie op te nemen met het Belgisch opperbevel (Grand Quartier Gťnťral).De Britse missie werd genoemd naar zijn aanvoerder, stafchef generaal-majoor Henry Needham. De Abukir werd naar BelgiŽ gestuurd, waar ze later in mei aankwam in de haven van Oostende en er een lading legermaterieel loste voor de BEF.
Het Duitse leger doorbrak echter het Eerste Franse Leger, stak de Franse grens over en bereikte op 20 mei de Baai van de Somme. Daardoor werden de BEF en de overgebleven Franse troepen ingesloten in het Noorden van Vlaanderen waar zij teruggedrongen werden naar Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke. Op 27 mei begon de operatie Dynamo om de BEF zeewaarts te evacueren via de haven van Duinkerke. Op dezelfde dag om 17.54 uur rapporteerde de Needham-missie aan het Belgisch opperbevel dat koning Leopold III van plan was om met Duitsland te onderhandelen over een overgave.De missie trok daarop naar de haven van Oostende waar de Abukir aangemeerd lag. De missie telde meer dan 200 BEF-soldaten, leden van de Royal Air Force en van de Belgische luchtmacht die aan boord gingen van de Abukir. Daarnaast waren er vijftien Duitse krijgsgevangenen,zes priesters, 40 tot 50 vrouwen waaronder een aantal nonnen uit een Brugs klooster[14] en een groep Britse schoolmeisjes.Om 22.20 uur, onder het vallen van de duisternis, verliet de Abukir de haven van Oostende, richting Engeland.
Aanvallen uit de lucht en vanop zee
Toen de Abukir langzaam richting Engeland voer, werd het gedurende anderhalf uur gebombardeerd door de Luftwaffe, zonder geraakt te worden. Op 28 mei 1940 om 01.15 uur werd het schip vanuit Nieuwpoort ter hoogte van de Westhinder of Noordhinder-lichtschepen aangevallen door Schnellboot S-34 (maximale vaarsnelheid van 44 knopen of 81 km/uur) van de Duitse Kriegsmarine, onder het gezag van eerste luitenant Obermaier. Kapitein Rowland Morris-Woolfenden voer de Abukir al zigzaggend waardoor twee torpedo's van de S-34 konden ontweken worden. Twintig minuten later verscheen de S-34 aan bakboord van de kustvaarder. Kapitein Morris-Woolfenden wijzigde van koers en probeerde de torpedoboot te rammen maar de kruissnelheid van 8 knopen (15 km/uur) was te laag. De S-34 vuurde twee extra torpedo's af. De eerste miste de boot maar de tweede trof de Abukir midscheeps. Het schip brak middendoor, vloog in brand en zonk binnen de minuut. Het was het eerste schip van de geallieerden dat werd uitgeschakeld door een Schnellboot.
Veel van de overboord geslagenen kwamen om door de impact van de torpedo of het zinken van het schip. De S-34 richtte een zoeklicht op de overlevenden in het water waarvan velen vervolgens met een machinegeweer werden gedood. Patrick Wills Rust[18], de tweede officier aan boord en tijdelijk onder-luitenant van de reservevrijwilligers van de Royal Navy stond op de brug op het ogenblik dat de Abukir getroffen werd. Betonplaten die de brug moesten beschermen tegen het vuur van machinegeweren zetten hem zodanig klem dat hij meegesleurd werd met het zinkend schip. Toen het schip op de zeebodem was gezonken, kwamen de betonnen platen los zodat Wills-Rust bevrijd werd en kon terugkeren naar het wateroppervlak.

Bij het eerste daglicht kwamen vijf torpedobootjagers van de Royal Navy te hulp op zoek naat overlevenden: HMS Anthony, Codrington, Grenade, Jaguar en Javelin.
Gedurende meerdere uren werd gezocht tussen het North Goodwin-lichtschip en de lichtboei van de Kwintebank maar slechts een klein aantal overlevenden kon worden gered. De cijfers variŽren van 26 tot 33 geredde opvarenden, inclusief kapitein Morris-Woolfenden, onder-luitenant Wills-Rust en twee nonnen. Ongeveer 200 van de opvarenden van de Abukir kwamen om. De meeste overlevenden, die tot zes uur in het water bleven, werden opgevist door de HMS Codrington.
Onderscheidingen
In december 1940 kondigde de Lloyd's of London een nieuwe onderscheiding aan voor handelingen van moed door zeelui in oorlogstijd: de Lloyd's War Medal for Bravery at Sea (de Lloyd's oorlogsmedaille voor moed op zee). De eerste medaille werd toegekend aan kapitein Morris-Woolfenden en de tweede aan onderluitenant Wills-Rust. Morris-Woolfenden kreeg ook de onderscheiding van lid (MBE) van de Orde van het Britse Rijk.
Beide overleefden de oorlog en bleven zeevaarders. In 1956 was Morris-Woolfenden nog steeds kapitein bij de KML.Wills-Rust was in 1941 bevorderd tot tijdelijk luitenant (Royal Naval Reserve).In de koopvaardij werd hij bevorderd tot eerste officier en in de jaren 1950 en 1960 deed hij dienst op sleepboten. Op het ogenblik dat hij op pensioen ging, was hij kapitein.
Monumenten en wrak
Onder de omgekomen opvarenden waren er veertien leden van de bemanning van Abukir waaronder de eerste stuurman L.J. Evans. Hun namen prijken op ťťn van de bronzen platen van het Tweede Wereldoorloggedeelte van het koopvaardijmonument (Merchant Navy Monument) in het Tower Hill Memorial te Londen. De 17-jaar oude William Blair, zeevaarder bij de koopvaardij, komt eveneens voor op de bronzen gedenkplaat van de Prince Of Wales Sea Training Hostel. De gedenkplaat bevindt zich thans in de Heilige Drievuldigheidkerk van Ingham, Norfolk.[26] De Sea Training Hostel werd in 1940 geŽvacueerd naar dit dorp en de gedenkplaat werd er onthuld in 1946.
BEF-personeel dat omkwam op de Abukir wordt vermeld op de gedenkplaten van het Britse oorlogskerkhof dat onderdeel uitmaakt van het kerkhof van Duinkerke.Leden van de Royal Air Force en van de Belgische luchtmacht zijn vermeld op gedenkplaten van de Air Forces Memorial in Englefield Green in Surrey.

Een commerciŽle duiker vond in 1969 het wrak van de Abukir voor de Noord-Franse kust van Nord-Pas-de-Calais. Op de plaats van het wrak werden diverse voorwerpen gevonden zoals borden, bekers, theepotten en bestek gemarkeerd met de initialen KML naar de Khedivial Mail Line, munitie voor Lee-Enfieldgeweren, kaliber .303 en rozenkransen.

Werf Swan, Hunter & Wigham Richardson, Wallsend
Tewaterlating 27 september 1920
In de vaart genomen november 1920
Uit dienst 28 mei 1940 (getorpedeerd)
Omgedoopt Island Queen (1920-34), Kyle Queen (1934-35), Abukir (1935-40)
Status gezonken
Thuishaven Londen (1920-34), AlexandriŽ (1935-39), Londen (1940)
Eigenaren
Eigenaar London and Channel Islands Steamship Co (1920-34), Monroe Bros, Liverpool (1934-35), Khedivial Mail Line (1935), HE Ahmed Abboud Pasha (1935-36), Pharaonic Mail Lines SAE (1936-40), Brits ministerie van Oorlogsvervoer (1940)
Charteraar Cheesewright & Ford (1920-34), Lord Ernest Hamilton (1934-35), General Steam Navigation Co (1940)
Algemene kenmerken
Type Coaster of kustvaarder
Lengte 173,5 voet (52,9 meter)
Breedte 28,1 voet (8,6 meter)
Diepgang 12,9 voet (3,9 meter)
Tonnenmaat 689 BRT, 355 NRT
Voortstuwing en vermogen drievoudige stoommachine met drie cilinders (97 pk)
Vaart 8 knopen (15 km/h)
Roepletters MCDN (1940) ICS Mike.svg ICS Charlie.svg ICS Delta.svg ICS November.svg
Bewapening 1 Lewis machinegeweer
Bepantsering betonplaten om de brug te beschermen tegen machinegeweervuur

Strijd om Hechtel

De Strijd om Hechtel vond in september 1944 plaats tussen Duitse elitetroepen en geallieerde Welsh Guards in het dorp Hechtel in Belgisch Limburg. Het ging om een eerste vorm van georganiseerde Duitse tegenstand na de doorbraak in NormandiŽ. Tijdens de hevige gevechten, die ťťn week duurden, werd het centrum van Hechtel nagenoeg volledig verwoest. Er vielen enkele honderden slachtoffers, onder hen ook burgers. De slag wordt elk jaar op de tweede zondag van september in Hechtel herdacht.
Verloop van de strijd
Op 6 september 1944 slaagden Duitse achterhoedetroepen van de Wehrmacht erin om met enkele strategisch geplaatste kanonnen de geallieerde opmars van Hasselt richting Nederland aan het verkeersknooppunt van Hechtel te vertragen. Speciaal uit Duitsland aangevoerde Fallschirmjšger nestelden zich in Hechtel. Het kwam tot huis-aan-huis-gevechten.
De strijd spitste zich toe nadat geallieerde Irish Guards op 10 september een omsingelende beweging in noordoostelijke richting via Eksel en Overpelt maakten. Zij slaagden erin vanaf fabrieksterreinen in Overpelt brug nummer 9 in het aangrenzende Lommel in handen te krijgen, wat een Duitse aftocht in noordelijke richting onmogelijk maakte.
De Duitse para's in Hechtel werden omsingeld. Op 12 september gaven zij zich over. Een aantal van hen kon doorbreken in oostelijke richting via Peer naar het 15 km verderop gelegen Lozen, waar ze zich achter het kanaal opnieuw formeerden. In de volgende maanden namen ze deel aan de slag om de Peel.
De zeven dagen lange strijd kostte het leven aan ruim negentig Britse en ongeveer 150 tot 300 Duitse soldaten. Zesendertig inwoners van Hechtel kwamen om. De meesten van hen werden door de Duitsers zonder enige reden of proces gefusilleerd.
De Duitsers die in Hechtel sneuvelden werden een aantal dagen later ter plaatse in massagraven gelegd, maar daarna herbegraven op het nabije Duitse soldatenkerkhof in Lommel.
Duits bevel
Het bevel om de geallieerde troepen met een tegenaanval op te houden kwam van Generalfeldmarschall Keitel van het Duitse opperbevel. Onder het codewoord "Herbststurm" (herfststorm) gaf hij de Fallschirmjšger opdracht om de geallieerde opmars zo mogelijk al aan het zuidwestelijker gelegen Albertkanaal tot staan te brengen.
De geallieerden waren echter bij Beringen al over het kanaal gekomen. Daardoor werd Hechtel, op ruim 50 km van de Duitse grens, de plaats van de confrontatie.
Tanks
Op het verkeersknooppunt van Hechtel herinnerde een Shermantank aan de Slag om Hechtel.Een zeldzaam exemplaar van de reusachtige Duitse Jagdpanther tankjager werd in Hechtel door de Britten stukgeschoten. Hij staat anno 2008 gerestaureerd in het Imperial War Museum in Londen.

Een Duitse Jagdpanther

Unie van Hand- en Geestesarbeiders

De Unie van (of voor) Hand- en Geestesarbeiders, afgekort UHGA (Frans: Union des Travailleurs manuels et intellectuels, afgekort UTMI) was een Belgische vereniging van vakbonden in de Tweede Wereldoorlog, die door de Duitsers werd opgezet.

Geschiedenis
De meeste voormannen van de socialistische en christelijke vakbonden vluchten na de Duitse inval naar Frankrijk. In strijd met de vooroorlogse afspraken hernemen sommige achtergebleven leiders de vakbondsactiviteit. Wanneer de Duitse bezetter echter oplegt dat de vakbonden (Arbeidsorde incluis) moeten fusioneren tot de Unie van Hand- en Geestesarbeiders, wordt deze aanvankelijk gesteund door belangrijke leiders uit het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) (August Cool en Jules Roskam), de Algemene Centrale Der Liberale Vakbonden Van BelgiŽ (Alfons Colle) en het Belgisch Vakverbond (BVV) (Hendrik De Man, Victor Grauls en Henri Caprasse). Zij meenden dat Duitsland de oorlog zou winnen en dat zij een rol konden spelen in een toekomstige autoritaire Belgische staat onder leiding van de koning. In werkelijkheid wilde de bezetter echter de vakbonden gebruiken om de Belgische economie ten dienste te stellen van de Duitse oorlogsvoering.

Wanneer het duidelijk werd dat er van een snelle vastlegging van het politieke statuut van BelgiŽ geen sprake zou zijn, de kansen op een Duitse zege onzeker werden en de Duitse controle op de vakbonden alsmaar toenam, trokken de christelijke en socialistische vakbonden zich vanaf de eerste helft van 1941 terug uit het UHGA-avontuur. Op dat moment telde de UHGA 112.000 leden, ca. 10% van het vooroorlogse aantal vakbondsleden. Degenen die in de UHGA bleven, belanden in de collaboratie. Hiertoe behoorden de leden van Arbeidsorde, de vakbond van het VNV, die de UHGA in handen wilden krijgen.

Bij de effectieve centralisatie van de vakbondscentrales in het najaar van 1941, vatten de voormalige leden van Arbeidsorde post op verschillende sleutelposities. Die greep verstevigde nog na de aanstelling van VNV-er Victor Grauls als opvolger van Edgard Delvo aan het hoofd van de UHGA in maart 1942.

Het Vlaams Legioen

Het Vlaams Legioen was een militaire eenheid bestaande uit Vlaamse vrijwilligers die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de Duitsers tegen het Rode Leger van de Sovjet-Unie vochten op het Oostfront.
Geschiedenis
Voorlopers van het legioen: Standarte Westland en Standarte Nordwest
Vanaf de oprichting van de Waffen-SS heerste er een conflict tussen ReichsfŁhrer-SS Heinrich Himmler en het reguliere Duitse leger (Wehrmacht). De Duitse generaals zagen in de Waffen-SS, die eigenlijk de gewapende afdeling van een politieke organisatie was, een bedreiging voor hun positie. De Wehrmacht kreeg van Adolf Hitler de toezegging dat per jaargang van de Duitse rekruten maar 2% tot de Waffen-SS mocht toetreden.
Na de overrompeling van Noorwegen en de Lage Landen zag Heinrich Himmler zijn kans om de Waffen-SS uit te breiden met zogenaamde Germaanse vrijwilligers, die zouden worden gerekruteerd buiten Duitsland en dus niet onder de regeling met de Wehrmacht vielen. Eind juni 1940 werd de Standarte Westland opgericht en verschenen er oproepen in de Vlaamse pers. Vooral de Algemene SS-Vlaanderen ijverde voor het ronselen van vrijwilligers. In Antwerpen opende de Duitse bezetter een wervingsbureau (zogenaamde Ergšnzungsstelle) onder leiding van HauptsturmfŁhrer Leib, maar wegens de strenge keuringseisen bleven er maar 45 vrijwilligers over voor de SS-Westland, bestaande uit Vlamingen en Nederlanders tezamen. De Vlaamse vrijwilligers zouden uiteindelijk opgaan in de 5. SS-Panzer-Division Wiking.
Om het grote aantal afgekeurden toch in te lijven, besloot Heinrich Himmler op 3 april 1941 tot de oprichting van Freiwillige SS Standarte Nordwest waarbij de strikte toelatingseisen werden versoepeld. De minimumlengte werd verschoven naar 1,65 m en ook het genealogisch onderzoek werd minder diepgaand. De wervingscampagnes boekten meer succes en ongeveer 450 Vlaamse rekruten trokken naar Duitsland voor een training.
Overtuiging van de vrijwilligers
Hoewel elke vrijwilliger zijn eigen redenen had om zich te melden voor de Waffen-SS kan men stellen dat er vijf belangrijke redenen waren:
De uitstraling van het zegevierende Duitse leger. In de zomer van 1940 leken de Duitsers onoverwinnelijk en hun leger gebruikte de modernste materialen en tactieken. Het avontuur sprak vele jongeren aan.
Het financiŽle aspect. Een aspect dat zeker niet onderschat mag worden: Vlaanderen had een zware crisis beleefd met hoge werkloosheid. Indiensttreding betekende financiŽle zekerheid en ook voor de familieleden werd gezorgd.
Het Vlaams-nationalisme. Dit was ťťn van de belangrijkste drijfveren: men zag BelgiŽ als een land dat niet aan de Vlaamse noden tegemoet kon komen en men wenste het lot in eigen handen te nemen.
De bewondering voor het nazisme. Het VNV, het Verdinaso en het nog fanatiekere DeVlag, de drie belangrijkste partijen binnen het Vlaams-nationalisme, namen na verloop van tijd (aspecten van) nazi-Duitsland als voorbeeld en wilden meewerken aan de uitbouw van een onafhankelijk Vlaanderen, al dan niet binnen een Nieuw Europa. Sommige leden dachten een rol te kunnen spelen in het bestuur van Vlaanderen na de Duitse overwinning. Omdat het oorspronkelijke uitgangspunt van deze partijen het Vlaams-nationalisme was, zijn dit en het vorige punt tot op zekere hoogte met elkaar verbonden.
De geloofsovertuigingen van de vrijwilligers. Een typerend voorbeeld hiervan is het verzet tegen het atheÔstisch communisme als belangrijke beweegreden om zich aan te sluiten bij het Vlaams Legioen.
Juli 1941: oprichting van het Vlaamse Legioen
Aanvankelijk was de werving voor de Waffen-SS in Vlaanderen enkel de aangelegenheid van de Algemeene SS-Vlaanderen. In april 1941 besloot het VNV om de wervingscampagne voor de Waffen-SS te steunen. Staf De Clercq hoopte hierdoor zijn politieke invloed te vergroten. SS-generaal Gotlob Berger, hoofd van het SS-Hauptamt und SS-Ergšnzungsamt, had het VNV beloofd dat in ruil voor een actieve werving het VNV de enige toegelaten politieke partij in Vlaanderen zou worden. Na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 kwam de VNV-campagne pas echt op gang. Reimond Tollenaere, propagandaleider van het VNV, was de grote bezieler achter deze ronselcampagne, die de Vlaamse jongeren opriep om te gaan vechten tegen het goddeloze communisme.
Op 7 juli 1941 kondigde Staf De Clercq de oprichting van een Vlaams Legioen aan. Volgens beloften die hij had gekregen van de Duitse bezetter zou deze eenheid volledig bestaan uit Vlamingen, zowel de officieren als soldaten, en ze zouden vechten onder hun eigen Vlaamse leeuwenvlag. Het bevel zou worden gevoerd door een SS-commandant, maar ze zouden geen deel gaan uitmaken van de Waffen-SS. VNV-prominenten zoals Reimond Tollenaere, Jef FranÁois en Paul Suys meldden zich voor het legioen. Ongeveer 450 vrijwilligers vertrokken op 6 augustus 1941 vanuit Brussel naar het opleidingskamp Dębica in Polen.
Opleiding van het Vlaamse Legioen
Onmiddellijk na hun aankomst in het opleidingskamp ontstonden de eerste problemen. Behalve het Nederlandse Vrijwilligerslegioen bevonden zich in Dębica ook de Vlaamse Waffen-SS'ers van Standarte Nordwest. Toen HauptsturmfŁhrer Otto Reich, de commandant van het opleidingskamp, duidelijk maakte dat de Vlamingen tot ťťn eenheid zouden worden samengevoegd, kwam het tot vechtpartijen tussen beide groepen. De manschappen van Standarte Nordwest beschouwden de legionairs als minderwaardige soldaten en weigerden met hen samen te werken. De legionairs hielden vast aan de beloftes die Staf Declercq had gedaan en ze weigerden om een SS-uniform te dragen.
Het was duidelijk dat SS-HauptsturmfŁhrer Otto Reich niet op de hoogte was van eventuele afspraken en hij was niet van plan om zich te mengen in deze politieke twisten. Hij verzamelde alle Vlamingen en stelde hen voor de keuze om te vechten tegen het bolsjewisme of als reserve achter het front. Ongeveer de helft koos voor vechten en zij werden ingedeeld bij Standarte Nordwest. De rest werd tijdelijk ingedeeld bij het Nederlandse Vrijwilligerslegioen. Tijdens de keiharde opleiding was er weinig tijd om politieke discussies te voeren. De militaire tucht maakte geen onderscheid en de Duitse instructeurs drilden hen tot op de grens van hun uithoudingsvermogen. Op 24 september 1941 besloot het SS-Hauptamt en SS-Ergšnzungsamt tot een grondige reorganisatie. Omwille van propagandistische redenen werd besloten dat het interessanter was om vrijwilligerslegioenen in te zetten. Standarte Nordwest werd opgeheven en omgevormd tot SS-Freiwilligen Legion Niederlande en SS-Freiwilligen Legion Flandern.

Vlag van het Vlaams Legioen

Rekruteringsaffiche voor het Vlaams Legioen

Krijgsgeschiedenis
Op 4 november 1941 beschouwde de Duitse legerleiding de opleiding van het Vlaams Legioen als voltooid en werd de eenheid naar het front gestuurd. Ongeveer 1100 soldaten trokken in barre weersomstandigheden naar het Leningrad-front.
Aanvankelijk werd het Legioen niet als fronteenheid gebruikt, maar wel ingezet in de strijd tegen de partizanen. De Duitse legerleiding vertrouwde de buitenlandse vrijwilligerseenheden nog niet voldoende om hen aan het front in te zetten. Als onderdeel van de 2. SS-infanteriebrigade fungeerde het als bewakingseenheid van bruggen en spoorwegen. In de harde strijd tegen de partizanen sneuvelden de eerste legionairs. Deze manier van vechten gaf de Vlamingen de nodige gevechtservaring en na 6 weken werd het legioen als frontlijneenheid ingezet.
Het Vlaamse Legioen kreeg een frontsector toegewezen in het moerassige Wolchow-gebied. Ten noorden van de Vlamingen lagen de Spaanse vrijwilligers. Op 7 januari 1942 lanceerde het Sovjet 2e Stoottroepenleger een aanval in de richting van Leningrad in de hoop de Duitse omsingeling van de stad te breken. De Russen sloegen een gat van 20 km in de Duitse verdedigingslinies, maar al spoedig liep de aanval vast in de moerassen. Samen met de Spanjaarden wist het Vlaamse Legioen ten koste van zware verliezen hun positie te behouden. De koppigheid waarmee de Vlamingen hun posities verdedigden, gaf de Duitsers de gelegenheid om versterkingen aan te voeren.
Tijdens deze gevechten kwam Reimond Tollenaere om toen zijn bunker werd getroffen door de Spaanse artillerie. Onmiddellijk na zijn dood startte het VNV een propagandacampagne rond zijn persoon, waarbij handig werd verzwegen dat Reimond Tollenaere door de eigen artillerie was gedood. Op 19 maart 1942 ging de Duitse tegenaanval van start en werd het Sovjet 2e Stoottroepenleger omsingeld. Daarna kreeg het Vlaams Legioen de taak de Sovjettroepen in de omsingeling te vernietigen. Deze gevechten verliepen bijzonder moeizaam, want de Sovjets hadden zich stevig verschanst in talloze bunkers en loopgraven. Pas op 29 juni 1942 gaven de laatste Sovjeteenheden zich over. Gedurende de gevechten kreeg het Vlaams Legioen drie maal een vermelding in het Wehrmachtbericht. Na zes maanden van onafgebroken frontdienst werd het uitgeputte Vlaamse Legioen afgelost. Van de oorspronkelijke 1100 soldaten bleven er slechts een honderdtal over. Na de welverdiende rust en de aanvulling met nieuwe rekruten werd het Vlaams Legioen op 21 juli 1942 opnieuw naar het Leningrad-front gestuurd. De legionairs onderscheidden zich in de stellingenoorlog. In kleine groepen overvielen ze Sovjetbunkers en ís nachts slopen hun patrouilles tot diep in de vijandelijke linies, waar ze hinderlagen legden.
Op 12 januari 1943 lanceerde het Rode Leger zijn tweede poging om Leningrad te ontzetten. Op 10 februari 1943 viel het Russische 55e leger de stellingen van de Azul-divisie aan in een poging de weg Leningrad-Moskou vrij te maken. Nabij Krasny Bor hielden de Spanjaarden stand tegen drie Sovjet divisies, maar de overmacht was te groot. Het Vlaamse Legioen kreeg het bevel een tegenaanval in te zetten om de hoogten van Staraya Rechka te heroveren. Hoewel de actie een succes was, telde het Legioen nog maar 50 soldaten na afloop van de strijd. Op 14 april 1943 werd het Vlaams Legioen naar het trainingskamp van Dębica teruggestuurd en omgevormd tot 6. SS-Freiwilligen-Sturmbrigade Langemarck.
Commandanten
Naam Rang Begin Eind
Michael Lippert SS-SturmbannfŁhrer September 1941 April 1942
Hans Albert von Lettow-Vorbeck SS-ObersturmbannfŁhrer April 1942 Juni 1942
Hallmann SS-HauptsturmfŁhrer Juni 1942 Juni 1942
Josef Fitzthum SS-ObersturmbannfŁhrer Juni 1942 Juli 1942
Conrad Schellong SS-SturmbannfŁhrer Juli 1942 Mei 1943

Volksverwering

Volksverwering was een anti-Joodse organisatie van extreem-rechtse signatuur, actief in BelgiŽ van 1937 tot 1944. Het kerngebied van de beweging lag in Antwerpen. In het Frans noemde ze zich La Dťfense du Peuple.
Oprichting en ontwikkeling
Het was de advocaat Renť Lambrichts die Volksverwering begin 1937 oprichtte. De organisatie stond achter het nationaalsocialisme en hing een biologische vorm van racisme aan. Deze was virulent anti-Joods: haar zelfverklaarde doel was de verwijdering van alle Joden uit de samenleving. Dit gebeurde in de eerste plaats door verspreiding van een gelijknamig krantje.
Aanhalingsteken openen [Joden zijn] een door schande, laagheid en onzedelijkheid erfelijk besmette parasietengroep, waarvan de invloed restloos moest gebroken worden. Zij moeten uit ons volk gesneden worden en hun wereldheerschappij moet voor altijd gefnuikt worden.
ó ďZijn de joden slecht door reactie?Ē, Volksverwering, 4 april 1937
Aanhalingsteken sluiten
Intimidatie en bedreiging hoorden van bij het begin tot de praktijken van Volksverwering. Ze gingen doodsbrieven en andere bedreigingen bussen bij Joden, en reistickets met daarop 'Recht naar Palestina en nooit meer terug'.In het openbaar afficheerden ze plakbrieven met teksten als 'Weg met Joden en vreemdelingen'. Met openbare meetings werd even afgewacht, maar toen ze er kwamen boden ze een podium aan figuren als Jef De Langhe (Verdinaso), Edgar Lehembre (VNV) en Ward Hermans (VNV).
In maart 1938 werd de organisatie gestructureerd tot een vzw. Deze kreeg meteen een financiŽle toelage van de Duitse regering. Op 11 april volgde een grote meeting in het Antwerpse Sportpaleis, waar ook Lťon Degrelle de aanhangers kwam toespreken. Vanaf juli 1939 organiseerde Volksverwering 'openbare volksvergaderingen'. De eerste editie vond plaats in Borgerhout, Lambrichts achtertuin. Hij sprak er over Genoeg Jodenbescherming! Eerst werk voor eigen volk! Enige weken later was Volksverwering ook een drijvende kracht bij het uitlokken en opstoken van de anti-Joodse augustusrellen in de Antwerpse stationsbuurt.
Vůůr de Duitse veroveringstocht hadden de Belgische autoriteiten Lambrichts en enkele kompanen laten afvoeren naar het Franse kamp van Le Vernet d'AriŤge, maar in augustus stonden ze terug in het land. Hij kon de bezetter overtuigen om zijn organisatie te steunen boven andere. Op 15 oktober 1940 werd Volksverwering opnieuw gelanceerd met de oprichting van een Raad voor Bewaking en Initiatief. In maart 1941 werd hun blad omgedoopt tot Volksche Aanval. Samen met de Anti-Joodsche Centrale installeerden ze zich nabij de SIPO-SD in het geconfisceerde gebouw van de Joodse vluchtelingenorganisatie Belhicem (Filips van Champagnestraat 52, Brussel). Volksverwering betrok er de eerste verdieping. Lambrichts verliet niet zonder spijt zijn Antwerpse wieg ter wille van de samenwerking met de Duitse diensten in de hoofdstad. Aanvankelijk was het zelfs te bedoeling geweest om de cel te integreren in het Belgische ministerie van Binnenlandse Zaken, maar daar zag men uiteindelijk van af.De hoofdstad zag ook meetings van Volksverwering, waaronder in het Achturenhuis.
In Antwerpen had de vereniging op 2 april 1941 de burgemeester en schepenen uitgenodigd op de voorstelling in Cinema Rex van Der ewige Jude, een nazifilm. Lambrichts leidde zelf de film in en spaarde zijn lof voor Hitler niet. Na een volgende vertoning brak de "Antwerpse pogrom" uit (14 april 1941). Onder de naar schatting 200 daders waren vele leden van Volksverwering, naast VNV'ers en Vlaamse SS'ers. Voor de 'toevallig' aanwezige camera's van de Propaganda Abteilung sloegen ze enkele synagogen kort en klein en stichtten ze er brand (Oostenstraat, Van Nestlei).
Vanaf 3 januari 1942 ging Volksverwering over tot het bekendmaken van joodse inwoners en hun adressen, gemeente per gemeente. Hiertoe kregen ze van de bezetter inzage in de lijsten van de Jodenvereeniging in BelgiŽ. Bedoeling was om zoveel mogelijk deportaties te bewerkstelligen. Vanaf juni 1942 gingen ze zelf actief ondergedoken Joden opsporen. Volksverweerders als Lauterborn en Vanniesbecq schrokken er niet voor terug om de slachtoffers eerst af te persen en daarna toch aan te geven. Ze stonden er ook om bekend dat ze zelf bij de razzia's aanwezig waren en met stuitend geweld tekeer gingen.

Voorman Renť Lambrichts met de vlag van Volksverwering

Voorman Renť Lambrichts met de vlag van Volksverwering
Actief in de jaren 1937-1944
Hoofdkantoor Antwerpen
Actief in gebieden BelgiŽ
Leider Renť Lambrichts
Ideologie Antisemitisme
Doelstelling Strijdbeweging ter beveiliging van Bloed en Bodem

Document van de Jodenvereeniging, zoals gebruikt door Volksverwering voor haar afgedrukte Jodenlijsten.

Publicaties
Van in het prille begin verspreidde Volksverwering een gelijknamig blad (naderhand Volksche Aanval). Het eerste exemplaar verscheen op 24 januari 1937. De ondertitel vatte de bedoeling goed samen: Propagandablad ter beveiliging van ras en bodem. Daarbij had men goed gekeken naar Der StŁrmer, de rabiate krant van Julius Streicher. Al na enkele maanden meldde het blad tevreden dat het 321 abonnees telde. Tegen 1941 zou dit oplopen tot 3.200. De totale oplage bedroeg toen 6.500 exemplaren. Waar de frequentie eerst halfmaandelijks was, werd dit later wekelijks.
Met ingang van juni 1938 kreeg het blad van de organisatie een Franse tegenhanger, L'Anti-Juif. Dit gestencilde krantje werd als snel omgedoopt tot L'Ami du Peuple. Hoofdredacteur was Henri d'Oldeneel de Heerenbrinck.
In maart 1938 was Volksverwering de Protocollen van de wijzen van Sion beginnen afdrukken. Na de artikelenreeks volgde een uitgave als brochure. In 1939 verscheen bij de uitgeverij het antisemitische werk De mythe van IsraŽl. Een toelichting over oorsprong en wezen van het Jodendom. Dit gebeurde onder pseudoniem. Waarschijnlijk was het geschreven door "rassentheoreticus" Jan De Roeck.
Op 13 maart 1940 kreeg Volksverwering uit naam van de neutraliteit een verschijningsverbod opgelegd van de regering. Het zou tot 19 oktober duren vůůr de publicatie kon worden hervat. Voor het franstalige orgaan werd het zelfs 12 februari 1941. Op 28 februari van dat jaar werd overgegaan tot oprichting van de NV Uitgeverij Volksverwering. De Jodenverordeningen werden in het blad op gejuich onthaald. Bij de invoering van de Jodenster werd onmiddellijk een nieuwe eis gepresenteerd, een Jodenpolitie.
Leden
Een Duits rapport stelde dat Volksverwering midden-1941 zo'n 700 leden telde en op het einde van dat jaar een 1000-tal. De grote meerderheid waren Vlamingen, met de sterkste recrutering in het Antwerpse. Naar eigen zeggen waren er ook afdelingen in Genk, Kalmthout (waar ze een Anti-Joodsche Blok hadden gesticht), Brussel en Gent. In WalloniŽ was vooral Charleroi vruchtbaar terrein, naast Luik.
Enkele belangrijke figuren:
Renť Lambrichts, oprichter en voorzitter
Jozef van Roessel, hoofdredacteur
Jacobus Van den Branden
Hilaire de Vos
Carlo DeliŽn, tekenaar van karikaturen onder de pseudoniem Olrac en Heraus en oprichter van drukkerij Graphicolor
Felix Lauterborn, een Jodenjager die met bruut geweld tekeer ging
Pierre Beeckmans, verantwoordelijke publiciteit en leider van de Landelijke Anti-Joodsche Centrale
Cťsar Tirť, afgevaardigd beheerder en verantwoordelijk uitgever vanaf 1941
Frans Hellebosch
Frans Van Dijck, algemeen secretaris en verantwoordelijk uitgever
Gustaaf Vanniesbecq, algemeen propagandaleider en hoofd van de paramilitaire Actie-Groep (A-G) binnen Volksverwering
Jan De Roeck
Antoon Lint, algemeen propagandasecretaris en lid van A-G
AloÔs Goossens, Antwerps propagandaleider
Renť De Beul, militant en financier
Jozef Van Dijck, verantwoordelijk uitgever
Gustave de Schrynmakers de Dormael
Jozef Vranken
Vervolging[bewerken]
Na de bevrijding werden de Vlaamse en Waalse vleugel van Volksverwering strafrechtelijk vervolgd. In maart 1946 veroordeelde de Antwerpse Krijgsraad Lambrichts tot levenslang. Beeckmans kreeg de doodstraf, maar deze werd in 1952 omgezet tot levenslang. Hellebosch, Tirť en Van den Branden kregen resp. twintig, acht en vijf jaar gevangenis.
Het groepsproces in Charleroi ging in juni 1946 van start. Twee hoofdverdachten, Emile Lurquin en Joseph Lebeau, waren in de gevangenis een gewelddadige dood gestorven. De overblijvende tenoren, Emile Delattre en Marcel Krier, werden door de Krijgsraad veroordeeld tot resp. vijftien en anderhalf jaar opsluiting.

Wereth 11

De Wereth 11 waren elf Afrikaans-Amerikaanse soldaten die op een gruwelijke wijze werden vermoord in het Belgische Wereth, gemeente Amel. De moord vond plaats op 17 december 1944 tijdens de Slag om de Ardennen. Deze moord is bij het publiek niet zo bekend vanwege het feit dat er op diezelfde dag zich op grotere schaal het Bloedbad van Malmťdy voltrok in de plaats Malmťdy.
De moord
De elf mannen waren tijdens de Slag om de Ardennen gescheiden van hun eenheid, nadat ze werd bevolen om zich terug te trekken. Ze wisten niet wat er zich allemaal rondom hen afspeelde en daarom besloten ze om naar Wereth te trekken. Boer Mathias Langer liet ze tijdelijk onderduiken. Een nazi-sympathisant kwam er al binnen een dag achter en verklikte hun aanwezigheid aan leden van de 1e Waffen-SS divisie. De Waffen-SS doorzocht de boerderij en de elf mannen gaven zich over. In de veronderstelling dat ze als krijgsgevangenen werden afgevoerd, werden ze naar het dichtstbijzijnde veld gebracht. Daar werden ze op een gruwelijke wijze om het leven gebracht. Nadat hun benen waren gebroken en hun vingers afgesneden en ze met bajonetten waren gestoken[1], werden ze koelbloedig doodgeschoten.

De slachtoffers waren lid van het 333th Field Artillery Battalion, een eenheid van uitsluitend Afro-Amerikanen. Het Amerikaanse leger kende tijdens de Tweede Wereldoorlog nog rassenscheiding, d.w.z. er waren enkel 'blanke' en 'zwarte' eenheden maar geen gemengde. De daders zijn nooit bekend geworden en de nazi-sympathisant is nooit getraceerd. Daardoor zijn ze ook nooit berecht vanwege hun misdaad.

Namen
De namen van de slachtoffers waren:
William Pritchett (Technisch Sergeant)
James Stewart (Technisch Sergeant)
Thomas Forte (Staff Sergeant)
Mager Bradley (Korporaal)
George Davis (Soldaat eerste klasse)
James Leatherwood (Soldaat eerste klasse)
George Morten (Soldaat eerste klasse)
Due Turner (Soldaat eerste klasse)
Curtis Adams (Soldaat)
Robert Green (Soldaat)
Nathanial Moss (Soldaat)
Monumenten
In mei 2004 werd een gedenkteken gewijd aan de elf mannen. Het gedenkteken bevindt zich in Wereth op het land van boer Mathias Langer.

Herdenkingsmonument voor de Wereth 11

Winterhulp BelgiŽ

Winterhulp BelgiŽ was een hulpverlenende organisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog in BelgiŽ.
Historiek
Winterhulp BelgiŽ bestond uit een samenbundeling van de werkzaamheden van het Rode Kruis van BelgiŽ, het Vlaams Kruis, het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn en het Nationaal Werk voor Oud-strijders en Oorlogsinvaliden. Het college van secretarissen-generaal trad op als stichter.
De voorzitter van Winterhulp-BelgiŽ was oud-minister Paul Heymans, voorzitter van de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, de ondervoorzitters waren de voorzitters van het Rode Kruis en het Vlaams Kruis, de leden van het Centraal Comitť waren vertegenwoordigers van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn en het Nationaal Werk voor Oud-strijders en Oorlogsinvaliden. De broer van Paul Heymans, Nobelprijswinnaar Corneel Heymans werd voorzitter van de medische afdeling.
Een aantal Belgische prominenten, onder wie kardinaal Jozef Van Roey en de Belgische bisschoppen, waren er beschermende leden van. Koning Leopold III en de kardinaal stortten ruime bijdragen.
De hulpacties van Winterhulp-BelgiŽ stonden onder toezicht en bescherming van het Internationale Rode Kruis in GenŤve. De naam werd gekozen naar analogie met het Zwitserse ĎWinterhilfe - Secours d'Hiverí. Dit was echter ook bijna dezelfde naam van een gelijkaardige organisatie in Duitsland, Winterhilfswerk des Deutschen Volkes, zodat dit onvermijdelijk argwaan wekte bij al wie tegenstander was van de Nieuwe Orde en van terminologie die er naar verwees.
De hulpmiddelen waarover Winterhulp-BelgiŽ kon beschikken, kwamen van financiŽle steun van de bevolking, van het bedrijfsleven en van de Koloniale Loterij. Er kwam ook hulp uit Zwitserland, dankzij de zendingen van het Internationale Rode Kruis, en uit Portugal, vanwege het Belgisch Hulpcomitť dat in Lissabon was gevestigd. De aankopen die in het buitenland gedaan konden worden, werden door de Regering-Pierlot III in Londen betaald.
Tijdens de eerste oorlogswinter was Winterhulp reeds actief, nadat ze op 29 oktober 1940 door een besluit van de secretarissen-generaal officieel was opgericht.
Winterhulp BelgiŽ richtte zich op hulp aan zieken, zwangere vrouwen, kinderen en minderbedeelden en zette zich in om de schadelijke gevolgen van de oorlog en de bezetting voor de volksgezondheid tot een minimum te beperken. De organisatie verstrekte voornamelijk versterkende middelen zoals soep, melk, vitaminen, kledingstukken en kolen. Af en toe werd in alle scholen een bedeling gedaan van een voedzame versnapering die niet meer in de handel te vinden was, zoals een sinaasappel, een banaan, een reep chocolade, een bolletje marsepein of een dragee met levertraan.
Een gunstig gevolg was dat gedurende de vier oorlogsjaren de gemiddelde kindersterfte in BelgiŽ lager lag dan vůůr de oorlog en ook lager dan gedurende het eerste jaar na de oorlog.

Poster Winterhulp BelgiŽ

De bezetter en Winterhulp
Het is duidelijk dat Winterhulp niet tot stand kon komen zonder de goedkeuring van de Duitse bezetter, zo niet zelfs op zijn initiatief. Hij wist immers dat hij als bezettende macht de ravitaillering van het land niet kon verzekeren en, om dit gedeeltelijk te verbergen, werd beroep gedaan op de hulpverlening.
In de ogen van de Militšrverwaltung moest Winterhulp volledig aan de Duitsers ondergeschikt zijn en los staan van de traditionele organisaties die Belgische banden hadden met het kerkelijke of sociale establishment. Die ondergeschiktheid lukte echter nauwelijks, zeker niet op het lokale vlak waar de comitťs van Winterhulp bevolkt werden door leden die zich zeer afzijdig hielden van collaboratie en waar de activiteiten, onder de naam van Winterhulp, meestal door plaatselijke afdelingen van het Rode Kruis of andere instellingen werden georganiseerd, terwijl zeer veel concrete dienstverlening door christelijke organisaties werd uitgevoerd. De collaborateurs uitten trouwens hun ongenoegen over het feit dat ze geweerd werden in de organisatie. De leiding was van hoog tot laag in handen van leden die behoorden tot het gevestigde nationale of lokale establishment. Anderzijds was werken voor Winterhulp vaak een dekmantel voor verzetslui.
Naarmate de oorlog vorderde, distantieerde Winterhulp zich nog mťťr van de Militšrverwaltung en werd ze door de bevolking in grote mate aangevoeld als een eigen, Belgisch organisme. De door de Militšrverwaltung beoogde propaganda die aan de Duitsers moest ten goede komen, bleef dan ook achterwege. Hierin onderscheidde de organisatie zich van Winterhulp Nederland die hopeloos verstrikt raakte in de collaboratie.
Niettemin waren de (al dan niet vermeende) banden van Winterhulp BelgiŽ met de Militšrverwaltung toch voldoende om aanvallen te motiveren in de clandestiene pers (Secours d'Hiver = Secours d'Hitler) en over Radio Londen. Dit veroorzaakte een vermindering van de giften, zodat de Schatkist aanzienlijker moest tussenkomen.
Ook al kon men Winterhulp weinig of niets verwijten, was de organisatie na de Bevrijding, in de toen heersende sfeer, verdacht. Zowel de oorsprong en de naam van de organisatie als de onvermijdelijke afspraken die met de bezetter waren onderhandeld in het kader van wat 'de politiek van het minste kwaad' heette, werden negatief beoordeeld. De verschillende hulpverleningsorganisaties hernamen hun vooroorlogse zelfstandigheid en 'Winterhulp' werd opgedoekt.

Belgie in de Tweede Wereldoorlog