Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

7-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8


De Admiral Graf Spee Zware kruiser

De Admiral Graf Spee, vaak kortweg Graf Spee genoemd, was een vestzakslagschip dat in 1934 in Duitsland te water werd gelaten, genoemd naar admiraal Graf Maximilian von Spee uit de Eerste Wereldoorlog. Het schip was snel, had een grote actieradius en was ondanks zijn betrekkelijk geringe afmetingen bewapend met zware 28 cm kanons, maar wel met maar twee drieling geschuttorens.

Het schip was ontworpen om met zijn 280 mm kanons sterker te zijn dan de snellere schepen en met zijn 28,5 knopen sneller dan de sterkere schepen en dit bijna binnen de beperkingen van het Verdrag van Versailles tot 10.000 ton. De romp was gelast in plaats van geklonken en de voortstuwing was met dieselmotoren in plaats van stoomturbines.
De Graf Spee vocht mee in de Spaanse Burgeroorlog en was tot 1938 het vlaggenschip van de Duitse vloot.
Op 21 augustus 1939 voer de Graf Spee onder bevel van Kapitän-zur-See Hans Wilhelm Langsdorff de marinehaven van Wilhelmshaven uit. alleen de kapitein kende de bestemming en hij voer eerst een stuk naar het noorden. Dan keerde hij naar zijn geheime bestemming: het zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan.
Zijn opdracht bestond erin om Britse vrachtschepen tot zinken te brengen om de aanvoer naar het Verenigd Koninkrijk te belemmeren. Vanaf 30 september bracht het schip negen Britse koopvaardijschepen in de Zuid-Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan tot zinken van samen 50.000 registerton. Gevangengenomen Britse zeelieden werden aan boord genomen. Er viel geen enkel slachtoffer.
De geallieerden vormden zeven jachtgroepen in de Atlantische Oceaan en één in de Indische Oceaan. Deze jachtgroepen omvatten gezamenlijk drie slagschepen, vier vliegdekschepen en 16 kruisers. Later werden nog meer jachtgroepen ingezet.
Een Noors vrachtschip zag 's nachts de zoeklichten waarmee de Graf Spee oefende. De Graf Spee zag het Noors vrachtschip, maar viel het niet aan omdat het niet Brits was. Het Noors vrachtschip meldde de ontmoeting en seinde de positie door naar Londen. Jachtgroep G vermoedde dat de Graf Spee in de drukke scheepsroute nabij de havens van Buenos Aires en Montevideo zou jagen en begaf zich daarheen.
Op 13 december 1939 werd de Graf Spee gevonden door de Britse jachtgroep G, met de zware kruiser HMS Exeter (bewapend met 8-inch/203 mm-kanons en de lichte kruisers HMS Ajax en HMNZS Achilles, beide bewapend met 6-inch/152 mm-kanons. De Britten dachten eerst dat het de Admiral Scheer was. Kapitein Langsdorff zag de Britse schepen, maar dacht dat het een lichte kruiser met twee torpedojagers was en ging het gevecht aan.
Zij leverden met de zeeslag bij de Río de la Plata de eerste zeeslag van de Tweede Wereldoorlog. De Exeter, kreeg zware treffers te verwerken, waardoor de meeste geschuttorens buiten gevecht werden gesteld en trok zich terug uit de strijd voor herstelling in de Britse basis op de Falkland Eilanden. Ook de twee lichte kruisers liepen schade op, maar de Graf Spee was ook beschadigd en trok zich terug in de neutrale haven van Montevideo.
De twee Britse kruisers hielden de wacht aan de monding van de rivier, terwijl de Graf Spee provisorisch werd hersteld van de opgelopen averij. Alle gevangen Britse bemanningsleden van de gekelderde koopvaardijschepen kwamen vrij. De Duitsers begroeven hun doden onder massale belangstelling. Kapitein Langsdorff verzocht om twee weken tijd om zijn schip weer zeewaardig te maken, maar de regering van Uruguay hield zich op aandrang van de Britse ambassadeur aan het Verdrag van den Haag dat gaat over de positie van neutrale mogendheden en gaf kapitein Langsdorff 24 uur de tijd om zijn schip op te lappen en de haven te verlaten. Toen liep een ander Brits schip en later een Frans schip de haven uit en weer moest - volgens het Verdrag van den Haag - de Graaf Spee nog twee maal 24 uur wachten alvorens de haven te verlaten, dus in totaal 72 uur.
De Britten voerden een staaltje bluf op door het nieuws te verspreiden dat het eerder aangeslagen smaldeel inmiddels met een aantal nieuwe oorlogsschepen versterkt was. Alleen de zware kruiser HMS Cumberland was aangekomen van de Falkland Eilanden. Andere oorlogsschepen waren nog onderweg. Kapitein Langsdorff overlegde met Berlijn drie opties:
Internering in Uruguay
Proberen om vechtend door te breken naar Buenos Aires
Het schip zelf tot zinken brengen
De admiraliteit weigerde internering in Uruguay, omdat dan de militaire geheimen van het schip en mogelijk het schip zelf in geallieerde handen zouden vallen als Uruguay bij de geallieerden aansloot. Vechtend uitbreken naar Buenos Aires leek kansloos: in het ondiepe water kon het schip niet manoeuvreren om tegen de wachtende Britse schepen te vechten. Bovendien had het schip reeds veel van zijn 280 mm granaten in het eerdere gevecht verschoten.
Kapitein Langsdorff besloot de bemanning te sparen en het schip zelf tot zinken te brengen. Hij zei:
"Ik heb liever 1000 levende jonge matrozen dan 1000 dode helden."
Op 17 december voer het schip om 18.15 uur onder grote belangstelling op de oevers uit met maar 40 man aan boord. Drie mijl uit de kust, maar nog wel in het estuarium van de rivier, liet Langsdorff de springladingen van drie ontmantelde torpedo's in de munitiemagazijnen van het schip op scherp stellen. De bemanning stapte over op een vrachtschip naar Buenos Aires. Kapitein Langsdorff wilde op zijn schip blijven, maar de bemanning overreedde hem om mee naar Buenos Aires te varen. Om 19.52 uur explodeerden twee van de drie springladingen. De Graf Spee brandde drie dagen en zonk ten slotte in acht meter diep water. Britse duikers doken naar het wrak op zoek naar nuttige militaire informatie, maar alle apparaten waren met handgranaten vernield.
De Duitse bemanning werd in Buenos Aires aan land gezet. Langsdorff bepleitte bij de autoriteiten dat zijn mannen schipbreukelingen waren en kreeg als compromis gedaan dat ze bij Duitse gezinnen mochten verblijven. Kapitein Langsdorf zei
"Ik zal tonen, wat Duitse eer betekent"
. Hij vroeg om een revolver en schreef een brief aan zijn vrouw. Langsdorff legde zich op 20 december in zijn hotelkamer symbolisch op de vlag van de Admiraal Graf Spee en schoot zich met een revolver door het hoofd. Hij werd onder grote belangstelling begraven.
Sommige bemanningsleden ontsnapten met hulp van de Argentijnen en vochten voort voor Duitsland. Vele nazaten wonen nog steeds in Argentinië en herdenken jaarlijks de ondergang van het schip. Ze leggen bloemen op het graf van Langsdorff, die de bemanning het leven gered had. Adolf Hitler was woedend over de lafheid in het zicht van de vijand. De weduwe van Langsdorff kreeg geen vol pensioen. Grootadmiraal Erich Raeder vaardigde een bevel uit, dat Duitse schepen met volle inzet moesten vechten tot de laatste granaat en zegevieren of met wapperende vlag ten onder gaan.
In februari 2004 werd met de berging van het wrak begonnen, maar wegens het slechte weer moest men al snel opgeven. In februari 2006 werd de bronzen adelaar, het boegbeeld van het schip gelicht. De swastika werd met een geel zeil afgedekt. Een afstandsmeter werd geborgen en tentoongesteld. Het anker is verwerkt in een herdenkingsmonument.

 

Deutschland Kriegsmarine (pantserschip)

De Deutschland (later Lützow), was het eerste schip van de Deutschland-klasse, in dienst van de Kriegsmarine voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip was eerst geclassificeerd als pantserschip, maar werd gereclassificeerd als zware kruiser in februari 1940. De Britten gaven de schepen van de klasse de benaming vestzakslagschip.
Beschrijving
De grootte en kenmerken van de Deutschland-klasse werden beperkt door het verdrag van Versailles, dat onder andere de Duitse schepen tot 10.000 ton beperkte. Een aantal technische vernieuwingen werd aangebracht om een zo goed mogelijk schip binnen de beperkingen van het verdrag te ontwikkelen. De Deutschland was eigenlijk 600 ton over de limiet, maar om politieke redenen werd het schip aangekondigd als 10.000 ton, het maximum binnen de grenzen van het verdrag.
De twee andere schepen van de Deutschland-klasse, de Admiral Graf Spee en de Admiral Scheer werden later gebouwd, en de Deutschland was de minst geavanceerde van de klasse. Het schip had bijvoorbeeld de hoge commandotoren niet die de Graf Spee en de Admiral Scheer wel hadden, waardoor deze laatste meer op slagschepen leken.
Geschiedenis
De kiel werd gelegd in februari 1929, in de werf van de Deutsche Werke te Kiel, en de tewaterlating was in mei 1931. De eerste reis van de Deutschland was in mei 1932.
Spaanse Burgeroorlog
Tijdens de Spaanse Burgeroorlog, werd de Deutschland naar de Spaanse kust gezonden, om de nationalistische troepen onder Franco te steunen. In totaal voerde het schip zeven operaties uit tussen 1936 en 1939. Tijdens een van deze operaties, op 29 mei 1937 werd de Deutschland door twee republikeinse bommenwerpers aangevallen, 32 bemanningsleden werden gedood, en 101 gewond. Als vergelding bombardeerde het zusterschip de Admiral Scheer Almería, waardoor 19 burgers gedood werden. De dode bemanningsleden werden eerst in Gibraltar begraven, maar werden later op bevel van Hitler terug naar Duitsland gebracht voor een militaire begrafenis, waarbij hij aanwezig was.
Tweede Wereldoorlog
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kreeg het schip de naam Lützow, omdat Hitler vreesde dat verlies van een schip met de naam Deutschland (Duitsland) een negatief psychologisch en propaganda-effect zou geven.
In februari 1940 werd de Lützow samen met de zusterschepen Graf Spee en Admiral Scheer gereclassificeerd als zware kruiser. In april van dat jaar nam het schip deel aan de invasie van Noorwegen, waar het de Blücher in de Oslofjord volgde, maar zich terugtrok nadat de Blücher tot zinken was gebracht door het geschut van Fort Oscarsborg. Voordat de Lützow kon ontkomen werd zij nog zwaar beschadigd door 15cm geschut van de Kopaasbatterij. Nadat het schip uit het bereik van het kustgeschut was, bombardeerde het de verdedigers vanaf een afstand van 11 kilometer. Er vielen echter geen slachtoffers omdat de stelling al ontruimd was nadat er bericht was gekomen dat de koning en de regering uit Oslo waren geëvacueerd.
De Lützow keerde terug naar Duitsland voor herstel en bevoorrading voor een operatie in de Atlantische Oceaan, maar werd getorpedeerd door de Britse onderzeeër HMS Spearfish ten noorden van Jutland. De Lützow liep grote schade op, en de reparatie duurde tot de lente van 1941. Later in dat jaar werd de Lützow opnieuw getorpedeerd, ditmaal door een Royal Air Force (RAF) Bristol Beaufort torpedobommenwerper van 42 Squadron. Het schip keerde terug naar Kiel en onderging reparaties tot januari 1942.
De Lützow nam deel aan verscheidene kleine operaties gedurende de volgende jaren, tot in september 1944, waarna het schip terugtrekkende Duitse troepen bij de Oostzee ondersteunde.
In april 1945 werd de Lützow zwaar beschadigd door 3 Tallboy bommen van de RAF nabij Swinemünde, waarna het schip weer hersteld werd. De Lützow werd uiteindelijk tot zinken gebracht door de eigen bemanning op 4 mei 1945.
Na de oorlog werd het schip door de marine van de Sovjet-Unie geborgen, en het werd gebruikt als doelwit voor artillerieoefeningen. De Lützow zonk uiteindelijk in de Oostzee in 1949.
Bevelhebbers
Tijdens constructie - kapitein-ter-zee Hermann von Fischel - 15 maart 1933 - 1 april 1933
kapitein KzS Hermann von Fischel - 1 april 1933 - 30 september 1935
kapitein Paul Fanger - 30 september 1935 - 2 september 1937
kapitein / kommandant Paul Wenneker - 2 september 1937 - 16 november 1939 (hij werd op 1 september 1941 bevorderd tot viceadmiraal en op 1 augustus 1944 tot admiraal)
kapitein August Thiele - 16 november 1939 - 18 april 1940
fregatkapitein Fritz Krauss - 18 april 1940 - 23 juni 1940
kapitein-luitenant Heller - 23 juni 1940 - 8 augustus 1940
Schip uit dienst genomen tussen 8 augustus 1940 en 31 maart 1941.
kapitein Leo Kreisch - 31 maart 1941 - 3 juli 1941
kapitein Rudolf Stange - 3 juli 1941 - 7 september 1941
kapitein Leo Kreisch - 7 september 1941 - 17 januari 1942
kapitein Rudolf Stange - 17 januari 1942 - 10 november 1943
fregatkapitein Biesterfeld - 10 november 1943 - januari 1944
kapitein Bodo-Heinrich Knoke - januari 1944 - 22 april 1945
fregatkapitein / kapitein-ter-zee Ernst Lange - 22 april 1945 - 4 mei 1945

De Lützow in een Noorse fjord, ca. 1942

De Lützow in een Noorse fjord, ca. 1942 
Geschiedenis 
Werf Deutsche Werke, Kiel 
Kiellegging 5 februari 1929 
Tewaterlating 19 mei 1931 
In dienst 1 april 1933 
Algemene kenmerken 
Lengte 186 meter 
Breedte 21,6 meter 
Diepgang 7,4 meter 
Deplacement 10.600 ton standaard 
Voortstuwing en vermogen 8 MAN 9-cilinder dieselmotoren
52.050 pk (40 MW) 
Vaart 28,5 knopen, (53 km/u) 
Bereik 8900 zeemijlen (16.500 km) met een snelheid van 20 knopen 
Bemanning 1150 
Bewapening Kanons: 
6-280mm (2x3)
8-150mm (8x1)
6-105mm luchtafweer (3x2)
8-37mm luchtafweer (4x2)
10-20mm luchtafweer (8x1)
8-533mm torpedobuizen

Vliegtuigen en faciliteiten 
 

De Tirpitz Duits slagschip(1941-1944)

De Tirpitz was een Duits slagschip dat van 1941 tot 1944 dienst heeft gedaan. Het was genoemd naar admiraal Alfred von Tirpitz en was het zusterschip van de twee jaar oudere Bismarck.
De Tirpitz was het grootste Duitse slagschip uit de Tweede Wereldoorlog. Het werd op 25 februari 1941 te water gelaten in Wilhelmshaven. Het zusterschip Bismarck werd al tijdens zijn eerste operationele missie tot zinken gebracht. Daardoor was het niet meer mogelijk beide schepen gezamenlijk te laten opereren.
De Tirpitz bracht vrijwel haar gehele operationele leven door in de Noorse fjorden. De ondergang van de Bismarck in mei 1941 had aangetoond dat de grote Duitse oppervlakteschepen niet echt geschikt waren voor langdurige kaapvaarten op de Atlantische Oceaan. Het slagschip heeft slechts drie missies kunnen uitvoeren. Twee daarvan (de operaties Sportpalast en Rösselsprung) bestonden uit aanvallen op konvooien. Een missie (operatie Sizilien) was een aanval die samen met de Scharnhorst tegen geallieerde doelen op Spitsbergen werd uitgevoerd. Door haar aanwezigheid bij de Noordkaap slaagde de Tirpitz er lange tijd in geallieerde zee- en luchtstrijdkrachten te binden. In het hoge noorden werd de Tirpitz vergezeld door de kruiser Admiral Hipper, het slagschip Scharnhorst en de pantserschepen Admiral Scheer en Lützow. Toen de Scharnhorst op tweede kerstdag 1943 tot zinken werd gebracht en de andere zware eenheden van de Kriegsmarine als schoolschip in de Oostzee dienst deden, bleef de Tirpitz alleen in het hoge Noorden achter. Dit leverde haar de bijnaam op van "Eenzame koningin van het Hoge Noorden".[bron?]
De eerste aanval die de Britse marine op het schip uitvoerde was Operatie Source op 22 september 1943. Een commando-eenheid van drie speciaal voor deze aanval ontworpen en gebouwde X-boten (mini-onderzeeërs) plaatste Amatol-ladingen om de kiel van de Tirpitz op te blazen. Doordat een van de X-boten noodgedwongen aan de oppervlakte kwam, werd de bemanning van de Tirpitz gealarmeerd en werd het schip vlak voor de detonatie van zijn ligplaats weggemanoeuvreerd. Dit zorgde ervoor dat de uitwerking van de springladingen aanzienlijk werd verminderd. Bij de aanval werd wel zware interne schade aangericht, maar de Tirpitz werd niet tot zinken gebracht.
De Britten lanceerden vanaf het voorjaar van 1944 de ene na de andere aanval op de Tirpitz, die voor anker lag in de Altafjord. Vier van deze aanvallen waren in enige mate succesvol, maar de meeste misten echter het doel.
Op 3 april 1944 werd de Tirpitz op zijn ligplaats in de Altafjord verrast door een aanval van jachtvliegtuigen en van Barracuda-torpedobommenwerpers. Het schip liep ernstige averij op en meer dan honderd bemanningsleden werden tijdens de aanval gedood. Door de geringe hoogte waarop de 800 kg bommen afgeworpen werden liep de Tirpitz echter inwendig weinig schade op. Op 24 augustus ketste een 250 kg bom af op een zware geschuttoren en een andere bom doorboorde een aantal dekken maar richtte verder weinig averij aan.
Hierna werd de Tirpitz verhaald en ging ze voor anker nabij Tromsø. De luchtverdediging werd niet alleen voortdurend aangevuld met lichte FLAK, maar de 38 cm kanonnen waren inmiddels in staat een speciaal soort fragmentatiegranaten af te vuren die vijandelijke vliegtuigen al op grote afstand konden raken. Daarnaast was de Tirpitz zelfs een tijdlang voorzien van een Würzburg-radar Gerät, die in staat was op grote afstand vijandelijke vliegtuigen op te sporen. Focke-Wulf 190 jachtvliegtuigen zorgden voor de luchtdekking. Een deel van de machinekamerbemanning van de Tirpitz werd op de wal gestationeerd, aangezien zij niet direct nodig was voor de verdediging van het schip.
Op 15 september had een aanval van Avro Lancaster bommenwerpers van het 617e squadron wel succes. Een 5.500 kg 'Tallboy' bom - destijds de zwaarste bom - doorboorde het voordek en veroorzaakte veel averij. Door de schokgolven en als gevolg van eerder opgelopen averij was het schip niet meer in staat tot hoge vaart. De Kriegsmarine kwam tot de conclusie dat de Tirpitz niet meer geheel hersteld kon worden, althans niet zonder het schip te verslepen naar een droogdok in Duitsland. Dit werd als te gevaarlijk beschouwd. Voor de Britten bleef de Tirpitz echter een potentieel gevaar, dat geëlimineerd moest worden.
De Tirpitz ging nu voor anker boven een zandbedding. Zo moest worden voorkomen dat het schip in de diepe fjord tot zinken kon worden gebracht. Op 12 november 1944 werd de Tirpitz opnieuw aangevallen door Britse Avro Lancaster bommenwerpers die waren bewapend met 'Tallboy' bommen. Door nabijtreffers was de zandbedding onder de Tirpitz volledig weggeslagen,waarna het schip kapseisde. Van de 1058 bemanningsleden die in het gekantelde schip raakten opgesloten konden nog 87 worden gered door gaten in de scheepshuid te branden.
Na de oorlog werd het schip tussen 1949 en 1957 ter plaatse gesloopt.
 

Geschiedenis 
Besteld 1935 
Kiellegging 2 november 1936 
Tewaterlating 1 april 1939 
In de vaart genomen 25 februari 1941 
Status Gezonken 12 november 1944,
in Noorse wateren 
Algemene kenmerken 
Lengte 253,6 meter oa 
Breedte 36 meter 
Diepgang 11 meter (standaard) 
Deplacement 42.900 longton (leeg); 52.600 longton (volgeladen) 
Voortstuwing en vermogen 163.026 pk (119,82 MW)
Drie 3-bladige schroeven
Vaart 30,8 knopen 
Bereik 8879 zeemijlen met een snelheid van 16 knopen 
Bemanning 2800 waarvan 108 officieren 
Bewapening 8x 380 mm (4x2)
12x 150 mm (6x2)
16x 105 mm luchtafweer (7x2)
16x 37 mm luchtafweer (8x2)
72x 20 mm luchtafweer
8x 533 mm torpedobuize

De Admiral Hipper Zware kruiser

De Admiral Hipper was een Duitse zware kruiser uit de Tweede Wereldoorlog. Het schip is vernoemd naar admiraal Franz Ritter Von Hipper, die ten tijde van de slag van de Doggersbank in de Eerste Wereldoorlog het bevel voerde over het Duitse eskader.

Het is het eerste schip van de Hipperklasse. Net als de zusterschepen, de Blücher en de Prinz Eugen, werd het schip in het midden van de jaren 1930 gebouwd. De bouw van de Hipper nam op 6 juni 1935 een aanvang in de Krupp Germaniawerf in Kiel. Op 29 april 1939 was het schip gereed. De afwerking liep wat vertraging op omdat het schip nog tijdens de afbouw een nieuwe boeg en schoorsteentop kreeg.
Tweede Wereldoorlog
De invasie van Noorwegen

De Admiral Hipper kwam regelmatig in actie en boekte zijn eerste succes bij Operatie Weserübung, de invasie van Noorwegen in 1940. Tijdens die slag kreeg het de Britse torpedojager HMS Glowworm tegenover zich. In een verbeten gevecht bracht de Admiral Hipper met zijn superieure bewapening de Glowworm tot zinken, maar kwam daarbij niet ongeschonden uit de strijd; voordat de Glowworm zonk, ramde hij de Admiral Hipper, wiens kapitein Hellmuth Heye via het Rode Kruis aan de Royal Navy schreef dat hij onder de indruk was van de moed van de commandant van de Glowworm (Gerard Broadmead Roope, die bij dit gevecht omkwam). Dit droeg bij aan het toekennen van een postuum Victoria Cross aan Roope, het eerste van de Tweede Wereldoorlog.
Operatie Juno
Na een kort verblijf in het droogdok was de Admiral Hipper midden juni weer actief, toen vergezeld door de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau. Tijdens deze operatie bracht de Admiral Hipper drie Britse koopvaardijschepen tot zinken en maakte het Finse schip Esther Torsen buit.
Na deze succesvolle operatie keerde de Admiral Hipper terug naar Wilhelmshaven voor een hernieuwd verblijf in het droogdok, ter voorbereiding op de invasie van Engeland. Die operatie ging echter niet door.
De Atlantische Oceaan
De Admiral Hipper voerde in 1941 twee solomissies op de Atlantische Oceaan uit, waarbij de eerste tocht in januari 1941 werd afgerond met het tot zinken brengen van twee koopvaardijschepen van het konvooi WS-5 en het beschadigen van de Britse zware kruiser Berwick.
De tweede tocht werd begin februari ondernomen. De Admiral Hipper bracht eerst de alleenvarende koopvaarder Iceland tot zinken, om kort nadien op een konvooi zonder escorte te stuiten (SLS-64) toen het, getipt door de onderzeeboot U-37, naar een ander konvooi op zoek was. Zeven schepen werden vernietigd en een achtste werd zwaar beschadigd. Nadien ging de Admiral Hipper richting Brest om bij te tanken.
Naar Noorwegen
Na terugkomst in Brest, eind februari 1941, ging de Hipper het droogdok in voor een grote onderhoudsbeurt. Daarbij werden enkele watertanks omgebouwd tot brandstofbunkers om haar operationele bereik te vergroten. Daarna maakte de Hipper met escorte een lange tocht om Ierland heen om zich bij het eskader van Trondheim (waar onder andere de Admiral Scheer en de Tirpitz toe behoorden) te voegen. Daarbij nam ze deel aan operatie Rösselsprung, waarbij hun aanwezigheid het aan te vallen konvooi uiteen deed vallen, waarna het haast geheel door U-boten en luchtaanvallen vernietigd werd; en operatie Zarin, waarbij de Admiral Hipper in de laatste missie zeemijnen ging leggen bij de eilandengroep Nova Zembla.
Keerpunt: zeeslag in de Barentszzee
De laatste groepsoperatie waar de Admiral Hipper aan deelnam was Operatie Regenbogen, in december 1942, waarbij de Admiral Hipper de taak had het escorte bij konvooi JW-51B weg te lokken, zodat de kruiser Lützow vrij spel zou hebben. De operatie mislukte, deels door de felheid waarmee de escorterende torpedojagers de Hipper afhielden, deels door de onervarenheid van de commandant van de Lützow, die de situatie te ongunstig achtte om de aanval door te zetten. De Admiral Hipper liep een drietal treffers op van 15 cm-granaten van de lichte kruiser HMS Sheffield. Er werden een Britse mijnenveger en een Britse en een Duitse torpedojager tot zinken gebracht. Het hele konvooi bereikte ongeschonden de Russische havens. Dit magere resultaat leidde tot het aftreden van admiraal Raeder, wiens oppervlaktevloot tijdens de Tweede Wereldoorlog altijd al weinig had gepresteerd vergeleken met de onderzeebootvloot, en zijn opvolging door admiraal Karl Dönitz, waarna de Duitse marine zich meer dan ooit ging concentreren op onderzeeboten.
Heldenrol
De Admiral Hipper werd daarna naar Kiel gehaald en zou nooit meer aan een zeeslag deelnemen. Eenmaal aangekomen in Kiel werd het schip buiten dienst genomen. Toen het Rode Leger in de zomer van 1944 doorbrak naar de Baltische kust, werd de Admiral Hipper echter opnieuw uitgerust en ingezet voor beschietingen van de Sovjets. Later in het jaar en in de eerste maanden van 1945 voerde de Admiral Hipper beschietingen en reddingsoperaties uit om gewonde Duitse soldaten en burgers uit Oost-Pruisen naar het westelijke deel van Duitsland over te brengen. Het schip werd een symbool van redding voor talloze wanhopige soldaten en burgers. De Admiral Hipper was immers snel genoeg om in hinderlaag liggende Sovjet-duikboten te ontlopen.
Het einde
Uiteindelijk belandde de Admiral Hipper in Kiel in het droogdok, waar het vanuit de lucht werd aangevallen en daarbij zware schade opliep. Na de Duitse capitulatie inspecteerden de Britten het schip dat hen zoveel ellende bezorgd had en namen de scheepsbel mee terug als trofee. Het was die bel die de opvarenden van de Glowworm als laatste hadden gehoord voordat ze tot zinken werden gebracht. De Admiral Hipper werd na de oorlog in Kiel in 1949 gesloopt.

Admiral Hipper 
Overzicht van de klasse 
Operatoren: War Ensign van Duitsland 1938-1945.svg 
Voorafgegaan door: Deutschland class cruiser 
Opgevolgd door: Niets 
In opdracht: 1939-1945
Gepland: 5 
Voltooid: 3 
Geannuleerde: 2 
Algemene kenmerken 
Klasse en type: Admiral Hipper class cruiser 
Verplaatsing: Design: 
16.170 t (15.910 lange ton; 17.820 korte ton) 
Volle lading: 
18.200 lange ton (18.500 ton) 
Lengte: 202,8 m (665 ft 4 in) algehele 
Breedte: 21,3 m (69 ft 11 in) 
Draft: Vollast: 7,2 m (24 ft) 
Aandrijving: 
3 × Blohm & Voss stoomturbines 
3 × driebladige propellers 
132.000 shp (98 MW) 
Snelheid: 32 knopen (59 km / h; 37 mph) 
Bereik: 6800 NMI (12.600 km, 7800 mi) bij 20 kn (37 km / h; 23 mph) 
Aanvulling: 
42 officieren 
1340 wierf 
Bewapening: 
8 × 20,3 cm (8,0 in) guns 
12 × 10,5 cm (4,1 inch) guns 
12 x 3,7 cm (1,5 inch) guns 
8 x 2 cm (0,79 inch) pistolen (20 x 1) 
6 × 53,3 cm (21 inch) torpedobuizen 
Armor: 
Belt: 70-80 mm (2,8-3,1 inch) 
Armor deck: 20 tot 50 mm (0,79-1,97 inch) 
Torentje gezichten: 105 mm (4,1 inch) 
Vliegtuigen uitgevoerd: 3 vliegtuigen 
Luchtvaart faciliteiten: 1 katapult

De Duitse lichte kruiser Emden

Het Verdrag van Versailles legde Duitsland enorme beperkingen op. De nieuwe Duitse marine, de Reichsmarine, mocht nog maar uit 15.000 man bestaan en uit een paar verouderde oorlogsschepen. Daarvan mochten er maximaal zes lichte kruisers zijn. De waterverplaatsing van deze schepen mocht niet groter zijn dan 6.000 ton en het kaliber van de hoofdkanonnen mocht maximaal 15 cm zijn. Als één van de zes kruisers twintig jaar in dienst was geweest mocht deze vervangen worden.
Deze marine had geen grote gevechtswaarde, maar de oude schepen waren wel geschikt om nieuw personeel op te leiden. Het eerste grote oorlogsschip wat de Duitsers na de Eerste Wereldoorlog bouwden was de lichte kruiser Emden in 1921. Dit schip was de enige in haar klasse en had nog veel weg van de laatste lichte kruisers uit de Eerste Wereldoorlog van de Cöln II-klasse. De Emden had alle hoofdkanonnen in enkele geschutstorens, net als de kruisers uit de Eerste Wereldoorlog. Maar vier van deze geschutstorens stonden op de middellijn. Om gewicht te besparen werden lichte metalen gebruikt en werd er electrisch gelast. Mede hierdoor waren de bewapening en de waterverplaatsing van de Emden perfect in overeenstemming met het Verdrag van Versailles, haar waterverplaatsing was zelfs aan de lage kant. Van oorsprong waren kruisers bedoeld als verkenningsschepen van een vloot. De Kriegsmarine was een kleine marine die geen grote zeeslagen zou gaan uitlokken. Er waren dus ook geen verkenningskruisers voor zo’n vloot nodig. Het bereik van de lichte kruisers was ook niet groot genoeg om de grotere marineschepen bij te houden, ze waren te klein om alleen te opereren en te groot om kustoperaties uit te voeren. Het opperbevel van de Kriegsmarine had dus duidelijk geen goede ideeën hoe ze de lichte kruisers moest gebruiken.
220 Miljoen Reichsmark werd uitgegeven aan de lichte kruisers, zonder dat zij iets bereikten. Ze hadden met zijn zessen samen bijvoorbeeld maar één schip (een motortorpedoboot) tot zinken gebracht. Ze brachten de tijd hoofdzakelijk door als trainingsschepen en mijnenleggers zonder te kunnen bewijzen wat ze waard waren.
Het eerste oorlogsjaar was een ramp voor de lichte kruisers. Twee van deze schepen (de Königsberg en de Karlsruhe) gingen in april 1940 verloren en twee schepen (de Leipzig en de Nürnberg) werden in december 1939 beschadigd. In mei 1940 was nog maar één lichte kruiser operationeel, de Köln (de Emden deed toen dienst als trainingsschip). De Köln en de Emden werden aan het eind van de oorlog in de havens tot zinken gebracht en de Nürnberg en de Leipzig overleefden de oorlog.
De kiel van de Emden (Kreuzer A, Ersatz Ariadne) werd op 8 december 1921 gelegd. De bouw verliep door veel problemen erg traag en pas op 15 oktober 1925 werd het schip in dienst gesteld. Kort na de indienststelling lag ze alweer in dok omdat de gevechtsmast en de achterste schoorsteen werden aangepast. Van november 1926 tot maart 1928 maakte de Emden> haar eerste internationale reis. Ze bezocht onder de andere de Cocos-Eilanden waar de lichte kruiser Emden in de Eerste Wereldoorlog tot zinken werd gebracht. Het schip maakte in totaal elf reizen naar het buitenland voor ‘vlagvertoon’. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog lag het schip ook regelmatig in dok en ze bracht ook tijd door als trainingsschip en als visserij-beschermingsschip.
In augustus 1939 legde de Emden samen met het jacht Grille en een paar torpedoboten een mijnenveld in de Noordzee. Op 4 september 1939 schoot de Emden tijdens een luchtaanval van de RAF een Bristol Blenheim bommenwerper neer. Het toestel stortte neer in de boeg van het schip, waardoor verscheidene doden vielen. Dit waren de eerste marine-slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.
Op 6 april 1940 vertrok de Emden uit Schwinemünde voor operatie Weserübung, de invasie van Noorwegen. Ze maakte deel uit van Kriegsschiffgruppe 5, samen met de zware kruisers Blücher en Lützow, de torpedoboten Albatros, Kondor en Möwe, acht motormijnenvegers en twee bewapende walvisvaarders. Het doel van de aanval was Oslo. Op 8 april werd de Blücher in de Drǿbak zee-engte door een Noorse kustbatterij tot zinken gebracht. De overgebleven schepen trokken een stukje terug en laadden hun troepen uit. Na de capitulatie van de Noorse troepen werd de Emden in Oslo gebruikt als communicatie-centrum. In de zomer keerde de Emden terug naar Gotenhafen.
Samen met de lichte kruisers Köln en Leipzig voerde de Emden in september 1941 kustbombardementen uit op Sovjet-kustbatterijen. Ze brachten op 27 september 1941 de Sovjet-motortorpedoboot MTB-83 tot zinken. Daarna werd de Emden weer als trainingsschip gebruikt.
Eind 1944 legde de Emden een mijnenveld in het Skagerrak. In de winter lag ze in Königsberg in dok voor een grote beurt. Omdat de Sovjets naderden werd ze naar Pillau gesleept. Ze had een bijzondere vracht bij zich, namelijk het lichaam van Generalfeldmarschall Von Hindenburg, welke niet in Sovjethanden mocht vallen. Kort daarna voer de Emden door naar Kiel. Tijdens een luchtaanval op Kiel op 13 april 1945 werd de Emden ernstig beschadigd. Het schip werd op het strand gezet in de Heikendorfer Baai. Ze werd op 26 april 1945 uit dienst gehaald. Op 3 mei 1945 werd het schip vernietigd met explosieven. Na de oorlog werd de Emden gesloopt.

De Admiral Scheer Zware kruiser

De Admiral Scheer was een zware kruiser van de Deutschlandklasse, in dienst van de Kriegsmarine. Het schip werd vernoemd naar admiraal Reinhard Scheer, en werd eerst geclassificeerd als een pantserschip (Panzerschiff). In februari 1940 werd het gereclassificeerd met de andere schepen van de Deutschlandklasse als zware kruiser. Deze klasse werd door de Britten aangeduid met de term vestzakslagschip. De Admiral Scheer deed dienst voor Duitsland tijdens de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog.
Geschiedenis
Spaanse Burgeroorlog

De eerste missie van de Admiral Scheer was in juli 1936, toen het naar Spanje gezonden werd om Duitse burgers te evacueren na het begin van de Spaanse Burgeroorlog. Het bespioneerde ook Sovjet-schepen die de Republikeinen bevoorraadden, en beschermde Duitse schepen die wapens leverden aan de Nationalistische troepen. Op 31 mei 1937 bombardeerde de Admiral Scheer Republikeinse installaties in Almería, als vergelding op een luchtaanval op het zusterschip Deutschland twee dagen daarvoor. Tegen het einde van juni 1938 had het schip acht missies volbracht.
Tweede Wereldoorlog
De eerste gevechtsactie van de Admiral Scheer was op 4 september 1939, wanneer Royal Air Force Bristol Blenheims haar aanvielen in Wilhelmshaven. Drie bommen troffen doel, maar richtten geen grote schade aan, en de Flak haalde vier aanvallers neer. Het schip onderging een revisie terwijl de zusterschepen uitvoeren. De Admiral Scheer werd gemodificeerd gedurende de eerste maanden van 1940, de commandotoren werd vervangen, en het werd gereclassificeerd als een zware kruiser.
De Admiral Scheer voer uit op 14 oktober 1940, met als doel het konvooi HX-84, geïdentificeerd door de onderschepping van radioberichten door de B-Dienst. Het watervliegtuig lokaliseerde het konvooi op 5 november 1940. In de overtuiging dat het konvooi niet geëscorteerd werd, ging de Scheer op het doel af. Toen het konvooi zichtbaar werd, voer de enige verdediging voor het konvooi, de HMS Jervis Bay (een gewapend handelsschip) uit tegen de Scheer. De Jervis Bay had geen kans tegen de Scheer, maar die moest met het schip afrekenen alvorens het konvooi aan te vallen. Deze actie had mede tot gevolg dat de Britse admiraliteit grote konvooien escorteerde met slagschepen.
De Royal Navy zond verscheidene schepen uit tegen de Admiral Scheer, maar die kon ontkomen, naar het rendez-vous met de Nordmark, de olietanker die haar opnieuw bevoorraadde. De volgende maanden bracht de Scheer verscheidene schepen tot zinken, herbevoorraadde en bracht gevangenen over naar de Nordmark, of andere veroverde schepen. Kerstmis 1940 werd doorgebracht op de Atlantische Oceaan, alvorens een plundertocht uit te voeren in de Indische Oceaan in februari 1941, waar het gesignaleerd werd door een noodoproep van een aangevallen schip. De Admiral Scheer kon tijdig ontkomen naar de Atlantische Oceaan. Het keerde terug naar Kiel op 1 april 1941, na door de Straat Denemarken te zijn gevaren. De Admiral Scheer had 46.000 zeemijlen gevaren en 16 handelsschepen tot zinken gebracht.
De Admiral Scheer voer pas weer uit op 2 juli 1942, in een (mislukte) poging om PQ-17 te onderscheppen. Op 25 augustus 1942 voer de Scheer in het kader van Operatie Wunderland uit naar de Noordelijke IJszee, om er op konvooien te jagen en een Duitse aanwezigheid in de Arctische regio van de Sovjet-Unie te doen voelen. Het bombardeerde een weerstation bij Kaap Zjelania aan de noordpunt van Nova Zembla en bracht daar de ijsbreker Aleksandr Sibirjakov tot zinken en bombardeerde een ander weerstation aan de monding van de Jenisej, waarbij nog twee aangemeerde schepen beschadigd werden. Het schip keerde naar Wilhelmshaven terug, zonder een geallieerd konvooi te hebben gevonden.
Adolf Hitler was teleurgesteld over de prestaties van de oppervlakteschepen van de Kriegsmarine, die inderdaad matig waren vergeleken met die van de U-boten. In januari 1943 werd admiraal Erich Raeder door admiraal Karl Dönitz vervangen, waarna de oppervlaktevloot nog zelden de havens verliet. In de herfst van 1944 zorgde de Admiral Scheer voor artillerieondersteuning voor Duitse legereenheden bij de Oostzee tot maart 1945, waarna het schip naar Kiel terugvoer. Daar werd het schip tijdens de nacht van 9 op 10 april gebombardeerd tijdens een aanval van de Royal Air Force op de haveninstallaties. Het schip kapseisde op de ankerplaats. De meeste bemanningsleden waren aan wal, maar 32 kwamen om.
Bevelhebbers
12 november 1934 - 22 september 1936 - Kpt. z. S. Wilhelm Marschall
22 september 1936 - 31 oktober 1938 - Kpt. z. S. Otto Ciliax
31 oktober 1938 - 31 oktober 1939 - Kpt. z. S. Hans-Heinrich Wurmbach
31 oktober 1939 - 12 juni 1941 - Kpt. z. S. / KADM Theodor Krancke (gepromoveerd tot KADM op 1 april 1941.)
12 juni 1941 - 28 november 1942 - Kpt. z. S. Wilhelm Meendsen-Bohlken
28 november 1942 - 1 februari 1943 - Fregkpt. Ernst Gruber
1 februari 1943 - 4 april 1944 Kpt. z. S. / KADM Richard Rothe-Roth (gepromoveerd tot KADM op 1 april 1944.)
4 april 1944 - 9 april 1945 - Kpt. z. S. Ernst-Ludwig Thinemann

De Gneisenau vlaggenschip Kriegsmarine

De Gneisenau was vernoemd naar de Pruisische veldmaarschalk August Wilhelm Anton Graf Neidhardt von Gneisenau (1760-1831).De kiel van de Gneisenau (Panzerschiff E, Ersatz Hessen) werd op 14 februari 1934 gelegd. Op 5 juli stopte de bouw en werd het gebruikte materieel gesloopt. De bouwplannen werden namelijk wat veranderd. Op 6 mei 1935 werd de kiel opnieuw gelegd. Het schip werd op 21 mei 1938 in dienst gesteld. Vanaf mei 1939 was de Gneisenau het vlaggenschip van de Kriegsmarine.

Op 21 november werd ze samen met de Scharnhorst erop uit gestuurd om ten zuiden van IJsland koopvaardijschepen aan te gaan vallen. Twee dagen later brachten ze samen de Britse hulpkruiser HMS Rawalpindi tot zinken. Kort daarna raakte de Gneisenau tijdens een zware storm beschadigd. De beide schepen keerden daarom terug naar Kiel. De twee schepen werden samen met de zware kruiser Admiral Hipper en drie torpedobootjagers erop uit gestuurd voor operatie ‘Nordmark’ in februari 1940. Ze moeten Britse konvooien tussen Bergen en Groot-Brittannië aanvallen, maar er werden geen schepen waargenomen.

Tijdens operatie ‘Weserübung’, de invasie van Noorwegen, was de Gneisenau het vlaggenschip van Vize Admiral Lütjens. De Gneisenau en de Scharnhorst slaagden erin het Britse slagschip HMS Renown weg te lokken van de kust van Noorwegen waar de transportschepen troepen uitlaadden. Er ontstond een kort gevecht waarbij de Gneisenau werd beschadigd. Tijdens operatie ‘Juno’ voerde de Gneisenau samen met de Scharnhorst, de Admiral Hipper en vier torpedobootjagers operaties uit in de Poolzee. Op 8 juni 1940 raakten de Gneisenau en de Scharnhorst in gevecht met het Britse vliegdekschip HMS Glorious en de torpedobootjagers HMS Ardent en HMS Acasta. Alle Britse schepen werden tot zinken gebracht.

Op 20 juni 1940 verliet de Gneisenau samen met de Admiral Hipper Trondheim. In de buurt van het eiland Halten werd de Gneisenau geraakt door een torpedo van de Britse duikboot HMS Clyde.

Tijdens operatie ‘Berlin’ in januari 1941 braken de Gneisenau en de Scharnhorst uit naar de Atlantische Oceaan. Na 22 schepen tot zinken te hebben gebracht (Gneisenau dertien, Scharnhorst acht en samen één schip) keerden de twee schepen weer terug naar Brest. Daar wordt de Gneisenau beschadigd door een Britse luchtaanval.

In februari 1942 voerde de Gneisenau samen met de Scharnhorst, de zware kruiser Prinz Eugen, zes torpedobootjagers, veertien torpedoboten en tien motortorpedoboten operatie ‘Cerberus’ uit. Ze moesten vanuit Frankrijk via Het Kanaal naar Duitsland ontsnappen. De operatie werd een succes, hoewel de Gneisenau door een mijn werd geraakt. Op de dertiende kwam de Gneisenau aan in Kiel.

In de nacht van 26 op 27 februari 1942 werd de Gneisenau geraakt door een grote bom op het voordek tijdens een luchtaanval. De hele boeg brandde uit. Ze werd daarna naar Gotenhafen gestuurd om uit dienst te worden gehaald en gerepareerd te worden. Het schip zou ook een nieuwe hoofdbewapening krijgen: De negen 28 cm kanonnen in drie geschutstorens zouden vervangen worden met zes 38 cm kanonnen in drie geschutstorens. De kanonnen van het schip werden gebruikt als kustbatterijen in Nederland, Noorwegen en Denemarken. Na het zinken van de Scharnhorst in december 1943 stopte het ombouwen van de Gneisenau. Ze werd als een blokkadeschip tot zinken gebracht in Gotenhafen. In 1951 werd het schip door een Pools bedrijf gesloopt.
 

Besteld 25 januari 1934 
Werf Deutsche Werke, te Kiel 
Kiellegging 14 februari 1934
Bouw gestopt: 5 juli 1934
Bouw hervat: 6 mei 1935
Tewaterlating 8 december 1936 
In dienst 21 mei 1938 
Status Tot zinken gebracht als blokkade voor de haven van Gdynia 23 maart 1945 
Algemene kenmerken 
Lengte 226 meter ll, 235 meter oa 
Breedte 30 meter 
Diepgang 9,7 meter 
Deplacement 31.552 long ton (standaard) 38.900 long ton (volgeladen) 
Voortstuwing en vermogen 3 Brown-Boveri turbines, 161.164 pk (120,18 MW)
Drie driebladige schroeven met een diameter van 4,8 m
Vaart 31,5 knopen 
Bereik 10.100 zeemijlen (18.700 km) met een snelheid van 19 knopen (35 km/u) 
Bemanning 1669 waarvan 56 officieren 
Bewapening 9x 283 mm (3x3)
12x 150 mm (4x2, 4x1)
14x 105 mm Luchtafweer (7x2)
16x 37 mm Luchtafweer (6x2)
38x 20 mm Luchtafweer
6x x533 mm torpedobuizen

Vliegtuigen en faciliteiten 3 Arado Ar196A-3, 1 katapult

De Prinz Eugen klasse zware kruiser

Prinz Eugen (Duitse uitspraak: [pʁɪnts ɔʏɡeːn]) was een Admiral Hipper -klasse zware kruiser, het derde lid van de klasse van vijf schepen. Zij diende bij de Duitse Marine (Kriegsmarine) tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip werd in april 1936 na het uitbreken van de oorlog gelegd, in augustus 1938 gelanceerd, en in dienst, in augustus 1940. Ze werd vernoemd naar Prins Eugene van Savoye, een 18e-eeuwseOostenrijkse algemeen. 
Prinz Eugen zag actie tijdens Operatie Rheinübung, een poging tot doorbraak in de Atlantische Oceaan met het slagschip Bismarck mei 1941. De twee schepen vernietigde de Britse slagschip Hood en ernstig beschadigd het slagschip Prince of Wales in de Slag van Straat van Denemarken. Prinz Eugen werd losgemaakt van Bismarck tijdens de operatie Allied koopvaardij overvallen, maar dit was afgebroken vanwege motorproblemen. Na het in bezet Frankrijk en het ondergaan van reparaties, het schip deel aan Operatie Cerberus, een gedurfd daglicht streepje door het Engels Kanaal terug naar Duitsland. In februari 1942 werd Prinz Eugen ingezet naar Noorwegen, maar haar tijd daar gestationeerd werd ingekort toen ze werd getorpedeerd door de Britse onderzeeër Trident dagen na aankomst in de Noorse wateren. De torpedo zwaar beschadigd achtersteven van het schip, die reparaties in Duitsland noodzakelijk. 
Bij terugkeer naar de actieve dienst, het schip gedurende een aantal maanden training officier cadetten in de Oostzee voor het serveren als artillerie ondersteuning van de terugtrekkende Duitse leger op het Oostfront. Na de Duitse ineenstorting mei 1945, werd ze overgedragen aan de Britse Royal Navy alvorens te worden overgebracht naar de Amerikaanse marine als een oorlog prijs. Na onderzoek van het schip in de Verenigde Staten, de Amerikaanse marine toegewezen de kruiser aan de Operation Crossroads kernproeven in Bikini Atoll. Die overleefde de atomische ontploffing werd Prinz Eugen gesleept naar Kwajalein, waar ze uiteindelijk kapseisde en zonk in december 1946. Het wrak blijft gedeeltelijk zichtbaar boven het water ongeveer twee mijl ten noordwesten van Bucholz Army Airfield, aan de rand van Enubuj. Een van haar schroefpropellers werd geborgen en is te zien in het Laboe Naval Memorial in Duitsland. 
Prinz Eugen was 207,7 meter (681 voet) lang overall, en had een straal van 21,7 m (71 ft) en een maximale diepgang van 7,2 meter (24 voet). Na de lancering, werd haar recht boog vervangen door een clipper boog, het vergroten van de lengte over alles op 212,5 meter (697 voet). Het schip had een ontwerp waterverplaatsing van 16.970 ton (16.700 lange ton; 18.710 korte ton) en een volle lading van 18.750 lange ton (19.050 ton) Prinz Eugen werd aangedreven door drie sets afgestemd. Stoomturbines, die werden geleverd met stoom door twaalf ultra-hoge-druk-olie gestookte ketels. Topsnelheid van het schip is 32 knopen (59 km / h; 37 mph), bij 135.619 as pk. (101,131 MW).Zoals ontworpen, haar standaard aanvulling bestond uit 42 officieren en 1340 manschappen 
Primaire bewapening van het schip was acht 20,3 cm (8,0 inch) SK L / 60 kanonnen gemonteerd in vier aparte torentjes, geplaatst in superfiring paren naar voren en naar achteren.Haar luchtafweerbatterij bestond uit twaalf 10,5 cm (4,1 inch) L / 65 pistolen, twaalf 3,7 cm (1,5 inch) geweren en acht 2 cm (0,79 inch) kanonnen. Het schip gedragen ook een paar van triple 53,3 cm (21,0 inch) torpedo lanceerders op de hoogte van de achterzijde bovenbouw. Voor luchtverkenning, werd ze uitgerust met drie Arado Ar 196 watervliegtuigen en één katapult.Prinz Eugen 's gepantserde band was 70 tot 80 mm (2,8-3,1 in) dik; haar bovendek was 12 tot 30 mm (0,47-1,18 in) dik en haar belangrijkste gepantserde dek was 20 tot 50 mm (0,79-1,97 in) dik. De belangrijkste batterij torentjes had 105 mm (4,1 inch) dikke gezichten en 70 mm dikke kanten. 
Service history 
Prinz Eugen werd besteld door de Kriegsmarine uit de Germaniawerft werf in Kiel.Haar kiel werd gelegd op 23 april 1936,onder bouwnummer 564 en schuilnaam Kreuzer J. Ze was oorspronkelijk te worden vernoemd naar Wilhelm von Tegetthoff, de Oostenrijkse overwinnaar van de Slag van Lissa, hoewel overwegingen over de mogelijke belediging voor Italië, verslagen door Tegetthoff op Lissa, leidde de Kriegsmarine te nemen Prinz Eugen als naamgenoot van het schip.Zij werd gelanceerd op 22 augustus 1938 in een ceremonie bijgewoond door de gouverneur (Reichsstatthalter) van de Ostmark, Arthur Seyss-Inquart, die de doop toespraak. Ook aanwezig bij de lancering waren Adolf Hitler, de Regent van Hongarije, admiraal Miklós Horthy (die het slagschip geboden had SMS Prinz Eugen van 24 november 1917 tot 1 maart 1918), en zijn vrouw Magdolna Purgly, die de doop verricht.as built, het schip had een rechte steel, maar na haar lancering werd dit vervangen door een clipper boog. Een raked trechterkap werd ook geïnstalleerd. 
Ingebruikname werd enigszins vertraagd als gevolg van lichte schade opgelopen tijdens een Royal Air Force aanval op Kiel in de nacht van 1 juli 1940. Prinz Eugen leed twee relatief licht hits in de aanval,maar ze was niet ernstig beschadigd en werd de opdracht in dienst de volgende maand op 1 augustus.De kruiser bracht de rest van 1940 het uitvoeren van proeven op zee in de Oostzee.n het begin van 1941, het schip artillerie bemanningen uitgevoerd artillerie training. Een korte periode in het droogdok voor de laatste aanpassingen en verbeteringen gevolgd.n april, het schip geworden van de pas in gebruik genomen slagschip Bismarck voor manoeuvres in de Oostzee. De twee schepen was geselecteerd voor Operation Rheinübung, een doorbraak in de Atlantische Oceaan naar geallieerde handel overvallen. 
Op 23 april, tijdens het passeren van de Fehmarn Belt op weg naar Kiel,Prinz Eugen ontploft een magnetische mijn gedropt door Britse vliegtuigen. De mijn beschadigde de brandstoftank, schroefas koppelingen,en vuur controle-apparatuur.De geplande uitval met Bismarck werd vertraagd terwijl reparaties werden uitgevoerd.Admirals Erich Raeder en Günther Lütjens gesproken over de mogelijkheid van het uitstellen van de operatie verder, in de hoop dat reparaties aan het slagschip Scharnhorst zou worden voltooid of zusterschip Bismarck 's Tirpitz zou proeven te voltooien op tijd voor de schepen aan te sluiten Prinz Eugen en Bismarck. Raeder en Lütjens besloten dat het meest gunstig oppervlak acties in de Atlantische Oceaan te hervatten zo spoedig mogelijk, maar zou zijn, en dat de twee schepen moeten sortie zonder wapening.
Operatie Rheinübung 
Van 11 mei 1941, had reparaties aan Prinz Eugen is afgerond. Onder het bevel van Kapitän zur See (KZS-Captain at Sea) Helmuth Brinkmann, het schip gestoomd om Gotenhafen, waar de bemanning klaargemaakt haar voor haar Atlantische sortie. Op 18 mei, Prinz Eugen rendezvoused met Bismarck off Cape Arkona.De twee schepen werden door drie destroyers- begeleid Hans Lody, Z16 Friedrich Eckoldt en Z23 -en een vloot van mijnenvegers.De Luftwaffe air dekken tijdens . de reis van de Duitse wateren .Rond 13:00 op 20 mei, de Duitse vloot in aanraking met de Zweedse cruiser HSwMS Gotland; de kruiser geschaduwd de Duitsers gedurende twee uur in het Kattegat.Gotland verzonden een rapport aan marine-hoofdkwartier, onder vermelding van: "Twee grote schepen, drie torpedobootjagers, vijf escorte schepen, en 10-12 vliegtuigen voorbij Marstrand, natuurlijk 205 ° / 20 '. De Oberkommando der Marine (OKM-Naval opperbevel) was niet bezorgd over de veiligheidsrisico's van Gotland, hoewel Lütjens geloofde operationele veiligheid verloren was gegaan.In het rapport uiteindelijk zijn weg naar kapitein Henry Denham , de Britse marine attaché naar Zweden, die de informatie aan de uitgezonden Admiraliteit.
De code-breakers bij Bletchley Park bevestigd dat een Atlantische inval op handen was, omdat ze berichten dat Bismarck en Prinz Eugen had genomen op prijs bemanningen en verzocht om aanvullende navigatiekaarten van het hoofdkwartier had ontcijferd. Een paar van de Supermarine Spitfires werden besteld om te zoeken de Noorse kust van de Duitse vloot.Op de avond van 20 mei, Prinz Eugen en de rest van de vloot bereikte de Noorse kust; de mijnenvegers werden losgemaakt en de twee overvallers en hun torpedojagerescortes verder naar het noorden. De volgende morgen, radio-onderscheppen officieren aan boord van Prinz Eugen pakte een signaal bestellen Britse verkenningsvliegtuigen om te zoeken naar twee slagschepen en drie torpedobootjagers het noorden van de Noorse kust.Op 7:00 op de 21e, de Duitsers zag vier ongeïdentificeerde vliegtuigen die snel vertrokken. Kort na 00:00, de vloot bereikte Bergen en verankerd op Grimstadfjord. Terwijl er, de bemanning van de schepen geschilderd over de Baltische camouflage met de standaard "buitenboordmotor grijze" gedragen door de Duitse oorlogsschepen die actief zijn in de Atlantische Oceaan.
Terwijl in Bergen, Prinz Eugen nam 764 t (752 lange ton; 842 short tons) brandstof; Bismarck onverklaarbare wijze niet op dezelfde wijze te tanken.Op 19:30 op 21 mei, Prinz Eugen, Bismarck, en de drie escorteren destroyers linker-poort.Tegen middernacht, de kracht was in de open zee en op weg naar de Noordelijke IJszee. Op dit moment, Admiraal Raeder eindelijk hoogte Hitler van de operatie, die met tegenzin liet hij doorgaan zoals gepland. De drie escorteren torpedobootjagers werden losgemaakt op 4:14 op 22 mei, terwijl de kracht gestoomde uit Trondheim. Rond 00:00, Lütjens beval zijn twee schepen te zetten in de richting van de Straat Denemarken naar de breakout poging in het open water van de Atlantische Oceaan. 
Van 04:00 op 23 mei, Lütjens besteld Prinz Eugen en Bismarck om de snelheid te verhogen tot 27 kn (50 km / h; 31 mph). Aan het dashboard door de Straat van Denemarken te maken.Bij het ​​binnenkomen van de Straat, beide schepen geactiveerd hun . Fumo radar detectie-apparatuur sets Bismarck geleid Prinz Eugen door ongeveer 700 meter (2300 voet); mist verminderd zicht tot 3.000 tot 4.000 m (9.800 tot 13.100 ft). De Duitsers ondervonden wat ijs rond 10:00, hetgeen een vermindering van snelheid 24 kn noodzakelijk (44 km / h; 28 mph). Twee uur later, had het paar een punt ten noorden van IJsland bereikt. De schepen werden gedwongen om te zigzaggen ijsschotsen te voorkomen. Bij 19:22, hydrofoon en radar exploitanten aan boord van de Duitse oorlogsschepen gedetecteerd de kruiser HMS Suffolk op een afstand van ongeveer 12.500 m (41.000 ft).Prinz Eugen 's radio-onderscheppen team gedecodeerd de radio signalen worden verzonden Suffolk en leerde dat hun locatie inderdaad gemeld. 
Admiraal Lütjens gaf toestemming voor Prinz Eugen om deel te nemen Suffolk, hoewel de kapitein van de Duitse kruiser kon niet duidelijk maken uit zijn doel en zo hield het vuur.Suffolk snel trokken zich terug naar een veilige afstand en geschaduwd de Duitse schepen. Bij 20:30, de zware kruiser HMS Norfolk toegetreden Suffolk, maar benaderde de Duitse overvallers te nauw. Lütjens beval zijn schepen aan de Britse kruiser betrekken; Bismarck vuurde vijf salvo's, waarvan er drie schrijlings Norfolk en regende granaatscherven op haar dekken. De cruiser legde een rookgordijn en vluchtte in een mistbank, eindigt de korte verloving. De schok van de 38 cm kanonnen uitgeschakeld Bismarck 's Fumo 23 radar set; dit wordt gevraagd Lütjens op bestelling Prinz Eugen naar station vooruit te nemen, zodat ze haar werkende radar kon gebruiken om scout voor de vorming. 
De Britse kruisers bijgehouden Prinz Eugen en Bismarck door de nacht, voortdurend doorgeven van de locatie en het dragen van de Duitse schepen. De barre weersomstandigheden brak op de ochtend van 24 mei, het onthullen van een heldere hemel. Op 5:07 die ochtend, hydrofoon exploitanten aan boord van Prinz Eugen ontdekte een paar onbekende schepen naderen van de Duitse formatie op een afstand van 20 NMI (37 km, 23 mi), de rapportage "Lawaai van twee fast-moving turbine schepen op 280 ° ten opzichte van !. bearing .Op 5:45, uitkijkposten op de Duitse schepen gespot rook aan de horizon; deze bleek te zijn van de Hood en de Prince of Wales, onder het bevel van vice-admiraal Lancelot Holland. Lütjens beval de bemanning zijn schepen 'stations strijden. Door 05:52, was het bereik gedaald tot 26.000 m (85.000 ft) en Hood openden het vuur, gevolgd door de Prins van Wales een minuut later.Hood bezig Prinz Eugen, die de Britse gedachte aan Bismarck, terwijl Prince of Wales afgevuurd op Bismarck. 
De Britse schepen naderden de Duitsers hoofd op, die mogen ze alleen gebruik maken van hun voorwaartse geweren, terwijl Bismarck en Prinz Eugen volle kon vuren breedtes. Enkele minuten na het openen van het vuur, Holland bestelde een 20 ° bocht naar de haven, die het mogelijk maken zijn schepen aan te gaan met hun achterste geschutskoepels. Beide Duitse schepen concentreren hun vuur op Hood. Ongeveer een minuut na het openen van het vuur, Prinz Eugen scoorde een hit met een brisant 20,3 cm (8,0 inch) shell, ontploffende ongeroteerde Projectiel munitie en het starten van een grote brand, die snel werd geblust.Holland vervolgens bestelde een tweede 20 ° wenden tot de haven, om zijn schepen op een parallel parcours met Bismarck en Prinz Eugen brengen. Tegen die tijd, was Bismarck het bereik naar Hood gevonden, dus Lütjens besteld Prinz Eugen vuur te verschuiven en richten Prince of Wales om zowel van zijn tegenstanders onder vuur te houden. Binnen een paar minuten, Prinz Eugen scoorde een paar hits op het slagschip en gemeld dat een kleine brand was begonnen.
Lütjens beval Prinz Eugen te laten vallen achter Bismarck, zodat ze kon blijven om de locatie van Norfolk en Suffolk, die nog enkele 10-12 NMI waren monitoren (19 tot 22 km, 12 tot 14 mijl) naar het oosten. Om 06:00, Hood werd het afronden van haar tweede afslag naar de haven toen Bismarck 's vijfde salvo raken. Twee van de schelpen landde kort, waar het water in de buurt van het schip, maar in ieder geval één van de 38 cm armor-piercing schelpen sloeg Hood en drong haar dunne dek armor. De schaal bereikt Hood 's achterzijde munitie magazine en ontploft 112 t (110 lange ton; 123 short tons) van cordiet. Drijfgas de enorme explosie brak de achterkant van het schip tussen de grote mast en de achterste trechter; het voorste gedeelte bleef even vooruit te gaan voordat het in stromend water veroorzaakte de boeg te stijgen in de lucht bij een steile hoek. De achtersteven dezelfde manier steeg boven water stortte zich in de geripte-open vakken.Na slechts acht minuten van het vuren, Hood was verdwenen, maar het nemen van alle drie van haar bemanning van 1419 mannen met haar. 
Na een paar minuten, waarin de Prins van Wales scoorde drie treffers op Bismarck, de beschadigde Britse slagschip ingetrokken. De Duitsers hielden het vuur als het assortiment verbreed, hoewel Kapitein Ernst Lindemann, commandant Bismarck 's, sterk gepleit jagen Prince of Wales en haar te vernietigen.Lutjens stevig verwierp het verzoek, en in plaats daarvan bestelde Bismarck en Prinz Eugen aan het hoofd voor de open wateren van de Noord-Atlantische Oceaan.Na het einde van de opdracht, Lütjens gemeld dat een "Battlecruiser, waarschijnlijk Hood, gezonken. Een andere slagschip, Koning George V of Renown, draaide weg beschadigd. Twee zware kruisers onderhouden contact.Op 8:01, een schaderapport en zijn bedoelingen te OKM, die moesten losmaken Prinz Eugen voor de handel overvallen en te maken voor hij overgebracht St. Nazaire voor reparatie.Kort na 10:00, Lütjens verwezen Prinz Eugen achter Bismarck vallen aan de ernst van de olielekkage uit de boeg hit onderscheiden. Na bevestiging "brede stromen van olie aan weerszijden van [Bismarck's] wakker", Prinz Eugen teruggebracht naar voren. 
Met het weer verslechtert, Lütjens probeerde Prinz Eugen ontkoppelen op 16:40. De storm was niet zwaar genoeg om haar terugtrekking uit Wake-Walker's cruisers, die bleef radar contact te houden. Prinz Eugen werd daarom opgeroepen tijdelijk te dekken.De cruiser werd succesvol losgemaakt op 18:14. Bismarck draaide zich om naar de Wake gezicht -Walker's formatie, waardoor Suffolk op hoge snelheid af te wenden. Prince of Wales afgevuurd twaalf salvo's op Bismarck, die reageerde met negen salvo's, die geen van alle getroffen. De actie omgeleid Britse aandacht en toegestaan ​​Prinz Eugen om weg te glippen.
Op 26 mei, Prinz Eugen rendezvoused met het bevoorradingsschip Spichern haar vullen bijna lege brandstoftanks.Het schip had ernstige gebreken opgelopen in haar aandrijfsysteem, dat een terugkeer naar het bezette Frankrijk voor reparaties noodzakelijk. Op 31 mei, werd het schip vergezeld door een escorte van destroyers voor de kust van Frankrijk; De volgende dag in kunt plaatsen ze Brest.Reparaties duurde voor de komende acht maanden, waarin Prinz Eugen en de andere Duitse oorlogsschepen in het gebied werden herhaaldelijk aangevallen door geallieerde bommenwerpers. In de nacht van 1 juli 1941,werd het schip getroffen door bommen. De aanval doodde 60 mensen en verwondde meer dan 40 anderen. Onder de doden was First Watch Officer Fregattenkapitän (Frigate Captain) Otto Stooss, die dodelijk gewond werd in het commandocentrum.


als USS Prinz Eugen, voordat de atoombom tests bij Bikini Atoll 
Carrière (Duitsland) 
Naam: Prinz Eugen 
Naamgenoot: Prince Eugene van Savoye 
Builder: Germaniawerft 
Neergelegd: 23 april 1936 
Gelanceerd: 22 augustus 1938 
Opdracht: 1 augustus 1940 
Eer en 
awards: Twee keer in de genoemde Wehrmachtbericht 
Fate: Gesleept naar Kwajalein na kernwapens testen, kapseisde december 1946 
Algemene kenmerken 
Klasse en type: Admiral Hipper class cruiser 
Verplaatsing: 
Ontwerp: 16.970 t (16.700 lange ton; 18.710 korte ton) 
Vollast: 18.750 lange ton (19.050 ton) 
Lengte: 212,5 m (697 ft 2 in) algehele 
Breedte: 21,7 m (71 ft 2 in) 
Draft: Vollast: 7,2 m (24 ft) 
Aandrijving: 
3 × Blohm & Voss stoomturbines 
3 × driebladige propellers 
135.619 shp (101,131 MW) 
Snelheid: 32 knopen (59 km / h; 37 mph) 
Aanvulling: 
42 officieren 
1340 wierf 
Bewapening: 
8 × 20,3 cm (8,0 in) guns 
12 × 10,5 cm (4,1 inch) guns 
12 x 3,7 cm (1,5 inch) guns 
8 x 2 cm (0,79 inch) pistolen (20 x 1) 
12 × 53,3 cm (21 inch) torpedobuizen 
Armor: 
Belt: 70-80 mm (2,8-3,1 inch) 
Armor deck: 20 tot 50 mm (0,79-1,97 inch) 
Torentje gezichten: 105 mm (4,1 inch) 
Vliegtuigen uitgevoerd: 3 Arado Ar 196 
Luchtvaart faciliteiten: 1 katapult 
Opmerkingen: De cijfers zijn voor het schip gebouwd 
 

Erkenning tekening van een Admiral Hipper class cruiser

 

 

 

Launch Prinz Eugen 's

 

 

 

Kaart met de loop van Prinz Eugen en Bismarck en de schepen die hen gevoerde

Operatie Cerberus en Noorse activiteiten 
Prinz Eugen en de slagschepen Scharnhorst en Gneisenau werden voortdurend bedreigd door geallieerde luchtaanvallen, terwijl gestationeerd in Brest, en de Bismarck operatie had de risico's van het werken in de Atlantische Oceaan zonder lucht dekking aangetoond. Daarnaast Hitler zag de Noorse theater als de "zone van bestemming", dus hij beval de drie schepen 'terugkeer naar Duitsland in het begin van 1942, zodat ze daar kunnen worden ingezet.Het was de bedoeling de schepen verbod gebruiken geallieerde konvooien naar de Sovjet-Unie, alsmede aan de verdediging van Noorwegen te versterken.Hitler stond erop dat ze zou de reis via het maken Engels Kanaal, ondanks de Raeder's protesten dat het te riskant.vice-admiraal Otto Ciliax was het commando over de operatie. In het begin van februari, mijnenvegers geveegd een route door het Kanaal, hoewel de Britten niet in geslaagd om de activiteit te detecteren. 
Om 23.00 uur op 11 februari, Scharnhorst, Gneisenau en Prinz Eugen verliet Brest. Ze gingen het Kanaal een uur later; de drie schepen versneld op 27 kn (50 km / h; 31 mph), knuffelen de Franse kust langs de reis. Door 06:30, was ze langs Cherbourg, op welk moment ze werden vergezeld door een vloot van torpedoboten.De torpedoboten werden geleid door Kapitän zur See Erich Bey, aan boord van de vernietiger Z29. Generaal der Jagdflieger (generaal van de Vechter Force) Adolf Galland gericht Luftwaffe vechter en bommenwerper krachten (Operation Donnerkeil) tijdens Cerberus.De strijders vloog op masttop hoogte om detectie te vermijden door de Britse radar netwerk. Verbindingsofficieren waren aanwezig op alle drie de schepen. Duitse vliegtuigen kwamen later aan de Britse radar met jam kaf.Door 13:00, de schepen had ontruimd Straat van Dover, maar een half uur later, een vlucht van zes Fairey Swordfish torpedo bommenwerpers, met Spitfire escorte, vielen de Duitsers . De Britten niet aan de Luftwaffe vechter schild te dringen, en alle zes Zwaardvis werden vernietigd.
Van Dover, Prinz Eugen kwam onder vuur van de Britse kust artillerie batterijen, hoewel ze scoorde geen hits. Verschillende motortorpedoboten vervolgens aangevallen het schip, maar Prinz Eugen 's torpedojagerescortes dreef de schepen af voordat zij hun torpedo's konden lanceren. Bij 16:43, Prinz Eugen ondervonden vijf Britse torpedobootjagers: Campbell, Levendig, Mackay, Whitshed en Worcester. Ze vuurde haar belangrijkste batterij bij hen en scoorde een aantal hits op Worcester, maar ze werd gedwongen om onregelmatig manoeuvreren om hun torpedo's te voorkomen.Toch Prinz Eugen aangekomen in Brunsbüttel op de ochtend van 13 februari, volledig onbeschadigd.
Op 21 februari 1942 Prinz Eugen, de zware kruiser Admiral Scheer en de vernietigers Richard Beitzen, Paul Jakobi, Z25, Hermann Schoemann en Friedrich Ihn gestoomd naar Noorwegen.Na een korte stoppen in Grimstadfjord, de schepen overgegaan naar Trondheim . Twee dagen later, terwijl het patrouilleren van de Trondheimsfjord, de Britse onderzeeër Trident getorpedeerd Prinz Eugen.De torpedo sloeg het schip in het achterschip, waardoor ernstige schade en waardoor het schip unmaneuverable. Ze werd gesleept naar Lofjord, waar in de komende maanden, noodreparaties werden uitgevoerd. Haar hele achterschip werd weggesneden en vergulde over en twee-jury opgetuigd roeren, bediend handmatig via kaapstanders, werden geïnstalleerd.
Op 16 mei, Prinz Eugen maakte de terugreis naar Duitsland onder haar eigen kracht. Terwijl onderweg naar Kiel, werd het schip aangevallen door een Britse kracht van 19 Bristol Blenheim bommenwerpers en 27 Bristol Beaufort. Torpedo bommenwerpers, hoewel ze niet in geslaagd om het schip te raken Prinz Eugen was buiten dienst voor reparaties tot en met oktober; ze uitgevoerd proefvaarten beginnen op 27 oktober.Hans-Erich Voss, die later Hitlers Naval Liaison Officer, werd gegeven bevel van het schip toen ze terug naar service.Met betrekking tot haar oorspronkelijk gepland naam van het schip bel van de Oostenrijkse slagschip Tegetthoff werd op 22 november door de Italiaanse Contrammiraglio (admiraal) de Angeles.In de loop van november en december, het schip was bezig met langdurige proeven in de Oostzee. In het begin van januari 1943, de Kriegsmarine bevolen het schip terug te keren naar Noorwegen om de oorlogsschepen daar gestationeerd versterken. Tweemaal in januari Prinz Eugen geprobeerd om stoom naar Noorwegen met Scharnhorst, maar beide pogingen werden afgebroken nadat Britse verkenningsvliegtuigen zag de twee schepen. Nadat het duidelijk dat het onmogelijk is om het schip te verplaatsen naar Noorwegen zou zijn geworden, werd Prinz Eugen toegewezen aan de vloot Training Squadron. Negen maanden, kruiste ze de Baltische training cadetten.
Dienst in de Oostzee 
Als de Sovjet-leger duwde de Wehrmacht terug op het Oostfront, is het noodzakelijk om Prinz Eugen reactiveren als een artillerie support vaartuig werd; op 1 oktober 1943 werd het schip opnieuw toegewezen aan de bestrijding van plicht.In juni 1944 Prinz Eugen, de zware kruiser Lützow, en de 6 Destroyer Flotilla vormden de tweede Task Force, later omgedoopt tot Task Force Thiele na haar commandant, Vizeadmiral augustus Thiele. Prinz Eugen was op dit moment onder het bevel van KZS Hans-Jürgen Reinicke; in heel juni ze gestoomd in de oostelijke Oostzee, ten noordwesten van het eiland Utö als een show van kracht tijdens de Duitse terugtrekking uit Finland. Op 19-20 augustus, het schip gestoomd in de Golf van Riga en gebombardeerd Tukums.Vier destroyers en twee torpedoboten ondersteunde de actie, samen met de Prinz Eugen 's Ar 196 floatplanes; de kruiser vuurde een totaal van 265 schelpen uit haar belangrijkste batterij.Prinz Eugen 's bombardement was instrumenteel in het succesvol terugdringen van de Sovjet-aanval.
In het begin van september, Prinz Eugen ondersteund een mislukte poging om het fort eiland grijpen Hogland. Het schip keerde terug naar Gotenhafen, voordat het begeleiden van een konvooi van schepen evacueren van Duitse soldaten uit Finland.Het konvooi, bestaande uit zes vrachtschepen, zeilden op 15 september van de Botnische Golf, met het gehele tweede Task Force begeleiden het. Zweedse vliegtuigen en torpedobootjagers geschaduwd het konvooi, maar niet ingrijpen. De volgende maand, Prinz Eugen terug naar geweervuur ​​ondersteuning plichten. Op 11 en 12 oktober, vuurde ze ter ondersteuning van de Duitse troepen in Memel. [55] Over de eerste twee dagen, het schip vuurde zo'n 700 rondes van munitie van haar belangrijkste batterij. Ze keerde terug op de 14e en 15e, nadat bijgevuld haar belangrijkste batterij munitie naar een andere 370 rondes te vuren.
Terwijl op de terugreis naar Gotenhafen op 15 oktober, Prinz Eugen onbedoeld ramde de lichte kruiser Leipzig midscheeps noorden van Hela.De oorzaak van de botsing was zware mist.De lichte kruiser werd bijna gehalveerd,en de twee schepen bleven samen ingeklemd veertien uur.Prinz Eugen werd meegenomen naar Gotenhafen waar reparaties werden uitgevoerd met een maand.Sea proeven begonnen op 14 november. [56] Op 20-21 november, de schip ondersteund Duitse troepen op de Sworbe schiereiland door het afvuren van ongeveer 500 rondes van de belangrijkste batterij munitie. Vier torpedo boten-T13, T16, T19 en T21 -groef de operatie.Prinz Eugen dan terug naar Gotenhafen te bevoorraden en hebben haar versleten geweerlopen weer vervelen. 
De kruiser was klaar voor actie medio januari 1945, toen ze werd verzonden naar Sovjet-troepen bombarderen in Samland.Het schip vuurde 871 rondes van munitie in de Sovjets vooruit op de Duitse bruggenhoofd op Cranz gehouden door de XXVIII Corps, die beschermde Königsberg. Ze werd gesteund in deze operatie door de vernietiger Z25 en torpedoboot T33.Op dat moment, Prinz Eugen had haar belangrijkste batterij munitie besteed, en tekorten kritische munitie gedwongen het schip in de haven te blijven tot 10 maart, toen ze gebombardeerd Sovjet- krachten rond Gotenhafen, Danzig, en Hela. Tijdens deze operaties, vuurde ze een totaal van 2025 schelpen van haar 20,3 cm kanonnen en ander 2.446 rondes van haar 10,5 cm kanonnen. Het oude slagschip Schlesien ook voorzien geweervuur ​​ondersteuning, net als Lützow na 25 maart. De schepen werden aangevoerd door Vizeadmiral Bernhard Rogge.
De volgende maand, op 8 april, Prinz Eugen en Lützow gestoomd om Swinemünde.Op 13 april, 34 Lancaster bommenwerpers vielen de twee schepen in de haven. Dikke bewolking dwong de Britten om de missie af te breken en terug te gaan twee dagen later. Op de tweede aanval, zijn ze er in geslaagd zinken Lützow met een enkele Tallboy bom hit.Prinz Eugen daarna vertrok Swinemünde voor Kopenhagen, [55] die aankomen op 20 april. Daar werd zij opgelegd op 7 mei en overgedragen aan de Royal Navy de controle van de volgende dag.Voor zijn leiderschap van Prinz Eugen in het laatste jaar van de oorlog, Reinicke werd bekroond met het Ridderkruis van het IJzeren Kruis op 21 april 1945.Prinz Eugen werd tweemaal genoemd in Wehrmachtbericht tijdens haar operationele carrière, de eerste keer op 13 februari 1942 en de tweede keer op 18 mei 1942.

Route van Prinz Eugen, Scharnhorst en Gneisenau tijdens Operatie Cerberus

Prinz Eugen (midden) onder reparatie in de Lofjord; Admiraal Scheer wordt ook afgemeerd achter anti-torpedo netten

Prinz Eugen gang

Prinz Eugen onder escorte van Kopenhagen naar Wilhelmshaven na inlevering

Dienst bij de US Navy 
Op 27 mei 1945 Prinz Eugen en de lichte kruiser Nürnberg -de enige grote Duitse marineschepen naar het overleven oorlog werden begeleid door de Britse kruisers Dido en Devonshire naar Wilhelmshaven. Op 13 december, Prinz Eugen werd bekroond als een oorlog prijs aan de Verenigde Staten, waar het schip naar Wesermünde.De Verenigde Staten niet bijzonder willen dat de kruiser, maar het heeft willen voorkomen dat de Sovjet-Unie van het verwerven van het.De cruiser werd opgedragen in de Amerikaanse marine als de geclassificeerde diverse schip USS Prinz Eugen met de romp nummer IX-300. Een samengestelde Amerikaanse Duitse bemanning, bestaande uit 574 Duitse officieren en matrozen, begeleid door acht Amerikaanse officieren en vijfentachtig manschappen onder het commando van kapitein Arthur H. Graubart,nam toen het schip naar Boston, vertrekken op 13 januari 1946 en de aankomst op 22 januari.Daar het schip werd uitgebreid door de Amerikaanse marine onderzocht.Haar zeer grote uitstoot van passieve sonar reeks werd verwijderd en op de onderzeeër geïnstalleerd USS Flying Fish voor het testen.Amerikaanse belangstelling voor magnetische versterker technologie opnieuw na bevindingen in het onderzoek van het vuur controlesysteem van Prinz Eugen toegenomen.De wapens van torentje Anton werden verwijderd, terwijl in Philadelphia in februari.
Op 1 mei de Duitse bemanningsleden verlieten het schip en keerde terug naar Duitsland. Daarna, de Amerikaanse bemanning had aanzienlijke problemen in het houden van het schip aandrijfsysteem operationele-elf van haar twaalf ketels mislukte nadat de Duitsers vertrokken. Het schip werd vervolgens toegewezen aan de vloot van schepen doelwit voor Operation Crossroads in Bikini Atoll. Operation Crossroads was een belangrijke test van de effecten van kernwapens op oorlogsschepen van verschillende typen. Het probleem met Prinz Eugen 's aandrijfsysteem kan de beslissing te ontdoen van haar in de kernproeven hebben beïnvloed. 
Ze werd gesleept naar de Pacific via Philadelphia en het Panamakanaal,vertrekken op 3 maart.Het schip overleefde twee atoombom ontploffing: Test Able, een lucht-uitbarsting op 1 juli 1946 en Test Baker, een ondergedompelde detonatie op . 25 juli Prinz Eugen werd afgemeerd ongeveer 1.200 yards (1100 m) van het epicentrum van zowel de ontploffing en werd slechts licht beschadigd door hen de Able blast enige boog haar voormast en brak de top van haar grote mast.Ze leed geen significante structurele schade als gevolg van de explosies, maar werd grondig besmet met radioactieve neerslag.De bestraalde schip werd gesleept naar het Kwajalein in de centrale Stille Oceaan, waar een kleine lek ging unrepaired vanwege de straling gevaar.Op 29 augustus 1946, de US Navy ontmanteld Prinz Eugen. 
Tegen eind december 1946, het schip was in zeer slechte staat; op 21 december, begon ze naar de lijst ernstig.Een salvage team kon niet worden naar Kwajalein in de tijd gebracht,zodat de Amerikaanse marine probeerde naar het strand van het schip om haar te verhinderen zinken, maar op 22 december, Prinz Eugen kapseisde en zonk.Haar belangrijkste batterij geschutskoepels viel uit hun barbettes toen het schip rolde. Achtersteven van het schip, met inbegrip van haar propeller vergaderingen, blijven zichtbaar boven het oppervlak van het water.De Amerikaanse regering ontkende berging rechten op grond van het feit dat zij niet willen dat de bestraalde stalen betreden van de markt.In augustus 1979, een van het schip schroefpropellers werd opgehaald en geplaatst in de Laboe Naval Memorial in Duitsland.bell Het schip wordt momenteel gehouden in het Nationaal Museum van de Marine van Verenigde Staten, terwijl de klok uit Tegetthoff wordt gehouden in Graz, Oostenrijk. 
Slachtoffers 
Tijdens haar operationele loopbaan bij de Kriegsmarine, Prinz Eugen verloren 115 bemanningsleden; 79 mensen werden gedood in actie, 33 werden gedood bij ongevallen en drie overleden aan andere oorzaken. Van deze 115 bemanningsleden, vier waren officieren, zeven waren kadetten of uithangborden, waren twee onderofficieren, 22 waren junior onderofficieren, 78 waren matrozen en twee waren burgers.

USS Prinz Eugen die door het Panamakanaal in 1946.

Prinz Eugen afgemeerd in Bikini Atoll tijdens Operation Crossroads

De Altmark (tanker)bevoorradingsschip

De Altmark was een Duitse tanker en bevoorradingsschip. Het ondersteunde aanvankelijk de Admiral Graf Spee. Daarna was het betrokken bij het Altmark-incident. Het schip werd gebouwd in Hamburg in 1938 door Blohm + Voss, was 141 meter lang en had een volume van 7021 brt.

Geschiedenis

Graf Spee

De Altmark moest de Admiral Graf Spee ondersteunen tijdens diens jacht op de Zuid Atlantic. Zeelui die gered werden van schepen die tot zinken waren gebracht door de Admiral Grad Spee werden overgebracht naar de Altmark. Na de Slag bij Rio de la Plata werd de Admiral Graf Spee tot zinken gebracht door de eigen bemanning in Montevideo.

Altmark-incident

Hierna begon de Altmark aan de terugreis naar Duitsland waarbij Het Kanaal werd vermeden en een route werd gekozen via IJsland. Daarna voer het langs de Noorse kust. Het werd door de Britse HMS Cossack geënterd op 16 februari en de 303 Britse gevangenen werden bevrijd en teruggebracht naar Groot-Brittannië. De entering was een schending van de Noorse neutraliteit en speelde een grote rol in de beslissing van Hitler om Noorwegen en Denemarken te bezetten middels Operatie Weserübung in april 1940.

Thor

Daarna hervatte het schip de taak als ondersteuningsschip, maar werd omgedoopt tot Uckermark. Met hulp van Russische ijsbrekers wist het via de Noordelijke IJszee de Grote Oceaan te bereiken en vandaar naar Japan. De Uckermark werd het ondersteuningsschip voor de hulpkruiser Thor, die in de Indische Oceaan en het westen van Grote Oceaan bezig was om koopvaardijschepen te overvallen. Op 30 november 1942 lag de Uckermark in Yokohama, Japan, naast de Thor om deze te bunkeren en het Australische passagiersschip Nankin, die de Thor had opgebracht in maart, vijf dagen van Fremantle, op weg naar Colombo, Ceylon.
Terwijl de bemanning aan het eten was, vond er een enorme explosie plaats die het schip uiteenreet. De Uckermark, Thor en Nankin zonken door de explosie. De oorzaak van de explosie is waarschijnlijk een vonk van gereedschap dat werd gebruikt vlak bij een bunkertank. 43 man van de Uckermark vonden de dood in de explosie.

De Altmark in Jøssingfjord, Noorwegen, februari 1940 
Geschiedenis 
Werf Blohm + Voss in Hamburg 
Kiellegging 15 juni 1936 
Tewaterlating 13 november 1937 
In de vaart genomen 3 augustus 1939 
Omgedoopt Uckermark 
Status Gezonken op 30 november 1942 
Algemene kenmerken 
Lengte 141 meter 
Breedte 20,7 meter 
Diepgang 8,2 meter 
Laadvermogen 7021 brt 
Voortstuwing en vermogen Stoomturbines 
Vaart 22 knopen 
Bemanning 130

Graf Zeppelin (vliegdekschip)

De Graf Zeppelin was het eerste en enige vliegdekschip dat de Duitsers ooit hebben gebouwd. Het was niet het enige vliegdekschip dat werd ontworpen, omdat de Graf Zeppelin een zusterschip had, Peter Strasser. Duitsland had wel andere schepen die vliegtuigen konden transporteren, maar dit waren omgebouwde slagschepen. 
In 1935 werd de opdracht gegeven voor het bouwen van vliegdekschepen om de Kriegsmarine te versterken. Het jaar erna werd de kiel gelegd voor twee van deze schepen, namelijk Flugzeugträger A en Flugzeugträger B. Flugzeugträger A zou later Graf Zeppelin heten en Flugzeugträger B Peter Strasser. 
Twee jaar later presenteerde Grossadmiral Erich Raeder een ambitieus scheepsbouwprogramma dat Z-Plan was genoemd. Het plan riep op tot een Kriegsmarine van 10 slagschepen, vier vliegdekschepen, drie slagkruisers, acht zware kruisers, 44 lichte kruisers, 68 torpedobootjagers en 249 U-boten in 1944 dat bedoeld was om tegen de zeemacht van het Verenigd Koninkrijk te kunnen strijden. Het plan werd aangepast door het aantal vliegdekschepen te beperken tot twee. 
Het eerste Duitse vliegdekschip werd naar Graaf v. Zeppelin genoemd en liep van stapel in 1938. Het tweede Duitse vliegdekschip kwam niet verder dan de scheepshelling. 
De bouw van de vliegdekschepen verliep vanaf het begin onregelmatig. De bouw van Peter Strasser werd in 1940 stilgelegd. Toen de “Graf Zeppelin” te water werd gelaten, was zij voor 85% gereed. De afbouw verliep met horten en stoten en was in mei 1941 nog niet opgeleverd, maar Raeder was nog steeds optimistisch over het project en informeerde Hitler dat de Graf Zeppelin binnen een jaar zou zijn voltooid en dat er nog een jaar nodig was voor proefvaarten en vliegtrainingen. 
Hitler beval Göring dat hij vliegtuigen moest leveren voor vliegdekschepen. De luchtmaarschalk leverde aangepaste versies van de Junkers Ju 87 “Stuka” en de Messerschmitt Bf 109. Raeder vond dat hij daar onvoldoende in gekend was. Luchtmaarschalk Hermann Göring op zijn beurt was zwaar gekant tegen elke inmenging in zijn autoriteit als hoofd van de luchtmacht en hij werkte Raeder tegen waar hij maar kon. Binnen de Kriegsmarine ondervond Raeder trouwens ook nog weerstand van de Duitse bevelhebber van de onderzeeboten Admiral Karl Dönitz. 
Göring drong er op aan dat het vliegpersoneel onder het commando van de Luftwaffe zou staan. Ondertussen moest het vliegdek worden aangepast wat weer extra vertraging gaf. Later in 1942 werden Blohm & Voss BV 155 toestellen en de Junkers Ju 87E Stuka's geleverd. 
Raeder stapte in 1943 vrijwillig op en werd opgevolgd door onderzeebootadmiraal Dönitz. De Graf Zeppelin was 95% afgewerkt toen het werk definitief werd stilgelegd en alle bewapening werd verwijderd en overgebracht naar kustbatterijen in Noorwegen. 
Na de Tweede Wereldoorlog moesten "Categorie C" schepen worden vernietigd of afgezonken in diep water voor 15 augustus 1946. Dit besloot de Allied Tripartite Commission. Hieronder viel ook de Graf Zeppelin. Maar de Sovjets besloten om het beschadigde schip te repareren en het werd gelicht in maart 1946. Het schip werd naar Leningrad gesleept. Aangezien de aankomst van zo'n groot en ongewoon schip opgemerkt zou zijn door westerse inlichtingendiensten werd door de Russen het gerucht verspreid dat het schip tussen Świnoujście (Swinemünde) aan de Oostzee en Leningrad verloren was gegaan. Het schip zou ten noorden van Rügen op 15 augustus 1947 op een mijn zijn gelopen. Dit lijkt onmogelijk want Rügen lag niet op de route van Świnoujście naar Leningrad. Het leek meer waarschijnlijk dat het schip op een mijn was gelopen in de Finse Golf die bezaaid lag met mijnen. 
In werkelijkheid was het schip naar Leningrad gesleept en daar omgedoopt in "PO-101". De Russen hoopten dat het schip gerepareerd kon worden op de scheepswerven in Leningrad, wat onmogelijk bleek. Daarna werd het schip weer naar zee gesleept terug naar de Poolse kust als doelschip voor schietoefeningen. Op 16 augustus 1947, even voor de Koude Oorlog begon, werd het schip tot zinken gebracht door behulp van 24 bommen en 2 torpedo's. 
Een schip van de Poolse oliemaatschappij Petrobaltic, ontdekte op 12 juli 2006 een 265 meter lang wrak 55 km ten noorden van Władysławowo. De Poolse bemanningsleden dachten dat het waarschijnlijk de Graf Zeppelin was. Bemanningsleden van het onderzoeksschip ORP Arctowski van de Poolse marine onderzochten op 25 juli 2006 het schip en dat bleek inderdaad de Graf Zeppelin te zijn die 80 meter onder de waterspiegel lag.

Land: Duitsland 
Klasse: Graf Zeppelinklasse (1 schip) 
Waterverplaatsing (toegelaten tonnen): 33.600 
Afmetingen (lengte / breedte / diepgang): 262,8 m / 32,1 m / 7,29 m 
Bewapening (kanons / torpedobuizen): 16× snelvuurkanon 15 cm, 2 × Flak 10,5 cm, 22 × Flak 3,7 cm en 28 × Flak 2,0 cm 
Pantser (gordel / dek / hoofdgeschutstorens): 
Voortstuwingsinstallatie (ketels / machines): 16 / 4 BBC-stoomturbines, 4 schroefassen 
Totale APK: 200.000 
Brandstofvoorraad: 
Prestaties (snelheid / actieradius): 35 knopen / 8.200 zeemijl bij 21 knopen 
Bemanning: 1.780 
Gebouwd door: Deutsche Werke, Kiel 
Opdracht verstrekt: 16 nov. 1935 
Kiel gelegd: 28 dec. 1936 
Tewaterlating: 8 dec. 1938 
In dienst gesteld: nooit 
Einde: 16 aug. 1947 gezonken 
 

Lot na de oorlog
Het lot van het schip na de overgave van Duitsland was decennialang onduidelijk. Volgens de voorwaarden van de Allied Tripartite Commission moest een "Categorie C"-schip (beschadigd of afgezonken) worden vernietigd of afgezonken in diep water voor 15 augustus 1946. In plaats hiervan besloten de Sovjets om het beschadigde schip te repareren. Het werd gelicht in maart 1946. De laatst bekende foto laat het schip zien tijdens vertrek van Świnoujście.op 7 april 1947
Lange tijd ontbrak verdere informatie over het lot van het schip. Het leek erg onwaarschijnlijk dat het schip naar Leningrad was gebracht, aangezien de aankomst van zo'n groot en ongewoon schip wel door westerse inlichtingendiensten zou zijn opgemerkt. Dit zou betekenen dat het schip tussen Świnoujście en Leningrad verloren was gegaan. Eén verklaring was dat het schip op 15 augustus 1947 ten noorden van Rügen op een mijn was gelopen, maar Rügen ligt westelijk van Świnoujście, en bevindt zich niet op de route naar Leningrad. Verder naar het noorden, in de Finse Golf, een gebied bezaaid met mijnen dat moeilijk in de gaten te houden was voor westerse waarnemers, leek meer waarschijnlijk.
Na het openen van de Sovjet archieven werd nieuw licht op het mysterie geworpen. Het bleek dat het schip toch naar Leningrad was gesleept. Daar werd het omgedoopt tot "PO-101". De Russen hoopten dat het schip gerepareerd kon worden op de scheepswerven in Leningrad, nu de werven in Szczecin waren verwoest. Toen dit onmogelijk bleek, werd het schip weer naar zee gesleept, terug naar de Poolse kust. Daar werd het op 16 augustus 1947 als oefendoel gebruikt voor Sovjetschepen en -vliegtuigen. Naar verluidt plaatsten de Sovjets bommen op het vluchtdek, in hangars en zelfs in de schoorstenen (om een lading gevechtsmunitie te simuleren), waarna ze bommen lieten vallen uit vliegtuigen en granaten en torpedo’s afvuurden. Deze aanval zou voldoen aan het Tripartitemandaat (hoewel te laat) en zou de Sovjets ervaring geven in het tot zinken brengen van een vliegdekschip. Tegen deze tijd was de Koude Oorlog begonnen en de Sovjets waren zich zeer bewust van de grote aantallen en de belangrijke rol van vliegdekschepen in de Amerikaanse marine, die in geval van een echte oorlog tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten zeer belangrijke strategische doelen zouden zijn. Vandaar dat ervaring in het tot zinken brengen van een vliegdekschip door vliegtuigen in 1947 belangrijker was dan voor 1945. Na te zijn geraakt door 24 bommen en granaten zonk het schip nog niet en moesten er twee torpedo’s worden gebruikt om het tot zinken te brengen.De exacte positie van het wrak bleef decennia lang onbekend.
Ontdekking in 2006
Op 12 juli 2006 ontdekte een schip dat voor de Poolse oliemaatschappij Petrobaltic werkte, een 265 meter lang wrak vlak bij de haven van Łeba (volgens een bericht van de BBC 55 km noord van Władysławowo) waarvan zij dachten dat het waarschijnlijk de Graf Zeppelin was. Op 26 juli 2006 ging de bemanning van het onderzoeksschip ORP Arctowski van de Poolse marine het wrak in om de identiteit vast te stellen. De dag daarop bevestigde de Poolse marine dat het wrak inderdaad de Graf Zeppelin was. Het wrak ligt 80 meter onder de waterspiegel.


Graf Zeppelin
Vliegdekschip
Graf Zeppelin was een vliegdekschip van de Kriegsmarine, net als het beroemde luchtschip genoemd naar Graf Ferdinand von Zeppelin. Het was Duitslands enige vliegdekschip gedurende de Tweede Wereldoorlog. Wikipedia
Lengte: 262 m
Diepgang: 7,6 m
Kiel gelegd: 28 december 1936
Tewaterlating: 8 december 1938

De Bismarck is een Duits slagschip

De Bismarck was een Duits slagschip dat in 1939 te water werd gelaten en in de Tweede Wereldoorlog werd ingezet. Samen met zijn zusterschip de Tirpitz maakte het slagschip deel uit van admiraal Erich Raeders Z-Plan, de blauwdruk voor de herbouw van de Duitse Kriegsmarine. Het derde zusterschip, de Hindenburg, werd nooit voltooid.De Bismarck was vernoemd naar de vroegere kanselier Otto von Bismarck.
Bouw
Het vredesverdrag van Versailles bepaalde dat Duitsland geen (moderne) slagschepen mocht bezitten en limiteerde de tonnage van nieuwe schepen tot 10 000 long ton. Ondanks deze beperkingen bouwden de Duitsers tot 1935 pantserschepen van de Deutschland-klasse. Door de toepassing van allerlei gewichtsbesparende maatregelen konden deze schepen toch nog 28 cm-kanonnen voeren, waardoor ze Duitsland het prestige gaven van een (klein) slagschip. Conform het Brits-Duitse vlootverdrag van 18 juni 1935 mocht Duitsland enkele slagschepen bouwen. Er werd prompt begonnen met de bouw van de Scharnhorst en de Gneisenau die waren gebaseerd op een sterk vergroot ontwerp van de Deutschland-klasse, en die eveneens waren bewapend met 28 cm-kanonnen. Kort daarna volgde een nieuw ontwerp voor twee grotere slagschepen met 38 cm-kanonnen, de Bismarck en de Tirpitz. Hoewel de limiet conform het Verdrag van Washington[1] was bepaald op 35 000 ton, bleek na de Tweede Wereldoorlog dat die ruim overschreden was. Zo had de Bismarck bijvoorbeeld een deplacement (waterverplaatsing) van meer dan 48 000 ton, en mat zij volgeladen circa 51 000 ton.
Het ontwerp van de Bismarck begon in 1934, op 1 juli 1936 werd bij Blohm + Voss in Hamburg de kiel gelegd en op 14 februari 1939 werd het schip te water gelaten. De eerste commandant Ernst Lindemann ging voor de opwerking naar de Oostzee, waar schip en bemanning tot een goed op elkaar afgestemd geheel werden gevormd. In tegenstelling tot de Britten slaagden de Duitsers er niet in een kanon te ontwikkelen dat zowel tegen lucht- als zeedoelen gebruikt kon worden. De Bismarck voerde daarom een uitgebreide dubbele secundaire bewapening van 15 cm en van 10,5 cm, en had daarvoor dus ook extra bemanning nodig. Het schip was bewapend met acht zware kanonnen van 38 cm en 12 middelzware van 15 cm. Het luchtafweergeschut bestond uit 16 kanonnen van 10,5 cm, 16 mitrailleurs van 3,7 cm en 12 mitrailleurs van 2 cm. Daarnaast beschikte de Bismarck over 4 Arado Ar 196 watervliegtuigen. De snelheid van het (destijds) grootste slagschip ter wereld bedroeg 30 knopen. Met zijn lengte van 250,5 meter en breedte van 36 meter was het iets korter en iets breder dan de Titanic. De bepantsering vertoonde enkele tekortkomingen: diverse vitale leidingen waren niet door het hoofdpantserdek beschermd, waardoor er in de uiteindelijke confrontatie met de Britten al snel geen communicatie meer mogelijk was tussen de brug en de (hoofd)geschuttorens. Mede door een vergaande compartimentering was het een robuust schip. Tijdens het laatste gevecht schakelden de Britse slagschepen en kruisers het schip weliswaar vrij snel uit maar het duurde lang voordat het zonk. Het laag liggende pantserdek en de kimkiel zorgden bovendien voor een goede stabiliteit, waardoor het een goed geschutplatform was. Deze kenmerken en zijn spectaculaire ondergang maken de Bismarck tot een van de bekendste slagschepen uit de geschiedenis.
Inzet
Vanwege de Britse suprematie ter zee besloot de Duitse admiraliteit een directe confrontatie op zee uit de weg te gaan en zich te richten op het tot zinken brengen van geallieerde koopvaardijschepen om zo de bevoorrading van Groot-Brittannië te bemoeilijken. De kleinere slagschepen Scharnhorst en Gneisenau brachten begin 1941 aanzienlijke schade toe aan de Britse koopvaardijvloot en binnen enkele weken werd circa 156 000 ton aan scheepsruimte tot zinken gebracht. De machtige Bismarck zou de aanvoer van oorlogsgoederen naar Groot-Brittannië de nekslag kunnen toebrengen.
Begin mei 1941 waren de Verenigde Staten nog niet betrokken bij de strijd tegen nazi-Duitsland en mede door de aanvallen van Duitse U-boten op Britse, Russische en Canadese konvooien die Groot-Brittannië bevoorraadden waren de Britse grondstoffen om oorlog te blijven voeren ernstig aan het opraken. Het was er de Britse geheime dienst dan ook alles aan gelegen te achterhalen wanneer de grootste Duitse oorlogsbodem zou uitvaren. Spionnen volgden daarom nauwlettend de werkzaamheden op de werf, de oefeningen en de doortocht naar de oceaan.
Op 18 mei 1941 vertrok de Bismarck voor zijn eerste en tevens laatste reis. Hij werd vergezeld door de zware kruiser Prinz Eugen. Het kleine eskader stond onder commando van viceadmiraal Günther Lütjens. De Britse marine ontdekte al snel dat de Bismarck tussen Denemarken en Noorwegen stoomde en drie dagen later zag een vlieger van een geallieerd Spitfire-verkenningsvliegtuig dat de Bismarck aan het bunkeren was in een Noorse fjord nabij Bergen.
Op 23 mei zagen de Britse kruisers HMS Norfolk en Suffolk om 19.20 uur de Bismarck en de Prinz Eugen ten noorden van IJsland in de "Straat Denemarken" opdoemen uit de mist. Ogenblikkelijk opende de Bismarck onder een scherpe hoek het vuur op de HMS Norfolk, maar door de enorme druk van zijn eigen kanonnen raakte zijn voorste radar onbruikbaar. Hierdoor moest de Prinz Eugen voorop gaan varen. Na dit eerste salvo namen de Norfolk en de Suffolk afstand onder een rookgordijn. Admiral Lütjens op de Bismarck wist dat hij was ontdekt en door de twee Britse kruisers werd gevolgd. Meteen gealarmeerd en onderweg naar IJsland waren de Britse slagkruiser HMS Hood en het nieuwe slagschip HMS Prince of Wales, die in de ochtend van 24 mei het gevecht aangingen met de twee Duitse schepen
Het verlies van de HMS Hood
De in 1918 te water gelaten slagkruiser Hood, had een waterverplaatsing van 48.360 long ton en was de trots van de Britse marine. Het schip was eigenlijk verouderd, maar door zijn diplomatieke missies als vlaggenschip was er steeds geen gelegenheid geweest het schip te moderniseren, vooral op het gebied van horizontale pantsering. Dit zogeheten type slagkruisers waren gebouwd met het doel een hoge snelheid te behalen en toch grote kanonnen te kunnen dragen. Hiertoe moesten deze schepen inleveren op dekpantsering. Admiraal Lancelot Holland op de Hood was zich hiervan bewust en wilde daarom de afstand tot de Bismarck zo snel mogelijk verkleinen om granaten, die over lange afstand onder een veel steilere hoek zouden inslaan, te ontwijken. Echter, door recht op de Bismarck af te varen, konden tijdens de aanval slechts de voorste geschuttorens op de Hood worden ingezet.
Op 24 mei werd om 05.50 uur door de Hood en Prince of Wales vanaf een afstand van circa 28 kilometer het vuur op de Duitsers geopend. Aanvankelijk vergisten de Britse kanonniers zich en zagen ze de Prinz Eugen aan voor de Bismarck. De goed getrainde kanonniers van de Bismarck slaagden er echter vrij snel in dekkend te vuren op de Hood. Het bleek een ongelijke strijd tegen de moderne en beter horizontaal bepantserde Bismarck. De Hood werd uiteindelijk fataal getroffen door het vijfde salvo van de Bismarck. Een granaat raakte vermoedelijk het munitiemagazijn onder toren X en er ontstond een steekvlam op het achterdek, gevolgd door een enorme explosie. Het schip brak in tweeën en zonk snel. Slechts drie van de 1418 opvarenden overleefden het drama.
De Prince of Wales was genoodzaakt zijn koers te wijzigen om het zinkende wrak van de Hood te ontwijken en moest tijdelijk vast vuren. Door deze ontwijkende manoeuvre verkleinde echter de afstand tussen de Britten en de Duitsers en hierdoor kwam het Britse schip al gauw onder geconcentreerd vuur van beide Duitse schepen te liggen.
De Prince of Wales werd vier keer door de Bismarck geraakt en drie keer door de Prinz Eugen. Een van deze treffers raakte de brug waar met uitzondering van kapitein John Leach en een officier iedereen werd gedood. Het Britse slagschip had bovendien al vanaf het begin van het gevecht te kampen met mechanische problemen. Het was uitgevaren met werfarbeiders aan boord en al na het eerste salvo haperden enkele kanonnen. Desondanks wist de Prince of Wales drie treffers op de Bismarck te plaatsen waarbij een brandstofbunker werd geraakt. Toen nagenoeg al het hoofdgeschut uitgeschakeld was moest het schip echter de strijd staken. De Prince of Wales kon ontkomen door het leggen van een rookgordijn. Admiraal Lütjens besloot het duel met de Prince of Wales af te breken om zijn strategische missie niet in gevaar te brengen (deze beslissing werd later bekritiseerd omdat Lütjens op die manier een unieke kans liet liggen om met de torpedo's van de Prinz Eugen een modern slagschip tot zinken te brengen). De rol van de Prince of Wales bleek nog niet te zijn uitgespeeld want hij kon met de onbeschadigde moderne langeafstandradar de Bismarck blijven schaduwen en diens positie doorgeven aan de Britse Admiraliteit. Het dramatische nieuws over de ondergang van de Hood veroorzaakte een schok in Groot-Brittannië. De Britten hadden alles verwacht, maar de vernietiging van de Hood, hun machtigste en grootste slagkruiser, het symbool van de Britse suprematie over de wereldzeeën, waarvan zelfs het uitspreken van de naam de Duitsers angst inboezemde, werd niet voor mogelijk gehouden. Veel Britse marineofficieren hadden op het schip gediend en veel bemanningsleden waren familie van vooraanstaande Britse marineofficieren.
Kort na het verlies van de Hood werd een onderzoekscommissie ingesteld die verschillende theorieën opperde in een poging de ondergang van de Hood te verklaren. De nationale schok, alsmede het gevaar dat de geduchte Bismarck de aanvoer van oorlogsmiddelen zou afsnijden, was voor Churchill reden het beroemde bevel te geven "Sink the Bismarck!".

Het einde van de Bismarck
De Bismarck zette voor reparaties koers richting het bezette Frankrijk. Door de drie treffers van de Prince Of Wales was er 2000 ton water in het voorschip terechtgekomen. De tweede treffer had ook averij onder de waterlijn veroorzaakt, waardoor de boeg dieper lag dan normaal en het schip aan bakboord licht slagzij maakte. Het binnendringende water had bovendien de brandstofvoorraad aangetast waardoor de Bismarck vaart moest minderen tot twintig knopen om olie te besparen. Achteraf verweet Hitler Lütjens dat hij de Prince of Wales niet tot zinken had gebracht. Volgens veel kenners zou dit wel mogelijk zijn geweest omdat de Prince of Wales nog slechts drie kanonnen kon gebruiken en de Norfolk en de Suffolk zich volkomen afzijdig hielden. De Bismarck en de Prinz Eugen hadden de Prince of Wales inderdaad kunnen bedelven onder een dodelijke regen van granaten maar dan zou de Bismarck het grootste deel van de pantserdoorborende granaten hebben verschoten, waardoor een veilige terugkeer naar Noorwegen of Frankrijk uitgesloten zou zijn. Het slagschip werd namelijk voortdurend geschaduwd en het was daarom vrijwel zeker dat de Bismarck zich een weg naar huis zou moeten vechten en daarvoor nog elke granaat nodig zou hebben.
De Britten waren vastbesloten de ondergang van de Hood te vergelden. De Bismarck werd met behulp van radar geschaduwd en niet alleen door die van de Norfolk, de Suffolk en de Prince of Wales; steeds meer schepen volgden de Bismarck. De volgende Britse troef was dan ook het vliegkampschip Victorious dat was uitgerust met oude maar zeer doeltreffende Fairey Swordfish-torpedovliegtuigen. Het Duitse zware luchtdoelgeschut (vier dubbelloops geschuttorens) bleek de aanval niet te kunnen afslaan. De achterste richttoestellen waren nog niet voorzien van gyrostabilisatie en de voorste richttoestellen en vizieren waren niet afgesteld op de langzaam vliegende Swordfish-vliegtuigen. Deze vliegtuigen waren ook nog eens slecht zichtbaar tegen de donkere avondhemel en door de grote afstand waarop ze kwamen aanvliegen. De Britten wisten echter slechts een enkele treffer op de zware pantsergordel te plaatsen. Afgezien van de dood van een Duitse matroos werd er bitter weinig averij berokkend. De Bismarck wist de Norfolk met de nodige salvo's op afstand te houden, zodat de Prinz Eugen in zuidwestelijke richting van de Bismarck kon wegvaren. Na een slimme koerswijziging verdween de Bismarck geheel van de radar en terwijl de Norfolk, de Suffolk en de Prince of Wales driftig in zuidelijke richting bleven zoeken was Lütjens al in een grote boog achter hen langs gevaren om zo naar Frankrijk te ontsnappen.
Twee dagen lang werd tevergeefs naar het schip gezocht maar toen maakte Lütjens de fatale fout om radioberichten naar huis te sturen waardoor zijn locatie kon worden gepeild. Het schip was toen al een eind gevorderd in de richting van Brest. Verschillende luisterposten in Engeland gaven de coördinaten van het schip door aan de Britse schepen. De Britten interpreteerden de peilingen echter totaal verkeerd en de Britse slagvloot onder commando van admiraal Tovey stoomde op naar het noordoosten in plaats van het zuidoosten in de veronderstelling dat de Bismarck via de Faeröer-eilanden terug naar Duitsland zou varen. De Britse brandstofvoorraden waren inmiddels dusdanig geslonken dat sommige schepen zich niet in de strijd hadden kunnen mengen of na korte tijd de aanval hadden moeten staken. De kans was dan ook groot dat de langzaamvarende Bismarck alsnog aan de wraakzuchtige Britten zou ontsnappen.
Op de ochtend van 26 mei ontdekte een Catalina-verkenningsvliegtuig de Bismarck. Lütjens had juist die dag het bevel gegeven om de canvaszeilen te verwijderen van de swastika's op het dek en van de zes middelzware geschuttorens. De Bismarck was nu weer binnen het bereik van de Luftwaffe en zo kon het schip vanuit de lucht als Duits worden herkend.
Het vliegkampschip Ark Royal, dat vanuit Gibraltar op topsnelheid naar het noorden stoomde, was het enige schip van de Royal Navy dat nog iets tegen de Bismarck kon uitrichten. De Swordfish-vliegtuigen van de Ark Royal vielen per ongeluk de Sheffield aan, maar de gebruikte torpedo's hadden gelukkig verkeerde ontstekers en de treffers explodeerden niet. Bovendien ontdekten de Britten nu dat de nieuwe en experimentele magnetische ladingen niet goed werkten. Als ze deze gebrekkige ladingen tegen de Bismarck hadden ingezet dan had Lütjens hoogstwaarschijnlijk de veilige marinebasis van St-Nazaire (Frankrijk) kunnen bereiken. In dat geval had hij misschien met de Scharnhorst en de Gneisenau een vrijwel onoverwinnelijke vloot gevormd om zo de bevoorrading van Groot-Brittannië ernstig te bemoeilijken. De Swordfish-vliegtuigen konden vanwege het slechte weer pas tegen de avond van 26 mei hun aanval op de Bismarck inzetten. De Duitse luchtafweer moest het weer afleggen tegen de langzaam vliegende Swordfish vliegtuigen. Een treffer tegen de pantsergordel boekte wederom geen resultaat maar een enkele torpedo - nu met de goede ontsteker - raakte het roer waardoor de Bismarck onbestuurbaar werd en alleen nog met een vaart van 14 knopen in een grote boog kon blijven varen. De zware 45,7 cm-torpedo's van de Swordfish-vliegtuigen hadden de Bismarck overal mogen raken, behalve bij het roer.
Met alleen zijn schroeven kon de Bismarck niet manoeuvreren en dit zou verregaande gevolgen hebben. Aan boord van het slagschip werd overwogen om het vastgeklemde roer uit de romp te blazen, maar de zware zee en storm- en wateraverij aan het roercompartiment maakten dit onmogelijk. Misschien was ook het tweede roer door de treffer beschadigd. Later werd tijdens onderwaterexpedities ontdekt dat het stuurboordroer dusdanig dwars stond dat ook de middelste schroefas volledig geblokkeerd was, maar of dit door de torpedotreffer kwam of door het neerkomen van het wrak op de zeebodem blijft onduidelijk. Ooggetuigen die de schroeven van de Bismarck zagen ronddraaien voordat het schip zonk, verklaarden geen enkele averij aan de roeren of de schroeven te hebben gezien. Door averij aan de katapultinstallatie konden de Arado-vliegtuigen niet worden gekatapulteerd om het scheepsjournaal in veiligheid te brengen. Om überhaupt nog te kunnen manoeuvreren werd de boeg van het schip in de wind gelegd: op een koers naar het noordwesten, recht op de Britten af.
's Nachts werd de Bismarck onder torpedovuur genomen door de Cossack, de Maori, de Piorun (Pools), de Sikh en de Zulu. De bemanning van de Bismarck werd hierdoor wakker gehouden om haar zo veel mogelijk uit te putten voor de definitieve slag. Ondanks de slingerende koers van de Bismarck wist ze de torpedobootjagers op afstand te houden en de torpedo's te ontwijken. Vanwege de beperkte mogelijkheden om van koers te veranderen was dit geen geringe prestatie. Door een navigatiefout kwam de Norfolk vlak bij de Bismarck. De Bismarck had de Norfolk nu kunnen uitschakelen, maar deed dit niet om granaten voor de verwachte eindstrijd te sparen.
In de vroege ochtend van 27 mei 1941 volgde de eindslag met de slagschepen King George V en HMS Rodney en de kruisers Norfolk en Dorsetshire. Zij wisten de Bismarck uit het westen te naderen waardoor de Bismarck scherp tegen de horizon afstak. De Britten openden om 08.47 uur vanaf een afstand van 22 kilometer het vuur, maar de Bismarck schoot pas om 8.49 uur terug. Statistisch gezien hadden de Britten de grootste kans de langzaam varende (8-10 knopen) en traag schietende Bismarck het eerst te raken. Admiraal Tovey was zich daar terdege van bewust maar hij kon natuurlijk niet uitsluiten dat de goed getrainde bemanning van de Bismarck als eerste zou toeslaan.
De Bismarck nam de Rodney onder vuur maar door het Britse overwicht werd het Duitse slagschip fataal getroffen: een 20,3 cm-granaat schakelde de voorste centrale vuurleidingspost uit en een zware 40,6 cm-granaat trof de bovenste rand van de barbette van toren Bruno die vervolgens vastliep. Mogelijk trof tegelijkertijd een tweede granaat toren Anton want die toren zou pas veel later nog slechts één salvo afvuren. De vuurkracht van de Bismarck was gehalveerd en door de uitschakeling van het richttoestel en als gevolg van de slingerende koers waren de kansen voor de Bismarck nu vrijwel verkeken. Vlak hierna sloegen zware granaten in bij de commandocentrale en op de brug, waardoor de meeste hogere officieren en Adalbert Schneider, de artillerieofficier, sneuvelden. Ook de admiraalsbrug iets hoger in de gevechtsmast werd zwaar getroffen. Men gaat ervan uit dat hier ook kapitein Ernst Lindemann en viceadmiraal Gunther Lütjens sneuvelden, maar er waren ooggetuigen onder de overlevenden die beweren Lindemann nog te hebben gezien bij de boeg vlak voordat het schip kapseisde en zonk.
De Britten verkleinden snel de afstand tot de Bismarck en daarna volgden de treffers op de Bismarck elkaar in hoog tempo op: bijna iedere seconde werd het schip getroffen. De tweede artillerieofficier, Von Müllenheim-Rechberg, slaagde er met behulp van het achterste richttoestel in nog te vuren met de beide achterste hoofdgeschuttorens. Ondanks de geringe snelheid van 3 knopen was het vuur op de King George V toch nog dekkend. Toen het achterste richttoestel ook getroffen werd nam de nauwkeurigheid echter snel af. Toen om 09.31 uur de hoofdgeschuttorens Cesar en Dora waren uitgeschakeld, was de Bismarck lamgeslagen. Ook de 15 cm-torens en de acht dubbelloops luchtafweerkanonnen waren toen door enkele 15,2 cm- of 20,3 cm-granaten tot zwijgen gebracht. De Bismarck was nu volkomen weerloos, maar het zou voor de Britten niet gemakkelijk zijn hem tot zinken te brengen. De Bismarck moest nog langdurig onder vuur worden gehouden waardoor veel bemanningsleden nodeloos zouden sneuvelen. De trefzekerheid werd ook sterk beïnvloed door de straffe wind en de hoge golven. Het schip voer in bochten en stampte en slingerde. Wellicht had de Bismarck aan het begin van de strijd een lagere snelheid kunnen aanhouden om zo het zware geschut beter te kunnen gebruiken. De Britten hadden overigens ook last van het slechte weer: ongeveer 60% van hun afgevuurde granaten miste het doel.
James Cameron inspecteerde tijdens zijn expeditie de romp en kwam tot de conclusie dat 40 granaten de pantsergordel hadden doorboord, waarvan 38 de bovenste en 2 de zware hoofdpantsergordel. De ongepantserde scheepshuid van het voor- en achterschip was op meerdere plaatsen doorboord. Om de vele branden te blussen, vooral die bij munitiemagazijnen, werd veel water in het schip gepompt en daardoor zonk de Bismarck dieper in de golven weg. Een half uur lang werd de Bismarck meedogenloos bestookt en er vielen veel slachtoffers; de meeste hadden bescherming gezocht in het "veilige" binnenste van het schip, de ruimtes achter het citadelpantser en onder het pantserdek. De Britten hadden de afstand tot een paar kilometer verkleind en vuurden de ene na de andere granaat point blank af op de bovenbouw en de romp. De hoofdpantsergordel werd op een of twee plaatsen doorboord, waardoor veel slachtoffers vielen. Een zware 40,6 cm-granaat van de Rodney trof rond 10.00 uur de cafetaria benedendeks ter hoogte van de brug en doodde honderden bemanningsleden. Lütjens had vlak voor zijn dood bevel gegeven het schip tot zinken te brengen en de waterdichte deuren te openen. Overal op de bovenbouw braken branden uit en op het dek lagen de zwaar verminkte en verbrande gewonden op het einde te wachten, te midden van afgerukte ledematen, lijken en een enorme ravage. Even na 10.00 uur stopte de beschieting en kreeg de Dorsetshire bevel de Bismarck met torpedo's tot zinken te brengen. Iets na 10.30 uur raakte de Dorsetshire het schip met drie torpedo's toen het al langzaam kapseisde. Een van de torpedo's sloeg een groot gat in het bovendek ter hoogte van de katapult aan bakboordzijde. Uit het stervende schip wisten de overgebleven bemanningsleden naar het bovendek te klimmen. Sommige gewonden werden naar boven gedragen en circa 800 tot 1000 man verlieten nu het schip. De Rodney en King George V hadden hun voorraad van 719 zware granaten op de Bismarck verschoten. De Rodney had zelfs inwendige averij opgelopen door de terugslag van het eigen geschutvuur. De Bismarck werd geraakt door ongeveer 700 van de 2800 afgevuurde granaten, waarvan 170 van de Rodney en King George V en in totaal zes tot zeven torpedo's. Zoals reeds gezegd troffen de zware granaten de grote geschuttorens; enkele raakten het dek en er waren veel inslagen in de bovenbouw en de commandobrug. Sommige granaten drongen via de bovenbouw door in het binnenste van het schip maar slechts enkele raakten het gordelpantser.
Meer dan 800 opvarenden wisten het brandende schip te verlaten en sprongen met hun reddingsvesten in zee. Rond 10.40 uur op de ochtend van 27 mei 1941 kapseisde de Bismarck en zonk. Terwijl de Britse schepen de Duitse drenkelingen uit het water visten bereikte de Britten het gerucht dat er Duitse onderzeeërs waren waargenomen. Daarom werd de reddingsoperatie gestaakt en slechts 118 van de meer dan 800 drenkelingen werden uit het ijskoude water gered. 2091 Duitse bemanningsleden vonden de dood.
Burkard Baron von Müllenheim-Rechberg, de hoogst overlevende officier van de Bismarck, heeft altijd ontkend dat er Duitse onderzeeboten in de buurt waren. Opvallend detail in deze discussie is dat de Bismarck om 07.10 uur een laatste radiobericht uitzond naar Groep West met de mededeling Zend een U-boot om het oorlogsjournaal veilig te stellen!. Vermoedelijk werd dit bericht door de Britten onderschept en werd daarom de redding van drenkelingen gestaakt. Een opmerkelijke gebeurtenis was de begrafenis van een Duitse zeeman. Hij kreeg een zeemansgraf op de Dorsetshire. Terwijl het lijk aan de golven werd toevertrouwd, speelde een Duitse matroos 'Ich hatt' einen Kameraden'. Diverse Britse matrozen stonden er naar verluidt bij met tranen in hun ogen, wat nog eens de broederschap onder zeelieden benadrukt.
Ontdekking van het wrak
Het wrak van de Bismarck werd op 8 juni 1989 gevonden door de Amerikaanse diepzeeonderzoeker dr. Robert Ballard. Deze had in 1985 ook al de Titanic gevonden. De Bismarck ligt op een diepte van ongeveer 4700 meter, zo'n 650 kilometer ten westen van Brest op de rand van een onderzeese vulkaan.
Uit onderzoek blijkt dat de romp, het dek en de bovenbouw op veel plekken waren beschadigd door een groot aantal granaat- en torpedo-inslagen. In de scheepshuid zaten enorme gaten die alleen door torpedo-inslagen veroorzaakt kunnen zijn. De brug en de hoofdbewapening in de grote geschuttorens waren verdwenen. Het hoofdpantserdek had echter relatief weinig averij opgelopen. De bovenbouw en zware geschuttorens zijn tijdens het kapseizen van de romp losgeraakt en naar de oceaanbodem gezonken. Ze werden niet ver van de romp in de zandbedding aangetroffen.
Toen de Bismarck op de zeebodem belandde is hij van de oude vulkaanhelling afgegleden en heeft daarbij een diepe geul van een kilometer lengte in de bodem achtergelaten. Het schip ligt rechtstandig half in de bodem begraven.
Over het zinken van de Bismarck bestonden verschillende theorieën: de Duitsers beweerden dat zij het schip zelf tot zinken brachten met explosieven en door het opendraaien van de afsluiters. De Britten beweerden daarentegen dat de Bismarck door de Britse schepen tot zinken werd gebracht.
De bestudering van het wrak door Ballard toont aan dat de Duitsers gelijk hadden. Volgens zijn onderzoek had de Bismarck nog ruim een dag kunnen blijven drijven met de opgelopen averij. Dit wordt onderschreven door de geschiedkundige Ludovic Kennedy. Als het schip niet vol was gelopen door het openzetten van de afsluiters dan hadden er implosies plaatsgevonden en had het schip de afdaling nooit overleefd. Uiteindelijk zonk het schip en is het onder water gekapseisd. Hierdoor verloor het schip de brug en de zware hoofdbewapening. Tijdens zijn reis naar de bodem kantelde het schip weer zodat het verder rechtstandig met de kiel omlaag zonk. De theorie dat het schip door Britse torpedo's tot zinken was gebracht werd daarmee volkomen ontkracht.
James Cameron heeft tijdens een expeditie voor National Geographic Channel, voor de eerste keer met op afstand bestuurde mini-onderzeeboten het schip van binnen bestudeerd. Zijn conclusie was dat Ballard gelijk had. De torpedo's hadden het schip wel geraakt maar ze hadden de bepantsering niet doorboord en nauwelijks lekkages veroorzaakt. "Het pantser heeft geholpen" aldus Cameron. Het schip had volgens Cameron nog enkele dagen kunnen blijven drijven.

De HSK Kormoran Duitse hulpkruiser

De Kormoran was een Duitse hulpkruiser van de Kriegsmarine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij is vooral bekend geworden door de zeeslag met de Australische lichte kruiser Sydney, die ten onder ging met alle 645 bemanningsleden. Daarbij werd echter de Kormoran ook tot zinken gebracht.
Op 16 maart 2008 bracht de Australische minister-president naar buiten dat het wrak van de Kormoran gevonden was op 150 kilometer ten westen van het West-Australische Shark Bay.
Geschiedenis
De Kormoran is op 15 september 1938 bij de Germaniawerft in Kiel als vrachtschip Steiermark van de HAPAG, de Hamburg-America lijn. Op 9 oktober 1940 kwam hij in dienst van de Kriegsmarine en werd verbouwd tot hulpkruiser. Het schip werd hernoemd in Kormoran, wat aalscholver betekent. Het schip kwam onder bevel van kapitein Theodor Detmers.
Hulpkruisers zijn schepen met het uiterlijk van een koopvaardijschip met bewapening, ze worden ook wel raider genoemd. Door het uiterlijk kunnen ze makkelijk bij andere schepen in de buurt komen. De bewapening is normaal gesproken verborgen zodat het verrassingseffect des te groter is. Vaak wapperde in de mast een vlag van een neutraal land om geen argwaan te wekken.
Raids
De Kormoran was het eerste schip van de tweede golf van vermomde hulpkruisers van de Kriegsmarine. In een 352 dagen durende cruise, van 3 december 1940 tot 19 november 1941, bracht de Kormoran tien koopvaardijschepen tot zinken met in totaal een tonnage van 56 965.
Op 3 december 1940 vertrok het schip onder het commando van Theodor Detmers via de Straat van Denemarken naar de Atlantische Oceaan. In vier maanden tijd bracht het zeven geallieerde schepen tot zinken; daarnaast werd er een als oorlogsbuit naar bezet Frankrijk gestuurd.
De Kormoran vertrok naar de Indische Oceaan, waar drie schepen werden gekaapt, tussen april en november 1941. In november 1941 voer de Kormoran rond de westkust van Australië, op weg naar een nieuw toegewezen gebied in de Zuidelijke Grote Oceaan.
Strijd met de Sydney
Zijn carrière kwam echter tot een eind toen hij op 19 november 1941 in de slag met de HMAS Sydney zelf ook tot zinken werd gebracht. De Kormoran en de lichte kruiser HMAS Sydney kwamen in contact met elkaar in de Indische Oceaan tussen Carnarvon en Geraldton in West-Australië. De Duitse raider was vermomd als het Nederlandse vrachtschip Straat Malakka. De bedoeling was om het marineschip te passeren maar de HMAS Sydney kwam dichterbij voor een inspectie.
Reddingsboot van de Kormoran op het strand van Carnarvon, West-Australië. Op het bord staat dat 52 Duitsers overleefden in deze reddingsboot, dit klopt echter niet.
Volgens de overlevenden van de Kormoran verwachtte het Australische oorlogsschip geen zeeslag en was er ook niet op voorbereid. Haar kanons waren niet gericht op de Kormoran. Verrast door het vuur van het Duitse schip werd de Sydney zo'n 50 keer geraakt door de zware granaten voordat het vuur kon worden beantwoord. In totaal werd de Sydney zo'n 150 keer geraakt, onder meer door een torpedo. Beide zwaar beschadigde schepen dreven uit elkaar en het laatste wat van de Sydney en haar 645 bemanningsleden is gezien, zijn vlammen en een explosie aan de horizon. Het is de enige overwinning van een hulpkruiser op een oorlogsschip.
De Kormoran werd beschadigd door de Sydney, en door een treffer ontstond een brand die niet onder controle te krijgen was. Met 20 man dood en een vuur dat steeds dichter in de buurt van het mijnendek kwam, werd besloten het schip te verlaten. Er werden exposieve ladingen geplaatst om het schip te laten zinken. De overlevenden gingen in de reddingboten waarbij nog 40 overleden toen een reddingsboot kapseisde in de zware zee. Kort daarna ontploften de explosieve ladingen en 25 minuten later de zeemijnen. Toen verdween het schip in de golven. Kapitein Detmer en 320 mannen (plus 3 Chinese krijgsgevangenen) werden gered door vijf schepen en twee reddingboten; ze kwamen aan land op 25 km van Carnarvon. Alle overlevenden brachten de rest van de oorlog door in een krijgsgevangenenkamp in Australië, tot hun vrijlating in januari 1947.
Omdat het verhaal rond de Sydney tot veel speculaties en verhalen leidde, werd een stichting opgericht, HMAS Sydney Search Pty Ltd, met als doel het lokaliseren van beide wrakken.
Ontdekking
Het wrak van de Kormoran werd ontdekt door de Finding Sydney Foundation op 12 maart 2008 op ongeveer 26° 05' 49.4" S 111° 04' 27.5" E, op een diepte van 2650 meter.[1] Het wrak van de HMAS Sydney werd op 12 zeemijl (22 kilometer) afstand van de Kormoran ontdekt.[1]
De formele aankondiging is gedaan door minister-president Kevin Rudd.
Overvallen schepen
6 januari 1941 - Antonis, 3729 BRT
18 januari 1941 - British Union, 6987 BRT
29 januari 1941 - Africa Star, 11 900 BRT
29 januari 1941 - Eurylochus, 5723 BRT
22 maart 1941 - Agnita, 3552 BRT
25 maart 1941 - Canadolite, 11 309 BRT (naar Frankrijk als oorlogsbuit)
9 april 1941 - Craftsman, .022 BRT
12 april 1941 - Nicolas D.L., 5486 BRT
26 juni 1941 - Velebit, 4153 BRT
26 juni 1941 - Mareeba, 3472 BRT
26 september 1941 - Stamatios G Embiricos, 3941 BRT
19 november 1941 - lichte kruiser HMAS Sydney

 

 

 

Werf Germaniawerft, Kiel
Tewaterlating 15 september 1938
Gedoopt als vrachtschip Steiermark (1938-1940)
In dienst 9 oktober 1940
Omgedoopt Kormoran (1940-1941)
Opnieuw geclassificeerd 1940 hulpkruiser
Status Gezonken 19 november 1941
Algemene kenmerken
Lengte 164 m
Breedte 20,2 m
Diepgang 8,5 m
Deplacement 19,900 ton (8,736 GRT)
Voortstuwing en vermogen 2 takt diesel-elektrische aandrijving
14 400 pk elektromotoren
Vaart 19 knopen (35 km/h)
Bemanning 397
Bewapening 6 x 15 cm
2 x 37 mm antitank
5 x 20 mm luchtafweer
2 dubbele 533 mm torpedobuizen boven de waterlijn
2 enkele 533 mm torpedobuizen onder de waterlijn
Vliegtuigen en faciliteiten 2 Arado 196 watervliegtuigen

 

 

 

 

Reddingsboot van de Kormoran op het strand van Carnarvon, West-Australië. Op het bord staat dat 52 Duitsers overleefden in deze reddingsboot, dit klopt echter niet.

De SMS Sleeswijk-Holstein(slagschepen)

SMS Sleeswijk-Holstein uitgesproken [ʃleːsvɪç hɔlʃtaɪ̯n] ( luister)) was de laatste van de vijf Deutschland -klasse slagschepen gebouwd door de Duitse Kaiserliche Marine. Het schip, genoemd naar de provincie Sleeswijk-Holstein, werd vastgelegd in de Germaniawerft werf in Kiel in augustus 1905 in de vloot van bijna drie jaar later en in opdracht. De schepen van haar klasse waren al verouderd op het moment dat ze in dienst, die inferieur in grootte, pantser, vuurkracht en snelheid om de nieuwe generatie van de dreadnought slagschepen. 

Sleeswijk-Holstein vochten in beide wereldoorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, zag ze front-line service in het II Battle Squadron van de High Seas Vloot, culminerend in de Slag bij Jutland op 31 mei - 1 juni 1916. Sleeswijk-Holstein zagen actie tijdens de opdracht, en werd geraakt door een groot kaliber shell. Na de slag, werd Sleeswijk-Holstein verbannen naar de plicht in de mond van het bewaken Elbe alvorens te worden ontmanteld in het najaar van 1917. Als één van de weinige slagschepen toegestaan ​​voor Duitsland door de voorwaarden van het Verdrag van Versailles, werd Sleeswijk-Holstein opnieuw ingedrukt in dienst vloot in de jaren 1920. In 1935 werd het oude slagschip omgebouwd tot een opleidingsschip voor marine cadetten. 

Sleeswijk-Holstein vuurde de eerste schoten van de Tweede Wereldoorlog, toen ze gebombardeerd de Poolse basis in Danzig 's Westerplatte in de vroege ochtenduren van 1 september 1939. Het schip werd gebruikt als opleidingsschip voor de meerderheid van de oorlog, en werd tot zinken gebracht door Britse bommenwerpers in Gotenhafen in december 1944. Sleeswijk-Holstein vervolgens werd geborgen en daarna strandde voor gebruik door de Russische marine als een doelwit. Met ingang van 1990, klok van het schip was te zien in de Bundeswehr Military History Museum in Dresden. 

Bouw

Sleeswijk-Holstein werd neer op 18 augustus 1905 gelegd bij de Germaniawerft werf in Kiel.Zij werd gelanceerd op 17 december 1906, de laatste pre-dreadnought slagschip van de Duitse marine.De Britse slagschip HMS Dreadnought -Armed met tien 12-inch (30,5 cm) guns-al de opdracht gekregen eerder die maand,met een revolutionair ontwerp dat elk slagschip van de Duitse marine verouderde, met inbegrip van Sleeswijk-Holstein teruggegeven.In Sleeswijk-Holstein " s lancering ceremonie werd ze gedoopt door Augusta Victoria van Sleeswijk-Holstein, de Duitse keizerin, Wilhelm II. was ook aanwezig Ernst Gunther, de hertog van Sleeswijk-Holstein, gaf de ingebruikname toespraak.

Schleswig-Holstein had een lengte van 127,60 m (418 ft 8 in), een breedte van 22,20 m (72 ft 10 in), en een diepgang van 8,21 m (26 ft 11 in). Ze verplaatste 13.200 ton (13.000 lange ton) normaal en tot 14.218 ton (13.993 lange ton) bij de bestrijding van het laden. Ze was uitgerust met drie triple motoren uitbreiding en twaalf kolengestookte waterpijpketels dat een nominale 16.767 geproduceerd aangegeven pk (12.503 kW) en een topsnelheid van 19,1 knopen (35,4 km / h; 22,0 mph). Naast het feit dat het snelste schip van haar klasse, Sleeswijk-Holstein was de tweede meest zuinig. Bij een kruissnelheid van 10 knopen (19 km / h; 12 mph), kon ze stomen voor 5720 nautische mijlen (10.590 km, 6580 mi).Zij had een standaard bemanning van 35 officieren en 708 manschappen.

Primaire bewapening van het schip bestond uit vier 28 cm SK L / 40 kanonnen in twee aparte torentjes;een torentje werd naar voren geplaatst en de andere naar achteren. Ze werd ook uitgerust met veertien 17 cm (6,7 inch) SK L / 40 kanonnen gemonteerd in kazematten en twintig 8,8 cm (3,5 inch) SK L / 35 geweren in pivot mounts. Het schip werd ook bewapend met zes 45 cm (18 inch) torpedobuizen, alle onder de waterlijn. Een daarvan was in de boeg, een in de achtersteven, en vier op de volle laag. Haar gepantserde band was 240 mm (9,4 inch) dik midscheeps, en ze had een 40 mm (1,6 inch) dikke gepantserde dek. De belangrijkste batterij torentjes had 280 mm (11 inch) dikke kanten.

Service history 

Na voltooiing werd Sleeswijk-Holstein in opdracht voor proefvaarten op 6 juli 1908. Haar bemanning grotendeels kwam uit haar zusterschip Schlesien. Op 21 september werd het schip toegewezen aan het II Battle Squadron van de High Seas Vloot, naast haar zusterschepen.In november, de vloot en de eenheid oefeningen werden uitgevoerd in de Baltische Zee.De training regime waarin Schleswig Holstein deelgenomen volgde een vergelijkbaar patroon in de komende vijf jaar. Vloot manoeuvres werden uitgevoerd in het voorjaar, gevolgd door een zomer cruise naar Noorwegen, en aanvullende training vloot in de herfst. Dit omvatte een cruise in de Atlantische Oceaan, van 7 juli - 1 augustus 1909.Vanaf september 1910 Friedrich Bödicker nam het commando van het schip, een positie die hij hield voor de komende drie jaar.Op 3 oktober 1911 het schip werd overgebracht naar het II Squadron. Vanwege de Agadir Crisis in juli, de zomer cruise gingen alleen in de Oostzee.In 1913 won ze de Kaiser Schiesspreis (Artillerie Award).Op 14 juli 1914, de jaarlijkse zomer cruise naar Noorwegen begon, maar de dreiging van een oorlog in Europa sneed de excursie kort; binnen twee weken Sleeswijk-Holstein en de rest van het II Squadron was teruggekeerd naar Wilhelmshaven. 

World War I 

Bij het ​​uitbreken van de oorlog in juli 1914, werd Sleeswijk-Holstein toegewezen aan plicht te waken in de monding van de rivier de Elbe, terwijl de rest van de vloot gemobiliseerd.Eind oktober, zij en haar zussen werden naar Kiel om verbeteringen hebben gemaakt om hun onderwater bescherming systeem om ze beter bestand zijn tegen torpedo's en mijnen te maken,waarna de Battle Squadron II weer bij de vloot. Het squadron overdekte admiraal Franz von Hipper 's kruisers van de I Scouting Groep, terwijl ze gebombardeerd Scarborough, Hartlepool, en Whitby op 15-16 december 1914 Tijdens de operatie, de Duitse slag vloot van circa 12 dreadnoughts en 8 pre -dreadnoughts kwam binnen 10 NMI (19 km, 12 mijl) van een geïsoleerde squadron van zes Britse slagschepen. Echter, schermutselingen tussen de rivaliserende vernietiger schermen overtuigde de Duitse commandant, Admiral Friedrich von Ingenohl, dat hij werd geconfronteerd met de hele Grand Fleet, en dus brak hij de verloving en draaide de vloot naar huis.n april 1916, de schip had twee van haar 8,8 cm kanonnen verwijderd en vervangen door 8,8 cm Flak geschut. 

Sleeswijk-Holstein vervolgens deelgenomen aan een vloot van tevoren aan de Doggersbank op 21-22 april 1915. Op 11-12 september, de II Reconnaissance Group voerde een van mijnen werking van de Swarte Bank met het II Squadron ondersteuning. Dit werd gevolgd door een andere vegen van de vloot op 23-24 oktober, dat eindigde zonder resultaat. De dreadnoughts II en III Battle Squadron voerde een voorschot in de Noordzee op 05-07 maart 1916 Sleeswijk-Holstein en de rest van de Squadron II bleef in de Duitse Bocht, klaar om te varen ter ondersteuning. Ze vervolgens weer bij de vloot tijdens de operatie om Yarmouth en Lowestoft bombarderen op 24-25 april. Tijdens deze operatie, de kruiser Seydlitz werd beschadigd door een Britse mijn en moest voortijdig terug te keren naar de haven. Het zicht was slecht, zodat de operatie snel werd afgeblazen voordat de Britse vloot kon ingrijpen. 
Zeeslag bij Jutland 

De Duitse vloot zeilde naar het noorden en ontmoette de Britse vloot zeilen van het westen; beide vloten voerde een reeks van bochten en manoeuvres tijdens de chaotische strijd. 
De commandant van de High Seas vloot, admiraal Reinhard Scheer, onmiddellijk gepland een ander vooraf in de Noordzee, maar de schade aan Seydlitz vertraagde de operatie tot het einde van mei.Zoals de laatste schip toegewezen aan de IV-afdeling van de II Battle Squadron, de achterste Duitse formatie, Sleeswijk-Holstein was het laatste slagschip in de lijn. Het II Battle Squadron werd onder bevel van admiraal Franz Mauve.Tijdens de "Ren naar het Noorden", Scheer beval de vloot aan de terugtrekkende slagschepen van de Britse 5 Battle Squadron nastreven op topsnelheid. Sleeswijk-Holstein en haar zusters waren aanzienlijk langzamer dan de dreadnoughts en viel snel achter.Tijdens deze periode, Admiral Scheer gericht Hannover om zich te plaatsen achter Sleeswijk-Holstein, zodat hij een vlaggenschip aan beide zijden van de formatie zou hebben.Door 19:30, de Grand Fleet was aangekomen op het toneel en geconfronteerd Admiral Scheer met aanzienlijke numerieke superioriteit.De Duitse vloot werd ernstig belemmerd door de aanwezigheid van de langzamere Deutschland -klasse schepen; Als Scheer een onmiddellijke draai naar Duitsland had besteld, zou hij hebben gehad om de langzamere schepen te offeren om zijn ontsnapping te maken.

Admiral Scheer besloten om het verloop van de vloot, met Gefechtskehrtwendung, een manoeuvre die elke eenheid nodig in de Duitse lijn om 180 ° draaien gelijktijdig te keren.Na achterstand, de schepen van de II Battle Squadron kon niet voldoen aan de nieuwe koers na de turn,en viel op de ontkoppelde kant van de Duitse lijn. Admiraal Mauve beschouwd bewegen zijn schepen aan de achterkant van de lijn, achteruit van de III Battle Squadron dreadnoughts, maar besloot toen hij zich realiseerde dat de beweging zou interfereren met het manoeuvreren van Hipper's kruisers. In plaats daarvan probeerde hij zijn schepen aan het hoofd van de lijn te plaatsen.Maar tegen de tijd dat het II Squadron bereikte zijn positie aan het hoofd van de lijn, had Scheer andere Gefechtskehrtwendung, waardoor ze aan de achterzijde van de Duitse geplaatst besteld vloot.Door 21:00, Scheer had de vloot rond een derde keer gedraaid, maar de lage snelheid van Sleeswijk-Holstein en haar squadron mates hen veroorzaakt uit positie te vallen, om de ontkoppelde kant van de vloot.

Later op de eerste dag van de strijd, werden Hipper's zwaar beschadigd kruisers wordt ingeschakeld door hun Britse rivalen. Sleeswijk-Holstein en de andere zogenaamde "vijf minuten schepen" kwam hen te hulp door het stomen tussen de tegengestelde slagkruiser squadrons.Deze schepen waren zeer kort bezig, dankzij een groot deel aan de slechte zichtbaarheid. Het zicht was zo slecht, de kanonniers aan boord van Sleeswijk-Holstein niet kon maken uit een doel, en ze niet haar belangrijkste wapens te vuren. Op 21:35 een zwaar kaliber granaat sloeg het schip op de haven-kant,ponsen een gat van ongeveer 40 cm (16 inch) breed voor exploderende tegen de binnenste kazemat armor. Het verscheurde 4,50 m (14,8 ft) van de bovenbouw dek en gehandicapten een van de bakboordzijde kazemat geweren.Drie mannen werden gedood en negen gewond.Admiral Mauve stopte de strijd tegen de veel krachtiger kruisers en bestelde een 8- punt te zetten naar stuurboord.

Laat op de 31e, de vloot opnieuw gevormd voor de nacht reis terug naar Duitsland, met Sleeswijk-Holstein naar de achterkant van de lijn, met een voorsprong van Hessen, Hannover en de kruisers Von der Tann en Derfflinger.Rond 03: 00, Britse destroyers voerde een reeks van aanvallen op de vloot, waarvan sommige waren gericht Sleeswijk-Holstein. [29] Kort daarna, Pommern werd getroffen door ten minste een torpedo van de vernietiger Onslaught; de hit ontploft een munitie tijdschrift, het vernietigen van het schip in een enorme explosie. Tijdens de aanval, werd Sleeswijk-Holstein gedwongen om af te keren naar torpedo de vernietigers 'te voorkomen.Kort na 05:00, Hannover en verschillende andere schepen herhaaldelijk afgevuurd op wat ze ten onrechte aangenomen dat de Britse onderzeeërs zijn. 

Ondanks de wreedheid van de nacht vechten, de High Seas Fleet geslagen door de Britse torpedobootjager krachten en bereikte Horns Reef op 04:00 op 1 juni. De Duitse vloot een paar uur later, waar de onbeschadigde dreadnoughts van de bereikte Wilhelmshaven Nassau en Helgoland klassen nam defensieve posities.In de loop van de strijd, Sleeswijk-Holstein had slechts twintig 17 cm rondes afgevuurd.

Later acties 
Sleeswijk-Holstein werd in dock gezet voor reparaties 10-25 juni 1916.De marine toen besloten om de vier resterende Deutschland -klasse schepen terug te trekken, vanwege hun veroudering en kwetsbaarheid voor onderwater aanvallen, zoals aangetoond door het verlies van Pommern.Daarna werd het schip gebruikt als een doelwit voor duikboten, behalve gedurende 12-23 februari 1917 toen ze als patrouilleschip. In april werd Sleeswijk-Holstein naar Altenbruch aan de monding van de Elbe; Hier werd zij opgelegd op 2 mei. Sleeswijk-Holstein werd vervolgens ontwapend en toegewezen aan de 5. Unterseebootsflottille om te worden gebruikt als kazerne schip in Bremerhaven. In 1918 werd het schip verplaatst naar Kiel, waar ze bleef voor de rest van de oorlog.
Interbellum 

Na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, werd de Duitse marine gereorganiseerd als de Reichsmarine volgens het Verdrag van Versailles. De nieuwe marine werd toegelaten tot acht pre-dreadnought slagschepen behouden onder artikel 181 -twee van die zou zijn in de reserve-voor kustverdediging. [36] Sleeswijk-Holstein was een van de schepen die werden aangehouden, samen met haar zussen Hannover en Schlesien en een aantal van de Braunschweig -klasse slagschepen.Sleeswijk-Holstein werd weer in gebruik als de nieuwe vloot vlaggenschip op 31 januari 1926 na een uitgebreide opknapbeurt, met nieuwe vuur controles en een vergroot achterdek bovenbouw voor het personeel van de admiraal. De secundaire 17 cm kanonnen werden vervangen door 15-centimeter (5,9 inch) stukken en vier 50 cm torpedo buizen werden gemonteerd hoofddek kazematten voor en achter, het vervangen van de buizen onder water. 
Sleeswijk-Holstein en haar zus Hannover ging op een training cruise in de Atlantische Oceaan, dat duurde van 14 mei-17 juni 1926 terwijl op de cruise, bezocht ze Palma de Mallorca in de Middellandse Zee vanaf mei 22-30. Ze stopte in Barcelona met Elsass 1-7 juni en vervolgens overgegaan tot Vigo van 12 tot 14 juni, waar ze bij Hessen, Elzas, en Hannover. Er, het hoofd van de vloot, vice-admiraal Konrad Mommsen, een ontmoeting met koning Alfonso XIII.Schleswig-Holstein ging op een andere opleiding cruise tussen 30 maart en 14 juni 1927 in de Atlantische Oceaan. Ze bezocht een reeks Iberische havens, waaronder Lissabon, Portugal, waar Mommsen werd begroet door Óscar Carmona, de president van Portugal. [40] In december 1927 ging Sleeswijk-Holstein terug in de dock, opnieuw de kop opsteken in januari 1928 met haar forefunnel trunked terug in de tweede en de beide resterende trechters verhoogd, zoals eerder was gedaan met haar zus Schlesien.  
Met de levering van de nieuwe Deutschland -klasse Panzerschiffe (gepantserde schepen), te beginnen in 1933, werden de oudere slagschepen geleidelijk teruggetrokken uit de front-line service. In mei 1935 werd de Reichsmarine gereorganiseerd als de Kriegsmarine door de hervormingen ingesteld door Adolf Hitler of de gemaakte Wehrmacht.Sleeswijk-Holstein opgehouden vloot vlaggenschip te zijn op 22 september 1935 en werd omgebouwd als cadet training schip tijdens januari- maart en mei-juli 1936. De wijzigingen verwijderen van haar resterende bovendek 15 cm kanonnen en haar torpedobuizen, en haar twee achterste ketelruimen werden omgezet in olie-vuren modellen, hoewel de forward ketels bleven kolengestookte. Standaard complement van het schip werd ook teruggebracht van 35 officieren en 708 manschappen en 31 officieren en 565 matrozen. De bemanning werd aangevuld met 175 cadetten,die werden genomen op lange cruises in Schlesien en Sleeswijk-Holstein, de laatste zeilen in oktober 1936 op een zes maanden durende reis naar Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Het volgende jaar, haar cruise nam haar rond Afrika, en de 1938-1939 cruise ging terug naar Zuid-Amerikaanse en Caribische wateren.Gustav Kieseritzky diende als commandant van het schip van juni 1938 tot april 1939.
In het midden van de jaren 1930, Hitler begon het nastreven van een steeds agressiever buitenlands beleid; in 1936 hij opnieuw gemilitariseerd het Rijnland, en in 1938 voltooide de Anschluss van Oostenrijk en de annexatie van Tsjecho-Slowakije.eiste hij toenmalige Duitse controle over de stad Danzig, waarvan een was geworden vrije stad na de Eerste Wereldoorlog I.
World War II 
Vroeg op 1 september 1939, Duitsland lanceerde een invasie van Polen. Sleeswijk-Holstein werd geplaatst in de haven van Danzig, afgemeerd in de buurt van de Poolse munitiedepot op Westerplatte onder het mom van een ceremoniële bezoek in augustus. Op 4:47 op 1 september, Sleeswijk-Holstein opende het vuur met haar belangrijkste batterij bij de Poolse posities op de Westerplatte, en daarmee de eerste schoten afgevuurd van de Tweede Wereldoorlog.Deze schoten waren het signaal voor grondtroepen naar beginnen hun aanval op de installatie;hoewel de eerste Duitse grondaanval in de Slag van Westerplatte. werd kort daarna afgestoten Een tweede aanval begon later die ochtend, wederom ondersteund door Schleswig-Holstein, hoewel het ook om had gefaald breken in de installatie door rond het middaguur.
Sleeswijk-Holstein werd aangesloten op 4 september door de torpedoboten T196 en Von der Gröben. Een kracht van de Duitse infanterie en het leger ingenieurs gingen aan wal om het fort te nemen, met zware vuur steun van Sleeswijk-Holstein. De Polen wist af te houden de Duitsers tot ze werden gedwongen zich over te geven op 7 september om 10.30 uur.Naar aanleiding van de Poolse overgave, Sleeswijk-Holstein begonnen beschietingen Poolse posities bij Hel en Redłowo; deze operaties duurde tot 13 ​​september.Tussen 25 en 27 september, de oude slagschip terug naar Hel met haar zus Schlesien; beide schepen uitgevoerd verdere bombardementen van de Poolse posities daar. 
De Duitse militaire draaide toen zijn aandacht naar het westen, en in april 1940 binnenvielen Denemarken. Sleeswijk-Holstein werd toegewezen aan de maritieme component van de invasiemacht.Tijdens de invasie, het schip werd kort de grond van de Deense kust.na de operatie, werd ze weer overgedragen aan de opleiding taken, als het vlaggenschip van het hoofd van de Training Units.Aan het eind van 1943, de reactivering van Sleeswijk-Holstein werd opnieuw overwogen. In haar voordeel was het feit dat ze behouden sommige kolen gestookte ketels, gezien het voortdurend verslechterende olie-aanbod situatie. Dus, op 1 februari 1944 werd ze opnieuw weer in gebruik, bij het ​​aanvaarden van haar oude rol als cadet training schip, later in het jaar docking in Gotenhafen (Gdynia) voor een refit. Ze was om te worden omgezet in een konvooi escorte schip met een sterk verbeterde anti-vliegtuigen bewapening, maar na drie keer geraakt door de Royal Air Force bommenwerpers op 18 december 1944 werd ze uiteindelijk gestrand in ondiep water.Als het schip was permanent uitgeschakeld, werd haar bemanning aan land gestuurd om te helpen bij de verdediging van Marienburg. 
Naar aanleiding van de Sovjet-verovering van die stad, de overige bemanning ontploft kelderen lasten in het wrak op 21 maart naar het schip verder te vernietigen.Na de oorlog werd het schip tijdens 1945-1946 die door de Russische marine en overgebracht naar Tallinn. Hoewel naslagwerken lange verklaarde dat zij daar of in Marienburg werd gesloopt,in werkelijkheid werd ze gesleept in 1948 en strandde voor langdurig gebruik als een doelwit in ondiep water van het eiland Osmussaar in de Golf van Finland.Laatste gebruikt voor schietoefeningen rond 1966, de resten zijn nu onder water.Haar bel werd gehouden in de collectie van het Militaire Museum van de Bundeswehr in Dresden vanaf 1990.

7-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8