Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

6-Japan in de Tweede Wereldoorlog

Raising the Flag on Iwo Jima

Op de foto zijn vijf Amerikaanse Mariniers en een marine-hospik te zien die na de Landing op Iwo Jima tijdens de Tweede Wereldoorlog samen de Amerikaanse vlag op de top van de Suribachi planten, het hoogste punt op het Japanse eiland Iwo Jima.

De foto werd ontzettend populair en afgedrukt in duizenden publicaties. De foto werd de enige foto die de Pulitzerprijs voor fotografie won in hetzelfde jaar als de publicatie van de foto zelf. De afbeelding wordt beschouwd als een van de belangrijkste en herkenbare foto's uit de oorlog.[1]

Van de zes mannen op de foto overleefden drie de strijd niet, de drie anderen werden beroemdheden door deze foto. De foto werd later door Felix de Weldon gebruikt bij het maken van de USMC War Memorial naast Arlington National Cemetery net buiten Washington, D.C..

De foto toont overigens niet de eerste Amerikaanse vlag die die dag op de berg werd geplaatst. De eerste vlag werd rond 10:20 geplaatst. Ook hier is een foto van gemaakt. De tweede plaatsing (die van de beroemde foto) is echter niet door de fotograaf geregisseerd en is tevens ook een andere, grotere vlag. Het idee dat de foto toch geregisseerd was berust op een misverstand.

De foto is ook verwerkt in het kunstwerk The Portable War Memorial van Ed Kienholz.

Herinneringsmonument van het planten van de vlag. De houding van de soldaten is identiek aan die op de foto

Zeeslag bij de Santa Cruzeilanden

De Zeeslag bij de Santa Cruzeilanden was een zeeslag tussen vloten rond 4 vliegdekschepen van de Japanse Keizerlijke Marine en 2 van de United States Navy van 25 tot 27 oktober 1942 bij de Santa Cruzeilanden in de Stille Oceaan. De inzet was het eiland Guadalcanal en het vliegveld Henderson Field erop. Na wederzijdse luchtaanvallen trok de Amerikaanse vloot zich terug nadat vliegdekschip Hornet gezonken was en vliegdekschip Enterprise zwaar beschadigd. De Japanse vloot trok zich ook terug nadat vliegdekschepen Shōkaku en Zuihō beschadigd waren en 99 vliegtuigen met 148 bemanningsleden verloren waren.


Voorafgaande
Op 7 augustus 1942 waren Amerikanen geland op de door de Japanners bezette Salomonseilanden Guadalcanal, Tulagi en de Florida-eilanden. Het doel was tweeledig:

beletten dat de Japanners de eilanden konden gebruiken als basis om de aanvoerlijnen tussen de Verenigde Staten en Australië aan te vallen en
zelf de eilanden gebruiken als basis om de Japanse basis Rabaul te neutraliseren en steun te verlenen aan de New Guinea campaign.
Dit begon de 6 maanden durende Slag om Guadalcanal.

Na de Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden op 24 en 25 augustus was het vliegdekschip USS Enterprise (CV-6) met zware averij teruggekeerd naar Pearl Harbor voor een maand van reparatie. Er lagen dan nog drie Amerikaanse vliegdekschepen in de zuidelijke Stille Oceaan: USS Wasp (CV-7), USS Saratoga (CV-60) en USS Hornet (CV-8) met hun begeleidende slagschepen, kruisers en torpedobootjagers. Ze bewaakten tussen de Salomonseilanden en de Nieuwe Hebriden (Vanuatu) de aanvoerlijn tussen Nieuw-Caledonië en Espiritu Santo. Ze steunden zo de Amerikaanse grondtroepen op Guadalcanal en Tulagi door vrachtschepen te beschermen en Japanse schepen te bedreigen.

Duikboten
Op 31 augustus torpedeerde de Japanse duikboot I-26 het vliegdekschip USS Saratoga (CV-3), zodat het voor drie maand in reparatie moest. Frank Jack Fletcher werd ontslagen als bevelhebber.

Op 14 september bracht de Japanse duikboot I-19 het vliegdekschip USS Wasp (CV-7) tot zinken met drie torpedo's . In dezelfde aanval zonk ook torpedobootjager USS O'Brien (DD-415). Slagschip USS North Carolina (BB-55) werd ook geraakt door een torpedo en moest tot 16 november 1942 naar Pearl Harbor voor reparatie.

Guadalcanal
Nu bleef de Hornet als enige Amerikaans vliegdekschip over in de zuidelijke Stille Oceaan, maar de Amerikanen beschikten nog over vliegveld Henderson Field op het eiland Guadalcanal. De Amerikanen voerden overdag versterkingen aan en de Japanners 's nachts, de Tokyo Express. Midden oktober beschikten beide partijen over evenveel soldaten op Guadalcanal.

In de nacht van 11 op 12 oktober onderschepte en versloeg de Amerikaanse marine een Japanse vloot die Henderson Field wou bombarderen in de Slag bij Cape Esperance.

In de nacht van 13 op 14 oktober beschoten de slagschepen Haruna en de Kongō dan toch Henderson Field, waar de meeste Amerikaanse vliegtuigen vernield raakten en het vliegveld beschadigd werd.

Op 16 oktober verliet de gerepareerde USS Enterprise Pearl Harbor en op 23 oktober was ze bij de Hornet.

Op 18 oktober verving admiraal Chester Nimitz de naar zijn mening te kortzichtige en pessimistische viceadmiraal Robert L. Ghormley door de vechtlustige viceadmiraal William Halsey.

Begin oktober kwamen de Japanse vliegdekschepen Hiyō, Junyō en Zuihō bij de Chuukeilanden samen met de Shokaku en de Zuikaku.[2] Met die Combined Fleet wou admiraal Isoroku Yamamoto de nederlaag in de Slag bij Midway goedmaken. In oktober voerden ze enkele luchtaanvallen uit op Henderson Field, maar ze wachtten vooral de Amerikaanse vliegdekschepen op tegen het Japans grondoffensief op Guadalcanal op 20 oktober.

Tussen 20 en 25 oktober bestormden de Japanse grondtroepen tevergeefs Henderson Field in de Slag bij Henderson Field.

In de foute aanname dat de grondtroepen Henderson Field veroverd hadden naderden de Japanse lichte kruiser Yura en de torpedobootjagers Akizuki, Harusame, Murasame en Yudachi Guadalcanal in de ochtend van 25 oktober om steun te bieden, maar vliegtuigen van Henderson Field brachten de Yura tot zinken en beschadigden de Akizuki, die tot december 1942 terug naar Japan moest voor reparatie.

Op 22 oktober brak brand uit in de machinekamer van de Hiyō en hij moest terug naar de Chuukeilanden voor reparatie.

Luchtaanval op de Hornet

Luchtaanval op de Hornet
Datum 25 oktober – 27 oktober 1942
Locatie Santa Cruzeilanden
Resultaat Japanse overwinning
Strijdende partijen
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerrijk
Leiders en commandanten
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Thomas C. Kinkaid Naval Ensign of Japan.svg Nobutake Kondō
Troepensterkte
2 vliegdekschepen
1 slagschip
3 zware kruisers
3 lichte kruisers
14 torpedobootjagers 4 Vliegdekschepen
4 slagschepen
8 zware kruisers
2 lichte kruisers
25 torpedobootjagers
Verliezen
1 vliegdekschip gezonken
1 torpedobootjager gezonken
1 vliegdekschip beschadigd
81 vliegtuigen verloren
26 vliegeniers dood 
2 vliegdekschepen beschadigd
99 vliegtuigen verloren
148 vliegeniers dood

De Japanse slagorde
De Japanse schepen verdeelden zich in drie groepen en voeren naar Guadalcanal.
De voorhoede met vliegdekschip Junyō met twee slagschepen, vier zware kruisers, een lichte kruiser en tien torpedobootjagers stond onder bevel van viceadmiraal Nobutake Kondō die vanaf zijn zware kruiser Atago ook het bevel voerde over heel de vloot.
De hoofdmacht met viceadmiraal Chuichi Nagumo op vliegdekschip Shokaku en verder de vliegdekschepen Zuikaku en Zuihō voer met een zware kruiser en acht torpedobootjagers.
De achterhoede met schout-bij-nacht Hiroaki Abe op slagschip Hiei bevatte nog een slagschip, drie zware kruisers, een lichte kruiser en zeven torpedobootjagers.
Amerikaanse slagorde
Task Force 16 onder schout-bij-nacht Thomas C. Kinkaid, die ook het opperbevel voerde op vliegdekschip USS Enterprise (CV-6) en
Task Force 17 onder schout-bij-nacht George D. Murray op vliegdekschip USS Hornet (CV-8) op 15 km afstand.
Ze werden begeleid door slagschip USS South Dakota (BB-57), drie zware kruisers USS Portland (CA-33) en USS Northampton (CA-26), USS Pensacola (CA-24), drie lichte kruisers met luchtafweer USS San Juan (CL-54), USS San Diego (CL-53), USS Juneau (CL-52) en 14 torpedobootjagers.
Task Force 64 onder schout-bij-nacht Willis Augustus Lee met slagschip USS Washington (BB-56), zware kruiser USS San Francisco (CA-38), lichte kruiser USS Helena (CL-50) en kruiser USS Atlanta (CL-51) met zes torpedobootjagers was naar het zuidoosten om brandstof te bunkeren en kon niet meevechten.
Luchtverkenning
Op 25 oktober waren de twee task forces ten noorden van de Santa Cruzeilanden op zoek naar de Japanse vloot. Een Consolidated PBY Catalina watervliegtuig was vanaf de Santa Cruzeilanden opgestegen en vond om 11h03 de Japanse hoofdmacht op 355 zeemijl, dus buiten het bereik van de Amerikaanse vliegtuigen. Kinkaid zette op topsnelheid koers naar de Japanse vloot en liet om 14h25 23 aanvalsvliegtuigen opstijgen. De Japanners hadden het verkenningsvliegtuig opgemerkt en waren naar het noorden gezwenkt, zodat de aanvalsvliegtuigen onverrichter zake terugkeerden.
Op 26 oktober om 2h50 keerden de Japanse schepen om en om 5h00 lagen ze 200 zeemijl van de Amerikaanse. Beide vloten lanceerden verkenningsvliegtuigen. Een Consolidated PBY Catalina watervliegtuig zag de Japanse vliegdekschepen op zijn radar om 3h10. Om 5h12 kreeg Kinkaid zijn bericht.
Om 6h45 zag een Amerikaans verkenningsvliegtuig de Japanse hoofdmacht. Een Japans verkenningsvliegtuig seinde de positie van de Hornet door. De Japanners vielen om 7h40 aan met 64 vliegtuigen: 21 Aichi D3A2 duikbommenwerpers, 20 Nakajima B5N2 torpedobommenwerpers, begeleid door 21 Mitsubishi A6M Zero jachtvliegtuigen en twee Nakajima B5N2 commandovliegtuigen. Om 7h40 meldden twee Amerikaanse Douglas SBD Dauntless verkenningsvliegtuigen de positie van de Zuihō en ze dropten elk een bom van 250 kg op het dek.
De Japanse vliegtuigen stijgen op
Kondo bracht zijn schepen op topsnelheid. Om 8h10 stegen vanaf de Shōkaku 19 duikbommenwerpers en acht zero's op en om 8h40 stegen vanaf de Zuikaku 16 torpedobommenwerpers op. Om 9h10 vlogen 110 Japanse vliegtuigen naar de Amerikaanse vliegdekschepen.
De Amerikaanse vliegtuigen stijgen op
Om 8h00 stegen 15 duikbommenwerpers, 6 Grumman TBF Avenger torpedobommenwerpers en 8 Grumman F4F Wildcat jachtvliegtuigen op van de Hornet. Om 8h10 stegen 3 duikbommenwerpers, 7 torpedobommenwerpers en 8 Wildcats op van de Enterprise. Om 8h20 stegen nog eens 9 duikbommenwerpers, 8 torpedobommenwerpers en 7 Wildcats op van de Hornet.
Luchtgevecht
Om 8h40 zagen de vliegtuigen elkaar en 9 Zero's van de Zuihō vielen met de zon in hun rug de vliegtuigen van de Enterprise aan. 4 Zero's, 3 Wildcats en 2 torpedobommenwerpers werden neergehaald en 2 torpedobommenwerpers en een Wildcat vlogen met schade terug naar de Enterprise, maar enkel de Wildcat bereikte die.
Aanval op de Shokaku
Om 8h50 zagen de vliegers van de Hornet vier schepen van de voorhoede van Abe. Drie Zero's van de Zuihō vielen aan, maar de Wildcats hielden ze weg van de bommenwerpers. De duikbommenwerpers vielen zo aan zonder begeleidende jagers en 20 Zero's schoten er vier van uit de lucht. De overblijvende 11 bommenwerpers doken om 9h27 naar de Shōkaku en beschadigden het dek met hun bommen. De elfde duikbommenwerper beschadigde de torpedobootjager Teruzuki.
De zes torpedobommenwerpers van de eerste aanvalsgroep vonden de Japanse vliegdekschepen niet en keerden onverrichter zake terug naar de Hornet. Op hun terugweg vielen ze de zware kruiser Tone aan, maar al hun torpedo's misten.
De torpedobommenwerpers van de tweede aanvalsgolf van de Enterprise vonden de vliegdekschepen evenmin en vielen de zware kruiser Suzuya van Abe's voorhoede aan, maar zonder schade.
Aanval op de Chikuma
De derde aanvalsgolf van de Hornet vond de schepen van Abe en bracht de zware kruiser Chikuma zware schade toe met twee bommen van 500 kg.[6] De drie duikbommenwerpers van de Enterprise beschadigden de Chikuma met een bom. De acht torpedobommenwerpers van de derde aanvalsgolf troffen de Chikuma nog eens. De Chikuma trok zich met twee torpedobootjagers terug naar de Chuukeilanden voor reparatie.
Aanval op de Hornet
Om 8h30 seinden de Amerikaanse vliegtuigen naar hun vliegdekschepen dat een Japanse luchtaanval op til was. Om 8h52 zag de Japanse bevelhebber de Hornet. Om 8h55 zagen de Amerikaanse vliegdekschepen de vliegtuigen op hun radar op 35 zeemijl afstand en stuurden ze er 37 Wildcats op af, maar die konden maar enkele duikbommenwerpers neerhalen.
Tussen 9h05 en 9h14 stegen 17 duikbommenwerpers en 12 Zero's op van de Junyō op 280 zeemijl afstand.
Om 9h09 vuurde de luchtafweer van de Hornet en van de begeleidende zware kruisers USS Northampton (CA-26) en USS Pensacola (CA-24) en de lichte kruisers USS San Diego (CL-53) en USS Juneau (CL-52) en zes torpedobootjagers op de 20 Japanse torpedobommenwerpers en de overblijvende 16 duikbommenwerpers.
Om 9h12 wierp een duikbommenwerper zijn bom van 250 kg door het dek van de Hornet met 60 doden tot gevolg. Een tweede treffer op het dek doodde 30 man. Een derde treffer op het dek richtte veel schade aan, maar geen doden.
Om 9h14 schoot de luchtafweer van de Hornet een duikbommenwerper uit de lucht en die liet zich neerstorten op de schouw van de Hornet met zeven doden en een brand tot gevolg.
Van 9h13 tot 9h17 vlogen de 20 torpedobommenwerpers uit twee richtingen naar de Hornet, ze raakten met twee torpedo's de flank en de scheepsmotoren vielen uit. Om 9h20 vlogen de Japanse vliegtuigen terug. Een ervan zag de Enterprise en seinde haar positie door.
25 Japanse vliegtuigen en 6 Amerikaanse waren verloren gegaan in dit gevecht. De Hornet lag stil en brandde. Om 10h00 waren de branden op de Hornet geblust met hulp van de brandslangen van de drie begeleidende torpedobootjagers. De gewonden werden afgevoerd en de zware kruiser USS Northampton (CA-26) trachtte de Hornet op sleeptouw te nemen.

Kaart op 26 oktober 1942: rood = Japan, zwart = Verenigde Staten, geel = gevechten

Japanse vliegtuigen op de Shokaku in de ochtend van 26 oktober 1942

De Japanse kruiser Chikuma krijgt op 26 oktober een bom van 500 kg op zijn brug.

Een beschadigde duikbommenwerper stort zich op de Hornet

Terugkeer van de Amerikaanse vliegtuigen
Vanaf 9h30 landden de beschadigde vliegtuigen van beide vliegdekschepen met bijna lege brandstoftanks op de Enterprise. Het dek stond vol vliegtuigen. Om 9h30 zagen ze een tweede golf Japanse vliegtuigen op de radar. Om 10h00 verbood de Enterprise landingen en de vliegtuigen zonder brandstof moesten op de oceaan landen, waar de bemanningsleden door de torpedobootjagers gered werden.
Een torpedobommenwerper van de Enterprise die beschadigd was door Zero's van de Zuihō landde op het water nabij torpedobootjager USS Porter (DD-356), die de bemanning redde, maar toen ging een torpedo van de torpedobommenwerper af die de torpedobootjager beschadigde en 15 man doodde. De torpedobootjager USS Shaw (DD-373) redde de bemanning en bracht de Porter tot zinken met kanonvuur.
Aanval op de Enterprise
Om 10h08 vielen 19 Japanse duikbommenwerpers de Enterprise aan. De Amerikaanse jachtvliegtuigen schoten er twee van uit de lucht. De bommenwerpers doken naar de Enterprise door het luchtafweer van het vliegdekschip en de begeleidende oorlogsschepen en raakten met twee bommen met tot gevolg 44 doden, 75 gewonden en zware schade. Maar 7 van de 19 duikbommenwerpers keerden terug.
Om 10h28 splitsten de 16 torpedobommenwerpers van de Zuikaku zich op om de Enterprise aan te vallen. Twee Wildcats schoten er drie van neer en beschadigden een vierde. Die liet zich neerstorten op de torpedobootjager USS Smith (DD-378) met 57 doden en een brand tot gevolg. De torpedo ging pas later af met nog meer schade. De Smith voer langs het slagschip USS South Dakota (BB-57), die hielp blussen. Dan keerde de Smith terug om met luchtafweer te schieten op de torpedobommenwerpers. Na de slag moest de Smith tot februari 1943 naar Pearl Harbor voor reparatie.
De overblijvende torpedobommenwerpers vielen de Enterprise, South Dakota en de kruiser USS Portland (CA-330) aan, maar alle torpedo's misten. Om 10h53 was de aanval voorbij. 7 van de 16 torpedobommenwerpers vlogen terug. Om 11h15 waren de branden op de Enterprise geblust en konden opnieuw teruggekeerde vliegtuigen landen.
Om 11h21 vielen duikbommenwerpers van de Junyō de Enterprise aan. Drie bommen beschadigden de Enterprise, de South Dakota en de lichte kruiser USS San Juan (CL-54). 6 van de 17 Japanse duikbommenwerpers keerden terug. Slagschip South Dakota haalde 26 van de 99 Japanse vliegtuigen neer.
Om 11h35 trok Kinkaid de Enterprise terug. Tussen 11h39 en 13h22 landden nog vliegtuigen op de Enterprise. Een vliegtuig bereikte het vliegveld van Espiritu Santo. Andere landden op de oceaan en de schepen redden de bemanningen.
Terugkeer van de Japanse vliegtuigen
Tussen 11h40 en 14h00 landden de teruggekeerde Japanse vliegtuigen op de Zuikaku en de Junyō. Luitenant commandant Okumiya Masatake, eerste stafofficier op de Junyō' schreef:
We speurden de hemel af. Er waren maar weinig vliegtuigen in de lucht in vergelijking met de aantallen die uren eerder waren opgestegen. De vliegtuigen landden moeizaam op het dek, elk gevechtsvliegtuig en elke bommenwerper had kogelgaten. De piloten klommen uitgeput uit hun cockpits en vertelden van ongelofelijke tegenstand, over de hemel vol luchtafweergranaten en lichtkogels.
Achtervolging
Om 13h00 zochten de schepen van Kondo en Abe naar de vliegdekschepen om ze met kanons te bestoken. Naguma verliet de gevechtszone met de beschadigde vliegdekschepen Zuihō en Shōkaku. Schout-bij-nacht Kakuji Kakuta nam het bevel over de Zuikaku en Junyō.
Om 13h06 stegen van de Junyō 7 torpedobommenwerpers en 6 Zero's op en van Zuikaku 7 torpedobommenwerpers, 2 duikbommenwerpers en 5 Zero's. Om 15h35 stegen vanaf de Junyō nog eens 4 bommenwerpers en 6 Zero's op.
Ondergang van de Hornet
Om 14h45 sleepte de Northampton de Hornet aan een snelheid van 5 knopen. Om 15h20 vielen de 7 torpedobommenwerpers van de Junyō aan. Om 15h23 misten 6 torpedo's en trof er één raak. Water stroomde binnen en het vliegdekschip maakte 14° slagzij. Zonder elektriciteit voor de pompen verliet de bemanning het schip. De derde golf van de Zuikaku trof de Hornet met een bom. Om 16h27 waren alle mannen van boord. Om 17h20 dropte de laatste aanvalsgolf nog een bom op het vliegdekschip.
De Amerikaanse oorlogsschepen vluchtten naar het zuidoosten om te ontkomen aan de vloot van Kondo en Abe. Torpedobootjagers USS Mustin (DD-413) en USS Anderson (DD-411) lanceerden torpedo's naar de Hornet en schoten 400 granaten af, maar de Hornet bleef drijven. Om 20h40 voeren de twee torpedobootjagers weg van de brandende Hornet. Om 22h20 kwamen de schepen van Kondo en Abe bij de Hornet. Ze wilden de Hornet eerst meenemen als oorlogstrofee omdat die de Doolittle Raid op Tokio had gelanceerd, maar het wrak was al te zwaar gehavend. De torpedobootjagers Makigumo en Akigumo lanceerden vier torpedo's. Om 1h35 op 27 oktober 1942 zonk de Hornet.
Consolidated PBY Catalina watervliegtuigen met radar vielen 's nachts de Junyō en Teruzuki aan.
Aftocht
De Japanse schepen staakten de achtervolging om brandstof te bunkeren bij de noordelijke Salomonseilanden en keerden op 30 oktober terug naar hun basis op de Chuukeilanden.
Tijdens de terugtocht van de Amerikaanse schepen naar Espiritu Santo en Nieuw-Caledonië botste de South Dakota met de torpedobootjager USS Mahan (DD-364) en die liep zware averij op en was pas op 9 januari opnieuw in dienst.
Amerikaanse verliezen
Vliegdekschip Hornet en torpedobootjager Porter waren gezonken. Vliegdekschip Enterprise was zwaar beschadigd net zoals slagschip South Dakota, lichte kruiser San Juan en torpedobootjagers Smith en Mahan. Van de 175 Amerikaanse vliegtuigen gingen er 81 verloren: 33 jachtvliegtuigen, 28 duikbommenwerpers en 20 torpedobommenwerpers. 26 Vliegtuigbemanningsleden kwamen om.
Nu de Hornet verloren was, bleef alleen de beschadigde Enterprise over als vliegdekschip in de Stille Oceaan.[7][8][9] De Enterprise werd voorlopig gerepareerd in Nieuw-Caledonië en keerde twee weken later terug naar de zuidelijke Salomonseilanden voor de Zeeslag bij Guadalcanal.
Japanse verliezen
De Japanners hadden twee beschadigde vliegdekschepen Shōkaku en Zuihō en een beschadigde zware kruiser Chikuma. 99 van de 203 Japanse vliegtuigen waren verloren. 55 Vliegtuigbemanningsleden van de Shōkaku, 57 van de Zuikaku, 9 van de Zuihō en 27 van de Junyō kwamen om.
De Zuihō keerde eind januari 1943 na reparatie terug naar de Chuukeilanden.[10] De Shōkaku bleef in reparatie tot maart 1943 en kwam in juli 1943 terug bij de Chuukeilanden.
Balans
Admiraal Nagumo werd ontslagen. Hij schreef:
"Deze slag was een tactische overwinning, maar een zware strategische nederlaag voor Japan. Gezien het groot overwicht in industriële capaciteit van onze vijand, moeten we elke slag overweldigend winnen om deze oorlog te winnen. De laatste slag was een overwinning, maar niet overweldigend.”

De Enterprise schiet een Japanse duikbommenwerper af.

 

De Hornet zinkt.

 

Begrafenis in zee van 44 gesneuvelden op de Enterprise op 27 oktober

 

Bemanning van de Shōkaku blust branden.

Slag om de Aleoeten

De Slag om de Aleoeten (3 juni 1942 - 15 augustus 1943) was de strijd tussen het Japanse Keizerrijk en de geallieerden om de Aleoeten, een eilandengroep ten westen van Alaska. Deze strijd maakt deel uit van de Tweede Wereldoorlog in Azië, die specifieker ook wel de Pacifische Oorlog genoemd wordt.
Achtergrond
Van geallieerde naar asmogendheid

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Japan het nog samen met de geallieerden tegen Duitsland opgenomen. Maar tijdens het interbellum veranderden de Japanse relaties met de westerse landen. Toen het Japanse leger in 1931 namelijk Mantsjoerije veroverde en de vazalstaat Mantsjoekwo oprichtte, werd deze actie veroordeeld door de Volkenbond. Bijgevolg stapte Japan in 1933 uit de Volkenbond, waarmee het definitief een imperialistische weg insloeg. Mede door zijn successen in Mantsjoerije had het Japanse leger de macht in Japan naar zich toe getrokken en was het land een militaire dictatuur geworden.
De Japanse expansiedrang leidde in 1937 tot de Tweede Sino-Japanse Oorlog. Door de verschillende incidenten[1] die daarmee gepaard gingen, raakte Japan meer en meer vervreemd van de Westerse landen. Bovendien vormde de Japanse aanwezigheid in China een bedreiging voor de westerse landen met economische belangen in China. Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten steunden dan ook het Chinese verzet. De VS namen verder ook economische maatregelen door in 1939 het handelsverdrag met Japan op te zeggen. Japan weigerde echter toe te geven aan het Westen. Het stationeerde in september 1940 troepen in het noorden van Frans-Indochina, om de invoer van wapens en materiaal in China te blokkeren. Later diezelfde maand ondertekende Japan het Driemogendhedenpact met nazi-Duitsland en Italië en maakte zo duidelijk welke kant het gekozen had.
Tweede Wereldoorlog
Voor Japan hield de ondertekening van het pact een oorlog met de VS in. Het komende jaar zou volledig gewijd worden aan het voorbereiden van Japans intrede in het wereldconflict. Door de successen van Hitler in Europa lag Zuidoost-Azië voor het grijpen: met de verovering van deze gebieden zou Japan niet meer afhankelijk zijn van de invoer van grondstoffen uit het buitenland en zou het zich kunnen opstellen als de nieuwe Aziatische grootmacht.
De enige spelbreker voor een dergelijk zuidelijk offensief zouden de VS zijn. Bijgevolg werd een strategie in drie fasen en op twee fronten uitgewerkt. Enerzijds werd er gewerkt aan een grootscheepse aanval op de Westerse gebieden in Zuidoost-Azië. Anderzijds werkte admiraal Isoroku Yamamoto (山本 五十六, Yamamoto Isoroku) in het grootste geheim een aanval op Pearl Harbor uit om de Amerikaanse vloot buiten werking te stellen. Na deze eerste offensieve fase zou in een tweede fase het veroverde gebied beveiligd worden door verdere veroveringen van strategische punten. Daarnaast zouden de aanwezige grondstoffen in het veroverde gebied geëxploiteerd worden. In een laatste en derde fase zouden ze, gesteund door Duitsland en Italië, de Westerse landen tot vredesbesprekingen dwingen. Tijdens de gedetailleerde uitwerking van de aanvallen zou Japan de schijn ophouden dat het naar een diplomatieke uitweg bleef zoeken.
De VS had als reactie op de Japanse aanwezigheid in noordelijk Indochina (september 1940) al een embargo ingesteld op oud ijzer en staal, maar toen Japan in juli 1941 ook zuidelijk Indochina bezette, werd het Japans kapitaal in Amerika geblokkeerd en volgde er ook een embargo op olie. Dit voorbeeld werd meteen gevolgd door Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Japan sprak over een ABCD-blokkade (ABCD 包囲網, ABCD hōi mō), vanuit het Engels American, British, Chinese, Dutch. Voor Japan was er nu geen weg meer terug en moest er zo snel mogelijk aangevallen worden voordat de grondstofvoorraad op was.
Op 7 december 1941 viel Japan Pearl Harbor aan en het veroverde geheel volgens plan op enkele maanden tijd onder meer Hongkong, de Filipijnen, Malakka, Singapore, Nederlands-Indië en Birma. Het veroverde gebied, dat zich nu van Birma tot de Salomonseilanden uitstrekte, werd door Japan 大東亜共栄圏 (Romanisatie: Dai-tō-a Kyōeiken (Hepburn), Engels: Greater East Asia Coprosperity Sphere) genoemd. De tweede fase, het behoud van het veroverde gebied zou echter een veel zwaardere opgave zijn. Het keerpunt in de Pacifische Oorlog was de Slag bij Midway in juni 1942. In de schaduw van deze slag begon ook de aanval op de Aleoeten.
Japanse aanvalsplan
Het plan voor de aanval op de Aleoeten werd geconcipieerd door admiraal Yamamoto. De aanval zou gelijktijdig met de slag bij Midway plaatsvinden. Door een aanval op Midway hoopte Yamamoto de resterende Amerikaanse vliegdekschepen, die gestationeerd lagen in Pearl Harbor, in een hinderlaag te lokken en uit te schakelen. De volgende stap zou dan de verovering van Hawaï zijn. De aanval op de Aleoeten zou volgens sommigen een afleidingsmanoeuvre voor de Midway-operatie geweest zijn.Maar in recentere publicaties gaat men ervan uit dat Japan, door het veroveren en installeren van basissen op Midway en de Aleoeten, de controle over het noordelijke en centrale gebied van de Grote Oceaan wilde uitbreiden.Zo zouden ze voortaan luchtaanvallen als de Doolittle Raid op Tokio kunnen voorkomen. Ten slotte zou dit ook mogelijke militaire samenwerking tussen de VS en de Sovjet-Unie verhinderen.
Japan had van tevoren heel wat informatie verzameld over de Aleoeten, maar die informatie was niet meer actueel. De Japanners gingen ervan uit dat de VS dit gebied ondertussen sterk beveiligd zouden hebben. Zo veronderstelden ze ten onrechte dat er vliegdekschepen aanwezig waren en dat er kleine garnizoenen aanwezig waren op Attu, Adak en Kiska; de meest westelijke grotere eilanden. Het operatieplan voor de aanval op de Aleoeten was het volgende: een vloot, met onder andere 2 vliegdekschepen zou onder leiding van viceadmiraal Boshiro Hosogaya (細萱 戊子郎, Hosogaya Boshirō) uitvaren naar de Aleoeten. Daar zou er eerst een luchtaanval uitgevoerd worden op Dutch Harbor, de Amerikaanse marinebasis op Unalaska, centraal in de Aleoetenarchipel. Daarna zouden er amfibische aanvallen uitgevoerd worden op Attu, Adak en Kiska, en zouden Attu en Kiska bezet worden.
Amerikaanse voorbereidingen
De Verenigde Staten hadden echter de geheime code van de Japanse Keizerlijke marine gekraakt en waren rond 21 mei op de hoogte van de geplande aanvallen op Midway en de Aleoeten. Admiraal Chester William Nimitz, die aan het hoofd stond van de Amerikaanse vloot in de Grote Oceaan, zou zelf Yamamoto tegemoet gaan bij Midway, terwijl divisieadmiraal Robert A. Theobald de opdracht kreeg Dutch Harbor te behouden en een Japanse invasie in Alaska tegen te houden. Ze gingen er namelijk van uit dat Japan Dutch Harbor wilde innemen om zo naar het Amerikaanse continent op te trekken. Op 25 mei vertrok Theobald met een kleine vloot uit Pearl Harbor naar Kodiakeiland waar hij zijn schepen paraat zou houden voor de Japanse aanval.
Vertrek van de Japanse vloot
De Japanse vloot vertrok in drie eenheden vanuit Ominato (huidig Mutsu), in het noorden van Honshu. De eenheid met de vliegdekschepen, die Dutch Harbor zou aanvallen, vertrok op 25 mei. Op 28 mei en 29 mei volgden de twee andere eenheden, die zich zouden bezighouden met Attu, Adak en Kiska.
Luchtaanval op Dutch Harbor
De eenheid die Dutch Harbor zou aanvallen bestond uit de twee vliegdekschepen Junyo en Ryujo, en werd begeleid door verschillende kruisers en jagers. In de namiddag van 2 juni werd deze eenheid op ongeveer 1500 km ten zuidwesten van Dutch Harbor opgemerkt tijdens een Amerikaanse patrouillevlucht, en hielden de Amerikanen zich klaar voor de aanval.
Vroeg in de ochtend van 3 juni vertrokken Japanse vliegtuigen voor een eerste aanval op Dutch Harbor. Door het slechte weer bereikte slechts de helft ervan effectief Dutch Harbor. Toen ze echter hun bestemming bereikten, konden ze maar beperkte schade aanrichten omdat ze hevig onder vuur genomen werden. De volgende dag volgde er een tweede aanval, en dit keer met meer succes.[6] Bij het begin van de avond bereikten de Japanse vliegtuigen Dutch Harbor en troffen daar onder meer enkele brandstoftanks, het hospitaal en een op het strand getrokken schip. In tegenstelling tot de vorige dag wisten de Amerikanen die dag de Japanse vliegdekschepen wel te lokaliseren, maar ze slaagden er niet in om deze uit te schakelen.
Na afloop van de Japanse aanvallen waren er aan Amerikaanse zijde 43 doden en 64 gewonden gevallen. Verder waren er 11 Amerikaanse vliegtuigen vernietigd, tegenover zo'n 10 aan Japanse zijde. Al bij al was de schade dus vrij beperkt en kon Dutch Harbor operationeel blijven.
Verovering van Attu en Kiska
Ondertussen was de Midway-operatie rampzalig afgelopen voor de Japanse marine. Hosogaya annuleerde de landingen en wilde Yamamoto tegemoetkomen, maar Yamamoto beval Hosogaya om zijn missie toch nog uit te voeren, zodat er alsnog een succes kon worden gemeld aan het thuisfront. Op 6 juni landden ze op Kiska, waar ze een Amerikaans weerstation veroverden. De volgende dag werd ook Attu ingenomen. Er werd weinig weerstand geboden en later werden de Amerikaanse bemanning van het weerstation en de plaatselijke bevolking van Attu overgeplaatst naar kampen in Japan.
Op 10 juni werden de gebeurtenissen in gebruikelijke propagandastijl bekendgemaakt aan het Japanse volk. Men had het over succesvolle bombardementen op Midway en – belangrijker nog – over de voordelen van de bezetting van Attu en Kiska. De mogelijke 'noordelijke aanvalsroute' van de VS zou nu geblokkeerd zijn, en bij het Amerikaanse thuisfront zou het bericht van het verlies van Amerikaans grondgebied zwaar aangekomen zijn. In werkelijkheid werd de Japanse aanwezigheid pas diezelfde dag door de Amerikanen vastgesteld en werd dit niet bekendgemaakt aan het publiek.
Zonder de bezetting van Midway had de Japanse aanwezigheid op de Aleoeten niet veel belang meer. Ze konden immers geen patrouillevluchten uitvoeren tussen de Aleoeten en Midway. Niettemin werd er eind juni toch besloten om de eilanden te behouden en er landingsbanen aan te leggen.
Geallieerde tegenaanval
Zodra de Japanse aanwezigheid op Attu en Kiska vastgesteld werd, gingen de Amerikanen in de tegenaanval met bombardementen op Kiska. Ze kregen hier al snel de hulp bij van Canada, waardoor men kan spreken van een geallieerde tegenaanval. De komende maanden rukten ze geleidelijk aan verder op naar het westen. Op 30 augustus landden ze op Adak, op zo’n 400 km van Kiska, om er een landingsbaan aan te leggen die tegen 14 september operationeel was. Door de aanhoudende bombardementen op Kiska waren de Japanners er zeker van dat de VS vast van plan waren om de eilanden te heroveren. Tegen november hadden ze hun troepenaantal opgetrokken tot 1000 man op Attu en 4000 op Kiska.
In de winter werkte het slechte weer op de Aleoeten in het voordeel van Japan, en konden de geallieerde bommenwerpers nauwelijks hun werk doen. Niettemin werd er verder westwaarts opgerukt. Op 11 januari landden er Amerikaanse troepen op Amchitka, zo'n 100 km van Kiska, en werd hier begonnen met de aanleg van een landingsbaan. Twee weken later ontdekten de Japanners de Amerikaanse aanwezigheid op Amchitka: ze voerden enkele luchtaanvallen uit, maar die hadden weinig succes. Bijgevolg was de basis op Amchitka tegen 16 februari operationeel, zodat in februari en maart, onder betere weersomstandigheden, de luchtbombardementen op Kiska weer volop werden hervat.
Slag om de Komandorski-eilanden
Midden maart werd er besloten om de bevoorrading en versterking van de Japanse troepen te blokkeren. Met succes werden er enkele Japanse schepen tegengehouden en werd er een blokkadelinie ten westen van Attu opgetrokken. Deze linie stond onder het bevel van divisieadmiraal Charles H. McMorris en bestond uit 1 zware kruiser (USS Salt Lake City (CA-25)), 1 lichte kruiser (USS Richmond (CL-9)) en 4 torpedobootjagers. Zoals de Amerikanen verwacht hadden, stuurde Japan deze keer transportschepen naar de Aleoeten met een escorte. Deze escorte stond onder het bevel van viceadmiraal Hosogaya Boshiro en bestond uit 2 zware kruisers (Nachi en Maya), 2 lichte kruisers en 4 torpedobootjagers. Het treffen tussen de twee vloten vond plaats op 27 maart 1943 en wordt door de Amerikanen de ‘Slag om de Komandorski-eilanden’ genoemd, de dichtstbijzijnde eilandengroep.[7] In Japan heeft men het echter over de ‘Zeeslag bij Attu’ (アッツ島沖海戦, Attutō oki kaisen). Bijzonder bij deze zeeslag was het feit er in het gevecht geen tussenkomst was van duikboten of vliegtuigen (op een verkenningsvliegtuig van Nachi na).

Verloop van de zeeslag
Een uur voor zonsopgang, om half acht, nam de Amerikaanse linie de Japanse vloot waar. McMorris, die zich op dat moment niet bewust was van het Japanse overwicht, besloot de vijand tegemoet te varen voor de aanval. De Japanse vloot werd zich kort daarop bewust van de Amerikaanse aanwezigheid en voer hen tegemoet, terwijl de transportschepen wegvoeren. Toen de Amerikanen de superieure slagkracht van de Japanse vloot vaststelden, besloot McMorris om koers te zetten naar de vluchtende transportschepen. Zo hoopte hij eventueel de transportschepen uit te schakelen of ervoor te zorgen dat de Japanse vloot zich zou opsplitsen, zodat hij hen beter kon bestrijden.

De Salt Lake City in actie tijdens de Slag bij de Komandorski-eilanden.
Geen van beide doelstellingen werd bereikt, doordat de Maya en de Nachi rond 08:40, op een afstand van ± 18 km het vuur openden op de Richmond en vervolgens op de Salt Lake City. Het vuur werd beantwoord en aan beide kanten ontstond lichte schade. Daarop begon de Amerikaanse vloot zich terug te trekken omdat ze geen kans maakte tegen het Japanse overwicht. Hosogaya ging in de achtervolging en nam de Amerikaanse kruisers onder vuur. Bij die achtervolging werd de Nachi geraakt op het middendek, waardoor ze een half uur lang buiten strijd was. Kort daarop werd ook de Salt Lake City geraakt door Maya, maar de schade bleef beperkt en het schip kon op volle snelheid verder varen. Na een uur achtervolging werd de Salt Lake City, die inmiddels met stuurproblemen te kampen had, zwaar geraakt, waardoor de voorste compartimenten onderliepen. McMorris besloot het schip te beschermen en liet de jagers een rookgordijn optrekken rond het schip. Niettemin werd de zware kruiser nog enkele keren geraakt, waardoor zijn motoren rond de middag enkele minuten uitvielen door problemen met de brandstofleidingen. Daarop stevenden de Amerikaanse jagers af op de Japanse kruisers om hen te bestoken met torpedo’s en de Salt Lake City buiten schot te houden. Beide kampen bestookten elkaar met succes. Een van de Amerikaanse jagers werd zwaar beschadigd en begon water te maken, waarop de jagers zich terugtrokken. Maar de Amerikaanse aanval bleek toch effectief geweest te zijn, want Hosogaya had de aftocht geblazen. Zijn jagers hadden niet veel brandstof meer en zijn kruisers zaten bijna door hun munitie. Bovendien vreesde hij dat er Amerikaanse bommenwerpers in aantocht waren.
Uitslag
De zeeslag eindigde dus onbeslist, maar met de aftocht van zijn vloot had Hosogaya – achteraf bekeken – een strategische fout begaan. Hij was zich niet bewust van de schade die hij bij de Salt Lake City aangericht had. Hoewel hij dus over superieure slagkracht beschikte en de overwinning voor het grijpen had, was hij tot de terugtocht overgegaan. Achteraf werd hij hiervoor uit zijn functie gezet. McMorris daarentegen zou gedecoreerd worden voor zijn optreden.
Het gevolg van deze zeeslag was dat Japan geen verdere pogingen meer ondernam om de troepen op de Aleoeten te versterken. Voortaan werden ze op kleine schaal bevoorraad door duikboten.
Herovering van Attu
Amerikaanse plannen

Plannen om de Japanse troepen van Kiska en Attu te verdrijven werden reeds in de winter gemaakt. Oorspronkelijk was het de bedoeling om eerst Kiska aan te vallen. Maar bij gebrek aan schepen voor de landing van de daarvoor benodigde troepenmacht, werd er uiteindelijk besloten om eerst het zwakker verdedigde Attu te heroveren. Terwijl de troepen getraind werden voor de landing en overgebracht werden naar de Aleoeten, werd het aanvalsplan voor de herovering van Attu verder uitgewerkt.
Het uiteindelijke plan voor operatie Landcrab, zoals het Amerikaanse leger deze invasie noemde, was het volgende. Het invasieleger zou uitvaren op 3 mei. Dit zou gebeuren onder escorte van een sterke vloot, die moest kunnen optreden ingeval de Japanse Noordelijke Vloot (第五艦隊, dai go kantai) in de buurt was. Nadat lucht- en scheepsbombardementen het terrein stormrijp gemaakt zouden hebben, zou dan de landing volgen. Eerst zou een verkenningseenheid landen in het noorden van het eiland, gevolgd door de landing van de hoofdmacht op Massacre Bay in het zuiden. Beide eenheden zouden dan landinwaarts naar elkaar toe gaan en de vijand op hun weg verdrijven. Vervolgens zouden ze gezamenlijk optrekken naar het Japanse basiskamp, dat op de noordoostelijke landtong, in Chichagof Harbor lag. In totaal zouden hiervoor 11000 manschappen ingezet worden, terwijl de Japanse bezettingsmacht, volgens hun laatste schattingen, uit zo’n 1600 à 1800 man zou bestaan. De hele operatie zou na drie dagen afgerond moeten zijn.
De Amerikaanse invasieplannen waren echter verre van volmaakt. De kaarten waarover ze beschikten bevatten slechts informatie over het kustgebied. Het weer en de ondergrond van Attu hadden ze nauwelijks in rekening gebracht. Een dichte mist is er namelijk eerder de regel dan de uitzondering, en door de warme zeestroom, afkomstig van Japan, is de toendra er niet bevroren maar drassig, en dus moeilijk begaanbaar. Ten slotte was ook de Japanse bezettingsmacht, met meer dan 2600 man, groter dan gedacht.[8]
Slag om Attu
1rightarrow blue.svg Zie Slag om Attu voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het weer beïnvloedde de plannen van bij het begin. Door slecht weer moest de vloot een dag later (4 mei) vertrekken, werd de landing enkele dagen uitgesteld en werden ook de lucht- en scheepsbombardementen, die aan de landing moesten voorafgaan, verhinderd. Zo begon de invasie uiteindelijk op 11 mei.
In de ochtend landden er twee verkenningseenheden in het noorden op Beach Scarlet en Beach Red. De andere landingstroepen in het noorden en in Massacre Bay, moesten echter wachten tot de mist wat opgetrokken was in de namiddag. Ondertussen werden er wel al lucht- en scheepsbombardementen uitgevoerd op het Japanse basiskamp. Bijgevolg was kolonel Yasuyo Yamasaki (山崎 保代, Yamasaki Yasuyo), die aan het hoofd stond van de Japanse bezettingsmacht, op de hoogte van de Amerikaanse aanwezigheid. Hij liet dan ook de posities versterken die de passages tussen Massacre Valley en het basiskamp verdedigden. Het was pas rond vier uur dat de Amerikaanse gevechtstroepen landden op Beach Red in het noorden, en Beach Yellow en Beach Blue in Massacre Valley. De landingen ondervonden echter geen tegenstand, omdat ze verborgen bleven door de mist. Vijf uur later zou er zo’n 3500 man geland zijn: 400 op Beach Scarlet, 1100 op Beach Red, en 2000 in Massacre Valley.
Tegen die tijd waren de Amerikaanse troepen echter vast komen te zitten. De twee bataljons die in Massacre Valley landinwaarts getrokken waren, kwamen na 2,5 km onder vuur te liggen. Japanse troepen hadden positie genomen op heuvelkammen met zicht over de hele vallei, en hadden de Amerikanen tot stilstand gedwongen. Ook het noordelijk bataljon, dat op Beach Red geland was, stuitte op vijandig vuur en ging traag vooruit.
De volgende dag wist het noordelijke bataljon nog een Japanse stelling in te nemen op een heuvel (Hill X), die uitstak boven de Japanse posities verderop in Holtz Valley. Maar de volgende dagen zouden de Amerikanen niet meer vooruitkomen, ondanks de versterking van beide fronten met elk één bataljon. De Amerikanen verwachtten dan ook dat het veel tijd en manschappen zou kosten om door passages te raken die naar het Japanse basiskamp leidden. Bovendien werden nu ook de schepen, die nog steeds de Japanse stellingen beschoten, bedreigd. Op 12 mei had een Japanse duikboot een van de schepen aangevallen, zij het zonder succes.
Op 15 mei werd de impasse echter plots opgeheven. Toen de mist even opklaarde bleek dat de Japanse troepen, onder druk van de scheepsbombardementen, zich hadden teruggetrokken tot een heuvelkam (Moore Ridge) centraal in Holtz Valley. Dit liet de drie noordelijke bataljons toe zich te verenigen en verder op te trekken. Tegen het einde van de volgende dag wisten ze de Japanse troepen van die heuvelkam te verdrijven. Nu werd ook de flank bedreigd van Japanse troepen die de Amerikanen in Massacre Valley tegenhielden. Daarom liet kolonel Yamasaki die nacht (16-17 mei) zijn troepen verder terugtrekken naar Chichagof Harbor voor een laatste stelling.
De terugtrekking van het Japanse leger was het keerpunt in de slag om Attu. Op 18 mei konden de noordelijke en zuidelijke troepen zich verenigen en gezamenlijk beginnen met het optrekken naar het Japanse basiskamp. De Japanse troepen hadden zich nu met machinegeweren ingegraven op de heuveltoppen en het zou de Amerikanen nog twee weken kosten om hun stellingen een voor een uit te schakelen. Niettemin was de onzekerheid van de eerste week nu verdwenen en kwam de overwinning steeds dichterbij.
Zelfmoordaanval (玉砕, Gyokusai)
Op 29 mei werd de strijd op een ontstellende manier beëindigd. Kolonel Yamasaki en de resterende Japanse troepen besloten zich niet te zullen overgeven. Degenen die niet meer in staat waren om te vechten pleegden zelfmoord. Zij die wel nog konden vechten gingen in een allerlaatste aanval een ‘eervolle dood’ tegemoet. Die avond stormden ze door de Amerikaanse linie op een verraste achterhoede in Massacre Valley af. Zowat de helft van de aanvallers werd hierbij onderweg neergeschoten. De andere helft, die het Amerikaanse kamp bereikte, vocht tot de dood of blies zichzelf op met granaten. Slechts 28 Japanners gaven zich over en overleefden de aanval.
Deze aanval was de eerste van een reeks zelfmoordaanvallen die de Japanners hebben uitgevoerd aan het einde van de Pacifische Oorlog. De Amerikanen noemden het Banzai-aanvallen[9], omdat de Japanners bij deze aanval “Tennōheika banzai” (天皇陛下万歳) riepen, “Lang leve de keizer”. In Japan gebruikt men hier echter de metafoor gyokusai (玉砕) voor.[10] Niet alleen de Amerikanen begrepen deze vergeefse verspilling van levens niet, maar ook keizer Hirohito (裕仁) keurde het af. Zelfmoordacties zouden immers pas in de latere stadia van de oorlog noodzakelijk kunnen worden. Het Japanse volk daarentegen juichte bij het nieuws van de gyokusai en riep de gesneuvelde soldaten uit tot nationale helden.
Voor de herovering van Attu hebben de Amerikanen een hoge tol moeten betalen. Van de 15000 man die uiteindelijk voor de operatie waren ingezet, waren er 549 gesneuveld, 1148 gewond in de strijd en ongeveer 2000 buiten strijd gesteld door ziekte of kwetsuren. De meest voorkomende aandoening was de loopgravenvoet. Bij het begraven van de gesneuvelden telden de Amerikanen 2351 Japanse doden, terwijl er tevoren nog enkele honderden wellicht door de Japanners zelf begraven werden.
Herovering van Kiska
Amerikaanse voorbereiding

De voorbereidingen voor de herovering van Kiska waren al begin mei, voor de landing op Attu, aangevat. De bloederige uitkomst van de slag op Attu beïnvloedde natuurlijk deze plannen. Zo werd de troepenmacht voor de landing bijna verdubbeld. Uiteindelijk werd het plan voor de herovering van Kiska, operatie Cottage genaamd, goedgekeurd op 22 juni. Een geallieerde troepenmacht van ongeveer 34000 man, waaronder 5500 Canadezen, zou op 15 augustus de grootscheepse landing uitvoeren. Men ging er immers van uit dat er ongeveer 10000 man aanwezig was op Kiska, en dat de strijd even zwaar zou zijn als die van Attu. Ondertussen werden de Japanse installaties op Kiska in de periode voor de landing (juni – juli) bijna dagelijks gebombardeerd.
Evacuatie van Kiska
Ook in het Japanse hoofdkwartier had men ondertussen lessen getrokken uit de slag om Attu. Er werd besloten dat de Japanse bezettingsmacht van Kiska geen nutteloze dood hoefde te sterven en ze gingen over tot de evacuatie van het eiland. Begin juni werden er al een 800-tal soldaten teruggebracht met duikboten, maar omdat er bij deze actie 3 duikboten onderschept waren, werd er van deze strategie afgestapt. Het grote obstakel voor de evacuatie was namelijk een grote Amerikaanse scheepsblokkade op weg naar Kiska. Daarom werd het plan opgevat om Kiska in één keer te evacueren met schepen onder dekking van de mist. Op 7 juli voer een eerste eenheid hiervoor uit, maar omdat de weersomstandigheden het niet toelieten moesten ze terugkeren.
Op 22 juli vertrok er een tweede reddingseenheid. Deze zag op 28 juli haar kans. De vorige dag hadden enkele schepen van de blokkade enkele stippen op hun radar waargenomen, en waren ze tot de aanval overgegaan in de overtuiging dat ze met Japanse schepen te maken hadden. De radar was in die tijd echter nog een nieuw en niet zo betrouwbaar instrument. Ze hadden op denkbeeldige doelen geschoten, en moesten bijgevolg tijdelijk terugkeren om de munitie weer aan te vullen en bij te tanken. Op dat ogenblik glipten de Japanse schepen, onder dekking van de mist, door het gat in de blokkade, en evacueerden in sneltempo de ongeveer 5200 op Kiska gestationeerde soldaten. Het hele eiland werd in amper 1 uur tijd ontruimd, waarbij ze al hun materiaal achterlieten. Tegen de tijd dat de Amerikaanse schepen weer terug in positie waren, waren de Japanners alweer weg. De bezetting van Kiska had uiteindelijk het leven gekost van ongeveer 2500 Japanse soldaten.
Landing op Kiska
De geallieerden, die van de evacuatie niets afwisten, gingen de komende drie weken echter door zoals gepland. Het ontruimde Kiska werd dag in dag uit gebombardeerd. Hoewel de berichten van piloten intussen aangaven dat het eiland weleens verlaten kon zijn, ging divisie-admiraal Thomas C. Kinkaid, die operatie Cottage mee zou leiden, ervan uit dat de Japanners, zoals op Attu, de bergen ingetrokken waren.
De landing ging dus door zoals gepland op 15 augustus. Troepen werden aan land gezet op de west- en oostkust van het eiland en trokken landinwaarts. De komende dagen heerste er verwarring en onzekerheid. Er werden verschillende schoten gehoord en gelost, maar er was geen enkele vijand meer te vinden. Verschillende soldaten werden het slachtoffer van het zogenaamde friendly fire, anderen van Japanse boobytraps en op zeker ogenblik voer een Amerikaanse jager tegen een mijn aan. Na afloop waren er meer dan 30 doden gevallen en 200 waren ziek of gewond.[11] Op 24 augustus werd het eiland eindelijk veilig verklaard en daarmee was de strijd om de Aleoeten afgelopen.
Nabeschouwing
Historische betekenis

De strijd om de Aleoeten was een strijd om twee kleine eilanden die nauwelijks strategische waarde hadden. De Aleoeten konden dan wel beschouwd worden als een natuurlijke ‘noordelijke weg’ tussen Japan en Noord-Amerika, maar geen van beide kampen heeft deze ‘weg’ ooit echt in zijn plannen willen opnemen om tegen de vijand op te trekken.[12] Door de afgelegen locatie en het lastige klimaat van de eilanden waren dergelijke plannen niet wenselijk. De hele strijd had meer dan een jaar geduurd en had vele levens gekost.[13] Maar hij is in de geschiedenis haast volledig overschaduwd geworden door gelijktijdige gebeurtenissen in het zuiden, zoals de Slag bij Midway en de Slag om Guadalcanal.
Evacuatie van de Aleoeten
Een zwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis is de evacuatie van de plaatselijke Inuït-bevolking van de Aleoeten, eveneens ‘Aleoeten’ oftewel Unangan genoemd. Als gevolg van de Japanse aanval, werden ze in juni 1942 door het leger geëvacueerd en geïnterneerd in kampen op het vasteland. Van de 881 Unangan kwam ongeveer 10 procent om in deze kampen. Toen ze na de oorlog mochten terugkeren, waren vele van hun huizen geplunderd of in brand gestoken door het Amerikaanse leger. Een schadevergoeding en formele verontschuldiging van de Amerikaanse overheid voor de mensonwaardige omstandigheden in de kampen zou pas volgen in 1988.
Invloed van de slag op de media en kunst
De Slag om de Aleoeten mag dan wel in de marge van de geschiedenis verzeild geraakt zijn, maar zowel aan Amerikaanse als Japanse zijde zijn er inspanningen geleverd die aan de strijd op de Aleoeten herinneren. Naast de vele, vaak gespecialiseerde, publicaties van militaire geschiedkundigen, onderzoekers en veteranen, bereikten enkele memorabilia toch een ietwat breder publiek.
Tijdens de oorlog werden de gebeurtenissen op de Aleoeten in de Japanse media gebruikt voor propagandistische doeleinden. In het kader daarvan kan hier een schilderij van Tsuguharu Fujita (藤田 嗣治, Fujita Tsuguharu) vermeld worden. Deze Japanse schilder was enige tijd succesvol in Parijs, waar hij onder meer bevriend raakte met Picasso. Tijdens de oorlog verbleef hij in Japan en deed hij mee aan de oorlogspropaganda. In die context maakte Fujita het schilderij Attu Jima Gyokusai (アッツ島玉砕), over de zelfmoordaanval op Attu. Het schilderij werd drie weken na de feiten tentoongesteld.
In 2006 ging er ook een documentaire Red White Black & Blue in première op het filmfestival van Locarno (Zwitserland). In deze documentaire keren twee Amerikaanse veteranen terug naar Attu, en wordt er teruggeblikt op de strijd die er geleverd werd.

Aleutian Islands map.png

Datum 3 juni 1942 - 15 augustus 1943
Locatie Aleoeten
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Geallieerden:
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten,
Vlag van Canada 1921-1957 Canada Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Leiders en commandanten
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Thomas C. Kinkaid
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Francis W. Rockwell
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Albert E. Brown
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Archibald Vincent Arnold
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Simon Bolivar Buckner jr.
Vlag van Canada 1921-1957 George Pearkes
Vlag van Canada 1921-1957 Harry Wickwire Foster Vlag van Japan Boshirō Hosogaya
Vlag van Japan Kakuji Kakuta
Vlag van Japan Monzo Akiyama
Vlag van Japan Yasuyo Yamasaki †
Grote Oceaan
Pearl Harbor · Ambon · Marshall- en Gilberteilanden · Javazee (1) · Javazee (2) · Singapore · Doolittle · Koraalzee · RY · Aleoeten · Midway · Guadalcanal · Golf van Leyte · Iwo Jima · Okinawa
Slag om de Aleoeten
Dutch Harbor · Kiska · Komandorski · Attu · Cottage

 

 

Brandende gebouwen na de eerste Japanse aanval op Dutch Harbor.

 

 

Japanse troepen hijsen de Japanse oorlogsvlag op Kiska.

 

De Salt Lake City in actie tijdens de Slag bij de Komandorski-eilanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

De herovering van Attu.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Landingsoperatie op Kiska.

Slag om de Filipijnen (1941-1942)

De slag om de Filipijnen betrof de invasie van de Filipijnen door Japan in 1941 - 1942 en de verdediging van de eilanden door de Filipino en Amerikaanse strijdkrachten. Hoewel het resulteerde in een Japanse overwinning, werden de overwinnaars wel vertraagd door de doortastendheid van de verdedigers in andere gebieden, alsmede droeg het bij aan de geallieerde tegenaanvallen in het zuidwesten van de Grote Oceaan, vanaf het eind van 1942.
De verdediging
Vanaf medio 1941, na een groeiende spanning tussen Japan en enkele andere mogendheden, waaronder de Verenigde Staten, Engeland en Nederland, begonnen veel landen in Zuidoost-Azië met de voorbereidingen voor een mogelijke oorlog.
In december 1941, behoorden de gecombineerde verdedigende krachten in de Filipijnen bij het Filipijnse Leger, onder bevel van Generaal Douglas MacArthur, die als Chef van de Staf van de VS was gepensioneerd in 1937, en het bevel over het Filipijnse Leger accepteerde. MacArthur's taak, gegeven door de regering van de Filipijnen, bestond voornamelijk uit het reformeren en opzetten van een leger dat voornamelijk uit reservisten bestond. Het leger bleef onder andere in uitrusting, training en organisatie sterk in gebreke.
Het garnizoen van de VS, dat bestond uit 22.532 manschappen, ook bekend als de Filipijnse Afdeling, stond onder bevel van generaal-majoor George Grunert. Het bestond voornamelijk uit de Filipijnse divisie van de VS, dat gedeeltelijk bestond uit een vrij groot aantal Filipijnen, dat diende als verkenners. Het garnizoen werd versterkt door 8500 manschappen van de Nationale Reserve van het vasteland van de Verenigde Staten, dat gedeeltelijk bestond uit de enige gepantserde eenheden, twee tankbataljons.
De US Army Air Corps Far East Air Force (FEAF), onder bevel van generaal-majoor Lewis H. Brereton, was de grootste luchtformatie van de VS buiten de Verenigde Staten, en bestond uit 107 P-40 gevechtsvliegtuigen en 35 B-17 bommenwerpers.
MacArthur organiseerde de verdedigers in vier verschillende eenheden. De North Luzon Force, onder bevel van Majoor-generaal Jonathan M. Wainwright, verdedigde de meest logische aanvalsplaatsen voor amfibische aanvallen en de centrale vlakten. Dit gebied bestond ook uit het schiereiland Bataan, de aangewezen plek om eventueel op terug te vallen, dat bij de Baai van Manilla lag. De strijdkrachten van Waintwright bestonden uit de 11e, 21e en 31e infanteriedivisies van het Filipijnse Leger, de 26e cavaleriedivisie van de VS (een verkenningseenheid), een bataljon van de 45e infanteriedivisie (ook een verkenningseenheid), twee batterijen bestaande uit 144 mm kanon]nen en een bergkanon. De Filipijnse 71e infanteriedivisie diende ook als een reserve en kon alleen ingezet worden op orders van MacArthur.
De South Luzon Force, onder Brigadegeneraal George M. Parker Jr. moest de zone ten oosten en zuiden van Manilla in de gaten houden. Parker’s leger bestond uit de 41e en 51e infanteriedivises van het Filipijnse leger en twee batterijen van de Amerikaanse 86e artilleriedivisie van (oorspronkelijk ook een verkenningseenheid).
De 'Visayan-Mindanao eenheid, onder bevel van Brigadegeneraal William F. Sharp, bestond uit het 61e en 81e infanteriedivises van het Filipijnse leger en de 101e infanteriedivisie.
Een reserve-eenheid, onder direct bevel van MacArthur, was samengesteld uit de Filipijnse Divisie, de Far East Air Force en eenheden van het hoofdkwartier van het Filipijnse Leger en Filipijnse Afdeling, ten noorden van Manilla gestationeerd. Vier Amerikaanse artillerieregimenten bewaakten de ingang van Manilla, waaronder het eiland Corregidor.
Het dispuut van de Far East Air Force
Na de uitbraak van de oorlog op 7 december 1941, moedigde Brereton zijn bazen aan om bombardementen tegen Formosa, toen Japans grondgebied en waarvaan het heel goed mogelijk zou zijn dat daar een Japanse aanval gelanceerd zou worden, uit te voeren, maar zijn verzoek werd afgeslagen. Dit bleek een grote fout te zijn, omdat er te weinig luchtafweergeschut op de Filipijnen was, en de FEAF was bijna verslagen op de grond, door middel van luchtbombardementen in de komende dagen.
De invasie
Het Japanse 14e leger, onder bevel van Generaal Masahary Homma, begon zijn invasie met een landing op het eiland Batan (niet te verwarren met het schiereiland Bataan), ten noorden van Luzon, op 8 december 1941. Landingen op het vasteland volgden twee dagen later, op 10 december.
Vanaf 11 tot en met 23 december, viel het meeste grondgebied van Luzon in Japanse handen, waarna landingen op het zuidelijke puntje van Luzon, bij Legazpi, volgden, alsmede in de Golf van Lingayen en op Mindanao. Het merendeel van de geallieerde strijdkrachten gaf zich na een tijd over, of werden onder de voet gelopen door de Japanse overmacht. De Filipijnse Divisie van de VS positioneerde zich in het landschap om de terugtrekkingen van de troepen, op weg naar Bataan, te dekken. Dit werd ook gedaan vanuit het oogpunt om Japanse vooruitgang van de Japanners in het gebied van de Subicbaai tegen te gaan. Op 23 december liet MacArthur zijn bevelhebbers in het veld weten dat hij bezig was een plan van voor de oorlog te reactiveren. Dit hield in dat hij alleen Bataan en Corregidor wilde verdedigen, zowel de militaire hoofdkwartieren als de Filipijnse overheid ging op weg naar Corregidor. Toch bleef er nog een groot aantal strijdkrachten in andere gebieden voor enige maanden.
De slag om Bataan
1rightarrow blue.svg Zie Slag om Bataan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Op 30 december ging de Filipijnse 31e infanteriedivisie op weg naar de buurt van de Zigzag Pas om de flanken van de terugtrekkende troepen van centraal- en Zuid-Luzon te dekking te geven. De Filipijnse Divisie van de VS organiseerde zijn posities bij Bataan. De 31e divisie ging daarna op weg naar een defensieve stelling op de westelijke kant van de Olongapo-Manilla weg, nabij het kruispunt van Layac, in het noorden van het Bataan schiereiland, op 5 januari 1942. Men was gedwongen het kruispunt op 6 januari uit handen te geven, maar de terugtrekking naar Bataan was een vrij groot succes. De 31e divisie nam een reservepositie in op het schiereiland om zich te herstellen van de verliezen van de vuurgevechten in de flanken.
Vanaf 7 tot 14 januari, concentreerden de Japanners zich op verkenning en voorbereidingen voor een aanval op de algehele verdedigingslinie van Abucay. Filipijnse en Amerikaanse strijdkrachten wisten de nachtelijke aanvallen nabij Abucay, op 10 tot 12 januari, te weerstaan, en op 16 januari voerden eenheden van de Filipijnse Divisie van de VS een tegenaanval uit. Dit bleek echter geen succes en de divisie was op 26 januari gedwongen om terug te trekken naar een reservepositie in het Cas Pilar-Bagec gebied.
De Japanners ondernamen in de volgende weken, bewust van de hevige verliezen, patrouilles en gelimiteerde lokale aanvallen. Omdat de geallieerde positie steeds teruggetrokken moest worden, beval de president van de VS, Franklin Delano Roosevelt, MacArthur om zich vanaf Corregidor naar Australië te verplaatsen, als Opperbevelhebber van het Zuidwestelijke Pacifische Gebied. (MacArthur's bekende toespraak over de Filipijnen, waarin hij zei: “Ik kwam uit de Bataan en ik zal terugkeren”, werd bij Terowie, Zuid-Australië op 20 maart uitgesproken). Wainwright kreeg het bevel over de geallieerde strijdkrachten in de Filipijnen op 12 maart. Tijdens deze periode werden eenheden van de Filipijnse Divisie van de VS heen en weer geschoven om andere sectoren ook te verdedigen.
De geallieerde strijdkrachten, nu verzwakt door slechte voeding, ziekte en een veel te lange blootstelling aan gevecht, kregen vanaf 28 maart een nieuwe aanvalsgolf van de Japanners te verduren. Op 3 april braken de Japanners door de gaten in de geallieerde linies langs de berg Samat. De Filipijnse Divisie van de VS, niet langer actief als een gecoördineerde eenheid, was niet in staat om een tegenaanval tegen de hevige aanvallen van de vijand uit te voeren. Op 8 april werden de Amerikaanse 57e infanteriedivisie en de Filipijnse 31e divisie overrompeld bij de Alangan rivier. De 45e infanteriedivisie van de VS gaf zich uiteindelijk op 10 april 1942 over.
Corregidor werd nu verdedigd door 11.000 manschappen, bestaande uit het Amerikaanse 4e mariniersregiment, overige infanterie, Amerikaanse artillerie-eenheden en manschappen van de Amerikaanse marine, ingezet als infanterie. De Japanners begonnen hun aanval op Corregidor met een artilleriebombardement op 1 mei. In de nacht van 5 op 6 mei landden twee bataljons van het Japanse 61e infanterieregiment ten noordoosten van het eiland. Ondanks een sterke verdediging, wisten de Japanners een strandhoofd te vormen dat weldra versterkt werd door tanks en artillerie. De verdedigers werden snel teruggedrongen naar de defensieve stelling op Heuvel Malinta.
In de late middag van 6 mei, vroeg Wainwright aan Homma om de voorwaarden tot overgave. Homma stond erop dat overgave moest betekenen dat alle geallieerde strijdkrachten in de Filipijnen zich zouden moeten overgeven. Aangezien Wainwright dacht dat alle levens van diegenen op Corregidor in gevaar zouden komen, ging hij akkoord met de voorwaarden. Op 8 mei stuurde hij een bericht naar Sharp. Hij beval hem om de Visayan Mindanao Eenheid over te geven. Sharp stemde in maar veel individuelen zetten de strijd voor in de vorm van een guerrillaoorlog.
De overgave was het begin van drie en een half jaar van onderdrukking van de geallieerde overlevenden. Deze onderdrukking hield ook onder andere ook de Dodenmars van Bataan in en de uiterst barre levensomstandigheden van de Japanse concentratiekampen.
Geallieerde strijdkrachten begonnen in 1944 met de campagne om de Filipijnen weer in te nemen. Dit begon met landingen op het eiland van Leyte.

Geallieerde krijgsgevangen gebruiken nemen hun zieke, uitgeputte of gewonde soldaten mee. Deze gebeurtenissen, kort voor het einde van de slag beëindigd, werd bekend als de Dodenmars van Bataan.

Geallieerde krijgsgevangen gebruiken nemen hun zieke, uitgeputte of gewonde soldaten mee. Deze gebeurtenissen, kort voor het einde van de slag beëindigd, werd bekend als de Dodenmars van Bataan.
Datum 8 december 1941 - 8 mei 1942
Locatie Filipijnen
Resultaat Japanse overwinning
Strijdende partijen
Vlag van FilipijnenVlag van Verenigde Staten (1912-1959) Filipijnen
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Leiders en commandanten
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Douglas MacArthur Vlag van Japan Masaharu Homma
Troepensterkte
Ongeveer 150.000 120.000
Verliezen
2500 gesneuvelden
10.000 krijgsgevangen gedood tijdens de Dodenmars van Bataan
5000 gewonden
In totaal: 100.000 krijgsgevangenen 1200 gesneuvelden
500 vermisten
1100 gewonden

 

 

 

 

Generaals Wainwright (links) en MacArthur

 

Slag om Guadalcanal

De Slag om Guadalcanal, ook bekend onder de codenaam Operation Watchtower, tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde in 1942 tot de verovering door Amerikaanse strijdkrachten van het door Japanners bezette eiland Guadalcanal (deel van de Britse Salomonseilanden in de Stille Oceaan). De tweede aflevering van de HBO-miniserie The Pacific handelt over de slag.

Voorbeschouwing
Alhoewel het verlies aan mensenlevens (ongeveer 24.000 Japanners en 6.000 Amerikanen) beperkt bleef in vergelijking met andere gevechten, werd de campagne gekenmerkt door grimmige gevechten en een aantal primeurs:

voor het eerst werden de Japanse landstrijdkrachten verslagen
de eerste amfibische landing van Amerikaanse strijdkrachten sinds 1898
gevarieerdheid van de strijd (vlootacties, kustbeschietingen, guerrillatactieken, landoorlog, luchtgevechten ...)
Guadalcanal ligt in het midden van de langgerekte keten van de Salomonseilanden ten noorden van Australië.

De Keizerlijke Japanse marine wilde de Salomonseilanden in een belangrijke strategische basis veranderen en begon in 1942 met een programma om alle eilanden te bezetten en hier luchthavens te bouwen voor op land gestationeerde patrouillebommenwerpers. Guadalcanal zou de belangrijkste basis in het midden van de keten worden. Wanneer zij hierin zouden slagen, zou de geallieerde scheepvaart tussen de VS en Australië een lange omweg langs het zuiden moeten maken. Japan had reeds een basis in Rabaul, in het noorden van de eilandenketen.

Steeds opnieuw voerden de tegenstanders versterkingen aan, niemand wilde eraan denken deze slag te verliezen. De Japanners bezetten het in juli 1942 als tussenstation op hun weg naar Australië en Hawaï; de Amerikanen (meer bepaald admiraal Ernest King, chef van de operatie) wilden het gebruiken als uitvalsbasis voor hun opmars in noordwestelijke richting. Isoroku Yamamoto, commandant van de Japanse vloot, besefte bij het begin onvoldoende het belang van deze confrontatie en de middelen die ze zou vergen.

Het verlies van Guadalcanal betekende voor de Japanners dat ze in defensieve positie terechtkwamen en de Amerikanen het eiland als springplank konden gebruiken voor de opmars naar Japan.

Operatie Watchtower
Generaal Alexander Vandegrift wordt amper vijf weken voor de start van de aanval aangesteld als bevelhebber van de Amerikaanse grondtroepen in een slag die uiteindelijk leidt tot de evacuatie van het eiland door de Japanners. In de periode tussen augustus 1942 en februari 1943 vindt een aantal confrontaties te land, ter zee en in de lucht plaats die hieronder gedetailleerd worden beschreven.

de landing op 7 augustus 1942
Zeeslag bij het eiland Savo op 9 augustus 1942, een eerste mislukte poging van de Japanse marine om de Amerikanen, ondanks hun zware verliezen, te verdrijven.
Op 18 augustus landt Kolonel Kiyono Ichiki met 950 man op het eiland. Bij een drieste banzai-aanval van deze elitetroepen sneuvelen meer dan 700 Japanners. Kolonel Ichiki pleegt harakiri.
In de zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden op 24 augustus raakt het Amerikaans vliegdekschip USS Enterprise (CV-6) zwaar beschadigd. De Japanners verliezen onder meer hun vliegdekschip Ryujo.
Op 12-14 september slaat kolonel Mike Edson een aanval van 7.000 Japanners onder leiding van generaal-majoor Kiyotake Kawaguchi af. Deze confrontatie wordt later de Battle of Bloody Ridge genoemd. Zware luchtbombardementen op Henderson Field en beschietingen met scheepsgeschut gaan eraan vooraf.
Op 15 september gaat het vliegdekschip Wasp verloren bij een duikbootaanval. De zware kruiser North Carolina incasseert een torpedotreffer. 4.000 Amerikaanse soldaten aan boord van transportschepen raken veilig aan land.
Luitenant-generaal Haruyoshi Hyakutake landt op 9 oktober met 20.000 man. Vandergrift ziet zijn strijdmacht versterkt met 4.000 soldaten.
De Zeeslag bij Cape Esperance op 11-12 oktober eindigt met licht Amerikaans voordeel. De Amerikaanse marine kan echter het continu aan land zetten van Japanse troepen (door de Marines smalend de Tokio-expres genoemd) wel vertragen maar niet verhinderen.
Op 13 oktober wordt Henderson Field opnieuw beschoten door scheepsartillerie en door Pistol Pete (een stuk zware veldartillerie). In tachtig minuten treffen 918 granaten van zwaar kaliber het vliegveld waardoor het onbruikbaar wordt.
Hyakutake maakt nieuwe plannen om op 18 oktober een drieledige aanval vanuit verschillende richtingen op Henderson Field te lanceren. De Japanse marine en luchtmacht leveren steun. Moeilijkheden bij het vervoer van kanonnen door de jungle en de niet aflatende regen zorgen voor uitstel tot 24 oktober. Eenheden onder bevel van Generaal Sumioyosji, die niet op de hoogte zijn van het uitstel, lanceren hun aanval op 23 oktober. 650 Japanners sneuvelen. De aanval van de Sendaidivisie wordt 's anderendaags afgeslagen (meer dan 900 Japanse gesneuvelden). Scheepsartillerie, bommenwerpers en Pistol Pete beschieten Amerikaanse stellingen op 25 oktober (dug-out sunday). 's Avonds vallen Japanse grondtroepen opnieuw en ook deze keer zonder succes aan. Vanaf 29 oktober beginnen ze zich terug te trekken.
In de nacht van 25 op 26 oktober is er een nieuwe confrontatie tussen de Japanse en Amerikaanse marine (Zeeslag bij de Santa Cruzeilanden). De Amerikanen verliezen het vliegdekschip Hornet, de torpedojager Porter en 74 vliegtuigen. Het vliegdekschip Enterprise en de South Dakota worden beschadigd. De Japanners verliezen honderd vliegtuigen; de vliegdekschepen Shokaku en Zuiho, de zware kruiser Tsjikuma en de torpedojager Terutsuki worden zwaar beschadigd.

Locatie van Guadalcanal

Locatie van Guadalcanal
Datum 7 augustus 1942 – 9 februari 1943
Locatie Guadalcanal op de Salomonseilanden
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Vlag van Australië Australië
Vlag van Nieuw-Zeeland Nieuw-Zeeland Vlag van Japan Japan
Leiders en commandanten
Frank Fletcher (tactisch commandant)
Alexander Vandergrift (leger) Hyakutake Haruyoshi (leger)
Gunichi Mikawa (marine)
Troepensterkte
29.000 (12 november) 30.000 (12 november)
Verliezen
6000 24.000
Grote Oceaan
Pearl Harbor · Ambon · Marshall- en Gilberteilanden · Javazee (1) · Javazee (2) · Singapore · Doolittle · Koraalzee · RY · Aleoeten · Midway · Guadalcanal · Golf van Leyte · Iwo Jima · Okinawa

Slag in de Javazee

De Slag in de Javazee (27 februari 1942) was een mislukte poging van een geallieerd eskader onder commando van de Nederlandse schout-bij-nacht Karel Doorman om in de Javazee een Japanse invasievloot met troepen voor de aanval op Java tegen te houden. De Combined Striking Force, bestond uit 14 Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Australische marineschepen die in de wateren van Nederlands-Indië opereerden, vooral kruisers en torpedobootjagers.
Het was de laatste grote slag die de Japanners in de wateren rond Nederlands-Oost-Indië voerden met de geallieerden bij hun aanval op de Europese koloniën en waarmee zij hun heerschappij over geheel Oost-Azië bezegelden. De slag maakte bovendien een daadwerkelijk einde aan de zelfstandig opererende oppervlaktevloot van de Koninklijke Marine voor de duur van de oorlog. Nederland verloor bij deze slag de kruisers Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java en de torpedobootjager Hr. Ms. Kortenaer en ruim 900 opvarenden, onder wie schout-bij-nacht Karel Doorman. De totale slag kostte 2300 marinemannen het leven.
Deelnemers

Geallieerd eskader
zware kruisers
HMS Exeter
USS Houston
lichte kruisers
Hr. Ms. De Ruyter
Hr. Ms. Java
HMAS Perth
torpedobootjagers
HMS Electra
HMS Encounter
HMS Jupiter
Hr. Ms. Kortenaer
Hr. Ms. Witte de With
USS Alden
USS John D. Edwards
USS John D. Ford
USS Paul Jones
Japans eskader
zware kruisers
Nachi
Haguro
lichte kruisers
Naka
Jintsu
torpedobootjagers
Yudachi
Samidare
Murasame
Harusame
Minegumo
Asagumo
Yukikaze
Tokitsukaze
Amatsukaze
Hatsukaze
Yamakaze
Kawakaze
Sazanami
Ushio
Het Japanse konvooi werd onder andere geëscorteerd door torpedobootjagers onder bevel van schout-bij-nacht Shoji Nishimura. De Japanse zware kruisers waren veel sterker dan de geallieerde, en voorzien van superieure bewapening.
Verloop
Hoewel lang werd gedacht dat de Japanners veel sterker waren – tot het eind van de oorlog was men er zelfs van overtuigd dat er aan Japanse kant slagschepen deelnamen aan de strijd – is later gebleken dat beide partijen elkaar niet veel ontliepen in numerieke sterkte. Wel hadden de Japanners een aantal belangrijke voordelen. Allereerst waren hun bemanningen redelijk uitgerust, waar de geallieerden leden onder slaapgebrek door de vele patrouilles in de voorgaande dagen. Tevens hadden zij de gehele slag de beschikking over luchtverkenning en waren doorgaans vrij goed op de hoogte van de bewegingen van het geallieerd eskader. Door de gebrekkige communicatie tussen lucht- en zeestrijdkrachten moest Doorman echter voortdurend raden naar de posities van de Japanners. Een onmiskenbaar voordeel hadden de Japanners aan hun langeafstandstorpedo's, waarvan de geallieerden geen weet hadden. Het waren dergelijke torpedo's die de Nederlandse kruisers Java en De Ruyter tot zinken brachten.
Vuurkracht
De Japanners beschikten over een veel grotere vuurkracht dan de geallieerden. Niet alleen konden zij grotere en zwaardere granaten op hun vijand afvuren, deze droegen ook verder, zodat de Japanse schepen aanzienlijk minder kwetsbaar waren dan de geallieerde.
Hr. Ms. De Ruyter, bijvoorbeeld, beschikte als grootste wapens over 7 kanonnen van 150 mm – de kruiser die hem vernietigde, de Haguro, bezat 10 kanonnen van 200 mm, evenals de andere deelnemende Japanse kruiser, zijn zusterschip de Nachi. De Hr. Ms. Java had eveneens 10 kanonnen van 150 mm en werd ook vernietigd. De Amerikaanse kruiser USS Houston was het zwaarst bewapend van het eskader en beschikte over 9 kanonnen van 200 mm. De zwaarste Australische kruiser bij deze slag, de HMAS Perth, beschikte over 8 kanonnen van 150 mm. De Britse HMS Exeter kon slechts kanonnen van 150 mm inzetten. Alle geallieerden schepen hadden bovendien een maximale bepantsering van 75 mm, tegen de Haguro en de Nachi 100 mm.
De Japanners brachten bovendien 19 aanvalsschepen, waaronder twee zware kruisers met superieure vuurkracht en een vliegdekschip in de strijd, tegen een verdedigend eskader van 14 schepen, waaronder geen enkel schip met vergelijkbare vuurkracht of verdediging.
Eerste slachtoffers
Tijdens de eerste ontmoeting met de Japanners werden de Nederlandse torpedobootjager Kortenaer en de Britse torpedobootjager Electra tot zinken gebracht. De Britse kruiser Exeter raakte zwaar beschadigd en moest onder escorte van de Nederlandse torpedobootjager Witte de With naar Soerabaja terugkeren.
In de avonduren werden de geallieerde zeestrijdkrachten verder verzwakt toen Amerikaanse torpedobootjagers terugkeerden naar de marinebasis om brandstof en munitie te laden. Een Britse torpedobootjager, HMS Jupiter, ging ten onder toen zij op een eigen zeemijn liep, terwijl de overgebleven jager, HMS Encounter, bevolen werd om terug te keren naar Soerabaja na de overlevenden van de tot zinken gebrachte Kortenaer te hebben opgepikt. Nadat Doorman de vier overgebleven kruisers weer op linie had gebracht met zijn bericht All ships - follow me (later geromantiseerd tot Ik val aan, volgt mij!), werd de zoektocht naar de Japanse invasievloot voortgezet.
Even voor middernacht ontmoette de vloot twee Japanse kruisers, die de kruiser De Ruyter en de kruiser Java tot zinken brachten. De bevelhebber van de Combined Striking Force, Karel Doorman, die zijn commando voerde vanaf Hr. Ms. De Ruyter, ging ten onder met zijn vlaggenschip. HMAS Perth en de Amerikaanse kruiser Houston konden ontsnappen, en zetten koers naar Tandjong Priok.
Bij een poging om in de nacht van 28 februari op 1 maart 1942 uit de Javazee te ontsnappen stuitten HMAS Perth en de USS Houston in de Baai van Bantam op de invasievloot. De vloot lag daar voor anker om troepen aan wal te zetten. In de Slag in de Straat van Soenda die volgde, werden de geallieerden na ruim een uur door torpedo's tot zinken gebracht.
Op 1 maart 1942 werden ook HMS Exeter en de twee geallieerde torpedojagers in de Javazee onderschept, bij een poging om naar Colombo uit te wijken. Japanse vliegtuigen, zware kruisers en torpedojagers brachten de drie schepen met artillerievuur, torpedo's en bommen tot zinken.
Gevolgen
De pogingen om de landing van Japanse troepen op Java te verhinderen waren mislukt. De geallieerden hadden met hun ter beschikking staande zeestrijdkrachten geen kans gekregen om de Japanners te onderscheppen. Voor een groot deel was dit het gevolg van onvoldoende luchtsteun. De geallieerden waren evenmin in staat geweest om samen te oefenen en gezamenlijk tactische en verbindingsvoorschriften op te stellen, waardoor het collectief optreden zeer moeilijk verliep. In de zeeslag in de Javazee sneuvelden ruim 1000 man aan geallieerde zijde, waaronder ongeveer 900 Nederlanders, terwijl de Japanners ongeveer tien man verloren. De hoge verliezen aan Nederlandse zijde waren vooral te wijten aan de ontploffing van de munitie wanneer hun schepen vergingen. Bovendien waren de bemanningen doodop door de voortdurende wekenlange strijd op zee.
De slag vond op 27 februari plaats. Rekent men de verliezen op 1 maart ook bij deze slag, dan bedraagt het aantal gesneuvelden ruim 2000.
Nagedachtenis
Toentertijd nog Prins Willem-Alexander bij de plaquette van Karel Doorman in de Kloosterkerk tijdens de herdenking in 2012
De omgekomen commandant van de USS Houston, Albert Harold Rooks en Edward Parker, commandant van de 59e Divisie torpedobootjagers van de Amerikaanse marine, werden, net als Karel Doorman, voor hun moed, beleid en trouw in de Militaire Willems-Orde opgenomen.
Naar Karel Doorman zijn bij de Koninklijke Marine in de afgelopen jaren drie schepen genoemd: de enige twee vliegdekschepen die Nederland ooit heeft gehad en de naamgever van de Karel Doormanklasse fregatten. Bij de 70-jarige herdenking van de Slag in de Javazee in 2012 kondigde de commandant zeestrijdkrachten viceadmiraal Borsboom aan dat het toekomstige joint support ship van de marine ook Doormans naam gaat dragen.
De scheepswrakken van drie kruisers en de Hr. Ms. Kortenaer werden in 2002 door amateurduikers ontdekt in de buurt van het eiland Bawean. De Hr.Ms. De Ruyter lag op 69 meter diepte.De wrakken lagen op ongeveer 100 kilometer vanaf de kust van Java.[3] De drie scheepswrakken bleken in 2016, bij de voorbereiding van een herdenking in 2017, verdwenen te zijn. Waarschijnlijk zijn de schepen illegaal geborgen om het schroot ervan te verkopen.Eerder, in 2013, bleek een Nederlandse onderzeeboot, de O-16, ook verdwenen. Deze boot lag voor de kust van Maleisië.

Japanse kruiser Haguro die Hr.Ms. kruiser De Ruyter tot zinken bracht, waarbij schout-bij-nacht Karel Doorman omkwam.

Japanse kruiser Haguro die Hr.Ms. kruiser De Ruyter tot zinken bracht, waarbij schout-bij-nacht Karel Doorman omkwam.
Datum 27 februari 1942
Locatie Javazee, Nederlands-Indië
Resultaat Beslissende Japanse overwinning
Strijdende partijen
US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy
Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy
Naval Ensign of Australia.svg Royal Australian Navy Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Leiders en commandanten
Flag of the Netherlands.svg Karel Doorman †
Flag of the Netherlands.svg Conrad Helfrich Flag of Japan (1870-1999).svg Takeo Takagi
Troepensterkte
2 zware kruisers
3 lichte kruisers
9 torpedobootjagers[1] 2 zware kruisers
2 lichte kruisers
14 torpedobootjagers
10 transportschepen[1]
Verliezen
2 kruisers gezonken
3 torpedojagers gezonken
2.300 zeelieden gedood 1 torpedojager beschadigd
4 transportschepen gezonken
Portaal Portaalicoon Marine
Grote Oceaan
Pearl Harbor · Ambon · Marshall- en Gilberteilanden · Javazee (1) · Javazee (2) · Singapore · Doolittle · Koraalzee · RY · Aleoeten · Midway · Guadalcanal · Golf van Leyte · Iwo Jima · Okinawa

 

 

USS Houston beschikte over 9 kanonnen van 200 mm

 

HMS Exeter ligt onder vuur

 

 

 

Toentertijd nog Prins Willem-Alexander bij de plaquette van Karel Doorman in de Kloosterkerk tijdens de herdenking in 2012

6-Japan in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5---6---7