Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

5-Japan in de Tweede Wereldoorlog

Aanleiding tot de II Wereldoorlog in de Grote Oceaan 

Japan werd na de Eerste Wereldoorlog als een koloniale macht erkend en kende een relatief rustige periode tijdens de jaren twintig. Wanneer de westerse economie begon te sputteren en in 1929 in een depressie raakte, namen de westerse landen maatregelen die de eigen koloniale markten moesten beschermen. In Japan, dat de eigen uitvoer en de aanvoer van onmisbare grondstoffen bedreigd zag, werd expansie door verschillende strekkingen als enige uitweg gezien om de Japanse belangen veilig te stellen. Een opeenvolging van verscheidene gebeurtenissen zorgde er uiteindelijk voor dat Japan in een oorlog belandde waarin het land het zou moeten opnemen tegen een overmacht bestaande uit onder andere de VS, China en Groot-BrittanniŽ.
De Conferentie van Washington (1921-1922)
De International Conference on Naval Limitation was eerst en vooral een poging om te streven naar een bewapeningsevenwicht tussen de drie grote mogendheden in de regio van de Stille Zuidzee : Groot-BrittanniŽ, de Verenigde Staten en Japan.
Naast deze maritieme ontwapeningsgesprekken werden een aantal besprekingen gevoerd waarbij ook andere landen betrokken waren die belangen hadden in de gebieden rond de Stille Oceaan; BelgiŽ, Nederland, Portugal, Frankrijk, ItaliŽ en China. Tijdens de Conferentie werden een aantal verdragen getekend waarvan vooral het Viermogendhedenverdrag (四ヵ国条約, Yonkakoku Jōyaku, 13 december 1921) en het Negenmogendhedenverdrag (九カ国条約, Kyūkakoku Jōyaku, 6 februari 1922) moesten zorgen voor een status quo in de regio. Belangrijk was ook het feit dat de ondertekenaars China onafhankelijkheid garandeerden en beloofden om geen verdere expansie ten koste van China na te streven. De Japanse aanwezigheid in Mantsjoerije werd erkend, alsook elkaars recht op gelijke economische belangen. China beloofde van zijn kant om geen enkel van de deelnemende landen economisch te bevoordelen. Dit betekende dat deze landen economische activiteiten in China mochten ontplooien zonder dat een van de landen het economische monopolie in een bepaalde regio zou verwerven.
Deze verdragen zouden leiden tot het Vijfmogendhedenverdrag waarin de VS, Groot- BrittanniŽ, Japan, Frankrijk en ItaliŽ zich er toe verbonden om de maritieme bewapeningswedloop stop te zetten.
Door deze verdragen zou in de regio een periode van rust en stabiliteit aanbreken, die zou duren tot het einde van de jaren twintig.

1922 Washington Conference - islands not to be fortified further

Economische crisis
Na de Eerste Wereldoorlog werd Japan door Europa en de VS erkend als een koloniale macht en kreeg het de controle over de Duitse kolonie Tsingtao (nu Qingdao) en een aantal Duitse eilanden in de Stille Oceaan. Tot het einde van de jaren twintig trachtte Japan een liberale politiek te volgen en trachtte het goede betrekkingen met Groot-BrittanniŽ en de VS te onderhouden. Toen de Westerse economie in een depressie raakte, begonnen de Westerse mogendheden echter protectionistische maatregelen te nemen ter bescherming van de eigen koloniale markten. Japan zag plots de eigen uitvoer en de invoer van levensnoodzakelijke grondstoffen bedreigd. De Japanse economie kreunde onder het gebrek aan ruwe grondstoffen, de snel groeiende Japanse bevolking en de Westerse handelsblokkade.
Het idee van een verenigd AziŽ onder het gezag van de Japanse keizer, dat reeds in de jaren twintig opgang maakte, won beduidend veel terrein. De Japanse leiders begonnen meer en meer te denken aan een politiek waarbij het land niet langer afhankelijk zou zijn van ingevoerde grondstoffen. De Japanse belangen konden niet langer worden veilig gesteld door te streven naar samenwerking met westerse landen. Militaire expansie naar grondstofrijke landen werd gezien als een noodzakelijke oplossing.
De invasie van Mantsjoerije
In 1931 leidden schermutselingen met het Chinese leger in Zuid-Mantsjoerije tot een Japanse invasie van het hele gebied. Hierdoor ging Japan zich nog meer isoleren binnen de internationale gemeenschap. De Chinese leiders zagen in de gebeurtenissen een bedreiging van de internationale rechtsorde. De Japanners zagen de militaire actie als een gerechtvaardigde reactie op wat zij omschreven als Chinese aanvallen op de rechten van de ondertekenaars van het Negenmogendhedenverdrag. Aangezien de Japanse acties zich verder uitbreidden tot Binnen-MongoliŽ, was deze stelling niet lang vol te houden. In oktober 1931 stemde de Volkenbond een resolutie waarin de terugtrekking van de Japanse troepen werd geŽist. De resolutie was voor het land dan ook het sein om in 1933 uit de organisatie te treden.
Nu Japan een aanzienlijk stuk Chinees grondgebied controleerde, wou het voorlopig de vijandelijkheden staken en verwachtte het van de westerse mogendheden dat zij de ordehandhaving in Oost-AziŽ aan Japan zouden overlaten. Tokio gaf daarbij de garantie dat het de rechten van de andere landen in China zou respecteren. De Japanners waren ervan overtuigd dat de vrede in het Stille Oceaangebied kon bewaard blijven indien de VS de nieuwe situatie zouden erkennen. In 1934 gingen de Japanners nog een stap verder door te eisen dat de in de Conferentie van Washington (Washington Naval Conference) vastgelegde vlootverhoudingen zouden worden herzien. De VS weigerden op beide eisen in te gaan en beschouwden ze als schendingen van de verdragen die gedurende bijna tien jaar voor rust in de regio hadden gezorgd

De Tweede Chinees-Japanse oorlog
In 1937 werd een klein conflict net buiten Peking aangegrepen om China binnen te vallen. Het incident bij de Marco Polo-brug was het begin van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog (1937-1945). De Chinese nationalisten en communisten zouden daarbij zij aan zij de Japanners bevechten. De communisten werden daartoe aangezet door Stalin, die Japan als een bedreiging voor zijn grenzen in het Verre Oosten zag en daarom ook met wapenleveringen aan de Chinezen begon. Zelfs Nazi-Duitsland zou aanvankelijk hulp sturen, maar uiteindelijk zou Hitler in 1938 de kant van de Japanners kiezen.
China zocht hulp bij de internationale gemeenschap. De Verenigde Staten hadden voordien reeds geweigerd om de onafhankelijkheid van het door Japan gedomineerde Mantsjoerije te erkennen en reageerden nu, samen met Rusland en de andere westerse landen, door de regering van Tsjang Kai Sjek aanzienlijke economische hulp aan te bieden. Bovendien werd een embargo op voor Japan onmisbare grondstoffen ingesteld. Van een militaire tussenkomst was geen sprake.
In 1940 was de oorlog in een patstelling beland. Geen van beide partijen slaagde erin om de andere haar wil op te leggen. De Westerse interventie in de vorm van economische sancties zou de aanleiding vormen tot de Japanse aanval op Pearl Harbor

Duitsland
In september 1940 trad Japan toe tot de Asmogendheden. Duitsland had tot dan een voorzichtige politiek gevoerd t.o.v. China en Japan. Het steunde China met wapenleveranties en het zenden van militaire adviseurs. Met Japan had het in 1936 het Anti-Kominternpact gesloten, waarbij beide landen elkaar steun beloofden in hun strijd tegen het communisme. In 1938 koos Hitler definitief de kant van de Japanners. Een sterke Japanse aanwezigheid in de Stille Oceaan zou de Sovjet-Unie en Groot-BrittanniŽ voldoende bezighouden om hen te beletten om in Europa tussenbeide te komen wanneer Duitsland Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije zou bezetten. Het Drielandenpact was voor de Anglo-Amerikaanse alliantie het sein om haar houding te verscherpen.
De ABCD-coalitie
Na de Japanse inval in Indochina op 22 september 1940 werd een Amerikaans uitvoerverbod voor ijzer en staal naar Japan ingesteld. Nederland weigerde in te gaan op de Japanse eis om olie en andere grondstoffen te leveren. Engeland volgde door de Burma-route terug open te stellen voor leveringen aan China. De Japanse media noemden dit de ABCD-blokkade (American-British-Chinese-Dutch). Japanse diplomatieke pogingen om de ABCD-coalitie te verzwakken door met de Verenigde Staten apart te onderhandelen, mislukten. De ABCD-samenwerking werd in 1941 nog steviger verankerd. De Japanse activa in de VS, Groot-BrittanniŽ en Nederland werden bevroren. Voor Japan, dat vooral de grondstoffen voorraden in Nederlands-IndiŽ niet kon missen, werd militair ingrijpen stilaan de enige optie. Met de ondertekening van een Japans-Russisch neutraliteitsverdrag in april 1941 kon Japan verscheidene divisies die aan de Russische grens waren gestationeerd vrijmaken voor een stilaan onafwendbare oorlog in de Stille Oceaan.
Pearl Harbor
In 1941 waren de spanningen tussen de VS en Japan toegenomen. De Chinees-Japanse oorlog, de Japanse gesprekken met de asmogendheden en de duidelijke dreiging van een Japanse expansie naar de grondstofrijke kolonies van Engeland, Frankrijk en Nederland, lagen aan de basis van deze toestand.
Voor Japan was het ondenkbaar dat het zou toestemmen in een smadelijke terugtrekking uit China. Een oorlog om het grondstoffenembargo op te vangen werd nu heel ernstig overwogen en in juli 1942 werd besloten om tot verdere expansie in noordelijke of zuidelijke richting over te gaan. Een cruciale factor in deze plannen was de aanval op Amerikaanse basissen in de Stille Oceaan. De uitschakeling van deze basissen zou Japan in een eerste fase genoeg tijd geven om voldoende grondgebied te veroveren en zich daar stevig te verankeren. In een tweede fase zou het dan proberen om via onderhandelingen de nieuwe machtsverhoudingen in deze gebieden te consolideren.
Ondertussen probeerden Japanse diplomaten nog steeds een oplossing met de Amerikanen te onderhandelen. Ondanks hun groeiende steun aan Engeland en China bleven de VS onder Roosevelt hun isolationistische politiek aanhouden. De publieke opinie kon zich wel vinden in materiŽle en diplomatieke steun aan de door Japan bedreigde landen, maar stond nog steeds afkerig tegenover een militaire interventie, in zowel de Stille Oceaan als in Europa. De diplomatieke gesprekken raakten heel vlug in een impasse en Japan besloot om tot verdere actie over te gaan. Op 7 december 1941 werd de Amerikaanse marinebasis in Pearl Harbor aangevallen. Binnen de daaropvolgende 24 uur werden aanvallen uitgevoerd op de Britse koloniŽn Malaya en Hong Kong en op de Amerikaanse basissen op de Filipijnen, Guam, Wake Island en Midway.
Op 8 december 1941 ondertekende Roosevelt een oorlogsverklaring aan Japan.

Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki

De atoombomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki zijn twee aanvallen met atoombommen die in 1945 door de Amerikaanse luchtmacht zijn uitgevoerd. Op 6 augustus werd de Japanse havenstad Hiroshima gebombardeerd en op 9 augustus de stad Nagasaki. Kort daarna capituleerde Japan onvoorwaardelijk. Hiermee kwam een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Tevens leidden de atoombomaanvallen tot de onafhankelijkheid van de Aziatische landen die Japan tijdens de oorlog had veroverd.
Eind 1945 waren als gevolg van de aanvallen circa 250.000 mensen om het leven gekomen. Als gevolg van stralingsziekte en kanker zouden nog enige honderdduizenden slachtoffers zijn gevallen.
Achtergrond
Nadat Leů SzilŠrd en Albert Einstein president Roosevelt schriftelijk waarschuwden dat Hitler mogelijk een nieuwe bom ontwikkelde die in ťťn klap hele steden kon vernietigen, begonnen de Amerikanen in 1939, aanvankelijk nog op bescheiden schaal, aan het zogeheten Manhattanproject met als doel een atoombom te ontwikkelen en voldoende splijtbaar materiaal te produceren voor zo'n bom. In 1943 werd het onderzoek grotendeels naar Los Alamos verplaatst. Amerikaanse wetenschappers haastten zich om de kracht van de atoomkern te ontsluiten omdat gevreesd werd dat nazi-Duitsland aan een kernbom werkte. Dit was inderdaad zo, maar het Duitse project is nooit goed van de grond gekomen en toen Duitsland op 8 mei 1945 capituleerde had nog geen enkel land een werkend prototype voltooid. Op 16 juli vond de eerste test-explosie plaats (Trinity). Vervolgens kwamen twee atoombommen gereed voor gebruik, namelijk een uraniumbom (Little Boy) en een plutoniumbom (Fat Man). Er zou lang zijn nagedacht of deze bommen ook ingezet moesten worden. Veel geleerden als Jůzef Rotblat waren tegen: de bom was ontwikkeld om Hitler voor te zijn, maar nu was Duitsland verslagen. Uiteindelijk besloten de VS de bom tegen Japan te gebruiken. Het hierbij gehanteerde argument was dat een atoombomaanval de oorlog met Japan zou bekorten waardoor onder meer veel Amerikaanse soldatenlevens gespaard zouden blijven. De Amerikaanse ervaringen op Okinawa speelden hierbij een belangrijke rol. Tijdens de slag om Okinawa (van 1 april tot 21 juni 1945) hadden de Amerikanen als gevolg van felle Japanse tegenstand en kamikazeaanvallen onverwacht hoge verliezen geleden. Het Amerikaanse leger redeneerde dat het veroveren van het vasteland van Japan op vergelijkbare tegenstand zou stuiten en nog veel meer doden zou kosten.
Inzet
AtomicEffects-p7a.jpg
Hiroshima voor de bom
AtomicEffects-p7b.jpg
Hiroshima na de bom
Op 10 mei, twee dagen na de capitulatie van nazi-Duitsland, begon te Los Alamos een tweedaags overleg over mogelijke doelwitten van atoombomaanvallen op Japan. Gekozen werd in eerste instantie voor Yokohama, Hiroshima, Kokura, Niigata en Kioto.[1] De laatste stad werd geschrapt omdat in deze stad veel historische tempels stonden. Het pleidooi voor het schrappen van Kioto als doel wordt gewoonlijk toegeschreven aan japanoloog Edwin Reischauer, maar deze heeft dat ontkend. Volgens Reischauer zou Henry Stimson, die er enkele decennia eerder zijn huwelijksreis had gemaakt, Kioto van de lijst hebben geschrapt. Uiteindelijk viel de keuze op Hiroshima. Deze stad had een belangrijke industriŽle en militaire betekenis en was tijdens de voorafgaande conventionele bombardementen redelijk gespaard gebleven, zodat het effect van een atoombomaanval goed zou kunnen worden nagegaan. De omringende bergen zouden de kracht van de explosie gedeeltelijk focussen op de stad waardoor de verwoesting nog heviger zou zijn. Bovendien was dit de enige grote Japanse stad zonder krijgsgevangenenkamp, zodat er geen slachtoffers onder de eigen troepen zouden vallen.
Van 17 juli tot 2 augustus vond in Berlijn de conferentie van Potsdam plaats. Een dag eerder hadden de Amerikanen met succes een proefexplosie uitgevoerd, de Trinity-test. De Amerikaanse president Harry S. Truman was opgetogen wegens het goede nieuws en meldde tijdens de conferentie aan de Russische dictator Jozef Stalin dat hij een nieuw en krachtig wapen tot zijn beschikking had. Stalin, die ironisch genoeg dankzij Sovjet-spionage lang voor Truman op de hoogte was dat de Amerikanen een atoomwapen ontwikkelden, moedigde Truman aan om alle mogelijke wapens te gebruiken om de oorlog zo snel mogelijk te beŽindigen. Op 26 juli werd de verklaring van Potsdam uitgegeven. Hierin legden de leiders van de landen die tegen Japan vochten, Harry S. Truman, Winston Churchill en de Chinese leider Chiang Kai-shek, de voorwaarden voor de Japanse overgave vast. Bepaald werd dat Japan zich onvoorwaardelijk zou moeten overgeven, daar het anders direct en totaal zou worden verwoest. Maar voor de Japanners was een onvoorwaardelijke overgave ondenkbaar, omdat zij vreesden voor de goddelijke positie van de keizer (kokutai). Zonder dat de Japanners het beseften werden de voorbereidingen voor de eerste atoombomaanval in de geschiedenis afgerond. Het gebruik van de atoombom moet ook in een ruimere context bekeken worden. Zonder de oorlog in Japan zou de VS niet snel een mogelijkheid krijgen om de impact van het wapen te tonen aan de wereld, en meer bepaald aan Moskou. Deze gebeurtenis kadert dus ook in de oplopende spanningen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
Hiroshima
President Truman maakt de atoombom op Hiroshima bekend.
Vista-kmixdocked.png 
MENU0:00
(download∑info)
Een team onder leiding van Paul Tibbets vloog de bom Little Boy op 6 augustus in de B-29 bommenwerper Enola Gay van Tinian naar Hiroshima en wierp de bom op 9500 meter hoogte boven de stad af. De explosieve kracht bedroeg ongeveer 63 terajoule, wat overeenkomt met 15 kiloton TNT. Tijdens de aanval had de stad ongeveer 255.000 inwoners. Toen Little Boy om 8.15 uur explodeerde, kwamen vrijwel direct 78.000 mensen om het leven als gevolg van de enorme drukgolf en de intense hitte die bij de explosie vrijkwam. Een vergelijkbaar aantal mensen raakte gewond. In de daaropvolgende dagen stierven nog veel mensen als gevolg van stralingsziekte.

Het duurde enkele uren voordat men zich elders in Japan realiseerde dat in Hiroshima iets verschrikkelijks was gebeurd. De uitzending van de nationale omroep was in Hiroshima weggevallen, de belangrijkste telegraaflijn van het land was iets ten noorden van de stad verbroken, en vanuit kleine spoorwegstations in de buurt kwamen verwarde berichten over een enorme explosie die zou hebben plaatsgevonden. Ook de verbindingen met het militaire hoofdkwartier in Hiroshima leken weggevallen. Pas nadat vanuit Tokio een verkenningsvliegtuigje met een piloot en een stafofficier naar de stad was gestuurd, werd duidelijk dat zich daar een ramp van ongekende omvang had voorgedaan. Al op 160 kilometer van de stad was een enorme rookkolom zichtbaar, meldde de tweekoppige bemanning. Het vliegtuig cirkelde rond de stad, landde iets ten zuiden ervan, waarna de officier de verwoestingen rapporteerde aan het hoofdkwartier in Tokio.
Japan wenste zich echter nog niet onvoorwaardelijk over te geven. De Japanse regering wilde aan overgave vier voorwaarden stellen:
behoud van de goddelijke positie van de keizer;
ontwapening en demobilisatie onder verantwoordelijkheid van het keizerlijk hoofdkwartier;
geen Amerikaanse bezetting; en
de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers zou aan de Japanse regering moeten worden toevertrouwd.
Nu Japan zich nog steeds tegen onvoorwaardelijk overgave verzette besloten de Amerikanen een tweede atoombom af te werpen, ditmaal boven Kokura.
Nagasaki
Een team onder leiding van Charles Sweeney ging op 9 augustus in de B-29 Bockscar met de bom Fat Man op weg naar Kokura, waar zich veel oorlogsindustrie bevond. Boven Kokura hing echter veel bewolking en Sweeney had opdracht de aanval op zicht uit te voeren. Nadat drie aanlopen waren afgebroken, werd uitgeweken naar het alternatieve doel, Nagasaki. Omdat ook daar het zicht slecht was, werd het doelwit gemist. Bommenrichter Frederick Ashworth wierp de bom af op ongeveer drie mijl van het doelwit. Daardoor vond de explosie gedeeltelijk boven dunbevolkt gebied plaats.
Bij de aanval vielen 39.000 doden en 25.000 gewonden, aanzienlijk minder dan bij de aanval op Hiroshima. 9 van de slachtoffers waren Nederlanders. Dat waren allen krijgsgevangenen.
Capitulatie
Bovendien was de Sovjet-Unie op 8 augustus, ondanks het non-agressiepact dat het met Japan ondertekend had, Mantsjoekwo (Mantsjoerije) binnengevallen. De regering van Japan besloot na dit alles te capituleren op voorwaarde dat de soevereiniteit van de keizer erkend zou worden. De Geallieerden lieten echter weten dat de regeringsvorm na het beŽindigen van de oorlog slechts door de wil van het volk zou worden bepaald.
Op 12 augustus besloot keizer Hirohito tot de overgave. Bij de vergaderingen hierover werden de atoombommen nauwelijks genoemd.
Hirohito nam op 14 augustus een radiorede op, die de volgende dag werd uitgezonden. In deze historische toespraak, ook wel de 'gyokuonhoso' oftewel 'uitzending van de keizerlijke stem' genoemd, richtte de keizer zich voor het eerst in de Japanse geschiedenis rechtstreeks tot het volk. De toespraak zorgde voor enige verwarring onder de luisteraars. De keizer sprak namelijk in verouderd Japans, dat voor de gewone Japanner moeilijk te verstaan was en de kwaliteit van de geluidsopname was niet al te best. Bovendien had de keizer het niet over overgave, maar over 'het aanvaarden van de Verklaring van Potsdam'. De conservatieve krachten binnen de legertop voelden ondanks de twee atoombommen nog steeds niets voor een dergelijke oneervolle overgave en hadden de avond voordien nog geprobeerd de grammofoonplaat met de toespraak erop te vernietigen. Saillant detail: volgens geruchten zou de opname vanuit het paleis in een wasmand met damesondergoed naar de radiostudio gesmokkeld zijn. Het capitulatiekabinet van Suzuki Kantaro trad af en werd opgevolgd door het Higashikuni Nomiya, aangesteld door de keizer.
Op 2 september werd de overgave van Japan officieel ondertekend aan boord van de USS Missouri, een Amerikaans slagschip in de baai van Tokyo. Voor Japan tekenden de minister van Buitenlandse Zaken Mamoru Shigemitsu en generaal Umezu Yoshijiro, voor de Verenigde Staten tekende generaal Douglas MacArthur.
Slachtoffers
Bestand:Medical aspect, Hiroshima, Japan, 1946-03-23, 342-USAF-11034.ogv
Beeld van enkele slachtoffers; de honderdduizenden overlevenden kampten met zware verminkingen, grote brandwonden, diverse vormen van kanker
In de jaren na de aanval op Hiroshima was kanker de belangrijkste doodsoorzaak. Ook het aantal miskramen in het gebied rond Hiroshima vertoonde een sterk stijgende lijn. Door de na-effecten als gevolg van de ioniserende straling liep het dodental uiteindelijk op tot ongeveer 140.000 eind 1945. Volgens een in 2004 afgerond onderzoek door de gemeente Hiroshima, heeft Little Boy in totaal 237.062 levens gekost. In Nagasaki zouden nog zo'n 70.000 mensen zijn omgekomen, onder meer als gevolg van leukemie.
Hibakusha
De overlevenden van de beide atoombomaanvallen worden hibakusha (被爆者) genoemd. Op 31 maart 2007 telde Japan 251.834 hibakusha. In Japan bestond aanvankelijk weinig kennis over de effecten van nucleaire straling, en de overlevenden werden gediscrimineerd. In 1956 richtten zij een vereniging op, Nihon Hidankyo, die bij de overheid een toelage afdwong. Als hibakusha worden beschouwd;
mensen die zich op het moment van de aanval binnen een paar kilometer van het hypocentrum bevonden,
mensen die zich in de eerste twee weken na de aanvallen binnen twee kilometer van het hypocentrum bevonden,
mensen die zijn blootgesteld aan fall-out,
baby's van zwangere vrouwen uit elk van de categorieŽn hierboven.
Een deel van de hibakusha werd in de Verenigde Staten aan de gevolgen van de atoombomaanvallen behandeld. Hibakusha strijden ook tegen atoombewapening.
Tot de overlevenden behoorden ook circa veertigduizend Koreaanse dwangarbeiders, die na de oorlog vrijwel allemaal naar Korea terugkeerden. Bij een verdrag dat in 1965 werd gesloten zag Zuid-Korea af van schadevergoeding. In 2005 werd de Japanse regering echter veroordeeld tot schadevergoeding aan veertig van de Koreaanse slachtoffers.
Herdenkingen, musea
Zowel in Hiroshima als in Nagasaki werd in 1955 een vredespark ingericht en een museum gebouwd dat gewijd is aan de atoombomaanval. Hiroshima heeft daarnaast een vredesmonument dat bestaat uit de ruÔne van een tentoonstellingsgebouw dat als een van slechts enkele gebouwen in het centrum van de stad de aanval doorstond.
Op 9 augustus 1996, precies 51 jaar na de aanval, werd in Nagasaki een nieuw museum geopend.
De aanvallen op Hiroshima en Nagasaki worden ter plaatse elk jaar herdacht. De namen van de in het afgelopen jaar overleden hibakusha worden jaarlijks aan de cenotaven toegevoegd.

De paddenstoelwolk boven Hiroshima

De paddenstoelwolk boven Nagasaki

 

Nagasaki voor en na de bom

Slachtoffer van de atoombom, 1945

 

Hiroshima na het bombardement

 

 

 

 

De overgave van Japan op de USS Missouri

Japanse bezetting van Nauru

De Japanse bezetting van Nauru duurde van 26 augustus 1942 tot 13 september 1945. Het kleine Pacifische eiland Nauru, dat in 1940 3553 inwoners had en door AustraliŽ werd geregeerd, werd door Japan veroverd tijdens de Slag om de Salomonseilanden. De verovering van het eiland had twee voordelen: er werd fosfaat gewonnen, en er was een mogelijkheid om een militaire basis met een vliegveld in te richten.

De fosfaatwinning, die in 1906 was begonnen, was gestopt door Duitse aanvallen in december 1940. De Japanse bezetters slaagden er niet in de winning weer op gang te brengen. Wel bouwden ze een militaire basis voorzien van bunkers, een ondergronds ziekenhuis, en een landingsbaan die later uitgegroeid is tot het Internationale vliegveld van Nauru (IATA-luchthavencode INU). De basis was van groot belang voor de Japanse verdediging in de Stille Oceaan en werd verschillende keren gebombardeerd door de Amerikaanse luchtmacht. Er werd echter afgezien van een invasie, vanwege de te verwachten verliezen en de geringe militaire waarde van het eiland voor de geallieerden. Nauru was zo een voorbeeld van de Leapfrogging-strategie, waarbij men de Japanse bezetters van sommige eilanden wel neutraliseerde maar verder links liet liggen.

De bevolking van het eiland leed zwaar onder de bezetting. Er heerste hongersnood, en een groot deel van de bevolking werd gedeporteerd naar de Chuukeilanden. Het Japanse regiment op Nauru gaf zich pas over op 13 september 1945, 11 dagen nadat de capitulatie van Japan ondertekend werd. AustraliŽ nam het bestuur weer in handen, totdat Nauru in 1968 onafhankelijk werd.

Afbeeldingsresultaat voor Japanse bezetting van Nauru

Amerikaans bombardement op Nauru in 1943

9 maart 1945: Tokio, het zwaarste luchtbombardement uit de hele Tweede Wereldoorlog

SUMIDA-KU - Dresden, Hamburg, Berlijn, Londen, Coventry, Hiroshima en Nagasaki. Slechts enkele namen van steden die synoniem zijn voor grootschalige verwoesting en de massale vernietiging van mensenlevens door bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. En dan is daar nog Tokio, waar in maart 1945 zowat evenveel slachtoffers vallen als in Hiroshima en Nagasaki samen.

Tokio was in de voorgaande jaren al en paar keer doelwit geweest, als in de nacht van 9 op 10 maart 1945 de Amerikanen het meest verwoestende bombardement van de Tweede Wereldoorlog op de stad uitvoeren.

Kokende en smeltende stad
De Amerikaanse luchtvloot bestaat uit 334 hypermoderne B-29 Superfortress bommenwerpers die 1700 ton aan bommen droppen, hoofdzakelijk napalmbommen. Die zetten in een gebied van zo'n 41 vierkante kilometer alle Japanse huizen, voornamelijk opgetrokken uit hout en rijstpapier, in vuur en vlam. In het inferno op de grond koken de riviertjes, smelten stalen constructies en komen ruim 100.000 mensen om.

Architect van de vernietiging
Generaal Curtis LeMay, de bedenker van de strategie om Japan vooral met brandbommen aan te vallen, verdedigt het vernietigen van woonwijken met het argument dat daar kleine fabriekjes en werkplaatsen waren gevestigd die werkten voor het Japanse leger. Hij verdient met die aanpak de bijnaam 'Bombs away LeMay'.
Maar de strijd in de Pacific was op dat moment al tijden een nietsontziende vernietigingsoorlog met Japanse soldaten die zich op versterkte eilanden doodvochten en de Amerikanen die het credo 'de enige goede Jap is een dode Jap' hanteerden.

Bijna net zoveel slachtoffers als door twee atoombommen
De aanval met brandbommen kost volgens Japanse en Amerikaanse schattingen zo'n 100.000 mensen het leven, al komt een Japanse onderzoeker jaren na de oorlog met een nog hoger cijfer, namelijk zo'n 125.000 doden. En dat is bijna evenveel als het totaal aantal slachtoffers van de aanval met atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Die aanvallen kostten zo'n 129.000 levens.

Na de oorlog zijn de asresten van de slachtoffers bijgezet in Yokoamicho park; een monumentale plek van herdenking en bezinning.

Tokyo 1945-3-10-1.jpg

 

Tokyo kushu 1945-2.jpg

Dodenspoorlijn

De Dodenspoorlijn (Death Railway), ook wel Birmaspoorweg of Birma-Siamspoorweg, is de bijnaam gegeven door geallieerde krijgsgevangenen in de Tweede Wereldoorlog aan de spoorlijn die zij gedwongen werden aan te leggen tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyauzayat in Myanmar (Birma). Het werk aan de spoorlijn begon op 16 september 1942 en werd 16 maanden later voltooid, ondanks berekeningen van Japanse ingenieurs dat het minimaal 5 jaar zou duren om de 415 kilometer lange en 1 meter brede spoorlijn aan te leggen. De Japanners maakten hiervoor op grote schaal gebruik van dwangarbeid.

Tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 75 arbeiders; 15 000 krijgsgevangenen stierven aan uitputting, ziekte en ondervoeding. Onder hen waren 7 000 Britten, 4 500 AustraliŽrs, 131 Amerikanen en bijna 3 000 Nederlanders. Onder de westerse krijgsgevangenen waren veel KNIL-militairen en Nederlanders uit toenmalig Nederlands-IndiŽ. Ook stierven ongeveer 100.000 Thaise en Indonesische romoesja's en ook Birmaanse en Maleisische dwangarbeiders bij de aanleg door het moeilijke gebied. Na de voltooiing van de spoorweg in december 1943 bestond het werk uit onderhoud en reparatie van schade door geallieerde bommenwerpers. De werkkampen lagen vaak naast vitale punten van de spoorweg, waardoor bombardementen ook veel slachtoffers en gewonden onder de dwangarbeiders veroorzaakten.

De doden, die aanvankelijk langs de spoorweg werden begraven, zijn later (her)begraven op drie erevelden: Chungkai en Kanchanaburi in Thailand en Thanbyuzayat in Birma. Deze werden aangelegd op initiatief van de Commonwealth War Graves Commission, de Britse zusterorganisatie van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.

Veel overlevenden ondervonden later geestelijke problemen. Ook hun nazaten hebben nog problemen gehad: het zogenaamde tweedegeneratiesyndroom. Een van de bekendste bewoners van een van de kampen van arbeiders die aan de spoorlijn moesten werken was de Nederlandse cabaretier Wim Kan. Hij was er hulpje van de kamparts en hoefde dus zelf niet aan de spoorlijn te werken.

De eerste trein die over de spoorlijn reed was een bordeeltrein voor Japanse officieren.

In het westen is de spoorlijn voornamelijk bekend van de film The Bridge on the River Kwai. Tegenwoordig is de lijn nog in gebruik tot aan Nam Tok in de provincie Kanchanaburi. De spoorlijn volgt na de brug bij de stad Kanchanaburi voor een groot gedeelte de loop van Kwai Noi-rivier.

Route van de Dodenspoorlijn

Route van de Dodenspoorlijn
Totale lengte 415 km
Spoorwijdte 1067 mm en 1000 mm
Begin aanleg door geallieerde krijgsgevangenen, Thaise en Indonesische romoesja's
Huidige status deels buiten gebruik
GeŽlektrificeerd nee
Aantal sporen 1

Eenheid 731

Eenheid 731 (Japans: 731部隊) was een geheime divisie van het Japans Keizerlijk Leger, die vanaf 1932 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog actief was in het door Japan bezette Mantsjoerije. De divisie was vermomd als een onderdeel van het Bureau van Waterzuivering van het Kanto-leger en deed onder meer onderzoek naar biologische wapens door middel van experimenten op mensen.
Geschiedenis
Oprichting

Eenheid 731 werd opgericht tijdens de periode na het Mantsjoerije-incident, toen Japan het hele Mantsjoerije-gebied veroverde, en de marionettenstaat Mantsjoekwo in het leven riep. Als nieuwe Japanse kolonie was het gebied erg interessant voor wetenschappelijk onderzoek. Het Kanto-leger, in 1919 opgericht om Japanse belangen en investeringen in Mantsjoerije te beschermen, had namelijk een aanzienlijke vrijheid: het moest alleen verantwoording afleggen aan de Japanse legerleiding en maakte het feitelijke bestuur van het gebied uit. Enkele jaren voor de bezetting van Mantsjoerije was de top van het Japanse leger ervan overtuigd geraakt dat biologische wapens een cruciaal wapen waren tegen het in omvang erg sterke leger van de Sovjet-Unie. Daarvan werd ook gedacht dat het in het bezit was van dergelijke wapens. Wilde Japan in een toekomstige noordelijke gebiedsuitbreiding delen van SiberiŽ veroveren, dan moest het een eigen arsenaal aan biologische wapens bezitten. Mantsjoekwo was de aangewezen plaats voor het leger om hier onderzoek naar te doen, ook al zou dit volledig ingaan tegen het Protocol van GenŤve uit 1925.
De belangrijke figuur die het hele Japanse biologische wapenproject zou leiden was de militaire dokter en bacterioloog Shiro Ishii, die ook op het belang van biologische wapens had gewezen. Hij genoot de steun van prominente figuren zoals de militaire wetenschapper Koizumi Chikahiko, oorlogsminister Araki Sadao, generaal Nagata Tetsuzan, luitenant-kolonel Suzuki Yorimichi en kolonel Kajitsuka Ryuji. Hierdoor was Ishii verzekerd van de financiering van zijn project en kon in 1932 een eerste operatie van start gaan in Mantsjoekwo. In de lente van dat jaar werd een onderzoekslaboratorium in de stad Harbin gevestigd, en enkele maanden later werd ook begonnen aan een groter complex in het afgelegen dorp Beiyinhe. Hier was het mogelijk om in het geheim biologische wapens op mensen te testen. Iets later kreeg Ishii ook in Tokio faciliteiten om onderzoek te doen.
Eenheid 731 stond eerst bekend als de Togo-eenheid, vernoemd naar de bekende admiraal Heihachiro Togo. Later zou die naam nog veranderen in Ishii-eenheid, om pas in 1941 de definitieve omschrijving Eenheid 731 te krijgen. De divisie beschikte aanvankelijk over een jaarlijks budget van 200.000 yen, wat erg veel was voor die tijd, zeker voor iemand zoals Ishii Shiro, met de rang van majoor. Ieder jaar werd het budget van de divisie sterk verhoogd. Het kwam ook niets tekort op het vlak van materieel en personeel, zelfs niet tijdens de moeilijke laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog.
In 1935 vond in Beiyinhe een gevangenisopstand plaats tijdens het Japanse Midden-herfstfestival. In een onbewaakt moment slaagde een aantal gevangenen erin te ontsnappen. Hierdoor kwam de geheimhouding van het complex in Beiyinhe in gevaar. Ongeveer een jaar later ontplofte een opslagplaats van munitie, waardoor verschillende gebouwen grote schade opliepen. Het was stilaan duidelijk geworden: de faciliteit in Beiyinhe was niet langer bruikbaar.
Ishii was echter al klaar om aan een tweede fase van het ontwikkelen van biologische wapens te beginnen. Hij vertelde zijn superieuren dat hij na verschillende jaren onderzoek tot de conclusie was gekomen dat biologische wapens effectief waren voor gebruik in een oorlogssituatie en dat ze in een toekomstig conflict een belangrijke rol te spelen hadden. Ishii pleitte voor een voortzetting van zijn project, dat nog veel omvangrijker en ambitieuzer moest worden dan voorheen.
De legerleiding van het Kanto-leger stemde in met zijn eisen, en in de herfst van 1936 begon men in Ping Fan met de bouw van wat uiteindelijk in 1939 het grootste onderzoekscentrum voor biologische wapens ter wereld zou worden. Ishii werd in augustus 1936 aangesteld als hoofd van het Bureau voor Waterzuivering van het Kanto-leger, nadat een cholerauitbraak een jaar eerder enkele duizenden Japanse soldaten had gedood. Hij gebruikte dit als een handige dekmantel voor zijn hele operatie, waardoor ook op andere locaties van het Bureau voor Waterzuivering in Mantsjoerije, en later ook in China en andere veroverde landen, biologische wapens konden worden getest. Ping Fan werd de hoofdbasis voor deze hele onderneming.
Rol tijdens de oorlog

Bij het uitbreken van de Tweede Chinees-Japanse Oorlog in 1937, had Japan al enige vorderingen gemaakt op het vlak van onderzoek naar en productie van biologische wapens. Tijdens de oorlog met China werden verschillende aanvallen uitgevoerd met biologische wapens. Waterbronnen in onbezette gebieden werden vergiftigd, landbouw vernietigd met herbiciden en dodelijke biologische ziekteverwekkers werden verspreid in verschillende Chinese dorpen en steden met de bedoeling epidemieŽn te veroorzaken.
Ook in de oorlog in de Stille Oceaan tegen de Verenigde Staten probeerde Eenheid 731 biologische wapens te gebruiken. Er waren plannen om onder meer de Amerikaanse vloot aan te vallen met dodelijke pathogenen, maar deze werden verijdeld door Amerikaans ingrijpen of slechte planning en uitvoering aan Japanse kant.
Hoewel de basis in Ping Fan bij zijn voltooiing een enorme productiecapaciteit had - Sovjet wetenschappers schatten deze na de oorlog in op zo'n 8 ton bacteriŽn per maand - werden veel van de geproduceerde wapens uiteindelijk nooit gebruikt. Vaak bleek bij tests dat bepaalde wapens helemaal niet efficiŽnt waren, waardoor het ook niet veel nut had om ze in te zetten.
De verhoopte rol die biologische wapens voor het Japanse leger zouden spelen, kon met andere woorden niet gerealiseerd worden. Niettemin vielen er tienduizenden doden door toedoen van Eenheid 731's biologische wapenprogramma, en liggen er vandaag de dag nog duizenden gevaarlijke chemische en biologische wapens begraven in Mantsjoerije en China. Ook het belang na de oorlog van de gegevens die Eenheid 731 met zijn experimenten verzamelde is niet te onderschatten. Deze zouden namelijk erg belangrijk blijken voor het biologische wapenprogramma van de Verenigde Staten.
Einde Eenheid 731

Toen de Sovjet-Unie op 8 augustus 1945 Japan de oorlog verklaarde, Mantsjoerije binnenviel en niet ver meer verwijderd was van Ping Fan, beval Ishii Shiro om het hele complex, samen met alle bewijsmaterialen, te vernietigen. Het Japanse leger ging hierbij erg nauwgezet te werk. Alle gebouwen werden opgeblazen, machines kapotgeslagen, bezwarende documenten verbrand, chemicaliŽn gedumpt en overgebleven gevangenen werden doodgeschoten. Alleen het gebouw in het centrum van het complex kon vanwege zijn grootte niet op tijd helemaal vernietigd worden.
Ook op andere militaire locaties werd getracht om al het bewijsmateriaal te vernietigen wanneer de Japanse inlichtingendienst het Rode Leger in de buurt van een locatie opmerkte. Dit lukte door de chaotische Japanse terugtrekking echter maar in een beperkte mate. Verschillende massagraven met menselijke en dierlijke resten werden ontdekt. Ook duizenden zieke dieren werden in de buurt van vernietigde militaire sites opgemerkt, tot grote verbazing van Sovjet en Chinese troepen. Daarnaast werden plaatsen gevonden waar tal van chemische en biologische wapens waren begraven, wapens die tot vandaag de dag nog een reŽel gevaar betekenen in China.
Verschillende kopstukken van het Kanto-leger en Eenheid 731 werden in Mantsjoerije opgepakt door de Sovjet-Unie. Andere leidinggevende figuren die al naar Japan waren teruggekeerd, werden gearresteerd door de Amerikaanse inlichtingendiensten voor ondervraging. Enkele jaren later zouden een aantal leden van het Kanto-leger tijdens de Processen van Chabarovsk van 1949 veroordeeld worden tot werkstraffen van tussen de 2 tot 25 jaar. In 1956 werden alle veroordeelden echter terug naar Japan gerepatrieerd, waardoor gespeculeerd wordt dat de Sovjet-Unie in ruil voor de testgegevens van Eenheid 731 hen vervroegd liet gaan. Ook tijdens de grootschalige onderzoeken die aan het Proces van Tokio voorafgingen, werden voormalige militairen van Eenheid 731 van misdaden beschuldigd, maar in ruil voor waardevolle testgegevens kon amnestie worden gekocht.
Amerikaanse geheimhouding
Tijdens ondervragingen van kopstukken van Eenheid 731 in de eerste jaren na de oorlog, werd het de Amerikaanse inlichtingendiensten snel duidelijk dat er voor de Verenigde Staten erg aantrekkelijke informatie over biologische wapens bemachtigd kon worden. De Verenigde Staten waren pas eind 1942 van start gegaan met een eigen biologische wapenprogramma, en hoewel er in enkele jaren tijd enorme vorderingen waren gemaakt, konden de waardevolle gegevens afkomstig van de experimenten van Eenheid 731 het land een strategische leiderspositie ten opzichte van de Sovjet-Unie opleveren op vlak van biologische oorlogsvoering. Jaren onderzoek en miljoenen dollars aan investeringen zouden vermeden kunnen worden door het op een akkoord te gooien met de militairen en wetenschappers van Eenheid 731. Dit gebeurde ook. Immuniteit werd verstrekt, geheimhouding verzekerd, en alle overgebleven informatie van Eenheid 731 over biologische wapens werd overgedragen aan het Amerikaanse leger. Later zou een aantal leden van Eenheid 731 een functie aannemen bij het Japanse ministerie van volksgezondheid, farmaceutische bedrijven of enkele Japanse medische scholen.
Het lukte echter niet om het verhaal van Eenheid 731 helemaal in de doofpot te stoppen. Na verloop van tijd werd meer opheldering omtrent de rol van de Verenigde Staten ten aanzien van Eenheid 731 geŽist. Na veel druk werd in 2000 de Japanese Imperial Government Disclosure Act goedgekeurd door het Amerikaanse Congres, waardoor de opdracht werd gegeven om de meeste geheime overheidsdocumenten over Japanse oorlogsmisdadigers en misdaden gepleegd door de Japanners tijdens de Tweede Sino-Japanse oorlog en Tweede Wereldoorlog vrij te geven. Vanaf 2003 zou deze taak overgenomen worden door de Nazi War Crimes and Japanese Imperial Government Records Interagency Working Group (IWG).

Herdenkingsplaat voor het sluiten van Eenheid 731, op het voormalige terrein van het biowapenfabriek

 

 

Shiro Ishii, commandant van Eenheid 731

 

 

Medewerker Dr. Kitano Masaji (1944)

Activiteiten
Ontwikkeling van chemische en biologische wapens
Eenheid 731 experimenteerde tijdens zijn bestaan met zowat alle gevaarlijke virussen, bacteriŽn en epidemieŽn die toen bekend waren, zoals miltvuur, cholera, builenpest, salmonella, tyfus, tetanus, brucellose, botulisme, gasgangreen, malaria, pokken, meningokokkenmeningitis, tuberculose, tularemie en kwade droes. Tests werden - afhankelijk van de doeleinden - uitgevoerd op dieren, maar ook op mensen: krijgsgevangenen, gevangen verzetsmensen, politieke tegenstanders of 'verdachte' personen.
Gegevens van sommige experimenten werden gedeeld en gezamenlijk onderzocht door een aantal Japanse instituten en universiteiten, waaronder het Medische Legercollege in Tokio, de Keizerlijke Universiteit van Tokio en de Keizerlijke Universiteit van Kioto. Om geen argwaan te wekken werd er uiteraard niet letterlijk verwezen naar menselijke proefpersonen.
Experimenten op mensen waren vooral bedoeld om de doeltreffendheid als biologische wapens te bestuderen van bepaalde biologische ziekteverwekkers. In de eerste fase werd een bepaalde ziekte of een combinatie van ziekten in het lichaam geÔnjecteerd. Vervolgens werd de toestand van de proefpersoon iedere dag opgevolgd door bloedafname. Wanneer deze mensen uiteindelijk te zwak werden bevonden om nog van verder nut te zijn, kregen ze een dodelijke injectie en werden vervolgens ontleed. Vivisectie kwam ook voor: bepaalde organen werden verwijderd om de gevolgen van de ziekte op de verschillende delen van het lichaam waar te nemen.
Om de resultaten niet te beÔnvloeden, werden gevangenen goed gevoed, zodat hun gezondheid enigszins op peil bleef; er werd echter niet met verdovingsmiddelen gewerkt. Japanse wetenschappers gebruikten de term maruta of boomstam voor hun menselijke proefkonijnen. Het verhaal gaat dat toen de faciliteit in Pingfang gebouwd werd, de aanwezige leden van Eenheid 731 de omwoners vertelden dat het een houtzagerij was. Hierop grapte een van de andere aanwezige Japanners tegen zijn collega's "Ja, en de mensen zijn de planken." Dit proces waarbij mensen ongevoelig worden voor de werkelijkheid om hen heen wordt ook wel derealisatie genoemd. Opvallend was dat een behoorlijk aantal van de leden van Eenheid 731 aanvankelijk niet eens wist hoe extreem de situatie was; sommigen kregen pas een avond van tevoren te horen dat 'er waarschijnlijk op mensen geŽxperimenteerd zal worden.' Leden vertelden later hoe snel ze zich aanpasten aan de gruwelen om hen heen. Deze opmerkelijke gehoorzaamheid aan de onvoorstelbare bevelen wordt onder andere toegeschreven aan de indoctrinatie waar veel Japanners in die tijd aan blootstonden. Niet gehoorzamen aan bevelen van de Keizer was in die tijd ondenkbaar. De psychologie heeft door onderzoeken zoals het Milgram-experiment (Milgram, 1963) en het Stanford-gevangenisexperiment (Zimbardo, 1971) aangetoond hoe snel en onopgemerkt mensen hun grenzen kunnen verleggen.
Wat dieren betreft werd vooral met muizen en rattenvlooien gewerkt, voor grootschalig onderzoek van bepaalde ziekten, of voor de aanmaak van deze ziekten. Zo werden honderden miljoenen rattenvlooien gekweekt om pest te verspreiden. Speciaal ontworpen aluminium tanks werden ook gebruikt om in sneltempo grote hoeveelheden schadelijke stoffen aan te kunnen maken. Andere dieren zoals varkens, schapen, koeien en paarden werden geÔnfecteerd om eventueel later veekuddes, alsook de lokale bevolking in China en SiberiŽ met dodelijke epidemieŽn te kunnen besmetten.
Naar schatting stierven meer dan 3000 mensen door experimenten van Eenheid 731. Daarnaast stierven nog duizenden anderen in China door Japanse biologische aanvallen, maar een concreet cijfer ontbreekt hiervoor. Door de aard van het testmateriaal vielen er tijdens het bestaan van Eenheid 731, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, ook enkele tientallen doden aan Japanse zijde.
Het biologische wapenarsenaal dat Eenheid 731 tijdens de loop van zijn bestaan ontwikkelde, bestond vooral uit bommen gevuld met gevaarlijke bacteriŽn of virussen. Uji-bommen verspreidden bij ontploffing dodelijk antrax; de krachtigere Ha-bommen bevatten ook antrax, maar werkten zoals een clusterbom en splitsten op in talloze bomscherven. Daarnaast werden bommen gevuld met andere dodelijke pathogenen, herbiciden om landbouw te vernietigen of rattenvlooien die dragers waren van de builenpest. Een aantal van deze bommen werden zelfs gemaakt uit keramiek.
Verder werden er ook technieken bedacht om epidemieŽn te verspreiden in gasvorm, zodat vliegtuigen hiermee een bepaalde regio zouden kunnen besproeien. Ook chemische wapens, zoals fosforgas, werden onderzocht en geproduceerd.
Tot slot werd ook een aantal sabotagetechnieken uitgedacht, zoals het vergiftigen van waterbronnen met cholera, tyfus of gif afkomstig van kogelvissen (tetrodotoxine), of het afwerpen met vliegtuigen van besmet voedsel en kleding boven niet-bezette delen van Kwomintang-China.
Wapentests
Naast biologische wapens werd door Eenheid 731 ook geŽxperimenteerd met meer conventionele wapens, vooral dan om de effecten te bestuderen van verwondingen op het slagveld en amputaties. Zo werden er van verschillende afstanden en posities onder meer granaten, bommen en vlammenwerpers getest op menselijke doelwitten. Hoewel er een aantal van deze tests werden uitgevoerd, lag de prioriteit van Eenheid 731 vooral bij de ontwikkeling van biologische wapens.
Andere experimenten
Er vonden ook nog een aantal andere experimenten plaats, die net zoals bij de tests met meer traditionele wapens, de bedoeling hadden om oorlogsverwondingen te simuleren en de relatie tussen overlevingskansen en verwondingen te bestuderen. Met de gegevens die bij deze tests werden verkregen, werd vervolgens een praktische toepassing gezocht voor militaire doeleinden. Hieruit resulteerde bijvoorbeeld een betere behandeling voor de "frostbites" waarmee het Japanse leger geconfronteerd werd tijdens de koude winters in Mantsjoerije. Deze behandeling kon echter enkel ontwikkeld worden door ledematen van gevangenen herhaaldelijk in te vriezen en opnieuw te ontdooien.
Bij andere proefnemingen werden gevangenen geŽlektrocuteerd met verschillende voltages, ondersteboven gehangen om te kijken hoelang het duurde vooraleer ze stikten, of werden er ledematen geamputeerd om het bloedverlies waar te nemen. Dierenbloed, urine, zeewater of zuurstof werd soms ook in het bloed van gevangenen geÔnjecteerd om de effecten op het lichaam te bestuderen. Daarnaast werden gevangenen in drukkamers of centrifuges geplaatst om een overlevingspercentage te bepalen, anderen werden blootgesteld aan dodelijke hoeveelheden rŲntgenstraling, of uitgehongerd om de gevolgen van ondervoeding en uitdroging te onderzoeken.
Toen Ishii Shiro in 1932 naar Mantsjoerije kwam, vestigde hij zijn eerste onderzoekslaboratorium in de industriŽle sector van Harbin, in het Nan Gang district. Harbin was nog maar enkele maanden daarvoor in handen van het Japanse leger gevallen, en was de belangrijkste stad in de provincie Heilongjiang. Voor onderzoek naar vaccins was de locatie geschikt bevonden, maar voor grootschalige experimenten met biologische wapens was Harbin te dichtbevolkt. Enkele maanden later zou er voor dit probleem echter een oplossing komen: Beiyinhe.
Beiyinhe
Het eerste grote complex in Manshūkoku bevond zich in Beiyinhe, een klein dorp op zo'n 100 km afstand van Harbin. Deze locatie was ideaal doordat ze afgelegen lag, maar niet ver verwijderd was van de Beiyin rivier en de noordoostelijke Lafa-Harbin spoorwegverbinding. In de zomer van 1932 werd het dorp gewelddadig ontruimd, en werd door de Togo-eenheid een gebied van ťťn Chinese li (een halve vierkante kilometer) afgebakend voor het complex.
Lokale Chinese boeren werden vervolgens opgevorderd om de bouwwerken uit te voeren. Ze werden verplicht om oogkleppen te dragen zodat ze zich geen duidelijk beeld konden vormen van wat ze precies aan het bouwen waren. In minder dan ťťn jaar tijd werden ongeveer 100 gebouwen geconstrueerd in baksteen, waarvan de meeste bedoeld waren om personeel te huisvesten. Daarnaast kwam in het centrum van het kamp een groot gebouw te staan met twee vleugels. Een eerste vleugel bestond uit een gevangenis met een capaciteit voor 1000 personen, een omvangrijk laboratorium (600 vierkante meter), een crematorium en een stortplaats voor ammunitie. De andere vleugel bevatte kantoren, opslagplaatsen, parkeerplaats voor militaire voertuigen, een barak en een kantine. Een aantal andere gebouwen waren tot slot bedoeld voor experimenten met dieren.
Het hele kamp werd omringd door een muur van 3 meter, met bovenaan prikkeldraad, een gracht, en vier zoektorens. De omgeving rond het kamp werd verboden terrein voor omwonenden, en er waren op ieder moment van de dag patrouilles. Eind 1932 werd het Zhong Ma gevangeniskamp, zoals het door lokale inwoners werd genoemd, in gebruik genomen, nog voor het complex helemaal was afgewerkt. De activiteiten in Beiyinhe zouden pas worden stopgezet toen tijdens ťťn van de laatste maanden van 1937 bevolen werd om het complex te verlaten en alle bewijsmaterialen te vernietigen. Het latere Eenheid 731 zou verhuizen naar Ping Fan, om zijn activiteiten op een nog grotere schaal voort te zetten.
Tokio
Kort na de aanvang van de plannen van Eenheid 731 in Mantsjoerije, kreeg Ishii Shiro ook in Tokio een faciliteit tot zijn beschikking. Via zijn connecties met het hoofd van het Medische Legercollege in Tokio, Koizumi Chikahiko, kon hij tegen eind 1932 beschikken over een gebouw van twee verdiepingen uit gewapend beton, dat achter de kantoren van Koizumi lag. In augustus 1933 werd nog een tweede faciliteit van 1795 vierkante meter naast het eerste gebouw opgetrokken.
Net zoals in Harbin werd in Tokio onderzoek verricht naar vaccins, daar de andere kant van de operatie strikt geheim moest worden gehouden en te veel zou opvallen in Japan. Het onderzoekscentrum in Tokio zou tot aan de Japanse overgave in 1945 in gebruik blijven, en zou frequent het bezoek krijgen van Ishii Shiro.
Ping Fan
Vanaf de herfst van 1936 begon Eenheid 731 aan de bouw van een nieuw complex in Ping Fan. Dit complex zou bij zijn voltooiing in 1939 het allergrootste onderzoeks- en productiecentrum voor biologische wapens in de wereld worden. Ping Fan lag 24 kilometer ten zuiden van Harbin, en was de verzamelnaam voor ongeveer 10 dorpjes. Eenheid 731 eigende zich in totaal ongeveer 6 vierkante kilometer toe voor de bouw van het complex, waardoor bijna al deze dorpjes van de kaart verdwenen. Ping Fan werd een "Speciale Militaire Zone", alleen toegankelijk met een toegangsvergunning.
De grootte van de operatie was verbluffend. Volgens blauwdrukken waren er op zijn minst 76 faciliteiten, waaronder onder meer een gigantisch administratief hoofdkwartier, tal van laboratoria, opslagplaatsen, slaapzalen, barakken, een wapenmagazijn, een gevangenis voor proefpersonen, een autopsiezaal, drie ovens om dierlijke en menselijke resten te verbranden, een elektriciteitscentrale, verschillende recreationele gebouwen en productiefaciliteiten voor de aanmaak van allerlei dodelijke pathogenen. Daarnaast werd ook nog een apart vliegveld aangelegd, evenals een spoorwegaansluiting.
Ongeveer 3000 Japanse wetenschappers waren actief op het terrein. Daarnaast waren er honderden tot duizenden onderbetaalde Chinese arbeiders die onder slechte omstandigheden moesten werken. Geschat wordt dat van de 10.000 tot 15.000 Chinese arbeiders die in Ping Fan werkten, een derde om het leven kwam door de gruwelijke behandeling door het personeel van Eenheid 731.
Het complex werd zwaar bewaakt. Een muur van zeker 5 meter hoog, met prikkeldraad onder stroom, omringde heel het terrein. Er waren vier toegangspoorten en langs iedere muur stonden verschillende wachttorens. Het geheel was net zoals Beiyinhe omgeven door een diepe gracht. Daarnaast patrouilleerden gevechtsvliegtuigen voortdurend in het luchtruim boven Ping Fan, en ook op de grond werd niemand zonder toelating geduld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Eenheid 731 een budget nodig had van verschillende miljoenen yen, een gigantisch bedrag voor die tijd. Merkwaardig genoeg kreeg het dit ook, zelfs in tijden waarin het voor Japan financieel moeilijk was.
Divisies
Eenheid 731 bestond uit 8 verschillende divisies.
Divisie 1: Onderzoek naar onder meer builenpest, tyfus, cholera, antrax en tuberculose door proefneming op mensen.
Divisie 2: Ontwikkeling van biologische wapens en verspreidingsmethodes voor ziekteverwekkers en parasieten.
Divisie 3: Productie van granaathulzen met dodelijke biologische substantie.
Divisie 4: Aanmaak van andere schadelijke stoffen.
Divisie 5: Belast met de training van nieuwe rekruten.
Divisie 6-8: Verantwoordelijk voor uitrusting, medische verzorging en administratie.

Enola Gay

Enola Gay is de naam van de Amerikaanse B-29 Superfortress-bommenwerper die tijdens de Tweede Wereldoorlog op 6 augustus 1945 de eerste atoombom, met de naam Little Boy, boven Hiroshima afwierp. Hierdoor kwamen 78.000 mensen direct om. Door de na-effecten als gevolg van de ioniserende straling liep het dodental uiteindelijk op tot ongeveer 140.000 eind 1945.
Het vliegtuig, een B-29-45-MO met registratie 44-86292, was uitgekozen door de piloot, kolonel Paul Tibbets, bij de Martin Omaha-fabriek in Omaha, Nebraska en was speciaal voor deze vlucht aangepast. Zo werden de bewapening en bepantsering voor een groot deel verwijderd om gewicht te besparen, zodat het vliegtuig op grotere hoogte kon vliegen, buiten het bereik van het luchtafweergeschut. Tibbets noemde het vliegtuig naar zijn moeder: Enola Gay.
De bemanning bestond uit:
Kolonel Paul Tibbets, commandant van de 509th Group en piloot
Kapitein Robert Lewis, co-piloot
Luitenant Jacob Beser, radarofficier
William "Deak" Parsons, wetenschapper van het Manhattanproject
Joseph Stiborik, radaroperator
George Caron, staartschutter
Richard Nelson, radio-operator

Robert Shumard, hulpingenieur
Wyatt Duzenbury, vluchtingenieur
John Porter, grondonderhoudsofficier
Theodore "Dutch" Van Kirk, navigator
Thomas Ferebee, bombardier
Tijdens de vlucht werd de Enola Gay vergezeld door The Great Artiste, een vliegtuig met opnameapparatuur en door The Necessary Evil, een vliegtuig met fotografen. Een andere B-29 Superfortress-bommenwerper vloog als verkenningsvliegtuig een half uur vooruit om na te gaan of het weer wel geschikt was.
De tweede Amerikaanse atoombom, gedropt door de Bockscar op Nagasaki op 9 augustus 1945, beŽindigde direct het leven van 27.000 Japanners. Het dodental in deze stad liep uiteindelijk op tot zeker 70.000 eind 1945. Zes dagen na de bom op Nagasaki gaf Japan zich over en kwam de Tweede Wereldoorlog tot een einde.
Volgens opgave van de Japanse autoriteiten, die ook de slachtoffers registreerden die jaren later vielen door bijvoorbeeld kanker als gevolg van straling, kostten de bommen aan totaal ruim 240.000 mensen het leven.
Na 1945
De Enola Gay werd in 1946 buiten gebruik gesteld en in 1960 opgeslagen. Een van de propellers werd gebruikt voor een windtunnel in een laboratorium. In 1984 werd begonnen met een uitvoerige restauratie, die pas in 2003 werd afgesloten. Bij een tentoonstelling van de belangrijkste onderdelen van het vliegtuig in het National Air and Space Museum in Washington D.C. werd de Enola Gay met verf en bloed besmeurd, waarna de tentoonstelling werd afgebroken. Tegenwoordig is het vliegtuig te zien in het reusachtige Steven F. Udvar-Hazy Center, een dependance van het National Air and Space Museum op de Washington Dulles International Airport.
Trivia
In 1980 bracht de Britse synthesizerpopband Orchestral Manoeuvres in the Dark een nummer uit met de titel, Enola Gay, dat over het vliegtuig gaat.
In 1985 bracht de Canadese progressieve rockband Rush het nummer Manhattan Project uit, dat ook verwijst naar de piloot van de Enola Gay.
In 1990 refereert Iron Maiden in het nummer Tailgunner van het album No Prayer for the Dying aan de Enola Gay: "The Enola Gay was my last try". Dat is niet correct, omdat het nummer gaat over luchtgevechten boven Europa en de B-29's alleen boven de Stille Oceaan zijn ingezet.

Enola Gay

 

De Enola Gay met haar bemanning

 

 

Fat Man

Fat Man ('Dikke Man') was de atoombom die op 9 augustus 1945 (3 dagen na de detonatie van Little Boy) door Frederick Ashworth van de Amerikaanse luchtmacht vanuit het vliegtuig B-29 Bockscar boven Nagasaki in Japan werd afgeworpen. De piloot was Charles Sweeney. Deze bom had een kracht van 21 kiloton TNT.

Het 3,25 m lange massavernietigingswapen was met 4.545 kg iets zwaarder dan Little Boy, die enkele dagen eerder boven Hiroshima was afgeworpen. Vanwege slecht zicht kwam de bom ongeveer 3 mijl van het doelwit terecht. Daardoor vond de explosie gedeeltelijk plaats boven dunbevolkt gebied. Bij de aanval vielen ongeveer 40.000 doden en 25.000 gewonden, minder dan bij de aanval op Hiroshima.

Constructie
Het explosieve deel van de bom bestond uit een bolvormige constructie, die (van buiten naar binnen) uit de volgende componenten was opgebouwd: enkele lagen conventionele explosieven van zorgvuldig ontworpen vorm en samenstelling. Daarbinnen een aluminium drukstuk. Daarbinnen een dikke schil van uranium die vanwege zijn massa bedoeld was om de kernreactie lang genoeg bijeen te houden om het rendement op te voeren. Daarbinnen bevond zich de plutonium-ďpitĒ met geheel in het centrum een berylliumĖpolonium-ontsteker die bij implosie een grote hoeveelheid neutronen produceerde om de nucleaire kettingreactie op gang te brengen.

Werking
Het ontwerp was er op toegespitst om de nucleaire lading met een ďshaped chargeĒ (holle lading) zodanig bijeen te drukken dat een efficiŽnte nucleaire kettingreactie in de bomkern kon plaatsvinden. Daartoe was aan de buitenzijde van de bom, zo veel mogelijk bolsymmetrisch, een geometrie van zeskante en vijfhoekige blokken explosief materiaal aangebracht (2), die op de vooringestelde hoogte elk door een eigen elektrische ontsteker (1) tegelijk tot explosie kon worden gebracht. Het vlamfront breidt zich dan aanvankelijk in ieder blok convex uit (ďbolĒ-vormig, 3), maar wordt door de vorm en samenstelling (4) van de dieper gelegen laag explosief materiaal concaaf (hol). In laag 5 is het vlamfront dan in voldoende mate bolsymmetrisch, waarna aluminium schil 6 de drukstoot doorgeeft aan de uranium bol 7, die daardoor inwaarts versnelt. Plutonium bol 7 (de ďpitĒ) wordt samengeperst en de polonium-beryllium-neutronenbron 8 ontsteekt door de grote compressie. Er komt daardoor een nucleaire explosie op gang, waarbij aanvankelijk de zich nog naar binnen bewegende zware uraniumlaag (7) de ďpitĒ lang genoeg bijeen houdt om een grote neutronenvermenigvuldiging te realiseren (opsluiting van de kettingreactie door middel van de binnenwaarts gerichte impuls van de uraniumschil: inertial containment of traagheidsopsluiting).

Verder bevatte de bom de volgende apparatuur: 9: aerodynamische vin, 10: instrumentenplatform (radar, drukschakelaars (hoogtemeting) en timers), 11: ophangpunten, 12: accuís en elektrische ontsteking, 13: radarantenne, 14: contactontsteker.

Ontwerpgeschiedenis
Het oorspronkelijke ontwerp van de plutoniumbom was ook gebaseerd op het eerdere en eenvoudiger gun type-design zoals de Hiroshimabom. Het plutonium van de kernreactor Hanford Site was echter niet zuiver genoeg en bevatte plutonium-240, waarvan de kernen 40.000 keer sneller uiteenvallen dan die van plutonium-239. Het samenbrengen van de kritische massa zou in een gun type-bom te traag gaan; de laatste centimeters zouden in minder dan 40 microseconde afgelegd moeten worden om een halfslachtige explosie te voorkomen. Seth Neddermeyer (Los Alamos) kwam met het idee van alzijdige compressie van de plutoniumbol om de kritieke massa op een optimale wijze te realiseren. Ook wordt wel een veiligheidsaspect van dit bomconcept genoemd wat bij de beslissing om tot dit complexere bomtype over te gaan een rol gespeeld zou hebben. Indien bij dit bomtype een of enkele ontstekers per ongeluk afgaan dan zou de explosie veel minder heftig zijn. Dit in tegenstelling tot bij het gun type-ontwerp.

Spionage
Klaus Fuchs spioneerde voor de Russen en speelde hen informatie over Fat Man toe. De eerste Sovjet-atoombom RDS-1, in het westen bekend onder de codenaam ďJoe 1Ē, was gebaseerd op het Fat Man-ontwerp. Het originele ontwerp van Fat Man is nog steeds geheim. Wat bekend is, is vooral gebaseerd op gegevens die door spionnen te Los Alamos naar de Russen zijn gestuurd en die in 1992 vrijgegeven zijn door de Russische regering.

Fat Man-atoombom

 

De belangrijkste componenten van Fat Man. Verklaring van de nummers in de artikeltekst.

Slag in de Filipijnenzee

De slag in de Filipijnenzee was de grootste zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen vliegdekschepen[1] van de Verenigde Staten van Amerika en Japan. Deze zeeslag vond plaats op 19 en 20 juni 1944 in de Filipijnenzee.
Aanleiding
De Marianen zijn een eilandengroep in het westen van de Stille Oceaan en ten zuiden van Japan. Er zijn maar zes van deze eilanden bewoond waaronder het grootste eiland Saipan. De Filipijnse eilanden liggen tussen de Stille Oceaan en de Zuid-Chinese Zee verspreid rond het eiland Luzon. In 1898 scheidden deze eilanden zich af van Spanje, en werden tijdelijk een kolonie van de Verenigde Staten. In 1935 kregen ze zelfbestuur. Op 8 december 1941 bezette Japan deze eilanden.

De Amerikanen wilden deze eilanden heroveren om er vliegbasissen te kunnen aanleggen voor hun luchtmacht en moesten hierbij gebruikmaken van amfibische oorlogvoering. Dit is een militaire operatie die zowel door land- , zee- als luchtstrijdkrachten wordt uitgevoerd. Het Amerikaanse US Marine Corps en het Amerikaanse leger zouden Tinian, Guam en Saipan gaan bezetten maar moesten hiervoor eerst luchtoverwicht zien te verkrijgen. Bij deze operatie werd er gebruikgemaakt van Grumman F6F Hellcat deklandingsvliegtuigen. De gezamenlijke landing van de Amerikaanse strijdkrachten werd succesvol uitgevoerd op het eiland Saipan op 15 juni 1944. Japan reageerde hierop door het bevel te geven om de hele Amerikaanse vloot die deze landing ondersteunde, te vernietigen.
Slag in de Filipijnenzee
Posities innemen
Amerika
Bij deze operatie voerde admiraal Raymond Spruance het bevel. Vice-admiraal Marc Mitscher leidde de slag. Er werden voor de kusten van Taiwan, de Filipijnen en de Marianen circa negentien onderzeeŽrs geplaatst. Daarbij werden er nog negen duikboten van de Amerikaanse zevende vloot ingezet ter versterking en vijftien vliegdekschepen naar de Marianen gestuurd. Deze groep vliegdekschepen bestond uit zes schepen van de Essex-categorie, 8 schepen van Independence-categorie en de USS Enterprise (CV-6). Deze schepen bevatten in totaal 479 Grumman F6F-3 Hellcat waarvan 27 Grumman F6F-3N nachtjagers van het Amerikaanse nachtjagers detachement VF(N), uitgerust met een AN/APS-6 radar. In dit detachement zaten er ook nog drie F4U Corsair nachtjagers.
Japan
Bij de Japanners voerde viceadmiraal Takeo Kurita het bevel tijdens deze operatie. Hun vloot bestond uit vier slagschepen, drie vliegdekschepen, vijf kruisers en acht torpedojagers. Er werden hiernaast nog twee extra eenheden ingezet.
Eenheid ĎAí onder het bevel van viceadmiraal Jisaburo Ozawa bestond uit twaalf schepen: drie vliegdekschepen (de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku), drie kruisers en zes torpedojagers.
Bij eenheid ĎBí voerde Schout-bij-Nacht Joshima het bevel. Deze eenheid bestond uit drie vliegdekschepen: de Junyo, de Hiyo en de Ryujo en ook nog een slagschip en een paar torpedojagers.
Eenheden 'A' en 'B' bevatten samen 440 jagers- en aanvalsvliegtuigen. Deze werden daarbij ondersteund door de 61ste Japanse luchtvloot, met 630 vliegtuigen.[bron?]
Slag op zee
Terwijl de Japanners nog bezig waren met het samenstellen van hun vloot bracht de USS Harder (SS-257) al drie torpedojagers tot zinken voor de kust van Tawi Tawi (Filipijnen). De Amerikanen wonnen in snelheid door het gebruik van onderzeeŽrs. Toen de Japanse eenheid vertrok voor de slag werd dit eveneens gemeld door een observerende Amerikaanse duikboot. Door deze meldingen kreeg admiraal Spruance de tijd om Task Fors 58 (gelegen ten westen van de Marianen) gereed te maken om de landingsoperatie van de Amerikanen te dekken. Op 19 juni 1944 vielen de Japanners aan. Terwijl de Japanse luchtmacht hevige verliezen aan het lijden was, bracht de Amerikaanse onderzeeŽr USS Albacore (SS-218) het vliegdekschip Taiho tot zinken met driekwart van de bemanning nog aan boord en de Shokaku werd getorpedeerd en vervolgens ook tot zinken gebracht door de USS Cavalla. De volgende dag werd de Japanse vloot verrast bij het tanken en werden de Hiyo en twee tankers tot zinken gebracht. Drie vliegdekschepen waaronder de Zuikaku en een slagschip werden die dag beschadigd.
Slag in de lucht
Op 11 juni moesten de Amerikanen luchtoverwicht zien te verwerven door te jagen op vijandige toestellen. Task Force 58 (TF-58) haalde toen zeven Japanse verkenningsvliegtuigen uit de lucht waaronder een D4Y1-C Judy verkenningsbommenwerper.
Op 18 juni 1944 ontdekte viceadmiraal Ozawa door middel van verkenningsvliegtuigen de Amerikaanse vloot die zich voorbereidde op de landing van hun leger op Saipan. Ozawa zag af van een verrassingsaanval[2] uit vrees dat zijn piloten 's nachts niet konden landen op vliegdekschepen.
De eerste aanvalsformatie of raid bestond uit 64 vliegtuigen die opstegen vanaf de Chitose, Chiyoda en Zuiho die kleinere vliegdekschepen waren. De Amerikanen zagen hen op de radar en stuurden 74 jachtvliegtuigen uit acht verschillende squadrons in de lucht, die 42 Japanse vliegtuigen uit de lucht schoten.[3] De Japanners slaagden er wel in om de USS Dakota te raken met een bom.
Ongeveer een uur nadat de eerste aanvalsformatie werd geregistreerd op de Amerikaanse radar kwam de tweede golf er aan. Deze was de grootste opgezette aanval van de dag met 109 vluchten vanaf de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku die geconfronteerd werden met 162 Grumman F6F Hellcats. De Japanners zijn tot bij drie Amerikaanse vlooteenheden geraakt en konden hiervan een slagschip en vier vliegdekschepen aanvallen maar brachten slechts minimale schade toe. De Japanners verloren 97 vliegtuigen.
Bij de derde raid vertrokken er 47 vliegtuigen van de Junyo, de Hiyo en de Ryujo maar deze raid had weinig effect. De Japanners waren al snel binnen het bereik van de Amerikanen. Van de 47 vliegtuigen bleven er slechts zestien Mitsubishi A6M Zeroís over. Zestien Hellcats vielen deze aan. Er werden zeven Zeroís neergehaald en geen enkele Hellcat.
De vierde aanvalsformatie was een onderneming van de eerste en tweede vliegdekschependivisie en zond 82 vliegtuigen uit. 64 hiervan bereikten het doelgebied en werden vervolgens nog verder verspreid door ondoeltreffende aanvallen of landingspogingen op Guam. Er werden minstens 30 Japanse vliegtuigen neergehaald en 29 werden op de grond vernietigd.
Tijdens de tweede golf van aanvallen van de Japanners werd de Taiho geraakt door een torpedo en tot zinken gebracht.[4] Dit was het schip van Ozawa, die nog tijdig kon ontsnappen. Ozawa verloor die dag 400 piloten en twee belangrijke vliegdekschepen. Hij wist zich twee dagen onzichtbaar te houden voor de Amerikaanse radar, wat hem genoeg tijd gaf om zijn schepen te hergroeperen. Op 21 Juni werd de Japanse vloot ontdekt door een Amerikaans verkenningsvliegtuig[5] en viceadmiraal Mitscher zond er 216 vliegtuigen op af. Boven elke groep vliegdekschepen en hun tankers, braken er luchtgevechten uit. Het vliegdekschip Hiyo werd vernietigd en de Chiyoda, de Haruma en de Zuikaku werden beschadigd.[6] Toen Ozawa Okinawa bereikte, had hij 35 vliegtuigen over.
Bijnaam
De slag in de Filipijnenzee werd door de Amerikaanse piloten The Great Marianas Turkey Shoot "De grote kalkoenenschieting in de Marianen" genoemd wegens de enorme verliezen bij de Japanse lucht- en zeemacht. Deze hevige verliezen werden veroorzaakt door de Amerikaanse piloten en het Amerikaanse luchtafweergeschut.
De slag in de Filipijnenzee maakte deel uit van een grotere operatie. Deze operatie werd door de Amerikaanse planners, die de invasie op de eilanden bedacht hadden, Operatie Forager genoemd.
Nederlaag voor Japan
De Japanners verloren ongeveer 500 vliegtuigen die op de grond gestationeerd waren en 250 vliegtuigen in de lucht. De vliegdekschepen Shokaku, Taiho, Hiyo en twee ondersteunende tankers werden tot zinken gebracht. Vliegdekschip Zuikaku werd zwaar beschadigd. Vliegdekschepen Junyo, de Chiyoda, slagschip Haruna, de kruiser Maya en de torpedobootjager Shigure werden minder erg beschadigd.
Verliezen Amerika
De Turkey Shoot was voor de Amerikanen een succes zowel op technologisch vlak, als wat de training betreft. Desondanks hebben de Amerikanen bij deze slag toch een aantal verliezen geleden. Maar uiteindelijk konden ze dankzij hun suprematie in de lucht boven de Marianen toch de overwinning behalen. Amerika verloor in totaal ongeveer 130 vliegtuigen, waaronder ook vliegtuigen die niet tijdens het vechten verloren gingen. De USS South Dakota werd middelmatig beschadigd.
Herdenking slachtoffers
De Amerikanen hebben op 18 augustus 1978 op het eiland Saipan American Memorial Park opgericht. Hier worden alle slachtoffers van de hele Marianas campagne herdacht, zowel de gevallen soldaten als de burgers van de eilanden waarop er gevochten werd. Het museum over de Tweede Wereldoorlog legt vooral de nadruk op de Marianas Campagne. Dit wordt duidelijk doordat er in de inkomhal een opvallend portret ophangt van zowel de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt als de Japanse keizer Hirohito. Zij regeerden op het moment dat de campagne plaatsvond. Tussen deze twee portretten bevindt zich een aandenken aan de slachtoffers bij de plaatselijke bevolking van de Marianas. Er is in het park ook een monument opgericht waarop voor het 50ste jubileum van de invasie van Saipan de namen van de 5204 slachtoffers werden gebeiteld.

Japanse schepen worden aangevallen.

 

De Zuikaku wordt aangevallen.

 

 

Gevechtsvliegtuigsporen in de lucht boven TF-58 op 19 juni 1944.

 

 

The Court of Honor in American Memorial Park.

Invasie van de Koerilen

De Invasie van de Koerilen, ook Landingsoperatie Koerilen (Russisch: Курильская десантная операция; Koerilskaja desantnaja operatsija) genoemd, was een militaire operatie door de Sovjet-Unie gericht op het veroveren van de Koerilen op Japan tussen 18 augustus en 1 september 1945 als onderdeel van Operatie Augustusstorm op het moment dat de plannen om Hokkaido te veroveren waren opgegeven. De basis voor de operatie vormden eerdere succesvolle operaties van het Sovjetleger in Mantsjoerije en Zuid-Sachalin (Zuid-Sachalinoperatie).
Legereenheden
De operatie werd uitgevoerd door het 87e infanteriekorps (o.l.v. gardegeneraal-luitenant A.S. Ksenofontov) van het 16e Leger (o.l.v. generaal-luitenant L.G. Tsjeremisov) van het 2e Verre-Oostelijke Front en omvatte onderdelen van het Verdedigingsgebied Kamtsjatka (o.l.v. majoor-generaal A.R. Gnetsjko), oorlogsschepen en transportboten van de militaire basis van Petropavlovsk-Kamtsjatski (o.l.v. marinekapitein D.G. Ponomarjov) en werd ondersteund door de 128e luchtlandingsdivisie (78 vliegtuigen). In totaal zou de aanvalskracht hebben bestaan uit ongeveer 9.000 soldaten en officieren, 60 schepen, ongeveer 100 vliegtuigen en 205 stukken mortiergeschut.
De verdediging van de eilanden stond onder leiding van de Japanse bevelhebber luitenant-generaal Tsutsumi Fusaki en bestond uit de 91e Japanse infanteriedivisie op Shashukotan (Sjiasjkotan), Paramushiro (Paramoesjir), Shumushu (Sjoemsjoe) en Onekotan, de 42e divisie op Simushiro (Simoesjir), het 41e onafhankelijke regiment op Matsuwa (Matoea), de 129e onafhankelijke brigade op Uruppu (Oeroep) en de 89e infanteriedivisie op Etorofu (Itoeroep) en Kunashiri (Koenasjir). In totaal zou de troepensterkte ruim 80.000 man hebben bedragen, die de beschikking had over 60 tanks en 600 vliegtuigen, verdeeld over 9 vliegvelden. De belangrijkste troepensterkte bevond zich op Shumushu (ongeveer 8.500 man).
Uitvoering
Het aanvalsplan van de sovjetleiding voorzag in een verrassingslanding met amfibievoertuigen in het noordwesten van Shumushu gevolgd door een snelle opmars naar de marinebasis Kataoka (nu Bajkovo) en het vliegveld Miyoshino, om het eiland zo snel in handen te krijgen en het vervolgens te kunnen gebruiken als bruggenhoofd voor het veroveren van de andere zuidoostelijker gelegen Koerileneilanden.
Op 18 augustus begon de aanval op Shumushu. Twee kustschepen, de mijnenlegger Ochotsk, 17 transportboten en 16 landingsvaartuigen landden met bijna 9000 matrozen, soldaten en officieren op de noordwestkust van Shumushu en het noorden van Paramushiro. De voorbereiding van de sovjetleiding bleek hierbij te kort te hebben geschoten. Van de eerste landingseenheid op Shumushu van 1500 man kwamen bijvoorbeeld maar 600 man aan land, hetgeen vooral veroorzaakt werd doordat de landingsboten de soldaten op 200 meter van de kust naar buiten lieten in water van 0 įC. De bittere strijd om het eiland duurde tot 19 augustus, toen de Japanse leiding van de eilanden Shumushu, Paramushiro en Onekotan zich overgaf. De strijd kostte volgens sovjetbronnen het leven aan meer dan 1500 Rode Legersoldaten en 1000 Japanse troepen (volgens Japanse bronnen 3000 sovjetdoden en -gewonden en 600 Japanse doden en 500 tot 700 gewonden). 400 vrouwelijke Japanse arbeiders wisten het eiland Shumushu tijdens de strijd net op tijd te verlaten.
Op 23 augustus werd de overgave getekend door de Japanse troepen als onderdeel van de algemene Overgave van Japan. In de dagen daaropvolgend werd daarom geen verzet meer geboden. Een detachement troepen van de 113e onafhankelijke infanteriebrigade (o.l.v. kapitein-luitenant G.I. Broensjtejn) voerde een landing uit in de Rubetzubaai op het eiland Etorofu. Op dezelfde dag landden onderdelen van het 87e infanteriekorps met torpedoboten, mijnenvegers en transportboten (vertrokken uit Otomari op Sachalin) op Kunashiri, Shikotan en de vijf kleinere eilanden Sibotzu, Taraku-Shima, Uri-Shima, Akiuri en Suiseto. De landingen op Etorofu werden gevolgd door de 355e infanteriedivisie die op de 24e op het kleinere eiland Uruppu landde. Op 26 augustus werd het Japanse garnizoen op Matsuwa ontwapend, een dag later werd Simushiro ingenomen. Op 31 augustus werd het garnizoen op Uruppu ontwapend. In de dagen erop werden alle overige eilanden van de Koerilen, inclusief de Chabomai-eilanden bezet door sojvettroepen.
Bij de strijd waren ongeveer 20.000 Japanse soldaten en officieren omgekomen. Over cijfers aan Russische zijde is weinig bekend. De overige 60.000 Japanse soldaten werden gevangengenomen en naar de Goelagkampen van SiberiŽ gestuurd, zoals de Sevvostlag, waarvan een aantal nooit terugkeerden. In 1949 werden de overgebleven krijgsgevangenen overgedragen aan Japan. Bij de strijd werden verder 300 stuks wapentuig en mortieren en 60 tanks buitgemaakt door het sovjetleger. Negen mannen kregen de titel Held van de Sovjet-Unie wegens bewezen moed. De zuidelijke eilanden van de Koerilen worden nog altijd betwist door Japan en vormen het onderwerp van het Koerilenconflict tussen Rusland en Japan.

Locatie van de Koerilen in de Westelijke Stille Oceaan

 

Locatie van de Koerilen in de Westelijke Stille Oceaan
Datum 18 augustus - 1 september 1945
Locatie Koerilen
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie
Strijdende partijen
Vlag van de Sovjet-Unie van 1923-1955 Sovjet-Unie Vlag van Japan Japans Keizerrijk

Japans-China

Met Japans-China, de Wang Jingwei-regering, wordt het door de Japanners bezette deel van de Republiek China tijdens de Tweede Wereldoorlog bedoeld.

Het regime noemde zich officieel de Republiek China (Chinees: 中华民国, Zhonghua Minguo) en zijn regering de Gereorganiseerde Nationale regering van China. Informeel was het bekend als het Wang Jingwei regime (Chinees: 汪精卫 政权 , Wang Jingwei Zhengquan), de Nanjing Nationalistische regering (Chinees: 南京 国民 政府 , Nanjing Guů min ZhŤngfǔ), de Republiek China-Nanjing, het Nanjing-regime, of Nieuw China.

De Tweede Wereldoorlog begon voor China al in 1937. Het Japanse keizerrijk bezette toen grote delen van Oost-China, onder andere de Chinese hoofdstad Nanjing. Dit zou ook de hoofdstad worden van het door de Japanners bezette deel. Ondanks dat de Japanners de gebieden militair beheersten en controleerden, was Japans-China officieel een onafhankelijke staat, net als Mantsjoekwo (Mantsjoerije), dat Japan al eerder op China veroverd had. In het westen beschouwde men deze gebieden echter als bezet. Zij werden geleid door een pro-Japanse Chinese regering die beweerde dat dit de enige officiŽle Republiek China was. Het had ook dezelfde vlag als de Republiek China vůůr de Japanse invasie (behalve de extra mottostrook erboven). Toen Japan in 1945 de Tweede Wereldoorlog verloor raakte het ook China weer kwijt en werd Nanjing weer de hoofdstad van de hele Republiek China inclusief Mantsjoekwo.

Vanuit de onbezette delen bevocht de geallieerde nationalistische Chinese president Chiang Kai-shek, in moeizame samenwerking met de Chinese communisten onder Mao Zedong en Geallieerde hulptroepen, de Japanse bezetter, het Chinese marionettenkabinet van Wang Jingwei alsook pro-Japanse Chinese collaborateurs.

Na de dood van Wang Jingwei werd Chen Gongbo leider van dit zogenaamde Nanjing-regime.

Internationale erkenning kreeg het pro-Japanse China van nazi-Duitsland (vanaf juli 1941), Slowakije, overige Asmogendheden, maar ook van Finland, Zweden, Zwitserland, Frankrijk en Thailand.

1940

Algemene gegevens
Hoofdstad Nanjing
Talen Standaardmandarijns
Religie(s) Confucianisme
Munteenheid Chinese Yuan
Regering
Regeringsvorm Republiek
Staatshoofd Wang Jingwei (1940-1944), Chen Gongbo (1944-1945)

Japanse bezetting van Kiska

De Japanse bezetting van Kiska vond plaats tussen 6 juni 1942 tot 28 juli 1943 als onderdeel van de Slag om de Aleoeten tijdens de Pacifische Oorlog in de Tweede Wereldoorlog. Het Japanse Keizerrijk bezette Kiska en het nabijgelegen Attu om de noordelijke flank van het Japanse Rijk te beschermen.

De enige Amerikaanse militaire aanwezigheid was het personeel van een weerstation, dat uit tien mannen bestond, tegenover 5400 Japanners. De Japanse troepen bestormden het station en doodden twee Amerikanen. De overige acht werden als krijgsgevangenen naar Japan gestuurd.

Vanwege de dreiging die Japan nu had op het Amerikaanse vasteland, na de aanval op Pearl Harbor en de bezetting van de Aleoeten werd besloten dat er een snelle weg moest zijn om troepen te kunnen verplaatsen vanuit de Verenigde Staten naar Alaska. Het United States Army ging op 6 februari 1942 akkoord met de aanleg van de "Alaska Highway". Vijf dagen later gaven ook het Amerikaanse Congres en president Franklin D. Roosevelt hiervoor hun toestemming.

Als reactie op de Japanse bezetting, begonnen de Amerikaanse en Canadese luchtmachten (USAAF en RCAF) met het bombarderen van Kiska. Amerikaanse oorlogsschepen blokkeerden en beschoten enkele keren het eiland. Verschillende Japanse oorlogs- en transportschepen en onderzeeŽrs die naar Kiska of Attu wilden varen werden beschadigd of tot zinken gebracht.

In mei 1943 landden de Amerikaanse strijdkrachten op Attu en vernietigden daar het Japanse garnizoen in de slag om Attu. Hierop evacueerde de Japanse Keizerlijke Marine met succes het garnizoen op Kiska, op 28 juli 1943, waarmee de Japanse bezetting beŽindigd was. De Slag om de Aleoeten eindigde pas echt op 15 augustus 1943, toen Amerikaanse en Canadese troepen, niet zeker van de Japanse evacuatie, op het eiland landden en het veiligstelden.

Japanse soldaten hijsen de vlag na hun landing op Kiska op 6 juni 1942

Japanse soldaten hijsen de vlag na hun landing op Kiska op 6 juni 1942
Datum 6 juni 1942 - 28 juli 1943
Locatie Kiska, Aleoeten
Resultaat Japanse bezetting
Strijdende partijen
Vlag van Japan Japans Keizerrijk Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten
Leiders en commandanten
Kiichiro Higuchi
Takeji Ono
Boshirō Hosogaya
Monzo Akiyama geen
Troepensterkte
5400 10
Verliezen
onbekend 2 doden
7 krijgsgevangenen

5-Japan in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5---6---7