Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

5-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

Jacques Presser

Jacob (Jacques) Presser (24 februari 1899 in Amsterdam - 30 april 1970 in Amsterdam) was een Nederlandse historicus, schrijver en dichter, bekend om zijn boek Ashes in the wind (De vernietiging van de Nederlandse joden) over de geschiedenis van de vervolging van de Joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog . Presser leverde een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse historische wetenschap, evenals aan de Europese historische wetenschap.
Vroege jaren
Presser werd geboren in de voormalige Joodse wijk van Amsterdam . Zijn familie was nogal arm (zijn vader was een diamantslijper), en zijn ouders, die seculiere Joden waren, hadden socialistische neigingen. Presser, zelf, in het latere leven, ook aangetrokken naar links. Als kind woonde hij een tijdje met zijn gezin in Antwerpen , België .
Hij studeerde aan de Universiteit van Amsterdam nadat hij een commerciële beroepsschool had afgerond en twee jaar op een kantoor had gewerkt. Aan de universiteit studeerde hij geschiedenis, kunstgeschiedenis en Nederlands. Hij studeerde cum laude af in 1926. Daarna gaf hij geschiedenis aan het pas opgerichte Vossius Gymnasium (een middelbare school) in Amsterdam.
In 1930 kwam hij in contact met de beroemde historicus Jan Romein die hem hielp om een ​​baan te krijgen als instructeur bij het Instituut voor Historische Leergangen , die zijn academische carričre lanceerde.
Oorlogstijdervaringen 
Presser werd beďnvloed door het toenemend antisemitisme in nazi-Duitsland en hij schreef er kritisch over. Toen Duitsland 1940 binnenviel , was dit een grote schok voor hem; hij probeerde zelfs zelfmoord, zonder succes. Vanwege het anti-joodse beleid van de nazi's verloor hij zijn baan bij Vossius Gymnasium; desalniettemin slaagde hij erin werk te vinden als leraar aan het Joods Lyceum .
Begin 1943 werd zijn vrouw Deborah Appel gearresteerd en gedeporteerd naar het vernietigingskamp Sobibor , waar zij stierf. Het verlies van zijn eerste vrouw markeerde Presser voor het leven. Toch lukte het hem te ontsnappen aan de nazi's door op verschillende plaatsen onder te duiken, onder meer in een klein stadje genaamd Lunteren .
Naoorlogse jaren 
Na het einde van de oorlog keerde Presser terug naar zijn docentschap aan het Vossius Gymnasium en was hij ook docent politieke geschiedenis, didactiek en de methodologie van de geschiedenis aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam.
In 1947, gedeeltelijk op zijn instigatie, werd de politiek-sociale faculteit van de wet gevestigd aan de universiteit, en hij begon daar te onderwijzen. Vanaf 1948 was hij ook professor aan de Faculteit der Letteren. Zijn marxistische politieke voorkeur belette hem om tot 1952 volledige promoties te ontvangen aan de universiteit. In de loop van de jaren sprak hij over politieke controverses, zoals de Nederlandse ' politionele acties ' tegen de Indonesische dekolonisatie en de activiteiten van de Amerikaanse senator Joseph McCarthy tegen verdachte communisten . Hij droeg ook bij aan het communistische dagblad De Waarheid tijdens de eerste naoorlogse jaren. Later publiceerde hij in andere linkse bladen, zoals Vrij Nederland enDe Groene Amsterdammer .
In 1954 trouwde Presser met Bertha Hartog, zijn tweede vrouw.
In 1959 volgde hij Jan Romein op in zijn Nederlandse geschiedenisleerstoel aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam. In 1966 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen . Presser ging op 31 mei 1969 met pensioen op zijn werk. Hij stierf plotseling op 30 april 1970. 
Historische bijdragen 
Een van de belangrijkste werken van Presser was zijn uitgebreide biografie van Napoleon Bonaparte , voor het eerst gepubliceerd in 1946. In tegenstelling tot de gemeenschappelijke hagiografieën van de Franse keizer, is Presser behoorlijk kritisch over de persoonlijkheid en de politieke en militaire activiteit van Napoleon. Al in de inleiding van het boek maakt Presser duidelijk dat een van zijn belangrijkste bedoelingen is om verschillende eufemismen en legendes over Napoleon te proberen verdrijven. Presser toont hem als een meedogenloze autocraat en de as van een groep plunderaars: zijn maarschalken. Napoleon komt naar voren als de organisator van de eerste modernedictatuur, die een voorbeeld werd voor alle latere dictaturen. Het boek bevat ook uitgebreide hoofdstukken over de pilaren in de Franse samenleving die hij gebruikte om zijn heerschappij te versterken: propaganda, politie en justitie, de kerk, het onderwijs en natuurlijk het leger. Ten slotte beschrijft hij de legendes over Napoleon in verschillende landen. (Dit werk is momenteel alleen beschikbaar in het Nederlands en in het Duits.)
In opdracht van Elsevier Publishers in 1941 schreef Presser een uitgebreide geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika. Hij voltooide de eerste versie terwijl hij zich schuil hield. Een herwerkte editie kwam uit in 1949. Kort na de Tweede Wereldoorlog was er veel belangstelling voor de geschiedenis van Amerika in Nederland. Het boek is rijk aan beschrijvingen, anekdotes en details; de schrijver sympathiseert expliciet met de 'underdogs' in de Amerikaanse geschiedenis: de inheemse Amerikanen, de Afro-Amerikanen, de armen. Ter gelegenheid van de 200e verjaardag van de Onafhankelijkheidsverklaring in 1976 verscheen een vierde, herziene en bijgewerkte editie met een naschrift over de periode na 1965 door de historicus en Amerika-expert Prof. Rob Kroes. Omdat dit boek vooral bedoeld was om het Nederlandse lezerspubliek te dienen, is het nooit vertaald.
In 1950 ontving Presser een opdracht van de Nederlandse regering om een ​​studie te maken over het lot van de Nederlandse joden tijdens de oorlog. Dit zou later zijn historisch meesterwerk worden Ondergang [De vernietiging van de Nederlandse Joden]. Hij werkte vijftien jaar aan dit project en maakte volledig gebruik van de enorme archieven van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie . Het resulterende werk was een grote bestseller in Nederland toen het in 1965 werd gepubliceerd. Het is nog steeds het belangrijkste naslagwerk over de vervolging van joden in Nederland onder Duitse bezetting. Een Britse editie kwam uit in 1968 en een Amerikaanse editie in 1969. 
Presser heeft een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan Nederlandse historische studies. Zijn boek over de Opstand van Nederland tegen Spanje (1568-1648) - voor het eerst gepubliceerd in 1941, een tweede druk in 1942 die al snel werd verboden door de Duitse bezetter - werd nog vier keer herdrukt na de Tweede Wereldoorlog. In 1956 introduceerde Presser de term 'egodocumenten' als een overkoepelende term voor teksten waarin hij vooral geďnteresseerd was: dagboeken, memoires, autobiografieën, interviews en persoonlijke brieven. Samen met andere grote historici, zoals Groen van Prinsterer , Robert Fruin , Huizinga , Pieter Geyl , LJ Rogier, Jan Romein , Annie Romein-Verschooren Arie Th. van Deursen, hij kan worden beschouwd als een van de grootste historici van Nederland in de 19e en 20e eeuw.
Naast historisch werk schreef Presser ook literatuurwerken. Zijn boek The Night of the Girondists , gebaseerd op zijn oorlogservaringen, ontving literaire prijzen en werd een internationale bestseller. Gelegen in het Nederlandse doorgangskamp Westerbork , is het hoofdpersonage van dit boek een gelijkgestelde joodse leraar die samenwerkt met de nazi's. Het was zijn taak om Joden te selecteren voor vervoer naar Auschwitz ; later realiseerde hij zich dat hij, als Jood, ook verplicht was om het lot te delen van degenen die hij had weggestuurd.
Presser schreef ook poëzie en waagde zich zelfs op het gebied van misdaadromans.

V.l.n.r. burgemeester Kolfschoten van Den Haag, Louis Paul Boon, Hanny Michaelis en Jacques Presser (1967)

V.l.n.r. burgemeester Kolfschoten van Den Haag, Louis Paul Boon, Hanny Michaelis en Jacques Presser (1967)
Algemene informatie
Volledige naam Jacob Presser
Geboren 24 februari 1899, Amsterdam
Overleden 30 april 1970, Amsterdam
Land Nederland
Werk
Jaren actief 1941-1969
Genre geschiedkunde, literatuur, detectives
Invloeden Heinrich Heine, Theodor Lessing, Anatole France, Jan Romein
Bekende werken Ondergang (1965)
De Nacht der Girondijnen (1957)
Uitgeverij Staatsdrukkerij 's-Gravenhage
Portaal Portaalicoon Geschiedenis
 

Jacques Presser (1899-1970) - Geheugen van Nederland

 


Ralph Prins

Ralph Prins (Amsterdam, 3 mei 1926 – Den Haag, 23 januari 2015) was een Nederlandse beeldend kunstenaar, die zich beroepsmatig bezighield met typografie, fotografie, tekenen, schilderen, grafische vormgeving, reclames, drukwerk en monumentaal werk.

Levensloop
Ralph Prins werd geboren als Raphaël Mozes zoon van Izak Prins. Hij behoorde tot een Joodse familie. De gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog waren van beslissende invloed voor zijn verdere leven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde hij op de Joodse Kunstnijverheidsschool. Hij bleek talent voor kunst te bezitten en dat talent hield hem min of meer uit de Duitse vernietigingskampen. Hij kwam in aanmerking voor Plan-Frederiks, een plan dat met goedkeuring van de Duitse bezetter werd opgesteld door de Nederlandse secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken K.J. Frederiks en bedoeld was om Joden met een specifieke maatschappelijke waarde (tijdelijk) te sparen, en belandde uiteindelijk in De Schaffelaar, een Barnevelds landhuis.

Toen één van de sleutelfiguren achter Plan-Frederiks overleed, werd Ralph Prins, zij het met een speciale behandeling, toch overgeplaatst naar Kamp Westerbork. Daar kreeg hij tekenles van de beeldhouwer Jobs Wertheim. Uiteindelijk is hij op transport gezet naar Theresienstadt. Vanuit dit concentratiekamp werd hij tegen het einde van de oorlog met 200 andere Joden naar Zwitserland gebracht. Daar werden de Joden geruild tegen Duitse generaals. Zijn motief om in Zürich (Zwitserland) aan de Kunstgewerbeschule grafische kunst te willen studeren was bij de commandant van Theresienstadt doorslaggevend om Prins en zijn familie aan dit transport toe te voegen. Na de oorlog trad Prins in het huwelijk met de zangeres Heent Smits. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren. In 1994 kreeg hij de H.N. Werkmanprijs. Hij exposeerde in musea over de hele wereld. Zijn collectie is in beheer bij het Nederlands Fotomuseum te Rotterdam.

Leerling en leraar
Na de Duitse capitulatie in 1945 begon Prins met een studie typografie aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus te Amsterdam. Hij oriënteerde zich daarbij zo breed mogelijk met de bijstudies fotografie, tekenen, schilderen, grafische vormgeving, reclames, drukwerk en monumentaal werk. Daarna liet hij zich scholen in Den Haag aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Uiteindelijk volgde hij ook lessen aan de Hochschule für Gestaltung in Ulm, de Fotoschool Martha Hoepffer en de Ecole de Mime te Parijs (1950). Prins kreeg les van: Gerard Kiljan, Jaap d' Oliveira, Paul Schuitema en Gerard Vries. Van 1960-1963 gaf Prins les aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag. Van 1966 t/m 1986 was hij leraar bij de Academie Minerva te Groningen. In 1967 gaf hij een jaar les aan de Vrije Academie te Den Haag. Leerlingen van Prins waren onder anderen Stella van Acker, Wil Agaatsz, Berto Rietema, Marike Stokker, Kees Versloot en Eva Vorfeld.

Monumenten
In 1970 werd het Nationaal Monument in herinneringscentrum Kamp Westerbork door Koningin Juliana onthuld. Het monument, een ontwerp van Ralph Prins, bestaat uit een negentig meter lange spoorlijn, 97 bielzen, omhoog gebogen rails, twee stootblokken, vuile en schone kiezels, een muur van Drentse keien en een tweetal tekstplaten.

In 1987 werd in Barneveld, op het terrein van De Schaffelaar, een monument toegankelijk gemaakt ter herinnering aan de historie van Plan Frederiks. Ook dit monument is ontworpen door Ralph Prins.

In 1990 maakte hij het herdenkingsmonument 'Het Apeldoornsche Bosch', ter nagedachtenis aan ongeveer 1500 patiënten en personeelsleden van een Joodse psychiatrische kliniek, die op 22-01-1943 werden gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau.

Nog een bekend ontwerp (uit 2000) van Prins is het gedenkteken aan de gevel van het vroegere Joods Lyceum in de Voormalige Stadstimmertuin in Amsterdam. Het gedenkteken stelt een ernstig verwrongen davidsster voor.
Verder heeft Prins diverse fotoreportages, affiches en portretten gemaakt.

Wereldburger
Prins was een wereldburger. Hij werkte achtereenvolgens in Amsterdam (1945), Den Haag (1946), Parijs (1950), Italië, waar hij industrieel vormgever was voor Olivetti (1950), Nijmegen (1951). In de volgende jaren werkte en exposeerde hij in Cuba, Moskou, Japan, Frankrijk, Portugal, Spanje, Curaçao, Roemenië, Italië, Turkije, Griekenland, Rusland en Zwitserland. Het werk van Prins bestaat uit kunstenaarsportretten, kinderen (als thema), architectuur (als genre), portretten en reportagefotografie.

Gerelateerde afbeelding

Ralph Prins
Persoonsgegevens
Volledige naam Ralph Prins
Geboren 3 mei 1926
Overleden 23 januari 2015
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) Beeldhouwer
Oriënterende gegevens
Jaren actief 1970 - 2014
RKD-profiel
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur

Herdenkingsmonument 'Het Apeldoornsche Bosch'

 


Natan Ramet

IN MEMORIAM RIDDER NATAN RAMET
Men zegt vaak dat niets of niemand onvervangbaar is. Zij die Natan Ramet gekend hebben weten dat deze stelling niet klopt. Sommige ‘Mensch’ kunnen nooit vervangen worden. Natan Ramet is een van hen.
In 2012 verloor Kazerne Dossin één van haar bezielers, stichtend voorzitter van het Joods Museum van Deportatie en Verzet en ere-voorzitter van Kazerne Dossin, Natan Ramet. Voor het personeel van het Joods Museum van Deportatie en Verzet en ook voor de nieuwe medewerkers van Kazerne Dossin, was hij een alom geliefde persoonlijkheid. Helaas kon hij de opening van het nieuwe museum niet meer meemaken. Deze ‘In Memoriam’ wil hem als persoon, als één van de laatste getuigen en als drijvende kracht achter Kazerne Dossin blijvend herdenken.
Natan RAMET wordt geboren op 5 juni 1925 in Warschau. Zijn ouders, Judka Ramet en Sura Polakiewicz, emigreren uit Polen in 1930 met hun twee kinderen, Félicie en Natan. De familie vestigt zich in Berchem, een gemeente in Antwerpen. Judka Ramet werkt in de diamantsector. Natan gaat naar het Atheneum van Berchem. In de zomer van 1942 besluit vader Ramet met zijn gezin naar Brussel te verhuizen. Vader en zoon nemen op 21 augustus 1942 de trein om in Brussel naar een woning te zoeken. De trein heeft zich nog niet in beweging gezet, of ze worden door Feldgendarmen aangehouden en naar de Dossinkazerne gebracht.
Félicie (20 jaar) en moeder Sura Polakiewicz (44 jaar) duiken onder en kunnen zo ontsnappen aan de deportatie. Natan, 17 jaar en student, wordt samen met zijn vader gedeporteerd met Transport VI op 29 augustus 1942. Hun transport houdt halt in Kosel, voor Auschwitz, waar men de mannen afzet om ingeschakeld te worden als dwangarbeider. Natan en zijn vader worden tewerkgesteld in Kleinmangersdorf en Babitz, en daarna in Trzebinia. Judka Ramet overlijdt er op 29 december 1942. Natan wordt dan overgeplaatst naar het kamp van Szopienice om uiteindelijk in november 1943, in Auschwitz terecht te komen. Hij krijgt er het registratienummer 160242. In december 1943, wordt hij opgenomen in een Kommando om de overblijfselen van het getto in Warschau te ontruimen. Van daaruit wordt hij in augustus 1944 overgebracht naar Dachau en naar het kommando Kaufering. Na de bevrijding door de Amerikanen in mei 1945, keert hij op 23 mei terug naar België.
Na de oorlog, ontmoet Natan Lili Steinfeld. De grote liefde is wederzijds en de twee trouwen met elkaar. Het koppel zal drie kinderen krijgen: Denise, José en Patricia. Natan werkt in de diamantsector en zet zich meer en meer in voor Joodse werken. Hij is bewogen door een grote menslievendheid en een oprechte zorg voor anderen en hij zet zich met hart en ziel in om te voorkomen dat de geschiedenis van de Shoah vergeten zou worden. Meer nog: hij ijvert voor een diepgaande kennis van deze geschiedenis. In 1986 is hij ook gekant tegen de bouw van een Karmelietenklooster met een enorm kruisbeeld in Auschwitz. Hij maakt deel uit van de Joodse delegatie van België die stappen onderneemt tegenover de Poolse katholieke bevoegdheden. Natan Ramet wordt samen met David Susskind, Georges Schnek, Markus Pardes en rabbijn Guigui ontvangen door kardinaal Macharski en uiten hun protest tegen deze schending van de Joodse herinnering aan Auschwitz. Op die manier werd een eerste steen gelegd om de verhuis van het klooster te bekomen.
Hij is lid van de Vereniging van de Joodse Weggevoerden in België - Dochters en zonen van de deportatie maar houdt het daar niet bij. Wanneer het Centraal Israëlitisch Consistorie van België het idee oppert om een Joods Museum van Deportatie en Verzet op te richten, accepteert Natan het voorzitterschap van het inrichtende comité. Het is een gelegenheid om het Belgische luik van de Shoah te laten ontdekken door een groot publiek en om te vechten tegen antisemitisme en negationisme. Natan Ramet is er in geslaagd immense moeilijkheden te overwinnen en een museum op te bouwen, daar waar alle sporen van de Joodse deportatie weggevaagd en vergeten waren. De eerste bijeenkomst van het comité, waarbij o.a. Georges Schnek, Germaine Fischler, Oscar Van Kesbeeck en Jacques Zajtman aanwezig zijn, vindt plaats op 5 december 1991. Dit directiecomité stort zich in het avontuur met Maxime Steinberg als historicus en Paul Vandebotermet als museograaf. Dankzij het comité hebben Steinberg en Vandebotermet volledig onafhankelijk kunnen werken. In november 1996 opent het Joods Museum van Deportatie en Verzet, ingewijd door koning Albert II op 7 mei 1995. Het is het begin van een nieuw avontuur waarvan niemand kon voorspellen dat het zo’n groot succes zou worden.
Natan staat altijd klaar om te getuigen, zowel voor medewerkers van de televisie zoals Luckas Vander Taelen als voor schoolgroepen en verenigingen. Onvermoeibaar streeft hij ernaar jongeren bewust te maken van de gevaren van extreemrechts gedachtegoed en hen bewust te maken van de haatdragende gevolgen van racisme en antisemitisme. In 1998, als het Centre Communautaire et Laďc Juif voor de eerste keer de titel van ‘Mensch’ uitreikt, is het Natan Ramet die deze titel in ontvangst mag nemen. Zijn uitzonderlijk menselijke, warmhartige, eerlijke en bescheiden karakter, zijn doelgerichtheid, zijn trouw aan zijn overtuigingen en zijn betrokkenheid bij de verdediging van de zaak die hem zo na aan het hart lag, maakten Natan eigenlijk beter dan een ‘Mensch’.
Natan Ramet is, samen met de medewerkers van het Joods Museum van Deportatie en Verzet, verantwoordelijk voor de realisatie van de nieuwe tentoonstelling van het Belgisch Paviljoen in Auschwitz (2006) en voor de publicatie van de vier volumes van Mechelen-Auschwitz (VUB-Press/JMDV, Mechelen, 2009). In 2005 kreeg hij van de koning de titel van Ridder. Datzelfde jaar werd hij ook gehonoreerd door de VUB als doctor honoris causa.
Natan Ramet overleed in april 2012.

Afbeeldingsresultaat voor Natan Ramet

IN MEMORIAM RIDDER NATAN RAMET

 

Afbeeldingsresultaat voor Natan Ramet

Natan Ramet, vlak na de bevrijding. Foto uit zijn dossier bij de vreemdelingenpolitie.

 


Marcel Reich-Ranicki

Marcel Reich-Ranicki (Włocławek, 2 juni 1920 – Frankfurt am Main, 18 september 2013[1]) was een gerenommeerd Duits literatuurcriticus.
Jeugd en naziperiode
Reich-Ranicki werd in Polen geboren uit joodse ouders. Zijn vader had een fabriekje voor bouwmaterialen, dat echter in 1928 failliet ging. Marcel was het enige van de drie kinderen die naar de Duitse school van Włocławek kon; het gezin bestond uit zogenaamde Cultuurduitsers; zijn moeder, Helene Auerbach, wilde het liefst terug naar Berlijn.
In 1929 besloten zijn ouders hem naar Berlijn te sturen, waar hij bij welgestelde verwanten verbleef. Hij ging er naar het Werner-Siemens-Realgymnasium, een progressieve school met veel joodse leerlingen. Deze school werd echter in 1935 opgeheven, en door de inmiddels aan de macht gekomen nazi’s werd Reich-Ranicki steeds sterker gemarginaliseerd. Hij mocht niet deelnemen aan de meeste leerlingenactiviteiten en vulde zijn tijd met lezen en het bezoeken van concerten. Toen Thomas Mann zich openlijk van het nazisme distantieerde, werd deze auteur Reich-Ranicki's grote voorbeeld. Zijn nieuwe school, het Fichte-Gymnasium in Berlin-Wilmersdorf, hield aan de gelijke behandeling van joden vast, en aldus kon hij alsnog het Abitur behalen. Op 23 april 1938 werd hem op grond van zijn joodse afstamming toelating tot de Humboldt-Universität, toen nog Friedrich-Wilhelms-Universität geheten, geweigerd.
Eind 1938 werd Reich-Ranicki naar Polen uitgewezen; bij de Polenaktion werd hij in het kader van een etnische zuivering verplicht naar Warschau te verhuizen. Daar moest hij opnieuw Pools leren en hij bleef er een jaar lang werkloos. Hij leerde zijn latere vrouw, Tosia Langnas, kennen na de Poolse campagne.
In 1940 werd Reich-Ranicki gedwongen naar het Getto van Warschau te verhuizen. Daar werkte hij als vertaler voor de Jodenraad en schreef hij concertrecensies voor de Gazeta Żydowska, de krant van het ghetto. Daarnaast werkte hij mee aan het ondergrondse archief van Emanuel Ringelblum. Om haar overlevenskansen te verhogen huwde hij op 22 juli 1942 zijn vriendin, nadat hij vernomen had dat de SS van plan was om de inwoners naar Treblinka te deporteren. Hij nam deel aan een verzetsactie van de Żydowska Organizacja Bojowa. De nazi's spaarden hem aanvankelijk omdat hij als vertaler nuttig was. Vlak voor de deportatie vluchtte hij met zijn vrouw uit het ghetto door de wachtposten om te kopen. Hij vond onderdak bij de drukker Bolek Gawin, waar hij zich verschool nadat het Rode Leger de rechteroever van de Weichsel bezet had, en hield zich er in leven door de inhoud van grote literaire werken te vertellen, waardoor de familie hem als nuttig beschouwde (hij heeft dit later een Scheherazade-ervaring genoemd). Tot hun dood ondersteunden Reich-Ranicki en zijn vrouw financieel de dochter van Bolek Gawin. Reich-Ranicki's ouders werden beiden in Treblinka vergast, en zijn broer Alexander werd doodgeschoten nabij Lublin. Zijn zus Gerda was reeds in 1933 naar Londen gevlucht.
Poolse spionage
In 1944 werd Reich-Ranicki lid van de Urząd Bezpieczeństwa, de Poolse geheime dienst, die was opgericht door de schaduwregering in Moskou en spionageactiviteiten tegen Groot-Brittannië leidde. Hij werd als gezant naar Londen gestuurd en noemde zich Marceli Ranicki, omdat de naam Reich te Duits klonk. Ofschoon hij twee medailles ontving, wantrouwden zijn collega’s hem, omdat hij vaak op eigen houtje handelde en als intellectueel nogal arrogant overkwam. Zijn zoon werd in Londen geboren. Uiteindelijk werd hij teruggeroepen uit Londen en ontslagen wegens ideologische onberekenbaarheid; voorts werd hij uit de communistische partij gezet en enkele weken opgesloten. Toen hij vrijkwam, wijdde hij zich aan de literatuur en ging voor een uitgeverij in Warschau werken; echter kreeg hij van de overheid publicatieverbod opgelegd. Daarop ging hij bij de Poolse radio aan de slag, waar ook zijn vrouw werkte.
In 1994 beschuldigde Tilman Jens, een zoon van Walter Jens, Reich-Ranicki ervan dat hij tijdens zijn activiteiten in Londen gepoogd zou hebben om geëmigreerde Polen terug naar Polen te lokken, waarna sommigen van hen ter dood veroordeeld zouden zijn. Reich-Ranicki heeft steeds ontkend dat hij medeplichtig aan moord zou zijn geweest en hield vol dat hij slechts spion was geweest wegens de luxueuze levensomstandigheden en de materiële voordelen die dit met zich meebracht. Uiteindelijk hebben Walter Jens en Reich-Ranicki zich in 2004 met elkaar verzoend.
Carričre in de literatuur
In 1958 is Ranicki tijdens een studiereis in Frankfurt am Main blijven hangen. In augustus van dat jaar begon hij voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung te werken als literatuurcriticus, en noemde zich voortaan weer met zijn volledige naam Reich-Ranicki. Hij ondervond veel steun bij auteurs uit de Gruppe 47, onder wie Wolfgang Koeppen en Siegfried Lenz, die hun boeken door hem lieten recenseren. De leider van de literaire redactie, Friedrich Sieburg, drong desalniettemin op zijn ontslag aan. Eind 1959 verhuisde Reich-Ranicki naar Hamburg-Niendorf, alwaar hij voor Die Zeit ging werken en zelf mocht beslissen welke boeken hij wilde bespreken.
Reich-Ranicki raakte bevriend met Joachim Fest, die voor de Norddeutscher Rundfunk werkte en vanaf 1973 mede-uitgever van de Frankfurter Allgemeine Zeitung was. Dankzij hem werd hij nog datzelfde jaar literair hoofdredacteur van deze krant. Vanaf 1986 barstte in Duitsland de zogenaamde Historikerstreit los; daarbij ging het om de vraag hoe men met auteurs moest omgaan die in het nazisme waren verstrikt geweest. Tot aan zijn pensioen in 1988 behield Reich-Ranicki zich het recht voor alle auteurs te bespreken die hij literair verdienstelijk vond, ongeacht hun ideologische of historische achtergrond. Verder stichtte hij nog de Frankfurter Anthologie en gaf verschillende verzamelwerken van de Duitse letteren uit. In 1977 had hij ook de Ingeborg-Bachmann-Preis in het leven geroepen.
In 1968 en 1969 was hij gasthoogleraar aan diverse Amerikaanse universiteiten en van 1971 tot 1975 aan de universiteiten in Stockholm en Uppsala. Sedert 1974 was hij ereprofessor aan de Eberhard Karls Universität Tübingen. In 1990 was hij in Düsseldorf gasthoogleraar aan de Heinrich Heine-Universiteit en in 1991 in Karlsruhe aan de Universiteit van Karlsruhe. In 2006 ontving Reich-Ranicki een eredoctoraat van de Humboldt-Universität zu Berlin; hiermee wilde de universiteit goedmaken dat haar voorganger, de Friedrich-Wilhelms-Universität, hem indertijd de toegang had ontzegd. De universiteit van Tel Aviv riep in dat jaar tevens de Marcel Reich-Ranicki-Lehrstuhl für Deutsche Literatur in het leven, als teken van Duits-Joodse verzoening.
Van 25 maart 1988 tot 14 december 2001 presenteerde Reich-Ranicki het programma Das Literarische Quartett op het ZDF, waardoor hij een grote bekendheid bij het publiek kreeg. Hij werd beschouwd als de onovertroffen literatuurpaus.
Op 11 oktober 2008 werd aan Reich-Ranicki de Deutscher Fernsehpreis toegekend. In een controversieel optreden weigerde hij kordaat de prijs in ontvangst te nemen, als reactie op „de stompzinnigheid die we hier vanavond te zien hebben gekregen”. Dit provoceerde een debat in de media over de inhoudloosheid van de hedendaagse televisie en het gebrek aan intellectuele stimulansen. Presentator Thomas Gottschalk nodigde Reich-Ranicki voor een debat van één uur uit om te discussiëren over de kwaliteit van de televisie, samen met de intendanten van de drie grote netten. De literatuurcriticus ging akkoord, maar uiteindelijk sloegen de televisiebazen de uitnodiging af en ging het gesprek enkel tussen Reich-Ranicki en Gottschalk; het duurde slechts een halfuur.
Op 4 mei 2013 maakte Reich-Ranicki bekend dat hij aan kanker leed.Hij overleed op 18 september 2013 op 93-jarige leeftijd in Frankfurt am Main.
Onderscheidingen
Zilveren Kruis van Verdienste (Polen) „voor uitmuntende verdiensten, dapperheid in de strijd tegen sabotagebendes en voorbeeldige dienst” bij de Poolse geheime dienst
Eredoctoraat van de Universiteit Uppsala (1972)
Heine-Plakette (1976)
Ricarda-Huch-Preis (1981)
Wilhelm-Heinse-Medaille van de Akademie der Wissenschaften und der Literatur in Mainz (1983)
Goethe-Plakette van de stad Frankfurt am Main (1984)
Thomas-Mann-Preis (1987)
Bambi-Kulturpreis (1989)
Bayerischer Fernsehpreis (1991)
Hermann-Sinsheimer-Preis für Literatur und Publizistik (1991)
Eredoctoraten van de Universität Augsburg en Otto-Friedrich-Universität Bamberg (1992)
Wilhelm-Leuschner-Medaille
Ludwig-Börne-Preis (1995)
Cicero-Rednerpreis (1996)
Eredoctoraat van de Heinrich Heine-Universiteit Düsseldorf (1997)
Hessischer Kulturpreis (1999)
Friedrich-Hölderlin-Preis van de stad Bad Homburg en Samuel-Bogumil-Linde-Preis (2000)
Goldene Kamera (2000)
Eredoctoraat van de Universiteit Utrecht (2001)
Eredoctoraat van de Ludwig-Maximilians-Universität München (2002)
Goethepreis van de stad Frankfurt (2002)
Großes Verdienstkreuz mit Stern der Bundesrepublik Deutschland (2003)
Europese Cultuurprijs (2004)
Staatspreis des Landes Nordrhein-Westfalen (2005)
Eredoctoraten van de Freie Universität Berlin en de Universiteit van Tel Aviv (TAU) (2006)
Eredoctoraat van de Humboldt-Universität zu Berlin (2007)
Naamgever van de Lehrstuhl für deutsche Literatur der Universität Tel Aviv (inwijding van de leerstoel: 2007)
Henri Nannen Preis voor zijn journalistiek levenswerk (2008)
Deutscher Fernsehpreis voor zijn levenswerk (2008, geweigerd)
Officier in de Orde van Oranje-Nassau (2010)

Boerne-preis-2007-ffm006.jpg

Reich-Ranicki in 2007
Geboren Marceli Reich 2 juni 1920 Włocławek , Polen

Ging dood 18 september 2013 (93 jaar) Frankfurt , Duitsland
Bezetting Literatuur kritiek
Opmerkelijke prijzen Goethe-prijs (2002)
Echtgenoot Teofila ( m. 1942, d. 2011)

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Marcel Reich-Ranicki


Marcel Reich-Ranicki - Zoon vertelt over de dood van zijn vader

 

Marcel Reich-Ranicki

Hij ontmoette zijn vrouw Teofila in 1940 in Warschau, zij huwden in 1942

 


Letty Rudelsheim

Alida Aviva Henriette (Letty) Rudelsheim (Watergraafsmeer, 21 maart 1915 - Jeruzalem, 21 november 2009) was een Joods-Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Jeugd en opleiding
Ze werd geboren op de Hoogeweg 81 in de toenmalige gemeente Watergraafsmeer, nu een Amsterdams stadsdeel. Haar ouders waren de uit Engeland overgekomen diamantbewerker Mozes Abraham Rudelsheim en de Nederlandse Elisabeth A. Duizend. Rudelsheim volgde de kweekschool te Amsterdam.
Verzetswerkzaamheden
Rudelsheim was onderwijzeres aan de Talmoed-Toraschool te Amsterdam en kwam in contact met de verzetsgroep van Joop Westerweel waar ze deel van ging uitmaken en verzetsacties voor ondernam. In augustus 1942 werd het voor haar als Joodse te onveilig om nog in het openbare leven te verschijnen en besloot ze onder te duiken.
Onderduik, verder verzet en verraad
Zij vond een veilige schuilplaats bij het echtpaar Fokje Bleeker-Dijkstra (1910) en Johan Bleeker (1906) in Heerenveen. Dit echtpaar herbergde vele onderduikers in hun woning annex schoenmakerij aan de Tjepkemastraat 22 en kreeg daarvoor de Yad Vashem onderscheiding. Spoedig erna nam ze vanuit Friesland contact op met Joop Westerweel of er iets voor haar te doen was waarbij ze zich toch nuttig kon blijven maken. Er werd een vals identiteitsbewijs voor haar geregeld en ze ging wonen in een flat in Rotterdam die afgestaan was door een kennis van de Westerweels. Hier zette zij samen met de vrouw van Joop, Wilhelmina Westerweel, voor de ontsnappingsroutes van Joden een safe house op. Vanuit dat doorgangshuis werden mensen verdergebracht naar het zuiden van Europa. Letty en Willy voorzagen met door het verzet gestolen distributiekaarten en geld vele mensen daar van voedsel en zorgden ervoor dat ze weer verder konden.
Arrestatie en deportatie
Dat ging goed tot 10 oktober 1943 toen door verraad de Duitsers het appartement binnenvielen en iedereen arresteerden. Alle acht aanwezige Joodse onderduikers werden naar de gevangenis van Rotterdam gebracht en vervolgens via het doorgangskamp Westerbork naar Auschwitz waar allen omkwamen. Letty (waarvan men niet wist dat ze Joods was) en Willy werden beiden gevangengenomen en op diverse locaties ondervraagd en uiteindelijk naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Den Haag gebracht waar ze zogenaamd in vrijheid werden gesteld op verschillende tijdstippen. Letty reisde naar Rotterdam terug waar ze opgevangen werden door Willy en Giel Salomé, maar toen bleek dat ze in de val waren gelopen. Een "doorgeslagen" lid van de Westerweelgroep, Karel Kaufmann, had hen verraden. Allen werden gearresteerd en Letty werd nu als Joods geďdentificeerd en op transport gesteld.
Na de oorlog

Letty werd via Westerbork naar Auschwitz getransporteerd waar ze in 1945 werd bevrijd. Letty was getrouwd met David van Gelder, een leraar Engels die oorspronkelijk uit Groningen kwam. Zij emigreerden naar Israël waar Letty de voornaam Aviva voerde en David de achternaam Ben Heled aannam.
Literatuur
Gesprekken met mijzelf in Auschwitz: een verhaal over de overwinning van de geest op het kwaad. Letty Ben-Heled-Rudelsheim, Miriam Dubi-Gazan; (vert. uit het Engels: H.A. Hof-Hoogland) Uitgeverij Kok, Kampen, 2003, ISBN 90-435-0699-0

mizrahikampleiding

Izak Cohen, Benno Gitter , … Dasberg?, Jaap Polak, Mevr. en Dr. …………. (later in Israel in Beer Sheva gewoond), Letty Rudelsheim

 


Jan Saudek

Jan Saudek (Praag, 13 mei 1935) is een Tsjechische kunstfotograaf.
Leven
Saudeks vader was joods en daardoor belandden Jan en zijn broer Karel - later een beroemd striptekenaar - in een kinderconcentratiekamp in de buurt van de Poolse grens. Zijn familie is grotendeels omgekomen in het concentratiekamp Theresienstadt. Na de oorlog werkte hij bij een drukker. Na het voltooien van zijn dienstplicht raakte hij geďnspireerd door Edward Steichens Family of Man-expositie en wilde hij kunstfotograaf worden. In 1969 vertrok hij naar de Verenigde Staten en kreeg hij bijval voor zijn werk van Hugh Edwards, curator van het Art Institute of Chicago.
Eenmaal terug in Praag werkte hij op een fabriek en in zijn vrije tijd maakte hij zijn foto's in een kelder om zo min mogelijk de aandacht te trekken van de geheime dienst. Mede omdat zijn werk thema's aansneed van vrije erotiek aangevuld met politieke symbolen van corruptie en onschuld. Rond 1970 werd hij in het Westen gezien als een leidende Tsjechische fotograaf en kreeg hij in eigen land ook steeds meer bewonderaars. In 1983 kwam zijn eerste boek uit, alleen in het Engels en uitgegeven in het Westen. Naar aanleiding hiervan kreeg hij van de communistische autoriteiten toestemming om zich volledig op de fotografie te storten en zijn baan als fabrieksarbeider op te zeggen. In 1987 nam de politie nog wel zijn negatieven in beslag maar deze werden later weer teruggegeven.
Werk
Hij is het bekendst geworden met zijn bijgekleurde foto's van dromerige werelden die gevuld zijn met naakte of halfnaakte figuren tegen een afgebladderde muur, waarbij vaak dezelfde elementen en symbolen terugkomen. Deels was dit uit pure noodzaak omdat hij alleen de kelder tot zijn beschikking had en niet veel spullen hierin kwijt kon. Zijn foto's doen denken aan de erotische fotografie uit het midden van de 19e eeuw en aan het werk van schilders als Balthus en Bernard Faucon. In zijn beginperiode gaat het vooral om het voorstellen van de jeugd, later verschuift het thema naar de ontwikkeling van jeugd naar volwassenheid en ouderdom (waarbij hij het onderwerp in dezelfde compositie over verschillende jaren volgt). Religie en de dubbelzinnigheid tussen man en vrouw zijn ook terugkerende thema's in het werk van Jan Saudek. Zijn werk werd in de jaren negentig van de 20ste eeuw het onderwerp voor censuur in het Westen.
Sommige van zijn foto's verschenen op albumhoezen. Zoals Anorexia Nervosa (New Obscurantis Order), Soul Asylum (Grave Dancers Union), Daniel Lanois (For the Beauty of Wynona) en Beautiful South (Welcome to the Beautiful South).
Boeken
Jan Saudek (1998, Taschen)
Jan Saudek, Life, love, death & other such trifles. Art Unlimited, 1991.
Pouta lásky (Chains of Love)
Saudek. Prague: Slovart
Saudek, Jan: Ženatý, svobodný, rozvedený, vdovec. Prague: Slovart, 2000
Saudek, Jan: Národní divadlo 2006/07. National Theatre 2006/07 Season. Prague: Národní divadlo, 2007

Svět knihy 2010 - Jan Saudek 01.JPG

Saudek in 2010
Geboren 13 mei 1935 (82 jaar) 
Praag, Tsjechoslowakije
Nationaliteit Tsjechisch
Bezetting Kunstfotograaf, schilder
Opmerkelijk werk De wereld van Jan Saudek: foto's, Jan Saudek-Il teatro de la vita, verhaal uit, Tsjechoslowakije, mijn land en foto's door Jan Saudek

 


Jules Schelvis

Jules Schelvis (Amsterdam, 7 januari 1921 – Amstelveen, 3 april 2016 was een Nederlandse kenner van de Jodenvervolging, zelf van Joodse komaf en overlevende van zeven concentratie- en vernietigingskampen.

Sobibór
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de 22-jarige Schelvis in Amsterdam door de Duitse bezetter opgepakt, tegelijk met zijn vrouw Rachel Borzykowski en een groot deel van zijn familie. Met uitzondering van zijn zuster en moeder werden al deze familieleden en zijn vrouw door de nazi's omgebracht.

Op 1 juni 1943 werd Schelvis met ruim drieduizend andere Joden op transport gezet vanuit Kamp Westerbork naar vernietigingskamp Sobibór. Hij gaf zich daar op voor wat hij dacht dat de ordedienst van Sobibór was, maar werd te werk gesteld in Kamp Dorohucza. Zijn vrouw en haar ouders werden in Sobibór vergast. Schelvis' martelgang door zeven nazikampen duurde twee jaar. Uiteindelijk werd hij op 8 april 1945 in Kamp Vaihingen door Franse troepen bevrijd. Schelvis had toen vlektyfus en woog nog slechts veertig kilo. De daaropvolgende opname van twee maanden in het ziekenhuis zette hem aan tot het schrijven van wat hij had meegemaakt. Dit deed hij op ziekenhuisformulieren, om later niet het verwijt te krijgen dat alles was verzonnen. Op 30 juni 1945 was hij terug in Amsterdam.

Schrijver
Schelvis, van origine graficus en drukker, werkte tot aan zijn pensioen als hoofd algemene zaken in Amsterdam en Rotterdam voor respectievelijk De Arbeiderspers en dagblad Het Vrije Volk. Na lang stilzwijgen, ook voor zijn directe collega's en op aandrang van enkele redacteuren van laatstgenoemde krant die hij in vertrouwen had genomen, durfde Schelvis pas na zijn pensionering in 1982 zijn ervaringen op papier te zetten.

Hij schreef enkele boeken, waaronder Binnen de poorten en Vernietigingskamp Sobibor. In Sobibór, vlak bij de grens met Oekraďne, werden in ruim een jaar tijd ten minste 169.800 mensen, voornamelijk Joden, vermoord. Van hen waren er 34.295 afkomstig uit Nederland. Schelvis was een van de slechts achttien Nederlandse overlevenden.

Zijn boek Binnen de Poorten werd ook bewerkt tot een theatervoorstelling: in 1995 werd dit stuk ter gelegenheid van vijftig jaar bevrijding door zo'n zestig spelers en musici opgevoerd in Geldermalsen, waar Schelvis toen woonde. In 2000 vormden het boek en de eerdere voorstelling de basis voor een gelijknamige solo-voorstelling van verhalenverteller Eric Borrias. Laatstgenoemde werd in 2007 onderscheiden met de Rachel Borzykowski-penning van Stichting Sobibor. Beide voorstellingen werden geschreven en geregisseerd door Gerard Evers, in nauwe samenwerking met Jules Schelvis.

Burger-aanklager
Schelvis trad in Duitsland als burger-aanklager op tegen kampbeulen en ging lezingen houden, de laatste jaren vooral voor de Duitse jeugd. Hij trad op als gids in de vroegere kampen en was adviseur bij tal van initiatieven om de Holocaust als waarschuwing in de herinnering te houden. In het proces dat vanaf 30 november 2009 werd gevoerd tegen de van oorlogsmisdaden verdachte John Demjanjuk, die als kampbewaker van Sobibór verantwoordelijk zou zijn voor het vermoorden van Joodse gevangenen, trad hij op als zogenoemde mede-aanklager (Nebenkläger). Onder andere uit respect voor zijn humanistische ouders vroeg Schelvis op 13 april 2011 aan de rechtbank de schuld van de hoogbejaarde man (Schelvis was toen zelf al negentig jaar) vast te stellen, maar hem geen celstraf op te leggen.

Onderscheidingen
Jules Schelvis ontving op 8 januari 2008 voor zijn historische speurwerk een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam.Eind 2011 gaf hij zijn werk voor de Stichting Sobibor, waarvan hij mede-oprichter en bestuurslid was, op. Hij ondersteunde nog wel de vervolging van Klaas Carel Faber.
Op 7 februari 2007 werd Schelvis koninklijk onderscheiden en benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
In 2011 ontving Schelvis de Annetje Fels-Kupferschmidt-onderscheiding van het Nederlands Auschwitz Comité.
Op 14 oktober 2013 werd hij in Sobibór – zeventig jaar na de opstand aldaar – door Polen onderscheiden en benoemd tot Officier in de Orde van Verdienste van de Republiek Polen.
Straatnaam[bewerken]
In Amstelveen komt er een Dr. Jules Schelvislaan in een wijk waarvan de bouw nog moet beginnen.

Bibliografie
Vernietigingskamp Sobibor. 1993. Amsterdam: Bataafsche Leeuw. ISBN 978 90 6707 629 6
Binnen de poorten. 1995. Amsterdam: Bataafsche Leeuw. ISBN 978 90 6707 369 1
Sobibor. Transportlijsten. 2001. Amsterdam: Bataafsche Leeuw. ISBN 90 6707 516 7                                                                                                                                                       De trouwfoto van Jules Schelvis (rechts).

Jules-schelvis.jpg

Algemene informatie
Geboren Amsterdam, 7 januari 1921
Overleden Amstelveen, 3 april 2016
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep drukker
Bekend van Holocaustoverlevende
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

Jules Schelvis met zijn Poolse verloofde Rachel, 1939.

 


Pierre Seel

Pierre Seel (Haguenau, Bas-Rhin, 16 augustus 1923 – Toulouse, 25 november 2005) is de enige Fransman die openlijk een verklaring heeft afgelegd over zijn ervaringen van de deportatie tijdens de Tweede Wereldoorlog omwille van zijn homoseksualiteit.
Biografie
Pierre Seel was het vijfde en laatste kind van een rijke katholieke, Elzasser familie, en werd geboren in het familiekasteel Fillate te Haguenau. Op zijn elfde ontdekte hij dat zijn zus Josephine (hij noemde haar Fifine) feitelijk zijn nicht was, die na de dood van haar moeder door Seels vader werd geadopteerd. Zijn vader runde een succesvolle banketbakkerij en snoepwinkel in Mulhouse, gevestigd aan de hoofdstraat Rue de Sauvage 46. Zijn moeder, Emma Jeanne, was directrice van een warenhuis en kwam na haar huwelijk in het familiebedrijf werken. Rond zijn zeventiende sloot Seel zich aan bij de Mulhouse (Elzas) gay-subcultuur en die van 'Zazou' (het leven voor en het houden van Django Reinhardt en Stephane Grappelli's zigeunerjazz-muziek). Hij vermoedde dat zijn homoseksualiteit te maken had met de beteugelende katholieke moraal van zijn ouders die hem verboden om gedurende zijn tienertijd naar meisjes van zijn eigen leeftijd te kijken. Hij vond het moeilijk om zijn homoseksualiteit te accepteren en zag dit als de reden voor zijn korte lontje.
In 1939 bezocht hij het park le Square Steinbach, een notoire homo-ontmoetingsplaats voor mannen. Daar werd zijn horloge gestolen dat hij van zijn peettante (zijn tante) had gekregen voor zijn recentelijke communie. In zijn onwetendheid gaf hij de diefstal aan bij de politie, niet wetende dat zijn naam op een lijst van homoseksuelen zou komen te staan, die door de politie werd bijgehouden. Homoseksualiteit was in Frankrijk al sinds 1792 gelegaliseerd en het Vichyregime vervolgde homoseksuelen niet, maar in augustus 1942 werd het volwassenen verboden seks te hebben met jongeren onder de eenentwintig. De Duitse invasie verkleinde Seels hoop op een textielstudie in Rijsel. Hij voltooide zijn beroepsopleiding als boekhouder, decorateur en verkoper en vond een baan als assistent-verkoper in een naburig bedrijf.
In Schirmeck-Vorbrück
Op 3 mei 1941 werd Seel gearresteerd. Hij werd gemarteld en verkracht met een eind hout.(Dit bleek een doormidden gebroken liniaal te zijn, waarop de jongens moesten gaan knielen.)Op 13 mei 1941 werd hij op transport gesteld naar het kamp in Schirmeck-Vorbrück, zo'n 30 km ten westen van Straatsburg. Zijn gevangenis-uniform werd gemarkeerd met een blauwe band (dat stond voor katholieke en "asociale" gevangenen), wat eigenlijk beter was dan de beruchte roze driehoek die niet in Schirmeck gebruikt werd. Seel zei hierover: "Er was geen solidariteit voor de homoseksuele gevangenen; ze behoorden tot de laagste klasse. Andere gevangenen, zelfs onderling, gebruikte de homo's als doelwit."
Op 6 november 1941, na maanden van verhongering, slechte verzorging en gedwongen arbeid, werd Seel zonder enige uitleg vrijgelaten en werd hij een Duits staatsburger. Ten aanzien van de commandant van het kamp, Karl Buck, moest hij zweren zijn ervaringen geheim te houden en ook moest hij dagelijks verslag uitbrengen aan de Gestapo.
Rest van de oorlog
Tussen 21 maart en 26 september 1942 werd Seel gedwongen zich aan te melden bij de RAD (Rijksarbeidsdienst) en zo wat militaire training te krijgen. Hij werd eerst naar Wenen uitgezonden als adjudant van een Duitse officier. Daarna ging hij naar een militair vliegveld in Gütersloh, vlak bij de Duits-Nederlandse grens.
Op 15 oktober 1942, werd hij gedwongen dienst te nemen in de Wehrmacht en werd een "malgré-nous" (letterlijk ondanks ons); jongemannen die in de Elzas of in Lotharingen waren geboren, moesten tegen hun wil het Duitse leger in waar ze tegen de vijand en de aanhangers moesten vechten. Zonder zich echt te kunnen herinneren waar en wanneer hij ergens heen ging, trok hij de volgende drie jaren kriskras door Europa. Ook werd hij uitgezonden naar Joegoslavië. Terwijl hij tegen de lokale verzetsbeweging vocht, brandde hij en zijn medesoldaten afgelegen dorpen plat die door vrouwen en kinderen werden bewoond. Op een dag stond hij oog in oog met een partizaan die Seels kaak brak, waardoor hij al zijn tanden verloor. Seel herstelde niet van de gevolgen en werd gewond naar Berlijn gestuurd, waar hij een administratieve baan bekleedde.
In het voorjaar van 1943 werd Seel tot zijn verbijstering naar een Lebensbornhuis in Pommeren gezonden. Seel bleef daar een paar dagen.
In de zomer van 1943 sloot Seel zich vrijwillig aan bij de Reichsbank (Rijksbank), waar hij teller werd op de treinen voor soldaten die op weg waren naar Belgrado en Saloniki. Dit eindigde met de aanslag op Hitlers leven, waardoor de autoriteit extra verscherpt werd. Seel hielp de Berlijnse bevolking die 40 dagen en nachten ondergronds zaten vanwege een aanval van de geallieerden.
Terwijl dingen zich begonnen te ontrafelen voor het Rijk, werd Seel naar Smolensk gestuurd, aan het Russische front. Seel had van zijn officier toestemming gekregen om diens paard te lenen, omdat hij, samen met een Elzasser, werd uitgezonden naar een gevaarlijk en blootliggend gebied. De vijand bleef maar op hen schieten en al snel werd zijn compagnon gedood. Hij verbleef daar drie dagen, was bijna krankzinnig en waande zichzelf vergeten.
Toen de afgang bij de Duitsers de overhand nam, stelde zijn bevelvoerend officier Seel voor om gezamenlijk te deserteren. Kort daarop werd de officier gedood en besloot de alleen achtergebleven Seel zich over te geven aan de Russische troepen en volgde hen naar het westen. Ergens in Polen werd hij gearresteerd en bedreigd te zullen worden doodgeschoten, als vergelding van de moord op een officier. Hij redde zijn leven door naar voren te stappen en ten aanzien van het vuurpeloton De Internationale te zingen.
In Polen verliet Seel het Russische leger en sloot zich aan bij een groep overlevenden van het concentratiekamp die teruggebracht werden naar Frankrijk. Het Rode Kruis nam het al snel over en regelde een konvooi van treinen. Deze ging helaas niet naar het westen maar naar het zuiden, richting Odessa en de Zwarte Zee, onder erbarmelijke omstandigheden. Op 8 mei 1945 was Seel nog steeds in Polen waar de wapenstilstand was afgekondigd. In Odessa, waar hij de verantwoording had over een vluchtelingenkamp, kreeg hij malaria. Daar kreeg hij ook het advies om zijn naam te veranderen in 'Celle' en te zeggen dat hij uit Belfort kwam en niet uit Elzas.
Na lang wachten op een boot die hem vanuit Odessa naar Frankrijk zou brengen, arriveerde "Pierre Celle" eindelijk per trein in Parijs; deze ging echter via Roemenië, Duitsland, Nederland en België. Seel vond een administratieve baan, waar hij lange lijsten moest afvinken van vluchtelingen die huiswaarts keerden.
In Mulhouse aangekomen, besefte Seel dat hij zou moeten liegen omtrent zijn waargebeurde verhaal en, zoals zovelen, te liegen waarom hij was gedeporteerd.
"Ik was al bezig mijn geheugen te censureren en ik werd me bewust dat, ondanks mijn verwachtingen en wat ik mij had ingebeeld over de langverwachte vreugde van terugkeer, de ware Vrijheid voor andere mensen was.
Na de oorlog
Na het einde van de oorlog, werd het Franse strafwetboek gewijzigd, om principieel van de antisemitische wet af te komen. Het artikel dat homoseksuelen volwassenen geen relatie mogen hebben met minderjarigen werd pas in 1982 gewijzigd. De homofobische sfeer van de jaren tussen 1940 en 1960 betekende voor de terugkerende slachtoffers dat de mogelijkheid om hun verhaal te vertellen werd gedwarsboomd door de angst van verdere stigmatisatie. In zijn boek beschrijft Seel een toename van homofobische aanvallen in Mulhouse na de oorlog. Zelfs binnen zijn eigen familie voelde Seel een negatieve reactie betreffende zijn homoseksualiteit. Ook zijn eigen verwanten weigerde het ter sprake te brengen, terwijl andere leden van de familie er vernederende grappen over maakten. Zijn peetoom onterfde hem.
Nadat Seel nog maar net als inkoopmanager begonnen was bij een kledingpakhuis, zette hij een genootschap op om de behoeftige families uit de buurt aan voedsel en kleding te helpen. Ook nam hij de zorg voor zijn al op leeftijd zijnde moeder op zich, met wie hij een nauwe band kreeg en met wie hij als enige verwante over zijn ervaringen van de afgelopen dertig jaar kon praten. De vier jaren die daarop volgde waren, zoals hij dat zelf zei, de jaren van schaamte; Seel leidde een leven van "pijnloos verdriet", waarin hij langzaam tot het besluit kwam dat hij afstand moest nemen van zijn homoseksualiteit. Hij trad in de voetsporen van zijn ouders en op 21 augustus 1950 bezocht hij een relatiebemiddelingsbureau; het burgerlijk huwelijk met de dochter van een Spaanse dissident voltrok zich (het kerkelijk huwelijk werd op 30 september 1950 voltrokken in Saint-Ouen). Hij besloot zijn vrouw niets over zijn homoseksualiteit te vertellen.
Hun eerstgeboren kind werd doodgeboren, maar uiteindelijk kregen ze twee zoons (1952 en 1954) en een dochter (1957). In 1952, voor de geboorte van hun tweede kind, verhuisden ze naar Parijs, naar de Chevreuse-vallei, waar Seel een kledingzaak opende die weinig succesvol was. Hij vond al snel werk in een groter kledingbedrijf in Parijs. De familie raakte betrokken bij de lokale katholieke gemeenschap. Seel vond het moeilijk om een band met zijn kinderen op te bouwen; hij was terughoudend toen zijn dochter werd geboren, terwijl hij niet wist hoe hij zijn liefde moest tonen ten opzichte van zijn twee jongens zonder dat het een allegaartje werd.
De jaren zestig bracht de familie een kleine onstabiliteit toen ze naar Blois, Orléans, Compičgne, Rouen, en weer terug naar Compičgne, verhuisde, zodat Seel zijn carričre kon navolgen. Maar dat bracht meer spanningen in zijn huwelijk. In 1968 zat Seel vier dagen vast in het bestormde Sorbonne (zie hiervoor mei 1968), toen hij daar als observator naartoe werd gestuurd door de lokale oudervereniging. Hij reisde verder af naar Toulouse om het nieuwe appartement te bezichtigen dat hen werd aangeboden door de administratieve baan die zijn vrouw had. Daar werd hij gearresteerd op verdenking van het aanmoedigen van jonge demonstranten. De familie settelde zich uiteindelijk in Toulouse.
In de tien jaar die volgde, groeide Seel en zijn vrouw steeds meer uit elkaar en werd hij gekweld door tekortkomende gevoelens, schaamte, en verwardheid over zijn seksualiteit. Toen het stel in 1978 scheidde, zat hij al onder de kalmerende middelen. Hij begon te drinken en hield er rekening mee dakloos te raken; hij heeft zelfs drie keer op straat geslapen om zichzelf te testen. Toen een van zijn zoons begon te dreigen dat hij hem nooit meer wilde zien als hij zou blijven drinken, bezocht hij een counselinggroep. In 1979, hij werkte toen voor een verzekeringsbedrijf en probeerde zich nog steeds met zijn van hem vervreemde vrouw te verzoenen, bezocht hij een debat bij een plaatselijke boekwinkel voor de lancering van de Franse editie van Heinz Hegers getuigenverklaring De Mannen met de Roze Driehoeken (wat Martin Sherman inspireerde om het toneelstuk Bent (1979) te schrijven). Na afloop had Seel een gesprek met de sprekers en zouden ze elkaar de volgende dag ontmoeten.
Hij bezocht de plaatselijke afdeling van David et Jonathan, een gezelschap voor katholieke homo's en lesbiennes. Op 9 april 1989 keerde hij voor het eerst terug naar de kampen van Schirmeck en Struthof.
De laatste twaalf jaar van zijn leven deelde hij met zijn partner Eric Feliu met wie hij honden fokte, hetgeen hem hielp om van zijn angst voor honden af te komen. Die angst was ontstaan toen Jo, Seels eerste liefde in Schirmeck, voor de ogen van alle gevangenen door Duitse herders levend werd verscheurd.
In 2005 overleed Seel op 82-jarige leeftijd te Toulouse aan de gevolgen van kanker. Hij werd begraven in Bram in het departement Aude.
Uitspreken
In 1981 werd de getuigenverklaring verzameld door Jean-Pierre Joecker (regisseur en oprichter van het gay-magazine Masques) en werd anoniem gepubliceerd in een speciale editie van het toneelstuk Bent. In antwoord op de anti-homo declaratie en de acties van Léon Elchinger, bisschop van Straatsburg, sprak Seel in april 1982 openlijk en schreef op 18 november een open brief aan de bisschop. Hij verspreidde een kopie van die brief aan zijn familie. De brief werd op 11 december gepubliceerd in editie N° 47 van het weekblad Gai Pied. Tegelijkertijd spande hij een proces aan om compensatie te krijgen van de staat.
Tussen 1980 en 1990 werd Seel aangevallen en ontving zelfs doodsberichten. Nadat hij op de Franse televisie was verschenen, werd hij aangevallen en in elkaar geslagen door jongemannen die homofobische scheldwoorden riepen. Catherine Trautman, toen nog burgemeester van Straatsburg en later minister van Cultuur van de Socialistische Partij, weigerde ooit de hand van Seel te schudden tijdens een herdenkingsceremonie.
In 1994 publiceerde hij het boek Moi, Pierre Seel, déporté homosexuel (Ik, Pierre Seel, Gedeporteerde Homoseksueel). Hij verscheen op de Franse televisie en in de Franse pers. Seels verhaal verscheen in 2000 in de documentairefilm over de deportatie van homoseksuelen: Paragraaf 175. Na de premičre van de documentaire tijdens het Internationaal filmfestival van Berlijn kreeg Seel, die voor het eerst sinds de oorlog weer in Duitsland was, een vijf minuten durende staande ovatie.
In 2003 werd Seel door de Internationale Organisatie voor Migratie, die hulp biedt aan nazislachtoffers, officieel erkend als slachtoffer van de Holocaust. In april 2005 zei Jacques Chirac tijdens de "Journée nationale du souvenir des victimes et des héros de la déportation": "In Duitsland, maar ook op Frans grondgebied, werd het persoonlijke leven van mannen en vrouwen opzij gezet, ik denk aan de homoseksuelen, opgejaagd, gearresteerd en gedeporteerd."[bron?]
Op 23 februari 2008 kreeg een straat van de gemeente Toulouse een nieuwe naam ter ere van Seel. Op het straatnaambord staat "Rue Pierre Seel - Déporté français pour homosexualité - 1923-2005".

Pierre Seel, 2000

 

 

 

 

 

 

Straatnaambord in de Pierre Seelstraat in Toulouse

 

 

 

 

 

Plaquette op de gevel van een theater in Mulhouse

 


Itzhak Stern

Itzhak Stern (Krakau, 25 januari 1901 - Tel Aviv, 1969) was een Poolse verzetsstrijder uit de Tweede Wereldoorlog.
Hij werkte als boekhouder voor de emaillefabriek van Oskar Schindler, de Tsjechisch-Duitse industrieel die tijdens de Tweede Wereldoorlog zeker 1200 Joden redde van de Holocaust. Stern speelde een belangrijke rol in het draaiende houden van het bedrijf en in de redding van de Joodse werknemers. Er wordt algemeen aangenomen dat hij de namenlijst heeft getypt die bekend werd als 'Schindler's List'. Op die lijst stonden de namen van Joodse werknemers van het bedrijf, die Schindler redde door het naziregime ervan te overtuigen dat zij wezenlijk waren voor de Duitse oorlogsindustrie. Itzhak Stern was zelf Joods, en ook zijn naam is (onder "Stern, Isak") op de lijst terug te vinden.
Stern leerde Schindler kennen tegen het einde van 1939. Hij werkte op dat moment op de boekhoudafdeling van een grote Poolse handelsmaatschappij met een Joodse eigenaar. Die functie had hij al sinds 1924 bekleed. Na de bezetting van Polen werden Duitse zaakwaarnemers aan het hoofd van alle belangrijke Joodse bedrijven gesteld. Voor het bedrijf waar Stern werkte was dat een zekere Herr Aue. Hoewel Stern een duidelijk wantrouwen koesterde tegenover zijn nieuwe baas, bleek al snel dat Herr Aue de Joodse werknemers weliswaar begon te ontslaan, maar hen vervolgens wel in het geheim financieel ondersteunde. Ook liet hij hen niet uitschrijven bij het sociale zekerheidsregister, opdat ze hun werknemers-identificatiepas konden behouden. Herr Aue bracht Stern al snel in contact met Oskar Schindler, en niet veel later ging Stern aan de slag als accountant in diens nieuw verworven emaillefabriek in Krakau.
Hoewel Stern later in een interview aangaf lange tijd wantrouwen jegens Schindler te hebben gekoesterd, werkten de twee na verloop van tijd samen aan de redding van de Joodse werknemers. Zo vervalsten ze bedrijfsdocumenten door bijvoorbeeld intellectuelen, dokters of advocaten te registreren als metaalarbeiders of technici, die nuttig waren voor de oorlogsindustrie.
Hoewel de relatie tussen Schindler en Stern aanvankelijk puur zakelijk was, eindigde die in een vriendschap. Die persoonlijke band ontstond al in de oorlogsjaren. Stern was - net als alle andere Joodse werknemers - op een gegeven ogenblik vanuit het getto in Krakau naar het werkkamp Płaszów overgebracht. Overdag bleven zij echter werken in de fabriek. Toen Stern op een dag ernstig ziek werd en Schindler om hulp vroeg, kwam die meerdere malen persoonlijk naar het kamp om medicijnen te brengen. Schindlers bezoeken aan het kamp maakten veel indruk op hem, en zetten hem aan tot verdere pogingen om de situatie van de Joden te verbeteren.In 1969 was Schindler aanwezig bij de begrafenis van Itzhak Stern, en openlijk bedroefd over diens overlijden.
In de Oscarwinnende speelfilm Schindler's List, die het werk van Schindler en Stern bekendmaakte bij het grote publiek, wordt de rol van Itzhak Stern gespeeld door Ben Kingsley. Aan het einde van de film is ook Sterns weduwe te zien, terwijl zij het graf van Oskar

Gerelateerde afbeelding

Itzhak Stern
Geboren 25 januari 1901 
Krakau , Groothertogdom Krakau , Oostenrijks-Hongaarse rijk
Ging dood 1969 (68 jaar) 
Israel
Bezetting Accountant

 


Betty Trompetter

Betty Trompetter, een bijzondere vrouw
Betty is op 27 februari 1917 in Hoogeveen geboren als Betsij Henriette, kind van haar Joodse ouders David Joel en Rosalie Trompetter-Van Wijnbergen. In dit regionale centrum in de provincie Drenthe had haar vader een kleermakerij in de Schutstraat en een winkel in de Hoofdstraat en was een succesvolle zakenman. Helaas, zijn succes mocht niet worden voortgezet. Toen de Duitsers Nederland bezetten werd al het Joods bezit geconfisceerd. In het begin van oktober 1942, werden Betty's ouders en beide broers opgepakt in Hoogeveen. Zij en later ook haar enige zus werden na een verblijf in Westerbork op transport gezet naar Oost-Europese concentratiekampen. Betty woonde toentertijd in Amsterdam, waar ze als kindermeisje werkte. Via een Duitse kennis kon Betty onderduiken, allereerst in Ugchelen in een pension waar ze haar toekomstige echtgenoot Albert van der Harst ontmoette. Via diezelfde Duitse vrouw kwam ze in contact met verzetsman Johannes Post, die haar overhaalde om in Rijnsburg onder te duiken. Ze besloot koerierster voor de eveneens uit Drenthe afkomstige Johannes Post te worden. In die tijd kreeg ze de schuilnaam Tineke van der Laan op basis van gegevens uit het bevolkingsregister van Oud-Beijerland. Als koerierster smokkelde ze per trein vervalste identificatiebewijzen en wapens door het hele land. Als lid van de verzetsgroep van Johannes Post was ze betrokken bij de overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam op 15 juli 1944 (zie: wikipedia ), een poging om medeverzetsstrijders te bevrijden. De operatie faalde door verraad. De meeste verzetsstrijders werden gevangen genomen. De sleutelfiguren waaronder Johannes Post werden kort daarna gefusilleerd, Betty werd achtereenvolgens naar de concentratiekampen Vught, Ravensbrück en Dachau gestuurd, als politiek gevangene - haar Joodse afkomst bleef geheim. Ze heeft de gruwelen van de kampen overleefd en is kort na de oorlog met Albert getrouwd. Van haar familie heeft enkel haar zuster Henny de kampen overleefd.
Ondanks het leed dat haar gedurende de oorlogsjaren is aangedaan had Betty het vertrouwen in de mensheid niet verloren. In tegendeel, na de oorlog reisde ze stad en land af om haar contacten met vrienden en kennissen te onderhouden. Ze bleef een warme persoonlijkheid en had tot aan haar dood een optimistische kijk op het leven.
In Coevorden is een straat naar haar vernoemd. 
Ria van Geest, een zorgzame moeder
Ria van Geest is in 1928 in Delft geboren als dochter van Maria Wijnants en Gerrit van Geest. In dit arbeidersgezin groeide ze samen op met twee stiefbroers, één stiefzus en één jongere broer - haar ouders waren als weduwe en weduwnaar hertrouwd.
In haar tienerjaren werd ze geconfronteerd met de oorlog:
- in de eerste dagen waren de gevechten om het vliegveld Ypenburg erg dichtbij
- haar stiefbroers konden niet ontkomen aan de "Arbeitseinsatz" in Duitse fabrieken
- in de oorlogswinter reisde haar vader stad en land af op zoek naar eten.
In de jaren na de oorlog besloot ze als secretaresse te gaan werken voor de KLM.
Op 27 augustus 1953 trouwde ze met de architect Wim van den Bos en moest tengevolge daarvan stoppen met werken (in die tijd gold voor veel beroepen dat een vrouw ontslagen werd als ze ging trouwen). Ze betreurde dit want ze verloor hierdoor vele vrienden.
Uit het huwelijk werden twee zonen geboren, Frank en Hans, die ze met liefde opvoedde.
Ria had een warme persoonlijkheid, haar gezin stond altijd voorop. Toen haar zonen de deur uit waren, ging ze weer parttime werken. Op oudere leeftijd nam ze de zorg op zich voor een hulpbehoevende buurvrouw.
Persoonlijk heeft ze me geholpen een aantal cruciale beslissingen te nemen gedurende een donkere periode in mijn leven. Stuk voor stuk hebben die allemaal goed uitgepakt.
Een hersenbloeding maakte een plotseling eind aan haar leven, na ruim een week in coma te hebben geleden overleed ze één dag voor de viering van haar 50-jarig huwelijk. 
Wim van den Bos, een begaafd architect
Wim van den Bos werd geboren in 1926 aan de Beestenmarkt in Delft als zoon van Elisabeth Knip en Willem Johannes van den Bos. Hij was het jongste kind uit een gezin met vier kinderen en had twee zusters en één broer.
Gedurende de oorlog dook hij onder op een boerderij van familie, in Groningen. Kort na de oorlog rondde hij de MULO af en mocht gaan studeren aan de school voor Hoger Bouwkundig Onderwijs in Amsterdam, een kunstzinnige opleiding voor architect. Onder andere Gerrit Rietveld en Karel Appel gaven daar les.
In het begin van de jaren vijftig rondde hij zijn studie af en kon aan de slag bij het architectenbureau van Romke de Vries in Den Haag. Hij was vooral betrokken bij het ontwerp van grote kantoren in Rijswijk, Den Haag, Rotterdam en bij enkele nieuwbouwprojecten voor huizen in het gehele land.
In de tussentijd had hij kennisgemaakt met Ria van Geest. Ze ontmoetten elkaar bij de tramhalte, vanwaar Ria naar haar werk ging voor de KLM in Den Haag en waar Wim voor zijn werk in Den Haag ook gebruik van maakte.
Ze vestigden zich in Rijswijk op de Acacialaan 37. Eind jaren zestig begon hij voor zichzelf, de familie verhuisde naar Mauritslaan 36, een veel groter huis. De bovenste verdieping werd ingericht voor zijn werk. Later zijn we naar Rotterdamseweg 16 verhuisd, een nog groter huis, waar ruimte was voor een tweede architect. Zijn meeste opdrachten bestonden uit renovaties van huizen van particulieren en winkels, meestal in de nabijheid van Rijswijk.
Na zijn pensionering verhuisden Ria en Wim naar Voorburg, hij begon met schilderen en was een actief lid van een vereniging voor amateurarcheologen. Na het overlijden van Ria begon hij aan een nieuwe relatie. In de eerste dagen van 2014 
overleed hij door toepassing van euthanasie, nadat zijn gezondheid ernstig en onomkeerbeer was aangetast. 
Albert van der Harst, een liefdevolle echtgenoot
Albert Henry werd geboren in 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, maar daar was in Nederland niet zoveel van te merken. Zijn moeder Mary Stevens, was Engelse, zijn vader, Dominicus Petrus, Nederlands, ze woonden in Den Haag, waar zijn vader werkte in de hotelbranche.
In 1921 kreeg Albert een zus, Elisabeth. Thuis werd Engels gesproken, maar de kinderen gingen gewoon naar een Nederlandse school, dus groeiden tweetalig op. Kort na de geboorten van de kinderen verhuisde het gezin naar de Lindelaan in Rijswijk. Albert ging naar de Ottoburgschool, net als zijn latere dochter Henny en schoonzoon Hans.
In de Tweede Wereldoorlog dook hij onder na de oproep voor de Arbeitseinsatz. Hij kwam terecht in een pension in Ugchelen en ontmoette daar zijn latere vrouw Betty Trompetter. Omdat het onderduikadres onveilig was, verhuisde Betty naar een onderduikadres in Rijnsburg, Albert ging terug naar huis waar hij zich schuilhield.
Toen Betty in 1945 uit Dachau terug naar Nederland kwam, ging ze meteen naar Albert's ouderlijk huis. Daar werd ze vol liefde door Albert ontvangen, ze trouwden en kregen snel een huis toegewezen in de Ieplaan. Albert werd boekhouder bij het Nationaal Spaarfonds en heeft daar zijn hele leven gewerkt. Daarnaast was hij een fanatiek tennisser en hobby-fotograaf. Op latere leeftijd kreeg hij last van zijn knieën, ze verhuisden naar de Belvédčreflat, een serviceflat voor ouderen. Samen hebben ze hier nog een hele leuke tijd beleefd, met veel sociale activiteiten. Toen Betty een spierziekte kreeg, heeft hij haar jarenlang verzorgd, haar overlijden, in 2003, heeft hij nooit kunnen verwerken. In 2008 verhuisde hij naar verzorgingstehuis Westhoff, alwaar hij op de drempel van 2015 overleed. 
Over het lot van David Joël, Roselina, Joël en Bram Trompetter
Het toenmalige in Hoogeveen woonachtige gezin Trompetter - Bram, Joël, Roselina en David Joël - werd daar gearresteerd in de nacht van 2 op 3 oktober 1942. Met circa 160 andere Joodse Hoogeveners werden ze naar kamp Westerbork overgebracht. Bijna een maand na hun aankomst in Westerbork werden zij met de trein, in goederenwagons, doorgestuurd naar Nazi-Duitsland, ze maakten deel uit van transport 33, dat op 2 november 1942 vertrok. Op 5 november bereikte de trein Cosel (80 km ten westen van Auschwitz) en moesten de mannen tussen de ca 16 en ca 50 jaar uitstappen, onder hen Bram (15 jaar) en Joël (20 jaar), alle anderen werden doorgestuurd naar Auschwitz en daar bijna allemaal vrijwel onmiddellijk vergast, onder hen Roselina en David Joël.
Op basis van gegevens van het Rode Kruis kunnen we concluderen dat Bram en Joël van Cosel naar werkkamp St.Annaberg werden getransporteerd en vandaar waarschijnlijk door naar een werkkamp in Gleiwitz waar zij medio november 1942 aankwamen. Eind maart 1943 werden ze uiteindelijk doorgestuurd naar werkkamp Blechhammer. Van Joël weten we niet meer dan dat hij na 15 maanden onder onmenselijke omstandigheden dwangarbeid te hebben verricht op ca 17 maart 1944 in de buurt van Auschwitz is overleden (vermoedelijk in Blechhammer, maar het kan zijn dat hij kort daarvoor naar Auschwitz is doorgestuurd). - Rond die tijd werd het kamp een sub-kamp van Auschwitz, Auschwitz IV, de organisatie van het kamp werd vanaf dat moment op dezelfde manier gevoerd als Auschwitz waarmee de leiding in handen kwam van de SS.
Als overlijdensdatum van Bram is door het Rode Kruis de datum van 21 januari 1945 opgegeven, dit is na ca 27 maanden dwangarbeid en tevens de begindatum van de dodenmars vanuit Blechhammer naar Gross-Rosen. In de vrieskou en door de sneeuw werden de gevangenen gedwongen in 7 dagen naar het zo'n 200 km westelijker gelegen kamp Gross-Rosen te lopen (zie: Blechhammer). Gevangenen die niet mee konden komen, of die een vluchtpoging waagden werden met een nekschot door SS-ers vermoord...
Er is een bijzonder indrukwekkend boek uitgegeven over de belevenissen van een 16 jarige Joodse Antwerpenaar (Bram was 15 jaar toen hij werd gearresteerd) die min of meer dezelfde ontberingen onderging en overleefde, en dat zich grotendeels afspeelt in kamp Blechhammer:
Overleven, relaas van een zestienjarige Joodse Antwerpenaar

Betty kort voor de oorlog

Betty kort voor de oorlog
Volledige naam Betsij Henriëtte Trompetter
Geboren 27 februari 1917, Hoogeveen
Overleden 23 april 2003, Voorburg
Ook bekend als "Tineke" / Gonnie van der Laan
Jaren actief 1943-1944

 

Ria en Wim met hun ouders, in 1953, kort na hun huwelijk.

 

 

Betty en Albert bij hun trouwen, in 1945.
Schuin achter Albert staat zijn zus, Elisabeth, die op dezelfde dag trouwde.

 

 

 

Betty

Betty in 1992, bij de onthulling van een
standbeeld van Johannes Post op het terrein
van de Johannes Post kazerne te Havelte (Dr).

 


Rudolf Vrba

Rudolf 'Rudi' Vrba, geboren als Walter Rosenberg (Topoľčany, 11 september 1924 - Vancouver, 27 maart 2006), was een professor in de farmacologie aan de University of British Columbia.

In april 1944 ontsnapte hij samen met een vriend genaamd Alfréd Wetzler, als nummer twee en drie van slechts vijf Joden die dit gelukt is, uit het concentratiekamp Auschwitz waardoor hij in de belangstelling kwam.

Na hun ontsnapping hebben zij informatie over de op hande zijnde massamoord in Auschwitz doorgegeven aan de geallieerden. Dit 32 pagina tellende document, dat bekend werd als het Vrba-Wetzler-rapport, werd aan geschokte Joodse ambtenaren in Slowakije gedicteerd. Het document wordt beschouwd als een van de belangrijkste documenten van de 20ste eeuw doordat het de eerste gedetailleerde en geloofwaardige informatie over het kamp was dat de geallieerden bereikte, alhoewel Witold Pilecki's rapport ruim een jaar eerder de geallieerden bereikte.

Het tijdstip waarop het rapport is uitgebracht blijft iets om over te redetwisten. Vrba was van mening dat er veel meer levens gered hadden kunnen worden als het rapport eerder was uitgegeven, aangenomen dat als de Hongaarse Joden geweten hadden dat ze vergast werden in plaats van hergevestigd, zoals de Duitsers hen vertelden, ze misschien gevlucht waren of gevochten hadden in plaats van in de trein te stappen. Hij beweerde dat het rapport opzettelijk werd achter gehouden door de Joods-Hongaarse Hulpverlenings Organisatie zodat de complexe maar nutteloze onderhandelingen over het uitwisselen van Joden voor geld of goederen tussen het Comité en Adolf Eichmann, de SS-officier verantwoordelijk voor de transporten, niet in gevaar kwamen.

       Rudolf Vrba

 


Zoni Weisz

Zoni Weisz (geboren als Johannes Weisz, roepnaam Johan) (Den Haag, 4 maart 1937) is een Nederlandse Sinto, overlevende van de Holocaust en bloemist.
Leven
Weisz is het oudste kind van Jacoba en Johannes Weisz. Johannes Weisz was een muzikant en instrumentmaker, die ook een muziekwinkel dreef in Zutphen. Hij had twee zusters en een broer.
Toen op 16 mei 1944 in Nederland razzia’s plaatsvonden die gericht waren tegen de Sinti en Roma werden Johannes Weisz en zijn gezin naar het doorgangskamp Westerbork gebracht.
Doordat Zoni Weisz was ondergedoken bij een tante in een dorp buiten de stad, kon hij aanvankelijk aan arrestatie ontkomen. Korte tijd later werd hij ontdekt en zou met de overige familie naar het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau worden gedeporteerd. Omdat op 19 april 1944 de met Zigeunertransport aangeduide deportatietrein met 245 Nederlandse Sinti en Roma al op weg was naar Auschwitz, werd besloten dat zij moesten worden overgebracht naar Assen om daar bij zijn familie in de deportatietrein te worden gevoegd.
Dankzij de hulp van een Nederlandse politieman die mogelijk deel uitmaakte van het verzet, lukte het Weisz met het gezin van zijn tante te ontsnappen in een andere trein, terwijl zijn familie werd gedeporteerd naar Auschwitz. Zijn vader werd vermoord in het concentratiekamp Mittelbau-Dora, zijn moeder, zusjes en broertje in Auschwitz-Birkenau. Weisz en zijn overgebleven familie verborgen zich in het bos en werden vervolgens bij boeren ondergebracht. Ten slotte bereikte Weisz zijn grootouders, waar hij bleef tot het einde van de oorlog.
Weisz ging na de oorlog weer naar school en voltooide zijn opleiding. Hij werkte vervolgens bij een bloemist en bezocht daarna de tuinbouwschool. Weisz kreeg een stageplaats op Paleis Het Loo. Na zijn opleiding ging hij voor twee jaar in militaire dienst in Suriname. Na zijn terugkeer werkte Weisz bij de bekende Nederlandse bloemenhandelaar Georg Kiersch in Amsterdam en studeerde hij tuin- en landschapsarchitectuur en kunstgeschiedenis.
In 1958 nam Weisz het bedrijf van Kiersch over. Met tentoonstellingen werd hij internationaal bekend, in Nederland werd hij een toonaangevend bloemist. Weisz kreeg een vermelding in het Guinness Book of Records voor het grootste bloemstuk ter wereld.
Weisz werkte voor de Nederlandse koninklijke familie en maakte onder andere de bloemversieringen bij de inauguratie van Koningin Beatrix en het huwelijk van Prins Willem-Alexander. Hij was actief als een vertegenwoordiger van de Nederlandse bloemenindustrie.
Publicatie
In 2016 verscheen de autobiografie "Zoni: De vergeten holocaust. Mijn leven als Sinto, ondernemer en overlevende. ISBN 9789021020259
Inzet voor de nagedachtenis van de slachtoffers van het nationaalsocialisme
Weisz is lid van het Nederlands Auschwitz Comité en van het Internationaal Auschwitz Comité en hij houdt met tal van activiteiten de herinnering aan de Holocaust levend. In januari 2007 was hij de belangrijkste spreker bij de opening van de tentoonstelling The Holocaust against the Roma and Sinti and present-day racism in Europe in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York.
Weisz is jurylid voor de toekenning van de Europese Burgerrechtenprijs van de Sinti en Roma.
Op 27 januari 2011 was Weisz de eerste vertegenwoordiger van de Sinti en Roma die de Duitse Bondsdag toesprak, in nagedachtenis aan de bevrijding van Auschwitz. In de toespraak beschreef Weisz zijn ervaringen.
Onderscheiding
Koningin Beatrix benoemde Zoni Weisz tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Hij ontving de onderscheiding voor zijn inzet voor de Nederlandse bloemenindustrie en zijn inzet voor de Sinti en Roma.

Zoni Weisz (1983)

Zoni Weisz (1983)
Algemene informatie
Volledige naam Johannes Weisz
Geboren Den Haag, 4 maart 1937
Nationaliteit Nederlands
Beroep Bloemist
Bekend van Inzet voor de nagedachtenis van de slachtoffers van het nationaalsocialisme

 


Jobs Wertheim

Johannes Gustaaf (Jobs) Wertheim (Amsterdam, 6 januari 1898 - Hilversum, 6 januari 1977) was een Nederlandse beeldhouwer.

Leven en werk
Wertheim was een zoon van de advocaat en procureur Alexander Hendrik Wertheim (1864-1932) en een kleinzoon van de geassimileerde Joodse bankier en lid van de Eerste Kamer A.C. Wertheim. Hij is de grootvader van cabaretier Micha Wertheim. In 1919 trad hij in dienst van het bankbedrijf en in 1921 was hij stagiair bij de bank Samuel Montague in Londen. Hij volgde in de avonduren tekenles aan de Chelsea School of Art. In 1925 ging hij zich toeleggen op het beeldhouwen en hij kreeg toestemming om bij de beeldhouwer Alexander Oppler in Berlijn te studeren. In 1926 won hij met zijn werk De verloren zoon de Prix de Rome. De prijs stelde hem in staat zijn opleiding te vervolgen in Frankrijk en Italië. In 1931 maakte hij een portretbuste van de in Italië verblijvende Arthur van Schendel. Hij keerde in hetzelfde jaar terug naar Nederland, waar hij zich als kunstenaar vestigde. Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werkte hij aan een groot aantal portretopdrachten. Hij werd gewaardeerd vanwege zijn treffende gelijkenissen en het scherp weergeven van het karakter van de geportretteerden, vaak prominenten uit het vooroorlogse joodse Amsterdam.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Wertheim met echtgenote en twee kinderen gedeporteerd naar Kamp Westerbork, waar hij tekenles gaf, en later naar Theresienstadt, waar hij bleef beeldhouwen. Na afloop van de oorlog vestigde hij zich eerst in Zwitserland, maar in 1946 keerde hij terug naar Nederland. Hij vestigde zich in Laren en hield zich voornamelijk bezig met portretten en oorlogsmonumenten, waaronder het Monument van Joodse Erkentelijkheid op het Weesperplein in Amsterdam, waar niet het lot van de joden centraal staat, maar hun dankbaarheid voor ontvangen hulp. Samen met de kunstenaar Paul Citroen organiseerde hij bijeenkomsten waarbij ze beiden razendsnel en treffend mensen uit het publiek portretteerden.
Vanaf het midden van de jaren vijftig zette Wertheim zich in voor versterking van de bekendheid van kunst bij het grote publiek. In 1956 richtte hij de stichting Openbaar Kunstbezit op, die vanaf 1957 een succesvolle radiocursus over kunst verzorgde en vanaf 1963 ook een televisieprogramma (na 1977 voortgezet als het tijdschrift Kunstschrift). Voor dit initiatief werd Wertheim al in 1960 de Zilveren Anjer toegekend.Hij ontving ook de Erepenning van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 en kreeg in 1966 de Gouden Museummedaille.
In de winter van 2015-2016 organiseerde Museum Beelden aan Zee in Scheveningen de eerste overzichtstentoonstelling van Wertheims werk. Een jaar later verscheen bij het aan het museum gelieerde Sculptuurinstituut een biografie van Wertheim met een catalogus van al zijn beelden.
Werken (selectie)
1925 Wandreliëf, Humanitaire School in Laren (met architect Henri van Anrooy)
1928 De verloren zoon
1919 Buste van Leids hoogleraar N.P. Tendeloo
1930 Portretbuste Arthur van Schendel, Leidsebosje in Amsterdam
1933 Jacobus van Reesbank, Hoge Naarderweg in Hilversum
1933 reliëf Verum, Bonum, Pulchrum, voormalige KRO-studio Emmastraat in Hilversum (met H.A. van Anrooy)
1950 Monument van Joodse Erkentelijkheid, Weesperstraat/Amstelhof in Amsterdam[3]
1950 Buste Pieter Zeeman, I.M. van de Bijlstraat in Zonnemaire
1953 Joods monument, Hoofdstraat in Gorredijk
1956 Spinoza's graf, achter de Nieuwe Kerk in Den Haag
1966 Buste Luitzen Egbertus Jan Brouwer, portrettencollectie Universiteit van Amsterdam
---- Orpheus in Laren

Jobs Wertheim (1965)

Jobs Wertheim (1965)
Persoonsgegevens
Volledige naam Johannes Gustaaf Wertheim
Geboren Amsterdam, 6 januari 1898
Overleden Hilversum, 6 januari 1977
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) beeldhouwer
RKD-profiel
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur
 

Monument van Joodse Erkentelijkheid, Amsterdam

 


Elie Wiesel

Eliezer (Elie) Wiesel (Sighet, 30 september 1928 – Boston, 2 juli 2016) was een Joods-Amerikaans schrijver van verschillende boeken over zijn ervaringen in de Holocaust, die hij overleefde. Hij ontving de Nobelprijs voor de Vrede in 1986.
Jeugd en Holocaust
Wiesel werd geboren in Sighet (nu: Sighetu Marmației), als zoon van Sjlomo en Sara, orthodoxe joden van Hongaarse afkomst die een kruidenierszaak hadden. Hij had drie zussen, Bea, Hilda en Tzipora. De Hongaars sprekende stad Sighet in Roemenië werd geannexeerd door Hongarije in 1940, en in 1944 deporteerden de nazi's de Hongaarse joden naar Auschwitz-Birkenau. Zijn moeder en Tzipora, de jongste zus, werden er vermoord; hij en zijn vader werden naar het aangrenzende werkkamp Auschwitz III Monowitz gestuurd. In januari 1945, werden vader en zoon gedwongen te marcheren naar Buchenwald, waar Elies vader overleed.
Na de Tweede Wereldoorlog werd hij in een Frans weeshuis gestopt. In 1948 begon Wiesel een studie aan het Sorbonne. Hij vond een baan bij de Franse krant L'arche als journalist en raakte in contact met de Nobelprijs voor de Literatuur-winnaar François Mauriac, die hem uiteindelijk kon overtuigen zijn Holocaustervaringen op te schrijven. Dat leverde zijn eerste roman, in het Jiddisch, Un di velt hot geshvign (En de wereld zweeg) op, die in 1956 in Buenos Aires verscheen. Twee jaar later zag de sterk ingekorte bewerking La nuit (Nacht) bij Les Éditions de Minuit het licht, waarschijnlijk Wiesels beroemdste werk en het begin van een lange reeks werken in het Frans. In 2007 schreef hij een nieuw voorwoord bij een heruitgave van La nuit.
Verenigde Staten
Later verhuisde Elie Wiesel naar de Verenigde Staten, waar hij in 1963 werd genaturaliseerd tot staatsburger. Hij was voorzitter van de 'Presidential Commission on the Holocaust' van 1978 tot 1986 en gaf daarmee leiding aan de bouw van het 'United States Holocaust Memorial Museum'. Elie Wiesel was daar professor in de humane wetenschappen aan Boston University.
Tussen 2002 en 2005 deed een commissie ingesteld door president Ion Iliescu onderzoek naar de betrokkenheid van Roemenië bij de Holocaust. Wiesel had het voorzitterschap van de commissie op zich genomen. De commissie-Wiesel kwam in 2005 met een getal van 500.000 slachtoffers in Joodse en Romakring.
In 2006 wees Elie Wiesel een informeel verzoek af van de Israëlische regering om president van de Joodse staat te worden. Hij wilde liever doorgaan met schrijven.
In februari 2007 werd Wiesel bijna ontvoerd in een hotel in San Francisco door een man die hem wilde interviewen over de Holocaust. Toen Wiesel om hulp riep, vluchtte zijn belager, die later op een antisemitische website schreef dat hij Wiesel wilde spreken.Een maand later werd de belager gearresteerd en belast met meerdere misdrijven, hij werd op 21 juli 2008 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf.
Elie Wiesels oeuvre bestaat uit meer dan 40 fictie- en non-fictieboeken.
Onderscheidingen
Wiesel ontving de Prix Médicis in 1968, de Prix du Livre Inter in 1980, de Congressional Gold Medal of Achievement in 1985 en Nobelprijs voor de Vrede in 1986. Verder ontving hij in 1992 de Presidential Medal of Freedom en in 2005 de Light of Truth Award.
1985: Four Freedoms Award voor godsdienstvrijheid
Ridderorden:
Grootkruis in het Legioen van Eer (2000)
Commandeur in de Orde van het Britse Rijk
Grootofficier in de Orde van de Ster van Roemenië (2002)

Elie Wiesel (2012)

Elie Wiesel (2012)
Geboorteland Roemenië
Geboorteplaats Sighet
Plaats van overlijden Boston
Nobelprijs Vrede
Jaar 1986
Reden Voorzitterschap van de Presidential Commission on the Holocaust
Voorganger(s) International Physicians for the Prevention of Nuclear War
Opvolger(s) Óscar Arias

 


Simon Wiesenthal

Simon Wiesenthal (Buczacz, Oostenrijk-Hongarije (thans Oekraďne), 31 december 1908 – Wenen, 20 september 2005) was een bekende Joods-Oostenrijkse nazi-jager.
Hij spoorde diverse nazi-oorlogsmisdadigers op en bracht hen voor de rechter. Wiesenthal was zelf overlevende van de Holocaust: hij zat tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen in twaalf concentratiekampen en werd in 1945 door Amerikaanse troepen bevrijd.
Levensloop
Wiesenthal trouwde in 1936 met Cyla Müller. In de Tweede Wereldoorlog werden ze beiden gearresteerd en kwamen ze in het concentratiekamp Janovska terecht, dicht bij de stad Lwów waar ze woonden. Simon werd van daaruit naar kamp Mauthausen (Oostenrijk) getransporteerd. Hij had intussen wel kans gezien valse papieren te regelen voor zijn vrouw, die daarmee in 1942 kon ontsnappen. Ze dook tot 1944 onder in Warschau; van daaruit werd ze naar Duitsland getransporteerd, waar ze als dwangarbeidster (nog onder haar valse naam) moest werken. Wiesenthal overleefde het kamp en na de oorlog zagen ze elkaar weer terug. De wederzijdse families, Wiesenthal en Müller, verloren in de Holocaust in totaal 89 familieleden.
In 1946 vestigde het echtpaar Wiesenthal zich in Wenen. Daar kregen ze een dochter, Paulinka.
Nazivervolgingen
In 1947 opende Wiesenthal in het Oostenrijkse Linz het Documentation Centre on the Fate of the Jews and their Persecuto Vanuit dit centrum werd niet alleen bewijsmateriaal verzameld, maar ook praktische hulp gegeven aan overlevenden van de kampen. In 1954 werd het centrum weer gesloten. De achtergrond van de sluiting was dat er op dat moment in West-Europa weinig animo leek te zijn voor zijn werk. Bij de sluiting van het centrum droeg Wiesenthal de documenten over aan Yad Vashem.
Wiesenthal vervolgde zijn werk, onder meer in samenwerking met de Israëlische geheime dienst.
In 1961 werd in Wenen, na de aanhouding en berechting van Eichmann, het Joods Documentatiecentrum, beter bekend als het Simon Wiesenthal Centrum, opgericht. Deze joodse mensenrechten-organisatie wil de herinnering aan de Holocaust levend houden. Het hoofdkwartier van de organisatie zetelt thans in Los Angeles.
Wiesenthal en zijn in Wenen gevestigde Joods Documentatiecentrum speelden een sleutelrol in de opsporing en veroordeling van het brein achter de uitvoering van de Endlösung, Adolf Eichmann. In totaal leidden de inspanningen van hem en zijn medewerkers tot de arrestatie en berechting van circa 1100 gevluchte en ondergedoken oorlogsmisdadigers.
Zo vond Wiesenthal in 1963 de voormalige officier van de Gestapo Karl Silberbauer, die inmiddels bij de politie in Wenen werkte. Als Gestapo-officier had Silberbauer Anne Frank gearresteerd. Zijn bekentenis hielp bij het ontkrachten van revisionistische beweringen dat het dagboek van Anne Frank een vervalsing zou zijn.
Ook werd door de activiteiten van Wiesentahl, Franz Stangl opgepakt, die commandant was geweest van de vernietigingskampen Treblinka en Sobibór.
Hermine Ryan-Braunsteiner werd gevonden in de Verenigde Staten. Zij had in Majdanek toegezien op de moord op honderden kinderen. Zij werd in 1973 aan Duitsland uitgeleverd.
In 1977 werd het Simon Wiesenthal Centrum opgericht met als doel: het levend houden van de herinnering aan de Holocaust.
Het Weens Wiesenthalinstituut voor Holocauststudies (Duits: Wiener Wiesenthal Institut für Holocaust Studien, VWI) is een onderzoekscentrum gericht op onderzoek, documentatie en onderricht over alle aspecten van de Holocaust. Het instituut werd opgericht door Simon Wiesenthal en andere internationale en Oostenrijkse onderzoekers. Het instituut is gevestigd in Wenen en wordt gefinancierd door de stad Wenen en het Bundesministerium für Wissenschaft, Forschung und Wirtschaft (federaal ministerie voor Wetenschap, Onderzoek en Economie).
Dinko Sakic, de commandant van het concentratiekamp Jasenovac in Kroatië, werd in 1998 in Argentinië gevonden. Hij werd vervolgens berecht in Kroatië.
Een oorlogsmisdadiger waar Wiesenthal tevergeefs naar gezocht heeft was Josef Mengele (deze stierf in 1979).
Einde van zijn werkzaamheden
In april van 2003 kondigde Wiesenthal op 94-jarige leeftijd aan dat hij met pensioen ging, met als reden dat hij de massamoordenaars gevonden had waar hij naar zocht: "Ik heb ze allemaal overleefd. Als er nog over waren, zouden ze te oud en in te slechte gezondheid zijn om terecht te staan. Mijn taak is volbracht." Volgens Wiesenthal was de enige nog levende Oostenrijkse oorlogsmisdadiger Alois Brunner, de rechterhand van Adolf Eichmann, van wie gezegd werd dat hij in Syrië ondergedoken zat.Wiesenthals vrouw Cyla overleed op 10 november 2003 op 95-jarige leeftijd. Simon Wiesenthal overleed twee jaar later op 96-jarige leeftijd. 
Critici en onderscheidingen
In 1986 weigerde Wiesenthal de Oostenrijkse presidentskandidaat Kurt Waldheim tot oorlogsmisdadiger te verklaren. Dit was tegen de zin van het Joods Wereldcongres. Waldheim was lid geweest van nationaalsocialistische groeperingen als de SA, en had zijn optreden als officier in Saloniki van 1942 tot 1943 verzwegen. In plaats daarvan zou hij aan het oostfront gewond zijn geraakt en de resterende oorlogsjaren zou hij in Oostenrijk hebben doorgebracht. In de Verenigde Staten kwam Waldheim in 1987 op grond hiervan op een "watch list". Dit betekende een inreisverbod voor hem als privépersoon.
Wiesenthal ontving voor zijn werk vele internationale onderscheidingen, waaronder de Franse Chevalier de la Légion d'Honneur. Hij werd in Nederland Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau en kreeg de Erasmusprijs. In de VS ontving hij een Four Freedoms Award voor de vrijwaring van vrees, en in 2000 de hoogste Amerikaanse burgerlijke onderscheiding, de Presidential Medal of Freedom.
Er werd ook hardere kritiek tegenover Wiesenthal geuit. Zo stond te lezen in het boek De jacht op het kwaad van Guy Walters: "Wiesenthals hele levensverhaal is bijeengelogen. Hij zat niet bij de partizanen in de oorlog, hij heeft niets nuttigs bijgedragen aan de opsporing van Eichmann. Wiesenthal is een goed lobbyist geweest voor de Joodse zaak, maar hij was allesbehalve een nazi-jager. Hij heeft de waarheidsvinding bemoeilijkt door allerlei onzin te verspreiden. Hij was een amateur, die met onvoorzichtige beschuldigingen zelfs het leven van een onschuldige heeft verwoest. Simon Wiesenthal was een charlatan.
Werken
Wiesenthal schreef een aantal boeken, waaronder I Hunted Eichmann (1961) en Every Day Rememberance Day (1986).[bron?]
Het romanpersonage Yakov Liebermann in het boek The Boys From Brazil van Ira Levin is gebaseerd op Simon Wiesenthal en Wiesenthal komt ook kortstondig voor in Frederick Forsyth' The Odessa File, waarin hij een Duitse journalist die op zoek is naar een oorlogsmisdadiger van informatie voorziet.
Literatuur
Segev, Tom. Simon Wiesenthal: the life and legends. Doubleday, 2010. – 496 p. ISBN 9780385519465 (hc). Ned. vert. o.d.t.: De nazi-jager: het leven van Simon Wiesenthal, 1908-2005 / vert. Kees Meiling en Frans van Delft. Amsterdam: Balans, 2010. - 448 p. ISBN 9789460032134.

Simon Wiesenthal (1973).jpg

Algemene informatie
Geboren Buczacz, Vlag van Oostenrijk-Hongarije Oostenrijk-Hongarije, 31 december 1908
Overleden Wenen, Vlag van Oostenrijk Oostenrijk, 20 september 2005
Bekend van jacht op nazi's
Overig
Religie Jodendom
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

 

Het Simon Wiesenthal-center in Los Angeles

 


Selma Wijnberg

Selma Engel-Wijnberg (Groningen, 15 mei 1922) is Nederlands Holocaustoverlevende en de enige Nederlandse gevangene van vernietigingskamp Sobibór die daaruit ontsnapte.
Wijnberg groeide op in Zwolle waar haar ouders een hotel hadden, hotel Wijnberg.
Tweede Wereldoorlog
Vanaf september 1942 was Wijnberg, in die tijd ook Sarah of Saartje genoemd, ondergedoken in Utrecht en daarna in De Bilt. Haar onderduiknaam werd Greetje van den Berg. Ze werd op 18 december op de Utrechtseweg door de politie gearresteerd. In februari 1943 werd ze naar het kamp Vught gebracht, hierna verbleef ze een week in Kamp Westerbork en vanaf 9 april in Sobibór.
Na haar ontsnapping tijdens de opstand van 14 oktober 1943 (zie Escape from Sobibor), vluchtte ze met de Poolse Jood Chajm Engel (Koło, 10 augustus 1916 - 2003), waar ze in Sobibór verliefd op was geworden. Het paar vluchtte door een mijnenveld en een bos en dook negen maanden lang onder in de zolder van een boerderij, tot aan de bevrijding van Polen in juli 1944 door het Rode leger. Ondertussen was het paar getrouwd en raakte Selma zwanger.
Via Chełm en Parczewski, waar hun zoon Emiel geboren werd, gingen ze naar Lubin. Vandaar gingen ze per trein dwars door de Oekraďne naar Tsjernivtsi en vandaar naar Odessa. Per boot, waar Chajm als niet-West-Europeaan opgesmokkeld moest worden, vertrokken ze naar Marseille. Op de boot overleed Emiel. Het lichaam werd bij Griekenland in zee gegooid. Per trein kwamen ze terug in Zwolle en gingen wonen in Hotel Wijnberg.
Na de oorlog
KVP-minister Hans Kolfschoten besloot dat Chajm als ongewenst vreemdeling niet in Nederland kon blijven. In Nederland huwden ze op 18 september 1945 opnieuw en de Zwolse politie trok daaruit de conclusie dat Wijnberg door te trouwen met de Pool Engel ook de Poolse nationaliteit gekregen had en vroeg aan het Ministerie van Justitie wat er met beiden moest gebeuren. Ze werden echter niet uitgezet omdat Polen geen onderdanen uit het buitenland opnam. Er werd overwogen om beiden in een vreemdelingenkamp in Valkenswaard op te sluiten, maar daarmee werd gewacht, omdat er verwacht werd beiden snel alsnog naar Polen uit te kunnen zetten. In Zwolle kreeg het paar een zoon en een dochter en ze dreven een stoffen- en modezaak.

In 1951 vertrokken ze naar Israël waar ze eerst in de kibboets Moledet en daarna in Beit Yitzhak gingen wonen. Omdat Chajm daar niet kon wennen gingen ze in 1957 naar de Verenigde Staten waar ze zich in Branford vestigden. Ze keerden alleen enkele keren terug naar Europa om te getuigen tegen oorlogsmisdadigers uit Sobibór. In 2003 stierf Chajm.

Op 12 april 2010 bood minister Ab Klink tijdens de Westerbork-herdenking namens de Nederlandse regering excuus aan voor de houding van de Nederlandse regering. Deze excuses wilde mevrouw Wijnberg niet aannemen, omdat zij deze 'te laat' vond. Ze werd op diezelfde dag benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Film en boek
Haar rol in de uitbraak werd in de film Escape from Sobibor vertolkt door Ellis van Maarseveen. Ad van Liempt schreef de biografie Selma: De vrouw die Sobibor overleefde (ISBN 9789074274425) en maakte een documentaire die door de NOS op televisie werd uitgezonden.

Selma Engel in 2010 op het terrein van het voormalige Kamp Westerbork

Selma Engel in 2010 op het terrein van het voormalige Kamp Westerbork
Algemene informatie
Volledige naam Selma Engel-Wijnberg
Geboren Groningen, 15 mei 1922
Bekend van ontsnapping uit vernietigingskamp Sobibór

 

Koninklijke onderscheiding voor Selma Engel-Wijnberg

 


Samuel Willenberg

Samuel Willenberg , nom de guerre Igo , (16 februari 1923 - 19 februari 2016) was een Pools-Joodse gevangene en Sonderkommando in het vernietigingskamp Treblinka die deelnamen aan de gevaarlijke gevangenenopstand. Hij nam deel aan de opstand van Warschau voor het einde van de oorlog. Willenberg was de laatste overlevende van de opstand van de gevangenen van Treblinka in augustus 1943 na zijn dood. Na de oorlog woonde hij in Israël . Hij ontving de hoogste orders van Polen, waaronder Virtuti Militari en het Commander's Cross of the Order of Merit, uitgereikt door president Lech Kaczyński . Zijnmemoires , getiteld Revolt in Treblinka , verscheen tussen 1986 en 1991 in het Hebreeuws , Pools en Engels. Hij was beeldhouwer en schilder.
Leven en werken 
Samuel Willenberg werd geboren in Częstochowa . Zijn vader, Perec Willenberg, was vóór de Tweede Wereldoorlog leraar op een plaatselijke joodse school , een getalenteerd schilder en beeldend kunstenaar zelf, die werkte aan opdrachten voor het versieren van synagogen. Zijn moeder, Maniefa Popow, was een Pools - orthodoxe christen voordat ze zich na hun bruiloft tot het jodendom bekeerde . Het gezin woonde in Częstochowa voordat ze naar Warschau verhuisde. 
Nazi-invasie van Polen 
In de loop van de nazi-Duitse inval in Polen vertrok Willenberg op 6 september 1939 in de richting van Lublin om zich als vrijwilliger bij het Poolse leger aan te sluiten . Binnen enkele dagen vielen de Sovjets binnen vanuit het oosten. Hij werd zwaar gewond op 25 september, in een schermutseling met het Rode Leger bij Chełm , en gevangen genomen. Drie maanden later ontsnapte hij uit het ziekenhuis terug naar centraal Polen om opnieuw verbinding te maken met zijn familie in Radość (nu een deel van Warschau ). Ze gingen begin 1940 naar Opatów, inclusief zijn moeder en twee zussen, om zijn vader te ontmoeten, die daar werkte aan muurschilderingen voor de synagoge. Tegelijkertijd begonnen de nazi's Poolse Joden op te vrolijken in getto's in het hele land. Het getto van Opatów (opgericht in de lente van 1941), hoewel het zonder het hek al snel gevaarlijk werd. De Joden die uit Silezië werden verdreven werden binnengebracht. Er brak een epidemie van tyfus uit. Willenberg ruilde de schilderijen van zijn vader in voor de levensbehoeften, maar werkte ook enkele maanden in een staalfabriek in Starachowice , samen met honderden dwangarbeiders die door de Judenrat werden geleverd . 
Operatie Reinhard - een geheimzinnige nazi-vernietigingsactie in het semi-koloniale district van de Generale Overheid - begon in 1942 en markeerde de meest dodelijke fase van de Holocaust in Polen . De Willenbergs slaagden erin valse 'Arische' papieren te verkrijgen en konden ontsnappen naar hun geboortestad. Het getto in Częstochowa werd opgericht op 9 april 1941. Op zijn hoogtepunt hield het ongeveer 40.000 gevangenen vast. De twee zussen van Willbenberg, Ita en Tamara, zijn daar naartoe gebracht. Zijn moeder probeerde hen te redden en stuurde Samuel terug naar Opatów . Op 20 oktober 1942 ging Willenberg samen met 6.500 gevangenen van het toen-geliquideerde getto van Opatów naar de Holocaust-trein en ging met hen mee naar devernietigingskamp in Treblinka. 
Treblinka dodenkamp 
Het kamp, ​​dat werd gebouwd als onderdeel van Operatie Reinhard (de meest dodelijke fase van de Eindoplossing ), opereerde tussen 23 juli 1942 en 19 oktober 1943 . Gedurende deze tijd werden meer dan 800.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen vermoord. Andere schattingen van het aantal doden bij Treblinka zijn meer dan 1.000.000.
Bij zijn aankomst in Treblinka ontving Willenberg een levensreddend advies op de loshelling van een van de joodse Auffanglager- gevangenen. Hij poseerde als een doorgewinterde metselaar. Gelukkig droeg hij een met verf bevlekte schort van zijn vader (een bovenkledingstuk dat traditioneel door landelijke werknemers wordt gedragen), aangetrokken in Opatów ter voorbereiding op slavenarbeid. Willenberg was de enige persoon uit zijn transport die die dag ontsnapte in de gaskamers .
Aanvankelijk werd hij toegewezen aan de grootste Kommando Rot van het kamp , waarbij de bezittingen van slachtoffers die al 'verwerkt' waren, werden uitgepakt en gesorteerd. Later herkende hij de kleren van zijn eigen twee zussen daar. Na verloop van tijd werd hij toegewezen aan andere squadrons als nummer "937" in het Sonderkommando dat het doel van het kamp camoufleerde met boomtakken geweven in prikkeldraadomheiningen . Op 2 augustus 1943 nam Willenberg deel aan de opstand in Treblinka met ongeveer 200-300 anderen. In tegenstelling tot de meesten van hen, ontsnapte hij.
Gewond in zijn been reisde hij terug naar Warschau, waar hij zijn vader kon vinden die zich aan de "Arische" kant van de stad schuilhield. Hij raakte betrokken bij de ondergrondse weerstand waaronder de verwerving van wapens voor de linkse, partijdige Poolse volksleger-PAL ( Polska Armia Ludowa PAL ). Hij gebruikte de meisjesnaam van zijn moeder, Ignacy Popow. Hij verstopte zich in een kluis in de straat Natolińska, toen de opstand van Warschau uitbrak. 
In zijn autobiografie, Revolt in Treblinka , schreef Willenberg dat hij op de eerste dag van de opstand Batalion Ruczaj van het Armia Krajowa subdistrict I vervoegde . Hij vocht in Śródmieście langs de Marszałkowska-straat en het Verlossevierkant .Aan het begin van September 1944, bracht hij over naar het Poolse Volksleger met de rang van cadet sergeant . Na de overgave van Warschau verliet hij de stad met de burgerbevolking. Hij ontsnapte uit de gevangenistrein in Pruszków en verstopte zich in de buurt van Błonie tot de Sovjetbevrijding. 
Naoorlogse jaren
In 1945-1946 diende Willenberg in het Poolse leger als luitenant . In 1947 hielp hij een van de Joodse organisaties in Polen met het vinden van Joodse kinderen die door niet-Joodse Poolse gezinnen uit de holocaust werden gered . In 1950, tijdens de topjaren van het stalinisme in Polen , emigreerde hij samen met zijn moeder en echtgenote naar Israël . Willenberg ging trainen als ingenieur-inspecteur en verkreeg een langdurige functie van hoofdmeetkundige bij het ministerie van Wederopbouw.
Na zijn pensionering voltooide Willenberg formele studies op het gebied van schone kunsten. Hij studeerde af aan de universiteit van de derde eeuw in Jeruzalem en werd al snel bekend om zijn werk over de Holocaust. Hij creëerde voornamelijk figuratieve beeldhouwkunst in klei en brons. Zijn serie van vijftien bronzen afgietsels met mensen en scčnes uit het vernietigingskamp Treblinka, evenals verschillende kaarten en tekeningen van het kamp, ​​werden internationaal geëxposeerd. 
In 2003 hield de Nationale Kunstgalerie van Warschau " Zachęta " een tentoonstelling van zijn werk. Zijn beeldhouwwerk werd ook getoond in het Museum van Częstochowa in 2004. Hij is de auteur van het Holocaustmonument voor de 40.000 slachtoffers van het getto van Częstochowa , daar onthuld in oktober 2009. In 1986 publiceerde Willenberg voor het eerst zijn memoires Revolt in Treblinka ( Engelse vertaling door Naftali Greenwood, Oxford 1989), die hij later in Polen publiceerde met het voorwoord van Władysław Bartoszewski (1991 en 2004). Sinds 1983 was hij medeorganisator van regelmatige bezoeken van Israëlische jongeren aan Polen.
Op 19 februari 2016 stierf Willenberg in Israël. Hij werd overleefd door zijn vrouw, Ada, hun dochter en drie kleinkinderen. 
Eervolle onderscheidingen 
Willenberg ontving de hoogste nationale onderscheiding van de Republiek Polen, waaronder Virtuti Militari , het kruis van verdienste met zwaarden , het Kruis van Valor , het Warschau-kruis van de opstand , de Poolse legermedaille en de Orde van verdienste van de Republiek Polen die aan hem werd geschonken door president Lech Kaczyński .Willenberg was de laatste overlevende van de opstand van de gevangene, na de dood van zijn levenslange vriend en Treblinka-overlevende Kalman Taigman in augustus 2012 (88 jaar).

Samuel Willenberg Treblinka 2 sierpnia 2013.JPG

Samuel Willenberg in Treblinka , 
2 augustus 2013
Geboren 16 februari 1923 
Częstochowa , Polen
Ging dood 19 februari 2016 (leeftijd 93) Udim , Israël
Nationaliteit Pools, Israëlisch
Bekend om Holocaust-kunst
Beweging Realisme, post-expressionisme

 

Willenberg met twee van zijn tekeningen in het Treblinka Museum

 


Sam de Wolff

Salomon (Sam) de Wolff (Sneek, 13 augustus 1878 - Amsterdam, 24 november 1960) was een econoom, politicus en zionist.

Levensloop
Hij was een zoon van Abraham de Wolff en Goudje de Vries, eigenaren van een manufacturenhandel. Hij groeide op in een monumentaal pand aan de noordkant van het Schaapmarktplein in Sneek, volgde het gymnasium in Sneek van 1891 tot 1897 en studeerde daarna medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam, maar maakte deze niet af. In plaats hiervan werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en leidde hij in 1907 een accountantskantoor te Amsterdam. In 1910 huwde hij Sara Veldman en samen kregen ze een zoon. In 1921 was hij voor drie weken gemeenteraadslid in Amsterdam, maar voornamelijk publiceerde De Wolff bijdragen in het partijorgaan Het Weekblad en na de opheffing daarvan in 1919 het maandblad De Socialistische Gids. Na Sara's dood (11 december 1941), belandde De Wolff in 1943 in Kamp Westerbork, waar hij doorgestuurd werd naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Omdat hij echter als zionist een zogenaamde "Palestinacertificaat" had (immigratievergunning voor het Mandaatgebied Palestina), werd hij niet vermoord, maar uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen in Palestina. Op 10 juli 1944 kwam hij in Haifa aan waar hij tot de zomer van 1945 docent in de conjunctuurleer aan de High School for Law and Economies in Tel Aviv was, maar na de Tweede Wereldoorlog keerde hij weer terug naar Nederland. Op 31 januari 1946 trouwde De Wolff met de verpleegkundige Anna Maria Gruntjes. Het stel kreeg geen kinderen.

De Wolff was een overtuigd socialist. Hij publiceerde talrijke en verscheidene artikelen. Hij was een van de oprichters van 'Poale Zion' (zionistische socialisten).

Publicaties
Het economisch getij. Bijdrage tot de verklaring van het conjunctuurverschijnsel (Amsterdam, 1929).
De huidige conjunctuur (Amsterdam, 1930);
De crisis (Amsterdam, [1932]);
Het heldenleven en de levende leer van Karl Marx (Amsterdam, 1933);
Geschiedenis der joden in Nederland. Laatste bedrijf (Amsterdam, 1946).
Literatuur
J. van der Wijk, Inleiding, in Strijdenskracht door wetensmacht. Opstellen aangeboden aan S. de Wolff bij gelegenheid van zijn 60e verjaardag (Amsterdam, 1938);
F. Kiel, Sam de Wolff uniek socialist, in De Groene Amsterdammer, 9-8-1958; 3-12-1960;
W. Drees, in Socialisme en democratie 18 (1961) 530-533;
C.H. Wiedijk, Sam de Wolff en het ontstaan van het Sociaal-Democratisch Centrum in de Partij van de Arbeid (Haarlem, 1971);
M. van Amerongen, Bij Marx, mijn profetie zal vóór 21 juni in vervulling gaan! Het leven van Sam de Wolff..., in Vrij Nederland, 9-9-1978;
M. van Amerongen, 'Linkervleugel... Het leven van Sam de Wolff, in Vrij Nederland, 16-9-1978;
B. van Tijn, 'De Wolff- profeet van betere tijden', in Het Parool, 8-5-1980.

Sam de Wolff (uiterst links) in 1911
Algemene informatie
Volledige naam Salomon de Wolff
Geboren Sneek, 13 augustus 1878
Overleden Amsterdam, 24 november 1960
Partij Sociaal-Democratische Partij (SDP) (1898-1946)
PvdA (1946-1960)
Politieke functies
1921 gemeenteraadslid Amsterdam
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland

 


Joop Zwart

Johannes Hendrikus (Joop) Zwart (Amsterdam, 6 oktober 1912 – Roermond, 9 september 1991 was een Nederlands politiek activist en verzetsstrijder.
Vooroorlogse periode
Zwart werd geboren als vierde kind van de sigarenmaker Siemon Zwart en Maria Hendrika Momber, die al twee zoons en een dochter hadden.Na Joop werd nog een broertje geboren, en een zusje dat jong overleed.
Toen Zwart zes was overleed zijn moeder. Vier jaar later hertrouwde zijn vader. Zwart werd op 12-jarige leeftijd krantenverkoper op het Centraal Station en leerde zichzelf Frans, Duits en Engels. Hij werd lid van de Communistische Jeugdbond en mocht in Rusland de kaderschool van de Communistische Jeugd Internationale volgen. Hier kwam hij er al snel achter dat ook onder het communisme ongelijkheid bestond. Zwart werd wegens trotskistische sympathieën uitgewezen.
Terug in Nederland werd hij door Anton Koejemans uit de Jeugdbond gezet. Hij werd nu lid van Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSP) van Henk Sneevliet en leerde ten huize van Sneevliet zijn grote liefde Bep Spanjer kennen, die echter een verhouding met Sneevliet begon. Zwart reisde daarop af naar Spanje om mee te vechten in de Spaanse Burgeroorlog.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij zwarthandelaar, hielp hij Joden en drukte hij valse persoonsbewijzen. Zwart werd hiervoor opgepakt en ter dood veroordeeld en kwam via Kamp Amersfoort in Sachsenhausen terecht. Als medewerker van de kampadministratie kon hij medegevangenen redden door hun identiteit te verwisselen met die van overleden gevangenen. Hij werd door de Amerikanen bevrijd in Bergen-Belsen.
Naoorlogse periode
Na de oorlog kreeg Zwart op voorspraak van Koos Vorrink - die hij in Sachsenhausen het leven had gered - een functie bij de Nederlandse missie in Berlijn. Om Vorrink een politiek schandaal te besparen, trouwde Zwart met diens dochter Irene Vorrink, die ongehuwd zwanger was geworden van Halbo C. Kool. Uit dit huwelijk werd een niet door Zwart verwekte zoon geboren: Koos Zwart. Zwart en Vorrink gingen al snel weer uit elkaar en met de zoon had hij geen contact.
Met een functie bij het Rode Kruis in Berlijn als dekmantel wisselde Zwart met medeweten van Piet Lieftinck iets meer dan twintig miljoen Reichsmarken (tegenwaarde ca. 140.000 gulden), waar de Nederlandse regering mee dreigde te blijven zitten, in de Sovjetzone van Berlijn om voor harde valuta. Ook smokkelde hij in die periode Duitsers uit de Sovjetzone naar het Westen.
Jaren vijftig
Vanaf 1950 verzorgde Zwart samen met Bep Spanjer (met wie hij in oktober 1948 getrouwd was) de Nederlandstalige editie van Deutsche Korrespondenz. In 1954 begon hij een campagne tegen Nederlandse communisten die de CPN honderden leden zou hebben gekost. Zwart zou in deze periode informant van de BVD zijn geweest. Aan het eind van de jaren vijftig zette Zwart zich op verzoek van de West-Duitse regering in voor Theodor Oberländer, een West-Duits minister in verschillende kabinetten-Adenauer die in juni 1941 in Lviv betrokken zou zijn geweest bij de moord op een aantal Poolse joden.
Zwart was inmiddels een drukkerijtje begonnen. Hij werd in 1960 gearresteerd en vervolgd omdat hij valse identiteitsbewijzen had gedrukt voor de Algerijnse verzetsbeweging Front de Libération Nationale en van plan zou zijn geweest valse Franse franken in omloop te brengen. Door medebetrokkene Sal Santen werd hij ervan beschuldigd een agent-provocateur te zijn.
Jaren zeventig
In de jaren zeventig schreef Zwart onder diverse pseudoniemen voor Elseviers Weekblad. Vervolgens stapte hij over naar Accent waar hij door Bib van Lanschot werd weggewerkt. Zijn kritiek op de progressieve Nederlandse samenleving, waarin tot zijn verbijstering zijn zoon Koos de prijzen van verdovende middelen mocht voorlezen in het VARA-radioprogramma In de Rooie Haan, verwoordde hij voortaan in zijn onregelmatig verschijnende Nieuwsbrief uit Absurdistan.
In juni 1972 trouwde Zwart voor de derde keer, nu met Friedl Weimer, die hij in 1964 in Bonn had leren kennen. Zwart had altijd sympathie voor tegendraadse mensen. Zo werd hij aan het eind van zijn leven nog even perschef van de extreemrechtse Florrie Rost van Tonningen. Zwart was actief binnen de extreemrechtse groepering Neerlands Herstel die in Arnhem en Rheden meedeed aan de gemeenteraadsverkiezingen.[1] Begin 1991 moest Zwart alsnog terechtstaan ter zake van het verspreiden van racistische pamfletten in Arnhem in de jaren 1984-1986 en het aanzetten tot vreemdelingenhaat. Wegens het lange tijdsverloop tussen de feiten en de terechtzitting concludeerde het Openbaar Ministerie tot niet-ontvankelijkheid.
Zwart overleed acht maanden later op 78-jarige leeftijd.

Afbeeldingsresultaat

Joop Zwart
Algemene informatie
Geboren Amsterdam, 6 oktober 1912
Overleden Roermond, 9 september 1991
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep journalist
Bekend van activisme
Portaal Portaalicoon Politiek
Media
 

5-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5