Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

4-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Nederlands verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Gisèle d'Ailly-van Waterschoot van der Gracht

Marie Giselle Madeleine Josephine (Gisèle) d'Ailly-van Waterschoot van der Gracht (Den Haag, 11 september 1912 – Amsterdam, 27 mei 2013) was een Nederlands kunstenares en kunstmecenas. Ze was vooral bekend als schilderes en glazenier.
Familie
Van Waterschoot van der Gracht werd in 1912 geboren in Den Haag als lid van de patriciaatsfamilie Van Waterschoot van der Gracht en is een dochter van de geoloog mr. W.A.J.M. van Waterschoot van der Gracht (1873-1943) en de Oostenrijkse Josephine Rudolfine Maria Gisella Ferdinandine Freiin (barones) von Hammer Purgstall (1881-1955); uit dit huwelijk werden behalve Gisèle drie zonen geboren. Ze is een kleindochter van Walther Simon Joseph van Waterschoot van der Gracht (1845-1921). Ze groeide op in de Verenigde Staten, Oostenrijk, Parijs en Limburg.In 1957 trouwde de kunstenares met Arnold Jan d'Ailly, die vanaf 1946 burgemeester van Amsterdam was, maar in 1956 vanwege zijn relatie met haar ontslag had moeten nemen. Ze liggen naast elkaar begraven op het kerkhof van Spaarnwoude.
Kunstenaarsleven
In 1939 trok ze naar Bergen, waar ze in contact kwam met Adriaan Roland Holst, E. du Perron en de Duitse dichter Wolfgang Frommel. Samen met Frommel verborg ze gedurende de oorlogsjaren in haar huis aan de Herengracht in Amsterdam vijf Joodse kunststudenten. Voor haar hulp bij het onderduiken ontving ze in 1998 de Yad Vashemonderscheiding[.
Na de oorlog bleven de onderduikers bij haar wonen. Het was ook na de oorlog dat de stichting Castrum Peregrini werd opgericht. Deze Latijnse naam, die 'Burcht van de Pelgrim' betekent, was de schuilnaam van haar woning tijdens de Tweede Wereldoorlog. De stichting draait op twee grote giften van de kunstenares en van Selina Pierson en zet zich in voor kunstenaars. Na het overlijden van haar man in 1967 woonde en werkte ze ruim 25 jaar elke zomer in haar atelier op het Griekse eiland Paros, in een klein voormalig kloostergebouw dat zij in 1965, nog met haar echtgenoot, had "ontdekt", om zich aan de schilderkunst te wijden.
Op 29 januari 2011 ontving ze uit handen van de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan een koninklijke onderscheiding voor haar kunstmecenaat en werd Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Aan de feestelijkheden rond haar honderdste verjaardag in september 2012 heeft ze nog actief kunnen deelnemen. In januari 2013 ging haar gezondheid echter als gevolg van een val in haar atelier achteruit. Op 27 mei 2013 is ze thuis overleden.Ze is naast haar man en oorlogsvrienden begraven op de begraafplaats van Spaarnwoude naast het kerkje de Stompe Toren. In september 2013 werd zij als honderdjarige onder meer herdacht in de 100-jarige sociëteit De Industrieele Groote Club te Amsterdam door haar vaste team van Castrum Peregrini.
Cees van Ede maakte een televisieportret over haar toen ze 84 was. Deze documentaire werd in 1997 uitgezonden en bij haar dood 16 jaar later herhaald in de documentaireserie Het uur van de wolf.[4] Susan Smit schreef in 2013 de historische roman Gisèle, waarin als een van haar minnaars A. Roland Holst werd gepresenteerd.

Werk
Tweede helft jaren '40, begin jaren '50 brandschilderde zij de glas-in-lood-ramen van de Begijnhofkapel in Amsterdam, die zij met "Gisele" signeerde.

van Waterschoot van der Gracht (1957)

van Waterschoot van der Gracht (1957)
Persoonsgegevens
Volledige naam Marie Giselle Madeleine Josephine d'Ailly-van Waterschoot van der Gracht
Geboren 11 september 1912 (Den Haag)
Overleden 27 mei 2013 (Amsterdam)
Oriënterende gegevens
Jaren actief sinds 1940

Aart Hendrik Alblas

Aart Hendrik Alblas, alias Klaas de Waard (Middelharnis, 20 september 1918 - Mauthausen, 7 september 1944) was een Nederlands marineofficier en Engelandvaarder, die de oorlog niet heeft overleefd.
Vroege leven
De vader van Aart Alblas is graanhandelaar. Aart behaalt in 1936 zijn HBS-B examen op de Christelijke HBS in Dordrecht. Uit die tijd stamt zijn contact met onder andere Jacques Batenburg, Nico Rijsdijk en Kees van Dijk. Op 3 september 1936 wordt hij adelborst in Den Helder, maar gaat een jaar later naar de Zeevaartschool in Rotterdam. Als leerling-stuurman maakt hij enkele reizen naar China en Japan.
In 1940 begint hij inlichtingen te verzamelen, vaak met Jan A. Idema. In de nacht van 18/19 maart 1941 gaat Alblas met A.M. Westerhout, gekleed in gestolen Duitse uniformen, met een motorbootje naar Engeland, waar hij zijn verzameling inlichtingen aflevert. Hiervoor krijgt hij het Bronzen Kruis.

Klaas
Vier maanden later is hij terug in Nederland, waar hij allereerst het huis van de familie Hueting in Den Haag bezoekt. Net op dat moment komt Gerard Hueting thuis van een bezoek aan het Oranjehotel, waar hij wat spullen heen bracht voor zijn vader. Thuis is het huis waar hij met zijn moeder woont aan de Laan van Poot in Den Haag. Hij wordt daar door S. Vaz Dias voorgesteld aan ene Klaas de Waard, die later Aart Alblas blijkt te heten. Hij heeft onderdak en kleding nodig. Klaas neemt zijn intrek, en het huis wordt een ontmoetingscentrum voor verzetslieden, w.o. Erik Hazelhoff Roelfzema, Peter Tazelaar en Chris Krediet. Later verlooft Klaas zich met Gerards zuster, Pum Hueting, verpleegster bij het Zuidwal Ziekenhuis.
Aart Alblas heeft een kleine maar belangrijke geboorteafwijking, want zijn linkeroor is dubbelgevouwen. Omdat hij hierdoor herkend kan worden, wordt dit euvel in Bronovo verholpen. Pum Hueting is de assisterende verpleegster.

Inlichtingen
Alblas wordt op 5 juli 1941 gedropt bij Nieuweschans en begraaft zijn zendapparatuur. Hij neemt contact op met zijn schoolvriend Batenburg, die net met zijn vriendin Gré Hoogervorst aan het vieren is dat hij is afgestudeerd. Samen gaan ze naar Nieuweschans om alles weer op te graven.
In Engeland is Alblas door de MI-6 opgeleid om militaire inlichtingen te verzamelen. Ook wordt hem geleerd met zendapparatuur om te gaan. Later woont hij in Zandvoort. Hij reist door heel Nederland, vaak met Gerard Hueting. Deze haalt informatie op die Alblas doorseint naar Engeland.
Alblas heeft ook andere zendlocaties gebruikt, onder andere bij de familie Hoogervorst. In 15 juli 1942 wordt Alblas daar uitgepeild en vlucht. Batenburg wordt gearresteerd. De apparatuur wordt door Gré op haar fiets meegenomen naar de Bijenkorf, waar ze werkt en waar ze de koffer afgeeft bij de portier. Ze wordt opgepakt, maar Alblas kan de koffer daar weer ophalen. Hij werkt er nog elf maanden mee.
Opgepakt
Op 16 juli wordt Pum als lokaas gebruikt om ook Klaas op te pakken. Ze komen allemaal in de Oranjehotel terecht. Ook Nico Rijsdijk zit er, toevallig in de cel naast Batenburg. Twee weken later worden de Huetings vrij gelaten. Ze kunnen niet terug naar de Laan van Poot, want dat hele gebied is geëvacueerd, dus ze trekken bij familie in. Klaas wordt naar Haaren overgeplaatst. Gerard en Pum bezoeken hem nog eenmaal, voordat hij naar Assen en dan naar Mauthausen wordt getransporteerd. Ze vertellen hem dat Gerards vader al is gefusilleerd en dat hij moet proberen te ontsnappen. Dat wil hij niet, om zo de rest van de familie niet in gevaar te brengen. Hij wordt op 7 september 1944 in Mauthausen gefusilleerd.

Onderscheidingen
Alblas is een van de meest onderscheiden deelnemers aan het verzet.
Op 3 september 2004 zijn onderscheidingen opnieuw postuum aan Alblas uitgereikt, nadat ze uit het Museum 1940-1945 (Dordrecht) waren ontvreemd. Het betrof de:
Militaire Willems-Orde
Bronzen Leeuw
Oorlogsherinneringskruis
Verzetsherdenkingskruis
King's/Queen's Commendation for Brave Conduct

Alblas in 1936

Alblas in 1936
Geboren 20 september 1918
Middelharnis
Overleden 7 september 1944
Mauthausen
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Verzetsstrijder
Dienstjaren 1936-1944
Rang Nl-marine-vloot-luitenant ter zee der 3e klasse.svg Luitenant-ter-zee der 3e klasse van speciale diensten der Koninklijke Marine Reserve
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

Verzetsherdenkingskruis
'de tyrannie verdrijven 1940-1945'

Henk Alsem

Hendricus (Henk) Maria Antonius Alsem (Den Haag, 19 mei 1902 - Den Haag, 28 april 1953) was vanaf eind jaren twintig tot in de jaren vijftig een bekende Nederlandse journalist, cameraman, cineast en documentairemaker.
Levensloop
Henk Alsem groeide op in en rond het Haagse Chateau Bleu-Roomhuis-Boshek, waar hij woonde en waarvan zijn ouders de uitbaters waren. Hij was zelf ook nog enige tijd eigenaar van het complex.De gebouwen lagen in het Haagse Bos aan de paleistuinen van Paleis Huis ten Bosch. Op deze locatie staat tegenwoordig het woonzorgcentrum Residence Chateau Bleu.
In de oorlog zat Alsem van 31 augustus 1940 tot 30 november 1940 en daarna nog enkele malen voor kortere duur opgesloten in het 'Oranjehotel' in Scheveningen. Volgens de "Nagekomen gegevens Gastenboek I" wegens "uitsteken vlag, ruzie m. Duitschers, ill. groepscomm."Zijn behandeling daar was zodanig dat hij onder behandeling van morfine werd gesteld en volgens de overlevering zou dit tot een afhankelijkheid hebben geleid.
Tijdens een van zijn verblijven in het Oranjehotel is Alsem door de Duitsers ter dood veroordeeld en heeft hij enige tijd in de beruchte dodencel 601 doorgebracht (de veroordeling werd later weer ingetrokken). Alsem heeft daar een plankje met onderop de laatste groet van een eerder geëxecuteerde verwijderd en het later aan de familie van het slachtoffer gegeven.
Alsem was ook stichter van de 'Groep Alsem', een (niet-officiële) Haagse verzetsgroep die ook bekendstond als het 'Haagse Korps Karel Doorman'. Deze verzetsgroep hield zich bezig met overvallen op Duitse wapen-/munitiedepots en op zwarthandelaren.
Volgens documenten met betrekking tot zijn broer Gerard Alsem in het archief van de Nederlandse Justitie in Londen (1940-1945)heeft Henk Alsem brieven aan zijn broer Gerard geschreven met locaties van V2-raketstellingen in aanbouw nabij Chateau Bleu-Boshek in Den Haag. Gerard Alsem was een boordwerktuigkundige in dienst van de KLM en vloog drie keer per week tussen Bristol en Lissabon en kon zodoende de brieven in het neutrale Portugal ontvangen en de posities van de in aanbouw zijnde V2-afvuurstellingen doorspelen aan de Engelse autoriteiten.
Henk Alsem stierf vanwege gezondheidsproblemen op vijftigjarige leeftijd.

Charlie Chaplin (links) bewondert de 35 mm cinecamera van Henk Alsem (rechts) op de kade van Tanjung Priok, vlak nadat Chaplin in de haven van Batavia was aangekomen. (1931)

Carrière
Als acteurs

Clivie Claxon Krijgt Een Erfenis, 1918
Director of Cinematography[bewerken]
Henk Alsem was Director of Cinematography bij o.a. de volgende Nederlandse filmproducties:
Bet trekt de 100.000, 1926
Op hoop van zegen, 1934
De Jantjes, 1934
Bleeke Bet, 1934
Op stap, 1935
De kribbebijter, 1935 (ook bekend als The Cross Patch in de VS)
De big van het regiment, 1935
Kermisgasten, 1936
Documentaires (selectie)
Vrijwillige brandweer Wassenaar, 1926
Droomen, 1931
Bajoe asih, 1932 (Gedeeltelijk gespeelde documentaire over het medisch zendingswerk in voormalig Nederlands Indië. Opnamen van leven en werken in het zendingshospitaal Bajoe-Asih en de daarbij behorende poliklinieken, te Poerwakarta)
Naar de bollen, 1947
Song Of The Wheels - De fiets in het Nederlands maatschappelijk verkeer, circa 1947
Het Gouden Kroningsfestijn, 1948 (Deze film is de enige kleurenreportage die is gemaakt van de troonsafstand van koningin Wilhelmina, de inhuldiging van koningin Juliana en de festiviteiten in Nederland)
Productie in opdracht van het Zendingsbureau te Oegstgeest[bewerken]
Rawana of De Demon Van Het Opium. Een verhaal van zonde en zegen, 1933 (zie externe links voor deze documentaire online)

Andreas Wilhelmus Maria Ausems

Andreas Wilhelmus Maria Ausems (Utrecht, 25 december 1904 – Zaandam, 31 mei 1955) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Andries Ausems werd in de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 samen met de agent Jacques van Loon (1919) boven Noord-Brabant, in de omgeving van Rijsbergen, geparachuteerd. Hij werkte als verbindingsofficier tussen de Raad van Verzet (RVV) en het Bureau Inlichtingen (BI) en de Nederlandse regering in Londen.
Voor de oorlog
Andries Ausems werd in de familie Dré genoemd. Hij was woonachtig in Zaandijk. Voor de oorlog werkte Ausems als werktuigbouwkundige bij Fokker in Amsterdam-Noord. Vanaf de inval van de Duitsers saboteerde hij bij Fokker reparatieopdrachten van de Luftwaffe. Toen de Duitsers in 1942 de sabotage ontdekten dook hij onder in Baarn bij het bedrijf van de veehandelaar Jan Brouwer. Het bedrijf van Brouwer was een aanloopadres voor illegale werkers. Op het bedrijf ontmoette hij Jan Thijssen. Jan Thijssen en Jan Brouwer waren de medeoprichters van de RVV. Ausems en Thijssen waren bevriend met elkaar. Ze vlogen beiden met zweefvliegtuigen. Na de April-meistakingen van 1943 was door de RVV in de loop van het jaar diverse malen telegrafisch om hulp van de Nederlandse regering in Londen verzocht. Reacties hierop waren uitgebleven. In september 1943 besloot de RVV om een boodschapper naar Londen te sturen. Jan Thijssen, die op dat moment nog voor de Ordedienst (OD) werkzaam was, besloot zijn vriend Andries Ausems naar Engeland te sturen en aan hem "Het Verslag Ervaringen Hoofd Radiodienst" mee te geven. In het verslag stonden de doelstellingen beschreven die Thijssen met de RVV en zijn Radiodienst nastreefde.
De reis naar Engeland

Andries Ausems vertrok begin september 1943 naar Spanje. Eind september 1943 bereikte hij via een ontsnappingsroute Madrid. In Madrid kwam hij in contact met Jan Somer van het BI. Door bemiddeling van Somer bereikte Ausems in december 1943 Londen.
In Londen werd Ausems in de gelegenheid gesteld om bij de Nederlandse regering in Londen de boodschap van Jan Thijssen over te brengen. Bij de Nederlandse regering vatte aldus de mening post dat de RVV een belangrijke verzetsorganisatie was waar men goed zaken mee kon doen. Na gesprekken met Ausems besloot de leiding van het BI om vanaf januari 1944 en de daarop volgende maanden een groep agenten boven bezet Nederland te parachuteren. De groep bestond uit organisatoren en radiotelegrafisten. Met de radiotelegrafisten wilde het BI de Zendgroep BI-Radiodienst oprichten. De doelstelling van de zendgroep was om een radiocontact tot stand te brengen tussen de RVV en het BI en de Nederlandse regering in Londen.

Andreas Wilhelmus Maria Ausems
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Volledige naam Andreas Wilhelmus Maria Ausems
Geboren 25 december 1904, Utrecht
Overleden 31 mei 1955, Zaandam
Land Nederland
Ook bekend als 'Arnold'[
Groep Raad van Verzet

Bronzen Leeuw

De "Negentien punten van Gerbrandy"
Aan het einde van 1943 waren minister president Pieter Sjoerds Gerbrandy en zijn kabinet tot de conclusie gekomen dat het Nederlands verzet te verzuild was geraakt. Daarom wilde Gerbrandy overgaan tot de coördinatie en de bundeling van het verzet. Deze coördinatie van het Nederlands verzet zou in september 1944 leiden tot de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Om de RVV, de OD en de Landelijke Knokploegen (LKP) samen te laten smelten tot één organisatie waren er door Gerbrandy en zijn kabinet richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen werden bekend onder de "Negentien punten van Gerbrandy". De Nederlandse regering in Londen zag in Andries Ausems een geschikte persoon om zich met het document tot de leiders van de verzetsgroepen te wenden. Het document was op microfoto’s vastgelegd. Om ontdekking te voorkomen waren de microfoto’s in uitgeholde lucifers verborgen.
In Londen werd Ausems in twee maanden tijd opgeleid tot agent bij het Bureau Inlichtingen. Het BI werkte nauw samen met de Engelse Secret Intelligence Service (SIS). Na zijn opleiding tot radiotelegrafist/codist werd Ausems geschikt bevonden om boven bezet Nederland te worden geparachuteerd. In bezet Nederland kon Ausems op de opvang en steun van Hein Op den Velde in Zaandam rekenen. Op den Velde was de chef Technische dienst bij de Radiodienst van de Ordedienst. Op den Velde was bevriend met Ausems en met Jan Thijssen. De eerste agent die ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst boven bezet gebied zou worden geparachuteerd was reeds voor de aankomst van Ausems aangewezen. De keus was gevallen op Harm Steen (1916-1944). Daarom had men in Londen besloten dat zowel Ausems als Steen na hun landing van dezelfde contactpersoon gebruik zouden maken.
Terug naar Nederland
In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 werd Andries Ausems samen met de radiotelegrafist Jacques van Loon boven Noord-Brabant, in de omgeving van Rijsbergen, geparachuteerd. Ausems was een organisator en hij had de status en de volmachten van een regeringsvertegenwoordiger. Tijdens de radiocontacten met het BI maakte hij gebruik van de codenamen Karel, Arnold, Andries en Ouwe Taaie. Tijdens zijn contacten in het veld gebruikte hij de schuilnaam Anton Gerard Everts.
Het eerste aanloopadres dat de agenten na hun landing bezochten was bij de "Spartanen" in Princenhage. Het aanloopadres was de rijwiel- en motorfietsenhandel van Rinus van Nunen. Het bedrijf was herkenbaar aan een uithangbord dat aan de voorpui hing. Het was een reclamebord van het merk "Sparta". Zowel de schuilnaam van de contactpersoon als het wachtwoord om bij de familie binnen te kunnen komen was "Spartanen". Bij de "Spartanen" werden de agenten opgevangen door de agent Sjef Adriaansen. Gelijk na zijn aankomst in Princenhage begaf Ausems zich naar zijn onderduikadres in Goirle. Van daaruit zou hij doorreizen naar zijn contactadres in Zaandam. Ausems diende contact te leggen met de RVV. Daarna diende hij zich met de "Negentien punten van Gerbrandy" tot de leiders van de verschillende verzetsgroepen te wenden. De radiotelegrafist Van Loon richtte samen met Adriaansen in de molen van Princenhage een seinpost in. Van daaruit legde hij zijn eerste radiocontact met het BI in Londen.
Plaats van tewerkstelling
De volgende dag in de namiddag vertrok Ausems, met een koffer, geld en papieren, naar Zaandam. Diezelfde middag, op 2 maart 1944, deed de Sicherheitsdienst (SD) een inval in het radiotechnisch bedrijf van Hein op den Velde. Steen en Op den Velde werden gearresteerd. Steen had op het onderduikadres bij Op den Velde zes weken doorgebracht. Zijn radiozender was uitgepeild. Ausems bereikte aan het einde van middag het radiotechnisch bedrijf van Op den Velde. Hij stapte door de half openstaande deur de gang binnen en hij keek in de loop van een Duits dienstpistool. Hij werd de kamer binnengeleid. Steen zat aan een stoel vastgebonden en zijn radiozender stond aan zijn voeten. Ausems en Steen deden of ze elkaar niet kenden. Ausems werd gefouilleerd op wapenbezit en zijn koffer werd doorzocht. Ausems werd door de rechercheurs van de SD verhoord. Tijdens het verhoor haalde Ausems zijn pijp tevoorschijn. Hij begon zijn pijp aan te steken, hetgeen mislukte. In het luciferdoosje zaten uitgeholde lucifers met daarin microfoto’s met daarop de afgebeelde "Negentien punten van Gerbrandy". Door gebrek aan bewijs werd Ausems in vrijheid gesteld. Steen en Op den Velde werden door de SD gevangengenomen. Op 5 september 1944 werd Steen op de Fusilladeplaats in het Kamp Vught gefusilleerd. Hein Op den Velde stierf in het concentratiekamp.
Eenmaal thuis werden de microfoto’s door Ausems verbrand. Ausems dook onder bij zijn broer in Goirle. Van daaruit fietste hij regelmatig naar Princenhage om contact te houden met de radiotelegrafisten Van Loon en Adriaansen. Door de arrestatie van Steen leek het hem verstandig om Van Loon en Adriaansen onder zijn bevel te stellen. Via Adriaansen verzond Ausems op 4 maart 1944 een telegram naar Londen waarin hij de leiding van het BI op de hoogte stelde van zijn aanhouding door de SD.
In Zaandam kreeg Ausems van de leden van de verzetsgroep van Op den Velde het verwijt dat de arrestatie van Steen en Op den Velde door zijn toedoen was veroorzaakt. Ook bij Adriaansen en Van Loon kwamen deze berichten binnen. Ze begonnen Ausems te wantrouwen omdat hij door onder te duiken zo weinig van zich had laten horen. Mede door zijn zwijgzaamheid en zijn sporadische bezoeken aan Princenhage kon Ausems niet voorkomen dat er tussen hem en zijn agenten een sfeer van wantrouwen ontstond.
Op 22 maart 1944 nam hij de draad weer op. Om het werkklimaat te verbeteren nam Ausems het besluit om Van Loon over te plaatsen naar een onderduik- en seinadres in Bakel in het huis van een arts, waarmee Ausems bevriend was. Alhoewel het hem ten aanzien van de Radiodienst van de Raad van Verzet volledig verantwoord leek, wilde Ausems in eerste instantie nog niet aan Londen laten weten dat men een agent naar de RVV kon sturen. Ausems wilde eerst, omdat er grote belangen mee waren gediend, helemaal zeker zijn van de zaak. Wat de "Negentien punten van Gerbrandy" betrof, meende Ausems aanvankelijk dat hij het zonder de microfoto’s kon stellen. Hij herinnerde zich de inhoud vrij nauwkeurig en hij achtte zich in staat om de tekst van het document bijna woordelijk weer te geven.
In die tijd werd er eens per week door enkele belangrijke illegale organisaties een werkbespreking gehouden. Op een van deze besprekingen, waarbij vertegenwoordigers van de OD, de Landelijke Knokploegen (LKP), de RVV het Nationaal Comité en het Nationaal Steunfonds (NSF) aanwezig waren, zette Ausems de richtlijnen van Gerbrandy uiteen. Hij vond echter geen gehoor bij het aanwezige gezelschap. Men wist dat Ausems enkele uren in Duitse handen was geweest. Ondanks het feit dat men hem vertrouwde wilde men toch in elk geval het document met eigen ogen zien.
Jan Faber (1917-2001) en Herman Leus (1917-1945)
De rust zou pas teugkeren toen er door het BI ten behoeve van de Zendgroep BI-Radiodienst in de nacht van 10 op 11 april 1944 een nieuw koppel agenten boven Gelderland, in de omgeving van Tiel, werd geparachuteerd. Het waren de agenten Jan Faber (1917-2001) en zijn telegrafist Herman Leus (1917-1945). De beide agenten werden door Adriaansen en Van Loon bij de "Spartanen" in Princenhage opgevangen. Faber en Leus gingen na enige dagen voorbereiding in Noord-Brabant aan het werk. Vervolgens volgde Jan Faber Harm Steen op als contactpersoon tussen het BI en de RVV en de daarmee samenwerkende illegale organisaties.
De Zendgroep BI-Radiodienst kwam onder de leiding van Faber te staan. De Radiodienst van de Raad van Verzet leverde de lokale marconisten. Faber en Ausems zorgden voor de verspreiding van een nieuwe versie van de "Negentien punten van Gerbrandy" die Faber uit Londen had meegekregen. De radiotelegrafist Herman Leus sloot zich bij de aanwezige leden van de Zendgroep BI-Radiodienst aan.
Jan de Bloois (1916-1944)
Om de zendgroep te completeren werd in de nacht van 7 op 8 mei 1944 in de omgeving van Rijsbergen de radiotelegrafist Jan de Bloois (1916-1944) geparachuteerd. Adriaansen en Van Loon vingen hem op het contactadres bij de "Spartanen" in Princenhage op. Met de aankomst van De Bloois was de Zendgroep BI-Radiodienst compleet. Daarna werd het aanloopadres van de "Spartanen" in Princenhage niet meer gebruikt.
De Radio-Inlichtingendienst
Door de aankomst van de drie agenten kreeg Ausems zijn handen vrij. Vanaf dat moment groeide hij uit tot een van de belangrijkste medewerkers van Jan Thijssen. Na de parachutering van de agent Ben Buunk (1917-1945), in de nacht van 5 op 6 juli 1944, ging hij nauw met Buunk samenwerken. Ausems en Buunk hielden zich voornamelijk bezig met de opbouw van de Radio-inlichtingendienst. De inlichtingendienst kreeg pas vaste vorm toen Eduard H.M. Hoogeweegen de RVV-Rotterdam tot een brigade formeerde. Aan de staf van de brigade werd een inlichtingendienst verbonden. Deze inlichtingendienst werd tot eind september 1944 bijgestaan door Ausems en Buunk. De Radiodienst Rotterdam ontwikkelde zich tot een zeer belangrijke zendafdeling. Ausems en Buunk werkten in de Biesbosch, Dussen, Het Gooi en Rotterdam in de provincies Zuid-Holland en Utrecht. Toen Ben Buunk opdracht kreeg om zich in Vroomshoop in Overijssel te vestigen, ging Ausems voor het Operatiecentrum van de RVV werken. Ausems werd de verbindingsofficier van de RVV en hij werd de vertrouweling en de rechterhand van Jan Thijssen. Buunk werd op 10 februari 1945 in Vroomshoop door de SD gearresteerd. Op 4 april 1945 werd hij in Hattem gefusilleerd.

Joannes Antonius Baars

Joannes Antonius Baars (Amsterdam, 30 juni 1903 – Andijk, 22 april 1989) was een Nederlands fascistisch politicus en later verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Fascistenleider
Jan Baars was aanvankelijk een Amsterdamse marktkoopman. Van 1927 tot 1928 was hij lid van het Verbond van Actualisten. In de jaren 1928-1930 was hij leider van de Amsterdamse afdeling van De Bezem. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1931 was hij kandidaat voor de Fascistenbond. 'De Bezem' werd in 1931 omgevormd tot de Algemeene Nederlandsche Fascisten Bond (ANFB). De ANFB was de eerste Nederlandse fascistische partij van enige betekenis. Jan Baars werd haar leider. Dankzij de financiële steun van de miljonair dr. Alfred Haighton (1896-1943) draaide de beweging financieel goed. Jan Baars was vrij populair omdat hij de taal van de gewone man sprak en sociaal bewogen was. Hij kreeg spoedig de bijnaam 'de sociale-fascist' (of 'de linkse fascist'). Desondanks behaalde de Fascistenbond geen zetels bij de kamerverkiezingen van 1933.
In 1933 ging de Fascistenbond op in de Corporatieve Concentratie. Baars was hiervan geen leider meer, maar hij nam wel zitting in het directorium (bestuursraad) van de Corporatieve Concentratie. Baars stapte echter in 1934 uit de Corporatieve Concentratie en richtte de Nederlandsche Fascisten Bond (NFB) op waarvan hij de leider was. Die partij was echter van geen betekenis.
Duitse bezetting
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Baars o.a. werkzaam bij het Bureau Aanvoer Burger Bevolking van Blaricum. Later was hij beheerder van het Singerhuis. Ook speelde hij een vooraanstaande rol in het verzet. Vanuit zijn woning in Blaricum nam hij onder de schuilnaam Jan Haye deel aan verzetsactiviteiten.

Volgens een andere bron zou hij tijdens de oorlog met toestemming van de Duitse bezetter Mussolini persoonlijk bezocht hebben, inkoper van de Wehrmacht geweest zijn, in bij Joden in beslag genomen goederen gehandeld hebben en secretaris van de WA-hopman Albertuz Nijland geweest zijn.

Na de oorlog
Na de oorlog was hij enige jaren rechercheur te Hilversum en werkzaam bij de Inlichtingendienst Buitenland (IDB). Ook heeft Baars nog voor diverse opsporings- en onderzoeksinstanties werkzaamheden verricht, waaronder het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, het Bureau Opsporing Oorlogsmisdrijven, de Politieke Recherche Afdeling Den Haag en afdeling K van het Directoraat-Generaal Bijzonder Rechtpleging. Dit omdat Baars tijdens de bezetting een grote kennis had opgedaan over het Duitse bezettingsapparaat. 
Onderscheiding
Verzetsherdenkingskruis

Jan Baars (1931)

Algemene informatie
Volledige naam Joannes Antonius Baars
Geboren 30 juni 1903
Geboorteplaats Amsterdam
Overleden 22 april 1989
Overlijdensplaats Andijk
Partij De Bezem, ANFB
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland
 

Floris Bertold Bakels

Floris Bertold Bakels (Den Haag, 19 juli 1915 – Bussum, 15 april 2000) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die zich eind 1940 begon te verzetten tegen de Duitsers na de invoering van de "Ariërverklaring" over Joodse afkomst. In 1942 werd hij gearresteerd, werd een 'Nacht und Nebel'-gevangene en pas in 1945 bevrijd. Hij werd een belangrijke anti-oorlogsschrijver en succesvol uitgever bij Elsevier boeken. Zijn boek over Nacht und Nebel uit 1977 beleefde al de 15de druk in 1995. Zijn verhaal maakte deze vorm van verdwijning in Nederland bekend.

Jeugd
Bakels groeide op in Den Haag. Hij kwam uit een welgesteld, cultureel en warm gezin. Zijn vader R.S. Bakels was gepromoveerd in zowel de rechten als in de staatswetenschappen, maar werkte als kunstschilder. Floris Bakels studeerde rechten in Leiden, waar hij in 1938 afstudeerde. Zijn eerste betrekking was ambtenaar, maar dat beviel hem niet, waarop hij in 1939 aangesteld werd als advocaat te Rotterdam. Op 5 januari 1940 trad hij in het huwelijk en vestigde zich met zijn vrouw te Pijnacker.

Tweede Wereldoorlog
Op 14 mei 1940 maakt Bakels het bombardement van Rotterdam mee. Dit drukte een stempel op zijn houding tegenover de Duitsers. Aanvankelijk onderging hij de bezetting lijdzaam, maar in 1941 gingen hem de ogen open voor de werkelijke aard van de nazi’s. Toen werd verordend dat iedere ambtenaar en onderwijzer een ariërverklaring moest ondertekenen reageerde Bakels hier fel tegen, door pamfletten en brieven te schrijven om de passiviteit onder de Nederlanders te doorbreken. Vervolgens schreef hij een gedocumenteerde brief bij het verlaten van de Nederlandsche Unie, waarin hij zijn mening over de Duitsers verwoordde. Als vanzelf rolde hij in het verzetswerk. In die tijd schreef hij zelfs een brief aan koningin Wilhelmina, die zijn brief voor de BBC voorlas.

De verzetskring waarvan Bakels deel uitmaakte werd door provocateursverraad opgerold. Bakels werd op 9 april 1942 gearresteerd. Via het Oranjehotel belandde hij in kamp Amersfoort. Hier werd Bakels voor het eerst geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid van de door sadistische bewakers uitgeoefende terreur in de kampwereld. Zo werd voor zijn ogen een gevangene door bewakers letterlijk doodgeschopt, omdat hij had gepoogd te ontsnappen. Dit was de eerste van een lange reeks gruwelijkheden waarvan Bakels getuige was.

Floris Bakels omstreeks de jaren 70

Floris Bakels omstreeks de jaren 70
Volledige naam Floris Bertold Bakels
Geboren 19 juli 1915, Den Haag
Overleden 15 april 2000, Bussum
Land Nederland

Nacht und Nebel
Na Amersfoort werd hij via de gevangenis van Utrecht naar concentratiekamp Natzweiler-Struthof in de Vogezen overgeplaatst. Bakels bracht ruim anderhalf jaar als gevangene door in Natzweiler en zijn 'Aussenkommandos'. Natzweiler was een van de kampen voor 'Nacht und Nebel'-gevangenen: zij moesten in 'nacht en nevel' verdwijnen. Hier werden verzetslieden en andere tegenstanders van de nazi's opgesloten over wie de Duitsers geen informatie meer gaven aan de buitenwereld.
Bakels hield bijna drie jaar een dagboek bij, dat hij na zijn bevrijding mee terug wist te nemen en uitgaf. Het werd ingeleid door Dr. L. de Jong en Bakels beschrijft onder meer zijn arrestatie en de lange lijdensweg als gevangene in Scheveningen, de kampen Amersfoort (PDA), Natzweiler-Struthof, Ottobrunn, Dautmergen, Vaihingen en Dachau. In Dachau werd hij in 1945 door de geallieerden bevrijd. Meer dood dan levend reisde hij alleen terug naar Nederland, wat hij beschreef in zijn boek Dertien dagen in mei (1990).
Na de oorlog
Na de oorlog besloot Bakels zijn leven te wijden aan het waarschuwen tegen totalitarisme en dictatuur. Hij vertaalde als eerste Winston Churchills memoires uit de Tweede Wereldoorlog onder de titel Memoires 1940-1945 en publiceerde Verbeelding als Wapen (1947) over zijn persoonlijke ervaringen met de nazi's tijdens zijn gevangenschap. In 1977 publiceerde Bakels een meer uitgewerkte versie van zijn kampervaringen onder de titel Nacht und Nebel: mijn verhaal uit Duitse gevangenissen en concentratiekampen (uitgeverij Elsevier, 1977). Dit boek heeft zeven weken op de eerste plaats gestaan van best verkochte boeken in Nederland en had vele televisie- en radiouitzendingen tot gevolg. In 2012 was het nog steeds in druk. In 2000 maakte de EO een documentaire over Bakels.
In het dagelijks leven was Bakels uitgever bij Elsevier en was één van de initiatiefnemers en oprichters van het Anne Frank Huis, gevestigd in het pand waar vanuit Anne Frank werd afgevoerd naar de concentratiekampen.
Floris Bakels overleed op 84-jarige leeftijd. Zijn zoon Floris is vicepresident van de Hoge Raad der Nederlanden.
Bibliografie
Verbeelding als wapen (1947)
Goed taalgebruik en Het persklaar maken van stukken (1956)
Nacht und Nebel; mijn verhaal uit Duitse gevangenissen en concentratiekampen (1977) ISBN 9043503665
Uitzicht; De lessen van Nacht und Nebel (1983) ISBN 9010047911
Wachter op de morgen; het korte leven van Christian Corneille Dutilh, geboren 1915, gefusilleerd 1944 (1988) ISBN 90-242-4900-7
Dertien dagen in mei (1990) ISBN 90-242-2289-3
Onderscheidingen
Verzetsherdenkingskruis

Marcus Bakker

Marcus Bakker (Zaandam, 20 juni 1923 - aldaar, 24 december 2009[1]) was een Nederlands politicus van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Gedurende geruime tijd was hij fractievoorzitter van de partij in de Tweede Kamer.
Biografie
Bakker was zoon van een boekhouder van het slachthuis in Zaandam. Hij was een van de jongeren die opkwamen in de CPN toen die door de vele arrestaties in de Tweede Wereldoorlog veel leden was kwijtgeraakt. In 1943 werd hij lid van de illegale CPN. Na de oorlog was hij redacteur (en later hoofdredacteur) van het dagblad De Waarheid, voorzitter van het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond, en vanaf 1946 ook partijbestuurder.
Tweede Kamer
In 1953 werd Bakker hoofdredacteur van De Waarheid, en in 1956 lid van de Tweede Kamer. Hij was een vertrouweling van de Moskou-getrouwe partijleider Paul de Groot, die streng optrad tegen afwijkende stromingen binnen de partij. Bakker is lange tijd gezien als auteur van het "rooie boekje" met de titel De CPN in de oorlog (1958), een in de meest kenmerkende tradities van het stalinisme passend stukje geschiedschrijving, dat met terugwerkende kracht de rol van enkele prominente CPN-verzetslieden tot "verraders" of "spionnen" diskwalificeerde en dat leidde tot het royement van bekende partijleden als Gerben Wagenaar, Henk Gortzak, Frits Reuter, Bertus Brandsen en Rie Lips-Odinot. De werkelijke schrijver van dit later ingetrokken partijdocument was echter Paul de Groot.
In 1956 juichte Bakker openlijk het neerslaan toe van demonstraties uit solidariteit met de slachtoffers van de bloedige opstand in het Poolse Poznań, de aanleiding voor de Hongaarse opstand. In De Waarheid schreef hij "hopelijk zal het snel lukken met dit gespuis korte metten te maken". Kritiek op de Sovjet-Unie werd door Bakker niet geaccepteerd.
Na de zware verkiezingsnederlaag van de CPN in 1977 (van 7 naar 2 zetels) en de daaropvolgende buitenspelzetting van erelid van het Partijbestuur Paul de Groot betrok hij samen met Henk Hoekstra en Joop Wolff het opengevallen machtsvacuüm binnen de partij.
Als fractievoorzitter in de Tweede Kamer was hij een geestig en scherpzinnig redenaar. Enkele hoogtepunten uit zijn parlementaire bestaan waren de debatten over de vrijlating van Duitse oorlogsmisdadigers.
Door een amendement van Marcus Bakker werden in 1983 de woorden "Op welke grond dan ook" in artikel 1 van de grondrechten van de Nederlandse Grondwet opgenomen.
In het huidige Tweede Kamergebouw is de Marcus Bakkerzaal naar hem vernoemd. Op 12 januari 2010 werd hij herdacht in de Tweede Kamer.
Na het Kamerlidmaatschap
In 1982 droeg Bakker het partijleiderschap over aan Ina Brouwer. Hij heeft zich niet ingelaten met de gesprekken die leidden tot het opgaan van de CPN in GroenLinks in 1991. In 1999 zegde hij zijn lidmaatschap van GroenLinks op, toen die partij akkoord ging met de NAVO-bombardementen op Joegoslavië.
In 1983 verschenen zijn memoires onder de titel Wissels - Bespiegelingen zonder berouw. Hierin kritiseert Bakker zijn eigen aandeel in de Koude-Oorlogsgeschiedenis, zonder hiervoor spijt te betuigen. Hij noemt het terecht dat de CPN in 1982 het rode boekje had ingetrokken als partijdocument. Over het verdacht maken van partijgenoten in de jaren 50 schrijft hij: "...Onjuist was dat een bepaalde politiek verklaard werd met het min of meer duister geoordeelde handelen van enkelen, en dat aan die politiek vervolgens weer conclusies met betrekking tot die personen werden verbonden." Later zou hij in interviews benadrukken dat dergelijke fouten in het licht van de tijd moeten worden bezien. "Heel lang heb ik geloofd dat de Sovjet-Unie echt iets kon betekenen voor de wereld", gaf Bakker in 2003 aan in een interview: "Achteraf is dat onjuist gebleken, maar het geloof was oprecht". Bakker heeft nooit afstand genomen van het communisme als ideologie, dat hij als een 'eerlijke zaak' beschouwde. Wel voelde hij zich 'gebruikt' door het totaal verworden socialisme zoals dat in Oost-Europa bestaan had. Vooral de onthulling dat het Bloedbad van Katyn toch door het Sovjet-regime gepleegd bleek te zijn en niet door de nazi's, was een enorme desillusie.
Persoonlijk
In 1946 trouwde Bakker met Els Ezerman (1924–2016)[2], met wie hij vijf kinderen kreeg. Hij overleed op 86-jarige leeftijd.
Literatuur
'Vergeven zal ik ze niet' - interview door Peter Vermaas in De Groene Amsterdammer, 5 mei 1999
Leo Molenaar: Nooit op de knieën. Marcus Bakker (1923-2009) - communist en parlementariër. Amsterdam, UItgeverij Balans, 2015. ISBN 9789460038556

CPN-fractievoorzitter Bakker bij een interpellatie in het Tweede Kamerdebat over de uitspraak van rechter Stheeman over - NL-HaNA 2.24.01.05 0 925-3894 WM153.jpg

Algemene informatie
Volledige naam Marcus Bakker
Geboren 20 juni 1923
Overleden 24 december 2009
Partij CPN (1943-1991)
GroenLinks (tot 1999)
Politieke functies
1946-1982 Lid partijbestuur
1956-1982 Lid Tweede Kamer
1963-1982 Fractievoorzitter
1963-1982 Politiek leider
Parlement & Politiek - biografie
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland
 

Donald Earl Bamberg

Donald Earl Bamberg (New York, 30 januari 1920 - Den Haag, 31 januari 2013) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was de zoon van de goochelaar Theo Bamberg, die onder de kunstenaarsnaam Okito bekend is geworden.
Leven
Bamberg verhuisde op vierjarige leeftijd met zijn vader van New York naar Wenen. Na de "Anschluss" van Oostenrijk aan het nationaalsocialistische Duitsland verhuisde het gezin naar het in deze tijd nog vreedzame Nederland. Hoewel zijn vader in 1939 wegens de onzekere politieke situatie in Europa naar Mexico emigreerde, bleef Bamberg in Den Haag en ging het Nederlandse leger in, waar hij onderofficier bij het keurkorps der Grenadieren werd.
Toen het Duitse leger in mei 1940 Nederland wist te bezetten, werd Bamberg door het actief verzet benaderd. Het was zijn opdracht Duitse gevechtsstellingen op te tekenen, zodat deze aan de geallieerde strijdmacht konden worden doorgegeven. Op 19 augustus werd hij verraden en gearresteerd en in oktober 1941 wegens spionage ter dood veroordeeld. Dit oordeel werd na dertien maanden dodencel in levenslang veranderd. In november 1942 begon voor Bamberg een odyssee door de concentratiekampen Amersfoort, Buchenwald, Natzweiler, Sennheim, Dachau, Neuengamme, Engerhafe, Gross-Rosen, Mittelbau-Dora, Ravensbrück en Malchow.
Na zijn terugkomst uit de gevangenschap in mei 1945 werkte Bamberg eerst bij de Volkskrant in Den Haag, daarna op kantoor van een verzekeringsmaatschappij, waar hij procuratiehouder en leider der afdeling buitenland werd. Don trouwde 1946 en werd 1947 vader van een zoon, die naar zijn grootvader Theo genoemd werd.
Over zijn oorlogsbelevenissen schreef Bamberg 1985 zijn boek "Dossier NN", dat 2010 opnieuw met een bijzonder oogmerk op het lot van de bevolking van Putten na represailles van de Duitse bezetting in oktober 1944 werd uitgegeven. Het eerste boek van Bamberg werd 2015 in het Duits vertaald en als e-book en paperback met de titel: "Dossier NN - Ich überlebte die Todeszelle und neun Konzentrationslager" uitgegeven. Toen in 2015 per toeval het oorspronkelijke, onverkorte manuscript van "Dossier NN" werd gevonden, werd dit manuscript onder de titel: "Don Bamberg - Ik overleefde de dodencel en negen concentratiekampen" als e-book en paperback uitgegeven. In 2017 verscheen ook de Engelse vertaling: "Don Bamberg - I survived death row and nine concentration camps" als e-book en paperback.
Bamberg kreeg in 2012 het erelidmaatschap van de Duitse vereniging "Gedenkstätte KZ Engerhafe" aangeboden. Bamberg was de laatste overlevende van het concentratiekamp Aurich-Engerhafe geweest. Op 31 januari stierf Bamberg in een ziekenhuis in Den Haag aan tuberculose.
Boeken
Dossier NN: Nacht und Nebel, Van Holkema & Warendorf, 1985 ISBN 978-90-269-6508-1
Dossier NN: Spoorloos in Hitlers Derde Rijk, Accent, 2010 ISBN 978-94-91088-01-8
Dossier NN: Ich überlebte die Todeszelle und neun Konzentrationslager, amazon kindle edition en paperback ISBN 978-15-426-8947-2
Don Bamberg: Ik overleefde de dodencel en negen concentratiekampen, amazon kindle edition en paperback, 2016 ISBN 978-94-021-4298-3
Don Bamberg: I survived death row and nine concentration camps, amazon kindle edition an paperback, 2017 ISBN 978-15-432-0057-7

Donald Bamberg (2010)

Jan Jozua Barendsen

Jan Jozua Barendsen (Amsterdam, 11 september 1892 – Apeldoorn, 2 oktober 1944) was een Nederlandse militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Loopbaan
Barendsen werd als luitenant benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde vierde Klasse voor krijgsverrichtingen te Soemba in het voormalige Nederlands-Indië. Op 16 september 1927 werd hij als luitenant-kolonel benoemd tot commandant van het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen en maakte hij in 1931 het 40-jarig bestaan van het korps mee. Hij droeg het korpscommando over aan Majoor J.P. Wissema.

Verzet
Terug in Nederland ging hij wonen in Beekbergen en raakte hij in de oorlog betrokken bij het verzet. Hij werkte samen met anderen binnen de Ordedienst als kolonel R. Boomsma en luitenant-kolonel Teding van Berkhout. Op 8 augustus 1942 werd hij door de bezetter opgesloten in het kamp Sint-Michielsgestel maar kwam op 15 december 1942 weer vrij waarna hij commandant werd van het gewest 6 van de Ordedienst. Toen op 29 september 1944 de Duitse Ortskommandant van Apeldoorn 4000 Nederlandse burgers opriep om militaire versterkingen langs de IJssel aan te leggen kwamen er slechts 36 mensen opdagen zodat werd besloten een aantal verzetslieden als afschrikwekkend voorbeeld te executeren. Op 30 september 1944 werden Barendsen en veertien collega's van hem opgepakt. Acht, waaronder Barendsen werden op 2 oktober 1944 naar het terrein van het daarvoor ontruimde Joodse Krankzinnigengesticht "Het Apeldoornse Bos" gebracht en daar gefusilleerd. Volgens een lid van de Sicherheitsdienst stond Barendsen onverschrokken voor het vuurpeloton, knoopte zijn jas open en begon het Wilhelmus te zingen. Barendsen werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Beekbergen; grafnummer 246). Hij werd na de oorlog postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

Luitenant-kolonel J.J. Barendsen

Luitenant-kolonel J.J. Barendsen
Geboren 11 september 1892, Amsterdam
Overleden 2 oktober 1944, Apeldoorn
Land Nederland
Groep Ordedienst

Jean Baud

Jhr Jean Chrétien Baud (Arnhem, 16 juni 1919 - Sonnenburg, Neumark-Oost-Brandenburg, 15 juli 1944) was een Nederlands verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Jean Baud studeerde Indisch Recht en deed zijn militaire opleiding voordat de oorlog uitbrak. In 1940 probeerde hij naar Portugal te fietsen, hetgeen echter mislukte.

Hij werd lid van de Stijkelgroep.

Om spionagemateriaal naar Engeland te brengen huurde Han Stijkel van Willem en Arie van der Plas, twee vissers uit Katwijk, een vissersboot, de KW133 Eendracht. Behalve Stijkel, Jean Baud en Cornelis Jan Gude zou ook een rijke jood meevaren die de aankoop van de boot financierde. Op 2 april 1941 werden ze gearresteerd, toen ze de haven van Scheveningen wilden uitvaren. Ze waren verraden door de Scheveningse vishandelaars J S van Dam en J van Wezel die voor de Sicherheitspolizei werkten. Deze verraders werden in 1949 veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Stijkel, Baud en Gude sprongen in het water maar ze werden toch gearresteerd. Na enkele dagen verhoord te zijn werden ze overgebracht naar de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel), waar Baud van 3 april 1941 tot 10 april 1942 in cel 371 zat. Daarna werd hij naar Berlijn vervoerd, waar hij ter dood veroordeeld werd. Hij kreeg echter gratie en werd naar tuchthuis Sonnenburg gebracht. Hij kreeg tbc en overleed door uitputting.

Zijn graf is bij het Stijkelmonument op begraafplaats Westduin.

Jean C Baud.jpg

Jhr. Jean Chrétien Baud
Geboren 16 juni 1919, Arnhem
Overleden 15 juli 1944, Sonnenburg
Land Nederland

Monument voor de Stijkelgroep op begraafplaats Westduin te Den Haag

Jacobus Andreas Beekman

Jacobus Andreas Beekman (Delft, 17 augustus 1912 - Dordrecht, 8 juni 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Beekman was ingenieur bij de Meterfabriek in Dordrecht en betrokken bij het verzet aldaar. Hij woonde in de Van Baerlestraat 72 in Dordrecht en zijn huis diende als verzamelpunt voor het verzet. In 1944 werd hij ondercommandant van de verzetsgroep "Paul" die ontstaan was uit de fusie van een aantal kleinere clubjes waaronder de zijne. De groep werd al spoedig een actief strijdend onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Beekman werd later de commandant van de Eerste Compagnie van de BS te Dordrecht. Zijn verzetsnamen waren "André" en "Michiel".

Vroeg in de ochtend van 8 januari 1945 voerde hij de leiding over een overval op de gevangenis in de Doelstraat te Dordrecht en slaagde erin om de koerierster Lenie Dicke te bevrijden. Als represaillemaatregel staken de Duitsers het huis van Lenies vader aan de Prinsenstraat in brand. In februari 1945 pleegde Beekman een aanslag op de Gestapo-commandant Carol Neumann. Het gebouw van de Sicherheitsdienst werd zwaar beschadigd door de explosie, maar Neumann bleef ongedeerd.

Vlak na de oorlog kwam hij op 32-jarige leeftijd om bij het onschadelijk maken van een Panzerfaust. Een Dordtenaar had het projectiel bij hem ingeleverd. Bij het demonteren ging iets mis waardoor Beekman en twee omstanders om het leven kwamen. Beekman werd begraven op het Ereveld van de Algemene Begraafplaats te Dordrecht, in vak N grafnummer 9. Hij werd bij Koninklijk Besluit op 16 december 1952 postuum onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

Jacobus Beekman voor de HBS

Jacobus Beekman voor de HBS
Geboren 17 augustus 1912, Delft
Overleden 8 juni 1945, Dordrecht
Land Nederland
Groep Binnenlandse Strijdkrachten

Frieda Belinfante

Frieda Belinfante (Amsterdam, 10 mei 1904 – Santa Fe, 5 maart 1995) was een Nederlands cellist en dirigent die in 1955 Amerikaans staatsburger werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ze actief in het verzet.
Voor de oorlog Levensloop
Belinfante was een dochter van de Amsterdamse pianist en muziekschooleigenaar Ary Belinfante. Haar vader was joods, haar moeder niet. Op haar negende begon ze op aandringen van haar vader met celloles. In 1920 trad ze, samen met haar vader, voor het eerst voor publiek op. Een jaar later leerde ze de componiste Henriëtte Bosmans kennen, met wie ze van 1922 tot 1929 samenwoonde. Belinfante was in deze periode eerste celliste bij de Haarlemsche Orkest Vereeniging en was daarna werkzaam bij verschillende bioscooporkesten. Met Bosmans en de fluitist Johan Feltkamp trad ze op als het Amsterdamsch Trio. Na de beëindiging van de relatie met Bosmans trad Belinfante, ondanks haar lesbische geaardheid, in 1930 in het huwelijk met Feltkamp. Deze verbintenis hield stand tot 1936.
Vanaf ongeveer 1935 was Belinfante tevens werkzaam als dirigent. Aanvankelijk leidde ze een jeugdorkest, later dirigeerde ze het vrouwenkoor en het Sweelinck-orkest van de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. In 1938 trad ze met haar eigen Het Kleine Orkest op in het Amsterdamse Concertgebouw. In datzelfde jaar nam ze deel aan een door Hermann Scherchen georganiseerd dirigentenconcours. Belinfante was de enige vrouwelijke deelnemer en won de eerste prijs. Een optreden als gastdirigente bij het Orchestre de la Suisse Romande vond echter geen doorgang wegens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939. Kort na de Duitse aanval op Nederland in 1940 hief ze Het Kleine Orkest, waarin ook joodse muzikanten zaten, op. Belinfante trad tot begin 1942 op. Ze weigerde als halfjoodse bij de Nederlandsche Kultuurkamer dispensatie aan te vragen om te mogen blijven optreden.
Oorlogsjaren
Reeds in 1941 was Belinfante actief in het verzet tegen de Duitse overheersing. Zij was lid van Groep 2000 en werkte van begin af aan voor de Persoonsbewijzen Centrale. Daar hield zij zich bezig met onder meer het vervalsen van persoonsbewijzen en het ondersteunen van onderduikers, waarbij ze zich soms vermomde als man. Met Willem Arondeus, Gerrit van der Veen, Willem Sandberg en anderen bereidde ze de aanslag op het Amsterdams Bevolkingsregister op 27 maart 1943 voor. Toen diverse leden van haar verzetsgroep kort na de aanslag werden opgepakt, dook Belinfante onder. Later in 1943 wist ze na een moeizame tocht naar Zwitserland te ontkomen, waar ze in een vluchtelingenkamp in de omgeving van Lausanne verbleef. Ze startte onder de vluchtelingen een koor en kon zich later op voorspraak van Hermann Scherchen vestigen in Winterthur.
Na de oorlog
Belinfante keerde kort na de oorlog terug naar Nederland, maar raakte - mede omdat ze als vrouw niet aan het werk kwam als dirigent - gedesillusioneerd. Ze emigreerde in 1947 naar Californië. In Hollywood was ze werkzaam in een studio-orkest dat filmmuziek inspeelde. Ze bespeelde ook de viola da gamba in een ensemble voor oude muziek. Ze gaf daarnaast enige tijd les aan de Universiteit van Californië. Vanaf 1954 gaf ze leiding aan het Orange County Philharmonic Orchestra, waarmee ze als eerste vrouw ter wereld de vaste dirigente was van een professioneel orkest. In 1955 verwierf ze de Amerikaanse nationaliteit.
Het orkest werd in 1962 opgeheven en Belinfantes contract werd niet verlengd. Het bestuur gaf voor de concerten in Orange County de voorkeur aan het Los Angeles Philharmonic Orchestra onder Zubin Mehta. Ze dirigeerde daarna nog zeer sporadisch, maar bleef tot op hoge leeftijd actief als muziekpedagoge in Laguna Beach. In 1991 verhuisde ze naar Santa Fe in de staat New Mexico. In 1995 overleed Belinfante op 90-jarige leeftijd aan kanker.
Nagedachtenis
In 1998 kwam de documentaire ...maar ik was een meisje van regisseuse Toni Boumans uit. Hierin wordt het levensverhaal van Belinfante verteld door haarzelf, haar zus Renée, vriendinnen en leerlingen.
In Amsterdam Nieuw-West zijn in mei 2016 zes bruggen vernoemd naar vrouwelijke verzetsstrijders, onder wie Belinfante

Afbeeldingsresultaat voor frieda belinfante

 

Frieda Belinfante (ca. 1927-1929)
Algemene informatie
Land Vlag van Nederland Nederland
Portaal Portaalicoon Muziek
 

Jan Cornelis Bellis

Jan Cornelis Bellis (Zijpe, 9 februari 1877 - Buchenwald, 12 december 1942) was een Nederlandse socialist en oprichter van de plaatselijke afdeling van de Centrale Bond van Bouwvakarbeiders. Voor de SDAP was hij 11 jaar gemeenteraadslid. Hij zat in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog en hielp in 1941 Engelandvaarders om vanaf de Hondsbossche Zeewering te ontsnappen. Hij was getrouwd en samen met zijn vrouw had hij een vakantiepension. Ze hadden zeven kinderen, waaronder twee zonen, Arie en Jan Jr. (1916-2011). De laatste was toen net getrouwd.
Jan en Grietje Bellis had samen met hun zoon Arie en Jans broer Gerrit een eigen ontsnappingslijn bedacht. Deze werd zeven maanden gebruikt. Als dijkbaas kende Jan het halve dorp, veel mannen hielpen mee de zeewering te verstevigen en te onderhouden.
Ontsnappingslijn
Ontsnappingslijn ontstond door een toeval. Een meneer de Graaf uit Zunderdorp vroeg hem informatie over het weer en de zee. Wanneer zou het goed weer zijn om naar Engeland te gaan, wanneer zou het hoog en dood tij zijn? Hij gaf de man de gevraagde informatie, hielp hem aan een kar om zijn bootje te vervoeren en zorgde dat de rails naar en op de dijk, die voor vervoer van materiaal werd gebruikt, zandvrij was. Ook werd goed bekeken hoe het schema van de Duitse wachtposten was. Er was een veilige periode van ongeveer een uur.
Arie Bellis had een paard waarmee de lorrie voortgetrokken werd. Vader Jan bleef thuis en organiseerde vooral. Het sjouwen liet hij aan de jeugd over.
Arrestatie
Er kwam een abrupt einde aan de ontsnappingen in augustus 1941. Een stel studenten waren bezig een zeilboot op de lorrie te laden maar zij waren daarbij zo luidruchtig dat de Duitsers hen hoorden. De meesten ontsnapten naar het Noordhollands Kanaal. Een ander groepje, dat net bezig was een kleiner bootje over de dijk te brengen, werd echter wel opgepakt. Niet veel later werden Jan en Gerrit Bellis door de lokale politie gearresteerd. Gerrit werd na een week weer vrijgelaten. Jan werd op 17 december 1941 naar Amsterdam gebracht waar hij tot oktober 1942 bleef. Daarna ging hij een maand naar Kamp Amersfoort en op 12 december dat jaar overleed hij in Buchenwald.
Monument
Op 4 mei 1951 werd een monument ter nagedachtenis aan hem onthuld. Het monument werd ontworpen door ir J A van der Steur en bevatte een reliëf van Piet Wiegman. Door wind en weer werd dat zwaar aangetast en in 1982 werd het vervangen door een reliëf van Mies Cosijn. Het oorspronkelijke reliëf is nu in de Hervormde Kerk in Petten te zien. Op het monument staat de tekst:

Verzetsmuur Petten, J.C. Bellis

Cornelis Hendrik van Bemmel

Cornelis Hendrik van Bemmel (Harmelen, 14 augustus 1912 – Assen, 21 maart 1945) was in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op 28 juni 1932 werd Van Bemmel vrijwillig soldaat bij het het Wapen der Cavalerie; op 17 april 1938 werd hij bevorderd tot wachtmeester.

De oorlogsjaren
Eind 1941 gingen Van Bemmel met W.C. Melius op verzoek van Nederlandse vice-consul en vervolgens directeur van het Office Néerlandais Joop W. Kolkman naar Robert de Schrevel. Dit was een Belg, van 1939 - 1942 in dienst van de Franse inlichtingendienst, met als schuilnaam Roger De Saule, en hij was vanaf september 1939 adjunct-luchtvaartattaché bij het Franse gezantschap in Den Haag. Van Bemmel kreeg Ffrs.1000 reisgeld en zou een opdracht in Nederland moeten uitvoeren, mogelijk om zijn betrouwbaarheid te testen.

Later kwam hij bij de Britse inlichtingendienst (MI6). In de nacht van 5 op 6 oktober 1944 werd hij als marconist gedropt bij Orvelte in Drenthe. Sindsdien zond hij voor Karel August Mans van de Packard groep radioboodschappen naar Engeland.

Van Bemmel werd op 21 maart 1945 gedetecteerd. Bij zijn arrestatie bood hij weerstand en schoot op de Duitsers, waarbij hij enkele vijanden om het leven bracht. Ten slotte werd hij zelf neergeschoten. Hij ligt begraven op de Erebegraafplaats in Loenen.

Hij opereerde o.a. onder de namen Frederik, IJsberg, Carel Bezard, G. Witteveen en Hendrik Jan Zegwaard.

Onderscheiding en herinnering
Postuum kreeg Van Bemmel op 30 augustus 1948 de Militaire Willems-Orde (MWO.4). In januari 2015 werd er een plan bekendgemaakt om op 4 mei 2015 in Harmelen een monument voor Van Bemmel te onthullen.[2] In 2014 werd een werkgroep geformeerd die het monument voor Cor van Bemmel gaat realiseren. Deze werkgroep bestaat uit Ineke Smienk, Mieke Schilder, Teuny van Wijngaarden, Bert van Elk en Nico van der Steeg. De Harmelense kunstenares Ineke Smienk heeft het ontwerp gemaakt voor het monument wat op 4 mei 2015 onthuld wordt door Ridder MWO, Majoor Marco Kroon en de burgemeester van de gemeente Woerden, dhr. Victor Molkenboer.

Cornelis Hendrik van Bemmel
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Geboren 14 augustus 1912
Harmelen
Overleden 21 maart 1945
Assen
Begraven Nationaal Ereveld Loenen, Vak: A. Graf: 1056
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Flag of the Royal Netherlands Army.svg Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1932 - 1945
Rang Nl-landmacht-cavalerie-sergeant-wachtmeester.svg Wachtmeester
Eenheid Cavalerie
MI6
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940
Ander werk Adjunct-luchtvaartattaché in Den Haag

Pitty Beukema toe Water

Ir. Frederik Karel Tjark Beukema toe Water (Semarang, 21 september 1911 - Le Rouret, 30 november 1997) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd Pitty genoemd.

Beukema was een zoon van tennisser en ingenieur Frits Beukema (1875-1930) en tennisster Zus van Aken (1881-1978). Zijn broer was Karel Willem Adriaan Beukema toe Water. Hij studeerde in 1937 af aan de Technische Hogeschool Delft (Chemie). Aanvankelijk werkte hij voor Philips' Gloeilampenfabrieken te Eindhoven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed hij bij TNO onderzoek naar metalen.

De oorlogsjaren
Pitty Beukema verzamelde inlichtingen. Hij was de vijfde en laatste leider van Groep Kees en werd bijgestaan door codiste Eveline van Lennep (schuilnaam Nellie Hoekstra). Inlichtingen die geen haast hadden gingen via de Zwitserse Weg naar de militaire attaché in Bern, als ze haast hadden werd er van zenders gebruikgemaakt. De berichten waren niet alleen van militaire aard, er werd ook aangedrongen op voedseldroppings.

De Duitsers hadden het onmogelijk gemaakt om de PTT-telefoonlijnen te gebruiken, maar zij hadden er niet aan gedacht dat de Nederlandse Spoorwegen en Elektriciteitscentrale eigen lijnen hadden. Zo werden berichten vanuit bezet Nederland rechtstreeks aan de regering in Eindhoven doorgegeven, waar Leen Pot de telefoon opnam en de stem van zijn clubgenoot herkende.

Een ander contact van Beukema was Siewert de Koe, ook een Delfts student. Hij werkte vanuit een hofje aan de Denneweg in Den Haag. Beukema had een plan opgesteld voor zijn medewerkers om snel te kunnen onderduiken indien nodig. Toen een vriend van één van zijn medewerksters in Zuid Frankrijk werd aangehouden, werd het adres van de Denneweg bekend. Op 17 december 1943 werd De Koe gearresteerd, maar door Beukema's plan konden alle anderen gewaarschuwd worden en meteen onderduiken.

Na de oorlog
Pitty Beukema kreeg tijdens zijn eerste twee huwelijken vier kinderen.
Na de oorlog trok Hans de Koster Beukema aan als zakelijk directeur van Meelfabriek De Sleutels in Leiden.
Hij was vanaf 1967 nauw betrokken bij de fusie tussen Gist & Brocades. Na de fusie stapte hij in 1971 uit de directie en vertrok naar Zuid Frankrijk, waar hij in Le Rouret een stuk land kocht en een huis bouwde. In juli 1976 trouwde hij met Manon Peyrot, een architecte die grote gebouwen o.a. in Amsterdam op haar naam heeft staan. Na zijn overlijden verhuisde ze naar een dubbele hofjeswoning in Den Haag.

Onderscheiden
Militaire Willems-Orde op 14 december 1949
Verzetsherdenkingskruis
King's Medal for Courage in the Cause of Freedom

Ridderkruis 3e klasse van de Militaire Willems-Orde

Ridderkruis 3e klasse van de Militaire Willems-Orde
Uitgereikt door Koninkrijk der Nederlanden
Type Ridderorde met vier graden
Bestemd voor Militair personeel en burgers
Uitgereikt voor Daden die getuigen van moed, beleid en trouw
Status Wordt nog steeds uitgereikt
Statistieken
Eerst uitgereikt 30 april 1815
Laatst uitgereikt 15 maart 2016
Totaal uitgereikt meer dan 6000
Volgende (lager) Kruis voor Moed en Trouw
Baton van de Nederlandse Willems Orde

Nederlands verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Jan van Blerkom

Jan van Blerkom (Vlissingen, 2 januari 1918 - Noordzee, november 1941) was een Nederlandse Engelandvaarder, en tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de verzetsgroep Schoemaker.

Van Blerkom was een actieve student. Hij was in 1935 aangekomen. Hij was van 1938-1940 lid van de Delftse studentenroeivereniging Laga en deed ook tijdens de oorlog nog mee aan roeiwedstrijden, meestal onder de naam W. Wonkers. Hij won dertien roeiwedstrijden, w.o. de Varsity met de skiff in 1939 en de Head of the river Amstel op 31 maart 1940.

Liquidatie
Met Charley Hugenholtz en Gerard Dogger was hij in augustus 1941 betrokken bij de geruchtmakende liquidatie van Hugo de Man, een 19 jaar oude verrader die het studentenverzet in Delft in gevaar bracht. De Man was lid van Groep Mekel.

Hugenholtz en Van Blerkom nodigden Hugo de Man uit op het onderduikadres van Van Blerkom. Ze gaven hem een klap op zijn hoofd en smoorden hem met een kussen. Ze dumpten het lijk in een vijver in het Agnetapark. Op 22 augustus kwam het lijk bovendrijven.

Daarna werden ze door de Duitsers gezocht en werd er 5000 gulden op hun hoofden gezet.

Vertrek
Hugenholz verdween naar Spanje. Met de Cabo de Buena Esperanza voer hij naar Brazilië, maar onderweg, bij Gibraltar, wilde hij het schip verlaten en verdronk hij. Van Blerkom noemde zich verder Jan Verhagen en bleef nog even in Delft. Op 14 november 1941 besloot hij met Dirk van Swaay in een vouwkano over zee naar Engeland te gaan. Beiden waren ervaren Laga-roeiers. Hun kano was onder de pier in Scheveningen verstopt. Ze zijn nooit aangekomen.

In 1995 werd een nieuwe tweepersoons Laga-boot naar Jan van Blerkom vernoemd. De boot werd gedoopt door zijn voormalige coach.

Jan van Blerkom

Pater Ludovicus Adrianus (Ludo) Bleys

Pater Ludovicus Adrianus (Ludo) Bleys C.Ss.R. (Tilburg, 17 oktober 1906 - Gorinchem, 15 augustus 1945) was een rooms-katholieke priester en Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Bleys was pater in het klooster van de Kapel in 't Zand in Roermond. Zijn verzetsnaam was "Lodewijk". Hij was zeer actief op vele fronten tijdens de oorlog in het verzet en betrok vele jonge mensen hierbij. Hij was één van de oprichters van de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) in zijn woonplaats Roermond (in Limburg Limburgse Onderduikorganisatie genoemd). Omdat hij te bekend werd bij de Duitse Sicherheitspolizei werd hij begin 1944 voor zijn eigen veiligheid ontvoerd door de Knokploeg van Helden. Bleys reisde via Frankrijk, waar hij reisgenoot was van Bram van der Stok na diens ontsnapping uit Stalag Luft III, naar het neutrale Spanje van generaal Franco. Hij wist van daaruit naar Engeland te komen waar hij in augustus 1944 de regering in ballingschap informeerde over het verzet in Limburg.

In zijn verslag schetste hij een rooskleurig beeld van de LO en uitte kritiek op de Raad van Verzet (RVV) en de illegale pers die hij te links vond. Later werd hij aalmoezenier bij de militaire staf van Prins Bernhard. Na zijn terugkomst in Nederland werd hij lid van de Grote Adviescommissie van de Illegaliteit. Aan het eind van de oorlog schreef hij een rapport dat zeer kritisch was over een aantal ministers van de Nederlandse Londense kabinetten in ballingschap en waarin hij het Militair Gezag ondersteunde.

Na de oorlog trok hij met collega verzetsstrijder Frits Slomp (Frits de Zwerver) het land door om over de achtergronden van het verzet te spreken. In 1945 zat hij in een jeep die bestuurd werd door Paul Dijckhoff op weg naar een spreekbeurt. Op de Arkelsedijk buiten Gorinchem kreeg de auto een klapband en stortte de dijk af. Bleys kreeg het voertuig op zijn lichaam, raakte zwaargewond en overleed diezelfde dag in het ziekenhuis. Uit onderzoek aan de auto bleek er een voorwiel was losgelopen en de boutgaten waren ingescheurd. Of dit slijtage of opzet was kon niet vastgesteld worden. Het verhaal ging dat de jeep in onderhoud was bij een garage in Utrecht waar een aantal voorwaardelijk vrijgelaten NSB'ers werkten die vertelden dat zij heel simpel een auto-ongeluk konden arrangeren. Of er daadwerkelijk sabotage is gepleegd is nooit opgehelderd. Op zijn begrafenis sprak Prins Bernhard. Bleys werd begraven op het Kloosterkerkhof aan de Parklaan 3 in Roermond. Hij ontving het Verzetskruis 1940-1945.

Verzetsheld L. A. Bleys.jpg

Priester van de Rooms-Katholieke Kerk
Geboren 17 oktober 1906
Plaats Tilburg
Overleden 15 augustus 1945
Plaats Gorinchem

Johannes (Jan) Gijsbertus Böcker

Johannes (Jan) Gijsbertus Böcker (Oosterbeek, 2 oktober 1909 – Groningen, 25 september 1944) was een Nederlands rooms-katholiek geestelijke en een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Böcker was van Duitse afkomst. Zijn vader, kleermaker Theodor Böcker, was afkomstig uit het Land van Kleef, en was getrouwd met Maria Gielingh, dochter uit een wagenmakersgeslacht dat al generaties lang woonde bij de Nederrijn, in de buurt van Arnhem. Jan was hun oudste kind. Nadat hij de lagere school had doorlopen in Oosterbeek, vertrok de jongen in 1921 naar het kleinsemenarie Kuilenburg in Culemborg. Na het grootseminarie, werd Böcker op 19 juli 1936 - gelijk met zijn drieëntwintig jaargenoten - priester gewijd door de Utrechtse aartsbisschop Johannes de Jong. Na twee korte perioden als kapelaan in achtereenvolgens Pannerden (Sint-Martinusparochie) en in Jutphaas (H. Nicolaasparochie), werd hij op 10 april 1942 benoemd tot kapelaan van de parochie van Sint-Franciscus in de Groningse Oosterparkwijk. In deze arbeiderswijk woonden voornamelijk socialisten en communisten, terwijl er een aanzienlijke katholieke minderheid was.
In Groningen raakte Böcker al snel betrokken bij het verzet. Hij hielp bij het verspreiden van bonkaarten voor onderduikers, zamelde geld in ten behoeve van de illegaliteit en bood met zijn pastoor, F.J. Schoenmaker, daadwerkelijk onderdak aan onderduikers.
Het Silbertanne Kommando Groningen beraamde in de zomer van 1944 een aanslag op pastoor Schoenmaker. De aanslag zou gepleegd worden door Gerrit Lourens, die - na verwond te zijn geraakt aan het Oostfront - werkzaam was op het stafkwartier van de SS in het Groningse Scholtenshuis. Vlak voor de aanslag verspreidde Lourens en zijn metgezel – een zekere Jebbink – in de Oosterparkwijk pamfletten, die de indruk moesten wekken dat de – op dat moment nog te plegen – aanslag het werk was van de Bolsjewieken. Daarna belden de mannen aan bij de pastorie van de Sint-Franciscus. De huishoudster deed open en – gevraagd naar pastoor Schoenmaker – antwoordde ze naar waarheid dat de pastoor (die al enige tijd zat ondergedoken in Friesland) niet thuis was. De overvallers bevalen haar hierop om de kapelaan te halen. Kapelaan Böcker verscheen niet veel later aan de deur, waar hij meteen werd doodgeschoten.
Böcker werd begraven op het R.K. Kerkhof in Groningen, waar zijn lichaam tegenwoordig rust tussen de overige katholieke gevallenen in het Gronings verzet. In de hal van de Franciscuspastorie werd, na de oorlog, een plaquette aangebracht. De tekst daarop luidt: HIER VIEL DOOR MOORDENAARSHANDEN TIJDENS HET DUITSE SCHRIKBEWIND OP DE AVOND VAN 25 SEPTEMBER 1944 JOHANNES GIJSBERTUS BÖCKER, KAPELAAN VAN DEZE PAROCHIE. HIJ RUSTE IN VREDE. Na de onthulling van deze plaquette werd hij door een van zijn geloofsgenoten als volgt herdacht:
Hij was een heilig priester en een man van grote eenvoud met een hoge opvatting van zijn priestertaak, die onder moeilijke omstandigheden sympathie en liefde heeft weten te winnen door zijn voorbeeldig leven.

Gedenkplaatbockergroningen.jpg

Priester van de Rooms-Katholieke Kerk
Geboren 2 oktober 1909
Plaats Oosterbeek
Overleden 25 september 1944
Plaats Groningen
Portaal Portaalicoon Christendom
 

Willem Anton Hendrik Cornelius (Pim) Boellaard

Willem Anton Hendrik Cornelius (Pim) Boellaard (Delft, 16 augustus 1903 – De Bilt, 27 januari 2001) was een Nederlands ondernemer, militair, politicus en verzetsman.
Familie
Boellaard was een lid van het geslacht Boellaard en een zoon van Willem Hendrik Cornelius Boellaard (1866-1951), officier, laatstelijk luitenant-generaal titulair en plaatsvervangend gouverneur van de residentie, en Margaretha Antoinette Römer (1879-1973). Hij trouwde in 1929 Anna Louisa barones van Heeckeren (1907-1991), kunstschilderes; zij kregen een zoon wiens echtgenote, Maria Julie Boellaard-Stheeman, hofdame van koningin Beatrix was.
Levensloop

Boellaard stamde uit een geslacht waarvan de mannelijke leden sinds 1790 generaal waren geweest, maar koos zelf voor een carrière bij een verzekeringsmaatschappij, nadat hij zijn studie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in Rotterdam had afgesloten. In zijn studiejaren was Boellaard lid van het Rotterdamsch Studenten Corps.
In 1939 werd hij als reservekapitein bij de artillerie gemobiliseerd. Bij de Duitse inval in 1940 was hij betrokken bij de tegenaanval op de Duitsers, die het vliegveld Ockenburg hadden ingenomen. Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten op 15 mei 1940 werd Boellaard gewestelijk commandant van de ordedienst in de regio Utrecht. De ordedienst was een verzetsorganisatie van reserveofficieren van het Nederlandse leger.
Arrestatie en verhoor
In mei 1942 werd Boellaard gearresteerd en kwam in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) terecht. Hoewel hij op 11 mei werd ondervraagd sloeg hij niet door. Hij werd toch ter dood veroordeeld.
Toen Boellaard op 14 mei uit zijn cel gehaald werd, dacht hij dat zijn laatste uur geslagen had. Hij werd echter geknipt en geschoren en daarna naar landgoed Clingendael gebracht. Han Jordaan onderging dezelfde behandeling. Op Clingendael volgde een uitgebreid gesprek met Himmler, die even in Den Haag was om met de Nazitop de laatste details te bespreken over de wegvoering van joden naar de vernietigingskampen. Toen Boellaard en Jordaan aankwamen, volgde een gesprek met Himmler, waarbij ook Hanns Rauter, Otto Schumann, Wilhelm Harster en Karl Wolff aanwezig waren. Ze liepen tijdens dit gesprek in het park rond om niet afgeluisterd te kunnen worden. Later bleek dat Boellaard en Jordaan waren uitgenodigd omdat Himmler weleens een prototype verzetsman wilde ontmoeten.
Kampen

Via Kamp Amersfoort belandde Boellaard in het concentratiekamp Natzweiler-Struthof. Boellaard maakte in die moeilijke omstandigheden indruk, omdat hij zijn waardigheid wist te bewaren en de tegenstellingen tussen communisten en oranje-aanhangers wist te verzoenen.
Toen de geallieerden in september 1944 oprukten, werd Boellaard overgebracht naar Dachau. Hier was hij betrokken bij het International Prisoners Committee, een illegaal overleg tussen gevangenen van verschillende nationaliteiten. Na de bevrijding van Dachau verliep de repatriëring van de Nederlandse ex-gevangenen moeizaam. Boellaard reisde naar Nederland en wist met steun van prins Bernhard voor de nodige transportmiddelen te zorgen.
Na de oorlog
Na de oorlog was Boellaard verzekeringsdirecteur en statenlid voor de VVD in de Provinciale Staten van Utrecht en vervulde hij een belangrijke rol in organisaties voor oud-gevangenen. Hij was onder meer de oprichter van het Nederlands Dachau Comité.
In april 2013 schonk Boellaards zoon Willem aan het Verzetsmuseum in Amsterdam de blauw-grijs gestreepte kampjas van zijn vader en het deksel van de kist waarin hij in Dachau zijn persoonlijke bezittingen bewaarde. Aan de binnenkant van dat deksel had hij een schaakbord getekend. Daarnaast stond zijn naam, W. Boellaard, en zijn kampnummer, 100649, en de letters BLÄ 20 (Block älteste).

Pim Boellaard (1971)

Plaquette in Clingendael

Zeger van Boetzelaer

Lodewijk Henrick Zeger baron van Boetzelaer (Dinther, 11 september 1921 – Raalte, 21 december 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Zeger was een telg uit de adellijke familie Van Boetzelaer en groeide op op het landhuis Zwanenburg in Dinther. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij in Deventer gaan studeren aan de Tropische Landbouwschool (Middelbare Koloniale Landbouwschool). Gedurende de oorlog ontstond er geleidelijk aan een verzetsbeweging in Deventer, mede geïnitieerd door één van de leraren op die school. Gevolg was dat de school een groot aantal van de verzetsstrijders voortbracht, waaronder Zeger.
Verzetswerk
Aangezien er altijd in het uiterste geheim gehandeld werd, is er weinig over de verzetsbeweging bekend. Zelfs zijn familie wist niets van Van Boetzelaer's activiteiten. De familie had op Zwanenburg Joodse onderduikers in huis, waaronder de schrijver Leonard de Vries, en daar was Zeger weer niet van op de hoogte.
Zeger zat in het verzet bij de Centrale Inlichtingendienst (CID). Wat van hem bekend is geworden, is dat hij meegewerkt heeft met het aanleggen van een geheime telefoonverbinding vanaf Deventer door de IJssel over de Veluwe, met de bedoeling de vijand te kunnen afluisteren. Deze verbinding is nooit operationeel geweest.
Zijn einde
Op 1 september is Zeger voor het laatst van zijn ouderlijk huis Zwanenburg vertrokken. Hij is vanuit het toen al bevrijde gebied terug naar Deventer in het nog bezette gebied gegaan. Zeger zei dat hij terug moest, omdat hij beloofd had naar vrienden te gaan. Aangezien de geallieerden de verzetsmensen in Nederland kenden, is het goed mogelijk dat hij voor zijn vertrek contact met de Engelse geallieerden heeft gehad en het verzoek gekregen heeft om naar Deventer terug te keren.
Hij heeft het einde van de oorlog niet meer meegemaakt. Op 21 december 1944 werd hij in Raalte, waarschijnlijk in een vuurgevecht om zijn commandant Joop Zwijnenberg te bevrijden, geraakt door een Duitse kogel en stierf hij. Het vuurgevecht ontstond naar zeggen nadat een (waarschijnlijk) Poolse makker begon te schieten, maar zijn wapen niet afging. De Poolse makker wist te ontkomen. Zwijnenberg was in de buurtschap Pleegste (een gehucht bij Raalte) opgepakt door de Duitse Polizei, waarschijnlijk al vóór 21 december. Vermoedelijk werd hij op 21 december vervoerd van Raalte naar Deventer toen het verzet hem probeerde te bevrijden. Er was sprake van een echte overval op de Duitsers. Dat was bij Wesepe, onder Raalte.
Een andere versie van het voorval (in 2004 verteld door een nog levende oud-medeverzetsstrijder van Zeger) is dat er in Raalte een Engels persoon met een vliegtuigje zou landen om in het geheim een ontmoeting te hebben met een Nederlandse commandant die in een kerkgebouw in Raalte ondergedoken zat. Volgens deze weergave zou Zeger ook iets met die ontmoeting te maken hebben.
Zou Zeger niet in deze strijd omgekomen zijn, dan zou het mogelijk later gebeurd zijn. Hij was namelijk lid van de groep verzetsstrijders die op 10 april 1945 betrokken was in het zogenoemde Twentol-drama in Deventer, waarbij er van de acht slechts één wist te ontsnappen. De anderen kwamen om of werden vlak voor de bevrijding gefusilleerd.
Erelijst
Pas na de oorlog, maanden na Zegers overlijden, kregen zijn ouders bericht van het hele gebeuren, van één of twee van zijn verzetsmaten.
Ergens tussen 10 april en 15 juni van 1945 heeft zijn vader hem aangemeld voor de "Eerelijst der namen van hen, die voor het vaderland zijn gevallen". De beschrijving op het opgaveformulier luidt:
Gevallene is 1 september 1944 uit zijn ouderlijk huis te Dinther naar Deventer vertrokken en had zich zooals na de bevrijding is gebleken, opgegeven als lid van een K.P. te Deventer. Naar men ons later mededeelde heeft hij daar o.a. medegewerkt bij het leggen van een geheimen telefoonkabel, welke werd aangesloten aan een Duitschen kabel, tot het afluisteren van dienstorders uit Berlijn. Op den dag van zijn dood had hij zich met een Poolschen jongen, die zich bij zijn ploeg had aangesloten, begeven langs den Raalterweg, in de hoop zijn commandant, Joop Zwijnenberg, die door de Sicherheitsdienst was gearresteerd en langs dien weg zou worden vervoerd, te kunnen bevrijden. Toen Zwijnenberg onder Duitsche bewaking voorbijkwam ontstond er een vuurgevecht, waarbij mijn zoon doodelijk werd getroffen. Zwijnenberg is later na een verhoor vrijgelaten en is thans nog in leven; bovenstaande inlichtingen ontving ik o.a. van hem (zijn adres is mij thans onbekend).

Zeger van Boetzelaer

Zeger van Boetzelaer
Geboren 11 september 1921, Dinther
Overleden 21 december 1944, Raalte
Land Vlag van Nederland Nederland
Jaren actief - 1944
Groep Centrale Inlichtingendienst

Gerrit Jacobus (Jaap) Boll

Gerrit Jacobus (Jaap) Boll (4 november 1920) was een verzetsheld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij woont in Bemmel (gemeente Lingewaard).
Hembrug
Jaap Boll was lid van een verzetsgroep in Noord-Holland. In de nacht van 26 op 27 september 1944 redde hij de Hembrug over het Noordzeekanaal. Het was toen de grootste draaibrug van Europa.
Vier verzetsmannen waren bij het plan betrokken, twee zwemmers en Cees Standhardt en Siem van Nugteren, twee beschermers, die aan de kant zouden blijven, voorzien van stenguns. Het vertrekpunt was het huisje van de familie Prinsen, de pontwachter.
Samen met Remmert Aten, een medelid van de Zaanse zwemvereniging Neptunus, zwom Boll ongeveer 200 meter door het kanaal om de brug te bereiken, waar de Duitsers ruim 1200 kilo Donarit explosieven in de middenpijler hadden geplaatst. De Duitsers wilden de brug gedeeltelijk opendraaien en dan laten ontploffen zodat het kanaal onbevaarbaar werd. De nacht ervoor hadden J. v. Heijningen en K. Klinkenberg al vergeefs een poging gewaagd.
Onder het wateroppervlakte konden ze de middenpijler in. In de pijler waren klimijzers om naar boven te klimmen en daar bevonden zich de explosieven. Zo konden ze de 400 dozen met ieder 3 kilo explosieven losmaken en tot zinken brengen. De actie duurde enkele uren. E.e.a. werd bemoeilijkt door surveillerende Duitsers en het kapotgaan van de zaklantaarn. Na vier uren waren ze weer aan wal en konden ze in een warm bad bij de familie Prinsen.
Enige tijd later ontdekten de Duitsers, omdat er verpakkingsmateriaal boven kwam drijven, dat de explosieven verwijderd waren. Ze werden vervangen en rond de pijler werd prikkeldraad gespannen. De Duitsers hadden niet door dat de sabotage door zwemmers was verricht. Remmert Aten (1896-1984) is er toen weer naartoe gezwommen. Vier Duitsers van de patrouille werden gefusilleerd.
Na de oorlog
Na de oorlog werd Boll hoofdrechercheur in dienst van de Politieke Opsporingsdienst (P.O.D.), en later van de Politieke Recherche Afdeling (P.R.A.).
Op 31 maart 1952 werd besloten Boll het Kruis van Verdienste toe te kennen. Het werd hem uitgereikt op 11 juni 1952 door de Consul J.H.G. Hanson, te Lagos (Nigeria)[1]. Hij is tevens drager van het Verzetsherdenkingskruis[2].
Trivia
De Hembrug bestaat sinds 1983 niet mee

Hembrug, ± 1910

Jean Pierre Bolten

Luitenant-kolonel Jean Pierre Bolten (Den Haag, 17 februari 1883 - Berlijn, 4 april 1943) maakte beide wereldoorlogen mee, de Eerste Wereldoorlog als militair, de Tweede Wereldoorlog als verzetsman. Hij staat op de Erelijst van Gevallenen 1940-1945.

Nadat de Eerste Wereldoorlog was afgelopen, verliet hij de militaire dienst. Hij vond een baan bij de Bataafsche Petroleummaatschappij (BPM) en werd uitgezonden naar Teheran om daar een olielaadsteiger te bouwen. Toen hij aangaf dat de geleverde materialen niet van goede kwaliteit waren, werd hij gezien als klokkenluider. In 1923 kwam hij terug in Nederland. Hij woonde daarna in Wassenaar. Hij was getrouwd en had twee kinderen.

Vanwege de oorlogsdreiging werd hij in 1938 in actieve dienst teruggeroepen. Hij werd geplaatst bij de geheime dienst in Amsterdam, die onder leiding stond van Hasselman. Hij slaagde erin veel oorlogsmateriaal uit Duitse handen te houden. Bolten en Hasselman waren lid van de Stijkelgroep.


Na zijn arrestatie werd hij naar het Oranjehotel gebracht en uiteindelijk kwam hij in Berlin-Tegel terecht. Hij werd op 4 juni 1943 met 32 andere leden van de Stijkelgroep op een schietbaan in Berlijn-Tegel gefusilleeerd. Alle slachtoffers werden in de (latere) Russische zone van Berlijn begraven.
Pas in 1947 werden, na vele inspanningen van de zoon van Willem Wagenaar, de stoffelijke overschotten naar Nederland overgebracht en op Westduin herbegraven. Alle graven kregen een houten kruis.
In 1953 werd bij de graven een monument onthuld in aanwezigheid van onder meer Ds Harold Poelchau, de gevangenispredikant in Berlijn die ruim 1000 gevangenen in hun laatste uren bijstond, inclusief de leden van de Stijkelgroep. Ook werden de houten kruizen vervangen door stenen kruizen.

Onderscheiding
Verzetsherdenkingskruis

Jean P Bolten.jpg

Geboren 17 februari 1883
Den Haag
Overleden 4 april 1943
Berlijn, nazi-Duitsland
Begraven Gem. Begraafplaats Westduin te Den Haag, locatie van het graf 2e kl., vak/rij/nummer: A 1
Onderdeel Flag of the Royal Netherlands Army.svg Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1943
Rang Nl-landmacht-luitenant kolonel.svg Luitenant-kolonel
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 194

Jan Bonekamp

Voor de oorlog
Bij het uitbreken van de oorlog is Bonekamp werkzaam als chauffeur bij de Hoogovens en lid van de Centrale Bond van Transportarbeiders. Hij is tevens kaderlid van de Communistische Partij van Nederland. Hij is op 15 september 1938 getrouwd met Catherina Wilhelmina v.d. Brink, roepnaam Trien. Het gezin woonde in de Frans Halsstraat 26 in IJmuiden. Op 30 april 1940 wordt een dochter geboren.
April-mei staking 1943
In april-mei 1943 breken stakingen uit tegen een oproep voor Nederlandse militairen om in krijgsgevangenschap te gaan, en uit algemene onvrede met de Duitse bezetting. Ook bij de papierfabriek Van Gelder en bij de Hoogovens in Velsen wordt gestaakt. Jan Bonekamp speelde een rol in de staking bij de Hoogovens, aanvankelijk met het verspreiden van illegale kranten en stakingsoproepen. Na de staking werd Jan Bonekamp samen met tal van anderen opgepakt en verhoord. Omdat de Duitsers dachten de verkeerde Bonekamp in bewaring te hebben, werd hij vrijgelaten. Hij is toen terug naar huis gelopen en heeft zich onder de vloer verstopt toen de Duitsers hem alsnog kwamen halen. Daarna is hij ondergedoken, een korte poos in Brabant, en heeft zich aan het gewapend verzet gewijd.
Aanslag op Ragut
Een van de meest verbeten handlangers van de Duitsers in de Zaanstreek was de Zaandamse politiecommandant W.M. Ragut. Hij was in de herfst van 1943 benoemd tot hoofd van de politie en was gehaat bij de illegaliteit. Ook achter de zeven ontsnapten van de bevrijdingsactie op 29 juli 1944 bij de marechausseekazerne te Wormerveer joeg hij aan. Dit was de reden dat de Raad van Verzet (RVV) het besluit nam hem te liquideren. De opdracht hiertoe werd aan Jan Bonekamp en Hannie Schaft gegeven.
Kleine Jan, zoals Bonekamp wordt genoemd, bereidde zijn aanslag zorgvuldig voor. Ragut had vaak twee pistolen op zak, dus er moest voorzichtig gehandeld worden. Tijd en plaats kwamen na nauwkeurig speurwerk vast te staan.
Op 21 juni 1944 vertrokken Schaft en Bonekamp vroeg van het huis van Jan en Trijntje Bult in Limmen. Aan de Zaandamse Westzijde, vlak voor de Kamer van Koophandel, wachtten ze Ragut op. Hannie schoot als eerste en fietste snel weg. Ragut viel van zijn fiets en lag op straat. Er vloog net een formatie bommenwerpers over zodat de meeste mensen dachten dat Ragut door de bommenwerpers was geraakt. Jan kwam dichterbij om het genadeschot te geven, maar Ragut schoot op hetzelfde moment. Hij wist met zijn revolver Jan Bonekamp in de buik te treffen. Bonekamp schoot vervolgens zijn wapen op Ragut leeg.
Hannie Schaft ontkwam en wist via Assendelft haar onderduikadres in Limmen te bereiken. Ragut stierf ter plaatse. Bonekamp strompelde bloedend weg van de aanslagplek en belde aan bij het huis van twee oude dames. Eén vrouw riep een politieagent die razendsnel Jans revolver wegmoffelde. Bonekamp werd vervolgens naar de eerste-hulppost op het politiebureau gebracht. Een collaborerende politieman waarschuwde de Sicherheitsdienst. Bonekamp kon zich niet meer verweren, werd gearresteerd en overgebracht naar het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Hannie Schaft en Truus Oversteegen hebben gezien hoe de zwaar bewaakte Bonekamp op een brancard naar binnen werd gedragen.
Overlijden
De Duitsers spoten Jan vol met een stimulerende stof die hem aan het praten moest krijgen. Jan zei niet veel en mompelde nauwelijks hoorbaar een paar woorden. Uiteindelijk noemde hij het adres van zijn vrouw in IJmuiden en waarschijnlijk ook dat van Cor Koelman, een RVV’er die vaak samen met Hannie werkte. Niet duidelijk is er wat er vlak voordat Jan stierf gebeurde. Volgens Ton Kors boog Emil Rühl zich, toen de Duitsers niets meer loskregen, over hem heen en zei dat hij een vriend was. ‘Kan ik nog wat voor je doen?’ vroeg hij. Jan noemde de naam van Hannie Schaft en haar adres in de Van Dortstraat. Volgens het boek van Truus Oversteegen heeft een zogenaamde verzetsverpleegster Jan Bonekamp toegefluisterd dat, als er nog wat te waarschuwen viel, zij het wel wilde doen. Jan zou toen Hannies adres genoemd hebben. Bonekamp overleed niet veel later aan zijn verwondingen. De ploeg die onder leiding van Jan Brasser klaar stond om hem uit het lazaret te halen hoefde niet meer in actie te komen. De Sicherheitspolizei, onder wie Emil Rühl, deed een week later een inval in de Van Dortstraat.
Na de oorlog
Eerbetoon

Een week na de bevrijding, op zaterdag 12 mei 1945, werd in de tuin van de Kamer van Koophandel een monument voor Bonekamp onthuld. In Zaandam bestaat een Jan Bonekampstraat, in IJmuiden een Bonekampstraat. In 1980 is er door oud-verzetsstrijders een gedenksteen onthuld, opgedragen aan Jan Bonekamp en Hannie Schaft, op de plek van het vuurgevecht waarbij hij dodelijk verwond werd. De naam van Jan Bonekamp staat ook geschreven op het Hoogovenmonument voor de omgekomen burgerslachtoffers bij de staalfabriek in IJmuiden.
Het personage Hugo, in de roman Het meisje met het rode haar van Theun de Vries, is gebaseerd op Bonekamp.[bron?] Ook Cor Takes, in de roman De aanslag van Harry Mulisch, is gebaseerd op Bonekamp.
Begrafenis
Het graf van Bonekamp bevindt zich op de Westerbegraafplaats, aan de Havenkade/Fultonstraat in IJmuiden. Begin jaren ’80 voerden enkele oud-verzetsstrijders actie om de urn met de gecremeerde resten van Jan Bonekamp een plaatsje te geven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Hieronder bevond zich onder meer Brasser, die Bonekamp opdracht gaf om Ragut te vermoorden. Ook de verzetsvrouwen Truus en Freddie Oversteegen steunden het verzoek. De nabestaanden van Bonekamp stemden ermee in.
Het verzoek werd echter afgewezen. Het bestuur van de Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal had namelijk al kort voor 1960 besloten om de begraafplaats besloten te verklaren. Een besluit in 1975 had dit bevestigd. Mede om te voorkomen dat twistvragen zouden ontstaan (waarom die wel en die niet) had het bestuur besloten om de begraafplaats te sluiten.
Herdenking
In 2004 werd het graf van Bonekamp op de Westerbegraafplaats herontdekt[1]. De schrijfster Conny Braam had over Bonekamp geschreven in haar roman Het schandaal. Op initiatief van Braam werd door de familie een nieuwe grafsteen onthuld op het familiegraf. Sindsdien organiseert Braam ieder jaar op 4 mei een herdenking met spreker aan het graf. Onder de vaste aanwezigen op de herdenking behoort de oud-verzetsstrijdster Freddie Oversteegen.

Graf van Jan Bonekamp op de Westerbegraafplaats in IJmuiden.

De gedenksteen markeert de plek van het vuurgevecht met Ragut.

Els Boon

Johanna Elisabeth (Els) Boon (Leeuwarden, Bloemendaal 14 september 1916 - 31 juli 2004) was een verzetsstrijdster tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog was zij onder meer bestuurslid van Madurodam.

Els Boon werd in Leeuwarden geboren als dochter van mr Gerard Adolf Boon, advocaat in Leeuwarden en later lid van de Tweede Kamer in Den Haag, en Bep Boon-van der Starp. Els en haar broer Dick gingen in Den Haag naar het lyceum, daarna studeerde zij rechten in Leiden.

Oorlogsjaren
In Leiden raakte zij betrokken bij het studentenverzet. Zij had contact met Gerrit Kastein, mr Jan Nauta (hoogleraar), Albert en Vic Swane en Belinde Thöne-Siemens en ontmoette haar latere echtgenoot Jan Glastra van Loon, die in de Raad van Negen zat.

Na de oorlog

In 1945 en 1946 was zij praeses van de VVSL. In 1947 trouwde zij met Jan Glastra van Loon. Ze woonden kort in 'De heremiet', een simpel zomerhuisje in de duinen, dat in 1948 door de gemeente afgebroken werd. Ze kregen drie kinderen. Het huwelijk werd in 1972 ontbonden.

Boon werkte als onderzoeksassistente bij de Juridische faculteit van de Universiteit Leiden en was docente aan het Instituut voor Bestuurswetenschappen te Den Haag. In 1958-1959 zat Boon voor de VVD in de Leidse gemeenteraad. Van 1971 tot 1980 werkte ze als vice-directeur van het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar. Ze was bestuurslid van de Stichting Studentenhuisvesting en van Madurodam, waar zij in de voetstappen van haar moeder trad. Bep Boon (1884-1959) had in 1952 Madurodam opgericht als commerciële instelling met een charitatief karakter.

Plaquette van Els Boon door Constance Wibaut in Wassenaar

Plaquette van Els Boon door Constance Wibaut in Wassenaar
Algemene informatie
Volledige naam Johanna Elisabeth Boon
Geboren Leeuwarden, 14 september 1916
Overleden Bloemendaal, 31 juli 2004
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep juriste

Jan Borghouts

Johannes Josephus Franciscus (Jan) Borghouts (Bergen op Zoom, 5 december 1910 — Rotterdam, 5 februari 1966) was een Nederlands ambtenaar, verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, officier, staatssecretaris en politicus.
Opleiding en werk
Na een opleiding aan de HBS, de opleiding tot reserveofficier en een ambtelijke loopbaan in de Sociale Dienst van de gemeente Bergen op Zoom werd Borghouts in 1939 gemobiliseerd.
Eerste Luitenant der Reserve Borghouts verdedigde in mei 1940 met zijn manschappen het Maas-Waalkanaal. Na een korte krijgsgevangenschap hervatte hij zijn werk als ambtenaar, nu in de gemeente Hillegersberg bij Rotterdam en later weer in Bergen op Zoom.
Verzetswerkzaamheden
Op 5 juni 1943 dook Borghouts onder. Hij gebruikte de schuilnaam Peter Zuid en werd ook wel Peter Borghouts genoemd.
In september 1944 werd Borghouts "gewestelijk sabotagecommandant" van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Na de bevrijding van Zuid-Nederland in 1944 werd hij stafmedewerker van prins Bernhard en moest hij in opdracht van de prins optreden als commandant van het strijdend gedeelte van de Binnenlandse Strijdkrachten. Daartoe zou hij in de nacht van 17 op 18 maart 1945 geparachuteerd worden op een terrein van de heer Wijsman in Benthuizen. Dat was een bekend afwerpterrein waar in totaal al zeven droppings hadden plaatsgevonden, onder meer van Richard Barmé, de jongste agent, die er met 24 containers neerkwam.
Tijdens de vlucht werd hun vliegtuig achtervolgd door een Duitse nachtjager. Veel tijd had de piloot niet om de twee jongens af te werpen. Borghouts en Bobby ten Broek kwamen veilig op de grond, maar de nachtjager kende de afwerpplaats, dus die kon niet meer gebruikt worden.
Borghouts sprak die nacht met een aantal leidinggevende mensen uit het Rotterdamse verzet en vertrok de volgende ochtend naar Vlaardingen. Hij was later betrokken bij de voorbesprekingen met de Duitsers, die uiteindelijk de capitulatie tot gevolg hadden.
Bobby ten Broek sliep die nacht in een stal en ging de volgende dag met zijn zender naar Rotterdam. Hij overleefde ook de oorlog.
Na de oorlog
Militair

Na de bevrijding ging Borghouts als majoor naar Nederlands-Indië waar hij het tot commandant Korps Speciale Troepen bracht. Op 24 augustus 1946 werd Borghouts tot Ridder vierde klasse in de Militaire Willems-Orde benoemd. Ook na de soevereiniteitsoverdracht bleef Borghouts deel uitmaken van de krijgsmacht; Hij werkte bij de personeelszorg van de Koninklijke Luchtmacht en werd in 1962 tot kolonel bevorderd. Borghouts was voorzitter van de in de jaren direct na de oorlog invloedrijke "Nationale Federatieve Raad van het Voormalige Verzet in Nederland".
Politicus
Van 12 juli 1965 tot 5 februari 1966 was de katholieke Borghouts voor de KVP staatssecretaris van Defensie (belast met aangelegenheden betreffende de Koninklijke Luchtmacht) in het kabinet Cals. Zijn ambtsperiode werd overschaduwd door een dodelijke ziekte en Borghouts overleed op 5 februari 1966 in Rotterdam.
Personalia
Borghouts was gehuwd met Wilhelmina van Veen. Eén van zijn zonen, Harry Borghouts, was commissaris van de koningin in Noord-Holland voor GroenLinks.
Onderscheiden
Op 30 juni 1946 reikte kolonel mr C H J F van Houten hem de Bronzen Leeuw uit. Later werd deze ingetrokken en werd hij Ridder Militaire Willems-Orde.
Ridders der vierde klasse in de Militaire Willems-Orde (No. 5) op 24 augustus 1946 als knokploegleider voor verzetsdaden tussen 1940 en 1945.
Officier in de Orde van Oranje-Nassau
Oorlogsherinneringskruis, met 2 gespen
Verzetsherdenkingskruis
Ereteken voor Orde en Vrede, met 4 gespen
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier 1966
Legionnaire in het Legioen van Verdienste

1940

Algemene informatie
Volledige naam Johannes Josephus Franciscus Borghouts
Geboren 5 december 1910, Bergen op Zoom
Overleden 5 februari 1966, Rotterdam
Partij KVP
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland

Verzetsherdenkingskruis
'de tyrannie verdrijven 1940-1945'

Lodewijk Hendrik Nicolaas Bosch van Rosenthal

Lodewijk Hendrik Nicolaas Bosch ridder van Rosenthal (Dordrecht, 7 april 1884 – Zeist, 29 januari 1953) was een Nederlands bestuurder en verzetsman en telg uit het adellijk geslacht Van Rosenthal.
Hij was de zoon van mr. Lodewijk Hendrik Nicolaas Frederik Marie Bosch ridder van Rosenthal (1845–1890) en Jkvr. R.G.G. van Holthe (1855–1924). Na zijn studie staatsrecht promoveerde hij in Utrecht in 1911. Zijn bestuurlijke loopbaan omvatte de volgende functies:

1917–1924: burgemeester van Brummen
1924–1930: burgemeester van Groningen
1930–1934: burgemeester van Den Haag
1934–1941: commissaris van de Koningin van de provincie Utrecht.
Hij werd door de Duitse bezetter vanwege zijn anti-Duitse houding ontslagen. Bosch van Rosenthal was actief in het verzet en werd in 1944 voorzitter van het College van Vertrouwensmannen dat door de Nederlandse regering in Londen in het leven was geroepen voor de overgangstijd direct na de te verwachten bevrijding.

Na de bevrijding was hij achtereenvolgens:

1945–1946: commissaris van de Koningin van de provincie Utrecht
1945–1953: lid van de Raad van State
Staatsraad i.b.d.
President-curator Universiteit Utrecht.
Van Rosenthal was getrouwd met Jonkvrouwe Gertrude Anna Pauw van Wieldrecht. Ze hadden een zoon en twee dochters. Hun zoon Lodewijk Hendrik Nicolaas Frederik Marie Bosch van Rosenthal (1914-2004) werd burgemeester van Rhenen.
Hij was onder andere Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (2 juli 1929 ), Commandeur in de Orde van het Legioen van Eer van Frankrijk en Rechtsridder in de Johanniterorde.[1] Op 20 februari 1946 werd hij Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau. De Britse koning begiftigde hem na de Tweede Wereldoorlog met de King's Medal for Courage in the Cause of Freedom.
Hij overleed in Zeist, maar is begraven op de Algemene begraafplaats in Zutphen.

Lodewijk Bosch van Rosenthal in zijn ambtskostuum als burgemeester van Den Haag, 1931

Lodewijk Bosch van Rosenthal in zijn ambtskostuum als burgemeester van Den Haag, 1931
Volledige naam Lodewijk Hendrik Nicolaas Bosch ridder van Rosenthal
Geboren 7 april 1884, Dordrecht
Overleden 29 januari 1953, Zeist
Land Nederland
Groep College van Vertrouwensmannen

Dirk Arie van den Bosch

Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 - Amersfoort, 20 maart 1942) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Van den Bosch was een populair Hervormd predikant in 's-Gravenhage. Zijn preken trokken duizenden mensen. In november 1940 verscheen een boek van zijn hand waarin hij waarschuwde voor het gebrek aan menselijkheid, geheten "666, Het getal eens menschen." Hij bleef in zijn preken mensen bewust maken van het belang van humaniteit. Zijn uitspraken en boek leidden er uiteindelijk toe dat hij op 11 december 1940 door de Duitsers werd gearresteerd. Hoewel de bezetter niet hard kon maken dat hij de wet zou hebben overtreden, zagen zij het gevaar in van zijn woorden en de invloed die hij had op grote groepen mensen. Men wilde hem uit de samenleving weg hebben en zo kwam hij, na een verblijf in het `Oranjehotel´ te Scheveningen (11 december 1940 tot 28 oktober/december 1942) terecht in het kamp Amersfoort. Hier bleek hij een grote morele steun te zijn voor de gevangenen. Hij hield er kerkdiensten en gaf Bijbelles. Door de slechte leefomstandigheden liep hij dysenterie en een kaakontsteking op en hieraan overleed hij uiteindelijk op 20 maart 1942.

Na de oorlog werd op 7 mei 1946 postuum het Verzetskruis toegekend. In Den Haag is ter zijner nagedachtenis een gedenksteen aangebracht in de Grote of Sint-Jacobskerk en in de gemeenten Hazerswoude, Rijswijk (ZH) en Zwijndrecht zijn straten naar hem vernoemd.

Bosch ligt begraven op de Gemeentelijke Begraafplaats Rusthof te Amersfoort, vak/rij/nummer: 9 297.                             

Dirk Arie van den Bosch (1884-1942).jpg

Alida Bosshardt
 

Alida Margaretha Bosshardt (Utrecht, 8 juni 1913 – Amsterdam, 25 juni 2007) was een Nederlands officier van het Leger des Heils. Voor velen was zij in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland het gezicht van dit kerkgenootschap. Ze verkreeg bekendheid als Majoor Bosshardt, maar ze had in het Leger verschillende rangen; de laatste was die van luitenant-kolonel, sinds 1968.
Jeugd
Alida Bosshardt werd op 8 juni 1913 in Utrecht geboren als dochter van Lambertus Bosshardt (Utrecht, 27 september 1885 – Utrecht, 10 mei 1945) en Wilhelmina Dieuwertje Teeling (Gouda, 30 mei 1881 – Hilversum, 25 oktober 1955).
Haar vader was de zoon van Hendrik Antoni Bosshardt (1838-1895), die in de Twijnstraat in Utrecht een “Magazijn van manufacturen, Gebreide Goederen, Garen, Band, enz.” had. Lambertus had predikant of zendeling willen worden, maar door het vroegtijdig overlijden van zijn vader (hij was toen negen jaar) ontbraken daartoe de middelen. Een paar jaar later overleed ook zijn moeder. Op zestienjarige leeftijd kwam hij in de handel terecht. Hij bleef wel zijn hele leven de behoefte houden om zijn geestelijk leven vorm te geven. In 1925 trad hij toe tot de Rooms-katholieke Kerk.
De eerste telg van de protestantse Bosshardt-familie die aan het eind van de 18e eeuw vanuit Zwitserland naar Nederland kwam was Hans Heinrich Bosshardt. Hij trouwde een Nederlandse vrouw, Maria Batenburg. De familienaam werd enkele malen verbasterd, ten slotte tot Boschgert, maar op 19 juli 1844 werd het bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht toch weer Bosshardt. Grootvader H.A. Bosshardt en zijn vrouw Marretje Barger (1844-1897) hadden acht kinderen. Drie daarvan lieten het leven op het zendingsveld – een broer en twee zusters van Alida's vader: Everdina stichtte in Egypte in dienst van de Amerikaanse zending een weeshuis en overleed er in 1902 aan cholera; Gerard werd Hernhutter-zendeling en stierf in Paramaribo aan de gele koorts; Maria werd hoofd van enkele zendingsscholen op Java en kwam in 1945 om in een Jappenkamp.
Alida werd genoemd naar haar grootmoeder van moeders kant, Alida Margaretha Teelings-Vuurens. Ook Alida's moeder was van protestantse huize, Nederlands Hervormd. Ze werd in Gouda geboren en behaalde een onderwijzersakte. Op 14 juli 1909 trouwde ze met Lambertus Bosshardt.
Alida werd 8 juni 1913 geboren in de Nachtegaalstraat, op nummer 44, boven de kruidenierswinkel van haar ouders. Ze had een oudere broer, Henk. Alida werd op 3 augustus gedoopt in de Geertekerk. In 1914 werd vader Lambertus Bosshardt gemobiliseerd. Daardoor kwam de zorg voor de winkel op zijn vrouw te rusten. Toen Alida zes jaar oud was ging ze naar de openbare meisjesschool aan het Pieterskerkhof.Met de winkel ging het niet goed. Vader Bosshardt moest de winkel verkopen en werd vertegenwoordiger in koffie, thee, bier en koek.Het gezin verhuisde naar Driebergen. Zus, zoals Alida werd genoemd, en haar drie jaar oudere broer Henk gingen daar naar de dorpsschool in de Wilhelminastraat. Al in december 1921 verhuisde de familie weer terug naar de Utrechtse wijk Ondiep. Daarna woonde het gezin nog in de Voorstraat, in de Van Humboldtstraat, aan de Adr. Beyerkade en op het Janskerkhof. Zus' laatste school is de openbare lagere school met 8e leerjaar in de Hamburgerstraat. Henk ging naar de H.B.S., maar Zus bleef thuis.Ze ging haar moeder helpen in de huishouding en werkte halve dagen in een manufacturenzaak: “Ik verdiende een rijksdaalder per week, waarvan ik een dubbeltje zelf mocht houden”.

Majoor Bosshardt op 92-jarige leeftijd

Majoor Bosshardt op 92-jarige leeftijd
Algemene informatie
Volledige naam Alida Margaretha Bosshardt
Bijnaam Majoor Bosshardt
Geboren Utrecht, 8 juni 1913
Overleden Amsterdam, 25 juni 2007
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep officier Leger des Heils
Bekend van Leger des Heils

Heilsoldaat
In het gezin van de Bosshardts was een jongen opgenomen, Jan Pennings, de zoon van een zendeling die in Lebak was omgekomen. Jan was vijftien jaar ouder dan Zus; hij was een kunstzinnige jongen, die schilderde en viool speelde.[8] Hij had een vriendin, Wil Dillen, die heilsoldate was en op een gegeven moment aan Zus vroeg: “Ga je mee naar het leger?” En Zus ging mee. Wil was heilsoldate in het legerkorps Utrecht I in de Weistraat (thans Monseigneur van de Weteringstraat). Op een avond in 1930 knielde Alida aan de zondaarsbank en wendde zich – zoals ze het later heeft gezegd – “bewust om naar God”.Ze kwam al snel in aanraking met de “slumpost” (later “barmhartigheidspost” genoemd) in de Lange Nieuwstraat. Hier kwamen kinderen en volwassenen die geholpen werden met kleding en levensmiddelen. Haar moeder vergezelde Zus, Wil en Jan vaak naar het leger, waar ze steun verleende bij het praktische werk; geestelijk voelde ze zich tot het Leger des Heils niet aangetrokken. Haar vader had ondertussen het zakenleven vaarwel gezegd en was journalist geworden. Hij werd stadsverslaggever bij de Utrechtse Courant, en verzorgde tevens de muziekrubriek en het kerknieuws. In 1931 trouwden Jan en Wil en vestigden zich in Delft.
Ze was dan wel bekeerd en actief betrokken bij het Leger, maar Zus was nog geen heilsoldaat. Dat kwam in 1933, toen Alida Margaretha Bosshardt als heilsoldaat werd ingelijfd in het korps Utrecht I, dat in die tijd onder bevel stond van brigadier van Amerongen. Al snel daarna liet ze zich overschrijven naar het korps waaraan de barmhartigheidspost in de Lange Nieuwstraat verbonden was, en nam ze haar intrek in het kinderhuis aldaar.
Officier
Alida was nu heilsoldate, of “zuster” in het Leger. Maar ze wilde meer. Ze wilde heilsofficier worden, en daarvoor moest ze weer naar school; naar de “Kweekschool” van het Leger: “Ik dacht: roeping of géén roeping, ik wil naar de Kweekschool, het is Gods bedoeling met mijn leven.”
Op 12 november 1934 werd zuster Bosshardt “cadet” aan de toen splinternieuwe William Booth Kweekschool van het Leger des Heils in Amstelveen, die onder leiding stond van brigadier A.C. Beekhuis. Enkele dagen later vond in de Parkkerk te Amsterdam het “Welkom der cadetten” plaats onder leiding van de Nederlandse kommandant Bouwe Vlas (de hoogste officier in Nederland). De Strijdkreet schrijft in het verslag van het welkom:
"Aan het eind der samenkomst vernieuwen de cadetten nog eens het verbond, dat zij met God gemaakt hebben, terwijl zij geknield voor het aangezicht des Heeren zingen:
Al mijn tijd, bij dag en nacht,
Al mijn liefde, al mijn kracht,
Gans mijn wil, niet slechts een deel,
Maar volkomen en geheel
Zij het Uwe, Heer, zij het Uwe, Heer."
— geciteerd bij Wijnberg 1962, p. 25/6
De opleiding duurde acht maanden. Op 9 juli 1935 werd cadet Bosshardt samen met haar mede-cadetten bevorderd tot cadet-luitenant in het Concertgebouw te Amsterdam. Haar ouders woonden de dienst bij. De bevordering was tevens een uitzending. Het was gebruikelijk dat de gloednieuwe officieren pas tijdens deze dienst te horen kregen wat hun eerste standplaats zou worden. Voor cadet-luitenant Bosshardt werd het: korps Rotterdam II, in de thans verdwenen Benthemstraat; dat legerkorps stond toen onder bevel van adjudante G. Eggers. Ze ging wonen bij adjudante Eggers in de Vijverhofstraat. Na een half jaar werd ze overgeplaatst naar de barmhartigheidspost aan de Schiekade onder leiding van kapiteine Wansink.
De Zonnehoek
In 1936 kreeg luitenant Bosshardt haar aanstelling in het maatschappelijk werk van het Leger des Heils. Ze werd overgeplaatst naar Amsterdam, barmhartigheidspost Rapenburg, annex Kinderhuis De Zonnehoek, dat onder bevel stond van adjudante Oyen. Het kindertehuis stond midden in de Amsterdamse jodenbuurt. Er waren kinderen opgenomen uit onvolledige gezinnen met problemen. Er verbleven ongeveer honderd kinderen in het tehuis. Daarnaast werden ook een stuk of veertig moeders opgevangen.
Op 14 juli 1938 werd Bosshardt bevorderd tot kapitein. De Tweede Wereldoorlog bracht voor De Zonnehoek moeilijke tijden. Er werden veel joodse kinderen in het tehuis ondergebracht, die doorgestuurd werden naar onderduikadressen. Op 22 maart 1941 werd het Leger des Heils door de Duitse bezetter geliquideerd. In 1942 moest het tehuis worden ontruimd. De kinderen werden ondergebracht in een paar kleine huizen over het IJ, in de Resedastraat. Toen in juli 1943 Amsterdam-Noord werd gebombardeerd vluchtte Bosshardt met een deel van de kinderen naar Hilversum. Ze bleef op verschillende adressen in het Gooi bivakkeren. Tijdens de hongerwinter nam ze deel aan voedseltochten.In Augustus 2004 ontving ze de Joodse onderscheiding Yad Vashem.
Het Goodwill-Centrum
Na de oorlog hervatte kapitein Bosshardt haar werkzaamheden op het Hoofdkwartier van het Leger des Heils aan de Prins Hendrikkade op de afdeling Vrouwen Maatschappelijk Werk. In 1946 werd ze bevorderd tot adjudant, in 1948 tot senior-kapitein. Ze kreeg van commandant Ch. H. Durman, die van 1945 tot 1950 territoriaal leider van het Leger des Heils in Nederland was, de opdracht om het Goodwill-werk in Nederland te organiseren.
De gedachte, niet-heilsoldaten een mogelijkheid te bieden tot spontante hulpverlening in samenwerking met het Leger des Heils, ontstond in Engeland in de dertiger jaren. De journalist Redwood riep het publiek tijdens de overstromingsramp van de Thames in 1928 op tot daadwerkelijke bijstand. Redwood en het Leger des Heils vonden elkaar en hieruit ontstond het Goodwill-werk. Vanuit het Leger kreeg de Goodwill Bond het motto mee: “Hetgeen ik heb, dat geef ik u”.
In Nederland werd ook een Goodwill Bond met een landelijk karakter gevormd, maar de bond zou eigenlijk maar één afdeling krijgen: het Goodwill Centrum op de Oudezijds Voorburgwal 14 te Amsterdam.
Inspiratie voor dat werk deed Bosshardt op toen ze vanaf 8 oktober 1948 begon De Strijdkreet te verkopen op de Amsterdamse Wallen. Eind november noteerde ze in haar dagboek: “Dit werk heeft in ons allen, die mee uitgaan, iets nieuws doen geboren worden. Een liefde voor het verlorene gewekt. Het weggedrevene! Hier in deze wijken van “Donker Amsterdam”, hier hoort het Leger met de boodschap van Jezus. Hier ligt een ruim arbeidsveld voor ons.”
"Bijzondere actie.
De jonge Officieren, werkzaam op het Hoofdkwartier, hebben zich verenigd tot een brigade, welke eens per week des nachts opereert in donker Amsterdam. Door het houden van openluchtsamenkomsten en persoonlijke gesprekken tracht men het licht van het Evangelie te brengen in de holen van zonde en duisternis en op deze wijze gelukte het onze makkers reeds een aantal meisjes, die om welke reden dan ook, in dit gedeelte van Amsterdam verdwaald waren, te bewegen dit stadsdeel te verlaten. Wij waarderen dit initiatief, dat geheel van onze makkers uitging, ten zeerste. Zij tonen hierin de rechte Legergeest en wij geloven, dat God deze poging voor velen tot zegen zal maken."
— De Strijdkreet, begin januari 1949 
In 1948 organiseerde Bosshardt haar eerste kerstfeest met prostituees. Ze formuleerde vele malen haar relatie met de meisjes. Bijvoorbeeld in deze passage: “Moet ik me verbeelden dat ik de prostitutie kan bestrijden? Geen sprake van! Ik probeer deze vrouwen de helpende hand zó vaak toe te steken dat ze op het ogenblik dat ze hem grijpen willen, hem ook kùnnen grijpen. Deze meisjes en vrouwen accepteren we zoals ze zijn, in hun situatie. Ik had er in wezen óók kunnen zitten.”[17]
Kapitein Bosshardt werkte samen met vrijwilligers die het Goodwill-werk zowel praktisch als moreel steunden: maatschappelijk werk(st)ers, kerkmensen, mej. Hoekendijk, die in De Halte op de Singel jarenlang prostituees opving, journalisten en theologie-studenten. Aanvankelijk werden op zondagochtend diensten gehouden in een zaaltje van een café in de Oude Zijds Armsteeg. Eind 1951 lukte het Bosshardt het pand De Leeuwenburgh aan de Oudezijds Voorburgwal 14 te huren van de Vereniging Hendrick de Keyser.[18] Aanvankelijk was alleen de begane grond beschikbaar. Bosshardt moest daar slapen in dezelfde ruimte waar hulpzoekenden worden opgevangen. In 1955 kwam het woongedeelte op de eerste verdieping beschikbaar.
In 1959 kwam ze voor het eerst op de Nederlandse televisie, in het programma Anders dan anderen van Bert Garthoff. In 1965 werd ze door een fotograaf betrapt terwijl ze een vermomde prinses Beatrix begeleidde op een trip over de Wallen; dagenlang was het werk van majoor Bosshardt groot nieuws in Nederland.
Overlijden
Bosshardt overleed op 25 juni 2007 op 94-jarige leeftijd, wat bij het Leger wordt aangeduid als: bevorderd tot heerlijkheid. Tijdens haar leven had ze aangegeven dat ze graag eenvoudig wilde worden begraven in een graf van het Leger des Heils op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Op zaterdag 30 juni 2007 werd aan dat verzoek voldaan. Na een afscheidsdienst in de Koningskerk in de wijk Watergraafsmeer werd majoor Bosshardt in besloten kring bijgezet.
Onderscheidingen
Sculptuur van Alida Bosshardt op de Oudezijds Voorburgwal
1962: Order of the Founder (onderscheiding van het Leger des Heils voor bijzondere werkzaamheden)
1966: Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1975: Zilveren Eremedaille van de Stad Amsterdam
1977: Prix d'Humanité
1982: Hélène de Montigny-prijs
1985: Officier in de Orde van Oranje-Nassau
2001: Henk Vos Prijs
2004: Yad Vashem-onderscheiding (nr.10178) van de staat Israël voor haar werk voor Joodse kinderen in de Tweede Wereldoorlog[19]
Op 13 november 2009 meldde het dagblad de Telegraaf dat ze was verkozen tot Grootste Amsterdammer Aller Tijden, een opiniepeiling die georganiseerd werd door de Telegraaf en de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam.
Majoor Bosshardt Beeld
Op 8 juni 2008 werd het Majoor Bosshardt Beeld onthuld door Erica Terpstra en Willeke Alberti in hotel Krasnapolsky in Amsterdam. Het beeld heeft een permanente plaats gekregen nabij de ingang van de Wintertuin van het Amsterdamse hotel. Op 7 juni 2013 kreeg Majoor Bosshardt er nog een tweede beeld bij, dit keer op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam, vlak bij de brug die ook naar haar is vernoemd.
Vernoemingen
Een tot dan nog naamloze brug in het Broersepark in Amstelveen is op 11 juli 2012 vernoemd naar Majoor Bosshardt en heet nu de Majoor Bosshardtbrug.[20] Op de Wallen in Amsterdam kreeg Brug 211, de brug over de Oudezijds Achterburgwal, ook de naam Majoor Bosshardtbrug. De brug ligt ter hoogte van de Oudekennissteeg en de Molensteeg, midden in het gebied waar zij jarenlang heeft gewerkt als heilsoldaat en vlak bij het door haar opgerichte Goodwillcentrum.[21] In Doetinchem is een Majoor Bosshardtstraat en in Utrecht een Majoor Bosshardtplantsoen. In September 2015 werd de Majoor Bosshardt Scouting Groep opgericht door het Leger des Heils in Amsterdam-Zuidoost.[22]
Bibliografie
A.M. Bosshardt, opgetekend door Hans Wierenga: Majoor Bosshardt, levenslang (1973)
A.M. Bosshardt e.a.: Wie vloekt verliest (1977)
A.M. Bosshardt: Post voor u (1983)
A.M. Bosshardt, W.G. van de Hulst e.a.: Kerstbundel (1984)
A.M. Bosshardt (samenst.): Kracht voor vandaag en vertrouwen voor morgen (1986)
A.M. Bosshardt: Wat ik u graag nog zeggen wil - foto's Werner Richner et al. (1988)
Robert Backhouse: Woord voor de dag: een belofte uit de Bijbel voor iedere dag van het jaar, vertaald en bewerkt door A.M. Bosshardt (1991)
A.M. Bosshardt, Hadewijch van den Oever: Het sterrenboek (1999)
A.M. Bosshardt: Het Leger des Heils (2003)
A.M. Bosshardt: Het Positiefste Boek van Nederland - voorwoord. (2007)

Majoor Bosshardt tijdens een kerstviering in de jaren zestig

Beeld Majoor Bosshardt in Terneuzen

Titus Brandsma

Titus Brandsma (Anno Sjoerd Brandsma geboren te Oegeklooster bij Bolsward, 23 februari 1881 – Dachau, 26 juli 1942) was een Nederlandse karmelietenpater, hoogleraar en publicist uit Friesland. Brandsma was specialist in middeleeuwse mystiek en zelf mysticus. Als sterk maatschappelijk betrokken priester nam hij initiatieven op het gebied van de katholieke emancipatie, het katholieke onderwijs en de journalistiek.
Brandsma verzette zich tegen het nazisme. In 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd hij gearresteerd door de Duitse bezetters en vond in het concentratiekamp Dachau de dood. In 1985 werd hij als martelaar door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.
Levensloop
Jeugd en opleiding

Brandsma was een telg uit een zeer oud, rooms-katholiek en Fries boerengeslacht uit Ugoklooster nabij Bolsward. Hij studeerde van 1892 tot 1898 aan het gymnasium van het Minderbroederklooster St. Antonius van Padua te Megen (NBr). Op 17 september 1898 trad hij in bij de karmelieten waar hij de kloosternaam Titus aannam. Op 3 oktober 1899 legde hij zijn kloostergeloften af. Hij werd op 17 juni 1905 priester gewijd. Tussen 1906 en 1909 studeerde hij aan de Pontificia Università Gregoriana in Rome waar hij promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte (filosofie).
Docentschap en journalistiek
Terug in Nederland doceerde Titus Brandsma filosofie, sociologie en kerkgeschiedenis aan het studiehuis (Filosoficum) van de karmelieten in Oss. Hij werd ook hoofdredacteur van het nieuwsblad voor Oss en omgeving "De Stad Oss" en stichtte er een katholieke HBS, het huidige Titus Brandsmalyceum en leeszaal.Als lid van het hoofdbestuur van de orde speelde Titus een niet onbelangrijke rol bij de vernieuwingsbeweging onder de karmelieten in Nederland. In zijn hoedanigheid van geestelijk adviseur van de Nederlandsche Rooms-Katholieke Journalistenvereeniging had hij een groot aandeel in de modernisering van de katholieke dagbladpers in Nederland en in betere arbeidsvoorzieningen voor katholieke journalisten. Zijn voorstellen tot het oprichten van een journalistenopleiding kregen pas na zijn dood gestalte.
Karmelitaanse mystiek

Brandsma ontwikkelde zich tot een groot kenner van de Karmelitaanse mystiek en de Moderne Devotie. Zo vertaalde hij onder andere een deel van de 'Werken der Heilige Theresia' in het Nederlands. Hij was medeoprichter van het belangrijke spirituele tijdschrift Ons Geestelijk Erf.[2] Zijn unieke verzameling kopieën van middeleeuwse mystieke handschriften heeft aan de basis gestaan van het huidige Titus Brandsma Instituut te Nijmegen. Kern van zijn opvatting omtrent mystiek: God is verborgen aanwezig, in iedere mens én in de gehele schepping. Ieder moment schept God alles dat is uit het niets tevoorschijn. Alles is in God en God is in alles. Daarom staat de mysticus niet los van het alledaagse leven, maar staat hij of zij er juist voluit in.
Brandsma was een mysticus, al hield hij zijn spiritueel leven streng gescheiden van zijn maatschappelijk bestaan. Hij liet zich kennen als een vrome, behulpzame, opgewekte en integere persoonlijkheid.
Hoogleraarschap
In 1923 werd Brandsma hoogleraar aan de in dat jaar gestichte Katholieke Universiteit Nijmegen, de huidige Radboud Universiteit. Hij doceerde er wijsbegeerte en 'geschiedenis van de vroomheid', lees: mystiek. Hij vervulde tal van academische functies en was tijdens het collegejaar 1932/33 rector magnificus. In deze hoedanigheid hield hij een rede over het godsbegrip in de moderne tijd die sterk de aandacht trok. Het kenmerkt de complexiteit van zijn geloofsovertuiging waarin zowel progressieve denkbeelden als orthodoxie een plaats hadden.
Nevenactiviteiten
Naast zijn universitaire activiteiten was Brandsma betrokken bij tal van rooms-katholieke organisaties, onder meer als voorzitter van de Bond van Besturen voor het Rooms-katholieke Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs, en als bestuurslid van de R.K. Vredesbond en van het Apostolaat der Hereniging. Ook was hij initiatiefnemer en censor ad hoc deputatus van de in de jaren dertig uitgebrachte Katholieke Encyclopaedie. Door zijn toedoen ontstond de eerste geslachtelijk gemengde katholieke lagere school.
Brandsma speelde een belangrijke rol bij de emancipatie van de katholieken in Friesland en bij de introductie van het Fries in het lesprogramma van het lagere onderwijs in de provincie. Als bestuurslid van de Vereniging voor Hoger Onderwijs in het Fries (de latere Provinciale Onderwijsraad van Friesland) ijverde hij voor een leerstoel in het Fries. Hij was lid van de natuurbeschermingsorganisatie it Fryske Gea en medeoprichter van het Rooms Frysk Boun en van de Fryske Akademy.
Bij gelegenheid van zijn 40-jarige geloften, 3 oktober 1939, benoemde koningin Wilhelmina hem tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Verzet
Al in een vroeg stadium waarschuwde Brandsma via publicaties in dag- en weekbladen en tijdens lezingen en colleges voor de gevaren van het nazisme, rassenhaat en ophitsing. Hij veroordeelde de anti-joodse maatregelen van het naziregime zowel reeds voor als tijdens de bezettingstijd. Zo was hij medio 1936 enige tijd lid van het door Nederlandse geleerden en kunstenaars opgerichte Comité van Waakzaamheid tegen het nationaal-socialisme. In 1941 verzette hij zich tegen het verwijderen van joodse leerlingen en bekeerlingen van katholieke middelbare scholen en was hij de architect van het verbod dat de Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong uitvaardigde tegen het opnemen van NSB-advertenties in de r.-k. dagbladen.
Op 30 december 1941 maakte hij met de aartsbisschop een rondgang langs de katholieke dagbladdirecteuren om het verbod toe te lichten. Deze gesprekken werden in een rapport van de Duitse Sicherheitsdienst betiteld als wühlarbeit: ondergrondse activiteit. Brandsma kenschetste men daarin verder als een gevaarlijk persoon die het nazisme bestreed.
Arrestatie en overlijden
Begin januari 1942 arresteerden de Duitse bezettingsautoriteiten de priester met van meet af aan de bedoeling hem voor lange tijd gevangen te houden. Via een tocht langs de gevangenis van Scheveningen, kamp Amersfoort en de strafgevangenis van Kleef kwam hij ten slotte in het concentratiekamp Dachau terecht. In Amersfoort leerde hij de jonge gereformeerde predikant ds. Johannes Kapteyn kennen, met wie hij een innige vriendschap opbouwde.Op 13 juni werd Brandsma in Kleef met zijn linkerpols aan de rechterpols van Kapteyn geketend voor het transport richting Dachau waar ze op 19 juni arriveerden. Brandsma kreeg nummer 30492 en Kapteyn nummer 30493. Ze werden geplaatst in Block 28, kamer 3, de barak van de Poolse geestelijken.
Ook hier was, aldus latere getuigenissen van voormalige kampgenoten, deze 'alledaagse' mysticus een grote morele, spirituele en daadwerkelijke steun voor zijn medegevangenen. Na enkele weken vol ontberingen en mishandelingen werd hij - levenslang behept met een wankele gezondheid - uitgeput en doodziek in het Revier (kamphospitaal) opgenomen. Toen hij daar enkele dagen lag, raakte hij buiten bewustzijn. Op 26 juli 1942 om twee uur 's middags kwam een eind aan het leven van Titus Brandsma nadat een kamparts hem een dodelijke injectie toediende.
Nalatenschap en verering
Bestand:Plechtige inwijding van Titus Brandsma Kapel in Nijmegen.ogv
Inwijding van de Titus Brandsmakapel in Nijmegen in 1960
Na het bekend worden van Brandsma's dood ontstond er al snel een devotie rond zijn nagedachtenis die uiteindelijk uitmondde in zijn zaligverklaring door Paus Johannes Paulus II in 1985.Zijn gedachtenis valt op 27 juli. Er loopt inmiddels een proces tot heiligverklaring.
In 1982 werd hem postuum het Verzetsherdenkingskruis toegekend.
In de loop van de jaren zijn in Bolsward, Brunssum, Dordrecht, Delft, Hengelo (Overijssel), Hoogeveen, Velp, Venlo, Voorburg en Oss schoolgebouwen naar de geestelijke genoemd. In Amstelveen en Deventer staat een Titus Brandsmakerk. Er is in 15 plaatsen in Nederland een Titus Brandsmastraat. In het Duitse Kranenburg vindt men eveneens een straat. Ook zijn er parochies vernoemd naar de pater in Oss, Wageningen,en Den Haag,
Eind 2005 werd Brandsma door de bevolking van Nijmegen uitgeroepen tot de Grootste Nijmegenaar aller tijden.In Nijmegen staat ook de Titus Brandsma Gedachteniskerk, waarin door kunstenaars ontworpen wandpanelen over het leven en de geestelijke weg van Brandsma te zien zijn, evenals daarmee corresponderende vitrines met voorwerpen en documenten uit zijn leven. De Radboud Universiteit Nijmegen herbergt te zijner nagedachtenis het Titus Brandsma Instituut. Bolsward biedt plaats aan het Titus Brandsma Museum waar veel informatie over de Friese pater aanschouwelijk wordt gepresenteerd.
De verering van Brandsma beperkt zich niet tot Nederland. In een kerk van karmelieten in Gdańsk en in de Sint-Petrus-en-Paulusbasiliek te Poznań in Polen hangt een portret van hem aan de muur. Een standbeeld van de Friese priester staat in de kerk in Whitefriar Street Carmelite Church in Dublin. In Frankrijk is een straat in Nantes omgedoopt tot Allée Titus Brandsma en er is een centre catholique Titus Brandsma in Lyon. Men heeft er een Prix Titus Brandsma ingesteld, die eens per drie jaar wordt toegekend aan een journalist, een publicatie of een instelling die geleden heeft van bedreigingen of vervolgingen vanwege zijn of haar engagement in de pers ten gunste van een belangrijk humaan of christelijk onderwerp.De Internationale Vereniging van katholieke esperantisten (IKUE) heeft van Titus Brandsma een van haar patronen gemaakt.In Dachau, de plaats waar hij stierf in het gelijknamige concentratiekamp, bestaat een Titus Brandsmaweg.
De openbaar-vervoerbedrijven Veolia en Arriva vernoemden een trein naar de priester.
Op 6 november 2015 is Titus Brandsma postuum benoemd tot ereburger van de stad Oss.
Onderscheiding
Verzetsherdenkingskruis

Afbeeldingsresultaat voor titus brandsma

Brandsma als rector van de KU NIjmegen (1932)
Geboren 23 februari 1881 te Oegeklooster bij Bolsward
Gestorven 26 juli 1942 te Dachau
Zaligverklaring 3 november 1985 door Paus Johannes Paulus II
Naamdag 27 juli
Lijst van christelijke heiligen
Portaal Portaalicoon Christendom
 

Afbeeldingsresultaat voor titus brandsma

Titus Brandsma. (1881 Oegeklooster (bij Bolsward) - 1942 Dachau)

 

 

Afbeeldingsresultaat voor titus brandsma

Nijmegen, beeld van Titus Brandsma op het universiteitsterrein Heyendaal

Charles Breijer

Charles Breijer (Den Haag, 26 november 1914 – Hilversum, 18 augustus 2011) was een Nederlands cineast, fotograaf en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Nieuwe Fotografie
Breijer gebruikte fotografie en later vooral film als journalistiek middel. Het ging hem niet om technisch perfecte of artistiek verantwoorde beelden, maar om informatieoverdracht. Toch is zijn fotowerk duidelijk beïnvloed door de "Nieuwe Fotografie" en liet hij later als filmer merken beïnvloed te zijn door mensen als Joris Ivens en Russische realistische filmers.
In Amsterdam begon Breijer in 1937 zijn carrière als fotograaf bij uitgeverij De Arbeiderspers. Hij maakte fotoreportages voor diverse bladen als het weekblad "Wij" en het blad "Ons werk, ons leven". Op zijn werk raakte Breijer bevriend met Cas Oorthuys, die zijn techniek beïnvloedde en veel vakkennis aan hem overdroeg.
Duitse bezetting
Tijdens de Duitse bezetting werden fotografen verplicht lid te worden van het Verbond van Nederlandsche Journalisten. Ook Breijer liet zich registreren om zo als fotograaf door te kunnen werken. Het was tevens een prima dekmantel voor zijn ondergrondse activiteiten. Doordat hij zo in het bezit van een perskaart bleef, was hij vaak in staat om alle mogelijk aspecten van het dagelijks leven in de eerste jaren van de Duitse bezetting vast te leggen, ook dingen die de Duitsers liever niet gefotografeerd zagen. Uniek zijn de foto's waarop de afsluiting van de Joodse wijk in Amsterdam is vastgelegd.
Hij sloot zich in de loop van 1944, door een kennismaking met Fritz Kahlenberg, aan bij "De Ondergedoken Camera", een groep Amsterdamse fotografen die illegaal de bezettingstijd vastlegden. Medeleden van deze groep fotografen waren onder meer Cas Oorthuys, de eerdergenoemde Fritz Kahlenberg en Boris Kowadlo. Breijer maakte 260 opnamen, deels vanuit een fietstas genomen waar hij zijn camera in had verstopt. Zijn werk uit de laatste twee oorlogsjaren is vooral bijzonder omdat deze illegale foto's veel aspecten van het gewapende verzet tonen. Breijer kreeg het verzetsherdenkingskruis.[2]
Indonesië
In 1947 vertrok Breijer als cameraman naar Indonesië. Hij wilde bijdragen aan de opbouw van een onafhankelijke Indonesische staat en kwam in dienst van het Gouvernements Filmbedrijf van de Nederlandse cineast J.C. Mol (1891 - 1954) die Nederlands-Indische propagandafilms produceerde volgens de richtlijnen van de toenmalige Regeeringsvoorlichtingsdienst. Hierdoor filmde Breijer veel sociale onderwerpen als medische zorg, voedseldistributie en herstelwerkzaamheden.
Daarnaast stelde zijn werk hem echter in staat om zonder regeringsbeperkingen en censuur als fotograaf het dagelijks leven van zowel Nederlandsers als Indonesiërs vast te leggen. Hij deed dit op Bali, Sulawesi, Borneo, Sumatra en Java. De historische waarde van deze opnamen is groot, omdat ze niet het beleid van de kolonisator Nederland weergeven, maar heel scherp een beeld schetsen van de spanningen in de laatste jaren van de Nederlandse bezetting. Ook maakte hij werk in opdracht, onder meer voor bladen als Libelle en Panorama, en na de Indonesische onafhankelijkheid fotografeerde hij veel natuur en landschappen, Balinese dansen, dorpstaferelen en volkeren. Foto's die hij verkocht aan bladen en uitgevers. Als cineast ging Breijer tot zijn terugkeer naar Nederland werken voor de nieuwe Indonesische regering. In 1950 trad hij in dienst van het Ministerie van Voorlichting van de Republiek Indonesië om jonge Indonesiërs het filmvak te leren. Na zijn terugkeer naar Nederland in 1954 heeft Breijer zich voornamelijk op film toegelegd en nauwelijks meer gefotografeerd.

Breijer (oktober 1945)

Breijer (oktober 1945)
Geboren 26 november 1914, Den Haag
Overleden 18 augustus 2011, Hilversum
Land Nederland
Groep De Ondergedoken Camera

Henk Brinkgreve

Hendrik (Henk) Brinkgreve (Utrecht, 6 juni 1915 - Losser, 5 maart 1945) was een Nederlandse officier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd doodgeschoten tijdens een geheime missie in Nederland.

Achtergrond
Zijn opa Martinus Brinkgreve was journalist en redacteur van het Utrechts Dagblad. Zijn vader Marius Brinkgreve was directeur van de medaille-afdeling van Begeers Zilverfabriek te Voorschoten, moeder was Antoinette Bosman. Tante Willy Brinkgreve was arts maar schreef ook twee kinderboeken. Broer Geurt Brinkgreve was kunstenaar.[3]

Militaire loopbaan
Brinkgreve was een reserveofficier in de Nederlandse strijdkrachten en werd gemobiliseerd bij de Duitse inval in Nederland in 1940. Na de Duitse bezetting vluchtte hij naar Engeland. Als officier van een geallieerde commando-eenheid, de Small Scale Raiding Force (codenaam No. 62 Commando) voerde hij een succesvolle overval uit op de vuurtoren van Les Casquets. Brinkgreve kreeg de leiding over een missie in Nederland door een zogenaamd Jedburgh-team van het Bureau Bijzondere Opdrachten, de Nederlandse tegenligger van het Special Operations Executive. Hierbij kreeg hij de tijdelijke rang van reserve-majoor van het Wapen der Artillerie. In de nacht van 11 op 12 september 1944 landde dit Jedburgh-team, met de codenaam Dudley, met parachuten bij Wierden, Overijssel. Lancker en de sabotagegroepen van Nijverdal en Daarle zorgden voor de ontvangst van de parachutisten. Het Jedburgh-team bestond uit de Nederlandse majoor Henk Brinkgreve (codenaam Dudley), de Amerikaanse majoor John Malcolm Olmsted en de Britse sergeant John Patrick Austin (bijnaam Bunny).

Vanaf zijn aankomst in Twente stak Brinkgreve veel energie in de samenwerking van de Raad van Verzet (RVV) en de Knokploegen in Twente, waarvan die onder de leiding van Johannes ter Horst een van de belangrijkste was. De Amerikaan Olmsted was agent van het Office of Strategic Services (OSS). Hij hield zich hoofdzakelijk bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen die direct van nut waren voor de oprukkende geallieerde legers. Via de radiotelegrafist Austin stond hij rechtstreeks in radiocontact met de militaire inlichtingenorganisaties in Londen en met het achter de oprukkende geallieerde legers opererende zendstation Wensun. Austin kreeg onder meer een onderduik- en seinadres in Daarle. Van daaruit werkte hij nauw samen met zijn collega radiotelegrafist Jaap Beekman van het BBO.

Op 5 maart 1945 werd hij in Losser door een Landwachter en een Nederlandse SS'er ontdekt. Hij verweerde zich tegen zijn arrestatie en werd neergeschoten.

Op 18 april 1946 werd hij benoemd tot Ridder der Vierde Klasse in de Militaire Willems-Orde.[4] In 2013 werd aan de Deppenbroekweg in Losser een monument ter nagedachtenis van hem onthuld.[5]

Rangen
Kornet (militair): 1933
Reserve Tweede luitenant: 31 december 1935
Reserve Majoor: 14 september 1944
Onderscheidingen
Oorlogsherinneringskruis met gesp
King's Commendation for Brave Conduct

Henk Brinkgreve
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Geboren 6 juni 1915
Utrecht
Overleden 5 maart 1945
Losser
Begraven Oosterbegraafplaats, Enschede
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Flag of the Royal Netherlands Army.svg Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1933 - 1945
Rang Nl-landmacht-majoor.svg Tijdelijk reserve Majoor
Eenheid Artillerie
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940

Oorlogsmonument Losser

Jan Buskes

Johannes Jacob (Jan) Buskes jr. (Utrecht, 16 september 1899 – Amsterdam, 9 maart 1980) was een Nederlands predikant en theoloog. Hij was een bekende socialistische dominee die geregeld op televisie verscheen en op de radio te horen was. Ook heeft hij een aantal artikelen en boeken geschreven die een brede verspreiding kregen.
Levensloop
Buskes studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tijdens die studie ontdekte hij het door Karl Barth geschreven commentaar op de brief aan de Romeinen. Barth heeft een grote invloed op Buskes gehad. Als predikant begon Buskes op Texel, waar hij twee keer predikant is geweest. De eerste keer van 1924 – 1926 in de Gereformeerde Kerk van Oosterend. Dat werd beëindigd door de kwestie-Geelkerken. Hij had de zijde van deze Amsterdamse predikant gekozen in het conflict met de synode over de uitleg van het paradijsverhaal in Genesis. Nadat de classis een tuchtprocedure tegen ds. Buskes begonnen was, nam hij een beroep aan van de afgescheiden kerk van Geelkerken te Amsterdam. Deze kerk vormde de basis van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (kortweg HV-kerk genoemd). Op Texel kwam het ook tot een kerkscheuring. Het conflict speelde hier vooral rond zijn persoon. Dit ging dwars door families heen, die na de scheuring elkaar niet meer wilden spreken en zien. De sfeer in Oosterend was grondig verziekt.
In 1929 werd Buskes voor de tweede keer predikant op Texel, nu voor de HV-kerk. In 1932 vertrok hij weer van het eiland. Hij werd predikant in Rotterdam; dit bleef hij tot 1943. Hij werd toen hervormd predikant voor evangelisatie onder de arbeiders. Dit bleef hij tot 1950. Zijn activiteiten trokken de aandacht, maar slechts een derde van degenen die een dienst bijwoonden was arbeider. Buskes bleef predikant in Amsterdam tot 1961, toen hij met emeritaat ging.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ds. Buskes actief in het het verzet tegen de bezetter, op de kansel, in pamfletten en in daden. Hij werd gearresteerd, op transport gesteld naar Dachau, maar onderweg uit de trein gehaald en naar het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel gebracht.
Buskes overleed op 80-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Zijn graf raakte al snel in verwaarloosde toestand. Op 16 september 2005 is een nieuw grafmonument onthuld, op initiatief van drie vrienden van Buskes onder wie zijn biograaf E. de Jongh.
In Rotterdam is een christelijke basisschool naar ds. J.J. Buskes vernoemd.
Typering
Ds. Buskes was een bevlogen prediker die de mensen kon boeien. Het kwam alleen al door zijn stem, die iets emotioneels had. Het begin van zijn preek was hakkelend, later vol pathos.
Strijder
'Man van het verzet' is een voor Jan Buskes gebruikte typering. Hij verzette zich tegen de synode, nationaalsocialisme, apartheid, de regering en de leiding van de Partij van de Arbeid. Hij kon dan mensen fel aanvallen of verdedigen. Ook heeft ds. Buskes veel in het openbaar gedebatteerd, onder andere met socialisten. Hij bestreed theologische standpunten van anderen in boeken en bladen en hij droeg zijn eigen standpunt met verve uit. Hij trok landelijk de aandacht met zijn meningen, een hoogtepunt was een interview met Mies Bouwman op televisie.
Landverrader
Buskes nam geen blad voor de mond, zo veroordeelde hij in een radiopreek op 21 maart 1948 de politionele acties ("Het verbranden van de dessa's op Java") onder leiding van generaal Spoor als "machtsmiddelen van de koning der leugen" en vergeleek hij ze met de praktijken van Pontius Pilatus en Adolf Hitler. Na deze preek verdachten sommigen hem ervan een landverrader te zijn en werden er bij justitie aanklachten tegen hem ingediend. Deze werden geseponeerd, tot Buskes' spijt. Naar eigen zeggen had hij graag in de rechtszaal zijn overtuiging uitgedragen.
Socialist
Buskes was een 'rode' dominee, waaraan hij zijn door Jacques Gans bedachte bijnaam 'Buskes van de Ruskes' te danken had. Hij voelde zich aangetrokken tot het socialisme. Na de oorlog werd hij lid van de SDAP, die later opging in de PvdA. Hij was ook antimilitarist, al heeft hij onder invloed van de Tweede Wereldoorlog zijn mening op dit punt moeten bijstellen. Maar ds. Buskes bleef actief lid van Kerk en Vrede. Politicus Hans Feddema, medeoprichter van de Evangelische Volkspartij na zijn dood, werd door hem geïnspireerd. Zijn keuze voor het socialisme en antimilitarisme werd ingegeven door zijn geloof. Politieke medestanders probeerden nogal eens die grondslag voor zijn stellingname af te doen als niet meer dan een bijkomstigheid, een gedoogbare afwijking. De combinatie van orthodox christendom en socialisme kwam dan ook heel weinig voor. Hij verzette zich echter fel tegen kleinering van zijn religieuze motivatie.

Jan Buskes (1945)

Jan Buskes (1945)
Geboortedatum 16 september 1899
Geboorteplaats Utrecht
Sterfdatum 9 maart 1980
Sterfplaats Amsterdam
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Partner(s) Egberta Hendrika Dirkje Grondijs; later, Sytske Scheltema
Kerkelijke loopbaan
1924-1926 Gereformeerd predikant te Oosterend (Texel)
1926-1929 HV predikant te Amsterdam
1929-1932 HV predikant op Texel
1932-1943 predikant te Rotterdam
1943-1950 Hervomd arbeiderspredikant
1950-1961 predikant te Amsterdam
Portaal Portaalicoon Christendom
 

Publicaties
De beide Blumhardts, een strijd om het koninkrijk Gods,- Baarn z.j.
Liederen van bevrijding, - z.j.
Ik geloof wel in Jezus, maar ik geloof niet in God, serie Geloven Vandaag 1, uitg. A'dam z.j.
De komst van het koninkrijk, dagboek, z.j.
Avondboek, dagboek z.j.
Mensen die je niet vergeet, z.j.
Ziekentroost, uitgave Ver. tot Verspreiding der heilige Schrift, A'dam z.j.
De oudste rechten. uitg. Bijbel Kiosk Vereniging A'dam z.j.
Gedichten die mij vergezellen,- Kampen z.j.
Soldaten van Christus, preek over Efeze 6 : 10 - 17, Baarn z.j.
De laatste strijd, de Openbaring van Johannes, - Baarn 1933
Het evangelie in de wereld van heden, - Amsterdam 1936
Wegen in de wildernis (preken), Utrecht z.j. (1939?)
In nacht en stormgebruis (preken), - Utrecht 1941
Het eiland, de stad en het koninkrijk, - Den Haag 1945
Waar stond de kerk? Schets van het kerkelijk verzet, uitg. Vrij Nederland, A'dam 1947
Christus voor de wereld, - Utrecht 1948
Overpeinzingen van een grote stads domine, - 's-Gravenhage 1949
In het land van Gandhi en Nehru, 's-Gravenhage 1951
Zuid-Afrika's apartheidsbeleid: onaanvaardbaar! 1955
Waarheid en leugen aan het ziekbed, - Utrecht 1964
Karl Barth, - Den Haag 1968
God en mens als concurrenten - Amsterdam 1968
Hoera voor het leven - Amsterdam 1968
Zin en onzin van Kerstfeest, Amsterdam 1969
Opstanding,(Horizon reeks), Wageningen 1969
God is anders, Wageningen z.j.
Brood voor het hart - bijbels dagboek, - Wageningen 1970
Het humanisme van God - Baarn 1972
Dienst aan het woord, een levensbeeld van ds. Buskes,Apeldoorn 1972
Kort & Goed / 75 vijf-minuten toespraken, - Wageningen 1973
Droom en protest. Getuigenissen uit een halve eeuw van strijd - Baarn 1974
Mensen onderweg / nieuwe 5 minuten toespraken, Wageningen 1977
De PvdA is niet heilig - Baarn 1978
Terzijde - 'Glorie en uitschot van het heelal' 76 persoonlijke kanttekeningen, - Wageningen 1978

Jan Campert

Jan Remco Theodoor Campert (Spijkenisse, 15 augustus 1902 – Neuengamme (Duitsland), 12 januari 1943) was een Nederlandse journalist, dichter, schrijver en verzetsman.

Hij is vooral bekend van het gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de executie van vijftien verzetslieden (waaronder Bernardus IJzerdraat) van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers op 13 maart 1941.


Levensloop
Jan Campert werd geboren in Spijkenisse als zoon van een huisarts. Hij volgde van 1915 t/m 1918 de 3-jarige opleiding aan de HBS in Vlissingen en studeerde daarna een jaar aan de Handelsschool. In 1919 ging hij werken bij de Twentsche Bank. In 1926 stapte hij over naar de journalistiek. Hij schreef aanvankelijk voor enkele regionale kranten in Den Haag, waaronder De Nieuwsbron: Algemeen Nederlandsch Dagblad, dat aanvankelijk alleen in Den Haag verscheen. In de jaren '20 was Campert al begonnen met het schrijven van gedichten. In de jaren 30 schreef hij ook enkele romans. In 1928 huwde hij met de actrice Joekie Broedelet, met wie hij in 1929 een zoon (de dichter Remco Campert) kreeg. Hij scheidde in 1932 en hertrouwde in 1936 met de schrijfster Clara Eggink, van wie hij in 1939 scheidde. Uit dit huwelijk geen kinderen. Campert leefde ook enige tijd samen met Willy Corsari.
De journalist
Campert begon zijn journalistieke werk in lokale en streekbladen. Hij was toen voornamelijk toneelcriticus. Eind 1927 kwam hij in dienst bij: De Nieuwsgier: Dagblad voor Westelijk 's-Gravenhage. Begin 1929 veranderde de naam van het blad in: De Nieuwsbron: Algemeen Nederlandsch Dagblad. Het blad vergrootte zijn verspreidingsgebied gelijktijdig naar Den Haag en omstreken. Later werkte Campert voor diverse andere kranten en verhuisde hij naar Amsterdam.
De dichter
In 1922 verscheen Camperts debuutbundel Refereinen, die hij samen met Henrik Scholte schreef. Het bekendst werd Jan Campert met twee verzetsgedichten die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef: het hierboven genoemde 'Lied der achttien dooden' en 'Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht'. Sonnetten voor Cynara, om begrijpelijke reden zonder 'Rebel', een eigenlijk bijbehorend sonnet, was de laatste door Campert gepubliceerde dichtbundel. Deze verscheen in april of mei 1942.[2] In 1947 verschenen Camperts Verzamelde gedichten 1922-1943, bezorgd door G.H. 's-Gravesande. Onder de titel Wie weet slaag ik in de dood publiceerde zijn zoon Remco Campert in de Ooievaar Pockets een keuze uit de poëzie van zijn vader, ingeleid door Clara Eggink.
De schrijver
Campert schreef als coauteur twee detectives: met Ben van Eysselsteijn Het Chineesche mysterie (1932) en met Willy Corsari Klokslag twaalf (1933). De titel van zijn eerste roman Die in het donker... 1934 is ontleend aan de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht. Zijn roman Wier (1935) die in Zeeland speelt is in 1961 bewerkt door zijn zoon Remco. Voor het boekenweekgeschenk van 1940 Drie novellen schreef hij de novelle Deez' kleine hand. De roman Huis en herberg 1941 verbergt in de afsluitende verzen een verwijzing naar Marsman: Te erkennen te hebben gefaald, niet eens meeslepend en groot, is alle winst die ik heb behaald Wie weet slaag ik in de dood.Een thema dat Campert met zich droeg. Zijn in 1941 verschenen verhaal Slordig beheer is een aanvullend levensthema voor Campert geweest. Het verhaal schetst onder meer zijn zelfkennis.
Oorlogsverzet en dood
De aanloop

In 1933 stelde Campert in zijn Ballade der verbrande boeken het nationaalsocialisme in Duitsland aan de kaak. In Slordig beheer 1941 onderstreepte hij de betrokkenheid van de dichter bij de samenleving. Zijn maatschappelijk-politieke betrokkenheid bleek ook uit de voordracht over Dichterschap en verantwoordelijkheid die hij hield op 15 maart 1942 voor het Haagse genootschap Oefening kweekt kennis en die een dag later in het dagblad Het Vaderland werd gepubliceerd. Met zijn gedicht De Achttien Dooden is hij geworden wat hij als verzetsstrijder wilde: Stem te zijn, en anders niet. Campert deed in de aanloop naar de oorlog, de crisistijd, als schrijver, niet als sympathisant, wat neutraal schrijfwerk voor de toen nog enkel pro-Nederlandse politieke partij NSB.
Verzetsactiviteiten
Campert heeft rond de twintig joden naar België helpen ontsnappen. Op 21 juli 1942 werd hij met zijn helper, de Bredase journalist Martien Nijkamp, vlak over de grens bij Baarle-Nassau gearresteerd, toen hij de 21-jarige jood Frans van Raalte naar België probeerde te smokkelen. Van Raalte pleegde nog dezelfde dag in gevangenschap zelfmoord.
Gevangenschap en dood
Campert zat enige tijd gevangen in Breda, in kamp Haaren en in kamp Amersfoort. Uiteindelijk kwam hij via concentratiekamp Buchenwald[3] in november 1942 in het Duitse concentratiekamp Neuengamme terecht.In december van dat jaar werd hij tot tweemaal toe met longklachten in het ziekenhuis aldaar opgenomen. Op 6 januari in de strenge winter van 1943 verzocht hij in een schrijven aan zijn moeder om warme kleding en stevige schoenen. Hij meldde dat hij pijn in zijn borst voelde en het koud had. Volgens de officiële verklaring in zijn medische dossier is hij op 12 januari van dat jaar op veertigjarige leeftijd aldaar om 13.30 uur aan borstvliesontsteking overleden.
Monumenten
Campert werd na de oorlog als een verzetsheld beschouwd. In 1947 werd de Jan Campertprijs in het leven geroepen als 'blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945'. In 2003 kreeg Campert twee monumenten als ode aan zijn oorlogshouding en die van zijn oorlogskameraden. Eén in Spijkenisse en één op voormalig kamp Westerbork. Saillant detail bij het laatste monument is dat het werd gemaakt door Stef Stockhof de Jong, jeugdvriend van de zoon van Fedde Weidema die de tekening bij het gedicht van Campert maakte.

Campert

Campert
Algemene informatie
Volledige naam Jan Remco Theodoor Campert
Geboren 15 augustus 1902, Spijkenisse
Overleden 12 januari 1943, Neuengamme
Land Nederland
Beroep journalist, dichter, auteur
Werk
Bekende werken De achttien dooden
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Literatuur
 

Monument voor Campert in Spijkenisse

Oeuvre chronologisch
1922 Refereinen. Verzen, met Henne Scholte
1925 Verzen.
1927 De bron. Verzen.
1928 Het verliefde lied en andere verzen.
1929 Willem Kloos 1859-6 mei-1929. Willem Kloos en wij. Een teruggang? Verhaal, met Alfred Haighton en Khouw Bian Tie.
1932 Het Chineesche mysterie. Detective-roman, met Ben van Eysselsteijn.
1933 Klokslag twaalf. Detective-roman, met Willy Corsari.
1934 Die in het donker.... Roman.
1934 Tien jaar vaste bespeler van den Koninklijken Schouwburg, Den Haag.
1935 Wier. Roman. Circa 1955 en 1974 heruitgegeven onder de titel Kerend getij.
1936 Verwilderd landschap. Verzen.
1940 Drie novellen, Boekenweekgeschenk: 'Deez' kleine hand' (de andere novellen zijn van Egbert Eewijck en M. Vasalis).
1940 Vijf jaren zomerzegels 1935-1939.
1941 Huis en herberg. Verzen.
1941 Slordig beheer. Roman.
1942 Sonnetten voor Cynara. Verzen. Sonnet 'Rebel, mijn hart' in 1945 aan de 3e druk toegevoegd.
1943 De achttien Dooden. Vers. Utrecht, De Bezige Bij.
1944 Vier jaar ... Verzen. Met anderen. Postuum.
1947 Verzamelde gedichten, 1922-1943. Verzen. Postuum.
1948 – 2004 Veel werk postuum uitgegeven.

Rudolph Pabus Cleveringa

Rudolph Pabus Cleveringa (Appingedam, 2 april 1894 – Oegstgeest, 15 december 1980) was een Nederlandse hoogleraar in de rechtsgeleerdheid. Hij werd bekend door zijn rede op 26 november 1940 aan de Leidse universiteit waarin hij protesteerde tegen het ontslag van Joodse collega's. Later werd hij lid van de Raad van State.

Levensloop
Jeugd en opleiding

Ru Cleveringa werd geboren in Appingedam. Toen hij vier was, verhuisde het gezin naar Heerenveen. Hier leerde hij de latere minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens kennen, met wie hij levenslang bevriend bleef.

Cleveringa doorliep de 3-jarige Rijks Hoogere Burgerschool in Heerenveen, waarvoor hij in 1909 slaagde,[1] en kreeg in 1911 het einddiploma van de 5-jarige opleiding van de Rijks HBS te Leeuwarden.[2] Hij deed daarna staatsexamen gymnasium, vereist voor een academische studie. Vanaf 1913 studeerde hij, tegelijkertijd met Van Kleffens, aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij deed in juni 1917 zijn doctoraalexamen en promoveerde in 1919 cum laude. Zijn proefschrift, dat een sterk rechtshistorisch karakter had, was getiteld De zakelijke werking van de ontbindende voorwaarde.

Werk en verzet
Cleveringa begon zijn arbeidzame leven bij de IJzer- en Staaldistributie, maar hij trad al na anderhalf jaar in dienst bij de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij (KNSM), waar hij van 1919 tot 1926 werkte als bedrijfsjurist. Hij verdiepte zich daar in het bijzonder in het zeerecht en publiceerde daarover het standaardwerk Zeerecht (1927, 4e druk 1961). In 1922 trouwde hij met Hiltje Boschloo; zij kregen drie dochters. De jongste, Hiltje (1930), trouwde in 1954 met mr. Theophile Bonne ten Kate. Na een jaar als rechter te Alkmaar gewerkt te hebben werd Cleveringa in 1927 aangesteld als hoogleraar handelsrecht en burgerlijk procesrecht aan de universiteit in Leiden.

Hier hield hij op 26 november 1940 zijn beroemd geworden rede, waarin hij protesteerde tegen het door de Duitse bezettingsautoriteiten aangezegde ontslag van zijn leermeester, promotor en collega prof. Eduard Maurits Meijers en andere Joodse hoogleraren. Nog diezelfde avond werd de rede door enkele studenten onder leiding van André Koch in Den Haag gekopieerd en onmiddellijk verspreid onder de andere universiteiten. Cleveringa werd door de Sicherheitspolizei opgepakt en tot in de zomer van 1941 opgesloten in de gevangenis van Scheveningen. De Leidse studenten besloten, mede daartoe geïnspireerd door Cleveringa's collega en medestander Ben Telders[3], tot een staking en daarop werd de universiteit gesloten. De studenten (veel geringer in aantal dan nu) meldden zich onmiddellijk aan bij de Gemeente Universiteit Amsterdam.

In 1944 werd Cleveringa als gijzelaar geïnterneerd in Kamp Vught. Na zijn vrijlating werd hij door het Londens kabinet benoemd in het College van Vertrouwensmannen dat de overgang naar een normaal bestuur na de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland moest coördineren.

Na de oorlog
Na de oorlog keerde Cleveringa, net als Meijers, terug als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden, die in september 1945 werd heropend. Zijn eerste promovendus was de latere Rotterdamse hoogleraar Piet Sanders, die tijdens de oorlog geweigerd had een andere promotor te zoeken. Cleveringa werd in dat jaar tevens benoemd tot lid van de Raad van State in buitengewone dienst. In 1946 trad hij op als erepromotor bij de verlening van een eredoctoraat aan Winston Churchill in de Leidse Pieterskerk. Cleveringa ontving van de Amerikaanse regering op 8 april 1953 de Medal of Freedom voor zijn verzetswerk. Hoewel een hoogleraar toen doorgaans aanbleef tot zijn 70e, ging hij in 1958 vroegtijdig met emeritaat om gewoon lid te worden van de Raad van State. Hij bleef dit tot 1963, toen hij weer staatsraad in buitengewone dienst werd.
Frits DiepenFrits Diepen
Postuum
De Universiteit Leiden heeft de Cleveringa-leerstoel ingesteld en organiseert elk jaar de Cleveringarede, omdat Cleveringa door zijn rede het motto van de universiteit Praesidium libertatis (Bolwerk van de vrijheid[4]) op indrukwekkende wijze gestalte gaf. Jaarlijks organiseert het Leids Universiteits Fonds op of rond 26 november de Cleveringalezingen op tal van plaatsen in de wereld. In 2004 werd hij door de lezers van het Leidse universiteitsblad Mare gekozen tot "de grootste universitaire Leidenaar", vóór Christiaan Huygens en Johan Rudolph Thorbecke.[5]

De rede die Cleveringa op 26 november 1940 hield als protest tegen de nazi's, werd in 2015 uitgeroepen tot 'Beste speech van Nederland'.[6]

Het pleintje bij de ingang van de Leidse universiteitsbibliotheek heet Cleveringaplaats.

Cleveringa (buste door Eja Siepman van den Berg)

Cleveringa (buste door Eja Siepman van den Berg)
Algemene informatie
Volledige naam Rudolph Pabus Cleveringa
Geboren Appingedam, 2 april 1894
Overleden Oegstgeest, 15 december 1980
Beroep jurist
Bekend van rede tegen ontslag Joodse collega's (1940)
Portaal Portaalicoon Onderwijs
 

Poster Cleveringadebat 2003

Herman Coolsma

Herman Coolsma (Dubbeldam, 8 oktober 1908 - Breda, 8 juli 1996) was een Nederlandse predikant en verzetsman. Hij behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was dominee Coolsma actief in het onderbrengen van onderduikers.

Tezamen met zijn echtgenote Joos (Johanna Berendina) Coolsma-Miedendorp bood hijzelf onderdak aan een dertigtal vluchtelingen, voornamelijk Joden, in de achterkamer van de domineeswoning aan de Dreef in Princenhage.

Na enige tijd vorderden de Duitsers een deel van de woning om er een lazaret in te richten. Dit vormde voor dominee en mevrouw Coolsma echter geen enkel beletsel de onderduikers gewoon onderdak te blijven bieden, ondanks het feit dat Coolsma en zijn vrouw ook nog eens hun vier jonge kinderen (Ineke, Jan-Willem, Marianne en Chris) de kost moesten geven.

Op een gegeven moment moest Coolsma zelf onderduiken. Zijn broer, Constant Coolsma, is vanwege zijn - verraden - verzetswerk door de Duitsers in kamp Vught gefusilleerd. Deze ervaringen en persoonlijke tragedie hebben Herman Coolsma er niet van weerhouden om voor de Vier van Breda in de Koepelgevangenis te Breda als celbezoeker op te treden.

Dominee Coolsma vervulde, naast zijn ambt, lange tijd bestuursfuncties bij de Openbare Bibliotheek Breda en zowel lokaal als provinciaal bij het Groene Kruis. Hij was actief in de nazorg van psychiatrische patiënten van het Medisch Opvoedkundig Bureau (nu onderdeel van de RIAGG). Na zijn pensionering in 1973 was hij geestelijk verzorger in het bejaardentehuis De Breedonk.

In 2006, tien jaar na zijn overlijden, is in Princenhage een straat naar Dominee Coolsma vernoemd.

Op 4 september 2007 is postuum de Yad Vashem-onderscheiding aan Herman Coolsma en zijn op dat moment 97-jarige vrouw Joos Coolsma-Miedendorp toegekend. Joos Coolsma-Miedendorp overleed op 9 maart 2011, op 100-jarige leeftijd.

Herman Coolsma

Frits Diepen

Frederik Jan Leo (Frits) Diepen (Tilburg, 29 augustus 1915 - Düsseldorf, 4 juli 1974) was een Nederlandse luchtvaartpionier en -industrieel. Hij was vooral bekend als oprichter van Avio-Diepen en één van de belangrijkste personen achter de wederopbouw van de Nederlandse luchtvaartindustrie na de Tweede Wereldoorlog.
Leven en werk
Diepen was een zoon van een textielfabrikant en behaalde zijn gymnasiumdiploma in 1934. Hierna richtte hij direct zijn eigen garagebedrijf op, te weten Diepen Ford Garage, kortweg Difoga, te Bergen op Zoom. Als liefhebber van de sportvliegerij was hij samen met Jac.A. Jansen, Antoine Mazairac en Jan Bovée op 28 januari 1934 een van de medeoprichters van de Bergen-op-Zoomsche Zweefclub. Er werd gevlogen op het vliegveld De Eendenkooy bij Hoogerheide, gemeente Woensdrecht. Daar begon hij met zweefvliegen. Enkele jaren later haalde hij ook zijn vliegbrevet-A.
Tweede Wereldoorlog en verzet
Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwierp en bouwde Diepen samen met Jac Jansen in het grootste geheim een vliegtuig met duwschroef, de DIFOGA 421. Men heeft zelfs stiekem windtunnelproeven kunnen doen.
In 1942 werd hij voor een aantal maanden vastgezet in de kampen van Haren en later Amersfoort.
In 1943 werd Diepen districtsleider van de Landelijke Organisatie (LO) voor hulp aan onderduikers, district Bergen op Zoom.De Difoga garage fungeerde tegelijk als Heeres Kraft Park (reparatiecentrum) voor de (vracht)wagens van de Duitsers. Dat was een uitstekende dekmantel.
Vanuit de kelder van de Difoga garage werden ca 200 onderduikers maandelijks voorzien van valse papieren, geld en distributiebonnen. Die bonnen gaven het recht om eten, kleding en andere levensbehoeften te kopen, want alles was in de oorlog gerantsoeneerd. Vanuit Difoga vond ook de verspreiding van de ondergrondse krant Trouw plaats en werden overvallen op distributiekantoren en andere gewelddadige acties georganiseerd.
De organisatie groeide uit tot ca 28 leden en was zeer professioneel. Medewerkers werden nooit aangeduid met hun naam maar altijd met een Romeins cijfer. Domineesdochter en koerierster Thea Le Cointre was bijvoorbeeld no XX. Maandelijks werden in de kelder bonkaarten, geld, persoonsbewijzen en andere papieren verpakt in rose giro-enveloppen (die waren namelijk gratis verkrijgbaar). Medewerkers nr III en VI brachten deze thuis bij de koeriers en koeriersters die de enveloppen distribueerden onder de onderduikers. Contact met onderduikers verliep met behulp van wachtwoorden.
De administratie werd gevoerd door Simon ‘Mollie’ Valk. Hij was reserve-officier Militaire Administratie geweest bij hetzelfde regiment waar Frits' broer, Georg Diepen, gas-officier was. Georg bracht Valk in contact met Frits Diepen. Valk was een Jood en leefde onder de valse naam Bos.
Na de oorlog: Avio-Diepen en Fokker
Na de oorlog richtte Diepen de Frits Diepen Vliegtuigen NV (FDV.NV) op, gevestigd op vliegveld Ypenburg. Hij begon met de verkoop van vliegtuigonderdelen, reparaties van vliegtuigen en een luchttaxi. In 1949 splitste de onderneming zich in Avio-Diepen NV en Aero Holland. De eerste onderneming hield zich bezig met de verkoop en reparaties. De tweede was het luchttaxi bedrijf. Het luchttaxi bedrijf moest al gauw het onderspit delven. De KLM en de Rijksluchtvaartdienst zagen zo'n concurrent, zo vlak na de oorlog, niet zitten en begonnen het op hoog niveau tegen te werken. Avio-Diepen werd echter wel een groot succes. Het werd de verkooppartner van Fokker voor de F.25 Promotor - die een sterke gelijkenis met Diepens DIFOGA 421 vertoonde - en S.11 Instructor. Avio-Diepen kreeg vele contracten binnen voor het onderhoud van de Dakota's, wat hem de bijnaam Mister "Dak" opleverde. Mede door het succes wilde Diepen dat vliegveld Ypenburg het belangrijkste vliegveld werd tussen Den Haag en Rotterdam. Plan-Schieveen voorzag echter in een vliegveld vlak boven Rotterdam (Zestienhoven, nu Rotterdam Airport). Ypenburg werd in 1955 overgenomen door de Nederlandse Staat en werd uiteindelijk een militair vliegveld, met als civiele enclave het bedrijf Avio-Diepen.
Frits Diepen werd ondertussen in maart 1954 commercieel directeur van Fokker en Avio-Diepen werd onderdeel van Fokker - in 1995 wordt de onderneming weer zelfstandig. Hij was medeverantwoordelijk voor het enorme verkoopsucces van de Fokker F.27 Friendship. Hij was initiatiefnemer van de samenwerking tussen Vereinigte Flugtechnische Werke (VFW), HFB, Short en Breguet bij de totstandkoming van de F.27 en de F.28. Tevens was hij vertegenwoordiger van Fokker bij het AICMA (thans AECMA).
Van 1963 tot 1964 trad Diepen zich tijdelijk terug als directeur van Fokker, om zich aan zijn familie te wijden en andere bedrijfjes van zijn hand. Om in 1965 terug te keren en zich in 1969 in te spannen voor de fusie van Fokker en het Duitse VFW. Na zijn overlijden in 1974 werd Zentralgesellschaft VFW-Fokker GMBH in 1980 alsnog ontbonden.
Frits Diepen kreeg vele onderscheidingen in binnen- en buitenland en had naast zijn aandeel in de geschiedenis van Fokker nog vele andere verplichtingen. Hij zat in vele commissariaten, was vertegenwoordiger van Hispano-Suiza in Nederland, zat in het bestuur van het Westeinde Ziekenhuis RAPTIM-missionarisvluchten en uiteraard was hij nog steeds een belangrijk persoon binnen Difoga.
Privé
Op 30 juli 1941 trad hij in het huwelijk met Simone Smits (1915-1970). Na haar overlijden trouwde hij met Marie José Mutsaerts. Diepen had vijf kinderen.
Hij was een neef (oomzegger) van het Eerste Kamerlid Rudolph Diepen.

Frits Diepen

Peter Diesveld

Hendrik Willem Jan Renier Marie (Peter) Diesveld (Zevenaar, 3 januari 1912 – Amsterdam, 6 oktober 1992) was een Nederlands accountant die is onderscheiden met de Yad Vashem onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren wegens heldhaftig gedrag in de Tweede Wereldoorlog.
Jonge jaren
Zijn vader was kandidaatnotaris in Zevenaar en journalist. In 1916 verhuisde de familie naar 's-Hertogenbosch waar Diesveld zijn schoolopleiding volgde. Als gevolg van de economische crisis vertrok hij begin jaren dertig naar Amsterdam om daar werk te zoeken. Na aanvankelijk coupons te hebben geknipt op de effectenafdeling van de Rotterdamsche Bank, besloot hij een opleiding voor accountant te volgen, en trad als assistent in dienst bij het kantoor van mr. dr. John Moscow. Deze was bevriend met Isaäc Keesing en sinds 1911 accountant van N.V. Systemen Keesing. Peter werd belast met de controlewerkzaamheden bij Keesing, en leerde op die manier het bedrijf kennen. Ook maakte hij kennis met Dini Kraneveldt, die in 1936 als secretaresse bij Moscow kwam werken. Zij trouwden in juni 1942, uit welk huwelijk vier zoons werden geboren.
Oorlogstijd
Keesing en andere joodse medewerkers werden door de Duitse bezetter gedwongen ontslagen waarbij Keesing zijn accountant Diesveld bekleedde met alle volmachten om het bedrijf door de onzekere tijd heen te loodsen. Vanaf begin 1942, nadat het Keesing met toestemming van de Duitsers naar de Verenigde Staten was vertrokken, tot het einde van de oorlog was hij directeur van het bedrijf en woonde hij in het huis van de Keesings aan de Grensstraat in Amsterdam. Vanaf 1943 tot enkele maanden na de oorlog bood het jonge stel tevens een onderduikadres voor de schoonouders van Keesings zoon Leo.
Gedurende de oorlog lukte het Diesveld steeds weer om te voorkomen dat de Duitsers het bedrijf zouden vorderen, ondanks het feit dat al in mei 1941 er een 'Verwalter' (nazi-bewindvoerder) was aangesteld. Hij deed dat door allerlei juridische slimmigheden om het proces te vertragen. Het lukte hem om aan voedsel te komen voor de meer dan 100 medewerkers van het bedrijf, onder andere door de aankoop van een stuk grond buiten de stad, waar de werknemers een stukje van konden huren om er groenten te kweken. Ook verborg hij vele Joodse onderduikers in het bedrijfsgebouw van Keesings Uitgeverij.
Tot twee keer toe wist Diesveld de bewindvoerder af te brengen van het idee de naam Keesing te schrappen, en op de valreep voorkwam hij begin 1945 dat de hele inboedel van het bedrijf naar Duitsland werd afgevoerd.
Na de oorlog
Na de oorlog droeg Diesveld het bedrijf weer over aan Keesing in een zo goede staat als de omstandigheden maar hadden toegelaten. De boekhouding was perfect in orde en de Keesings kregen al hun persoonlijke bezittingen terug in de staat waarin ze deze hadden achtergelaten.
Onmiddellijk na de oorlog werd Diesveld in de directie van het bedrijf opgenomen die toen bestond uit drie personen: Keesing, Leo Keesing en Diesveld, waarbij de laatst vooral de financiële kant voor zijn rekening nam. Met zijn doorzettingsvermogen heeft hij het Keesingconcern door vele moeilijke situaties geloosd. In 1976 was hij om gezondheidsredenen gedwongen om zijn functie als directeur neer te leggen. Hij bleef ook na een zware operatie bij de zaak betrokken en volgde met argusogen de verrichtingen van zijn zoon René die hem inmiddels in het bedrijf was opgevolgd. De laatste jaren van zijn leven kreeg hij met toenemende mate last van zijn gezondheid. Hij overleed in oktober 1992 op 80-jarige leeftijd, drie maanden na het overlijden van zijn vrouw Dini.
Onderscheiden
Op 24 april 1994 werd aan Diesveld en zijn vrouw Dini postuum de Yad Vashem onderscheiding "Rechtvaardigen onder de Volkeren" toegekend. Bij de viering van zijn 80ste verjaardag in januari 1992 had Diesveld al te horen gekregen dat hij deze onderscheiding zou krijgen. In datzelfde jaar verscheen naar aanleiding van die onderscheiding het boek "Oorlogsdagboek van H.W.J.R.M. Diesveld over Systemen Keesing N.V. 1942-1945." onder redactie van J.M.W Diesveld-Godschalk.
Op 18 mei 2000 werd een straat in Amsterdam Osdorp naar Diesveld vernoemd (H. Diesveldsingel) en in Israël is een park vernoemd naar Peter en Dini Diesveld.

Peter Diesveld

Gerard Dogger

Gerard Adrianus Dogger (Amsterdam, 8 december 1919 – Oxted, 9 maart 1985[1]) was een Nederlands marineofficier en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Oorlogsjaren
Dogger sloot zich al vroeg in de oorlog bij het verzet aan en werd sinds de zomer van 1941 door de Gestapo gezocht. In augustus 1941 was hij betrokken bij de geruchtmakende liquidatie van Hugo de Man, een 19 jaar oude verrader die het studentenverzet in Delft in gevaar bracht.
Op het zwaarbewaakte strand van Scheveningen deed Dogger enige vergeefse, maar levensgevaarlijke pogingen, met een motortorpedoboot (MTB) naar Engeland te ontkomen om daar de Nederlandse regering te informeren over het verzet in het bezette Nederland. Dogger redde bij deze vergeefse ontsnappingspoging het leven van een van zijn twee metgezellen. Na een korte periode in gevangenschap bereikte Dogger in april 1942 via de neutrale staten Vichy Frankrijk, Zwitserland, Spanje en Portugal de Nederlandse regering in Engeland. Hij werd door koningin Wilhelmina op theebezoek op Stubbing House ontvangen.
Dogger nam dienst bij de Koninklijke Marine en was werkzaam bij de inlichtingendienst onder leiding van François van 't Sant. In de winter van 1942 op 1943 was hij Militair Attaché op de Nederlandse legatie in Lissabon. Als Luitenant ter Zee Tweede Klasse deed Dogger na 22 maart 1943 dienst op motortorpedoboten in het Kanaal. Hij was commandant van de Kemphaan (Hr. Ms. MTB 202).
Gerards broer Kees Dogger en hun vader hebben in concentratiekamp Haaren gezeten.
Na de oorlog
Na in 1947 eervol ontslagen te zijn vertrok Dogger naar Tanganyika waar hij een functie in het bedrijfsleven aannam.
Over zijn verzetstijd publiceerde Dogger in 1979 het boek "De vierkante maan" waarin hij de " noodzaak van de moord op de 19-jarige verrader Hugo de Man" verklaart en over zijn contacten met de betrokken verzetsstrijders, de Laga roeiers Jan van Blerkom (alias Jan Verhagen) en Charley Hugenholtz vertelde.
Onderscheidingen
Ridder in de Militaire Willems-Orde
Oorlogsherinneringskruis met één gesp
Verzetsherdenkingskruis

Ridder in de Militaire Willems-Orde

Ben van Dorst

Bernardus (Ben) van Dorst (Barneveld, 16 januari 1907 - Helmond, 23 september 1944) was een Nederlands technisch ambtenaar bij het waterschap Stroomgebied de Aa (huidige Waterschap Aa en Maas) te Helmond en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.
Levensloop
Jeugd en opleiding

Van Dorst werd geboren uit het huwelijk van Willem Marinus van Dorst, machinist bij de NCS en waarnemend depotchef in Barneveld, en Heiltje Schok. Hij groeide op in een harmonieus vrijzinnig-protestants gezin. Te Utrecht aan de MTS (huidige Hogeschool Utrecht) studeerde hij weg- en waterbouw.
Periode tot aan de Tweede Wereldoorlog
Na zijn opleiding werd hij waterbouwkundige eerst te Maastricht en later te Almelo.
In 1929 werd hij aangesteld als technisch ambtenaar bij het waterschap Aa en gestationeerd te Helmond.
In 1934 werd hij een van de eerste leden van het nieuw leven ingeblazen Rode Kruis afd. Helmond en direct benoemd tot een van de ploegcommandanten van de transportcolonne. In 1935 volgde zijn benoeming tot administrateur van de transportcolonne.
Op 12 mei 1937 trouwde hij in Helmond met de op 22 maart 1913 in Tilburg geboren Johanna Theodora Catharina van der Meulen.
Periode 1940-1944
In mei 1940 nam hij als sergeant-majoor in het Korps Mariniers deel aan de strijd om de Maasbruggen in Rotterdam. Teruggekomen in Helmond nam hij het Rode Kruiswerk weer ter hand. Eind 1941 werd hij benoemd tot reservecommandant van de transportcolonne. Omdat hij vanwege zijn beroep van de bezetter toestemming had gekregen om met zijn motor door de Peel te rijden, werd hij door de Albrechtgroep benaderd om inlichtingen te vergaren over het militaire apparaat van de bezetter in dit gebied. De groep had een uitgebreid net van koeriers en zelfs een eigen telefoonnet dat gebruik maakte van de telefoonnetten van de provinciale elektriciteitsmaatschappijen. De inlichtingen waren van grote waarde voor de geallieerden. Daardoor besloten zij om de hoofdaanval niet op Helmond in te zetten.
Als lid van de KP-Bakel heeft van Dorst deelgenomen aan diverse acties in Helmond en omstreken. Op 26 juli 1944 werd hij benoemd tot voorlopig leider van de transportkolonne van het Rode Kruis en adviseur van het bestuur.
Begin september 1944 vielen er ten gevolge van oorlogshandelingen in en rond Helmond diverse doden en gewonden waarbij onder zijn leiding het Rode Kruis actief hulp verleende. Tevens werden diverse patiënten geëvacueerd. Op 20 september werd hij op de Bakelsedijk rijdend op zijn fiets en voorzien van een Rode Kruis armband, beschoten door een Duitse soldaat, die achter een boom stond.
Op vrijdag 22 september werd de laatste brug over de Zuid-Willemsvaart opgeblazen en werd de verbinding tussen het oostelijk en westelijk deel van Helmond verbroken. Diezelfde dag werd het westelijk deel van Helmond bevrijd door de 11de Pantserdivisie van het 8e Britse Legerkorps.
Op 23 september kwam Van Dorst met de Rode Kruisvlag in zijn hand bij het bergen van een overleden stadsgenoot door Duits machinegeweervuur op 37-jarige leeftijd om het leven. Op 27 september werd hij met Rode Kruiseer begraven op het kerkhof aan de Hortsedijk te Helmond. Zijn graf heeft de officiële status van oorlogsgraf en staat onder beheer van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting.
De Ben van Dorststraat in Helmond is naar hem genoemd.
Decoraties
Kruis van Verdienste van het Nederlandse Rode Kruis
Kruis van Verdienste
Bronzen legpenning van het Kasteel-Raadhuis te Helmond

Ben van Dorst 1937Foto: Adolf Kat, Foto Prinses, Helmond

Ben van Dorst 1937
Foto: Adolf Kat, Foto Prinses, Helmond
Volledige naam Bernardus van Dorst
Geboren 16 januari 1907, Barneveld
Overleden 23 september 1944, Helmond
Land Nederland
Groep Albrechtgroep, KP-Bakel

 

Charles Douw van der Krap

Charles Louis Jean François "Siki" Douw van der Krap (Soerabaja, 8 oktober 1908 – Wassenaar, 9 december 1995) was een Nederlands marineofficier en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Jeugd en opleiding

Douw van der Krap werd geboren in SoerabTheodorus Dubois

ja, Nederlands-Indië, als zoon van een koffieplanter. In 1925 ging hij naar het Koninklijk Instituut voor de Marine, waar hij in 1929 afstudeerde en waarna hij als waarnemer/navigator geplaatst werd bij de Marine Luchtvaartdienst. Vervolgens werd hij in Nederlands-Indië gestationeerd op vliegkamp Moro-Krembangan op Java. In 1939 keerde hij terug in Nederland, waar hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog het commando kreeg over de rivierkanonneerboot "Balder" om de mijnenvelden van het zeegat Goeree te bewaken.
Oorlog en gevangenschap
Bij aanvang van de Duitse aanval op Nederland in 1940 lag zijn schip voor reparatie in een droogdok in Rotterdam. Hij werd ingekwartierd bij een familie aan het Haringvliet. Douw van der Krap zag vanuit zijn raam Duitse parachutisten neerkomen. Hij zag hoe twaalf Heinkel He 59D-watervliegtuigen op de Maas landden en zwaargewapende soldaten in rubber boten achterlieten, die bij verrassing de twee Maasbruggen veroverden. Hierop begaf hij zich naar de dichtstbijzijnde marinekazerne, waar hij het bevel over een afdeling ongeoefende marinetroepen op zich nam en het gevecht aanging met de Duitse parachutisten.
Na de Nederlandse capitulatie weigerde Douw van der Krap de erewoordverklaring aan de Duitsers op 14 juli 1940 te ondertekenen, waarop hij gevangen werd gezet in een krijgsgevangenkamp in Oflag VI A bij Soest (Duitsland) en vervolgens in Oflag VIII C bij Juliusburg. Tijdens het transport klom hij op het dak van de trein om er later af te springen, maar een motorrijder ontdekte hem. Nadat twee Nederlandse KNIL-officieren met succes uit Juliusburg wisten te ontsnappen, werd de overgebleven groep Nederlandse officieren, waaronder Douw van der Krap, voor straf overgeplaatst naar het beruchte kamp Oflag IV C bij Colditz. Hij probeerde hier te ontsnappen door zich buiten te verstoppen onder een laken dat hij had volgenaaid met dorre bladeren, maar hij werd ontdekt.
In 1943 werd de Nederlandse groep krijgsgevangenen vervolgens overgeplaatst naar Kamp Stanislau (tegenwoordig Ivano-Frankivsk in West-Oekraïne). Ze kwamen op 11 juni aan.
Ontsnapping en verzetswerk
Tussen 1941 en 1943 ondernam hij dertien pogingen om aan zijn gevangenschap te ontsnappen, zijn veertiende poging begin december 1943 lukte. Met Frits Kruimink, bijgenaamd "Beer", maakte hij in 36 uren een tunnel. Op 5 december zagen ze daglicht. Na dagen door de koude te hebben gelopen, kocht Douw van der Krap met een 'Japans' persoonsbewijs twee treinkaartjes. Hij kwam in Warschau terecht, waar hij zich aansloot bij de Armia Krajowa (AK), de Poolse ondergrondse strijdkrachten.
De AK introduceerde hem bij Philips, waar 4000 werknemers waren. In 1944 nam hij op verzoek van de leiding van de Philipsfabrieken aldaar de leiding op zich van de evacuatie van Philipswerknemers uit Polen naar Nederland.
Vanaf 1 augustus 1944 raakte hij betrokken bij de Opstand van Warschau. Philipsdirecteur Waterscheid gebood hem op 10 augustus de fabriek te ontmantelen. De machines gingen naar Oostenrijk, de Nederlandse staf en Douw werden geëvacueerd.
Aangekomen in Nederland dook hij in Eindhoven onder. Hij kreeg eenmaal de kans zijn dochtertje, dat hij alleen als pasgeboren baby kende, te zien. Douw van der Krap sloot zich aan bij het verzet te Oosterbeek en nam de naam Johannes Ludovicus van Ogtrop aan, tabaksplanter uit Indië. Hij nam deel aan de gevechten bij de slag om Arnhem en had de leiding over een groep verzetsstrijders die de Britse troepen in en om Oosterbeek ondersteunden. Na het mislukken van de slag vluchtte hij met Britse troepen de Rijn over naar bevrijd gebied tijdens Operatie Pegasus. Na zijn ontsnapping werd hij in Nijmegen ondervraagd door majoor Airey Neave van de Britse inlichtingendienst. Neave was de eerste Britse krijgsgevangene die (samen met een Nederlander, Tony Luteijn) succesvol uit Colditz was ontsnapt. Eenmaal in Engeland werd hij ingedeeld bij de Britse marine. Hij werd als navigatieofficier geplaatst aan boord van het schip HMS Berwich, dat werd ingezet bij konvooibescherming.
In het voorjaar van 1945 ging Douw nog een paar maanden naar Indië, totdat op 15 augustus ook de Japanners door de knieën gingen.
Na de oorlog
Na de Tweede Wereldoorlog maakte Douw van der Krap verder carrière bij de Koninklijke Marine, hij werd onder andere geplaatst op verschillende kruisers, als docent op het Koninklijk Instituut voor de Marine, en als eerste officier op Hr.Ms. kruiser "De Ruyter". Ook werd hij namens Nederland als adviseur uitgezonden naar Indonesië, waar hij hielp bij de opbouw van de Indonesische marine. In 1958 ging hij in de rang van Kapitein ter zee met pensioen. Voor zijn verdiensten tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij op 17 december 1949 onderscheiden als Ridder 4e Klasse in de Militaire Willems-Orde. Gedurende de jaren zeventig werkte hij als leraar wiskunde op de scholengemeenschap Dalton Voorburg. In 1981 publiceerde hij zijn memoires en in 1995 overleed hij in Wassenaar, 87 jaar oud.
Onderscheiden
Portal.svg Portaal Marine
Militaire Willems-Orde
Bronzen Kruis
Bronzen Leeuw

Charles Douw van der Krap in 1950

 

Charles Douw van der Krap in 1950
Geboren 8 oktober 1908
Soerabaja
Overleden 9 december 1995
Wassenaar
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Dienstjaren 1925-1958
Rang Nl-marine-vloot-kapitein ter zee.svg Kapitein-ter-zee
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Militaire Willems-Orde
Portaal Portaalicoon Marine
Tweede Wereldoorlog
 

Theodorus Dubois

Theodorus Dubois (Groningen, 9 april 1907 - Voorschoten, 13 januari 1996) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werkte tijdens de Duitse bezetting voor de groep Packard.
Voor het uitbreken van de oorlog was Dubois radiotelegrafist-observator, later luchtverkeersleider, in dienst van het Bureau Luchtverkeersbeveiliging (LVB) van de Rijksluchtvaartdienst. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 was het uitoefenen van zijn beroep niet meer mogelijk. Hij werd, met zijn collega's van de LVB, te werk gesteld bij andere rijksinstellingen. Dubois werd in 1942 geplaatst bij het Bureau Bijzondere Transportvergunningen van de Rijksverkeersinspectie te Utrecht.
Via LVB-collega A.A. de Roode, die in Den Haag reeds actief was met een geheime zender, werd Dubois aangezocht door Henk Deinum, om een zendpost op te zetten voor het doorgeven van weerberichten en andere voor de oorlogvoering belangrijke informatie. Deze zendpost werd operationeel in oktober 1943 onder de naam 'Irene-Met'. Dubois bemiddelde via zijn zwager Caspar Naber in de totstandkoming van een zendstation in Groningen, dat 'Beatrix-Met' werd genoemd. Gedurende een jaar wist Irene-Met berichten uit te zenden vanuit een woning aan de Boothstraat in Utrecht naar het Bureau Inlichtingen te Londen.
Zijn dagelijkse werk bij het Bureau Bijzondere Transportvergunningen vereiste nauwe samenwerking met de Wehrmacht en de technische verbindingsdienst van de (Staats)politie. Om meer informatie over de vijand te verkrijgen werd besloten te infiltreren bij deze verbindingsdienst. Dubois solliciteerde op de vacature van inspecteur en onderging een politiek onderzoek. Dit onderzoek werd verricht door de majoor van de staatspolitie, A. Harrebomée (deze werd in 1947 wegens oorlogsmisdaden terechtgesteld). Dit onderzoek was nodig om vast te stellen of de Duitse bezetter hem kon vertrouwen. Dubois maakte de juiste indruk en werd aangenomen. Eind juli 1944 begon hij zijn werk bij de politie. Op 9 oktober 1944 bereikten de peilwagens van de Sicherheitsdienst (SD) de Boothstraat. Dubois was daar aanwezig en had zijn uitzending naar Londen net voltooid. De SD zette de straat af en viel het 'zendhuis' binnen. Dubois wist zich te verbergen in het huis en de zender werd ontdekt. Gedurende zeven uur lag Dubois op een divanbed, tegen de muur geklemd, door beddengoed aan het oog onttrokken. Op het bed zaten SD'ers die de eigenaresse van het pand, de arts Ada van Rossem, ondervroegen. Tijdens het aflossen van de wacht door de SD wist hij, duizelig en wankelend op de benen, in het donker over het dak te ontsnappen. Zijn identiteit werd bij de Duitsers pas na drie weken bekend, omdat Van Rossem gedurende lange tijd volhield zelf de telegrafist te zijn en zij aanvankelijk de verhoren kon doorstaan. De meeste mensen rond Irene-Met konden daardoor op tijd wegkomen.
Voorzien van valse papieren bereikte Dubois fietsend de frontlinie bij Vught. Op 23 oktober 1944 werd Vught bevrijd tijdens het offensief van de 51st Highland Division en kon Dubois zich bij de Britse troepen voegen. Deze laatsten vermoedden in hem een spion of provocateur van de Duitsers en namen hem gevangen. Na enige dagen gevangenschap werd in opdracht van BI zijn juiste identiteit vastgesteld door Karel Nort van Radio Herrijzend Nederland. Als Philips-medewerker namelijk, had Nort Dubois enige malen in Utrecht ontmoet. Dubois werd door het Militair Gezag ondergebracht bij het Corps Regeeringsberichtendienst en belast met herstellen van de telefoon-en telexverbindingen van de politie in de bevrijde gebieden. Na de capitulatie van de Duitsers in het Westen van Nederland, keerde hij terug als inspecteur bij de technische verbindingsdienst van de (Rijks)politie te Utrecht. Per 1 januari 1947 nam hij zijn oude werk als luchtverkeersleider weer op met als standplaats Schiphol.
Voor betoonde dapperheid tijdens de oorlogsjaren werd Dubois onderscheiden met het Bronzen Kruis en het Verzetsherdenkingskruis.

Theo Dubois

 

Theo Dubois
Volledige naam Theodorus Dubois
Geboren 9 april 1907, Groningen
Overleden 13 januari 1996, Voorschoten
Land Nederland
Groep Groep Packard

Harald Frederik Dudok van Heel

Harald Frederik Dudok van Heel (Amsterdam, 9 januari 1893 - Naarden, 22 augustus 1967) was een Nederlands ondernemer, kolonel en Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Familie
Dudok van Heel was de zoon van Abraham Everardus Dudok van Heel en Catharina Maria Louwerse. Hij trouwde op 22 mei 1918 met Henriette Césarine (Babs) Brandt (overleden te Naarden, 29 mei 1972), dochter van de burgemeester van Rheden, Mr. Andreas Hegelund Brandt.
Loopbaan
Dudok van Heel volgde de Bijzondere Handelsschool te Amsterdam en slaagde in juli 1910 voor het eindexamen; naast zijn werkzaamheden, samen met zijn broer, als directeur van L. Wurfbain & Co. N.V., commissionairs in rubber en oliehoudende zaden en grondstoffen zoals coprah en palmolie te Amsterdam, was hij reserve-officier. Hij werd als zodanig per 9 februari 1928 bevorderd tot kapitein bij het vierde regiment veldartillerie.Dudok van Heel speelde in deze tijd in zijn vrije tijd golf bij de Hilversumsche Golf Club, ook op landelijk wedstrijdniveau.Gedurende de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was hij verder vooral actief in zijn eigen bedrijf. In 1941 werd hij herkozen tot commissaris van Houwelings Mineraalwaterfabriek.
Tijdens de oorlog was hij als reserve-kapitein bd werkzaam als gewestelijk commandant van de OD in 't Gooi (gewest 9); de BS waren eind 1944 gesplitst in een Strijdend Gedeelte en de Bewakingstroepen. In de meeste districten ressorteerden beide formaties onder één commandant. Johannes Borghouts bepaalde nu dat er in ieder gewest twee commandanten dienden te komen. Dit besluit leidde tot grote controverses en werd deels niet opgevolgd. Henri Koot vond het redelijk dat de gewestelijke commandanten die in functie waren zelf zouden kiezen of zij commandant van het Strijdend Gedeelte of van de Bewakingstroepen zouden worden. Alle commandanten kozen ervoor commandant van het Strijdend Gedeelte te worden maar Borghouts zei dat hij Dudok van Heel ('t Gooi), Sikkel (Noord-Hollands Zuiderkwartier) en Leopold (Zuid-Holland Noord) niet wenste te aanvaarden. Hij ging er wel mee akkoord dat Wastenecker in het Noord-Hollandse Noorderkwartier zowel het Strijdend Gedeelte als de Bewakingstroepen bleef commanderen. Met deze beslissing gaf Borghouts te kennen dat zijn besluit gericht was tegen bepaalde functionarissen, die hem misschien persoonlijk en in hun werk onbekend waren, die kennelijk niet in goede aarde vielen bij zijn adviseurs achter de schermen (de KP-leiders). Er ontstond vervolgens grote verwarring; in 't Gooi weigerde de gehele staf van Dudok van Heel het aan deze door Borghouts aangezegde ontslag te aanvaarden. Het ontslag werd uiteindelijk opgeheven door kolonel Koot.
Dudok van Heel werd uiteindelijk toch aangesteld als commandant van het Strijdend Gedeelte en ir. W.F. Westenenk werd benoemd tot commandant van de Bewakingstroepen; op 8 mei 1945 maakten zij namens het stafkwartier van het Gewest Gooi de dan algemeen geldende regels voor de bevolking bekend, waarin onder meer stond dat men zich tussen 21.00-5.00 uur niet op straat diende te bevinden, dat het verboden was op militaire voertuigen te rijden en dat wrijving en incidenten met de Duitse Wehrmacht vermeden dienden te worden.Na de oorlog ontving Dudok van Heel op 7 mei 1953 te Amsterdam van de Amerikaanse regering voor zijn verzetswerkzaamheden de Medal of Freedom. Dat was voor zijn: outstanding services in underground activities connected with the organized civil and Armed Forces resistance movement in Holland during the period of occupation of that country by the Germans from 7 december 1941 to include various dates of such meritorious service leading to the liberation in May 1945.Daarnaast was hij drager van het Verzetsherdenkingskruis. In augustus 1945 opende Dudok van Heel, dan inmiddels bevorderd tot luitenant-kolonel, in het Amsterdamse Apollo Paviljoen de een maand durende tentoonstelling Neprova (Nederlandse producten en fabricaten); Dudok van Heel was gevraagd de officiële opening te doen omdat deze expositie mede bedoeld was als cultureel ontwikkelingsinstituut voor militairen.Hij werd datzelfde jaar bevorderd tot kolonel en was als zodanig aanwezig bij de plechtige installatie van de nieuwe burgemeester van Amsterdam A.J. d'Ailly.Dudok van Heel overleed in augustus

Medal of Freedom die Dudok van Heel kreeg

Medal of Freedom die Dudok van Heel kreeg
Geboren 9 januari 1893
Amsterdam
Overleden 22 augustus 1967
Naarden
Land/partij Nederland
Onderdeel Nederlandse leger
Rang Kolonel
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

Joop van Elsen

Jozef (Joop) van Elsen (Rotterdam, 22 maart 1916 – Oegstgeest, 8 januari 2006) was een Nederlands militair, politicus en verzetsstrijder.
Jeugd en opleiding
Van Elsen werd geboren in Rotterdam, waar zijn vader surnumerair bij de belastingdienst was. Hij volgde daar de lagere school en behaalde het diploma HBS-B. Daarna deed hij het staatsexamen voor onderwijzer en ging naar Breda waar hij de officiersopleiding bij de Koninklijke Militaire Academie volgde. Hierna volgde hij nog aanvullende opleidingen aan de Hogere Krijgsschool te Den Haag en de Hogere Krijgsschool te Brussel.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de inval van de Duitsers was Van Elsen verantwoordelijk officier voor de verdediging van Valkenswaard en leidde 'op onverschrokken, rustige en voorbeeldige wijze' zijn compagnie. Na de capitulatie ging hij in het verzet, maar in 1942 werd hij gearresteerd en door de Duitsers in het Oranjehotel in Scheveningen opgesloten. Via een verblijf in kamp Vught kwam hij in concentratiekamp Sachsenhausen terecht. Na de oorlog werd hij voor zijn verzetswerk onderscheiden met het Verzetskruis.[1]
Werkzaamheden na de oorlog
Na de oorlog ging Van Elsen eerst verder met zijn militaire carrière in het voormalige Nederlands-Indië. Hij diende daar in het Garde regiment Fuseliers van 1947 tot 1950. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij van 1954 tot 1956 docent aan de Hogere Krijgsschool te Brussel. Daarna werkte hij als generaal-majoor bij de afdeling opleidingen van de Generale Staf van 1956 tot 1963, waarna hij bataljonscommandant van de Stoottroepen te Ermelo was van 1963 tot 1965. Hierna volgden de functies hoofd logistiek Kwartiermeester-Generaal van 1965 tot 1967, chef staf van de "7 December Divisie" van 1967 tot 1971 en commandant van de elfde Pantserinfanterie Brigade van 1967 tot 1971.
Wegens zijn brede kennis op defensiegebied werd hij op verzoek van de KVP lid van de Tweede Kamer. Van 11 mei 1971 tot 8 juni 1977 was hij vervolgens defensiewoordvoerder voor zijn partij, waarvan de laatste vier jaar ook voorzitter van de vaste Kamercommissie Defensie. Van 1975 tot 1979 zat hij tevens in de gemeenteraad van Sassenheim. Als Kamerlid was hij een reëel defensiespecialist, geen "havik" maar iemand die vanuit zijn expertise zaken bekeek en soms met onconventionele opvattingen kwam, zoals het voorstel om drastisch te bezuinigen op de defensiekosten. Hij was een fervent tegenstander van defensieminister Henk Vredeling tijdens het kabinet Den Uyl. Vanwege zijn in geharnaste militaire VVD-kringen vaak onverwachte standpunten gaf Hans Wiegel hem de bijnaam "Crazy Joe".
Overige personalia
Van Elsen was behalve drager van het Verzetsherdenkingskruis, lid van de Orde Vrijheid Indië met drie jaargespen, en drager Erekruis van het Europees oud-strijderslegioen, ook Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw sinds 29 april 1981 en Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de zwaarden. Bovendien ontving hij per Koninklijk Besluit van 30 november 1948 de Bronzen Leeuw en kreeg hij van de Amerikaanse regering op 4 september 1946 te Den Haag de Medal of Freedom with Silver Palm.
Joop van Elsen was gehuwd en kreeg vier zoons en één dochter. Hij overleed op bijna negentigjarige leeftijd.

Joop van Elsen (1975)

 

Joop van Elsen (1975)
Algemene informatie
Volledige naam Jozef (Joop) van Elsen
Geboren Rotterdam, 22 maart 1916
Overleden Oegstgeest, 8 januari 2006
Partij CDA, KVP
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland
 

Hendrik Ero

Hendrik Ero (Zaandijk, 10 juli 1886 - Berlijn-Tegel, 4 juni 1943) was een Nederlands verzetsman tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Hendrik Ero was in 1913 getrouwd met Louise Ursule Chambon uit Frankrijk; ze woonden in Parijs. Toen Hendrik tijdens de Eerste Wereldoorlog als buitenlander niet meer welkom was in Frankrijk, verhuisden ze naar Londen, waar hij een baan kreeg in het beroemde Hotel The Savoy. Hun eerste dochter Rika werd in 1915 geboren. In 1918 kwamen ze terug naar Nederland omdat zijn broer Cornelis aan de Spaanse griep was overleden. Hendrik Ero nam café-restaurant-hotel De Waakzaamheid aan de Hoogstraat in Koog aan de Zaan van zijn broer over en werd hotelhouder. In 1919 werd Jean geboren en in 1922 Jeanette Elise ('Netty').
Een belangrijke gebeurtenis vond plaats op 29 januari 1935, de dag waarop Anton Mussert er een propaganda-avond organiseerde. Deze werd gevolgd door een protestmars waaraan een honderdvijftigtal communisten deelnam. Hendrik en Louise Ero waren overtuigd Oranjegezind.
Verzet
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren de twee dochters in Algerije. Rika was inmiddels getrouwd met Henri Ponsich, een Franse kolonel die naar Algiers was gestuurd, en Netty was bij haar zuster op bezoek.
Die eerste zomer viel een groepje NSB'ers het restaurant van De Waakzaamheid binnen en verstoorden een dansavond. Hendrik en Louise waren woedend en besloten in het verzet te gaan. Ze vingen Engelandvaarders, piloten en onderduikers op en verborgen wapens, afkomstig van de Artillerie-Inrichtingen Delft en Hembrug. Ze sloten zich aan bij de Stijkelgroep en vergaarden inlichtingen.
Een regelmatige gast in De Waakzaamheid was reserve-officier en Unilever-directeur Johan Hendrik Westerveld uit Den Haag. Hij begon al gauw na de Duitse inval met het opbouwen van een Ordedienst. Hendrik behoorde ook tot de Ordedienst Westerveld.
Arrestatie, gevangenschap en executie
Hendrik en Louise Ero werden op 25 april 1941 gearresteerd en naar het Oranjehotel overgebracht. Hij zat in cel 497 totdat hij op 25 maart 1942 naar de gevangenis aan de Lehrterstrasse 3 in Berlin-Tegel werd overgebracht. In september werd Ero met 39 andere leden van de Stijkelgroep ter dood veroordeeld. Zes van hen kregen gratie, een lid overleed in de gevangenis, de resterende 32 mannen werden op 4 juni 1943 gefusilleerd.
Met de andere gefusilleerde leden van de Stijkelgroep werd Ero in Oost-Berlijn begraven In 1947 werden de stoffelijke resten naar Nederland overgebracht en op de begraafplaats Westduin herbegraven. De houten kruizen werden later vervangen door kalkstenen kruizen. In 1953 werd door burgemeester Schokking een monument voor de Stijkelgroep onthuld.
Louise Ero (1891-1944) werd aanvankelijk ook ter dood veroordeeld, maar dit werd omgezet in vijf jaar tuchthuis. Op 25 maart 1942 werd ze op transport gesteld naar Berlin-Moabit, en vandaar via Lübeck en Cottbus naar Ravensbrück, waar zij overleed. Netty kwam in 1942 naar Nederland terug en heeft haar ouders nooit meer gezien.

       

Hendrik Ero                             Louise Ero - Chambon

4-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4