Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

4-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

Henryk Mandelbaum

Henryk Mandelbaum (Olkusz, 15 december 1922 Ė Bytom, 17 juni 2008) was een Poolse Holocaustoverlevende. Hij was de laatste overlevende van het Sonderkommando van het nazivernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Levensloop

Mandelbaum, een Poolse Jood, werd gearresteerd nadat hij uit het getto van Sosnowiec was gevlucht. Zijn vlucht was verraden en op 22 april 1944 werd hij naar Birkenau gedeporteerd. Bij aankomst in Birkenau werd Mandelbaum niet, zoals de meeste Joden toentertijd, direct vergast, maar als dwangarbeider bij het Sonderkommando in het kamp ingezet. Het Sonderkommando bestond uit ongeveer 2.000 dwangarbeiders. Leden van het Sonderkommando waren willekeurig aangewezen, sterk uitziende mannelijke Joodse gevangenen in Duitse vernietigingskampen met gaskamers, die in opdracht van de SS vergaste Joden uit de gaskamer moesten slepen en naar de verbrandingsinstallatie moesten brengen. Voordat ze in het vuur geworpen werden, kwamen de Arbeitsgruppen in actie, die de bruikbare delen van de lijken scheidden: ze braken gouden tanden uit de mond van de doden, en knipten bij vrouwen het lange haar af. De gouden kiezen werden omgesmolten en als goudstaven naar de Reichsbank overgebracht. Het mensenhaar werd gerecycled. De as van de verbrande lijken werd in kuilen gekieperd.

In oktober 1944 kwamen er niet veel nieuwe Joden meer aan in het kamp. De grote transporten waren al in de zomer gestopt. De leden van het Sonderkommando begrepen dat ze niet meer nodig waren en vreesden voor hun eigen leven. In de daaraan voorafgaande periode waren de leden van het Sonderkommando volledig afgestompt geraakt, zozeer dat ze niet meer bang waren om te sterven. Op 7 oktober 1944 vond er een opstand van leden van het commando plaats - ook Mandelbaum was een van de opstandelingen. De opstand werd neergeslagen en de nazi's kregen de opstandelingen te pakken waarna ze in een rij moesten gaan staan. Vervolgens schoten de Duitsers elke derde man dood. Bij deze opstand werden 451 gevangenen opgehangen of doodgeschoten. Uiteindelijk zouden maar 92 man van het Sonderkommando het einde van de oorlog meemaken.

Ook Mandelbaum overleefde de opstand in Birkenau en werd januari 1945, samen met de laatste overlevenden van het kamp, gedwongen deel te nemen aan een dodenmars naar het westen. Bij deze dodenmars kon Mandelbaum zijn kampkleding tegen normale kleding ruilen en vluchtte daarna. Hij verstopte zich drie weken op een boerderij. Na de oorlog diende hij als getuige voor de Wahrheitsfindungskommission en berichtte over het beleefde in het kamp.

Mandelbaum leefde tot zijn overlijden in Polen. Het op zijn onderarm getatoeŽerde kampnummer 181 970 heeft hij nooit laten verwijderen. Hij reisde naar de vroegere concentratiekampen en naar Duitsland en vertelde daar over zijn tijd in het Sonderkommando. "Man muss das doch alles wissen, man muss doch wissen, wie lange sind die Leute gewesen in die Gaskammer. Man muss wissen, wie lange sie haben gebrennt in die Ofen", aldus Mandelbaum.

Medio 2008 stierf Henryk Mandelbaum op 85-jarige leeftijd in een ziekenhuis in de Poolse stad Bytom. Hij was daar een paar dagen eerder aan zijn hart geopereerd

Maldelbaum (vergezeld door een tolk)

USSR-archief

 


Hanny Michaelis

Hanny Michaelis (Amsterdam, 19 december 1922 - aldaar, 11 juni 2007) was een Nederlands dichteres en vertaalster.
Leven en werk
Zij debuteerde in 1949 met Klein voorspel. In haar kleine oeuvre beschrijft zij de mens in zijn hulpeloosheid en eenzaamheid, op zoek naar liefde. Haar werk is sober en later ook relativerend. De oorlog, haar beide Joodse ouders werden vermoord in het vernietigingskamp Sobibůr, drukte een groot stempel op haar werk.
Na 1971 verschenen er geen nieuwe bundels meer van Michaelis. In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre. In 1996 verschenen haar Verzamelde gedichten en in 2002 een bundel met jeugdherinneringen in proza Verst verleden.
Hanny Michaelis overleed op 84-jarige leeftijd.Ze werd op 12 juni 2007 in kleine kring begraven op de Joodse Begraafplaats in Muiderberg. In haar nalatenschap werd een groot aantal schriften gevonden, waarin ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een dagboek had bijgehouden. Dit dagboek werd negen jaar na haar overlijden postuum uitgegeven in twee delen: Lenteloos voorjaar (1940-1942) en De wereld waar ik buiten sta (1942-1945). Hierin beschrijft ze uitvoerig en diepgaand haar relatie tot schrijvers Dick Binnendijk en Anthonie Donker, alias Prof. Nico Donkersloot.
Reve
Michaelis was van 1948 tot 1959 getrouwd met de schrijver Gerard (Kornelis van het) Reve.Ze leerden elkaar kennen in 1947 bij de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs, die dat jaar was toegekend aan Van het Reve, en waarbij Michaelis een eervolle vermelding kreeg. In 1963 maakte ze de (geautoriseerde) vertaling van Reve's bundel The acrobat and other stories onder de titel Vier wintervertellingen. Het huwelijk werd ontbonden toen Reve ervoor koos voor zijn homoseksualiteit uit te komen en met een man te gaan samenleven. Michaelis en Reve bleven wel zeer goed bevriend. Haar gezondheid stond echter niet toe dat ze in april 2006 op zijn begrafenis aanwezig was.
Prijzen
1966 - Jan Campert-prijs
1995 - Sjoerd Leikerprijs
1995 - Anna Bijns Prijs
Bibliografie[bewerken]
Klein voorspel (1949)
Water uit de rots (1957)
Tegen de wind in (1962)
Onvoorzien (1966)
De rots van Gibraltar (1969)
Wegdraven naar een nieuw Utopia (1971)
Het onkruid van de twijfel, bloemlezing (1989)
Verzamelde gedichten (1996)
Verst verleden, proza (2002)
Een keuze uit haar gedichten door J.J. Voskuil (2005)
Nagelaten gedichten (2007)
Zonder een spoor van vrede, met foto's van MichŤle Baudet (2008)
Lenteloos voorjaar (2016)
De wereld waar ik buiten sta (2017)

Michaelis (1967)

Michaelis (1967)
Algemene informatie
Geboren 19 december 1922, Amsterdam
Overleden 11 juni 2007, Amsterdam
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep dichteres, vertaalster
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Literatuur
 

Uitreiking van de Jan Campert-prijs, v.l.n.r. burgemeester Kolfschoten van Den Haag, Louis Paul Boon, Hanny Michaelis en Jacques Presser (1967)

 


Chanah Milner

Chanah Milner (pseudoniem[1] voor Wilhelmina Johanna (Minke) de Winter; ook wel aangeduid met de naam van haar echtgenoot, W.J. Molenaar-de Winter(Arnhem, 7 december 1911 - Amsterdam, 10 september 2000) was een Nederlandse zangeres, danseres en schrijfster met een Joodse achtergrond, die zich vooral bezighield met het jiddische lied.Algemeen stond zij bekend als De zangeres van het Joodse lied.
Biografie
Haar moeder Sophia Francisca de Leeuw was zonder beroep en haar vader Samuel de Winter verdiende de kost als kleermaker.De eerste opleiding richting een carriŤre in de podiumkunsten die Milner deed was een dansopleiding bij Chaja Goldstein (1908-1999). Goldstein was in Polen geboren en via Berlijn in 1933 naar Nederland gevlucht.
Milner had na haar middelbareschoolopleiding ook contact met de joodse koordirigent en componist Hans Krieg. Zij kreeg zanglessen van hem. Ook maakte Krieg haar wegwijs in de wereld van de Jiddische en Hebreeuwse liederen.
Vervolgens ging Chanah Milner studeren aan "Staatsakademie voor dramatische kunst" in Wenen.Ze ging naar het toenmalige Tsjecho-Slowakije en werkte daar bij Emil Frantiöek Burian (1904 Ė 1959), zoon van de opera-zanger Emil Burian (1876-1926). Burian was een veelzijdig talent en maakte onder andere dadaÔstisch theater.
Na deze periode maakte Chanah Milner tot 1939 reizen door diverse landen waaronder Turkije en ItaliŽ. Het fascisme kwam in die periode sterk op in de Balkan en ItaliŽ. Daarom vluchtte zij van land naar land. In ItaliŽ werd zij opgepakt wegens verdenking van antifascistische activiteiten. Zij kwam in de gevangenis terecht, maar werd om onduidelijke redenen snel weer vrijgelaten.
Zoals voor alle Nederlandse joden was de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust een breekpunt in het leven van Chanah Milner. Na vrijgelaten te zijn in ItaliŽ bracht zij daarna de oorlogsjaren ondergedoken door in Amsterdam. Milners ouders werden opgepakt en via kamp Westerbork naar Sobibor gebracht, waar ze in 1943 werden vermoord.In 1941 kreeg Chanah Milner een zoontje. Deze werd toen hij twee jaar was ondergebracht bij kinderloze pleegouders in Aalsmeer en overleefde de oorlog.
Na de oorlog liep haar huwelijk met de architect Jo de Vries op een scheiding[8] uit.Milner besloot om met haar zoontje naar IsraŽl te gaan, maar keerde toch weer terug naar Nederland. ZoonHan de Vries studeerde af aan het Haagse Koninklijk Conservatorium als hoboÔst. Hij werd vaste hoboÔst bij het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam.
Milner wilde alles verzamelen wat er na de Sjoa resteerde was van de Jiddische cultuur en richtte zich daarbij vooral op de muziek. Zij legde ook liederen vast uit de concentratiekampen.In 1967 kreeg zij een stipendium van het toenmalige ministerie voor CRM om onderzoek te doen naar de Joods-jemenitische cultuur in Israel.Uitgever Felix Erkelens die werkte bij Servire in Den Haag deed enkele van haar boeken het licht zien: Het Jiddische hart zingt en Hoor de stem van mijn beminde (een bundel Hebreeuwse liederen). Later publiceerde Servire ook nog: Uit de wereld van de Joodse mystiek. Samen met Dolf Verroen schreef zij in 1969 het boek Joden uit Jemen.
Milners werkzaamheden
De boekjes van Milner zijn door musici en ensembles in de jaren '60 gebruikt voor hun werk en optredens. Zo werden door Martien Nuis pianobewerkingen gemaakt van twintig Jiddische en vijftien Hebreeuwse liederen die door Milner verzameld waren.
Ook de groep Rozjinkes mit Mandeln (Rozijntjes met amandelen) onder leiding van Nal Kats gebruikte haar werk in de jaren 1975 - 1980, net als de Mazzeltov (onder leiding van Gottfrid van Eck), Di Gojim (Jaap Mulder), Lija Hirsch en Shura Lipovsky. Beide laatsten waren zangeressen die in het Jiddisch zongen. De componist Antoon Maessen schreef 5 Jiddische liederen voor gemengd koor en piano, 1965, waarvoor de tekst door Chanah Milner was aangedragen.
Milner kreeg uitnodigingen om lezingen te geven of te zingen bij diverse bijeenkomsten.Het publiek leerde haar ook kennen via radio en tv.
In 1966 gaf zij een liederenbundel uit met de titel Met bloed en niet met inkt is dit geschreven (liederen uit Getto's en concentratiekampen), ook ter nagedachtenis aan het overlijden van haar ouders in vernietigingskamp Sobibor. De bundel bevat werk met literaire kwaliteiten maar ook gedichten van kinderen. De bundel bevat tevens werk van Mordechai Gebirtig.
Diverse uitgaven
Het Jiddische hart zingt - 1960.
20 Jiddische en 15 Hebreeuwse liederen; later met pianobewerking van Martien Nuis - 1963.
Uit de wereld der Joodse mystiek - 1963.
Hoor de Stem van mijn Beminde - 1963.
Met bloed en niet met inkt is dit geschreven - 1966.
Joden van Jemen - 1967.
Shalom IsraŽl - Ch. Milner en J. Pimentel - 1969
Het brandt ('s Brennt) over Mordechai Gebirtig - 1970, samen met Peter Berman.
Sefardische liederen en Balladen - 1974.

Afbeeldingsresultaat voor Chanah Milner

Chanah Milner
Algemene informatie
Volledige naam Wilhelmina Johanna de Winter
Geboren 7 december 1911, Arnhem
Overleden 10 september 2000, Amsterdam
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep zangeres
Overige informatie
Religie onbekend. Joodse etniciteit.
 

Afbeeldingsresultaat voor Chanah Milner

Het Jiddische Hart Zingt by Chanah Milner, Servire 1960, Yiddish Songbook, PB

 


Henry Morgentaler

Henekh "Henry" Morgentaler , CM (19 maart 1923 - 29 mei 2013), was een joodse Polen geboren Canadese arts en pro-choice advocaat die talrijke juridische gevechten die gericht zijn op de uitbreiding van het recht op abortus in Canada gevochten. Als jeugd in de Tweede Wereldoorlog zat Morgentaler gevangen in het getto van Łůdź en later in het concentratiekamp Dachau .
Na de oorlog migreerde Morgentaler naar Canada en ging naar de medische praktijk. Hij werd een van de eerste Canadese artsen die vasectomieŽn uitvoerde, intra-uteriene apparaten inbracht en anticonceptiepillen toedient aan ongehuwde vrouwen. Hij opende zijn eerste abortuskliniek in 1969 in Montreal en daagde wat hij zag als een onrechtvaardige wet die belastende beperkingen oplegt aan vrouwen die op zoek zijn naar abortus. Hij was de eerste arts in Noord-Amerika die vacuŁm aspiratie gebruikte en ging naar twintig klinieken en trainde meer dan honderd artsen. Morgentaler vocht tweemaal de grondwettelijkheid van de federale abortuswet aan, verloor de eerste keer, in Morgentaler v Rin 1975, maar won de tweede keer, in R v Morgentaler in 1988. 
In 2008 ontving Morgentaler de Orde van Canada "vanwege zijn inzet voor betere gezondheidszorgmogelijkheden voor vrouwen, zijn vastbesloten inspanningen om het Canadese openbare beleid en zijn leiderschap in humanistische en burgerlijke vrijhedenorganisaties te beÔnvloeden. Morgentaler stierf op de leeftijd van 90 van een hartaanval . 
Leven 
Morgentaler werd geboren in Łůdź , Polen , ongeveer 120 kilometer (75 mijl) ten zuidwesten van Warschau, naar Josef en Golda Morgentaler. Vůůr de Tweede Wereldoorlog was de vader van Morgentaler actief in de General Jewish Labour Bund in Polen . Tijdens de Duitse bezetting van Polen werd een Joods getto in Łůdź opgericht en de Joden mochten het niet verlaten. De vader van Morgentaler werd gedood door de Gestapo , terwijl Henry samen met zijn moeder en jongere broer woonde in het getto Litzmannstadt met 164.000 anderen.Zijn zus was vůůr het begin van de oorlog samen met haar man naar Warschau vertrokken. Ze was daar opgesloten in het getto van Warschau en nam deel aan de opstand in het getto van Warschau . Ze werd gedood in het vernietigingskamp Treblinka . 
Toen de Duitsers het Ghetto in Łůdź binnenvielen met de hulp van de Jewish Ghetto Police , verstopten de Rosenfarbs en de Morgentalers (Golda en haar zonen Henry en Abraham) samen met twee andere families in een kamer met de deur verborgen door een kledingkast . Na twee dagen ondergedoken te zijn, werden ze op 23 augustus 1942 gevonden en gedeporteerd naar concentratiekamp Auschwitz . De jongens hebben hun moeder nooit meer gezien: Golda stierf in Auschwitz. Op 27 augustus werden Henry en Abraham verscheept naar KL Landsberg, concentratiekamp Dachau , waar ze allebei bleven tot het einde van de oorlog. In februari 1943 werd Henry naar KL Kaufering (een buitenkamp van het concentratiekamp Dachau) gestuurd. Tegen het einde van de oorlog was hij in de ziekenboeg (Krankenrevier ), van waaruit hij uiteindelijk op 29 april 1945 door het Amerikaanse leger werd bevrijd. Na zijn vrijlating op 22-jarige leeftijd woog Henry slechts 32 kg (70 pond). Hij ging naar een ontheemdenziekenhuis in Landsberg am Lech . Na een paar maanden werd hij daar verhuisd naar een DP-ziekenhuis in St. Ottilien , en vandaar met Abraham naar Feldafing , een vluchtelingenkamp in Beieren .
Na de oorlog 
In 1946 emigreerde Abraham naar de Verenigde Staten. In 1947 maakte Henry zijn weg naar Brussel in BelgiŽ , waar hij terugkeerde naar zijn vrienden, de Rosenfarbs. Omdat ze niet legaal in BelgiŽ waren, moesten hij en zijn verloofde, Chava Rosenfarb , emigreren. Chava's zus, Henia Reinhartz, beschreef in haar Memoires "Bits and Pieces" de barre economische omstandigheden terwijl het gezin en Henry in Brussel woonden . Een foto toont Henia, Chava en hun moeder die jassen draagt ​​gemaakt van dekens die zijn geschonken door UNRRA . In 1949 waren Henry en Chava getrouwd. Ze verlieten Europa in februari 1950, op de SSSamaria, zeilen naar Canada .
Het echtpaar vestigde zich in Montrťal, waar Chava haar roeping als schrijver hervatte. Enkele maanden later werd hun eerste kind, Goldie, geboren. Hun tweede kind was een zoon, Abraham. Henry was, naar zijn eigen mening, een trotse rokkenjager. Hun huwelijk eindigde in een scheiding in het midden van de jaren zeventig. Chava stierf op 30 januari 2011.

HenryMorgentaler.jpg

Henry Morgentaler (rechts) in augustus 2005, met toenmalig NDP-leider Jack Layton
Geboren Heniek Morgentaler 19 maart 1923 Łůdź , tweede Poolse Republiek

Ging dood 29 mei 2013 (90 jaar) Toronto, Ontario , Canada
Nationaliteit Canadees
Bezetting Dokter, activist
Bekend om pro-choice belangenbehartiging
Partner (s) Chava Rosenfarb ( m. 1945-75)

 


Max Moszkowicz sr.

Max Moszkowicz sr. (Essen, 5 oktober 1926) is een Nederlands voormalig advocaat.
Jeugd en huwelijk
In 1933 vluchtten Moszkowicz' Joodse ouders uit angst voor het opkomend nationaalsocialisme naar Nederland en vestigden zich met hun gezin in Maastricht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor Moszkowicz zijn vader, moeder, broer en zus. Zij werden om het leven gebracht in Duitse vernietigingskampen. Zelf overleefde hij Auschwitz en Mauthausen en werd eind '45 Ė toen een jaar of 19 Ė weer naar Nederland gebracht. Na zijn terugkeer uit Duitsland werd hij opgevangen door een katholiek gezin in Limburg.Op 5 oktober 1948 huwde hij in Maastricht Maria Bertha (Berthe) Bessems, een lid van deze familie. Zij kregen vier zonen, David, Max jr., Robert en Bram.
Advocaat
Moszkowicz maakte na de oorlog alsnog het gymnasium af en begon een studie medicijnen te Utrecht. Al snel verwisselde hij deze studie voor rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn afstuderen vestigde hij zich als advocaat in Maastricht. Zijn zonen studeerden eveneens rechten en gingen de advocatuur in voor de familiefirma, die na zijn pensionering geleid werd door de broers David en Max jr. Als strafpleiter groeide Moszkowicz uit tot een van de bekendste van Nederland.Hij is vaak geroemd om zijn vakkennis en pleidooien. Moszkowicz verdedigde bekende namen uit de Amsterdamse onderwereld, zoals de crimineel Klaas Bruinsma en de Heineken-ontvoerders Cor van Hout en Willem Holleeder.Moszkowicz heeft wel aan kritiek blootgestaan omdat hij goed geld verdiende aan het verdedigen van harde misdadigers. Hij pareerde dit met de opmerking dat hij nooit de misdaad verdedigde, maar de mens.
Moszkowicz verdedigde in principe elk soort verdachte, met uitzondering van personen die verdacht worden van oorlogsmisdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Naar eigen zeggen vloeit dit voort uit de afweging dat hij dan "wegens persoonlijke omstandigheden niet in staat zou kunnen zijn om de best mogelijke verdediging van zo'n cliŽnt te garanderen".
In 2004 kreeg Moszkowicz een beroerte, sindsdien woont hij in het Belgische Hasselt.Vanaf januari 2013 is hij om gezondheidsredenen uitgeschreven als advocaat. Zijn zonen Robert, Bram en David werden als gevolg van tuchtprocedures uit het beroep van advocaat gezet.
Nevenactiviteiten
Naast zijn activiteiten als advocaat en manager heeft Moszkowicz sr. onder het pseudoniem 'Mr. Raab' vele jaren lang een wekelijkse column in De Telegraaf geschreven.Hierin verhaalde hij over zijn belevenissen als advocaat. Op basis hiervan zijn boeken verschenen en is ook een televisieserie gemaakt.
Van 1963 tot 1967 was hij lid van het hoofdbestuur van de VVD.
Bibliografie
2005 - Raab geeft niet op
2003 - Raab zet door
1999 - Raab op zijn best
1998 - Recht voor zijn raap
1994 - Bloed en tranen: uit de praktijk van mr. Raab
1989 - Uit de praktijk van mr Raab
1988 - Mr. Raab vertelt
1986 - Recht voor z'n raap Dl. 2
1985 - Recht voor z'n raap Dl. 1

Max Moszkowicz sr. (1985)

Max Moszkowicz sr. (1985)
Algemene informatie
Geboren Essen, 5 oktober 1926
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederlands
Beroep Advocaat
Overig
Kinderen David (1950)
Robert (1953)
Max (1955)
Bram (1960)
Kleinkinderen: Max Moszkowicz
Religie joods
Politiek VVD

 


Mirjam Ohringer
 

Al in haar tienerjaren voelde de geboren Amsterdamse zich geroepen om Duits-Joodse vluchtelingen te helpen, die na de machtsovername van Hitler naar Nederland waren gekomen. Zij verbleven hier illegaal en moesten in leven gehouden worden. Mirjam raakte betrokken bij het inzamelen van geld voor deze mensen. 

Toen de oorlog uitbrak, veranderde er veel voor de jonge vrouw, die met haar Joodse vader Herman in Amsterdam woonde. Haar moeder was in de jaren dertig naar Frankrijk vertrokken, na de scheiding. 

De eerste jaren kon Mirjam zich vol overgave inzetten voor onderduikers. Zo verspreidde ze onder andere verzetskrant De Waarheid en was ze contactpersoon van een communistisch stel dat ondergedoken zat op verschillende adressen in Amsterdam en Amstelveen. 

Toen de massadeportaties in de zomer van 1942 begonnen, moesten Mirjam en haar vader voor hun eigen leven vrezen. Toch weigerde de Amsterdamse om te vluchten naar Zwitserland, waar haar vader op aandrong. Ze wilde het verzet niet in de steek laten en bleef op verschillende onderduikadressen in Amsterdam en Oudkarspel. 
Moeder in het Franse verzet
Na de oorlog kwam het grote verdriet: vrijwel alle familie van Mirjams vader en moeder was omgekomen in vernietigingskampen. Moeder, die nog altijd in Frankrijk verbleef, had het gelukkig wel overleefd. Zij had gedurende de oorlog in het Franse verzet gezeten.

Na de oorlog voelde Mirjam zich als overlevende verplicht om voorlichting te geven over de Tweede Wereldoorlog. Ze was onder andere bestuurslid van het Sachsenhausencomitť, van het Verenigd Verzet en van het 4 en 5 mei Comitť. Ook gaf ze rondleidingen in het Verzetsmuseum.

De Amsterdamse bleef tot het einde toe strijdbaar: "Wanneer het slecht gaat, geeft men graag anderen de schuld, zoals tijdens het naziregime gebeurde met Joden, zigeuners en communisten. Laat je niet misleiden door de huidige politici die minderheden beschuldigen. Blijf hun uitspraken weerleggen."

Mirjam bleef tot op hoge leeftijd voorlichting geven over de Tweede Wereldoorlog, omdat zij zich daartoe verplicht voelde als overlevende.

Mirjam Ohringer werkte in 2008 mee aan het boek met DVD Een Verhaal uit Duizenden - kleinkinderen over de erfenis van de Shoah

Mirjam en vader Herman Ohringer.

Mirjam en vader Herman Ohringer.

 


Alexander Petsjerski

Alexander 'Sasha' Pechersky ( Russisch : Александр Аронович Печерский ; 22 februari 1909 - 19 januari 1990) was een van de organisatoren en de leider van de meest succesvolle opstand en massa-ontsnapping van Joden uit een nazi- vernietigingskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog ; die plaatsvond in het vernietigingskamp Sobibor op 14 oktober 1943.
In 1948 werd Pechersky samen met zijn broer gearresteerd door de Sovjetautoriteiten tijdens de landelijke Rootless cosmopolitan campagne tegen joden verdacht van pro-westerse neigingen. Pas na de dood van Stalin in 1953 werd hij vrijgelaten vanwege de toenemende internationale druk. De intimidatie hield echter niet op. Pechersky werd door de Sovjetregering verhinderd om te getuigen in meerdere internationale rechtszaken met betrekking tot Sobibor, waaronder het Eichmann-proces in IsraŽl. De laatste keer dat hem de toestemming werd ontzegd om het land te verlaten en te getuigen was in 1987 voor een rechtszaak in Polen. 
Vooroorlogs leven en carriŤre

Pechersky, een zoon van een joodse advocaat, werd geboren op 22 februari 1909 in Kremenchuk , Poltava Governorate , Russian Empire (nu OekraÔne ). In 1915 verhuisde zijn gezin naar Rostov aan de Don, waar hij uiteindelijk als elektricien bij een reparatiewerkplaats voor locomotieven werkte. Na zijn afstuderen aan de universiteit met een diploma in muziek en literatuur, werd hij accountant en manager van een kleine school voor amateurmuzikanten. 
Tweede Wereldoorlog
Op 22 juni 1941, de dag dat Duitsland de Sovjet-Unie binnenviel , werd Pechersky opgeroepen tot het Sovjet Rode Leger met een rang van junior luitenant . Tegen september 1941 werd hij bevorderd tot de rang van luitenant kwartiermeester (klasse II). In het vroege najaar van 1941 redde hij zijn gewonde commandant tegen de Duitsers. Hij ontving geen medailles voor deze daad. Een van zijn medesoldaten zei naar verluidt: " Sasha, als wat je hebt gedaan je geen held maakt, weet ik niet wie het is! In oktober 1941, tijdens de Slag om Moskou, hun eenheid werd omringd en gevangen genomen door de Duitsers in de stad Vyazma , Smolensk Oblast .
Gevangen, kreeg Pechersky snel tyfus , maar overleefde de zeven maanden durende ziekte. In mei 1942 ontsnapte hij samen met vier andere krijgsgevangenen, maar ze werden allemaal dezelfde dag opnieuw gevangengenomen. Hij werd vervolgens naar een strafkamp in Borisov , Wit-Rusland , gestuurd en vandaar naar een krijgsgevangenenkamp in het bos naast de stad Minsk . Tijdens een verplicht medisch onderzoek werd ontdekt dat hij besneden was . Pechersky herinnerde zich een Duitse medische officier met de vraag: " Geeft u toe dat u een Jood bent?" Hij gaf het toe, aangezien elke weigering zou resulteren in een geseling ,en werd samen met andere Joodse krijgsgevangenen in een kelder gegooid die "het Joodse graf" werd genoemd, waar hij gedurende 10 dagen in volledige duisternis zat, waar hij elke tweede dag 100 gram tarwe en een kopje water te eten kreeg. 
Op 20 augustus 1942 werd Pechersky naar een SS- geopereerde arbeitslager , een werkkamp , in Minsk gestuurd . Het kamp huisvestte 500 Joden uit het getto van Minsk , evenals Joodse Sovjet krijgsgevangenen; er waren ook tussen 200-300 Sovjet gevangenen die door de Duitsers als onverbeterlijk werden bestempeld: mensen die verdacht werden van contact met de Sovjet-partizanen en degenen die herhaaldelijk spijbelden terwijl ze voor de Duitsers werkten. De gevangenen waren uitgehongerd en werkten van zonsopgang tot zonsondergang. Pechersky schreef over het werkkamp in Minsk:
De Duitse nazi-kampcommandant liet geen dag voorbijgaan zonder iemand te doden. Als je naar zijn gezicht keek, zag je dat hij een sadist was. Hij was dun, zijn bovenlip trilde en zijn bloeddoorstroming in het linkeroog. Hij had altijd een kater of was dronken en beging onuitsprekelijke gruwelen. Hij schoot mensen zonder reden en zijn favoriete hobby was het bevelen van zijn hond om willekeurige mensen aan te vallen die waren bevolen om zichzelf niet te verdedigen. - Pechersky 
Sobibor vernietigingskamp
Op 18 september 1943 Pechersky, samen met 2.000 joden uit Minsk waaronder ongeveer 100 Sovjet Joodse krijgsgevangenen, werd in een trein geplaatst veewagen die aangekomen bij het vernietigingskamp Sobibor op 23 september 1943. Tachtig gevangenen van de trein, waaronder Pechersky, waren geselecteerd voor werk in Lager II . De resterende 1.920 Joden werden onmiddellijk naar de gaskamers geleid. Pechersky herinnerde zich later zijn gedachten toen de trein naar Sobibor trok, "Hoeveel cirkels van de hel waren er in de Inferno van Dante? Het schijnt dat er negen waren." Hoeveel zijn er al voorbijgegaan? "Omsingeld, gevangen genomen, kampen in Vyazma, Smolensk, Borisov, Minsk ... En eindelijk ben ik hier. En wat nu?De verschijning van Sovjet krijgsgevangenen veroorzaakte een enorme indruk op Sobibor-gevangenen: "hongerige, met hoop gevulde ogen volgen hun elke beweging". 
Pechersky schreef over zijn eerste dag in Sobibor:
Ik zat 's avonds buiten op een stapel houtblokken met Salomon (Shlomo)Leitman, die later mijn topcommandant bij de opstand werd. Ik vroeg hem naar het enorme, vreemde vuur dat op 500 meter afstand van ons achter een paar bomen brandde en naar de onaangename geur in het kamp. Hij waarschuwde me dat de bewakers verboden om daarnaar te kijken en vertelde me dat ze de lijken verbrandden van mijn vermoorde kameraden die die dag met mij aankwamen. Ik geloofde hem niet, maar hij vervolgde: hij vertelde me dat het kamp meer dan een jaar bestond en dat bijna elke dag een trein kwam met tweeduizend nieuwe slachtoffers die allemaal binnen een paar uur werden vermoord. Hij zei ongeveer 500 Joodse gevangenen - Pools, Frans, Duits, Nederlands en Tsjechoslowaaks werk hier en dat mijn transport de eerste was om Russische Joden te brengen. Hij zei dat op dit kleine stuk grond, niet meer dan 10 hectare (24,7 hectare of .1 vierkante kilometer), Honderdduizenden Joodse vrouwen, kinderen en mannen werden vermoord. Ik dacht aan de toekomst. Moet ik alleen of met een kleine groep proberen te ontsnappen? Moet ik de rest van de gevangenen achterlaten om gemarteld en vermoord te worden? Ik verwierp deze gedachte.- Pechersky 
Tijdens zijn derde dag in Sobibor verdiende Alexander Pechersky het respect van medegevangenen door op te staan ​​tegen Karl Frenzel , een hoge officier van de SS, omdat het incident werd teruggeroepen door Leon Feldhendler .
Pechersky, die nog steeds zijn uniform uit het Sovjetleger droeg, kreeg de opdracht om boomstronken in het Noordkamp op te graven. Frenzel had de leiding omdat een ondergeschikte ergens anders was en in een slecht humeur verkeerde. Frenzel wachtte op een excuus om iemand aan te pakken omdat hij zichzelf als officier en een heer beschouwde en wachtte op een of andere reden om zijn sadistische spelletjes te beginnen. Een Nederlandse Jood was te zwak om een ​​stronk te hakken, zodat Frenzel hem met zijn zweep sloeg.
Pechersky stopte met hakken en keek naar het slaan terwijl hij op zijn bijl rustte. Kapo Porzyczki vertaalde toen Frenzel aan Pechersky vroeg of hij het niet leuk vond wat hij zag. Pechersky boog zich niet voorover, schudde niet van angst, maar antwoordde: Ja OberscharfŁhrer. Franzel vertelde Pechersky dat hij 5 minuten had om een ​​grote boomstronk in tweeŽn te splitsen. Als Pechersky de tijd verspeelde dat hij een pakje sigaretten zou ontvangen, zou hij, als hij verloor, 25 keer worden geslagen. Franzel keek op zijn horloge en zei: Begin.
Pechersky splitste de stronk in vierenhalve minuut en Frenzel stak een pakje sigaretten uit en kondigde aan dat hij altijd doet wat hij belooft. Pechersky antwoordde dat hij niet rookte, zich omdraaide en terugkwam om nieuwe boomstronken te hakken. Frenzel kwam twintig minuten later terug met vers brood en boter en bood het aan Pechersky aan. Pechersky antwoordde dat de rantsoenen in het concentratiekamp meer dan voldoende waren en dat hij geen honger had. Frenzel draaide zich om en vertrok, waardoor Kapo Porzyczki de leiding had. Die avond verspreidde deze aflevering van verzet zich door Sobibor. Deze aflevering beÔnvloedde de leiding van de Poolse joden om Pechersky te benaderen over ideeŽn voor een ontsnappingsplan. - Leon Feldhendler 
Ontsnappingsplan 
Pechersky's plan versmolt het idee van een massale ontsnapping met wraak: om zoveel mogelijk gevangenen te helpen ontsnappen tijdens het uitvoeren van SS-officieren en bewakers. Zijn uiteindelijke doel was om zich bij de partizanen aan te sluiten en de nazi's te blijven bestrijden. 
Vijf dagen na aankomst in Sobibor werd Pechersky opnieuw benaderd door Solomon Leitman namens Leon Feldhendler , de leider van de Poolse joden in het kamp . Leitman was een van de weinige gevangenen die Russisch verstond en Pechersky sprak geen Jiddisch of Pools . Pechersky werd uitgenodigd om te praten met een groep Joodse gevangenenleiders uit Polen, aan wie hij sprak over de overwinning van het Rode Leger in de Slag bij Stalingraden partijdige overwinningen. Toen een van de gevangenen hem vroeg waarom de partizanen hen niet uit Sobibor zouden redden, antwoordde Pechersky naar verluidt: "Waarvoor? Om ons allemaal te bevrijden De partizanen hebben al hun handen vol Niemand zal ons werk voor ons doen." 
De Joodse gevangenen die in het vernietigingskamp Bełżec hadden gewerkt , werden naar Sobibor gestuurd om te worden uitgeroeid toen Bełżec werd gesloten. Uit een aantekening die te vinden was onder de kleding van de vermoorde, ontdekten de Sobibor-gevangenen dat degenen die werden gedood afkomstig waren van werkgroepen in het kamp Bełżec. De notitie zei: "We hebben een jaar in Belzec gewerkt, ik weet niet waar ze ons nu naartoe brengen." Ze zeggen tegen Duitsland: in de goederenwagons staan ​​tafels, drie dagen lang brood, en blikken en alcohol, als dit allemaal een leugen is, weet dan dat de dood op je wacht. "Vertrouw de Duitsers niet." "Wreek ons ​​bloed!
De leiders van de Poolse joden waren zich ervan bewust dat Bełżec en Treblinka waren gesloten, ontmanteld en alle resterende gevangenen naar de gaskamers waren gestuurd en zij vermoedden dat Sobibor de volgende zou zijn. Er was grote urgentie bij het bedenken van een goed ontsnappingsplan, en Pechersky, met zijn legerervaring, was hun beste hoop. De ontsnapping moest ook samenvallen met de tijd dat de afgevaardigdecommandant van de Sobibor, Gustav Wagner , op vakantie ging, aangezien de gevangenen het gevoel hadden dat hij scherp genoeg was om het ontsnappingsplan te onthullen. 
Luka
Pechersky had clandestien een ontmoeting met Feldhendler onder het mom van een ontmoeting met Luka, een vrouw met wie hij vermoedelijk betrokken was. Luka wordt vaak beschreven als een 18-jarige vrouw uit "Holland", maar uit gegevens blijkt dat zij 28 was en uit Duitsland was haar echte naam Gertrud Poppert-SchŲnborn ( de ) . Na de oorlog stond Pechersky erop dat de relatie platonisch was . Haar lot na de ontsnapping is nooit vastgesteld en ze is nooit meer levend gezien.Tijdens een interview met Thomas Blatt, Pechersky zei het volgende met betrekking tot Luka: "Hoewel ik haar slechts ongeveer twee weken kende, zal ik haar nooit vergeten .Ik heb haar minuten voor de ontsnapping van het plan geÔnformeerd.Ze heeft me een shirt gegeven .Ze zei: 'het is een goed geluk shirt, doe het nu meteen ', en dat deed ik. Het is nu in het museum, ik verloor haar in de beroering van de opstand en heb haar nooit meer gezien.
Luka's shirt bestaat nog steeds en wordt op 3 mei 2010 beschreven door Pechersky's dochter als:
Het is zeer goed bewaard gebleven. Lichtgrijs. Heeft donkergrijze strepen. Een beetje versleten door slijtage en vaak gewassen. Lange mouwen. De kraag heeft enkele wazige letters van het Latijnse alfabet die niet meer leesbaar zijn. 
De opstand 
Volgens het plan van Pechersky zouden de gevangenen de Duitse SS-staf vermoorden, waardoor de hulpplaatsen zonder leider zouden staan, wapens zouden krijgen en de resterende bewakers zouden elimineren. Individuele Poolse Joodse gevangenen kregen specifieke Duitse SS-bewakers toegewezen die ze in de workshops onder een voorwendsel zouden moeten lokken en in stilte doden. Ester Raab, een overlevende van de ontsnapping, herinnerde zich: "Het plan was om 4 uur (pm) te starten (de ontsnapping), iedereen moet zijn SS-man en zijn bewaker op zijn werkplek doden.Slechts een kleine kring van vertrouwde Poolse Joodse gevangenen was op de hoogte van het ontsnappingsplan omdat ze de Joden niet vertrouwden uit andere Europese landen. 
Op 14 oktober 1943 begon het ontsnappingsplan van Pechersky. Gedurende de dag werden verschillende Duitse SS-mannen naar workshops gelokt over verschillende voorwendsels, zoals het passen van nieuwe laarzen of dure kleding. De SS'ers werden vervolgens doodgestoken met timmermansbijlen, priemgetallen en beitels discreet teruggevonden van eigendom achtergelaten door vergaste joden; met scherpe gereedschappen van andere handelaars; of met ruwe messen en bijlen gemaakt in de machinewerkplaats van het kamp. Het bloed was bedekt met zaagsel op de vloer. De ontsnappers waren bewapend met een aantal handgranaten, een geweer, een machinepistool en verschillende pistolen die de gevangenen stalen van de Duitse woonvertrekken, evenals de wapens die werden gevangen genomen door de dode SS-ers. Eerder op de dag, SS-OberscharfŁhrer Erich Bauer, bovenaan de dodenlijst van Pechersky, reed onverwachts naar Chełm voor bevoorrading. De opstand werd bijna uitgesteld sinds de gevangenen geloofden dat de dood van Bauer noodzakelijk was voor het succes van de ontsnapping. Bauer kwam vroeg terug van Chełm, ontdekte dat SS-ScharfŁhrer Rudolf Beckmann was vermoord en begon te schieten op de Joodse gevangenen. Het geluid van het geweervuur ​​zette Alexander Pechersky ertoe aan om de opstand eerder dan gepland te beginnen. Pechersky schreeuwde de vooraf geprogrammeerde codewoorden: "Hoera, de opstand is begonnen!" 
Ongeorganiseerde groepen gevangenen liepen in alle richtingen. Ada Lichtman, een overlevende van de ontsnapping herinnert zich: "Plots hoorden we schoten ... De mijnen begonnen te exploderen. Rellen en verwarring heersten, alles donderde rond. De deuren van de werkplaats werden geopend en iedereen snelde door ... We liepen uit de werkplaats, overal waren de lichamen van de doden en gewonden. " Pechersky kon met succes het bos in vluchten. Aan het einde van de opstand werden 11 Duitse SS'ers en een onbekend aantal OekraÔense bewakers gedood. Van de ongeveer 550 joodse gevangenen in het vernietigingskamp Sobibor kozen 130 ervoor om niet deel te nemen aan de opstand en bleven in het kamp; ongeveer 80 werden tijdens de ontsnapping gedood, hetzij door machinegeweervuur ​​vanuit wachttorens, hetzij door een mijnenveld in de buitenomtrek van het kamp; 170 meer werden heroverd door de nazi's tijdens grootschalige zoekopdrachten. Iedereen die in het kamp bleef of gevangen werd na de ontsnapping, werd geŽxecuteerd. 53 Sobibor-ontsnapten hebben de oorlog overleefd. Binnen enkele dagen na de opstand beval SS-chef Heinrich Himmler het kamp gesloten, ontmanteld en beplant met bomen.
Nasleep 
Onmiddellijk na de ontsnapping volgde een groep van 50 gevangenen Pechersky in het bos. Na verloop van tijd informeerde Pechersky de Poolse joden dat hij samen met een paar Sovjet-joodse soldaten het nabijgelegen dorp zou binnenkomen en dan snel zou terugkeren met eten. Ze zouden al het geld hebben verzameld (Pechersky suggereert dat de geldverzameling een verzonnen detail is) en wapens behalve ťťn geweer, maar kwamen nooit terug. In 1980 vroeg Thomas Blatt aan Pechersky waarom hij de andere overlevenden had verlaten. Pechersky antwoordde:
Mijn taak was voltooid. Jij was Poolse Joden op je eigen terrein. Ik hoorde in de Sovjet-Unie en beschouwde mezelf nog steeds als een soldaat. Naar mijn mening waren de overlevingskansen beter in kleinere eenheden. Om de mensen rechtuit te zeggen: "we moeten scheiden" zou niet gewerkt hebben. U hebt het gezien, zij volgden elke stap van mij, we zouden allemaal omkomen. wat kan ik zeggen? Jij was daar. We waren alleen maar mensen. De basisinstincten kwamen om de hoek kijken. Het was nog steeds een gevecht om te overleven. Dit is de eerste keer dat ik hoor over het verzamelen van geld. Het was een beroering, het was moeilijk om alles onder controle te houden. Ik geef toe, ik heb de onbalans in de verdeling van de wapens gezien, maar je moet begrijpen dat ze liever sterven dan dat ze hun wapens opgeven. - Pechersky 
Pechersky zwom samen met twee andere ontsnappingen door de bossen tot ze Yakov Biskowitz tegenkwamen en een andere Sobibor ontsnapte. Biskowitz heeft getuigd tijdens het Eichmann-proces met betrekking tot de vergadering:
We zwierven samen door de bossen, totdat we Sasha Pechersky ontmoetten. Er waren drie van hen die ik tegenkwam. Eťn had zwakke benen. Ze droegen witte kleding gemaakt van handgeweven materiaal. Ze waren in de modder gevallen nadat ze waren ontsnapt. Daarna hebben we elkaar ontmoet. We waren nu met z'n vijven - we liepen naar de Skrodnitze-bossen. Daar ontmoetten we de eerste Joodse partizanen genaamd Yehiel's Group (onder Yehiel Grynszpan) - het was een groep Joden die actie ondernam. Wij zijn bezig met het saboteren van spoorlijnen, snijden telefoondraden, hit-and-run aanvallen op Duitse legereenheden. - Yakov Biskowitz 
De twee Russische joodse soldaten die Yahov Biskowitz een ontmoeting met Pechersky hadden, waren Alexander Shubayev (die verantwoordelijk was voor de executie van SS-UntersturmfŁhrer Johann Niemann , werd later gedood tegen de Duitsers) en Arkady Moishejwicz Wajspapier (die verantwoordelijk was voor de executie van SS-OberscharfŁhrer Siegfried Graetschus en Volksdeutscher Ivan Klatt; heeft de oorlog overleefd). Pechersky vocht ruim een ​​jaar met de Yehiel's Group-partizanen als een sloopexpert en later met de Sovjetgroep van Voroshilov-partizanen, totdat het Rode Leger de Duitsers uit Wit-Rusland verdreef . 
Als een ontsnapte krijgsgevangene werd Pechersky opgeroepen tot speciale strafbataljons , conform Stalin's Order nr. 270 en werd hij naar het front gestuurd om de Duitse strijdkrachten te verslaan in enkele van de zwaarste gevechten van de oorlog.Pechersky's bataljonsbevelhebber, majoor Andreev, was zo geschrokken van zijn beschrijving van Sobibor dat hij Pechersky toestond naar Moskou te gaan en met de onderzoekscommissie van de misdaden van fascistisch-Duitse agressors en hun begeleiders te spreken . De Commissie luisterde naar Pechersky en publiceerde het rapport Uprising in Sobibor op basis van zijn getuigenis. Dit rapport was opgenomen in het Black Book , een van de eerste uitgebreide compilaties over de Holocaust, geschreven door Vasily Grossman en Ilya Ehrenburg .
Voor het vechten tegen de Duitsers als onderdeel van de strafbataljons, werd Pechersky bevorderd tot de rang van kapitein en ontving hij een medaille voor dapperheid. Hij werd uiteindelijk ontslagen na een ernstig voetletsel. In een ziekenhuis in Moskou maakte hij kennis met zijn toekomstige vrouw, Olga Kotova. 
Na de oorlog 
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog keerde Pechersky terug naar Rostov aan de Don, waar hij leefde vůůr de oorlog, en begon hij te werken als beheerder in een operettetheater . De massamoord op Joden in het Sobibor-vernietigingskamp werd onderdeel van de beschuldigingen tegen leidende nazi's tijdens de processen in Neurenberg . Het Internationale Tribunaal in Neurenberg wou Pechersky als getuige oproepen , maar de Sovjetregering stond hem niet toe naar Duitsland te reizen om te getuigen.
In 1948, tijdens de jodenvervolging van Stalin, bekend als de ' Wortelloze kosmopolitische ' campagne gericht op degenen die naar verluidt geen echte loyaliteit en toewijding aan het stalinisme en de Sovjet-Unie misten , werd Pechersky samen met zijn broer gearresteerd. Pas na de dood van Stalin in 1953 en toenemende internationale druk voor zijn vrijlating, werd Pechersky bevrijd uit de gevangenis. Zijn broer, echter, bezweken aan een diabetische coma terwijl opgesloten. Alexander Pechersky mocht doorgaan met werken in een klein muzikaal amateurtheater, maar in een veel meer achteloze positie.
De Sovjetregering verhinderde Pechersky bij het Eichmann-proces in IsraŽl te getuigen , maar stond alleen een korte verklaring toe in Moskou, die werd gecontroleerd door de KGB . In 1963 verscheen hij als getuige tijdens het Sovjetproces van 11 voormalige OekraÔense bewakers in Sobibor; iedereen werd veroordeeld en 10 van hen werden geŽxecuteerd. [24] Volgens zijn dochter in een interview, werd Pechersky verhinderd door de regering van de Sovjetunie om te getuigen in meerdere internationale processen met betrekking tot Sobibor. De laatste keer dat Pechersky toestemming werd geweigerd om het land te verlaten en te getuigen was in 1987 voor een proces in Polen, en volgens zijn dochter, deze weigering "Ik heb mijn vader alleen maar verminkt. Hij stopte bijna met uitstappen en werd onmiddellijk ouder.
Alexander Pechersky stierf op 19 januari 1990 en werd begraven op de noordelijke begraafplaats in Rostov aan de Don, Rusland. Vanaf 2009 wonen Pechersky's dochter, kleindochter en twee achterkleinzonen in Rostov aan de Don (zijn nicht, haar zoon en hun nakomelingen wonen in de Verenigde Staten).
Herdenking
Alexander Pechersky-monument in Tel Aviv
Alexander Pechersky is prominent aanwezig in een Nederlands-Sovjet-documentaire Revolt in Sobibor (1989) van regisseur Pavel Kogan.
Een bekroonde documentaire over de ontsnapping werd gemaakt door Claude Lanzmann , getiteld Sobibor, 14 oktober 1943, 16 jaar . De opstand werd ook gedramatiseerd in de British TV-film Escape from Sobibor uit 1987 , waarin Rutger Hauer een Golden Globe Award ontving voor beste acteur in een ondersteunende rol (televisie) voor zijn vertolking van Pechersky. Pechersky was echter niet aanwezig bij de premiŤre van de film; zijn weduwe verklaarde later dat de Sovjetregering hem geen toestemming had om naar de Verenigde Staten te reizen . 
Pas in 2007, 17 jaar na zijn dood, was een klein gedenkplaatje aan de zijkant van het gebouw waar hij in Rostov aan de Don woonde. Er is ook een gedenkmuur met zijn naam erop gegraveerd in Boston . Een straat werd genoemd ter ere van hem in Safed , IsraŽl en Rostov aan de Don , Rusland en een stenen gedenkteken dat recentelijk in Tel Aviv is opgericht.
In 2013 ontving Alexander Pechersky (postuum) het Ridderkruis van de Orde van Verdienste van de Republiek Polen .
In januari 2016 ontving hij postuum de Russische Orde van Moed bij decreet van Vladimir Poetin .

Sobibůr vernietigingskamp (05b) .JPG

Geboortenaam Alexander Aronovich Pechersky
Bijnamen) Sasha
Geboren 22 februari 1909 
Kremenchuk , Poltava Governorate , Russian Empire
Ging dood 19 januari 1990 (80 jaar) Rostov aan de Don , Sovjet-Unie
Trouw Sovjet Unie
Service / filiaal rode Leger
Rang Gezagvoerder
Gevechten / oorlogen Tweede Wereldoorlog
Awards Medaille voor Battle Merit (1951), Medaille "Voor de overwinning op Duitsland in de grote patriottische oorlog 1941-1945" [1]
Partner (s) Olga Kotova
Kinderen Dochter
Ander werk Muziektheater administratie
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De gedenkplaat op het gebouw waar Pechersky woonde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alexander Pechersky-monument in Tel Aviv

 


Mirjam Pinkhof vertelt haar verhaal

Mirjam Waterman werd in 1916 geboren in Nederland, naar een joodse familie van comfortabele middelen, en werd op tweeŽntwintigjarige leeftijd onderwijzer. Kort daarna merkte ze dat ze erg betrokken was bij de Youth Aliyah- beweging, een zijtak van de zionistische beweging.
Jeugd Aliyah werd in 1933 georganiseerd om Joodse kinderen te redden van nazi-Duitsland en Oostenrijk door hen te helpen naar Palestina te emigreren. Na de Kristallnacht , 9 november 1938, toen veel Duitse Joden voor de eerste keer de ernst van hun situatie begrepen, nam het aantal ouders dat zich tot Uwe Aliyah wendde, sterk toe.
Omdat de vraag naar Palestina-immigratiecertificaten snel hun beschikbaarheid overschreed, bracht Youth Aliyah duizenden vluchtelingenkinderen naar "veilige" Europese landen, met name Nederland en Groot-BrittanniŽ.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 had Youth Aliyah gezorgd voor de immigratie naar Palestina van meer dan vijfduizend Duitse en Oostenrijkse joodse kinderen en het veilige transport van vijftienduizend anderen naar nog niet bezet zijnde Europese landen. De kinderen noemden zichzelf Young Palestine Pioneers.
Mirjam Pinkhof: Ik ben opgegroeid in een omgeving met zeer geavanceerde liberale en humanistische ideeŽn, maar ik wist niets over joodse onderwerpen. We waren een volledig geassimileerde familie.
Het gezin van mijn moeder was Portugees Joods; haar naam was Lopes Cardozo. Als jonge vrouw betrad ze een utopische samenleving voor beter leven: de Frederik van Eeden-gemeenschap, zoiets als Walden in Amerika. Na haar huwelijk bleef ze actief in humanistische, anti-militaire en antifascistische organisaties.
Mijn hele gezin werd geassimileerd, behalve mijn vader, die uit de arme Joodse wijk in Amsterdam kwam. Hij werkte zich op in de wereld door de onvoorspelbare omstandigheden in Amsterdam te verlaten en naar het platteland te verhuizen waar hij land kocht om een ​​kwekerij te beginnen voor fruitbomen en rozen. Maar de tijden waren er niet goed voor. Het was rond het begin van de Eerste Wereldoorlog, en er was een hausse in de diamanthandel, maar problemen in de kwekerij. Dus voor de rest van zijn leven verdiende mijn vader zijn brood in de diamanthandel, terwijl de boerderij en fruitbomen zijn hobby werden. Hij bleef altijd in contact met de Joodse gemeenschap in Amsterdam en met veel van de Joodse vluchtelingen die in die dagen naar Nederland kwamen vanuit Rusland en Polen. Hij was een erg "Joodse" man.
Maar mijn vader was ook een vegetariŽr en een actieve deelnemer aan veel socialistische activiteiten, en dat is hoe hij mijn moeder ontmoette. Daarom zijn we met vijf kinderen opgegroeid in Loosdrecht - ver van het joodse leven - in een enorme tuin, omringd door mensen die probeerden een betere wereld te bouwen.
Lesgeven: er was een school in Bilthoven, de Werkplaats Kinder Gemeenschap. De oprichter was Kees Boeke, die in West-Europa in West-Europa toen al bekend stond om zijn vooruitstrevende ideeŽn. Boeke was een Quaker en zijn school was opmerkelijk vanwege zijn idealistische principes. Foto van Joop Westerweel, c. 1942 Het liep enigszins als een kibboets, vormde een eigen gemeenschap en verbouwde zijn eigen voedsel. De mensen die daar lesgaven deden dit uit morele overtuiging en idealisme, eerder dan om geld te verdienen, omdat de school zijn personeel heel weinig betaalde. De schooldirecteur was Joop Westerweel, die later beroemd werd in Nederland vanwege zijn verzet tegen de Duitsers. Ik was een leraar op deze school.
Een van de principes van de school was dat de leerlingen iets konden zeggen over ons onderwijs en hoe we het dagelijkse leven van de school leidden. In deze geest stond een student in 1939 op een dag op en vertelde ons dat hij, toen hij 's morgens naar school kwam, een huis passeerde waar tieners rondliepen, sommigen in de bomen - allemaal erg verveeld. Die dag stapte hij uit zijn fiets om met hen te praten. Ze vertelden hem dat het Joodse vluchtelingen uit Duitsland waren die door de Youth Aliyah-beweging naar Nederland waren gebracht. Ze hadden een leuke plek om te wonen, maar ze hadden geen boeken, geen school en er was niet veel te doen. Onze student vroeg ons: "Kunnen we deze kinderen misschien naar de Werkplaats brengen voor school?"
Joop Westerweel zei: "Natuurlijk moeten ze komen!" Kees Boeke huurde een speciaal klaslokaalgebouw voor deze vijfentwintig Joodse kinderen, en vrij snel kwamen ze elke ochtend naar onze school en keerden ze pas laat in de middag terug naar hun Jeugd Aliyah-huis.
Vanwege mijn Joodse afkomst heeft de school mij aangewezen om deze groep te onderwijzen. Uit dit contact werden Joop Westerweel en ik zeer goede vrienden. Ik heb uit de eerste hand geleerd over zijn enthousiasme voor het helpen van de joodse kinderen, en zijn anti-nazi, anti-Duitse gevoelens. Hij was voor honderd procent joods, wilde het leven van deze kinderen verrijken en al het mogelijke doen om hen te helpen. We hebben allebei keihard gewerkt om te laten zien dat we niet met de Duitsers zouden samenwerken en dat we tegen alles waren wat de nazi's vertegenwoordigden.

Foto van Joop Westerweel, c.  1942

Midden 1941, toen hij voor Duitse druk buigend was, vroeg Kees Boeke aan Mirjam om af te treden als leraar op de Children's Werkplaats, omdat zij joods was.
Na haar ontslag op de Werkplaats keerde Mirjam terug naar het huis van haar ouders in Loosdrecht, waar ze in het najaar van 1941 een school opende voor de plaatselijke joodse kinderen die op basis van het Duitse decreet niet langer naar hun openbare school konden gaan. Zestig studenten kwamen elke dag naar haar huis.
Foto van Paviljoen Loosdrechtse Rade, c. 1942The Second Youth Aliyah Group: Niet ver van mijn ouderlijk huis in Loosdrecht was een plaats genaamd Paviljoen Loosdrechtse Rade. Ongeveer zeventig tieners van twaalf tot zestien jaar woonden daar met hun leiders, allemaal leden van een andere Jeugd-aliyah-groep. De meesten van hen waren Duits-joodse vluchtelingen, hoewel er ook een paar Nederlanders onder zaten. De jongens werkten samen met de lokale Nederlandse boeren, studeerden landbouwpraktijken, terwijl de meisjes met de vrouwen van de boeren werkten, leerden hoe ze koeien moesten melken, huishoudelijke taken moesten uitvoeren en al het andere dat een boerin nodig heeft om te weten. Sommige jongens leerden andere vaardigheden, zoals timmeren of smeden. Alle jonge pioniers waren toegewijd om zich voor te bereiden op een nieuw leven in Palestina.
Ik had voor de oorlog nooit veel nagedacht over het zionisme, maar toen Hitler Polen binnenviel in '39, begon ik erover na te denken. Toen de Duitsers Nederland bezetten in '40, werd ik een zionist. Het was pas toen dat plotseling iets binnen me vertelde dat ik van het Joodse volk was, aan de Joodse kant van het hele ding. Ik sloot me aan bij de zionistische jeugdbeweging. Zoals de meeste mensen iets nieuws beginnen, ben ik er met veel enthousiasme aan begonnen.
Omdat ik zo dichtbij was, had ik veel contact met het Loosdrecht Jeugd Aliyah huis - ik raakte erg betrokken bij hun culturele leven. Voor elk joods onderwerp, bijvoorbeeld voor een joodse feestdag, of de vrijdagavond sabbat, nodigde ik de Palestijnse pioniersleiders uit om met mijn leerlingen te komen praten. Toen ik me steeds meer ging bezighouden met de zionistische jeugdbeweging, zocht ik ook advies bij de huisleiders van de Youth Aliyah over deze zaken. Dit was eind 1940.
Tegen 1942 was de school bij het huis van mijn ouders klaar. De Duitsers openden een school alleen voor joodse leerlingen, maar ze stuurden al snel alle studenten naar Westerbork via Amsterdam, inclusief de meeste kinderen die mijn school in Loosdrecht hadden bezocht.
Toen de razzia's van de Joden steeds frequenter werden, begonnen de Loosdrechtse leiders en ik na te denken over wat te doen met alle Jonge Pioniers die onder hun hoede waren. Je zou je kunnen afvragen, waarom was het jouw zaak om je zorgen te maken om die kinderen? Welnu, we probeerden zo hard om de nazi's te weerstaan, het werd net begrepen dat we zouden proberen die kinderen te beschermen.
Toch dachten de meeste leiders dat het volledig onmogelijk zou zijn ze te verbergen. In de eerste plaats was het niet zo eenvoudig om gezinnen te vinden die bereid waren om mensen te redden, met name tienerkinderen die nauwelijks Nederlands konden spreken. Ze woonden samen in een gesloten, geÔsoleerde wereld en hadden vrijwel geen ervaring met de niet-Joodse wereld. Ze waren erg joods.
Foto van Menachem Pinkhof, c. 1943 Een van de leiders was Joachim Simon - iedereen noemde hem Shushu. Hij was een buitengewoon fijne man, die grote invloed had op alle kinderen, maar hij was erg pessimistisch over wat Joodse mensen konden doen om zichzelf van de nazi's te redden. Hij was Duits en was al in een concentratiekamp in '38, na de Kristallnacht. Omdat hij geloofde dat hij de Duitse mentaliteit heel goed begreep, had hij geen hoop dat er iets goeds uit zou komen voor de Joden. Hij was er volledig van overtuigd dat de nazi's allemaal machtig waren en we konden nooit hopen te winnen - het was absoluut nutteloos om weerstand te bieden.
Een andere leider was een Nederlander, Menachem Pinkhof. Hij was ook volledig pessimistisch over wat er in Duitsland gebeurde, hoewel er in die tijd nog niemand in Nederland wist van dodenkampen of gaskamers. Ik moet zeggen dat wij Nederlanders erg naÔef waren; we konden ons niet eens alle dingen voorstellen die eigenlijk al waren gebeurd.
Op een dag kwam een ​​man die veel meer over de situatie wist dan wij, naar Loosdrecht. De Duitsers hadden deze man, Edelstein, uit Praag gestuurd om de Joodse Raad in Amsterdam op te zetten. Edelstein waarschuwde ons dat we alleen het ergste konden verwachten voor mensen die naar het oosten werden gestuurd om naar kampen in Polen of Duitsland te gaan. Dit was eigenlijk de eerste keer dat ik over deze dingen hoorde - nog geen gaskamers - maar dat we niets dan de dood konden verwachten.
Menachem was de enige van de vier leiders die besloten had dat we ons nooit aan de Duitsers zouden overgeven. Hij was degene die Shushu uiteindelijk overtuigde dat we moeten proberen veilige schuilplaatsen te vinden voor al deze kinderen. Shushu dacht dat het onmogelijk was. Maar hij veranderde van gedachten toen ik Joop Westerweel naderde en vroeg of hij ons wilde helpen. Ik kende zijn persoonlijkheid en voelde me zeker van zijn antwoord. Ik wist ook dat hij connecties had met een grote groep mensen die Joden wilde redden.

Foto van Paviljoen Loosdrechtse Rade, c.  1942

 

Foto van Menachem Pinkhof, c.  1943

 

De Westerweel Groep: vanaf het moment dat Joop Westerweel ons kwam helpen, veranderde alles. We begonnen te werken. We zetten een kleine groep op - de meesten waren heidenen, maar het omvatte ook Joden zoals ikzelf, Menachem en Shushu. We begonnen met het maken van een lijst met de namen van alle kinderen die moesten worden gered en probeerden tegenover de naam van elk kind de naam te plaatsen van een familie die bereid was ze te accepteren. We maakten foto's van elk kind voor valse identiteitskaarten. Ik probeerde meer dan vijftig plaatsen te vinden en het werk ging heel langzaam. We hebben heel Nederland doorzocht.
Foto van Kinderen die spelen in Loosdrecht Jeugd Aliyah Huis, c. 1942
Uit onze inspanningen om deze groep kinderen te redden, groeide een verzetsbeweging van Joden en niet-Joden die tot het einde toe net zo naast elkaar werkten. Het einde voor sommigen van hen was de dood. Velen werden gepakt.
Joop Westerweel werd in augustus '44 doodgeschoten. Shushu werd in januari '43 gevangen. Toen hij in de gevangenis zat, pleegde hij zelfmoord - hij was bang dat hij het onder het verhoor zou afbreken en zijn vrienden zou verraden. Dus dat was het einde voor hen. In 1944 vielen Menachem en ik in de val van een verrader en werden gepakt. We gingen door gevangenissen en kwamen terecht in Bergen-Belsen, maar we leefden. Aan het eind waren we erg mager en zwak, maar ik ben hier, in staat om je het verhaal te vertellen.
Onze vijftig jonge Palestijnse pioniers onder de grond houden, betekende veilige plaatsen vinden voor hen om te blijven, rantsoenkaarten voor voedsel, geld, boeken, frequente bezoeken afleggen om hun moraal bij te houden en brieven van hun vrienden en soms van hun familieleden aan hen door te geven. De behoefte aan schuilplaatsen was nooit eindigend. Mensen die een van onze kinderen verstopten, werden door een buurvrouw gevraagd of ze een Jood in huis hadden. Ze werden bang om het kind langer te houden en we moesten op zoek naar een nieuw adres. Het was een enorme klus.
Onze groep groeide in aantal. We hebben contact gelegd met andere groepen die op verschillende niveaus hebben gewerkt, met verschillende doelen. Je moet mensen kennen die je kunnen helpen met rantsoenkaarten of identiteitskaarten: we hebben gekeken naar klerken of ambtenaren die bereid waren om samen te werken. Toen iemand stierf, probeerden we zijn identiteitskaart te krijgen en te voorkomen dat de dood werd geregistreerd, dus de kaart zou nog steeds geldig zijn. We deden allerlei dingen, maar het moeilijkste was om schuilplaatsen te vinden.
Toen ik bij een huis kwam, wist ik nooit of ik de mensen kon vertrouwen of niet. De enige manier om erachter te komen was om met hen te praten. Ik heb ze altijd recht in de ogen gekeken en mezelf afgevraagd: kan ik je vertrouwen? Het was elke keer een moeilijke beslissing, maar ik denk dat ik nooit verraders heb gevonden. Dit was de bijzondere kracht van Westerweel. Zelfs mensen die collaboreerden met de nazi's zouden zich schuldig gaan voelen als hij met hen sprak. Hij had een buitengewone gave om dat goede deel in iedereen aan te raken; hij ging er regelrecht naar toe. Toen hij naar een huis ging om te vragen of ze een jongen of een meisje wilden nemen, kwam hij nooit terug met een nee.
We waren een hechte groep. Terwijl Joop Westerweel nog les gaf, hadden we vergaderingen op zijn school. Nadat hij ondergronds was gegaan, kwamen we elkaar op andere plaatsen tegen. Elke persoon had zijn eigen contacten. Toen we samen kwamen, wisselden we informatie uit en planden we hoe we moesten samenwerken.
In maart '43 moest mijn gezin ons huis in Loosdrecht verlaten om ondergronds te gaan. Eigenlijk zijn mijn ouders als eerste naar de gevangenis gebracht. De Duitsers kwamen naar ons huis op zoek naar mijn zus en mij, en omdat ze ons niet thuis vonden, namen ze onze ouders en een jongere zus en broer mee en stuurden ze naar Westerbork. Ik heb ze gratis kunnen krijgen. Er waren mensen die je kon omkopen - Duitsers, Gestapo. Ik heb contact met ze gemaakt - wat erg gevaarlijk was - maar ik kon ze omkopen. Mijn ouders, zus en broer zijn allemaal teruggestuurd naar Amsterdam.
Een paar dagen later kwam de Gestapo hen weer ophalen, maar in de tussentijd had ik een schuilplaats voor hen gevonden, waar ze veilig verbleven tot het einde van de oorlog. Vanaf die dag sliep ik elke nacht op een andere plaats. Ik ben nooit lang op ťťn adres gebleven omdat het te gevaarlijk was. Dat is hoe het werkte.

 

Foto van joods gezin, gedeporteerd uit Amsterdam, c.  1942

 

 

 

The Green Border: met het verstrijken van de tijd werd de situatie erger: steeds meer mensen wilden een schuilplaats en verstopplaatsen werden steeds moeilijker te vinden. Op een gegeven moment besloot onze groep om simpelweg te proberen de kinderen helemaal uit Nederland te krijgen. Het was veiliger voor hen om in het zuiden van Frankrijk te wonen dan in Nederland. BelgiŽ was een beetje veiliger, maar Frankrijk was zelfs beter omdat de Fransen alleen een militaire bezetting hadden, terwijl we in Nederland een veel beklemmendere burgerlijke bezetting hadden.
Shushu vond de eerste contacten in Frankrijk; uiteindelijk hebben we drie routes ontwikkeld. We ontdekten mensen - meestal smokkelaars - die je konden helpen over de Belgische grens. We noemden het over de "groene grens" omdat je niet op een weg ging, of langs een gewone grenspost, maar door de struiken en over de velden van de boeren sloop - een route waar geen route was. Westerweel zelf nam veel van de kinderen door deze grens.
Vanuit BelgiŽ gingen ze naar Frankrijk, en in Frankrijk was er nog een illegale groep - alle Joodse jonge pioniers - met een organisatie die het eerst was opgericht in Parijs, en daarna in het zuiden van Frankrijk. Het werkte zo goed dat zeventig van onze jonge pioniers tijdens de Duitse bezetting de PyreneeŽn konden oversteken. Ze bereikten Spanje en vertrokken van daar op schepen die op weg waren naar Palestina. Dat was ons grootste succes: zeventig kinderen bereikten Palestina in '44, voordat de oorlog zelfs eindigde.
Op een dag namen Joop en een andere man - die trouwens nog steeds in leven is - twee meisjes mee over de "groene grens" naar BelgiŽ. Ze werden gepakt direct aan de grens. Joop was natuurlijk ondergronds en gebruikte de valse identificatiedocumenten van een Belgische tabakssmokkelaar. Tegen die tijd wist de Gestapo veel van Joop en zocht hij naar hem. Wat Joop niet wist, was dat de man wiens identiteitspapieren hij gebruikte ook door de Duitsers werd gezocht. Toen Joop op de grens met de twee meisjes werd betrapt, keek de Duitse politie naar zijn papieren en zei: "Ah hah, we hebben Le Lievre!"
Te laat ontdekte Joop dat Le Lievre nog een mijl lang misdaden tegen de nazi's had geregistreerd, waaronder het doden van een Duitse politieagent. Hij dacht dat ze hem beter zouden behandelen als hij hen vertelde wie hij werkelijk was, dus bekende hij dat hij Westerweel was. Maar het hielp hem niet, en al snel werd zijn situatie behoorlijk serieus. Eerst brachten ze hem naar het lokale politiebureau, vervolgens naar het politiebureau in Rotterdam, daarna naar de Rotterdamse gevangenis en uiteindelijk naar Vught, het tweede concentratiekamp in Nederland na Westerbork. In Vught werd hij gevangen gezet in een betonnen bunker zonder hoop op ontsnapping.
Foto van concentratiekamp Vught, 1945
Verraad: We konden contact met hem opnemen via een andere gevangene in Vught, een arts Steyns. Dr. Steyns, die niet Joods was, werd vastgehouden voor enigszins onbelangrijke dingen. Vanwege hun gebrek aan medisch personeel, gaven de Duitsers hem bepaalde privileges. Hij zou zijn straf in enkele maanden afmaken, maar terwijl hij nog in Vught zat, probeerde hij ons zoveel mogelijk te helpen. Met zijn hulp heeft Westerweel een ontsnappingsplan bedacht.
Hij zou speciale pillen nemen van Dr. Steyns, waardoor het zou lijken alsof hij bloeding kreeg. Als, zoals hij had gehoopt, de Duitsers hem naar het gevangenisziekenhuis brachten, waar de veiligheid lakser was, zou hij proberen daar te ontsnappen. Het eerste deel van het plan werkte en Westerweel bevond zich in het gevangenisziekenhuis. Terwijl hij daar was, gaf hij Dr. Steyns een brief om ons binnen te smokkelen, en gaf ons de details van zijn geplande ontsnapping. Maar op de een of andere manier snuffelden de Duitsers iets verdachts af en zochten Dr. Steyns onverwachts door. Ze vonden de brief van Joop en gingen een valstrik opzetten. Ze lieten een Nederlandse verrader de brief van Joop afleveren aan de geadresseerde die Joop erover had geschreven - een lid van onze groep. Dus deze Nederlander kwam naar ons met een echte brief van onze vriend Joop, zeggende: "Ik ga je helpen hem eruit te krijgen," en ons precies vertellen wat hij ging doen. Dat is hoe hij onze groep infiltreerde.
Op de dag dat we verwachtten dat Westerweel uit de gevangenis zou komen, kwam de verrader naar het adres waar ik verbleef en bracht hij de Gestapo mee. Ze namen ons op en zetten ons allemaal in de gevangenis. Op hetzelfde moment arresteerden ze Menachem op het station, waar hij volgens het plan met Westerweel een koffer vol kleren aan het wachten was. Menachem en ik werden geboeid gehouden, onder zeer zware bewaking, zonder mogelijkheid tot ontsnapping. Toen we naar Westerbork werden gebracht, brachten ze ons onmiddellijk in de kampgevangenis.
Zelfs in de gevangenis hadden Menachem en ik altijd wat contact met elkaar. We hadden goede vrienden in Westerbork die probeerden alles te doen wat mogelijk was om ons te helpen, maar het enige dat ze konden doen was onze namen illegaal op de lijst zetten van mensen die naar Bergen-Belsen werden gestuurd in plaats van Auschwitz. Dit heeft ons misschien gered, wie weet? Bergen-Belsen was ook een vernietigingskamp, ​​maar een aantal Bergen-Belsen gevangenen werden gereserveerd voor mogelijke uitwisseling met Duitse krijgsgevangenen in Palestina, en we stonden op de lijst van mensen die certificaten hadden voor Palestina. Zo'n uitwisseling van gevangenen gebeurde echt eens: tweehonderdtweeŽntwintig gevangenen verlieten Bergen-Belsen met de trein naar Palestina.
Deze verrader die ons heeft verraden leeft nog steeds en woont vandaag in Amsterdam. Ik had vanaf het begin een heel slecht gevoel over hem - ik vertrouwde hem niet, hoewel de anderen dat wel deden. Daarom heb ik hem altijd mijn hele verzonnen verhaal verteld - hij wist nooit dat ik joods was. Ik leefde als een niet-Jood met een valse identiteitskaart, dus het was gemakkelijk. Toen ik in de Westerbork-gevangenis kwam, wisten ze niet dat ik joods was.
De ondervragingen in de gevangenis waren heel, heel moeilijk. Uiteindelijk dacht ik dat ik een gemakkelijkere tijd als Joodse vrouw zou hebben en gewoon naar een kamp zou worden gestuurd. Als verzetsstrijder was ik bang dat ze me zouden neerschieten, zoals Joop. Ik had het heel moeilijk om ze ervan te overtuigen, maar uiteindelijk accepteerden ze dat ik een jood was. Ze stuurden me naar Bergen-Belsen, waar ik precies een jaar bleef, van april '44 tot we in april 1945 werden bevrijd. Het was een vreselijk jaar, maar dat is een ander onderwerp. Menachem was nooit echt gezond na het kamp. We waren in Holland getrouwd toen we allebei terug kwamen uit Bergen-Belsen. Dat was hoe we de oorlog beŽindigden.
We wisten allebei dat we onszelf al vrij snel in het spel hadden kunnen redden. Voordat de verzetsgroep werd gevormd, zei Joop Westerweel tegen mij: "Ik wil dat jullie allebei naar me toe komen, ik zal je helpen en voor je zorgen." Ik heb Menachem gezegd dat we een kans hadden om gered te worden.
Hij zei: "Nee, ik moet hier blijven, ik ben verantwoordelijk voor deze kinderen."
Hij was een van de leiders en kon ze niet verlaten. Kort daarna werd het idee gevormd om de hele groep te redden. We wilden niet alleen onszelf redden; we wilden zoveel mogelijk kinderen en Joden redden.

Foto van Mirjam Pinkhof, 1988

 

Foto van Mirjam Waterman en Menachem Pinkhof, 1943

Foto van Mirjam Waterman en Menachem Pinkhof, 1943

 

De Joodse kinderen na de oorlog: ooit moest ik twee kleine kinderen van hun ouders weghalen om ze aan een jonge vrouw te geven op een van de stations in Amsterdam. De afspraak was dat ze meegenomen zou worden naar een schuilplaats, ik had geen idee waar. Dit was altijd verschrikkelijk moeilijk. Het kleine meisje was slechts twee jaar oud en haar kleine broertje nog geen twee weken oud.
Enige tijd later was ik in Hilversum en bezocht een van onze pioniersmeisjes die zich in een huis verstopten om jeugdige delinquenten te rehabiliteren. De directeur van dat huis was zeer behulpzaam en nam veel Joden in huis.
Onze pionierster zei: "Kom hier, ik moet je iets laten zien, ik heb nu twee kleine kinderen om voor te zorgen."
Ze liet me dezelfde twee kinderen zien die ik naar het station in Amsterdam had gebracht. Ik was zo blij om te weten waar ze waren en om weer contact met ze te hebben. Hoewel er twee Duitse invallen in dat huis waren, toen de oorlog eindigde, waren de kinderen veilig. Maar hun ouders kwamen niet terug. We hadden hun namen en geboortedata en konden ze traceren. We leerden precies in welk kamp en op welke dag ze werden vergast, slechts een paar dagen nadat ze hun kinderen aan mij hadden gegeven.
Direct na de oorlog was er in Nederland een bittere strijd over de joodse kinderen die werden gered door niet-Joden, die geen overgebleven familieleden hadden om terug te komen voor hen. De niet-Joden hadden geen begrip van het gevoel van de Joden dat deze kinderen terug zouden moeten komen naar de Joodse gemeenschap. Ze voelden, zoals goede humanistische mensen doen, dat alle mensen in de wereld ťťn grote familie zijn en het maakte geen verschil of ze wel of niet als Joden werden opgevoed. De niet-Joden die hen verstopten hadden een hechte band met deze kinderen; ze hielden van hen en ze wilden ze houden. Bij de twee kinderen maakte ik me zorgen over het feit dat het een andere situatie was, omdat ze niet met een gezin maar in een huis waren, en het was geen goede plek voor hen om te blijven.
Dus in de context van deze strijd om Joodse kinderen terug te krijgen in Joodse gezinnen, zei ik dat ik die twee kinderen wilde adopteren, wetende dat ik ze niet echt zelf wilde adopteren. Ik wilde ze meenemen naar Palestina, en dat is wat ik deed. Ze werden geadopteerd door een familie in Haifa en nu was deze jongen, die een kleine baby was toen ik hem voor het eerst zag, getrouwd en heeft een gezin met vier kinderen. Hij is op dit moment erg betrokken bij het leren over zijn familie, bij het vinden van zijn roots. Hij woont hier vijf minuten en we zien elkaar vaak.
Vandaag zijn we allemaal heel dichtbij - de zionistische pionierskinderen en al die niet-joden die hebben geholpen. We delen samen een verleden. Het waren niet alleen de ervaringen van de oorlog, maar ook het komen naar Palestina - zoals velen van ons deden - en samen proberen hier een nieuw land te bouwen. Ik voel me dichter bij hen dan bij mijn eigen familie.
De Westerweel Groep Mirjam Pinkhof hielp vorm en werkte onvermoeibaar voor het redden van het leven van ongeveer driehonderdtwintig zionistische jonge pioniers uit de achthonderdtwintig die in Nederland woonden na 1938. Ze hielpen ongeveer honderdvijftig jonge pioniers smokkelen naar Frankrijk, van wie er ongeveer zeventig in de oorlog Spanje en Palestina bereikten. Van de achtenveertig tieners die in 1942 in Loosdrecht woonden, overleefde vierendertig de oorlog, of ongeveer zeventig procent. Ter vergelijking: slechts twintig procent van de Joodse mensen die in de oorlog in Nederland woonden, heeft de nazi-bezetting overleefd
Mirjam Pinkhof gaf dit interview in haar huis in Haifa, IsraŽl, op 4 april 1988.

Foto van Mirjam Pinkhof en de

Mirjam's echtgenoot, Menachem Pinkhof, stierf op 15 juli 1969.

 


Ben Polak

Benjamin Sally (Ben) Polak (Nijmegen, 12 september 1913 Ė Amsterdam, 24 juli 1993) was een Nederlands medicus, politicus en hoogleraar huisartsgeneeskunde van Joodse afkomst.
Familie
Zijn vader was Mozes Samson Polak, zijn moeder Goldina van der Hove, en hij had zeven broers en zussen. Zijn vader was oppervoorzanger in de synagoge en godsdienstleraar, eerst in Winschoten, later in Nijmegen.
Ben Polak was tweemaal (in 1940 en, na echtscheiding, in 1950) getrouwd met Petronella Everdina 'Pim' Eldering (1909-1989), daartussen met Aletta Bronsing (1914-2008) en ten slotte met Mireille Smit (1931-2003).
Opleiding
Stedelijk Gymnasium Nijmegen, van 1925 tot 1926
Gymnasium-b, Openbare middelbare school te 's-Gravenhage, van 1926 tot 1932
Student geneeskunde, Rijksuniversiteit Leiden, van oktober 1932 tot 1 mei 1939
Artsexamen, Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam, tot 9 juli 1941
Hij was huisarts te Amsterdam, van 1949 tot 1978 en wetenschappelijk hoofdmedewerker huisartsgeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam, van 1965 tot 1970.
Studietijd[bewerken]
Tijdens zijn studie was hij reeds openlijk communist, en liet hij daarom visitekaartjes drukken met naar communistische gewoonte destijds zijn naam in kleine letters "ben polak". Dit was voor zijn Leidse medestudenten aanleiding om het kaartje op zijn laboratoriumkastje steeds weer te beschrijven met "Ik", waardoor er "Ik ben polak" stond.
Politieke functies
Polak was lid van de CPN, van 1932 tot 1953. Hij werd toen geroyeerd, nadat hij verklaard had het onwaarschijnlijk te achten dat Joodse artsen, zoals beweerd werd in de Sovjet-Unie, de moordenaars van Stalin waren. Later werd hij weer als lid toegelaten. In de periode 1956-1960 was hij lid van de Eerste Kamer. In 1946 werd hij in Amsterdam na Leen Seegers de tweede communistische wethouder van Nederland. Zijn wethouderschap was maar van korte duur, in 1948 werd hij afgezet na de communistische omwenteling in Praag. Ben Polak was lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland van juni 1946 tot 1953.
Nevenfuncties
Directeur Instituut voor Huisartsgeneeskunde te Amsterdam, vanaf 1969 (mede-oprichter)
Lector huisartsgeneeskunde, Universiteit van Amsterdam, van 1 januari 1970 tot 1 januari 1977
Hoogleraar huisartsgeneeskunde, Universiteit van Amsterdam, van 1 januari 1977 tot 1 augustus 1984
lid redactie "De Vrije Katheder"
voorzitter College voor Huisartsgeneeskunde
lid Gezondheidsraad
lid bestuur Vereniging tegen de Kwakzalverij (waarnemend voorzitter 1981Ė1983)
lid redactie Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, van 1974 tot 1976
lid hoofdbestuur Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) van 1976 tot 1982
voorzitter Medisch Comitť Nederland-Vietnam, van 1978 tot 1988
lid en voorzitter curatorium weekblad "Vrij Nederland", van 1979 tot 1989
voorzitter Stichting Dienstverlening Verzetsdeelnemers, vanaf 1981
voorzitter Stichting Onderzoek Psychische Oorlogsgevolgen, vanaf 1984
voorzitter Projectgroep Behandeling Oorlogs- en Geweldsslachtoffers
voorzitter Stichting Comitť Joods verzet 1940-1945, vanaf 1986
voorzitter Stichting Cluster Onderzoek en Onderwijs Revalidatiegeneeskunde in Noord-Holland, vanaf 1989
lid NZSO (Nederlandsche Zionistische Studenten Organisatie)
Verzet[bewerken]
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Ben Polak actief in het verzet en ondergedoken. Hij zat vanaf 1943 in de strafgevangenis te Amsterdam, maar wist later te ontkomen via het dakraam.

Ben Polak bij de presentatie van het boek "Johnson Moordenaar" in Nieuwspoort (1986)

Ben Polak
Geboren 22 december 1961 (56)
residentie New Haven, CT , Verenigde Staten
Nationaliteit Brits
Alma mater Trinity College, Cambridge ( BA , 1984) 
Northwestern University ( MA , 1986) 
Harvard University ( Ph.D. , 1992)
Kinderen 3 
Awards DeVane-medaille (2005) voor lesgeven 
Wetenschappelijke loopbaan
Fields besliskunde , speltheorie en economische geschiedenis
instellingen New Economic School 
Universiteit van Melbourne 
Yale University
Scriptie Problemen uit de geschiedenis van de kapitaalmarkten (1992)
Doctoraal adviseur Jeffrey G. Williamson

 


Rosey E. Pool

Rosey E. Pool (Amsterdam, 7 mei 1905 - Londen, 29 september 1971) was een Nederlandse schrijfster, dichteres, docente en vertaalster. In de jaren '50 en '60 gaf zij lezingen in de Verenigde Staten over Afro-Amerikaanse poŽzie en haar voormalige leerlinge Anne Frank. Daar vergeleek zij regelmatig de Amerikaanse rassensegregatie met de anti-Joodse maatregelen van de nazi's. Zij werkte voor de VARA, VPRO, en BBC.
Interbellum: jeugd, studie
Rosey Pool groeit op in de Amsterdamse Jodenbuurt. Ze wordt eind jaren twintig actief in de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en wordt eveneens lid van de Sociaal Democratische Studenten Club (SDSC). In 1927 is zij ťťn van de oprichters van de Socialistische Kunstenaars Kring (SKK). Ze groeit uit tot een kleine beroemdheid dankzij haar declamaties voor VARA-radio. Ze haalt haar lesbevoegdheid en gaat daarna Nederlands studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
Kort nadat zij zich verlooft met de Berlijnse jurist en latere Hamburgse politicus Gerhard Kramer (1904-1973) in augustus 1927, verhuist zij naar Berlijn. Aldaar studeert ze Engelse literatuur aan de Friedrich-Wilhelms-Universitšt (tegenwoordig de Humboldtuniversiteit). Daar promoveert zij op haar proefschrift De poŽzie van de Amerikaanse neger. In 1935 scheiden Kramer en Pool. Vanuit Berlijn helpt Pool Duitse Joden te vluchten naar Nederland, door hen adressen te verstrekken. Pool houdt evengoed contact met Nederland. Ze is betrokken bij de Socialistische Jeugd Vereniging (SJV) en ze correspondenteert o.a. met RSP-voorman Henk Sneevliet. In januari 1939, kort na de Kristallnacht, keert Rosey Pool terug naar Amsterdam.
WOII: Joods Lyceum, verzet, Westerbork, onderduik

In Amsterdam geeft zij Engelse les, onder andere aan Joodse vluchtelingen in het Lloyd Hotel. Zij beweegt zich in kunstenaarskringen en ontmoet onder andere Willem Sandberg en Chaja Goldstein. In de Tweede Wereldoorlog geeft zij les aan het Joods Lyceum in Amsterdam (Anne Frank is ťťn van haar leerlingen). Eind jaren dertig raakt Pool betrokken bij de Duits-Joodse verzetsgroep Van Dien, die zich rondom Tehuis Oosteinde vormt.[1] Bekende leden van deze groep zijn Milo Anstadt, Werner Stertzenbach en Susanne Heynemann. In september 1943 weet zij met hulp van deze verzetsgroep te ontsnappen uit Westerbork. Zij duikt onder op de Sophialaan 29 in Baarn, en schrijft verzetspoŽzie. Bijna haar gehele familie overleeft de oorlog niet: haar ouders en broer worden vermoord in Sobibůr.
Na 1945: Londen en de VS
Na de bevrijding leert zij Nola Hatterman kennen. Pool houdt lezingen over Afro-Amerikaanse en Afro-Caribische literatuur en poŽzie op tentoonstellingen van Hatterman. Pool bevindt zich in kringen rondom de Vereniging Ons Suriname en schrijft voor het tijdschrift Wikor. Op verzoek van Otto Frank maakt Pool een Engelse vertaling van het dagboek van Anne Frank, die echter niet wordt gebruikt.
In 1949 verhuist Rosey Pool naar Londen, waar zij intrekt bij haar partner Ursel 'Isa' Isenburg (1901-1987). In het openbaar profileerde zij zich niet als biseksueel of lesbisch, maar zij schrijft wel voor het COC-maandblad Vriendschap. In de jaren '50 en '60 werkt zij voor de BBC Radio en voor de BBC Dutch Service, die Nederlandstalige programma's uitzond in Nederland.
Vanuit Londen wordt ze actief in de Zwarte burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten. Pool ziet een verband tussen Afro-Amerikaanse verzetspoŽzie en verzetspoŽzie tegen het nazi-regime in de jaren dertig en veertig. Pool richt zich met name op Afro-Amerikaanse literatuur en poŽzie. Waardering voor Zwarte kunst is volgens Pool essentieel in de Zwarte emancipatie. Pool heeft contact met vele Afro-Amerikaanse schrijvers en dichters uit de Harlem Renaissance, waaronder Countee Cullen, Langston Hughes, W.E.B. Du Bois en uit de Black Arts Movement, zoals Naomi Madgett, Margaret Danner en Robert Hayden.
In september 1958 brengt zij, met behulp van uitgever Paul Breman en activist Otto Sterman, de Amerikaanse socioloog W.E.B. Du Bois naar Den Haag. Een informant van de FBI rapporteerde dat deze bijeenkomst 'anti-Amerikaans' was.
Jaren zestig
Tussen 1959 en 1967 reist Pool diverse malen naar de Verenigde Staten met beurzen van Fulbright en het United Negro College Fund. Zij houdt daar lezingen over Afro-Amerikaanse literatuur en over haar voormalige leerlinge Anne Frank, die plotseling beroemd werd dankzij het dagboek en het Broadway toneelstuk. Pool vertelt onder andere dat Anne Frank een heel normaal meisje was en weerlegt hardnekkige geruchten dat het dagboek door iemand anders geschreven zou zijn. Pool werkt voor langere tijd aan overwegend Zwarte colleges en universiteiten, waaronder Livingstone College (North Carolina), Tougaloo College (Mississippi), en Alabama A. & M. College (Alabama).
In 1961 reist zij naar Lagos, Nigeria, samen met de American Society of African Culture (AMSAC). In 1966 is Pool ťťn van de juryleden van het World Festival of Black Arts, gehouden te Dakar. Zij heeft een belangrijke rol in de uitreiking van de poŽzie-prijs aan de Afro-Amerikaanse dichter Robert Hayden, wat een belangrijke stimulans voor zijn carriŤre zou blijken. In de categorie 'reportage' reikt haar jury een prijs uit aan Nelson Mandela.
Vanuit Londen blijft Pool contact houden met Nederland. Pool maakt lesboeken voor het middelbaar onderwijs. Ook verschijnt haar poŽzie in poŽziebundels als Het klein heelal: Een bundel moderne gedichten voor het voortgezet onderwijs (Amsterdam: Meulenhoff, 1960).[3]

Zij vertaalt diverse boeken, schrijft voor bladen als De Gids en Vrij Nederland, vertaalt toneelstukken en radio-hoorspellen naar het Nederlands en verscheen ook regelmatig op televisie bij de VPRO, de KRO en de Wereldomroep. Zij is ook een belangrijke intermediair tussen uitgevers in Nederland en Londen. Zelf vertaalt ze een drietal boeken van Annie M.G. Schmidt naar het Engels.

Rosey Pool overleed in 1971 in Londen aan de gevolgen van leukemie.

Roseypool1960s.jpg

Algemene informatie
Volledige naam Rosa Eva Pool
Geboren 7 mei 1905, Amsterdam
Overleden 29 september 1971, Londen
Land Nederland
Werk
Jaren actief 1925-1971
Genre poŽzie, literatuur, Afro-Amerikaanse geschiedenis
Portaal Portaalicoon Literatuur

 


Jaap van Praag (bestuurder)

Jacob Philip (Jaap) van Praag (Amsterdam, 11 mei 1911 ó Utrecht, 12 april 1981) was een Nederlands politicus en vooral bekend als de oprichter van het Humanistisch Verbond, waarvan hij van 1946 tot 1969 ook voorzitter was.
Levensloop
Jonge jaren

Van Praag werd geboren als oudste zoon van de gymnastiekleraar Manus van Praag (geboren in 1884) en van de frŲbellerares Sara Vleeschhouwer (geboren in 1880). Beiden waren van Joodse afkomst, maar niet godsdienstig. Hij kreeg dan ook een joods-seculiere opvoeding. Zijn vader was lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en zijn moeder kwam uit een joods middenstandsgezin in Weesp. Jaap van Praag had een zus, Esther, die vijf jaar jonger was. Van Praag ging naar de openbare lagere school in de Indische Buurt in Amsterdam, daarna ging hij naar de HBS. Op achttienjarige leeftijd behaalde hij het eindexamen HBS-B, en de jaren daarop deed hij de staatsexamens gymnasium. In 1937 trouwde hij met Martje Harmke Hoff, waarmee hij 4 kinderen kreeg.
In de jaren dertig zette Van Praag zich in voor het verzet tegen geweld, dictatuur en oorlog. In 1929 werd hij op achttienjarige leeftijd lid van de SDAP, maar stapte in 1937 over naar de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) uit protest tegen het loslaten van de ontwapeningsgedachte door de SDAP.
Hij behaalde cum laude zijn kandidaats Nederlandse Letteren en in 1937 behaalde hij, eveneens cum laude, zijn doctoraalexamen Letteren en Wijsbegeerte. In 1941 schreef hij zijn proefschrift over Henriette Roland Holst. In 1938 werkte Van Praag als leraar Nederlands aan het Gemeentelijk Lyceum in Dordrecht.
Tweede Wereldoorlog
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd het Van Praag als jood verboden om nog te werken aan het Gemeentelijk Lyceum. Hij ging als leraar bij de joodse middelbare school in Rotterdam werken. In 1941 schreef hij zijn proefschrift over Henriette Roland Holst maar de promotie kon pas in 1946 plaatsvinden. In 1943 dook Van Praag onder in Eindhoven. Vlak hiervoor zou hij zijn eerste boek schrijven dat over het humanisme gaat, uitgebracht in 1947 onder de titel Modern Humanisme: een renaissance? Dit was het eerste[bron?] boek in Nederland dat uitging van een modern ongodsdienstige humanistische levensbeschouwing. In de verantwoording van het boek noemde hij als redenen om het boek te schrijven de ervaringen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In september 1944 trok Van Praag als gids met de Canadezen door bevrijd Nederland. Daarnaast was hij eindredacteur van Het Parool (editie Eindhoven). Zijn ouders hebben de oorlog overleefd, maar Van Praag zegt in een interview dat zij de enige in de familie zijn: de rest is omgekomen.
Humanistische beweging
In 1945 kon hij zijn leraarschap in Dordrecht hervatten. Aan het eind van het jaar richtte hij samen met onder andere Garmt Stuiveling en Jan Brandt Corstius het Humanistisch Verbond op. Samen met Brandt Corstius, Stuiveling en Henk Bonger was Van Praag de dragende kracht van het Humanistisch Verbond. Op 17 februari 1946 vond de oprichtingsvergadering van het Humanistisch Verbond plaats. De eerste voorzitter werd Prof. Dr. H. R. Hoetink aangezien het Humanistisch Verbond liever een hoogleraar wilde als voorzitter, maar na acht maanden werd Van Praag eerste voorzitter. Hij bleef dat tot 1969. In 1964 stond Van Praag aan de wieg van het Humanistisch Opleidings Instituut, wat later de Universiteit voor Humanistiek werd. Hij werd in 1964 benoemd tot bijzonder hoogleraar in de humanistiek en de antropologie van het humanisme aan de Universiteit Leiden.
Op 17 mei 1969 nam Van Praag afscheid als voorzitter van het Humanistisch Verbond, een functie die hij 22 jaar heeft vervuld. In 1978 bracht een commissie onder voorzitterschap van Van Praag een belangrijk rapport uit, genaamd ĎííImmateriŽle hulpverlening aan oorlogsgetroffenenííí.
Overlijden
Jaap van Praag stierf op 69-jarige leeftijd na een kort ziekbed in het Sint Antoniusziekenhuis te Utrecht. Hij liet zijn vrouw en drie kinderen achter.

Jaap van Praag

Jaap van Praag
Algemene informatie
Volledige naam Jacob Philip van Praag
Geboren Amsterdam, 11 mei 1911
Overleden Utrecht, 12 april 1981
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Bekend van Oprichter van het Humanistisch Verbond
CarriŤre
1946-1969 Voorzitter van het Humanistisch Verbond
1954-1974 Gedeputeerde PvdA in de Provinciale Staten in Zuid-Holland
Overig
Partner(s) Martje Harmke Hoff (1911-1997)

4-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5