Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

4-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8

Duits Oorlogsmatrieel in de II Wereldoorlog

BMW R 75 Wehrmachtsgespann

Het BMW R 75 Wehrmachtsgespann is een zijspancombinatie van het merk BMW. De machine werd ook wel bekend als "BMW R 75 Sahara" of kortweg "Sahararad". De machine werd ingezet door de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog gingen veel Europese motorfabrieken militaire modellen ontwikkelen. Vooral voor de zijspancombinaties werd dan vaak gekozen voor tweecilinder boxermotoren, zelfs als de fabriek die niet in het normale productieprogramma had. Zo ontstonden de FN M-12 en de Harley-Davidson XA.
In Duitsland waren de boxermotoren ruim voorhanden: De gebroeders Küchen hadden al in 1933 boxermotoren voor Zündapp ontwikkeld, en BMW produceerde vrijwel uitsluitend zware boxers. De R 12 was al in dienst van de Wehrmacht, ook als zijspantrekker, maar deze zijklepper was niet echt geschikt voor gebruik in zwaar terrein. Ook de R 71 zijklepper werd door het Duitse leger gebruikt. Zowel BMW als Zündapp kregen de opdracht om zware, terreinvaardige zijspancombinaties te ontwikkelen. Ze werden ingezet in de Grote Vaderlandse Oorlog tegen de Sovjet-Unie en door het Afrikakorps van Erwin Rommel.
Beide merken kozen voor een kopklepmotor als aandrijfbron. In het geval van de BMW R 75 was dat het gemodificeerde blok van de R17. Deze had al een stalen buisframe (de Zündapp KS 750 kreeg een plaatframe) en een carburateur voor elke cilinder. Als aanpassingen werd zijspanwielaandrijving, een sperdifferentieel en veel grotere en bredere terreinbanden toegepast, naast alle specifiek militaire zaken als oorlogsverlichting en een speciaal zijspan met de mogelijkheid extra brandstof mee te nemen, een op het zijspan gemonteerd, rondom uitwisselbaar reservewiel en de mogelijkheid een affuit voor een mitrailleur te monteren. De motor werd tot 26 pk geknepen (de R 17 leverde 33 pk).
Omdat de hele motorfietsproductie van BMW in 1940 was verplaatst naar Eisenach (EMW), werd ook de R 75 daar gebouwd, tot de fabriek gebombardeerd werd. Na ongeveer een jaar inzet in de oorlogsgebieden bleek de Zündapp KS 750 beter te voldoen dan de BMW.
Op aandringen van de Wehrmacht besloten BMW en Zündapp in 1942 één universeel zijspan toe te passen. Dat werd het meer eenvoudig geconstrueerde zijspan van BMW (de 286/1). De bedoeling was dat er 20.200 R 75's gebouwd zouden worden, waarna zowel BMW als Zündapp beiden de Zündapp KS 750 zouden gaan produceren, in een oplage van 20.000 per jaar, met het BMW 286/1 zijspan. In 1943 was het aantal van 20.200 echter nog niet gehaald, zodat de productie doorliep tot de fabriek in Eisenach in 1944 gebombardeerd werd. Beide merken bleven hun eigen motorfietsen produceren, maar 70% van de onderdelen waren uitwisselbaar (waaronder vrijwel de hele aandrijflijn).
Vaak wordt gedacht dat de Russische Ural en de Oekraïense Dnepr-motoren zijn afgeleid van buitgemaakte R 75's. Dat is niet correct. De fabriek in Eisenach kwam na de oorlog weliswaar in de Sovjet bezettingszone en uiteindelijk in de DDR te liggen, maar de Sovjet-boxerproductie dateerde al van 1941, nadat in 1939 vijf R 71 zijspancombinaties waren aangekocht en gekopieerd. Wel werd er in Eisenach onder het typenummer 275/3 een model op basis van de R 75 doorontwikkeld, maar dit werd in een kleine oplage geproduceerd door AWO, eveneens in Oost-Duitsland. Het was geen zuivere boxermotor. Doordat men tijdens de oorlog ook in Eisenach Zündapps had geproduceerd, met een 170º boxermotor, was men overtuigd van het voordeel van hoger (meer in V-vorm) liggende cilinders. Daarom kreeg de AWO 700 een 166º boxermotor. Bij AWO werden zeven prototypes en tien productiemodellen gebouwd. Tot productie in de Sovjet-Unie of China is het nooit gekomen.
 

BMW R75 Sahara

De R 75 had voetschakeling, de hendels aan de tank dienen voor de gearing en de zijspanwielaandrijving

Technische gegevens

BMW R 75

Periode 1941-1944 
Categorie zijspancombinatie 
Motortype kopklepmotor 
Bouwwijze langsgeplaatste tweecilinderboxermotor 
boring 78 mm 
slag 78 mm 
Cilinderinhoud 745 cc 
Compressieverhouding 5,8 : 1 
Max. Vermogen 19 kW/26 pk bij 4.400 tpm 
Max. Koppel 49 Nm/5 kgm pk bij 3.600 tpm 
Topsnelheid onbekend 
Aandrijving Aandrijfas, ook op het zijspan, sperdifferentieel 
Rijwielgedeelte dubbel wiegframe, buisframe 
Drooggewicht 420 kg 
Max. belading 396 kg 
Tankinhoud 24 ltr

De Flakpanzer IV Ostwind I

Flakpanzer IV Ostwind 

In de vroege stadia van de oorlog, Duitse leger ingeroepen gesleept afweergeschut en vervolgens op het pistool gemonteerd op verschillende vrachtwagens en half-rupsvoertuigen. Gespecialiseerde flakpanzers werden geproduceerd in kleine aantallen en werden "tijdelijke" totdat de juiste voertuigen te ontwikkelen beschouwd. 

Naarmate de oorlog vorderde, Duitse Luftwaffe was niet meer de volledige controle over het luchtruim boven het slagveld. Dit was vooral gevaarlijk voor de Panzer eenheden, eerst aan het Oostfront en vervolgens aan het Westelijk Front. Mobiele lucht-verdediging nodig was voor zowel de offensieve operaties ter ondersteuning van snel bewegende Panzer units en defensieve operaties luchtafweer dekking te bieden voor de verdediging of intrekking van eenheden onder vuur. 

Wirbelwind en Ostwind waren opvolgers van de Flakpanzer IV Möbelwagen (gewapend met 37mm Flak 43 L / 89) - "tussenoplossing" geproduceerd vóór de invoering van de echte Flakpanzer. 

In juli van 1944, het prototype van Ostwind (Eastwind) - een luchtdefensie gepantserde voertuig bouwen op Panzerkampfwagen IV bewezen chassis 's is geproduceerd. Het ontwerp was zeer vergelijkbaar met die van Flakpanzer IV Wirbelwind (Whirlwind) die prototype werd in mei 1944 en was de eerste echte Flakpanzer worden. 

Beide voertuigen waren gebouwd op pensioen of de strijd beschadigd Panzerkampfwagen IV (voornamelijk Ausf F / G) chassis / componenten terug van de voorzijde voor groot onderhoud. Het concept van Wirbelwind werd voorgesteld door SS-Hauptsturmführer Karl Wilhelm Krause, een officier van het 12e SS Panzer Division 'Hitler Jugend ". In de vroege zomer van 1944, Krause voorgesteld om vier barreled 20mm Flak 38 L / 112,5 pistool monteren op PzKpfw IV chassis 's. Tijdens de gevechten in Normandië in de zomer van 1945, zijn flak eenheid was krediet met het neerschieten van 45 geallieerde vliegtuigen. 

Wirbelwind en Ostwind werden uitgerust met zeer vergelijkbaar (speciaal ontworpen) met open dak (Wirbelwind's torentje hadden 9 zijpanelen en Ostwind had 6 zijpanelen) torentjes gemonteerd in de plaats van de standaard torentjes. Beide torentjes kregen de Flak tegemoet resulterend een algemeen profiel van een voertuig die veel hoger vergeleken met een normale Panzerkampfwagen IV tank. 

Ostwind's torentje werd bijnaam Keksdose - koekjestin. Belangrijkste verschil was dat Wirbelwind was gewapend met viervoudige 20mm Flak 38 L / 112,5 geweren, terwijl Ostwind was gewapend met een enkele 37mm Flak 43 L / 89 kanon. Beide wapens werden ingezet tegen gronddoelen ook, blijkt zeer effectief tegen unarmored of licht gepantserde voertuigen. 

20mm Flak bleek minder effectief dan 37mm Flak te zijn en werd uiteindelijk vervangen door het. Beiden werden geproduceerd door Ostbau Werken in Sagan, Silezië in beperkte aantallen als gevolg van de materiële tekorten en het feit dat Ostbau Works verhuisd naar de faciliteiten van Deutsche Eisenwerke in Teplitz en Duisburg te wijten aan het gevaar te worden overspoeld door de Sovjets. 

Overall van mei tot november 1944, slechts 87 (of 105) Wirbelwinds werden gemaakt, in tegenstelling tot slechts 44 (of 43) Ostwinds geproduceerd van juli 1944 tot maart 1945. Beide voertuigen werden uitgegeven aan Flugabwehrzug (AA pelotons) eenheden van Panzer Divisions . 

Er waren nooit genoeg van hen om frontlinie eenheden, die in de behoefte aan adequate mobiele AA verdediging waren rusten. Beide bleken zeer effectief tegen laag vliegende vliegtuigen te zijn. Het interessante feit is dat prototype Ostwind werd combat getest door 1 Waffen SS Panzer Division 'Leibstandarte SS Adolf Hitler "tijdens het Ardennenoffensief (16 december tot en met 22 van 1944) en keerde terug naar de fabriek onbeschadigd. 

In het najaar van 1945, waren er plannen om de vuurkracht van zowel Wirbelwind en Ostwind verhogen. 

Het was de bedoeling om de bestaande Wirbelwinds herbewapenen met vier 30mm MK103 / 28 of MK103 / 38 geweren, staat afvuren 1.600 toeren per minuut. In december van 1944, Ostbau produceerde slechts één aangewezen Zerstörer 45 prototype (Destroyer 45) - 3cm Flakvierling MK103 / 108 auf Sfl PzKpfw IV. Hetzelfde concept werd opgenomen in herbewapening van de Ostwind met twee 37mm Flak 43 of Flak 44 kanonnen of 30mm Mauser MK103 kanon. In januari van 1945, Ostbau was in staat om een ​​prototype aangewezen Ostwind II (3,7cm Flakzwilling 44 auf Sfl PzKpfw IV) te produceren, terwijl 100 werden besteld. In 1945 werd besloten om gebruik te maken verouderd op het moment PzKpfw III en monteer het met Wirbelwind (aangeduid als 2cm Flakvierling 38 auf SLF PzKpfw III) of Ostwind (aangeduid als 3,7cm Flak 43 auf SLF PzKpfw III) torentjes, aangewezen als Flakpanzer III . 90 werden besteld, maar het einde van de oorlog een einde aan de productie. Uiteindelijk al Flakpanzers zouden worden vervangen door nieuw ontworpen Flakpanzer IV Kugelblitz begin 1945. 
 


Type 
Zelfrijdende luchtafweergeschut 
Plaats van herkomst 
Nazi-Duitsland 
Productie geschiedenis 
Geproduceerd 
1944 
Aantal gebouwd 
43-45 
Bestek 
Gewicht 
25 ton 
Lengte 
5,92 m (19 ft 5 in) 
Breedte 
2,95 m (9 ft 8 in) 
Hoogte 
3 m (9 ft 10 in) 
Bemanning 
5 (Commander, Gunner, Loader, Driver, Radio Operator) 
Pantser 
10-80 mm 
Hoofd- 
bewapening 
1x 3.7 cm FlaK 43 L / 89 
1.000 rondes 
Secundair 
bewapening 
1 × 7.92 mm Maschinengewehr 34 
1.350 rondes 
Motor 
12-cilinder Maybach HL 120 TRM 
300 PS (296 pk, 221 kW benzine) 
Vermogen / gewicht 
12 PS / ton 
Opschorting 
bladveer 
Operationele 
reeks 
200 km (120 mi) 
Snelheid 
38 km / h (24 mph)

Panzerkampfwagen 35(t)Lichte Tank

De LT vz. 35 was een Tsjecho-Slowaakse lichte tank die tijdens de Tweede Wereldoorlog door Duitsland ingezet werd onder de naam Panzerkampfwagen 35(t) (PzKpfw 35(t)); men sprak kortheidshalve over de Panzer 35.

Ontwikkeling
In februari 1934 deed Škoda het voorstel tot de bouw van een pantservoertuig dat de capaciteit had vijandelijke tanks te vernietigen. Drie houten modellen werden gepresenteerd, waarvan twee in de vorm van een gemechaniseerd geschut met een 37 of 66 mm kanon. Het derde was een tank met een geschat gewicht van 7,5 ton en een 37 mm kanon, de SU. In de zomer van 1934 werd de eis gesteld dat alleen nog een tank ontworpen mocht worden met een maximumgewicht van 15 ton.

In oktober werd er een nieuw houten model van een zwaardere tank gepresenteerd, de S-ll-a, een afkorting voor "Škoda Lichte Cavalerietank". Acht maanden later, in juni 1935, waren de twee prototypen klaar. Op 30 oktober 1935 werd er een voorlopige bestelling gedaan van 160 stuks met de naam LT vz35 ("Lichte Tank model 35") voor een prijs van 524.984 kronen per stuk. Omdat de politieke situatie zo dreigend was, werd afgezien van een uitgebreide beproeving. Toen vanaf juli 1936 de eerste vijf serievoertuigen werden getest, bleek echter dat het type zeer onbetrouwbaar was en maar 17 km/u haalde in plaats van de geplande 34.

De Tsjecho-Slowaakse regering beval dat het type voor de helft ook door de andere Tsjechische tankproducent, ČKD, gebouwd moest worden. Dit leverde extra vertraging op omdat de 657 wijzigingen die aan het oorspronkelijk ontwerp werden aangebracht ook nog eens met de andere fabriek gecoördineerd moesten worden. Het eerste voorserievoertuig werd door ČKD pas op 3 oktober 1936 geleverd; het eerste productievoertuig eerst op 13 februari 1937. Nadat de tachtig voertuigen door ČKD waren afgeleverd, besloot die fabriek van verdere productie van het type af te zien. De tweede bestelling van 103 voertuigen in november 1937 was dus geheel voor Škoda, evenals de derde van 35 stuks uit 1938. De totale productie voor Tsjecho-Slowakije bedroeg dus 298 stuks.
Export

Škoda deed zijn best het type te exporteren. De Sovjet-Unie werd een aanbod gedaan dat echter afgewezen werd; eind 1938 waren er plannen voor samenwerking met het Verenigd Koninkrijk die echter uiteindelijk niet leidden tot een daadwerkelijke verzending van een exemplaar. In augustus 1936 werden 126 stuks door Roemenië besteld, met als aanduiding Škoda R-2; deze werden geleverd vanaf mei 1937. In 1938 werden tien voertuigen door Afghanistan besteld; deze tien, de laatste die gebouwd werden, zijn echter in 1939 aan Bulgarije geleverd. De totale productie kwam hiermee op 434.

Panzer 35(t), Belgrado Militair Museum, Servië. 
Soort 
Bemanning 4 
Lengte 4,90 m 
Breedte 2,16 m 
Hoogte 2,20 m 
Gewicht 10,5 ton 
Pantser en bewapening 
Pantser 25 mm 
Hoofdbewapening Skoda 37 mm Model 1934 kanon 
Secundaire bewapening 2×7,92 mm MG42 
Motor benzine Škoda T11 218ltr 
Snelheid (op wegen) 35 km/u 
Rijbereik 193 km 
 

Beschrijving
De LT vz35 had een conventioneel ontwerp zoals de meeste tanks van eind jaren dertig, met lichte bepantsering en een koepel groot genoeg voor twee man, de motor en aandrijving zaten beide achteraan. Het hoofdwapen was een Škoda vz 34 37.2 mm kanon dat bediend werd door de tankcommandant en waarvoor 72 granaten aan boord opgeslagen konden worden. Eén tot twee 7,92mm machinegeweren model MG 37 waren ook gemonteerd en daarvoor waren 1800 7,92 mm patronen beschikbaar in de tank. Naast de commandant was er bij de Duitse indeling links een tweede man in de koepel die zorgde voor het laden van het kanon. In het voorcompartiment van de tank zat rechts de chauffeur en links de man die aan een machinegeweer (dat alleen naar voren kon schieten) zat, maar tegelijkertijd als radio-seiner functioneerde.
De Škoda vier/zes-cilinder motor produceerde 120 paardenkrachten, en werd door middel van zes versnellingen aan de achterzijde aangedreven. Zowel de koppeling/versnelling als het sturen werden machinaal bekrachtigd door luchtdruk, hierdoor werd veel last ontnomen voor de bestuurder, maar dit bleek tevens een probleem op te leveren tijdens de extreem koude weerssituaties van het oostfront. De ophanging maakte gebruik van bladveren en was een ontwerp van de Franse ingenieur Eugène Brillié, die hem wat later ook zou toepassen in de Franse SOMUA S35; het systeem was onbetrouwbaar en erg onderhoudsgevoelig. Pas in de loop van 1938 werd na vele wijzigingen een enigszins tevredenstellende inzetbaarheid bereikt; op 1 december 1936 had het leger nog besloten het type niet te accepteren.
Types geproduceerd
S-ll-a - Origineel productietype
LT vz35 (LT vz. 35) - basis Tsjecho-Slowaaks ontwerp (37 mm A-3 kanon)
T-11 - exportvariant met het betere 37 mm A-7 kanon, waarvan er tien geleverd zijn aan Bulgarije in 1939
Panzerkampfwagen 35(t) - Duitse benaming voor de LT-35
Panzerbefehlswagen 35(t) - Duitse commando-tankvariant waar tot er negen omgebouwd zijn
Mörserzugmittel 35(t) - Duitse mortiertractor
R2 - Roemeense versie van de LT-35
TACAM R2 - Roemeense antitank op het chassis van de R-2 (LT-35) met een 76 mm kanon
T21 - Groter prototype, geproduceerd in Hongarije als Turan
Operationele geschiedenis
De LT vz.35 tanks werden gebruikt door het Tsjecho-Slowaakse leger van 1937 tot 1939.
In maart 1939 werden van de 298 voertuigen 219 tanks door de Duitse bezetter overgenomen; 79 voertuigen bleven bij Slowakije. De tanks kregen in Duitse dienst eerst de aanduiding LTM 35 en werden vanaf 5 juni 1939 door het Wapen van de Cavalerie gebruikt. In oktober gingen ze over naar de Panzertruppe en kregen daar op 16 januari 1940 de naam Panzerkampfwagen 35 (t). De letter (t) stond voor tschechisch om te laten zien in welk land de Beutepanzer "gestolen" was. De materieelstaten laten zien dat het feitelijke aantal tanks dat in de slagorde werd opgenomen 202 bedroeg. De tanks werden gebruikt voor de kern van de 1e Leichte Division (van de Cavalerie) die later hernoemd werd tot de 6e Pantserdivisie, welke ze operationeel inzette bij de veldslagen in Polen (1939): 112 tanks, Frankrijk (1940): 118 tanks en de Sovjet-Unie (1941): 155 tanks. Omdat er geen verdere productie was, nam het aantal beschikbare tanks gestaag af. In Polen gingen zeven tanks verloren; in Frankrijk 62. Deze werden echter gedeeltelijk herbouwd. In het voorjaar van 1940 werden 52 tanks aan de reserves onttrokken voor levering na herbouw aan Bulgarije; dit aantal werd gehalveerd toen bleek hoe zwaar de slijtage door de Franse veldtocht geweest was. In juni 1941 waren 170 tanks beschikbaar. Tijdens Operatie Barbarossa bleek hoezeer de tank faalde tijdens koud weer en dat bepantsering en vuurkracht tekortschoten. Dit resulteerde erin dat versleten tanks van het front werden weggehaald. De voertuigen werden al eerder zelfs volledig uit de centrale materieelstaten geschrapt omdat er geen reserveonderdelen meer waren, zodat geen exacte gegevens beschikbaar zijn vanaf de zomer van 1941. Tot 10 september waren er volgens de divisie 47 verloren gegaan; tot 31 oktober tachtig. Eind november waren alle overblijvende PzKpfw 35(t)'s uitgevallen. Tot eind 1941 werden nog acht tanks door de fabriek herbouwd; daarna werd besloten voor Duitsland geen verdere herbouw als gevechtstank meer uit te voeren, maar de herstelcapaciteit in te zetten voor de ondersteuning van de bondgenoten die het type nog wel gebruikten. In augustus 1942 werden 26 voertuigen doorgeleverd aan Roemenië. Een klein aantal voertuigen, vermoedelijk 49, werd, zonder toren, verbouwd tot artillerietrekker, de Artillerie-Schlepper 35(t). Er waren nog 38 torens beschikbaar en deze werden ingebouwd in fortificaties.

Het Slowaakse leger gebruikte 79 tanks in de 3e Snelle Divisie. Bulgarije gebruikte 26 tanks met het A-3 kanon en tien tanks, van het type T-11, met het betere A-7 kanon en versterkt pantser. Roemenië kocht 126 tanks met een iets afwijkende toren. De meeste van deze voertuigen gingen verloren in november 1942 toen tijdens Operatie Uranus het 1e Koninklijke Tankregiment door de Sovjets nabij Stalingrad verpletterd werd. Van de overblijvende en de 26 overgehevelde Duitse exemplaren werden er twintig in 1944 omgebouwd tot TACAM R-2 antitankvoertuigen met een 76,2 mm kanon, gemechaniseerd geschut.

Panzer 35 (t) in Frankrijk, 1940

 

 

R-2 tanks in februari 1939, alvorens naar Roemenië wordt geleverd door Škoda Works

De Sd.Kfz. 166 Sturmpanzer IV

De Sturmpanzer (ook bekend als Sturmpanzer 43 of Sd.Kfz. 166) was een Duitse gepantserde infanterie ondersteuning pistool op basis van de Panzer IV chassis gebruikt in de Tweede Wereldoorlog . Het werd gebruikt bij de Slagen van Kursk , Anzio , Normandië , en hielp het neer te zetten Opstand van Warschau . Het was bekend onder de bijnaam Brummbär (Duits: "kankeraar")door geallieerde intelligence,een naam die niet werd gebruikt door de Duitsers . Iets meer dan 300 voertuigen werden gebouwd en ze werden toegewezen aan vier onafhankelijke bataljons. 

Ontwikkeling 

De Sturmpanzer was een ontwikkeling van de Panzer IV tank ontworpen om direct infanterie vuursteun te bieden, vooral in stedelijke gebieden. Het resultaat was de Sturmpanzer, die een Panzer IV chassis gebruikt met de bovenste romp en toren vervangen door een nieuwe kazemat -stijl gepantserde opbouw waarin een nieuw pistool, 15 cm (5,9 in) Sturmhaubitze (StuH) 43 L / 12 ontwikkeld door Skoda . Het vuurde dezelfde schelpen als de 15 cm Sig 33 zware infanterie geweer. Dertig-acht rondes, met aparte drijfgas cartridges, kon worden uitgevoerd. Het gebruikte de Sfl.Zf. 1a zicht. Het totale gewicht van het reservoir en de patroon (38 kg (84 lb) voor HE reservoir en 8 kg (18 lb) voor een drijfgas cartridge) legt de werkzaamheden van de lader zware, vooral wanneer het geweer werd tot een hoge hoek. 

Een MG 34 machinegeweer werd uitgevoerd die kunnen worden vastgemaakt aan de open luik schutter, net als de regeling op de Sturmgeschütz III Ausf. G. Vroege voertuigen droeg een MP 40 machinepistool binnen, die kan worden afgevuurd door de vuren poorten in de zijkant van de bovenbouw. 
Station van de bestuurder naar voren geprojecteerd van de kazemat van de schuine frontale pantserplaat en gebruikt de Tiger I zicht 's Fahrersehklappe 80 bestuurder. Het vechten compartiment werd (slecht) geentileerd door natuurlijke convectie, het verlaten van de achterzijde van de bovenbouw via twee gepantserde covers. Sideskirts werden gemonteerd op voertuigen. 
Vroege voertuigen waren te zwaar voor het chassis, die leiden tot frequente storingen van de ophanging en de transmissie. De inspanningen werden gedaan om dit te verbeteren van de tweede reeks verder, met enig succes. 
In oktober 1943 werd besloten dat de StuH 43 pistool moest worden herontworpen om het gewicht te verminderen. Een nieuwe versie, ongeveer 800 kilogram (£ 1800) lichter dan de StuH 43, werd gebouwd als de StuH 43/1. Enkele gewicht werd bespaard doordat het harnas op de affuit zelf. Dit wapen werd gebruikt vanaf de derde serieproductie vanaf. 
Zimmerit coating werd toegepast op alle voertuigen tot september 1944. 
Serieproductie 
Eeste
De productie van de eerste reeks van 60 voertuigen begon in april 1943 Fifty-twee daarvan zijn gemaakt met de nieuwe Panzer IV Ausf. G chassis en de resterende 8 van herbouwd Ausf. E en F chassis. Overlevenden, ongeveer de helft, werden herbouwd te beginnen in december 1943; ze werden meestal omgebouwd tot 2e serie normen. 
Tweede 
Productie hernieuwd in december 1943 van een andere 60 voertuigen, met alleen nieuwe Ausf. H chassis, en bleef tot maart 1944. De Sturmpanzer de doop in de strijd bij de Slag bij Koersk bewezen dat compartiment van de bestuurder was te licht gepantserde en het werd versterkt. Luik van de schutter werd verwijderd en een ventilator was voorzien, tot grote opluchting van de bemanning. Intern opgesprongen, staal omrande wielen vervangen de voorste twee rubber omrande wielen in een poging om de spanning op de voorwielophanging dat was slechts gedeeltelijk succesvol te verminderen. 
Derde
De productie van de 3e serie liep van maart tot juni 1944 met weinig veranderingen ten opzichte van de tweede reeks. De Fahrersehklappe 80 werd vervangen door periscopen en de lichtere StuH 43/1 werd gebruikt. 
Vierde 
De bovenbouw werd vernieuwd in het begin van 1944 voor de vierde serie, die het chassis en HL120TRM112 motor van de Ausf gebruikt. J, en was in de productie tussen juni 1944 en maart 1945. Het kenmerkte een nieuw ontworpen wapen kraag, evenals een algemene verlaging van de hoogte van de bovenbouw. Dit herontwerp introduceerde ook een bal te monteren aan de voorkant opbouw voor een MG 34 machinegeweer met 600 rondes. Positie van het voertuig commandant werd gewijzigd om de koepel van de Sturmgeschütz III Ausf gebruiken. G, die een machinegeweer voor luchtafweer verdediging kon monteren.
Combat geschiedenis 
Sturmpanzer-Abteilung 216 
De eerste eenheid van de Sturmpanzer te nemen in de strijd was Sturmpanzer-Abteilung 216. Het werd gevormd aan het einde van april 1943 en overgebracht in begin mei naar Amiens om te trainen op zijn nieuwe aanval geweren. Het werd georganiseerd in 3 lijn bedrijven, elk met 14 voertuigen en een bataljon hoofdkantoor met 3 voertuigen. Het kwam in Centraal-Rusland op 10 juni 1943 voor te bereiden op Unternehmen Zitadelle (Operation Citadel), de Duitse aanval op de Koersk saillant . Voor deze actie tijdelijk als derde bataljon van Schweres Panzerjäger Regiment 656 ("Heavy Anti-tank Regiment 656") onder het bevel van de was toegewezen 9de Leger van Army Group Center . 
Het bleef in het Orel - Bryansk gebied tot de overdracht aan de Dnepropetrovsk - Zaporozhe gebied aan het einde van augustus. De voertuigen werden er geplaatst en bleef daar tot de Zaporozhe Bridgehead werd verlaten op 15 oktober. Het bataljon trokken zich terug naar Nikopol waar hij hielp om de Duitse saillant er verdedigen totdat het weer werd ingetrokken om het Reich aan het einde van december. 
De geallieerde landing bij Anzio op 22 januari 1944 veroorzaakte het bataljon, volledig onafhankelijk eens te meer, daar worden overgedragen in het begin februari met 28 voertuigen deelnemen aan de geplande tegenaanval tegen de geallieerde bruggenhoofd, Unternehmen Fischfang. Dit gefaald in zijn doelstelling, maar het bataljon bleef in Italië voor de rest van de oorlog. Het bataljon had nog 42 voertuigen op de hand toen de geallieerden lanceerden hun Povlakte offensief in april 1945, maar werden opgeblazen tot capture voorkomen of verloren tijdens de retraite voor de oorlog eindigde in mei.
Sturmpanzer-Abteilung 217 
Sturmpanzer-Abteilung 217 werd opgericht op 20 april 1944 op Grafenwöhr Training gebied van kaders die door Panzer-Kompanie 40 en Panzer-Ersatz Abteilung 18, hoewel het geen gepantserde gevechtsvoertuigen hadden tot 19 Sturmpanzers eind mei Er werden afgeleverd vertrok 1/2 juli voor de Normandische front . Hier moest het uitladen in Condé sur Noireau , ongeveer 170 kilometer (110 mijl) achter de frontlinies, omdat de geallieerden zwaar had beschadigd het Franse spoornet. Veel van de voertuigen het bataljon brak tijdens de weg mars naar de frontlinies. De eerste vermelding van Sturmpanzer s in een gevecht is op 7 augustus in de buurt van Caen . Op 19 augustus, het bataljon had 17 Sturmpanzers operationeel en nog eens 14 in onderhoud. Het grootste deel van het bataljon was niet opgesloten in de Falaise Pocket en wist zich terug te trekken naar het noordoosten. Het had slechts 22 auto's in oktober, die werden verdeeld tussen de 1e en 2e bedrijven; het overschot bemanningen werden naar Panzer-Ersatz Abteilung 18. Hij nam deel aan de Slag om de Ardennen , alleen vooruit zover St. Vith . Het was voortdurend op het toevluchtsoord voor de rest van de oorlog en werd gevangen in de Ruhr Pocket in april 1945. 
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 218 
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 218 werd opgeheven in augustus 1944. Het werd verzonden naar Warschau , waar het werd gehecht aan Panzer Abteilung (FKL) 302. Het bleef aan het Oostfront na de Opstand van Warschau werd onderdrukt en werd uiteindelijk weggevaagd in Oost-Pruisen in april 1945. Het was de bedoeling de cadre voor Sturmpanzer Abteilung 218 in januari 1945 te zijn geweest, maar het werd nooit uit de frontlinies getrokken om dat te doen.
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 2. / 218 werd gelijktijdig verhoogd met Sturmpanzer Kompanie ZBV 218, maar werd overgebracht naar het Parijs gebied op 20 augustus. Niets is gekend van zijn dienst in Frankrijk, maar personeel van het bedrijf werden Panzer-Ersatz Abteilung 18 gezonden aan het eind van het jaar en werden verondersteld te zijn gebruikt bij de vorming van Sturmpanzer Abteilung 218. 
Sturmpanzer-Abteilung 218 werd besteld opgericht op 6 januari 1945 met drie bedrijven met een totaal van 45 Sturmpanzers, maar het kreeg Sturmgeschütz III aanvalskanonnen in februari plaats. 
Sturmpanzer-Abteilung 219 
Sturmpanzer-Abteilung 219 was oorspronkelijk te worden gevormd uit Sturmgeschütz-Brigade 914 , maar dit werd veranderd in Sturmgeschütz-Brigade 237 in september 1944. Medio september 1944 overgedragen aan de brigade Döllersheim Training Area om te reorganiseren en opnieuw uit te rusten. Slechts tien Sturmpanzers had ontvangen toen het bataljon werd gewaarschuwd op 15 oktober deel te nemen aan 'Unternehmen Eisenfaust' , de Duitse staatsgreep aan Hongarije's poging om over te geven aan de geallieerden te voorkomen. Alle voertuigen werden gegeven aan het eerste bedrijf en vertrok naar Boedapest op de volgende dag. Bomb schade aan de rails vertraagd zijn aankomst tot 19 oktober, tegen die tijd was het niet meer nodig als een pro-Duitse regering was geïnstalleerd. Het werd schold naar St. Martin, Slowakije voor meer training. Het bataljon werd overgebracht naar de omgeving van Stuhlweissenburg te verlichten gevangen Duitse troepen in Boedapest . Het bleef in de buurt van Boedapest tot gedwongen zich terug te trekken door de oprukkende Sovjet-troepen.


Sturmpanzer, weergegeven in het Musée des Blindés, Saumur, Frankrijk. 
Type 
Zware aanvalskanon 
Plaats van herkomst 
Nazi-Duitsland 
Productie geschiedenis 
Ontwerper 
Alkett 
Ontworpen 
1942-1943 
Fabrikant 
Wenen Arsenal (Series I-III) 
Deutsche Eisenwerke (Series IV) 
Geproduceerd 
1943-1945 
Aantal gebouwd 
306 
Bestek 
Gewicht 
28,2 ton (£ 62.170) 
Lengte 
5,93 meter (19 ft 5 in) 
Breedte 
2,88 m (9 voet 5 in) 
Hoogte 
2,52 meter (8 voet 3 in) 
Crew 
5 (bestuurder, commandant, 
gunner, 2 laders) 
Pantser 
Voorkant: 100 mm (3,93 in) 
Hoofd- 
bewapening 
15 cm StuH 43 L / 12 
Secundair 
bewapening 
Series IV: 1 7,92 mm (0,312 in) MG 34 
Motor 
vloeistofgekoelde V-12 Maybach HL 120 TRM 
300 PS (296 pk, 220 kW) 
Vermogen / gewicht 
10.64 PS / ton 
Opschorting 
twee wielen bladveer draaistellen 
Operationele 
reeks 
Road: 210 km (130 mi) 
Snelheid 
Weg: 40 km / h (25 mph) 
Off-road: 24 km / h (15 mph)


 

 

Sturmpanzer tentoongesteld in het Deutsches Panzermuseum Munster, Duitsland

Sd.Kfz. 2 (Kleines Kettenkraftrad)

De SdKfz 2, beter bekend als de Kleines Kettenkraftrad HK 101 of Kettenkrad voor korte (Ketten = keten / tracks, krad = militaire afkorting van het Duitse woord Kraftrad, de administratieve Duitse term voor motorfiets), begon zijn leven als een lichte tractor voor gebruik in vliegtuigen troepen. Het voertuig werd ontworpen om te worden afgeleverd door de Junkers Ju 52 vliegtuigen, maar niet per parachute. Het voertuig had het voordeel dat het wapen slechts tractor klein genoeg om in het ruim van het Ju 52, en was de lichtste massaproductie Duitse militair voertuig het complex Schachtellaufwerk gebruiken overlapt en interleaved wielen op bijna alle Duitse leger half -Track voertuigen van de Tweede Wereldoorlog. 

Het sturen van de Kettenkrad werd bereikt door het draaien van het stuur: Tot op zekere hoogte, zou alleen het voorwiel het voertuig te sturen. Een motie van het stuur voorbij dat punt zou gaan de baan remmen om ervoor te helpen wordt scherper. Het is ook mogelijk om het voertuig zonder het voorwiel geïnstalleerd werking en deze is in extreme terreinomstandigheden waar de snelheid laag zou blijven bevelen.

De SdKfz 2 werd ontworpen en gebouwd door de NSU Werke AG in Neckarsulm , Duitsland. Eerst ontworpen en gepatenteerd in juni 1939 werd voor het eerst gebruikt in de invasie van de Sovjet-Unie in 1941.Later in de oorlog Stoewer van Stettin produceerde ook Kettenkrads onder licentie, goed voor ongeveer 10% van de totale productie. 

De meeste Kettenkrads zag dienst op het Oostfront , waar ze werden gebruikt om de communicatie kabels soldaten leggen, trek zware lasten en uit te voeren door de diepe Russische modder . Later in de oorlog, Kettenkrads werden gebruikt als landingsbaan sleepboten voor vliegtuigen, vooral voor zowel de Me 262 straaljager, en soms de Arado Ar 234 jet verkenning-bommenwerper. Om de luchtvaart brandstof te besparen, zou Een Duitse straalvliegtuigen worden gesleept naar de startbaan, in plaats van het taxiën onder hun eigen macht. 

Het voertuig werd ook gebruikt in de Noord-Afrikaanse theater en op het Westelijk Front . 

De Kettenkrad wordt een speciale aanhanger (Sd.Anh.1) die kunnen worden verbonden aan de lading te verbeteren. 

Omdat het een rupsvoertuig, kon de Kettenkrad klimmen tot 24 ° in het zand en nog meer op een harde ondergrond. 

Slechts twee belangrijke sub-variaties van de Kettenkrad geconstrueerd. De productie van het voertuig gestopt in 1944, waarna 8345 zijn gebouwd. Na de oorlog, de productie hervat op NSU. Rond 550 Kettenkräder werden gebouwd voor gebruik in de landbouw, met een productie die eindigt in 1948 (sommige bronnen zeggen 1949).

Kettenkrad in Rusland in de winter van 1943 
Soort 
Bemanning 3 
Lengte 3,0m 
Breedte 1,0m 
Hoogte 1,20m 
Gewicht 1560kg 
Pantser en bewapening 
Pantser geen 
Hoofdbewapening geen 
Motor Opel Olympia 1.5l/4 cilinder/36pk 
Snelheid (op wegen) 70km/u 
Rijbereik 250km

PzKpfw I Ausf A-ohne Aufbau(lichte tank)

De Panzer Ik was een lichte tank geproduceerd in Duitsland in de jaren 1930. Het werd gebouwd in verschillende varianten en was de basis voor een aantal voertuigen voor speciale doeleinden. 
Panzerkampfwagen I Ausf A ohne Aufbau 
De eerste Panzer I voertuigen worden gebouwd, 15 van deze variant werden afgerond door diverse bedrijven ( Daimler-Benz , Henschel , Krupp , MAN en Rheinmetall ) in een programma bedoeld om industriële capaciteit ontwikkelen en verzorgen van initiële opleiding voertuigen aan de Wehrmacht . De Ausf A ohne Aufbau was een Panzer ik romp zonder opbouw of torentje . Het interieur is volledig open. Het voertuig werd bemand door een student bestuurder en instructeur, met ruimte voor drie student waarnemers achter hen. De suspensie en de romp waren identiek aan de Ausf A, maar totaalgewicht werd teruggebracht tot 3,5 ton en hoogte tot 1,15 m. De prestaties waren vergelijkbaar. 
Munitionsschlepper auf Panzerkampfwagen I Ausf A
Gezien de aanduiding SdKfz 111, de Munitionsschlepper (munitie tractor) werd gebouwd om Panzer eenheden met een gepantserde bieden rupsvoertuig voor front-line re-levering van tanks. 51 voorbeelden werden omgezet van oudere Ausf A tanks in september 1939. De conversie betrokken verwijderen van de toren en het verstrekken van een tweedelig pantserplaat deksel over de resulterende opening. Dit ruwe conversie geserveerd in Polen en Frankrijk met Panzer units. Totaalgewicht was iets minder dan de Ausf A bij 5,0 ton, en de hoogte was verlaagd tot 1,4 m. Aangezien sommige brandstofcapaciteit was verwijderd, werd range gesneden tot 95 km. Geen bewapening werd verstrekt. 
Brückenleger auf Panzerkampfwagen I Ausf A 
Een poging om het overbruggen van apparatuur monteren op de Ausf A chassis bleek onpraktisch te wijten aan de zwakke ophanging van het voertuig, hoewel dit later werd geprobeerd met meer succes op de Panzer II chassis. 
Flammenwerfer auf Panzerkampfwagen I Ausf A 
Een rechttoe rechtaan modificatie, de Flammenwerfer had een draagbare flamethrower genoeg brandstof voor ongeveer 10 seconden afvuren op een afstand van maximaal 25 m aangebracht in plaats van één van de machinegeweren. Het idee kwam van een experiment tijdens de Spaanse Burgeroorlog , en was bedoeld om de Panzer I meer vuurkracht te geven tegen close doelen. De conversie was niet permanent, en werd alleen gemeld in de te gebruiken Slag van Tobruk door de Duitse 5e Light Division . 
Kleiner Panzerbefehlswagen (klPzBefWg) 
De aanduiding SdKfz 265, de klPzBefWg was een modificatie van de Ausf A ontworpen om een ​​commando voertuig voor Panzer units. Dit vereist een verlenging van het chassis (door het toevoegen van een vijfde wiel weg) en het upgraden van de motor. Uiteindelijk zou dit chassis basis voor de verbeterde Ausf B versie. De klPzBefWg had een opgebouwde bovenbouw in de plaats van het torentje, bieden meer interieur ruimte voor commando-apparatuur en een FuG6 radio in aanvulling op de FuG2 . Eén MG13 of MG34 in een kogelmolen te monteren op de voorzijde van de opbouw is voorzien, maar vaak verwijderd. Iets zwaarder (5,9 ton) en groter (1,99 m) dan de Ausf B, de klPzBefWg geserveerd met alle Panzer eenheden in de vroege oorlogsjaren. Het kreeg een extra 15 mm armor later en werd verplaatst naar hulptaken door 1942 184 werden gebouwd door Daimler-Benz tegelijkertijd als Ausf B productie en zes voorbeelden werden gebouwd van Ausf A tanks. 
Panzerkampfwagen I Ausf B ohne Aufbau 
De Ausf B ohne Aufbau gebruikt hetzelfde chassis als de Ausf B, maar weggelaten de bovenbouw en torentje. Ontworpen om Panzer eenheden te voorzien van een bijgehouden herstel en reparatie van het voertuig, 164 werden geproduceerd, naast de standaard Ausf B voertuigen. Echter, de introductie van grotere tanks betekende het was niet in staat om het herstel werk te doen, en door 1940 werd overgedragen aan de opleiding taken. Vergeleken met de Ausf B was veel lichter (4,0 ton) en kortere (1,35 m). Net als de Ausf A ohne Aufbau, het compartiment was bovenzijde open; de romp werd gepantserd. 
4.7 cm Pak (t) (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Algemeen bekend als de Panzerjäger ik, deze versie gemarkeerd eerste poging van Duitsland in een gepantserde tank destroyer. De koepel werd verwijderd en een 4.7 cm Pak (t) antitank pistool (gevangen uit Tsjechoslowakije) met een grote wrap-around gun schild werd geïnstalleerd. Gemaakt van 14,5 mm dikke pantserplaat, het schild bood geen bescherming aan de achterzijde of hoger. Het pistool staat was 35 ° verplaatsingen en elevatie van -8 ° tot + 12 °. 86 ronden werden uitgevoerd voor de belangrijkste wapen. Terwijl prestatie was vergelijkbaar met de Ausf B was 6,4 ton zwaarder en groter, 2,25 m, dan B. 
15 cm SIG 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Dit voertuig werd ook wel bekend als de Bison . De grotere Ausf B chassis mogelijk gemaakt de montage van zwaardere wapens met het verwijderen van het torentje. De grootste was de 150 mm zware infanterie pistool, de SIG 33 . Dit mammoet stuk was relatief kort en nauwelijks fit in een hoge opbouw, dat werd gebouwd aan het voertuig 2,8 m hoogte en over de sporen om hun volledige 2,06 m breedte. De bovenbouw armor was alleen lichte 13 mm-en alleen beschermde de voor- en zijkanten. De zware resulterende gewicht van 8,5 ton overbelasting van het chassis; het voertuig was geen groot succes. 38 werden omgezet van Ausf B tanks in februari 1940. Ze geserveerd met zes zware SP infanterie gun bedrijven, met overlevenden in dienst in 1943 de SIG-montage in staat was 25 ° van de traverse en 75 ° van de hoogte, en kan worden ingedrukt om - 4 °. Het gebruikte een Rblf36 zicht. Munitie werd apart uitgevoerd, dat er geen ruimte voor onboard shell opslag. SIG zou meer succes worden gemonteerd op grotere chassis als de oorlog vorderde. 
Flammenwerfer auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Een experimentele veld modificatie vergelijkbaar met die gedaan om de Ausf A later in Noord-Afrika, werd deze conversie gemaakt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Er is geen verslag van later gebruik tijdens deTweede Wereldoorlog. 
Ladungsleger auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Een veld modificatie kit, de Ladungsleger of explosieven lagen, werd op het achterdek van een Ausf B tank gemonteerd en wordt gebruikt om explosieven te maken op veldversterkingen verslaan. Een aantal voertuigen kregen deze kits, met het toegestane gebruik van de gepantserde ingenieurs bedrijf van elke Pioneer Battalion. 
Flakpanzer I 
Een zeldzame wijziging die geprobeerd om de Panzer I maken in een zelfrijdende anti-aircraft pistool was het Flakpanzer I. Het was niet op grote schaal geproduceerd als gevolg van extreem hoge ontwikkelings kosten

De Grille Tank zelfrijdende artillerie

De Grille ( Duits : " cricket ") was een reeks van zelfrijdende artillerie voertuigen die door nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog . De Grille serie was gebaseerd op de Tsjechische Panzer 38 (t) tank en gebruikte een 15 cm SIG 33 infanterie pistool. 
Development 
De oorspronkelijke bestelling voor 200 eenheden van de Grille, moest worden gebaseerd op de nieuwe 38 (t) Ausf M chassis dat BMM (Böhmisch-Mährische Maschinenfabrik) werd de ontwikkeling echter vertragingen veroorzaakt productie te beginnen op de 38 (t) Ausf H chassis hand, in sommige gevallen, de oudere 38 (t) tanks terug voor factory refit. 
Grille Ausf. H
De eerste variant van het rooster was gebaseerd op de Panzer 38 (t) Ausf. H,die de motor aan het einde was. Het torentje van de tank werd verwijderd en vervangen door een lage geslingerd bovenbouw en vechten compartiment. [1] De 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33 (zware infanterie gun) werd in de voorzijde van deze gepantserde compartiment gemonteerd. Wordt gebouwd op een tank chassis, de romp bepantsering was 50 mm (voor) en de bovenbouw armor was 25 mm (voor)
Een totaal van 91 (waaronder een prototype) werden in het BMM (vroegere geproduceerd ČKD Praga) fabriek in Praag van februari tot april 1943. De officiële naam was 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen 38 (t) Ausf. H (Sd.Kfz. 138/1).
Grille Ausf. M 
De tweede variant Grille was gebaseerd op de Panzer 38 (t) Ausf. M, die de motor in het midden hebben.Zoals bij de eerdere versie, de koepel verwijderd en vervangen door een nieuwe opbouw en gepantserde compartiment.In tegenstelling tot de oudere variant, werd de gevechten compartiment aan de achterzijde van de het voertuig en iets kleiner en hoger. Het belangrijkste wapen was ook de 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33. 
Van april tot juni 1943 en vervolgens vanaf oktober 1943 tot september 1944 in totaal 282 voertuigen werden geproduceerd.Dit was het laatste voertuig gebouwd op de Ausf M chassis als de 10 die waren toegewezen aan de Flakpanzer 38 (t) chassis werden gebruikt om de roosters te bouwen in plaats. 
De officiële naam was 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33/1 auf Selbstfahrlafette 38 (t) (Sf) Ausf. M (Sd.Kfz. 138/1) 
Munitie carrier
Omdat de Grille munitie opslag had beperkt, werd een speciale variant gebouwd op basis van de Ausf. M chassis; Dit werd aangeduid Munitionspanzer 38 (t) (sf) Ausf.K (sdKfz.138 / 1). Het kanon werd vervangen door munitie rekken; het voertuig kan terug worden omgezet naar een normale configuratie in het veld, door het monteren van de 15 cm pistool op het. De productie bedroeg in totaal 120 voertuigen. 
Combat geschiedenis
Beide versies waren bedoeld om dienst te nemen in de schwere Infanteriegeschütz Bedrijven binnen de Panzergrenadier regimenten , binnen Panzer en Panzergrenadier divisies, in hun zware infanterie-eenheden pistool. Elk detachement had zes beschikbaar. 
Overleven voertuigen 
A "Grille" Ausf. K is op vertoning bij het ​​Amerikaanse leger Ordnance Museum in Aberdeen, USA . 
Referenties 
1. ^ Jump up to: a b c d e f Rickard, John. "Grille / 15cm sIG33 (Sfl) auf PzKpfw 38 (t) ausf H, M" . http://www.historyofwar.org . Ontvangen 29 juli 2014. 
Bibliografie 
Chamberlain, Peter, en Hilary L. Doyle. Thomas L. Jentz (Technical Editor) Encyclopedie van de Duitse Tanks van de Tweede Wereldoorlog. Een volledige, geïllustreerde gids van de Duitse Battle Tanks, Pantserwagens, Zelfrijdende Guns, en Semi-rupsvoertuigen, 1933-1945 Londen:. Wapens en Armour . Press, 1978 (herziene editie 1993) ISBN 0-85368-202-X ; rev. ed. ISBN 1-85409-214-6

Grille Aberdeen.00044ijk05.jpg

Periode -
Bemanning 4
Lengte 4,95 m
Breedte 2,15 m
Hoogte 2,47 m
Gewicht 12 ton
Pantser en bewapening
Pantser 10-15 mm
Hoofdbewapening 1x 15 cm sIG 33 geschut
Secundaire bewapening 1x 7,92 MG43 machinegeweer
Motor 1 x Praga AC, 6 cilinder benzinemotor
147 pk (110 kW)
Snelheid (op wegen) 35 km/u
Rijbereik 190 km

De Panzerkampfwagen E-100 zware tank

De E-100 (Gerät 383) (TG-01) was een Duitse super-zware tank ontwerp ontwikkeld aan het einde van de Tweede Wereldoorlog .


Development

Het basisontwerp werd besteld door de Waffenamt als een parallelle ontwikkeling van de Porsche Maus in juni 1943. Het was de zwaarste van de Entwicklung (E) series van voertuigen, bedoeld om zoveel mogelijk componenten te standaardiseren. Er zou een E-5, E-10, E-25, E-50, E-75 en tenslotte de E-100 zijn. 

In november 1942, Krupp stelde een ontwerp met een gewicht van 155 ton, in vergelijking met de 188 ton van de Maus - maar nog steeds met behulp van de Maus torentje. In december 1942, Krupp stelde een ontwerp met een gewicht van 130 ton, die veel van dezelfde componenten als de gebruikte Tiger tank met Maus torentje - aangeduid als de "Tiger-Maus". Gewichtsbesparingen moesten worden uit dunnere armor en vernauwing en het verkorten van het voertuig. 

In 1944 beval Hitler de ontwikkeling van super zware tanks stoppen werkzaamheden voor het E-100 bleef echter op een zeer lage prioriteit met slechts drie Adler medewerkers waarover de prototype monteren. 

Het prototype had een HL 230P30 motor en transmissie Olvar aangebracht. De HL 230 was hetzelfde V-12 motor die werd gebruikt op de Tiger II en tanks Panther . Het was geschikt voor de 45-tons Panther, underpowered voor de 70-tons Tiger II en grove onder-aangedreven voor een 140-tons design. Het chassis van het prototype was nagenoeg afgerond maar ontbrak een torentje die zou zijn voorzien van de 15 cm KwK 44 gun. De definitieve versie zou worden aangedreven door een HL234 produceert 850 pk gekoppeld aan een Mekydro transmissie. Een 17 cm KwK 44 werd voorgesteld als de finale bewapening. Schorsing was om het te extern gemonteerde Belleville Washer type.De romp had hellende pantser, typisch post-1943 design. Wheels werden overlapt, vergelijkbaar met de Tiger II en de Panther en niet meer verweven zoals het Schachtellaufwerk suspensie van de oorspronkelijke Tiger I . 

Het eerste prototype werd nooit voltooid en werd gevonden door de 751 Field Artillery Battalion van de Amerikaanse troepen op de werkvloer op 22 april 1945 in Bad Lippspringe, Duitsland.De gedeeltelijk voltooide voertuig werd verwijderd door het Britse leger voor de evaluatie en vervolgens gesloopt.

Landkreuzer P.1500 Monster zware artillerie

De Landkreuzer P 1500 Monster was een Duitse pre-prototype super- zware artillerie ontworpen tijdens de Tweede Wereldoorlog , die de top van de Duitse artillerie extreme ontwerpen. 


Conception 

Op 23 juni 1942 werd het Duitse ministerie van bewapening stelde een 1000 ton tank-de Landkreuzer P. 1000 Ratte . Adolf Hitler zelf interesse getoond in het project en de go-ahead werd verleend. In december van hetzelfde jaar, Krupp ontwierp een nog grotere 1.500 ton voertuig-de P. 1500 Monster. 

In 1943, Albert Speer , de minister van bewapening, geannuleerde beide projecten. 

Doel 

Een 800 mm granaat die zou zijn gebruikt, naast een T-34 / 85 
Deze "landcruiser" was een zelfrijdende platform voor de 800mm Schwerer Gustav artilleriestuk ook gemaakt door Krupp-de grootste kanonnen ooit ontslagen voor effect. Hun 7-tons projectielen afgevuurd tot 37 km (23 mi) en zijn ontworpen voor gebruik tegen zwaar versterkte doelen. 

Specificatie 

De Landkreuzer P. 1500 Monster moest zijn 42 meter (138 voet) lang en een gewicht van 1500 ton, met een 250 mm romp voor armor, vier MAN U-boot (onderzeese) scheepsdieselmotoren , en een operationele bemanning van meer dan 100 mensen. 
De belangrijkste bewapening was om een 800 mm Dora / Schwerer Gustav K (E) spoorweg pistool , en met een secundaire bewapening van twee 150 mm sFH 18/1 L / 30 houwitsers en meerdere 15 mm MG 151/15 autocannons . De belangrijkste bewapening kon worden gemonteerd zonder een roterende torentje, waardoor het voertuig een zelfrijdende pistool in plaats van een tank. Een dergelijke configuratie zou hebben toegelaten de P. 1500 om op een soortgelijke wijze als de oorspronkelijke 800mm railroad pistool en Karl 600mm zelfrijdende mortels, lanceert shells zonder aangrijpen van de vijand met directe beschieting . 
Problemen 
De ontwikkeling van de Panzer VIII Maus had grote problemen in verband met zeer grote voertuigen, zoals de verwoesting van wegen / rails, hun onvermogen om bruggen en de moeilijkheid van het strategische transport over de weg of het spoor te gebruiken gemarkeerd. Hoe groter het voertuig, hoe groter deze problemen werd, tot het punt waar ze onoverkomelijk. 
Propulsion had ook problematisch gebleken bij de ontwikkeling van Maus: Het prototype niet aan zijn specifieke snelheid eisen waardoor nog grotere voertuigen zoals P. 1500 waarschijnlijk zouden trage worden ontmoet en door zijn grote omvang, zou een belangrijke doelgroep te zijn geallieerde vliegtuigen.

Bemanning
100+
Lengte
42 m
Breedte
18 m
Hoogte
7 m
Gewicht
2500 ton
Pantser en bewapening
Pantser
250 mm
Hoofdbewapening
80 cm K (E) kanon
Secundaire bewapening
2 15 cm sFH 18/1 L/30 (houwitser) en verschillende 15 mm MG151/15
Motor
4 MAN M9v 40/46 U-boot dieselmotoren (2.200 pk)
Snelheid (op wegen)
15 km/u
Rijbereik

De Jagdpanzer 38 Hetzer( Sd.Kfz. 138 2)

De Jagdpanzer 38 ( Sd.Kfz. 138/2), later bekend als Hetzer ("baiter"), was een Duitse lichte tank destroyer van de Tweede Wereldoorlog op basis van een gewijzigde Tsjechoslowaakse Panzer 38 (t) chassis. Het project is geïnspireerd door de Roemeense " Maresal "tank destroyer. 
Naam
De naam Hetzer was op het moment niet gebruikt voor dit voertuig. Het is de aanduiding voor een verwante prototype, de E-10 . De Škoda fabriek voor een zeer korte periode in de war van de twee namen in de documentatie en het allereerste toestel uitgerust met de auto dus voor een paar weken toegepast de onjuiste naam totdat zaken werden ontruimd. Toch bestaat er een briefing paper van Heinz Guderian tot Hitler te beweren dat een onofficiële naam, Hetzer, was spontaan bedacht door de troepen. Naoorlogse historici zich baseren op deze verklaring de naam populair in hun werken, hoewel de auto nooit werd genoemd als zodanig in officiële documenten. 
Development 
De Jagdpanzer 38 was bedoeld om meer kosten-effectiever dan de veel ambitieuzer zijn Jagdpanther en Jagdtiger ontwerpen van dezelfde periode. Met een bewezen chassis, vermeden mechanische problemen van de grotere pantservoertuigen. 
Het was beter bewapend dan de dun gepantserde eerder Panzerjäger Marder en Nashorn met een schuine pantser frontplaat van 60 mm schuin terug op 60 graden van de verticale (equivalent in bescherming tot ongeveer 120 mm), droeg een redelijk krachtige 75mm kanon, was mechanisch betrouwbaar , klein en gemakkelijk te verbergen. Het was ook goedkoop om te bouwen. 
De Jagdpanzer 38 slaagde de open-top Marder III (gebaseerd op hetzelfde chassis) in de productie van april 1944; over 2584 werden gebouwd tot aan het einde van de oorlog. De oudere Marder III Panzerjäger serie behouden dezelfde verticaal eenzijdige chassis als Panzer 38 (t). In de Jagdpanzer 38, de onderste romp zijkanten helling 15 graden naar buiten om ruwweg zeshoekige vorm maken wanneer bekeken vanaf de voor- of achterkant. Dit verhoogde de beschikbare binnenruimte en ingeschakeld een volledig afgesloten kazemat -stijl vechten compartiment. Door het volledig gesloten armor, was 5 ton zwaarder dan de Marder III. Ter compensatie van de toegenomen gewicht, werd spoorbreedte verhoogd van 293 mm tot 350 mm. 
Eerste productie Jagdpanzer 38 niet eens zitten met de grond omdat pistool, transmissie en dikker frontale armor woog de voorzijde naar beneden. Bladveren werden versterkt uit juni 1944, die de houding van het voertuig waterpas. Van mei-juli 1944, werd de toegankelijkheid verbeterd in de vorm van meer luiken: commandant kleinere luik opening aan de achterzijde, dan rechts achter hoek voor toegang tot radiator, en links achter hoek voor toegang brandstoftank. Vanaf augustus 1944 lichter binnenste en buitenste mantel verminderde het gewicht met 200 kg. Deze zijn meer conische zoek mantel dan de helft kegelvormige eerste mantels. Ook vanaf augustus 1944 werden nieuwe achterband rondsel wielen geïntroduceerd. Deze had 8, 6 en 4 (niet noodzakelijk in deze volgorde) verlichting gaten in plaats van 12. Deze vereenvoudigde het fabricageproces. In september 1944 werden voor 16 voorjaar bladeren steeg in dikte 9mm per blad, achter 16 bladeren onderhouden 7mm elke dikte. Ook in voor- en achterzijde tips september kant Schurtzen werden naar binnen gebogen om te voorkomen dat het vangen van struiken en krijgen gedemonteerd. Er werd ontdekt dat periscoop behuizing bestuurder gehandeld als een schot val, voorkomen inkomende schelpen uit stuiteren de voorkant glacis. De uitstekende behuizing werd verwijderd, in plaats periscoop werd ingevoegd in verticale bezuinigingen op de voorkant armor vanaf oktober 1944 ook van oktober 44, vlam verminderen uitlaat werd geïntroduceerd. Deze verminderde zichtbaarheid en averechts werken. Commandant hoofdkussen werd het luik toegevoegd oktober 1944. Tegelijkertijd werden velgen loopwiel is geklonken plaats van bouten. Om te gaan met zware front, en de noodzaak om het voertuig te streven doorkruisen, werd overbrengingsverhouding verlaagd tot 1: 8 in plaats van 1: 7.33 om de stress over de definitieve tandwielen verminderen van januari 1945. Button-down Jagdpanzer 38 werd blind voor de rechter side. Sinds 20mm kant armors (zelfde als side armor laat model Panzer II) waren slechts voldoende om de bemanning van vrij klein kaliber wapens te beschermen, was het belangrijk om de dreiging naar voren worden geconfronteerd. Derhalve gezichtsveld commandant was gepland worden verbeterd door het installeren van een roterende periscoop in Jagdpanzer 38 Starr, zoals Sturmgeschutz III en Elefant geëvolueerd van een enkel paar periscopen om rondom visie blokken. Echter, Jagdpanzer 38 Starr kwam te laat om de actie in het veld te zien. 
De Jagdpanzer 38 uitgerust de Panzerjägerabteilungen ( tank destroyer bataljons ) van de infanterie divisies, waardoor ze een aantal beperkte mobiele anti-armor vermogen. Na de oorlog Tsjecho-Slowakije bleef de type (versies ST-I en ST-III voor de training versie, ongeveer 180 stuks gebouwd) bouwen en geëxporteerd 158 voertuigen (versie G-13) naar Zwitserland . De meeste voertuigen in collecties van vandaag zijn van oorsprong uit Zwitserland. 
In opdracht van Adolf Hitler in november 1944 werden een aantal Jagdpanzer 38 s rechtstreeks gerenoveerd uit de fabriek met een Keobe vlammenwerper en bijbehorende apparatuur in plaats van het normale pistool. De vlam projector, ingekapseld in een metalen afscherming die doet denken aan die van een geweerloop was gemakkelijk gevoelig voor schade. Minder dan 50 van deze voertuigen, aangewezen Flammpanzer 38, werden voor het einde van de oorlog voltooid, maar ze werden operationeel gebruikt tegen de geallieerde troepen aan het Westelijk Front. 
Verdere varianten waren een Jagdpanzer 38 dragen van de 150 mm SIG 33/2 Houwitser, waarvan er 30 werden voor het einde van de oorlog geproduceerd, en de Bergepanzer 38, een licht herstel voertuig waarvan 170 werden geproduceerd. Plannen werden gemaakt om andere varianten, waaronder een aanval pistool versie van de Jagdpanzer 38 met een 105 mm StuH 42 belangrijkste kanon, een versie van de montage van de productie van 7,5 cm KwK 42 L / 70 kanon uit de Panther, en een anti-aircraft variant gemonteerd een Flak torentje. De oorlog eindigde voordat deze voorgestelde modellen werden in productie genomen. Prototypen werden ontwikkeld voor de Jagdpanzer 38 Starr, was een vereenvoudigde versie van de Jagdpanzer 38 en ook een stap naar de E-10 . Het ontwerp verwijderde de terugslag absorber van de belangrijkste 7,5 cm Pak 39 kanon, in plaats bevestigen het pistool aan het chassis en het gebruik van de Jagdpanzer 38 van bulk en de ophanging aan de terugslag te absorberen. 10 werden gebouwd, maar nooit uitgegeven. 9 omgezet terug naar normaal Jagdpanzer 38 en Hitler beval de resterende prototype vernietigd in plaats van laten worden vastgelegd aan het einde van de oorlog.

Varianten 
Flammpanzer 38 Jagdpanzer 38 gewijzigd met een Keobe vlammenwerper in de plaats van de belangrijkste wapen. Ingezet op het Westelijk Front, met het eerste gebruik tijdens de Slag om de Ardennen (20 in 352 en 353 Panzer-Flamm-Kompanies gehecht aan Army Group G). Minder dan 50 eenheden geproduceerd. [6] 
Panzerjaeger 38 (t) mit 75mm L / 70 Prototype versie experimenteren met het monteren van de 7,5 cm KwK 42 L / 70 kanon van de Panther. 3 prototypes gebouwd, maar de lange geweer en extra gewicht nog grotere problemen met het besturen van de voertuigen veroorzaakt. Voorstel van Krupp de Jagdpanzer 38 passen met een bovenbouw naar achteren naar pistoolbevestiging, maar geen ontwikkeling meer was gedaan dit idee. 
Jagdpanzer 38 Starr Een vereenvoudigde versie van de Jagdpanzer 38 die verbonden 7.5cm Pak 39 pistool aan het chassis, en voorzien van een Tatra dieselmotor. 10 gebouwd, 9 omgezet weer normaal Jagdpanzer 38. De resterende prototype werd vernietigd aan het einde van de oorlog. 
Panzerjaeger 38 (t) mit 105mm StuH 42/2 L / 28 Voorgestelde versie van de Jagdpanzer 38 Starr gewapend met een 10,5 cm houwitser. 
ST-I Naoorlogse Tsjechische aanduiding voor nieuwe vervaardigd of gerepareerd Jagdpanzer 38. 249 in dienst, samen met 50 ST-III / CVP rijopleiding voertuigen (Ongewapende chassis, sommige met een bovenbouw). Prototype ontwikkelingen opgenomen Praga VT-III gepantserd voertuig herstel en PM-I vlammenwerper tank. 
G13 bericht oorlog versie van de Jagdpanzer 38 gebouwd voor Zwitserland, gewapend met een pistool StuK 40 . 
Ontwerpen gebaseerd op het chassis 
Bergepanzer 38 Licht herstel voertuig, afgegeven aan units, samen met de Jagdpanzer 38. 170 eenheden geproduceerd. Een prototype werd ontwikkeld om het ontwerp te passen met een 2cm Flak 38 . 
15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33/2 (Sf) auf Jagdpanzer 38 Jagdpanzer 38 chassis monteren van een 15 cm SIG 33 in een bovenbouw. Bedoeld als vervanging voor de Grille . 30 gebouwd, vanaf december 44.
Vollkettenaufklärer 38 (t) verkenningsvoertuig basis van de Bergepanzer 38. Verschillende prototypes getest Montage enkele of dubbele 2cm Flak 38 , en in één geval een 7,5 cm K51 L / 24 kanon. 
Vollkettenaufklarer 38 (t) Kätzchen Een volledig gevolgd verkenningsvoertuig op basis van de Jagdpanzer 38. Prototypes werden gebouwd door BMM en beval in productie, maar nooit gebouwd. De prototypes werden verondersteld te vernietigen vóór het einde van de oorlog. 
Flakpanzer 38 (t) Kugelblitz Voorstel tot het torentje van een mount Flakpanzer IV Kugelblitz op een Jagdpanzer 38 chassis. Geen productie als gevolg van de oorlog situatie. [6] 
Panzerjäger 38 (t) met Panzer IV turret Krupp voorstel om de koepel van een Panzer IV houder met een 7,5 cm KwK 40 of 8 cm PAW 600 pistool op het chassis van Panzerjäger 38 (t). Het voorstel werd niet voortgezet. 
Panzerjager 38 (d) een grotere versie van de Panzerjager 38 prototype alleen
Prestatie 
De Jagdpanzer 38 passen in de lichtere categorie Duitse tank destroyers die begon met de Panzerjäger I , voortgezet met de Marder serie en eindigde met de Jagdpanzer 38. De 75 mm Pak 39 L / 48 kanon van de Jagdpanzer 38 is een gemodificeerde versie van de 75 mm StuK 40 L / 48 in de StuG III en IV StuG aanvalskanonnen. Met dit wapen de Jagdpanzer 38 was in staat om vrijwel alle Geallieerde of Russische types tank in dienst te vernietigen op grote afstanden (behalve zware tanks) en zijn volledig omsloten bescherming armor maakte het een veiliger voertuig bemanning dan de open-bedekte Marder II of Marder III series. 
De Jagdpanzer 38 was een van de meest voorkomende late-oorlog Duitse tank destroyers. Het was beschikbaar in relatief grote aantallen en het was over het algemeen mechanisch betrouwbaar.Net als sommige andere late-oorlog Duitse Spgs, de Jagdpanzer 38 gemonteerd een remote-control machinegeweer monteren die kunnen worden afgevuurd vanuit het voertuig. Dit bleek populair bij de bemanning, hoewel het geweer een bemanningslid nodig om zichzelf bloot te stellen aan vijandelijk vuur te herladen. 
Ook zijn kleine formaat maakte het gemakkelijker te verbergen dan grotere voertuigen. Een zelfrijdende gun zoals dit was niet bedoeld voor een mobiele, vergadering verloving of de typische Wehrmacht blitzkrieg stijl van oorlogvoering. In plaats daarvan, een lichte zelfrijdende pistool als de Jagdpanzer 38 excelleerde wanneer emplaced langs vooraf bepaalde zichtlijnen waar de vijand werd verwacht te benaderen en wanneer gebruikt in defensieve posities om een ​​voorbereide hinderlaag te ondersteunen. De Jagdpanzer 38 is vergelijkbaar met de afmetingen en verticale profiel naar de minuscule en undergunned Panzer II, een vooroorlogse tank. Echter, door 1944 de meerderheid van de tanks waren aanzienlijk groter en zwaarder, het maken van een Jagdpanzer 38 wachten roerloos in een hinderlaag een zeer klein doel op te sporen, veel minder hit. De belangrijkste tekortkomingen waren relatief dunne kant armor, beperkte munitie opslag, slechte pistool traverse, slechte interne layout dat maakte de bediening van de auto moeilijk, evenals bladveren en aandrijfwielen die gevoelig zijn voor storing waren te wijten aan het toegenomen gewicht.Met behulp de Jagdpanzer 38 en soortgelijke voertuigen volgens een defensieve doctrine zou een aantal van de nadelen van een slechte kant armor en beperkte pistool traverse compenseren. 
Operationele Geschiedenis
De Jagdpanzer 38 ging eerst de dienst met de Heeres Panzerjäger-Abteilung 731 in juli 1944. Dit toestel is verstuurd naar het Leger Groep Noord op het Oostfront .
Overlevenden 
Vanwege het grote aantal geproduceerde, de Jagdpanzer 38 is waarschijnlijk de meest voorkomende Tweede Wereldoorlog Duitse tank destroyer vandaag nog, hoewel veel overlevenden zijn eigenlijk naoorlogse Swiss G-13-varianten. Naast tal van voorbeelden in musea, zijn er veel Jagdpanzer 38 in verschillende omstandigheden in particuliere collecties. 
In 2007, een Jagdpanzer 38 werd hersteld van de Baltische Zee in Jurata, Polen. Het wordt momenteel gerestaureerd in Gdansk.

De Sd.Kfz. 303a Goliath

De Goliath bijgehouden mijn - volledige Duitse naam: Leichter Ladungsträger Goliath (Sd.Kfz 302 / 303a / 303b.) - Was een op afstand bedienbare Duits-engineered sloop voertuig, ook wel bekend als de kever tank [aan de geallieerden. 
Werkzaam bij de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog . Het droeg 60 of 100 kg (130 of 220 lb) van explosieven , afhankelijk van het model, en was bedoeld om te worden gebruikt voor meerdere doeleinden, zoals het vernietigen van tanks, verstoren dichte infanterie formaties, en de sloop van gebouwen en bruggen.
Ontwikkeling en gebruik 
Goliath 303a gevangen genomen door de Poolse troepen tijdens de Opstand van Warschau te zien in het Poolse Leger Museum in Warschau 
In het najaar van 1940, na het herstellen van het prototype van een miniatuur rupsvoertuig ontwikkeld door het Franse voertuig ontwerper Adolphe Kegresse buurt van de Seine , de Wehrmacht munitie kantoor gericht de Carl FW Borgward automotive bedrijf van Bremen , Duitsland een soortgelijk voertuig ten behoeve van de uitvoering te ontwikkelen minimaal 50 kg explosieven. Het resultaat was de SdKfz. 302 (Sonderkraftfahrzeug, 'special-purpose vehicle "), genaamd de Leichter Ladungsträger (' light ladingsdragers '), of Goliath, die 60 kilogram (130 lb) van explosieven uitgevoerd. Het voertuig werd op afstand bestuurd via een joystick schakelkast. De control box wordt met een triple-strengs kabel aangesloten op de achterzijde van het voertuig, voor krachtoverbrenging op de elektrische aangedreven versie naar de Goliath bevestigd. Twee van de strengen werden gebruikt voor het bewegen en sturen Goliath, terwijl de derde werd gebruikt voor ontsteking. De Goliath had 650 meter (2130 voet) van de kabel. Elke Goliath was eenmalig, bestemd om te worden opgeblazen met zijn doel. Vroege model Goliats gebruikt een elektrische motor, maar aangezien deze kostelijke ervoor (3000 Reichsmarks) en moeilijk te herstellen in een gevechtsmilieu, latere modellen (zogenaamde SdKfz. 303) die een eenvoudiger, betrouwbaarder benzinemotor. 
Goliaths werden gebruikt op alle fronten waar de Wehrmacht gevochten, te beginnen in het begin van 1942. Ze werden voornamelijk gebruikt door gespecialiseerde Panzer en gevechtsingenieur eenheden. Goliaths werden gebruikt bij Anzio in Italië in april 1944, en tegen de Poolse verzet tijdens de Opstand van Warschau 1944. Een paar Goliaths werden ook gezien op de stranden van Normandië tijdens D-Day , hoewel de meeste buiten werking werden gemaakt vanwege artillerie ontploffing verbreken hun bevel kabels. Een klein aantal Goliaths werden ook ondervonden door geallieerde troepen in de Maritieme Alpen na de landingen in het zuiden van Frankrijk in augustus 1944 met ten minste één met succes gebruikt tegen een voertuig van het 509th Parachute Infantry Battalion. 
Hoewel totaal 7564 Goliaths werden geproduceerd, werd het eenmalig gebruik wapen niet als succesvol vanwege de hoge kosten per eenheid, lage snelheid (boven 6 mijl per uur (9.7 km / h), slecht bodemvrijheid (net 11,4 centimeter) , kwetsbaar commando kabels en dunne armor die niet aan de afstandsbediening bom te beschermen tegen elke vorm van antitankwapens. De Goliath hielp de basis leggen voor naoorlogse ontwikkelingen in de op afstand bestuurde technologieën voertuig. 
Overleven voorbeelden 
Het Museum van de Tweede Wereldoorlog , Massachusetts, Verenigde Staten 
het Deutsches Panzermuseum , Duitsland 
Heeresgeschichtliches Museum , Wenen, Oostenrijk 
het Musée du Débarquement Utah Beach, Normandië, Frankrijk 
Musée des Blindés , Saumur, Frankrijk 
Musee No. 4 Commando, Ouistreham, Normandië, Frankrijk 
de Canadian War Museum , Ottawa, Ontario, Canada 
Fort Garry Horse Museum, Winnipeg, Manitoba, Canada 
United States Army Ordnance Museum 
Karl Smith collectie, USA 
het Imperial War Museum Duxford, UK 
de Bovington Tank Museum , UK 
De REME Museum , UK 
Nederlandse Cavalerie Museum, Nederland 
Oorlogsmuseum Overloon, Nederland 
Het Nederlands kustverdedigingsmuseum: Fort Hoek van Holland Nederland www.forthvh.nl 
Het gedenkteken museum Nijverdal, Nederland 
Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis , België 
December 44 Museum, La Gleize, België 
de Kubinka Tank Museum , Rusland 
Arsenał in Wrocław , Polen 
Poolse Leger Museum , Polen 
Museum Opstand van Warschau , Polen 
Muzeum dopravy (transport museum), Bratislava, Slowakije. 
Swedish Army Museum , Stockholm, Zweden

De Tiger II Panzerkampfwagen

De Tiger II (latere benaming van de Panzerkampfwagen VI Ausf. B; Sd.Kfz. 182) was een zware Duitse tank die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet, onder meer tijdens het Ardennenoffensief. Het was de zwaarste tank die de Duitsers hebben ingezet. Hij werd ook wel Königstiger genoemd, wat Duits is voor Bengaalse tijger. Bij de geallieerden stond hij foutief bekend als de King Tiger.
Dit gevechtsvoertuig was de opvolger van de Tiger I en woog 69 ton. De tank had voorop de koepel een pantsering van 180 mm en was uitgerust met het 88mm KwK 43 L/71 kanon. Dit kanon was een van de sterkste kanonnen uit de Tweede Wereldoorlog en kon het frontpantser van de meeste geallieerde tanks (zoals de T-34 en de M4 Sherman) tot een afstand van 1500 meter doorboren. Het bereik van het kanon was tien kilometer. Hij werd aangedreven door de 12 cilinder HL 230 PB30 Maybach-motor van 700 pk, waarmee ook de lichtere Panther was uitgerust.
Ontwikkeling
De Duitsers hadden in 1941 een zware tank in ontwikkeling, de Tiger, die door een combinatie van goede pantsering en sterke bewapening superieur zou zijn in een direct gevecht met alle bestaande tanks. Ondanks een vrij hoog gewicht was de Tiger echter niet zo sterk gepantserd dat hij naar verwachting immuun zou blijven tegen de tankkanonnen waarvan men moest aannemen dat de geallieerden ze weldra in hun nieuwere tanktypes zouden inbouwen. Daarbij nam door grondstoffentekorten de kwaliteit van het Duitse staal af. Hitler wilde dan ook zo snel mogelijk een betere tank in dienst nemen, de Tiger II. Deze nieuwe tank moest niet alleen zwaarder gepantserd zijn maar ook het sterke 88 mm Lang 71 kanon hebben dat te groot was voor de koepel van de Tiger I. Dit nieuwe kanon moest compenseren dat munitie gebruikt werd die wegens tekorten aan wolfraam minder effectief was.
De plannen voor deze tank dateren van eind 1942, toen er op de open vlaktes in de Sovjet-Unie werd gevochten. De tank werd daarvoor ook ontworpen en kon in West-Europa niet goed uit de voeten omdat hij te zwaar was voor de meeste bruggen en slecht kon manoeuvreren in nauwe straten. In Oost-Europa kwam de tank beter tot zijn recht; hij werd gevreesd door de Russen.
In januari 1943 werd opdracht gegeven voor de ontwikkeling van prototypen. Zowel Porsche als Henschel bouwden een prototype voor Krupp. Porsche had een prototype, de VK4502, ontwikkeld waarvan alleen de koepel, voorzien van een gekromde voorzijde, werd behouden. Hiervan waren al vijftig exemplaren gebouwd, waarmee de eerste vijftig exemplaren van de Tiger II werden uitgerust. Alle latere exemplaren hadden de koepel van Henschels prototype, de VK4503, met een rechte voorkant; de keuze hiervoor werd gemaakt op 6 december 1943.
In november 1943 werd het eerste exemplaar van de Tiger II afgebouwd; in januari 1944 liepen de eerste Königstiger in massaproductie van de band. De productie werd echter gehinderd door geallieerde luchtaanvallen op de Henschelfabrieken. In totaal zijn er slechts 489 van de oorspronkelijk 1500 bestelde exemplaren gebouwd, plus drie testmodellen: V1, V2 en V3. De productie kwam zeer traag op gang: vijf in januari en februari; zes in maart en april 1944. Vervolgens steeg het aantal per maand geproduceerde tanks: vijftien in mei, 32 in juni, 45 in juli om een piek te bereiken van 94 in augustus. Door de bombardementen klapte de productie in elkaar: 63 in september; slechts 26 in oktober en november. Een kortstondig herstel bracht het aantal op 56 in december maar daarna zakten de cijfers weer terug: 40 in januari 1945; in februari nog 42; en in maart de laatste dertig.
Beschrijving
De Tiger II was een zeer zware tank, niet alleen voor zijn tijd maar ook naar huidige normen. Zijn gewicht lag dicht tegen de zeventigtonslimiet waarboven de mechanische betrouwbaarheid van een rupsvoertuig van deze grootte snel afneemt. Het hoge gewicht was onder andere een gevolg van het feit dat de Duitsers geen gegoten koepel konden produceren waardoor de koepelvorm inefficiënt was. Een andere factor was dat men door een tekort aan molybdeen voor de pantserproductie, over het horizontale vlak gemeten een dikker pantser nodig had om het gewenste beschermingsniveau te halen. De problemen werden enigszins beperkt door de toepassing van een op 50° afgeschuind (150 mm) romppantser, dat met hetzelfde gewicht zo'n 40% meer bescherming bood dan de 233 mm nominale dikte in het horizontale vlak en een efficiëntere vormgeving mogelijk maakte. Men bleef echter aan oude gewoonten vasthouden, zoals het plaatsen van het aandrijfrad aan de voorkant, het indelen van een vijfde bemanningslid en een zeer ruime munitievoorraad — hoewel de kans om een vijandelijke tank met één schot te vernietigen door het krachtige kanon sterk vergroot was. Door de korte ontwikkelingsperiode had men geen tijd de deelcomponenten zeer effectief op elkaar af te stemmen.
Het gewicht van de tank zorgde voor een hoog brandstofverbruik en beperkte de actieradius. De zwakke motorprestaties en problemen met de versnellingsbak waren verantwoordelijk voor de moeilijke bestuurbaarheid van de Tiger II. De ophanging was niet berekend op het grote gewicht en sleet dan ook snel.
In een rechtstreeks gevecht was de Königstiger echter superieur aan iedere geallieerde tank, want hij kon de meeste tanks uitschakelen op meer dan 1500 meter, terwijl geallieerde tanks de Tiger II dikwijls alleen van dichtbij en van opzij konden vernietigen. Vooral wanneer de Tiger II in een defensieve rol gebruikt werd had hij geen last van zijn tekortkomingen en kon hij bijna alleen uitgeschakeld worden vanuit de lucht of door een toevalstreffer op een zwakke plek. Zo'n 80% van de Tiger II's ging verloren door oorzaken die niets te maken hadden met vijandelijke actie: brandstoftekort, mechanisch defect, blokkade door gesprongen of te zwakke bruggen, omsingeling en insluiting. Slechts 20% ging verloren door vijandelijk vuur, waarvan nog eens een kleine helft door luchtaanvallen. Tijdens het Ardennenoffensief en ook daarna werden veel Tiger II's vernietigd door de eigen bemanning omdat het geallieerde luchtoverwicht verhinderde dat de brandstofvoorraden de gevechtseenheden bereikten. De bemanning had de vaste opdracht om de tank te vernietigen als hij achtergelaten moest worden.
In een klassieke omtrekkingsbeweging trachtten geallieerde tanks een voltreffer te plaatsen op de zij- of achterkant van de tank. Gemiddeld kostte het zes tot zeven Sherman's om een Tiger II uit te schakelen in een gevecht, tenzij Fireflies uitgerust met het Ordnance QF 17-pounder (76,2mm) kanon waardoor de verliezen van dit type aanzienlijk lager lagen. Er zijn geen verslagen of foto's bekend die bewijzen dat de frontale bepantsering van de Tiger II ooit werd gepenetreerd door geallieerd geschut, met uitzondering van voltreffers van Sovjet 122 mm kanonnen precies op de verbinding van de beide voorplaten tijdens een beproeving van een buitgemaakt voertuig, dergelijke verbindingen vormen een zwakke plek en zwaardere granaten zijn veel minder gevoelig voor afketsing. De bovenplaat was dan ook extreem sterk met een equivalente pantsering van zo'n 320 mm. Men moet echter niet denken dat het type naar moderne maatstaven sterk gepantserd was, ook als we afzien van de laatste ontwikkelingen in pantsermateriaaltechnologie. De Britse Chieftain haalde in de jaren zestig al een equivalente bepantsering die dubbel zo hoog lag terwijl het gewicht 15 ton lager was, hoewel er gewoon gietstaal gebruikt werd.
Betrouwbaarheid en mobiliteit 
Vroege Tiger II's onbetrouwbaar gebleken, voornamelijk het gevolg van lekkende afdichtingen en pakkingen, en een overbelaste aandrijflijn oorspronkelijk bedoeld voor een lichter voertuig.De dubbele straal stuurinrichting was aanvankelijk bijzonder gevoelig voor storing. [32] Het gebrek aan opleiding van de bemanning kan dit versterken probleem; drivers die oorspronkelijk alleen gegeven beperkte training op andere tanks werden vaak direct naar de operationele eenheden al op weg naar het front. 
De Schwere Heeres Panzer Abteilung 501 (sHPz.Abt. 501) kwam aan het Oostfront met slechts acht van de 45 tanks operationele, deze fouten waren meestal te wijten aan aandrijflijn mislukkingen. De eerste vijf Tiger IIs geleverd aan de Panzer Lehr Division brak voordat ze kunnen worden gebruikt in de strijd, en werden vernietigd om te voorkomen dat vast te leggen. 
Deze betrouwbaarheid problemen werden grotendeels opgelost in de tijd met de voortdurende introductie van gemodificeerde afdichtingen, pakkingen en aandrijflijn onderdelen, alsmede een verbeterde opleiding van chauffeurs en voldoende onderhoud. Statistieken van 15 december 1944 tonen een verbeterde betrouwbaarheid: 72 procent van de Panzer IV's , 80 procent van de Tiger IIs en 61 procent van de Panthers operationeel waren door deze periode.Elke resterende problemen met de betrouwbaarheid waren vooral te wijten aan het ontbreken van smeermiddelen en onderdelen leed door Duitse troepen op dit punt. 
Over het algemeen, de Tiger II was een formidabele tank ondanks zijn problemen. De 8.8 cm bewapening kon geen van de geallieerde vernietigen gepantserde gevechtsvoertuigen in dienst tijdens de oorlog ver buiten het effectieve bereik van hun geweren.Ook, niet weerstaan ​​haar aanvankelijke problemen met de betrouwbaarheid, de Tiger II was opmerkelijk wendbaar voor zo'n zwaar voertuig . Hedendaagse Duitse platen en testresultaten geven aan dat de tactische mobiliteit was zo goed als of beter dan de meeste Duitse en Allied tanks. 
Combat geschiedenis 
Het eerste gevecht gebruik van de Tiger II was de 1e Onderneming van het 503 Heavy Panzer Battalion (sHPz.Abt 503.) tijdens de Slag om Normandië , tegengestelde Operatie Atlantic tussen Troarn en Demouville op 18 juli 1944; verliezen waren: twee uit de strijd, plus de compagniescommandant de tank, die onherroepelijk werden opgesloten na een val in een bom krater gemaakt tijdens Operation Goodwood . 
Aan het Oostfront , werd voor het eerst gebruikt op 12 augustus 1944 door de 501ste Zware Panzer Battalion (sHPz.Abt. 501), verzet tegen de Lvov-Sandomierz Offensive . Het viel de Sovjet-bruggenhoofd over de Vistula rivier in de buurt Baranów Sandomierski . Op weg naar Oględów werden drie Tiger IIs in een hinderlaag verwoest door een paar T-34-85s .Omdat deze Duitse tanks leed munitie explosies, die vele doden bemanning veroorzaakt, belangrijkste wapen rondes werden niet langer toegestaan ​​te worden opgeborgen binnen het torentje, het verminderen van de capaciteit tot 68.Tot veertien Tiger IIs van de 501ste gingen verloren in het gebied tussen 12 en 13 augustus tot hinderlagen en flank aanvallen van de Sovjet T-34-85 en IS-2 tanks, en ISU -122 aanvalskanonnen in lastig zanderige terrein. 
Een Tiger II van sHPz.Abt. 503 en Hongaarse troepen in een strijd gehavende straat in Buda district Castle 's, oktober 1944 
Op 15 oktober 1944 Tiger IIs van 503 Zware Panzer Battalion speelde een cruciale rol tijdens Operatie Panzerfaust , het ondersteunen van Otto Skorzeny troepen 's in het nemen van de Hongaarse hoofdstad Boedapest , die ervoor zorgde dat het land bleef bij de As tot het einde van de oorlog. De 503 nam toen deel aan de Slag van Debrecen . De 503 bleef in het Hongaarse theater van de operaties voor 166 dagen, waarin het goed voor minstens 121 Sovjet-tanks, 244 anti-tank kanonnen en artilleriestukken, vijf vliegtuigen en een trein. Dit werd afgezet tegen het verlies van 25 Tiger IIs; tien werden gevloerd door Sovjettroepen en burn-out, twee werden teruggestuurd naar Wenen voor een fabriek revisie, terwijl dertien werden opgeblazen door hun bemanningen om verschillende redenen, meestal om te voorkomen dat ze vallen in handen van de vijand. Kurt Knispel , de hoogst scorende tank ace van alle tijden (162 vijandelijke pantservoertuigen vernietigd), ook geserveerd met de 503, en werd gedood in actie op 29 april 1945 in zijn Tiger II. 
De Tiger II was ook aanwezig op het Ardennenoffensief in december 1944 de Sovjet Vistula-Oder en Oost-Pruisische offensieven in januari 1945 de Duitse Balatonmeer offensief in Hongarije in maart 1945 de Slag om de Seelow Heights in april 1945 en de Slag van Berlijn aan het einde van de oorlog. 
De 103ste SS Zware Panzer Battalion (s.SS Pz.Abt. 503) beweerde ongeveer 500 kills in de periode van januari tot april 1945 aan het Oostfront voor het verlies van 45 Tiger IIs (waarvan de meeste werden verlaten en vernietigd door hun eigen bemanningen na mechanische storingen of door gebrek aan brandstof)

 

 

 

Gun en armor prestaties 
Zeldzame foto van een Tiger II knock-out, waarschijnlijk door de frontale pantser van de torentje. De voorste plaat heeft tekenen van andere hits. 
De zware armor en krachtige lange-afstands wapen gaf de Tiger II een voordeel tegen alle tegengestelde westerse geallieerden en de Sovjet tanks probeert te nemen van het hoofd op. Dit was vooral het geval op het Westelijk Front, waar tot de komst van de weinige M26 Pershings in 1945, noch de Britten noch de Amerikaanse troepen had zware tanks in gebruik genomen. Een Wa Prüf 1 rapport schat dat frontale aspect van de Tiger II was ongevoelig voor de 122 mm D-25T op 30 graden, de zwaarste hoewel niet de beste doordringende tank pistool op de geallieerde kant. Aan de andere kant een RAC 3.D. document van februari 1945 geschat dat de Britse QF 17-ponder (76,2 mm) pistool met armor-piercing ontdoen sabot schot was te theoretisch in staat om het penetreren van de voorzijde van de koepel van de Tiger II en de neus (lager voorzijde romp) op 1.100 en 1.200 km (1.000 and 1,100 m) respectively although given the lack of a stated angle this is presumably at the ideal 0 degrees.As a result of its thick frontal armor, flanking maneuvers were most often used against the Tiger II to attempt a shot at the thinner side and rear armor, giving a tactical advantage to the Tiger II in most engagements.Moreover, the main armament of the Tiger II was capable of knocking out any Allied tank frontally at ranges exceeding 2.5 kilometres (1.6 mi), beyond the effective range of Allied tank guns.
Sovjet oorlogstijd testen 
In augustus 1944 werden twee Tiger Ausf B tanks gevangen genomen door de Sovjets in de buurt van Sandomierz . Ze werden al snel verplaatst naar het testen terrein aan Kubinka . Tijdens de overdracht van de twee tanks te lijden van diverse mechanische break downs. Het koelsysteem was onvoldoende voor de extreem hete weersomstandigheden, waarbij de motor de neiging om oververhit raken en veroorzaakte een daaruit voortvloeiende gebrek aan de versnellingsbak. Een suspensie van rechts de tanks moest volledig worden vervangen, en de functies ervan kunnen niet worden hersteld. De tank brak weer naar beneden om de 10 - 15 km. De 8.8 cm KwK 43 gaven positieve resultaten in penetratie en nauwkeurigheid, die op gelijke voet met de 122 mm D-25T waren. Het bleek kunnen doorstaan ​​geheel door de "collega", een Tiger Ausf B turret op een afstand van 400 m. Het pantser van een voertuig werd getest door middel van verhitting bij het ​​met granaten tussen de 100 en 152 mm kaliber. De lassen was, ondanks zorgvuldige afwerking, aanzienlijk slechter dan op vergelijkbare ontwerpen. Dientengevolge, zelfs wanneer de houders pantser niet doordringen, was er dikwijls een grote hoeveelheid spatten vanuit de binnenzijde van de platen, waarop de transmissie beschadigde maakte de tank onbruikbaar. Nader onderzoek liet zien dat de pantserplaat zelf vertoonde tekortkomingen in kwaliteit ten opzichte van oudere Duitse tanks, zoals Tiger I en Panther. Analyse van de Tijger Ausf B pantserplaat toonde een afwezigheid van molybdeen (toegeschreven aan een verlies van het aanbod, wordt vervangen door vanadium), waardoor de pantser laag maakbaarheid. 
De uitgebreide afvuren-test dat de АР projectielen uit de 100 mm BS-3 en 122 mm A-19 geweer drong een Tijger Ausf B's torentje op reeksen van 1000-1500 meter, die een kwaliteit factor van 0,86 suggereert voor de Tiger Ausf B's turret . Opgemerkt zij dat de schietproef tegen Tiger B turret voorzijde uitgevoerd na verwijdering van het pistool en manteltje, bleek doorvoeringen nabij armor openingen zoals spleten en visie pistool locatie. De penetraties rechts pistool opening zijn beïnvloed door de vorige 100 mm projectiel penetratie klappen of armor schade.romp en turret zijplaten De tank werd gepenetreerd door АР schot van binnenlandse 85 mm en 76 mm Amerikaanse geweren op reeksen van 800- 2.000 m (2,600-6,600 ft).De 100 mm BS-3 en 122 mm A-19 kan ook doordringen in de lasverbindingen van de voorste romp op afstanden van 500-600 meter na 3-4 shots.
Specificaties 
Gearbox: Maybach OLVAR EG 40 12 16 B (acht vooruit en vier achteruit) 
Radio: FuG 5, Befehlswagen (command tank) versie: FuG 8 (. Sd.Kfz 267), FuG 7 (. Sd.Kfz 268) 
Munitie: 
8,8 cm - 80 ronden (Porsche toren),86 rondes (Henschel toren), gewoonlijk 50% PzGr 39/43 en 50% SprGr 43, soms met een beperkt aantal PzGr 40/43 of de SprGr gelezen HlGr [3] PzGr 39/43 (Armor piercing, wolfraam kern) (groter bereik, lagere penetratie, explosieve filler)PzGr 40/43 (Armor piercing, wolfraam kern) (korter bereik, hogere penetratie, inert)SprGr 43 (High Explosive)HlGr 39 (holle lading)
7.92mm - tot 5850 ronden 
Gun Sight:. Turmzielfernrohr 9b / 1 (TZF 9b / 1) verrekijker tot mei 1944, toen de 9d (TZF 9d) monocular 
Armor layout: (alle hoeken van horizontaal)
Hull voorzijde (Lagere) 100 mm (3,9 inch) bij 40 ° (Bovenste) 150 mm (5,9 inch) bij 40 ° 
Hull side (Lagere) 80 mm (3,1 inch) bij 90 ° (Bovenste) 80 mm (3,1 inch) bij 65 ° 
Hull achter 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Hull top 40 mm (1,6 in) bij 0 ° 
Hull bottom (Vooraan) 40 mm (1,6 inch) bij 90 ° (Achter) 25 mm (0,98 inch) bij 90 ° 
Turret voorzijde (Productie) 180 mm (7,1 inch) bij 80 ° ("Porsche") 60 tot 100 mm (2,4-3,9 inch), afgerond 
Turret side (Productie) 80 mm (3,1 inch) bij 69 ° ("Porsche") 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Turret achter (Productie) 80 mm (3,1 inch) bij 70 ° ("Porsche") 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Turret top (Productie) 44 mm (1,7 in) bij 0-10 ° ("Porsche") 40 mm (1,6 in) bij 0-12 °

De Marder I duitse tankjager

De Marder I (Sd.Kfz. 135) was een Duitse tankjager uit de Tweede Wereldoorlog, bewapend met een 75mm antitank kanon.
Geschiedenis
Algemene inleiding over de Marder-series
Duitse tanks, met name de PzKpfw II, PzKpfw III en PzKpfw IV voldeden nog maar net aan de in begin 1941 geldende 'eisen' voor tanks en waren eerder succesvol tijdens de invasies van Polen (1939), de lage landen en Frankrijk (1940) en de Balkan en Afrika (1941). Dit was echter meer te danken aan de kwaliteit van de bemanningen en de competente generaals dan aan de gevechtskwaliteiten van met name de sterk verouderde PzKpfw I en II, die in 1941 nog ruimschoots in actieve dienst waren.
Tijdens de invasie van de Sovjet-Unie (22 juni 1941) duurde het niet lang voor de Russen door hun voorraad eveneens verouderde BT-7, T-26, T-29, BT-8, T-40, T-50 en T-60 tanks heen waren. Deze 'grote schoonmaak' zorgde er begin 1942 voor dat de tanks die het meest voorkwamen aan het oostfront om de Duitse tanks te bestrijden, de T-34/76 en de KV-1 waren. Toen werd pijnlijk duidelijk dat oude en middelzware tanks maar ook lichte/middelzware AT-kanonnen (zoals de 3,7 cm en 5 cm PaK-kanonnen) niet meer voldoende presteerden.
De Pantserdivisies aan het oostfront wisten zich maar amper te redden en konden nog een tijdje voordeel halen uit het feit dat Russische tankbemanningen slecht getraind waren, een laag moreel hadden en dat hun tanks niet of nauwelijks waren uitgerust met radio's (het laatste had een grote invloed op het falen van het Russische tankwapen in de eerste oorlogsjaren). Slimme tactieken en samenwerking met de Luftwaffe (met name de Ju-87b 'Stuka') hielden de balans nipt in het voordeel van de Duitsers. De Infanterie-divisies echter waren voornamelijk uitgerust met 37mm en 50mm PaK-kanonnen die, en dan met name de 37mm PaK 36, weinig uithaalden tegen de oudere middelzware tanks. De 50mm presteerde aanzienlijk beter, maar had nog steeds grote moeite met het pantser van de T-34 en de KV-1. Zodoende smeekten de Duitse generaals al vrij snel om een volledige herbewapening van haar AT-arsenaal. 50mm, 75mm en 88mm AT-kanonnen voorkwamen het uit balans raken van de kansen aan het front, echter niet voor lang.
Er werd haastig begonnen met het ontwikkelen van een effectief en mobiel AT-wapen als tussenoplossing tot de nieuwe generatie middelzware (PzKpfw IV F-G-J en Panther) en zware (Tiger) tanks het front bereikten (deze modellen waren nog steeds of kwamen later in ontwikkeling). Er werd besloten om het onderstel van de laatste uitvoering van de PzKpfw II (Ausf D1/D2) te gebruiken en de Marder werd geboren.
Er zijn drie verschillende Marder-series gebouwd: de Marder I, II en III. Opmerkelijk is dat de II eerder dan de I en III en de III eerder dan de I.
Alhoewel er een aantal Marders zijn geleverd aan verschillende Panzer-divisies, werd het voertuig in principe ontwikkeld voor gebruik in Infanterie-divisies, in zogenaamde Panzerjäger Batallionen.
Marder I
Al snel na de start van de bouw van de Marder II werd duidelijk dat meer en meer mobiele AT-kanonnen, die succesvol bleken tegen de T-34 en KV-1, nodig waren aan met name het Oostfront. Zodoende besloot men, met name om de kosten te drukken, de volledig verouderde maar in grote aantallen buitgemaakte Franse lichte tanks eenzelfde behandeling te geven als de eveneens hopeloos verouderde PzKpfw II. Aldus ontstond de Marder I, die voorkwam in verschillende versies, gezien het feit dat men verschillende type tanks gebruikte, waaronder de Tracteur Blinde 37L (Lorraine) en de Hotchkiss H39. Meest voorkomend was de Tracteur Blinde 37L, omgedoopt tot Marder I / 7,5 cm PaK40/1 auf Geschützwagen Lorraine Schlepper(f). De versie op basis van de Hotchkiss werd omgedoopt tot 7,5 cm PaK40(Sf) auf Geschützwagen 39H(f). Een derde versie was die op basis van de eveneens Franse FCM 36 tank.
Van de Marder I werden in totaal zo'n 250-280 (om)gebouwd, hoeveel het er precies waren (met name de versie op basis van de Hotchkiss is onderwerp van discussie) is nog altijd niet duidelijk.
Operationele geschiedenis
De Marder-serie bleek een zeer effectieve tussen-oplossing voor het grote probleem van de massa's uitstekende Russische tanks die de Duitse troepen moesten bevechten aan het Oostfront. Met name het krachtige kanon bleek effectief tegen iedere Russische tank. Groot nadeel was de dunne bepantsering, die niet bestand was tegen antitankgranaten of antitankgeweren, en het open compartiment wat betekende dat een mortier of (lichte) artillerie de tankjager kon uitschakelen.
Toen de nieuwe tanks (Pz. Kpfw. IV / V / VI) en tankjagers (Hetzer, PzJg IV) het front bereikten, werden de meeste Marder I's teruggetrokken en opnieuw uitgedeeld aan de divisies in het bezette Frankrijk (waaronder de 12. SS-Panzerdivision 'Hitlerjugend' voor training). Aan het westfront werden ze in aanzienlijke aantallen ingezet en waren zo succesvol dat geallieerde rapporten over ontmoetingen met de Marder I vaak spraken van een mobiel 8,8 cm PaK-kanon.

Marder I / 7,5cm PaK40/1 auf Geschutzwagen Lorraine Schlepper(f). 
Soort 
Bemanning 4/5 
Lengte 5,38 m 
Breedte 1,88 m 
Hoogte 2,00 m 
Gewicht 8200kg 
Pantser en bewapening 
Pantser 5-12 mm 
Hoofdbewapening 7,5cm Pak 40/1 L/46 
Secundaire bewapening 7,92mm MG34 machinegeweer 
Motor DelaHaye 103TT 6-cilinder benzinemotor, 70pk 
Snelheid (op wegen) 38 km/u 
Rijbereik 90-150 km


Sd Kfz 135 Marder I


De Panzerkampfwagen Neubaufahrzeug

De Duitse Neubaufahrzeug serie tank prototypes waren een eerste poging om een zware tank te creëren voor de Wehrmacht na Adolf Hitler aan de macht was gekomen. Multi-torentjes, zwaar en langzaam, ze werden niet als succesvol daarom slechts vijf werden gemaakt. Deze werden voornamelijk gebruikt voor propaganda doeleinden, hoewel de drie nam deel aan de Slag van Noorwegen in 1940. 
Development
Tijdens de jaren 1920 en 1930, een aantal landen geëxperimenteerd met zeer grote, multi-torens tanks. De Britten bouwden een enkel voorbeeld van de Vickers A1E1 Independent in 1926. Dit inspireerde de Sovjet T-35 , die werd gebouwd in een beperkte oplage van 1933. 
Ontwikkeling van de Neubaufahrzeug (Duits voor "nieuwbouw voertuig" - een schuilnaam) begon in 1933 toen de toenmalige Reichswehr gaf een contract voor de ontwikkeling van een Großtraktor ("zware tractor") om zowel Rheinmetall en Krupp Großtraktor was een codenaam voor. de ontwikkeling van een zware tank, Duitsland wordt nog steeds verboden om tanks onder de voorwaarden van het ontwikkelen Verdrag van Versailles . De technische details van de Vickers A1E1 Independent waren dan beschikbaar aan de Duitsers als ze waren onder de door een Britse officier, aan hen verkocht informatie Norman Baillie-Stewart , die als een Duitse spion vóór zijn arrestatie in 1933 heeft gehandeld. 
De Rheinmetall en Krupp ontwerpen elkaar leek voor een groot deel, het belangrijkste verschil is de wapens plaatsing. Elk had een grote torentje bewapend met een 75 mm KwK L / 24 kanon en secundaire 37 mm KwK L / 45 . Rheinmetall's design gemonteerd de tweede pistool boven de 75 mm KwK L / 24, terwijl het ontwerp Krupp had gemonteerd naast de 75 mm KwK L / 24. Beide ontwerpen hadden een tweede koepel gemonteerd aan de voor- en achterkant van het torentje. Deze torens werden enigszins aangepast Panzer I torentjes, met de standaard machine geweer bewapening. 
Rheinmetall's ontwerp werd aangewezen PzKpfw NbFz V (Panzerkampfwagen Neubaufahrzeug V), en de Krupp ontwerpen PzKpfw NbFz VI. Het was de bedoeling dat deze ontwerpen van de rol van de zware tank in de gepantserde krachten zou vervullen, maar het ontwerp bleek te complex en onbetrouwbaar voor deze rol te zijn. Niettemin ontwikkeling voortgezet om voor de opkomende Duitse militaire ervaring met multi-torens tanks krijgen. 
In 1934 bouwde Rheinmetall twee zacht staal prototypes, zowel met hun eigen torentje design. Drie meer prototypes werden gebouwd met de juiste armor en de Krupp torentje in 1935 en 1936. 
Combat geschiedenis 
Hoewel deze tanks nooit in productie werden geplaatst, op voorwaarde dat zij een propaganda-instrument voor Nazi Duitsland bijvoorbeeld wordt getoond op de Internationale Automobiel Expositie in Berlijn in 1939. 
Deze propaganda rol werd uitgebreid met de Duitse invasie van Noorwegen, toen een speciale Panzerabteilung werd gevormd die de drie gepantserde prototypes met hen mee naar Oslo . Ze zag een aantal gevechten daar, met een wordt opgeblazen door Duitse ingenieurs als het vast kwam te zitten in moerassen in de buurt van Åndalsnes . Te vervangen, een van de zacht staal prototypes gebruikt. 
Het is onduidelijk wat er met de tanks na de Noorwegen campagne, maar geen van hen overleefden de oorlog. De overlevende voertuigen werden besteld gesloopt in 1941, die in 1942 plaatsvond op basis van documenten die gevangen genomen door de Britten in 1945. De data waarop de voertuigen werden gesloopt zijn onduidelijk, maar er wordt gedacht dat het begin van de bouw van de Sturer Emil prototypes data uit dezelfde tijd. 
Al dat overleeft van deze tanks is een klein aantal loopwerk delen, bewaard in het Gudbrandsdal Krigsminnesamling (Gudbrandsdal War Memorial collectie), in Kvam in Noorwegen.

De Panzerkampfwagen 38(t)

De Panzerkampfwagen 38(t) was een Tsjechoslowaakse tank gebruikt door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Tsjechoslowaakse leger had de tank de LT-38 genoemd. De fabriek had vele benamingen zoals: TNH-Serie, TNHPS, LTP en LTH, maar voor de administratie van Duitse Wehrmacht werd het de PzKpfw 38(t), waarbij de "(t)" voor tschechisch stond. In de soldatentaal werd dit al vrij snel Panzer 3
Beschrijving
De PzKpfw 38(t) was een conventioneel ontwerp voor tanks van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Het pantser was niet afgeschuind en varieerde van diktes van acht millimeter tot 25 mm in de meeste versies, latere modellen kregen echter 50 mm bepantsering aan de voorkant en rondom standaard 25 mm (Ausf E-G).
Zoals de meeste tanks van die tijd was de toren centraal geplaatst en bevatte die het hoofdwapen van de tank, een 37,2 mm Škoda A7 kanon waarvoor negentig granaten aan boord konden worden opgeslagen. Het kanon had een loop met een lengte van 47,8 cm en was bedoeld als antitankwapen. Tevens was de tank voorzien van één of twee mitrailleurs; beide van kaliber 7,92 mm. De torenmitrailleur was hier in een eigen balmantel naast het kanon gezet; dus niet strikt coaxiaal. De bestuurder zat aan de rechterkant vooraan in de tank, links van hem zat de mitrailleurschutter, die zowel de mitrailleur bediende alsook de radioverbindingen onderhield. Hij moest bovendien de granaten aanreiken; de tank had slechts een tweemanstoren, zonder lader.
De zes-cilinder EPA motor van 125 pk zat achterin de tank. Er waren vijf voorwaartse versnellingen en één achterwaarts, de besturing werd extra bekrachtigd door luchtdruk die beter geïsoleerd was dan in de Panzer LT-35. De ophanging was voorzien van grote bladveren: twee per zijde die ieder een paar grote wielen veerden. Door de robuuste ophanging was de tank erg betrouwbaar en weinig onderhoudsgevoelig.
Ontwikkeling
In 1934 ontwikkelde de Tsjechoslowaakse tankfabrikant ČKD een alternatief ontwerp voor de LT-35 tank. Deze laatste werd gemaakt door concurrent Škoda. De LT-35 was te complex en had vele tekortkomingen; zijn betrouwbaarheid was gering.
ČKD's ingenieur Alexander Surin besloot om gebruik te maken van bladvering en vier grote wielen voor de nieuw te ontwikkelen tank. Het resulterende type was betrouwbaar en was een exportsucces. Het nieuwe loopwerk werd eerst gebruikt voor een lichte tank, de AH-IV, met slechts machinegeweerbewapening; deze werd eerst geleverd aan Iran, als de RH, waarvan er in 1935 vijftig werden gekocht; een tweede versie, de R-1, werd in een aantal van 35 in 1936 en 1937 geleverd aan Roemenië, en een derde, de AH-IV Sv in een aantal van vijftig vanaf 1937 aan Zweden.
Al in 1935 werd dit loopwerk in een vergrote versie gecombineerd met de romp van de eerder voor het Tsjechoslowaakse leger geproduceerde lichte LT Vz 34-tank, die een echt 37 mm kanon bezat. Het nieuwe voertuig noemde men de TNH. In 1935 bestelde Iran vijftig voertuigen. Op 17 april 1936 bestelde Zwitserland 26 voertuigen van de LTH, een aangepaste versie met 24 mm kanon. In 1938 werden 24 stuks van de LTP door Peru besteld, en 21 voertuigen van de LTL, met krachtiger motor, door Letland, die overigens wegens de bezetting door de Sovjet-Unie nooit werden geleverd. Groot-Brittannië verwierf vlak voor de bezetting van Tsjechië ook een exemplaar en beproefde dit tussen 16 en 29 maart 1939. Het oordeel over het type was sterk afwijzend: men vond de tank veel te krap en de vaart door ruw terrein te hobbelig.
In maart 1937 verzocht het Tsjechoslowaakse ministerie van defensie de beide tankproducenten van het land voorstellen te doen voor een nieuw type ter aanvulling van de LT-35, dat zo snel mogelijk in massaproductie zou kunnen worden genomen. Men gaf aan zeker 400 voertuigen te zullen aanschaffen en garandeerde een eerste bestelling van 260. ČKD bood natuurlijk de TNH aan, die immers reeds uitontwikkeld was. Bij beproevingen vanaf 25 januari 1938 bleek het type superieur aan alle tegenkandidaten. Op 22 juli 1938 bestelde Tsjecho-Slowakije 150 voertuigen van de Typ Lt Vz.38, voor 620.146 kronen per stuk. Het lag in de bedoeling tot een maandproductie van twintig te komen. Toen de eerste tank echter in februari de fabriek verliet, was het land al opgedeeld; kort daarna werd ook de Tsjechische rompstaat bezet: geen van de tanks zou uiteindelijk het leger kunnen dienen voordat de Duitse bezetting begon.
In Duitse dienst
Al in maart had de leiding van de fabriek contact opgenomen met de Duitsers om na de bezetting de productie voort te kunnen zetten. Duitsland had een groot gebrek aan middelzware tanks en hoewel de nu LTM 38 genoemde tank officieel een lichte tank heette, was hij met zijn 37 mm kanon niet slechter bewapend dan de Duitse middelzware Panzerkampfwagen III en veel beter dan de lichte Panzerkampfwagen I en Panzerkampfwagen II; hij was daarbij niet slechts betrouwbaarder dan de LT-35, maar ook dan de lichte Duitse tanks. De Tsjechische productiecapaciteit stelde Duitsland in de beginjaren in staat ongeveer een derde meer pantserdivisies te formeren en was zo cruciaal voor successen in die periode van de oorlog. De productie van de tank ging als Panzerkampfwagen 38(t) (de naam vanaf 16 januari 1940) door tot in juni 1942 en er werden er 1411 van gebouwd; de maandproductie had haar piek in september 1941 met 76 voertuigen. Ook werd er nog geëxporteerd naar de landen aan Duitse zijde: Hongarije nam er 102, Slowakije 69, Roemenië 50 en Bulgarije 10. Door de snelle technische ontwikkelingen tijdens de oorlog raakte het type al snel verouderd. Het was te klein om een groter kanon in een toren te dragen; verschillende plannen daartoe werden verworpen. Vanaf 1942 werden de LT-38's vervangen of minder belangrijke taken toebedeeld.
Duitsland kon het zich echter niet veroorloven de productiecapaciteit onbenut te laten; het chassis was daarbij door zijn betrouwbaarheid uiterst bruikbaar. Een gemodificeerd chassis van de PzKpfw 38(t) werd dan ook de basis voor verschillende typen gemechaniseerd geschut, gemechaniseerde artillerie en tankjagers waaronder ook de succesvolle Duitse Jagdpanzer 38, tegenwoordig beter bekend als de "Hetzer".

Typen
TNHP De eerste exportversie uit 1935 voor Iran
LTP exportversie voor Peru
LTH exportversie voor Zwitserland
LT vz. 38 Benaming bij het Tsjechoslowaaks leger
Strv m/41 Een onder licentie gebouwde versie in Zweden met afwijkende toren
Sav m/43 Gemechaniseerd geschut met 75mm of 105mm-kanon gebaseerd op het TNH onderstel, gebouwd door Zweden
PzKpfw 38(t) Ausführung A: TNH tank tijdens de Duitse bezetting gebouwd, in een aantal van 150 stuks tussen mei en november 1939.
PzKpfw 38(t) Ausführung B: 110 voertuigen gebouwd tussen januari 1940 en mei 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung C: 110 voertuigen gebouwd tussen mei 1940 en augustus 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung D: 105 voertuigen gebouwd tussen september 1940 en november 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung E: 275 voertuigen gebouwd tussen november 1940 en mei 1941. Het pantser aan de voorkant werd 50 mm dik en de pantserplaat voor de bestuurder was niet langer gebogen maar recht.
PzKpfw 38(t) Ausführung F: 250 voertuigen gebouwd tussen mei 1941 en oktober 1941.
PzKpfw 38(t) Ausführung G: 90 voertuigen gebouwd tussen mei 1941 en december 1941.
Pzkpfw 38(t) Ausführung S: 321 voertuigen gebouwd tussen oktober 1941 en juni 1942. Besteld door Zweden maar de productiecapaciteit werd gebruikt voor Duitsland; gebogen voorkant met verwijderd machinegeweer en slechts 25 mm pantser. Deze voertuigen werden ook gebruikt door Slowakije.
Panzerkampfwagen 38 (t) neuer Art: Verkenningsvoertuig met 35 mm pantser en een snelheid van 62 km/u; alleen voorserievoertuigen gebouwd in 1942.
Sd.Kfz. 138 Marder III Droeg een Duits 75 mm kanon in een open kazematopbouw
Sd.Kfz. 139 Marder III Droeg een Sovjet 76,2 mm kanon in een open kazematopbouw
Sd.Kfz. 138/1 Grille droeg een Duits 150 mm infanteriekanon; er was ook een variant die als munitievoertuig dienstdeed
Sd.Kfz. 140 Flakpanzer 38(t) met een 20 mm luchtafweergeschut
Jagdpanzer 38 ("Hetzer") een tankjager met een 75 mm L/48 antitankkanon
G-13 Zwitserse benaming voor "Hetzers" na de oorlog door Tsjecho-Slowakije aan Zwitserland verkocht.
Operationele geschiedenis
De Pzpkfw 38(t) deed, zij het in het kleine aantal van 57 (van de 78 toen geproduceerde voertuigen), tot tevredenheid dienst tijden de invasie van Polen (1939) bij de 3de Leichte Division. Aan Operatie Weserübung in Noorwegen deden geen PzKpfw 38(t) mee. In de Slag om Frankrijk in 1940 vormde het type de kern van de 7e Pantserdivisie met 99 voertuigen, en van de 8e Pantserdivisie met 131 voertuigen. Aan Operatie Marita in 1941 deed de 8e PD mee met 125 PzKpfw 38(t)'s.
De grootste inzet was in 1941 tijdens Operatie Barbarossa: 660 voertuigen, bij 7PD (174), 8PD (125), 12PD (117), 19PD (121) en 20PD (123). Daarvan waren er op 22 december 1941 nog 268 over. De verliezen waren door het lichte pantser zwaarder dan bij de andere typen middelzware en zware tanks: in juli gingen er 182 verloren, in augustus 183. Ook de vanaf maart 1942 ingezette 22e PD had 77 voertuigen. Zelfs bij het zomeroffensief van 1942 waren verschillende pantserdivisies nog met een kern van PzKpfw 38(t)'s uitgerust: 8PD (65); (PD (35); 20PD (39) en 22PD met 114 voertuigen. Daarnaast was er nog de onafhankelijke 22e Pantserbrigade met 26 PzKpfw 38(t)'s. Aan de lage aantallen kan men zien dat de productie op zijn eind liep; bij al deze eenheden was de vervanging met PzKpfw III's al begonnen maar die verliep zeer traag zodat hun organieke sterkte gering was. De PzKpfw 38(t)'s bleken dat jaar ook kwalitatief niet opgewassen tegen de T-34 tanks van de Sovjet-Unie die in enorme aantallen de fabrieken verlieten. Na 1942 werd het type nog gebruikt als verkenningsvoertuig en bij de bestrijding van partizanen. Eind 1942 lag het bestand op 301 voertuigen.
De Flakpanzer 38(t) was niet echt een succes met het dunne pantser. Het was zelfs zo erg dat geallieerde vliegtuigen hem konden beschieten met gewone machinegeweren.
De Hetzer- en Mardermodellen tankjagers waren zeer succesvol, zeker de "Hetzer". In totaal werden er 2584 "Hetzers" geproduceerd tijdens de oorlog. Na de oorlog bleef het Tsjechoslowaakse leger de "Hetzers" bestellen en ook Zwitserland nam er 158 af, die dienst deden tot in de jaren zestig.
Het verwijderen van de koepel van de PzKpfw 38(t) voor conversies naar antitankkanonnen en andere gebruiksmogelijkheden maakte het mogelijk om deze koepels te gebruiken voor het inbouwen als pantserkoepel in forten. Negen van deze koepels werden gebruikt voor het bouwen van de Atlantikwall, de rest werd verspreid over zuidwest-Europa en het oostfront.
Een in Zweden gebouwde variant, de Sav m/43, bleef echter in actieve dienst tot 1970, wat misschien wel het record is als langstgebruikte vooroorlogse tank.

3-

Duits Oorlogsmatrieel in de II Wereldoorlog

BMW R 75 Wehrmachtsgespann

Het BMW R 75 Wehrmachtsgespann is een zijspancombinatie van het merk BMW. De machine werd ook wel bekend als "BMW R 75 Sahara" of kortweg "Sahararad". De machine werd ingezet door de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog gingen veel Europese motorfabrieken militaire modellen ontwikkelen. Vooral voor de zijspancombinaties werd dan vaak gekozen voor tweecilinder boxermotoren, zelfs als de fabriek die niet in het normale productieprogramma had. Zo ontstonden de FN M-12 en de Harley-Davidson XA.
In Duitsland waren de boxermotoren ruim voorhanden: De gebroeders Küchen hadden al in 1933 boxermotoren voor Zündapp ontwikkeld, en BMW produceerde vrijwel uitsluitend zware boxers. De R 12 was al in dienst van de Wehrmacht, ook als zijspantrekker, maar deze zijklepper was niet echt geschikt voor gebruik in zwaar terrein. Ook de R 71 zijklepper werd door het Duitse leger gebruikt. Zowel BMW als Zündapp kregen de opdracht om zware, terreinvaardige zijspancombinaties te ontwikkelen. Ze werden ingezet in de Grote Vaderlandse Oorlog tegen de Sovjet-Unie en door het Afrikakorps van Erwin Rommel.
Beide merken kozen voor een kopklepmotor als aandrijfbron. In het geval van de BMW R 75 was dat het gemodificeerde blok van de R17. Deze had al een stalen buisframe (de Zündapp KS 750 kreeg een plaatframe) en een carburateur voor elke cilinder. Als aanpassingen werd zijspanwielaandrijving, een sperdifferentieel en veel grotere en bredere terreinbanden toegepast, naast alle specifiek militaire zaken als oorlogsverlichting en een speciaal zijspan met de mogelijkheid extra brandstof mee te nemen, een op het zijspan gemonteerd, rondom uitwisselbaar reservewiel en de mogelijkheid een affuit voor een mitrailleur te monteren. De motor werd tot 26 pk geknepen (de R 17 leverde 33 pk).
Omdat de hele motorfietsproductie van BMW in 1940 was verplaatst naar Eisenach (EMW), werd ook de R 75 daar gebouwd, tot de fabriek gebombardeerd werd. Na ongeveer een jaar inzet in de oorlogsgebieden bleek de Zündapp KS 750 beter te voldoen dan de BMW.
Op aandringen van de Wehrmacht besloten BMW en Zündapp in 1942 één universeel zijspan toe te passen. Dat werd het meer eenvoudig geconstrueerde zijspan van BMW (de 286/1). De bedoeling was dat er 20.200 R 75's gebouwd zouden worden, waarna zowel BMW als Zündapp beiden de Zündapp KS 750 zouden gaan produceren, in een oplage van 20.000 per jaar, met het BMW 286/1 zijspan. In 1943 was het aantal van 20.200 echter nog niet gehaald, zodat de productie doorliep tot de fabriek in Eisenach in 1944 gebombardeerd werd. Beide merken bleven hun eigen motorfietsen produceren, maar 70% van de onderdelen waren uitwisselbaar (waaronder vrijwel de hele aandrijflijn).
Vaak wordt gedacht dat de Russische Ural en de Oekraïense Dnepr-motoren zijn afgeleid van buitgemaakte R 75's. Dat is niet correct. De fabriek in Eisenach kwam na de oorlog weliswaar in de Sovjet bezettingszone en uiteindelijk in de DDR te liggen, maar de Sovjet-boxerproductie dateerde al van 1941, nadat in 1939 vijf R 71 zijspancombinaties waren aangekocht en gekopieerd. Wel werd er in Eisenach onder het typenummer 275/3 een model op basis van de R 75 doorontwikkeld, maar dit werd in een kleine oplage geproduceerd door AWO, eveneens in Oost-Duitsland. Het was geen zuivere boxermotor. Doordat men tijdens de oorlog ook in Eisenach Zündapps had geproduceerd, met een 170º boxermotor, was men overtuigd van het voordeel van hoger (meer in V-vorm) liggende cilinders. Daarom kreeg de AWO 700 een 166º boxermotor. Bij AWO werden zeven prototypes en tien productiemodellen gebouwd. Tot productie in de Sovjet-Unie of China is het nooit gekomen.
 

BMW R75 Sahara

De R 75 had voetschakeling, de hendels aan de tank dienen voor de gearing en de zijspanwielaandrijving

Technische gegevens

BMW R 75

Periode 1941-1944 
Categorie zijspancombinatie 
Motortype kopklepmotor 
Bouwwijze langsgeplaatste tweecilinderboxermotor 
boring 78 mm 
slag 78 mm 
Cilinderinhoud 745 cc 
Compressieverhouding 5,8 : 1 
Max. Vermogen 19 kW/26 pk bij 4.400 tpm 
Max. Koppel 49 Nm/5 kgm pk bij 3.600 tpm 
Topsnelheid onbekend 
Aandrijving Aandrijfas, ook op het zijspan, sperdifferentieel 
Rijwielgedeelte dubbel wiegframe, buisframe 
Drooggewicht 420 kg 
Max. belading 396 kg 
Tankinhoud 24 ltr

De Flakpanzer IV Ostwind I

Flakpanzer IV Ostwind 

In de vroege stadia van de oorlog, Duitse leger ingeroepen gesleept afweergeschut en vervolgens op het pistool gemonteerd op verschillende vrachtwagens en half-rupsvoertuigen. Gespecialiseerde flakpanzers werden geproduceerd in kleine aantallen en werden "tijdelijke" totdat de juiste voertuigen te ontwikkelen beschouwd. 

Naarmate de oorlog vorderde, Duitse Luftwaffe was niet meer de volledige controle over het luchtruim boven het slagveld. Dit was vooral gevaarlijk voor de Panzer eenheden, eerst aan het Oostfront en vervolgens aan het Westelijk Front. Mobiele lucht-verdediging nodig was voor zowel de offensieve operaties ter ondersteuning van snel bewegende Panzer units en defensieve operaties luchtafweer dekking te bieden voor de verdediging of intrekking van eenheden onder vuur. 

Wirbelwind en Ostwind waren opvolgers van de Flakpanzer IV Möbelwagen (gewapend met 37mm Flak 43 L / 89) - "tussenoplossing" geproduceerd vóór de invoering van de echte Flakpanzer. 

In juli van 1944, het prototype van Ostwind (Eastwind) - een luchtdefensie gepantserde voertuig bouwen op Panzerkampfwagen IV bewezen chassis 's is geproduceerd. Het ontwerp was zeer vergelijkbaar met die van Flakpanzer IV Wirbelwind (Whirlwind) die prototype werd in mei 1944 en was de eerste echte Flakpanzer worden. 

Beide voertuigen waren gebouwd op pensioen of de strijd beschadigd Panzerkampfwagen IV (voornamelijk Ausf F / G) chassis / componenten terug van de voorzijde voor groot onderhoud. Het concept van Wirbelwind werd voorgesteld door SS-Hauptsturmführer Karl Wilhelm Krause, een officier van het 12e SS Panzer Division 'Hitler Jugend ". In de vroege zomer van 1944, Krause voorgesteld om vier barreled 20mm Flak 38 L / 112,5 pistool monteren op PzKpfw IV chassis 's. Tijdens de gevechten in Normandië in de zomer van 1945, zijn flak eenheid was krediet met het neerschieten van 45 geallieerde vliegtuigen. 

Wirbelwind en Ostwind werden uitgerust met zeer vergelijkbaar (speciaal ontworpen) met open dak (Wirbelwind's torentje hadden 9 zijpanelen en Ostwind had 6 zijpanelen) torentjes gemonteerd in de plaats van de standaard torentjes. Beide torentjes kregen de Flak tegemoet resulterend een algemeen profiel van een voertuig die veel hoger vergeleken met een normale Panzerkampfwagen IV tank. 

Ostwind's torentje werd bijnaam Keksdose - koekjestin. Belangrijkste verschil was dat Wirbelwind was gewapend met viervoudige 20mm Flak 38 L / 112,5 geweren, terwijl Ostwind was gewapend met een enkele 37mm Flak 43 L / 89 kanon. Beide wapens werden ingezet tegen gronddoelen ook, blijkt zeer effectief tegen unarmored of licht gepantserde voertuigen. 

20mm Flak bleek minder effectief dan 37mm Flak te zijn en werd uiteindelijk vervangen door het. Beiden werden geproduceerd door Ostbau Werken in Sagan, Silezië in beperkte aantallen als gevolg van de materiële tekorten en het feit dat Ostbau Works verhuisd naar de faciliteiten van Deutsche Eisenwerke in Teplitz en Duisburg te wijten aan het gevaar te worden overspoeld door de Sovjets. 

Overall van mei tot november 1944, slechts 87 (of 105) Wirbelwinds werden gemaakt, in tegenstelling tot slechts 44 (of 43) Ostwinds geproduceerd van juli 1944 tot maart 1945. Beide voertuigen werden uitgegeven aan Flugabwehrzug (AA pelotons) eenheden van Panzer Divisions . 

Er waren nooit genoeg van hen om frontlinie eenheden, die in de behoefte aan adequate mobiele AA verdediging waren rusten. Beide bleken zeer effectief tegen laag vliegende vliegtuigen te zijn. Het interessante feit is dat prototype Ostwind werd combat getest door 1 Waffen SS Panzer Division 'Leibstandarte SS Adolf Hitler "tijdens het Ardennenoffensief (16 december tot en met 22 van 1944) en keerde terug naar de fabriek onbeschadigd. 

In het najaar van 1945, waren er plannen om de vuurkracht van zowel Wirbelwind en Ostwind verhogen. 

Het was de bedoeling om de bestaande Wirbelwinds herbewapenen met vier 30mm MK103 / 28 of MK103 / 38 geweren, staat afvuren 1.600 toeren per minuut. In december van 1944, Ostbau produceerde slechts één aangewezen Zerstörer 45 prototype (Destroyer 45) - 3cm Flakvierling MK103 / 108 auf Sfl PzKpfw IV. Hetzelfde concept werd opgenomen in herbewapening van de Ostwind met twee 37mm Flak 43 of Flak 44 kanonnen of 30mm Mauser MK103 kanon. In januari van 1945, Ostbau was in staat om een ​​prototype aangewezen Ostwind II (3,7cm Flakzwilling 44 auf Sfl PzKpfw IV) te produceren, terwijl 100 werden besteld. In 1945 werd besloten om gebruik te maken verouderd op het moment PzKpfw III en monteer het met Wirbelwind (aangeduid als 2cm Flakvierling 38 auf SLF PzKpfw III) of Ostwind (aangeduid als 3,7cm Flak 43 auf SLF PzKpfw III) torentjes, aangewezen als Flakpanzer III . 90 werden besteld, maar het einde van de oorlog een einde aan de productie. Uiteindelijk al Flakpanzers zouden worden vervangen door nieuw ontworpen Flakpanzer IV Kugelblitz begin 1945. 
 


Type 
Zelfrijdende luchtafweergeschut 
Plaats van herkomst 
Nazi-Duitsland 
Productie geschiedenis 
Geproduceerd 
1944 
Aantal gebouwd 
43-45 
Bestek 
Gewicht 
25 ton 
Lengte 
5,92 m (19 ft 5 in) 
Breedte 
2,95 m (9 ft 8 in) 
Hoogte 
3 m (9 ft 10 in) 
Bemanning 
5 (Commander, Gunner, Loader, Driver, Radio Operator) 
Pantser 
10-80 mm 
Hoofd- 
bewapening 
1x 3.7 cm FlaK 43 L / 89 
1.000 rondes 
Secundair 
bewapening 
1 × 7.92 mm Maschinengewehr 34 
1.350 rondes 
Motor 
12-cilinder Maybach HL 120 TRM 
300 PS (296 pk, 221 kW benzine) 
Vermogen / gewicht 
12 PS / ton 
Opschorting 
bladveer 
Operationele 
reeks 
200 km (120 mi) 
Snelheid 
38 km / h (24 mph)

Panzerkampfwagen 35(t)Lichte Tank

De LT vz. 35 was een Tsjecho-Slowaakse lichte tank die tijdens de Tweede Wereldoorlog door Duitsland ingezet werd onder de naam Panzerkampfwagen 35(t) (PzKpfw 35(t)); men sprak kortheidshalve over de Panzer 35.

Ontwikkeling
In februari 1934 deed Škoda het voorstel tot de bouw van een pantservoertuig dat de capaciteit had vijandelijke tanks te vernietigen. Drie houten modellen werden gepresenteerd, waarvan twee in de vorm van een gemechaniseerd geschut met een 37 of 66 mm kanon. Het derde was een tank met een geschat gewicht van 7,5 ton en een 37 mm kanon, de SU. In de zomer van 1934 werd de eis gesteld dat alleen nog een tank ontworpen mocht worden met een maximumgewicht van 15 ton.

In oktober werd er een nieuw houten model van een zwaardere tank gepresenteerd, de S-ll-a, een afkorting voor "Škoda Lichte Cavalerietank". Acht maanden later, in juni 1935, waren de twee prototypen klaar. Op 30 oktober 1935 werd er een voorlopige bestelling gedaan van 160 stuks met de naam LT vz35 ("Lichte Tank model 35") voor een prijs van 524.984 kronen per stuk. Omdat de politieke situatie zo dreigend was, werd afgezien van een uitgebreide beproeving. Toen vanaf juli 1936 de eerste vijf serievoertuigen werden getest, bleek echter dat het type zeer onbetrouwbaar was en maar 17 km/u haalde in plaats van de geplande 34.

De Tsjecho-Slowaakse regering beval dat het type voor de helft ook door de andere Tsjechische tankproducent, ČKD, gebouwd moest worden. Dit leverde extra vertraging op omdat de 657 wijzigingen die aan het oorspronkelijk ontwerp werden aangebracht ook nog eens met de andere fabriek gecoördineerd moesten worden. Het eerste voorserievoertuig werd door ČKD pas op 3 oktober 1936 geleverd; het eerste productievoertuig eerst op 13 februari 1937. Nadat de tachtig voertuigen door ČKD waren afgeleverd, besloot die fabriek van verdere productie van het type af te zien. De tweede bestelling van 103 voertuigen in november 1937 was dus geheel voor Škoda, evenals de derde van 35 stuks uit 1938. De totale productie voor Tsjecho-Slowakije bedroeg dus 298 stuks.
Export

Škoda deed zijn best het type te exporteren. De Sovjet-Unie werd een aanbod gedaan dat echter afgewezen werd; eind 1938 waren er plannen voor samenwerking met het Verenigd Koninkrijk die echter uiteindelijk niet leidden tot een daadwerkelijke verzending van een exemplaar. In augustus 1936 werden 126 stuks door Roemenië besteld, met als aanduiding Škoda R-2; deze werden geleverd vanaf mei 1937. In 1938 werden tien voertuigen door Afghanistan besteld; deze tien, de laatste die gebouwd werden, zijn echter in 1939 aan Bulgarije geleverd. De totale productie kwam hiermee op 434.

Panzer 35(t), Belgrado Militair Museum, Servië. 
Soort 
Bemanning 4 
Lengte 4,90 m 
Breedte 2,16 m 
Hoogte 2,20 m 
Gewicht 10,5 ton 
Pantser en bewapening 
Pantser 25 mm 
Hoofdbewapening Skoda 37 mm Model 1934 kanon 
Secundaire bewapening 2×7,92 mm MG42 
Motor benzine Škoda T11 218ltr 
Snelheid (op wegen) 35 km/u 
Rijbereik 193 km 
 

Beschrijving
De LT vz35 had een conventioneel ontwerp zoals de meeste tanks van eind jaren dertig, met lichte bepantsering en een koepel groot genoeg voor twee man, de motor en aandrijving zaten beide achteraan. Het hoofdwapen was een Škoda vz 34 37.2 mm kanon dat bediend werd door de tankcommandant en waarvoor 72 granaten aan boord opgeslagen konden worden. Eén tot twee 7,92mm machinegeweren model MG 37 waren ook gemonteerd en daarvoor waren 1800 7,92 mm patronen beschikbaar in de tank. Naast de commandant was er bij de Duitse indeling links een tweede man in de koepel die zorgde voor het laden van het kanon. In het voorcompartiment van de tank zat rechts de chauffeur en links de man die aan een machinegeweer (dat alleen naar voren kon schieten) zat, maar tegelijkertijd als radio-seiner functioneerde.
De Škoda vier/zes-cilinder motor produceerde 120 paardenkrachten, en werd door middel van zes versnellingen aan de achterzijde aangedreven. Zowel de koppeling/versnelling als het sturen werden machinaal bekrachtigd door luchtdruk, hierdoor werd veel last ontnomen voor de bestuurder, maar dit bleek tevens een probleem op te leveren tijdens de extreem koude weerssituaties van het oostfront. De ophanging maakte gebruik van bladveren en was een ontwerp van de Franse ingenieur Eugène Brillié, die hem wat later ook zou toepassen in de Franse SOMUA S35; het systeem was onbetrouwbaar en erg onderhoudsgevoelig. Pas in de loop van 1938 werd na vele wijzigingen een enigszins tevredenstellende inzetbaarheid bereikt; op 1 december 1936 had het leger nog besloten het type niet te accepteren.
Types geproduceerd
S-ll-a - Origineel productietype
LT vz35 (LT vz. 35) - basis Tsjecho-Slowaaks ontwerp (37 mm A-3 kanon)
T-11 - exportvariant met het betere 37 mm A-7 kanon, waarvan er tien geleverd zijn aan Bulgarije in 1939
Panzerkampfwagen 35(t) - Duitse benaming voor de LT-35
Panzerbefehlswagen 35(t) - Duitse commando-tankvariant waar tot er negen omgebouwd zijn
Mörserzugmittel 35(t) - Duitse mortiertractor
R2 - Roemeense versie van de LT-35
TACAM R2 - Roemeense antitank op het chassis van de R-2 (LT-35) met een 76 mm kanon
T21 - Groter prototype, geproduceerd in Hongarije als Turan
Operationele geschiedenis
De LT vz.35 tanks werden gebruikt door het Tsjecho-Slowaakse leger van 1937 tot 1939.
In maart 1939 werden van de 298 voertuigen 219 tanks door de Duitse bezetter overgenomen; 79 voertuigen bleven bij Slowakije. De tanks kregen in Duitse dienst eerst de aanduiding LTM 35 en werden vanaf 5 juni 1939 door het Wapen van de Cavalerie gebruikt. In oktober gingen ze over naar de Panzertruppe en kregen daar op 16 januari 1940 de naam Panzerkampfwagen 35 (t). De letter (t) stond voor tschechisch om te laten zien in welk land de Beutepanzer "gestolen" was. De materieelstaten laten zien dat het feitelijke aantal tanks dat in de slagorde werd opgenomen 202 bedroeg. De tanks werden gebruikt voor de kern van de 1e Leichte Division (van de Cavalerie) die later hernoemd werd tot de 6e Pantserdivisie, welke ze operationeel inzette bij de veldslagen in Polen (1939): 112 tanks, Frankrijk (1940): 118 tanks en de Sovjet-Unie (1941): 155 tanks. Omdat er geen verdere productie was, nam het aantal beschikbare tanks gestaag af. In Polen gingen zeven tanks verloren; in Frankrijk 62. Deze werden echter gedeeltelijk herbouwd. In het voorjaar van 1940 werden 52 tanks aan de reserves onttrokken voor levering na herbouw aan Bulgarije; dit aantal werd gehalveerd toen bleek hoe zwaar de slijtage door de Franse veldtocht geweest was. In juni 1941 waren 170 tanks beschikbaar. Tijdens Operatie Barbarossa bleek hoezeer de tank faalde tijdens koud weer en dat bepantsering en vuurkracht tekortschoten. Dit resulteerde erin dat versleten tanks van het front werden weggehaald. De voertuigen werden al eerder zelfs volledig uit de centrale materieelstaten geschrapt omdat er geen reserveonderdelen meer waren, zodat geen exacte gegevens beschikbaar zijn vanaf de zomer van 1941. Tot 10 september waren er volgens de divisie 47 verloren gegaan; tot 31 oktober tachtig. Eind november waren alle overblijvende PzKpfw 35(t)'s uitgevallen. Tot eind 1941 werden nog acht tanks door de fabriek herbouwd; daarna werd besloten voor Duitsland geen verdere herbouw als gevechtstank meer uit te voeren, maar de herstelcapaciteit in te zetten voor de ondersteuning van de bondgenoten die het type nog wel gebruikten. In augustus 1942 werden 26 voertuigen doorgeleverd aan Roemenië. Een klein aantal voertuigen, vermoedelijk 49, werd, zonder toren, verbouwd tot artillerietrekker, de Artillerie-Schlepper 35(t). Er waren nog 38 torens beschikbaar en deze werden ingebouwd in fortificaties.

Het Slowaakse leger gebruikte 79 tanks in de 3e Snelle Divisie. Bulgarije gebruikte 26 tanks met het A-3 kanon en tien tanks, van het type T-11, met het betere A-7 kanon en versterkt pantser. Roemenië kocht 126 tanks met een iets afwijkende toren. De meeste van deze voertuigen gingen verloren in november 1942 toen tijdens Operatie Uranus het 1e Koninklijke Tankregiment door de Sovjets nabij Stalingrad verpletterd werd. Van de overblijvende en de 26 overgehevelde Duitse exemplaren werden er twintig in 1944 omgebouwd tot TACAM R-2 antitankvoertuigen met een 76,2 mm kanon, gemechaniseerd geschut.

Panzer 35 (t) in Frankrijk, 1940

 

 

R-2 tanks in februari 1939, alvorens naar Roemenië wordt geleverd door Škoda Works

De Sd.Kfz. 166 Sturmpanzer IV

De Sturmpanzer (ook bekend als Sturmpanzer 43 of Sd.Kfz. 166) was een Duitse gepantserde infanterie ondersteuning pistool op basis van de Panzer IV chassis gebruikt in de Tweede Wereldoorlog . Het werd gebruikt bij de Slagen van Kursk , Anzio , Normandië , en hielp het neer te zetten Opstand van Warschau . Het was bekend onder de bijnaam Brummbär (Duits: "kankeraar")door geallieerde intelligence,een naam die niet werd gebruikt door de Duitsers . Iets meer dan 300 voertuigen werden gebouwd en ze werden toegewezen aan vier onafhankelijke bataljons. 

Ontwikkeling 

De Sturmpanzer was een ontwikkeling van de Panzer IV tank ontworpen om direct infanterie vuursteun te bieden, vooral in stedelijke gebieden. Het resultaat was de Sturmpanzer, die een Panzer IV chassis gebruikt met de bovenste romp en toren vervangen door een nieuwe kazemat -stijl gepantserde opbouw waarin een nieuw pistool, 15 cm (5,9 in) Sturmhaubitze (StuH) 43 L / 12 ontwikkeld door Skoda . Het vuurde dezelfde schelpen als de 15 cm Sig 33 zware infanterie geweer. Dertig-acht rondes, met aparte drijfgas cartridges, kon worden uitgevoerd. Het gebruikte de Sfl.Zf. 1a zicht. Het totale gewicht van het reservoir en de patroon (38 kg (84 lb) voor HE reservoir en 8 kg (18 lb) voor een drijfgas cartridge) legt de werkzaamheden van de lader zware, vooral wanneer het geweer werd tot een hoge hoek. 

Een MG 34 machinegeweer werd uitgevoerd die kunnen worden vastgemaakt aan de open luik schutter, net als de regeling op de Sturmgeschütz III Ausf. G. Vroege voertuigen droeg een MP 40 machinepistool binnen, die kan worden afgevuurd door de vuren poorten in de zijkant van de bovenbouw. 
Station van de bestuurder naar voren geprojecteerd van de kazemat van de schuine frontale pantserplaat en gebruikt de Tiger I zicht 's Fahrersehklappe 80 bestuurder. Het vechten compartiment werd (slecht) geentileerd door natuurlijke convectie, het verlaten van de achterzijde van de bovenbouw via twee gepantserde covers. Sideskirts werden gemonteerd op voertuigen. 
Vroege voertuigen waren te zwaar voor het chassis, die leiden tot frequente storingen van de ophanging en de transmissie. De inspanningen werden gedaan om dit te verbeteren van de tweede reeks verder, met enig succes. 
In oktober 1943 werd besloten dat de StuH 43 pistool moest worden herontworpen om het gewicht te verminderen. Een nieuwe versie, ongeveer 800 kilogram (£ 1800) lichter dan de StuH 43, werd gebouwd als de StuH 43/1. Enkele gewicht werd bespaard doordat het harnas op de affuit zelf. Dit wapen werd gebruikt vanaf de derde serieproductie vanaf. 
Zimmerit coating werd toegepast op alle voertuigen tot september 1944. 
Serieproductie 
Eeste
De productie van de eerste reeks van 60 voertuigen begon in april 1943 Fifty-twee daarvan zijn gemaakt met de nieuwe Panzer IV Ausf. G chassis en de resterende 8 van herbouwd Ausf. E en F chassis. Overlevenden, ongeveer de helft, werden herbouwd te beginnen in december 1943; ze werden meestal omgebouwd tot 2e serie normen. 
Tweede 
Productie hernieuwd in december 1943 van een andere 60 voertuigen, met alleen nieuwe Ausf. H chassis, en bleef tot maart 1944. De Sturmpanzer de doop in de strijd bij de Slag bij Koersk bewezen dat compartiment van de bestuurder was te licht gepantserde en het werd versterkt. Luik van de schutter werd verwijderd en een ventilator was voorzien, tot grote opluchting van de bemanning. Intern opgesprongen, staal omrande wielen vervangen de voorste twee rubber omrande wielen in een poging om de spanning op de voorwielophanging dat was slechts gedeeltelijk succesvol te verminderen. 
Derde
De productie van de 3e serie liep van maart tot juni 1944 met weinig veranderingen ten opzichte van de tweede reeks. De Fahrersehklappe 80 werd vervangen door periscopen en de lichtere StuH 43/1 werd gebruikt. 
Vierde 
De bovenbouw werd vernieuwd in het begin van 1944 voor de vierde serie, die het chassis en HL120TRM112 motor van de Ausf gebruikt. J, en was in de productie tussen juni 1944 en maart 1945. Het kenmerkte een nieuw ontworpen wapen kraag, evenals een algemene verlaging van de hoogte van de bovenbouw. Dit herontwerp introduceerde ook een bal te monteren aan de voorkant opbouw voor een MG 34 machinegeweer met 600 rondes. Positie van het voertuig commandant werd gewijzigd om de koepel van de Sturmgeschütz III Ausf gebruiken. G, die een machinegeweer voor luchtafweer verdediging kon monteren.
Combat geschiedenis 
Sturmpanzer-Abteilung 216 
De eerste eenheid van de Sturmpanzer te nemen in de strijd was Sturmpanzer-Abteilung 216. Het werd gevormd aan het einde van april 1943 en overgebracht in begin mei naar Amiens om te trainen op zijn nieuwe aanval geweren. Het werd georganiseerd in 3 lijn bedrijven, elk met 14 voertuigen en een bataljon hoofdkantoor met 3 voertuigen. Het kwam in Centraal-Rusland op 10 juni 1943 voor te bereiden op Unternehmen Zitadelle (Operation Citadel), de Duitse aanval op de Koersk saillant . Voor deze actie tijdelijk als derde bataljon van Schweres Panzerjäger Regiment 656 ("Heavy Anti-tank Regiment 656") onder het bevel van de was toegewezen 9de Leger van Army Group Center . 
Het bleef in het Orel - Bryansk gebied tot de overdracht aan de Dnepropetrovsk - Zaporozhe gebied aan het einde van augustus. De voertuigen werden er geplaatst en bleef daar tot de Zaporozhe Bridgehead werd verlaten op 15 oktober. Het bataljon trokken zich terug naar Nikopol waar hij hielp om de Duitse saillant er verdedigen totdat het weer werd ingetrokken om het Reich aan het einde van december. 
De geallieerde landing bij Anzio op 22 januari 1944 veroorzaakte het bataljon, volledig onafhankelijk eens te meer, daar worden overgedragen in het begin februari met 28 voertuigen deelnemen aan de geplande tegenaanval tegen de geallieerde bruggenhoofd, Unternehmen Fischfang. Dit gefaald in zijn doelstelling, maar het bataljon bleef in Italië voor de rest van de oorlog. Het bataljon had nog 42 voertuigen op de hand toen de geallieerden lanceerden hun Povlakte offensief in april 1945, maar werden opgeblazen tot capture voorkomen of verloren tijdens de retraite voor de oorlog eindigde in mei.
Sturmpanzer-Abteilung 217 
Sturmpanzer-Abteilung 217 werd opgericht op 20 april 1944 op Grafenwöhr Training gebied van kaders die door Panzer-Kompanie 40 en Panzer-Ersatz Abteilung 18, hoewel het geen gepantserde gevechtsvoertuigen hadden tot 19 Sturmpanzers eind mei Er werden afgeleverd vertrok 1/2 juli voor de Normandische front . Hier moest het uitladen in Condé sur Noireau , ongeveer 170 kilometer (110 mijl) achter de frontlinies, omdat de geallieerden zwaar had beschadigd het Franse spoornet. Veel van de voertuigen het bataljon brak tijdens de weg mars naar de frontlinies. De eerste vermelding van Sturmpanzer s in een gevecht is op 7 augustus in de buurt van Caen . Op 19 augustus, het bataljon had 17 Sturmpanzers operationeel en nog eens 14 in onderhoud. Het grootste deel van het bataljon was niet opgesloten in de Falaise Pocket en wist zich terug te trekken naar het noordoosten. Het had slechts 22 auto's in oktober, die werden verdeeld tussen de 1e en 2e bedrijven; het overschot bemanningen werden naar Panzer-Ersatz Abteilung 18. Hij nam deel aan de Slag om de Ardennen , alleen vooruit zover St. Vith . Het was voortdurend op het toevluchtsoord voor de rest van de oorlog en werd gevangen in de Ruhr Pocket in april 1945. 
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 218 
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 218 werd opgeheven in augustus 1944. Het werd verzonden naar Warschau , waar het werd gehecht aan Panzer Abteilung (FKL) 302. Het bleef aan het Oostfront na de Opstand van Warschau werd onderdrukt en werd uiteindelijk weggevaagd in Oost-Pruisen in april 1945. Het was de bedoeling de cadre voor Sturmpanzer Abteilung 218 in januari 1945 te zijn geweest, maar het werd nooit uit de frontlinies getrokken om dat te doen.
Sturmpanzer-Kompanie ZBV 2. / 218 werd gelijktijdig verhoogd met Sturmpanzer Kompanie ZBV 218, maar werd overgebracht naar het Parijs gebied op 20 augustus. Niets is gekend van zijn dienst in Frankrijk, maar personeel van het bedrijf werden Panzer-Ersatz Abteilung 18 gezonden aan het eind van het jaar en werden verondersteld te zijn gebruikt bij de vorming van Sturmpanzer Abteilung 218. 
Sturmpanzer-Abteilung 218 werd besteld opgericht op 6 januari 1945 met drie bedrijven met een totaal van 45 Sturmpanzers, maar het kreeg Sturmgeschütz III aanvalskanonnen in februari plaats. 
Sturmpanzer-Abteilung 219 
Sturmpanzer-Abteilung 219 was oorspronkelijk te worden gevormd uit Sturmgeschütz-Brigade 914 , maar dit werd veranderd in Sturmgeschütz-Brigade 237 in september 1944. Medio september 1944 overgedragen aan de brigade Döllersheim Training Area om te reorganiseren en opnieuw uit te rusten. Slechts tien Sturmpanzers had ontvangen toen het bataljon werd gewaarschuwd op 15 oktober deel te nemen aan 'Unternehmen Eisenfaust' , de Duitse staatsgreep aan Hongarije's poging om over te geven aan de geallieerden te voorkomen. Alle voertuigen werden gegeven aan het eerste bedrijf en vertrok naar Boedapest op de volgende dag. Bomb schade aan de rails vertraagd zijn aankomst tot 19 oktober, tegen die tijd was het niet meer nodig als een pro-Duitse regering was geïnstalleerd. Het werd schold naar St. Martin, Slowakije voor meer training. Het bataljon werd overgebracht naar de omgeving van Stuhlweissenburg te verlichten gevangen Duitse troepen in Boedapest . Het bleef in de buurt van Boedapest tot gedwongen zich terug te trekken door de oprukkende Sovjet-troepen.


Sturmpanzer, weergegeven in het Musée des Blindés, Saumur, Frankrijk. 
Type 
Zware aanvalskanon 
Plaats van herkomst 
Nazi-Duitsland 
Productie geschiedenis 
Ontwerper 
Alkett 
Ontworpen 
1942-1943 
Fabrikant 
Wenen Arsenal (Series I-III) 
Deutsche Eisenwerke (Series IV) 
Geproduceerd 
1943-1945 
Aantal gebouwd 
306 
Bestek 
Gewicht 
28,2 ton (£ 62.170) 
Lengte 
5,93 meter (19 ft 5 in) 
Breedte 
2,88 m (9 voet 5 in) 
Hoogte 
2,52 meter (8 voet 3 in) 
Crew 
5 (bestuurder, commandant, 
gunner, 2 laders) 
Pantser 
Voorkant: 100 mm (3,93 in) 
Hoofd- 
bewapening 
15 cm StuH 43 L / 12 
Secundair 
bewapening 
Series IV: 1 7,92 mm (0,312 in) MG 34 
Motor 
vloeistofgekoelde V-12 Maybach HL 120 TRM 
300 PS (296 pk, 220 kW) 
Vermogen / gewicht 
10.64 PS / ton 
Opschorting 
twee wielen bladveer draaistellen 
Operationele 
reeks 
Road: 210 km (130 mi) 
Snelheid 
Weg: 40 km / h (25 mph) 
Off-road: 24 km / h (15 mph)


 

 

Sturmpanzer tentoongesteld in het Deutsches Panzermuseum Munster, Duitsland

Sd.Kfz. 2 (Kleines Kettenkraftrad)

De SdKfz 2, beter bekend als de Kleines Kettenkraftrad HK 101 of Kettenkrad voor korte (Ketten = keten / tracks, krad = militaire afkorting van het Duitse woord Kraftrad, de administratieve Duitse term voor motorfiets), begon zijn leven als een lichte tractor voor gebruik in vliegtuigen troepen. Het voertuig werd ontworpen om te worden afgeleverd door de Junkers Ju 52 vliegtuigen, maar niet per parachute. Het voertuig had het voordeel dat het wapen slechts tractor klein genoeg om in het ruim van het Ju 52, en was de lichtste massaproductie Duitse militair voertuig het complex Schachtellaufwerk gebruiken overlapt en interleaved wielen op bijna alle Duitse leger half -Track voertuigen van de Tweede Wereldoorlog. 

Het sturen van de Kettenkrad werd bereikt door het draaien van het stuur: Tot op zekere hoogte, zou alleen het voorwiel het voertuig te sturen. Een motie van het stuur voorbij dat punt zou gaan de baan remmen om ervoor te helpen wordt scherper. Het is ook mogelijk om het voertuig zonder het voorwiel geïnstalleerd werking en deze is in extreme terreinomstandigheden waar de snelheid laag zou blijven bevelen.

De SdKfz 2 werd ontworpen en gebouwd door de NSU Werke AG in Neckarsulm , Duitsland. Eerst ontworpen en gepatenteerd in juni 1939 werd voor het eerst gebruikt in de invasie van de Sovjet-Unie in 1941.Later in de oorlog Stoewer van Stettin produceerde ook Kettenkrads onder licentie, goed voor ongeveer 10% van de totale productie. 

De meeste Kettenkrads zag dienst op het Oostfront , waar ze werden gebruikt om de communicatie kabels soldaten leggen, trek zware lasten en uit te voeren door de diepe Russische modder . Later in de oorlog, Kettenkrads werden gebruikt als landingsbaan sleepboten voor vliegtuigen, vooral voor zowel de Me 262 straaljager, en soms de Arado Ar 234 jet verkenning-bommenwerper. Om de luchtvaart brandstof te besparen, zou Een Duitse straalvliegtuigen worden gesleept naar de startbaan, in plaats van het taxiën onder hun eigen macht. 

Het voertuig werd ook gebruikt in de Noord-Afrikaanse theater en op het Westelijk Front . 

De Kettenkrad wordt een speciale aanhanger (Sd.Anh.1) die kunnen worden verbonden aan de lading te verbeteren. 

Omdat het een rupsvoertuig, kon de Kettenkrad klimmen tot 24 ° in het zand en nog meer op een harde ondergrond. 

Slechts twee belangrijke sub-variaties van de Kettenkrad geconstrueerd. De productie van het voertuig gestopt in 1944, waarna 8345 zijn gebouwd. Na de oorlog, de productie hervat op NSU. Rond 550 Kettenkräder werden gebouwd voor gebruik in de landbouw, met een productie die eindigt in 1948 (sommige bronnen zeggen 1949).

Kettenkrad in Rusland in de winter van 1943 
Soort 
Bemanning 3 
Lengte 3,0m 
Breedte 1,0m 
Hoogte 1,20m 
Gewicht 1560kg 
Pantser en bewapening 
Pantser geen 
Hoofdbewapening geen 
Motor Opel Olympia 1.5l/4 cilinder/36pk 
Snelheid (op wegen) 70km/u 
Rijbereik 250km

PzKpfw I Ausf A-ohne Aufbau(lichte tank)

De Panzer Ik was een lichte tank geproduceerd in Duitsland in de jaren 1930. Het werd gebouwd in verschillende varianten en was de basis voor een aantal voertuigen voor speciale doeleinden. 
Panzerkampfwagen I Ausf A ohne Aufbau 
De eerste Panzer I voertuigen worden gebouwd, 15 van deze variant werden afgerond door diverse bedrijven ( Daimler-Benz , Henschel , Krupp , MAN en Rheinmetall ) in een programma bedoeld om industriële capaciteit ontwikkelen en verzorgen van initiële opleiding voertuigen aan de Wehrmacht . De Ausf A ohne Aufbau was een Panzer ik romp zonder opbouw of torentje . Het interieur is volledig open. Het voertuig werd bemand door een student bestuurder en instructeur, met ruimte voor drie student waarnemers achter hen. De suspensie en de romp waren identiek aan de Ausf A, maar totaalgewicht werd teruggebracht tot 3,5 ton en hoogte tot 1,15 m. De prestaties waren vergelijkbaar. 
Munitionsschlepper auf Panzerkampfwagen I Ausf A
Gezien de aanduiding SdKfz 111, de Munitionsschlepper (munitie tractor) werd gebouwd om Panzer eenheden met een gepantserde bieden rupsvoertuig voor front-line re-levering van tanks. 51 voorbeelden werden omgezet van oudere Ausf A tanks in september 1939. De conversie betrokken verwijderen van de toren en het verstrekken van een tweedelig pantserplaat deksel over de resulterende opening. Dit ruwe conversie geserveerd in Polen en Frankrijk met Panzer units. Totaalgewicht was iets minder dan de Ausf A bij 5,0 ton, en de hoogte was verlaagd tot 1,4 m. Aangezien sommige brandstofcapaciteit was verwijderd, werd range gesneden tot 95 km. Geen bewapening werd verstrekt. 
Brückenleger auf Panzerkampfwagen I Ausf A 
Een poging om het overbruggen van apparatuur monteren op de Ausf A chassis bleek onpraktisch te wijten aan de zwakke ophanging van het voertuig, hoewel dit later werd geprobeerd met meer succes op de Panzer II chassis. 
Flammenwerfer auf Panzerkampfwagen I Ausf A 
Een rechttoe rechtaan modificatie, de Flammenwerfer had een draagbare flamethrower genoeg brandstof voor ongeveer 10 seconden afvuren op een afstand van maximaal 25 m aangebracht in plaats van één van de machinegeweren. Het idee kwam van een experiment tijdens de Spaanse Burgeroorlog , en was bedoeld om de Panzer I meer vuurkracht te geven tegen close doelen. De conversie was niet permanent, en werd alleen gemeld in de te gebruiken Slag van Tobruk door de Duitse 5e Light Division . 
Kleiner Panzerbefehlswagen (klPzBefWg) 
De aanduiding SdKfz 265, de klPzBefWg was een modificatie van de Ausf A ontworpen om een ​​commando voertuig voor Panzer units. Dit vereist een verlenging van het chassis (door het toevoegen van een vijfde wiel weg) en het upgraden van de motor. Uiteindelijk zou dit chassis basis voor de verbeterde Ausf B versie. De klPzBefWg had een opgebouwde bovenbouw in de plaats van het torentje, bieden meer interieur ruimte voor commando-apparatuur en een FuG6 radio in aanvulling op de FuG2 . Eén MG13 of MG34 in een kogelmolen te monteren op de voorzijde van de opbouw is voorzien, maar vaak verwijderd. Iets zwaarder (5,9 ton) en groter (1,99 m) dan de Ausf B, de klPzBefWg geserveerd met alle Panzer eenheden in de vroege oorlogsjaren. Het kreeg een extra 15 mm armor later en werd verplaatst naar hulptaken door 1942 184 werden gebouwd door Daimler-Benz tegelijkertijd als Ausf B productie en zes voorbeelden werden gebouwd van Ausf A tanks. 
Panzerkampfwagen I Ausf B ohne Aufbau 
De Ausf B ohne Aufbau gebruikt hetzelfde chassis als de Ausf B, maar weggelaten de bovenbouw en torentje. Ontworpen om Panzer eenheden te voorzien van een bijgehouden herstel en reparatie van het voertuig, 164 werden geproduceerd, naast de standaard Ausf B voertuigen. Echter, de introductie van grotere tanks betekende het was niet in staat om het herstel werk te doen, en door 1940 werd overgedragen aan de opleiding taken. Vergeleken met de Ausf B was veel lichter (4,0 ton) en kortere (1,35 m). Net als de Ausf A ohne Aufbau, het compartiment was bovenzijde open; de romp werd gepantserd. 
4.7 cm Pak (t) (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Algemeen bekend als de Panzerjäger ik, deze versie gemarkeerd eerste poging van Duitsland in een gepantserde tank destroyer. De koepel werd verwijderd en een 4.7 cm Pak (t) antitank pistool (gevangen uit Tsjechoslowakije) met een grote wrap-around gun schild werd geïnstalleerd. Gemaakt van 14,5 mm dikke pantserplaat, het schild bood geen bescherming aan de achterzijde of hoger. Het pistool staat was 35 ° verplaatsingen en elevatie van -8 ° tot + 12 °. 86 ronden werden uitgevoerd voor de belangrijkste wapen. Terwijl prestatie was vergelijkbaar met de Ausf B was 6,4 ton zwaarder en groter, 2,25 m, dan B. 
15 cm SIG 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Dit voertuig werd ook wel bekend als de Bison . De grotere Ausf B chassis mogelijk gemaakt de montage van zwaardere wapens met het verwijderen van het torentje. De grootste was de 150 mm zware infanterie pistool, de SIG 33 . Dit mammoet stuk was relatief kort en nauwelijks fit in een hoge opbouw, dat werd gebouwd aan het voertuig 2,8 m hoogte en over de sporen om hun volledige 2,06 m breedte. De bovenbouw armor was alleen lichte 13 mm-en alleen beschermde de voor- en zijkanten. De zware resulterende gewicht van 8,5 ton overbelasting van het chassis; het voertuig was geen groot succes. 38 werden omgezet van Ausf B tanks in februari 1940. Ze geserveerd met zes zware SP infanterie gun bedrijven, met overlevenden in dienst in 1943 de SIG-montage in staat was 25 ° van de traverse en 75 ° van de hoogte, en kan worden ingedrukt om - 4 °. Het gebruikte een Rblf36 zicht. Munitie werd apart uitgevoerd, dat er geen ruimte voor onboard shell opslag. SIG zou meer succes worden gemonteerd op grotere chassis als de oorlog vorderde. 
Flammenwerfer auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Een experimentele veld modificatie vergelijkbaar met die gedaan om de Ausf A later in Noord-Afrika, werd deze conversie gemaakt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Er is geen verslag van later gebruik tijdens deTweede Wereldoorlog. 
Ladungsleger auf Panzerkampfwagen I Ausf B 
Een veld modificatie kit, de Ladungsleger of explosieven lagen, werd op het achterdek van een Ausf B tank gemonteerd en wordt gebruikt om explosieven te maken op veldversterkingen verslaan. Een aantal voertuigen kregen deze kits, met het toegestane gebruik van de gepantserde ingenieurs bedrijf van elke Pioneer Battalion. 
Flakpanzer I 
Een zeldzame wijziging die geprobeerd om de Panzer I maken in een zelfrijdende anti-aircraft pistool was het Flakpanzer I. Het was niet op grote schaal geproduceerd als gevolg van extreem hoge ontwikkelings kosten

De Grille Tank zelfrijdende artillerie

De Grille ( Duits : " cricket ") was een reeks van zelfrijdende artillerie voertuigen die door nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog . De Grille serie was gebaseerd op de Tsjechische Panzer 38 (t) tank en gebruikte een 15 cm SIG 33 infanterie pistool. 
Development 
De oorspronkelijke bestelling voor 200 eenheden van de Grille, moest worden gebaseerd op de nieuwe 38 (t) Ausf M chassis dat BMM (Böhmisch-Mährische Maschinenfabrik) werd de ontwikkeling echter vertragingen veroorzaakt productie te beginnen op de 38 (t) Ausf H chassis hand, in sommige gevallen, de oudere 38 (t) tanks terug voor factory refit. 
Grille Ausf. H
De eerste variant van het rooster was gebaseerd op de Panzer 38 (t) Ausf. H,die de motor aan het einde was. Het torentje van de tank werd verwijderd en vervangen door een lage geslingerd bovenbouw en vechten compartiment. [1] De 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33 (zware infanterie gun) werd in de voorzijde van deze gepantserde compartiment gemonteerd. Wordt gebouwd op een tank chassis, de romp bepantsering was 50 mm (voor) en de bovenbouw armor was 25 mm (voor)
Een totaal van 91 (waaronder een prototype) werden in het BMM (vroegere geproduceerd ČKD Praga) fabriek in Praag van februari tot april 1943. De officiële naam was 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33 (Sf) auf Panzerkampfwagen 38 (t) Ausf. H (Sd.Kfz. 138/1).
Grille Ausf. M 
De tweede variant Grille was gebaseerd op de Panzer 38 (t) Ausf. M, die de motor in het midden hebben.Zoals bij de eerdere versie, de koepel verwijderd en vervangen door een nieuwe opbouw en gepantserde compartiment.In tegenstelling tot de oudere variant, werd de gevechten compartiment aan de achterzijde van de het voertuig en iets kleiner en hoger. Het belangrijkste wapen was ook de 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33. 
Van april tot juni 1943 en vervolgens vanaf oktober 1943 tot september 1944 in totaal 282 voertuigen werden geproduceerd.Dit was het laatste voertuig gebouwd op de Ausf M chassis als de 10 die waren toegewezen aan de Flakpanzer 38 (t) chassis werden gebruikt om de roosters te bouwen in plaats. 
De officiële naam was 15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33/1 auf Selbstfahrlafette 38 (t) (Sf) Ausf. M (Sd.Kfz. 138/1) 
Munitie carrier
Omdat de Grille munitie opslag had beperkt, werd een speciale variant gebouwd op basis van de Ausf. M chassis; Dit werd aangeduid Munitionspanzer 38 (t) (sf) Ausf.K (sdKfz.138 / 1). Het kanon werd vervangen door munitie rekken; het voertuig kan terug worden omgezet naar een normale configuratie in het veld, door het monteren van de 15 cm pistool op het. De productie bedroeg in totaal 120 voertuigen. 
Combat geschiedenis
Beide versies waren bedoeld om dienst te nemen in de schwere Infanteriegeschütz Bedrijven binnen de Panzergrenadier regimenten , binnen Panzer en Panzergrenadier divisies, in hun zware infanterie-eenheden pistool. Elk detachement had zes beschikbaar. 
Overleven voertuigen 
A "Grille" Ausf. K is op vertoning bij het ​​Amerikaanse leger Ordnance Museum in Aberdeen, USA . 
Referenties 
1. ^ Jump up to: a b c d e f Rickard, John. "Grille / 15cm sIG33 (Sfl) auf PzKpfw 38 (t) ausf H, M" . http://www.historyofwar.org . Ontvangen 29 juli 2014. 
Bibliografie 
Chamberlain, Peter, en Hilary L. Doyle. Thomas L. Jentz (Technical Editor) Encyclopedie van de Duitse Tanks van de Tweede Wereldoorlog. Een volledige, geïllustreerde gids van de Duitse Battle Tanks, Pantserwagens, Zelfrijdende Guns, en Semi-rupsvoertuigen, 1933-1945 Londen:. Wapens en Armour . Press, 1978 (herziene editie 1993) ISBN 0-85368-202-X ; rev. ed. ISBN 1-85409-214-6

Grille Aberdeen.00044ijk05.jpg

Periode -
Bemanning 4
Lengte 4,95 m
Breedte 2,15 m
Hoogte 2,47 m
Gewicht 12 ton
Pantser en bewapening
Pantser 10-15 mm
Hoofdbewapening 1x 15 cm sIG 33 geschut
Secundaire bewapening 1x 7,92 MG43 machinegeweer
Motor 1 x Praga AC, 6 cilinder benzinemotor
147 pk (110 kW)
Snelheid (op wegen) 35 km/u
Rijbereik 190 km

De Panzerkampfwagen E-100 zware tank

De E-100 (Gerät 383) (TG-01) was een Duitse super-zware tank ontwerp ontwikkeld aan het einde van de Tweede Wereldoorlog .


Development

Het basisontwerp werd besteld door de Waffenamt als een parallelle ontwikkeling van de Porsche Maus in juni 1943. Het was de zwaarste van de Entwicklung (E) series van voertuigen, bedoeld om zoveel mogelijk componenten te standaardiseren. Er zou een E-5, E-10, E-25, E-50, E-75 en tenslotte de E-100 zijn. 

In november 1942, Krupp stelde een ontwerp met een gewicht van 155 ton, in vergelijking met de 188 ton van de Maus - maar nog steeds met behulp van de Maus torentje. In december 1942, Krupp stelde een ontwerp met een gewicht van 130 ton, die veel van dezelfde componenten als de gebruikte Tiger tank met Maus torentje - aangeduid als de "Tiger-Maus". Gewichtsbesparingen moesten worden uit dunnere armor en vernauwing en het verkorten van het voertuig. 

In 1944 beval Hitler de ontwikkeling van super zware tanks stoppen werkzaamheden voor het E-100 bleef echter op een zeer lage prioriteit met slechts drie Adler medewerkers waarover de prototype monteren. 

Het prototype had een HL 230P30 motor en transmissie Olvar aangebracht. De HL 230 was hetzelfde V-12 motor die werd gebruikt op de Tiger II en tanks Panther . Het was geschikt voor de 45-tons Panther, underpowered voor de 70-tons Tiger II en grove onder-aangedreven voor een 140-tons design. Het chassis van het prototype was nagenoeg afgerond maar ontbrak een torentje die zou zijn voorzien van de 15 cm KwK 44 gun. De definitieve versie zou worden aangedreven door een HL234 produceert 850 pk gekoppeld aan een Mekydro transmissie. Een 17 cm KwK 44 werd voorgesteld als de finale bewapening. Schorsing was om het te extern gemonteerde Belleville Washer type.De romp had hellende pantser, typisch post-1943 design. Wheels werden overlapt, vergelijkbaar met de Tiger II en de Panther en niet meer verweven zoals het Schachtellaufwerk suspensie van de oorspronkelijke Tiger I . 

Het eerste prototype werd nooit voltooid en werd gevonden door de 751 Field Artillery Battalion van de Amerikaanse troepen op de werkvloer op 22 april 1945 in Bad Lippspringe, Duitsland.De gedeeltelijk voltooide voertuig werd verwijderd door het Britse leger voor de evaluatie en vervolgens gesloopt.

Landkreuzer P.1500 Monster zware artillerie

De Landkreuzer P 1500 Monster was een Duitse pre-prototype super- zware artillerie ontworpen tijdens de Tweede Wereldoorlog , die de top van de Duitse artillerie extreme ontwerpen. 


Conception 

Op 23 juni 1942 werd het Duitse ministerie van bewapening stelde een 1000 ton tank-de Landkreuzer P. 1000 Ratte . Adolf Hitler zelf interesse getoond in het project en de go-ahead werd verleend. In december van hetzelfde jaar, Krupp ontwierp een nog grotere 1.500 ton voertuig-de P. 1500 Monster. 

In 1943, Albert Speer , de minister van bewapening, geannuleerde beide projecten. 

Doel 

Een 800 mm granaat die zou zijn gebruikt, naast een T-34 / 85 
Deze "landcruiser" was een zelfrijdende platform voor de 800mm Schwerer Gustav artilleriestuk ook gemaakt door Krupp-de grootste kanonnen ooit ontslagen voor effect. Hun 7-tons projectielen afgevuurd tot 37 km (23 mi) en zijn ontworpen voor gebruik tegen zwaar versterkte doelen. 

Specificatie 

De Landkreuzer P. 1500 Monster moest zijn 42 meter (138 voet) lang en een gewicht van 1500 ton, met een 250 mm romp voor armor, vier MAN U-boot (onderzeese) scheepsdieselmotoren , en een operationele bemanning van meer dan 100 mensen. 
De belangrijkste bewapening was om een 800 mm Dora / Schwerer Gustav K (E) spoorweg pistool , en met een secundaire bewapening van twee 150 mm sFH 18/1 L / 30 houwitsers en meerdere 15 mm MG 151/15 autocannons . De belangrijkste bewapening kon worden gemonteerd zonder een roterende torentje, waardoor het voertuig een zelfrijdende pistool in plaats van een tank. Een dergelijke configuratie zou hebben toegelaten de P. 1500 om op een soortgelijke wijze als de oorspronkelijke 800mm railroad pistool en Karl 600mm zelfrijdende mortels, lanceert shells zonder aangrijpen van de vijand met directe beschieting . 
Problemen 
De ontwikkeling van de Panzer VIII Maus had grote problemen in verband met zeer grote voertuigen, zoals de verwoesting van wegen / rails, hun onvermogen om bruggen en de moeilijkheid van het strategische transport over de weg of het spoor te gebruiken gemarkeerd. Hoe groter het voertuig, hoe groter deze problemen werd, tot het punt waar ze onoverkomelijk. 
Propulsion had ook problematisch gebleken bij de ontwikkeling van Maus: Het prototype niet aan zijn specifieke snelheid eisen waardoor nog grotere voertuigen zoals P. 1500 waarschijnlijk zouden trage worden ontmoet en door zijn grote omvang, zou een belangrijke doelgroep te zijn geallieerde vliegtuigen.

Bemanning
100+
Lengte
42 m
Breedte
18 m
Hoogte
7 m
Gewicht
2500 ton
Pantser en bewapening
Pantser
250 mm
Hoofdbewapening
80 cm K (E) kanon
Secundaire bewapening
2 15 cm sFH 18/1 L/30 (houwitser) en verschillende 15 mm MG151/15
Motor
4 MAN M9v 40/46 U-boot dieselmotoren (2.200 pk)
Snelheid (op wegen)
15 km/u
Rijbereik

De Jagdpanzer 38 Hetzer( Sd.Kfz. 138 2)

De Jagdpanzer 38 ( Sd.Kfz. 138/2), later bekend als Hetzer ("baiter"), was een Duitse lichte tank destroyer van de Tweede Wereldoorlog op basis van een gewijzigde Tsjechoslowaakse Panzer 38 (t) chassis. Het project is geïnspireerd door de Roemeense " Maresal "tank destroyer. 
Naam
De naam Hetzer was op het moment niet gebruikt voor dit voertuig. Het is de aanduiding voor een verwante prototype, de E-10 . De Škoda fabriek voor een zeer korte periode in de war van de twee namen in de documentatie en het allereerste toestel uitgerust met de auto dus voor een paar weken toegepast de onjuiste naam totdat zaken werden ontruimd. Toch bestaat er een briefing paper van Heinz Guderian tot Hitler te beweren dat een onofficiële naam, Hetzer, was spontaan bedacht door de troepen. Naoorlogse historici zich baseren op deze verklaring de naam populair in hun werken, hoewel de auto nooit werd genoemd als zodanig in officiële documenten. 
Development 
De Jagdpanzer 38 was bedoeld om meer kosten-effectiever dan de veel ambitieuzer zijn Jagdpanther en Jagdtiger ontwerpen van dezelfde periode. Met een bewezen chassis, vermeden mechanische problemen van de grotere pantservoertuigen. 
Het was beter bewapend dan de dun gepantserde eerder Panzerjäger Marder en Nashorn met een schuine pantser frontplaat van 60 mm schuin terug op 60 graden van de verticale (equivalent in bescherming tot ongeveer 120 mm), droeg een redelijk krachtige 75mm kanon, was mechanisch betrouwbaar , klein en gemakkelijk te verbergen. Het was ook goedkoop om te bouwen. 
De Jagdpanzer 38 slaagde de open-top Marder III (gebaseerd op hetzelfde chassis) in de productie van april 1944; over 2584 werden gebouwd tot aan het einde van de oorlog. De oudere Marder III Panzerjäger serie behouden dezelfde verticaal eenzijdige chassis als Panzer 38 (t). In de Jagdpanzer 38, de onderste romp zijkanten helling 15 graden naar buiten om ruwweg zeshoekige vorm maken wanneer bekeken vanaf de voor- of achterkant. Dit verhoogde de beschikbare binnenruimte en ingeschakeld een volledig afgesloten kazemat -stijl vechten compartiment. Door het volledig gesloten armor, was 5 ton zwaarder dan de Marder III. Ter compensatie van de toegenomen gewicht, werd spoorbreedte verhoogd van 293 mm tot 350 mm. 
Eerste productie Jagdpanzer 38 niet eens zitten met de grond omdat pistool, transmissie en dikker frontale armor woog de voorzijde naar beneden. Bladveren werden versterkt uit juni 1944, die de houding van het voertuig waterpas. Van mei-juli 1944, werd de toegankelijkheid verbeterd in de vorm van meer luiken: commandant kleinere luik opening aan de achterzijde, dan rechts achter hoek voor toegang tot radiator, en links achter hoek voor toegang brandstoftank. Vanaf augustus 1944 lichter binnenste en buitenste mantel verminderde het gewicht met 200 kg. Deze zijn meer conische zoek mantel dan de helft kegelvormige eerste mantels. Ook vanaf augustus 1944 werden nieuwe achterband rondsel wielen geïntroduceerd. Deze had 8, 6 en 4 (niet noodzakelijk in deze volgorde) verlichting gaten in plaats van 12. Deze vereenvoudigde het fabricageproces. In september 1944 werden voor 16 voorjaar bladeren steeg in dikte 9mm per blad, achter 16 bladeren onderhouden 7mm elke dikte. Ook in voor- en achterzijde tips september kant Schurtzen werden naar binnen gebogen om te voorkomen dat het vangen van struiken en krijgen gedemonteerd. Er werd ontdekt dat periscoop behuizing bestuurder gehandeld als een schot val, voorkomen inkomende schelpen uit stuiteren de voorkant glacis. De uitstekende behuizing werd verwijderd, in plaats periscoop werd ingevoegd in verticale bezuinigingen op de voorkant armor vanaf oktober 1944 ook van oktober 44, vlam verminderen uitlaat werd geïntroduceerd. Deze verminderde zichtbaarheid en averechts werken. Commandant hoofdkussen werd het luik toegevoegd oktober 1944. Tegelijkertijd werden velgen loopwiel is geklonken plaats van bouten. Om te gaan met zware front, en de noodzaak om het voertuig te streven doorkruisen, werd overbrengingsverhouding verlaagd tot 1: 8 in plaats van 1: 7.33 om de stress over de definitieve tandwielen verminderen van januari 1945. Button-down Jagdpanzer 38 werd blind voor de rechter side. Sinds 20mm kant armors (zelfde als side armor laat model Panzer II) waren slechts voldoende om de bemanning van vrij klein kaliber wapens te beschermen, was het belangrijk om de dreiging naar voren worden geconfronteerd. Derhalve gezichtsveld commandant was gepland worden verbeterd door het installeren van een roterende periscoop in Jagdpanzer 38 Starr, zoals Sturmgeschutz III en Elefant geëvolueerd van een enkel paar periscopen om rondom visie blokken. Echter, Jagdpanzer 38 Starr kwam te laat om de actie in het veld te zien. 
De Jagdpanzer 38 uitgerust de Panzerjägerabteilungen ( tank destroyer bataljons ) van de infanterie divisies, waardoor ze een aantal beperkte mobiele anti-armor vermogen. Na de oorlog Tsjecho-Slowakije bleef de type (versies ST-I en ST-III voor de training versie, ongeveer 180 stuks gebouwd) bouwen en geëxporteerd 158 voertuigen (versie G-13) naar Zwitserland . De meeste voertuigen in collecties van vandaag zijn van oorsprong uit Zwitserland. 
In opdracht van Adolf Hitler in november 1944 werden een aantal Jagdpanzer 38 s rechtstreeks gerenoveerd uit de fabriek met een Keobe vlammenwerper en bijbehorende apparatuur in plaats van het normale pistool. De vlam projector, ingekapseld in een metalen afscherming die doet denken aan die van een geweerloop was gemakkelijk gevoelig voor schade. Minder dan 50 van deze voertuigen, aangewezen Flammpanzer 38, werden voor het einde van de oorlog voltooid, maar ze werden operationeel gebruikt tegen de geallieerde troepen aan het Westelijk Front. 
Verdere varianten waren een Jagdpanzer 38 dragen van de 150 mm SIG 33/2 Houwitser, waarvan er 30 werden voor het einde van de oorlog geproduceerd, en de Bergepanzer 38, een licht herstel voertuig waarvan 170 werden geproduceerd. Plannen werden gemaakt om andere varianten, waaronder een aanval pistool versie van de Jagdpanzer 38 met een 105 mm StuH 42 belangrijkste kanon, een versie van de montage van de productie van 7,5 cm KwK 42 L / 70 kanon uit de Panther, en een anti-aircraft variant gemonteerd een Flak torentje. De oorlog eindigde voordat deze voorgestelde modellen werden in productie genomen. Prototypen werden ontwikkeld voor de Jagdpanzer 38 Starr, was een vereenvoudigde versie van de Jagdpanzer 38 en ook een stap naar de E-10 . Het ontwerp verwijderde de terugslag absorber van de belangrijkste 7,5 cm Pak 39 kanon, in plaats bevestigen het pistool aan het chassis en het gebruik van de Jagdpanzer 38 van bulk en de ophanging aan de terugslag te absorberen. 10 werden gebouwd, maar nooit uitgegeven. 9 omgezet terug naar normaal Jagdpanzer 38 en Hitler beval de resterende prototype vernietigd in plaats van laten worden vastgelegd aan het einde van de oorlog.

Varianten 
Flammpanzer 38 Jagdpanzer 38 gewijzigd met een Keobe vlammenwerper in de plaats van de belangrijkste wapen. Ingezet op het Westelijk Front, met het eerste gebruik tijdens de Slag om de Ardennen (20 in 352 en 353 Panzer-Flamm-Kompanies gehecht aan Army Group G). Minder dan 50 eenheden geproduceerd. [6] 
Panzerjaeger 38 (t) mit 75mm L / 70 Prototype versie experimenteren met het monteren van de 7,5 cm KwK 42 L / 70 kanon van de Panther. 3 prototypes gebouwd, maar de lange geweer en extra gewicht nog grotere problemen met het besturen van de voertuigen veroorzaakt. Voorstel van Krupp de Jagdpanzer 38 passen met een bovenbouw naar achteren naar pistoolbevestiging, maar geen ontwikkeling meer was gedaan dit idee. 
Jagdpanzer 38 Starr Een vereenvoudigde versie van de Jagdpanzer 38 die verbonden 7.5cm Pak 39 pistool aan het chassis, en voorzien van een Tatra dieselmotor. 10 gebouwd, 9 omgezet weer normaal Jagdpanzer 38. De resterende prototype werd vernietigd aan het einde van de oorlog. 
Panzerjaeger 38 (t) mit 105mm StuH 42/2 L / 28 Voorgestelde versie van de Jagdpanzer 38 Starr gewapend met een 10,5 cm houwitser. 
ST-I Naoorlogse Tsjechische aanduiding voor nieuwe vervaardigd of gerepareerd Jagdpanzer 38. 249 in dienst, samen met 50 ST-III / CVP rijopleiding voertuigen (Ongewapende chassis, sommige met een bovenbouw). Prototype ontwikkelingen opgenomen Praga VT-III gepantserd voertuig herstel en PM-I vlammenwerper tank. 
G13 bericht oorlog versie van de Jagdpanzer 38 gebouwd voor Zwitserland, gewapend met een pistool StuK 40 . 
Ontwerpen gebaseerd op het chassis 
Bergepanzer 38 Licht herstel voertuig, afgegeven aan units, samen met de Jagdpanzer 38. 170 eenheden geproduceerd. Een prototype werd ontwikkeld om het ontwerp te passen met een 2cm Flak 38 . 
15 cm Schweres Infanteriegeschütz 33/2 (Sf) auf Jagdpanzer 38 Jagdpanzer 38 chassis monteren van een 15 cm SIG 33 in een bovenbouw. Bedoeld als vervanging voor de Grille . 30 gebouwd, vanaf december 44.
Vollkettenaufklärer 38 (t) verkenningsvoertuig basis van de Bergepanzer 38. Verschillende prototypes getest Montage enkele of dubbele 2cm Flak 38 , en in één geval een 7,5 cm K51 L / 24 kanon. 
Vollkettenaufklarer 38 (t) Kätzchen Een volledig gevolgd verkenningsvoertuig op basis van de Jagdpanzer 38. Prototypes werden gebouwd door BMM en beval in productie, maar nooit gebouwd. De prototypes werden verondersteld te vernietigen vóór het einde van de oorlog. 
Flakpanzer 38 (t) Kugelblitz Voorstel tot het torentje van een mount Flakpanzer IV Kugelblitz op een Jagdpanzer 38 chassis. Geen productie als gevolg van de oorlog situatie. [6] 
Panzerjäger 38 (t) met Panzer IV turret Krupp voorstel om de koepel van een Panzer IV houder met een 7,5 cm KwK 40 of 8 cm PAW 600 pistool op het chassis van Panzerjäger 38 (t). Het voorstel werd niet voortgezet. 
Panzerjager 38 (d) een grotere versie van de Panzerjager 38 prototype alleen
Prestatie 
De Jagdpanzer 38 passen in de lichtere categorie Duitse tank destroyers die begon met de Panzerjäger I , voortgezet met de Marder serie en eindigde met de Jagdpanzer 38. De 75 mm Pak 39 L / 48 kanon van de Jagdpanzer 38 is een gemodificeerde versie van de 75 mm StuK 40 L / 48 in de StuG III en IV StuG aanvalskanonnen. Met dit wapen de Jagdpanzer 38 was in staat om vrijwel alle Geallieerde of Russische types tank in dienst te vernietigen op grote afstanden (behalve zware tanks) en zijn volledig omsloten bescherming armor maakte het een veiliger voertuig bemanning dan de open-bedekte Marder II of Marder III series. 
De Jagdpanzer 38 was een van de meest voorkomende late-oorlog Duitse tank destroyers. Het was beschikbaar in relatief grote aantallen en het was over het algemeen mechanisch betrouwbaar.Net als sommige andere late-oorlog Duitse Spgs, de Jagdpanzer 38 gemonteerd een remote-control machinegeweer monteren die kunnen worden afgevuurd vanuit het voertuig. Dit bleek populair bij de bemanning, hoewel het geweer een bemanningslid nodig om zichzelf bloot te stellen aan vijandelijk vuur te herladen. 
Ook zijn kleine formaat maakte het gemakkelijker te verbergen dan grotere voertuigen. Een zelfrijdende gun zoals dit was niet bedoeld voor een mobiele, vergadering verloving of de typische Wehrmacht blitzkrieg stijl van oorlogvoering. In plaats daarvan, een lichte zelfrijdende pistool als de Jagdpanzer 38 excelleerde wanneer emplaced langs vooraf bepaalde zichtlijnen waar de vijand werd verwacht te benaderen en wanneer gebruikt in defensieve posities om een ​​voorbereide hinderlaag te ondersteunen. De Jagdpanzer 38 is vergelijkbaar met de afmetingen en verticale profiel naar de minuscule en undergunned Panzer II, een vooroorlogse tank. Echter, door 1944 de meerderheid van de tanks waren aanzienlijk groter en zwaarder, het maken van een Jagdpanzer 38 wachten roerloos in een hinderlaag een zeer klein doel op te sporen, veel minder hit. De belangrijkste tekortkomingen waren relatief dunne kant armor, beperkte munitie opslag, slechte pistool traverse, slechte interne layout dat maakte de bediening van de auto moeilijk, evenals bladveren en aandrijfwielen die gevoelig zijn voor storing waren te wijten aan het toegenomen gewicht.Met behulp de Jagdpanzer 38 en soortgelijke voertuigen volgens een defensieve doctrine zou een aantal van de nadelen van een slechte kant armor en beperkte pistool traverse compenseren. 
Operationele Geschiedenis
De Jagdpanzer 38 ging eerst de dienst met de Heeres Panzerjäger-Abteilung 731 in juli 1944. Dit toestel is verstuurd naar het Leger Groep Noord op het Oostfront .
Overlevenden 
Vanwege het grote aantal geproduceerde, de Jagdpanzer 38 is waarschijnlijk de meest voorkomende Tweede Wereldoorlog Duitse tank destroyer vandaag nog, hoewel veel overlevenden zijn eigenlijk naoorlogse Swiss G-13-varianten. Naast tal van voorbeelden in musea, zijn er veel Jagdpanzer 38 in verschillende omstandigheden in particuliere collecties. 
In 2007, een Jagdpanzer 38 werd hersteld van de Baltische Zee in Jurata, Polen. Het wordt momenteel gerestaureerd in Gdansk.

De Sd.Kfz. 303a Goliath

De Goliath bijgehouden mijn - volledige Duitse naam: Leichter Ladungsträger Goliath (Sd.Kfz 302 / 303a / 303b.) - Was een op afstand bedienbare Duits-engineered sloop voertuig, ook wel bekend als de kever tank [aan de geallieerden. 
Werkzaam bij de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog . Het droeg 60 of 100 kg (130 of 220 lb) van explosieven , afhankelijk van het model, en was bedoeld om te worden gebruikt voor meerdere doeleinden, zoals het vernietigen van tanks, verstoren dichte infanterie formaties, en de sloop van gebouwen en bruggen.
Ontwikkeling en gebruik 
Goliath 303a gevangen genomen door de Poolse troepen tijdens de Opstand van Warschau te zien in het Poolse Leger Museum in Warschau 
In het najaar van 1940, na het herstellen van het prototype van een miniatuur rupsvoertuig ontwikkeld door het Franse voertuig ontwerper Adolphe Kegresse buurt van de Seine , de Wehrmacht munitie kantoor gericht de Carl FW Borgward automotive bedrijf van Bremen , Duitsland een soortgelijk voertuig ten behoeve van de uitvoering te ontwikkelen minimaal 50 kg explosieven. Het resultaat was de SdKfz. 302 (Sonderkraftfahrzeug, 'special-purpose vehicle "), genaamd de Leichter Ladungsträger (' light ladingsdragers '), of Goliath, die 60 kilogram (130 lb) van explosieven uitgevoerd. Het voertuig werd op afstand bestuurd via een joystick schakelkast. De control box wordt met een triple-strengs kabel aangesloten op de achterzijde van het voertuig, voor krachtoverbrenging op de elektrische aangedreven versie naar de Goliath bevestigd. Twee van de strengen werden gebruikt voor het bewegen en sturen Goliath, terwijl de derde werd gebruikt voor ontsteking. De Goliath had 650 meter (2130 voet) van de kabel. Elke Goliath was eenmalig, bestemd om te worden opgeblazen met zijn doel. Vroege model Goliats gebruikt een elektrische motor, maar aangezien deze kostelijke ervoor (3000 Reichsmarks) en moeilijk te herstellen in een gevechtsmilieu, latere modellen (zogenaamde SdKfz. 303) die een eenvoudiger, betrouwbaarder benzinemotor. 
Goliaths werden gebruikt op alle fronten waar de Wehrmacht gevochten, te beginnen in het begin van 1942. Ze werden voornamelijk gebruikt door gespecialiseerde Panzer en gevechtsingenieur eenheden. Goliaths werden gebruikt bij Anzio in Italië in april 1944, en tegen de Poolse verzet tijdens de Opstand van Warschau 1944. Een paar Goliaths werden ook gezien op de stranden van Normandië tijdens D-Day , hoewel de meeste buiten werking werden gemaakt vanwege artillerie ontploffing verbreken hun bevel kabels. Een klein aantal Goliaths werden ook ondervonden door geallieerde troepen in de Maritieme Alpen na de landingen in het zuiden van Frankrijk in augustus 1944 met ten minste één met succes gebruikt tegen een voertuig van het 509th Parachute Infantry Battalion. 
Hoewel totaal 7564 Goliaths werden geproduceerd, werd het eenmalig gebruik wapen niet als succesvol vanwege de hoge kosten per eenheid, lage snelheid (boven 6 mijl per uur (9.7 km / h), slecht bodemvrijheid (net 11,4 centimeter) , kwetsbaar commando kabels en dunne armor die niet aan de afstandsbediening bom te beschermen tegen elke vorm van antitankwapens. De Goliath hielp de basis leggen voor naoorlogse ontwikkelingen in de op afstand bestuurde technologieën voertuig. 
Overleven voorbeelden 
Het Museum van de Tweede Wereldoorlog , Massachusetts, Verenigde Staten 
het Deutsches Panzermuseum , Duitsland 
Heeresgeschichtliches Museum , Wenen, Oostenrijk 
het Musée du Débarquement Utah Beach, Normandië, Frankrijk 
Musée des Blindés , Saumur, Frankrijk 
Musee No. 4 Commando, Ouistreham, Normandië, Frankrijk 
de Canadian War Museum , Ottawa, Ontario, Canada 
Fort Garry Horse Museum, Winnipeg, Manitoba, Canada 
United States Army Ordnance Museum 
Karl Smith collectie, USA 
het Imperial War Museum Duxford, UK 
de Bovington Tank Museum , UK 
De REME Museum , UK 
Nederlandse Cavalerie Museum, Nederland 
Oorlogsmuseum Overloon, Nederland 
Het Nederlands kustverdedigingsmuseum: Fort Hoek van Holland Nederland www.forthvh.nl 
Het gedenkteken museum Nijverdal, Nederland 
Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis , België 
December 44 Museum, La Gleize, België 
de Kubinka Tank Museum , Rusland 
Arsenał in Wrocław , Polen 
Poolse Leger Museum , Polen 
Museum Opstand van Warschau , Polen 
Muzeum dopravy (transport museum), Bratislava, Slowakije. 
Swedish Army Museum , Stockholm, Zweden

De Tiger II Panzerkampfwagen

De Tiger II (latere benaming van de Panzerkampfwagen VI Ausf. B; Sd.Kfz. 182) was een zware Duitse tank die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet, onder meer tijdens het Ardennenoffensief. Het was de zwaarste tank die de Duitsers hebben ingezet. Hij werd ook wel Königstiger genoemd, wat Duits is voor Bengaalse tijger. Bij de geallieerden stond hij foutief bekend als de King Tiger.
Dit gevechtsvoertuig was de opvolger van de Tiger I en woog 69 ton. De tank had voorop de koepel een pantsering van 180 mm en was uitgerust met het 88mm KwK 43 L/71 kanon. Dit kanon was een van de sterkste kanonnen uit de Tweede Wereldoorlog en kon het frontpantser van de meeste geallieerde tanks (zoals de T-34 en de M4 Sherman) tot een afstand van 1500 meter doorboren. Het bereik van het kanon was tien kilometer. Hij werd aangedreven door de 12 cilinder HL 230 PB30 Maybach-motor van 700 pk, waarmee ook de lichtere Panther was uitgerust.
Ontwikkeling
De Duitsers hadden in 1941 een zware tank in ontwikkeling, de Tiger, die door een combinatie van goede pantsering en sterke bewapening superieur zou zijn in een direct gevecht met alle bestaande tanks. Ondanks een vrij hoog gewicht was de Tiger echter niet zo sterk gepantserd dat hij naar verwachting immuun zou blijven tegen de tankkanonnen waarvan men moest aannemen dat de geallieerden ze weldra in hun nieuwere tanktypes zouden inbouwen. Daarbij nam door grondstoffentekorten de kwaliteit van het Duitse staal af. Hitler wilde dan ook zo snel mogelijk een betere tank in dienst nemen, de Tiger II. Deze nieuwe tank moest niet alleen zwaarder gepantserd zijn maar ook het sterke 88 mm Lang 71 kanon hebben dat te groot was voor de koepel van de Tiger I. Dit nieuwe kanon moest compenseren dat munitie gebruikt werd die wegens tekorten aan wolfraam minder effectief was.
De plannen voor deze tank dateren van eind 1942, toen er op de open vlaktes in de Sovjet-Unie werd gevochten. De tank werd daarvoor ook ontworpen en kon in West-Europa niet goed uit de voeten omdat hij te zwaar was voor de meeste bruggen en slecht kon manoeuvreren in nauwe straten. In Oost-Europa kwam de tank beter tot zijn recht; hij werd gevreesd door de Russen.
In januari 1943 werd opdracht gegeven voor de ontwikkeling van prototypen. Zowel Porsche als Henschel bouwden een prototype voor Krupp. Porsche had een prototype, de VK4502, ontwikkeld waarvan alleen de koepel, voorzien van een gekromde voorzijde, werd behouden. Hiervan waren al vijftig exemplaren gebouwd, waarmee de eerste vijftig exemplaren van de Tiger II werden uitgerust. Alle latere exemplaren hadden de koepel van Henschels prototype, de VK4503, met een rechte voorkant; de keuze hiervoor werd gemaakt op 6 december 1943.
In november 1943 werd het eerste exemplaar van de Tiger II afgebouwd; in januari 1944 liepen de eerste Königstiger in massaproductie van de band. De productie werd echter gehinderd door geallieerde luchtaanvallen op de Henschelfabrieken. In totaal zijn er slechts 489 van de oorspronkelijk 1500 bestelde exemplaren gebouwd, plus drie testmodellen: V1, V2 en V3. De productie kwam zeer traag op gang: vijf in januari en februari; zes in maart en april 1944. Vervolgens steeg het aantal per maand geproduceerde tanks: vijftien in mei, 32 in juni, 45 in juli om een piek te bereiken van 94 in augustus. Door de bombardementen klapte de productie in elkaar: 63 in september; slechts 26 in oktober en november. Een kortstondig herstel bracht het aantal op 56 in december maar daarna zakten de cijfers weer terug: 40 in januari 1945; in februari nog 42; en in maart de laatste dertig.
Beschrijving
De Tiger II was een zeer zware tank, niet alleen voor zijn tijd maar ook naar huidige normen. Zijn gewicht lag dicht tegen de zeventigtonslimiet waarboven de mechanische betrouwbaarheid van een rupsvoertuig van deze grootte snel afneemt. Het hoge gewicht was onder andere een gevolg van het feit dat de Duitsers geen gegoten koepel konden produceren waardoor de koepelvorm inefficiënt was. Een andere factor was dat men door een tekort aan molybdeen voor de pantserproductie, over het horizontale vlak gemeten een dikker pantser nodig had om het gewenste beschermingsniveau te halen. De problemen werden enigszins beperkt door de toepassing van een op 50° afgeschuind (150 mm) romppantser, dat met hetzelfde gewicht zo'n 40% meer bescherming bood dan de 233 mm nominale dikte in het horizontale vlak en een efficiëntere vormgeving mogelijk maakte. Men bleef echter aan oude gewoonten vasthouden, zoals het plaatsen van het aandrijfrad aan de voorkant, het indelen van een vijfde bemanningslid en een zeer ruime munitievoorraad — hoewel de kans om een vijandelijke tank met één schot te vernietigen door het krachtige kanon sterk vergroot was. Door de korte ontwikkelingsperiode had men geen tijd de deelcomponenten zeer effectief op elkaar af te stemmen.
Het gewicht van de tank zorgde voor een hoog brandstofverbruik en beperkte de actieradius. De zwakke motorprestaties en problemen met de versnellingsbak waren verantwoordelijk voor de moeilijke bestuurbaarheid van de Tiger II. De ophanging was niet berekend op het grote gewicht en sleet dan ook snel.
In een rechtstreeks gevecht was de Königstiger echter superieur aan iedere geallieerde tank, want hij kon de meeste tanks uitschakelen op meer dan 1500 meter, terwijl geallieerde tanks de Tiger II dikwijls alleen van dichtbij en van opzij konden vernietigen. Vooral wanneer de Tiger II in een defensieve rol gebruikt werd had hij geen last van zijn tekortkomingen en kon hij bijna alleen uitgeschakeld worden vanuit de lucht of door een toevalstreffer op een zwakke plek. Zo'n 80% van de Tiger II's ging verloren door oorzaken die niets te maken hadden met vijandelijke actie: brandstoftekort, mechanisch defect, blokkade door gesprongen of te zwakke bruggen, omsingeling en insluiting. Slechts 20% ging verloren door vijandelijk vuur, waarvan nog eens een kleine helft door luchtaanvallen. Tijdens het Ardennenoffensief en ook daarna werden veel Tiger II's vernietigd door de eigen bemanning omdat het geallieerde luchtoverwicht verhinderde dat de brandstofvoorraden de gevechtseenheden bereikten. De bemanning had de vaste opdracht om de tank te vernietigen als hij achtergelaten moest worden.
In een klassieke omtrekkingsbeweging trachtten geallieerde tanks een voltreffer te plaatsen op de zij- of achterkant van de tank. Gemiddeld kostte het zes tot zeven Sherman's om een Tiger II uit te schakelen in een gevecht, tenzij Fireflies uitgerust met het Ordnance QF 17-pounder (76,2mm) kanon waardoor de verliezen van dit type aanzienlijk lager lagen. Er zijn geen verslagen of foto's bekend die bewijzen dat de frontale bepantsering van de Tiger II ooit werd gepenetreerd door geallieerd geschut, met uitzondering van voltreffers van Sovjet 122 mm kanonnen precies op de verbinding van de beide voorplaten tijdens een beproeving van een buitgemaakt voertuig, dergelijke verbindingen vormen een zwakke plek en zwaardere granaten zijn veel minder gevoelig voor afketsing. De bovenplaat was dan ook extreem sterk met een equivalente pantsering van zo'n 320 mm. Men moet echter niet denken dat het type naar moderne maatstaven sterk gepantserd was, ook als we afzien van de laatste ontwikkelingen in pantsermateriaaltechnologie. De Britse Chieftain haalde in de jaren zestig al een equivalente bepantsering die dubbel zo hoog lag terwijl het gewicht 15 ton lager was, hoewel er gewoon gietstaal gebruikt werd.
Betrouwbaarheid en mobiliteit 
Vroege Tiger II's onbetrouwbaar gebleken, voornamelijk het gevolg van lekkende afdichtingen en pakkingen, en een overbelaste aandrijflijn oorspronkelijk bedoeld voor een lichter voertuig.De dubbele straal stuurinrichting was aanvankelijk bijzonder gevoelig voor storing. [32] Het gebrek aan opleiding van de bemanning kan dit versterken probleem; drivers die oorspronkelijk alleen gegeven beperkte training op andere tanks werden vaak direct naar de operationele eenheden al op weg naar het front. 
De Schwere Heeres Panzer Abteilung 501 (sHPz.Abt. 501) kwam aan het Oostfront met slechts acht van de 45 tanks operationele, deze fouten waren meestal te wijten aan aandrijflijn mislukkingen. De eerste vijf Tiger IIs geleverd aan de Panzer Lehr Division brak voordat ze kunnen worden gebruikt in de strijd, en werden vernietigd om te voorkomen dat vast te leggen. 
Deze betrouwbaarheid problemen werden grotendeels opgelost in de tijd met de voortdurende introductie van gemodificeerde afdichtingen, pakkingen en aandrijflijn onderdelen, alsmede een verbeterde opleiding van chauffeurs en voldoende onderhoud. Statistieken van 15 december 1944 tonen een verbeterde betrouwbaarheid: 72 procent van de Panzer IV's , 80 procent van de Tiger IIs en 61 procent van de Panthers operationeel waren door deze periode.Elke resterende problemen met de betrouwbaarheid waren vooral te wijten aan het ontbreken van smeermiddelen en onderdelen leed door Duitse troepen op dit punt. 
Over het algemeen, de Tiger II was een formidabele tank ondanks zijn problemen. De 8.8 cm bewapening kon geen van de geallieerde vernietigen gepantserde gevechtsvoertuigen in dienst tijdens de oorlog ver buiten het effectieve bereik van hun geweren.Ook, niet weerstaan ​​haar aanvankelijke problemen met de betrouwbaarheid, de Tiger II was opmerkelijk wendbaar voor zo'n zwaar voertuig . Hedendaagse Duitse platen en testresultaten geven aan dat de tactische mobiliteit was zo goed als of beter dan de meeste Duitse en Allied tanks. 
Combat geschiedenis 
Het eerste gevecht gebruik van de Tiger II was de 1e Onderneming van het 503 Heavy Panzer Battalion (sHPz.Abt 503.) tijdens de Slag om Normandië , tegengestelde Operatie Atlantic tussen Troarn en Demouville op 18 juli 1944; verliezen waren: twee uit de strijd, plus de compagniescommandant de tank, die onherroepelijk werden opgesloten na een val in een bom krater gemaakt tijdens Operation Goodwood . 
Aan het Oostfront , werd voor het eerst gebruikt op 12 augustus 1944 door de 501ste Zware Panzer Battalion (sHPz.Abt. 501), verzet tegen de Lvov-Sandomierz Offensive . Het viel de Sovjet-bruggenhoofd over de Vistula rivier in de buurt Baranów Sandomierski . Op weg naar Oględów werden drie Tiger IIs in een hinderlaag verwoest door een paar T-34-85s .Omdat deze Duitse tanks leed munitie explosies, die vele doden bemanning veroorzaakt, belangrijkste wapen rondes werden niet langer toegestaan ​​te worden opgeborgen binnen het torentje, het verminderen van de capaciteit tot 68.Tot veertien Tiger IIs van de 501ste gingen verloren in het gebied tussen 12 en 13 augustus tot hinderlagen en flank aanvallen van de Sovjet T-34-85 en IS-2 tanks, en ISU -122 aanvalskanonnen in lastig zanderige terrein. 
Een Tiger II van sHPz.Abt. 503 en Hongaarse troepen in een strijd gehavende straat in Buda district Castle 's, oktober 1944 
Op 15 oktober 1944 Tiger IIs van 503 Zware Panzer Battalion speelde een cruciale rol tijdens Operatie Panzerfaust , het ondersteunen van Otto Skorzeny troepen 's in het nemen van de Hongaarse hoofdstad Boedapest , die ervoor zorgde dat het land bleef bij de As tot het einde van de oorlog. De 503 nam toen deel aan de Slag van Debrecen . De 503 bleef in het Hongaarse theater van de operaties voor 166 dagen, waarin het goed voor minstens 121 Sovjet-tanks, 244 anti-tank kanonnen en artilleriestukken, vijf vliegtuigen en een trein. Dit werd afgezet tegen het verlies van 25 Tiger IIs; tien werden gevloerd door Sovjettroepen en burn-out, twee werden teruggestuurd naar Wenen voor een fabriek revisie, terwijl dertien werden opgeblazen door hun bemanningen om verschillende redenen, meestal om te voorkomen dat ze vallen in handen van de vijand. Kurt Knispel , de hoogst scorende tank ace van alle tijden (162 vijandelijke pantservoertuigen vernietigd), ook geserveerd met de 503, en werd gedood in actie op 29 april 1945 in zijn Tiger II. 
De Tiger II was ook aanwezig op het Ardennenoffensief in december 1944 de Sovjet Vistula-Oder en Oost-Pruisische offensieven in januari 1945 de Duitse Balatonmeer offensief in Hongarije in maart 1945 de Slag om de Seelow Heights in april 1945 en de Slag van Berlijn aan het einde van de oorlog. 
De 103ste SS Zware Panzer Battalion (s.SS Pz.Abt. 503) beweerde ongeveer 500 kills in de periode van januari tot april 1945 aan het Oostfront voor het verlies van 45 Tiger IIs (waarvan de meeste werden verlaten en vernietigd door hun eigen bemanningen na mechanische storingen of door gebrek aan brandstof)

 

 

 

Gun en armor prestaties 
Zeldzame foto van een Tiger II knock-out, waarschijnlijk door de frontale pantser van de torentje. De voorste plaat heeft tekenen van andere hits. 
De zware armor en krachtige lange-afstands wapen gaf de Tiger II een voordeel tegen alle tegengestelde westerse geallieerden en de Sovjet tanks probeert te nemen van het hoofd op. Dit was vooral het geval op het Westelijk Front, waar tot de komst van de weinige M26 Pershings in 1945, noch de Britten noch de Amerikaanse troepen had zware tanks in gebruik genomen. Een Wa Prüf 1 rapport schat dat frontale aspect van de Tiger II was ongevoelig voor de 122 mm D-25T op 30 graden, de zwaarste hoewel niet de beste doordringende tank pistool op de geallieerde kant. Aan de andere kant een RAC 3.D. document van februari 1945 geschat dat de Britse QF 17-ponder (76,2 mm) pistool met armor-piercing ontdoen sabot schot was te theoretisch in staat om het penetreren van de voorzijde van de koepel van de Tiger II en de neus (lager voorzijde romp) op 1.100 en 1.200 km (1.000 and 1,100 m) respectively although given the lack of a stated angle this is presumably at the ideal 0 degrees.As a result of its thick frontal armor, flanking maneuvers were most often used against the Tiger II to attempt a shot at the thinner side and rear armor, giving a tactical advantage to the Tiger II in most engagements.Moreover, the main armament of the Tiger II was capable of knocking out any Allied tank frontally at ranges exceeding 2.5 kilometres (1.6 mi), beyond the effective range of Allied tank guns.
Sovjet oorlogstijd testen 
In augustus 1944 werden twee Tiger Ausf B tanks gevangen genomen door de Sovjets in de buurt van Sandomierz . Ze werden al snel verplaatst naar het testen terrein aan Kubinka . Tijdens de overdracht van de twee tanks te lijden van diverse mechanische break downs. Het koelsysteem was onvoldoende voor de extreem hete weersomstandigheden, waarbij de motor de neiging om oververhit raken en veroorzaakte een daaruit voortvloeiende gebrek aan de versnellingsbak. Een suspensie van rechts de tanks moest volledig worden vervangen, en de functies ervan kunnen niet worden hersteld. De tank brak weer naar beneden om de 10 - 15 km. De 8.8 cm KwK 43 gaven positieve resultaten in penetratie en nauwkeurigheid, die op gelijke voet met de 122 mm D-25T waren. Het bleek kunnen doorstaan ​​geheel door de "collega", een Tiger Ausf B turret op een afstand van 400 m. Het pantser van een voertuig werd getest door middel van verhitting bij het ​​met granaten tussen de 100 en 152 mm kaliber. De lassen was, ondanks zorgvuldige afwerking, aanzienlijk slechter dan op vergelijkbare ontwerpen. Dientengevolge, zelfs wanneer de houders pantser niet doordringen, was er dikwijls een grote hoeveelheid spatten vanuit de binnenzijde van de platen, waarop de transmissie beschadigde maakte de tank onbruikbaar. Nader onderzoek liet zien dat de pantserplaat zelf vertoonde tekortkomingen in kwaliteit ten opzichte van oudere Duitse tanks, zoals Tiger I en Panther. Analyse van de Tijger Ausf B pantserplaat toonde een afwezigheid van molybdeen (toegeschreven aan een verlies van het aanbod, wordt vervangen door vanadium), waardoor de pantser laag maakbaarheid. 
De uitgebreide afvuren-test dat de АР projectielen uit de 100 mm BS-3 en 122 mm A-19 geweer drong een Tijger Ausf B's torentje op reeksen van 1000-1500 meter, die een kwaliteit factor van 0,86 suggereert voor de Tiger Ausf B's turret . Opgemerkt zij dat de schietproef tegen Tiger B turret voorzijde uitgevoerd na verwijdering van het pistool en manteltje, bleek doorvoeringen nabij armor openingen zoals spleten en visie pistool locatie. De penetraties rechts pistool opening zijn beïnvloed door de vorige 100 mm projectiel penetratie klappen of armor schade.romp en turret zijplaten De tank werd gepenetreerd door АР schot van binnenlandse 85 mm en 76 mm Amerikaanse geweren op reeksen van 800- 2.000 m (2,600-6,600 ft).De 100 mm BS-3 en 122 mm A-19 kan ook doordringen in de lasverbindingen van de voorste romp op afstanden van 500-600 meter na 3-4 shots.
Specificaties 
Gearbox: Maybach OLVAR EG 40 12 16 B (acht vooruit en vier achteruit) 
Radio: FuG 5, Befehlswagen (command tank) versie: FuG 8 (. Sd.Kfz 267), FuG 7 (. Sd.Kfz 268) 
Munitie: 
8,8 cm - 80 ronden (Porsche toren),86 rondes (Henschel toren), gewoonlijk 50% PzGr 39/43 en 50% SprGr 43, soms met een beperkt aantal PzGr 40/43 of de SprGr gelezen HlGr [3] PzGr 39/43 (Armor piercing, wolfraam kern) (groter bereik, lagere penetratie, explosieve filler)PzGr 40/43 (Armor piercing, wolfraam kern) (korter bereik, hogere penetratie, inert)SprGr 43 (High Explosive)HlGr 39 (holle lading)
7.92mm - tot 5850 ronden 
Gun Sight:. Turmzielfernrohr 9b / 1 (TZF 9b / 1) verrekijker tot mei 1944, toen de 9d (TZF 9d) monocular 
Armor layout: (alle hoeken van horizontaal)
Hull voorzijde (Lagere) 100 mm (3,9 inch) bij 40 ° (Bovenste) 150 mm (5,9 inch) bij 40 ° 
Hull side (Lagere) 80 mm (3,1 inch) bij 90 ° (Bovenste) 80 mm (3,1 inch) bij 65 ° 
Hull achter 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Hull top 40 mm (1,6 in) bij 0 ° 
Hull bottom (Vooraan) 40 mm (1,6 inch) bij 90 ° (Achter) 25 mm (0,98 inch) bij 90 ° 
Turret voorzijde (Productie) 180 mm (7,1 inch) bij 80 ° ("Porsche") 60 tot 100 mm (2,4-3,9 inch), afgerond 
Turret side (Productie) 80 mm (3,1 inch) bij 69 ° ("Porsche") 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Turret achter (Productie) 80 mm (3,1 inch) bij 70 ° ("Porsche") 80 mm (3,1 inch) bij 60 ° 
Turret top (Productie) 44 mm (1,7 in) bij 0-10 ° ("Porsche") 40 mm (1,6 in) bij 0-12 °

De Marder I duitse tankjager

De Marder I (Sd.Kfz. 135) was een Duitse tankjager uit de Tweede Wereldoorlog, bewapend met een 75mm antitank kanon.
Geschiedenis
Algemene inleiding over de Marder-series
Duitse tanks, met name de PzKpfw II, PzKpfw III en PzKpfw IV voldeden nog maar net aan de in begin 1941 geldende 'eisen' voor tanks en waren eerder succesvol tijdens de invasies van Polen (1939), de lage landen en Frankrijk (1940) en de Balkan en Afrika (1941). Dit was echter meer te danken aan de kwaliteit van de bemanningen en de competente generaals dan aan de gevechtskwaliteiten van met name de sterk verouderde PzKpfw I en II, die in 1941 nog ruimschoots in actieve dienst waren.
Tijdens de invasie van de Sovjet-Unie (22 juni 1941) duurde het niet lang voor de Russen door hun voorraad eveneens verouderde BT-7, T-26, T-29, BT-8, T-40, T-50 en T-60 tanks heen waren. Deze 'grote schoonmaak' zorgde er begin 1942 voor dat de tanks die het meest voorkwamen aan het oostfront om de Duitse tanks te bestrijden, de T-34/76 en de KV-1 waren. Toen werd pijnlijk duidelijk dat oude en middelzware tanks maar ook lichte/middelzware AT-kanonnen (zoals de 3,7 cm en 5 cm PaK-kanonnen) niet meer voldoende presteerden.
De Pantserdivisies aan het oostfront wisten zich maar amper te redden en konden nog een tijdje voordeel halen uit het feit dat Russische tankbemanningen slecht getraind waren, een laag moreel hadden en dat hun tanks niet of nauwelijks waren uitgerust met radio's (het laatste had een grote invloed op het falen van het Russische tankwapen in de eerste oorlogsjaren). Slimme tactieken en samenwerking met de Luftwaffe (met name de Ju-87b 'Stuka') hielden de balans nipt in het voordeel van de Duitsers. De Infanterie-divisies echter waren voornamelijk uitgerust met 37mm en 50mm PaK-kanonnen die, en dan met name de 37mm PaK 36, weinig uithaalden tegen de oudere middelzware tanks. De 50mm presteerde aanzienlijk beter, maar had nog steeds grote moeite met het pantser van de T-34 en de KV-1. Zodoende smeekten de Duitse generaals al vrij snel om een volledige herbewapening van haar AT-arsenaal. 50mm, 75mm en 88mm AT-kanonnen voorkwamen het uit balans raken van de kansen aan het front, echter niet voor lang.
Er werd haastig begonnen met het ontwikkelen van een effectief en mobiel AT-wapen als tussenoplossing tot de nieuwe generatie middelzware (PzKpfw IV F-G-J en Panther) en zware (Tiger) tanks het front bereikten (deze modellen waren nog steeds of kwamen later in ontwikkeling). Er werd besloten om het onderstel van de laatste uitvoering van de PzKpfw II (Ausf D1/D2) te gebruiken en de Marder werd geboren.
Er zijn drie verschillende Marder-series gebouwd: de Marder I, II en III. Opmerkelijk is dat de II eerder dan de I en III en de III eerder dan de I.
Alhoewel er een aantal Marders zijn geleverd aan verschillende Panzer-divisies, werd het voertuig in principe ontwikkeld voor gebruik in Infanterie-divisies, in zogenaamde Panzerjäger Batallionen.
Marder I
Al snel na de start van de bouw van de Marder II werd duidelijk dat meer en meer mobiele AT-kanonnen, die succesvol bleken tegen de T-34 en KV-1, nodig waren aan met name het Oostfront. Zodoende besloot men, met name om de kosten te drukken, de volledig verouderde maar in grote aantallen buitgemaakte Franse lichte tanks eenzelfde behandeling te geven als de eveneens hopeloos verouderde PzKpfw II. Aldus ontstond de Marder I, die voorkwam in verschillende versies, gezien het feit dat men verschillende type tanks gebruikte, waaronder de Tracteur Blinde 37L (Lorraine) en de Hotchkiss H39. Meest voorkomend was de Tracteur Blinde 37L, omgedoopt tot Marder I / 7,5 cm PaK40/1 auf Geschützwagen Lorraine Schlepper(f). De versie op basis van de Hotchkiss werd omgedoopt tot 7,5 cm PaK40(Sf) auf Geschützwagen 39H(f). Een derde versie was die op basis van de eveneens Franse FCM 36 tank.
Van de Marder I werden in totaal zo'n 250-280 (om)gebouwd, hoeveel het er precies waren (met name de versie op basis van de Hotchkiss is onderwerp van discussie) is nog altijd niet duidelijk.
Operationele geschiedenis
De Marder-serie bleek een zeer effectieve tussen-oplossing voor het grote probleem van de massa's uitstekende Russische tanks die de Duitse troepen moesten bevechten aan het Oostfront. Met name het krachtige kanon bleek effectief tegen iedere Russische tank. Groot nadeel was de dunne bepantsering, die niet bestand was tegen antitankgranaten of antitankgeweren, en het open compartiment wat betekende dat een mortier of (lichte) artillerie de tankjager kon uitschakelen.
Toen de nieuwe tanks (Pz. Kpfw. IV / V / VI) en tankjagers (Hetzer, PzJg IV) het front bereikten, werden de meeste Marder I's teruggetrokken en opnieuw uitgedeeld aan de divisies in het bezette Frankrijk (waaronder de 12. SS-Panzerdivision 'Hitlerjugend' voor training). Aan het westfront werden ze in aanzienlijke aantallen ingezet en waren zo succesvol dat geallieerde rapporten over ontmoetingen met de Marder I vaak spraken van een mobiel 8,8 cm PaK-kanon.

Marder I / 7,5cm PaK40/1 auf Geschutzwagen Lorraine Schlepper(f). 
Soort 
Bemanning 4/5 
Lengte 5,38 m 
Breedte 1,88 m 
Hoogte 2,00 m 
Gewicht 8200kg 
Pantser en bewapening 
Pantser 5-12 mm 
Hoofdbewapening 7,5cm Pak 40/1 L/46 
Secundaire bewapening 7,92mm MG34 machinegeweer 
Motor DelaHaye 103TT 6-cilinder benzinemotor, 70pk 
Snelheid (op wegen) 38 km/u 
Rijbereik 90-150 km


Sd Kfz 135 Marder I


De Panzerkampfwagen Neubaufahrzeug

De Duitse Neubaufahrzeug serie tank prototypes waren een eerste poging om een zware tank te creëren voor de Wehrmacht na Adolf Hitler aan de macht was gekomen. Multi-torentjes, zwaar en langzaam, ze werden niet als succesvol daarom slechts vijf werden gemaakt. Deze werden voornamelijk gebruikt voor propaganda doeleinden, hoewel de drie nam deel aan de Slag van Noorwegen in 1940. 
Development
Tijdens de jaren 1920 en 1930, een aantal landen geëxperimenteerd met zeer grote, multi-torens tanks. De Britten bouwden een enkel voorbeeld van de Vickers A1E1 Independent in 1926. Dit inspireerde de Sovjet T-35 , die werd gebouwd in een beperkte oplage van 1933. 
Ontwikkeling van de Neubaufahrzeug (Duits voor "nieuwbouw voertuig" - een schuilnaam) begon in 1933 toen de toenmalige Reichswehr gaf een contract voor de ontwikkeling van een Großtraktor ("zware tractor") om zowel Rheinmetall en Krupp Großtraktor was een codenaam voor. de ontwikkeling van een zware tank, Duitsland wordt nog steeds verboden om tanks onder de voorwaarden van het ontwikkelen Verdrag van Versailles . De technische details van de Vickers A1E1 Independent waren dan beschikbaar aan de Duitsers als ze waren onder de door een Britse officier, aan hen verkocht informatie Norman Baillie-Stewart , die als een Duitse spion vóór zijn arrestatie in 1933 heeft gehandeld. 
De Rheinmetall en Krupp ontwerpen elkaar leek voor een groot deel, het belangrijkste verschil is de wapens plaatsing. Elk had een grote torentje bewapend met een 75 mm KwK L / 24 kanon en secundaire 37 mm KwK L / 45 . Rheinmetall's design gemonteerd de tweede pistool boven de 75 mm KwK L / 24, terwijl het ontwerp Krupp had gemonteerd naast de 75 mm KwK L / 24. Beide ontwerpen hadden een tweede koepel gemonteerd aan de voor- en achterkant van het torentje. Deze torens werden enigszins aangepast Panzer I torentjes, met de standaard machine geweer bewapening. 
Rheinmetall's ontwerp werd aangewezen PzKpfw NbFz V (Panzerkampfwagen Neubaufahrzeug V), en de Krupp ontwerpen PzKpfw NbFz VI. Het was de bedoeling dat deze ontwerpen van de rol van de zware tank in de gepantserde krachten zou vervullen, maar het ontwerp bleek te complex en onbetrouwbaar voor deze rol te zijn. Niettemin ontwikkeling voortgezet om voor de opkomende Duitse militaire ervaring met multi-torens tanks krijgen. 
In 1934 bouwde Rheinmetall twee zacht staal prototypes, zowel met hun eigen torentje design. Drie meer prototypes werden gebouwd met de juiste armor en de Krupp torentje in 1935 en 1936. 
Combat geschiedenis 
Hoewel deze tanks nooit in productie werden geplaatst, op voorwaarde dat zij een propaganda-instrument voor Nazi Duitsland bijvoorbeeld wordt getoond op de Internationale Automobiel Expositie in Berlijn in 1939. 
Deze propaganda rol werd uitgebreid met de Duitse invasie van Noorwegen, toen een speciale Panzerabteilung werd gevormd die de drie gepantserde prototypes met hen mee naar Oslo . Ze zag een aantal gevechten daar, met een wordt opgeblazen door Duitse ingenieurs als het vast kwam te zitten in moerassen in de buurt van Åndalsnes . Te vervangen, een van de zacht staal prototypes gebruikt. 
Het is onduidelijk wat er met de tanks na de Noorwegen campagne, maar geen van hen overleefden de oorlog. De overlevende voertuigen werden besteld gesloopt in 1941, die in 1942 plaatsvond op basis van documenten die gevangen genomen door de Britten in 1945. De data waarop de voertuigen werden gesloopt zijn onduidelijk, maar er wordt gedacht dat het begin van de bouw van de Sturer Emil prototypes data uit dezelfde tijd. 
Al dat overleeft van deze tanks is een klein aantal loopwerk delen, bewaard in het Gudbrandsdal Krigsminnesamling (Gudbrandsdal War Memorial collectie), in Kvam in Noorwegen.

De Panzerkampfwagen 38(t)

De Panzerkampfwagen 38(t) was een Tsjechoslowaakse tank gebruikt door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Tsjechoslowaakse leger had de tank de LT-38 genoemd. De fabriek had vele benamingen zoals: TNH-Serie, TNHPS, LTP en LTH, maar voor de administratie van Duitse Wehrmacht werd het de PzKpfw 38(t), waarbij de "(t)" voor tschechisch stond. In de soldatentaal werd dit al vrij snel Panzer 3
Beschrijving
De PzKpfw 38(t) was een conventioneel ontwerp voor tanks van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Het pantser was niet afgeschuind en varieerde van diktes van acht millimeter tot 25 mm in de meeste versies, latere modellen kregen echter 50 mm bepantsering aan de voorkant en rondom standaard 25 mm (Ausf E-G).
Zoals de meeste tanks van die tijd was de toren centraal geplaatst en bevatte die het hoofdwapen van de tank, een 37,2 mm Škoda A7 kanon waarvoor negentig granaten aan boord konden worden opgeslagen. Het kanon had een loop met een lengte van 47,8 cm en was bedoeld als antitankwapen. Tevens was de tank voorzien van één of twee mitrailleurs; beide van kaliber 7,92 mm. De torenmitrailleur was hier in een eigen balmantel naast het kanon gezet; dus niet strikt coaxiaal. De bestuurder zat aan de rechterkant vooraan in de tank, links van hem zat de mitrailleurschutter, die zowel de mitrailleur bediende alsook de radioverbindingen onderhield. Hij moest bovendien de granaten aanreiken; de tank had slechts een tweemanstoren, zonder lader.
De zes-cilinder EPA motor van 125 pk zat achterin de tank. Er waren vijf voorwaartse versnellingen en één achterwaarts, de besturing werd extra bekrachtigd door luchtdruk die beter geïsoleerd was dan in de Panzer LT-35. De ophanging was voorzien van grote bladveren: twee per zijde die ieder een paar grote wielen veerden. Door de robuuste ophanging was de tank erg betrouwbaar en weinig onderhoudsgevoelig.
Ontwikkeling
In 1934 ontwikkelde de Tsjechoslowaakse tankfabrikant ČKD een alternatief ontwerp voor de LT-35 tank. Deze laatste werd gemaakt door concurrent Škoda. De LT-35 was te complex en had vele tekortkomingen; zijn betrouwbaarheid was gering.
ČKD's ingenieur Alexander Surin besloot om gebruik te maken van bladvering en vier grote wielen voor de nieuw te ontwikkelen tank. Het resulterende type was betrouwbaar en was een exportsucces. Het nieuwe loopwerk werd eerst gebruikt voor een lichte tank, de AH-IV, met slechts machinegeweerbewapening; deze werd eerst geleverd aan Iran, als de RH, waarvan er in 1935 vijftig werden gekocht; een tweede versie, de R-1, werd in een aantal van 35 in 1936 en 1937 geleverd aan Roemenië, en een derde, de AH-IV Sv in een aantal van vijftig vanaf 1937 aan Zweden.
Al in 1935 werd dit loopwerk in een vergrote versie gecombineerd met de romp van de eerder voor het Tsjechoslowaakse leger geproduceerde lichte LT Vz 34-tank, die een echt 37 mm kanon bezat. Het nieuwe voertuig noemde men de TNH. In 1935 bestelde Iran vijftig voertuigen. Op 17 april 1936 bestelde Zwitserland 26 voertuigen van de LTH, een aangepaste versie met 24 mm kanon. In 1938 werden 24 stuks van de LTP door Peru besteld, en 21 voertuigen van de LTL, met krachtiger motor, door Letland, die overigens wegens de bezetting door de Sovjet-Unie nooit werden geleverd. Groot-Brittannië verwierf vlak voor de bezetting van Tsjechië ook een exemplaar en beproefde dit tussen 16 en 29 maart 1939. Het oordeel over het type was sterk afwijzend: men vond de tank veel te krap en de vaart door ruw terrein te hobbelig.
In maart 1937 verzocht het Tsjechoslowaakse ministerie van defensie de beide tankproducenten van het land voorstellen te doen voor een nieuw type ter aanvulling van de LT-35, dat zo snel mogelijk in massaproductie zou kunnen worden genomen. Men gaf aan zeker 400 voertuigen te zullen aanschaffen en garandeerde een eerste bestelling van 260. ČKD bood natuurlijk de TNH aan, die immers reeds uitontwikkeld was. Bij beproevingen vanaf 25 januari 1938 bleek het type superieur aan alle tegenkandidaten. Op 22 juli 1938 bestelde Tsjecho-Slowakije 150 voertuigen van de Typ Lt Vz.38, voor 620.146 kronen per stuk. Het lag in de bedoeling tot een maandproductie van twintig te komen. Toen de eerste tank echter in februari de fabriek verliet, was het land al opgedeeld; kort daarna werd ook de Tsjechische rompstaat bezet: geen van de tanks zou uiteindelijk het leger kunnen dienen voordat de Duitse bezetting begon.
In Duitse dienst
Al in maart had de leiding van de fabriek contact opgenomen met de Duitsers om na de bezetting de productie voort te kunnen zetten. Duitsland had een groot gebrek aan middelzware tanks en hoewel de nu LTM 38 genoemde tank officieel een lichte tank heette, was hij met zijn 37 mm kanon niet slechter bewapend dan de Duitse middelzware Panzerkampfwagen III en veel beter dan de lichte Panzerkampfwagen I en Panzerkampfwagen II; hij was daarbij niet slechts betrouwbaarder dan de LT-35, maar ook dan de lichte Duitse tanks. De Tsjechische productiecapaciteit stelde Duitsland in de beginjaren in staat ongeveer een derde meer pantserdivisies te formeren en was zo cruciaal voor successen in die periode van de oorlog. De productie van de tank ging als Panzerkampfwagen 38(t) (de naam vanaf 16 januari 1940) door tot in juni 1942 en er werden er 1411 van gebouwd; de maandproductie had haar piek in september 1941 met 76 voertuigen. Ook werd er nog geëxporteerd naar de landen aan Duitse zijde: Hongarije nam er 102, Slowakije 69, Roemenië 50 en Bulgarije 10. Door de snelle technische ontwikkelingen tijdens de oorlog raakte het type al snel verouderd. Het was te klein om een groter kanon in een toren te dragen; verschillende plannen daartoe werden verworpen. Vanaf 1942 werden de LT-38's vervangen of minder belangrijke taken toebedeeld.
Duitsland kon het zich echter niet veroorloven de productiecapaciteit onbenut te laten; het chassis was daarbij door zijn betrouwbaarheid uiterst bruikbaar. Een gemodificeerd chassis van de PzKpfw 38(t) werd dan ook de basis voor verschillende typen gemechaniseerd geschut, gemechaniseerde artillerie en tankjagers waaronder ook de succesvolle Duitse Jagdpanzer 38, tegenwoordig beter bekend als de "Hetzer".

Typen
TNHP De eerste exportversie uit 1935 voor Iran
LTP exportversie voor Peru
LTH exportversie voor Zwitserland
LT vz. 38 Benaming bij het Tsjechoslowaaks leger
Strv m/41 Een onder licentie gebouwde versie in Zweden met afwijkende toren
Sav m/43 Gemechaniseerd geschut met 75mm of 105mm-kanon gebaseerd op het TNH onderstel, gebouwd door Zweden
PzKpfw 38(t) Ausführung A: TNH tank tijdens de Duitse bezetting gebouwd, in een aantal van 150 stuks tussen mei en november 1939.
PzKpfw 38(t) Ausführung B: 110 voertuigen gebouwd tussen januari 1940 en mei 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung C: 110 voertuigen gebouwd tussen mei 1940 en augustus 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung D: 105 voertuigen gebouwd tussen september 1940 en november 1940.
PzKpfw 38(t) Ausführung E: 275 voertuigen gebouwd tussen november 1940 en mei 1941. Het pantser aan de voorkant werd 50 mm dik en de pantserplaat voor de bestuurder was niet langer gebogen maar recht.
PzKpfw 38(t) Ausführung F: 250 voertuigen gebouwd tussen mei 1941 en oktober 1941.
PzKpfw 38(t) Ausführung G: 90 voertuigen gebouwd tussen mei 1941 en december 1941.
Pzkpfw 38(t) Ausführung S: 321 voertuigen gebouwd tussen oktober 1941 en juni 1942. Besteld door Zweden maar de productiecapaciteit werd gebruikt voor Duitsland; gebogen voorkant met verwijderd machinegeweer en slechts 25 mm pantser. Deze voertuigen werden ook gebruikt door Slowakije.
Panzerkampfwagen 38 (t) neuer Art: Verkenningsvoertuig met 35 mm pantser en een snelheid van 62 km/u; alleen voorserievoertuigen gebouwd in 1942.
Sd.Kfz. 138 Marder III Droeg een Duits 75 mm kanon in een open kazematopbouw
Sd.Kfz. 139 Marder III Droeg een Sovjet 76,2 mm kanon in een open kazematopbouw
Sd.Kfz. 138/1 Grille droeg een Duits 150 mm infanteriekanon; er was ook een variant die als munitievoertuig dienstdeed
Sd.Kfz. 140 Flakpanzer 38(t) met een 20 mm luchtafweergeschut
Jagdpanzer 38 ("Hetzer") een tankjager met een 75 mm L/48 antitankkanon
G-13 Zwitserse benaming voor "Hetzers" na de oorlog door Tsjecho-Slowakije aan Zwitserland verkocht.
Operationele geschiedenis
De Pzpkfw 38(t) deed, zij het in het kleine aantal van 57 (van de 78 toen geproduceerde voertuigen), tot tevredenheid dienst tijden de invasie van Polen (1939) bij de 3de Leichte Division. Aan Operatie Weserübung in Noorwegen deden geen PzKpfw 38(t) mee. In de Slag om Frankrijk in 1940 vormde het type de kern van de 7e Pantserdivisie met 99 voertuigen, en van de 8e Pantserdivisie met 131 voertuigen. Aan Operatie Marita in 1941 deed de 8e PD mee met 125 PzKpfw 38(t)'s.
De grootste inzet was in 1941 tijdens Operatie Barbarossa: 660 voertuigen, bij 7PD (174), 8PD (125), 12PD (117), 19PD (121) en 20PD (123). Daarvan waren er op 22 december 1941 nog 268 over. De verliezen waren door het lichte pantser zwaarder dan bij de andere typen middelzware en zware tanks: in juli gingen er 182 verloren, in augustus 183. Ook de vanaf maart 1942 ingezette 22e PD had 77 voertuigen. Zelfs bij het zomeroffensief van 1942 waren verschillende pantserdivisies nog met een kern van PzKpfw 38(t)'s uitgerust: 8PD (65); (PD (35); 20PD (39) en 22PD met 114 voertuigen. Daarnaast was er nog de onafhankelijke 22e Pantserbrigade met 26 PzKpfw 38(t)'s. Aan de lage aantallen kan men zien dat de productie op zijn eind liep; bij al deze eenheden was de vervanging met PzKpfw III's al begonnen maar die verliep zeer traag zodat hun organieke sterkte gering was. De PzKpfw 38(t)'s bleken dat jaar ook kwalitatief niet opgewassen tegen de T-34 tanks van de Sovjet-Unie die in enorme aantallen de fabrieken verlieten. Na 1942 werd het type nog gebruikt als verkenningsvoertuig en bij de bestrijding van partizanen. Eind 1942 lag het bestand op 301 voertuigen.
De Flakpanzer 38(t) was niet echt een succes met het dunne pantser. Het was zelfs zo erg dat geallieerde vliegtuigen hem konden beschieten met gewone machinegeweren.
De Hetzer- en Mardermodellen tankjagers waren zeer succesvol, zeker de "Hetzer". In totaal werden er 2584 "Hetzers" geproduceerd tijdens de oorlog. Na de oorlog bleef het Tsjechoslowaakse leger de "Hetzers" bestellen en ook Zwitserland nam er 158 af, die dienst deden tot in de jaren zestig.
Het verwijderen van de koepel van de PzKpfw 38(t) voor conversies naar antitankkanonnen en andere gebruiksmogelijkheden maakte het mogelijk om deze koepels te gebruiken voor het inbouwen als pantserkoepel in forten. Negen van deze koepels werden gebruikt voor het bouwen van de Atlantikwall, de rest werd verspreid over zuidwest-Europa en het oostfront.
Een in Zweden gebouwde variant, de Sav m/43, bleef echter in actieve dienst tot 1970, wat misschien wel het record is als langstgebruikte vooroorlogse tank.

4-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8