Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

4-Duits persoon in de Tweede Wereldoorlog

Günther Lützow

Günther Lützow (Kiel, 4 september 1912 - Donauwörth, 24 april 1945) was een Duits gevechtspiloot in de Tweede Wereldoorlog. Hij schoot 108 vliegtuigen af.
Opleiding
Zijn vader Friedrich was kapitein op een korvet. Günther beëindigde op 3 maart 1931 zijn middelbare school af en volgde tot 19 februari 1932 een opleiding aan de vliegschool van Oberschleißheim samen met onder meer Wolfgang Falck, Bernd von Brauchitsch en Hermann Göring.
Daarna ging hij naar de geheime basis te Lipetsk aan de Voronesj voor een opleiding als jachtpiloot.
Spaanse Burgeroorlog
Op 4 november 1936 ging Lützow naar Spanje om in de Spaanse Burgeroorlog met het Legioen Condor te vechten aan de kant van Francisco Franco. Op 9 maart 1937 nam hij van Siegfried Lehmann de Jagdgruppe 88 over met Messerschmitt Bf 109 vliegtuigen.Hij werd onderscheiden met het Spanjekruis in Goud met Zwaarden en Brillanten.
Hij trouwde op 19 juli 1938 te Berlijn met Gisela von Priesdorff, die hij op een bal had leren kennen.
Tweede Wereldoorlog
In oktober 1939 werd Günther Lützow commandant van het Jagdgeschwader 3, dat van Brandis bij Leipzig naar Zerbst bij Maagdenburg verhuisde. Op 10 januari 1940 verhuisde het eskader naar Peppenhoven bij Rheinbach. Op 25 juli 1940 had Lützov negen vliegtuigen afgeschoten. Voor de Slag om Engeland verhuisde JG 3 op 1 augustus naar Boulogne-sur-Mer. Na zijn 15e overwinning kreeg hij het Ijzeren Kruis.
In 1941 nam Lützow deel aan Operatie Barbarossa. Op 24 oktober vierde hij zijn honderdste overwinning.
Muiterij
Günther Lützow en Johannes Steinhoff kritiseerden op een vergadering te Berlijn-Gatow van 6 tot 12 november 1944 Hermann Göring. De piloten waren kwaad over Unternehmen Bodenplatte op 1 januari 1945 waarbij ze 300 vliegtuigen verloren hadden, deel door eigen FLAK. Göring had Generaal Adolf Galland ontslagen. Göring had de piloten uitgescholden voor lafaards. Göring verbande Lützow naar Verona Italië. In april 1945 werd hij naar München-Riem verplaatst. Hij viel met zijn Messerschmitt Me 262 straaljager een groep B-26 Marauder bommenwerpers aan. Hij raakte in gevecht met de begeleidende Thunderbolt jagers. Hij stortte neer en zijn vliegtuig ontplofte.
Militaire loopbaan
Flieger: 1932[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Leutnant: 1934[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Oberleutnant: 1936[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Hauptmann: 1938[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Major: 1940[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Oberstleutnant: 1941[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Oberst: 1943[[#cite_note-http://www.ritterkreuztraeger.info/rksc/l/SC004L%FCtzow.pdf-1
Decoraties
Ridderkruis op 18 september 1940 als Major en Geschwaderkommodore van JG 3
Ridderkruis met Eikenloof (nr.27) op 20 juli 1941 als Major en Geschwaderkommodore van JG 3
Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden (nr.4) op 11 oktober 1941 als Major en Geschwaderkommodore van JG 3
Medalla de la Campaña (Spanje)
Militärmedaille (Spanje)
Bijzondere klasse: Spanjekruis in goud met diamanten op 7 juli 1939
Gewondeninsigne in zwart
IJzeren Kruis
Eerste klasse op 3 juni 1940
Tweede klasse op 26 mei 1940
Gesp voor Gevechtsvluchten aan het Front voor jachtvliegers in goud met getal "300"
Gezamenlijke Piloot-Observatiebadge in Goud met Diamanten
Hij werd genoemd in het Wehrmachtbericht. Dat gebeurde op:
25 oktober 1941

Günther Lützow in 1942

Günther Lützow in 1942
Geboren 4 september 1912
Kiel, Duitsland
Overleden 24 april 1945
nabij Donauwörth, Duitsland
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Luftwaffe eagle.svg Luftwaffe
Dienstjaren 1931 - 1945
Rang Luftwaffe collar tabs Oberst 3D.svg Wehrmach Lw Oberst 1945h.svg Oberst
Eenheid Jagdgruppe 88
Jagdgeschwader 3
Jagdgeschwader 51
Jagdverband 44
Leiding over Jagdgeschwader 3
Jagdgeschwader 51
Jagdgruppe 88
Slagen/oorlogen Spaanse Burgeroorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk
Slag om Engeland
Operatie Barbarossa

 


Fritz ter Meer

Friedrich "Fritz" Hermann ter Meer (Uerdingen, 4 juli 1884 - Leverkusen, 21 oktober 1967) was een Duits chemicus, ondernemer en veroordeeld oorlogsmisdadiger.
Vroege carrière
Fritz ter Meer was de zoon van Hermann Edmund ter Meer (1852–1931), de oprichter van Teerfabriek Dr. E. ter Meer & Cie in Uerdingen. Na zijn schooltijd studeerde hij van 1903 tot 1908 in Duitsland en Frankrijk chemie en ook korte tijd rechten. In 1909 promoveerde hij met de het proefschrift Zur Kenntnis der Äther von Isonitrosoketonen. (tot kennis van de ethers van isonitrosoketonen) Aansluitend volgde hij studies in verfchemie in Krefeld, maar ook in Engeland en Frankrijk.
Hierna ging hij werken in het bedrijf van zijn vader. In 1919 werd hij bestuurslid.In 1925 werd het bedrijf overgenomen door IG Farben AG, waarna Ter Meer ook in dit bedrijf lid was van de raad van bestuur.Daarnaast was hij vanaf 1932 ook lid van het arbeidscommissie en de technische commissie van het bedrijf. Binnen het ministerie van oorlog was hij leider van "Sectie II" en hij kreeg de eretitel Wehrwirtschaftsführer. Na een ledenstop werd hij in 1937 lid van de NSDAP.
Tweede Wereldoorlog
Op 7 september 1939 sloot hij samen met Heinrich Hörlein een overeenkomst met het Heereswaffenamt (wapenkantoor) over de productie van het zenuwgas Tabun. Bij de bouw van de daarvoor afgesproken fabriek in Dyhernfurth werden meer dan honderd krijgsgevangenen ingezet. In september 1943 werd Ter Meer gevolmachtigde voor Italië van de minister voor bewapening en oorlogsproductie[3]. Gedurende de Tweede Wereldoorlog was hij verantwoordelijk voor de bouw van de Buna-fabriekstak van IG Farben bij Auschwitz en het bijbehorende werkkamp Auschwitz III-Monowitz. Hier werden experimenten op mensen gedaan en kwamen circa 25.000 dwangarbeiders om het leven. In 1943 ontving hij het Kruis voor Oorlogsverdienste.
Gevangenneming, ondervraging en IG Farbenproces
In april 1945 werd hij in Italië gevangengenomen.In 1947 werd hij voorgeleid in het IG Farbenproces. Tijdens een verhoor door het Amerikaanse Field Information Agency; Technical in 1945 gaf hij toe dat experimenten met gifgassen en schadelijke dampen waren uitgevoerd op gevangenen uit een concentratiekamp, in de IG Farben-verstiging in Elberfeld. Volgens Ter Meer ging het daarbij om reeds ter dood veroordeelden, die op basis van vrijwilligheid deelgenomen zouden hebben en bij overleven gratie zouden krijgen. Hij stelde hierover:[4][5]
"De gevangenen was hierdoor geen leed aangedaan, omdat men ze hoe dan ook zou hebben gedood, en ze kregen zo een kans op overleven." 
Op 30 juli 1948 werd hij als oorlogsmisdadiger wegens plundering en gebruikmaking van slavenarbeidin relatie tot het concentratiekamp Auschwitz III Monowitz veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf.
Na de oorlog
In de zomer van 1950 werd hij wegens goed gedrag vervroegd vrijgelaten uit de gevangenis van Landsberg. Onmiddellijk na de opheffing van de oorlogsmidadigersclausule uit wet nr. 35 van de Geallieerde Controleraad, werd hij in in 1956 voorzitter van de raad van bestuur van Bayer.[9] In de jaren hierna bekleedde hij daarnaast diverse bestuursposten bij verschillende firma's, waaronder Th. Goldschmidt AG, Commerzbank-Bankverein AG, Düwag, VIAG (tegenwoordig E.ON) en Bankverein Westdeutschland AG.
In 1961 ging hij met pensioen. Ter Meer leverde een belangrijke bijdrage aan de wederopbouw van de chemische industrie in Duitsland. In zijn naoorlogse jaren richtte hij met privégeld stichtingen voor sociale doelen op.
Ter herinnering aan Fritz ter Meer richtte zijn voormalige werkgever Bayer de Fritz-ter-Meer-Stiftung op (tegenwoordig Bayer Science & Education Foundation). Een organisatie die chemiestudenten ondersteunt met studiebeurzen.
Familie
Ter Meer was de schoonvader van voormalig CDU-partijpenningmeester Walther Leisler Kiep, die bekend werd door het Partijfinancieringsschandaal in 1999. Ter Meer was ook oudoom van filmproducent Bernhard Sinkel.

Ter Meer na zijn gevangenneming

Ter Meer na zijn gevangenneming
Algemeen
Geboortedatum 4 juli 1884
Sterfdatum 21 oktober 1967
Geboorteplaats Uerdingen
Plaats van overlijden Leverkusen
Functie
Zijde Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Organisatie IG Farben
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog

 


Otto Meißner

Otto Lebrecht Eduard Daniel Meissner (Bischweiler, 13 maart 1880 - München, 27 mei 1953) was een Duitse hoge ambtenaar. Hij werd vooral bekend als de permanente stafchef van de rijkspresident, zowel onder Friedrich Ebert en Paul von Hindenburg als onder Adolf Hitler.
Jeugdjaren (1880-1919)
Meissner was een zoon van postbeambte Gustav Meissner en van Magdalena Hetzel. Zijn moeder kwam uit de Elzas en leerde Meissner behoorlijk Frans en Elsässerditsch spreken. Hij sprak ook vloeiend Latijn en Russisch. Zijn kinderjaren bracht hij door in Straatsburg.
Van 1898 tot 1903 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Straatsburg en promoveerde tot doctor in de rechten. Hij sloot er vriendschap met de jurist Heinrich Doehle, die van 1920 tot 1945 zijn nauwste medewerker zou zijn. In 1903-1904 deed hij vrijwillige legerdienst.
In 1906 werd hij ambtenaar in de juridische diensten van Elzas-Lotharingen. Hij trouwde in 1908 met Hildegard Roos en ze kregen een zoon, Hans-Otto Meissner (1909-1992) en een dochter Hildegard Meissner (1917). In 1908 trad hij in dienst van de spoorwegen in Elzas-Lotharingen.
Van 1915 tot 1917 was hij tijdens de Eerste Wereldoorlog infanterieofficier. Toen leerde hij Paul von Hindenburg kennen.
Vanaf 1916 was hij verkeersverantwoordelijke voor de militaire spoorwegen, eerst in Brest-Litowsk, vervolgens in Warschau, Bukarest en Kiev. Vanaf 1918 ging hij over naar de diplomatie en was hij Duitse zaakgelastigde in Kiev. Hij slaagde er in 1919 in om een trein met honderden landgenoten van Oekraïne veilig naar Duitsland terug te brengen. Hij bracht ook de kas van de ambassade (3,4 miljoen Reichsmark) mee om ze aan de overheid in Berlijn te overhandigen.
Hij kreeg hierdoor ruimere bekendheid en de eerste president van de Duitse republiek, Friedrich Ebert, benoemde hem tot ambassaderaad en tot zijn vice-stafchef, weldra tot zijn stafchef. Hij weigerde anderzijds een hoge functie in het opnieuw tot de Franse republiek behorende Elzas-Lotharingen.
Stafchef van de Duitse president (1920-1945)
In 1920 werd Meissner benoemd tot stafchef van de Rijkspresident, een ambt dat hij onder drie presidenten, in zeer verschillende omstandigheden, tot in mei 1945 uitoefende.
Hij was eerst stafchef onder Ebert (1919-1925), vervolgens onder Hindenburg (1925-1934) en ten slotte van 1934 tot 1945 onder Adolf Hitler. Nadat die het presidentschap en het kanselarijschap in zijn persoon verenigd had, werd het ambt hernoemd tot Präsidialkanzlei des Führers und Reichskanzlers.
In mei 1945 was hij nog enkele dagen actief als kanselarijchef onder het door Hitler aangestelde staatshoofd, admiraal Karl Dönitz. Hij had Hitler voor het laatst ontmoet op 13 maart 1945 toen deze hem feliciteerde met zijn 65ste verjaardag.
Het kantoor van Meissner was van 1920 tot 1939 gevestigd in het paleis van de rijkspresident, in de Wilhelmstrasse. Hij bewoonde er een eigen vleugel, met 26 vertrekken. In 1939 verhuisde hij met zijn diensten naar Schloss Bellevue.
In de loop van zijn carrière beklom Meissner de hiërarchische ladder. Hij werd:
onder Ebert: eerst Geheimrat, vervolgens Ministerialdirektor (1920) en Staatssekretär (1923),
onder Hindenburg: bevestigd als Staatssekretär (1927),
onder Hitler: Staatsminister im Rang eines Reichsministers (1937).
Bij de samenvoeging van de kanselarijen hield Meissner vooral de representatieve en protocollaire bevoegdheden over, terwijl hij de meer politieke bevoegdheden moest overdragen aan Hans Heinrich Lammers, de chef van de Rijkskanselarij.
Het was Meissner die in 1920 op vraag van Ebert het Deutschlandlied van August Heinrich Hoffmann von Fallersleben voorstelde als nationale hymne. Dit werd door het parlement bekrachtigd. Het lied bleef onder de Weimarrepubliek, onder het naziregime en opnieuw in de Bondsrepubliek Duitsland de nationale hymne.
Laatste jaren (1945-1953)
Op 23 mei werd Meissner door geallieerde troepen in Flensburg gevangengenomen en, met andere naziprominenten, opgesloten in Mondorf-les-Bains. In augustus werd hij naar Neurenberg overgebracht en daar als getuige verhoord. In juli 1947 trad hij op als getuige ten ontlaste voor de vroegere staatssecretaris Franz Schlegelberger.
Toen hij zelf in de beklaagdenbank zat in 1948-1949 tijdens het zogenaamde Wilhelmstraßen-Prozess, werd hij op 14 april 1949 vrijgesproken. Hij werd toen opnieuw aangeklaagd door de deelstaat Beieren, maar dit werd in 1952 in beroep geseponeerd.

Dr. Otto Meißner, staatsminister, stafchef van de rijkspresident, maart 1930

Dr. Otto Meißner, staatsminister, stafchef van de rijkspresident, maart 1930
Geboren 13 maart 1880
Geboorteplaats Bischweiler, Elzas, Duitse Keizerrijk
Overleden 27 mei 1953
Overlijdensplaats München, Beieren, West-Duitsland
Land Duitsland
Functies
1919 - 1925 Stafchef van de Duitse president Friedrich Ebert
1925 - 1934 Stafchef van de Duitse Rijkspresident Paul von Hindenburg
1934 -1945 Stafchef Präsidialkanzlei des Führers und Reichskanzlers Adolf Hitler
30 april - 23 mei 1945 Stafchef van de Duitse Rijkspresident Karl Dönitz
Portaal Portaalicoon Politiek

 


Willy Messerschmitt

Wilhelm Emil "Willy" Messerschmitt (/ 'vĭli' messer shmĭt /) (26 juni 1898 - 15 september 1978) was een Duitse vliegtuigontwerper en -fabrikant. Hij werd geboren in Frankfurt am Main , de zoon van Baptist Ferdinand Messerschmitt (1858-1916) en zijn tweede vrouw, Anna Maria née Schaller (1867-1942). 
Waarschijnlijk het belangrijkste ontwerp van Messerschmitt was de Messerschmitt Bf 109 , ontworpen in 1934 met de medewerking van Walter Rethel . De Bf 109 werd de belangrijkste jager in de Luftwaffe toen Duitsland zich herbewapende voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog . Tot op de dag van vandaag is het nog steeds een van de meest geproduceerde oorlogsvliegtuigen in de geschiedenis, met zo'n 34.000 gebouwd, met alleen de Sovjet-Unie Ilyushin Il-2 overtreft het op 36.000. Een ander Messerschmitt-vliegtuig, eerst "Bf 109R" genoemd, speciaal gebouwd voor opname-instellingen, maar later opnieuw ontworpen Messerschmitt Me 209, brak het absolute wereldsnelheidsrecord en behield tot 1969 het wereldsnelheidsrecord voor propellervliegtuigen. Zijn bedrijf produceerde ook de eerste jetsaangedreven jager om in dienst te treden - de Messerschmitt Me 262 , hoewel Messerschmitt zelf het niet ontworpen had.
Eerste zeilvliegtuigontwerpen en Wereldoorlog I 
Als een jonge man, Messerschmitt bevriende Duitse zweefvliegtuig pionier Friedrich Harth . Harth vervoegde het Duitse leger in 1914 en terwijl hij weg was in oorlog, bleef Messerschmitt werken aan een van Harths ontwerpen, de S5-zweefvliegtuig. In 1917 meldde Messerschmitt zich zelf aan voor militaire dienst. Na de oorlog werden de twee herenigd en bleven samenwerken terwijl Messerschmitt begon te studeren aan de Technische Hogeschool van München en Harth vliegtuigen bouwde aan de Bayerische Flugzeugwerke(BFW - Bavarian Aircraft Works). De S8-zweefvliegtuig die ze samen in 1921 ontwierpen en bouwden, brak een record van wereldduur (alhoewel onofficieel) en ze gingen een tijdje een partnerschap aan met een vliegschool. In hetzelfde jaar vloog het eerste volledig door Messerschmitt ontworpen vliegtuig - de S9-zweefvliegtuig.
Het begin van zijn carrière 
In 1923 braken Harth en Messerschmitt uit en gingen hun eigen weg, met Messerschmitt die zijn eigen vliegtuigbedrijf oprichtte in Augsburg . In eerste instantie bouwde Messerschmitt zweefvliegtuigen, maar binnen twee jaar was hij via motorzweefvliegtuigen gevorderd naar kleine vliegtuigen - sport- en toerentypes. Deze culmineerden in de ontwerpen Messerschmitt M 17 en Messerschmitt M 18 , die Messerschmitt verkocht aan BFW in 1927, toen de regering van Beieren een fusie tussen de twee bedrijven aanmoedigde. Deze werden gevolgd door het Messerschmitt M20 lichte transport in 1928, wat een ramp bleek voor BFW en Messerschmitt zelf. Twee Deutsche Luft HansaM20s waren zeer snel na aankoop betrokken bij ernstige ongevallen en dit leidde ertoe dat de luchtvaartmaatschappij hun bestelling voor het type annuleerde. Dit veroorzaakte een ernstig cashflowprobleem voor het bedrijf en leidde in 1931 tot een faillissement. De M20-crashes creëerden ook een krachtige vijand voor Messerschmitt in de persoon van Erhard Milch , het hoofd van Luft Hansa die een goede vriend had verloren bij een van de crashes .
Nazi-Duitsland en de Tweede Wereldoorlog 
Niettemin redde alleen de banden die Messerschmitt had gevormd met de leidende nazi's Rudolf Hess en Hermann Göring (via Theo Croneiss ) hem van het delen van het lot van Milch's andere grote vijand, Hugo Junkers . Om in het zicht van Milch te blijven en ervoor te zorgen dat hij geen overheidscontracten zou krijgen, had Messerschmitt overeenkomsten met Roemenië gesloten voor de verkoop van de M35 en een transportvliegtuig, de Messerschmitt M 36 . Toen Milch hiervan hoorde, verklaarde hij Messerschmitt publiekelijk als een verrader en werd de Gestapo gestuurd om hem en andere BFW-functionarissen te ondervragen. Waarschijnlijk als gevolg van de interventie van Croneiss is verder geen actie ondernomen.
De oprichting van het Reichsluftfahrtministerium ("Reich Aviation Ministry" - RLM) door de nazi- regering in 1933 onder leiding van Milch, leidde tot een opleving in de Duitse vliegtuigindustrie en de opstanding van BFW. In samenwerking met Robert Lusser ontwierp Messerschmitt het vlaggenschipproduct van het opnieuw gelanceerde bedrijf, een low-wing monoplank met vier zitplaatsen, de Messerschmitt M37, maar beter bekend door de latere RLM-aanduiding van Bf 108 . Het jaar daarop zou Messerschmitt vele geavanceerde ontwerpkenmerken van dit vliegtuig integreren in de Bf 109-jager.
Toen de Messerschmitt Bf 109 in 1936 de single-seat vechterswedstrijd won om een ​​van de belangrijkste Luftwaffe-vliegtuigtypen te worden, namen Messerschmitt en zijn fabriek een belangrijke rol in de bewapeningsplannen van de RLM, die zelfs nog belangrijker werden toen Messerschmitt's Bf 110 ook won de multi-purpose vechterswedstrijd.
Op 11 juli 1938 werd Messerschmitt benoemd tot voorzitter en algemeen directeur van Bayerische Flugzeugwerke (BFW) en het bedrijf werd na hem hernoemd naar Messerschmitt AG . In hetzelfde jaar begon het bedrijf aan wat uiteindelijk de Me 262 zou worden , en aan de Messerschmitt Me 210 , gepland als opvolger van de Bf 110. De Me 210 bleek geplaagd door enorme ontwikkelingsproblemen die alleen werden opgelost door zich te ontwikkelen het type in de Messerschmitt Me 410 , en de daaruit voortvloeiende problemen en vertragingen zetten opnieuw de reputatie van zowel Messerschmitt als zijn naamgenootbedrijf in gevaar.
Proef- en naoorlogse carrière 
Na de Tweede Wereldoorlog werd Messerschmitt berecht door een hof voor denazification voor het gebruik van slavenarbeid en in 1948 werd hij veroordeeld voor samenwerking met het naziregime. Na twee jaar in de gevangenis werd hij vrijgelaten en hervatte hij zijn functie als hoofd van zijn bedrijf. Omdat het Duitsland tot 1955 verboden was vliegtuigen te maken, schakelde hij zijn bedrijf over op de productie van geprefabriceerde gebouwen, naaimachines en kleine auto's, met name de Messerschmitt Kabinenroller . Hij exporteerde zijn talenten en ontwierp de Hispano HA-200 straaltrainer voor Hispano Aviación in 1952 in Spanje voordat hij uiteindelijk mocht terugkeren naar de vliegtuigproductie in Duitsland om de Fiat G91 in licentie te produceren.en dan Lockheed F-104 Starfighter voor de West-Duitse Luftwaffe. Hij ontwierp de latere Helwan HA-300 , een lichte supersonische interceptor, voor de Egyptische luchtstrijdkrachten. Dit was zijn laatste vliegtuigontwerp.
Messerschmitt zag zijn bedrijf eerst door fusies met Bölkow in 1968 en vervolgens met Hamburger Flugzeugbau in 1969, waarna het MBB werd ( Messerschmitt-Bölkow-Blohm , nu onderdeel van EADS ) met Messerschmitt tot voorzitter tot 1970 toen hij met pensioen ging. Hij stierf acht jaar later, op 15 september 1978 in een ziekenhuis in München in onbekende omstandigheden.
Kritiek 
De ontwerpen van Messerschmitt werden gekenmerkt door een duidelijke focus op prestaties, vooral door te streven naar lichtgewicht constructie, maar ook door parasitaire weerstand van aerodynamische oppervlakken te minimaliseren. Zijn critici beschuldigden hem ervan in sommige ontwerpen te ver te gaan met deze benadering. Zijn uitval met Harth was over ontwerpen geweest die Harth als gevaarlijk instabiel ervoer, en de Me 210 vertoonde ook instabiliteit, die alleen kon worden genezen door het casco en de aerodynamische oppervlakken te vergroten, waardoor de weerstand en het gewicht toenamen. De ontwerpfilosofie van Messerschmitt is ook duidelijk in zijn betoog met Alexander Lippisch , die de staartloze Me 163 aan het ontwerpen wasraketjager voor productie in het Messerschmitt-werk. Hoewel Lippisch beweerde dat het staartloze ontwerp een voordeel had, in principe, met betrekking tot totale weerstand, wees Messerschmitt erop dat de ontwerpcompromissen die nodig zijn om een ​​staartloos vliegtuig veilig controleerbaar te maken, dit doel versloegen door het slepen naar het oorspronkelijke niveau en daarboven te verhogen.
Awards
Messerschmitt werd benoemd tot Honorary Professor door de Munich Technical College in 1930, en de vice-president van de Deutsche Akademie für Luftfahrtforschnung (Duitse Academie voor Luchtvaartonderzoek). De Duitse regering heeft hem ook de titel van Wehrwirtschaftsführer (leider in de defensie-industrie) toegekend . In 1938 schonk Adolf Hitler aan Messerschmitt de Duitse Nationale Prijs voor Kunst en Wetenschap .

Willy Messerschmitt

Willy Messerschmitt
Algemene informatie
Volledige naam Wilhelm Emil Messerschmitt
Bijnaam "Willy"
Geboren Frankfurt am Main, Hessen, Duitse Keizerrijk, 26 juni 1898
Overleden München, Beieren, West-Duitsland, 15 september 1978
Doodsoorzaak Onbekende omstandigheden
Nationaliteit Duitser
Beroep Ontwerper en producent van vliegtuigen
Bekend van Messerschmitt Bf 109
Overig
Partner(s) Baptist Ferdinand Messerschmitt (1858–1916)
Anna Maria née Schaller (1867–1942)

 

 

Messerschmidt ontmoet Milch (midden) en minister van bewapening en oorlogsproductie Albert Speer

 


Dr. Theodor Morell (Trais-Munzenberg (huidige Munzenberg) 22 juli 1886 – Tegernsee 26 mei 1948) was een Duitse arts.
Hij was jarenlang Hitlers persoonlijke arts. Hij stond bekend om de vele geneesmiddelen en drugs die hij de Führer toediende, hoewel hij later aan de Amerikanen verklaarde dat het slechts om onschuldige huis-, tuin- en keukenmiddelen ging.
Jeugd en carrière
Na een jeugd in Opperhessen en studies aan vier verschillende universiteiten (waarvan twee in het buitenland), promoveerde Morell uiteindelijk in 1913. Hij begon als arts-assistent op een cruiseschip. Later trouwde hij en startte een eigen praktijk. In de Eerste Wereldoorlog opereerde hij als veldarts.
Morell begon toen al fantastische verhalen af te steken. Een bekend voorbeeld is dat hij met de Russische Nobelprijswinnaar, de bioloog Ilja Iljitsj Metsjnikov (1845-1916), bacteriële infecties had bestudeerd. Later zou hij zijn patiënten cocktails van allerlei dubieuze middelen toedienen. Terug in Berlijn bleek er in bepaalde klassen toch een zekere belangstelling voor zijn onconventionele behandelingen te zijn. Hij werd door zowel de sjah van Iran als de koning van Roemenië uitgenodigd om hun lijfarts te worden. In 1920 trouwde Morell met de rijke actrice Johanna 'Honi' Moller.
Der Reichsspritzenmeister
Begin jaren 1930 werd Morell het werken onmogelijk gemaakt door de geruchten dat hij Joods was en het feit dat hij veel Joodse patiënten had. Misschien werd hij lid van de NSDAP om dit te ontkrachten. Feit is dat hij sinds 1933 als nazi beschouwd werd. Hij zou toen ook regelmatig nazi's behandelen, vaak voor geslachtsziekten waarvan hij beweerde dat dit zijn specialiteit was. In 1935 genas hij Heinrich Hoffmann, Hitlers persoonlijke fotograaf. Hoffmann en Eva Braun raakten zo onder de indruk van Morell dat ze hem aan Hitler voorstelden. Deze kampte rond dezelfde tijd met winderigheid en huiduitslag. Morell behandelde hem met "Mutaflor" (E.coli-bacteriën en vitamines). Misschien kwam het doordat de behandeling aansloeg, of door Hitlers angst voor de "jodenziekte" syfilis en zijn hypochondrie, maar sindsdien stond Morell in de gunst bij Hitler.
Andere nazi's waren minder over hem te spreken. Himmler en Göring noemden hem achter zijn rug een kwakzalver. Göring noemde hem "Der Reichsspritzenmeister" (de Rijksspuitmeester) omdat hij altijd meteen begon met injecteren. Ook toen Hitler in 1935 last kreeg van heesheid en darmklachten spoot Dr Morell injecties in met darmbacteriën. Ook Eva Braun wilde uiteindelijk niets meer met hem te maken hebben. Hitler reageerde woedend bij klachten over Morell want hij geloofde heilig in zijn "revolutionaire behandelingen". Karl Brandt, Hitlers andere persoonlijke arts, vertrouwde Morell ook niet en probeerde om de schade van de gebruikte middelen aan te tonen. Dit leidde in 1944 tot zijn eigen ontslag.
Albert Speer schreef later dat hij zich in 1936, naar aanleiding van maagklachten en hartkloppingen, door Morell had laten onderzoeken op aanbevelen van Hitler. Morell onderzocht Speer vluchtig en schreef hem vervolgens dextrose, een bacteriële kuur, hormonen en vitaminen voor. Speer vond Morell dermate amateuristisch dat hij om een tweede opinie vroeg. Deze keer bleek de diagnose oververmoeidheid. De onderzoekende arts, professor Von Bergmann, schreef hem voor het rustig aan te doen. Speer volgde dit laatste advies op en de symptomen verdwenen. Om Hitler niet te beledigen deed hij alsof hij Morells behandeling volgde, waardoor hij korte tijd door Morell als 'reclame' werd gebruikt.
In 1938 kwam Morells moment in de wereldpolitiek. Hij bracht de oude Tsjecho-Slowaakse president Emil Hacha bij met een injectie die naar eigen zeggen slechts vitamines bevatte (maar in werkelijkheid wellicht amfetamine). De president was door de intimidatie van Hitler flauwgevallen en moest worden bijgebracht zodat hij de overgave aan nazi-Duitsland kon ondertekenen.
Hitler was tot het begin van de oorlog redelijk gezond geweest ondanks zijn gebrek aan lichaamsbeweging en hypochondrie. Tegen 1940 begon dit te veranderen en kreeg hij meer en meer klachten. Een trekkende linkerhand en andere symptomen kunnen op de ziekte van Parkinson wijzen. Dit leidde ertoe dat Hitler nog meer op Morell ging vertrouwen, die hem de meest uiteenlopende middelen toediende. Vitamines, belladonna, hormonen, en wellicht ook amfetamine en morfine behoorden hiertoe. Hitlers oogdruppels bevatten 1% cocaïne en wonderpillen die Hitler iedere dag slikte bevatten zelfs strychnine en waren licht schadelijk. Na de aanslag in 1944 had Hitler klachten en kreeg hij ook hier allerlei medicijnen voor van de dokter. In april 1945 was het aantal medicijnen dat Hitler slikte, spoot of druppelde opgelopen tot 28 verschillende.[bron?] Op 22 april 1945 was het plotseling afgelopen. Woedend viel Hitler tegen Morell uit, omdat deze hem met morfine trachtte te bedwelmen. Hij stuurde hem de bunker uit.
Internering en overlijden
Morell vluchtte naar het westen en viel in handen van de Amerikanen. Deze ondervroegen hem in een interneringskamp bij Weimar. Een van zijn ondervragers stond versteld van zijn overgewicht en gebrek aan hygiëne en noemde hem "walgelijk".[bron?] Hij was weliswaar geïnterneerd maar werd nooit van misdaden beschuldigd. Zijn gezondheid was al slecht door zijn obesitas en verslechterde nog verder. In mei 1948 overleed hij op 61-jarige leeftijd aan een beroerte.
Motieven en speculaties
Morell heeft verschillende middelen aan Hitler toegediend, waarvan een aantal licht schadelijk. Een aantal speculaties doen over hem de ronde. De meeste historici vermoeden dat Morell met name op het laatst in zijn eigen behandelingen geloofde.
Ook wordt beweerd dat Hitler verslaafd raakte aan de amfetamine die Morell toediende en zijn doen en laten beïnvloedde. De Britse historicus Ian Kershaw stelt dat als Hitler überhaupt al verslaafd was aan de amfetamine of enige andere drug, dit geen merkbare invloed op zijn politieke en militaire handelen had. De stress waaraan Hitler blootstond en die ieder persoon na langere of kortere tijd zou kunnen doen bezwijken, was hoogstwaarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van Hitlers lichamelijke en mentale achteruitgang.
Bronnen
Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.

Morell.JPG

Geboren Theodor Gilbert Morell 22 juli 1886 Trais- Münzenberg , Duitsland

Ging dood 26 mei 1948 (61 jaar) Tegernsee , Beieren , West-Duitsland
Bezetting Arts
Werkgever Adolf Hitler
Bekend om Dienst doen als persoonlijke dokter van Adolf Hitler
Partner (s) Hannelore Moller ( m. 1920-48)

 


Erich Neumann (staatssecretaris)

Erich Neumann (Forst (Lausitz), 31 mei 1892 - Garmisch-Partenkirchen, 23 maart 1951)was een Duitse ambtenaar in het nationaalsocialistische regime.
Neumann werd geboren in een lutherse familie. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Freiburg. Na zijn eerste staatsexamen werd hij tijdens de Eerste Wereldoorlog voor militaire dienst opgeroepen. Hij bereikte de rang van Oberleutnant (eerste luitenant) maar verliet in 1917 de actieve dienst wegens een ernstige verwonding aan zijn hand. Hij studeerde daarna verder in Leipzig en Halle.
In 1923 kreeg hij een positie in de rang van Regierungsrat op het Pruisische ministerie van Handel. In 1927/28 werd hij Landratin Freystadt, daarna werkte hij weer op het Pruisische ministerie van Handel, nu in de hogere rang van Ministerialrat. In september 1932 werd hij bevorderd tot Ministerialdirektor op het Pruisische Staatsministerium, het bureau van de minister-president, enkele weken nadat Franz von Papen de macht over Pruisen had verkregen. Neumann was op het Staatsministerium verantwoordelijk voor administratieve hervormingen.
In vergelijking met andere topambtenaren en -politici in het Derde Rijk werd Neumann pas laat lid van de nazipartij. Dat gebeurde in 1933, vier maanden nadat Hitler de macht had gegrepen. Daarvoor was hij lid van de toen nog samen met de NSDAP regerende DNVP geweest. In augustus 1934 trad Neumann toe tot de SS, in de rang van SS-Sturmbannführer (hij zou uiteindelijk, in 1939, de rang van SS-Oberführer verkrijgen). In 1935, 1936 en 1937 slaagde hij er tevens in enige militaire basistraining te volgen, ondanks zijn oude handverwonding, en hij eindigde met de rang van reserve-ritmeester.
Hermann Göring was inmiddels, in april 1933, benoemd tot minister-president van Pruisen. Dit was tegen 1935 een grotendeels ceremoniële taak geworden, omdat de centrale regering feitelijk de bevoegdheden overgenomen had van de oude deelregeringen. Maar daarnaast werd Göring in september 1936 benoemd tot Gevolmachtigde voor het Vierjarenplan, het nationaalsocialistische economische programma uit dat jaar. Hij maakte vervolgens zijn Pruisische Staatsministerium tot uitvoeringsorganisatie voor het Vierjarenplan, en Neumann kreeg hierin een verantwoordelijke positie. Hij werd onder meer verantwoordelijk voor het vraagstuk van de buitenlandse deviezen. Een van de doelen van het Vierjarenplan was het stimuleren van de binnenlandse productie en het daarmee sparen van de beperkte voorraad aan goud en buitenlandse deviezen.
In 1938 werd Neumann benoemd als Staatssekretär voor het Vierjarenplan. Hij werd in de jaren daarna ook betrokken bij de economische uitbuiting van de gebieden die door Duitsland in de de Sovjet-Unie waren veroverd, en hij werkte mee bij het opzetten van Kontinentale Öl, een staatsbedrijf dat onder meer de aardolievelden in Roemenië en de bezette delen van de Sovjet-Unie moest exploiteren. Het is niet duidelijk in hoeverre Neumann ook betrokken was bij de onder het Vierjarenplan ressorterende Haupttreuhandstelle Ost, het bureau dat onder meer tot doel had de Poolse Joden het leven economisch onmogelijk te maken door confiscatie van eigendommen. Wel moet hij op de hoogte zijn geweest van Reinhard Heydrichs bevel in september 1939 om Joden bijeen te drijven in getto's "in afwachting van het uiteindelijke doel"
In 1941 werd Neumann uitgenodigd aanwezig te zijn bij wat later de Wannseeconferentie zou gaan heten: een korte bijeenkomst in januari 1942 van vijftien hooggeplaatste nazi-ambtenaren waarin de Endlösung der Judenfrage (feitelijk het vermoorden van alle Joden in Europa) op de agenda stond. Het is niet geheel duidelijk waarom juist hij was uitgenodigd. Neumann sprak volgens de notulen van de conferentie slechts eenmaal: hij vroeg om de Joodse dwangarbeiders die in de oorlogsindustrie werkten niet eerder te deporteren ('evacueren' in het eufemistische taalgebruik in de notulen) dan dat er vervanging beschikbaar was.
Het is niet duidelijk hoe groot de rol was die Neumann speelde bij het plannen van de genocide op de Joden. Maar ook hier is zeker dat hij vrij nauwkeurig op de hoogte was van genomen maatregelen.
De relevantie van het Vierjarenplan was op dat moment al sterk verminderd en vanaf februari 1942 was het feitelijk Albert Speer en niet Hermann Göring die de Duitse oorlogseconomie leidde. Op eigen verzoek werd Neumann op 1 augustus 1942 ontslag verleend. Hij werd daarna algemeen directeur van het Duitse Kalisyndicaat. In 1944 deed hij, met het oog op de naderende nederlaag van Duitsland, zijn staatsobligaties van de hand.
Na de Duitse capitulatie in 1945 werd Neumann opgepakt en verhoord. In 1948 werd hij op zijn eigen verzoek weer vrijgelaten vanwege zijn zwakke gezondheid. In 1951 stierf hij.

NeumannErich.jpg

Geboren Forst (Lausitz), Brandenburg (deelstaat), Pruisen, 31 mei 1892
Overleden Garmisch-Partenkirchen, Beieren, West-Duitsland, 23 maart 1951
Carrière
1928-1933 Ministerialrat bij het Pruisische ministerie van Handel
1933-1936 Ministerialdirektor bij het Pruisische Staatsministerium
1936-1942 Staatssekretär verantwoordelijk voor het Vierjarenplan
1942-1945 Algemeen directeur Kalisyndicaat

 


Gustav Noske

Gustav Noske (Brandenburg an der Havel, 9 juli 1868 – Hannover, 30 november 1946) was een Duits sociaaldemocratisch politicus en journalist.
Jeugd
Hij bezocht de lagere en middelbare school in zijn geboorteplaats. Daarna was hij mandenmaker, onder andere in Amsterdam. In 1884 werd Noske lid van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). In 1892 werd hij voorzitter van de SPD in Brandenburg.
Politieke en journalistieke carrière
Van 1902 tot 1918 was Noske hoofdredacteur van de Volksstimme in Chemnitz en van 1906 tot 1918 was hij lid van de Duitse Rijksdag. Hij behoorde tot de rechtervleugel van de SPD. Hij steunde de oorlogskredieten en was voorstander van de gewapende landverdediging.
Rol in de gebeurtenissen van 1918-1920
In november 1918 werd hij door rijkskanselier Max van Baden tot gouverneur van Kiel verkozen. Hier wist hij op een succesvolle wijze de matrozenstaking te beëindigen, namelijk door zelf zitting te nemen in het stakingscomité en de stakingsleiders om te praten. Op 28 december 1918, na het aftreden van de links-socialistische ministers van de USPD, werd Noske lid van de Raad van Volkscommissarissen (voorlopige regering).
Met de hulp van een vrijkorps en legereenheden wist Noske op bloedige wijze de spartakistische (communistische) opstand in Berlijn neer te slaan. In zijn eigen woorden: "Iemand moet de bloedhond zijn". In februari 1919 werd Noske rijksminister van Defensie en werkte hij nauw samen met de generale staf. Tijdens een rede voor de Nationale Vergadering noemde hij de communistische opstandelingen "hyena's van de revolutie." Nadat het Verdrag van Versailles was gesloten (1919), begon Noske aan de opbouw van de Reichswehr, het toekomstige Duitse leger.
In maart 1920 moest Noske aftreden, omdat hij er niet in geslaagd was de militaire leiding te winnen voor de republiek. De Kapp-Putsch was hier een duidelijk voorbeeld van.
Noske's optreden tijdens de Novemberrevolutie en de Spartacusopstand maakte hem omstreden binnen de Duitse sociaaldemocratische beweging.
Periode in Hannover
Van 1920 tot 1933 was hij eerste president van de provincie Hannover. Op 1 oktober 1933 werd hij door de Hitler-regering met pensioen gestuurd.
Van 1944 tot 1945 zat Noske gevangen, omdat hij in verband werd gebracht met de aanslag op Hitler van 20 juli 1944.

Gustav Noske

 


Wilhelm Ohnesorge

Karl Wilhelm Ohnesorge (8 juni 1872 - 1 februari 1962) was een Duitse politicus in het Derde Rijk die in het kabinet van Hitler zat . Van 1937 tot 1945 trad hij ook op als minister en functionaris van de Reichspost ,de Duitse postdienst , nadat hij Paul Freiherr von Eltz-Rübenach als minister had opgevolgd . Naast zijn taken als minister, heeft Ohnesorge zich ook aanzienlijk verdiept in onderzoek met betrekking tot de verspreiding en promotie van de nazi-partij via de radio en de ontwikkeling van een voorgestelde Duitse atoombom .
Leven 
Ohnesorge werd geboren in Gräfenhainichen , Saksen-Anhalt, en begon in 1890 te werken voor de keizerlijke post. Later studeerde hij natuurkunde in Kiel en Berlijn , voordat hij het hoofd van de postdienst werd in het imperiale hoofdkwartier in de Eerste Wereldoorlog .
Ohnesorge ontmoette Hitler voor het eerst ergens in 1920, en ze werden goede vrienden. Kort daarna trad hij toe tot de nazi-partij (partijlidmaatschap nr. 42) en richtte zijn eerste filiaal buiten Beieren op Dortmund . Tegen het jaar 1929 was hij president van het centrale kantoor van de Reichspost, de centrale postdienst van Duitsland. Met de nazi-overname in 1933 werd Ohnesorge benoemd tot staatssecretaris en feitelijk hield hij toezicht op de Reichspost, waarbij hij zich met name engageerde voor de verspreiding van de nazi-partij en hun doelen via de post. Vanaf 1937 aanvaardde hij de taken van minister van de Reichspost, als opvolger van Paul Freiherr von Eltz-Rübenach .
Ohnesorge was ook geïntrigeerd door de mogelijkheid van partijuitbreiding via draadsignalen en radio, en werd bekend als iets van een technicus voor zijn werk om dit technisch mogelijk te maken. Hij is ook bekend dat hij zwaar heeft bijgedragen aan onderzoek naar een Duitse atoombom , ondanks zijn beroep als minister van de Duitse postdienst, die zijn tijd voortdurend zou belasten. Hij presenteerde vele ontwerpen en diagrammen van zijn ideeën aan Hitler zelf, [2] met wie hij een persoonlijk gezelschap had ontwikkeld.
Tijdens de denazificatie na de oorlog, als een leidend lid van de Partij, werden aanklachten tegen hem ingebracht. Om onbekende redenen werden deze aanklachten later ingetrokken en werd Ohnesorge niet gestraft voor zijn betrokkenheid bij de nazi's. Zijn leven na de oorlog blijft ongedocumenteerd.
Ohnesorge stierf op 89-jarige leeftijd op 1 februari 1962 in München .

Wilhelm Ohnesorge, centrum, in burgerkledij met hoed, 1937

 


Franz Oppenhoff

Franz Oppenhoff (18 augustus 1902 - 25 maart 1945) was een Duitse advocaat die door geallieerde troepen werd benoemd tot burgemeester van de stad Aken en vervolgens werd vermoord op bevel van Heinrich Himmler .
Biografie 
Franz Oppenhoff werd geboren in 1902 en behaalde een diploma in de rechten aan de universiteit van Keulen en werkte tot de Tweede Wereldoorlog als advocaat . Oppenhoff was een expert op het gebied van nazi-wetgeving, was wettelijk vertegenwoordiger van de bisschop van Aken , Johannes Joseph van der Velden , en had enkele zaken verdedigd voor Joodse bedrijven. Omdat hij wist dat de Gestapo in hem geïnteresseerd was, had hij in september 1944 zijn toevlucht gezocht in Eupen , over de grens in België , en nam hij zijn vrouw en drie dochters mee.
Na de bezetting van Aken na de slag om Aken , in oktober 1944, wilden Geallieerde ambtenaren een niet-nazi-lid benoemen om het bestuur van de stad over te nemen. Met de hulp van de bisschop van Aken slaagden ambtenaren erin contacten te leggen met een groep plaatselijke zakenmensen, van wie een bereid was de eerste Duitse burgemeester te worden onder Amerikaanse heerschappij. Dit was Franz Oppenhoff, die toen 42 jaar oud was.
Toen Oppenhoff op 31 oktober 1944 werd beëdigd, waren er geen persfoto's toegestaan ​​en werd zijn naam niet bekendgemaakt, met de reden dat hij nog steeds familieleden in nazi-Duitsland had die mogelijk onderhevig waren aan represailles van het naziregime. Ook had de SS-krant Das Schwarze Korps eerder in oktober geschreven dat er geen Duits bestuur onder de bezetting zou zijn omdat elke ambtenaar die met de vijand collaboreerde erop kon rekenen binnen een maand dood te zijn. 
In december 1944 werd een groep officieren van de afdeling Psychological Warfare Division van het Amerikaanse leger gecoördineerd door historicus Saul K. Padover, arriveerde in Aken om de politieke opvattingen van de Duitse bevolking en hun houding tegenover de nazi's en de lokale situatie te beoordelen. In januari 1945 beweerde Padover dat hij een 'groothoek politieke samenzwering' in de stad had ontdekt, waarbij hij zich concentreerde op Oppenhoff, wiens doel was om de linkse buiten te houden. Padover rapporteerde aan zijn superieuren dat het stadsbestuur van Aken "... scherpzinnig, krachtig en agressief is ... zijn leider is Oberbürgermeister Oppenhoff ... achter Oppenhoff is de bisschop van Aken, een machtige figuur met een eigen subtiliteit. .. Al deze mannen zijn erin geslaagd om uit de nazi-partij te blijven, de meesten van hen waren direct verbonden met de belangrijkste oorlogsindustrieën van de stad, [Veltrup en Talbot] .. Deze mannen zijn niet democratisch ingesteld ... Ze plannen de toekomst in voorwaarden van een autoritaire, zeer bureaucratische staat ...
Padover zorgde ervoor dat zijn verhaal naar de pers werd gelekt om voldoende opschudding in het Amerikaanse publiek te creëren, en een zuivering van het stadsbestuur resulteerde in het verdrijven van voormalige nazi's.
Operatie Carnival
Oppenhoff werd beschouwd als een verrader en een collaborateur van het nazi-regime, en zijn moord, met de codenaam Unternehmen Karneval ("Operatie Carnaval"), werd bevolen door Heinrich Himmler , gepland door SS Obergruppenführer Hans-Adolf Prützmann , en uitgevoerd door een moordcomponent van vier SS-ers en twee leden van de Hitler-jeugd . 
De eenheid werd geleid door SS Untersturmführer Herbert Wenzel , die trainingsofficier was bij Prützmann's Werwolf- trainingsfaciliteit op kasteel Hülchrath, bij Erkelenz ; Wenzel regelde de benodigde apparatuur en besliste over methoden. Unterscharführer (Sergeant) Josef Leitgeb, ook een trainingsofficier in Hülchrath, was onderbevelhebber. Ilse Hirsch , een 23-jarige nazi-jeugdleider, een Hauptgruppenführerin (kapitein) in de BDM(League of German Girls) moest voorraden leveren maar bleek een belangrijke rol te spelen in de operatie. Wenzel koos ook een Werwolf-stagiair uit Hülchrath om hen te vergezellen, de 16-jarige Erich Morgenschweiss. Twee voormalige leden van de Border Patrol (Karl-Heinz Hennemann en Georg Heidorn) voltooiden het team om op te treden als gids in het gebied rond Aken. 
De eenheid parachuteerde vanaf een gevangen B-17 bommenwerper in een Belgisch bos op 20 maart 1945. Ze doodden een Nederlandse grenswachter aan de grens en trokken vervolgens door naar het kamp nabij het doelwit. Hirsch werd gescheiden van de rest en maakte haar eigen weg naar Aken, waar ze contact opnam met een vriend in de BDM en Oppenhoffs verblijfplaats ontdekte.
De rest van de eenheid arriveerde op 25 maart in Aken. Wenzel, Leitgeb en een ander confronteerden Oppenhoff voor zijn eigen deur nadat hij was opgehaald bij een feest in het huis van zijn buren. Ze deden zich voor als Duitse piloten die op zoek waren naar de Duitse linies. Oppenhoff probeerde hen over te halen zich over te geven. Wenzel aarzelde en Leitgeb schreeuwde ' Heil Hitler ' en schoot Oppenhoff in zijn hoofd. Vlak voordat een Amerikaanse patrouille arriveerde om de telefoonlijn te controleren die Wenzel eerder had geknipt, verspreidden de drie moordenaars zich. 
Terwijl ze hun ontsnapping uit de stad maakten, activeerde Hirsch een landmijn die haar verwondde en Leitgeb vermoordde.
Na de oorlog werden de overlevende leden van het moordenteam, met uitzondering van Wenzel, opgespoord en gearresteerd. Tijdens hun proces in oktober 1949 in Aken werden allen schuldig bevonden en veroordeeld tot een gevangenisstraf van één tot vier jaar, en Hirsch en een ander lid werden vrijgelaten.

Afbeeldingsresultaat voor Franz Oppenhoff

Franz Oppenhoff
Geboren 18 augustus 1902 
Aken , Duitsland
Ging dood 25 maart 1945 (leeftijd 42) Aken, Duitsland
Doodsoorzaak Moord, geweerschot op het hoofd
Nationaliteit Duitse
Thuisstad Aken, Duitsland
Titel burgemeester
Termijn 31 oktober 1944 - 25 maart 1945
Partner (s) Irmgard Oppenhoff

Het graf van Oppenhoff in Aken

 


Günther Pancke

Günther Pancke (Gniezno (Gnesen), 1 mei 1899 – Hamburg, 17 augustus 1973) was een Duitse SS-Obergruppenführer en General der Polizei in Denemarken.
Biografie
Pancke werd in 1899 als zoon van een officier geboren. Sinds 1910 was hij bij het Pruisische cadettenkorps en nam vanaf 1917 deel aan de Eerste Wereldoorlog met de rang van luitenant. Na het einde van de oorlog was hij van 1919 tot 1920 lid van de Eiserne Division in de Baltische staten en was lid van de Vrijkorps die bij de grens van Oost-Pruisen was gestationeerd. In 1920 vertrok hij naar Argentinië.
In 1926 keerde hij terug uit Argentinië en werkte als laboratoriumassistent in een natuurkundig laboratorium Kiel. Pancke werd in 1931 ontslagen wegens zijn nazi-werkzaamheden dat hem een gevangenisstraf van zes weken kostte. Op 1 augustus 1930 werd hij lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij en op 1 juni 1931 SS. In 1938 werd hij hoofd van de SS-Rasse und Siedlungshauptamt (RuSHA), in 1940 werd hij opgevolgd door SS-Gruppenführer Otto Hofmann. Pancke werd in 1939 benoemd tot verbindingsofficier tussen de Führerhauptquartier, de SS-Totenkopfverbände en de Einsatzgruppen der Sicherheitspolizei und des SD. Daarbij was hij de Höhere SS- und Polizeiführer ,,Mitte”. In oktober 1943 werd hij benoemd tot de Höhere SS- und Polizeiführer voor Denemarken. Op 20 april 1944 werd hij tot SS-Obergruppenführer en General der Polizei bevorderd en op 21 maart 1945 tot General der Waffen-SS.
Pancke werd na de Tweede Wereldoorlog in Denemarken gearresteerd en op 20 september 1948 in Kopenhagen tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld. In 1953 kreeg hij gratie en stierf uiteindelijk in 1973 in Hamburg.
Militaire loopbaan
Leutnant: juni 1918
SS-Untersturmführer: 24 december 1932
SS-Hauptsturmführer: 30 januari 1933
SS-Sturmbannführer: 12 juni 1933
SS-Obersturmbannführer: 3 september 1933
SS-Standartenführer: 15 december 1933
SS-Oberführer: 20 april 1934
SS-Brigadeführer: 13 september 1936
Rittmeister a. D.: 1 februari 1938
SS-Gruppenführer: 1 september 1938
Generalleutnant der Polizei: 10 april 1941
SS-Obergruppenführer: 21 juni 1943
General der Polizei: 20 april 1944
Generaal der Waffen-SS: 21 maart 1945
Registratienummers
NSDAP-nr.: 282 737[1] (lid geworden op 1 augustus 1930)
SS-nr.: 10 110 (lid geworden op 1 juni 1931)
Decoraties
Dienstonderscheiding van de NSDAP in zilver en brons
IJzeren Kruis 1914, 2e klasse
Ehrendegen des Reichsführers-SS
Erekruis voor de Wereldoorlog
Gouden Ereteken van de NSDAP
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e klasse en 2e klasse met Zwaarden
Anschlussmedaille met gesp Praagse Burcht
Gewondeninsigne in zwart
Dienstonderscheiding van de SS
SS-Ehrenring

G. Pancke (cropped).jpg

Geboren 1 mei 1899
Gniezno (Gnesen), Posen (provincie), Duitse Keizerrijk
Overleden 17 augustus 1973
Hamburg, West-Duitsland
Land/partij Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Vrijkorps
Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1932 - 1945
Rang HH-SS-Obergruppenfuhrer-Collar.pngSS Obergruppenführer.jpg
SS-Obergruppenführer en General der Polizei
Eenheid Eiserne Division
Leiding over Hoofd van de SS-Rasse und Siedlungshauptamt (RuSHA)
SS-Obergruppenführer en General der Polizei in Denemarken
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog

 


Franz Walter Stahlecker

Franz Walter Stahlecker (Sternenfels, 10 oktober 1900 – Krasnogvardejsk, 23 maart 1942) was commandant van Einsatzgruppe A en Hoger SS- en Politieleider (Höhere SS- und Polizeiführer HSSPF) van het Rijkscommissariaat Ostland. Stahlecker was de meest wrede commandant van de vier Einsatzgruppen - moordcommando's die actief waren in Oost-Europa tijdens Operatie Barbarossa.
Franz Stahlecker werd geboren in de Zuid-Duitse plaats Sternenfels in 1900. Hij werd in 1932 lid van de NSDAP waar hij werd benoemd tot hoofd van de politieke politie in de staat Württemberg in Zwaben. Hij werd gedetacheerd in het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) en werd in 1938 chef van de SD in het Donau-district Wenen. Deze functie oefende hij nog steeds uit toen hij werd gepromoveerd tot Standartenführer. Een meningsverschil met Reinhard Heydrich resulteerde in een overplaatsing naar het Ministerie van Buitenlandse zaken, waar hij verschillende posten aanvaardde in het Protectoraat Bohemen en Moravië onder bevel van SS-Brigadeführer Karl Hermann Frank. In november 1940 werd Franz Walter Stahlecker in Noorwegen bevorderd tot SS-Oberführer.
In juni 1941 werd Stahlecker SS-Brigadeführer en Generaal-majoor van de Politie (Generalmajor der Polizei) waar hij het bevel opnam van Einsatzgruppe A in de hoop om in het hoofdkwartier van de nazi-veiligheidsdienst (Reichssicherheitshauptamt) (RSHA), terecht te komen. Einsatzgruppe A volgde Heeresgruppe Nord en was actief in de Baltische staten en in Russisch gebied tot Leningrad (nu Sint Petersburg). De missie van het moordcommando was om op jacht te gaan naar Joden, zigeuners, communisten en andere ongewensten. Tegen de winter van 1941 rapporteerde Stahlecker aan Berlijn dat zijn moordcommando 249.420 Joden had vermoord.
Tegen einde november 1941, werd Stahlecker benoemd tot Hoger SS- en Politieleider van het Rijkscommissariaat Ostland, een gebied dat Estland, Letland, Litouwen en Wit-Rusland omvatte.
Franz Walter Stahlecker werd op 23 maart 1942 gedood tijdens een actie van partizanen bij Krasnogvardeisk in Rusland.
Militaire loopbaan
SS-Untersturmführer: 18 december 1933
SS-Obersturmführer: 20 april 1935
SS-Hauptsturmführer: 30 januari 1936
SS-Sturmbannführer: 30 januari 1937
SS-Obersturmbannführer: 20 april 1938
SS-Standartenführer: 15 mei 1938
SS-Oberführer: 1 mei 1939
SS-Brigadeführer und Generalmajor der Polizei: 6 februari 1941
Registratienummers
NSDAP-nr.: 3 219 015
NSDAP-nr.: 1 069 130
SS-nr.: 73 041
Decoraties
Gewondeninsigne in goud
Ehrendegen des Reichsführers-SS
SS-Ehrenring
Sportinsigne van de SA in brons

SS-Brigadeführer und Generalmajor der Polizei Dr. Walter Stahlecker
Geboren 10 oktober 1900
Sternenfels, Duitsland
Overleden 23 maart 1942
Krasnogvardejsk, Rusland
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Balkenkreuz.svg Heer
Dienstjaren 1934 - 1942
Rang HH-SS-Brigadefuhrer-Collar.png SS Brigadeführer.jpg
SS-Brigadeführer und Generalmajor der Polizei
Eenheid Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Leiding over Leider van Einsatzgruppe A
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Advocaat

 


Otto Strasser

Otto Johann Maximilian Strasser (Windsheim, 10 september 1897 – München, 27 augustus 1974) was een Duits nationaalsocialistisch, later nationaal-revolutionair politicus; tevens was hij de broer van Gregor Strasser.
Biografie
Otto Strasser werd geboren in Midden-Frankenland als de zoon van een katholieke ambtenaar. Als oorlogsvrijwilliger nam hij deel aan de Eerste Wereldoorlog. Hij schopte het tot Oberleutnant (eerste luitenant). Na de oorlog sloot hij zich aan bij het Vrijkorps van Franz Ritter von Epp, dat de radenrepubliek van München op 1 en 2 mei 1919 onderdrukt. Na het onderdrukken van de Münchener radenrepubliek vertrok Strasser naar Berlijn, voor een studie economie. Tijdens zijn studie sloot hij zich aan bij de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). In 1920 nam hij deel aan de onderdrukking van diverse linkse groepjes, alsook aan de onderdrukking van de rechtse putsch van Wolfgang Kapp. Hetzelfde jaar trad hij uit de SPD en werd nationaal-revolutionair. Hij bleef echter socialistisch georiënteerd. In 1925 trad Strasser toe tot de NSDAP (Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij) van Adolf Hitler.
Otto Strasser als nazi
Naast NSDAP-lid werd Otto Strasser ook journalist bij de nationaalsocialistische partijkrant Völkischer Beobachter. Samen met zijn broer Gregor (die ook tot de NSDAP was toegetreden) en Joseph Goebbels gaf hij leiding aan de linkervleugel (de socialistische vleugel) van de NSDAP. Deze vleugel was voorstander van nationalisering van de grote industrie en de banken; tevens stond zij verdeling van adellijk grootgrondbezit onder etnisch Duitse boerengezinnen voor. Ook steunde zij diverse stakingen (hoewel vaak geleid door socialistisch-marxistische voormannen).
Otto Strasser werd in 1927 hoofdredacteur van het Berlijnse nationaalsocialistische partijblad Berliner Arbeiterzeitung (Berlijnse Arbeiderskrant). Verder was hij verantwoordelijk voor de communicatie binnen de NSDAP.
Hitler was echter vastbesloten de linkervleugel van de partij te vernietigen, omdat deze zich tegen diens alleenheerschappij bleef verzetten. Strasser raakte in een ernstig conflict met de Führer. Op 4 juli 1930 stapte Otto Strasser uit de NSDAP en stichtte een eigen partij, het Zwart Front (Die Schwarze Front), een economisch linkser georiënteerde, nationalistische partij.
Otto Strasser emigreert
Na de nationaalsocialistische machtsovername van januari 1933 emigreerde Otto Strasser naar Oostenrijk. Hij vestigde zich in Wenen vanwaaruit hij de dictatuur van Hitler heftig bestreed (o.a. via de radio). Op 30 juni 1934 werd zijn broer Gregor Strasser tijdens de Nacht van de Lange Messen, vermoord door de nazi's.
Via radio-uitzendingen in Praag (die men ook in Duitsland kon ontvangen) bestreed hij Hitler en de NSDAP.
In 1938 vestigde hij zich tijdelijk in Zwitserland, maar ging later naar Portugal en Canada.
In 1943 stichtte hij de beweging van de 'Derde weg.' Deze beweging zocht een middenweg tussen het kapitalisme en het communisme.
In 1955 keerde Otto Strasser naar (West-)Duitsland terug. Daar probeerde hij met de Sozialistische Reichspartei en steun aan andere neonazistische partijen, waaronder de Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD), zijn economisch zeer linkse versie van het nationaalsocialisme nieuw leven in te blazen. Hij werd verscheidene malen aangeklaagd wegens antisemitische uitlatingen. Zijn ideeën leven thans voort bij de NPD en de meerderheid van de hedendaagse neonazi's, die vaak veel anti-kapitalistischer zijn dan de anti-plutocratische Hitler zelf ooit was. De Goebbels-Strasseriaanse strekking in het nazisme voert de boventoon in het neonazisme.

Otto Strasser.jpg

Volledige naam Otto Johann Maximilian Strasser
Geboren 10 september 1897
Geboorteplaats Windsheim
Overleden 27 augustus 1974
Overlijdensplaats München
Land Duitsland
Partij NSDAP

 


Wilhelm Stuckart

Wilhelm Stuckart (Wiesbaden, 16 november 1902 – omgeving van Hannover, 15 november 1953) was een Duitse jurist en deelnemer aan de Wannseeconferentie waar de 'definitieve oplossing voor het Joodse Vraagstuk' werd besproken.
Stuckart werd geboren als zoon van een spoorwegbeambte. Hij studeerde rechten en werd jurist. Hij nam als jongeman in 1923 deel aan Hitlers Bierkellerputsch (Bierhal-staatsgreep) in München. Stuckart werd lid van de NSDAP (Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij). In 1928 promoveerde hij tot doctor in de rechten. In 1930 werd hij vrederechter, in 1932 advocaat. In 1936 werd hij lid van de SS.
Van 1935 tot 1945 was hij staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Hij nam als 'juridisch expert' van het ministerie van Binnenlandse Zaken deel aan de Wannseeconferentie. Daar bepleitte hij de sterilisatie van 'niet-Ariërs' en de ontbinding van gemengde huwelijken tussen Joden en niet-Joden. Hij ging evenwel later akkoord met de 'evacuatie' (de term voor uitroeiing tijdens de Wannseeconferentie).
In mei 1945 werd hij minister van binnenlandse zaken in de Flensburgregering onder Karl Dönitz. Na de capitulatie werd hij als lid van de regering-Dönitz gearresteerd en berecht voor een van de militaire tribunalen in Neurenberg. Zijn deelname aan de Wannseeconferentie (waarvan de notulen recentelijk aan het licht waren gekomen) was een belangrijk onderdeel van het betoog van de aanklagers in het Wilhelmstraßenproces. Stuckart gaf voor niet geweten te hebben dat de daar besproken Endlösung de volledige uitroeiing van de Joden in Europa behelsde. De rechters gingen daar niet in mee en oordeelden dat Stuckart op de hoogte moest zijn geweest van het uiteindelijke lot van de Joden, en dat hij een actieve rol had gespeeld in het maken van ontwerpen van wetten en regelingen, waaronder de Neurenberger rassenwetten. In 1949 werd het vonnis uitgesproken. In verband met zijn slechte gezondheid werd Stuckart veroordeeld tot ruim drie jaar cel, de tijd die hij al in voorarrest had doorgebracht. Daarna was hij wethouder in Helmstedt.
In 1950 werd hij door een denazificatierechtbank veroordeeld als Mitläufer tot een boete van DM 500,-.In 1951 werd hij voorzitter van de Bund der Heimatvertriebenen und Entrechteten. Hij kwam om het leven tijdens een auto-ongeluk. Een in september 1951 begonnen proces tegen Stuckart voor de Berlijnse denazificatie-rechtbank kon daardoor niet worden afgerond.
SS-loopbaan
SS-Standartenführer: 13 september 1936
SS-Oberführer: 30 januari 1937
SS-Brigadeführer: januari 1938
SS-Gruppenführer: januari 1942
SS-Obergruppenführer: januari 1944
Registratienummers
NSDAP-nr.: 378 144[2][3] (lid december 1930)
SS-nr.: 280 042[3][2] (lid herfst 1936)
Decoraties
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e klasse en 2e klasse
Gouden Ereteken van de NSDAP (1939)
Dienstonderscheiding van de NSDAP
Ehrendegen des Reichsführers-SS
SS-Ehrenring

Wilhelm Stuckart tijdens het Neurenbergproces, 1 oktober 1948.

Wilhelm Stuckart tijdens het Neurenbergproces, 1 oktober 1948.
Algemene informatie
Geboren Wiesbaden, Duitse Keizerrijk, 16 november 1902
Overleden omgeving van Hannover, Bondsrepubliek Duitsland, 15 november 1953
Carrière
1935-1945 Staatssekretär in het rijksministerie van Binnenlandse Zaken
1945-1945 Minister van Binnenlandse Zaken in de 'Flensburgregering'

 


Josef Terboven

Josef Antonius Heinrich Terboven (23 mei 1898 - 8 mei 1945) was een nazi- leider, vooral bekend als de Reichskommissar voor Noorwegen tijdens de Duitse bezetting van Noorwegen en het Quisling-regime .
Vroege leven 
Terboven (uit het Nederlandse Ter Boven ) werd geboren in Essen , Duitsland, als zoon van minderjarige landadel van Nederlandse afkomst. Hij diende in de Duitse veldartillerie en ontluikende luchtmacht in de Eerste Wereldoorlog en werd bekroond met het IJzeren Kruis , tot de rang van luitenant. Hij studeerde rechten en politieke wetenschappen aan de universiteiten van München en Freiburg , waar hij voor het eerst betrokken raakte in de politiek.
Nazi-feest carrière 
Toen hij in 1923 de universiteit verliet , trad hij toe tot de NSDAP met lidnummer 25247 en nam hij deel aan de mislukte Beer Hall Putsch in München. Toen de NSDAP vervolgens werd verboden, vond hij een paar jaar werk bij een bank voordat hij werd ontslagen in 1925.
Daarna ging hij fulltime aan het werk voor het nazi- feest. Terboven hielp het feest in Essen op te zetten en werd daar Gauleiter in 1928 . Vanaf 1925 maakte hij deel uit van de Sturmabteilung , waarin hij in 1936 de rang van Obergruppenführer bereikte . Op 29 juni 1934 trouwde Terboven met Ilse Stahl, de voormalige secretaris en minnares van Joseph Goebbels . Adolf Hitler was de eregast op de bruiloft. Terboven werd Oberpräsident der Rheinprovinz gemaakt in 1935 en ontwikkelde een reputatie als een onbeduidende en meedogenloze tiran.
Rule of Norway 
Terboven werd Reichskommissar voor Noorwegen gemaakt op 24 april 1940, nog voordat de militaire invasie was voltooid op 7 juni 1940. Hij trok naar de residentie van de Noorse kroonprins in Skaugum in september 1940 en vestigde zijn hoofdkantoor in Storting (de Noorse parlementsgebouwen).
Terboven had alleen toezichthoudende autoriteit over de burgeradministratie in Noorwegen. De Duitse burgeradministratie heeft Noorwegen echter niet rechtstreeks geregeerd en bleef relatief klein. Dagelijkse zaken werden beheerd door de bestaande Noorse overheid, onder leiding van een kabinet en vervolgens door het kabinet Quisling. Terboven had geen gezag over de 400.000 reguliere Duitse legerkorpsen gestationeerd in Noorwegen die het bevel voerden van generaal Nikolaus von Falkenhorst , maar hij beval wel een persoonlijke troepenmacht van ongeveer 6.000 mannen, van wie er 800 deel uitmaakten van de geheime politie.
In tegenstelling tot de strijdkrachten onder leiding van Falkenhorst, die trachtten begrip te krijgen bij het Noorse volk en op bevel van Falkenhorst waren om Noren met hoffelijkheid te behandelen, gedroeg Terboven zich op dezelfde onbeduidende en meedogenloze manier als hij gouverneur van de Rheinprovinz was, en had een grote hekel aan niet alleen de Noren, maar ook veel Duitsers. Vanaf 1941 richtte hij zich steeds meer op het verpletteren van het onregelmatige militaire verzet tegen de Duitsers, het verklaren van de krijgswet in Trondheim in 1942 en het bevelen van de vernietiging van Telavåg . Goebbels uitte ergernis in zijn dagboekover wat hij de "pestactieken" van Terboven tegen de Noren noemde, omdat deze de bevolking vervreemdden van de Duitsers. Terboven bleef desondanks tot het einde van de oorlog in 1945 de uiteindelijke baas over Noorwegen, zelfs na de proclamatie van een Noors marionettenregime onder Vidkun Quisling , de regering van Quisling . Op 18 december 1944 werd Falkenhorst van zijn bevel ontslagen wegens verzet tegen een bepaald radicaal beleid van Terboven.
Toen het tij van de oorlog zich tegen Duitsland keerde, was Terboven's persoonlijke streven om een ​​"fort Noorwegen" ( Festung Norwegen ) te organiseren voor de laatste tribune van het nazi-regime. Hitlers opvolger, admiraal Dönitz , ontsloeg Terboven op 7 mei als Reichskommissar en droeg zijn bevoegdheden over aan generaal Böhme.
Gevolgen van zijn heerschappij over gevangeniskampen 
Terboven plantte ook concentratiekampen in Noorwegen, het vestigingskamp Falstad in de buurt van Levanger en het Bredtvet-concentratiekamp in Oslo eind 1941.
Op 18 juli 1942 vond het bloedbad in Beisfjord plaats. Terboven gaf opdracht tot het bloedbad een paar dagen eerder.
In juli 1942 werd minstens één Duitse bewaker in dienst van het Korgen- gevangenkamp gedood. De commandant bestelde vergelding: executie door geweerschoten voor "39 gevangenen in Korgen en 20 in Osen "; in de dagen die volgden, bestelde Terboven ook vergelding: ongeveer 400 gevangenen werden doodgeschoten in verschillende kampen. 
Dood
Met de aankondiging van de overgave van Duitsland pleegde Terboven op 8 mei 1945 zelfmoord door 50 kg dynamiet in een bunker [2] op de Skaugum- compound te laten ontploffen . Hij stierf naast het lichaam van Obergruppenführer Wilhelm Rediess , SS- en politie-leider en commandant van alle SS- troepen in Noorwegen, die zichzelf eerder hadden neergeschoten.

Terboven statsakten.jpg

Terboven in 1942.
Gauleiter van Essen
In functie
1928 - 8 mei 1945
Opgevolgd door Fritz Schlessmann (acteren, 1940-1945)
Reichskommissar voor de bezette Noorse gebieden
In functie
24 april 1940 - 7 mei 1945
premier Vidkun Quisling (1942-1945)
Voorafgegaan door Geen
Opgevolgd door Franz Böhme (acterend, 1945)
Oberpräsident van de provincie Rhine
In functie
1940 - 8 mei 1945
Voorafgegaan door Hermann Freiherr von Lünick
Opgevolgd door Geen
Persoonlijke gegevens
Geboren 23 mei 1898 
Essen , Rhine Province , Duitsland
Ging dood 8 mei 1945 (46 jaar) 
Asker , Akershus , Noorwegen
Politieke partij Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP)

4-Duits persoon in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5