Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

3-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Stubbings House

Stubbings House is een groot 18e-eeuws huis in Stubbings, dat ten westen van Maidenhead ligt in het Engelse graafschap Berkshire. Het ligt op een landgoed van 32 hectare. Daarnaast is een gebied van 250 hectare van de National Trust Woodland. De ijskelder uit de 18e eeuw is bewaard gebleven.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte koningin Wilhelmina der Nederlanden gebruik van het huis. Tegenwoordig worden in Stubbings House evenementen georganiseerd.
Geschiedenis
Het huis werd in 1740 gebouwd voor Humphry Ambler. Later werd het huis bewoond door Guy Carleton, de gouverneur van Quebec. Van 1947-1969 woonde de beroemde fysicus en kunstverzamelaar Sir Thomas Ralph Merton er.
Tweede Wereldoorlog
Omdat Londen vanaf september 1940 regelmatig gebombardeerd werd, was het daar niet meer veilig voor koningin Wilhelmina. Haar huis op Eaton Square werd vervangen door een kleiner huis op Chester Square 77, waar ook het kantoor van prins Bernhard voortaan was. Het huis werd bewaakt door de Koninklijke Marechaussee. De koningin verhuisde eind oktober 1940 naar Stubbings. Als vaste staf had de koningin een rechercheur van Scotland Yard, haar secretaris FranÁois van 't Sant en een Belgische hofdame.
De Prinses Irene Brigade werd belast met de bewaking van Stubbings House, hetgeen in drie ploegen van twintig man gebeurde. Ook moest een kampwacht verzorgd worden ter bewaking van opgeslagen goederen. Hierbij was een voorraad in Engeland geslagen zilvergeld dat na de oorlog in circulatie werd gebracht.
De meeste aangekomen Engelandvaarders werden door de koningin op Stubbing House ontvangen, in het begin ook op Eaton Square. Met de trein reisden de Engelandvaarders naar Maidenhead, waar zij werden afgehaald door Van 't Sant of Jhr Gerard Beelaerts van Blokland, die van 1943-1945 ordonnans-officier van de koningin was. Als het kon werden ze in de tuin ontvangen en maakte de koningin met hen een wandelingetje. Als zij binnen werden ontvangen, werden er meestal ronde tafels gedekt. Aan iedere tafel was een lege stoel, zodat zij steeds aan een andere tafel kon gaan zitten. In 1944 kwamen er zoveel Engelandvaarders, dat het gemakkelijker was hen in het Netherlands House te ontvangen, een groot pand in Londen dat als ontmoetingsplaats diende voor Nederlanders en Britten.

Stubbings House (1944)

Teerose

Teerose is de naam van een drietal Duitse radiopeilstations uit de Tweede Wereldoorlog, gelegen ten noordoosten van Arnhem in de Nederlandse provincie Gelderland. De stations gebruikten een nieuwe methode, de zogenaamde Y-peil methode, waarmee de locatie van de eigen jachtvliegtuigen kon worden bepaald terwijl tegelijkertijd met het gepeilde vliegtuig (gesproken) radiocommunicatie mogelijk was.
Het was de gewoonte van de Luftwaffe peilstations een codenaam te geven met dezelfde beginletter als de plaats waar het station lag: in dit geval het gehucht Terlet.
De stations lagen dicht bij de toenmalige Fliegerhorst Deelen en de commandobunker Diogenes, op drie heuvels van ruim honderd meter hoogte.
De stations zijn na de oorlog ontmanteld. Tot op heden zijn in de natuur hun sporen, met name betonnen fundamenten en sokkels, te vinden.
Teerose I, II en III
Teerose I
Dit eerste station was operationeel vanaf juni 1942. Het was gelegen op en rond de 102 meter hoge Galgenberg bij Terlet, op het huidige zweefvliegterrein Terlet in de gemeente Arnhem. Oorspronkelijk heette het Teerose, de toevoeging 'I' kreeg het toen Teerose II gebouwd werd.
Teerose II
Het tweede station was gelegen in de gemeente Rheden, ten zuiden van de Rheder- en Worth-Rheder heide, nabij Signaal Imbosch, een 110 meter hoge heuvel, het hoogste punt van de Veluwe: 52į 2′ 13″ NB, 5į 59′ 28″ OL.
'Teerose III'
Dit is een niet-officiŽle aanduiding, het betreft dan ook geen operationele stelling. TIII was kleiner dan Teerose I en II, en werd ook niet bemand door de Ln-dienst van de Luftwaffe. Waarschijnlijk betreft het een test/ ontwikkel-lokatie van 'Y-Arnheim' olv. de heren Schaeder en Fricke, waar apparatuur werd ontwikkeld en getest tbv. het destijds nieuwe Y-systeem. TIII was gelegen in de gemeente Rozendaal, op de Possenberg, precies tussen T1 enT2 in, een terrein bij de noordoostpunt van de Terletse heide. Het hoogste punt is hier 103 meter. (bron: Teerosen op de Veluwe - W.Tiemens)

Overblijfselen van Teerose II

Veendammer barak

De Veendammer barak was een barak uit het voormalige naziconcentratiekamp Westerbork in Drenthe. De barak deed na afbraak van dit kamp dienst als schuur bij een boerderij in Veendam. Vlak voor terugplaatsing naar het voormalige kampterrein werd de barak op 19 juli 2009 verwoest in een brand.
Tot op de dag van de brand leek een Westerborkbarak in Veendam van klein belang: hij werd gebruikt als schuur en opslag. Maar toen de barak in vlammen opging, opende het NOS-Journaal met de gebeurtenis. Het zou barak 57 zijn geweest waar Anne Frank en haar zus tijdens hun verblijf werkten aan de demontage van batterijen. Niet veel later was de barak onderwerp in actualiteitenprogrammaís in binnen- en buitenland. In krantenkoppen werd de Veendammer Barak de Anne Frank-barak genoemd. Door de brand veranderde de barak van een schuur, in historisch erfgoed en een symbool voor de Holocaust.De brand bleek aangestoken.
Geschiedenis
Vanaf 1942 was Kamp Westerbork door de SS in gebruik als doorgangskamp naar de vernietigingskampen voor alle Joden in Nederland. Voor deze functie werd het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork flink uitgebreid, en werd ook deze barak aangebouwd. Kamp Westerbork huisde in de drukste periode zoín 17.000 gevangenen en ongeveer honderd bouwsels.Begin 1944 is de woonbarak gewijzigd in een werkplaats met een matrassenfabriek en stoffeerderij.
In 1950, na de Tweede Wereldoorlog, veranderde het kamp in een repatriŽringkamp voor Indische Nederlanders en kreeg het de naam Schattenberg. Twee jaar later fungeerde Schattenberg ook als woonoord voor Molukkers. Een tiental eenvoudige barakken werd in 1957 verkocht, waaronder ook deze. De barak werd gedemonteerd en in Veendam weer opgebouwd. In de periode 1968-1971 werd ook het grootste deel van de andere barakken gesloopt.
Erfgoed
In 1985 werd de barak ontdekt als Westerborkbarak. Desondanks werd het bouwwerk al die tijd als schuur gebruikt, en had het dus geen bijzondere status. Het Herinneringscentrum Kamp Westerbork was in 2009 van plan de barak op de originele plek weer op te bouwen, maar de brand maakte dit onmogelijk. Zijn iconische betekenis kreeg de barak pas echt na deze brand. Vanaf die dag sprak men over de barak als oorlogserfgoed.
De overblijfselen van de barak zijn naar het herinneringscentrum overgebracht. Daar bleek na nader onderzoek dat het niet om werkbarak 57 ging, maar om woonbarak 64. De uit de brand overgebleven resten barakdelen zijn in de permanente tentoonstelling te zien.
Na de brand kwamen andere barakken naar voren. Zo bleek er een complete barak in Vechtdal te staan[5]. Ook in Radewijk[6], Gees, Peize[7], Mantinge, Zuidwolde, Ees en Amen zijn restanten van barakken teruggevonden die mogelijk van Kamp Westerbork of een van de voormalige Joodse werkkampen zijn[8]. In 2014 is barak 56 die in Zelhem terecht was gekomen teruggeplaatst op het kampterrein.

De Veendammer barak enkele dagen voor de brand gefotografeerd.
Locatie Kamp Westerbork, Midden-Drenthe
Oorspr. functie werkplaats
Opening 1942
Status afgebrand in juli 2009

Vijfde colonne

De vijfde colonne is een term, die gebruikt wordt om aan te geven dat er in een land of een andere eenheid bepaalde krachten aanwezig zijn, die voor de vijand werken. De term suggereert een georganiseerde samenzwering, die op instigatie van de vijand van binnenuit de weerstand probeert uit te hollen.
Herkomst
Het woord is afkomstig uit de Spaanse Burgeroorlog (1936 - 1939). Generaal Emilio Mola had deze term in 1936 in een propagandatoespraak gebruikt om de aanhangers van de nationalisten die zich in Madrid bevonden, mee aan te duiden.Pas in 1939 wist Francisco Franco de stad te veroveren, met vier colonnes. Mola was toen al 2 jaar dood, maar de ondergronds opererende nationalisten die hij met "vijfde colonne" had aangeduid juichten de troepen toe onder de leus "Han pasado!" (ze zijn er toch doorheen gekomen). Eerder was de naam ook al eens door Lev Trotski gebruikt voor het Vijfde Leger, dat tijdens de Russische Burgeroorlog als elite-eenheid was opgericht.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse inval in mei 1940 was men in Nederland bang dat de NSB en de in Nederland wonende Duitsers een vijfde colonne zouden vormen. Deze angst was trouwens niet typisch Nederlands: ook in BelgiŽ, Frankrijk, Polen en andere landen was men bang dat etnische Duitsers, inheemse fascisten en anderen een "vijfde colonne" zouden vormen. De geruchten die de ronde deden varieerden van plausibel tot niet geloofwaardig, en waren onder andere:
zij die spionage plegen;
kinderen die vergiftigd snoepgoed uitdelen;
zij die militaire sabotage plegen;
zij die vijandelijke troepen aanwijzingen geven;
zij die weigeren in het leger bevelen op te volgen, munitie verkwanselen en zich tegen hun eigen bevelhebbers keren;
zij die zich als non, monnik of soldaat vermommen;
zij die defaitistische geruchten verspreiden en het moreel bederven;
zij die vijandelijke troepen verborgen gecodeerde tekens geven, bijvoorbeeld tekens op daken of waslijnen voor vliegtuigen, en geheime tekens op reclame-affiches voor het landleger.
Dit leidde in de aangevallen landen tot een zekere massahysterie. Waar geruchten over de vijfde colonne werden verspreid, waren verdachte personen hun leven niet zeker. Verdachte personen werden gevangengezet, mishandeld, beroofd, geÔntimideerd, verjaagd en soms ook gedood. Om verdacht te zijn, was overigens niet eens zoveel nodig. Men hoefde niet eens per se een etnische Duitser of "inheems fascist" te zijn. Ook buitenlanders in het algemeen werden als verdacht gezien - want wat deden ze anders in een door oorlog verscheurd land? Communisten waren verdacht, omdat Hitler en Stalin in 1939 het Molotov-Ribbentroppact hadden gesloten, en bovendien zouden ze met hun wereldrevolutie tot defaitisme aanzetten. Zelfs het bij zich hebben van verdachte poeders of flesjes was al een reden voor verdenking: het zou weleens springstof of vergif kunnen zijn. Er ontstaat een vicieuze cirkel: alles wat deze personen doen of bij zich hebben is verdacht, wat op zijn beurt weer de geruchten versterkt.
In Polen leidde dit alles tot geweld jegens de Volksduitsers (enkele dagen later namen die echter geholpen door het Duitse leger wraak). In Frankrijk en de Lage Landen leidde dit tot bovengenoemde willekeurige vergeldingsacties en heksenjachten. De snelle val van Frankrijk, BelgiŽ en Nederland zorgde dat in Groot-BrittanniŽ verhalen van vluchtelingen over een Vijfde colonne grif werden geloofd. Dit veroorzaakte in Groot-BrittanniŽ op zijn beurt voor paniekreacties van overheid en bevolking, hoewel er minder sprake was van willekeur. Stalin deporteerde uit voorzorg hele bevolkingsgroepen naar het oosten, terwijl de Amerikanen etnische Japanners interneerden. Daarnaast deden ook geruchten de ronde over een nazi-samenzwering in Zuid-Amerika: het Bruine Net(werk). De historicus Lou de Jong heeft in zijn proefschrift geconcludeerd dat er in Nederland en heel veel andere landen geen vijfde colonne was, en dat de meeste geruchten op zijn minst schromelijk waren overdreven.
Tijdens de Koude Oorlog
De term werd ook gebruikt door Paul-Henri Spaak bij de Verenigde Naties om de negatieve werking van de communistische partijen in Westerse landen te duiden. De naam werd ook gebruikt tijdens het zogenaamde 'McCarthyisme' in de Verenigde Staten waarbij vermeende sympathisanten met het communisme werden opgepakt. Republikeins senator Joseph McCarthy meende dat er in de VS een soort van vijfde colonne was die het land uiteindelijk omver zouden werpen. Dit ontketende een heksenjacht op de in de VS wonende communisten.
Recent gebruik
Ook in recenter tijden werden in het politieke debat groeperingen als een potentiŽle vijfde colonne benoemd. De beschuldiging werd bijvoorbeeld gericht aan de Communistische Partij van Nederland en aan de vredesbeweging in dat land. Met name Theo van Gogh gebruikte de term regelmatig wanneer hij het had over in Nederland wonende moslims. Ook Pim Fortuyn had het erover, toen hij (in de zo later genoemde Nacht van Fortuyn) werd ontslagen door Leefbaar Nederland. In nasleep van de aanslagen gepleegd namens (IS) nam in BelgiŽ ook Bart De Wever de term in de mond.

Amerikaanse poster uit de Tweede Wereldoorlog met verwijzing naar het begrip de vijfde colonne. Het Engelse woord column betekent zowel colonne als zuil. In de afbeelding is het de zuil van de sabotage die de vier andere zuilen omver wil werpen.

Volk en Vaderland

Volk en Vaderland (vaak afgekort tot VoVa) was van 1933 tot 1945 het weekblad van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB). Het verscheen in het formaat van een krant en het was propagandistisch van inhoud. Iedere week werd overal in Nederland gecolporteerd met Volk en Vaderland en geregeld leidde deze propagandistische colportage tot relletjes met anti-NSB'ers.
Volk en Vaderland werd sinds 7 januari 1933 uitgegeven door Nenasu, de nationaalsocialistische uitgeverij die eigendom was van Anton Mussert, de leider van de NSB. Het weekblad fungeerde daarmee ook als zijn bron van inkomsten. Vanaf het begin af aan vertoonde Volk en Vaderland antisemitische trekjes. Zo werd al in de tweede maand van haar bestaan (februari 1933) voor het eerst de term 'de internationale Jood' in negatieve zin gebruikt. Mussert schreef, zeker in de begintijd, de hoofdartikelen eigenhandig.
Het aantal abonnees groeide gestaag. Toen het weekblad een half jaar oud was (juli 1933) waren er al 6000 abonnees, begin 1934 was dit aantal gegroeid naar 14.000 en aan het begin van 1935 was dit aantal gegroeid tot 23.000 abonnees. De verspreiding vond in de losse verkoop plaats via colportage, hetgeen vooral in de grote steden van het land vaak tot relletjes met politieke tegenstanders leidde. Dit zorgde voor de publiciteit die de NSB hard nodig had.
Vanwege zijn radicale koers wekte Volk en Vaderland geregeld weerstand op. Op 30 oktober 1935 werden zelfs, na gerechtelijke uitspraak, de persen verzegeld: de reden was een beledigende artikelenserie. Op grond van de 27 april 1940 uitgevaardigde Persverordening werd de oplage van 26 april 1940 in beslag genomen. Enkele uren na de Duitse inval op 10 mei 1940 kreeg Volk en Vaderland een verschijningsverbod opgelegd. Op 24 mei verscheen het weekblad weer.
Het weekblad kende in zijn twaalfjarig bestaan een gedurige wisseling van de wacht bij de redactie. De bekendste (en invloedrijkste) onder hen waren George Kettmann (tot 1942) en L. Lindeman (vanaf 1942 tot het einde in 1945). Een belangrijke stem hadden ook redacteur mr. Hermannus Reydon en redacteurillustrator Maarten Meuldijk.
Eind 1940 bedroeg de totale wekelijkse oplage 40.000 exemplaren, waarvan 10.000 abonnees. De oplage steeg tot 70.000 exemplaren in de jaren 1941-1942 en in 1943 was de oplage zelfs gestegen tot 200.000 exemplaren. Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) daalde de wekelijkse oplage van Volk en Vaderland van 200.000 naar 15.000 exemplaren. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog verloor Volk en Vaderland zijn invloed. Tekenend voor de sfeer in deze chaotische dagen was de arrestatie van hoofdredacteur Lindeman eind februari 1945. De SD arresteerde hem omdat Volk en Vaderland erover had geklaagd dat Duitse soldaten Nederlanders beroofden van hun voedsel.
Na de Tweede Wereldoorlog werd Lindeman door de Commissie voor de Perszuivering voor een periode van 20 jaar ontzet uit het persvak. De rechter veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 9 jaar. Maarten Meuldijk kreeg 8 jaar. George Kettmann kreeg zelfs drie veroordelingen: de rechter veroordeelde hem tot 10 jaar gevangenisstraf, de Eereraad voor de Letterkunde bepaalde dat van hem tien jaar lang niets ge- of herdrukt mocht worden en tot slot veroordeelde de Commissie voor de Perszuivering hem tot achttien jaar uitsluiting van journalistieke werkzaamheden in het perswezen.
De naam Volk en Vaderland werd voor 75 jaar verboden verklaard: pas in 2023 mag zij weer in gebruik worden genomen als naam van een persorgaan.

Het eerste nummer van Volk en Vaderland, 7 januari 1933

Vrij Nederland (Londen

Het Londense Vrij Nederland was een weekblad uitgegeven in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog mede op initiatief van directeur Paul Rijkens van Unilever en op aanbeveling van de Nederlandse regering in ballingschap, in de persoon van Adriaan Pelt.[

Het blad had als ondertitel Je maintiendrai - Onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders.Ongeveer tegelijkertijd ontstond onafhankelijk van dit blad in Nederland het gelijknamige verzetsblad Vrij Nederland.

Het weekblad verscheen tussen 3 augustus 1940 en 23 februari 1946 onder hoofdredacteurschap van Marcus van Blankenstein. Overige betrokkenen waren onder meer Henri Wiessing, H.F. van der Kallen, Meyer Sluyser en A. den Doolaard.[4] Albert Milhado, Joods sportjournalist en zakenman die was gevlucht uit Den Haag, werd zakelijk leider.[5] Het blad werd uitgegeven met behulp van de inkomsten uit contributies en advertenties. Vrij Nederland kreeg geen overheidssubsidie. Het blad verscheen in een oplage van meer dan 10.000 exemplaren en werd verspreid in 48 landen.

Redactievergadering (London, 1944)

Hoofdredacteur Marcus van Blankenstein

Abonnementen-
administratie (1944)

Eerste nummer uit 1940

Westfront (Tweede Wereldoorlog)

Het westfront was tijdens de Tweede Wereldoorlog de naam voor het toneel van oorlogshandelingen in West-Europa, van 1939 tot 1945. Hier vielen onder andere Nederland en BelgiŽ onder. Een belangrijke gebeurtenis die zich aan dit front afspeelde was Operatie Overlord, waarbij de westerse geallieerden aan land gingen in Europa.
De gebeurtenissen aan het westfront zijn duidelijk in twee termijnen onder te verdelen; van 1939 tot 1940 domineerde nazi-Duitsland dit front met onder andere de verovering van Europa. Vanaf 1944 keerde het tij en begonnen de Geallieerden aan een opmars.
Hoewel de Duitsers de meeste verliezen leden aan het Oostfront, waren hun verliezen aan het Westfront lastig te compenseren omdat bijna al het materieel naar het Oostfront was gestuurd.
1939 Ė 1940: Duitse overwinningen
De strijd aan het Westfront begon met de zogenaamde schemeroorlog. Deze begon na de Poolse veldtocht. Als respons op deze aanval verklaarden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk Duitsland de oorlog, maar aanvankelijk ondernam geen van de drie grootmachten enige militaire actie. De Royal Air Force strooide propagandapamfletten uit boven Duitsland en de eerste Canadese troepen vertrokken naar Engeland.
De gevechten tussen de Asmogendheden en de Geallieerden aan het westfront braken definitief uit met de Duitse inval van Noorwegen via Operatie WeserŁbung. Daarmee bracht Duitsland de geallieerden, die van plan waren via Noorwegen Duitsland te omsingelen, een gevoelige slag toe. In mei 1940 begon de Slag om Frankrijk. Via de blitzkriegmethode wisten de Duitsers snel op te rukken. Het Franse en Belgische leger werd verslagen. De Fransen verloren 90.000 soldaten en gaven zich uiteindelijk over.
Met de verovering van West-Europa, waaronder Nederland en BelgiŽ, stonden de Duitsers voor de keuze wat te doen met Engeland. Er werd een vredesverdrag aangeboden, maar toen de Britten dit weigerden besloten de Duitsers ook het Verenigd Koninkrijk binnen te vallen. De Duitse marine had echter zware verliezen geleden in ScandinaviŽ, en om een invasie over zee mogelijk te maken moest eerst de Britse luchtmacht uitgeschakeld worden. De Luftwaffe ondernam in de Slag om Engeland een poging om de Britse luchtmacht te verslaan, maar bleek niet opgewassen tegen de Royal Air Force.
Tussenliggende periode
Na de nederlaag bij de slag om Engeland, was een invasie van het Verenigde Koninkrijk niet langer een optie voor de Duitsers. In plaats daarvan richtte Duitsland zijn aandacht op de Sovjet-Unie. Aan het westfront werd de Atlantikwall gebouwd ter verdediging tegen invasies vanaf Engeland of Amerika.
De Geallieerden maakten ondertussen plannen voor een tegenaanval vanuit het westen. Een van de eerste acties van hun kant was de Raid op Dieppe. In de twee jaar erop werden meerdere kleine raids en guerrilla-aanvallen uitgevoerd, maar tot een grote landing kwam het niet. Ook voerden de Geallieerden een reeks strategische bombardementen uit op Duitse doelen.
Tegen de zomer van 1944 werd het voor de Duitsers duidelijk dat een invasie van de Geallieerden eraan zat te komen. De toestroom van troepen naar de Franse kust kwam onder bevel te staan van OB West. De Duitsers wilden een herhaling van de Eerste Wereldoorlog, waarin ze ook aan twee fronten moesten vechten, voorkomen. Daar het onvoorspelbaar was waar de geallieerde landing plaats zou vinden, moesten de Duitsers hun materieel en troepen langs de hele kust verspreiden.
1944 Ė 45: het tweede front
Op 6 juni 1944 begonnen de Geallieerden met Operation Overlord (in de volksmond "D-Day" genaamd). De Duitsers hadden verwacht dat de invasie in Pas-de-Calais plaats zou vinden, maar uiteindelijk bleek NormandiŽ het doelwit. De eerste twee maanden na de landing verliep de Geallieerde opmars traag. Via Operatie Cobra wisten de Geallieerden door te breken Frankrijk in, waarna de opmars in een stroomversnelling raakte. Het eerste doelwit was de zak van Falaise waarin 50.000 Duitsers omkwamen en de troepen die wisten te ontkomen veel van hun materieel achterlieten.
Op 15 augustus begon Operatie Dragoon, de invasie van Zuid-Frankrijk. De Duitsers in Frankrijk werden ingesloten door de British 21st Army Group, de American 12th Army Group, en de US 6th Army Group. Het Franse verzet organiseerde ondertussen grote opstanden tegen de Duitsers. Op 25 augustus was de bevrijding van Parijs een feit.
De bevrijding van de Benelux-landen was cruciaal, om zo de Duitsers lanceerplatformen voor hun V1 en V2-raketten, waarmee ze het Verenigd Koninkrijk bedreigden, te ontnemen. De Gallieerde opmars kwam tijdelijk tot een halt bij de westwall. Op 4 september werd de haven van Antwerpen ingenomen. Operatie Market Garden, waarmee de Geallieerden de Rijn hoopten over te steken, mislukte echter, en Noord-Nederland bleef in Duitse handen. De Duitsers beraamden bovendien een tegenaanval, wat resulteerde in de Slag om de Ardennen. Dit was het laatste grote offensief van de Duitsers tegen de Geallieerden aan het westfront.
In januari 1945 werd de opmars Nederland in voortgezet. Via Operatie Blackcock werden de steden Roermond, Sittard en Heinsberg bevrijdt. De Rijn werd op vier verschillende plekken overgestoken, waarna de Geallieerden Duitsland binnentrokken. Op 25 april 1945 maakten de geallieerden, troepen van de Sovjet-Unie en Amerika, aansluiting met elkaar. Op 2 mei werd Berlijn ingenomen.

Amerikaanse troepen arriveren op Omaha Beach in 1944.

Amerikaanse troepen arriveren op Omaha Beach in 1944.
Datum 1 september 1939 - 9 mei 1945
Resultaat 1939 Ė 1940' Ė Overwinningen voor de Asmogendheden. Verovering van West- en Noord-Europa door nazi-Duitsland.
1944 Ė 1945 Ė Overwinningen voor de geallieerden, val van nazi-Duitsland.
Strijdende partijen
Westerse Geallieerden Asmogendheden
Troepensterkte
1939 Ė 1940
2,862,000 troepen
1944 Ė 1945
5,412,000 troepen
1939 Ė 1940
3,350,000 troepen
1944 Ė 1945
1,500,000 troepen
Verliezen
2.905.420 Ė 3.043.860 997.386 Ė 1.000.256

Routes gevolgd door de Geallieerden bij de invasie.

Winterhulp Nederland

Winterhulp was de gemeenzame benaming van de Stichting Winterhulp Nederland (WHN), de nationaalsocialistische organisatie die tijdens de Tweede Wereldoorlog alle maatschappelijke hulpverlening zoals verleend door de overheid, particuliere en kerkelijke organisaties in Nederland moest overnemen.
Oprichting
Winterhulp werd opgericht op 22 oktober 1940 door rijkscommissaris Seyss-Inquart. De hulpverlening was volgens het spraakgebruik op de winter gericht. Onder het nationaalsocialisme kon er volgens de leer geen armoede bestaan, alleen in tijden van winterkou zou extra liefdadigheid in de vorm van voedsel, kleding en dergelijke nodig zijn. Volgens artikel 2 van het oprichtingsdecreet was de doelstelling: "Het is de taak der Stichting om de in het bezette Nederlandsche gebied levende behoeftige Nederlandsche staatsburgers zonder aanzien des persoons hulp en ondersteuning te verschaffen". De steun bestond uit waardebonnen en goederen als levensmiddelen, kleding etc. Aanvankelijk kregen Joden ook steun, maar die hulp stopte al snel.
Organisatie
De Winterhulp kreeg de vorm van een stichting onder leiding van een directeur-generaal die alleen aan de rijkscommissaris verantwoording schuldig was. De eerste directeur-generaal was Carel Piek (tot 1 juni) 1942 en de tweede (en laatste) Frederik Willem van Vloten (tot de ineenstorting van de Winterhulp na Dolle Dinsdag). Een landelijk erecomitť en een commissie voor toezicht op de financiŽn zouden de bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen. In het erecomitť namen enkele secretarissen-generaal en alle elf commissarissen der provincies zitting, ook Meinoud Rost van Tonningen was lid van het erecomitť. De controle van de financiŽn vond plaats onder leiding van de secretaris-generaal van financiŽn, L.J.A. Trip.
Alle Nederlandse burgemeesters werden benoemd tot plaatselijke directeuren. Iedere provincie had een bureau, daarnaast waren er bureaus in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er was ook sprake van 'kringen', onder meer in de Gelderse Vallei, en van lokale afdelingen, onder andere in Maassluis. Het hoofdkantoor had een afdelingsstructuur: er waren afdelingen voor propaganda en voorlichting, organisatie, statistiek, inkoop en financiŽn.
Inkomsten en uitkeringen
De inkomsten van de Winterhulp bestonden uit: collecten, loterijen, 5% uit de winst van bedrijven en een inhouding van 1% op lonen van werknemers. De collecten waren niet erg populair bij de Nederlanders, regelmatig werd er opgeroepen niets te geven aan de NSB'ers. "Nog geen knoop van mijn gulp voor de winterhulp"[1] werd er wel op posters van de winterhulp geklad. De loterijen waren daarentegen wel populair, omdat de goklust het nogal eens won van de principes. Om gulle gaven bij collectes te stimuleren ontvingen gevers speldjes. Deze speldjes werden in telkens andere series uitgegeven (sprookjes, bloemen, verkeersborden etc.) waardoor ze populaire spaarobjecten werden. Het eerste speldje dat in Nederland werd uitgegeven, was een lichtgevend molentje. De 'gewone' bevolking wilde de speldjes helemaal niet en zei: "Alleen NSB'ers lopen met molentjes." Echt vrijblijvend waren de collecten in latere jaren niet meer, er werd gecontroleerd of iemand gaf en hoeveel.
Als uitkering gaf Winterhulp Nederland waardebonnen uit waarmee de ontvanger levensmiddelen, kleding, schoenen en brandstof kon kopen. Alle winkels waren verplicht de waardebonnen te accepteren. Het was verboden om de bonnen tegen contant geld te wisselen. De WHN toetste na aanvraag eerst of mensen in aanmerking kwamen voor bonnen.
Effectiviteit
Medio 1941 kwam de Nederlandsche Volksdienst (NVD) tot stand. Deze moest uiteindelijk de Winterhulp en andere organisaties overkoepelen om het gehele domein van de sociale en maatschappelijke zorg voor haar rekening te nemen. De Winterhulp profileerde zichzelf als een breed en vooral Nederlands nationaal platform voor sociale zorg. Men legde veel nadruk op het Nederlandse karakter van Winterhulp, de nazi-politieke oriŽntatie van de organisatie viel echter niet te verhullen. Mede daardoor was het succes en daarmee de effectiviteit gering.

Affiche voor een Winterhulp-collecte uit 1940

Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter

Het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter was een radioprogramma dat van 1941 tot 1944 werd uitgezonden door de Nederlandsche Omroep. Door het uiterst propagandistische, antisemitische en nazistische karakter ervan is het een van de meest beruchte programma's uit de Nederlandse radiogeschiedenis.

De naam "Paulus de Ruiter" was het pseudoniem waaronder Jacques van Tol al voor de oorlog wel vaker teksten publiceerde. In het programma kon hij zijn antisemitisme ruimschoots kwijt. Zo schreef hij, op de melodie van zijn vroegere succesnummer De kleine man (destijds gezongen door zijn toenmalige Joodse werkgever Louis Davids), een tekst met het refrein:

Dat was de Jodenman, de dikke Jodenman...
de uitgekookte, gaargestookte vette Jodenman.
Het programma werd voor het eerst uitgezonden op 19 oktober 1941 [1]. De bekendste vaste medewerker was Ceesje Speenhoff, dochter van J.H. "Koos" Speenhoff. Door haar optreden werd haar vaders reputatie zeer geschaad, maar zelf was hij nooit bij het programma betrokken. Ook werkten omroepmedewerkers vaak anoniem mee aan het programma, zoals de jonge acteur Piet Ekel. Anderen zoals Grť Brouwenstijn en Conny Stuart zagen in het karakter van het programma geen bezwaar om mee te werken aan andere programma's van Jacques van Tol.

Het Zondagmiddagcabaret werd in niet-nationaalsocialistische kring verafschuwd, maar leverde toch een heuse hit op, het Rommellied over generaal Erwin Rommel. Dit werd zo populair dat een plaat zelfs aan de generaal en minister Goebbels werd opgestuurd.

Een vast onderdeel van het programma was een dialoog tussen meneer Keuvel en juffrouw Klessebes. Daarin werd de spot gedreven met de stroom van geruchten, die in een dictatuur zonder vrije pers altijd ontstaat, en de anti-Duitse gevoelens in Nederland. Volgens het jaarverslag van de Nederlandsche Omroep van 1943 was het programma succesvol in zijn opzet: Ons politieke cabaret kan thans als wapen voor den nieuwen tijd nauwelijks meer worden onderschat.

Het programma werd voor het laatst uitgezonden in januari 1944. Daarna maakte Van Tol een nieuw cabaretprogramma, De Spinnekop, dat minder bekend is geworden.

Aankondiging van een voorstelling van het Zondagmiddag-cabaret in 1942.

Aankondiging van een voorstelling van het Zondagmiddag-cabaret in 1942.
Presentatie Jacques van Tol
Uitzendingen
Omroep Nederlandsche Omroep
Periode 19 oktober 1941 - januari 1944

Zweeds wittebrood

Zweeds wittebrood is de benaming van het brood, dat aan de mensen in West-Nederland werd gegeven gedurende de hongerwinter rond februari 1945.

In de herinnering van velen werd het Zweeds witbrood boven Nederland uitgegooid door Amerikaanse en Britse bommenwerpers in april/mei 1945 (tijdens operatie Manna). Het brood was echter in Nederland gebakken, van meel dat aangevoerd werd door drie grote schepen van het Zweedse Rode Kruis (de Noreg, de Dagmar Bratt en de Hallaren). De eerste twee schepen liepen op 28 januari 1945 de haven van Delfzijl binnen. Het vrachtschip Hallaren volgde korte tijd later. Aan boord van de eerste twee schepen bevond zich zo'n 3700 ton aan voedsel. In de Hallaren bevond zich zoín 4000 ton aan voedsel.

Van het aangevoerde meel werd in Nederlandse bakkerijen het echte ďZweedsch wittebroodĒ gebakken. Het vervoer van dit brood (onder supervisie van het Rode Kruis) werd bemoeilijkt door tekort aan transportcapaciteit, waardoor het voor de stedelijke bevolking nog een maand duurde voordat zij dit brood in handen kreeg. Voor de bevolking in de hongerende gebieden was het Zweeds wittebrood en de bijgeleverde margarine een onvergetelijke ervaring. Na gedurende jaren van bezetting en slechte voeding oorlogsbrood te hebben gegeten, proefde men nu eindelijk weer kwalitatief goed brood waarvan men smaak en geur bijna vergeten was. De overlevenden van de hongerwinter vertelden nog 50 jaar later enthousiast over deze voedselhulp, die voor hen als een 'gave des hemels' uit de 'lucht' kwam vallen

                                                                                                 Voor de distributie werden middenstanders als tijdelijke "Rode Kruiswinkels" aangewezen. Zij ontvingen naderhand deze oorkonde als erkenning.

Bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland

Dit artikel beschrijft het verloop van de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland op het einde van de Tweede Wereldoorlog.

In het najaar van 1944 werd het zuiden van Nederland bevrijd door het Engelse, Amerikaanse, Canadese en Poolse leger. Deze samenwerkende legers werden de 'geallieerden' genoemd. Het gebied boven de grote rivieren (vooral de grote steden in het westen) was nog niet bevrijd; een gewaagde poging daartoe mislukte in september. De bewoners boven de rivieren, vooral in West-Nederland, hadden vervolgens te lijden onder een verschrikkelijke 'hongerwinter'. Er was bijna geen eten meer; mensen aten bijvoorbeeld tulpenbollen om in leven te blijven. Meer dan 20.000 mensen stierven van honger.

In het voorjaar van 1945 slaagden de geallieerden erin om met een nieuw offensief de grote rivieren over te steken en de Duitse defensie te breken. Op 5 mei 1945 gaf het Duitse leger zich over en was heel Nederland bevrijd (zie Bevrijdingsdag), op enkele Waddeneilanden na. Op dat moment was Nederlands-IndiŽ nog bezet door het Japanse leger, dat (samen met ItaliŽ) aan de kant van Duitsland stond. Japan gaf zich over op 15 augustus 1945.

Valse start: Dolle Dinsdag
De bevrijding leek spoeding te gaan komen nadat eind augustus Heeresgruppe B in NormandiŽ ineenstortte, in chaotische toestand terug naar Duitsland vluchtte en de geallieerden in slechts enkele dagen Noord-Frankrijk en BelgiŽ konden innemen.Berichten verspreidden dat de Britten Brussel en Antwerpen hadden veroverd op 3 en 4 september en naar verluidt Ėmaar onjuistĖ ook Breda. Hierdoor ontstond in Nederland de volgende dag, later bekend als Dolle Dinsdag, een euforische stemming doordat het ene na het andere overdreven gerucht de valse hoop voedde dat de bevrijding nu nog slechts een kwestie van uren was. Maar men juichte te vroeg: de Duitse troepen herpakten zich en zouden zich niet zonder slag of stoot uit Nederland laten verdrijven. Er was nog een goed uitgedacht en georganiseerd geallieerd offensief nodig om dat te verwezenlijken.
Zuid-Nederland
Het zuidelijke deel van Nederland - beneden de grote rivieren - werd bevrijd in de herfst van 1944. Op 12 september 1944 trokken de Amerikanen Zuid-Limburg binnen en werden de eerste Nederlandse gemeenten bevrijd, Eijsden, Mesch, Mheer en Noorbeek. Op 13 en 14 september 1944 werd Maastricht bevrijd.
Bevrijding van Eindhoven, 20 september 1944
Operatie Market Garden werd vervolgens ingezet: een risicovol plan om in een keer de rivieren over te steken en zo Duitsland binnen te trekken. Uiteraard zou Nederland dan ook bevrijd worden. De operatie woedde van 17 tot 25 september 1944 en eindigde in een Duitse overwinning in de slag om Arnhem. In de herfst van 1944 werd het resterende deel van Nederland bezuiden de rivieren, met uitzondering van het gebied ten oosten van de Maas, bevrijd, voornamelijk om de toegang tot de belangrijke havenstad Antwerpen vrij te maken.
De Duitsers verzetten zich heftig zowel in Zeeland vanwege de toegang tot de haven van Antwerpen (zie Strijd om Walcheren), als ook in het oosten. In november 1944 werd Walcheren onderwatergezet door de dijken stuk te bombarderen. Hierdoor verjoeg men de Duitsers uit hun posities. De bevrijding van de linker Maasoever ging gepaard met de grootste tankslag op Nederlands grondgebied (de slag om Overloon), de Duitsers wisten zelfs nog enig terrein westwaarts te winnen, Uiteindelijk was op 3 december Blerick de laatste plaats aan de Maas die door het Britse leger werd bevrijd. Het front lag nu aan de grote rivieren en voorlopig was de geallieerde opmars in Nederland tot stilstand gekomen. Roermond en Venlo moesten nog tot 9 maart 1945 wachten op de bevrijding door het Amerikaanse leger in de operatie Grenade.
Noord-Nederland
Het noordelijke deel van Nederland is in de lente van 1945 bevrijd. Deze tweede fase in de bevrijding begon buiten Nederland, te weten met de geallieerde verovering van de Ludendorffbrug bij Remagen in Duitsland op 7 maart 1945. Brits-Canadese legers bogen af naar Oost-Nederland. Op 23 maart 1945 betraden de eerste geallieerde eenheden Oost-Nederland bij Dinxperlo en Elten, waar overigens hard werd gevochten.
Vanaf dit moment was er geen sprake meer van een geregeld front. De Canadezen pasten een soort 'estafette'tactiek toe waarbij de voorste eenheden werden afgelost door achteropkomende eenheden. Men trachtte zover mogelijk op te rukken waarbij blokkades en versterkingen werden omzeild en succes direct werd uitgebuit. Om flankbeveiliging bekommerden de geallieerde eenheden zich niet meer. Dit was ook vrijwel niet meer nodig: de verdedigende Duitse troepen bestonden grotendeels uit ongemotiveerde oude mannen en jonge jongens die bovendien slecht bevoorraad waren.
De stad Groningen werd daarentegen op 14, 15 en 16 april met verve verdedigd door enkele duizenden fanatieke Duitse en Nederlandse SS'ers. In de daaropvolgende strijd ging de noordkant van de Grote Markt in vlammen op. Groningen was niet het enige voorbeeld: een deel van de bezetters en collaborateurs verdedigde zich wel degelijk tot het uiterste.
West-Nederland
De geallieerde troepen maakten geen haast met het binnentrekken van West-Nederland. Het Canadese leger staakte op 20 april haar opmars door de Gelderse Vallei net voor de Grebbelinie die door de Duitsers in maart 1945 was hersteld onder de naam Pantherstellung. Met voedseldroppings eind april 1945 (Operatie Manna) probeerde men de ergste hongersnood te lenigen. Op 4 mei 1945 gaven de Duitsers in Nederland zich onvoorwaardelijk over en konden de geallieerden eindelijk West-Nederland binnentrekken.
Texel
Op het eiland Texel maakten 800 GeorgiŽrs deel uit van het Duitse leger, deels vrijwillig, deels min of meer gedwongen. Op 5 april 1945 kwamen zij tegen de Duitsers in opstand. Deze opstand van de GeorgiŽrs werd door het Duitse leger na vijf weken strijd neergeslagen. Er kwamen 565 GeorgiŽrs, 120 Texelaars en 800 Duitsers bij om. De Duitsers waren op Texel aan de macht tot 20 mei, toen Canadese militairen op het eiland aankwamen. De 228 overlevende GeorgiŽrs werden na de oorlog uitgeleverd aan de Sovjet-Unie.
Schiermonnikoog
Het eiland Schiermonnikoog was de laatste gemeente in Nederland die werd bevrijd. Toen in april 1945 de provincie Groningen werd bevrijd door de Canadezen, vluchtte een groep van ongeveer 120 SS'ers naar het eiland, waar nog steeds een Duits garnizoen aanwezig was. Op 11 juni werden de laatste 600 man Duitse troepen op Schiermonnikoog door de Canadezen afgevoerd.
Vast patroon
Bevrijdingen verliepen vaak volgens een vast patroon. Het schieten en oorlogsgeweld kwam naderbij, vervolgens een verkenner of een dorpsgenoot die beweerde de bevrijders te hebben gezien. Uiteindelijk arriveerden na enkele uren gespannen wachten de geallieerden die door de bevolking stormachtig werden onthaald. Duitsers capituleerden of trokken zich terug terwijl verzetsstrijders en onderduikers tevoorschijn kwamen. "Foute" Nederlanders werden gevangengezet en beschimpt door de bevolking. De geallieerden brachten sigaretten en chocola mee en deelden die uit. In die bevrijdingsdagen vielen nog doden door verdwaalde kogels, zelfs van vreugdeschoten maar ook tijdens de schietpartij op de Dam van 7 mei 1945.

Bevrijding van Amsterdam, 8 mei 1945

 

 

 

Bevrijding van Eindhoven, 20 september 1944

 

Schietpartij op de Dam van 7 mei 1945

Op 7 mei 1945, twee dagen na de capitulatiebespreking in Wageningen, werd de bevrijding gevierd op de Dam in Amsterdam toen rond drie uur 's middags plotseling schoten werden gelost door Duitse militairen vanaf het balkon van De Groote Club, op de hoek met de Kalverstraat. Hierbij vielen meer dan dertig doden en ruim 100 gewonden.
Bevrijdingsfeest
Twee dagen daarvoor, op 5 mei 1945, tekende de Duitse bezetter in Wageningen officieel het einde van de Tweede Wereldoorlog voor Nederland. Op 7 mei was het feest op de Dam in Amsterdam. Duizenden mensen hadden zich verzameld om Canadese bevrijders te verwelkomen, die op die dag verwacht werden. Muziek klonk uit draaiorgel 'Het Snotneusje' en mensen dansten in het rond. De stad was echter nog vol met gewapende Duitse militairen en milities van de Binnenlandse Strijdkrachten.
De Duitsers hadden op 4 mei met de Geallieerden een wapenstilstand gesloten, waarin onder meer was vastgelegd dat (alleen) de Geallieerden de Duitsers in West-Nederland zouden ontwapenen. Aan de Binnenlandse Strijdkrachten, onder leiding van Prins Bernhard, was daarom door de Geallieerden opgedragen om geen Duitsers te ontwapenen en zich niet gewapend op straat te vertonen.
De schietpartij
De vreugde op de Dam veranderde in paniek toen er op de mensenmassa werd geschoten vanuit De Groote Club naast het Koninklijk Paleis. Rond 15.00 uur schoten Duitse militairen van de Kriegsmarine op de menigte. Er ontstond paniek en de burgers vluchtten alle kanten op. Velen probeerden zichzelf in veiligheid te brengen door naar het Damrak en de aanliggende straten te rennen.
Een aantal mensen zocht dekking achter lantaarnpalen, een tweetal kleine kiosken en het draaiorgeltje. Er vielen volgens lang gehanteerde officiŽle cijfers tweeŽntwintig, maar volgens in 2013 aan het licht gekomen feiten aanzienlijk meer dodelijke slachtoffers en er waren ruim honderd gewonden. De slachtoffers werden door kogels geraakt of onder de voet gelopen. De schietpartij duurde zo'n anderhalf uur.
Volgens de voordracht voor de Militaire Willems-Orde heeft de Nederlandse majoor Carel Frederik Overhoff die Gewestelijk Commandant van het strijdend gedeelte der Binnenlandse Strijdkrachten, Gewest 10, te Amsterdam was, met gevaar voor eigen leven tijdens de schietpartij ingegrepen. Hij heeft, zo staat in de voordracht, "met gevaar voor eigen leven, op een motor met zijspan gezeten, alleen vergezeld door een Duitse officier en een wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, als bestuurder, door zijn persoonlijk krachtig en kordaat optreden en door zich moedig tussen de vurenden te begeven, waarbij de bestuurder van het motorrijwiel vlak voor hem dodelijk werd getroffen, het vuren door beide partijen doen staken en de orde hersteld, door welk moedig en beleidvol optreden Amsterdam gespaard bleef voor een noodlottiger omvang of verscherping van dit incident, dat aan de burgerij reeds een aantal van ongeveer twintig doden en honderd en twintig gewonden had gekost".
Volgens een andere bron, een artikel in Vrij Nederland van 28 maart 1981,heeft een van oorsprong Oostenrijkse immigrant, de embryoloog dr. H.A.L. Trampusch, voordat Overhoff was gearriveerd al het schieten weten te beŽindigen. Trampusch zou de commandant in De Groote Club aan de telefoon hebben gekregen en deze gedreigd hebben met de krijgsraad als het schieten niet ophield.
Volgens journalist Auke Kok hebben de Duitse commandant en de commandant van de BS gezamenlijk de schietende partijen tot kalmte kunnen brengen.

Tegelijkertijd of kort na deze schietpartij op de Dam vond er ook een schietpartij plaats bij het Victoria Hotel op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade. Schutters hier waren in het hotel gelegerde leden van de SS. Aan het Victoria Hotel (zijde Prins Hendrikkade) is ter herinnering een gedenkplaat opgehangen. Ook aan deze schietpartij wist Overhoff een eind te maken. Uit de gedenkplaat is af te leiden dat de wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee hier sneuvelde.

Motieven schutters
Er zijn verschillende theorieŽn waarom de Duitse militairen begonnen te schieten. Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat een Duitse soldaat zich verzette, omdat een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) hem wilde ontwapenen.Dit was tegen de orders van de Geallieerden, die de BS hadden opgedragen om afzijdig te blijven. De geallieerden zouden zelf de Duitse bezettingsmacht ontwapenen.

Een andere bron sluit daar in redelijke mate bij aan. Het feest werd gadegeslagen door een aantal Duitse zeemiliciens[5] op het dak van De Groote Club. Er zouden op een zeker moment twee Duitse militairen op de hoek van de Paleisstraat en de Spuistraat door leden van de BS zijn aangehouden. Ze werden gesommeerd om hun wapens over te dragen, waarop een van hen weigerde. Hij werd doodgeschoten, waarna de Duitsers op De Groote Club begonnen te schieten in de richting van de BS'ers die dat deden.
Vanaf het Rokin en de Nieuwendijk begonnen andere leden van de BS vervolgens te schieten op de Duitsers, waarna deze met allerhande wapens terugschoten. De menigte op de Dam vluchtte in paniek uiteen, waarbij een aantal van hen in het schootsveld terechtkwam of onder de voet werd gelopen.
Er is ook een verhaal over gefrustreerde dronken soldaten. Ze zouden hun verlies niet hebben kunnen dragen of woedend zijn geweest vanwege de eerder genoemde arrestatie. Dit verhaal werd in 2014 weggezet als een mythe. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat ze handelden uit wraakgevoelens vanwege het kaalknippen van zogenaamde 'moffenhoeren'dan wel uit vrees dat ze zelf zouden worden gelyncht.
Er is indertijd geen onderzoek gedaan naar de oorzaak, waardoor het onduidelijk is hoe de schietpartij precies is ontstaan.
Nieuw monument
Op mei 2016 is door Burgemeester Eberhard van der Laan en nabestaanden van slachtoffers een nieuw monument voor de 31 tot nu toe bekende slachtoffers onthuld. Het monument bestaat uit 31 naamstenen. De vormgeving kwam tot stand doordat men online een steentje bij elke naam kon plaatsen. Er zijn meer dan 15000 steentjes geplaatst en de aldus gevormde namen zijn door steenhouwer Gielkens in Belgie uitgewerkt in wit graniet. De stenen liggen op de noordzijde van de Dam, tussen Damrak en Nieuwendijk.
In maart 2017 werd echter bekend dat een aantal dagen na de onthulling van de gedenkstenen er een 32e slachtoffer zou zijn. Na onderzoek in het medische dossier van het vermeende slachtoffer concludeerde het bestuur van de Stichting Memorial voor Damslachtoffers dat hij inderdaad het 32e slachtoffer is van de schietpartij op de Dam

Op 7 mei 1945 ontstond een schietpartij tussen Duitsers in De Groote Club naast het Paleis op de Dam en eigenzinnige leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, waarbij door paniek en rondvliegende kogels doden en gewonden in de volksmassa op de Dam vielen. (foto: Krijn Taconis)

Op 7 mei 1945 ontstond een schietpartij tussen Duitsers in De Groote Club naast het Paleis op de Dam en eigenzinnige leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, waarbij door paniek en rondvliegende kogels doden en gewonden in de volksmassa op de Dam vielen. (foto: Krijn Taconis)
Plaats Amsterdam
CoŲrdinaten 52į 22′ NB, 4į 44′ OL
Datum 7 mei 1945
Tijd 15.00
Doden 32
Gewonden 100

Een slachtoffer wordt afgevoerd

Gedenkplaat op de gevel van De Groote Club, hoek Dam/Kalverstraat

3-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4