Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

3-Japan in de Tweede Wereldoorlog

Japans marineschip in de Tweede Wereldoorlog

Agano (schip, 1942)

De Agano (Japans: 阿賀野 軽巡洋艦, Agano keijunyōkan) was het leiderschip van de Agano-klasse van vier lichte kruisers, die ten dienste stonden van de Keizerlijke Japanse Marine tijdens de Pacifische oorlog. Haar naam was afgeleid van de rivier Agano in de Japanse prefecturen Fukushima en Niigata.
Achtergrond
De lichte kruisers van de Agano-klasse waren ontworpen voor de vervanging van lichte gewapende commandoschepen voor torpedobootjager- en onderzeeboot-eenheden, en tot doelstelling voor het vervangen van eerdere klassen van lichte kruisers, gebouwd kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Dienstcarrière
De "Agano" werd gebouwd in Sasebo op de Japanse Marine Werf en werd afgewerkt op 31 oktober 1942 en aanvankelijk toegewezen tot het Destroyer Squadron 10 van de Japanse Derde Vloot. Op 16 december 1942 begon de "Agano" haar eerste gevechtsoperatie, waarvan ze deelnam samen met het Japanse vliegkampschip "Junyo" en andere oorlogsschepen tot het escorteren van de landingstroepen op Wewak en Madang in Nieuw-Guinea.
De "Agano" was vervolgens betrokken in de evacuatie van Japanse troepen van Guadalcanal, nadat het schip vrijwel onbetekenende wijzigingen had ondergaan, vooraleer ze mede met krachtvolle vlooteenheden aanving, tot doelstelling en als ruggesteun tegen Amerikaanse strijdmachten, die geland waren op Attu Island op de Aleoeten. Alhoewel, voordat in de tussentijd haar eenheid werd samengesteld, hadden de Amerikanen geheel de eilandengroep weer ingenomen en werd het offensief afgeblazen.
In juni 1943 was de "Agano" in Kure voor herstellingen, inbegrepen het aanbrengen van een luchtdoelradar Type 21 en tien 25-mm Type 96 anti-vliegtuig-snelvuurkanonnen in tweedubbele en twee driemondige snelvuurkanonnen, bijgevoegd tot de originele tweedubbele vuurmonden voor een totaal van 16 snelvuurkanonnen. Na de herbewapening en het droogdok, vertrok de "Agano" naar Truk in de Carolinen eilanden, samen met een zware Japanse strijdmacht. Niettegenstaande een aantal speldenprikken door Amerikaanse onderzeeërs en een aanval op het Japanse vliegdekschip "Zuiho", kwam de "Agano" veilig aan in Truk waar ze begon met het overbrengen van troepen op Rabaul.
De "Agano" vertrok met de vloot om de Amerikaanse invasietroepen nabij Eniwetok te onderscheppen in september 1943, maar faalde om in contact te komen met de Amerikaanse strijdmachten. Een andere poging tot het onderscheppen van Amerikaanse Navy-eenheden in oktober was een tegenslag als geen ander. Alhoewel, op 2 november 1943, terwijl ze deelnam aan de vlootondersteuning van de verdediging van Rabaul, nam de "Agano" deel in een grootscheepse actie (de Slag van Keizerin Augusta Baai) tegen Amerikaanse eenheden, welke daar de kruiser "Sendai" en de torpedobootjager "Hatsukaze" tot zinken werden gebracht.
Drie dagen later was de "Agano" terug in de haven van Rabaul. De lichte kruiser was ternauwernood ontsnapt aan luchtaanvallen van de Amerikaanse vliegdekschepen USS Saratoga (CV-3) en USS Princeton (CVL-23), en had ze maar lichte schade opgelopen en één gesneuveld bemanningslid. De vloot koos terug zee tot het bewerkstellen van Amerikaanse strijdkrachten, maar dit werd afgelast en de vloot keerde terug huiswaarts naar Rabaul op 7 november 1943.
In de haven van Rabaul kreeg de "Agano" een Mark 13-torpedo in haar achtersteven, gelanceerd door een Grumman TBF Avenger-vliegtuig in een andere Amerikaanse luchtaanval, met als oorzaak, ernstige beschadigingen, en met als gevolg dat ze niet kon deelnemen, met de vlooteenheid van schout-bij-nacht Morikazu Osugi. De volgende dag, samen met drie andere oorlogsschepen, vertrok de "Agano" voor Truk, maar onderweg werd ze getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeër USS Scamp (SS-277). De USS Albacore (SS-218) ondernam ook een aanvalspoging, maar werd zelf aangevallen door een spervuur van dieptebommen door de escorterende torpedojager. De "Agano" werd op sleeptouw genomen door haar zusterschip, de lichte kruiser "Noshiro" en keerde zo terug naar Truk op 16 november 1943.
Na drie maanden van haastige lokale herstellingen, was de "Agano" weer bekwaam om met een operatie deel te nemen. Met maar twee schroeven van de vier in bedrijf, vertrok ze van Truk op 15 februari 1944, voor de Japanse thuiseilanden waar ze in haar geheel zou hersteld worden. Ze zou er nooit aankomen... Geëscorteerd door de torpedobootjager "Oite", werd de "Agano" getroffen door twee torpedo's van de Amerikaanse onderzeeboot USS Skate (SS-305), op 160 zeemijlen van Truk. De torpedotreffers zetten de lichte kruiser in vuur en vlam. Van haar bemanning van 726 manschappen, werden zo'n 523 overlevenden nog gered door de begeleidende torpedojager "Oite". De volgende morgen, 16 februari, zonk de "Agano" op positie 10°11' N. en 151°42' O.
Terwijl de "Oite" terugkeerde naar Truk, werd de torpedobootjager zelf het slachtoffer door bommen van Amerikaanse TBF Avengers, tijdens Operatie Hailstone op 18 februari 1944. De getroffen torpedobootjager nam 20 bemanningsleden met zich mee. Al de overlevenden van de lichte kruiser "Agano", waar tevens veel gewonden bij waren, en die gered werden door de onfortuinlijke "Oite", gingen mede verloren.
De "Agano" werd verwijderd van de Japanse Marinelijst op 31 maart 1944.
Lijst van bevelhebbers
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Ko Nakagawa - 15 februari 1942 - 31 oktober 1942
Kapt. Ko Nakagawa - 31 oktober 1942 - 5 augustus 1943
Kapt. Hiroshi Matsubara - 5 augustus 1943 - 16 november 1943
Kapt/RADM Takamatsu Matsuda - 16 november 1943 - 17 februari 1944 (gesneuveld; gered door "DD Oite", maar verging mede met de "Oite", het reddingsschip op 18 februari 1944.

Agano

Agano
Geschiedenis
Besteld 1939
Tewaterlating 22 oktober 1941
In dienst 31 oktober 1942
Status Tot zinken gebracht: 15 februari 1944 door USS Skate (SS-305) in positie 10°11' N. en 151°42' O.
Algemene kenmerken
Lengte 162 m
Breedte 15,20 m
Diepgang 5,60 m
Deplacement 6652 ton (standaard); 7590 ton (beladen)
Voortstuwing en vermogen 4 schachten Gihon koppeling-turbines - 6 Kampon ketels - 100.000 pk.
Vaart 35 knopen (67 km/h)
Bereik 6000 zeemijl aan 18 knopen (33,5 km/h)
Bemanning 726 manschappen
Bewapening 3 x 2 = 6 x 6,1-inch (152-mm) Type 41 kanonnen, 4 x 76-mm kanonnen, 32 x 25-mm Type 96 luchtafweerkanonnen,4 x 2 = 8 610-mm torpedobuizen - 16 dieptebommen
Bepantsering 60-mm (gordelriemgeschut),20-mm (deksnelvuurgeschut)
Vliegtuigen en faciliteiten 2 x watervliegtuigen (Aichi E13A) - 1 katapult

Asama Maru (schip, 1929)

De Asama Maru (Japans: 淺間丸) was een voormalig Japans passagiersschip van de rederij Nippon Yusen Kaisha Line. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het ingezet in de Stille Oceaan als troepentransportschip voor de Japanse Keizerlijke Marine in de Stille Oceaan.

Geschiedenis
De zusterschepen Asama Maru en Tatsuta Maru, gebouwd bij Mitsubishi in Nagasaki, waren bestemd voor de trans-Pacificdienst Yokohama-San Francisco. De Asama Maru mat 16.975 brt. Met haar snelheid van 19 (maximaal 21) mijl, kon ze het traject in twaalf dagen en zeven uur afleggen. Op 15 september 1929 kwam ze in dienst. Op 2 september 1937 werd ze door een orkaan bij Hongkong op de kust gezet. In 1938 hervatte ze de dienst op de Amerikaanse westkust. Het schip was zwart van romp, met een de traditionele witte bovenbouw, maar had nu twee kortere schoorstenen, met nu de rederijkleuren en tevens de Japanse kleuren. De zwarte schoorstenen hadden nu de wit-rood-wit-rood-witte kleurbanden als handelsmerk. Zoals de andere passagiersschepen van deze rederij, werd de Asama Maru opgevorderd door de Keizerlijke Japanse Marine en omgebouwd tot troepentransportschip. Ook de Asama Maru viel ten prooi aan een Amerikaanse onderzeeër en wel op 1 november 1944 in de Zuid-Chinese Zee. Het schip bleef nog geruime tijd drijven na de torpedering, zodat de overlevenden, zoals bemanning en troepen, zich nog konden redden. Daarna verdween het voormalige passagiersschip voorgoed in de golven.

De Asama Maru in 1931.

Chiyoda (schip, 1938)

De Chiyoda (Japans: 千代田) was een vliegdekschip van de Keizerlijke Japanse Marine. Ze werd oorspronkelijk als watervliegtuig-moederschip gebouwd, vooraleer ze werd omgebouwd tot een licht vliegdekschip in 1943-1944. Ze werd het zusterschip van de "Chitose".
Geschiedenis
Evenals haar zusterschip de "Chitose", vervoerde ze eerst watervliegtuigen en daarna werd ze omgebouwd tot het transporteren van dwergonderzeeboten. Deze kleine tweemansduikboten waren de Type A dwergonderzeeërs. Zij werden voor het eerst actief ingezet tijdens de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941, doch zonder noemenswaardig succes. De "Chiyoda" werd tot zinken gebracht met alle bemanningsleden nog aan boord in de Slag bij Kaap Engaño, tijdens de Slag in de Golf van Leyte op 25 oktober 1944. Hierbij verging eveneens op dezelfde dag haar zusterschip de "Chitose" door toedoen van Amerikaanse bommenwerpers, torpedoinslagen en scheepsgeschut. Beide lichte carriers lokten de Amerikaanse hoofdmacht weg van de landingsstranden op de Filipijnen. Dezelfde dag verging eveneens de "Zuiho".
Bevelhebbers
Als CVS
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Seiji Miziu - 20 november 1937 - 15 december 1938
Kapt. Tomeo Kaku - 15 december 1938 - 15 november 1939
Kapt. Tadao Yokoi - 15 november 1939 - 20 augustus 1940
Kapt./RADM Kaku Harada - 20 augustus 1940 - 9 januari 1943 (Bevorderd tot schout-bij-nacht op 1 november 1942).
Als CVL[bewerken]
Kapt. Akitomo Beppu - 9 januari 1943 - 15 februari 1944 (gesneuveld)
Kapt./RADM Eiichio Jyo - 15 februari 1944 - 25 oktober 1944 (gesneuveld) (Einde van de "Chiyoda").
Chiyoda[bewerken]
Gebouwd: 26 november 1934
Te water gelaten: 29 november 1936
In dienst gesteld: 25 juli 1938 (als watervliegtuig-moederschip)
Hersteld en omgebouwd: 1942 - 1943 (tot licht vliegdekschip)
Verloren gegaan: 25 oktober 1944 (Slag in de Golf van Leyte)
Technische gegevens[bewerken]
Klasse en type: Chitose-klasse en lichte vliegdekschip
Waterverplaatsing: 11.200 ton (standaard) - 15.300 ton (beladen)
Lengte: 192,50 m
Breedte 20,80 m
Diepgang: 7,50 m
Vermogen: 2 geschakelde turbines - 2 stoomturbines - 2 schouwen - 56.800 pk
Snelheid: 28,9 knopen (53,50 km/h)
Bemanning: 800 manschappen
Bewapening[bewerken]
Vliegtuigen: 30
8 x 127-mm kanonnen
30-48 (in 1944) x 25-mm snelvuurkanonnen

Chiyoda

Chiyoda
Geschiedenis
Kiellegging 26 november 1934
Tewaterlating 29 november 1936
In dienst 25 juli 1938 (als watervliegtuig-moederschip)
Opnieuw geclassificeerd 21 december 1943 (licht vliegdekschip)
Status Tot zinken gebracht op 25 oktober tijdens de Slag bij Kaap Engaño
Algemene kenmerken
Lengte 192,5 meter
Breedte 20,8 meter
Diepgang 7,5 meter
Deplacement 11.200 long ton
Voortstuwing en vermogen Turbine, 56.800 pk
Vaart 28,9 knopen
Bemanning 800
Vliegtuigen en faciliteiten

Chuyo (schip, 1940)

De Chuyo (Japans: 冲鷹, Chūyō, "zeehavik") was een Taiyo-klasse escorte vliegdekschip, dat actieve dienst deed in de Keizerlijke Japanse Marine tijdens de Pacifische Oorlog. Oorspronkelijk was dit een Japans passagiersschip, maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd ze eerst omgebouwd tot troepentransportschip en later tot licht vliegdekschip.
Passagiersschip
De "Nitta Maru" (Japans: 新田丸) was een passagiersschip van de Scheepslijn Nippon Yusen, in mei 1938 gebouwd op de scheepswerf van Mitsubishi in Nagasaki, te water gelaten in mei 1939 en in dienst gesteld op 23 maart 1940.
Troepentransportschip
In februari 1941 na het begin van de Tweede Wereldoorlog werd het schip omgebouwd om militairen en materialen te vervoeren. Het schip vervoerde Amerikaanse krijgsgevangenen van Wake eiland naar Japan. Het eerste transport van krijgsgevangenen vertrok vanuit Wake eiland op 12 januari 1942 en kwam aan in Yokohama rond 20 januari. Na de afvaart hingen de Japanners vijf gevangenen aan de scheepszijde boven de waterlijn om ze daarna "om hun moed te eren" te folteren en onthoofden. De lichamen werden verminkt met bajonetten en daarna overboord gegooid.
Vliegdekschip
Na de Slag bij Midway beschikte de Keizerlijke Japanse Marine over te weinig vliegdekschepen en werd het schip omgebouwd tot escortevliegdekschip. De ombouw vond plaats in Kure tussen 1 juli en 25 september 1942. Ze werd hernoemd tot Chuyo. Haar vliegdek mat 150 m x 23 m en was uitgerust met twee dekliften. Ze had geen eigen katapulten of opvallende tuigage en uitrustingen. De Chuyo diende voor vervoer van vliegtuigen en vliegoefeningen. Ze voer gedurig samen met haar zusterschepen Taiyo en het eveneens van passagiersschip tot escorte vliegdekschip omgebouwde Unyo.
Getorpedeerd
Op 1 december 1943 stoomde de Chuyo van Truk naar Yokosuka, met aan boord de krijgsgevangen Amerikaanse matrozen en officieren van de duikboot USS Sculpin (SS-191). Onderweg op 4 december 1943, werd ze getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeër USS Sailfish (SS-192) om 0h10. Tijdens de volgende uren viel de onderzeeër het al beschadigde vliegdekschip om 5h55 voor de tweede keer aan. Na haar derde aanval en door torpedo-inslagen van vier van de vijf torpedo's, aan haar stuurboordzijde omstreeks 9h42, zonk de "Chuyo" snel met ongeveer 1.250 personen, onder wie 513 officieren en manschappen en 730 passagiers, inbegrepen de 20 van de 21 Amerikaanse krijgsgevangenen. Eén Amerikaans matroos George Rocek kon zich uit de zee redden door de stuurboordladder van een voorbijvarende torpedojager te grijpen. Hij werd opgepikt door de Japanners.
Staat van dienst
Type en klasse: Voormalig passagiersschip, omgebouwd tot escortevliegdekschip van de "Taiyo"-klasse
Besteld: Scheepslijn Nippon Yusen
Gebouwd: 9 mei 1938 - Mitsubishi Shipyard, Nagasaki
Te water gelaten: 20 mei 1939 - als passagiersschip "Nitta Maru"
In dienst: 25 november 1942 - als escortevliegdekschip "Chuyo"
Gezonken: Tot zinken gebracht door de onderzeeër USS Sailfish (SS-192) op 4 december 1943
Technische gegevens[bewerken]
Waterverplaatsing: 17.830 ton (standaard) - 19.500 ton (max.)
Lengte: 173,70 m waterlijn - 180,40 m geheel
Breedte 22,50 m
Diepgang: 7,74 m
Vermogen: 4 Kampon waterpijpketels - 2 Kampon geschakelde stoomturbines - 25.200 pk (18.522 kW) - 2 schouwen, 1 roer
Snelheid: 21 knopen (39 km/h)
Reikwijdte: 6.500 zeemijl (12.000 km) aan 18 knopen (andere bronnen) 8.500 zeemijlen
Bemanning: 850 manschappen
Bewapening[bewerken]
Omgevormd tot escorte vliegdekschip
27 vliegtuigen
4 x 2 127-mm L/40 AA snelvuurkanonnen (Type 89)
4 x 2 25-mm L/60 AA snelvuurkanonnen (Type 96)
Vanaf augustus 1943 bijgeplaatst
5 x 13,2-mm L/76 AA snelvuurkanonnen (Type 93)
25-mm snelvuurkanonnen overzij de machinekamer en magazijnen
Bevelhebbers[bewerken]
Chef Uitrusting Officier - Kapitein Shizue Ishii - 20 november 1942 - 25 november 1942
Kapitein Shizue Ishii - 25 november 1942 - 1 februari 1943
Kapitein Yoshiro Kato - 1 februari 1943 - 27 september 1943
Kapitein / Konteradmiraal Tomesaburo Okura - 27 september 1943 - 4 december 1943 (gesneuveld)

De Chuyo

 

 

 

 

 

 

USS Sailfish torpedeerde Chuyo

Fuso (schip, 1915)

De Fuso (Japans: 扶桑 Fusō) was een van de eerste slagschepen van de Japanse Keizerlijke Marine. De naam is een verwijzing naar een oude benaming voor Japan.[1]

Beschrijving
De Fuso-klasse bestond uit twee schepen, de Fuso en de Yamashiro. Deze klasse was afgeleid van de schepen uit de Kongo-klasse, bestaand uit de Haruna, Kongo, Hiei en Kirishima. De Fuso-klasse was bewapend met twaalf 356mm-kanonnen opgesteld in zes dubbelloopskoepels op de hartlijn van het schip. Het schip werd besteld bij de marinewerf van Kure Kaigun Kosho op 11 maart 1912 en te water gelaten op 28 maart 1914.[bron?] De Fuso werd officieel in dienst genomen op 18 november 1915. Het schip had een waterverplaatsing van 39.154 ton en was 192 meter lang. Het slagschip kon na de aanpassing tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog 25 knopen varen en had een bemanning van 1400 man.

Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Fuso niet aanwezig bij de belangrijkste zeeslagen, omdat zij werd gebruikt voor het escorteren van konvooien en andere werkzaamheden. Ondanks alle aanpassingen tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, waarbij het schip onder andere een pagodemast kreeg, vond de Japanse marine de schepen uit de Fuso-klasse te langzaam.

Tweede Wereldoorlog
De Fuso werd op 18 april 1942 opgeroepen om de Amerikaanse schepen in te halen die de Doolittle Raid op Japan hadden uitgevoerd. Op 8 juni 1943 werd het schip naar Hashirajima gestuurd om de 353 overlevende scheepslieden van het geëxplodeerde schip Mutsu op te halen. Het nam ook deel aan het versterken van de troepenmacht op Truk in augustus 1943 en op Biak in juni 1944. De Fuso maakte samen met haar zusterschip Yamashiro bij de Slag in de Golf van Leyte deel uit van de zuidelijke groep onder de Japanse admiraal Shoji Nishimura.

Tijdens de slag in de straat van Surigao op 25 oktober 1944, om 9 minuten over 3 's ochtends, werd de Fuso geraakt door 1 of 2 torpedo's afgevuurd door de Amerikaanse torpedobootjager Melvin waardoor ze vlamvatte. Hierop trok ze zich terug uit het gevecht. Rond kwart voor 4 's ochtends explodeerden de magazijnen van de C- of de Q-geschutskoepel (of, waarschijnlijk, beide) waardoor de Fuso doormidden brak. Waarschijnlijk kwamen alle bemanningsleden hierbij om het leven. Het is mogelijk dat enkele drenkelingen de kust hebben bereikt en daar zijn gedood door de inboorlingen die de Japanners vijandig gezind waren.

De Fuso op testvaart na een revisie op 10 mei 1933

De Fuso op testvaart na een revisie op 10 mei 1933
Geschiedenis
Besteld 1912
Tewaterlating 28 maart 1914
In dienst 18 november 1915
Status Tot zinken gebracht op 25 oktober 1944 door de USS Melvin
Algemene kenmerken
Type Fuso-klasse
Lengte 205,13 m
Breedte 30,61 m
Diepgang 9,68 m
Deplacement 39.154 ton (standaard)
Vaart 22 knopen (WO2: 25 knopen)
Bemanning 1400
Bewapening 356mm-kanonnen: 12
152mm-kanonnen: 16

I-168 (schip, 1934)

De I-168 (Japans: 伊号第一六八潜水艦) was een Japanse Kaidai-klasse onderzeeër (KD6 Type) van de Keizerlijke Japanse Marine gedurende de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan. In de Slag bij Midway bracht hij twee Amerikaanse oorlogsschepen tot zinken: het vliegdekschip USS Yorktown (CV-5) en de torpedobootjager USS Hammann (DD-412). In die periode stond de I-168 onder commando van commandant-luitenant-ter-zee Yahachi Tanabe.

Geschiedenis
De onderzeeër werd afgewerkt op de Kure Dock Yard, Japan, op 31 juli 1934. Ze werd geregistreerd als I-168. Op 23 november 1941 werd de I-168 ingezet om deel te nemen aan de aanval op Pearl Harbor. Deze operatie, samen met andere I-boten en Type A dwergonderzeeboten, werd een mislukking en alle Type A dwergonderzeeërs werden vernietigd of vergingen. Ze bleef daar op patrouille en op post tot 13 december.
13 en 14 december 1941
De I-168 werd aangevallen door Amerikaanse torpedobootjagers en kreeg 21 nabijtreffers van dieptebommen te verwerken. Deze laatste aanval beschadigde haar batterijen en deden haar hek-torpedobuizen onderlopen. Na haar reparatie te Kwajalein, ondernam de I-168 weer haar patrouilles in de Grote Oceaan, voordat ze op 20 mei 1942 werd ondergebracht bij het Algemene Onderzeebootprogramma, ondersteund door IJN.

I-168

Slag bij Midway
Kapitein-ter-zee Yahachi Tanabe, wiens onderzeeboot, de I-168, op 10 mijl ten zuiden van Sand Island lag, kon het bombardement op Midway uitstekend volgen. "Het eiland," schreef hij na de oorlog, "veranderde in een laaiende vuurzee, met ontploffende brandstoftanks en militaire gebouwen. We zagen hoe het overdekt werd met vlammen en een dikke, zwarte rook. Ik liet mijn stuurman, mijn verbindingsofficier en mijn artillerieofficier om beurten door de periscoop kijken." Er ging een gejuich op bij de bemanning toen Tanabe bekendmaakte dat een grote brandstoftank geraakt was.
4 juni 1942 - Bij wijze van begin werd Tanabe, die nog steeds bij Midway patrouilleerde, bevolen dichter naar het eiland te varen en het vliegveld met het dekkanon te beschieten. De beschieting moest doorgaan tot Tanabe gezelschap kreeg van de vier zware kruisers van Kondo's invasiegroep, de "Mikuma", de "Mogami", de "Suzuja" en de "Kumano". Het slagschip "Hiei" zou direct na aankomst ook aan de strijd deelnemen. De spanning bereikte om ong. 01.00 u van 5 juni, toen Tanabe's onderzeeboot, handelde in overeenstemming met de bevelen die hij te 20.30 u van Vlootadmiraal Yamamoto ontvangen had. Hij dook in de lagune op en schoot de eerste granaat op Midway af. Tanabe's I-168 vuurde met zijn boordkanon naar de kustverdediging, maar toen hadden twee zoeklichten de I-168 in hun bundels. Kustbatterijen begonnen op hem te schieten en aan alle kanten vlogen granaten rondom de onderzeeboot. Tanabe moest teleurgesteld de aftocht blazen. Hij voer zuidwaarts weg en wist achtervolgende oppervlakteschepen van zich af te schudden. Tanabe schreef later; "Ik was boos en teleurgesteld, omdat ik mijn taken niet volledig volbracht had !" Daarna wachtte hij zijn verdere orders af. Hij had toen nog geen opdracht gekregen om de USS Yorktown te lokaliseren en tot zinken te brengen.
Yorktown en Hammann
6 juni 1942 - Nadat de USS Yorktown getroffen was door bommen en torpedo's van de "Hiryu"-aanvalsgroep, onder eskaderleiding van luitenant-vlieger Tomonaga (waarbij die te pletter sloeg op het vliegdekschip carrier) werd het Amerikaanse vliegdekschip weer rechtgezet en provisorisch hersteld tot zeewaardigheid. Een Japanse verkenner had haar echter weer teruggevonden en meldde dit aan admiraal Yamamoto. Deze riep de I-168 op en gaf Tanabe meteen de opdracht om de USS Yorktown op te sporen en te vernietigen. Tanabe verliet op volle snelheid Midway en arriveerde omstreeks 13.00 u, nadat hij zich onder het Amerikaanse torpedojagercordon een weg had gebaand. De I-168 kwam op periscoopdiepte en zag de USS Yorktown en de USS Hammann (DD-412) voor zich traag voorbijvaren op sleeptouw genomen door de sleepboot USS Vireo en de vooraan-stuurboordgemeerde en varende USS Hammann. Deze gaf het vliegdekschip stroom voor de pompen. Tevens sleepte hij mede de USS Yorktown voort, met een slakkengang van 4 knopen.
Commandant Tanabe berekende snel de afstand en lanceerde vier torpedo's en beval snel weg te duiken. Aan boord van het beschadigde vliegdekschip hield de werkploeg net lunchpauze. De mannen zagen aan stuurboordzijde de torpedo's aanstormen. De USS Hammann had geen tijd de trossen te kappen en één van de torpedo's trof de torpedojager midscheeps zodat die finaal in tweeën brak met een oorverdovende ontploffing. De USS Hammann zonk bijna onmiddellijk, en terwijl het in de golven verdween, ontploften de scherp afgestelde dieptebommen onder water. Vele manschappen die overboord geslagen waren of in het water sprongen, vonden daardoor de dood. Twee andere torpedo's troffen de USS Yorktown en toen het wrak de twee fatale schokken had doorstaan, wist de bevelhebber van het vliegdekschip, kapitein-ter-zee Elliott Buckmaster dat het nu definitief afgelopen was. Een derde keer het beschadigd vliegdekschip redden was er niet meer bij. Terwijl Buckmaster zijn manschappen weer van het getroffen schip haalde, probeerden zes torpedobootjagers de I-168 tot zinken te brengen. Commandant Tanabe kreeg 60 nabijtreffers van dieptebommen te verwerken en aan het eind van de aanval was de Japanse onderzeeër beschadigd. De lichten vielen uit, de pompen vielen stil, de batterijen waren beschadigd en er ontsnapte chloorgas uit de batterijen. Dit dodelijk gas was de grootste angst van de mannen in de I-168. Tanabe beval onmiddellijk hun gasmaskers op te zetten.
De aanvallende Amerikaanse torpedojagers braken hun aanval af. Ze werden teruggeroepen naar de USS Yoktown, omdat ze nog een ander aanvalsbericht had doorgeseind gekregen. Tanabe begreep er niets van, maar voelde zich opgelucht. Hij bracht de I-168 naar de oppervlakte, wat het de rest van de perslucht kostte. Toen Tanabe op de brug klom, zag hij drie torpedobootjagers. De USS Hughes zag de Japanner boven water varen, en alle drie de boten stormden erop af. Dat waren de USS Hughes (DD-410), de USS Gwin (DD-433) en de USS Monaghan (DD-354). Tanabe, die iedere seconde benutte, bleef zijn batterijen en persluchttanks opladen en voer op volle snelheid weg. De I-168 bleef doorvaren, zelfs toen de USS Hughes zo dicht was genaderd dat hij het vuur kon openen met zijn 125 mm kanonnen op de boeg. Op het laatste moment dook Tanabe, liet zijn onderzeeboot 180° draaien en liep onder de torpedobootjagers door.
De list slaagde: de I-168 ontsnapte en met een slakkengang voer hij terug naar Japan, met nog maar twee werkende motoren van de vier. (2 diesels en 2 elektromotoren), waar ze na 12 dagen aankwam. Navolgend de volledige reparaties te Sasebo, werd de I-168 weer geplaatst onder commando van luitenant-ter-zee Katsuji Watanabe en werd nu belast met een missie met bescherming van transport- en troepentransportschepen naar de belegerde Salomonseilanden en Kiska in het noorden.
De USS Yorktown daarentegen, bleef tot de volgende ochtend, (6 juni, Japanse tijd en 7 juni, Amerikaanse tijd) nog drijven. Toen sloeg het vliegdekschip naar zijn bakboordzijde om en zonk naar de oceaanbodem, 5.500 meter diep.
Einde I-168
Op 27 juli 1943 ontmoette de I-168 onder commando van luitenant-ter-zee Sakae Nakajima de Amerikaanse onderzeeër USS Scamp (SS-277) in de Straat Steffen nabij Lavongai. De Amerikaanse onderzeeër USS Scamp werd aangevallen door de I-168 die een torpedo naar hem lanceerde. Walter G. Ebert, de commandant van de USS Scamp ging vol vooruit en voerde een snelduik uit voor de aankomende torpedo, die hij liet voorbijgaan op 220 voet (67 meter). Daarna sloop Ebert terug naar periscoopdiepte. Om 18.12 u lanceerde de USS Scamp 4 torpedo's naar de Japanner. De I-168 werd getroffen en zonk met alle 97 manschappen aan boord naar de zeebodem, op 60 mijl van Lavongai op 02°50 Zuid en 149°01 Oost.
Bevelhebbers I-168
Chef Uitrusting Officier - Commandant Nobumichi Tsuruoka - 23 februari 1934 - 31 juli 1934
Commandant Nobumichi Tsuruoka - 31 juli 1934 - 15 november 1934
Luitenant-ter-zee Nobunosuke Ota 15 november 1934 - 15 november 1935
Luitenant-ter-zee Yasuchika Kayabara - 15 november 1935 - 1 december 1938
Luitenant-ter-zee Sumihiko Hatanaka - 1 december 1938 - 15 december 1938
Luitenant-ter-zee Shinji Uchino - 15 december 1938 - 1 september 1939
Luitenant-ter-zee Tomiichi Muraoka - 1 september 1939 - 19 oktober 1940
In Reserve - 19 oktober 1940 - 25 juli 1941
Luitenant-ter-zee Otoji Nakamura - 25 juli 1941 - 31 januari 1942 - (Hij werd op 13 en 14 december 1941 aangevallen door Amerikaanse torpedojagers nabij Hawaï en kreeg 21 nabijtreffers van dieptebommen, die hem serieus achteraan en zijn batterijen beschadigden.)
Luitenant-ter-zee Yahachi Tanabe - 31 januari 1942 - 30 juni 1942 - (Hij was verantwoordelijk tot het tot zinken brengen van de USS Yorktown en USS Hammann.)
Commandant-ter-zee Kinzo Tonozuka - 30 juni 1942 - 31 augustus 1942
Luitenant-ter-zee Katsuji Watanabe - 31 augustus 1942 - 15 oktober 1942
Luitenant-ter-zee Sakae Nakajima - 15 oktober 1942 - 27 juli 1943 (KIA) - (Op 27 juli 1943 verging de I-168 door een torpedoaanval van de USS Scamp onderzeeër.)
I-168
Werf: Kure Dock Yard, Kure, Japan
Klasse: Kaidai-klasse
Type: KD6-onderzeeër
Eenheden: 8 (Geen enkele overgebleven)
Schepen: I-168, I-169, I-170, I-171, I-172, I-173, I-174 en I-175
Jaren gereedgekomen: Van 1934 tot 1938
Technische gegevens
Lengte: 343,50 voet - 104,69 meter
Breedte: 27 voet - 8,22 meter
Diepgang: 15 voet - 4,57 meter
Waterverplaatsing: 1.785 ton - 2.440 ton (geladen)
Machines: 2 diesels 9.000 pk - 2 elektrische motoren 1.800 pk - 2 schroeven
Snelheid: 23 knopen - 42,59 km/h (boven water) - 8,25 knopen - 15,27 km/h (onder water)
Reikwijdte: 14.000 km aan 10 knopen - 18,52 km/h
Maximum diepte: 250 voet - 76 meter (veiligheidsdiepte) - (in vergelijking met de U-boten, niet erg diep)
Bemanning: 70 man - 97 man officieren en manschappen (Tweede Wereldoorlog)
Bewapening[bewerken]
14 torpedo's
4 x 533-mm torpedobuizen-vooraan (boegbuizen)
2 x 533-mm torpedobuizen-achteraan (hekbuizen)
1 x 10-cm 65 kaliber-dekkanon

Jintsu (schip, 1925)

De Jintsu (Japans: 神通 軽巡洋艦, Jintsu keijunyōkan) was een Japanse lichte kruiser van de Sendai-klasse die dienstdeed in de Keizerlijke Japanse Marine in de Pacifische oorlog. Ze werd op stapel gezet en gebouwd op 4 augustus 1922, te water gelaten op 8 december 1923 en op 31 juli 1925 was ze gereed voor de actieve dienst. Haar naam was afgeleid van de Jinzu-rivier in de prefecturen Gifu en Toyama in Centraal-Japan.
Achtergrond
De Jintsu was het tweede schip van de uit drie schepen bestaande Sendaiklasse van lichte kruisers. Ze werd ingezet voor gebruik als het vlaggenschip van een torpedobootjagerflottielje. Aanvankelijk behoorde ze tot de Nagaraklasse. Later werd de Jintsu omgebouwd en kreeg ze een katapult voor het lanceren van watervliegtuigen. Daarmee viel ze onder de Sendaiklasse.
Carrière
De Jintsu kwam gereed op de scheepswerf van Kawasaki in Kobe op 21 juli 1925. Bij één van haar eerste operaties, tijdens een nachtelijke oefening op 24 augustus 1927, kwam ze hard in aanvaring met de torpedobootjager Warabi. Deze laatste zonk en de Jintsu moest dringend terugkeren naar Maizuru voor reparatie.
In 1928 werd de Jintsu eerst ingezet om dekking te geven van de Japanse landingstroepen in de provincie Shandong tijdens het Jinan-incident en werd later gestationeerd in Qingdao.
Van 1928 tot 1941 werd de Jintsu' ingezet bij het patrouilles langs de Chinese kust en, vanaf 1937, na het begin van de Tweede Chinees-Japanse oorlog, als ondersteuning van de landingen van Japanse strijdkrachten in China.
Vroege optredens in de Pacificoorlog

Op 26 november 1941 werd het vlaggenschip Jintsu van schout-bij-nacht Raizo Tanaka (1892-1969) en DesRon 2 onder de Filipijnse Seizure Force, Southern Force van de Japanse Derde Vloot geplaatst. In de tijd van de aanval op Pearl Harbor, werd de Jintsu ingedeeld in de invasie van de zuidelijke Filipijnen, escorteerde ze transporten met de IJA 16e Infanterie Divisie en Kure N° 1 Special Naval Landing Force (SNLF) van vooruitgeschoven bases in Palau tot Davao, Legaspi en Jolo.
De Filipijnen vielen in Japanse handen aan het eind van december. De Jintsu werd nu ingedeeld, met schout-bij-nacht Kubo's Oostelijke Nederlands-Indië Seizure Force, met DesDiv 15 en DesDiv 16.
Slag in de Javazee
Op 9 januari 1942 vertrok de Jintsu vanuit Davao voor de invasie van Celebes, en escorteerde troepentransportschepen, vanaf de havenstad Sasebo, N° 1 Combined Special Naval Landing Force (SNLF). Op 17 januari verkende een Kawanishi E7K2 'Alf' watervliegtuig van de Jintsu een Nederlandse Lockheed Hudson-lichte bommenwerper en schoot hem omlaag, nabij Menado. Het vliegtuig werd zelf echter ook neergehaald. In februari werd de kruiser ingedeeld in de invasiestrijdmacht voor Ambon, en daarna in die voor Nederlands- en Portugees Timor en oostelijk Java.
De Jintsu nam zodoende deel aan de Slag in de Javazee, op 27 februari 1942. Haar torpedojagersgroep bestond uit DesDiv 7'e: Ushio, Sazanami, Yamakaze en Kawakaze en DesDiv 16'e Yukikaze, Tokitsukaze, Amatsukaze, Asagumo en Hatsukaze en daarnaast waren er nog de kruisers Nachi, Haguro en Naka.
Om 15:47 u kreeg de Jintsu, samen met het torpedobootjagerssmaldeel (en ook de Inazuma), voeling met het smaldeel van schout-bij-nacht Karel Doormans lichte kruiser De Ruyter, de kruisers HMS Exeter, USS Houston (CA-30), de lichte kruiser HMAS Perth, de Java, de torpedojagers HMS Electra, HMS Encounter, HMS Jupiter, Kortenaer, Witte de With en de oudere torpedobootjagers USS Alden (DD-211), USS John D. Edwards (DD-216), USS John D. Ford (DD-228) en USS Paul Jones (DD-230).
Watervliegtuigen die werden gelanceerd vanaf de Jintsu, Naka en Nachi, verkenden Doormans scheepspositie, waardoor de Japanse kanonniers op de geallieerde doelen konden richten. Om 17:27 u lanceerde de Jintsu acht type 93 Long Lance-torpedo's naar Doormans strijdmacht. Deze werden gevolgd door torpedo's van DesRon 2'e torpedojagers.
In totaal werden 72 torpedo's gelanceerd, maar geen enkele trof. De geallieerde vloot werd later vernietigd door andere oppervlakteschepen. De Jintsu wist wel, met hulp van de torpedojager Asagumo, de Britse HMS Electra tot zinken te brengen. Menige andere torpedojager werd fataal getroffen, zoals onder andere de Nederlandse torpedojager HNLMS Kortenaer. Ze kreeg midscheeps een torpedotreffer, die haar finaal in tweeën brak. De HNLMS De Ruyter en de HNMS Java stoomden door en konden, de ronddobberende drenkelingen niet oppikken, wegens gevaar van torpedering. Later werden beide Nederlandse schepen vernietigd.
Zomer 1942
Schout-bij-nacht Karel Doorman zonk met zijn schip naar de bodem van de Javazee. De bewapening van de geallieerde vloot schoot, letterlijk en figuurlijk, te kort, tegenover de Japanse invasievloot: hun kanonkalibers waren te klein en hun granaten en torpedo's troffen zelden doel, zodat de Japanse invasievloot zonder verdere noemenswaardige problemen Nederlands-Indië kon veroveren en daarna Australië bedreigen. De geallieerde vloot werd uiteengeslagen, vernietigd en op de vlucht gejaagd. Bij de Japanners was maar één dode te betreuren. Jozef Luns, die zelf als twintigjarige dienstdeed als matroos/seiner, verklaarde later dat het onbegonnen werk was om tegen de Japanse vloot te strijden. Vóór de oorlog werd er in de Tweede Kamer gedebatteerd over verbetering van de bewapening op de Nederlandse oorlogsschepen, maar dat vond de toenmalige regering te duur.
De Jintsu keerde in maart terug naar Japan voor reparaties. Terwijl ze in Kure lag werden de Japanse eilanden gebombardeerd in de Doolittle Raid. De Jintsu was één van de vele schepen die eropuit gezonden werd om de Amerikaanse vliegdekschepen te zoeken, maar zonder succes.
In mei werd de lichte kruiser naar Saipan gestuurd om deel te nemen met de Midway Invasie Force. Daar escorteerde ze troepentransportschepen en olietankers. Tijdens de Slag bij Midway, op 3 juni 1942, werd het konvooi gebombardeerd door negen B-17 Flying Fortress. Later werd het konvooi nog eens aangevallen door Consolidated PBY Catalina-torpedoboot-watervliegtuigen. Een olietanker, de Akebono Maru werd gedurende deze aanval getroffen, maar de Jintsu keerde onbeschadigd terug naar het Micronesische Truk en vandaar naar Japan.
In juli werd de Jintsu bij een reoganisatie van de Keizerlijke Japanse Marine ingedeeld bij de vernieuwde Achtste Vloot onder viceadmiraal Gunichi Mikawa. Nadat de Amerikaanse strijdkrachten Guadalcanal ingenomen hadden in augustus, werd het schip naar de Salomonseilanden gestuurd.

De nog nieuwe Jintsu, circa 1924-1925

De nog nieuwe Jintsu, circa 1924-1925
Geschiedenis
Kiellegging 4 augustus 1922
Tewaterlating 8 december 1923
In dienst gesteld 31 juli 1925
Uit dienst gesteld 13 juli 1943 door geallieerde kruisers tot zinken gebracht in de Slag bij Kolombangara, Salomonseilanden
Algemene kenmerken
Waterverplaatsing 5.195 ton
Afmetingen Lengte: 152,40 m
Breedte: 14;20 m
Diepgang: 4,90 m
Bemanning 452 manschappen
Techniek en uitrusting
Machinevermogen 4 schachten Parsons-gekoppelde turbines
10 Kampon-ketels
90,000 pk (± 67 MW)
Snelheid 35,3 knopen (65,38 km/h)
Bewapening 7 x 140-mm kanons (7x1)
2 x 80-mm kanons
4 x 620-mm torpedobuizen (4 x 2)
48 zeemijnen
Vliegtuig: 1 x watervliegtuig Kawanishi E7K - 1 katapult.

Twee overlevenden van de Jintsu aan boord van de USS Nicolas, gekleed in oude werkkleding van de Amerikaanse marine

Salomonseilanden
Op 16 augustus 1942 vertrok de Jintsu vanuit Truk als commandoschip en hoofdversterking voor Guadalcanal. Op 20 augustus landden de troepen, maar het lichtbewapende Japanse leger faalde door het noodweer op Henderson Field, Guadalcanal. Schout-bij-nacht Tanaka ontving een bericht van het hoofdkwartier van viceadmiraal Nishizo Tsukahara's Elfde Luchtvloot, dat hij zich moest terugtrekken van zijn konvooi en het noorden moest aanhouden, om het Amerikaanse eskader te vermijden. Kort daarna, kreeg hij een ander bericht van het hoofdkwartier van viceadmiraal Mikawa's Achtste Vloot met de orders om zijn koers te verleggen naar 250° west-zuidwest. Tanaka verzette zich tegen de tegenstrijdige orders van het opperbevel en zijn meerderen. Hij was verder gefrustreerd door de slechte radio-ontvangst die het contact met andere hoofdkwartieren verhinderde. Hij besloot zijn koers naar 320° west-noordwest te verleggen, op 190 zeemijlen (325 km) ten zuiden van Guadalcanal.
Ondertussen werden 20 Amerikaanse vliegtuigen (Cactus Air Force) vanaf het vliegdekschip USS Long Island (CVE-1) naar Guadalcanal gestuurd om de Amerikaanse verdediging te versterken. Volgens een bevel van admiraal Isoroku Yamamoto stoomde vice-afmiraal Chuichi Nagumo's Derde Vloot, met de vliegdekschepen Shokaku, Zuikaku, Ryujo en de slagschepen Hiei, Kirishima en de kruisers Kumano, Suzuya, Chikuma, Tone en Nagara en drie torpedojagers tot versterking, samen met de Jintsu naar Guadalcanal.
Op 23 augustus, op 200 zeemijlen (370 km) ten noorden van Guadalcanal, werd het konvooi van schout-bij-nacht Tanaka opgemerkt door een Consolidated PBY Catalina-vliegboot. Om 08.30 u ontving Tanaka een bericht van viceadmiraal Mikawa's Achtste vloot om onmiddellijk een koers naar het noorden aan te houden, om het Amerikaanse smaldeel te ontwijken. Om 14.30 u kreeg Tanaka weer een bericht van viceadmiraal Tsukahara's Elfde Luchtvloot om onmiddellijk samen met hem landingstroepen af te zetten op Guadalcanal, de volgende dag.
Tanaka verzette zich boos tegen alle tegenstrijdige orders, en antwoordde dat het niet kon, omdat sommige van zijn schepen te langzaam waren en er niet op tijd kon zijn, dankzij de voortdurende koersveranderingen.
De Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden vond plaats in de volgende twee dagen, op 24 en 25 augustus 1942. De Jintsu kwam samen met de Ryujo en lanceerde twee luchtaanvallen tegen Henderson Field. De Ryujo werd zelf getroffen door vliegtuigen van de USS Saratoga (CV-3), met vier bommen- en torpedotreffers, die haar machinekamer aan stuurboordzijde onder water zetten en zonk nog dezelfde nacht.
Op 25 augustus, op 150 zeemijlen (278 km) noordelijk van Guadalcanal, vielen 6 USMC Douglas SBD Dauntless-duikbommenwerpers, het konvooi van de Jintsu aan. Er werd een troepentransportschip tot zinken gebracht en een soortgelijk schip beschadigd. Een 500-kg bom trof de Jintsu en veroorzaakte een vuurzee en serieuze lekkages in haar voorste magazijnen. 42 matrozen werden meteen gedood en admiraal Tanaka moest zijn zwaarbeschadigde schip verlaten. Hij wisselde zijn vlootvlag naar de Kagero en de Jintsu vertrok naar Shortland en van daar naar Truk. Onderweg werden er noodreparaties uitgevoerd. Tot de volgende maand lag ze in reparatie. In oktober keerde ze terug naar Japan, waar de Type 96-kanonnen met driedelige vuurmond (25 mm) werden geïnstalleerd.
Slag bij Kolombangara
Na de revisie kreeg het schip op 9 januari 1943 weer de titel 'Vlaggenschip van DesRon 2' en vertrok het vanuit Kure terug naar Truk. De Jintsu werd onmiddellijk ingedeeld voor de operatie en het evacueren van de overgebleven Japanse troepen vanaf Guadalcanal, waar ze deze onderneming met succes dekte. In juli maakte de Jintsu verscheidene transporttochten, escorteerde strijdmachtbewegingen tussen Truk, Roi en Kwajalein.
Op 13 juli 1943 vocht de Jintsu in de Slag bij Kolombangara. Te 03:30 u vertrok het schip vanuit Rabaul als vlaggenschip van schout-bij-nacht Isaki, samen met de torpedojagers Yukikaze, Hamakaze, Yugure, Mikazuki, Kiyonami en de torpedo-transportschepen Satsuki, Minazuki, Yunagi en Matsukaze met 1200 man troepen voor het versterken van de Japanse posities op het eiland Kolombangara, in de Salomonseilanden. Spoedig na aankomst nam de radar van de Jintsu een geallieerde vloot waar, vóór ze visueel contact hadden gemaakt.
De geallieerde vloot was samengesteld uit de kruisers USS Honolulu (CL-48), USS St. Louis (CL-49), HMNZS Leander en de torpedobootjagers USS Ralph Talbot (DD-390), USS Maury (DD-401), USS Gwin (DD-433), USS Woodworth (DD-460) en de USS Buchanan (DD-484), USS Radford (DD-446), USS Jenkins (DD-447), USS Nicolas (DD-449), USS O'Bannon (DD-450) en de USS Taylor (DD-468).
Het einde
Schout-bij-nacht Isaki gaf bevel tot een nachtelijke torpedoaanval en de Jintsu lanceerde 31 Type 93 Long Lance-torpedo's, toen het schip in de vele zoeklichten van de geallieerde vloot gevangen werd. Deze zoeklichten werden fataal voor het Japanse schip. Ze werd meteen volop beschoten, zonder pauze. De Jintsu werd getroffen door minstens tien 6-inch granaten van de geallieerde kruisers, waardoor ze in brand vloog. Het aanhoudende spervuur doodde beide bevelhebbers, schout-bij-nacht Isaki en kapitein-ter-zee Sato. Kort daarop sloeg een torpedo een fatale treffer in de achter-stuurboordzijde van de achterschip-machinekamer.

Toen kapitein-ter-zee Zenjiro Shimai van de Yukikaze het bevel overnam van de Japanse vloot, deed hij een felle tegenaanval en bracht de USS Gwin (DD-433) tot zinken en beschadigde de USS St. Louis (CL-49) en HMNZS Leander. Ondertussen brak de brandende Jintsu rond 23.48 u in twee stukken en zonk op positie 07°38' Z. en 157°06' O. naar de bodem van de zee.
Later werden 21 bemanningsleden van de Jintsu opgepikt door de Japanse onderzeeër I-180 en nog later werd nog een aantal Japanners gered door Amerikaanse schepen, maar 482 manschappen sneuvelden in deze strijd.
De lichte kruiser Jintsu werd verwijderd uit de Marinelijst op 10 september 1943.
Kapiteins
Yoshichika Fukushima - Chef Uitrustingen - 8 december 1923 - 21 juli 1925
Yoshichika Fukushima - 21 juli 1925 - 1 december 1925
Toyonaka Yamauchi - 1 december 1925 - 1 november 1926
Keiji Mizuki - 1 november 1926 - 1 december 1926
Jugoro Arichi - 1 december 1926 - 15 november 1927
Toraroku Akiyama - 15 november 1927 - 10 december 1928
Shinichiro Machida - 10 december 1928 - 30 november 1929
Hikozi Tooyama - 30 november 1929 - 1 december 1930
Haruma Izawa - 1 december 1930 - 1 december 1931
Yasutaro Iwashita - 1 december 1931 - 15 november 1932
Masakichi Okuma - 15 november 1932 - 15 november 1933
Kozo Suzuki - 15 november 1933 - 15 november 1934
Kenzaburo Hara - 15 november 1934 - 11 november 1935
Koso Abe - 11 november 1935 - 1 december 1936
Hiroaki Abe - 1 december 1936 - 1 december 1937
Raizo Tanaka - 1 december 1937 - 15 december 1938
Sukeyuki Nanba - 15 december 1938 - 15 november 1939
Shunji Izaki - 15 november 1939 - 5 december 1939
Masatomi Kimura - 5 december 1939 - 15 oktober 1940
Torazo Kozai - 15 oktober 1940 - 26 december 1942
Toshio Fujita - 26 december 1942 - 12 maart 1943
RADM Torajiro Sato - 12 maart 1943 - 13 juli 1943 (gesneuveld bij de ondergang van de Jintsu)

Junyo Maru (schip, 1913)

De Junyo Maru (Japans: 順陽丸) was een Japans vrachtschip dat in de Tweede Wereldoorlog op 18 september 1944 werd getorpedeerd door de Britse onderzeeboot HMS Tradewind met ongeveer 5600 doden als gevolg.
Het is één van de grootste scheepsrampen in de geschiedenis met bijna vier keer zoveel doden als bij de Titanic waar in april 1912 zo'n 1500 slachtoffers vielen.
Het schip werd in 1913 voor Lang & Fulton gebouwd door Robert Duncan Co. te Glasgow. Het was onderweg van Java naar Sumatra met naast de bemanning nog 2300 Amerikaanse, Australische, Britse en Nederlandse krijgsgevangenen en 4200 Javaanse werkslaven (Romoesja's). Ze waren allen bestemd om aan de 220 kilometer lange Pekanbaru-spoorweg tussen Pekanbaru en Muaro te werken. Het Japanse woord Yunyo betekent havik; Maru wordt al sinds 1493 gebruikt om een schip aan te duiden.
Inleiding
In september 1943 werd door de werksoldaten begonnen met de bouw van de Pekanbaru-spoorweg van Pekanbaru naar Muaro op Sumatra. Eerst werd een spoordijk aangelegd. Deze spoorlijn werd gebouwd door krijgsgevangenen en Romoesja's. De krijgsgevangenen werden vanaf mei 1944 aan het werk gezet en zij legden de spoorbaan aan.
In de voormalige kazerne van het 10e infanterie bataljon van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) in Batavia, werden krijgsgevangenen vastgehouden van verschillende nationaliteiten en van verschillende legeronderdelen. Nieuwe gevangenen uit andere delen van de archipel werden naar andere kazernes getransporteerd. Deze gevangenen werden slecht behandeld. Meestal kregen ze niet te horen waar ze heen werden gebracht of wat er zou gebeuren.
Een groep van 1600 mannen bereidde zich in de nacht van 15 op 16 september 1944 voor op een transport. Deze mannen waren eerder gezond verklaard en zouden de reis kunnen volbrengen. Waarheen de reis hen zou brengen en wat hen te wachten stond, werd hen niet verteld. Het grootste deel van de groep bestond uit leden van de vroegere Stadswacht van Batavia. Verder waren er ook Britse, Australische en Amerikaanse gevangen militairen. Uit deze groep waren door de Japanners ongeveer driehonderd KNIL-militairen geselecteerd. Deze groep bestond uit Nederlanders, Ambonezen en Manadonezen. Ook een relatief kleine groep van burgers en zeelieden behoorde tot het transport.
De groep werd op vrijdagmorgen 15 september per trein vanaf het Station Pasar Senen naar de haven van Batavia, Tanjung Priok, vervoerd. In de haven lag een oud schip dat de Junyo Maru bleek te zijn.
Bij aankomst in de haven werden ruim 4200 Romoesja's in het ruim gestouwd. Vervolgens werd de groep die per trein naar de haven was aangevoerd, bestaande uit ongeveer 1100 Nederlandse — en ongeveer 1100 Britse en Amerikaanse krijgsgevangenen, het schip in gedreven.
Aan boord van het schip
Het schip vertrok op zaterdag 16 september 1944 vanuit de haven van Batavia in noordwestelijke richting. De Junyo Maru werd geëscorteerd door twee Japanse korvetten. Vermoedelijk waren ongeveer 100 Japanners aan boord die de reis begeleidden. De gevangenen kregen nog steeds niet te horen waar de reis heen zou gaan. De opvarenden zagen wel, dat het schip erg oud was en in zeer slechte staat verkeerde. Achterstallig onderhoud was zichtbaar en overal was er roest.
Door de hitte en de viezigheid braken aan boord ziekten als dysenterie uit. Het beetje water dat aanwezig was, was niet bestemd voor de gevangenen, maar voor de Japanners die de reis begeleidden. De gezondheid van de gevangenen ging snel achteruit.
De omstandigheden waren verre van ideaal aan boord. De hitte was ondraaglijk, maar toen de zuidwestkust van Sumatra in zicht kwam, werd het weer zeer slecht. Het regende en de temperatuur daalde. De volgende dag was het opnieuw heet. Door uitputting waren er al enkele gevangenen gestorven. Deze gevangenen werden zonder ceremonie overboord gegooid.
Op maandagmiddag, 18 september, deed een zware explosie het schip schudden. Delen van het schip vlogen alle kanten uit. Daarna was het doodstil op het schip. Om paniek te voorkomen deelden de Japanners mee dat de motoren van het schip waren uitgevallen. Kort daarna was een tweede explosie te horen. Een vrachtwagen, die in het ruim stond, raakte los uit zijn sjorringen en verpletterde enkele opvarenden. Overlevenden kropen over elkaar heen, liepen naar het dek en sprongen in zee, ook al konden sommigen niet zwemmen. Velen konden zich redden door zich vast te houden aan vlotten. Op dat moment was het nog tamelijk rustig aan boord, niet iedereen realiseerde zich dat het schip zinkende was.
Uiteindelijk duurde het twintig minuten voordat het schip zonk, op vijftien kilometer ten westen van Bengkulu voor de zuidwestkust van Sumatra. Vermoedelijk hebben maar 200 werksoldaten de ramp overleefd. Van de krijgsgevangenen, burgers en Japanse bemanningsleden hebben ongeveer 675 opvarenden de ramp overleefd. Het schip werd later genoemd als een van de Japanse helleschepen.
HMS Tradewind.
De Tradewind, die in januari 1944 aan de onderzeebootvloot van de geallieerden was toegevoegd, had als opdracht Japanse vrachtschepen te torpederen om te voorkomen dat de Japanners hun troepen in Nederlands-Indië konden bevoorraden.
Op 8 september 1944 verliet de Tradewind de haven van Trincomalee op Sri Lanka voor een patrouille langs de west- en zuidkust van Sumatra. Op 17 september had commandant Maydon van de HMS Tradewind geconstateerd dat de high power periscoop en de radar defect waren. Besloten werd om nog een dag te patrouilleren bij de zuidwestkust van Sumatra tussen Bengkulu en Padang. Via een low power periscoop van de onderzeeër werd een sliert rook aan de horizon gezien. Commandant Maydon besloot om dichterbij te gaan varen. Enkele uren later bleek het om de Junyo Maru met haar twee begeleidingschepen te gaan. Vier torpedo's werden gelanceerd, waarvan twee de Junyo Maru troffen. Enkele minuten later werden vanaf de Japanse begeleidingschepen drie dieptebommen in het water gegooid. Op dat moment was de Tradewind alweer ondergedoken. Bij gebrek aan een werkende high power periscoop was Maydon niet in staat te zien hoe zwaar bewapend de begeleidende schepen waren en of er vliegtuigen aanwezig waren. De onderzeeër voer weg in zuidoostelijke richting, richting Straat Soenda, en hervatte daar de patrouille.
Eind 1942 had het Internationale Rode Kruis er bij Japan op aangedrongen om de Conventie van Genève te respecteren. Dit betekende dat Japan zich moest houden aan voorschriften over bijvoorbeeld de wijze waarop men om dient te gaan met krijgsgevangenen. Zo moest bij vervoer van gevangenen een groot rood kruis zichtbaar zijn, opdat de geallieerden konden weten dat het schip met rust gelaten moest worden. Op haar laatste reis voerde de Junyo Maru echter geen rood kruis.
Redding door de korvetten
Een half uur nadat het schip was gezonken, kwam één van de begeleidende korvetten terug om drenkelingen op te pikken. Dit gebeurde maar mondjesmaat; de overige drenkelingen moesten zich zien te redden in open zee en moesten trachten om naar de kust te zwemmen.
De opgeviste drenkelingen hielden elkaar wakker aan boord van één van de korvetten. Gevangenen die in slaap waren gevallen of verzwakt waren, werden zonder pardon weer overboord gegooid. De gevangenen die niet overboord werden gegooid, werden later als slaven ingezet bij de aanleg van de 220 kilometer lange spoorlijn tussen Pekanbaru (in de huidige provincie Riau) en Muaro (tegenwoordig provincie West-Sumatra).
Pakanbaroe-spoorweg
Scheepsramp
Wilhelm Gustloff (schip)
Trivia[bewerken]
De mannen moesten hun ontlasting op een pisangblad aan de Japanners laten zien, om vast te laten stellen dat ze geen dysenterie hadden.
De Japanners hielden geen goede administratie bij. Het is nooit duidelijk geworden, wie allemaal aan boord waren. Er bestaan lijsten met opvarenden en slachtoffers, maar deze lijsten zijn niet compleet.
Twee overlevenden waren de vader van de schrijver Adriaan van Dis en de vader van de schrijfster Marion Bloem. Een andere overlevende was Pieter Dirk Timmermans, die al zwemmend de kust kon bereiken, hij had zijn goede conditie te danken aan de roeisport. Pieter was diverse malen Nederlands kampioen skiff.
Onder de KNIL-militairen bevonden zich ook Surinamers, tien van hen zijn omgekomen.

Britse vlag               Japanse vlag

Geschiedenis
Werf Robert Duncan Co., Glasgow, Schotland
Tewaterlating 1913
Omgedoopt 1913 - Ardgorm
1917 - Hartland Point
1919 - Hartmore
1921 - Sureway
1927 - Junyo Maru
1938 - Zyunyo Maru
Status Getorpedeerd op 18 september 1944
Eigenaren
Eigenaar 1913 - Lang & Fulton
1917 - Norfold North American Steam Shipping
1919 - Anglo-Oriental Navigation Co. Ltd, Liverpool
1921 - Sanyo Sha Goshi, Kaisha, Japan
1927 - Karafuto Kissen K.K., Tokio, Japan
1938 - Baba Shoiji K.K., Tokio, Japan
Algemene kenmerken
Lengte 123 meter
Breedte 16,15 meter
Diepgang 8,29 meter
Tonnenmaat 5065 brt
Voortstuwing en vermogen

Kirishima (schip, 1915)

De Kirishima (Japans: 霧島) was een schip van de Keizerlijke Japanse Marine en de vierde Kongo-klasse slagkruiser. Ze werd gebouwd door Mitsubishi in Nagasaki op 17 maart 1912, te water gelaten op 1 december 1913, en in dienst gesteld op 19 april 1915. Vanaf 1933 tot 1934 werd ze omgebouwd te Kure. Ze kwam tevoorschijn van haar herconstructie als een "snel slagschip", 4.000 ton zwaarder dan origineel voordien. Het schip is genoemd naar de vulkaan Kirishima.

In dienst
Haar eerste gezagvoerder in de Tweede Wereldoorlog was Yamaguchi Jihei, voordien de bevelhebber van de zware kruiser "Takao", en later bevorderd tot schout-bij-nacht, en nog later tot viceadmiraal. De "Kirishima" werd ingedeeld tot Vice-Admiraal Gunichi Mikawa's Slagschipdivisie 3, samen met de slagkruisers "Hiei", "Kongo" en "Haruna".

Pacifische Oorlog
Op 26 november 1941 vertrok de "Kirishima" met de First Air Striking Force ("Kido Butai") en nam deel aan de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941. Tezamen met de meeste van de Striking Force, keerde ze terug naar haar marinebasis te Kure op 24 december. Vandaar, vertrok de vloot weer voor een andere aanval op de marinebasis van Truk. Daarna voer ze mee in de Zuid-Pacific, ter ondersteuning van de invasies op Rabaul en Kavieng.

Samen met de "Hiei" escorteerde de "Kirishima" de Carrier Striking Force wanneer ze als vlaggenschip een voorname luchtaanval op Darwin, Australië mede ondersteunde op 19 februari 1942. De "Kirishima" nam ook deel in de Slag in de Javazee op 1 maart, in een reeks van raids tegen geallieerde oorlogsschepen in de Indische Oceaan, tussen 5 en 9 april en in de voor de Japanners rampzalige Slag bij Midway op 4 en 5 juni 1942. De "Kirishima" nam daar ook aan deel tussen 4 en 7 juni 1942.

Als "Battle Division 11" namen de "Kirishima" en de "Hiei" deel in de Slag bij de Oostelijke Salomonseilanden op 24 augustus en de Zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden op 26 oktober 1942.

Haar einde
Op 15 november 1942 kwamen de "Kirishima" en haar begeleidende escorteschepen, bijna samen en tegenover de Amerikaanse vlootstrijdkracht in de Slag bij Guadalcanal. In het daaropvolgende zeegevecht, beschadigde ze het Amerikaanse slagschip USS South Dakota (BB-57). Ze slaagde er niet in de USS Washington (BB-56) op te sporen, die op 7 km van haar verwijderd meevoer. In de donkere nacht had ze het vlaggenschip van kapitein-ter-zee Lee niet opgemerkt. De USS Washington beantwoordde het vuur en schoot 75 16-inch granaten op de "Kirishima" af waarvan 9 raak met daarbij nog een aantal 5-inch granaattreffers. De "Kirishima" werd geraakt in haar bovenbouw die in brand vloog. Stuurloos draaide het gehavende Japanse slagschip rondjes, omdat haar besturingscontrole vernield was. Haar kapitein Sanji Iwabuchi gaf bevel het schip te verlaten. Haar bemanning stapte over naar een torpedobootjager. Daarna werden door vrijwilligers de Kingstonkleppen geopend om de "Kirishima" zelf tot zinken brengen. Het slagschip rolde over haar stuurboordzijde en sloeg ondersteboven. De torpedojagers "Asagumo", "Teruzuki" en "Samidare" redden kapitein Iwabushi en Ono Koro, zijn eerste officier en 1.125 manschappen. 300 man vonden de dood... De "Kirishima" ging ten onder, ten noordwesten van het eiland Savo op positie 09°10' Zuid en 159°55' Oost. De oceanograaf Robert Ballard vond haar achtergedeelte terug, ondersteboven gelegen, op de zeebodem nabij het eiland Savo.

De Kirishima voor de kust van Amoy, China (1938).

De Kirishima voor de kust van Amoy, China (1938).
Geschiedenis
Kiellegging 17 maart 1912
Tewaterlating 1 december 1913
In dienst gesteld 19 april 1915
Uit dienst gesteld Tot zinken gebracht in de Slag bij Guadalcanal, nabij het eiland Savo, op 15 november 1942
Algemene kenmerken
Waterverplaatsing 36.600 ton
Afmetingen Lengte: 222 m
Breedte: 31 m
Diepgang: 9,70 m
Bemanning 1360
Techniek en uitrusting
Machinevermogen Stoomturbines, 4 schachten
Snelheid 30 knopen
Bewapening 4 x 2 = 8 356-mm kanons, 8 x 2 = 16 155-mm kanons, 8 x 1 = 8 127-mm dubbel gebruik kanons op 118 x 25-mm luchtafweer snelvuurkanonnen

Bevelhebbers
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Rokuro Kamaya - 15 december 1914 - 19 april 1915
Kapt. Rokuro Kamaya - 19 april 1915 - 13 december 1915
Kapt. Takeshi Shima - 13 december 1915 - 1 december 1916
Kapt. junichi Matsumura - 1 december 1916 - 18 juli 1917
Kapt. Masaki Nakamura - 18 juli 1917 - 1 december 1917
Kapt. Kinzaburo Mimura - 1 december 1917 - 10 november 1918
Kapt. Genjiro Katsuki - 10 november 1918 - 20 november 1919
Kapt. Takashi Yoko - 20 november 1919 - 8 januari 1920
Kapt. Sukeichi Yasumura - 8 januari 1920 - 1 december 1921
Kapt. Heigo Teraoka - 1 december 1921 - 1 december 1922
Kapt. Masataka Ando - 1 december 1922 - 6 november 1923
Kapt. Teiji Sakamoto - 6 november 1923 - 1 december 1924
Kapt. Hisanori Fujita - 1 december 1924 - 20 oktober 1925
Kapt. Takayoshi Kato - 20 oktober 1925 - 1 december 1926
Kapt. Naojiro Honjuku - 1 december 1926 - 1 december 1927
Kapt. Kanekoto Iwamura - 1 december 1927 - 10 maart 1928
Kapt. Yoshikazu Furukawa - 10 maart 1928 - 10 december 1928
Kapt. Choji Inoue - 10 december 1928 - 8 februari 1929
Kapt. Minoru Hirota - 8 februari 1929 - 1 november 1929
Kapt. Takuo Fujisawa - 1 november 1929 - 1 december 1930
Kapt. Shigeru Kikuno - 1 december 1930 - 1 december 1931
Kapt. Sekizo Uno - 1 december 1931 - 1 december 1932
Kapt. Haruo Kitaoka - 1 december 1932 - 15 november 1933
Kapt. Ibo Takahashi - 15 november 1933 - 15 november 1934
Kapt. Kunji Tange - 15 november 1934 - 15 november 1935
Kapt. Gunichi Mikawa - 15 november 1935 - 1 december 1936
Kapt. Kakusaburo Makita - 1 december 1936 - 1 december 1937
Kapt. Masao Kanazawa - 1 december 1937 - 15 november 1938
Kapt. Takeo Tada - 15 november 1938 - 15 november 1939
Kapt. Kyuji Kubo - 15 november 1939 - 27 december 1939
Kapt. Saichiro Tomonari - 27 december 1939 - 19 oktober 1940
Kapt. Kazutaka Shiraishi - 19 oktober 1940 - 15 augustus 1941
Kapt. Jihei Yamaguchi - 15 augustus 1941 - 20 april 1942 (Slagen in de Pacifische oorlog tot 15 november 1942)
Kapt. Sanji Iwabuchi - 20 april 1942 - 15 november 1942 (Haar einde)

Musashi (schip, 1942)

De Musashi (Japans: 武蔵) was een Japans slagschip dat dienstdeed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was genoemd naar de voormalige Japanse provincie Musashi.
De bewapening en omvang van het schip waren op zijn minst spectaculair te noemen. Ze was 263 meter lang en 71.659 ton zwaar. Samen met de Britse Furious waren de Yamato-klasse slagschepen de enige met kanonnen van een groter kaliber dan 40,6 cm (16 inch): de negen kanonnen hadden een diameter van 46 cm. Ze waren in drie drielingtorens ondergebracht, hadden een bereik van 41 kilometer en wogen 2200 ton per stuk.
Voorgeschiedenis
Na de Eerste Wereldoorlog ondertekende Japan in 1922 het Verdrag van Washington, dat onder andere voorzag in een beperking van de militaire scheepsbouw voor een periode van tien jaar. Dit verdrag werd herzien en uitgebreid met het Verdrag van Londen. In oktober 1934 ontstond een geheim plan van de Japanse marine om een superslagschip te bouwen: de Yamato. De constructie daarvan begon in maart 1937, nadat Japan eind 1936 had geweigerd genoemde verdragen te verlengen en besloot te gaan werken aan een tweede superslagschip in deze klasse.
Einde
Dit schip werd gebouwd op de scheepswerf van Nagasaki en werd in alle stilte te water gelaten op de ochtend van 11 november 1941. De Musashi werd het vlaggenschip van admiraal Yamamoto en bracht na diens dood op 18 april 1943 de urn met diens as terug naar Japan. Na in maart 1944 een eerste aanval van de Amerikaanse marine te hebben doorstaan werd de Musashi op 24 oktober 1944 tijdens de Slag in de Golf van Leyte door Amerikaanse vliegtuigen tot zinken gebracht.
De Musashi en de Yamato waren de grootste slagschepen ooit gebouwd en wellicht ook de laatste van hun soort. Met de komst van het luchtwapen was de rol van het slagschip in de maritieme oorlogsvoering uitgespeeld.
Op 4 maart 2015 meldde de Amerikaan Paul Allen dat een expeditie onder zijn leiding het wrak van de Musashi in de Filipijnse Sibuyanzee zou hebben ontdekt.

Musashi verlaat de haven van Brunei, 1944

Nagato (schip, 1920)

De Nagato (Japans: 長門) is een van de twee slagschepen uit de Nagato-Klasse bestaand uit de Nagato en zusterschip Mutsu. De Nagato werd gebouwd door de marinewerf in Kure en voltooid in 1920. De Mutsu werd gebouwd door de marinewerf in Yokosuka en voltooid in november 1921. De Mutsu en de Nagato waren de eerste kapitale schepen met 406 mm kanons, ze waren in de periode van 1920-1930 de krachtigste oorlogsschepen ter wereld.
Aanpassingen
Tussen 1934-1935 werden beide schepen gemoderniseerd. De originele twee schoorstenen werden samen gevoegd naar een schoorsteen om de rook ver weg te houden van de fokkenmast. Ook werd de achtersteven verlengd naar 224 meter en de breedte veranderd naar 34,6 meter. Er werd ook een driedelige bodem aangebracht voor de extra bescherming. Verder werden er nieuwe scheepsmotoren geplaatst. Door deze aanpassingen kwam er veel ruimte vrij waardoor de Pagodemast kon worden uitgebreid. Er werd nieuw hoofdgeschut geplaatst dat een elevatie had van 43 graden in plaats van 30 graden; hierdoor werd het bereik vergroot van 28.165 meter naar 30.015 meter. Ook het tweede en derde geschut werd enigszins verbeterd. Er kwam een katapult voor drie watervliegtuigen op het dek en de bepantsering van de belangrijkste ruimtes werd verzwaard. Na deze aanpassingen konden beide schepen modern worden genoemd.
Tweede Wereldoorlog
Voor het uitbreken van de Pacific war was de Nagato het vlaggenschip van Admiraal Iroroku Yamamoto's gecombineerde vloot. Op 2 december 1941 gaf Yamamoto het signaal om te beginnen met de aanval op Pearl Harbor vanaf de Nagato in de haven van Hashirajima. In april 1942 werd de Nagato achter de vliegdekschepen die de Doolittle Raid hadden uitgevoerd gestuurd. Maar voordat de schepen van de gecombineerde vloot in contact konden komen met die vliegdekschepen waren ze al verdwenen. In mei 1942 was de Nagato samen met zusterschip de Mutsu en het slagschip Hyuga. Door een fatale kanonexplosie in een van de turrets van de Hyuga moesten de schepen al snel terugkeren naar de thuisbasis in Hashirajima. In juni 1942 voer de Nagato met het hoofddeel van de slagschepen tijdens de Slag bij Midway. Dat was samen met de slagschepen Yamato, Mutsu en vliegdekschip Hosho en Sendai en negen destroyers. De Nagato was getuige van het rampzalige verlies van vier vliegdekschepen tijdens deze slag.
In 1943 werd de Nagato samen met de Yamato en het hoofddeel van de combineerde vloot naar het strategische eiland Truk gestuurd om daar snel te kunnen ageren tegen de geallieerde aanvallen. Na de evacuatie van Truk in februari 1944 verbleef de Nagato in Lingga in de buurt van Singapore. Daar bleef ze tot ze in de Slag in de Filipijnenzee meedeed. Deze slag liep uit op een ramp, maar de Nagato werd niet beschadigd. Nog geen vier maanden later vertrok de Nagato vanuit Brunei Bay als onderdeel van admiraal Kurita's centrale vloot voor de Slag in de Golf van Leyte. Dat was een wanhopige strijd om de geallieerden er verder van te weerhouden om op deze eilanden te landen.
De Nagato werd in 1946 bij Bikini in het kader van Amerikaanse kernproeven vernietigd.

De Nagato in 1946 aan het eind van haar bestaan

Sen Taka-klasse

De Sen Taka-klasse (Japans: 伊二〇一型潜水艦, I-Nihyakuichi-gata sensuikan) was een Japanse onderzeeboot uit de Tweede Wereldoorlog voor de middellange afstand. Deze duikboot dankte haar naam aan een afkorting voor de Japanse woorden "onderzeeër" en "snel".

Ontwerp
Dit type leek in vele opzichten op de Duitse type XXI en bevond zich daarmee in select gezelschap. In vergelijking met de XXI beschikte deze onderzeeër echter over meer vermogen, een hogere maximumsnelheid en een uitgebreidere bewapening. Indertijd hadden de Japanse ontwerpen de reputatie slechts traag te duiken en daarnaast slecht manoeuvreerbaar te zijn. Maar met de Sen Taka maakten de Japanse ontwerpers hun achterstand meer dan goed: de boot voer onder water dubbel zo snel als Amerikaanse duikboten.

De Sen Taka was specifiek gericht op massaproductie en beschikte over een gelaste, gestroomlijnde romp. Bovendien beschikte dit schip over een snorkel, waardoor de dieselmotoren de accu's ook onder water konden herladen. Verder brachten de Japanners een rubberen beschermlaag op de scheepsromp aan, dit als bescherming tegen vijandelijke radar en sonar.

Geen daadwerkelijke inzet
Door het voor Japan ongunstige verloop van de strijd, kon deze slechts drie van de acht op stapel staande exemplaren afbouwen (al waren oorspronkelijk twee dozijn gepland). Van deze drie nam geen enkele boot aan de strijd deel.

Na de Japanse capitulatie reageerden de Amerikanen negatief op de Russische wens om dit type te mogen inspecteren: het feit dat ze speciaal voor massaproductie waren ontworpen zat hen niet lekker. Van de drie gecompleteerde boten stuurden ze er twee naar Hawaï, om deze aan een nader onderzoek te ontwerpen. Maar de Sovjet-Unie hield aan haar verzoek vast. Daarom sleepte de Amerikaanse marine in 1946 beide schepen naar dieper water nabij Oahu, waar ze tot zinken werden gebracht. Aanvullende redenen om ze af te zinken bestonden uit het feit dat ze erg smerig waren en krioelden van de ratten tegen de tijd dat de V.S. ze in handen kreeg, bovendien bleek de technische betrouwbaarheid een zwakke schakel.

Herontdekking
In 2009 vonden speciaal voor op grote diepte ontworpen vaartuigen diverse wrakken, waaronder een Sen Taka. Na mediaberichten dat de onderzoekers enige wrakken hadden herontdekt, overhandigde een gepensioneerd marineman een oude film, waarop de torpedering van een van de duikboten te zien was. Maar hierop waren tevens diverse kustgedeeltes zichtbaar, waarna de onderzoekers een ruwe positiebepaling maakten van de meest waarschijnlijke vindlocatie.

Een Sen Taka onderzeeër

Werf Kure scheepswerf
In dienst 3
Status afgezonken in 1946
Algemene kenmerken
Lengte 79 m
Breedte 5,80 m
Diepgang 5,46 m
Deplacement 1270 ton aan oppervlakte, 1427 ton ondergedoken
Voortstuwing en vermogen 2 scheepsschroeven, 2 dieselmotoren, vermogen 2050,7 kW/2750 pk of elektrische motor, vermogen 3728,5 kW/5000 pk
Vaart max. 16 knopen aan oppervlakte, max. 19 knopen ondergedoken
Bereik 5800 mijl op 14 knopen, ondergedoken 135 mijl op 3 knopen
Testdiepte 110 m
Capaciteit 15 dagen op kruissnelheid van 14 knopen, max. patrouilleduur 25 dagen
Bemanning 31 koppen
Bewapening 4x 533 mm-torpedobuizen, 10 torpedo's, 2x 25 mm-mitrailleurs

Shinano (schip, 1944)

De Shinano (Japans:信濃) was een vliegdekschip van de Japanse Keizerlijke marine tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk was ze bedoeld als het derde slagschip van de Yamato-klasse. Maar omdat de Japanners de Slag om Midway verloren, werd gekozen om van het in aanbouw zijnde slagschip Shinano een vliegdekschip te maken. Het was het grootste vliegdekschip dat werd gebouwd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Pas in 1956 kwam er een groter vliegdekschip in dienst, de USS Forrestal. Het schip is vernoemd naar de Japanse provincie Shinano.

Aanvankelijk ontwerp
Het ontwerp van bouwnummer 110 week op een aantal punten af van haar zusterschepen, Yamato en Musashi. Tijdens tests was gebleken dat de zware bepantsering van de geschuttorens en romp lichter konden zijn met behoud van dezelfde bescherming. Dit leverde een belangrijke afname van het gewicht op. Hierdoor konden de drievoudige bodem, vuurleiding en uitkijkposities worden versterkt. Tevens zou het schip uitgerust worden met nieuw secundair geschut. De 127 mm kanons van het originele ontwerp werden vervangen door nieuwe 100 mm kanons, die weliswaar lichter waren, maar sneller en doeltreffender in gebruik.

Bouw
Op 4 mei 1940 werd op de marinescheepswerf in Yokosuka de kiel gelegd voor bouwnummer 110. De romp werd gebouwd in Droogdok 6, dat speciaal voor dit schip was gegraven. Door een te lage productie van grondstoffen en de gelijktijdige bouw van meerdere oorlogsschepen op de scheepswerf verliep de bouw zeer langzaam. Pas in juni 1942 was de romp gereed. In deze maand vond tevens de Slag om Midway plaats. Dit was een kantelpunt in de oorlog op zee. Voortaan zouden zeeslagen voornamelijk gevoerd worden met vliegdekschepen. De roep om grote slagschepen verdween en de nadruk kwam op het bouwen van of het ombouwen naar vliegdekschepen te liggen. De marineleiding besloot het derde slagschip van de Yamato-klasse te annuleren en af te laten bouwen als vliegdekschip. Er ontstond binnen de marine een discussie over de precieze taak van het schip. Eén kamp wilde een volledig vliegdekschip, het andere een bevoorradingsschip voor andere vliegdekschepen. Het compromis was dat het een bevoorradingsschip werd, met een kleine luchtvloot, enkel bedoeld om zichzelf te verdedigen.

Shinano photo.jpg

Kiellegging 4 mei 1940
Tewaterlating 8 oktober 1944
Status getorpedeerd op 29 november 1944 door de Amerikaanse onderzeeër USS Archer-Fish
Algemene kenmerken
Lengte 256 meter ll, 263 meter oa
Breedte 40 meter
Diepgang 10,3 meter
Deplacement 71.890 ton (volledig geladen) 68.059 ton (standaard)
Voortstuwing en vermogen 12 Kampon ketels, vier stoomturbines
150.000 pk (110 MW)
Vier 3-bladige schroeven, 6,0 m diameter
Vaart 27,4 knopen
Bemanning 2400
Vliegtuigen en faciliteiten 47

Shokaku (schip, 1941)

De Shokaku (Japans: 翔鶴, shōkaku) was een Japans vliegdekschip tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Geschiedenis
De Shokaku werd door de Japanse Keizerlijke Marine in dienst gesteld op 8 augustus 1941. Ze vormde samen met het zusterschip de "Zuikaku" de 5e Japanse vliegdekschipdivisie.
Samen met de vliegdekschepen "Akagi", "Kaga", "Hiryu", "Soryu" en "Zuikaku" nam het schip deel aan de verrassingsaanval op Pearl Harbor op 7 december 1941. Daarna volgde deelname aan operaties tegen Nederlands-Indië en Ceylon. Tijdens de Slag in de Koraalzee, de eerste slag tussen vliegdekschepen, op 8 mei 1942 werd de Shokaku door bommenwerpers van de Amerikaanse vliegdekschepen "USS Yorktown (CV-5)" en "USS Lexington (CV-2)" zwaar beschadigd. Tijdens een van de volgende operaties werd het schip opnieuw beschadigd in de Zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden, ditmaal door bommenwerpers van het Amerikaanse vliegdekschip USS Hornet (CV-8). Tijdens de laatste operatie, een tegenaanval op de Amerikaanse invasievloot bij de Marianeneilanden, werd het schip vlak voor de Slag in de Filipijnenzee op 19 juni 1944, door torpedo's van de Amerikaanse onderzeeboot USS Cavalla (SS-244) getroffen. De "Shokaku" zonk waarbij 1.263 manschappen omkwamen op 140 kilometer ten noorden van het eiland Yap.
Shokaku
Type: Japans vliegdekschip
Zusterschip: "Zuikaku"
Gebouwd: 12 december 1937
Te water gelaten: 1 juni 1939
In dienst gesteld: 8 augustus 1941
Gezonken: Tot zinken gebracht door Amerikaanse onderzeeër USS Cavalla (SS-244) op 19 juni 1944
Technische gegevens[bewerken]
Lengte: 257,50 meter
Breedte: 26 meter
Diepgang: 8,90 meter
Waterverplaatsing: 30.000 ton
Vermogen: Kanpon geschakelde stoomturbines - 8 stoomketels - 160.000 pk (119 MW) - 4 schroeven
Snelheid: 35,6 knopen (63,9 km/h)
Reikwijdte: 9.700 zeemijl aan 18 knopen (18.000 km aan 33 km/h)
Bemanning: 1.680 manschappen
Bewapening[bewerken]
Vliegtuigbestand: 72(+12) vliegtuigen
16 x 5-inch (127-mm) kanonnen
36 (laatst 96) x 25-mm luchtdoelkanonnen

De Shōkaku

 

Maart 1943

Ushio (schip, 1931)

De Ushio (Japans: 潮, Getijdestroom) was een Fubiki-klasse torpedojager, die dienstdeed bij de Keizerlijke Japanse Marine, tijdens de Sino-Japanse Oorlog en in de Tweede Wereldoorlog. Ze was één van slechts twee oorlogsschepen van de 24 uit haar klasse en het enige van de 22 oorlogsschepen van de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 dat de Tweede Wereldoorlog overleefde.
Geschiedenis
De "Ushio" werd gebouwd door de Uraga Dock Co., waar ze gebouwd werd op 24 december 1929 en volledig werd afgewerkt op 14 november 1931. Ze werd ingedeeld tot het 7e Destroyer Division, door versterkte dekking te geven voor de 1e Carrier Division-groep.
De "Ushio" werd beschadigd, samen met verschillende andere schepen van de Keizerlijke Marine, tijdens een zware storm in 1935. Ze werd nadien bij aankomst hersteld en nam daarna deel in verscheidene grote belangrijke zeeslagen tijdens de Pacifische Oorlog, met inbegrip van de Aanval op Pearl Harbor en Guadalcanal.
De "Ushio" mengde zich in de laatste twee acties tegen Amerikaanse onderzeeërs:
De USS Perch (SS-176) werd ernstig en fataal getroffen door aanvallen van de torpedobootjagers "Ushio" en haar zusterschip "Sazanami" op 3 maart 1942.
De USS Bergall (SS-320) werd door de "Ushio" opgespoord, nadat ze de kruiser "Myoko" op 5 december 1944 had getorpedeerd, maar de USS Bergall kon, in tegenstelling tot USS Perch, ontsnappen aan haar dieptebommen.
De "Ushio" werd verscheidene malen beschadigd in zeegevechten, met inbegrip door zware Amerikaanse kustbatterijen vanuit Midway en door een Amerikaanse luchtaanval op Manilla, op 13 november 1944. Op 25 oktober 1944 nam de "Ushio" actief deel in de Slag in de straat van Surigao en op 26 oktober, terwijl ze de beschadigde kruiser "Abukuma" escorteerde, die naar de haven werd gevoerd voor herstellingen, zonk de "Abukuma" onderweg door acties van Amerikaanse B-24 Liberator-bommenwerpers. De "Ushio" pikte 283 overlevenden uit zee op. De torpedojager overleefde de oorlog, maar werd toch later uit de Marinedienst geschrapt op 4 augustus 1948.

De Ushio

Bevelhebbers
Chef Uitrusting Officier - Com. Raizo Tanaka - 31 oktober 1931 - 14 november 1931
Com. Raizo Tanaka - 14 november 1931 - 1 december 1932
Com. Yoshiaki Inagaki - 1 december 1932 - 15 november 1933
Com. Susumu Kimura - 15 november 1933 - 15 november 1934
Lt. Com. Moichi Narita - 15 november 1934 - 15 maart 1935
Lt. Com. Yoshihisa Mori - 15 maart 1935 - 1 december 1937
Com. Ranji Oe - 1 december 1937 - 15 december 1938
Com. Masao Yamagawa - 15 december 1938 - 15 oktober 1940
Lt. Com. / Com. Kanji Yano - 15 oktober 1940 - 1 oktober 1941 (Gepromoveerd tot Commandant op 15 november 1940.)
Lt. Com. Yoshitake Uesugi - 1 oktober 1941 - 20 januari 1943 (Hij nam deel aan de aanval op Pearl Harbor en Midway - Hij bracht de USS Perch tot zinken.)
Com. Takeo Kanda - 20 januari 1943 - 3 juli 1943
Lt. Com. / Com. Masaomi Araki - 3 juli 1943 - 9 februari 1945 (Gepromoveerd tot Commandant op 15 oktober 1944.) (Hij bestookte de USS Begall.)
Lt. Com. Fumio Satou - 9 februari 1945 - 15 augustus 1945 (Einde van de oorlog)
Ushio (torpedojager)[bewerken]
Klasse en Type: Fubuki-klasse - Torpedobootjager Keizerlijke Japanse Marine
Gebouwd: 24 december 1929
Te water gelaten: 17 november 1930
In dienst gesteld: 14 november 1931
Status: Geschrapt van Marinelijst op 4 augustus 1948
Technische gegevens[bewerken]
Waterverplaatsing: 2.050 ton
Lengte: 115,30 m
Breedte: 10,40 m
Diepgang: 3,20 m
Vermogen: 4 x Kampon type ketels - 2 x Parsons gekoppelde turbines - 2 x schroeven van 50.000 pk (37 kW)
Snelheid: 38 knopen (70 km/h)
Reikwijdte: 5.000 zeemijl aan 14 knopen (9.200 km aan 26 km/h)
Bemanning: 197 man
Bewapening[bewerken]
3 x 2 = 6 127-mm (5-inch) kanonnen voor dubbel gebruik op 22 x 25-mm luchtafweer snelvuurkanonnen - op 10 x 13-mm luchtafweer snelvuurkanonnen
9 x 610-mm (24-inch) torpedobuizen.
36 x dieptebommen

Yamato (schip, 1941)

In 1937 begon men met de bouw van het Japanse slagschip Yamato (Japans: 大和). Het was tijdens de Tweede Wereldoorlog een slagschip van de Keizerlijke Japanse marine en werd in 1941 in het grootste geheim te water gelaten in de dokken van Kure. De Yamato is vernoemd naar de oude Japanse provincie Yamato. Het schip was samen met zusterschip Musashi het zwaarste slagschip dat ooit werd gebouwd; het was bewapend met 46-cm kanons en had een waterverplaatsing van ± 65.000 ton. Het schip werd door de Japanners gezien als een van de laatste hopen voor Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog en kreeg daarom een grote symbolische betekenis. Nadat het had deelgenomen aan de slag in de Filipijnenzee en de slag in de Golf van Leyte, kreeg het schip de opdracht om een zelfmoordmissie uit te voeren bij Okinawa tegen de geallieerden. Deze missie, genaamd Operatie Ten-gō (天号作戦)[1] mislukte echter nog voor het de kusten van Okinawa kon bereiken. Het schip zonk op 7 april 1945.


Ontwerp
Door het afgesloten Verdrag van Washington in 1922 kwam er abrupt een einde aan het uitbreiden van de Japanse vloot. Dit hield in dat Japan maar een beperkt aantal eenheden mocht bezitten. Een aantal schepen die op stapel stonden werden als oefendoelwit gebruikt en een aantal werden omgebouwd tot vliegdekschip. Het ontwerpbureau van de marine, onder leiding van Keiji Fukada richtte zich vanaf eind jaren 20 meer op het ontwikkelen van de technische kant van de schepen die nog wel van stapel mochten lopen. Door nauwe banden met de Britse marine werd veel kennis uit het westen bestudeerd. Dit kwam terug in nieuw te bouwen schepen.

Vanaf 1930 besloot Japan langzaam te breken met het verdrag. Het ontwerpbureau kreeg oktober 1934 de opdracht om een slagschip te ontwerpen dat de zwaarste Amerikaanse oorlogsbodems zou overtreffen. Er volgden 23 voorlopige versies. Als uitschieter was er de A-140, 294 meter lang, 42 meter breed en een waterverplaatsing van 69.500 ton.

De Yamato klasse slagschepen waren de grootste slagschepen ter wereld. De twee schepen die in deze klasse voltooid waren, waren de Yamato zelf en het zustership Musashi. Ze moesten het antwoord vormen op de superieure Amerikaanse industrie. De Amerikanen konden immers sneller en meer schepen produceren, dus was de enige optie voor Japan om individueel superieure schepen te bouwen die stand konden houden tegen meerdere Amerikaanse schepen tegelijkertijd.

Maart 1937 werd getekend voor het definitieve ontwerp. Het Yamato-type werd ontworpen om de grootste slagschepen uit die tijd zoals de Britse King George V, de Duitse Bismarck en Tirpitz en de Amerikaanse Iowa te overschaduwen. Het schip bevatte veel nieuwe en opvallende kenmerken. De Yamato was het eerste schip van de Japanse marine dat een bulbsteven had. De lijn van het hoofddek varieerde in hoogte over de hele lengte van het schip. Tevens opvallend was de grote lengte/breedte verhouding. De grote breedte van het schip zorgde voor een zeer stabiel geschutsplatform en een prima zeegedrag. Ze bezat 46-cm geschuttorens, het zwaarste en sterkste geschut dat ooit permanent is geplaatst op een schip. Het gewicht van een drielingstoren was 2.774 ton. Het schip bezat er drie. In verband met de grote luchtverplaatsing tijdens het vuren aan dek werden de boten en vliegtuigen benedendeks geplaatst in speciale hangars. Het richten van het 46-cm geschut gebeurde met een optisch vuurleidingsysteem. Pas in 1943 werd Yamato met radarsensoren uitgerust. Maar het richten bleef handwerk en beperkte de afstand tot het doel tot de visuele horizon. Dit was dan ook het zwaktepunt van deze klasse, waar de Amerikaanse marine al gebruik maakte van een volledig radargestuurd systeem.

Opmerkelijk ook was de zeer zware bepantsering van de romp. Midscheeps bedroeg deze 41 cm dikte en maakte direct deel uit van de rompconstructie. De opbouw was uniek van uiterlijk en indeling. Tot die tijd waren de slagschepen van Japan voornamelijk herkenbaar aan de zeer hoge en open opbouw, ook wel pagodes genoemd. Yamato's opbouw was meer gesloten en zwaar gepantserd, met name de vitale posities. Het roerwerk was ook bijzonder. Gangbaar bij dit type schepen was dat er gestuurd werd met vaak twee roeren direct achter de voortstuwingsschroeven. Bij de Yamato was er een hoofdroerblad en een hulproerblad. Deze waren achter elkaar in de scheepslengte geplaatst, met 15 meter tussenruimte. Tijdens de proefvaart bleek echter dat het kleine hulproer een ingezette draai niet kon corrigeren. Verder was de Yamato als eerste slagschip uitgerust met een vroege vorm van klimaatregeling. Het schip had dan ook onder de bemanning de bijnaam 'Hotel Yamato'.

Yamato, 1941

Besteld Maart 1937
Kiellegging 4 november 1937
Tewaterlating 8 augustus 1940
In dienst 16 december 1941
Status Gezonken 7 april 1945 ten noorden van Okinawa
Algemene kenmerken
Lengte 256 meter ll, 263 meter oa
Breedte 36,9 meter
Diepgang 11,7 meter
Deplacement 65.027 ton (leeg, inclusief 21.266 ton bepantsering); 72.800 ton (schatting volgeladen)
Voortstuwing en vermogen 12 Kampon ketels, vier stoomturbines
150.000 pk (110 MW)
Vier 3-bladige schroeven, 6,0 m diameter
Vaart 27,4 knopen
Bereik 11.500 km bij 16 knopen
Boten 14
Bemanning december 1941: 2300
april 1945: 2767
Bewapening In 1941:
3 x 3 = 9 46 cm
4 x 3 = 12 155 mm
6 x 2 = 12 127 mm
8 x 3 = 24 25 mm luchtafweer
2 x 2 = 4 13 mm luchtafweer
In 1945:
3 x 3 = 9 46 cm
2 x 3 = 6 155 mm
12 x 2 = 24 127 mm
162 25 mm luchtafweer
2 x 2 = 4 13 mm luchtafweer
Vliegtuigen en faciliteiten 6, max 7
Type F1M2 'Pete'
Type E13A1 'Jake'
2 katapulten

Bouw
De eerste keer dat er gesproken werd over het Yamato-type slagschip was rond 1934, toen de Japanse Keizerlijke Marine overwoog om te breken met het Verdrag van Washington en het Verdrag van Londen. Deze verdragen waren ondertekend door de VS, Italië, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Er kwam een limiet op de totale oorlogsvloot. Op deze manier probeerde men een nieuwe wapenwedloop tegen te gaan.
De Japanse Marine was echter van mening dat Japan, zowel op economisch als militair vlak, beter af was zonder dit verdrag. De sleutel naar succes zou een soort van superslagschip zijn. Het zou het grootste, sterkste en snelste slagschip ooit worden, waartegen de Amerikaanse vloot geen schijn van kans zou hebben. In 1937 waren de plannen klaar en kon men aan de bouw beginnen. Dit gebeurde in de grootste geheimhouding in een speciaal gegraven droogdok in de scheepswerf van Kure. De werf werd speciaal omringd door hoge gebouwen en hekken, die het zicht van de buitenstaanders belemmerden. De werklieden werden in groepen opgedeeld en mochten enkel aan bepaalde onderdelen werken, zodat geen van hen het schip in zijn geheel zag.
Oorspronkelijk zouden er vijf schepen van deze klasse worden gebouwd. Maar omdat gedurende de bouw het tijdperk van de slagschepen ingehaald werd door de overheersing van vliegtuigen in de oorlog op zee, met als keerpunt de Slag om Midway kwamen deze er nooit. Tevens vormde het tekort aan grondstoffen later in de oorlog ook een probleem. Het derde schip, de Shinano (scheepswerf van Yokosuka) werd tot een vliegdekschip omgebouwd. Het vierde schip werd maar voor 30% afgemaakt. Het vijfde schip werd uiteindelijk geannuleerd.
Bouwtechnisch gezien waren Yamato en haar zusterschip Musashi zeer modern voor hun tijd. Er werd veel gebruikgemaakt van de nieuwe lasmethode. Tot die tijd was klinken de gangbare manier.
Replenishment Programs
Nadat Japan met de Verdragen van Washington en Londen had gebroken, wou het haar zeemacht verder uitbreiden door een grootschalig plan op te stellen. Japan had dit al twee keer gedaan, waardoor dit plan het "Third Replenishment Program" werd genoemd. Er zouden 66 schepen gebouwd worden, waaronder twee Yamato-type slagschepen en twee vliegdekschepen. In 1935 voorspelde prins Fushimi Hiroyasu dat wanneer Japan met de Verdragen zou breken, zijn zeemacht zeker zeventig tot tachtig procent zou bedragen van die van Amerika. Weliswaar dacht de Japanse Marine toen dat Amerika zich wel aan het verdrag zou houden, maar in realiteit was dit het begin van een nieuwe wapenwedloop.In 1938 besloot Amerika om zijn vloot verder uit te bouwen. Hierdoor besloeg de Japanse zeemacht nog maar de helft van de Amerikaanse. Omdat Japan zijn positie in China niet wou verliezen, besloot men om nog een Replenishment Program uit te werken. Het "Fourth Replenishment Program" zou bestaan uit tachtig schepen waarvan nog eens twee Yamato-types en dubbel zoveel vliegdekschepen. In 1940 reageerde Amerika hierop met nogmaals een uitbreiding van hun vloot. Toen de Japanse Marine hiervan hoorde, kwamen ze tot de conclusie dat ze in termen van hoeveelheid nooit zouden kunnen winnen van Amerika, en zich daarom beter zouden concentreren op de kwaliteit van hun schepen en met name de Yamato-types. Het "Fifth Replenishment Program" van 1941 hield dan buiten de verdubbeling van het aantal schepen, ook nog eens drie extra superslagschepen. Statistisch gezien zou de Japanse zeemacht in 1941 het best stand kunnen houden tegen Amerika. Op hun toppunt beschikten ze over een capaciteit die 70 procent van de Amerikaanse vloot bedroeg.
Uiteindelijk werden er van de vijf Yamato-type slagschepen slechts twee volledig afgewerkt: de Yamato en de Musashi. De derde, Shinano, werd omgebouwd tot een vliegdekschip nadat men inzag dat deze efficiënter waren en er een tekort aan grondstoffen zou zijn.
Karakteristieken
De Yamato, een 64.000 ton slagschip, zag er niet alleen indrukwekkend uit, maar vormde ook een gevaar voor de Amerikaanse schepen. Omdat de Yamato over meer dan 150 vuurwapens beschikte, waarvan negen 18.1-inch kanonnen [2] , had het een nog nooit geziene vuurkracht. Daarnaast zorgde een solide laag staal voor een bijna volledige bescherming tegen de artillerie van de tegenpartij. Ondanks zijn gewicht was het schip ook zeer manoeuvreerbaar en kon het een snelheid van 27 knopen bereiken. De inzet van de Yamato werd dan ook als doorslaggevend gezien voor alle komende zeeslagen.
Staat van dienst
De Yamato was vlaggenschip van 12 februari 1942 tot 11 februari 1943. Hierna nam de Musashi de functie van vlaggenschip over. Op 1 april 1945 begon de Yamato haar laatste missie, operatie Ten-gō: een zelfmoordaanval tegen de Amerikaanse vloot ten westen van Okinawa. 7 april 1945 werd het schip samen met de kruiser Yahagi en acht torpedobootjagers (in het Engels destroyers) gespot door een Amerikaanse duikboot. De Amerikaanse marine stuurde 386 vliegtuigen op ze af met het doel de schepen te vernietigen. De Yamato incasseerde acht bommen en 10 torpedo’s. In totaal verloren 2.475 bemanningsleden het leven, 269 zeelieden wisten te overleven en werden opgepikt.

De Yamato onder constructie

De ontploffing die volgde nadat het schip kapseisde

Het Plan
Eind maart 1945 riep Keizer Hirohito zijn militaire adviseurs bij zich in Tokyo. Nadat de Japanners zware nederlagen hadden geleden, waaronder de slag om de Filipijnen en Iwo Jima, wilden de Amerikanen nu ook Okinawa binnenvallen. De bijeenkomst had dus als doel een tegenoffensief te vormen bij Okinawa. De missie, genaamd operatie Ten-gō, zou bestaan uit een collectieve aanval van de marine, kamikazepiloten en grondtroepen. De marine was echter gereduceerd tot slechts enkele schepen en zou tien oorlogsschepen omvatten, met als vlaggenschip de Yamato. Daarenboven was de luchtmacht ook uitgedund, wat ervoor zorgde dat er geen luchtsteun mogelijk was voor de schepen. Deze missie zou een zelfmoordmissie zijn, want eenmaal aangekomen zou de Yamato zich op de kust van Okinawa opstellen om als beschutting te dienen tot hij vernietigd zou zijn. Onder de bemanning[4] ontstond er dan ook onenigheden omdat het voor sommige totaal zinloos leek. Uiteindelijk besloot men toch aan de wensen van de keizer te gehoorzamen, en de operatie aan te vatten. Onder leiding van Viceadmiraal Seiichi Itō [5] en Kapitein-ter-zee Kōsaku Aruga [6] vertrok het schip op 7 april 1945.
Confrontatie
Op de dag na zijn afvaart, kreeg de Yamato zijn eerste confrontatie. Twee duikboten, de USS Threadfin en USS Hackleback, zagen de Japanse vloot nabij het Kanaal van Bungo. Geen van beiden kon echter aanvallen vanwege de snelheid van de Japanse schepen. Ze konden enkel de coördinaten doorgeven aan hun meerdere. Het was Viceadmiraal Marc Mitscher, die uiteindelijk als eerste de Yamato opspoorde. Hij had het bevel over Task Force 58, een vloot die voornamelijk bestond uit vliegdekschepen. Deze stelde zich op in het noordoosten van Okinawa, en liet verschillende divisies van vliegtuigen de omgeving afzoeken.
Op 7 april 1945 rond 12:30 begon het laatste gevecht van de Yamato. De aanval van de Amerikanen bestond uit drie vlagen van meer dan 250 vliegtuigen, voornamelijk bommen- en torpedowerpers. Ondanks de uitzonderlijke behendigheid van de Japanse schepen, raakte de Yamato al in de eerste fase van het gevecht beschadigd in de radarruimte, met als gevolg dat men met veel minder precisie kon schieten. Eerst gingen er enkele Japanse torpedobootjagers, zoals de Hamakaze ten onder. De schade aan de Yamato bleef redelijk beperkt tot buiten enkele brandhaarden op het dek en een aantal lichte overstromingen. De tweede vlaag, rond 13:00 zorgde al voor meer ravage. Het reduceerde de snelheid van de Yamato tot 18 knopen, en het schip begon 16° te hellen. Bij de derde en laatste vlaag verslechterde de situatie nog meer. Om te voorkomen dat het schip zou kapseizen, gaf viceadmiraal Seiichi Itō het bevel om een ander deel van het schip ten koste van de bemanning die er nog vastzat te laten onderlopen.
Deze actie had jammer genoeg nauwelijks effect en doordat het afzuigsysteem vernield was bleef het schip kantelen. Op verschillende plaatsen waren er brandhaarden die men niet meer onder controle kreeg. Uiteindelijk gaf Viceadmiraal Seiichi Itō om 14:00 het bevel tot evacuatie. Hij en Kapitein-ter-zee Kōsaku Aruga besloten om samen met hun schip ten onder te gaan. Enkele minuten later kapseisde het schip helemaal, gevolgd door een enorme explosie.
De explosie zorgde voor een enorme paddenstoelwolk. Van de tien schepen bleven er uiteindelijk nog maar vier over. Slechts 269 bemanningsleden van de Yamato hadden het overleefd. Het bedroevende nieuws werd in eerste instantie voor het publiek verzwegen. Het was de Minister van de Marine, Mitsumasa Yonai, die de keizer moest informeren.
Post-1945
Enkele bekende boeken over de Yamato zijn “Battleship Yamato” van Janusz Skulski, en “A Glorious Way to Die: The Kamikaze Mission of the Battleship Yamato, April 1945” van Russell Spurr
In de loop van 1948 komt de Amerikaanse marine in het bezit van foto's van de proefvaart van de Yamato. Tot die tijd waren er enkel foto's beschikbaar van de bovenzijde van het schip, genomen door aanvalsvliegtuigen van de Amerikaanse marine.
In 1953 verschijnt er in Japan de film Senkan Yamato, geregisseerd door Yutaka Abe. Deze rolprent is gebaseerd op het boek Senkan Yamato-no Saigo, geschreven door een overlevende officier genaamd Yoshida Mitsuru.
Rond 1970 is men begonnen aan een anime met als hoofdthema een moderne Yamato: Space Battleship Yamato (宇宙戦艦ヤマト/Uchū Senkan Yamato). Deze werd na enkele aanpassingen ook uitgezonden in Amerika onder de naam Star Blazers. Naast de anime zijn er ook enkel live-action films uitgebracht waaronder: Yamato (男たちの大和/Otoko-tachi no Yamato) en de verfilming van Space Battleship Yamato (SPACE BATTLESHIP ヤマト/Supēsu Batorushippu Yamato). De serie zelf gaat over een hypermodern ruimteschip dat gebouwd is in het wrak van het Yamato slagschip en de vijanden van de aarde in de ruimte gaat bevechten. Na 3 seizoenen en 5 films blijft de serie doorgaan met plannen voor een 6de animatie- en zelfs een eerste live action film.
In 1979 verschijnt het stripverhaal "De dochter van de wind" uit de reeks Yoko Tsuno door auteur Roger Leloup, waarin het wrak van de Yamato een belangrijke rol toebedeeld krijgt.
Op 1 augustus 1985 vindt een Japanse expeditie het wrak op 300 meter diepte. Het achterschip ligt volledig ondersteboven. Het middenschip is haast volledig vernietigd door de grote hoeveelheid munitie die ontplofte tijdens het zinken. Het voorschip ligt op zijn stuurboordzijde.
In 1999 wordt een tweede expeditie ondernomen naar de Yamato. Enkele restanten worden geborgen en uitvoerig gedocumenteerd.
In 2005 wordt in Kure het Yamatomuseum geopend. Als pronkstuk stelt men een scheepsmodel ten toon van meer dan 25 meter lang, schaal 1:10. Datzelfde jaar kwam er een film uit genaamd Otoko-no Yamato. Hierin werd het schip en haar bemanning gevolgd tijdens Operatie Ten-Go. Voor de filmopnamen werd een groot deel van het schip op ware schaal nagebouwd in de stad Onomichi (prefectuur Hiroshima).
“Senkan Yamato”
Het schrijnende verhaal van het onvermijdelijke ten onder gaan van dit schip en de gemoedstoestand van de bemanning wordt beschreven in “Senkan Yamato”, geschreven door een van de weinige overlevende bemanningsleden, Yoshida Mitsuru. Het boek is niet enkel waardevol omdat het een van de zeldzame verslagen is geschreven door een overlevende van een zelfmoordmissie, maar ook stond het zinken van de gigant symbool voor het ten onder gaan van het empirische Japan. Yoshida’s nuchtere schrijfstijl maakt het een onmiskenbaar document om inzicht te krijgen.
Het boek zelf leest als een dagboek. Mitsuru beschrijft hoe hij dag na dag zijn taken op de Yamato uitvoert en interacties met de andere bemanningsleden heeft, aangevuld met persoonlijke reflecties. Geen nationaal getinte betogen, geen oneindige liefde voor de keizer. Dit is echter niet het verhaal van een landverrader, integendeel. Het ontbreken van fanatisme en de gematigdheid van het weinige commentaar wat Mitsuru geeft, zorgt ervoor dat het des te harder aankomt. De instelling van de bemanning lijkt die van een goed geoliede machine te zijn, die echter, door de macht der gewoonte, met open ogen zijn eigen ondergang tegemoet gaat.
De Amerikaanse bezetters hebben de uitgave van het boek lang tegengehouden. Hoewel er geen expliciet nationalistische ondertoon in het boek verwerkt zit, werd het concept op zich als ‘bezwarend’ bestempeld. Yoshida Mitsuru herschreef het requiem voor de Yamato en publiceerde het in een pulp magazine. Hij werd hiervoor door de censuurcommissie zwaar op de vingers getikt en het zou tot 1952 duren vooraleer de volledige tekst voor het publiek beschikbaar werd. De originele versie uit 1946 werd pas twee jaar na de dood van de auteur, in 1981, beschikbaar.
Reflecties Mitsuru
Deze Yamato hype wist zelfs de aandacht te trekken van Yoshida Mitsuru zelf. Hij wijdde een artikel in de “Japan Echo” aan het onderwerp genaamd: “The ‘Space Cruiser Yamato’ Generation”. Hij vertrekt echter niet vanuit het standpunt van ‘overlever van het echte Yamato slagschip’, maar buigt zich over de interesse van de jongere generatie in de hype. Hij erkent enkele verwijzingen, maar besluit dat de films niets meer met het historische gebeuren te maken hebben.
“Fortunately, the space cruiser Yamato is decisively different from the battleship Yamato and the young audiences' excited heartbeats and tear stained cheeks indicate pure, innocent sentiments that have no relation to the futile deaths of the kamikaze units.”.
In de tweede film merkt hij de nationalistische ondertonen op maar spreekt zich hier, net zoals in “Requiem for battleship Yamato” nooit expliciet over uit. Zijn beschrijvende stijl is alomtegenwoordig in het artikel en slechts in de laatste zin “Youngsters need only be aware that someday they too, will have to experience the relentless struggle of nationalism.”laat hij een zekere kritiek doorschemeren.
Naamgeving
Naast de gebruikelijke on'yomi en kun'yomi is er ook aan andere manier is om kanji samen te stellen. De jukujikun legt de nadruk niet zozeer op de leeswijze, maar eerder op de betekenis van de individuele kanji. De naam van het schip bestaat deze uit twee kanji: 大和. De on- en kun’yomi van 大 zijn respectievelijk dai en oo, als voor 和 zijn het wa en nago/yawa/a. 大和 kan zou gelezen kunnen worden als bv, daiwa, maar dat is onjuist en het kan enkel gelezen kan worden als yamato. Dit komt omdat yamato een jukujikun is zoals eerder vermeld, en men zich dus niets moet aantrekken van de on- en kun’yomi. De betekenis van beide kanji zijn voor de eerste “groot” en voor het tweede “Japans” of “harmonie/eenheid”. Als men deze gaat samenvoegen krijgt men dus “het grote Japan” of “de grote harmonie/eenheid”. Daarnaast wordt het woord “yamato” vaak gebruikt voor typische Japanse dingen zoals: “Yamato-damashii”, wat de Japanse geest betekent, of de “Yamato-e”, die terugslaat op de Japanse tekeningen, etc...
Het feit dat de naam van het schip letterlijk “groot/verenigd Japan” betekende, laat zien dat het schip gezien werd als een cultureel symbool, die de hoop van Japan voorstelde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien deelt het schip haar naam met de oude Japanse clanstaat die Japan verenigde[8]. Deze zwaar nationalistisch geladen naam, samen met de wanhopige aard van haar ondergang, maakte dat de Yamato al snel symbool ging staan voor het Japanse imperium. Toen de nationale trots, het gigantische slagschip, zonk, was het eigenlijk al duidelijk hoe het de rest van het imperium zou vergaan. Maar net als de Yamato, zou Japan nog liever met man en muis vergaan dan zich aan de vijand gewonnen te geven.
Schaalmodel
In het Kure Maritiemmuseum, oof wel bekend als het Yamatomuseum, ligt een groot schaalmodel van het schip. Het model is ruim 26 meter lang en voor de bouw hiervan is gebruik gemaakt van de originele bouwtekeningen, foto's en opnames van het wrak.

Yawata Maru (ship, 1940)

 

De Yawata Maru (Japans: 八幡丸) was een voormalig Japans passagiersschip van de rederij Nippon Yusen Kaisha Line. Ze werd gevorderd door de Keizerlijke Japanse Marine en omgebouwd tot vliegdekschip Unyo tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan.
Geschiedenis

De Yawata Maru(17.128 brt) kwam op 31 juli 1940 gereed en was bestemd voor de dienst Yokohama-Hamburg, maar werd, als gevolg van de inmiddels in Europa uitgebroken oorlog, ingezet op het traject Yokohama-San Francisco. De ondergang van de Terukuni Maru met zijn slachtoffers in de monding van de Theems waren de Japanners niet vergeten.
Het schip was eveneens zwart van romp met de traditionele witte bovenbouw, en eveneens de rood-witte banden in de schoorsteen. Het schip had aan elke zijde vier rijen reddingsloepen. In feite waren deze Nippon-schepen hetzelfde van kleur met een ietwat andere opbouw.
In 1942 werd ze omgebouwd tot vliegdekschip onder de naam "Unyo". De Japanners brandden de gehele opbouwconstructie af en legden een vliegdek, enkele meters boven het oorspronkelijke dek en scheepsrand op steunbalkenconstrukties. De schoorsteen lag bijna horizontaal, zoals bij sommige werkelijke geconstrueerde Japanse vliegdekschepen, enkele meters uit stuurboord gericht, zodat het vliegdek geheel gevrijwaard was van obstakels. De "Unyo" was geheel onherkenbaar als voormalig passagiersschip.
Ze viel op 16 september 1944 ten zuidoosten van Hongkong ten offer aan de Amerikaanse onderzeeër USS Barb (SS-220). De "Unyo" werd getorpedeerd en maakte slagzij, zodat haar vliegtuigen niet konden opstijgen en mee ten onder gingen met het omgebouwde vliegdekschip. Er vielen 239 slachtoffers.

Vliegdekschip Unyo

Zuiho (schip, 1940)

De Zuiho (Japans: 瑞鳳, betekenis: Gelukkige Feniks) was een vliegdekschip van de Keizerlijke Japanse Marine. Het werd in 1934 gebouwd als de olietanker "Takasaki", maar in 1940 omgebouwd tot een licht vliegdekschip en herdoopt.
Geschiedenis
De "Zuiho" was het zusterschip van de "Shoho". Aan boord bevonden zich bij volle uitrusting 16 Mitsubishi A6M Zero gevechtsvliegtuigen en 14 Aichi D3A duikbommenwerpers. Het lichte vliegdekschip deed in de Tweede Wereldoorlog dienst bij verscheidene zeeslagen en acties van de Japanse marine en werd ten slotte bij de Slag in de Golf van Leyte als lokaas gebruikt om de Amerikaanse vliegdekschipvloot weg te leiden van de Japanse hoofdmacht van slagschepen. De Amerikanen zetten inderdaad de achtervolging in en het schip werd samen met andere Japanse lichte vliegdekschepen in de Slag bij Kaap Engaño tot zinken gebracht door Amerikaanse bommenwerpers.
Feitenrelaas
Januari 1941 - De "Zuiho" werd in dienst gesteld van de Japanse vloot en aangesloten bij de Derde Vliegdekschip Divisie, samen met de "Shoho".
December 1941 - Het schip nam deel aan de aanval op de Filipijnen.
Januari 1942 - De "Zuiho" ondersteunde de invasie in Nederlands-Indië.
Juni 1942 - Het nam deel aan de Slag bij Midway. Daar leidde ze de Ondersteuningsvloot en voerde zelf geen directe en actieve aanvallen uit op de Amerikaanse schepen. Aan boord waren 16 Mitsubishi A6M Zero gevechtsvliegtuigen en 14 Aichi D3A duikbommenwerpers. Eigenlijk diende ze hier ook als reserveschip.
Oktober 1942 - De "Zuiho" was onderdeel van de Eerste Vliegdekschip Divisie bij de Zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden, samen met de "Shokaku" en de "Zuikaku". Een bommenwerper van de USS Enterprise (CV-6) vernielde het vliegdek van de "Zuiho".
Januari-februari 1943 - De "Zuiho" assisteerde bij de evacuatie van Japanse troepen op Guadalcanal, in samenwerking met de vliegdekschepen "Junyo" en "Zuikaku".
Februari 1944 - Het schip nam deel aan de Slag in de Filipijnenzee.
24 en 25 oktober 1944 - Deelname aan de Slag in de Golf van Leyte, samen met de vliegdekschepen "Chiyoda", "Chitose" en "Zuikaku". Tijdens de Slag bij Kaap Engaño bij de Filipijnen kreeg de "Zuiho" bij een aanval van Amerikaanse bommenwerpers treffers op het vliegdek. Na aanvankelijk herstel van de schade kreeg het schip nog eens drie Amerikaanse aanvallen met bommenwerpers te verduren, die haar uiteindelijk op 25 oktober tot zinken brachten. Samen met haar vergingen op dezelfde dag ook de lichte vliegdekschepen "Chitose" en "Chiyoda".

De Zuiho

Bevelhebbers
Als Onderzeebootvrachtschip
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Miki Otsuka - 7 oktober 1936 - 1 december 1936
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Gonichiro Kakimoto - 1 december 1936 - 15 juni 1937
Onbekend - 15 juni 1937 - 15 december 1938
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Ryuji Nakazato - 15 december 1938 - Einde diensttijd onbekend
Onbekend - Aanvang onbekend - 24 april 1940
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Matsuro Eguchi - 24 april 1940 - 15 oktober 1940
Als CVL[bewerken]
Chef Uitrusting Officier - Kapt. Tameki Nomoto - 15 oktober 1940 - 24 december 1940
Kapt. Tameki Nomoto - 27 december 1940 - 20 september 1941 (In januari bij Carrier Division 3, samen met Shoho).
Kapt. Sueo Obyashi - 20 september 1941 - 5 december 1942 (Deelname aanval op de Filipijnen - Invasie Nederlands-Indië - Slag bij Midway - Slag bij Santa Cruz - Evacuatie Guadalcanal).
Kapt. Katsuji Hattori - 5 juni 1943 - 15 februari 1944 (Deelname Slag in de Filipijnen Zee).
Kapt. Kuro Sugiura - 15 februari 1944 - 25 oktober 1944 (Deelname Slag in de Golf van Leyte - Einde van de Zuiho).
Zuiho
Gebouwd: 1934 (Als Takasaki-olietanker - (later: onderzeebootvrachtschip)
Omgebouwd: December 1940 (vliegdekschip)
In dienst gesteld: Januari 1941
Gezonken: Tot zinken gebracht door Amerikaanse luchtaanvallen in de Slag bij Kaap Engaño op 25 oktober 1944
Technische gegevens
Waterverplaatsing: 14.200 ton (beladen)
Lengte: 217 m
Breedte: 23 m
Diepgang: 6,60 m
Vermogen: Geschakelde stoomturbines - 38.800 kW - 52.000 pk - 2 scheepsschroeven
Snelheid: 28,2 knopen (51,80 km/h)
Bemanning: 785 manschappen
Bewapening[bewerken]
Vliegtuigen: 30 tal - 16 Mitsubishi A6M "Zero"-gevechtsvliegtuigen - 14 Aichi D3A "Val"-duikbommenwerpers
8 x 127-mm/40 cal. (5-inch) kanons (4 x 2) veranderd in 1934
56 x 25-mm anti-vliegtuig-snelvuurkanonnen

3-Japan in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5---6---7