Heinz Heger
 

Heinz Heger was het pseudoniem van Josef Kohout (Wenen, 1917 - aldaar, maart 1994), een Oostenrijkse overlevende van de naziconcentratiekampen. Kohout werd gevangengenomen om zijn homoseksualiteit, die volgens Paragraaf 175 van het Duitse Wetboek van Strafrecht een misdaad was. Onder zijn pseudoniem Heinz Heger is hij het best bekend als de auteur van het boek Die Männer mit dem rosa Winkel (Nederlandse vertaling: De mannen met de roze driehoek) uit 1972, een van de zeer weinige autobiografieën over de behandeling van homoseksuelen in nazigevangenschap. Het boek is vertaald in diverse talen en de tweede druk kwam in 1994 uit. Het was de eerste bekentenis van een homoseksuele overlevende van het concentratiekamp die in het Engels werd vertaald; het staat bekend als de beste. De publicatie hielp niet alleen het lijden van de homogevangenen te verlichten, maar ook het gebrek aan erkenning en de compensatie die ze na de oorlog ontvingen.
Het boek van Josef inspireerde Martin Sherman (Amerikaanse scenario- en toneelschrijver, geboren 1935) tot het toneelstuk Bent (1979), dat in 1997 werd verfilmd (Bent) door regisseur Sean Mathias (geboren 1956). (Bent betekent "van de verkeerde kant".)
Biografie
Josef was geboren en getogen in Wenen. Zijn moeder, Amalia, en zijn vader, Josef senior, waren rijke katholieken en zijn vader was een hooggeplaatste ambtenaar. Josef werd in maart 1939 op 22-jarige leeftijd gearresteerd, toen een kerstkaart die hij aan zijn vriend Fred had gestuurd, werd onderschept. Zijn vriend, wiens vader een hoge naziambtenaar was, werd geestelijk gestoord verklaard en werd niet gestraft.
Gevangenschap
Josef werd gevangengezet in het concentratiekamp van Sachsenhausen. Hij schreef dat homoseksuele gevangenen het meest werden beschimpt van alle gedetineerden. Ofschoon de SS-bewaking van het kamp de homoseksuele gevangenen het onderlinge contact verbood, hadden heteroseksuele bewakers wel degelijk seks met homoseksuele gevangenen. De bewakers verklaarden dat zulke ontmoetingen als een "natuurlijke" uiting van hun "normale" seksualiteit in een ongewone situatie moesten worden gezien. Josef had een seksuele relatie met een Kapo (een toezichthoudend gevangene) en daarna met de blokoudste. Florence Tamagne, een Frans historica gespecialiseerd in de homogeschiedenis beschrijft deze relaties als gunstig voor Josef; de bescherming van deze betrekkelijk bevoorrechte mannen zal hem hebben geholpen te overleven.
Zoals andere gevangenen moest ook Josef zinloos werk verrichten in het kamp, zoals sneeuw verplaatsten met een kruiwagen naar de andere kant van het kamp en weer terug, of met zijn blote handen stenen sjouwen. Veel gevangenen pleegden zelfmoord vanwege het harde bestaan en de zinloosheid ervan. Josef observeerde de uitputting van de gevangenen en hoe ze gemarteld werden, en verwoordde in zijn dagboeken de theorie dat het sadisme van sommige SS-officieren hun eigen onderdrukte homoseksuele verlangens weerspiegelde.
Later werd Josef van Sachsenhausen overgeplaatst naar Flossenbürg in Beieren.
Bevrijding
Flossenbürg werd op 23 april 1945 door de 90ste Infanteriedivisie van het Amerikaanse leger bevrijd. Zijn dagboek begon die laatste dag in het kamp slechts met "Amerikaner gekommen" ("Amerikanen gekomen").
Hij werd uiteindelijk verenigd met zijn moeder. Zijn vader had in 1942 zelfmoord gepleegd, en had een briefje voor Amalia achtergelaten waarin stond "Moge God onze zoon beschermen".
Het boek
Josef beschreef uitgebreid het barbaarse leven in het kamp, en de afkeuring waarmee de homo's die het concentratiekamp hadden overleefd, na de bevrijding te maken kregen. Net als andere homoseksuele ex-gevangenen, werd ook Kohout beschouwd als crimineel, omdat homoseksualiteit ook na het naziregime nog steeds illegaal was. Hij kwam niet voor compensatie in aanmerking; ondanks verwoede pogingen ontving hij niets van de West-Duitse regering. Veel andere homoseksuele mannen belandden na het kamp in de gevangenis.
Het boek is een van de weinige die de ervaringen beschrijven van homoseksuele gevangenen onder de nazi's. Op scholen en universiteiten wordt het als lesmateriaal gebruikt.
In het Journal of the History of Sexuality, een wetenschappelijk tijdschrift uit Texas, noemde Erik N. Jensen de memoires van Josef de aanleiding voor een keerpunt in de geschiedenis van de homogemeenschap. Activisten in de jaren 60 en 70 van de twintigste eeuw begonnen zich naar aanleiding van het boek rekenschap te geven van de ervaringen van de vorige generatie. De roze driehoek omarmden ze als een symbool voor de homo-identiteit.
Nalatenschap
Kohout stierf in Wenen op 79-jarige leeftijd. Enkele van zijn eigendommen werden door zijn partner aan het United States Holocaust Memorial Museum geschonken. Dit waren onder andere zijn dagboeken, een aantal brieven die zijn ouders hem schreven maar die hem tijdens zijn gevangenschap nooit hadden bereikt, en een reep stof van zijn kleding met daarop de roze driehoek en het nummer (1896) dat hij als gevangene verplicht was te dragen. Het is de eerste driehoek waarvan is vastgelegd aan wie hij had toebehoord.

Afbeeldingsresultaat voor Heinz Heger.

Algemene informatie
Pseudoniem(en) Heinz Heger
Geboren Wenen 1917
Overleden Maart 1994 te Wenen
Werk
Genre Memoires
Bekende werken De Mannen met de roze driehoek
Uitgeverij Pegasus, Amsterdam (1982)
Portaal Portaalicoon Literatuur
 

gevangengenomen om zijn homoseksualiteit

 



 

Avram Hershko

Biografie
Hershko werd geboren in Hongarije als zoon van de onderwijzer Moske en de lerares Engels Shoshana Margit Hersko.Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1944 gedeporteerd naar het Oostenrijkse concentratiekamp Strasshof. Hij overleefde de oorlog en voegde zich bij zijn familie in Boedapest. Met hen verhuisde hij in 1950 naar Israël. Daar groeide hij op in Jeruzalem. Hij studeerde aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem geneeskunde en promoveerde daarin. Tegenwoordig is hij hoogleraar aan de Technion in Haifa.

In 2001 won hij de Israëlische Wolfprijs voor geneeskunde. Met Aaron Ciechanover en Irwin Rose won hij in 2004 ook de Nobelprijs voor de Scheikunde, voor hun ontdekking van de rol van ubiquitine bij de eiwitdegradatie. Ubiquitine, een polypeptide bestaande uit 76 aminozuren, zorgt ervoor dat eiwitten die niet meer nodig zijn in lichaamscellen worden gemarkeerd. Deze met het ubiquitine gemarkeerde eiwitten gaan naar de proteasoom, die de eiwitten vervolgens afbreekt in kleine molecuulfragmenten. Hesko voerde zijn onderzoek uit aan het Fox Chase kankercentrum, ongeveer vijfendertig jaar voordat hij met de Nobelprijs werd geëerd.
Honours en prijzen
1987 - Weizmann Prize for Sciences (Israël)
1994 - Israel Prize in biochemistry 
1999 - Gairdner Foundation International Award Canada (met A. Varshavsky)
2000 - Albert Lasker Award voor fundamenteel medisch onderzoek (met A. Ciechanover en A. Varshavsky).
2000 - Alfred P. Sloan, Jr. Prize (met A. Varshavsky)
2001 - Louisa Gross Horwitz-prijs van Columbia University
2001 - Massry Prize van de Keck School of Medicine , University of Southern California
2001 - Wolf Prize in Medicine (Israël), samen met Alexander Varshavsky , voor 'de ontdekking van het ubiquitine- systeem van intracellulaire eiwitafbraak en de cruciale functies van dit systeem in cellulaire regulatie.' 
2002 - De EMET-prijs voor kunst, wetenschap en cultuur
2002 - EB Wilson-medaille
2003 - Foreign Associate, National Academy of Sciences , VS.
2004 - Nobelprijs voor de Scheikunde voor zijn ontdekking met Aaron Ciechanover en Irwin Rose , van door ubiquitine gemedieerde eiwitafbraak

Avram Hershko

Geboren Herskó Ferenc 31 december 1937 (80 jaar) Karcag , Hongarije

Nationaliteit Israël Zwitserland
Bekend om ubiquitine- gemedieerde eiwitafbraak
Partner (s) Judith Leibowitz ( m. 1963)
Kinderen 3
Awards Nobelprijs voor de chemie (2004)
Wetenschappelijke loopbaan
Fields Chemie

 


Judith Herzberg

Judith Frieda Lina Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934) is een Nederlands dichteres en toneelschrijfster Ze is de dochter van de schrijver en jurist Abel Herzberg.
Biografie
Herzberg was tijdens de Tweede Wereldoorlog met haar familie geďnterneerd in Huize De Biezen in Barneveld. Toen de Duitsers het kamp ontruimden om alle Joden op transport te zetten naar Westerbork wist zij met haar broer en zus te ontsnappen. De rest van de oorlog bracht zij door in onderduik. Haar ouders werden vanuit Westerbork naar Bergen-Belsen getransporteerd, maar zijn hier levend uitgekomen.
Herzberg schrijft gedichten, toneelstukken en scenario's voor televisie en film. Herzberg debuteerde in 1961 als dichteres in het weekblad Vrij Nederland. Twee jaar later verscheen haar eerste dichtbundel, Zeepost. Later volgden onder meer Beemdgras, Vliegen, Strijklicht, Botshol en Dagrest. Ook schreef ze de toneelstukken Leedvermaak en Rijgdraad, die beide verfilmd werden (het laatste onder de titel Qui vive) door Frans Weisz. Weisz verfilmde eerder, in 1981, haar scenario Charlotte.
Herzberg is politiek geëngageerd: zo schreef zij een ingezonden gedicht voor de NRC over Taida Pasić, het meisje dat een aantal maanden vóór haar vwo-eindexamen door minister Verdonk teruggestuurd zou worden naar Servië.
De Japans-Britse schrijver Kazuo Ishiguro vertelde in een interview met The Paris Review dat hij de titel van het met de Man Booker Prize bekroonde The Remains of the Day te danken had aan Herzberg, die hem deze ad-hocvertaling van Freuds Tagesreste aan de hand had gedaan. Herzberg had zelf in 1984 een dichtbundel met de titel Dagrest gepubliceerd.
Prijzen
1980 - Jan Campert-prijs voor Toneel
1980 - Bayerische Filmprijs
1981 - Jan Campert-prijs voor poëzie
1982 - Prijs der Kritiek voor Leedvermaak
1984 - Joost van den Vondelprijs
1988 - Charlotte Köhler-prijs
1988 - Cestoda-prijs
1989 - Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs
1994 - Constantijn Huygens-prijs
1997 - Nominatie VSB Poëzieprijs
1997 - P.C. Hooft-prijs voor poëzie
Bibliografie
1963 - Zeepost (poëzie)
1968 - Beemdgras (poëzie)
1970 - Vliegen (poëzie)
1971 - Strijklicht (poëzie)
1971 - 27 liefdesliedjes (poëzie naar Bijbelboek Hooglied)
1974 - Dat het 's ochtends ochtend wordt. De deur stond open. Twee toneelstukken (toneel)
1976 - Lieve Arthur (televisiescript; opgenomen door de NOS)
1977 - Het maken van gedichten en het praten daarover (essay)
1980 - Botshol (poëzie)
1981 - Charlotte. Dagboek bij een film (dagboek)
1982 - Leedvermaak (toneel)
1983 - De val van Icarus (poëzie) Deels eerder verschenen in Botshol
1984 - Dagrest (poëzie)
1984 - Twintig gedichten (poëzie)
1985 - En/of (toneel)
1986 - Merg (toneel)
1986 - De kleine zeemeermin (toneel)
1987 - Zoals (poëzie)
1988 - Tussen Amsterdam en Tel Aviv (artikelen en brieven)
1988 - De Caracal. Een monoloog (toneel)
1988 - Kras (toneel)
1991 - Een goed hoofd (toneel)
1991 - Teksten voor toneel en film. 1972-1988
1992 - Zoals (poëzie) Bevat onder meer de 12 gedichten uit Zoals uit 1987
1994 - Doen en laten. Een keuze uit de gedichten (poëzie)
1995 - Rijgdraad (toneel)
1996 - Brief aan wie niet hier is. Tussen Jeruzalem en Amsterdam (reisverslag)
1996 - Wat zij wilde schilderen (poëzie)
1997 - De Nietsfabriek (toneel)
1998 - Een golem (toneelstuk)
1998 - Landschap (gedichten)
1999 - Bijvangst (gedichten)
2004 - Soms vaak (poëzie)
2004 - Thuisreis (toneeltekst)
2007 - Zijtak (poëziecd)
2008 - Het vrolijkt (gedichten)
2011 - Klaagliedjes (gedichten naar Bijbelboek Klaagliederen)
2013 - Liever brieven (poëzie)
2014 - '111 Hopla's', (gedichten)

Judith Herzberg ontvangt de Charlotte Köhler-prijs (1988)

Judith Herzberg ontvangt de Charlotte Köhler-prijs (1988)
Algemene informatie
Volledige naam Judith Frieda Lina Herzberg
Geboren 4 november 1934, Amsterdam
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Jaren actief 1963 – heden
Genre poëzie
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Literatuur
 

 

 

Het muurgedicht "Spreeuw" van Judith Herzberg in Leiden

 


Roald Hoffmann

Roald Hoffmann (Zolochiv, 18 juli 1937) is een Amerikaans theoretisch scheikundige, dichter en toneelschrijver van Poolse afkomst. Samen met Kenichi Fukui won hij de Nobelprijs voor Scheikunde in 1981 voor hun theorieën, die ze onafhankelijk van elkaar opstelden, op het gebied van het verloop van chemische reacties. Hoffmann kreeg de prijs voor zijn bijdragen aan het inzicht in het verloop van pericyclische reacties. Hij geeft les aan Cornell-universiteit in Ithaca, New York.

Biografie
Onder de geboortenaam Roald Safran kwam Hoffmann in Zolochiv ter wereld in een Joodse familie. Zijn ouders waren Clara Rosen, een onderwijzeres, en Hillel Safran, een civiel ingenieur. Nadat nazi-Duitsland Polen was binnengevallen en de stad had bezet werd zijn familie in een werkkamp geplaatst waar zijn vader, die bekend was met de lokale infrastructuur, een waardevol gevangene was. Toen de situatie gevaarlijker werd kocht de familie enkele bewakers om zodat ze konden ontsnappen. Met de hulp van Oekraďense buren dook Roald, samen met moeder, twee ooms en een tante onder in de kelder em opslagruimte van een lokaal schoolgebouw, terwijl zijn vader in het werkkamp bleef.
Zijn vader kwam in 1943 om in de Holocaust vanwege zijn betrokkenheid bij een plan om kampgevangenen te bewapenen. Zijn moeder hertrouwde later met Paul Hoffmann en Roald nam de achternaam van zijn stiefvader aan. In 1949 emigreerde de familie naar de Verenigde Staten. Na de Stuyvesant High School in New York City ging hij in 1955 scheikunde studeren aan de Columbia-universiteit. Na het behalen van zijn Bachelordiploma summa cum laude in 1958 ging hij naar de Harvard-universiteit waar hij in 1960 zijn Mastergraad behaalde. Hoffmann promoveerde in 1962 bij William Lipscomb aan Harvard en bleef daarna met hem samenwerken. In 1965 stapte hij over naar de Cornell-universiteit waar hij eerst als universitair docent en vanaf 1965 als hoogleraar werkzaam was.
Hoffmann is gehuwd met Eva Börjesson, uit dit huwelijk werd een zoon, Hillel Jan (1963), en een dochter, Ingrid Helena (1965), geboren.
Werk
In 1965 publiceerde hij samen met Robert Burns Woodward een aantal artikelen waarin een verklaring werd gegeven van het verloop van bepaalde typen organische reacties, zoals intramoleculaire ringvorming, de diels-alderreactie en de Claisen-omlegging. Zij gingen ervan uit dat de symmetrie van de moleculaire orbitalen bij de reactie bewaard blijft en de reactie kan verlopen als beide reagerende groepen overeenstemmende orbitalen hebben. Voor fotochemische reacties geldt dezelfde beschouwing, maar dan voor de orbitalen van de aangeslagen toestand.[1] De eenvoud en ruime toepasbaarheid van deze Woodward-Hoffmann-regels zijn van groot belang gebleken zowel voor het begrip van reactiemechanismen als voor de praktische synthese en leverden hem de Nobelprijs op. Woodward overleed in 1977 en kwam daarom niet in aanmerking voor de Nobelprijs 1981. Hij had overigens al in 1965 een Nobelprijs gekregen voor zijn uitzonderlijke verdiensten op het gebied van de organische synthese.
Roald Hoffmann heeft ook verschillende gedichtenbundels gepubliceerd en schreef samen met Carl Djerassi het toneelstuk Zuurstof. Dat gaat over de toekenning van een "retro-Nobelprijs" aan de ontdekker van zuurstof, waarbij de vraag is of de prijs moet gaan naar Scheele, Priestley of Lavoisier.

Roald Hoffmann.jpg

Geboorteland Polen
Geboorteplaats Zolochiv
Nobelprijs Scheikunde
Jaar 1981
Reden "Voor hun theorieën op het gebied van het verloop van chemische reacties"
Samen met Kenichi Fukui
Voorganger(s) Paul Berg
Walter Gilbert
Frederick Sanger
Opvolger(s) Aaron Klug
Portaal Portaalicoon Scheikunde

 


Meir Just

Meir Just (Vyzjnytsja, 1908 - Amsterdam, 9 april 2010) was een Nederlandse opperrabbijn.
Mayer Just is geboren in het Hongaarse Wyschnyzja (Viznitz in het Jiddisch, tegenwoordig in Oekraďne gelegen), een plaats van betekenis voor het chassidische jodendom. Zijn vader Nisan Just, was een vertrouweling en naaste medewerker van de grote Viznitzer Rebbe, de leider van de naar deze plaats genoemde chassidische stroming. In zijn openbare levenshouding en in zijn uitoefening van de rabbinale taken manifesteerde Just zich echter niet als aanhanger van het chassidisme. In de Eerste Wereldoorlog verhuisde de Viznitzer Rebbe naar de plaats Grosswardein (Roemeens: Oradea, Hongaars: Nagyvárad), het gezin Just verhuisde mee. Just was er actief in de jongerenafdeling van Agudath Israel.
Just werd opgeleid aan diverse belangrijke Europese jesjiva's waaronder die te Chust (Khust) onder rabbijn Joseph Zvi Dushinksy, de latere opperrabbijn van de Edah HaChareidis in Jeruzalem. Later verhuisde hij naar Duitsland, waar hij zich ophield in het milieu van Rabbiner Dr Joseph Breuer in Frankfurt a/m Main, waar hij leerde aan diens Talmoedschool, maar keerde vanwege de opkomst van nazi-Duitsland naar Hongarije terug. Daar heeft hij gewerkt als rabbijn-leraar in een Beth Hamidrasj in Grosswardein en Boedapest. Door een vroege persoonlijke ontmoeting met Ze'ev Jabotinski raakte Just in zijn jonge jaren geďnteresseerd in het Zionisme. Hij wist aan de Holocaust te ontkomen dankzij een niet-Jood die hem en zijn echtgenote verborg.
In 1949 verruilde hij Hongarije voor Parijs, in 1952 voor Antwerpen waar hij lessen gaf aan kinderen en volwassenen, die werden georganiseerd door de religieuze onderwijs- en cultuurafdeling van de Jewish Agency. Tegelijkertijd fungeerde hij als rabbijn van een Mizrachi synagoge in de Kievitstraat. Nadien werkte Just als rabbijn in een jesjiva te Montreux, waar ook rabbijn J.J. Weinberg doceerde, de meest vooraanstaande Duits-Joodse rabbijn die de Holocaust had overleefd en na de oorlog in continentaal West-Europa bleef wonen. In december 1962 werd Just benoemd tot rabbijn van de Joodse Gemeente Amsterdam waar hij begin 1963 arriveerde. In 1975 werd hij benoemd voor de duur van vijf jaar, tot opperrabbijn van Amsterdam. In de daarop volgende periode wilde hij die positie voortzetten, terwijl daartegen van bestuurlijke zijde weerstand begon te ontstaan. Uiteindelijk bleef hij wel voorzitter van het Opperrabbinaat voor Nederland, dat is de afdeling binnen het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap die zich voornamelijk bezighoudt met kasjroet. Tot aan zijn overlijden voerde Just deze functie uit. Daarnaast was hij in de jaren '78-'79 enige tijd waarnemend opperrabbijn van Antwerpen. Ook was hij lid van het Standing Committee van de Conferentie van Europese Rabbijnen. Op 16 september 1992 werd Just benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Behalve door de chassidische gemeenschap uit zijn jonge jaren en de zionistisch-nationalistische ideeën, werd hij ook beďnvloed door toonaangevende orthodoxe rabbijnen als Joseph Breuer (een belangrijke voorvechter van het neo-orthodoxe Torah im Derech Eretz), de chassidische Talmoedist Pinchas Horowitz en de halachist J.J. Weinberg.
Van zijn hand verscheen een klein halachisch werkje Imré Meďr waarin hij enkele halachische joods-wettelijke vragen beantwoordt en iets over zijn vader in het Viznitz milieu vertelt. De titel betekent: uitspraken van Meďr, maar het eerste woord is ook een anagram van Meďr. Ruim een jaar na zijn dood verscheen een bundel artikelen en toespraken getiteld Rav Just spreekt, dat een beeld geeft van zijn brede en diepgaande Joodse kennis.
Meir Just overleed op 101-jarige leeftijd. Op zaterdagavond 10 april 2010 werd een uitvaartdienst gehouden in de Raw Aron Schuster Synagoge aan het Jacob Obrechtplein waar hij circa 40 jaar zijn standplaats had. Hij werd op de Olijfberg in Israël begraven. Op zondag 7 april 2013 werd de brug in de Van Nijenrodeweg tussen Van der Boechorststraat en Egelenburg in Amsterdam Buitenveldert naar Just vernoemd. De onthulling vond plaats door de ambassadeur van Israël en een kleinzoon van Just.

Afbeeldingsresultaat voor Meir Just

Meir Just (Vyzjnytsja

M. Justbrug in Buitenveldert

 


Imre Kertész

Imre Kertész [ˈimrɛ ˈkɛrteːs]? (Boedapest, 9 november 1929 – aldaar, 31 maart 2016) was een Hongaarse schrijver. Hij overleefde de Holocaust en won de Nobelprijs voor Literatuur (2002).
Leven
Kertész werd in 1944 door de Duitse bezetter vanwege zijn Joodse afkomst naar het concentratiekamp Auschwitz afgevoerd, vervolgens naar het kamp Buchenwald en het kamp Tröglitz/Rehmsdorf bij Zeitz. Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma in 1948 werkte hij voor de kranten Világosság en Esti Budapest. In 1951 werkte hij een tijdje als fabrieksarbeider. Van 1951 tot 1953 was hij medewerker bij het Ministerie van Metallurgie en Werktuigindustrie. Vervolgens zat hij twee jaar in militaire dienst. Daarna werd hij beroepsschrijver en vertaler.
Werken
Aanvankelijk wilde men zijn boek Sorstalanság, dat de ervaringen beschrijft van een vijftienjarige jongen in bovengenoemde concentratiekampen, niet uitgeven, wegens vermeend gebrek aan niveau. Uiteindelijk kwam het in 1975 uit (vert. Henry Kammer: Onbepaald door het lot, 1995). Onder de naam Fateless is het boek verfilmd (2005, regisseur Lajos Koltai). Het boek vond in het begin geen grote weerklank. Kertész schreef over dit gebrek aan erkenning in A kudarc uit 1988 (vert. Henry Kammer: Het fiasco, 1998). In 1990 verscheen Kaddis a meg nem született gyermekért (vert. Kammer: Kaddisj voor een niet geboren kind, 1994). De drie genoemde boeken worden als een trilogie gezien. Andere prozawerken van Kertész zijn A nyomkereső uit 1977 (vert. Kammer: Sporenzoeker, 2004) en Az angol lobogó uit 1991. Een soort dagboek in romanvorm is Gályanapló van 1992 (vert. Kammer: Dagboek van een galeislaaf, 2003). Valaki más: a változás krónikája van 1997 bestaat uit aantekeningen uit de jaren 1991-1995. Zijn lezingen en essays zijn verzameld in A Holocaust mint kultúra uit 1993, in A gondolatnyi csend, amíg a kivégzőosztag újratölt (1998) en in A száműzött nyelv uit 2001. Zijn werken zijn in vele talen vertaald. Kertész' werk werd aanvankelijk niet erg erkend in Hongarije, waarop hij naar Berlijn verhuisde. Hij schreef nog wel steeds in het Hongaars en stuurde zijn manuscripten ook naar uitgevers in Hongarije.
Schrijverschap
In de werken van Kertész staat de Holocaust centraal. Hij zag Auschwitz, oftewel de meedogenloze vervolging van en moord op de Joden niet als een toevallige gebeurtenis, maar eerder als een gevolg van de ontmenselijking in de moderne tijd. Niet alleen het nationaalsocialisme, maar ook het communisme zag hij als totalitaire staatsvorm die tot vernedering van de mens leidt. De mens, die ervoor moet kiezen slachtoffer of dader te worden. Collaboratie en compromissen waren nodig om te overleven. Kertész was niet negatief over zijn periode in Auschwitz en Buchenwald. Tegen Newsweek zei hij ooit:"Ik beleefde mijn meest wezenlijke geluksmomenten in het concentratiekamp. Je kunt je niet indenken wat het betekent om in het kampziekenhuis te mogen liggen, of om tien minuten pauze te krijgen van onbeschrijflijke arbeid. Om zo dicht bij de dood te staan, is ook een soort geluk. Alleen al het overleven is de grootste vrijheid die je kunt beleven".
Overleden
In 2012 keerde hij om gezondheidsredenen vanuit Berlijn terug naar Boedapest. Hij overleed daar in 2016 op 86-jarige leeftijd.
In het Nederlands vertaalde werken

Kaddisj voor een niet geboren kind. Henry Kammer, 1994. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Onbepaald door het lot. Henry Kammer, 1995. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Het fiasco. Henry Kammer, 1999. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Ik, de ander. Henry Kammer, 2001. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Dagboek van een galeislaaf. Henry Kammer, 2003. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Sporenzoeker. Henry Kammer, 2004. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Liquidatie. Mari Alföldy, 2004. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
(Met Péter Esterházy:) Een verhaal, twee verhalen. Robert Kellermann en Henry Kammer, 2004. Uitgever De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen.
De verbannen taal. Mari Alföldy, 2005. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
De samenzwering. Henry Kammer, 2005. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
Dossier K. Een onderzoek. Mari Alföldy, 2007. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.

Kertész Imre cropped.jpg

Imre Kertész in Mandalay (2007)
Geboren 9 november 1929 
Boedapest , Hongarije
Ging dood 31 maart 2016 (leeftijd 86 jaar) Boedapest, Hongarije
Bezetting Romanschrijver
Opvallende werken Fatelessness 
Kaddish for a Unborn Child
Liquidation
Opmerkelijke prijzen Nobelprijs voor literatuur
2002
Echtgenoot Albina Vas 
( d. 1995) 
Magda Ambrus 
( m. 1996)

 


Hans Krieg

Max Hans (Hans) Krieg (Haynau in Silezië, 11 april 1899 – Amsterdam, 26 november 1961) was een Nederlandse componist, zanger en koordirigent.
Jeugd en opleiding
Krieg was een zoon van de Joodse lederwarenfabrikant Hugo Krieg en Helene Proskauer.Zijn grootvader was een chazan (voorzanger) en zijn grootmoeder pianolerares. Krieg speelde vanaf zijn zesde jaar piano en twee jaar later begon hij met componeren. Van de dirigent Julius Praewer kreeg hij op 17-jarige leeftijd zijn eerste compositie- en directielessen. Daarna studeerde hij aan het Leipziger Conservatorium waar hij les in compositie en dirigeren kreeg van Engelbert Humperdinck en Siegfried Ochs. Tevens studeerde hij aan de Berliner Hochschule für Musik waar Emil Nikolaus von Rezniček zijn leermeester was.
Werkzaamheden
Vanaf 1923 werkte Krieg als koorrepetitor en operadirigent en was hij verbonden aan diverse Duitse schouwburgen in Rostock en Plauen. Ook schreef hij toneelmuziek voor schouwburgen in Duitsland en Zwitserland. In 1928 verhuisde hij naar Breslau waar hij als dirigent onder meer het grootste arbeiderskoor van Silezië en het koor van de Joodse Gemeente leidde. Als componist schreef hij een aantal liederen en koormuziek in een laatromantische stijl met duidelijke invloeden van Johannes Brahms en Gustav Mahler. Hij componeerde de muziek bij het grote Volksschauspiel Paulus Unter den Juden van Franz Werfel. Vanwege het opkomend antisemitisme vluchtte hij in 1933 naar Amsterdam. Toen Krieg zonder enige middelen in Nederland aankwam, kon hij aan de toenmalige voorzitter van De Stem des Volks, Jan Antoon Krelage, een aantal door hem geschreven kinderliedjes verkopen. Hierdoor was het mogelijk om zijn vrouw en dochter ook over te laten komen.De vader van Krieg overleed in 1935.
Aanvankelijk verdiende hij in Nederland zijn geld met het kopiëren van partituren, het voor muziekencyclopedieën schrijven van artikelen over Joodse muziek en musici, componeren van muziek voor hoorspelen en aan huis les geven. Hij werd daarnaast medewerker bij de omroep, dirigent, koorleider, pianobegeleider en organist.[5] Op 19 mei 1934 was hij de organist tijdens de eerste godsdienstoefening in het gebouw De Heystee van de Liberale Joodsche Gemeente in Amsterdam.[6] In later jaren tot de aanvang van de oorlog bleef hij de gemeente bijstaan toen deze verhuisde naar het gebouw van de Theosofische Vereniging aan de Tolstraat en tijdens de erediensten.Ook was hij betrokken bij het politieke cabaret van de VARA en schreef hij liederen voor onder anderen Ernst Busch, Dora Goldstein en Chaja Goldstein.Als vervangend dirigent was hij actief binnen het koor van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam en tevens was hij de dirigent van de Joodsche Orkestvereeniging Amsterdam. In 1938 bracht de bekende sopraan Jo Vincent de door hem geschreven feesthymne Nu juicht een volk ten gehore, ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix.
Tweede Wereldoorlog
Na de bezetting door de Duitsers werden zijn werkzaamheden noodgedwongen steeds beperkter. In opdracht van het Bureau Culturele Zaken van de Joodse Raad werkte hij nog samen met Michel Gobets, Hermann Schey en Erhard Wechselmann in mei 1943 aan een serie colleges over het joodse lied,[8] maar andere opdrachten bleven allengs uit en hij kon nauwelijks nog werk vinden. In 1943 volgde een gedwongen verhuizing naar een daartoe door de Duitse bezetter aangewezen woonbuurt voor joden op het Afrikanerplein. Hier werden hij en zijn gezin in juni 1943 bij een razzia opgepakt en via de Joodse Schouwburg naar kamp Westerbork gebracht. In dit doorgangskamp richtte hij een cabaretgroep op. Ook bleef hij actief als orkestmuzikant en repetitor aan de dinsdagavondrevue. Hij was dirigent van het kinderkoor en gaf muziekles en zangles aan medegevangenen. Zichzelf begeleidend op gitaar zong hij liederen voor de kampgenoten. Hoewel het gezin op de transportlijst voor Auschwitz stond, werd dit driemaal uitgesteld. Dit geschiedde tweemaal omdat de kinderen ziek waren en in het kampziekenhuis verbleven en eenmaal door een opname op de uitwisselingslijst van het Rode Kruis, die bedoeld was om mensen via een tijdelijke opvang naar Palestina te krijgen.
In januari 1944 werd het gezin echter op transport gezet naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Daar aangekomen ging Krieg door met muziek maken en lesgeven aan de jeugd. Krieg ging werken in de schoenenfabriek en zijn vrouw in de gaarkeuken. Onder gruwelijke leefomstandigheden en ontberingen gaf Krieg, ondanks een verbod daarop, in het geheim zangvoordrachten en organiseerde hij voor de kinderen bijeenkomsten waar Nederlandse en Hebreeuwse volksliedjes gezongen werden. Toen de bevrijding nabij was, werd het gezin Krieg – samen met 2500 andere gevangenen – in een trein gezet, die twee weken lang doelloos tussen de frontlinies manoeuvreerde. Het was de laatste trein die de oorspronkelijke bestemming Theresienstadt had. Toen het Rode Leger op 23 april 1945 deze trein bevrijdde, waren er 550 inzittenden gestorven. De trein is later bekend geworden als het zogenaamde Verloren Transport. Uiteindelijk bleken Krieg en zijn gezin de oorlog overleefd te hebben maar zijn moeder Helene Krieg-Proskauer was in Sobibor omgebracht.Ook zijn schoonmoeder was omgebracht. Na een verblijf in een detentiekamp in Limburg omdat ze geen Nederlanders waren, kon het gezin uiteindelijk in juli 1945 naar Amsterdam terugkeren.
Naoorlogse werkzaamheden
In het najaar van 1945 pakte Krieg zijn werk en leven weer op. Hij plaatste in oktober een advertentie in het Nieuw Israëlietisch Weekblad waarin hij aankondigde dat hij opnieuw actief was als componist, musicus, dirigent, muziekdocent en begeleider. Daarnaast begeleidde hij opvoeringen in synagoges, werd dirigent van een aantal koren en vond zijn weg terug naar de omroep waar hij als zanger, begeleider en medewerker emplooi vond. Ook gaf hij muzieklessen door het hele land. In Apeldoorn gaf hij vijfhonderd schoolkinderen muziekles in het Ivriet, werkte hij als docent Joodse muziekgeschiedenis aan het Amsterdamse Muzieklyceum, leidde hij Joodse kinderkoren en schreef kinderliederen. In heel Nederland was hij een veelgevraagd spreker over Joodse muziek.
Als auteur was hij actief door het schrijven van meer dan dertig muziekwetenschappelijke publicaties over Joodse muziek. Krieg verzamelde tevens joodse melodieën en koormuziek en liet deze uitgeven. Het was zijn wens om zoveel mogelijk liturgische en folkloristische melodieën en liederen te verzamelen uit de Joodse, Hebreeuwse en Jiddische traditie en deze meer bekendheid te laten krijgen. Om dit doel te bereiken dook hij in de beschikbare muziekbronnen en organiseerde bijeenkomsten waar hij oude chassidische liederen liet voorzingen, waarna hij er een piano- en orkestpartituur voor schreef. Verder was Krieg na de oorlog wederom actief als componist. Hij schreef een oeuvre dat liederen, kinderliedjes, solozangstukken, duetten en koorcomposities omvatte. Ook schreef hij voor de koorwerken de complete piano- en orkestpartituren en de teksten in diverse talen als Nederlands, Jiddisch, Duits en Frans. Verder betrof het werken voor piano, kamermuziekstukken en melodrama. In zijn huis in de Waalstraat was zijn eigen uitgeverij gevestigd, Jewish Music Editions Kadimah waar de muziek besteld kon worden. Zijn partituren liet hij niet zetten maar uitgeven in zijn eigen handschrift via lichtdruk omdat zijn handschrift zo duidelijk was dat het nauwelijks van drukschrift onderscheiden kon worden.
In 1946 werd door Krieg in Amsterdam het Joods Mannenkoor, dat voor de oorlog geleid was door de in Auschwitz omgekomen componist en dirigent Sam Englander, heropgericht.In 1950 werd daarnaast het vrouwenkoor Hasjier Hajehoedie opgericht.Krieg bewerkte voor de koren joodse liederen en schreef ook zelf a-capellawerk voor koor. Het mannenkoor maakte in 1951 een toernee in Israël en nam daar deel aan het Zimriya-koorconcours. In 1955 werden de synagoges in Antwerpen en Rotterdam ingewijd met optredens van beide koren. In mei 1955 volgde een optreden in Bergen-Belsen van het Joods Mannenkoor. In 1960 werd op Radio Jeruzalem in Israël op de Nationale Herdenkingsdag het door Krieg geschreven requiem in memorie van Englander Jiskor uitgezonden, een zesdelige symfonie voor een achtstemmig gemengd koor, solisten en orkest. In 1946 kreeg Krieg de "Ernest Blochprijs" voor de compositie Ani Chavalzelet (koor, orkest, sopraan- en tenorsolo). Een jaar later schreef hij Eli-Eli dat dezelfde onderscheiding gedeeld won als beste joodse compositie en in Tel Aviv werd opgevoerd en op de radio uitgezonden. In 1954 kreeg Krieg de Ernest Bloch Award voor de compositie Ani Chavatselet (Ik ben een lelie) voor driestemming vrouwenkoor op een tekst uit het Hooglied. Hierdoor kreeg hij ook internationale bekendheid als componist. Vanaf 1959 was hij bezig met het componeren van de opera Jeremias op een tekst van Stefan Zweig maar die is door zijn overlijden niet voltooid.
Krieg was tevens actief als zanger en voordrachtskunstenaar. Met zijn jongste dochter, de sopraan Mirjam Krieg, trad hij jarenlang op door het gehele land met voordrachten en zanguitvoeringen over de geschiedenis van de Joodse muziek.In 1960 componeerde hij in opdracht van de Gemeente Amsterdam Drie Psalmen voor mannenkoor. In mei 1961 werd op het terrein van het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen een Marche funčbre van Krieg uitgevoerd, een werk voor piano viool en hoorn, gespeeld door musici die in het kamp hadden vastgezeten. Op 18 oktober 1961 vierde Krieg zijn veertigjarig jubileum als componist en dirigent met een recital voor de VARA. Hierbij zong zijn dochter Mirjam Krieg dertien van zijn kinderliederen met haar vader aan de vleugel.
Overlijden
Op 26 november 1961 werd Krieg onwel tijdens een koorrepetitie met het Hasjier Hajedhoedie koor in het Amsterdamse Kriteriontheater. Hij werd opgenomen in het Weesperpleinziekenhuis in Amsterdam waar hij enkele uren later overleed aan een hartverlamming.De dag erna besteedden de meeste landelijke kranten ruime aandacht aan zijn onverwachte overlijden.Een aantal maanden later, op 10 maart 1962, werd er een herdenkingsconcert in de Bachzaal van het Amsterdamse Conservatorium gehouden waar het vrouwenkoor Hasjier Hajedhoedie composities van Krieg uitvoerde. Na Kriegs overlijden werden zijn twee koren samengevoegd. Deze dragen als eerbetoon aan de oprichter en eerste dirigent de naam Verenigde Joodse Koren Hans Krieg.
Erkenning
In 2011 organiseerde de Hollandsche Schouwburg de tentoonstelling 'Beladen, Betwist, Bewaard' over de naoorlogse geschiedenis van de schouwburg. Een belangrijk deel van de presentatie bestond uit een onbekend lied van Krieg. Hij schreef het lied Waar bleven de Joden van ons Amsterdam? in 1947. Op verzoek van de Hollandsche Schouwburg zong Kriegs dochter Mirjam dit lied voor deze tentoonstelling. In 2011 besteedde het televisieprogramma De Wandeling[17] aandacht aan de lotgevallen van de familie Krieg tijdens de Tweede Wereldoorlog en de herontdekking van het door Krieg geschreven werk.Het lied werd aan het eind van het programma uitgevoerd in de Hollandsche Schouwburg door het Nieuw Amsterdams Kinderkoor in aanwezigheid van Mirjam Krieg.In het lied wordt stilgestaan bij het verlies van zoveel Joodse Amsterdammers:
Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen
en waar is de voddeman, die altijd kwam?
Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen?
Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?
Het Nederlands Muziek Instituut beheert het archief van Krieg, dat de periode 1922-1961 beslaat.
Verdere personalia
Krieg trouwde in 1929 met de van Roemeens-joodse afkomst Regine Sternlieb.Het echtpaar kreeg twee dochters.

Hans Krieg achter zijn vleugel (1959)

Hans Krieg achter zijn vleugel (1959)
Volledige naam Max Hans Krieg
Geboren 11 april 1899
Overleden 26 november 1961
Land Duitse Keizerrijk, Nederland
Religie liberaal joods
Jaren actief 1923 - 1961
Stijl laatromantiek
Nevenberoep zanger en koordirigent
Instrument piano, gitaar, orgel
Leraren Julius Praewer; Engelbert Humperdinck; Siegfried Ochs; Emil Nikolaus von Rezniček
Portaal Portaalicoon Muziek
 

 

Tekening door Leo Kok van Hans Krieg zingend in Kamp Westerbork

 

Foto ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Krieg

 

 

Hollandsche Schouwburg

 


Yisrael Kristal

Yisrael Kristal (geboren Izrael Icek Kryształ ; Hebreeuws : ישראל קרישטל ; 15 september 1903 - 11 augustus, 2017) was een Pools-Israëlische supercentenarian , erkend als de oudste levende overlevende van de Holocaust en na de dood van Yasutaro Koide op 19 januari 2016 , was de oudste levende man ter wereld evenals een van de tien oudste mannen ooit .
Geboren door religieuze ouders in Polen, toen onderdeel van het Russische rijk, bleef Kristal zijn hele leven religieus observerend. 
Een banketbakker van beroep, hij heeft de Eerste Wereldoorlog als kind en de Tweede Wereldoorlog als volwassene ervaren . Na het overleven van de Holocaust emigreerde hij naar Israël .
Kristal werd 's werelds oudste erkende overlevende van de Holocaust in 2014 en' s werelds oudste man in 2016.
Vroege leven 
Kristal werd geboren in een religieuze joodse familie in Maleniec, Końskie in de buurt van Żarnów , toen onderdeel van het Congres Polen van het Russische Rijk , op 15 september 1903. Zijn vader was een Torah- geleerde die ervoor zorgde dat zijn zoon een godsdienstige opleiding volgde, en Kristal zou Blijf heel zijn leven religieus observerend. Hij ging op driejarige leeftijd naar een cheder , waar hij Judaďsme en Hebreeuws studeerde . Hij leerde de Hebreeuwse Bijbel om vier uur en de Misjna om zes uur. In een interview in 2012 herinnerde hij zich dat zijn vader hem om vijf uur 's nachts wakker maakte om zijn religieuze instructie te beginnen. 

Zijn moeder stierf in 1910 toen hij 7 jaar oud was. Nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914, zag hij Kaiser Franz Joseph in eigen persoon toen de vorst door zijn stad reed in een auto en herinnerde hij hen dat hij snoepjes gooide terwijl hij passeerde. Zijn vader werd opgeroepen tot het imperiale Russische leger en stierf kort daarna. Ondertussen ging Kristal wonen bij zijn ooms.

In 1920 verhuisde hij op 17-jarige leeftijd naar Łódź . Na korte tijd als metaalarbeider te hebben gewerkt, opende hij een snoepwinkel met een oom. Aanvankelijk werkte hij als een fysieke arbeider, maar later werd hij een gerenommeerd expert snoepjesmaker. Hij trouwde in 1928 met Chaja Feige Frucht en kreeg twee kinderen. 

Holocaust overleving 
In 1940, nadat de Duitsers Polen hadden overgenomen tijdens de Tweede Wereldoorlog , bleef Kristal suikergoed produceren, soms in het geheim en op andere momenten met de aanmoediging van de hoofden van het getto, waaronder het hoofd van de Łódź Ghetto Judenrat Chaim Rumkowski . Zijn twee kinderen stierven in het getto, terwijl Kristal en zijn vrouw werden gedeporteerd naar het concentratiekamp Auschwitz tijdens de liquidatie van het getto in augustus 1944.

Kristal's vrouw stierf in Auschwitz terwijl hij werkte als een dwangarbeider en overleefde. Toen het kamp werd bevrijd door het Rode Leger , woog Kristal 82 pond (37 kg). Hij werd naar het ziekenhuis gebracht, waar hij terugkeerde naar zijn beroep en snoep maakte voor Sovjet-soldaten, voordat hij terugkeerde naar Łódź, waar hij zijn verwoeste snoepwinkel herbouwde en zijn tweede vrouw, Batsheva, ontmoette. Ze trouwden in 1947. Het echtpaar kreeg een zoon, Chaim, die in Polen werd geboren, en een dochter, Shula, die in Israël werd geboren. 

Leven in Israël 
In 1950 emigreerde de familie naar Israël op het schip Komemiyut en vestigde zich in Haifa . Hij werkte aanvankelijk bij de Palata snoepfabriek, waar hij werd beschouwd als een expert en leerde de eigenaren om een ​​hele productielijn van snoep te maken. Hij werd toen zelfstandige, maakte thuis snoep en verkocht het in een Haifa- kiosk. Onder de zoetigheden hij geproduceerd waren klein liquor flacons chocolade verpakt in gekleurde folie, jam gemaakt van johannesbrood en chocolade bedekte sinaasappelschillen. In 1952 begon hij zijn snoep te produceren in de Sar and Kristal Factory op Shivat Zion Street. Nadat de fabriek in 1970 werd gesloten, keerde hij terug naar het maken van zijn snoepjes thuis voordat hij met pensioen ging. 

Kristal had negen kleinkinderen. Hij had ook achterkleinkinderen, maar zijn familie gaf er de voorkeur aan niet zijn exacte aantal nakomelingen te vermelden uit angst voor het ' boze oog '.

Na de dood van Alice Herz-Sommer in Londen op 23 februari 2014 werd Kristal erkend als 's werelds oudste bekende overlevende van de Holocaust (hoewel hij eigenlijk ouder was dan zij). Hij werd 's werelds oudste levende man op 18 januari 2016, na de dood van de Japanse supercentenarian Yasutaro Koide . 

Op 11 maart 2016 werd Kristal officieel erkend als 's werelds oudste man door Guinness World Records . Zijn status werd geverifieerd nadat documenten die zijn leeftijd bevestigen in Polen werden ontdekt (vroeger was het oudste document van de familie afkomstig van zijn huwelijk op 25-jarige leeftijd, maar de Guinness-voorschriften vereisen documentatie uit de eerste 20 jaar van iemands leven om het record te claimen; documenten werden ontdekt door Jewish Records Indexing - Poland). 

Omdat ze dit op 13-jarige leeftijd niet had kunnen doen vanwege de Eerste Wereldoorlog, vierde Kristal zijn bar mitswa een eeuw later, in september 2016, op de leeftijd van 113 jaar. Op 11 augustus 2017 , Kristal stierf in zijn huis in Haifa op de leeftijd van 113 jaar en 330 dagen.

Yisrael Kristal (bijgesneden) .jpg

Kristal in september 2016
Geboren Izrael Icek Krysztal 15 september 1903 Maleniec, Końskie County , Congress Poland , Russian Empire
Ging dood 11 augustus 2017 
(leeftijd van 113 jaar, 330 dagen)
Haifa , Israel
Nationaliteit Israëlisch
Bezetting Zakenman
Bekend om Oudste levende man
(19 januari 2016 - 11 augustus 2017) 
Oudste overlevende van de holocaust
Partner (s) 
Chaje Feige Frucht (huwde 1928, 2 kinderen, zij en de kinderen stierven in de Holocaust)
Batsheva Kristal (gehuwd met 1947, 2 kinderen)

Kristals naam en geboortedatum op een record uit 1918

 


Pinchas Lapide

Pinchas Erwin Lapide (Wenen, 28 november 1922 - Frankfurt am Main, 23 oktober 1997) was een Israëlische diplomaat en joodse theoloog van Oostenrijkse komaf. Hij stond bekend om zijn kennis van het Nieuwe Testament en zijn belang voor de joods-christelijke dialoog.
Levensloop
Na de Anschluss in 1938 kwam Lapide in een concentratiekamp terecht maar wist daaruit te ontvluchten. Via Tsjecho-Slowakije en Polen kwam hij in het Verenigd Koninkrijk terecht. Vandaaruit vertrok hij in 1940 per schip naar het toenmalige mandaatgebied Palestina.
Van 1951 tot 1969 werkte hij als diplomaat en hoofd van de persdienst voor de Israëlische regering. Als zodanig was hij van 1956 tot 1958 consul in Milaan en bereidde hij het bezoek van paus Paulus VI in 1964 aan Israël voor. Tijdens de laatste jaren van zijn diplomatieke loopbaan studeerde hij (nieuwtestamentisch) christendom, Romaanse talen, mediëvistiek en politicologie aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij behaalde zijn Bachelor- en Master of Arts en promoveerde in 1971 aan de Universiteit van Keulen op het proefschrift Die Verwendung des Hebräischen in den christlichen Religionsgemeinschaften mit besonderer Berücksichtigung des Landes Israel.
Lapide verhuisde in 1969 naar West-Duitsland, vanaf 1971 woonde hij in Frankfurt am Main. In Duitsland werkte hij als schrijver van boeken over Jezus, bezien vanuit een joodse achtergrond. Van 1972 tot 1975 gaf hij ook college aan de Israëlische Bar-Ilan Universiteit in Ramat Gan. Bij elkaar schreef hij meer dan 35 boeken; deze werden in twaalf talen vertaald. In 1993 werd hij zowel onderscheiden met het Bundesverdienstkreuz als met de ereprijs van de Stiftung Kulturförderung. Het jaar daarop kreeg hij het ereplakkaat van de stad Frankfurt am Main.
Pinchas Lapide overleed na een langdurig ziekbed op 74-jarige leeftijd. Zijn weduwe Ruth Lapide en zijn zoon Yuval Lapide hebben zijn werk voortgezet.
Werken
Der Prophet von San Nicandro. Vogt, Berlin 1963, Matthias-Grünewald-Verlag, Mainz 1986. ISBN 3-7867-1249-2
Rom und die Juden. Gerhard Hess, Ulm 1967, 1997, 2005 (3.verb.Aufl.). ISBN 3-87336-241-4
Nach der Gottesfinsternis. Schriftenmissions-Verl., Gladbeck 1970.
Auferstehung. Calwer, Stuttgart 1977, 1991 (6.Aufl.). ISBN 3-7668-0545-2
Die Verwendung des Hebräischen in den christlichen Religionsgemeinschaften mit besonderer Berücksichtigung des Landes Israel. Diss. Kleikamp, Köln 1971.
Er predigte in ihren Synagogen. Mohn, Gütersloh 1980, 2004 (8.Aufl.). ISBN 3-579-01400-5
Wie liebt man seine Feinde? Matthias Grunewald Verlag, Mainz 1984
Am Scheitern hoffen lernen. Mohn, Gütersloh 1985, 1988. ISBN 3-579-01413-7
Wer war schuld an Jesu Tod? Mohn, Gütersloh 1987, 1989, 2000 (4.Aufl.). ISBN 3-579-01419-6
Ist das nicht Josephs Sohn? Jesus im heutigen Judentum. Mohn, Gütersloh 1988. ISBN 3-579-01408-0
Ist die Bibel richtig übersetzt?" 2 Bd. Mohn, Gütersloh 2004. ISBN 3-579-05460-0
Der Jude Jesus. Patmos, Düsseldorf 1979, 2003 (3.Aufl.). ISBN 3-491-69405-1
Paulus zwischen Damaskus und Qumran. Mohn, Gütersloh 1993, 1995, 2001. ISBN 3-579-01425-0

Pinchas Lapide (1967)

 


Primo Levi

Primo Levi (Turijn, 31 juli 1919 – aldaar, 11 april 1987) was een Joods-Italiaans schrijver van korte verhalen, romans en gedichten. Hij was ook scheikundige en een van de overlevenden van Auschwitz.
Leven
Levi was afkomstig uit een Joods middenklassengezin. Van een baby die vaak ziek was, groeide hij uit tot een frivole en slimme kleuter. Zijn ouders kregen twee jaar na zijn geboorte nog een tweede kind, Anna Maria, met wie hij zijn leven lang een warme band zou hebben. In zijn eerste schooljaren was Primo een geliefd kind. Dit veranderde naarmate hij ouder werd. Zijn kleine postuur, intelligentie en hekel aan sport waren enkele oorzaken waardoor Primo gepest werd. Bovendien keken klasgenoten op hem neer, omdat de familie Levi van Joodse afkomst was. Hoewel het gezin volledig geassimileerd was en de joodse wetten niet werden nageleefd – slechts de joodse feesten werden gevierd, niet uit religieuze overtuiging, maar om de familieband te versterken – werd Primo aangekeken op zijn Joodse achtergrond.
Als puber besloot Primo om chemicus te worden. Na de middelbare school ging hij scheikunde studeren aan de Universiteit van Turijn. Hij behaalde uitstekende resultaten, waardoor hij na zijn studie de kans kreeg om een proefschrift te schrijven. Doordat in het fascistische Italië de anti-Joodse sentimenten voortdurend sterker werden en vanaf 1938 antisemitische wetten van kracht werden, kreeg Levi na zijn promotie geen betrekking aan de universiteit. Ook buiten de academische wereld slaagde hij er niet in een baan te vinden. Dit maakte hem uiterst wanhopig. Al vanaf zijn kindertijd had hij met enige regelmaat met ernstige depressies te kampen. In psychisch opzicht was Levi verre van stabiel. Door het uitblijven van een vaste aanstelling werd hij wanhopig en verhevigde zijn depressie. Tegenover een vriend verklaarde hij zelfmoord te hebben overwogen. Uiteindelijk kon hij onder een valse naam aan de slag in een klein laboratorium.
In 1939 ontdekte Levi zijn liefde voor wandelen in de bergen. Samen met zijn vriend Sandro Delmastro bracht hij veel weekends door in de bergen van Turijn. De fysieke inspanning, het risico en de strijd met de elementen die hier geleverd werd, waren voor hem een uitlaatklep voor alle frustraties in zijn leven. In juni 1940 verklaarde Italië de oorlog aan Groot-Brittannië en Frankrijk en de eerste luchtaanvallen op Turijn volgden al twee dagen later. Levi studeerde verder, maar kreeg een zware klap te verwerken toen bleek dat zijn vader darmkanker had.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam aan zijn werk in het laboratorium een einde. Levi moest onderduiken. In de zomer van 1942 raakte hij betrokken bij het verzet. In eerste instantie kreeg hij slechts kleine taken toebedeeld. Zo was hij belast met de taak om 'Viva la pace' ('Leve de vrede') op bankbiljetten te schrijven. Nadat Turijn een jaar later tot de Republiek van Salň, de fascistische Duitse marionettenstaat, ging behoren, sloot Levi zich aan bij een groep gewapende partizanen, Giustizia e Libertŕ, wat staat voor Recht en Vrijheid. De eenheid waar hij terechtkwam, kende een slechte strategie en organisatiestructuur. De groep bestond voornamelijk uit studenten, waarvan de meesten nog nooit een wapen hadden leren hanteren. Een infiltrant zorgde ervoor dat Levi’s afdeling werd opgepakt. Levi werd op 13 december 1943 gearresteerd. Nadat men achterhaalde dat Levi een Jood was werd hij naar het doorvoerkamp in Fossoli gebracht. Hiervandaan werd Levi op 22 februari 1944 als Jood en verzetsstrijder gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij uiteindelijk werd tewerkgesteld in de Buna-Werke van Auschwitz-Monowitz. Levi overleefde Auschwitz, als een van de vijf overlevenden van een groep van 650 Italiaanse Joden, mede dankzij het feit dat hij als scheikundige een zogenoemd 'bruikbare Jood' was, en bovendien Duits kende: voor de oorlog was dit de taal van veel belangrijke scheikundeboeken. Hij overleefde echter ternauwernood enkele selecties voor de gaskamer.
Na de Tweede Wereldoorlog
Over zijn tijd in het concentratiekamp schreef hij Se questo č un uomo (1947). Het boek werd echter pas in 1958 bekend, toen het opnieuw werd uitgegeven door een grotere uitgever. De eerste Nederlandse druk kwam uit in 1963 onder de titel "Eens was ik een mens" (Arbeiderspers). Een heruitgave in 1987 had de titel "Is dit een mens". Er is enig dispuut over de juistheid van de vertaling van de titel. "Als dit een mens is", vinden velen een betere vertaling. In "Is dit een mens" beschrijft Levi het leven in het kamp en hoe mensen zich gedragen onder extreme omstandigheden. De onderliggende vraag is voortdurend: is dit een mens? Die vraag geldt voor de onderdrukkers en de onderdrukten. De afstandelijke wijze waarop Levi het leven in Auschwitz beschrijft, maakte erg veel indruk.
In 1963 volgt het boek La Tregua, in het Nederlands in 1966 vertaald als Het oponthoud en in 1988 in een nieuwe vertaling uitgebracht onder de titel Het respijt. La Tregua werd in 1997 verfilmd door Francesco Rosi. In de film speelt John Turturro de rol van Primo Levi. In Het Respijt beschrijft Levi zijn terugtocht van Auschwitz naar Turijn na de bevrijding van het kamp. Het zou een lange reis worden met vele ontberingen. Op 19 oktober 1945 - na een reis van negen maanden - arriveert Levi in Turijn.
De Trilogie over zijn oorlogsherinneringen wordt afgesloten met het boek I sommersi e i salvati. Dit boek verscheen in Italië in 1986 en werd in 1991 in het Nederlands vertaald onder de titel De verdronkenen en de geredden. Het boek is een bundeling van essays waarbij de vraag 'Wie overleefde en waarom?' centraal staat. Ook 'slachtofferschap' en 'schaamte' spelen een belangrijke rol in de bundel. Levi spreekt vaak over de 'schaamte slachtoffer te zijn geweest.'
Naast de drie oorlogsboeken, gebundeld onder de titel "De getuigenissen" schreef Levi nog tal van andere verhalen, gedichten en essays.
Verdacht overlijden
Levi overleed op 67-jarige leeftijd. Hij kwam ten val in een trappenhuis en viel enkele verdiepingen naar beneden. Over de manier waarop Levi stierf zijn de meningen verdeeld. Was het een ongeluk of zelfmoord? Levi-vertaler Reinier Speelman houdt het op een noodlottige val, anderen menen dat Levi sprong omdat hij zijn herinneringen niet meer aankon. Bovendien, zo stelt zijn vriend Ferdinando Camon, had hij zijn levenswerk met I sommersi e i salvati voltooid.
Overig prozawerk
Storie naturali (1966, onder het pseudoniem Damiano Malabaila)
Vizio di forma (1971)
Il sistema periodico (1975, in 1987 in het Nederlands vertaald onder de titel 'Het periodiek systeem')
La chiave a stella (1978, vertaald onder de titel 'De kruissleutel')
Lilit e altri racconti (1981, vertaling: 'Lilith: verhalen')
La ricerca delle radici (1981)
Se non ora, quando? (1982, vertaling: 'Zo niet nu, wanneer dan?')
Alle verhalen (Amsterdam, Meulenhof, 2000)
Auschwitz rapportage (Amsterdam, Meulenhof, 2008)
Secundaire literatuur
Primo Levi. Themanummer Bzzlletin (literair magazine), nr. 194, maart 1992.

fotograaf

Geboren 31 juli 1919 
Turijn , Italië
Ging dood 11 april 1987 (67 jaar) Turijn, Italië
Naam van de pen Damiano Malabaila (gebruikt voor sommige van zijn fictiewerken)
Bezetting Schrijver, chemicus
Taal Italiaans
Nationaliteit Italiaans
Onderwijs Degree in chemie
Alma mater Universiteit van Turijn
Periode 1947-1986
Genre Autobiografie, korte verhaal, essay
Opvallende werken Als dit een man is
Echtgenoot Lucia Morpurgo (1920-2009)
Kinderen 2
familie Cesare Levi (vader) 
Ester Levi (moeder) 
Anna Maria Levi (zuster)

 

IG Farben-fabriek in Monowitz (bij Auschwitz) 1941

3-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5