Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

3-Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3


Frans verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Auguste Champetier de Ribes

Auguste Champetier de Ribes (Antony, 30 juli 1882 - aldaar, 6 maart 1947), was een Frans christendemocratisch politicus en rechtsgeleerde.
Biografie
Champetier studeerde rechten aan de universiteit van Parijs. Hij nam als militair deel aan de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Tijdens deze oorlog raakte hij gewond.
Hij werd sterk beïnvloed door de christendemocratische en -sociale theorieën van Albert de Mun (1841-1914). In 1919 was Champetier medestichter van de christendemocratische en centristische Parti Démocrate Populaire (PDP, Democratische Volkspartij). Van 1924 tot 1934 was hij voor het departement Basses-Pyrénées lid van de Kamer van Afgevaardigden (Chambre des Députés) en van 1934 tot 1940 vertegenwoordigde hij het departement Basses-Pyrénées in de Senaat.
Minister
Van 3 november 1929 tot 21 februari 1930 was Champetier onderstaatssecretaris van Financiën in het kabinet van premier André Tardieu. Van 2 maart tot 13 december 1930 was hij minister van Pensioenen onder Tardieu. In de daaropvolgende kabinetten-Laval en Tardieu III (27 januari 1931 - 3 juni 1932) was hij ook minister van Pensioenen. Op 13 september 1938 werd hij opnieuw minister van Pensioenen, maar bekleedde daarnaast ook de ministerspost van Oud-strijders (in het kabinet-Daladier). Van 13 september 1938 tot 10 mei 1940 was hij onderstaatssecretaris van Buitenlandse Zaken (kabinet-Daladier en kabinet-Reynaud).
Verzetsheld
In zijn hoedanigheid als senator stemde hij op 10 juli 1940, na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland, tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain. Hij trad vervolgens als senator af en ging met pensioen. Al snel trad hij toe tot het Franse verzet en werd hij één van de leiders van de verzetsgroep Combat ("Strijd"). Later ging Combat op in de overkoepelende Conseil National de la Résistance (CNR, Nationale Raad voor de Bevrijding).
Openbaar aanklager
Na de oorlog trad Champetier toe tot de Voorlopige Consultatieve Raad (Assemblée Consultative Provisoire).
Voorlopig staatshoofd Charles de Gaulle benoemde Champetier tot één van de Franse openbare aanklagers[1] bij het Neurenberg Proces tegen de Nazi-oorlogsmisdadigers (1946). Terug in Frankrijk stelde hij zich kanididaat voor het voorzitterschap van de Conseil de la République (Raad van de Republiek)[2]. Hij verkreeg 129 stemmen, evenveel als zijn concurrent, de communist Georges Marrane. Toch werd Champetier de Ribes voorzitter, omdat Marrane jonger was.
Presidentskandidaat
Champetier werd lid van de christendemocratische Mouvement Républicain Populaire (MRP, Republikeinse Volksbeweging) en stelde zich kandidaat voor het presidentschap. Tijdens de stemming in het Franse parlement (29 december 1946) kreeg hij 242 stemmen, terwijl de SFIO-kandidaat (en medeverzetsleider) Vincent Auriol 452 stemmen kreeg. Auriol won de presidentsverkiezingen. Het hem aangeboden voorzitterschap van het parlement moest hij wegens ziekte afwijzen.
Auguste Champetier de Ribes overleed op 64-jarige leeftijd in zijn geboorteplaats

Auguste Champetier de Ribes.jpg

Termijn 1924 - 1947
Departement Basses-Pyrénées
Parlementaire groep PDP (1924-1940)
MRP (1946-1947)
Tijdvak Derde Franse Republiek
Vierde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

Georges Thierry d'Argenlieu

Georges Thierry d'Argenlieu, zijn religieuze naam was Louis de la Trinité, (Brest, 7 augustus 1889 – Brest, 7 september 1964) was een priester, diplomaat en een officier en admiraal in de Franse marine. Hij was een van de belangrijkste persoonlijkheden van de Vrije Fransen en de Forces navales françaises libres. Hij was de kanselier van de Orde van de Bevrijding
Vroegere carrièreAchille Daroux
Georges Thierry d'Argenlieu werd geboren in een familie van marineofficieren. Toen hij 17 jaar was ging hij studeren aan de École navale. Hij diende op het Du Chayla als een adelborst (Aspirant) en nam in 1912 deel aan de campagne in Marokko die tot het Verdrag van Fez leidde. Tijdens de campagne werd hij op onderscheiden met de benoeming in het Franse Legioen van Eer en raakte hij bevriend met Hubert Lyautey, wat d’Argenlieu later als een van zijn gelukkigste momenten van zijn leven beschreef.
Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in de Middellandse Zee; in 1915 nam hij de eerste stappen om bij een kloosterorde te gaan. Hij bleef dienen bij de marine en werd in juli 1917[2] bevorderd tot luitenant-ter-zee (Lieutenant de vaisseau). Het volgende jaar werd hij bevelvoerend officier op een patrouilleboot, de Tourterelle.
Religieuze carrière
Aan het einde van de oorlog studeerde hij theologie in Rome en ging bij de religieuze order van de Ongeschoeide Karmelieten als Louis de la Trinité. Hij maakte op 15 september 1921 zijn gelofte en studeerde voor vier jaar aan de Katholieke Universiteit van Rijsel. In 1932 werd hij Provinciaal Superieur van Parijs.
Tweede Wereldoorlog
In september 1939 werd d’Argenlieu gemobiliseerd als reserve-marineofficier en werd op 10 februari 1940[2]bevorderd in de rang van een korvetkapitein (Capitaine de corvette). Tijdens de Slag om Frankrijk tijdens de verdediging van de arsenalen van Cherbourg werd d’Argenlieu gevangengenomen. Na drie dagen ontsnapte hij van de gevangenentrein die richting Duitsland zou gaan en voegde zich op 30 juni bij Charles de Gaulle.
D’Argenlieu ging bij de Vrije Fransen om in eerste instantie te dienen als kapelaan, maar nam de taken van een marineofficier op zich met een speciale vergunning van zijn religieuze superieuren vanwege het kleine aantal marineofficieren bij de Vrije Fransen. Hij werd stafchef in juli 1940. Hij probeerde de gouverneur van Dakar die loyaal was aan Vichy-Frankrijk over te halen om zich aan te sluiten bij de Gaulle. Hij raakte op 23 september 1940 zwaargewond toen hij onder vuur werd genomen in zijn kleine en onbewapende boot tijdens de Slag om Dakar. In november leidde hij de succesvolle operaties bij de herovering van Gabon.
D’Argenlieu werd in december 1941 bevorderd tot kapitein-ter-zee (Capitaine de vaisseau) en werd kanselier van de nieuw ingestelde Orde van de Bevrijding. Op 19 juli 1943 werd hij schout-bij-nacht (Contre-amiral); hij ondernam diverse missies om de Franse kolonies onderbeheer te brengen van de Vrije Fransen. In 1943 werd hij bevelvoerend officier voor de zeestrijdkrachten in Groot-Brittannië. Op 14 juni 1944 begeleidde hij de Gaulle aan boord van de Combattante naar Frankrijk en betrad samen met hem op 25 augustus Parijs.
Eerste Indochinese Oorlog
Nadat Japan was verslagen, werd d’Argenlieu naar Frans-Indochina gezonden om met het Franse Verre Oosten Expeditiekorps het Franse gezag aldaar te herstellen. Hij werd in december 1944 gepromoveerd tot vice-admiraal (vice-amiral d'escadre) en in juni 1946 tot luitenant-admiraal (Amiral). Zijn acties raakte meer en meer controversieel en in maart 1947 werd hij vervangen door Emile Bollaert. Terug in Frankrijk werd hij inspecteur-generaal van de Marine.
Na de oorlog
In 1958 werd hij ziek en trad af als kanselier van de Orde van de Bevrijding en trok zich terug in een klooster. Hij stierf in Brest op 7 september 1964 en werd begraven in Avrechy.
Onderscheidingen
Grootkruis in het Legioen van Eer
Orde van de Bevrijding op 29 januari 1941
Médaille Militaire
Croix de Guerre 39 - 45 met 3 Palmen 
Croix de Guerre des Théâtres d'Opérations Extérieures (TOE) met Palm 
Verzetsmedaille met rosette
Médaille des Blessés 
Médaille du Sauvetage 
Médaille du Maroc 
Oorlogskruis met Palm (België)
Commandeur in de Leopoldsorde (België)
Ridder in de Orde van het Bad (Verenigd Koninkrijk)

Georges Thierry d'Argenlieu, 1941

Georges Thierry d'Argenlieu, 1941
Geboren 7 augustus 1889
Brest
Overleden 7 september 1964
Brest
Begraven Avrechy-d'Argenlieu Kerk, Avrechy, Departement Oise, Picardië, Frankrijk
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Flag of Free France (1940-1944).svg Vrije Fransen
Onderdeel Franse marine
Naval Ensign of Free France.svg Forces navales françaises libres
Dienstjaren 1912 - 1947
Rang French Navy-Rama NG-OF9.svg Amiral
Eenheid Van Chayla (kruiser)
Leiding over Tourterelle
Inspecteur-generaal van de Marine
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk
Slag om Dakar
Slag om Gabon
Eerste Indochinese Oorlog

Achille Daroux

Achille Pierre Anatole Eugène Daroux (Saint-Prouant, 25 juli 1880 - Maillezais, 25 april 1953) was een Frans politicus.

Daroux werd geboren in Saint-Prouant in het departement Vendée. Zijn vader was onderwijzer. Hij studeerde geneeskunde in Bordeaux. Na zijn afstuderen was hij als arts werkzaam in zijn geboorteplaats. In 1904 werd hij in de gemeenteraad van Maillezais gekozen. Hij bleef tot zijn dood lid van deze gemeenteraad. Hij was vervolgens conseiller général (lid van de Generale Raad) van het kanton Maillezais (1906-1940). Van 1930 tot 1935 was hij voorzitter van de regioafdeling van de Parti Radical-Socialiste (PRS, Radicaal-Socialistische Partij) van de Vendée. In 1932 werd hij voor het departement Vendée in de Kamer van Afgevaardigden (Chambre des Députés) gekozen en in 1936 werd hij herkozen. Hij was lid van de kamercommissies Volksgezondheid en PTT.

Daroux stemde op 10 juli 1940, na de Franse nederlaag tegen Nazi-Duitsland, tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain. Hij nam vervolgens actief deel aan het verzet en was lid van het Bevrijdingscomité van het departement Vendée. Daroux werd na de Tweede Wereldoorlog als Ridder opgenomen in het Franse Legioen van Eer.

Hij overleed op 72-jarige leeftijd.

Charles Delestraint

Charles Georges Antoine Delestraint (Biache-Saint-Vaast, 12 maart 1879 - Dachau, 19 april 1945) was een luitenant-generaal in het Franse leger en lid van het Franse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd hij gevangengenomen en tijdens de gehele oorlog was hij krijgsgevangene. Na de oorlog bleef hij in het leger, waar hij voorstander was van het gebruik van de gemechaniseerde oorlogvoering. In 1939 ging hij met pensioen maar na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij weer opgeroepen voor het leger. Op 3 juni 1940 leidde hij tijdens de slag om Frankrijk de tegenaanval op de Duitsers in Abbeville.
Na de overgave van Frankrijk op 25 juni trok hij zich terug in Bourg-en-Bresse waar Henri Frenay hem rekruteerde voor het Franse verzet. Delestraint begon het verzet in Lyon te organiseren. Clandestien bezocht hij Charles de Gaulle in Londen en stemde erin toe de Armée Secrète te leiden en keerde op 24 maart 1943 terug naar Frankrijk.
Op 9 juni 1943 werd hij gearresteerd door de Gestapo en ondervraagd door Klaus Barbie. Hij werd als Nacht-und-Nebel gevangene naar Natzweiler-Struthof gedeporteerd en daarna naar het concentratiekamp Dachau. Daar werd hij op 19 april 1945 geëxecuteerd, enkele dagen voor de bevrijding van het kamp en het einde van de oorlog.
Onderscheidingen
Commandeur in het Franse Legioen van Eer
Orde van de Bevrijding (Frankrijk)
Croix de guerre (Frankrijk) 1914-1918 met palm
Croix de guerre (Frankrijk) 1939-1945
Oorlogskruis van België

Plaquette in de Rue du Général-Delestraint, Parijs

 

Plaquette in Biache-Saint-Vaast

Plaquette in Biache-Saint-Vaast
Volledige naam Charles Georges Antoine Delestraint
Geboren 12 maart 1879, Biache-Saint-Vaast
Overleden 19 april 1945, Dachau
Land  File:Flag of France.svgVlag van Frankrijk Frankrijk

Yves Farge

Yves Farge (19 augustus 1899, Salon-de-Provence, Bouches-du-Rhône − 31 maart 1953, Tbilisi in de toenmalige Sovjet-Unie) was een Frans journalist, verzetsstrijder en politicus.

Biografie
Yves Farge werkte als journalist voor de Progrès de Lyon. Zijn collega, Georges Altman, bracht hem tijjdens de Duitse bezetting in contact met een Franse verzetsbeweging die zich "Franc-tireur", (Nederlands: "vrije schutter") noemde. In 1942 ontmoette Farge de leider van het verzet Jean Moulin. Farge werd belast met de militaire organisatie van de verzetsstrijders, de maquis, in het massif du Vercors. Hij was ook een lid van de état-major of staf van generaal Charles Delestraint. Na de arrestatie van deze twee prominente verzetsstrijders werd ook Farge gezocht door de Gestapo en hij vertrok naar Parijs, waar hij deel uitmaakte van het Comité d'action contre la déportation, een verzetsgroep die onder andere Joden van deportatie naar het Oosten wilde redden.

Compagnon de la LibérationMedaille van de Stalin Vredesprijs
Compagnon de la Libération
Generaal Charles de Gaulle benoemde Farge tot zijn commissaire de la République voor de departementen van la région rhodanienne, het Rhônegebied. Farge wist 800 gijzelaars die in de Montlucgevangenis in Lyon door de Duitsers zouden worden doodgeschoten te redden.

Farge was politiek links georiënteerd maar was geen lid van een politieke partij. Hij diende van 8 januari tot 16 december 1946 als minister van bevoorrading in de voorlopige regering van Premier Georges Bidault. In die periode kostte het de Franse regering veel moeite om aan de behoefte aan voedsel tegemoet te komen. Er was veel zwarte handel en hij veroordeelde het smokkelen van wijn. Tijdens zijn ambtsperiode werd hard opgetreden tegen de handelaren op de zwarte markt.

Farge stond politiek dicht bij De Franse communisten. Hij nam in 1947 deel aan de oprichting van de Mouvement de la Paix, deel van de sterk door communisten en hun medestanders beïnvloedde vredesbeweging, waarvan hij tot zijn dood in 1953 de eerste voorzitter werd. Hij was ook lid van de Wereldraad voor de Vrede. Yves Farge stierf aan de gevolgen van een auto-ongeluk in Georgië. De Sovjet-Unie kende hem in 1953 postuum de Stalin Vredesprijs toe.

Farge droeg een hoge Franse onderscheiding, hij was een Compagnon de la Libération[1].

Literatuur
Dominique Veillon, "Yves Farge" tiré de Dictionnaire historique de la résistance sous la direction de François Marcot, Robert Laffont, 2006

Stéphane Hessel

Stéphane Frédéric Hessel (Berlijn, 20 oktober 1917 – Parijs, 27 februari 2013) was een diplomaat, ambassadeur, schrijver, voormalig strijder van het Franse verzet en overlever van de naziconcentratiekampen. Geboren in Duitsland naturaliseerde hij in 1939 en nam daarmee de Franse nationaliteit aan.
Vroege jaren
Hessel werd geboren in Berlijn als de zoon van Helen Grund en de Duitse schrijver Franz Hessel. Samen met zijn ouders emigreerde hij in 1924 naar Parijs. Nadat hij op 15-jarige leeftijd zijn baccalauréat behaalde, werd hij in 1937 toegelaten tot de École normale supérieure. In 1939 werd hij genaturaliseerd als Frans burger, waarna hij gemobiliseerd werd voor het Franse leger in Saint-Maixent-l'École.
Hessel weigerde zich te schikken onder het Vichy-bewind van maarschalk Philippe Pétain en vluchtte in 1941 naar Londen, alwaar hij zich bij de verzetsstrijders van Generaal Charles de Gaulle voegde. Hij keerde in maart 1944 terug naar Frankrijk om een communicatienetwerk op te zetten voor de geallieerde invasie van Frankrijk. Op 10 juli werd hij in Parijs gevangengenomen door de Gestapo waarna hij in een bureau aan de Avenue Foch werd gemarteld, onder andere door middel van waterboarding. Op 8 augustus 1944 werd hij naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd. Hessel, Forest Yeo-Thomas en Harry Peulevé wisten hun executie in Buchenwald te vermijden met de hulp van Eugen Kogon, die ervoor zorgde dat hun identiteit verward werd met die van drie gevangenen die aan tyfus waren overleden. Hessel werd op 25 oktober 1944 overgeplaatst naar een buitenkamp van Buchenwald in Rottleberode, waar hij bij de kampadministratie te werk werd gesteld. Na een mislukte poging tot ontsnapping werd hij naar concentratiekamp Dora gestuurd. Tijdens de evacuatie van kamp Dora wist hij in station Lüneburg te ontsnappen uit een trein die hem naar concentratiekamp Bergen-Belsen zou brengen. Op 20 april 1945 stuitte hij bij Hannover op een eenheid van het Amerikaanse leger.
Voorvechter van mensenrechten
Van 1946 tot 1948 was Hessel kabinetschef van Henri Laugier, een van de acht adjunct-secretarissen-generaal van de Verenigde Naties, verantwoordelijk voor sociale en economische zaken. In 1962 richtte hij de Associatie voor Training in Afrika en Madagaskar op en werd haar eerste voorzitter. In 1982 werd Hessel voor drie jaar benoemd tot de Haute Autorité de la communication audiovisuelle, het Franse instituut voor audiovisuele communicatie. Hessel voerde tot zijn dood een diplomatiek paspoort aangezien hij tot ambassadeur voor het leven was benoemd.
Hij was ook een lid van de Franse divisie van de International Decade for the Promotion of a Culture of Peace and Non-Violence for the Children of the World. Hij was een van de grondleggers van het internationaal collegium en heeft als haar vicevoorzitter gefungeerd. Hij was ook lid van de Commission nationale consultative des droits de l'homme en de Haut Conseil de la coopération internationale.
In 2003 tekende hij samen met andere oud-verzetsstrijders de petitie Voor een Verdrag van een Sociaal Europa en in augustus 2006 tekende hij een motie tegen de Israëlisch-Libanese Oorlog.
In 2004 werd hem door de Raad van Europa de Noord-Zuidprijs uitgereikt. In hetzelfde jaar nam hij deel aan de herdenking van het zestigjarig bestaan van de Nationale Raad van het Verzet van 15 maart 1944. Een raad die jongere generaties oproept de nalatenschap van het verzet te eren, deze door te geven en ernaar te leven.
Op 14 juli 2006 werd Hessel benoemd tot Grand Officier de la Légion d'honneur. In 1999 had hij al het Grootkruis van de Nationale Orde van Verdienste ontvangen.
Op 21 februari 2008 riep Hessel de Franse overheid op om geld beschikbaar te stellen om daklozen te huisvesten. Hij veroordeelde de Franse regering die ingevolge artikel 25 van de Verklaring van de Rechten van de Mens verplicht was in huisvesting te voorzien, maar daar onvoldoende in slaagde.
Ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op 10 december 2008 ontving Hessel de UNESCO/Bilbao Prize for the Promotion of a Culture of Human Rights. Hessel ontving in 2008 ook de United Nations Association of Spain Peace Prize Award.
Op 5 januari 2009 uitte Hessel kritiek op de Israëlische aanvallen op de Gazastrook. Hij noemde de aanvallen een oorlogsmisdaad en zelfs een misdaad tegen de menselijkheid. Hij merkte op dat dit woord niet licht opgevat moet worden, maar dat hij op basis van zijn bezoek aan Gaza de term ‘misdaad tegen de menselijkheid’ toepasselijk vond.
Neem het niet!
In oktober 2010 werd Hessels essay Neem het niet! (oorspronkelijke Franse titel: Indignez-vous!) gepubliceerd in een oplage van 6.000 stuks. Sindsdien is het essay meer dan anderhalf miljoen keer verkocht[2] en is het vertaald in o.a. Baskisch, Catalaans, Italiaans, Roemeens, Duits, Grieks, Engels, Portugees, Sloveens, Spaans, Kroatisch, Nederlands en Hebreeuws.
In zijn boek stelt Hessel dat Frankrijk zich weer boos moet maken, zoals zij die het verzet vormden dat tijdens de Tweede Wereldoorlog deden. Hessel draagt zelf de volgende redenen aan waarom hij zich boos maakt: de groeiende ongelijkheid tussen arm en rijk, de wijze waarop Frankrijk omgaat met zijn illegale immigranten, het gebrek aan persvrijheid, de noodzaak het milieu te beschermen, het versterken van de Franse welvaartsstaat en de erbarmelijke situatie van het Palestijnse volk. Hij roept met zijn boek op tot vreedzaam verzet.
Tijdens een Spaanse protestactie tegen corruptie en het politieke systeem gebruikten de demonstranten de term Los Indignados, de verontwaardigden. Ze baseerden zich daarbij op de titel van Hessels boek. Deze Spaanse protesten inspireerden, samen met de Arabische Lente, verscheidene andere protestacties, waaronder Griekse, en Italiaanse protesten. Occupy Wall Street en de bredere Occupy-beweging zijn ook geïnspireerd door deze beweging.

Stéphane Hessel bij een politieke betoging, maart 2010

Stéphane Hessel bij een politieke betoging, maart 2010
Algemene informatie
Volledige naam Stéphane Frédéric Hessel
Geboren Berlijn, 20 oktober 1917
Overleden Parijs, 27 februari 2013
Nationaliteit Franse
Beroep Diplomaat, Ambassadeur, Schrijver
Bekend van Verzetsstrijd, Neem het niet!

Félix Kir

Felix Adrien Kir (Alise-Sainte-Reine in de Côte-d'Or, 22 januari 1876 - Dijon, 26 april 1968), algemeen bekend als le chanoine Kir (Nederlands: de kanunnik Kir), was een Frans rooms-katholiek priester, politicus en verzetsstrijder.
Levensloop
Kir behoorde tot een familie afkomstig uit Sarrebourg in Lotharingen, die zich in de persoon van de overgrootvader van Felix, Sébastien Kir (1759-1837) rond 1800 in Alise-Sainte-Reine in Bourgondië had gevestigd. Zijn vader, Pierre-Jules Kir (1832-1903), was eerst spoorwegbeambte en vervolgens onder meer haarkapper en andere kleine beroepen. Zijn moeder, Anne Lapipe (1832-1917) was een vrouw die de reputatie had het gezin te doen draaien. Felix kwam er na twee broers en twee zussen. Geen van hen zorgde voor nakomelingen, drie stierven jong.
Vanaf 1891 volgde Felix middelbare school aan het kleinseminarie Saint-Bernard in Plombières-lès-Dijon en vanaf 1896 de vijf jaren priesteropleiding aan het grootseminarie in Dijon, in 1897 onderbroken door een jaar legerdienst. Kir was geen briljante student, maar wel iemand die zich niet licht liet vergeten. Zijn klasgenoot, abbé Vendiaire, vertelde later dat hij bekendstond als de grootste fabeltjeverkoper onder de seminaristen. In 1939 publiceerde André Billy een sleutelroman onder de titel Introïbo, op basis van een autobiografie van priester Eugène Berry. Kir kwam er in voor onder de naam Rick le Batailleur. Op 29 juni 1901 werd hij tot priester gewijd.
Hij werd achtereenvolgens onderpastoor in Auxonne en pastoor in Drée, om als onderpastoor in de Notre-Dame parochie in Dijon (1904-1910) de traumatische periode van de scheiding tussen Kerk en Staat (1905) mee te maken. Vervolgens werd hij pastoor in Bèze (1910-1924) en kwam in de pastorie wonen met zijn moeder en zijn zus Eugénie. De Eerste Wereldoorlog betekende een onderbreking, tijdens dewelke hij legerdienst verrichtte als sergeant-ambulancier. Begin 1919 zwaaide hij af met de graad van adjudant. Na zijn periode in Drèze, werd hij pastoor-deken in Nolay (1924-1928). Hij begon toen al politiek te bedrijven, vooral door als opponent op te treden tijdens politieke meetings. Hij toonde er zijn talenten als debater en als komediant, die met een kwinkslag de lachers op zijn kant kreeg. Het is tijdens een van die discussies dat hij aan een atheïst die hem voorhield "Die God van u, waar u zoveel van spreekt, we hebben hem nog niet vaak gezien", gevat antwoordde: "En mijn reet? Die heb je ook nooit gezien, en toch bestaat hij." Hij maakte zich ook nuttig door artikels te leveren voor L'écho paroissial de Nolay.
In 1928 werd hij benoemd tot directeur van sociale werken voor het bisdom Dijon: Katholieke Actie voor mannen en persactiviteiten en hij vestigde zich definitief in Dijon. In 1931 werd hij tot erekanunnik benoemd. Hij werd onder meer hoofdredacteur van Le Bien du Peuple de Bourgogne. Tijdens de twaalf jaar van deze activiteit schreef hij meer dan 750 ondertekende hoofdartikels en artikels en een ontelbaar aantal niet-ondertekende kleinere bijdragen

Monument met buste van kanunnik Kir bij het Kirmeer in Dijon

 

Verzet
De Tweede Wereldoorlog was het begin voor Kir van nieuwe, niet-kerkelijke activiteiten.
Nadat de burgemeester van Dijon op de vlucht was geslagen, met een gedeelte van de gemeentelijke administratie en met de brandweerlui, werd Kir op 16 juni 1940 lid van het voorlopige vijfkoppige stadsbestuur dat door de prefect werd aangesteld en bekommerde hij zich eerst en vooral om de voedselbevoorrading. Op 5 juli werd hij belast met de zorg voor de vluchtelingen, de geëvacueerden en de krijgsgevangenen. Hij stelde zich onafhankelijk op tegenover de bezetter, wat tot moeilijkheden leidde. Er werden hierover achteraf door de kanunnik en door anderen heel wat anekdotes verteld, waarvan de authenticiteit niet altijd verzekerd is. Later verklaarde Kir ook dat hij de afbraak van de synagoge had kunnen voorkomen, door er een stapelplaats voor kledingstukken van te maken.
Op het vliegveld van Dijon, gelegen in Longvic hadden de Duitsers nagenoeg 30.000 krijgsgevangenen bijeen gebracht. De bewaking was rudimentair en wie wilde ontvluchten, moest geen grote moeite doen. Netwerken vormden zich om hen hierbij te helpen door tijdelijk onderdak, geld, kledij en eten te verschaffen. De essentiële rol voor het gemeentebestuur bestond er in valse papieren te bezorgen (identiteitskaarten, marsbevelen, attesten van burgerlijke stand, en dergelijke) die de controle van de bezetter konden doorstaan, teneinde de ontvluchters veilig naar niet-bezet Frankrijk te loodsen. Dit gebeurde met vrachtwagens, autocars, karren, tenders van locomotieven, per fiets of gewoon te voet. Kir had de taak om de nodige (valse) documenten te ondertekenen en er de officiële stempel op te plaatsen. Op enkele weken tijd ontsnapte aldus een groot percentage van de Longvic-gevangenen. Waren het er 5 000 à 6 000 zoals Kir na de oorlog verklaarde en zoals op het officiële document werd vermeld dat werd opgemaakt als motivatie voor de Légion d'Honneur die hem ten militairen titel werd toegekend? Het juiste cijfer zal wel nooit meer te achterhalen zijn. Hoe dan ook, sommigen werden opgepakt en het bleek dat ze papieren bij zich hadden die van het kabinet van kanunnik Kir afkomstig waren.
Op 10 oktober 1940 werd hij gearresteerd en beschuldigd van hulp aan krijgsgevangenen, iets waar de doodstraf op stond. Tijdens de ondervragingen gedroeg Kir zich als een naïeveling van wie de goede trouw was verschalkt bij het ondertekenen van documenten. Volgens Kir werd hij toen tweemaal na elkaar ter dood veroordeeld door militaire rechtbanken. Het is waarschijnlijk dat Kir als terdoodveroordeling begreep het feit dat hij voor militairen moest verschijnen die hem zegden dat op zijn daden de doodstraf stond. Waarschijnlijk werd hij echter nooit veroordeeld. Vanuit het stadsbestuur drong men aan op zijn vrijlating en betoogde men dat hij nog zoveel moest doen voor de bevoorrading van de bevolking. Op 7 december werd hij vrijgelaten. De Duitse overheid liet dit weten aan het stadsbestuur maar voegde eraan toe dat het aan Kir voortaan verboden was nog eender welke activiteit bij de overheid uit te oefenen.
Kir, die nu zonder betrekking was, behielp zichzelf met de karige bezoldiging die hij kreeg voor het lezen van Missen en het houden van sermoenen. Op 23 oktober 1943 werd hij opnieuw opgepakt, op verdenking informatie aan Londen te bezorgen. De man die hem ervan had beschuldigd verklaarde echter, tijdens de confrontatie, dat hij Kir niet herkende en deze werd vrijgelaten. In feite hield hij het bij een verbaal verzet, dat in Dijon wel bekend was en hem populair maakte.
Op 26 januari 1944 werd Kir 's avonds in zijn woning overvallen en beschoten door een vijftal jonge collaborateurs. Twee onder hen drongen door tot in de keuken, waar hij zat, en een van hen schoot een zestal keer, waarbij Kir driemaal werd verwond. De jonge man was geen goede schutter en na de lader te hebben leeggeschoten vluchtten de twee naar buiten. Ernstig gewond werd Kir naar het ziekenhuis vervoerd en na zes weken vertrok hij uit Dijon en dook onder in Malroy (Haute-Marne) op een honderdtal km ten noorden van Dijon, waar hij asiel vond in een landbouwschool. Hij kwam pas weer in de openbaarheid op 11 september 1944, de dag waarop Dijon werd bevrijd.
In 1946 werd hij benoemd in het Franse Legioen van Eer en werd hij geciteerd op de dagorde van het Franse leger voor de hulp aan de krijgsgevangenen in 1940.
Politieke loopbaan
Zodra de stad was bevrijd, werd het gezag in handen genomen door het 'Comité départemental de Libération' (CDL), een emanatie van het Verzet. Kir werd samen met negentien anderen in dit Comité gecoöpteerd en werd er vast secretaris. Dit opende hem de weg naar verdere politieke verantwoordelijkheid. Op 18 september werd, op voordracht van het CDL, door de nieuwe prefect een stadsbestuur van dertig leden aangesteld in Dijon. Op 22 september kwam de nieuwe raad voor het eerst bijeen en werden burgemeester en adjuncten verkozen. Kir werd tweede adjunct.
Op 29 april 1945 werden de eerste gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Aan het hoofd van een apolitieke lijst behaalde Kir 54 % van de stemmen en sleepte 35 van de 36 zetels in de wacht. Het was voor de hand liggend dat hij in mei 1945 tot burgemeester werd verkozen. Hij was toen negenenzestig en zou het ambt bekleden tot aan zijn dood, 22 jaar later.
In september 1945 werd hij tot lid verkozen van de departementsraad. Deze laatste functie bleef hij bekleden tot in 1967, als ouderdomsdeken en als ondervoorzitter.
Op 21 oktober 1945 werd gekozen voor de samenstelling van een wetgevende vergadering die als Constituante zou zetelen. Kir werd verkozen. Nadat de voorgestelde Grondwet bij referendum was afgewezen, werd op 2 juni 1946 een tweede Constituante verkozen. Kir maakte er opnieuw deel van uit. Vervolgens werd gekozen voor de Assemblée nationale en opnieuw werd Kir verkozen, net zoals bij de opeenvolgende verkiezingen. Pas in 1967, een jaar voor zijn dood zou hij zijn zetel verliezen. In het parlement behoorde hij tot de centrumrechtse Centre national des indépendants et des paysans (C.N.I.P.), maar bij een aantal gelegenheden stelde hij zich zeer onafhankelijk op. In 1962 trok de communistische kandidaat in Dijon zich bij de wetgevende verkiezingen terug ten voordele van de 'rechtse' kanunnik, die het hierdoor kon halen op de gaullistische kandidaat.
Van 1958 tot 1967 was hij de ouderdomsdeken van de Assemblée, wat hem het genoegen verschafte de openingszittingen van het parlement voor te zitten. Samen met Abbé Pierre was hij de laatste om in een priestertoga aan de werkzaamheden van het parlement deel te nemen.
Kir behoorde tot de rechtse verkozenen, maar was meestal (niet altijd) tegen generaal Charles de Gaulle gekant. Bij de eerste rechtstreekse presidentsverkiezingen in december 1965 maakte hij publiciteit voor 'zijn vriend François Mitterrand'.
Kir nam als burgemeester een aantal initiatieven. Zijn meest opmerkelijke en meest persoonlijke realisatie is die van de aanleg van een kunstmatig meer, dat de vaak overstromende rivier Ouche moest regelen en tevens een ontspanningsoord voor de Dijonezen werd. Het meer werd in 1964 ingehuldigd en kreeg later zijn naam. De aanleg van sociale woonwijken, de bouw van een uitgebreide universitaire campus, van bijkomende scholen, van een tweede ziekenhuis, van een overdekt zwembad behoorden tot de onvermijdelijke uitrusting voor elke middelgrote stad. Waterzuivering, een slachthuis, een overdekte groothandelsmarkt, een verbrandingsoven, stedenbouwkundige aanleg: het waren alle zaken die op het bureau van de burgemeester terechtkwamen, zonder uiteraard aan hem alleen te danken te zijn. Waar Kir wel het voortouw in nam was in het beschermen van de oude historische stad en in het weren van het autoverkeer in het centrum. Hiermee liep hij vooruit op zijn tijd.
Internationale contacten
Kir was een groot voorstander van stedenbanden en de hiermee gepaard gaande verbroederingen. Hij jumêleerde Dijon met niet minder dan twintig steden, onder meer met York en Dallas (in 1957), Mainz (in 1958), Stalingrad (nu Wolgograd, in 1959), Reggio Emilia (in 1963) en Meknes (in 1967). Verder ook nog met Jerez (Spanje), Nankan en Labé (beide in Guinee), Cluj (Roemenië), Opole (Polen), Pécs (Hongarije) en Skopje (Macedonië). De jumelage waar hij het meeste energie in stak was die met Mainz, die hij als zijn bijdrage zag in de verzoening met de vroegere vijand.
In sommige gevallen, zoals in dat van Stalingrad, ging het niet om een volledige jumelage maar om een 'vriendschapsverdrag', maar voor Kir kwam dit op hetzelfde neer. Gedurende de Koude Oorlog liet kanunnik Kir zijn sympathie tegenover de Sovjet-Unie blijken, op basis van het argument dat zij hadden meegeholpen om de nazi's te verslaan en dat ze voor de wereldvrede ijverden. Doordat hij vaak pro-Sovjet-Unie standpunten innam werd hij als een fellow-traveller gezien.
Toen hij de Dijonese delegatie wilde leiden die in april 1959 naar Stalingrad zou reizen, werd hij hiervan weerhouden door tussenkomsten van de Franse regering en van de pauselijke nuntius. Kir legde er zich bij neer. Wanneer in maart 1960 Nikita Chroesjtsjov naar Frankrijk kwam, wilde hij ook Dijon bezoeken. Het werd opnieuw een heel druk trekken en duwen om Kir ervan te weerhouden de man persoonlijk op het stadhuis te ontvangen. Uiteindelijk gaf Kir opnieuw toe en was hij afwezig toen de Sovjetleider Dijon bezocht. Hij liet hem wel een heel warme persoonlijke boodschap overhandigen. In mei 1960 was Chroesjtsjov opnieuw in Parijs voor een topconferentie. Op 17 mei werd Kir op de Sovjetambassade ontvangen en voor het oog van de camera's gaven de twee 'Ks' elkaar een broederlijke accolade. Begin september 1964 nam Kir deel aan een congres van zustersteden in Krakau en kreeg daar een uitnodiging om naar Moskou door te reizen, wat hij deed. Hij werd op 9 september met grote plechtigheid op het Kremlin ontvangen en door Chroesjtsjov met een belangrijk Russisch ereteken bedacht. Een maand later werd de Sovjetleider aan de dijk gezet en Kir verklaarde dat dit een ramp was voor de vrede.
In 1966 was Kir 90 geworden. Hij zou nog tot in 1967 in de Kamer zetelen, wat van hem het oudste Franse parlementslid ooit maakte. Toen werd hij verslagen door de gaullist Pierre Poujade, die hem ook in de departementsraad versloeg en die hem het jaar daarop als burgemeester van Dijon zou opvolgen. Dit laatste gebeurde pas na de dood van de kanunnik, die tot op zijn laatste dag burgemeester bleef. De laatste paar jaar waren zijn intellectuele faculteiten erg verminderd, maar hij hield niettemin stand. In zijn omgeving lachte men: Men wil hem niet in de hemel en evenmin in de hel. Daarom blijft hij op de aarde nog wat aanmodderen
Uitstraling
Kir was zowel nationaal als internationaal een van de bekendste Franse burgemeesters. Hij is dit tot op vandaag gebleven. De universeel bekende 'kir' zit daar natuurlijk voor veel tussen, maar ook het feit dat hij bekendstond als een kleurrijke en flamboyante persoonlijkheid, die nooit verlegen was om een humoristische of controversiële 'oneliner', die in de kranten gretig werd opgenomen.
Hij was regelmatig aanwezig op bijeenkomsten van wijnconfréries om de Bourgondische wijnen te promoten en droeg daarbij de passende mutsen, linten en toga's, bovenop zijn priesterkleed.
Hij heeft zijn leven lang gewerkt aan zijn imago, men mag wel zeggen aan zijn legende. Veel van de verhalen die hij opdiste en waarbij hij aan zichzelf een mooie rol toebedeelde, waren met een korrel zout te nemen. Zelfs als een gebeurtenis werkelijk had plaatsgevonden, deed hij er toch nog graag een schepje bovenop. Het belet niet dat ook veel juist was van wat hij vertelde. In zijn uitspraken drukte hij zich kleurrijk uit, soms kras en in een taal op het randje van het vulgaire. Met een kwinkslag kon hij zich uit moeilijke politieke situaties redden.

Borstbeeld van Felix Kir in zijn geboortedorp

Eerbetoon en vernoemingen
Kir was eenvoudig in zijn levenswandel maar hij was des te doller op eerbetoon. Die werd hem niet onthouden, zoals enkele voorbeelden hierna aantonen.
Kir werd Commandeur de la Légion d'Honneur (1958) en ontving in Duitsland het Grootkruis van Verdienste (1958).
Naast talrijke andere eretekens kreeg hij in 1964 van de Sovjet-Unie de Medaille 1ste klas van de Orde van de Patriottische Oorlog
In 1964 werd hij ereburger van Mainz.
De plaatselijke drank waarop genodigden op het stadhuis van Dijon getrakteerd werden, staat wereldwijd bekend als Kir (witte Bourgognewijn met Dijonese rodebessenlikeur of cassis).
Als gevolg van zijn vriendschap met Chroesjtsjov introduceerde hij ook een drankje onder de naam 'Double K': een Kir met een scheutje wodka.
Het kunstmatige meer dat hij ten westen van Dijon liet aanleggen is als Lac Kir naar hem genoemd.
Een van de voornaamste boulevards in Dijon draagt zijn naam. Er zijn ook straten die zijn naam dragen in Auxonne en in Sennecey (bij Dijon).
Een borstbeeld van hem staat tegen de kerk van Alise-Sainte-Reine en in Bèze.
In het Musée Grévin in Dijon staat een levensgroot wassen beeld van Kir. In 1996 werd het beeld gestolen en teruggevonden op straat. Het had weinig schade geleden en werd teruggeplaatst.
Biografie met een evaluatie[bewerken]
In een lijvige biografie gewijd aan Kir die in 2007 verscheen (zie 'Literatuur'), typeert de auteur, Louis Devance, docent aan de Universiteit van Dijon, hem als volgt:
Achter een beroemde naam schuilt een minder goed bekende man, die als het ware verpletterd werd door zijn legende. Een complexe persoonlijkheid, met tegenstrijdige en soms misleidende facetten. Hij werd pas beroepspoliticus toen hij al negenenzestig was, met als enige troef zijn lange ervaring onder de mensen. Een kwarteeuw lang zou hij dankzij wilskracht en volharding, gesteund door zijn communicatievaardigheid en zijn strategisch electoraal inzicht, verschillende politieke mandaten bekleden, met de steun van de plaatselijke notabelen en van brede lagen van de bevolking.
Conservatief maar non-conformist was hij de meest originele en atypische politieke mandataris van de Vierde en Vijfde Franse republieken. Fundamenteel was hij een dorpspastoor gebleven, die onder een gezapig uiterlijk met stevig gezag bestuurde en op voorzichtige wijze zijn grote stad naar de moderniteit loodste. Hij hield ervan te amuseren en te verrassen, wat hem dienstig was in het verwerven van de stemmen van het volk. Hij kreeg zodanig de smaak van de politiek te pakken dat alleen de dood hem hiervan kon verlossen.
Hij functioneerde niet meer als priester maar bleef trouw aan zijn Kerk en aan zijn toga, preekte nog soms vanop de kansel en liep in processies, getooid met al zijn eretekens en zijn driekleurige burgemeesterssjerp. Hij die de eerbetuigingen niet ongenegen was, verdient te worden gerekend onder de uitzonderlijke Franse burgers.
Zijn succes is te verklaren door zijn energie, zijn strijdlustige wil, zijn scherp gevoel voor zelfpromotie, zijn flair als politiek dier, zijn onverzadelijke 'libido dominandi', allemaal elementen die niet zo uitzonderlijk zijn in geslaagde carrières binnen zeer competitieve milieus.
Publicatie
Le probleme religieux à la portée de tout le monde, Bèze, 1923
Le problème religieux à la portée de tout le monde. Edition revue et augmentée, avec une préface par Mgr. Feltin, Imprimerie des orphelins d'Auteuil, 1950.
Dijon sous l'occupation. Mémoires du chanoine Kir, in: Le Bien Public en Les Dépêches, (18 artikels), 19 januari - 8 februari 1965.
Literatuur[bewerken]
Guillaume LAPORTE (pseudoniem van Jean-François Bazin & Alain Mignotte), Le chanoine Kir a-t-il existé?, 1968.
Wolfgang BALZER, Mainz. Persönlichkeiten der Stadtgeschichte, Kügler, Ingelheim am Rhein, 1985, blz. 1946 ISBN 3-924124-01-9
Jean-François BAZIN & Alain MIGNOTTE, Pour le meilleur et pour le kir, le roman d'un mot-culte, JPM éditions, Mâcon, 2002.
Louis MURON, Le chanoine Kir, Presses de la Renaissance, Paris, 2004.
Charles MARQUES, Le XXe siècle à l'hôtel de ville de Dijon, Éditions de l'Armançon, Précy-sous-Thil, 2006.
Danielle RACOUCHOT, Henry Racouchot: Maître Queux du Chanoine Kir et de Curnonsky, Ediplume, Tharot, 2006
Louis DEVANCE, Kir, je t'ai pardonné. Le Chanoine et son assassin, Éditions de l'Armançon, Précy-sous-Thil, 2006.
Louis DEVANCE, Le chanoine Kir. L'invention d'une légende, Éditions universitaires de Dijon, Dijon, 2007. ISBN 978-2-915552-66-9

Jean-Baptiste Lebas

Jean-Baptiste Lebas (Roubaix, 24 oktober 1878 - concentratiekamp Sonnenburg bij Berlijn, 10 maart 1944) was een Frans politicus.
Socialist
Geboren in een arbeidersgezin van linkse signatuur in de toenmalige textielstad Roubaix (Robaais) als zoon van Hypolite Lebas en Félicité De Lattrée. Zijn vader had republikeinse sympathieën onder het toenmalige Tweede Franse Keizerrijk, om dan toe te treden tot de Parti Ouvrier Français (POF) van Jules Guesde. Zijn basis- en technische opleiding krijgt Jean-Baptiste in zijn geboortestad. Op jonge leeftijd wordt hij boekhouder bij het ontvangstkantoor van de stad Roubaix. Ondertussen groeit hij door in de socialistische beweging zowel regionaal als nationaal.
In 1908 wordt hij gemeenteraadslid en 1912 burgemeester van zijn geboortestad en tijdens de Eerste Wereldoorlog komt hij een eerste maal in conflict met de Duitse bezetter, en wordt gevangengezet tussen 1915 en 1917. Tussen de beide oorlogen bouwt hij in zijn stad een sociaal beleid uit dat gericht is op ontvoogding, gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs. In 1936 wordt hij minister van Arbeid en later minister van PTT in de kabinetten I en II van Léon Blum.
Verzet
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt hij als lid van het verzet gearresteerd (met ook onder meer zijn zoon en nicht) op 21 mei 1941 en vervolgens naar Duitsland gestuurd om er als dwangarbeider te werken tot zijn dood op 10 maart 1944.
Op 9 september 1951 heeft er te Roubaix een begrafenisplechtigheid plaats voor acht verzetsstrijders omgekomen tijdens de oorlog: oud-burgemeester Jean Baptiste Lebas en zijn zoon Raymond alsook van Gérard Wibaux, Eugène Dekonninck, Simon Godeloose, Léon Leblanc, Maurice Segard en Julien Vervynck.
Een straatnaam, een stadsmonument op de boulevard Gambetta, een medaillon op de eretrap in het stadhuis doen onder meer herinneren aan de persoon die een belangrijke rol heeft gespeeld in Roubaix.

Jean Baptiste Lebas 1878-1944.

Guy Mollet

Guy Mollet (Flers (Orne), 31 december 1905 - Parijs, 3 oktober 1975) was een Frans socialistisch politicus. Hij was van 31 januari 1956 tot 12 juni 1957 premier van Frankrijk (Président du Conseil). Tijdens zijn bewind brak de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog uit, vond de Suezcrisis plaats en tekende Frankrijk de Verdragen van Rome.
Biografie
Achtergrond, opleiding en vroege carrière

G.M. (1959)
Guy Mollet werd in 1905 in het Normandische Flers (departement Orne) geboren. Zijn vader was een textielarbeider. Mollet studeerde Engels aan de Universiteit van Lille en gaf les in de Engelse taal in Le Havre en Lisieux. Later was hij leraar aan het lycée van Atrecht[1]. Als jongeman sloot hij zich aan bij de socialistische Section Française de l'Internationale Ouvrière (SFIO) en was actief binnen de socialistische vakbeweging CGT. In 1928 werd hij gekozen tot assistent-secretaris van de socialistische jeugdbeweging in het departement Pas-de-Calais. In 1932 werd hij secretaris-generaal van de Lerarenbond.
Een dogmatisch marxist
Guy Mollet was een aanhanger van het marxisme en tegenstander van het revisionisme. Hij beschouwde de Franse socialist Alexandre Desrousseaux, één van de oprichters van de SFIO en partijideoloog, als zijn politieke mentor. Mollet geloofde sterk in traditioneel marxistische uitgangspunten als klassenstrijd en de socialistische partij als voorhoede van werkende klasse en wantrouwde de burgerlijke partijen, maar was tegelijkertijd een fel tegenstander van het communisme en geloofde dat de socialistische doelstellingen binnen het parlementair stelsel moest worden verwezenlijkt. Het communisme had zijns inziens alleen maar bijgedragen tot verdeeldheid binnen de socialistische wereld. Een van zijn uitspraken was: "de Communistische Partij staat niet links maar in het oosten."
Verzet
Guy Mollet nam in 1939 dienst in het Franse leger en werd in 1940 door de Duitsers gevangengenomen. Na enkele maanden krijgsgevangenschap kwam hij in juni 1941 vrij en sloot zich aan bij het verzet (Résistance). Hij werd lid van de verzetsbeweging Organisation Civile et Militaire. De OCM was actief in het noorden van Frankrijk (Pas-de-Calais, Orne) en bestond uit burgerlijke en socialistische verzetsleden. Mollet werd tot driemaal toe door de Gestapo opgepakt en verhoord. Mollet nam in 1944 deel aan de Bevrijding van Frankrijk en in 1945 werd hij gekozen tot burgemeester (maire) van Atrecht (Arras), hetgeen hij tot zijn dood in 1975 bleef.
Politieke carrière
Mollet werd in 1946 in de Grondwetgevende Vergadering (Assemblée Constituante) gekozen en was nadien voor het departement Pas-de-Calais lid van de Franse Nationale Vergadering (Assemblée Nationale Française). Van 1946 tot 1949 was hij ook lid van de Conseil Général (Algemene Raad) van Pas-de-Calais.
Mollets carrière verliep in een relatief hoog tempo. Niet alleen in de landelijke politiek rees zijn ster, maar ook binnen de partij. Hij stond bekend als een dogmatisch marxist en was het niet eens met de gematigde koers die de SFIO voer onder de oude en respectabele partijleider Léon Blum. In 1946 was hij kandidaat voor het secretaris-generaalschap van de partij. Zijn voornaamste tegenkandidaat was Daniel Mayer, een medestander van Blum. Mollet werd gekozen tot secretaris-generaal van de SFIO (maart 1946). Als nieuwe secretaris-generaal stond hij kritisch ten opzichte van samenwerking met burgerlijke partijen, ook met de meer links-georiënteerde partijen[2]. Zijn vijandschap tegenover de Communistische Partij van Frankrijk (Parti Communiste Français) zorgde er echter ook voor dat samenwerking met die partij ook werd uitgesloten. Guy Mollet zou gedurende 23 jaar secretaris-generaal van de SFIO blijven. Hij zou ook haar voorlaatste secretaris-generaal zijn.
Tijdens de regeringen van het tripartisme (driepartijenregeringen van SFIO, MRP en PCF) was Mollet minister van Staat (1946-1947) onder Léon Blum, eenzelfde ministerspost die hij bekleedde in het kabinet-Pleven (1950-1951). In 1951 was hij vicepremier onder premier Henri Queuille. Mollet, een groot voorstander van Europese eenheid, vertegenwoordigde Frankrijk bij de eerste zittingen van de Raad van Europa en was fractievoorzitter van de Europese Socialisten. Daarnaast was hij lid van het Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa van Jean Monnet en een warm voorstander van Atlantische samenwerking en bepleitte Frankrijks toetreding tot de Europese Defensie Gemeenschap (EDG). In 1954 besloot de regering echter dat Frankrijk niet zou toetreden tot de EDG. Overigens was een deel van de SFIO fel tegen Franse toetreding.
Van 1951 tot 1969 was hij vicepresident van de Socialistische Internationale.
Premier van Frankrijk
Ondanks zijn kritische houding ten opzichte van de burgerlijke partijen was hij in december 1955 nauw betrokken bij de vorming van het centrum-linkse Front Républicain (Republikeins Front), bestaande uit de socialistische SFIO, de burgerlijk linkse PRS[4] en UDSR en de Gaullistische CNRS. Het Front Républicain won de parlementsverkiezingen van 2 januari 1956. President René Coty benoemde Mollet, leider van de grootste partij binnen het Front Républicain, tot formateur. Mollet formeerde een kabinet uit de partijen van het Front en werd op 31 januari 1956 premier van Frankrijk (Président du Conseil).
Binnenlands beleid
Hoewel Mollet de geschiedenis in zou gaan als de premier onder wiens bewind de voor Frankrijk onfortuinlijke Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog uitbrak en de kortstondige oorlog met Egypte plaatsvond - die ook slecht verliep voor Frankrijk - en dit heeft gezorgd voor een negatief beeld van Mollet, was zijn binnenlands beleid veel succesvoller. Onder zijn premierschap kwam een oudedagsvoorziening tot stand en werden doorbetaalde vakantiedagen een feit. In maart 1957 ondertekende hij met de ministers Christian Pineau en Maurice Faure namens Frankrijk de Verdragen van Rome die leidden tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de voorloper van de huidige Europese Unie (EU). Daarnaast werd de overdracht van het door Frankrijk bezette Saarland met Duitsland geregeld.
Algerije
Net als de meeste Franse socialisten moest Mollet niets weten van het kolonialisme en was hij voorstander van het ontbinden van het Franse koloniale rijk. Voor Mollet - en zo dachten de meeste Franse erover - was het "Overzeese Gebiedsdeel" Algerije een integraal onderdeel van Frankrijk. In Algerije woonden ca. 2 miljoen Europeanen (w.o. 1 miljoen zgn. Pieds-Noirs) met een Frans paspoort[5] en was Algerije opgedeeld in drie departementen die afgevaardigden zonden naar het Franse parlement. Algerije kon in de ogen van Mollet niet worden overgedragen aan de Algerijnen. Mollet was echter wel bereid tot tegemoetkomingen. Hervormingen moesten de participatie van Algerijnen in het bestuur vergroten en betere omstandigheden voor de arme Algerijnen moesten de nationalisten van het Front de Libération Nationale (FLN) de wind uit de zeilen nemen. Ook was hij bereid tot onderhandelingen met de FLN.
In februari 1956 bezocht Mollet Algerije. Tijdens een demonstratie op 6 februari 1956 werd hij door demonstranten bekogeld met rotte tomaten. De Fransen noemen Mollets bezoek aan Algerije sindsdien "la journée des tomates."
Terug in Frankrijk besloot Mollet tot een harde aanpak van het "terrorisme" van de FLN in Algerije. Generaal Georges Catroux (1877-1969), de liberale gouverneur-generaal van Algerije werd vervangen door Jacques Soustelle (1912-1990), een partijgenoot van Mollet en eveneens een voorstander van een harde lijn. Mollet stuurde veel Franse militairen naar de kolonie en stond martelingen van "verdachten" toe. Dit beleid van marteling bleef tot oktober 1957 van kracht. Een aantal kabinetsleden, zoals Alain Savary (SFIO) en Pierre Mendès France (PRS) traden uit onvrede over het Algerijebeleid van Mollet uit de regering.
Suezcrisis
In1956 nationaliseerde de Egyptische president Gamal Abdel Nasser het Suezkanaal. De Britten en de Fransen vreesden dat Nasser het kanaal zou sluiten voor aanvoer van olie naar Europa. In oktober 1956 vond er een geheime ontmoeting plaats tussen de Britse premier Sir Anthony Eden, Mollet en de Israëlische premier David Ben-Goerion. De drie regeringsleiders besloten tot een gezamenlijk actie tegen Egypte. Israëlische troepen vielen Egypte binnen (29 oktober 1956) binnen terwijl de Frans-Britse troepen het Suezkanaal bezetten (31 oktober).
De aanval op Egypte en de bezetting van het Suezkanaal leidde tot scherpe Amerikaanse protesten. De Fransen en Britten hadden dit niet verwacht, maar de VS konden niet anders. Rond dezelfde periode viel Rusland Hongarije binnen om de communistische regering in haar macht te herstellen. De VS uitten scherpe kritiek op de Russen en waren gedwongen ook scherpe kritiek te uiten op de Israëli's, de Britten en de Fransen. Met steun van de VS diende Canada een resolutie in bij de VN Veiligheidsraad, die echter door een veto van de Fransen en Britten werd getroffen. Hierop besloot de VN tot het instellen van een vredesmacht en dwongen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk tot een wapenstilstand. Nog voor het jaareinde waren de Britse en Franse troepen uit Egypte vertrokken. Israëlische troepen vertrokken in maart 1957.
Brits-Franse Unie
Mollets sympathie voor Engeland bleef niet alleen beperkt tot de taal, maar reikte veel verder. In 1956 benaderde hij premier Eden van het Verenigd Koninkrijk en stelde een Brits-Franse Unie onder de Britse kroon voor. Eden verwierp echter het voorstel van Mollet.
Aftreden
Mollets aftreden als premier op 12 juni 1957 hing nauw samen met zijn Algerijebeleid. In het voorjaar van 1957 wilde Mollet een belastingverhoging invoeren om de strijd in Algerije te bekostigen. In het parlement was geen meerderheid voor dit voorstel te vinden en in mei 1957 diende Mollet zijn ontslag in bij president René Coty.
Carrière na zijn premierschap
Guy Mollet bleef na zijn aftreden als premier leider van de SFIO. Van 15 mei 1958 tot 1 juni 1958 was hij vicepremier in het kabinet-Pflimlin. Hij steunde de terugkeer van generaal Charles de Gaulle en had een groot aandeel in de vorming van diens kabinet. Hij trad als minister van Staat toe tot diens kabinet (1 juni 1958). Mollet zag in De Gaulle de redder van Frankrijk. Op 8 januari 1959 trad hij echter uit de regering, maar hij onderhield contacten met De Gaulle tot 1962, toen hij in de oppositie ging. In 1965 weigerde hij echter de kandidatuur van Gaston Defferre (SFIO) te steunen bij de presidentsverkiezingen tegen De Gaulle en steunde François Mitterrand, die geen lid was van de SFIO.
Mollets samenwerking met de Gaullisten bracht hem in diskrediet bij veel partijgenoten en andere linkse politici. Hij steunde echter wel de vorming van de linkse Fédération de la Gauche Démocrate et Socialiste (FGDS) onder leiding van Mitterrand. Allerlei afscheidingen van de SFIO maakten ook deel uit van de FGDS. De SFIO was echter maar een onbelangrijk bestanddeel van de FGDS en marginaliseerde.
Bij de presidentsverkiezingen van 1969 steunde hij de kandidatuur van Defferre wel, maar hij behaalde maar 5% van de stemmen. Dit was het einde van de SFIO. Mollet werd als secretaris-generaal vervangen door Alain Savary en de partij ging op in de nieuwe Parti Socialiste (PS, Socialistische Partij). Bij het befaamde Congres van Épinay (juni 1971) koos de PS voor een nieuwe koers onder leiding van François Mitterrand.
Mollet verliet na de verkiezing van Mitterrand de PS partijleiding omdat hij niet geloofde dat de laatste een echte socialist was.
Overlijden
Guy Mollet overleed op 69-jarige leeftijd, op 3 oktober 1975 aan een hartaanval in Parijs.

Guy Mollet (rechts) in 1960

 

Guy Mollet (rechts) in 1960
Termijn Afgevaardigde 1945 - 1975
Departement Pas-de-Calais (62)
Parlementaire groep SFIO (1945-1967)
FGDS (1967-1970)
PS (1970-1975)
Tijdvak Vierde Franse Republiek
Vijfde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

 

 

 

 

 

 

 

G.M. (1959)Ministersposten[bewerken]
Minister van Staat in het kabinet-Blum III (16 december 1946 - 22 januari 1947)
Minister van Staat belast met de portefeuille Europa in het kabinet-Pleven I (12 juni 1950 - 10 maart 1951)
Vicepremier belast met de portefeuille Europa in het kabinet-Queuille III (10 maart - 11 augustus 1951)
Premier van Frankrijk (Président du Conseil) (1 februari 1956 - 13 juni 1957)
Vicepremier in het kabinet-Pflimlin (15 mei - 1 juni 1958)
Minister van Staat in het kabinet-De Gaulle III (1 juni - 14 juni 1958)
Minister van Staat belast met het toezien op het functioneren van de regering in het kabinet-De Gaulle III (14 juni 1958 - 8 januari 1959)
Werken[bewerken]
Comment les socialistes voient l'Union européenne, conferentie van ambassadeurs, 1951
L'Europe unie, pourquoi, comment,uitgave van de SFIO, 1953
Bilan et perspectives socialistes, uitgave Plon, 1958
13 mai 1958 - 13 mai 1962, editie Plon, 1962
La Construction européenne vue par un socialiste français, uitgave van de SFIO, 1965
Les Chances du socialisme. Réponse à la société industrielle, uitgave Fayard, 1968
Le Socialisme selon Tito, uitgave Seghers, 1971
15 ans après. La Constitution de 1958, uitgave Albin Michel, 1973

Ministersposten
Minister van Staat in het kabinet-Blum III (16 december 1946 - 22 januari 1947)
Minister van Staat belast met de portefeuille Europa in het kabinet-Pleven I (12 juni 1950 - 10 maart 1951)
Vicepremier belast met de portefeuille Europa in het kabinet-Queuille III (10 maart - 11 augustus 1951)
Premier van Frankrijk (Président du Conseil) (1 februari 1956 - 13 juni 1957)
Vicepremier in het kabinet-Pflimlin (15 mei - 1 juni 1958)
Minister van Staat in het kabinet-De Gaulle III (1 juni - 14 juni 1958)
Minister van Staat belast met het toezien op het functioneren van de regering in het kabinet-De Gaulle III (14 juni 1958 - 8 januari 1959)
Werken
Comment les socialistes voient l'Union européenne, conferentie van ambassadeurs, 1951
L'Europe unie, pourquoi, comment,uitgave van de SFIO, 1953
Bilan et perspectives socialistes, uitgave Plon, 1958
13 mai 1958 - 13 mai 1962, editie Plon, 1962
La Construction européenne vue par un socialiste français, uitgave van de SFIO, 1965
Les Chances du socialisme. Réponse à la société industrielle, uitgave Fayard, 1968
Le Socialisme selon Tito, uitgave Seghers, 1971
15 ans après. La Constitution de 1958, uitgave Albin Michel, 1973

Guy Môquet

Guy Môquet (Parijs, 26 april 1924 - Châteaubriant, 22 oktober 1941) was een Frans communistisch verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog.

Guy Môquet maakte deel uit van een groep van vijftig leden van de Résistance die in oktober 1941 werd gefusilleerd in het zuidelijk deel van Frankrijk dat niet door de Duitsers was bezet. Ze waren veroordeeld als represaille voor de moord op een Duits officier. Hun dood geldt als een voorbeeld van de collaboratie door het bewind van Maarschalk Pétain.

Guy Môquet schreef aan de vooravond van zijn executie een afscheidsbrief aan zijn familie en vrienden. In mei 2007 wilde de juist aangetreden president Nicolas Sarkozy deze brief op alle scholen laten voorlezen. Hij noemde Guy een voorbeeld voor de jeugd van nu, voorbeeld van opoffering voor het vaderland. Hij stelde voor de brief toe te voegen aan de verplichte lesstof. Dit alles leidde tot woedde van de Franse leerkrachten, die dit zagen als inmenging in de autonomie van het onderwijs.                                                                                                                                         
          Pétains aankondiging van de executie

Jean Moulin

Jean Moulin (Béziers, 20 juni 1899 - nabij Metz, 8 juli 1943) was een belangrijk persoon in het Franse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Vanwege zijn grote moed staat hij vandaag de dag in Frankrijk bekend als een symbool van de verzetsbeweging.
Biografie
Vóór de oorlog

Moulin werd geboren in Béziers in Frankrijk en ging in 1918 in het Franse leger. De Eerste Wereldoorlog liep al ten einde zodat hij geen actie meemaakte. Na de oorlog ging hij verder met zijn studie rechten en studeerde af in 1921. Hij trouwde met Marguerite Cerruti in september 1926, maar het paar scheidde in 1928. In 1930 werd hij de onderprefect van Châteaulin. Hij schreef tijdens die periode ook politieke satires in de krant Le Rire onder het pseudoniem Romanin. In januari 1937 werd hij prefect in het département Aveyron.
Het verzet
In 1939 werd Moulin prefect van het département Eure-et-Loir. De Duitsers arresteerden hem in juni 1940 omdat hij weigerde een Duits document te ondertekenen. Dit document legde de schuld van een bloedbad ten onrechte bij Senegalese soldaten uit het Franse leger.
In november 1940 beval het Vichy-regime alle prefecten om alle linkse burgemeesters te ontslaan. Toen Moulin dit weigerde werd hij zelf uit zijn ambt gezet. Hij vertrok toen naar Saint-Andiol in Bouches-du-Rhône, en voegde zich bij het Franse verzet.
Moulin kwam in september 1941 in Londen aan en gebruikte het pseudoniem Joseph Jean Mercier. Hij ontmoette Generaal Charles de Gaulle, die hem vroeg om de verscheidene verzetsgroepen samen te brengen. Op 1 januari 1942 werd hij geparachuteerd boven het Franse Alpilles.
Onder zijn codenamen Rex and Max legde hij contact met leiders van verzetsgroepen. Onder andere:
Henri Frenay (Combat)
Emmanuel d'Astier (Libération)
Jean-Pierre Lévy (Francs-Tireur)
Pierre Villon (Front National') - Niet dezelfde als de huidige Front National
Pierre Brossolette (Comité d'Action Socialiste)
In februari 1943 ging Moulin terug naar Londen samen met Charles Delestraint die het hoofd was van de nieuwe Armée Secrète-groep.
Op 21 maart 1943 ging hij terug naar Frankrijk met orders om de Conseil National de la Résistance (CNR) te formeren. Een moeilijke taak omdat elke verzetsbeweging onafhankelijk wilde blijven. De eerste bijeenkomst van de CNR vond plaats in Parijs op 27 mei 1943.
Jean Moulin werd gearresteerd op 21 juni 1943 in Caluire-et-Cuire (Rhône), in het huis van dokter Frédéric Dugoujon, waar een bijeenkomst was met een groot deel van de verzetsleiders.
Tijdens ondervragingen in Lyon door Klaus Barbie, (hoofd van de Gestapo aldaar), en later in Parijs gaf Moulin geen enkele informatie door aan de Duitsers.
Hij overleed later nabij Metz in een trein onderweg naar een concentratiekamp, dit ten gevolge van de gruwelijke martelingen die hij moest ondergaan. Barbie sloeg hem volgens getuigen in coma, en mishandelde hem onherkenbaar.
Controverse
René Hardy (een verzetsstrijder) werd begin 1943 opgepakt en weer vrijgelaten door de Gestapo. De Gestapo volgde hem naar de bijeenkomst in Dugoujons huis in Caluire en werd zo naar Jean Moulin geleid. Sommige geloven dat Hardy dit met opzet deed en Moulin verraadde, anderen denken dat René Hardy gewoon onvoorzichtig was. Er kwamen na de oorlog twee rechtszaken om te bepalen of René Hardy een verrader was. Beide keren werd hij onschuldig bevonden.
In een recente tv-film over het leven van Jean Moulin werd René Hardy als een collaborateur met de Gestapo geportretteerd, wat de controversie weer deed opleven. De familie van Hardy probeerde een rechtszaak aan te spannen tegen de makers van de film.
De legende
Moulin was eerst begraven op de begraafplaats Père-Lachaise in Parijs. Op 19 december 1964 werd zijn as overgebracht naar het Panthéon in Parijs.
In Frankrijk zijn tal van straten, scholen en een universiteit (Lyon III) naar hem vernoemd.

Kop van Moulin in de Franse verzetsvlag

 

Monument voor Jean Moulin in Chartres

Paul Ramadier

Paul Ramadier (La Rochelle, 17 maart 1888 - Rodez, 14 oktober 1961) was een Frans sociaaldemocratisch politicus.
Biografie
Paul Ramadier was de zoon van een psychiater. Na zijn schoolopleiding studeerde hij rechten. In 1911 promoveerde hij tot doctor in het Romeins recht. In 1905 werd hij lid van de Section Française de l'Internationale Ouvrière (Franse Sectie van de Arbeiders Internationale), een socialistische partij. In 1919 werd hij burgemeester van Decazeville, hetgeen hij tot 1959 bleef.
Paul Ramadier was van 1928 tot 1940, van 1945 tot 1951 en van 1956 tot 1958 lid van de Franse Nationale Vergadering voor het departement Aveyron. In 1936 trad hij uit de SFIO en richtte de Union Socialiste et Républicaine (Unie van Socialisten en Republikeinen) op. Later keerde hij bij de SFIO terug. In de Volksfrontregering van premier Léon Blum (4 juni 1936 - 21 juni 1937) was Ramadier staatssecretaris van Mijnbouw, Electrificering en Vloeibare Brandstoffen. In het daaropvolgende kabinet onder premier Camille Chautemps (22 juni 1937 - 14 januari 1938) was hij onderstaatssecretaris van Openbare Werken.
Paul Ramadier was van 18 januari 1938 tot 23 augustus 1938 (met uitzondering van (13 maart - 8 april 1938) minister van Arbeid en Sociale Zaken onder premier Édouard Daladier. Hij zette zich in voor betere sociale voorzieningen en een nieuw belastingstelsel.
Rol tijdens de Tweede Wereldoorlog
In juli 1940, na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland, stemde hij tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain, op dat moment waarnemend staatshoofd van Frankrijk. Ramadier behoorde echter tot de minderheid in de Franse Nationale Vergadering die tegen het verlenen van bijzondere volmachten aan Pétain waren en Pétain verkreeg de bijzondere volmachten wel en werd staatshoofd van Frankrijk. Hij vestigde zich in het Zuid-Franse Vichy en bestuurde tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog het niet-bezette deel van Frankrijk "Vichy-Frankrijk." Ramadier sloot zich aan bij het verzet tegen de Duitse bezetter.
Ramadier zette zich als verzetsstrijder vooral in voor de Joodse medemens. Vanwege zijn inzet voor de Franse Joden werd hij na de oorlog één van de Franse Rechtvaardigen onder de Volkeren.
Politieke carrière na de oorlog
Van 16 november 1944 tot 30 mei 1945 was hij minister van Volksgezondheid onder premier Charles de Gaulle. Van 16 december 1946 tot 22 januari 1947 was hij minister van Justitie onder Léon Blum. In zijn hoedanigheid van minister van Justitie zorgt hij ervoor dat Frankrijk Marshallhulp aanvaard. Na de goedkeuring van de nieuwe Franse grondwet door het Franse parlement van de Vierde Franse Republiek, werd hij haar eerste premier (22 januari 1947).
Onderdrukking Madagaskar-opstand
Ramadiers premierschap zal waarschijnlijk vooral worden herinnerd om twee dingen. Ten eerste kwam er tijdens zijn ambtstermijn een einde aan het tripartisme door het terugtreden van de communistische ministers in mei 1947. Dit hield in regeringsdeelname door de drie belangrijkste politieke stromingen van die dagen in Frankrijk: Sociaaldemocratie (SFIO e.a. sociaaldemocratische partijen), Christendemocratie (Mouvement Républicain Populaire) en communisme (Parti Communiste Français). Het kabinet werd gereorganiseerd en bestond hierna alleen nog uit SFIO en de MRP. Ten tweede zal zijn ambtsduur worden herinnerd omdat de Madagaskar-opstand onder Ramadiers premierschap begon. In maart 1947 kwamen stammen in het oosten van het Franse overzeese gebiedsdeel (in feite gewoon een kolonie) Madagaskar (toen nog Malagasië genoemd) in opstand tegen het Franse gezag. De opstand breidde zich daarna in rap tempo uit. Ramadier gaf opdracht tot een gewelddadige onderdrukking van de Madagaskar-opstand waarbij tussen de 30.000 en 90.000 Malagasiërs het leven lieten.
Paul Ramadier trad op 24 november 1947 af. Hierna was hij van 26 juli tot 5 september 1948 minister van Staat, daarna van 11 september 1948 tot 28 oktober 1949 minister van Defensie. Van 14 februari 1956 tot 13 juni 1957 was hij minister van Economische Zaken en Financiën onder premier Guy Mollet (SFIO). Ramadier had de taak om het sociale beleid te financieren, hetgeen door hoge kosten die de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog met zich meebracht, onmogelijk was.
Paul Ramadier was ook een vrijmetselaar. Hij overleed op 73-jarige leeftijd in het najaar van 1961 te Rodez.

Paul Ramadier.jpg

Geboren 17 maart 1888
Overleden 14 oktober 1961
Termijn Afgevaardigde (1928-1940,
1945-1958)
Departement Aveyron (12)
Parlementaire groep SFIO (1928-1932)
PSdF (1932-1936)
USR (1936-1940)
SFIO (1945-1958)
Tijdvak Derde Franse Republiek
Vierde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

Serge Ravanel

Serge Ravanel, geb. Serge Asher (Parijs, 12 mei 1920 - aldaar, 27 april 2009) was een Frans verzetsstrijder.

Ravanel had gestudeerd aan de École polytechnique (Promotie X1939). Na de capitulatie van Frankrijk in 1940, ging hij in het verzet en verdeelde hij clandestiene bladen. Hij werd aangeworven door de beweging Libération-Sud en fungeerde er als verbindingsman, waardoor hij pendelde tussen het noorden en het zuiden van het land. In maart 1943 werd hij samen met zijn kameraden gearresteerd en kwam hij terecht in de gevangenis. Zij slaagden erin zich ziek te laten verklaren en werden overgebracht naar het ziekenhuis van l'Antiquaille, waar zij werden bevrijd door een groep verzetsstrijders die zich voordeed als Gestapo's. Vervolgens nam Serge Asher de naam "Ravanel" aan, naar de bekende berggids van rond 1900. Na de oorlog zou hij die naam behouden.

Als kolonel bij de Forces françaises de l'intérieur leidde hij de gevechten in de streek van Toulouse en bevrijdde hij de stad.

Ravanel kreeg diverse onderscheidingen, onder meer de benoeming tot Grootofficier in het Franse Legioen van Eer, het Croix de Guerre en de Bronzen Ster.

Kaart van de "Bijzondere brigade van de Franse revolutionaire milities", opgemaakt voor Serge Ravanel onder het pseudoniem Charles Guillemot.

Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3