Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog

Slag in de Koraalzee

De Slag in de Koraalzee, begin mei 1942, kan op verschillende manieren gezien worden als een keerpunt in de Tweede Wereldoorlog. Het was de eerste zeeslag waarin vliegdekschepen elkaar aanvielen en de eerste zeeslag waarin geen der schepen de ander gezien heeft. De slag markeerde ook het punt waarop de Japanse opmars in de Grote Oceaan voor het eerst gestopt werd.
Achtergrond
Nadat het in enkele maanden grote delen van Zuidoost-AziŽ onder de voet had gelopen, stond Japan op het hoogtepunt van haar militaire macht. De geallieerden trilden nog na van een serie verpletterende nederlagen. Zij probeerden wanhopig om het materiaal en de vaardigheden bijeen te schrapen, nodig om te overleven en om ooit terug te gaan slaan. De geallieerde strategie richtte zich op een defensieve opbouw van het Amerikaanse leger en het Amerikaanse korps mariniers op Nieuw-CaledoniŽ en Australische lucht- en grondstrijdkrachten bij Port Moresby in zuidelijk Nieuw-Guinea.
In april 1942 vertrokken Japanse strijdkrachten vanuit hun steunpunt in Rabaul voor een dubbele amfibische invasie bij Port Moresby (Operatie MO), en Tulagi op de Salomonseilanden. Het doel was drievoudig: controle over de Salomonseilanden verkrijgen, Port Moresby (de laatste basis tussen Japan en het Australische continent) in handen krijgen en de Amerikaanse vliegdekschepen voor het eerst in de oorlog tot gevecht dwingen.
Historici zijn verdeeld over het Japanse doel op lange termijn. Er lijkt weinig twijfel aan te bestaan dat zij de Salomonseilanden als bastion tegen toekomstige Amerikaanse tegenaanvallen zagen. Ook lijkt het aannemelijk, dat zij een invasie in Noord-AustraliŽ op het oog hadden. Er is echter aanzienlijke twijfel over de Japanse doelen op langere termijn. De praktijk van de Japanse planning was complex, met slecht gedefinieerde verantwoordelijkheidsgebieden, en bittere debatten tussen leger en marine.
Er voeren verschillende vloten uit: de invasiestrijdkrachten voor de Salomonseilanden en Port Moresby, en een beschermingsvloot bestaande uit twee nieuwe, grote vliegdekschepen (Shokaku en Zuikaku, beide veteranen van de Aanval op Pearl Harbor), een kleiner vliegdekschip (Shoho), twee zware kruisers, en ondersteunende vliegtuigen. Door het afluisteren van radioberichten wisten de geallieerden dat de aan wal gestationeerde Japanse vliegtuigen naar het zuiden werden verplaatst en dat een grote operatie op komst was. Zij konden hier drie vloten tegenover stellen: USS Yorktown (CV-5) reeds in de Koraalzee aanwezig onder bevel van admiraal Frank Jack Fletcher, USS Lexington (CV-2) hierheen onderweg, en een vloot van oppervlakteschepen. De vliegdekschepen USS Hornet (CV-8) en USS Enterprise (CV-6) waren op weg naar het zuiden na de Doolittle Raid op Tokio maar arriveerden te laat om aan de strijd deel te nemen.
De slag
1-6 mei

De Lexington arriveerde op 1 mei bij de Yorktown. De Japanners bezetten Tulagi zonder tegenstand op 3 mei, en begonnen met de bouw van een vliegveld. Na het innemen van brandstof stoomde de Yorktown richting Tulagi en voerde op 4 mei enkele succesvolle aanvallen op Japanse schepen en vliegtuigen uit. Hierdoor verraadden de Amerikanen de aanwezigheid van hun vliegdekschip, maar brachten de Japanse destroyer Mikazuki tot zinken. De capaciteit van het vliegveld voor het uitvoeren van verkenningsvluchten vanaf het eiland werd beschadigd. Hierna trok de Yorktown zich terug naar het afgesproken rendez-vouspunt met de Lexington en de nieuw gearriveerde kruisers. Onderwijl naderden de twee grote Japanse vliegdekschepen vanuit het zuiden, waardoor de Amerikaanse vloot ingesloten raakte tussen twee Japanse vloten.
Op het land gestationeerde B-17s vielen de Port Moresby naderende invasievloot op 6 mei aan, maar zonder resultaat. (Het zou nog bijna een jaar duren voordat erkend werd dat hoog vliegende bombardementsvluchten op bewegende schepen doelloos waren). Hoewel beide vloten op 6 mei veel verkenningsvluchten uitvoerden, konden zij elkaar op die dag niet lokaliseren, o.a. door de bewolking. Gedurende de nacht bevonden de twee vloten zich op ruim 100 km van elkaar. Andere geallieerde vliegtuigen mengden zich in de strijd vanaf luchtmachtbases bij Cooktown en Iron Range op het Kaap York-schiereiland.
6-7 mei
Die nacht nam Fletcher de moeilijke beslissing om zijn belangrijkste oppervlakteschepen onder commando van de Australische admiraal John Crace weg te sturen om de meest waarschijnlijke koers van de Japanse invasievloot naar Port Moresby te blokkeren. Crace's vloot bestond uit de kruisers HMAS Australia, USS Chicago (CA-29), HMAS Hobart, en de destroyers USS Perkins, USS Walke en USS Farragut. Zowel Fletcher als Crace realiseerden zich het risico, dat hiermee dit squadron, zonder luchtbescherming blootgesteld aan de aanvallen van op land gestationeerde Japanse vliegtuigen, hetzelfde noodlot dreigde te ondergaan als de Britse slagschepen HMS Prince of Wales en HMS Repulse vijf maanden eerder.
Hun angsten werden bewaarheid toen het squadron in de middag van 7 mei door een squadron Japanse torpedobommenwerpers gespot werd en een aantal intensieve luchtaanvallen te verduren kreeg. Door geluk of vaardigheid ontsnapten de geallieerde schepen, met verlies van USS Neosho (AO-23) en USS Sims. Enkele minuten na de Japanse aanval werd het squadron per abuis aangevallen door Amerikaanse B-17's. Opnieuw kwamen de Farragut en Perkins er zonder averij vanaf.
De Amerikaanse verkenningsvliegtuigen spotten de Japanse invasievloot met het kleine Japanse vliegdekschip Shoho. Dit werd aangezien voor de Japanse hoofdvloot, en Fletcher zette 53 bommenwerpers, 22 torpedovliegtuigen en 18 jagers in voor een aanval. De Shoho werd bij deze aanval tot zinken gebracht.
8 mei
Op de ochtend van 8 mei hadden de Japanners het voordeel. Boven hun vliegdekschepen hing een laag wolkendek, wat het zoeken van de geallieerde vliegtuigen zou bemoeilijken. Fletchers vliegdekschepen voeren onder een open lucht in stralende zon.
Toch vonden de verkenningsvliegtuigen van beide partijen elkaars vloten vrij snel na elkaar. Onmiddellijk hierna lanceerden beide strijdmachten een grote luchtaanval op de vliegdekschepen van de andere partij. De twee golven vliegtuigen passeerden elkander ongemerkt. Verborgen in de regen ontsnapte de Zuikaku aan de verkenning, maar de Shokaku werd door drie bommen geraakt. In brand staand was de Shokaku niet in staat haar terugkerende vliegtuigen aan boord te nemen. Ze was buiten gevecht gesteld.
Beide Amerikaanse vliegdekschepen werden bij de Japanse aanval geraakt: de Yorktown door een bom, de grotere en minder manoeuvreerbare Lexington door zowel bommen als torpedo's. Ze overleefde de initiŽle schade, en deze werd ingeschat als te repareren. Een uur later ontplofte echter de vliegtuigbrandstof en moest het schip verlaten en getorpedeerd worden om te voorkomen dat het in Japanse handen viel.
Crace's force bleef positie innemen tussen de Japanse invasievloot en Port Moresby. Inoue, misleid door foutieve vliegtuigrapporten over de sterkte van het geallieerde eskader, gaf de invasiestrijdmacht bevel terug te keren.
Betekenis
In tactische termen boekten de Japanners een marginale overwinning: zij verloren een klein vliegdekschip en de Amerikanen een groot. Beiden hadden nog zware schade aan een van hun grote vliegdekschepen, maar voor de geallieerden was het een opsteker: na vijf maanden van continue nederlagen, was er eindelijk een slag waarin ze op gelijke termen klappen uit deelden.
De opkikker voor het moreel was uiterst belangrijk: de Amerikanen kregen vertrouwen dat ze Japan konden verslaan.
De landing uit zee bij Port Moresby werd verhinderd. Moresby vormde een vitaal punt in de geallieerde strategie, en kon nog niet verdedigd worden door de daar gestationeerde grondstrijdkrachten. Het verlies van Port Moresby zou vrijwel zeker een invasie in, en mogelijk zelfs het verlies van AustraliŽ hebben betekend.
Als gevolg van de afgewende landing uit zee was Japan gedwongen om te trachten Port Moresby over land in te nemen. Dit uitstel was juist voldoende om de aankomst van de ervaren Second Australian Imperial Force mogelijk te maken. Deze vochten vervolgens mee in de Kokoda Track campagne en de Slag bij Milne Bay. Dit verlichtte de druk op Guadalcanal.
Zonder een basis in Nieuw-Guinea zou de geallieerde opmars in de Grote Oceaan kostbaarder en langduriger zijn geweest dan nu.
Het verlies van de USS Lexington (CV-2) was een ernstige klap, maar de Amerikanen konden verliezen sneller opvangen dan Japan.
De marine van de Verenigde Staten leerde veel van deze slag. Uit het verlies van de Lexington leerde de marine betere manieren voor de opslag van vliegtuigbrandstof op vliegdekschepen. Ook de controle van het defensieve vliegtuigscherm rond de vliegdekschepen werd verbeterd. Uit de aanvallen op de Japanse vliegdekschepen volgden waardevolle lessen over de coŲrdinatie van duikbommenwerpers en torpedobommenwerpers (te laat voor de Slag bij Midway, maar wel nuttig voor de langere termijn).
De USS Yorktown (CV-5) keerde terug naar Pearl Harbor.
Hoewel geschat werd dat de reparatie van de Yorktown maanden zou duren, verrichtte de ploegen in Pearl Harbor een topprestatie door haar in zeer korte tijd weer zeewaardig te hebben. Ze was daardoor tijdens de belangrijkste Slag bij Midway, weer aanwezig. Deze aanwezigheid bleek doorslaggevend (drie vliegdekschepen in plaats van twee).
Doordat de Shokaku beschadigd was en de Zuikaku tekort aan vliegtuigen had, waren geen van beiden in staat om een maand later deel te nemen aan de cruciale Slag bij Midway.
Hoewel de Zuikaku slechts licht beschadigd was, en ze slechts 40 vliegtuigen droeg, moest deze voor reparatie naar Japan terugkeren. De reparatie van Shokaku duurde zes maanden. Geen van beide was in de Slag bij Midway aanwezig. De afwezigheid van Zuikaku en Shokaku bij Midway was fataal voor Japan als bleek achteraf: twee vliegdekschepen minder aan Japanse kant.
Japan kon het verlies aan vliegtuigen en zelfs aan vliegdekschepen nog wel opvangen, maar zou het verlies aan de meest ervaren en getrainde piloten nooit meer goedmaken.

Een explosie aan boord van Lexington, 8 mei 1942, gezien vanaf Minneapolis

Een explosie aan boord van Lexington, 8 mei 1942, gezien vanaf Minneapolis
Datum
4 mei - 8 mei 1942
Locatie
Koraalzee, tussen AustraliŽ, Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden
Resultaat
Tactische Japanse overwinning, strategische geallieerde overwinning
Strijdende partijen
 United States Navy
 Royal Australian Navy
 Japanse Keizerlijke Marine
Leiders en commandanten
Frank Jack Fletcher
Shigeyoshi Inoue
Troepensterkte
2 grote vliegdekschepen,
3 kruisers
2 grote vliegdekschepen,
1 klein vliegdekschip,
4 kruisers
Verliezen
1 groot vliegdekschip,
1 torpedobootjager,
1 olietanker,
540 man
1 klein vliegdekschip,
1 torpedobootjager,
3.500 man

Vliegtuigen op de Zuikaku

 

De Yorktown na de slag in een droogdok te Pearl Harbor.

Beleg van Malta (Tweede Wereldoorlog)

De Slag om Malta was een gecombineerde lucht- en zeeslag rond het eiland Malta in de Middellandse Zee, tussen de Britten en de Duitse Luftwaffe. De slag duurde van april 1941 tot juni van datzelfde jaar.
Voor de slag
Belang van Malta

Het eiland was al sinds het Congres van Wenen in 1815 Brits. Na de Duitse invasie in Noord-Afrika werd het eiland, midden tussen SiciliŽ en Tripoli, strategisch zeer belangrijk omdat het op de aanvoerlijnen van het Afrikakorps van veldmaarschalk Rommel lag.
De in Malta gestationeerde Britse onderzeeboten dienden de bevoorradingskonvooien van het Afrikakorps aan te vallen. Door de aanvallen van de Luftwaffe kon dat succes echter niet uitgebouwd worden, aangezien alle vliegtuigen het eiland zelf dienden te verdedigen.
Verdediging
Voor de verdediging tegen luchtaanvallen kon Malta enkel rekenen op een squadron Hawker Hurricanes, dat aan het begin van de slag slechts 15 toestellen telde, maar tegen het einde van de slag door versterkingen tot 75 werd opgetrokken. De Britse Royal Navy kon echter geen hulp bieden, aangezien de vloot van admiraal Andrew Cunningham nodig was in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, om dekking te bieden voor de konvooien naar Griekenland, tegen de Italiaanse vloot.
De slag
Maart 1941

De eerste aanvallen van de Luftwaffe begonnen in maart 1941, zowel tegen militaire als burgerdoelen. De bevolking was totaal onvoorbereid en de militaire slagkracht liet te wensen over. Zo waren er slechts 15 toestellen ter beschikking om het eiland te verdedigen.
April 1941
Op 8 april werden 4 torpedobootjagers naar Malta gestuurd, om de Duitse aanvoerlijnen te kunnen bestoken, samen met de daar al aanwezige onderzeeboten. Op 16 april vielen zij een Duits bevoorradingskonvooi aan en vernietigden daarbij vijf vijandelijke transportschepen, terwijl zij zelf slechts ťťn schip verloren.
De aanval op hun konvooi bleek duidelijk een grote slag voor de Duitsers geweest te zijn, want ze namen revanche door kort daarna mijnen te leggen in de Grand Harbour, de belangrijkste haven van Malta en door die zwaar te bombarderen.
Op 20 april kwam eindelijk een Britse bevoorradingsschip aan op Malta, de Breconshire, gedekt door een grote vloot uit AlexandriŽ, die op weg was om Tripoli te bombarderen. Ondertussen waren ook uit Malta al toestellen vertrokken om Tripoli te bombarderen, namelijk een squadron Britse Vickers Wellington bommenwerpers, en een klein aantal Fairey Swordfish-vliegtuigen.
In de maand april kwamen ook nog eens 23 extra Hurricanes aan van het vliegdekschip HMS Ark Royal, dat gestationeerd was in de Middellandse Zee. Hierdoor werd de slagkracht van de Maltese luchtvloot versterkt.
Mei 1941
Begin mei kwamen meer langverwachte en broodnodige Britse versterkingen, onder de vorm van de kruisers HMS Gloucester en HMS Dido; de mijnenlegger HMS Abdiel en zes torpedobootjagers, waaronder de HMS Jersey. Die schepen konden niet lang blijven, vanwege de Duitse zeemijnen in de haven. De HMS Jersey zonk hierdoor en de HMS Gloucester raakte hierdoor zwaar beschadigd.
Half mei kwamen er ook nog eens 47 extra Hawker Hurricanes, afkomstig van de vliegdekschepen HMS Furious en HMS Ark Royal. Hiermee werd het totaal aantal vliegtuigen verhoogd tot 75, 60 meer dan aan het begin van de slag.
Rond het einde van mei kwam er een einde aan de zware luchtaanvallen van de Luftwaffe, aangezien de toestellen nodig waren voor operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Malta bleef wel afhankelijk van de zee en de problemen met de bevoorrading bleven, ondanks de aankomst van twee konvooien in mei, zeer ernstig. Daarom werd besloten om nu ook onderzeeboten in te schakelen voor bevoorrading, maar enkel voor de hoogstnodige goederen, zoals vliegtuigbrandstof.
Juni 1941
Door de verslechterende Britse situatie in de Middellandse Zee, zoals de Duitse landing op Kreta het verlies van Griekenland, liet men het idee varen om van Malta een basis te maken voor een toekomstig offensief tegen de asmogendheden.
In het begin van juni werd generaal-majoor Hugh Lloyd naar Malta gestuurd om daar een tactische strijdmacht op te bouwen, met inbegrip van een sterke luchtmacht. Het doel van deze strijdmacht was om de bevoorradingslijnen van de Duitse troepen in Noord-Afrika af te snijden en zo veldmaarschalk Rommel tot overgave te dwingen.
In het kader hiervan kwamen op 15 juni nog eens 43 Hurricanes, van de Ark Royal en de Victorious aan op Malta. Eind juni kwamen er nog eens 64 Hurricanes bij. Van die laatste levering vlogen er echter enkele door naar Egypte waar de situatie ook kritiek begon te worden.
Na de slag
Na het einde van juni 1941 was het ergste voor de inwoners van Malta voorbij. Ze hadden weerstand geboden aan enorm zware Duitse en Italiaanse luchtoffensieven ten koste van enorme offers. Na de slag bleek dat ze 62 Duitse en 15 Italiaanse toestellen hadden neergeschoten en dit ten koste van 64 Hurricanes, waarvan de helft in de lucht en de helft op de grond. In diezelfde vier maanden hebben de onderzeeboten van Malta 25 bevoorradingsschepen tot zinken gebracht, wat het equivalent is van 90.000 ton. Als blijk van erkentelijkheid kregen alle inwoners van Malta collectief het George Cross, dat nog steeds op hun vlag staat.

Verwoeste gebouwen in Valletta door de bombardementen.

Verwoeste gebouwen in Valletta door de bombardementen.
Datum 11 juni 1940 - 20 november 1942
Locatie Malta
Resultaat Britse overwinning
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg nazi-Duitsland
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg ItaliŽ
Leiders en commandanten
Flag of the United Kingdom.svg Andrew Cunningham
Flag of the United Kingdom.svg William Dobbie
Flag of the United Kingdom.svg Keith Park
Flag of the United Kingdom.svg Hugh Pughe Lloyd Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Hans Ferdinand Geisler
Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Albert Kesselring
Flag of the German Reich (1935Ė1945).svg Martin Harlinghausen
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Francesco Pricolo
Troepensterkte
15 (later opgetrokken naar 75) Hurricanes; Task Force H Luftflotte II (niet volledig) & enkele Italiaanse eenheden; de bevoorradingsvloten
Verliezen
369 strijders (lucht) omgekomen
64 strijders (grond) omgekomen
40 onderzeeŽrs gezonken
2 vliegdekschepen gezonken
4 cruisers gezonken
19 destroyers gezonken
2.301 piloten gedood of gewond
30.000 gebouwen vernietigd of beschadigd
1.300 burgers gedood 357 Duitse vliegtuigen verloren
175 Italiaanse vliegtuigen verloren
72% van de Italiaanse marine transport vloot gezonken
23% van de As koopvaardijvloot gezonken
2.304 koopvaardijschepen gezonken
17.240 doden op zee
50 Duitse U-boten gezonken
16 Italiaanse onderzeeŽrs gezonken

Aanval op Mers-el-Kťbir

De Aanval op Mers-el-Kťbir, deel van Operatie Catapult en ook bekend als de Slag om Mers-el-Kťbir vond op 3 juli 1940 plaats bij Mers-el-Kťbir aan de kust van Algerije. Een eenheid van de Britse Royal Navy vernietigde een deel van de Franse vloot waarbij 1297 mannen omkwamen. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk waren niet in oorlog, maar Frankrijk had een wapenstilstand getekend met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was bang dat als gevolg van de Duits-Franse wapenstilstand de Franse marine zich bij de Duitse Kriegsmarine zou aansluiten. De Franse admiraal FranÁois Darlan had Winston Churchill verzekerd dat de vloot niet in Duitse handen zou vallen, maar de Britten handelden in de veronderstelling dat de beloftes van Darlan onvoldoende waren. De aanval toonde de wereld en vooral de Verenigde Staten dat het Verenigd Koninkrijk de oorlog tegen Duitsland wilde voortzetten.
Gebeurtenissen
Achtergrond

Na de wapenstilstandsovereenkomst tussen Frankrijk en nazi-Duitsland in 1940 was het Verenigd Koninkrijk bezorgd dat de Franse vloot door de Duitsers zou worden overgenomen. Een grotere Duitse vloot betekende dat de machtsbalans op zee in Duits voordeel zou uitvallen. Dit zou de aanvoer van grondstoffen voor het Verenigd Koninkrijk en de koloniŽn via de Atlantische Oceaan in gevaar brengen. De Britse regering vreesde dat de Duitsers de controle over de schepen zouden overnemen, ondanks artikel 8, paragraaf 2 van de Wapenstilstand, waarbij de Duitse regering ďverklaarde ernstig en plechtig dat ze niet van plan waren dat ze eisen opstelden tegenover de Franse vloot tijdens de vredesonderhandelingenĒ en soortgelijke termen in de wapenstilstand met ItaliŽ. Bovendien verklaarde admiraal Darlan zich bij Churchill tegen deze mogelijkheid.[4] Voorts bleek later dat Hitler niet de intentie had of de middelen om de vloot in Mers-el-Kťbir over te nemen.[5] Churchill eiste dat de Franse marine (Marine Nationale) ofwel de krachten met de Britse Royal Navy zou bundelen of op een bepaalde manier geneutraliseerd zou moeten worden, om te voorkomen dat de schepen in Duitse en Italiaanse handen zou vallen.
De Franse vloot was zeer verspreid. Bepaalde schepen lagen in havens in Frankrijk, andere waren ontsnapt van Frankrijk naar Britse havens, vooral naar havens in Groot-BrittanniŽ en AlexandriŽ in Egypte. Operatie Catapult moest resulteren in de Britse controle over de Franse schepen, of als dat niet mogelijk was, hun vernietiging. Tijdens de eerste fase ging men in de nacht van 3 juli 1940 simpelweg aan boord van schepen in de Britse havens Plymouth en Portsmouth. Op de Surcouf, destijds de grootste onderzeeŽr ter wereld, die in juni 1940 zijn toevlucht had gezocht in Portsmouth, verzette de bemanning zich hevig, waarbij twee Britse officieren en een Franse matroos werden gedood. Andere schepen waren de twee verouderde slagschepen Paris en Courbet, de torpedojagers Triomphant en Lťopard, acht torpedoboten, vijf onderzeeŽrs en een aantal kleinere schepen. Velen Ė inclusief de Surcouf Ė zou worden gebruikt door de Vrije Fransen. Sommige zeelieden sloten zich aan bij de Vrije Fransen terwijl andere naar Frankrijk werden gerepatrieerd. De aanval op de Franse schepen in de havens zorgde voor woede bij de Fransen tegenover hun bondgenoot en zorgde voor spanningen tussen Churchill en generaal De Gaulle.
Ultimatum
De meest krachtige concentratie van Franse oorlogsschepen in die tijd was het squadron dat zich in de haven van Mers-el-Kťbir in Algerije bevond. Dit bestond uit de oude slagschepen Provence en Bretagne, de moderne slagschepen (of slagkruisers) Dunkerque en Strasbourg, de watervliegtuigtender Commandant Teste en zes torpedojagers onder bevel van admiraal Marcel-Bruno Gensoul. Aan de Britse admiraal James Somerville, commandant van Force H gestationeerd in Gibraltar, werd bevolen dat hij aan de Fransen een ultimatum moest afleveren. Er werden drie voorstellen gedaan:
Aansluiten bij de Britse marine om samen de strijd tegen Duitsland voort te zetten.
Met een afgeslankte bemanning onder controle van de Britten naar een Britse haven varen. De afgeslankte bemanning zou worden gerepatrieerd.
Als alternatief, wanneer de Fransen de bindende afspraken tot wapenstilstand met Duitsland niet wilden overtreden, moesten ze met de Britten met afgeslankte bemanning naar enkele Franse havens in West-IndiŽ bijvoorbeeld Martinique, waar ze tot Britse tevredenheid konden worden gedemilitariseerd, of ze konden worden toevertrouwd aan de Verenigde Staten waar de bemanning gerepatrieerd zou worden en de schepen veilig zouden blijven tot het einde van de oorlog.
Als de voorstellen werden verworpen moesten de schepen binnen zes uur tot zinken worden gebracht.
Somerville was zelf niet persoonlijk aanwezig bij de uitreiking van het ultimatum. In plaats daarvan viel deze plicht de beurt aan de Franssprekende kapitein Cťdric Holland, bevelhebber van het vliegdekschip HMS Ark Royal. Admiraal Gensoul was beledigd dat de onderhandelingen niet werden gevoerd door een hogere officier en stuurde zijn eigen luitenant, Bernard Dufay, wat leidde tot vertraging en verwarring.
Aangezien de onderhandelingen aansleepten, werd het duidelijk dat geen der partijen elkaar de ruimte wilde geven. De Franse minister van Marine, FranÁois Darlan ontving nooit de volledige tekst van het Britse ultimatum van admiraal Gensoul, wat het belangrijkste was met betrekking tot de mogelijkheid voor de verplaatsing van de vloot naar Amerikaanse wateren, een optie die deel uitmaakte van orders die uitgegeven waren door Gensoul door Darlan, die moest worden gevolgd door een vreemde mogendheid die probeerde om de schepen te veroveren.
Voor de onderhandelingen formeel werden beŽindigd stegen Britse Fairey Swordfish vliegtuigen, ondersteund door verouderde Blackburn Skua vliegtuigen op van de Ark Royal, om magnetische mijnen in de zee laten vallen precies op de route van de Franse schepen richting zee. Deze eenheid werd onderschept door Franse Curtiss H-75 gevechtsvliegtuigen. Dankzij de escorterende Skuas ging geen van de Swordfish vliegtuigen verloren, maar een van de Skuas werd neergeschoten door de Franse jagers en crashte in de zee waarbij de bemanning omkwam. Dit waren de enige Britse doden van het conflict.[6]
Een korte tijd later opende de Britse marine op aanwijzingen van Churchill het vuur op hun voormalige bondgenoot.
Aanval
De Britse macht bestond uit de slagkruiser HMS Hood, de slagschepen HMS Valiant en HMS Resolution en het vliegdekschip HMS Ark Royal, inclusief een escorte van kruisers en torpedobootjagers. Ondanks de geschatte gelijkwaardigheid van de vloten hadden de Britten een aantal doorslaggevende voordelen. De Franse vloot lag voor anker in een nauwe haven en ondanks de ondubbelzinnige eisen van het ultimatum verwachtte men geen aanval en men was er niet op voorbereid. De hoofdbewapening van zowel de Dunkerque als de Strasbourg was gegroepeerd op hun boeg en kon niet onmiddellijk worden gebruikt. De Britse schepen hadden 381-mm kanons en vuurden zwaardere salvoís dan de Fransen.
De Britten openden het vuur op 3 juli 1940 om 16:56 uur. De Fransen reageerden ineffectief. Het derde salvo van de Britten raakte eerst de Bretagne, waardoor dit schip explodeerde en om 17:09 uur zonk, met 977 mannen aan boord. Na dertig salvoís stopten de Fransen met schieten. Ondertussen verlegden de Britten hun koers om te voorkomen dat de Franse kustbatterijen konden vuren. De Provence, Dunkerque en de torpedojager Magador werden door hun eigen bemanning beschadigd en aan de grond gezet.
De Strasbourg slaagde erin samen met vier torpedojagers uit de belegerde haven te ontsnappen. Toen deze vijf schepen open zee bereikten, kwamen ze onder vuur te liggen van Swordfish bommenwerpers van de HMS Ark Royal. Twee vliegtuigen gingen hierbij verloren (hun bemanning werd gered door de torpedojager HMS Wrestler). Het bombardement had weinig effect. De Britse kruisers HMS Arethusa en HMS Enterprise meldden dat ze een Franse torpedojager in beslag hadden genomen. Om 20:20 blies Somerville de achtervolging af, omdat hij wist dat zijn schepen slecht waren uitgerust voor een nachtelijke achtervolging. Na een andere aanval van Swordish om 20:55 uur te hebben afgeweerd bereikte de Strasbourg op 4 juli 1940 de Franse havenstad Toulon.
Op 4 juli bracht de Britse onderzeeŽr HMS Pandora de Franse kanonneerboot Rigault de Genouilly die uit Oran kwam, tot zinken. In die nacht voerden Franse bommenwerpers een vergeldingsactie uit tegen de Britse vloot in Gibraltar, zonder groot effect. Omdat de Britten geloofden dat de beschadigingen aan de Dunkerque en Provence niet ernstig waren, voerden Britse Fairey Swordfish vliegtuigen in de morgen van 6 juli vanaf de HMS Ark Royal een aanval uit op Mers-el-Kťbir. Een torpedo raakte de patrouilleboot Terre-Neuve die afgemeerd was naast de Dunkerque. Terre-Neuve zonk snel en zijn lading dieptebommen veroorzaakte een grote explosie, waardoor de Dunkerque zwaar beschadigd raakte.
Nasleep
In Mers-el-Kťbir kwamen 1297 Franse zeelieden om en raakten er 350 gewond. De relaties tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk raakten voor lange tijd beschadigd en het leverde de Duitsers propagandamateriaal op. Als vergelding werden duizenden vrouwen en kinderen uit Gibraltar die naar Frans-Marokko waren geŽvacueerd met geweld verdreven en gedwongen op overvolle en vieze transportschepen te stappen met achterlating van bijna al hun bezittingen.
De Britse admiraal Somerville was niet enthousiast over de actie en zei dat het ďde grootste politieke blunder van de moderne tijd en de hele wereld zal tegen ons zijnÖwij allen moeten ons grondig schamen In feite was de actie gericht om de wereld te laten zien dat het Verenigd Koninkrijk de oorlog kon voortzetten.
De Franse schepen in AlexandriŽ onder bevel van admiraal Renť-…mile Godfroy waaronder het oude slagschip Lorraine en vier kruisers werden op 3 juli door de Britten omsingeld en kregen dezelfde eisen voorgelegd als in Mers-el-Kťbir. Na de onderhandelingen die geleid werden door de Britse admiraal Andrew Cunningham, ging de Franse admiraal op 7 juli akkoord om zijn schepen te ontmantelen en tot aan het einde van de oorlog in de haven te blijven. Ze bleven daar, tot ze zich in 1943 bij de geallieerden aansloten.
De laatste fase van Operatie Catapult was een luchtaanval op 8 juli vanaf het vliegkampschip HMS Hermes tegen het moderne Franse slagschip Richelieu dat voor anker lag in Dakar. Een torpedo trof doel en beschadigde het schip.
De Dunkerque, Provence en Mogador werden gerepareerd en voeren terug naar Toulon.
Op 27 november 1942 probeerden de Duitsers als deel van Operatie Anton de Franse vloot in Toulon in te nemen. Dit resulteerde in het tot zinken brengen van de Franse vloot in Toulon.
Slachtoffers
Franse slachtoffers tijdens de aanval worden als volgt verdeeld:
slachtoffers bij de aanval op Mers-el-Kťbir
Officieren onderofficieren matrozen en mariniers Totaal
Bretagne 36 151 825 1012
Dunkerque 9 32 169 210
Provence 1 2 3
Strasbourg 2 3 5
Mogador 3 35 38
Rigault de Genouilly 3 9 12
Terre Neuve 1 1 6 8
Armen 3 3 6
Esterel 1 5 6
Totaal 48 202 1050 1300
 

Croiseur de bataille Strasbourg 03-07-1940.jpg

Datum 3 juli 1940
Locatie Mers-el-Kťbir, Algerije
Resultaat Uitschakeling van de Franse vloot
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of France.svg Frankrijk
Leiders en commandanten
Flag of the United Kingdom.svg James Fownes Somerville
Flag of the United Kingdom.svg Dudley Pound Flag of France.svg Marcel-Bruno Gensoul
Flag of France.svg FranÁois Darlan
Troepensterkte
1 vliegkampschip
2 slagschepen
1 slagkruiser
2 lichte kruisers
11 torpedojagers 4 slagschepen
6 torpedojagers
1 watervliegtuigtender
Verliezen
3 Blackburn Skua
3 Fairey Swordfish
2 doden 1 slagschip vernietigd
2 slagschepen zwaar beschadigd
3 torpedojagers beschadigd
1 torpedojager gegrond
1.297 doden
350 gewonden
 

Blackburn Skuas op HMS Ark Royal klaar voor vertrek

 

 

 

De Mogador na een voltreffer

Slag bij Midway

De slag bij Midway is een zeeslag die tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatsvond op 4 juni 1942 tussen Japan en de Verenigde Staten. De slag bij het atol Midway wordt door veel historici beschouwd als een keerpunt in de oorlog in de Grote Oceaan. Na de slag raakte de Japanse Keizerlijke Marine langzamerhand haar overwicht kwijt en kwam in het defensief terecht.
Achtergrond
Nadat de Verenigde Staten op 7 december 1941 door de aanval op Pearl Harbor direct betrokken raakten bij de gevechtshandelingen van de Tweede Wereldoorlog, begon de strijd met het Japanse Keizerrijk om de heerschappij over de Grote Oceaan. De Japanners rukten geleidelijk op en veroverden een gebied dat zich uitstrekte van Birma tot de Solomonseilanden. Na de Doolittle Raid op 18 april 1942 vonden de Japanners het noodzakelijk om hun greep op het noordelijke en centrale deel van de Grote Oceaan te verstevigen. Daartoe werd een gelijktijdige aanval ingezet op de Aleoeten (zie slag om de Aleoeten) en het Amerikaanse eiland Midway.
Na de grote successen van de Japanse Keizerlijke Marine stond alleen het geÔsoleerde atol Midway, door Amerikaanse soldaten bewoond, een invasie van HawaÔ in de weg. De Amerikaanse marine was dus genoodzaakt de aanval op Midway af te slaan en daarmee ook de aangenomen onoverwinnelijkheid van de Japanse Keizerlijke Marine te ontkrachten.[bron?]
Deze aanvallen werden door de Amerikanen verwacht omdat ze de communicatiecode van de Japanse marine (JN-25) hadden gekraakt en zich dus konden voorbereiden.
Admiraal Yamamoto
De Japanners beschikten over een vloot van 16 onderzeeŽrs, 4 vliegdekschepen, 8 slagschepen, 4 kleinere schepen en 12 transport- en bevoorradingsschepen. De 16 onderzeeŽrs voeren voor de vloot uit en moesten, als ze de Amerikaanse vloot zagen, die zo snel mogelijk aanvallen en hun posities doorgeven. De 4 vliegdekschepen waren de Kaga, Akagi, Soryu en de Hiryu. Ze stonden onder het bevel van Admiraal Yamamoto en hadden 250 vliegtuigen aan boord. Hun taak was Midway aan te vallen en de Amerikaanse vliegdekschepen te vernietigen. De 12 transport- en bevoorradingsschepen vervoerden meer dan 5.000 Japanse mariniers. Die werden vergezeld door 2 slagschepen, 6 grote slagschepen en wat kleinere schepen. Hun taak was om de mariniers aan land te zetten op Midway en ze eventueel te ondersteunen met artillerievuur. De Japanners hielden nog 7 slagschepen met een klein vliegdekschip achter de hand als reserve.
Admiraal Nimitz
Hier tegenover hadden de Amerikanen drie vliegdekschepen, de USS Enterprise, USS Hornet en de USS Yorktown. Verder beschikten ze over verschillende lichtere slagschepen, maar die zouden geen partij vormen voor de Japanse marine. Alle schepen stonden onder het bevel van Admiraal Nimitz.
Het grootste voordeel waarover de Amerikanen beschikten was het eilandje Midway. Op dit eiland stonden 115 gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers klaar.
Strijd
Op 4 juni 1942 (In de VS) begon de strijd om Midway. De Japanse admiraal Chuichi Nagumo viel aan bij zonsopgang. Hij liet de helft van zijn vliegtuigen van de vliegdekschepen opstijgen. De andere helft zette hij klaar met torpedo's om de Amerikaanse vliegdekschepen aan te vallen zodra deze zouden worden ontdekt. De Japanse vliegtuigen bombardeerden het eiland Midway 20 minuten lang en richtten aanzienlijke schade aan. 15 Amerikaanse vliegtuigen werden neergehaald tegenover 30 Japanse. Als reactie hierop stegen er zware Amerikaanse bommenwerpers op om de Japanse vliegdekschepen aan te vallen. Een Amerikaans vliegtuig zag twee van de vier Japanse vliegdekschepen en de Amerikanen veranderden meteen van koers om ze te onderscheppen. Nagumo had de vliegdekschepen nog niet verwacht. Hij liet de tweede helft van zijn vliegtuigen wisselen van torpedo's naar gewone bommen om Midway nogmaals te bombarderen. Rond diezelfde tijd stijgen 116 Amerikaanse duikbommenwerpers op van het Amerikaanse vliegdekschip de Hornet om de Japanners aan te vallen.
Terwijl de Japanners nog steeds bezig waren met voorbereiden, vond een Japans patrouillevliegtuig de Amerikaanse vloot en verzond meteen een bericht. Nagumo besloot om de Amerikanen aan te vallen en veranderde koers om ze te onderscheppen. Hierdoor kon een groot deel van de vliegers van het Amerikaanse vliegdekschip de Hornet de Japanse schepen niet vinden. Slechts een klein deel van de Amerikanen lukte het om de Japanners te vinden en aan te vallen. Omdat de bommenwerpers niet werden geŽscorteerd door hun eigen jagers, werden ze meteen aangevallen. De Amerikaanse piloten hadden minder ervaring dan hun Japanse tegenstanders. Hierdoor verloren de Amerikanen veel vliegtuigen. Het lukte de Amerikaanse bommenwerpers niet om treffers te plaatsen op de Japanse vliegdekschepen, en velen werden neergeschoten. Nagumo waande zich al winnaar van de strijd: hij had Midway een zware slag toegediend, veel Amerikaanse vliegtuigen neergeschoten en de aanval van de Amerikanen afgeslagen.
Twee minuten nadien veranderde de situatie echter dramatisch. De Japanse jagers die hun vliegdekschepen moesten verdedigen, vlogen op geringe hoogte, sommige waren zelfs al geland omdat ze zonder brandstof zaten. Opeens verschenen er 37 Amerikaanse Dauntless duikbommenwerpers van het vliegdekschip de Enterprise hoog boven de Japanse schepen.
De scheepsdekken van de Japanse vliegdekschepen lagen vol met bommen en brandstofvaten, en de monteurs waren druk bezig de vliegtuigen opnieuw klaar te maken voor de strijd. De 37 Amerikaanse vliegers vielen aan. …ťn groep viel het vliegdekschip Kaga aan en de andere groep Nagumo's schip de Akagi. Slechts zes bommen troffen doel, maar dit bleek genoeg, want al snel stonden beide schepen in lichterlaaie.
Een paar minuten hierna arriveerden nog 17 Amerikaanse duikbommenwerpers van het Amerikaanse vliegdekschip de Yorktown. Ze vielen het derde Japanse vliegdekschip aan, de Soryu. Het schip werd getroffen door drie bommen en moest hierna al snel worden verlaten. Later werd het tot zinken gebracht door een Amerikaanse onderzeeŽr.
De korte maar hevige aanval van de Amerikanen was over. Nagumo had drie van de vier vliegdekschepen verloren. Hij liet 40 vliegtuigen van zijn laatste schip (de Hiryu) opstijgen. De Japanners vonden het Amerikaanse schip de Yorktown en vielen het aan. De Amerikanen waren echter klaar om de aanval af te slaan. De Japanners leden zware verliezen bij hun aanval. Toch lukte het zeven Japanse vliegers om door de verdediging heen te komen. De Yorktown werd getroffen door drie bommen. De Yorktown was zwaar beschadigd geraakt maar werd in een recordtijd van een uur opgekalefaterd. De bemanning van de Yorktown had daar ervaring mee: de Yorktown was in de eerdere Slag in de Koraalzee al zwaar beschadigd geraakt. Gaten in de stalen romp werden gedicht met blokken hout. De Japanners wilden met een tweede golf de score gelijkmaken door nog een vliegdekschip tot zinken te brengen. Ze dachten dat de Yorktown al was gezonken en zagen het opgelapte vliegdekschip aan voor de Enterprise. Nu werd de Yorktown geraakt door twee torpedo's. Het schip moest worden verlaten, de vliegtuigen en bommenwerpers vlogen naar de Enterprise. De Japanners verkeerden nu in de waan, dat de stand nu gelijk was en dat de Amerikanen alleen de Hornet nog overhadden en bijna verslagen waren.
De twee overgebleven Amerikaanse vliegdekschepen maakten zich op voor de laatste aanval. Ze lieten 24 vliegtuigen opstijgen voor de aanval op het laatst overgebleven Japanse vliegdekschip: Hiryu. De Hiryu had al een groot deel van zijn vliegtuigen verloren bij de aanval op de Yorktown. De Hiryu werd gevonden en werd door vier bommen tot zinken gebracht.
De Japanse marine was nog steeds vele malen groter dan de Amerikaanse. Toch besloot admiraal Yamamoto de strijd om Midway te staken. Hij gaf er zich rekenschap van, dat hij zonder luchtoverwicht de strijd om het eiland niet kon beginnen en trok zijn vloot terug. De slag om Midway was voorbij, de Amerikanen en Japanners hadden beiden een harde strijd geleverd maar de Amerikanen hadden gewonnen.

Midway Atoll.jpg

Datum 4 juni - 7 juni 1942
Locatie Midway
Resultaat Amerikaanse strategische en tactische overwinning
Strijdende partijen
US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Leiders en commandanten
US Naval Jack 48 stars.svg Frank Jack Fletcher
US Naval Jack 48 stars.svg Raymond Spruance
US Naval Jack 48 stars.svg Chester Nimitz Naval Ensign of Japan.svg Chuichi Nagumo
Naval Ensign of Japan.svg Isoroku Yamamoto
Troepensterkte
Drie vliegdekschepen,
Ī50 ondersteunende schepen Vier vliegdekschepen,
Ī150 ondersteunende schepen
Verliezen
1 vliegdekschip,
1 destroyer,
307 doden 4 vliegdekschepen,
1 kruiser,
3.057 doden

Een brandende Yorktown

 

Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden

De Zeeslag bij de Oostelijke Salomonseilanden, ook bekend als de Zeeslag bij de Stewardeilanden of in de Japanse bronnen als de Tweede Zeeslag in de Salomonzee (第二次ソロモン海戦, Dai-ni-ji Soromon Kaisen) was een zeeslag op 24 en 25 augustus 1942 in de Salomonzee tussen vliegdekschepen van de United States Navy en de Japanse Keizerlijke Marine tijdens de Slag om Guadalcanal in de Tweede Wereldoorlog. Net zoals in de Slag in de Koraalzee en de Slag bij Midway zagen de vijandelijke schepen elkaar niet en voerden vliegtuigen alle aanvallen uit.
Drie Task Forces
Op 7 augustus 1942 waren eenheden van het United States Marine Corps geland op Guadalcanal, Tulagi en de Florida-eilanden in de Salomonseilanden. Het doel was om de vaarroutes tussen de Verenigde Staten en AustraliŽ te beveiligen en om de Japanse basis in Rabaul te isoleren en de Slag om Nieuw-Guinea te steunen. De landingen vormden het begin van de Slag om Guadalcanal die een half jaar zou duren.
Drie Amerikaanse Task Forces met vliegdekschepen ondersteunden de landingen.
Task Force 11 met USS Saratoga (CV-3)
Task Force 16 met USS Enterprise (CV-6)
Task Force 18 met USS Wasp (CV-7).
Elke task force beschikte over een begeleidend slagschip, kruisers en torpedobootjagers. Bij task force 18 waren ook de Australische kruisers HMAS Australia en HMAS Hobart. Viceadmiraal Frank Jack Fletcher voerde het opperbevel aan boord van zijn vlaggenschip USS Saratoga (CV-3). De vliegdekschepen gaven luchtsteun aan de landingen en beschermden tegen luchtaanvallen vanuit Rabaul.
Na de landingen bleven ze ter plaatse met vier opdrachten
de verbinding tussen de basissen in Nieuw-CaledoniŽ en Espiritu Santo beveiligen
de grondtroepen op Guadalcanal en Tulagi steunen tegen tegenaanvallen
de aanvoer van voorraden beveiligen
Japanse oorlogsschepen aanvallen en vernietigen
Van 15 tot 20 augustus beveiligden de vliegdekschepen de levering van bommenwerpers en jachtvliegtuigen op het vliegveld Henderson Field op Guadalcanal.
Operatie ďKaĒ
Admiraal Isoroku Yamamoto bereidde een tegenaanval voor: ďOperatie KaĒ. Ka is de eerste lettergreep (ガ) van Guadalcanal (ガダルカナル島) in het Japans.
Op 16 augustus 1942 vertrok een konvooi van drie trage troepentransportschepen Kinryu Maru, Boston Maru en Daifuku Maru met 1411 Japanse soldaten van het 28e regiment infanterie Kiyonao Ichiki met 1000 speciale landingstroepen vanuit de Chuukeilanden naar Guadalcanal. De troepen waren oorspronkelijk bedoeld om Midway te bezetten, maar dat was afgelast na de verloren Slag bij Midway. Het konvooi werd begeleid door schout-bij-nacht Raizō Tanaka op de lichte kruiser Jintsu, acht torpedobootjagers en vier patrouilleboten, de torpedobootjagers Shimakaze, Nadakaze, Suzuki en Tsuta omgebouwd voor troepentransport.
Zes torpedobootjagers zetten het eerste contingent van 917 soldaten waaronder Ichiki af op Guadalcanal in de ochtend van 19 augustus. Vanuit Rabaul vertrokken ook vier zware kruisers onder bevel van viceadmiraal Gunichi Mikawa om steun te bieden. Die kruisers hadden eerder de Zeeslag bij het eiland Savo gewonnen. Tanaka wilde zijn troepen op 24 augustus aan land zetten.
Op 21 augustus vertrokken nog drie groepen van de Ka macht uit de Chuukeilanden.
De voorhoede met vijf zware kruisers, een lichte kruiser, zes torpedobootjagers en de drager van watervliegtuigen Chitose onder bevel van viceadmiraal Nobutake Kondō.
De hoofdmacht met de vliegdekschepen Shōkaku en Zuikaku, het escorte vliegdekschip Ryūjō, een zware kruiser en acht torpedobootjagers onder bevel van viceadmiraal Chuichi Nagumo op de Shōkaku.
De achterhoede met twee slagschepen, drie zware kruisers, een lichte kruiser en drie torpedobootjagers onder bevel van schout-bij-nacht Hiroaki Abe.
Op Rabaul stonden nog 100 bommenwerpers, jachtvliegtuigen en verkenningsvliegtuigen klaar om luchtsteun te bieden.
Het Ka plan voorzag dat zodra Amerikaanse vliegdekschepen ontdekt zouden worden de vliegdekschepen van Nagumo een luchtaanval zouden inzetten. Eens de vliegdekschepen vernietigd zouden de voorhoede van Abe en de achterhoede van Kondo afrekenen met de oppervlakteschepen. Daarna zouden bommenwerpers Henderson Field bombarderen. Daarna zouden de grondtroepen Guadalcanal en Tulagi heroveren.
Torpedobootjagers
Vroeg op 22 augustus torpedeerde de Japanse torpedobootjager Kawakaze de Amerikaanse torpedobootjager USS Blue (DD-387). Tanaka had de torpedobootjagers Kawakaze en Yūnagi vooruit gestuurd om een klein konvooi naar Guadalcanal te onderscheppen.
Luchtverkenning
Op 22 augustus naderden de Japanse en de Amerikaanse vloten elkaar. Beide zetten verkenningsvliegtuigen in, maar die zagen de vijandelijke vloot niet. Een Japans verkenningsvliegtuig zag de USS Enterprise (CV-6), maar werd neergeschoten voordat hij een radiobericht kon zenden. Omdat hij niet terugkeerde, vermoedden de Japanners dat de Amerikaanse vliegdekschepen zich in de buurt bevonden.
Op 23 augustus om 9h50 zag een Amerikaanse Consolidated PBY Catalina watervliegtuig opgestegen vanaf Ndeni op de Santa Cruzeilanden het konvooi van Tanaka.[2] In de late namiddag vertrokken vliegtuigen van de USS Saratoga en van Henderson Field om het konvooi aan te vallen. Tanaka had de Consolidated PBY Catalina opgemerkt en had meteen koers gezet naar het noorden om aan luchtaanvallen te ontsnappen. Tanaka meldde dit aan zijn opperbevel. Mikawa beval hem om naar het noorden uit te wijken en de landing van zijn troepen uit te stellen tot 25 augustus. De hogere in rang Nishizō Tsukahara beval Tanaka om op 24 augustus te landen. Tanaka antwoordde dat dit niet meer mogelijk was.
Op 23 augustus om 18h23 stuurde Fletcher USS Wasp met de rest van task force 18 naar Efate om brandstof te bunkeren.[3][4]
Luchtaanval op Henderson Field
Op 24 augustus 1942 om 1h45 beval Nagumo schout-bij-nacht Chūichi Hara met het escorte vliegdekschip Ryūjō, de zware kruiser Tone en de torpedobootjagers Amatsukaze en Tokitsukaze om volle kracht vooruit te varen en tegen zonsopgang een luchtaanval op Henderson Field uit te voeren.
Op de Shōkaku en de Zuikaku stonden bommenwerpers klaar voor het geval Amerikaanse vliegdekschepen ontdekt zouden worden.
Luchtverkenning
Tussen 5h55 en 6h30 lanceerde de USS Enterprise (CV-6) verkenningsvliegtuigen om de Japanse schepen te zoeken.
Om 9h35 zag een Consolidated PBY Catalina de Ryūjō. Later zagen verkenningsvliegtuigen ook de schepen van Kondo en Mikawa. Rond de middag zagen de Amerikaanse verkenningsvliegtuigen ook Japanse verkenningsvliegtuigen en onderzeeboten.[5] Om 13h40 gaf Fletcher 38 bommenwerpers van USS Saratoga bevel om de Ryūjō aan te vallen. Hij hield vliegtuigen klaar voor het geval Japanse vliegdekschepen ontdekt zouden worden.
Om 12h20 stegen zes Nakajima B5N2 "Kate" bommenwerpers en 15 Mitsubishi A6M Zero jachtvliegtuigen op van de Ryūjō om Henderson Field aan te vallen samen met 24 Mitsubishi G4M2 "Betty" bommenwerpers en 14 Zero's uit Rabaul. Om 11h30 waren de vliegtuigen uit Rabaul teruggekeerd vanwege slecht weer.
De USS Saratoga zag de vliegtuigen van de Ryūjō op radar. Om 14h23 kwamen de vliegtuigen van de Ryūjō aan om Henderson Field te bombarderen, maar ze werden daar meteen aangevallen door jachtvliegtuigen van Cactus Air Force. Drie "Kate"s, drie Zero's en drie Amerikaanse jachtvliegtuigen stortten neer en Henderson Field liep maar weinig schade op.
Om 14h25 zag het verkenningsvliegtuig van de kruiser Chikuma de Amerikaanse vliegdekschepen. Het verkenningsvliegtuig werd neergeschoten, maar kon nog een radiobericht verzenden. Nagumo beval de vliegtuigen van de Shōkaku en de Zuikaku om op te stijgen. Om 14h50 was de eerste golf van 27 Aichi D3A2 "Val" duikbommenwerpers en 15 Zero's op weg naar de USS Enterprise (CV-6) en de USS Saratoga.
Rond dezelfde tijd zagen twee Amerikaanse verkenningsvliegtuigen de Japanse hoofdmacht, maar Fletcher kreeg hun bericht niet door een probleem met de radioverbinding. De twee verkenningsvliegtuigen vielen de Shōkaku aan, maar zonder schade. Wel keerden vijf zero's terug om de vliegdekschepen te beschermen tegen luchtaanvallen.
Om 16h00 steeg de 2e golf van 27 "ValĒs en 9 Zero's op van de Japanse vliegdekschepen naar de Amerikaanse vliegdekschepen.
De voorhoede van Abe stoomde vooruit om de Amerikaanse schepen te beschieten na zonsondergang.'s Van 17h50 tot 18h19 bombardeerden zeven B-17 Flying Fortress van Espiritu Santo de Zuikaku en de Shōkaku, maar ze berokkenden geen schade en schoten enkel een Zero neer.
Luchtaanval op de Ryūjō
Rond dezelfde tijd vielen de vliegtuigen van de Saratoga de Ryūjō aan met bommen en torpedo's. Verschillende treffers doodden 120 opvarenden en brachten zware schade toe.[6] Dan kwamen nog B-17 Flying Fortresses op de Ryūjō af.
Zero's van de Ryūjō vielen die aan en beschadigden ze. Een beschadigde B-17s stortte bij de landing neer met vier dode bemanningsleden tot gevolg. De bemanning verliet de zinkende Ryūjō bij zonsondergang. De Amatsukaze en de Tokitsukaze redden de overlevenden en viste ook de vliegtuigbemanningen van de terugkerende vliegtuigen uit de oceaan. Na de redding keerden de twee torpedobootjagers en de Tone terug naar de hoofdmacht van Nagumo.
Luchtaanval op de Enterprise en de Saratoga
Om 16h02 zagen de Amerikaanse vliegdekschepen de eerste golf van Japanse vliegtuigen op de radar. 53 Grumman F4F Wildcat gevechtsvliegtuigen stegen op om ze te onderscheppen. Verschillende Wildcats vlogen verloren of werden afgeweerd door de begeleidende Zero's en de meeste ďValĒ duikbommenwerpers kwamen ongehinderd door. Net voor het bombardement lanceerden de Enterprise en de Saratoga alle bommenwerpers die nog op de dekken stonden. Ze moesten naar het noorden vliegen en doelwitten die ze vonden aanvallen en anders rondcirkelen tot het veilig was om terug te keren.
Om 16h29 vielen de Japanse duikbommenwerpers de Enterprise aan. Wildcats vlogen achter de "Val"s in duikvlucht, bij de luchtafweer van de Enterprise en haar begeleidende schepen slagschip USS North Carolina (BB-55), zware kruiser USS Portland (CA-33), lichte kruiser USS Atlanta (CL-51) en zes torpedobootjagers. Verschillende ďValĒs, maar ook vier Wildcats stortten neer door de luchtafweer.
Door de luchtafweer en ontwijkende manoeuvres misten de eerste negen "ValĒs de USS Enterprise (CV-6) met hun duikbommen. Om 16h44 doorboorde een bom vier dekken en ontplofte onder de waterlijn. Dit veroorzaakte 35 doden en 70 gewonden en de USS Enterprise (CV-6) maakte slagzij door instromend zeewater.
30 seconden later trof een andere "Val" 5 m verder met zijn bom. De granaten van het 125 mm scheepsgeschut ontploften, 35 kanonniers stierven en een brand brak uit.
Om 16h46 sloeg een derde bom vooraan een krater van 3 m in het dek. Vier "Vals" braken hun aanval op de USS Enterprise (CV-6) af en vielen de USS North Carolina (BB-55) aan, maar alle vier hun bommen misten en alle vier duikbommenwerpers werden neergeschoten. Om 16h48 was de aanval voorbij en vlogen de aanvallers terug naar hun vliegdekschepen.
De Japanners hadden 25 vliegtuigen met hun bemanningen verloren. De Amerikanen verloren zes vliegtuigen en konden de meeste bemanningsleden redden.
De USS Enterprise (CV-6) was beschadigd en stond in brand, maar om 17h46 was de brand geblust en het schip voldoende gerepareerd om vliegtuigen te laten landen.
Om 18h05 keerden de vliegtuigen die de Ryūjō tot zinken gebracht hadden terug op de USS Saratoga.
Om 18h15 kwam de 2e aanvalsgolf aan, maar ze vonden de vliegdekschepen niet en moesten onverrichter zake terugkeren. Vijf van die vliegtuigen gingen verloren door technische defecten.
Luchtaanval op de Chitose
De meeste voor de aanval opgestegen Amerikaanse bommenwerpers vonden geen doelwitten, maar twee Douglas SBD Dauntless duikbommenwerpers van de Saratoga zagen de voorhoede van Kondo en vielen de watervliegtuigendrager Chitose aan met zware schade tot gevolg. De Chitose werd terug naar de Chuukeilanden gesleept voor reparaties tot 14 september 1942.
In de schemering keerden alle Amerikaanse vliegtuigen terug naar ofwel hun vliegdekschepen ofwel Henderson Field. De Amerikaanse schepen trokken zich terug naar het zuiden buiten het bereik van de Japanse oorlogsbodems. De schepen van Abe en Kondo waren op weg naar het zuiden, maar keerden rond middernacht terug. De hoofdmacht van Nagumo, die veel vliegtuigen verloren had en over weinig brandstof beschikte voer ook naar het noorden.
Luchtaanval op het konvooi van Tanaka
In de waan dat twee Amerikaanse vliegdekschepen buiten gevecht gesteld waren, voer Tanaka opnieuw naar Guadalcanal. Op 25 augustus om 8h00 was hij op 200 km. Bij hem voeren 5 torpedobootjagers Mutsuki, Yayoi, Kagerō, Kawakaze en Isokaze, die in de nacht Henderson Field beschoten hadden met lichte schade tot gevolg.
Om 8h05 vielen vliegtuigen van Henderson Field het konvooi van Tanaka aan. Ze brachten zware schade toe aan de Jintsu, waar 24 doden vielen. Tanaka was bewusteloos. Het troepentransportschip Kinryu Maru zonk. De torpedobootjager Mutsuki voer langszij de Kinryu Maru om drenkelingen te redden, maar toen brachten vier B-17s van Espiritu Santo haar met vijf bommen tot zinken. Tanaka stapte over op de Kagerō, zond de Jintsu terug naar de Chuukeilanden voor reparatie en leidde het konvooi naar de basis op de Shortlandeilanden. De Jintsu moest naar Japan voor reparatie tot 9 januari 1943.
De Japanse schepen bleven nog even bij de noordelijke Salomonseilanden buiten het bereik van vliegtuigen van Henderson Field en keerden dan terug naar de Chuukeilanden, waar ze op 5 september aankwamen.
Gevolgen
De geschiedkundige Richard B. Frank stelde:
De slag bij de Oostelijke Salomonseilanden was zonder twijfel een Amerikaanse overwinning, maar op lange termijn had ze weinig gevolg, behalve dat er minder Japanse getrainde vliegeniers op vliegdekschepen waren. De Japanse versterkingen die niet per traag transportschip konden komen, bereikten Guadalcanal op andere wijze.
De Amerikanen verloren 7 vliegeniers en de Japanners 61: 27 van de Shokaku, 21 van de Zuikaku en 13 van de Ryūjō. Op de Ryūjō vielen 120 doden, op de Mutsuki 40 en op de Jintsu 24. De Japanners verloren 33 Zero's, 23 "Val"s, 8 "Kate"s, 7 watervliegtuigen, 1 ďBettyĒ bommenwerper, 2 Kawanishi H8K ďEmilyĒ en 1 Kawanishi H6K ďMavisĒ.
De troepen in het konvooi van Tanaka gingen op de Shortlandeilanden aan boord van snelle torpedobootjagers en gingen vanaf 29 augustus 1942 daarmee naar Guadalcanal, maar zonder hun zware wapens.
Vliegtuigen van Henderson Field brachten op 28 augustus de torpedobootjager Asagiri tot zinken en beschadigden twee andere torpedobootjagers in New Georgia Sound ten noorden van Guadalcanal.
Op Guadalcanal werd op 13 september de Slag om Edson's Ridge gevochten. Er volgde de Zeeslag bij Cape Esperance en in oktober een beschieting van Henderson Field door twee Japanse slagschepen uit de Chuukeilanden.
USS Enterprise (CV-6) voer naar Pearl Harbor voor reparatie tot 15 oktober 1942. Ze keerde op 24 oktober terug voor de Zeeslag bij de Santa Cruzeilanden, weer tegen de Shōkaku en de Zuikaku.

USS Enterprise CV-6 brandt

USS Enterprise CV-6 brandt
Datum 24 augustus Ė 25 augustus 1942
Locatie in de Salomonzee ten noorden van Santa Isabel van de Salomonseilanden
Resultaat Amerikaanse strategische en tactische overwinning
Strijdende partijen
US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Leiders en commandanten
US Naval Jack 48 stars.svg Frank Jack Fletcher
US Naval Jack 48 stars.svg Robert Ghormley Naval Ensign of Japan.svg Chuichi Nagumo
Naval Ensign of Japan.svg Isoroku Yamamoto
Troepensterkte
2 vliegdekschepen,
1 slagschip,
4 kruisers,
11 torpedobootjagers,
176 vliegtuigen op vliegdekschepen,
22 op Henderson Field
B-17 Flying Fortress op Espiritu Santo
Consolidated PBY Catalina op de Santa Cruzeilanden 2 vliegdekschepen,
1 escorte vliegdekschip,
1 watervliegtuigdrager,
2 slagschepen,
16 kruisers,
25 torpedobootjagers,
4 patrouilleboten,
3 troepentransportschepen,
174 vliegtuigen op vliegdekschepen
vliegtuigen op Rabaul en de Salomonseilanden
verkenningsvliegtuigen van de Chitose en de kruisers.
Verliezen
1 vliegdekschip zwaar beschadigd,
20 vliegtuigen,
90 vliegeniers 1 escorte vliegdekschip,
1 lichte kruiser,
1 torpedobootjager,
1 troepentransportschip,
1 watervliegtuigdrager zwaar beschadigd,
75 vliegtuigen
290 vliegeniers

Amerikaanse vliegdekschepen USS Wasp (CV-7) (vooraan), USS Saratoga (CV-3) en USS Enterprise (CV-6) (achteraan) bij Guadalcanal op 12 augustus 1942

 

 

Kaart met de Japanse schepen bovenaan en de Amerikaanse schepen onderaan. Guadalcanal is het grote, ovale eiland links in het midden.

 

B-17 Flying Fortress bommenwerpers vallen de Ryujo rechts in het midden aan op 24 augustus 1942. De torpedobootjagers Amatsukaze (midden onderaan) en Tokitsukaze rechts in het midden ontwijken bommen

 

De derde bom treft de USS Enterprise (CV-6). Boven rechts is rook van de twee eerste treffers.

Slag in het Kanaal van Otranto

De slag in het Kanaal van Otranto was een kleinschalige zeeslag tijdens de Slag om de Middellandse Zee in de Tweede Wereldoorlog. Het vond plaats op 12 november 1940 in het Kanaal van Otranto in de Adriatische Zee, wat tussen het vasteland van ItaliŽ en AlbaniŽ ligt.
Achtergrond
De slag geschiedde toen een geallieerd eskader de Adriatische Zee binnenvoer, op zoek naar Italiaanse maritieme doelen. Hoewel ze het op dat moment niet wisten, was het echte doel van het eskader om de aandacht van de vijand af te leiden van een grote luchtaanval op de belangrijkste basis van de Italiaanse vloot in Tarente. Het eskader werd aangevoerd door vice-admiraal Henry Pridham-Wippell met als vlaggenschip de lichte kruiser HMS Orion en omvatte de lichte kruisers HMAS Sydney en HMS Ajax, samen met de torpedobootjagers HMS Nubian en HMS Mohawk.
Op 12 november was een konvooi van vier koopvaardijschepen (de Antonio Locatelli, Premuda, Capo Vado en Catalani) op de terugweg van Valona naar Brindisi, waarbij de schepen werden geŽscorteerd door de torpedoboot Fabrizi, die nog uit de Eerste Wereldoorlog stamde en onder bevel stond van Giovanni Barbini en de hulpkruiser Ramb III, aangevoerd door Francesco De Angelis. De schepen reisden in totale duisternis zonder navigatieverlichting.
De slag
De geallieerde schepen voeren naar het noorden tijdens de nacht van 11 november. Vlak voordat ze tegen 01:00 een denkbeeldige lijn tussen Bari en Durazzo bereikten, maakten ze rechtsomkeer om zuidwaarts te gaan. Twintig minuten later stuitten ze op zes verduisterde schepen, waarvan ze dachten dat het om twee torpedobootjagers en vier koopvaardijschepen ging. De vijandelijke schepen merkten niets en voeren gewoon langs hen heen, op weg naar het vasteland van ItaliŽ. De HMS Mohawk opende om 01:27 het vuur en de slag begon.
In een verwarrende nachtelijke aanval viel de HMAS Sydney het leidende vrachtschip van een afstand van 11 kilometer aan en vernietigde het volkomen. In de volgende 23 minuten werden de overige drie koopvaardijschepen ůf tot zinken gebracht ůf (zwaar) beschadigd en brandend achtergelaten. De Fabrizi werd geraakt en zwaar beschadigd en blies de aftocht naar Valona, met elf doden en zeventien gewonden. De Ramb III brak, na negentien salvoís te hebben afgevuurd, het gevecht ongedeerd af. Uiteindelijk zijn alle koopvaardijschepen gezonken.
De geallieerden ondervonden noch schade noch slachtoffers, hoewel om 01:40 een torpedo de steven van de Sydney nog maar net miste. Bij de Regia Marina kwamen 36 manschappen om en raakten er 42 gewond.
Nasleep
De Italianen vergolden deze actie door hun luchtmacht, de Regia Aeronautica, erop af te sturen om het geallieerde eskader op te sporen, hoewel de CANT Z.501-vliegtuigen allemaal werden neergeschoten. De Regia Marina stuurde motortorpedoboten die ten noorden van Valona waren gestationeerd, het 7e Kruisereskader, bestaande uit de lichte kruisers Muzio Attendolo, Eugenio di Savoia en Emanuele Filiberto Duca díAosta, de 15e Torpedobootjagerdivisie uit Brindisi, het 8e Kruisereskader, bestaande uit de lichte kruisers Duca degli Abruzzi en Giuseppe Garibaldi en de 7e en 8e Torpedobootjagerdivisie uit Tarente om het geallieerde eskader te onderscheppen maar het lukte hen niet om contact te maken.
De dag nadat de slag plaatsvond redden twee torpedoboten van de Regia Marina, de Curtatone en de Solferino, in totaal 140 zeelieden.
Slagorde
Koninkrijk ItaliŽ Regia Marina
Kapitein Francesco De Angelis
1 torpedoboot: Fabrizi (beschadigd)
1 hulpkruiser: Ramb III
4 koopvaardijschepen: Antonio Locatelli (5691 ton), Premuda (4427 ton), Capo Vado (4391 ton) en Catalani (2429 ton) (allen gezonken)
Insigne van de Australische marine Geallieerden
Schout-bij-nacht Henry Pridham-Wippell
3 lichte kruisers: HMS Orion, HMAS Sydney en HMS Ajax
2 torpedobootjagers: HMS Nubian en HMS Mohawk.

De Australische lichte kruiser HMAS Sydney

De Australische lichte kruiser HMAS Sydney
Datum 12 november 1940
Locatie Kanaal van Otranto, in de Adriatische Zee
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy
Naval Ensign of Australia.svg Royal Australian Navy Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Regia Marina
Leiders en commandanten
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Henry Pridham-Wippell Flag of Italy (1861-1946).svg Francesco De Angelis
Troepensterkte
3 lichte kruisers
2 torpedobootjagers 1 torpedoboot
1 hulpkruiser
4 koopvaardijschepen
Verliezen
Geen 4 koopvaardijschepen gezonken
1 torpedoboot beschadigd
36 doden en 42 gewonden

Slag bij Punta Stilo

De slag bij Punta Stilo was een zeeslag tijdens de Slag om de Middellandse Zee in de Tweede Wereldoorlog. Het werd uitgevochten tussen oorlogsschepen van de Italiaanse Regia Marina enerzijds en de Britse Royal Navy en Australische Royal Australian Navy anderzijds. De slag vond op 9 juli 1940 op 48 kilometer ten zuidoosten van Punta Stilo, de Ďteení van ItaliŽ (CalabriŽ), plaats. Het was een van de weinig volledig uitgevochten slagen in de Middellandse Zee tijdens de Tweede Wereldoorlog waarbij grote aantallen schepen aan beide kanten bij betrokken waren. Beide partijen beweerden de overwinning te hebben gehaald, maar in feite was de slag onbeslist gebleven en iedereen keerde zo snel mogelijk weer terug naar hun bases. Na de slag beweerden de geallieerden dat ze een soort van Ďmoreel gezagí over de Italiaanse vloot hadden; de Italiaanse propaganda integendeel verdraaide de werkelijkheid naar een overwinning voor ItaliŽ.
Achtergrond
Toen ItaliŽ de Tweede Wereldoorlog inging waren de Italiaanse troepen in LibiŽ slecht uitgerust voor offensieve operaties enŪ de Italiaanse vloot werd gedwongen om via grote bevoorradingskonvooien het leger aldaar op noemenswaardige sterkte te brengen en de troepen slagvaardiger te maken.
Op 6 juli 1940 verliet een konvooi van vier koopvaardijschepen de haven van Napels met als bestemming Benghazi, terwijl ze probeerden de geallieerden op een dwaalspoor te zetten door ze te laten denken dat ze onderweg waren naar Tripoli. Die avond troffen twee torpedoboten vanuit Catania en een ander vrachtschip elkaar bij Messina en de volgende dag voegde deze escorte zich bij het konvooi vanuit Tarente nadat ze waren geÔnformeerd dat geallieerde schepen kort geleden de haven van AlexandriŽ hadden verlaten. De schepen vervoerden 2190 militairen, 72 tanks van het type Fiat M11/39, 232 voertuigen, 10445 ton aan voorraden en 5720 ton brandstof. De escorte van het konvooi bestond uit drie groepen; acht torpedobootjagers en vier torpedoboten beschermden de vrachtschepen rechtstreeks, terwijl een tweede groep 56 kilometer ten oosten daarvan voer en uit zes zware kruisers en vier torpedobootjagers bestond. De belangrijkste gevechtsgroep omvatte twee slagschepen (de Giulio Cesare en de Conte di Cavour), acht lichte kruisers en zestien torpedobootjagers. Een essentieel aantal Italiaanse torpedobootjagers nam geen deel aan de slag dankzij technische problemen en brandstoftekort.
Intussen waren de geallieerden betrokken bij eenzelfde soort actie met konvooien. De vloot voer van AlexandriŽ in de richting van Malta waar de torpedobootjagers voorraden en een beperkt aantal gespecialiseerde versterkingen zouden afleveren. Twee konvooien waren ingericht om scheepsgoederen en burgers van Malta weer naar AlexandriŽ mee te nemen. Twee groepen vrachtschepen voeren met verschillende snelheden, een met dertien en de ander met negen knopen. Ze werden beschermd door drie groepen schepen, te weten Groep A (Force A) met vijf kruisers en een torpedobootjager en Groep B (Force B) met het slagschip HMS Warspite en vijf torpedobootjagers. Ten slotte omvatte de belangrijkste gevechtsgroep, Groep C (Force C), de slagschepen HMS Royal Sovereign en HMS Malaya, het vliegdekschip HMS Eagle en elf torpedobootjagers. Een van hen, de HMS Imperial, moest in de vroege uuurtjes van 8 juli met een gebarsten schoorsteen terugvaren naar AlexandriŽ.
Op 8 juli om 14:40 ís middags kregen twee Italiaanse vliegtuigen van het type CANT Z.506 die vanuit Tobruk waren opgestegen de Britse vloot in het vizier en schaduwde het bijna vier uur lang. Admiraal Inigo Campioni beval zijn vloot om het konvooi te verdedigen door oostwaarts te varen en zich klaar te maken voor een gevecht. Het Italiaanse opperbevel (Comando Supremo) was echter sceptisch om haar oorlogsschepen in een nachtelijk treffen met de vijand te riskeren en ze zonden een bericht naar de vloot om elk contact te vermijden. Tijdens deze beginpositionering ondergingen de Italianen technische problemen op drie torpedobootjagers en twee lichte kruisers, waarop deze schepen, tezamen met enkele extra torpedobootjagers, naar SiciliŽ werden gestuurd voor reparatie en om bij te tanken. Om deze Ďverliezení goed te maken werd een groep schepen, bestaande uit torpedobootjagers, ingeroepen vanuit Tarente. Op dit moment had de Italiaanse vloot zestien torpedobootjagers.
Intussen hadden de geallieerden zo hun problemen. Van 10:00 tot 18:40 hadden 72 bommenwerpers van de Italiaanse luchtmacht (Regia Aeronautica) hun vloot aangevallen en de brug van de HMS Gloucester geraakt, waarbij de kapitein, zes officieren en elf matrozen werden gedood. Daarnaast raakten drie officieren en zes matrozen gewond. Het voorwaartse vuringsmechanisme en de besturingsinrichting werden vernietigd en de rest van de slag zou het schip verder worden aangevoerd vanaf het noodstation.
Anders dan de duikbommenwerpers waar de Duitsers veelvuldig gebruik van maakten opereerden Italiaanse bommenwerpers in formaties op grote hoogte tijdens de eerste stadia van de oorlog. De Italiaanse toestellen lieten allemaal tegelijk hun bommen van meer dan 3500 meter vallen. Bij Punta Stilo voerden de Italianen de laatste test uit om de vooroorlogse beweringen te bewijzen dat massale inzet van vliegtuigen in staat was om elk modern oorlogsschip te doen zinken. Dit bleek echter veel moeilijker bij snelbewegende schepen dan verwacht. Daarnaast wachtte het schip van de kapitein, de HMS Gloucester, tot de vijandelijke toestellen hun bommen hadden laten vallen, waarop hij allerlei ontwijkende manoeuvres uitvoerde. Terwijl de Italianen honderden bommen lieten vallen, liet de enige treffer op de Gloucester het resultaat van de luchtaanvallen zien.
Op 8 juli, om 15:10, voer Cunninghams vloot naar Tarente om de terugkerende Italiaanse schepen de pas af te snijden. Toen het begon te schemeren veranderde Cunningham van koers van 3100 naar 2600 en hij vertraagde de snelheid van de vloot. In de vroege uren van 9 juli namen Cunninghams schepen een koers van 3050 om Italiaanse verkenningsvliegtuigen te ontwijken, terwijl ze tussen de Italiaanse vloot en de Golf van Tarente bleven. Om 12:30 was het Italiaanse opperbevel totaal niet ingelicht over de situatie van de Britse vloot. Campioni beval zijn vloot tegen 14:00 om 96 kilometer ten zuidoosten van Kaap Spartivento op zoek te gaan naar de vijand. Campioni ontving om 13:30 eenmalig verslagen van de posities van de Britse schepen en de Italiaanse kruisers lanceerden kort daarna zes watervliegtuigen van het type Ro.43, die de Britse oorlogsschepen 48 kilometer dichterbij vonden dan werd verondersteld.
Kruiser tegen kruiser
In de middag van 9 juli waren de twee vloten 144 kilometer van elkaar verwijderd. Vice-admiraal Cunningham kon deze afstand niet overbruggen door met de aanzienlijk tragere Royal Sovereign en Malaya (respectievelijk 18 en 28 knopen) en hij zette enkel de Warspite in. Intussen lanceerde de Eagle om 13:15 Fairey Swordfish-torpedobommenwerpers die enkele aanvallen deden op de Italiaanse zware kruisers, die ze voor slagschepen aanzagen. Om 13:10 had het Italiaanse opperbevel Campioni opgedragen om zich op een van de twee vijandelijke strijdkrachten te richten, maar in feite hadden ze het zo gepland dat eventuele gevechten dicht bij ItaliŽ zouden plaatsvinden en met opzet gingen ze noordwaarts, zodat de geallieerden dichter bij hun vliegbases zouden komen. Om 14:00 was Cunninghams plan om de Italiaanse vloot van Tarente af te snijden gelukt.
De geallieerde kruisergroep werd tegenover de Warspite uitgespreid en om 15:15 kregen ze de Italiaanse belangrijkste gevechtsgroep in het oog en de twee Britse strijdmachten openden het vuur vanaf 21.500 meter. De Italiaanse schepen hadden een groter bereik dan die van de geallieerden en binnen drie minuten hadden ze de juiste afstand gevonden, ook al vuurden ze met het maximale bereik. Hoewel het geallieerde bereik niet zo goed was en ze problemen hadden met granaten die al na korte tijd in het water vielen waren hun kanonnen nauwkeuriger en ze waren in staat om de granaten erg dicht bij hun doel te brengen. Doorgaans was de ballistiek van de twee strijdmachten vrij goed gematched. Na slechts een paar minuten was de schootsafstand minder dan 20.000 meter en de geallieerde kanonnen konden optimaal worden benut. Tegen 15:22 kwam het Italiaanse vuur echter gevaarlijk dicht bij de geallieerde kruisers en vice-admiraal John Tovey beval dat ze uit elkaar moesten gaan. Op dit moment raakte een 152-mm granaat van de kruiser Giuseppe Garibaldi de HMS Neptune, waarbij haar katapult en de verkenningsvliegtuigen werden beschadigd. De kruisers bleven doorschieten en tegen 15:30 stopten ze.
 

Schade aan de Giulio Cesare na de slag

Schade aan de Giulio Cesare na de slag
Datum 9 juli 1940
Locatie Middellandse Zee, ten zuidoosten van Calabria
Resultaat Onbeslist
Strijdende partijen
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy
Naval Ensign of Australia.svg Royal Australian Navy Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Regia Marina
Leiders en commandanten
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Andrew Cunningham Flag of Italy (1861-1946).svg Inigo Campioni
Troepensterkte
1 vliegdekschip
3 slagschepen
5 lichte kruisers
16 torpedobootjagers 2 slagschepen
6 zware kruisers
8 lichte kruisers
16 torpedobootjagers
Verliezen
1 lichte kruiser beschadigd
2 torpedobootjagers beschadigd 1 slagschip beschadigd
1 zware kruiser beschadigd
1 torpedobootjager beschadigd

Slagschip tegen slagschip
Een groep van Italiaanse lichte kruisers, verward met de allernieuwste Zara-klasse van zware kruisers, was aan de geallieerde kant van de slaglinie en hij was al snel binnen het bereik van de aanvallende Warspite. Opnieuw misten de granaten van geallieerde kant doel en geen enkel van de doelen, de Alberico da Barbiano en de Alberto di Giussano, ondervond ook maar enige schade door de beginsalvoís. Tegen die tijd was de Warspite echter ook uit positie, en ze voer rondjes zodat de Malaya haar kon inhalen. Ondertussen voer de Royal Sovereign nog altijd achter haar.
De Italiaanse bevelhebber Campioni besloot om het vuur op de Warspite te concentreren en hij begon zijn schepen naar hun posities te varen. Om 15:52 opende de Giulio Cesare het vuur op een afstand van 26.400 meter. De Conte di Cavour vuurde echter niet. De Italiaanse strategie hield in dat ze telkens het vuur op ťťn schip richtten, aangezien de Slag bij Jutland aantoonde dat als twee schepen op hetzelfde vijandelijke schip schoten er gemakkelijk verwarring kon ontstaan over welk schot van wie was. De Conte di Cavour was verantwoordelijk voor de Royal Sovereign en de Malaya, die verder waren verwijderd dan de Warspite en het gevecht niet aangingen.
De Warspite, die zich niet bewust was van de Italiaanse vuringspatronen, verdeelde haar kanons tussen de twee schepen. Terwijl het schip hiermee bezig was sloegen enkele granaten van de Giulio Cesare bij twee escorterende torpedobootjagers van de Warspite, de HMS Hereward (H93) en de HMS Decoy, in en veroorzaakten zware schade. Om 15:54 begon de Malaya, hoewel ze ver buiten bereik was, te schieten om verwarring bij de Italianen te veroorzaken. Intussen kwamen de Italiaanse zware kruisers in actie en openden om 15:55 het vuur op de Warspite, maar ze moesten afbreken toen de geallieerde kruisers terugkwamen.
Om 15:59 kwamen twee granaten van de Giulio Cesare gevaarlijk dicht in de buurt van de Warspite. Bijna direct hierna sloeg een 15-inch (381-mm) granaat van de Warspite in op het achterdek van de Giulio Cesare, waarbij de munitie voor een van haar 37-mm luchtafweerkanonnen werd vernield. Twee zeelieden werden gedood en verschillende mensen raakten gewond. De rook van de brandende munitie dreef al gauw de machinekamer in, die moest worden geŽvacueerd en de helft van de stoomketels werd uitgezet. De vaarsnelheid van de Giulio Cesare verminderde al gauw tot 18 knopen en de Conte di Cavour haalde haar in. De Giulio Cesare en de Warspite waren nog maar 24.000 meter van elkaar verwijderd toen de granaat insloeg, die een van de grootste afstanden in de maritieme geschiedenis had overbrugd.
De Warspite was nu in een uitstekende positie om harde klappen aan de Giulio Cesare uit te kunnen delen, maar opnieuw wachtte ze totdat de Malaya haar had ingehaald. De geallieerden kwamen er op dit moment achter dat de Italianen hun vuur voornamelijk op de Warspite hadden gericht.
Om 16:01 trokken de Italiaanse torpedobootjagers een rookgordijn op en de slagschepen waren nu onder dekking. Vandaag de dag is er nog altijd discussie over de geallieerde positie toen de slagschepen het slagveld verlieten en of de Italianen misschien een torpedoaanval met hun torpedobootjagers probeerden voor te bereiden.
Laatste gevechten
Om 15:58 heropende de Fiume het vuur op haar onderdeel in de geallieerde linie, de HMS Liverpool, en twee groepen Italiaanse kruisers waren al gauw in gevecht met de belangrijkste geallieerde gevechtsgroep die uit kruisers bestond. Men ging door met vuren toen de beide strijdmachten probeerden in formatie te komen en op 16:07 werd de Italiaanse kruiser Bolzano drie keer geraakt, waarvan het roer tijdelijk werd geblokkeerd en hierdoor twee fataliteiten ondervond. Een schot op de Italiaanse torpedobootjager Vittorio Alfieri veroorzaakte slechts lichte schade.
Ondertussen konden de mecaniciens op de Giulio Cesare twee van de vier beschadigde stoomketels repareren, zodat het slagschip haar snelheid naar 22 knopen kon opvoeren. Admiraal Campioni, die van zijn overgebleven slagschip de Conte di Cavour de kansen en mogelijkheden naging voor een gevecht tegen drie vijandelijke slagschepen en een vliegdekschip, besloot om zijn slagschepen de aftocht naar Messina te blazen. De Giulio Cesare was voor dertig dagen buiten gevecht gesteld.
Gedurende het volgende uur probeerden beide vloten om torpedoaanvallen met hun torpedobootjagers uit te voeren, echter zonder succes. Om 16:40 viel de Italiaanse luchtmacht met 126 toestellen aan en werd er schade op de Eagle, de Warspite en de Malaya gemeld; door een miscommunicatie vielen 50 vliegtuigen de Italiaanse schepen aan, zonder schade. De slag eindigde om 16:50 toen beide partijen zich terugtrokken.
Het laatste slachtoffer was de torpedobootjager Leone Pancaldo, die onderweg was naar Augusta op SiciliŽ en die de volgende dag om 09:40 door een torpedo van een Swordfish-vliegtuig in ondiep water tot zinken werd gebracht.
Afloop
Na de slag keerden beide vloten huiswaarts. De Italiaanse propaganda beweerde dat de Italianen hadden gewonnen, aangezien hun vrachtschepen het gevecht hadden ontlopen en ongedeerd in LibiŽ waren aangekomen. Intussen bereikten ook de geallieerde schepen met hun escorte plaats van bestemming, AlexandriŽ. De geallieerde ballistiek toonde echter aan dat ze beter was dan de Italiaanse, aangezien veel salvoís van hun schepen vanwege technische redenen verkeerd neerkwamen. Hoewel de slag onbeslist was, beweerden geallieerde bronnen dat de Royal Navy een morele overwinning over haar Italiaanse equivalent had behaald.
De vraag ontstaat nu waarom de Italianen hun twee overgebleven slagschepen, de Littorio en de Vittorio Veneto, die in de haven van Tarente voor anker lagen, niet naar de Italiaanse vloot hadden gestuurd, aangezien die bijna gevechtsklaar en relatief dicht bij het slagveld waren. Beide slagschepen moesten nog hun beproeving ondergaan en de Littorio ondervond een elektrisch probleem aan een van haar hoofdkanons. De Littorio en de Vittorio Veneto zouden de totale vuurkracht in het voordeel van de Italianen hebben beslist.
Zelfs zonder deze schepen waren de vloten vrij gelijk. Het Italiaanse luchtoverwicht door de naburige vliegbases van de Regia Aeronautica was nutteloos. In feite speelde ze geen enkele rol van betekenis, de schade op de HMS Gloucester daar gelaten.
Slagorde
Geallieerden

Groep A werd gevormd door het 7th Cruiser Squadron en de HMAS Stuart onder admiraal John Tovey; Groep B met als bevelhebber vice-admiraal Andrew Cunningham die de opperbevelhebber van de Middellandse Zeevloot was en Groep C onder het commando van vice-admiraal Henry Pridham-Wippel.
3 slagschepen: HMS Warspite, HMS Malaya en HMS Royal Sovereign
5 lichte kruisers: HMS Orion, HMS Neptune (beschadigd), HMAS Sydney, HMS Gloucester (beschadigd) en HMS Liverpool
1 vliegdekschip: HMS Eagle
16 torpedobootjagers: HMS Nubian, HMS Mohawk, HMS Hero, HMS Hereward (H93) (beschadigd), HMS Decoy (beschadigd), HMAS Stuart, HMS Hyperion, HMS Hostile, HMS Hasty, HMS Ilex, HMS Dainty, HMS Defender, HMS Juno, HMS Janus, HMAS Vampire en HMAS Voyager.
De torpedobootjager HMS Escort werd in de westelijke Middellandse Zee, waar Groep H een schijnaanvaal deed op SardiniŽ om de Italiaanse vloot af te leiden van de geallieerde konvooien tussen Malta en AlexandriŽ, op 11 juli getorpedeerd door de Italiaanse onderzeeboot Marconi.
Regia Marina
De Italiaanse vloot stond onder bevel van vice-admiraal Inigo Campioni.
2 slagschepen: Conte di Cavour en Giulio Cesare (beschadigd)
6 zware kruisers: Zara, Fiume, Gorizia, Pola, Bolzano (beschadigd), en Trento
8 lichte kruisers: Eugenio di Savoia, Duca d'Aosta, Muzio Attendolo, Raimondo Montecuccoli, Alberico da Barbiano, Alberto di Giussano, Duca degli Abruzzi, en Giuseppe Garibaldi
Ī 16 torpedobootjagers, waaronder Vittorio Alfieri, Artigliere, Lanciere, Leone Pancaldo, Dardo, Sestri Ponente, Freccia, Saetta en Strale.

2-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog

1---2---3