Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

2-Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland

1--2


Risiera di San Sabba

Risiera di San Sabba was een concentratiekamp in het Italiaanse Triëst. Vaak wordt het kamp foutief aangeduid als een vernietigingskamp, omdat het de beschikking had over een crematorium.

Vanaf 1936 valt een enorme toename van het antisemitisme en de vervolging van politieke tegenstanders en Slovenen in de stad waar te nemen. De in Triëst geboren Odilo Globocnik, actief in de Operatie Reinhard, werd in 1943 van Lublin overgeplaatst naar Triëst. Hij kwam in september 1943 in de stad aan. Als Höhere SS-führer en Polizeiführer van het Adriatische Küstenland gaf hij leiding aan de SS in de vervolging van Joden, politieke tegenstanders en partizanen in de regio. Hij kon daarbij steunen op ruim negentig voormalige medewerkers uit zijn Operatie Reinhard-tijd in het bezette Polen.

Het concentratiekamp "Risiera di San Sabba", een leegstaande oude rijstpellerij ("risiera" in het Italiaans) aan de rand van Triëst, werd gebruikt als gevangenis en sinds oktober 1943 als interneringskamp (Polizeihaftlager). Erwin Lambert, de bouwer van de crematoria in de tot de Operatie Reinhard behorende vernietigingskampen Bełżec, Sobibór en Treblinka alsook de zes crematoria in de tot de Operatie T4 (Tiergarten 4) behorende euthanasie-inrichtingen (in Brandenburg-Görden, Grafeneck, Hartheim, Sonnenstein an der Pirna, Bernburg en Hadamar). Hij kreeg ook de opdracht voor Risiera di San Saba een oven te bouwen. Deze kwam begin 1944 gereed.

Tussen oktober 1943 en 1945 werden in Risiera di San Sabba ongeveer 25.000 mensen, voornamelijk partizanen, maar ook Joden "verhoord". Tussen 3.000 en 5.000 mensen werden er vermoord, deels door inzet van gaswagens. Tegelijkertijd gold het ook als doorgangskamp naar kampen in Duitsland. De activiteiten werden gestaakt toen in april 1945 de Sloveense en Joegoslavische partizanen Triëst dreigden in te nemen. Onder druk van deze dreiging werden de schoorsteen en ovens op 29 april 1945 opgeblazen.

De inrichting werd in 1965 tot monument verklaard.

Risiera di San Sabba was een concentratiekamp in het Italiaanse Triëst. Vaak wordt het kamp foutief aangeduid als een vernietigingskamp, omdat het de beschikking had over een crematorium.
Adres: Via Giovanni Palatucci, 5, 34148 Trieste TS, Italië
Geopend: 1965
 

Flossenbürg (concentratiekamp)

Concentratiekamp Flossenbürg was een nazi-Duitse gevangenis die in 1938 nabij Flossenbürg, in de regio Oberpfalz (Beieren), gebouwd werd. Vanaf de oprichting werd de gevangenis als een concentratiekamp volgens het Dachau-principe opgezet en diende het vooral voor gevangenen en krijgsgevangenen uit de bezette gebieden in het oosten. De eerste, hoofdzakelijk Duitse, gevangenen bouwden het kamp op. De plaats van het kamp (en van de 100 subkampen) was zo gekozen dat de gevangenen als gratis arbeiders in de plaatselijke granietgroeves en Messerschmitt-fabrieken konden worden gebruikt. Zij werden in zestien grote houten barakken ondergebracht. Het crematorium lag in de vallei achter het kamp en was voor de gevangenen niet onmiddellijk zichtbaar. De subkampen hadden een grootte van zes tot zesduizend gevangenen.
Tegen 1945 bevonden er zich 40.000 gevangenen in het Flossenbürg-complex, waarvan 11.000 vrouwen. Zij werden gebruikt in de steengroeves en in de wapenindustrie. Het relaas over Flossenbürg is net als alle andere concentratiekampen: ondervoeding, ziekte en overwerken waren schering en inslag. Daarbij kwam dan nog de hardheid van de bewakers. Dit samen kostte velen het leven. In 1944 werd Flossenbürg een opleidingskamp voor vrouwelijke bewakers van de Waffen-SS. In het totaal werden 500 vrouwen opgeleid en gebruikt, vooral in de subkampen van Flossenbürg. Enkele voorbeelden van die subkampen waren: Dresden Ilke Werke, Freiberg, Helmbrechts, Holleischen, Leitmeritz, Mehltheur, Neustadt (nabij Coburg), Nürnberg-Siemens, Oederan, en Zwodau.
Er werden tussen april 1944 en april 1945 naar schatting 1.500 doodvonnissen uitgevoerd. Op 9 april 1945 werd hier ook kerkleider, theoloog en verzetsstrijder tegen het nazisme Dietrich Bonhoeffer opgehangen. Voor al deze executies werden zes nieuwe galgen geplaatst. In de laatste maanden waren er zelfs meer doodvonnissen dan het crematorium aankon. Daarom liet de SS de lijken op hopen opstapelen en daarna verbranden. Niet alleen de doodvonnissen lagen aan de bron van de extra lijkverbrandingen. Ook de ondervoeding, het werkritme en de ziektes eisten steeds vaker hun tol. Wie tewerkgesteld werd in de steengroeve, had gemiddeld nog drie maanden te leven. Vanaf eind 1944 overleefden 1 op de 3 gevangenen hun tewerkstelling in de steengroeven en in de bosbouw niet.
Net voor de bevrijding van het concentratiekamp werden de gevangenen gedwongen te voet naar andere nog niet bevrijde concentratiekampen te marcheren. De uiteindelijke bedoeling van die marsen was de volledige liquidatie van de overlevenden. Op die manier zouden alle sporen uitgewist worden. Dergelijke marsen kregen de toepasselijke naam dodenmarsen.
Tijdens het bestaan van het concentratiekamp werden er meer dan 97.000 mensen op inhumane wijze gevangenengezet.

Afbeeldingsresultaat voor Flossenbürg (concentratiekamp)

Concentratiekamp Flossenbürg was een nazi-Duitse gevangenis die in 1938 nabij Flossenbürg, in de regio Oberpfalz, gebouwd werd. Wikipedia Nazi-Duitsland

Breitenau (concentratiekamp)


In 1874 werd in het klooster een opvoedingsinstituut voor bedelaars, landlopers, prostituees en verwaarloosde jongeren opgericht. Na de machtsovername door de nazi’s werd het kamp voornamelijk gebruikt om politieke tegenstanders uit Duitsland op te sluiten, te straffen en door intimidatie rijp te maken voor een nieuw leven buiten het kamp. In de loop van 1933 werd het kamp uitgebreid met een concentratiekamp. Het kamp werd onder de lokale bevolking als volgt onder de aandacht gebracht:
"Selbstverständlich sollen die Konzentrationslager keine Dauereinrichtung sein. Sie haben lediglich den Zweck, die unsauberen Elemente unschädlich zu machen und sie gegebenenfalls, das muss angestrebt werden, zu Staatsbürgern zu machen, die sich in die neue Form der Volksgemeinschaft willig einreihen."[bron?]
In september 1933 werden er ook daklozen gedetineerd, die waren opgepakt tijdens een razzia in de Bedelaarsweek (tussen 18 en 25 september 1933). In de loop van 1934 sloot het regime het kamp.
Periode 1940-1945
In 1940 werd het kamp weer geopend als een Abeitserziehungslager ten dienste van de Gestapo in Kassel. Werd het kamp in de eerste periode alleen gebruikt voor Duitse gevangenen, nu werden er ook buitenlanders geïnterneerd, die geweigerd hadden te werken voor het Reich of de regels van de Nationaal-Socialisten hadden geschonden. Door een streng regime moest bereidwilligheid tot werken gekweekt worden. Gevangenen bleven niet lang in het kamp (naar verluidt gemiddeld 56 dagen), zodat ze sneller inzetbaar waren. In deze periode zaten zo’n 6500 buitenlandse en 2000 Duitse gevangenen vast in het kamp, waarvan er 1800 gedeporteerd werden naar andere concentratiekampen.
Gedurende deze periode vonden, als reactie op de wet ter voorkoming van erfelijk belaste nakomelingen, in het kamp testen plaats om te bepalen of er zich personen in het kamp bevonden, die genetisch, erfelijk belast waren met bepaalde ziektes. Een grote groep werd slachtoffer van deze wet en werd in het kader van de Aktion T4 naar een "euthanasie"-centrum gestuurd. Anderen werden verplicht gesteriliseerd.
Het kamp werd kort voor de aankomst van de Amerikaanse troepen in 1945 gesloten.
Gedenkplaats

Sinds 1984 wordt in een van de gebouwen van het klooster een permanente tentoonstelling gehouden ter herinnering aan de naziperiode. Dit initiatief is opgezet door de Universiteit van Kassel. Via de beschikbare documenten wordt een poging gedaan inzicht te geven in de wijze waarop de vervolging door de Gestapo plaatsvond.

Voormalige kloostergebouw

Voormalige kloostergebouw

Ingebruikname 1933
Gesloten 1945
Locatie Guxhagen
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland
Coördinaten 51° 12′ NB, 9° 29′ OL
Beheerder SS
Gevangenen 8500

Langenstein Zwieberge

Kamp Langenstein Zwieberge was een concentratiekamp van de nazi's dat in 1944 werd opgestart vlak bij het dorp Langenstein (in Saksen-Anhalt), ten noorden van het Harz-gebergte.
Geschiedenis
Het werkkamp had de codenaam Malachit. Dit sub-kamp van Buchenwald was opgericht om goedkope arbeidskrachten onderdak te bieden. De gevangenen werden ingezet bij de fabricage van vliegtuigen. De onderaardse fabrieken stonden in de buurt van Thekenbergen bij Halberstadt. Het bedrijf was ontstaan door een samenwerkingsverband tussen de Hermann Göring Reichswerke (Salzgitter) en de Junkers Flugzeugwerke (Dessau). Het bedrijf had de naam Malachit AG. In de officiële Duitse lijst van concentratiekampen staat Langenstein Zwieberge vermeld onder nummer 811 en het gedeelte Halberstadt-Zwieberge onder nummer 542.
Omstandigheden

Het kamp was berekend op tweeduizend gevangenen. Gemiddeld waren er echter vijfduizend gevangenen aanwezig. Hierdoor was de situatie voor de gevangenen zeer slecht. Op het (geschatte) totaal van vijfduizend gevangenen in Langenstein Zwieberge zijn er ongeveer drieduizend gevangenen, mede door de slechte hygiëne en 'verzorging', omgekomen. Kort voor de bevrijding, in april 1945, werden drieduizend gevangenen geëvacueerd naar andere kampen. Gedurende deze onmenselijke voetreis van ongeveer 330 kilometer (de dodenmars), zijn de meeste gevangenen omgekomen. Wie namelijk het tempo van de colonne niet kon bijhouden werd doodgeschoten.
Na de oorlog

Van het concentratiekamp is niet veel over, slechts een paar gebouwen in de bossen zijn bewaard gebleven. Ter herinnering aan de slachtoffers is er een monument geplaatst. Ook zijn er honderden paaltjes met lintjes geplaatst. Tegenwoordig is het voormalig concentratiekamp te bezichtigen.

Afbeeldingsresultaat voor Langenstein Zwieberge

ngebruikname 7 oktober 1944
Gesloten 29 januari 1945
Locatie Langenstein
Verantwoordelijk land nazi-Duitsland
Coördinaten 51° 51′ NB, 11° 6′ OL
Beheerder SS
Gevangenen ca 5.000

Kaiserwald

Kaiserwald was een naziconcentratiekamp in Letland nabij een dorpje net buiten Riga.

Kaiserwald werd in maart 1943 gebouwd, tijdens de bezetting van de Baltische staten door nazi-Duitsland. De eerste gevangenen van het kamp waren enkele honderden veroordeelden uit Duitsland.

Na de uitroeiing van de getto's van Riga, Liepaja en Dvinsk in juni 1943 werden al de overgebleven Joden uit Letland, samen met de overlevenden uit het Vilnius-getto, gedeporteerd naar Kaiserwald.

In het voorjaar van 1944 kwamen een aantal kleine kampen rondom Riga onder de jurisdictie van het Kaiserwald concentratiekamp te liggen. In datzelfde jaar bezetten de Duitsers Hongarije en voeren van daaruit 400.000 Hongaarse Joden naar Kaiserwald, samen met Joden uit Łódź (Polen). Tegen maart 1944 bevonden er zich 11.878 gevangenen in het hoofdkamp en zijn omliggende subkampjes. 6182 daarvan waren mannen, 5696 vrouwen en slechts 95 mensen waren niet-Joden.

Kaiserwald was geen vernietigingskamp (zoals Auschwitz of Treblinka) en de gevangenen werden aan het werk gezet in de grote Duitse bedrijven. Vooral Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft (AEG) was actief in Kaiserwald en gebruikte een groot aantal vrouwelijke gevangenen als slaven voor de productie van elektrische voorwerpen.

Eind 1944, terwijl het Rode Leger westwaarts optrok, vielen de Russen de Baltische staten binnen. De Duitsers evacueerden daarom de gevangenen van Kaiserwald naar Stutthof in Polen. De gevangenen waarvan men dacht dat ze de reis niet zouden overleven werden neergeschoten.
Alle Joden uit Kaiserwald die ooit waren veroordeeld voor eender welke misdaad (het maakte niet uit hoe klein die was) werden juist voor de evacuatie doodgeschoten. Alle Joden onder de 18 en boven de 30 jaar ondergingen hetzelfde lot. Tegen september 1944 waren al de gevangenen van Kaiserwald naar Stutthof overgeplaatst.
Het Rode leger bevrijdde het kamp op 13 oktober 1944.

Concentratiekampen in Reichskommissariat Ostland

Kaiserwald was een naziconcentratiekamp in Letland nabij een dorpje net buiten Riga. Kaiserwald werd in maart 1943 gebouwd, tijdens de bezetting van de Baltische staten door nazi-Duitsland. De eerste gevangenen van het kamp waren enkele honderden veroordeelden uit Duitsland.
Bevrijding: 13 oktober 1944

 

Mittelbau-Dora

Mittelbau-Dora, soms ook wel het concentratiekamp Mittelbau genoemd, was een naziconcentratiekamp dat in augustus 1943 in gebruik werd genomen nabij Nordhausen, ten zuiden van het Harz-gebergte. Aanvankelijk was Lager Dora een Außenlager van Buchenwald, maar in de zomer van 1944 werd Mittelbau-Dora een onafhankelijk concentratiekamp met circa veertig Außenlager. Doel van het kamp was om de Duitse oorlogsindustrie te ondersteunen door gevangenen als arbeidskrachten in te zetten bij de productie van V1's en V2's.
De aanleiding voor de bouw van dit concentratiekamp, was het bombardement op Peenemünde in de nacht van 17 op 18 augustus 1943, waarbij het proefstation voor de ontwikkeling van raketwapens werd getroffen. Hierop werd besloten de productie van raketten te verplaatsen naar ondergrondse fabrieken. In de berg Kohnstein nabij Nordhausen was door de ontginning van anhydrietgesteente al een uitgebreid gangensysteem ontstaan. Concentratiekampgevangenen moesten de mijngangen vergroten en verbouwen tot een rakettenfabriek, het zogenaamde "Mittelwerk" dat onder leiding stond van Arthur Rudolph.
Vanaf januari 1944 werden in dit bedrijf, waarvan het Rijk eigenaar was, de door Joseph Goebbels aangekondigde vergeldingswapens (V-wapens) gemaakt.
Toen in 1943 de nederlaag van het Duitse Rijk zich steeds duidelijker begon af te tekenen, werkten het ministerie van bewapening en de SS nauw samen om alle beschikbare arbeidskrachten voor de totale oorlog te mobiliseren. Daaronder vielen ook concentratiekampgevangenen en dwangarbeiders.
Om de bouwwerkzaamheden te kunnen uitvoeren deporteerde de SS mensen uit talrijke landen die door de Duitsers bezet waren. Deze dwangarbeiders werden, dag en nacht, in de mijngangen opgesloten.
Velen van hen stierven al na een paar weken vanwege de verschrikkelijke werk- en leefomstandigheden. In het voorjaar van 1944 werd een bovengronds barakkenkamp gebouwd.
De gevangenen van het kamp waren vooral mannen, maar er bestond ook een kleine groep gevangen vrouwen in het kamp Mittelbau-Dora en in het subkamp Gross Werther. Er is slechts één vrouwelijke bewaker bekend die in Mittelbau-Dora heeft gewerkt: Lagerführerin (kampbevelhebster) Erna Petermann. Haar gedrag jegens de vrouwelijke gevangenen was zeer wreed; ze behandelde de vrouwen net zoals de mannelijke gevangenen werden behandeld.
Op het (geschatte) totaal van 60.000 gevangenen in Mittelbau-Dora werden er 12.000 doden geteld door de nazi's, maar het werkelijke aantal slachtoffers wordt op ten minste 20.000 geschat.Daarbij worden ook de luchtaanvallen en de dodenmarsen bij de evacuatie van het kamp in 1945 geteld.

 

Afbeeldingsresultaat voor Mittelbau-Dora

Mittelbau-Dora, soms ook wel het concentratiekamp Mittelbau genoemd, was een naziconcentratiekamp dat in augustus 1943 in gebruik werd genomen nabij Nordhausen, ten zuiden van het Harz-gebergte.
Bevrijding: 11 april 1945
Gevangenen: 60.000
Exploitant: Schutzstaffel
Locatie: Nordhausen

Concentratie- en vernietigingskamp Janovska

Janovska was tussen 1941 en 1944 een Duits werk-, concentratie- en vernietigingskamp nabij de (destijds Poolse) stad Lwów. Tegenwoordig ligt deze stad in Oekraïne.
Het kamp

Naast het getto van Lwów richtten de nazi's in het najaar van 1941 ook een werk- en concentratiekamp op. De joden uit het getto die daartoe in staat waren, moesten hier werken in de metaal- en houtverwerking. Er werden onder meer treinrails gemaakt. Het kamp was ook een doorgangskamp voor joden die op transport gingen naar de vernietigingskampen. Als personen niet fit genoeg waren om te werken, moesten ze naar Bełżec of werden ze geëxecuteerd bij het Piaskiravijn.
De evacuatie van het kamp begon in november 1943. De laatste overlevenden van het kamp moesten, in het kader van Sonderaktion 1005, de massagraven heropenen om de lijken te verbranden; een poging van de nazi's om bewijsmateriaal te vernietigen. Op 19 november was er een opstand en massale vluchtpoging onder de gevangenen, maar slechts enkelen wisten aan de SS te ontsnappen. In die periode werden 6000 joden geëxecuteerd.
In augustus 1944 werd het kamp door Russische militairen bevrijd.
Overlevenden
Er werden 200.000 joden in Janovska tewerkgesteld. Slechts 300 overleefden het kamp, onder wie:
Alexander Schwarz uit Lemberg
William Ungar
Simon Wiesenthal

'Deelnemers' aan Sonderaktion 1005 poseren bij een machine om botten fijn te malen

'Deelnemers' aan Sonderaktion 1005 poseren bij een machine om botten fijn te malen

Janovska was tussen 1941 en 1944 een Duits werk-, concentratie- en vernietigingskamp nabij de stad Lwów. Tegenwoordig ligt deze stad in Oekraïne.
Verantwoordelijk land: Nazi-Duitsland
Exploitant: Schutzstaffel

Stutthof

Stutthof was een concentratiekamp, waarvan de resten sinds de aanpassingen van de Poolse landgrenzen na de Tweede Wereldoorlog in Polen liggen. Het kamp werd gebouwd toen het gebied nog deel uitmaakte van de vrije stad Danzig. Het lag 34 kilometer buiten de stad Danzig, bij het dorp Stutthof (tegenwoordig Sztutowo). Stutthof was het eerste concentratiekamp dat door de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog buiten het vooroorlogs Duitsland in gebruik werd genomen, namelijk op 2 september 1939, daags na de inval in Polen. Op 9 mei 1945 werd het (als laatste concentratiekamp) bevrijd.
Gebruik

Al in 1936 verzamelden in Danzig gestationeerde nazi's informatie over de Joden in het gebied, en werd gezocht naar een geschikte locatie voor een concentratiekamp. De eerste gevangenen waren honderdvijftig Joden uit Danzig zelf, maar binnen twee weken steeg het aantal gevangenen naar zesduizend. In 1942 arriveerden de eerste vrouwelijke gevangenen en SS'ers. In totaal werkten er ongeveer honderddertig vrouwen in het Stutthof-complex, dat verspreid was over de Poolse kust aan de Oostzee. Tegen het eind van de oorlog werden ook Poolse niet-SS'ers gerekruteerd als gevolg van een tekort aan bewakers.
Het kamp besloeg in 1942 120 hectare, met dertig barakken voor de gevangenen. Tot 1943 was Stutthof geen vernietigingskamp, maar een crematorium. Gaskamers werden in 1943 gebouwd. In juni 1944 werd Stutthof toegevoegd aan de lijst van vernietigingskampen van de Endlösung.[bron?] Per keer konden in de gaskamer honderdvijftig mensen van het leven worden beroofd, maar vaak werden gevangenen ook vergast met uitlaatgassen in gaswagens.
Van september 1939 tot mei 1945 zaten in totaal ongeveer 110.000[2] mensen vast in het kamp. Tussen de 60.000[3] en 85.000[4] van hen werden om het leven gebracht, terwijl 22.500 personen naar andere kampen werden overgebracht toen de geallieerden Stutthof naderden.
De Litouwse schrijver Balys Sruoga, die ook in het kamp gevangengezeten had, schreef over zijn ervaringen het boek Dievų miskas (Het Bos der Goden).
Stutthof-rechtszaken

Na de oorlog werden in Danzig 101 mensen die in Stutthof hadden gewerkt door de Russen en de Polen berecht. Slechts twee van hen werden onschuldig bevonden.

Stutthof in 2008

Stutthof was een concentratiekamp, waarvan de resten sinds de aanpassingen van de Poolse landgrenzen na de Tweede Wereldoorlog in Polen liggen. Het kamp werd gebouwd toen het gebied nog deel uitmaakte van de vrije stad Danzig. Het lag 34 kilometer buiten de stad Danzig, bij het dorp Stutthof.
Bevrijding: 9 mei 1945
Gevangenen: 110.000
Dodental: 60.000 - 85.000
Exploitant: Nazi-Duitsland

Groß-Rosen

Het in Neder-Silezië gesitueerde Groß-Rosen was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Duits concentratiekamp. Destijds behoorde het stadje Groß-Rosen tot Duitsland. Sinds 1945 behoort het tot Polen en heet Rogoźnica.
In 1940 fungeerde Groß-Rosen nog als satellietkamp voor de regio Sachsenhausen. Het jaar daarop werd het kamp door de nazi's omgevormd tot concentratiekamp, waar voornamelijk Joden werden vastgehouden. De locatie was door Albert Speer gekozen wegens het ter plaatse voorkomen van graniet dat nodig was voor de bouw van de nieuwe hoofdstad Germania.
Politiek gevangenen

In 1942 werd Groß-Rosen aangewezen als Nacht und Nebel-kamp. Er zijn toen enige tientallen Nederlandse politieke gevangenen, voornamelijk communisten, om het leven gekomen. In 1969 werden in Nederland de 109 Nederlandse overlevenden van de Nacht und Nebel-actie die naar Natzweiler in Frankrijk waren gedeporteerd gedecoreerd met het Borstkruis van de Stichting Vriendenkring van oud-Natzweilers, ook wel "Nacht-und-Nebel-Herdenkingskruis van de Stichting Vriendenkring van oud-Natzweilers 1940-1945-kruis" genoemd. Voor de Nederlandse overlevenden van Groß-Rosen werd geen decoratie ingesteld.
Uithongeren

Bij binnenkomst kregen de Nederlanders te horen dat Groß-Rosen 'neunzig Tage' betekende. Dat is Duits voor 90 dagen. Dit was volgens het SS programma in ieder werkkamp hetzelfde. Daarmee werd bedoeld dat door de SS verwacht werd dat de voor slavenarbeid ingedeelde gevangenen maximaal negentig dagen in leven bleven. In de praktijk stierven de meeste Nederlanders binnen enkele weken, maar een aantal bleef drie tot vier maanden in leven, één zelfs zes maanden.[bron?] In augustus 1942 veranderde het beleid in dat men de gevangenen langer in leven wilde houden om ze als slaven in de oorlogsindustrie te kunnen gebruiken. Degenen die te zwak waren om te werken, maar nog te lang in leven dreigden te blijven, werden met zogenaamde Invalidentransporten naar Dachau afgevoerd, waar de totaal uitgemergelden (40 kg) zowel bij gevangenen als SS-bewaking grote verbijstering wekten. Door deze transporten hebben enkele Nederlanders deze periode in dit kamp overleefd. Vanaf 1943 zijn enige honderden Nederlandse Joden in Groß-Rosen om het leven gekomen. Aan het eind van de oorlog kwamen er gevangenen uit andere geëvacueerde kampen, zoals Joden uit Auschwitz, in Groß-Rosen. Ondanks het korte verblijf was dit voor velen de meest dramatische periode van hun gevangenschap.
Dwangarbeid

De gevangenen in het kamp moesten op diverse manieren dwangarbeid verrichten.
Steengroeve

Groß-Rosen wordt van de grote concentratiekampen wel beschouwd als een van de wreedste kampen, aangezien de kans om het te overleven aanzienlijk lager lag dan in veel andere kampen. Overigens werd in de steengroeve nauw samengewerkt met Duitse burgers. Die burgers konden met eigen ogen de dagelijkse doden ten gevolge van knuppelpartijen en de zeer snelle lichamelijke aftakeling ten gevolge van het hongerdieet waarnemen. Iemand die in de steengroeve te werk werd gesteld leefde niet langer dan vijf weken.
Siemens
In de tweede helft van 1944 verschenen in het kamp werkplaatsen voor het bedrijf Siemens und Halske uit Berlijn. Het kantoor en magazijn van dit bedrijf was in het SS-gedeelte van het kamp. Voor Siemens werkten vlak voor de evacuatie van het kamp 425 gevangenen en zestien burgers.
Blaupunkt

In de werkplaats voor Blaupunkt werden spoelen gewikkeld en gesoldeerd. De arbeiders kregen daarvoor een opleiding van twee weken. Er werkten dertig tot tweehonderd personen.
Weverij
In de weverij werkten de mensen in twee ploegen van elk twaalf uur. Verzwakte gevangenen werden hier te werk gesteld.

Monument voor de slachtoffers van GroÃ?-Rosen. Boven de ingang is de spreuk "Arbeit macht frei" te lezen

Het in Neder-Silezië gesitueerde Groß-Rosen was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Duits concentratiekamp. Destijds behoorde het stadje Groß-Rosen tot Duitsland. Sinds 1945 behoort het tot Polen en heet Rogoźnica. In 1940 fungeerde Groß-Rosen nog als satellietkamp voor de regio Sachsenhausen.
Bevrijding: 14 februari 1945
Gevangenen: 120.000
Verantwoordelijk land: Nazi-Duitsland
Dodental: 40.000

Falstad

Falstad was tijdens de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp van het naziregime in Noorwegen. Het is in Ekne, 70 km ten noordoosten van Trondheim. Het is sinds 1995 een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers die daar gevallen zijn. Bij het monument hoort ook nog een museum en een bos.

Geschiedenis Falstad-gebouw

In 1921 werd het Falstad-gebouw in gebruik genomen als speciale jongensschool. De bouw van het scholencomplex lijkt op de bouw van een gevangenis uit de 18e eeuw.
In de zomer van 1941 toonden de Duitsers interesse voor het gebouw. In de daaropvolgende wintermaanden werd Falstad omgebouwd tot een gevangenis. Hier werden ongeveer 5000 mensen uit dertien verschillende landen opgesloten. De meeste mensen kwamen uit de Sovjet-Unie, Joegoslavië, Polen en Denemarken. Het diende als tussenstation voor concentratiekampen in Duitsland.
Na de Tweede Wereldoorlog werden hier 3000 leden van de Noorse nazipartij, Nasjonal Samling (NS), opgesloten. Het kamp werd in 1949 opgeheven. Het gebouw kreeg weer zijn oorspronkelijke functie terug: een speciale school.
In 1995 kreeg de school een nieuwe functie als museum. Dit stond in het teken van het 50-jarig jubileum van de vrijheid in Noorwegen. Het Falstad-gebouw is het best overgebleven nazikamp in Noorwegen.
Falstad-bos

Het bos dat ongeveer een kilometer ten zuiden ligt van het Falstad-gebouw, fungeerde als de plek van executie voor 220 gevangenen in de periode 1942-1943. Gedurende de jaren 1945-1952 werden 49 graven opgegraven, om de omgekomenen te identificeren. In 1947 werd een monument onthuld voor de slachtoffers door kroonprins Olaf.

Falstad was tijdens de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp van het naziregime in Noorwegen. Het is in Ekne, 70 km ten noordoosten van Trondheim. Het is sinds 1995 een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers die daar gevallen zijn. Bij het monument hoort ook nog een museum en een bos.
Gevangenen: ca. 5.000

Oranienburg (concentratiekamp)

Oranienburg was een naziconcentratiekamp in de gemeente Oranienburg gelegen ongeveer 30 km ten noorden van Berlijn. Het kamp was een van de eerste die werden gebouwd, in 1933, kort na de machtsovername door Adolf Hitler. Dit kamp was echter geen lang leven beschoren en in 1934 werd het alweer gesloten. Deze sluiting kwam er na de machtsovername van de SS op de SA en de daaropvolgende centralisatie van de kampen.In 1936 werd enkele kilometers ten noordoosten het concentratiekamp Sachsenhausen door het naziregime gebouwd.
Geschiedenis

In 1933, meer bepaald op 21 maart, werd een oude brouwerij in Oranienburg door het 208e regiment van de SA omgevormd tot een kamp voor 700 gevangenen en 14 bewakers.Kort daarna werd het kamp officieel erkend door de staat; daarvoor werd het onderhouden door de lokale overheid, daar het kamp midden in de stad gelegen was. De gevangenen die er werden opgesloten waren voornamelijk leden van de KPD (Duitse Communistische Partij).Vanaf juli kwamen daar ook leden van de sociaaldemocratische partij bij, en alle vijandige elementen die samenzwoeren tegen Adolf Hitler, waaronder voormalige partijleden.
In de zomer van 1933 werd het aantal gevangenen verdubbeld naar 1400, terwijl het aantal bewakers (nog steeds leden van de SA) steeg naar 170.Samen met de lokale politie en overheid stonden zij in voor de bewaking van het kamp. Het grootste deel van de gevangenen kwam uit Berlijn en uit het kamp van Potsdam, dat kort tevoren was gesloten.In totaal werden er ongeveer 3000 gevangenen vastgehouden in Oranienburg, waarvan 3 vrouwen. Van die 3000 zijn er 16 vermoord door de bewakers, onder hen bevond zich de schrijver Erich Mühsam.
In de begindagen van het kamp werden de gevangenen gedwongen om te werken aan de barakken van het kamp, om meer gevangenen aan te kunnen.Later werden zij ingezet bij het bouwen en herstellen van de infrastructuur van Oranienburg. Hierbij werden zij vooral gebruikt om zwaar, eentonig werk te doen, zoals het aanleggen van spoorwegen en wegen, het bouwen van de waterleiding en het omhakken van bomen.[7] Enkele gevangenen werden ook ingezet om in Börnicke een SA-Gruppenführerschule te bouwen.Het leven van de gevangenen was hard en zwaar, ze waren overgeleverd aan de willekeur van hun bewakers, zeker de leden van de Joodse compagnie.
Op 13 juli 1934 werden de laatste gevangenen weggeleid naar het concentratiekamp Lichtenberg.Dit gebeurde na de Röhm-putsch, toen de SS het commando van de SA overnam. Onder leiding van kampinspecteur Theodor Eicke namen 150 SS'ers het kamp over en werd het kamp omgevormd tot een reservekamp, om te gebruiken wanneer nodig.
Tweede Wereldoorlog

In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd het als concentratiekamp gebruikt. Er vonden ten minste drie massa-executies plaats waarbij honderd Nederlandse slachtoffers vielen.
De gebouwen van het kamp werden tijdens de oorlog vernietigd en het puin werd gebruikt bij de heropbouw van het dorp zelf. Hierdoor raakte het kamp in de vergetelheid. In 1960 werd er een kazerne van de Volkspolizei gebouwd, met een klein gedenkteken ervoor.
Bekende gevangenen

Christiaan Boers, commandant Stelling Kornwerderzand
Erich Mühsam, beeldbepalende anarchist en activist tegen het nationaalsocialisme
Sergey Tretjakov
Hans Coppi, lid van de verzetsbeweging Die Rote Kapelle
Erich Knauf, journalist, schrijver en tekstdichter
Kurt Hiller, schrijver, passief journalist
Francisco Largo Caballero, Spaans vakbondsleider en politicus

Gedenkteken van Erich Mühsam voor concentratiekamp Oranienburg, in 1934 geëxecuteerd

Ingebruikname 21 maart 1933[1]
Gesloten 13 juli 1934[2]
Locatie Oranienburg
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland
Coördinaten 52° 45′ NB, 13° 14′ OL
Beheerder SA/SS
Gevangenen 3.000[3]
Dodental 16+[3]

Kamp Schoorl

Kamp Schoorl bij Schoorl werd in 1939 ingericht als legerkamp. In de Tweede Wereldoorlog werd het kamp door de Duitse bezetter gebruikt als internerings- en concentratiekamp. Schoorl was het eerste gevangenenkamp dat de Duitsers in Nederland inrichtten. Eind 1941 werd het gesloten.
Commandanten

De eerste commandant was SS-Untersturmführer Arnold Schmidt. Hij werd opgevolgd door SS-Untersturmführer Hans Stöver. SS-Untersturmführer Karl Berg was in 1941 tot de sluiting van het kamp commandant.
Gevangenen
Het kamp werd in eerste instantie gebruikt voor de internering van buitenlanders die ten tijde van de Duitse machtsovername in Nederland verbleven. Vervolgens werd het kamp gebruikt als doorvoerkamp voor bijna 425 Joden uit Amsterdam die op 22 en 23 februari 1941 bij de razzia in de Jodenbuurt waren opgepakt. Vanuit Schoorl werden in totaal 649 Joden naar Buchenwald en van daar naar Mauthausen getransporteerd. Van deze 649 overleefden slechts twee de oorlog.
Later kwamen daar communisten bij, die door de Nederlandse politie gearresteerd waren. Zij stonden op lijsten die door de lokale politie-inlichtingendiensten voor de oorlog aangelegd waren; ze werden op 25 en 26 juni 1941 gearresteerd naar aanleiding van de Duitse inval in de Sovjet-Unie. De Duitsers hadden aantallen te arresteren communisten opgegeven, de politie maakte een keuze wie gearresteerd moest worden en arresteerde vaak meer mensen dan waar de Duitsers om gevraagd hadden. Bijna alle communisten zijn in Neuengamme terechtgekomen en de meesten om het leven gekomen door vergassing in Bernburg, medische experimenten met tuberculose, uitputting in concentratiekampen of bij de ondergang van de Cap Arcona.
Begin maart 1941 werden bijna tweehonderd jonge mannen uit Sommelsdijk een maand in Kamp Schoorl geïnterneerd wegens belediging van het Duitse leger en de Nederlandse politie. In mei werden circa 300 Nederlandse luchtmachtofficieren geïnterneerd op verdenking van hulpverlening aan collega's die met een Fokker G.I-jachtkruiser waren ontsnapt naar het Verenigd Koninkrijk.
In juni werden 100 antirevolutionairen in Kamp Schoorl opgesloten, en 600 communisten tot begin augustus toen zij werden overgebracht naar Kamp Amersfoort. Op 18 augustus 1941 werd een groep van bijna tweehonderd preventief gearresteerde communisten eveneens naar Kamp Amersfoort overgebracht, en daarna werden nog 250 gevangenen naar Kamp Amersfoort overgebracht. De 25 vrouwen onder de gevangenen werden via Amsterdam naar Ravensbrück gestuurd.
Sluiting en later

Eind oktober 1941 werd Kamp Schoorl gesloten, waarschijnlijk omdat het te klein was, te dicht bij de kust lag en bovendien te ver van een spoorweg lag verwijderd.
Na de bevrijding in 1945 werd het kamp gebruikt voor internering van NSB'ers en collaborateurs. De bewakers waren veelal dienstplichtige soldaten; een van hen was Frédéric Bastet. In 1949 werd het kamp gesloten. Tegenwoordig is op de locatie het bezoekerscentrum Schoorlse Duinen van Staatsbosbeheer gevestigd.

Kamp Schoorl.jpg

Ingebruikname 1939
Gesloten oktober 1941
Locatie Schoorl
Verantwoordelijk land nazi-Duitsland
Coördinaten 52° 42′ NB, 04° 41′ OL
Beheerder SS
SD

Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland

1--2