Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

2-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog

1--2--3


De strijd om noord van Borneo 1945

Naarmate de tijd vorderde vonden verschillende hevige gevechten plaats en beide partijen leden behoorlijke verliezen. Uiteindelijk wist AustraliŽ controle over het gebied te verkrijgen hoewel de strategische voordelen, die het bezit van het gebied gaf, uiteindelijk werden verminderd door het plotselinge einde van de oorlog in augustus 1945. Kaart van het strijdgebied. 
Achtergrond
Mathildatank op Borneo

De strijd had de codenaam Operation Oboe six en was de tweede fase van de geallieerde operatie om het eiland Borneo te veroveren. Al eerder was een militaire brigade-macht aan de wal gezet bij Tarakan. Een totaal van 29.000-30.000 man was voor deze operatie door de geallieerden aangewezen, waarbij het grootste gedeelte van de grondtroepen werd gevormd door manschappen van de Australische negende divisie infanterie, onder commando van generaal-majoor George Wootten en bestond uit de 20ste en 24ste brigade. De marineondersteuning werd gegeven door de United States Navy en de Koninklijke Australische marine en luchtsteun door de United States Army Air Forces, het United States Marine Corps en onderdelen van de Royal Australian Air Force. Twee onderdelen van de United States Army, het 727ste Amphibian Tractor Bataljon, dat de LVT's bemande, en de 593ste Engineer Boat and Shore Regiment's Boat Bataljon werden eveneens toegevoegd aan de Australische troepen.
Generaal Douglas MacArthur, commandant van de South West Pacific Area, had de krijgsverrichtingen ingedeeld in drie fases: een voorbereidend bombardement, daarop volgende landingen - het doel van de landingen was om de geallieerden de gelegenheid te bieden een vooruit geschoven vlootbasis op te zetten ter ondersteuning van de activiteiten van de marine - de olie- en rubbervoorraden in het gebied in het bezit te krijgen en herstel van de Engelse civiele administratie. Ondertussen had de Engelse geheime dienst geschat, dat er zich ongeveer 31.000 man aan Japanse troepen op Borneo bevonden. De belangrijkste Japanse eenheden in deze omgeving waren onder meer de 56ste Independent Mixed Brigade, bestaande uit zes bataljons (het 366ste - 371ste) en een ander onafhankelijk bataljon. 
Strijd
De AustraliŽrs voerden twee belangrijke landingen uit op Noord-Borneo. De eerste begon op 10 juni, toen troepen van twee bataljons van de 24ste brigade, de 2/28ste en het 2/48ste bataljon landden op het eiland Labuan met een eskadron Matildatanks van het 2/9de Armoured Regiment, terwijl twee bataljons van de 20ste brigade - het 2/15de en 2/17de bataljon - aan wal gingen op het eiland Muara en op het schiereiland ten noorden van Brooketon, ondersteund door een tweede eskadron Matildaīs van het 2/9de Armoured Regiment. Te midden van de zware lucht- en zeebombardementen werden de geallieerde troepen nauwelijks opgemerkt, omdat de Japanners zich hadden teruggetrokken van de stranden van het schiereiland en bovendien het eiland Muara helemaal verlaten hadden. De troepen die geland waren op het vasteland bij Brooketon trokken verder naar Brunei, dat op 13 juni veroverd werd. De twee 20ste brigade bataljons werden nu vergezeld door het 2/13de bataljon, dat op 20 juni een onopgemerkte landing had uitgevoerd bij Lutong en vervolgens verder was getrokken naar de westkust via Miri, Lutong en Seria met als uiteindelijk doel Kuching. Te Seria werden 37 verwoeste oliebronnen gevonden; deze waren met opzet door de Japanse verdedigers vernietigd. Geniesoldaten van de 2/3de Field Compagny werden opgeroepen de vuren te doven, wat omstreeks drie maanden duurde. Nadat dit gebied veilig was gesteld kon de 20ste brigade beginnen met patrouillewerkzaamheden; met behulp van landingsschepen werden snel de rivieren en stromen, die de kust vormden, afgezocht. Gedurende deze campagne vielen slechts weinig doden en gewonden (ongeveer 40)
Ondanks dat men op het zuidelijke vasteland goed vooruit was gekomen werd het gevecht bij Labuan steeds heviger, omdat de Japanners zich hadden teruggetrokken in een versterkte positie, bekend als "de Pocket", en een poging deden de AustraliŽrs in die omgeving van oerwoud en moerassen op te houden. Ondanks veel ondersteuning van de artillerie werd een aanval van het 2/28ste bataljon op 14 juni afgeslagen en moesten er eerst aanvullende troepen komen om het Japanse verzet neer te slaan. In de daarop volgende vijf dagen vond er een grootscheeps lucht- en marinebombardement plaats om het Japanse verzet te verzwakken voor de nieuwe aanval op 21 juni.
Terwijl het 2/12 commando-eskadron de achteraf gelegen gebieden, die nog niet eerder doorzocht waren, zuiverden van Japans verzet, vielen twee compagnieŽn van het 2/28ste bataljon de Japanse versterkte positie aan. Gesteund door indirect vuur van de marine en vanuit de lucht en direct vuur van tanks en vlammenwerpers wisten de AustraliŽrs de Japanners te overvallen en het resterend verzet in de omgeving van Labuan de kop in te drukken. De strijd bleek aan 180 Japanners het leven te hebben gekost, wat het totaal aan Japanse doden van alle gevechten te Labuan op een aantal van 389 bracht. De Australische troepen hadden 34 doden en 93 gewonden.
De tweede landing vond plaats op het vasteland van Weston, in het noordoostelijke deel van de Baai van Brunei, op 16 juni. Het 2/32ste bataljon, dat was achtergehouden als reserve, wist door te dringen tot Padas Bay. Nadat Weston was genomen werden patrouilles uitgezonden naar Beaufort, 23 kilometer in het binnenland. Door een gebrek aan wegen en de kwetsbare positie van de spoorlijn die naar de stad liep werd besloten langs de rivier de Klias op te rukken, terwijl een tweede colonne een andere rivier, de Padas, zou volgen. Als onderdeel van deze operaties vonden er een aantal kleinere landingen plaats te Mempakul op 19 juni en te Sabang op 23 juni door onderdelen van het 2/43ste bataljon en het 2/11de commando-eskadron. Kibidang werd nog dezelfde dag ingenomen door het 2/43ste bataljon terwijl het 2/32ste verder trok langs de Padas, waarna de twee bataljons zich weer verenigden. Versterkingen in de vorm van twee compagnieŽn van het 2/28ste bataljon werden naar Labuan gezonden en er werden plannen gemaakt om Beaufort aan te vallen.
De geallieerden geloofden dat Beaufort was bezet door 800-1.000 man Japanse troepen en op 27 juni vielen Australische troepen de stad aan. Het 2/43ste bataljon was aangewezen om de belangrijkste aanval te verrichten, terwijl het 2/32ste bataljon bestemd was om de flank te verdedigen. Ondanks de grote moeilijkheden, onder meer met het terrein, wist het 2/32 bataljon de zuidoever van de rivier de Padas te veroveren terwijl een compagnie van het 2/53ste naar de stad werd gezonden en een ander deel op de flanken marcheerde en hinderlagen legde op de weg die de Japanners verondersteld werden op de vlucht te nemen. Het 2/28ste bataljon verzekerde de communicatielijnen ten noorden van de rivier. Het verzet van de Japanners werd niet of slecht gecoŲrdineerd, waardoor de Australische troepen tegen zonsondergang klaar waren met hun voorbereidingen. Gedurende de nacht echter vielen de Japanners zes keer aan; deze aanvallen eindigden in man-tegen-mangevechten. Tijdens deze strijd werd een compagnie geÔsoleerd van de rest; tegen de morgen werd een andere compagnie ter hulp gezonden en ook om de Japanners in de rug aan te vallen. Gedurende de gehele dag die daarop volgde vonden hevige gevechten plaats om de Japanse posities en pas tegen de avond bereikten de geallieerde troepen hun doel. Na de strijd bleek dat minstens 100 Japanners waren gesneuveld. Het was tijdens deze gevechten dat soldaat Leslie Starcevich de verrichtingen deed waarvoor hij later werd beloond met het Victoria Cross.
Geallieerd materieel te Borneo
Vanaf 29 juni begonnen de Japanners in kleine groepjes weg te trekken van Beaufort. De geallieerde troepen hadden even rust terwijl ondertussen versterkingen arriveerden. Het 2/3de anti-tankregiment, dat meer als infanterie- dan als anti-tankeenheid was gebruikt, kwam op 3 juli te Weston aan, waar het het 2/28ste bataljon afloste, dat naar Beaufort trok. Op 6 juli werd de geallieerde opmars voortgezet. Om strategische redenen werd besloten langzaam verder te trekken en vooral indirect vuur te gebruiken om de verliezen binnen de perken te houden. Op 12 juli bezette het 2/32 bataljon Papar; vandaar werden patrouilles gezonden naar het noorden en langs de oevers van de rivier terwijl de offensieve operaties langzaam tot een einde kwamen.
Nasleep
Na de val van Papar staakten de Australische troepen de strijd om Borneo en veranderde de toestand weinig tot een staakt-het-vuren tegen midden augustus werd afgekondigd. Vroeg in de maand augustus van het jaar 1945 werden twee atoombommen op Hiroshima en Nagasaki geworpen. Op 15 augustus beval keizer Hirohito de Japanse troepen de vijandelijkheden te beŽindigen. De formele overgave werd op 2 september 1945 getekend. Het resultaat van het staakt-het-vuren was dat de geplande inval van Japan niet meer nodig was waardoor de voordelen van het bezit van Borneo ook verdwenen. Tot op zekere hoogte was dit de oorzaak ervan dat bepaalde stromingen in AustraliŽ vonden dat de Aboe-operaties - evenals die in AitapeĖWewak, Bougainville en New Britain - onnodig waren geweest en hadden geleid tot onnodige verliezen. Tijdens de gevechten op Borneo verloren de AustraliŽrs 114 man aan doden (direct gedood of later overleden aan verkregen wonden) en 221 gewonden. De Japanners verloren minstens 1.234 man, terwijl 130 man krijgsgevangen werd gemaakt. Daarnaast is berekend dat ongeveer 1.800 Japanners zijn gedood tijdens guerrilla-operaties die werden geÔnitieerd door het clandestiene Services Reconnaissance Department.
Nadat de gevechten waren beŽindigd begonnen de AustraliŽrs aan de taak om een Brits civiel gouvernement in te stellen, de infrastructuur te herstellen en het bestaan van de voor het oorlogsgeweld gevluchte burgers weer op orde te brengen. Na het staakt-het-vuren waren er nog steeds veel Japanse troepen op Noord-Borneo. In oktober 1945 waren er - naar geschat - nog omstreeks 21.000 Japanse soldaten en burgers in Noord-Borneo aanwezig. De 9de divisie werd aangesteld om deze groep adequaat aan te pakken. Zij moest ook de geallieerde burgers en krijgsgevangenen, vastgehouden in het Batu Lintang kamp (Kuching, Sarawak), bevrijden.
Terwijl de burgerlijke administratie zich slechts langzaam herstelde begon in oktober 1945 de demobilisatie van de Australische troepen. Dit proces was langzaam omdat er geen geallieerde troepen beschikbaar waren om de Australische manschappen te Borneo af te lossen. Alleen personeel dat al erg lang diende kreeg toestemming terug te keren naar AustraliŽ. De 9de divisie bleef op Noord-Borneo waar het garnizoensdiensten verrichtte tot januari 1946, toen het werd afgelost door de 32ste Indian Infantry Brigade. Voor de meerderheid van het personeel van de 9de divisie volgde een terugkeer naar het burgerlijke bestaan, echter een deel van de British Commonwealth Occupation Force (onderdeel van het aandeel van AustraliŽ tot de bezettingsmacht van Japan), een aantal manschappen van de 9de divisie, werd overgeplaatst bij het 67ste bataljon, dat gevormd werd als onderdeel van de 34ste brigade. De verstandhouding tussen de 9de divisie en de burgerlijke bevolking van Noord-Borneo was dusdanig goed dat de Unit Colour Patch na de oorlog werd geplaatst op het wapen van de Britse kolonie Borneo. Dit bleef zo tot 1963, toen de regio werd opgenomen in het Maleisische rijk van Sabah.

 

 

De slag om Remagen 7 maart-25 maart 1945

Kronkelende weg van Zwitserland naar de Noordzee , heeft de rivier de Rijn in het verleden stond als een natuurlijke barriŤre verdedigen van de Duitse kerngebied dat ligt buiten het. Sinds de dagen van het Romeinse Rijk , hebben koud , brede en snelle wateren van de rivier bewezen een geduchte hindernis voor elke agressor van plan om het te steken zijn. Deze feiten werden bekend bij de geallieerde bevelhebbers als hun troepen zetten hun aanval in de richting van de Duitse interieur maart 1945. De oversteek van de Rijn zou een moeilijke en kostbare taak zijn.



De brug over de Rijn bij Remagen

Als de geallieerde legers naderden , Hitler beval de vernietiging van alle bruggen die de Rijn overspannen . Op 7 maart , hadden ze allemaal , behalve ťťn - de Ludendorff spoorbrug bij de kleine badplaats Remagen een paar mijl naar het zuidoosten van Keulen. Op die dag Lady Luck glimlachte op de geallieerden . Om ongeveer 01:00 bereikte een Amerikaans verkenningsvliegtuig patrouille de beboste heuvels met uitzicht op de rivier bij Remagen , en tot hun verbazing ontdekten de brug nog steeds intact . Toen begon de race .

De Amerikanen snel gestart met een grootschalige aanval op de brug , terwijl de verdedigende Duitsers krabbelde de explosieve ladingen die was ingesteld om het te vernietigen ontploffen . De strijd was hevig als beide partijen beseften wat er op het spel staat . De Amerikaanse soldaten krabbelde onder verwelken geweervuur ​​van ligger naar ligger terugkeren brand en het rippen van de explosieven van de brug is super structuur . De Duitse waren succesvol in detonerende sommige explosieven - maar niet genoeg om de brug te vernietigen . Van 16:00 - ongeveer vier minuten na de aanval begon - de Amerikanen hadden de andere kant van de rivier bereikt en verzekerd van de brug. Wanneer zij in kennis , 1ste bevelhebber van het leger Omar Bradley antwoordde : " Hotdog .dit zal 'em borstbeeld 
Terwijl we liepen over de brug. . . Zag ik deze luitenant , staan ​​daar volledig blootgesteld aan het machinegeweer vuur dat behoorlijk zwaar door deze tijd was . Hij werd snijdraden en schoppen de Duitse sloop kosten van de brug met zijn voeten ! "

Everett Holles was een NBC Radio oorlog correspondent bij de troepen die de aanval over de Rijn gemaakt . Hij beschrijft wat er gebeurd als de Amerikaanse kracht benaderde de brug :

" Op buiten de vier torens van het Apollinariskirche die glinsterde in een lichte motregen regen zij zagen Remagen 's 400 -yard - lang , drie overspanningen brug over de Rijn . De brug liep naar het dorp van Erpel op de oostoever en over het leggen twee spoorbanen . Andere Amerikaanse troepen had tegen hetzelfde soort ding voor te komen , maar altijd , als zij kwamen aan de Rijn oversteken , de bruggen ging in grote explosies voor hun ogen , afgezet met Duitse sloop ingenieurs.

Het verkeer werd nog steeds in beweging over de Ludendorf Bridge . Aan de andere kant locomotieven opgeblazen , in afwachting van orders om eruit te trekken. Luitenant-kolonel Leonard Engemann van Minneapolis , in opdracht van een verkenning partij, was vastbesloten om deze brug te slaan als het al mogelijk . Ja, tegen 03:50 uur , een peloton onder leiding van Luitenant . Emmett Burrows van New York City , racet langs de helling naar de brug ingang. Er was een vlaag van schieten als de Duitsers , volledig overrompeld , rende over het proberen om een verdediging te organiseren. Een Duitse pistool werd knock-out , een aantal Duitse soldaten gedood . Dan is de Yanks , lage hurken tegen mitrailleurvuur ​​vanuit de brug torens , liep uit op de brug . Net zoals ze stapte op de overspanning , een explosie voorgedaan driekwart van de weg naar beneden de brug. De Duitsers waren verrekening sloop kosten , en de mannen dachten zeker hun kans was verdwenen . Maar nee , slechts geringe schade werd gedaan . Ze reed op .

Sgt. Alexander A. Drabik , een lange, slungelige voormalige slagerij van Holland, Ohio , was de eerste Amerikaan over de Rijn , de eerste invaller aan zijn oostelijke oever te bereiken sinds de tijd van Napoleon . Maar hij wilde alle eer doorgegeven aan een jonge 
Sgt. Alexander A. Drabik
1ste over de brug


' Hij werd snijdraden en schoppen de Duitse sloop kosten van de brug met zijn voeten ! Jongen die nam veel lef . Hij is degene die de brug gered en maakte de hele zaak mogelijk - . Kinda guy Ik zou graag willen weten '

Binnenkort zal de brug krioelde met de Amerikanen , terwijl Mitchell , nu gezelschap van andere ingenieurs , knippen en rukte uit draden die naar dynamiet kosten . Behoedzaam vrijstaande ze ontstekers en tilde dozen van explosieven uit de pieren .

Later , van gevangenen , de Amerikanen geleerd dat de Duitsers van plan op te blazen de overspanning precies 04:00 . Maar de Duitse officier toegewezen de sloop baan was dronken toen de Amerikaanse tanks bereikt Remagen . Deze officier , luitenant , had in de stad Eprel gegaan als de Yanks benaderd en verspreid het woord boastfully dat ' de brug omhoog gaat om vier uur vanmiddag .

Duitse soldaten en burgers , het verzamelen van mijlen rond , zaten in de ' tribune ' zetels op elk uitkijkpunt op de oostelijke oever , wachtend op de spectaculaire evenement af te komen , toen Burrows ' patrouille liep op de brug - tien minuten voor het uur vast voor de vernietiging ervan . De Duitse luitenant signaleerde de zuiger naar beneden . Twee kleine explosies voorgedaan , maar de brug alleen huiverde en bleef staan ​​. Verscheidene zekeringen was defect zijn.

. . .by Avond scores van tanks , vrachtwagens door de honderden werden omhoog te bewegen en aan de overkant van de Rijn . Alle wegen naar Remagen werden ingepakt met Amerikaanse troepen en vrachtwagens en armor en wapens . Soldaten die klaar om te laten vallen van vermoeidheid was geweest stapte op het gaspedaal , brede grijns splitsen hun begrimed gezichten. De Ludendorf brug had een one-way street , oost - gebonden

Datum 7 maart - 25 maart 1945 
Locatie Remagen, Duitsland 
Resultaat Amerikaanse overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United States.svg Verenigde Staten Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the United States.svg Courtney Hodges Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Erich Brandenberger 
Troepensterkte 
1e Leger 7e Leger



Ludendorff BrŁcke vanaf de oostelijke oever

Duidelijk is de schade na de explosie zichtbaar

Sergeant Alexander Drabik, ontvangt het Distinguished Service Cross
op 5 april 1945 omdat hij als eerste de brug overkwam

De Landing bij Anzio op 22/1/ 1944

De Landing bij Anzio op 22 januari 1944 tijdens de Italiaanse campagne van de Tweede Wereldoorlog, was een geallieerde amfibische landing tegen de as-strijdkrachten bij Anzio en Nettuno in ItaliŽ. De operatie werd geleid door majoor-generaal John P. Lucas en was bedoeld om de Winterlinie te omtrekken en een aanval op Rome te forceren.

De landing kreeg de codenaam Operatie Shingle.


Inleiding

We wilden een wilde kat aan land zetten, maar zitten met een gestrande walvis - Winston Churchill. 


Aan het eind van 1943 zat de geallieerde opmars na de geallieerde landing in ItaliŽ, vast op de Duitse Gustav-linie, ook wel "Winterlinie" genaamd. Deze verdedigingslinie in Zuid-ItaliŽ blokkeerde de opmars naar het psychologisch belangrijke doel Rome. Het landschap van Midden-ItaliŽ is ideaal geschikt voor de verdediging, en veldmaarschalk Albert Kesselring was in staat gebleken hier zeer goed gebruik van te maken.

Er waren een aantal voorstellen geweest om deze patstelling te doorbreken, maar Winston Churchills voorstel voor "Operatie Shingle" werd door Franklin D. Roosevelt en Jozef Stalin geaccepteerd. Een belangrijke aanval in het zuiden door het Amerikaanse vijfde leger en het Britse achtste leger zouden Duitse eenheden uit de reeds dun verdedigde omgeving van Rome en de heuvels ten zuiden van Rome weglokken naar de winterlinie.

Dit zou een verrassingslanding door het Amerikaanse 6e korps onder bevel van generaal Lucas in het gebied van Anzio en Nettuno mogelijk maken, evenals een snelle opmars door de Alban heuvels om de Duitse verbindingen af te snijden en het Duitse 24e korps dat de Gustav-linie verdedigde van achteren te bedreigen.

Het plan

De geallieerden gingen ervan uit dat wanneer Kesselring (verantwoordelijk voor de Duitse strijdkrachten in ItaliŽ) troepen uit de Gustav-linie terugtrok om zich tegen de nieuwe landing te verdedigen, geallieerde strijdkrachten door de verzwakte Gustav-linie konden breken. Wanneer Kesselring dit niet deed, zou Operatie Shingle Rome bedreigen en de Duitse strijdkrachten in het zuiden dreigen af te snijden.

Als Duitsland voldoende strijdkrachten zou aan voeren om zowel Rome te verdedigen als de Gustav Linie, dan zou de operatie nog steeds een succes zijn omdat deze Duitse strijdkrachten niet op andere fronten konden worden ingezet.

De operatie werd op 18 december 1943 afgelast, maar later toch weer gekozen en uitgevoerd.

Lucas had geen volledig vertrouwen in zijn superieuren of in het operationele plan. Een paar dagen voor de aanval schreef hij nog in zijn dagboek: "Tenzij we kunnen krijgen wat we willen, wordt de operatie naar mijn mening zo'n wanhopige onderneming dat we hem niet zouden moeten willen." En: "Deze operatie riekt sterk naar Gallipoli en het lijkt er sterk op dat dezelfde amateur op de bok van de koets zit". Met deze 'amateur' kan alleen Winston Churchill bedoeld zijn, minister van Marine tijdens de rampzalige landing bij het Turkse Gallipoli in 1915 en vurig pleitbezorger van operatie Shingle.

Beschikbaarheid van marine-eenheden

Een van de problemen bij het plannen was de beschikbaarheid van voldoende landingsschepen. Vooral de Amerikaanse commandanten waren erop gespitst dat de Invasie in NormandiŽ niet zou worden vertraagd, evenmin als de ondersteunende landing in Zuid-Frankrijk (Operatie Dragoon). Operatie Shingle vereiste de inzet van landingsschepen die later voor deze operaties ingezet zouden worden. Oorspronkelijk zou Shingle deze schepen op 15 januari weer vrij moeten geven. Toen dit problematisch bleek, gaf president President Roosevelt toestemming dat de schepen tot 15 februari gebruikt zouden worden.

Oorspronkelijk waren er slechts voldoende landingsschepen beschikbaar voor een enkele divisie. Op Churchills persoonlijke aandringen werden er genoeg vrij gemaakt voor twee divisies. De geallieerde inlichtingendiensten dachten dat er vijf of zes Duitse divisies in het gebied aanwezig waren.



Locatie in ItaliŽ  
Datum 
22 januari 1944 - 5 juni 1944 
Plaats 
Nettunia (nu Anzio en Nettuno ), ItaliŽ 
41 į 26'35 "N 12 į 37'30" E CoŲrdinaten : 41 į 26'35 "N 12 į 37'30" E 
Resultaat 
Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Verenigde Staten 
Verenigd Koninkrijk 
Canada Duitsland 
Italiaanse Sociale Republiek 
Commandanten en leiders 
United Kingdom Harold Alexander 
Verenigde Staten Mark Wayne Clark 
Verenigde Staten John P. Lucas 
Verenigde Staten Lucian Truscott Nazi-Duitsland Albert Kesselring 
Nazi-Duitsland Eberhard von Mackensen 
Sterkte 
Aanvankelijk: 36,000 militairen en voertuigen 2300 
Breakout: 150.000 soldaten en 1.500 geweren Aanvankelijk: 20.000 Duitse soldaten + vijf Italiaanse bataljons (4600 soldaten) 
Breakout: 135.000 Duitse soldaten + twee Italiaanse bataljons 
Slachtoffers en verliezen 
43.000 slachtoffers 
(7.000 doden, 36.000 gewonden of ontbrekende40.000 slachtoffers 
(5.000 doden, 30.500 gewonden of ontbreekt, 4.500 gevangene) 

 

 

Samenstelling geallieerde strijdmacht
De geallieerde strijdmacht voor deze aanval bestond uit 5 kruisers, 24 fregatten, 238 landingsschepen, 62+ andere schepen, 40.000 soldaten en 5000+ voertuigen.
De aanval werd in drie groepen uitgevoerd, ťťn Britse en twee Amerikaanse.
Britse strijdmacht
Deze strijdmacht viel op een strand 10 km ten noorden van Anzio aan:
Britse 1e divisie
46th Royal Tank Regiment
2 Special Service Brigade (deels) No.9 Commando
No.43 Commando (RM)
Noordwestelijke Amerikaanse strijdmacht
Deze strijdmacht viel de havenstad Anzio aan:
1e Ranger bataljon
3de Ranger bataljon
4de Ranger bataljon
509e(parachute bataljon)
U.S. 83e chemische bataljon
U.S. 93e evacuatie hospitaal
Oorspronkelijk bevatten het plan hier ook een luchtlanding van het 504e parachutistenbataljon, maar deze werd geschrapt.
Zuidwestelijke Amerikaanse strijdmacht
Deze strijdmacht viel 6 km ten oosten van Anzio aan:
3e Infanteriedivisie
Zuidelijke aanval
Het vijfde leger begon op 16 januari 1944 met een nieuwe aanval op Monte Cassino. Hoewel de operatie er niet in slaagde de berg in te nemen, slaagde het strategische doel, want generaal Heinrich von Vietinghoff, commandant van de Gustav-linie, vroeg om versterkingen en Kesselring stuurde hem de 29e en 90e pantsergrenadiersdivisies uit Rome.
InitiŽle landingen
De landingen begonnen op 22 januari 1944. Hoewel er op tegenstand was gerekend, zoals bij Salerno in 1943, verliepen de landingen aanvankelijk zonder enige tegenstand, met uitzondering van een aantal aanvallen door de Luftwaffe.
Tegen middernacht waren er reeds 36.000 soldaten en 3200 voertuigen op de stranden geland. De geallieerde verliezen bedroegen dertien doden en zevenennegentig gewonden, terwijl ongeveer tweehonderd Duitsers krijgsgevangen werden gemaakt. De 1e divisie drong 3 km landinwaarts door, de rangers namen de haven van Anzio in, het 509e PIB nam Nettuno in en de 3e divisie drong 5 km landinwaarts binnen.
Na de landingen
Het is duidelijk dat Lucas' superieuren een of andere offensieve actie van hem verwacht hadden, mogelijk zelfs een aanval op Rome. Het doel van de landing was om ůf Duitse troepen uit de Winterlinie weg te trekken, ůf gebruik te maken van zwakheid in het gebied achter de Duitse linies. Wat Lucas echter deed was meer mensen en materiaal zijn kleine bruggenhoofd binnen pompen, en zijn verdediging versterken.
Lucas' beslissing bleef een controversiŽle. John Keegan meent dat "Als Lucas het had geriskeerd om op de eerste dag naar Rome te racen, zijn voorhoede waarschijnlijk gearriveerd zou zijn", hoewel die snel verslagen zou worden. Wel had hij snel "meer terrein kunnen claimen".
We hebben al gezien dat Lucas niet veel vertrouwen had in de strategische plannen van de operatie. Zijn orders van zijn directe superieur generaal Clark waren: "landen, bruggenhoofd veilig stellen en optrekken". Met twee divisies aan land, en twee of drie keer zoveel Duitse troepen tegenover hem, is het niet onredelijk te veronderstellen dat Lucas zijn bruggenhoofd niet als veilig beschouwde. Volgens Keegan bereikten Lucas' acties "het slechtste van twee werelden, zijn strijdkrachten blootstellend aan de vijand en geen dreiging op de vijand uitoefenend". Lucas werd op 23 februari van zijn commando ontheven en werd vervangen door generaal Lucian Truscott.
Kesselrings antwoord
Kesselring werd om 03:00 uur 's nachts op de 22e geÔnformeerd. Om 05:00 gaf hij opdracht de 4. Fallschirmjšger en vervangingseenheden van de Hermann GŲring Divisie om de wegen vanuit Anzio naar de Albaanse heuvels te blokkeren. Verder vroeg hij van het OKW versterkingen uit Frankrijk, JoegoslaviŽ en Duitsland. Later die ochtend gaf hij aan Generaloberst Eberhard von Mackensen (14e leger) en Gen. von Vietinghoff (10e Leger - Gustav Linie) opdracht om hem extra versterkingen te sturen.
De Duitse eenheden in de onmiddellijke omgeving waren in feite enkele dagen tevoren vertrokken om de Gustav linie te versterken. Alle beschikbare eenheden aan het zuidelijke front, of op weg daarheen, werden met spoed richting Anzio gedirigeerd. Dit inclusief de 3. Panzergrenadierdivision, de 71. Infanteriedivision en de bulk van de Hermann GŲring Division. Kesselring meende eerst dat een succesvolle verdediging onmogelijk zou zijn wanneer de geallieerden een belangrijke aanval op de 23e of 24e zouden uitvoeren. Maar tegen het eind van de 22e had het ontbreken van agressieve actie hem overtuigd dat een succesvolle verdediging mogelijk moest zijn.
Het 14e leger onder bevel van Gen. von Mackensen nam de coŲrdinatie van de verdediging op 25 januari op zich. Elementen van acht Duitse divisies werden rondom het bruggenhoofd ter verdediging ingezet, met nog vijf andere divisies onderweg. Op 28 januari gaf Kesselring bevel tot een aanval op het bruggenhoofd, maar dit werd uitgesteld tot 1 februari.
Lucas lanceerde op 30 januari een aanval op twee plaatsen. Terwijl een strijdgroep snelweg 7 overschreed bij Cisterna alvorens naar het oosten te trekken, zou een tweede langs de Albano weg optrekken.
Verder verloop van de strijd
Het Duitse leger wist 4 maanden lang te voorkomen dat de geallieerden uit het bruggenhoofd braken. Op 23 mei 1944 slaagden dezen er uiteindelijk in om uit te breken en twee dagen later konden de beide geallieerde legers in ItaliŽ verenigd worden. De Duitsers werden toen teruggeworpen op de Gotische Linie tussen La Spezia en Rimini.

Amerikaanse leger soldaten landen op het gebied van Anzio en Nettuno in eind januari 1944.

De HMS Mauritius bij de invasie.

Soldaten van de 3D-Ranger Bataljon boord LCI's die hen zal nemen om Anzio. Twee weken later, bijna alle zou worden gedood of gevangen in Cisterna

De Slag om Caen 6 juni 1944-6 augustus 1944

De slag om Caen 

Vanaf de avond van 6 juni leggen de tanks van de 21e Panzer, in de loop van de nacht versterkt door die van de 12e SS Hitlerjugend, een vuur- en staalversperring aan voor Caen. Dit stopt de voortgang van de geallieerden onmiddellijk, evenals de hoop op bevrijding voor duizenden burgers die de stad niet hebben kunnen ontvluchten na de eerste bombardementen. Het Duitse bevel zet zijn beste divisies in, vooral het grootste deel van zijn tankeenheden. De Britten en Canadezen zitten muurvast in de korenvelden rond de stad. Caen wordt het wendingspunt van de Slag om NormandiŽ.

Montgomery ziet tijdelijk af van een frontale aanval, hij schat dit te kostbaar. Hij lanceert echter een reeks offensieven om de stad vanuit het westen te proberen te omsingelen en in de rug aan te vallen.

Maar zijn troepen worden op 9 juni geblokkeerd voor Tilly-sur-Seulles door de Panzer Lehr van Bayerlein. Het dorp, door de gevechten geheel verwoest, valt zo'n tien dagen later. Maar onmiddellijk wordt een paar kilometer meer naar het zuiden een nieuwe Duitse weerstandslinie opgebouwd.

Montgomery zet iets meer naar het westen zijn 7e pantserdivisie in, op wat een dode hoek van het front lijkt te zijn. De beroemde 'Woestijnratten', nagenietend van hun overwinningen in LibiŽ, worden op 13 juni in Villers-Bocage flink afgerost door een delegatie Tiger tanks (stalen kolossen van 55 ton), gesteund door enkele Panzer IV tanks.

Eind juni lanceren de Britten een groots offensief in de buurt van de Odon, tussen Tilly-sur-Seulles en Caen. Dit is de operatie 'Epsom', die 90.000 mannen op het spel zet. De rivier valt op 27 juni in geallieerde handen. De voortgang wordt echter plotseling gestopt door de aankomst van twee SS pantserdivisies in de sector van punt 112, een bescheiden heuvel waar felle gevechten, even bloedig als vaag, vrijwel een maandlang aanhouden.

De slag om Caen lijkt vast te lopen. De gevechten slaan om in een positieoorlog. Aan beide kanten graven de soldaten zich in loopgraven in. Aanvallen worden beantwoord met tegenaanvallen, zonder tastbaar resultaat. De schaduw van de Eerste Wereldoorlog hangt boven het front van NormandiŽ.

Begin juli komt Montgomery terug op het principe van een directe aanval op Caen. Deze aanval begint op de avond van 7 juli met een gruwelijk luchtbombardement op het noordelijke deel van de stad. Op 8 juli verdrijven de Canadezen de SS uit Buron en Authie, terwijl de Britten de laatste weerstand voor Lťbisey breken. 's Avonds beginnen de Duitsers zich terug te trekken. Op de ochtend van 9 juli nemen de Canadezen Carpiquet, Saint-Germain-la-Blanche-Herbe, Venoix en La Maladrerie in en dringen eindelijk Caen binnen. Meer in het oosten komen de Britten langzaam vooruit in de straten die sinds 6 juni door het puin onherkenbaar zijn.

De Duitsers zijn echter verschanst op de rechteroever van de Orne waar ze het nog een dag of tien volhouden voordat een nieuw offensief hen verdrijft (operatie Atlantic). Op 19 juli belegeren de Canadezen, begeleid door de FFI, de wijken op de rechteroever. Caen is nu volledig bevrijd, maar de vijand zit nog bij de stadspoorten. De operatie Goodwood wordt dezelfde dag ontketend ten oosten van stad om de ingang naar de vlakte vrij te maken. Na enkele dagen mislukt deze aanval compleet, ondanks de grootschalig aangewende middelen.

Datum 6 juni 1944 Ė 6 augustus 1944 
Locatie Caen, NormandiŽ, Frankrijk 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Vlag van Canada 1921-1957 Canada
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
Bernard Montgomery
Miles Dempsey
Richard O'Connor
Guy Simonds Edgar Feuchtinger
Erwin Rommel
Gerd von Rundstedt
GŁnther von Kluge Slag om Caen 
 


Overzicht van het front rond Caen, 8 juni t/m 20 juli

De Slag om Denemarken 9 april 1940

De Slag om Denemarken was een reeks gevechten die volgden na de Duitse invasie van Denemarken op 9 april 1940 per land, zee en vanuit de lucht. De snelle Deense overgave (binnen zes uur na het begin van de invasie) geldt in de militaire geschiedenis als de snelste capitulatie aller tijden.
Reden voor de invasie
De aanval op Denemarken was een gepland onderdeel van Operatie WeserŁbung. Om Noorwegen te kunnen veroveren moesten de Duitsers de vliegvelden bij Aalborg in Noord-Jutland beheersen.
Duitse aanvalsplan
Het Oberkommando der Wehrmacht plande een gecombineerde aanval van de verschillende krijgsmachtdelen op Denemarken om het land zo snel mogelijk te veroveren; met luchtaanvallen op de vliegvelden bij Aalborg en een verrassingsaanval van infanterie- en marine-eenheden op Kopenhagen, in combinatie met de gelijktijdige aanval over land op Jutland.
Slag
Hoewel het Deense leger voor een Duitse aanval gewaarschuwd was, ontkende de Deense regering dat haar leger verdedigende posities aan het voorbereiden en opbouwen waren. Dit om de Duitsers niet te provoceren. Om een invasie tegen te gaan, waren enkel kleine en verdeelde eenheden van de grenswacht en eenheden van de Jutland-Divisie beschikbaar.
Slag om Jutland
De Deense grens werd om 04.15 uur geschonden bij Sśd, Rens, Padborg en Krusaa. De Kriegsmarine zette tegelijk troepen aan land bij Lillebślt, waardoor de Deense troepen bij de grens waren afgesneden en buiten gevecht werden gesteld.
Oostelijke flank
Lundtoftebjerg

Het eerste treffen tussen het Deense leger en de Duitse troepen was bij Lundtoftebjerg, waar een Deens peloton dat bewapend was met twee 20mm-geweren en een lichte machinegeweer, posities innam die uitkeken over de weg. In een korte schermutseling verloren de Duitsers twee pantserwagens en drie motorfietsen, terwijl de Denen ťťn gewonde betreurden tijdens de strijd en bij terugtrekking een dode.
Hokkerup
Toen de Duitse voorhoede Hokkerup bereikte stuitte ze weer op een andere wegblokkade, deze keer verdedigd door 34 Deense soldaten. De Denen stelde drie Duitse pantserwagens buiten gevecht en de Duitsers waren gedwongen terug te trekken. De Duitsers stelde een 37mm-geweer op driehonderd meter afstand op, maar dit werd door de Denen buiten gevecht gesteld. Daarna lukte het de Duitsers de Deense eenheid te omsingelen en gevangen te nemen.
Bjergskov
Ten noorden van Hokkerup stuitten de Duitsers op een andere wegblokkade die verdedigd werd door twee 20mm-geweren. Duitse tanks drukten de wegblokkade opzij en opende het vuur. Een geweer opende het vuur toen er een Duitse tanks eroverheen reed. De schutter probeerde dekking te zoeken, maar hij werd gedood door een Duits vliegtuig dat de weg bestookte. Het tweede geweer was defect. De Denen werden omsingeld en gevangengenomen door een Duitse divisie.
Centrale flank
Bredevad

Bij een ontmoeting tussen Deense en Duitse troepen tien kilometer ten noorden van de grens bij Bredevad stuitten Duitse pantserwagens op een Deense wegblokkade die bemand werd door anderhalf peloton, bewapend met een machinegeweer en granaten. De Denen vuurden een waarschuwingsschot af dat de Duitsers negeerden. Vervolgens openden de Denen het vuur, waarbij het de eerste pantserwagen uitgeschakelde en de bestuurder doodde. Er volgde een korte schermutseling. De Denen schakelden twee Duitse pantserwagens uit ten koste van vier doden en twee gewonden, waarna ze gedwongen waren zich over te geven.
Haderslev
Terwijl de Deens troepen zich in het SÝegaard-legerkamp voorbereidden om noordwaarts naar Velje te trekken, waar de hoofdmacht van de Jutland-Divisie zich voorbereidde op het gevecht, ontstond er een kleine schermutseling bij Aabenraa, toen de Deense achterhoede werd aangevallen. Na een Duitse tank te hebben uitgeschakeld trok de achterhoede zich terug op Haderslev. Haderslev werd verdedigd door een garnizoen van 225 man van de Jutland-Divisie die de kazerne (die in de stad lag) en de weg erheen verdedigden. Na gevechten waarbij de Duitsers in de buitenwijken van Haderslev drie tanks verloren, kwam uit Kopenhagen het capitulatiebericht binnen. Dit bereikte de verdedigers van de kazerne in Haderslev niet en toen de Duitsers de stad introkken, ontstonden er nieuwe gevechten. Bij de Duitse aanval werd een Duitse motorrijder werd gedood. Twee Deense soldaten werden gedood terwijl ze de kazerne verdedigden. Ook werden er drie Deense burgers in het spervuur gedood.
Westelijke flank
TÝnder garnizoen

De eerste gevechten in West-Jutland vonden plaats tussen Duitse troepen en het garnizoen van TÝnder. De eerste schermutseling vond plaats bij Abild, waar twee Duitse pantserwagens buiten gevecht werden gesteld door een 20mm-antitankgeweer waarna de Denen gedwongen waren zich terug te trekken. Verderop werd de Duitser opmars bij SÝlsted volledig tot stilstand gebracht, waar ze een pantserwagen verloren en een andere beschadigd werd. Enkel dankzij luchtsteun van drie Henschel Hs 126 waren de Duitsers in staat de Denen terug te drijven naar Bredebo. Maar toen de troepen van het TÝnderse garnizoen Bredebo bereikten, had Denemarken al gecapituleerd en was de strijd voorbij.
Bij Abild schakelden Deense 20mm-geweren voor terugtrekking van de Deense troepen twee Duitse pantserwagens van het Duitse 11e Gemotoriseerde Regiment uit. Bij SÝlsted richtte een Deense antitank-eenheid (bestaande uit minder dan vijftig man) een verdedigingsstelling met 20mm-geweren op. Toen de eerste pantserwagen van een naderende eenheid van het Duitse 11e Gemotoriseerde Regiment in zicht kwam, openden de Denen het vuur. De eerste Duitse pantserwagen werd uitgeschakeld en eindigde in de sloot, terwijl de volgende doorreed. Maar deze werd geraakt en trok zich terug zich terugtrok. Hij werd diverse malen geraakt, maar kon terugrijden. De Duitse infanterie probeerde twee maal de Deense posities te overrompelen, maar beide pogingen liepen spaak. Doordat de aanval mislukte, schakelde de Duitse regimentscommandant de Luftwaffe in. Drie Henschel Hs 126's bombardeerden de Deense stellingen. Hierna beval de Deense commandant de terugtrekking naar Bredebo.
Luchtlandingen
Om 06.15 uur sprongen 96 Fallschirmjšgers uit negen Junkers Ju-52/3m om de StorstrÝm-brug veilig te stellen. De brug verbond het eiland Falster met het vasteland en de kustverdedigingen op het eiland MasnedÝ. Deze landing opende voor een bataljon van de 198ste Infanteriedivisie de weg naar Kopenhagen.
Marinelandingen
Om de verbindingen tussen Jutland en Seeland in te nemen, zette de Kriegsmarine troepen van de 198e Infanteriedivisie aan land op Funen.
Inname van Kopenhagen
Om de Deense autoriteiten zich zo snel mogelijk te laten overgeven, was inname van de hoofdstad van cruciaal belang. Om 04.15 uur voer de mijnenlegger Hanzestad Danzig, geŽscorteerd door de ijsbreker Stettin en twee patrouilleboten de haven van Kopenhagen binnen. Hoewel de haven werd beschermd door kanonnen van de kustartillerie van Fort Middelgrund, aarzelde de pasbenoemde Deense commandant actie te ondernemen. Nadat een bataljon van de 198ste Infanteriedivisie om 05.18 uur was geland, namen de Duitsers het 70 man tellende garnizoen in het hoofdkwartier van het Deense leger, de Kastellet, zonder enig schot gevangen. Het volgende doel van de Duitsers was het koninklijke paleis Amalienborg.
Amalienborg en capitulatie
De Duitse infanterie stuitte bij Amalienborg op felle weerstand van een oefencompagnie van de Deense Koninklijke Garde (Den Kongelige Livgarde), die de eerste aanval afsloeg met slechts drie gewonden tot gevolg. Dit gaf koning Christiaan X en zijn ministers tijd te overleggen met de Deense legerchef generaal William Wain Prior. Aangezien deze discussie niks opleverde, vlogen verschillende formaties bestaande uit Heinkel He 111 en Dornier Do 17 over de stad en wierpen OPROP!-pamfletten af. Omdat gevreesd werd dat de Luftwaffe de burgerbevolking van Kopenhagen zou bombarderen en omdat alleen generaal Prior de strijd wilde voortzetten, capituleerde de Deense regering in ruil voor behoud van politieke handelingsvrijheid aangaande binnenlandse aangelegenheden.
Lot van de Deense luchtmacht
Alle vier eskaders van de Deense luchtmacht waren gestationeerd bij VśrlÝse, vlakbij Kopenhagen. In afwachting van de Duitse invasie moesten de eskaders zich over alle vliegvelden in het land te verspreiden, maar dit was niet volbracht toen de Luftwaffe boven de luchtmachtbasis verscheen. Toen de Duits vliegtuigen VśrlÝse bereikten, stegen vier Fokker C.V-E verkenningsvliegtuigen op, waarvan er een werd neergeschoten door de Messerschmitt Bf 110 van Wolfgang Falck. Daarna vielen de Messerschmitt Bf100s de luchtmachtbasis aan en vernietigden tien vliegtuigen en beschadigden veertien andere, toen die wilde opstijgen. Hierdoor werd de Deense luchtmacht grotendeels uitgeschakeld. De vliegtuigen van de Deense marine bleven op hun bases ongedeerd.
1e compagnie van het 11e bataljon
Terwijl de meeste eenheden van het Deense leger het bevel tot capitulatie opvolgden, weigerde ťťn eenheid zich over te geven. De commandant van het 4de Regiment, Bennike, die gelegerd was in Roskilde, geloofde dat de capitulatie aan de regering was opgelegd door de Duitsers en dat Zweden was aangevallen. In plaats van zich over te geven, voer Bennike vanuit HelsingÝr naar Zweden en ging in ballingschap. Nadat het misverstand later uit de wereld was geholpen, bleven sommige Deense soldaten in Zweden; anderen keerden terug naar Denemarken.
Nasleep
De Deense capitulatie resulteerde in de unieke 'milde' bezetting van Denemarken. Dit bleef zo tot de zomer van 1943, waarna volledige bezetting volgde. Door het uitstel van de arrestatie en deportatie van de Deense joden, konden de meesten van hen worden gewaarschuwd, waarna zij naar Zweden konden vluchten. In totaal werden 447 Deense joden gedeporteerd, waarvan er 70 werden vermoord. 70 van de ongeveer 8000 joden die voor de oorlog in Denemarken woonden.

Slag om Denemarken 
Aanvalsplan van WeserŁbung SŁd 
Datum 9 april 1940 
Locatie Denemarken 
Resultaat Duitse overwinning 
Territoriale
veranderingen Duitse bezetting van Denemarken 
Strijdende partijen 
Flag of Denmark.svg Denemarken Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of Denmark.svg Christiaan X
Flag of Denmark.svg William Wain Prior Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Leonhard Kaupisch 
Troepensterkte 
14.500 soldaten van de
Seeland en Jutland Divisies en het Bornholm-garnizoen 
vier luchtmacht-eskaders
HŲheres Kommando XXXI:
170ste Infanteriedivisie
198de Infanteriedivisie
11de SchŁtzenbrigade
Luftwaffe:
527 vliegtuigen van de X. Fliegerkorps 
Verliezen
16 doden
20 gewonden
De rest krijgsgevangen of ontsnapt
25 vliegtuigen vernietigd 203 doden of gewonden
2 krijgsgevangenen
12 pantserwagens verwoest of beschadigd
4 tanks beschadigd
1 vliegtuig beschadigd 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor De Slag om Denemarken 9 april 1940

9 april 1940. Duitsland bezet Denemarken zonder weerstand. Ook Noorwegen wordt binnengevallen.

De Tweede slag om El Alamein 1942

De Tweede slag om El Alamein vormde het keerpunt in de Noord-Afrika campagne en geldt samen met de slag om Stalingrad als ťťn van belangrijke keerpunten tijdens de Tweede Wereldoorlog in het voordeel van de geallieerden.
Na de eerste slag om El Alamein, waarin de Duitse-Italiaanse opmars werd gestuit, nam generaal Bernard Montgomery in augustus 1942 het bevel over van Claude Auchinleck en nam zo de leiding over van het Britse 8e Leger.
Situatie
In juli 1942 was het Duitse Afrikakorps onder generaal Erwin Rommel tot ver in Egypte opgerukt. Het bedreigde de Britse aanvoerroute door het Suezkanaal. Zich bewust van zijn te lang uitgerekte bevoorradingslijnen, zijn eigen gebrek aan versterkingen en een massale opbouw van de geallieerde strijdmacht tegenover hem, besloot Rommel toe te slaan terwijl de geallieerde opbouw nog niet compleet was.
Deze aanval op 30 augustus 1942 in de Slag om Alam el Halfa faalde, en in afwachting van een aanval van Montgomery's Britse Achtste Leger, groef het Afrikakorps zich in.
Ondanks grote aandrang van Winston Churchill om zo snel mogelijk aan te vallen, nam Montgomery weken de tijd om de opbouw van zijn leger te voltooien: met 200.000 man en 1000 tanks begon Montgomery zijn aanval op de 100.000 man en 500 tanks van het Duits-Italiaans leger.
Aan Duitse zijde heerste gebrek aan brandstof, drinken, munitie en voedsel. Het Duits-Italiaanse leger ontving slechts 1/3 van de voorraden die het nodig had. Dit had te maken met de lange aanvoerlijnen vanuit de Libische havens en met geallieerde luchtaanvallen op Duitse en Italiaanse bevoorradingsschepen en vrachtwagens.
De Duitsers hadden 218 tanks ter beschikking, waarvan 173 betrouwbare Panzer III en Panzer IV. De Italianen beschikten over 278 middelzware tanks, vooral de M13/40, die als rijdende doodskisten betiteld werden.
Aan Britse zijde waren er bij de aanvang van de gevechten 252 nieuwe M4 Sherman tanks beschikbaar. De 170 in de Verenigde Staten geproduceerde M3 Grant tanks hadden het nadeel dat het kanon vast op de romp gemonteerd was. De Crusader 6pdr. Mk. 3 zou gedurende de slag mechanisch onbetrouwbaar en te licht blijken. Hiernaast beschikten de Britten over de M3 Stuart en de Valentine tank. 
Geallieerd plan
Met Operatie Lightfoot hoopte Montgomery twee doorgangen door de Duitse mijnenvelden in het noorden vrij te maken. Pantsereenheden zouden dan hier doorheen trekken om de Duitse pantsereenheden te verslaan. Afleidingsaanvallen in het zuiden zouden strijdkrachten in het zuiden verhinderen om noordwaarts versterking te bieden. Montgomery verwachtte een gevecht van 12 dagen in drie fasen: "Inbreken, vermorzelen, en breken."
De strijdkrachten van het Gemenebest voerden in de voorafgaande maanden een aantal misleidingen uit om de asmogendheden op het verkeerde been te zetten over de tijd en plaats van de op handen zijnde aanval. Deze misleidingen kregen de codenaam Operatie Bertram. Een dummy pijplijn werd in fasen opgebouwd om de asmogendheden te laten geloven dat de aanval veel later zou plaatsvinden en veel verder naar het zuiden. Er werden namaaktanks gemaakt bestaande uit houten frames gebouwd op jeeps in het zuiden opgesteld. Omgekeerd werden de tanks in het noorden vermomd als vrachtwagens door hier een houten bak bovenop en overheen te bouwen.
De asmogendheden organiseerden hun verdediging in twee linies, die door de geallieerden de Oxalic Line en de Pierson Line genoemd werden. Ze legden meer dan een half miljoen mijnen, vooral antitankmijnen, in wat de Duivelstuin genoemd werd.
De slag
De toestand op 23 oktober
De tweede slag om El Alamein wordt meestal in vijf fasen verdeeld:
1.Het binnenbreken (23-24 oktober)
2.Vermorzelen (24-25 oktober)
3.De tegenaanval (26-28 oktober)
4.Operatie Supercharge (1-2 november) en
5.De doorbraak (3-7 november)
Gedurende 29 en 30 oktober was er een adempauze die meestal geen naam gegeven wordt. 
Fase 1: Binnenbreken
Op een kalme heldere avond met volle maan begon operatie Lightfoot met een artilleriebeschieting door 882 veld- en middelzware stukken artillerie. Deze eindigde 5,5 uur later, en in deze tijdspanne vuurden deze stukken elk gemiddeld 600 granaten af, samen 125 ton.
De operatie werd Operatie Lightfoot genoemd omdat de infanterie eerst diende aan te vallen. Veel van de antitankmijnen zouden niet door overrennende soldaten tot ontploffing gebracht worden omdat zij te licht waren. Tussen de antitankmijnen lagen echter ook antipersoonsmijnen van het type S-mijn. Terwijl de infanterie aanviel, zouden genietroepen een pad voor de hierop volgende tanks vrij maken. Ieder pad zou slechts acht meter breed zijn, voldoende voor ťťn tank. De mijnenvelden waren acht kilometer diep, waardoor de paden niet volledig vrijgemaakt werden.
In het geallieerde plan zou het 13e korps een afleidingsaanval in het zuiden uitvoeren. Zij zouden de Duitse 21e pantserdivisie en de Italiaanse Ariete-pantserdivisie aanvallen, terwijl het 30e korps in het noorden een smal pad door de Duitse mijnenvelden zou trekken voor de gepantserde eenheden van het 10e korps.
Om 10 uur des ochtends kwam het 30e korps in beweging. Het doel was een denkbeeldige lijn in de woestijn waar de sterkste Duitse verdedigingsposten waren gesitueerd.
Toen de infanterie de mijnenvelden bereikte, bewogen de genietroepen voorwaarts om een pad door de mijnenvelden vrij te maken. Om 2 uur 's middags begonnen de eerste van de 500 tanks voorwaarts te bewegen. Om 4 uur bevonden de voorste tanks zich tussen het mijnenveld, waar ze zoveel stof opwaaiden, dat het zicht tot nul gereduceerd werd. Opstoppingen en desoriŽntatie waren het gevolg. Hele colonnes tanks dwaalden af. Sommige tankeenheden dachten dat ze vanuit het eerste mijnenveld gevorderd waren tot het tweede mijnenveld, terwijl zij zich nog in het eerste mijnenveld bevonden.
Fase 2: Vermorzelen
De ochtend van 24 oktober begon voor het Duitse hoofdkwartier met rampspoed. De nauwkeurige artilleriebeschieting had de communicatie van het Duitse opperbevel geraakt. Rommel was op dat moment in Duitsland voor medische behandeling van zijn opgelopen dysenterie, en Georg Stumme, die het bevel tijdens Rommels afwezigheid voerde, stierf tijdens de artilleriebarrage aan een hartaanval. Generaal Wilhelm von Thoma kreeg tijdelijk het bevel.
Ondertussen had het 30e korps slechts een deuk in de eerste mijnenvelden geslagen. Het was nog niet genoeg om het 10e korps doorheen te laten trekken. De gehele dag bombardeerde de Britse luchtmacht daarom de naaste Duitse stellingen. De Royal Air Force vloog die dag meer dan 1000 vluchten.
Bij zonsopgang voerden Duitse tanks een aanval uit op de Britse 51e Hooglanders Infanteriedivisie. Tegen 4 uur 's middags was er nog steeds geen sprake van Duitse voortgang. Tegen zonsondergang, met de zon in de rug, voerde de Duitse 15e pantserdivisie en de Italiaanse Littorio divisie vanuit Kidney Ridge een aanval uit op de AustraliŽrs, en de eerste belangrijke tankslag was een feit. Meer dan 100 tanks waren hierbij betrokken. Toen het duister viel hadden beide partijen de helft van hun tanks verloren en de posities waren onveranderd.
Terwijl de AustraliŽrs tegen de 15e Pantserdivisie vochten, bevochten de Hooglanders de pantsers tegenover hen in het eerste tank vs infanterie gevecht van de slag. Het gevecht duurde twee dagen en kostte veel slachtoffers, maar aan het eind hielden de

Montgomery slaat zijn oprukkende tanks gade 
Datum 23 oktober 1942 Ė 11 november 1942 
Locatie El Alamein, Egypte 
Resultaat Strategische geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Britse Gemenebest Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland
Flag of Italy (1861-1946).svg ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Bernard Montgomery Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Erwin Rommel 
Troepensterkte 
220.000 man en 1100 tanks 116.000 man en 559 tanks 
Verliezen 
13.500 man
500 tanks 20.000 man dood of gewond
30.000 krijgsgevangenen
450 tanks 
 


 

De toestand op 23 oktober

Britse tanks trekken door het mijnenveld

D Plus 2: Zondag 25 oktober 1942
De geplande aanval was op zondag voorbij. Beide legers hadden twee dagen zonder ophouden gevochten. De Britten waren door de mijnenvelden in het westen opgerukt en hadden een 9 km breed en 8 km diep gat in de as-linie geslagen. Ze waren gevorderd tot de Miteriya heuvelkam in het zuidoosten, maar tegelijkertijd zaten de troepen van de asmogendheden nog stevig verschanst in hun oorspronkelijke gevechtsposities. Het gevecht lag even stil. Generaal Bernard Montgomery gaf bevel de gevechten in het zuiden te beŽindigen, de Miteriya heuvelkam te evacueren, en naar het noorden richting zee te draaien. Het slagveld zou zich concentreren bij Kidney end Tel el Eisa totdat er een doorbraak was bereikt. Het zouden zeven bloedige dagen worden.
Vroeg in de morgen lanceerden de asmogendheden een serie aanvallen door de 15e pantser- en de Littorio divisies. Het Afrika Korps zocht zwakke punten, maar vond ze niet. Tegen zonsondergang ging de Britse infanterie in de aanval. Rond middernacht lanceerde de 51e Hooglanderdivisie drie aanvallen, maar niemand wist precies waar. Overal heerste verwarring en vloeide bloed. De Britten verloren meer dan 500 man, en onder de aanvallende troepen bleef slechts 1 officier over.
Terwijl de 51e Hooglanderdivisie bij Kidney opereerde, vielen de AustraliŽrs een ruim 6 meter hoge artillerie observatie post van de asmogendheden aan. Deze stond ten zuidwesten van Tel el Eisa. Dit was de nieuwe draai naar het noorden die Montgomery eerder op de dag bedacht had. Het bepaalde de plaats van de gevechten gedurende de hierop volgende dagen. De 26e Australische brigade viel om middernacht aan. De luchtmacht dropte 115 ton bommen op de linies van de asmogendheden. Hierna waren de geallieerden in staat om de 240 man gevangen te nemen. Voor de asmogendheden was de kleine heuvel van vitaal belang. Zij probeerden deze heuvel dan ook te heroveren. Deze gevechten duurden de hele volgende week.
Fase 3: De tegenaanval 
D Plus 3: Maandag 26 oktober 1944

Rommel keerde op de avond van de 25e terug, en evalueerde onmiddellijk de strijd. Hij verspreidde meteen een dagorder aan al zijn mannen: "Ik ben terug, E. Rommel". Hij constateerde dat de Italiaanse Trento Divisie de helft van haar infanterie verloren had. De 164e lichte divisie was twee bataljons kwijt, terwijl de meeste andere eenheden onder sterkte waren. Alle manschappen leefden op half rantsoen. Er waren veel zieken, terwijl er nog maar brandstof voor drie dagen was.
De geallieerde tegenaanval werd gestaakt. Churchill raasde: "Is het echt onmogelijk een generaal te vinden die een veldslag kan winnen?" Rommel begon zijn tegenaanval om 3 uur 's middags bij "punt 29", de artillerieheuvel. Hij liet zijn tanks van Kidney hier naar toe trekken, voorzien van lucht- en infanteriesteun. Rommel verplaatste ook de Duitse 21e pantserdivisie en de Italiaanse Ariete pantserdivisie vanuit het zuiden naar het "Rahman spoor". Dat bleek een vergissing te zijn: De Britten hielden deze positie en door gebrek aan brandstof konden de Duitse tanks zich niet terugtrekken: ze bleven in het open landschap staan als doelwit voor de Royal Air Force.
Bij Kidney slaagden de Britten er niet in het ontbreken van tanks aan de andere zijde uit te buiten. Elke beweging naar voren van de Britse tanks werd afgestraft door Duitse 88 mm antitankkanonnen.
Rommel werd getroffen door een ernstige tegenslag toen de Royal Navy de tanker Proserpina bij Tobroek tot zinken bracht: zijn laatste hoop om zijn brandstoftekort op te lossen verging hiermee.
D Plus 4: Dinsdag 27 oktober 1942
De slag concentreerde zich nu rond Tel el Aqaqir en Kidney Ridge. Het 2e infanteriebataljon van de Britse 1e pantserdivisie verdedigde een positie die Snipe genoemd werd, ten zuidwesten van de Kidney heuvelkam. De verdediging van Snipe geldt als een van de legenden van El-Alamein. Met de woorden van Phillips:
"De woestijn zinderde van de hitte. Het zweet van de mannen in hun schuttersputjes liep met straaltjes van hun met stof en zand vervuilde gezichten. De stank was verschrikkelijk. De vliegen zwermden in zwarte wolken rond de dode lichamen en uitwerpselen. De plek lag bezaaid met brandende tanks, kapotte kanonnen en voertuigen. Overal hing rook en stof van ontploffende projectielen en afgevuurde geweren."
Ze lagen de gehele dag onder mortier en granaatvuur. Rond 4 uur 's middags openden Britse tanks per abuis het vuur op hun eigen troepen, waarbij velen sneuvelden. Een uur later, om 5 uur, lanceerde Rommel zijn hoofdaanval. Duitse en Italiaanse tanks trokken voorwaarts.
Hoewel ze slechts vier werkende pantserafweerkanonnen hadden, raakten ze 37 van de 40 tanks van de 21e pantserdivisie. De resterende drie Duitse tanks trokken zich terug. Even later volgde een nieuwe Duitse aanval, waarbij op negen na alle Duitse tanks vernietigd werden. Het tweede bataljon had nog slechts drie kanonnen en negen granaten, maar de Duitsers gaven de aanval op.

Italiaanse M13/40 tanks in de woestijn

D Plus 5-6: Woensdag en donderdag 28 en 29 oktober 1942
De Australische 9de divisie vervolgde haar aanval naar het noorden voorbij Tell el Eisa naar een door de as verdedigde plek ten zuiden van de spoorweg die Thompson's Post genoemd werd. Ze wisten door te breken naar de kustweg. Aan het eind van de dag hadden de Britten nog 800 rijdende tanks, terwijl er nog slechts 148 Duitse en 187 Italiaanse tanks rond reden.
Toen het nieuws van het tot zinken brengen van de tanker Luisiano buiten de haven van Tobroek bekend werd, vertelde Rommel zijn commandanten: "Het is nu onmogelijk geworden ons van de vijand terug te trekken. We missen de brandstof voor die manoeuvre. We hebben maar een keuze en dat is tot het einde toe bij Alamein te vechten".
D Plus 7-9: Vrijdag-zondag, 30 oktober - 1 november 1942
De nacht van de 30e bracht een voortzetting van de gevechten van de dag, waarbij de AustraliŽrs aanvielen. In hun derde poging slaagden ze er deze nacht in om de verharde weg te bereiken.
Op 31 oktober lanceerde Rommel vier tegenaanvallen op Thompson's Post. De gevechten waren intensief en bloedig, met vaak hand-tot-hand gevechten, maar de As-strijdkrachten wisten geen terrein terug te veroveren.
Op zondag 1 november probeerde hij het nogmaals, maar de felle en wanhopige gevechten brachten alleen nieuwe verliezen aan materiaal en manschappen. Het werd Rommel nu duidelijk dat de slag verloren was. Hij begon zich voor te bereiden op een terugtocht naar Fuka, enkele kilometers naar het westen. Ironisch genoeg arriveerde nu 1200 ton brandstof. Die had bij het begin beslissend kunnen zijn, maar arriveerde nu te laat. Ze werd aan het eind van de slag deels opgeblazen om te voorkomen dat deze in geallieerde handen viel.
Fase 4: Operatie Superlading
Deze fase van de slag begon op 2 november om 1 uur. Het doel was het vernietigen van de tanks van de as-strijdkrachten. Montgomery wilde de as-strijdkrachten dwingen in het open veld te vechten, waardoor zijn brandstof opgesoupeerd zou raken, de Royal Air Force vrij spel zou hebben, en het vijandelijke leger zou desintegreren. De intensiteit en vernietiging overtroffen alles wat er tot dan toe tijdens de gevechten had plaatsgevonden. Het geografische doel van Superlading was Tell al-Aqaqir langs het Rahman spoor, de basis van de as-verdediging.
De aanval ging van start met een zeven uur durend bombardement gericht op Tel el Aqaqir en Sidi Abdel Rahman. Hierop volgde een 4,5 uur durende artillerie barrage van 360 kanonnen en 15.000 granaten. De eerste aanvalsgolf werd getrokken door de geharde veteranen van de Nieuw-Zeelandse divisie. Hun commandant, Freyberg had geprobeerd zijn manschappen hiervan te ontlasten, omdat zijn divisie onder sterkte en moe was. Hij kreeg niet zijn zin en op deze koude novembernacht, met een ondergaande maan, kwamen de Nieuw-Zeelanders in beweging.
Bij het opgaan van de zon op 2 november werd tank na tank geraakt door de Duitse 88 mm kanonnen die 7 luchtaanvallen overleefd hadden. De 9e haalde hun doelen niet. Ze verloren 102 van hun 128 tanks. Wel hadden ze de eerste Duitse linie doorbroken, en de 1e pantserdivisie mengde zich nu in de strijd. In de hitte van de middagzon naderden 120 Italiaanse en Duitse tanks voor de grootste, meest kritieke en laatste tankslag, die om de Tel el Aqaqir heuvelkam.
Dit gevecht duurde de gehele dag.
Rommel riep de Ariete-divisie uit het zuiden op om bij de verdediging van Tel el Aqaqir te helpen. Bij het vallen van de avond hadden de as-strijdkrachten op heel het front nog maar 32 werkende tanks over. Terwijl het Afrikakorps voor zijn voortbestaan vocht bij Tel el Aqaqir, begon Rommel de terugtocht naar Fuka.
Fase 5: De uitbraak
Rommel stuurde Hitler een boodschap met uitleg van de hopeloze positie en vroeg terug te mogen trekken. Hitler gaf bevel stand te houden. Von Thoma vertelde hem: "Ik ben net het slagveld rond geweest. De 15e pantserdivisie heeft 10 tanks over, de 21e pantser 14 en Littorio 17." Rommel las hem Hitlers boodschap voor, waarop von Thoma hem verliet om aan het hoofd van het Afrika korps plaats te nemen. Toen er 150 Britse tanks kwamen bij de restanten van de 15e en 21e divisies, stond von Thoma naast zijn mannen. Hij was in de commandotank op de plaats waar de twee pantsereenheden zich samenvoegden, en bleef daar tot de vernietiging van de laatste tank. Aan het eind stond hij alleen naast zijn brandende tank op de plaats die later bekendstond als het "pantsergraf".
Ondanks de wanhopige situatie gaf Rommel zijn mannen bevel stand te houden. Gehele eenheden werden vernietigd, al bleven er overal kleine restanten standhouden. Er was een 20 km breed gat in de as-linie geslagen. Rommel concludeerde: "Wanneer we hier blijven, houdt het leger het geen drie dagen meer uit. Als ik de opdrachten van de FŁhrer gehoorzaam, loop ik het risico dat mijn eigen mannen me niet meer gehoorzamen. Mijn mannen gaan voor!" Rommel gaf bevel tot een massale terugtocht tegen Hitlers orders in.
D Plus 12, 4 november 1942
Op 4 november gingen de laatste aanvallen van start. De Britse 1e, 7e en 10e pantserdivisies passeerden door het gat in de as-linie en opereerden nu in de open woestijn.
De geallieerden hadden de slag gewonnen. De asmogendheden waren op de terugtocht. De doorgebroken strijdkrachten vernietigden op de dag de restanten van de Italiaanse Ariete pantserdivisie, de Littorio divisie en de Trieste gemotoriseerde divisie.
Rommel had 55.000 man, 1000 kanonnen en 450 tanks verloren. De geallieerden hadden 13.500 man verloren. Ze verloren ook 100 kanonnen en 500 tanks. John Currie van de 9e pantser Brigade wees naar 12 tanks toen men hem vroeg waar zijn regimenten waren. "dat zijn mijn pantserregimenten". Generaal-majoor Douglas Wimberley zwoer: "Nooit meer".
Winston Churchill vatte het resultaat van de slag op 10 november 1942 samen met de woorden: "Dit is niet het einde, zelfs niet het begin van het einde, maar het is misschien wel het einde van het begin."
De slag was Montgomery's grootste overwinning. Hij kreeg de titel "Viscount Montgomery of Alamein" toen hij in de adelstand verheven werd.
De landingen van Toorts in het westen van Noord-Afrika betekenden een versnelling van het einde van de aanwezigheid van de as-strijdkrachten in Noord-Afrika.

Een brandende Panzer IV tank en een Crusader tank

De Slag om Guadalcanal 1942-1943

De Slag om Guadalcanal

De Slag om Guadalcanal, ook bekend onder de codenaam Operation Watchtower, tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde in 1942 tot de verovering door Amerikaanse strijdkrachten van het door Japanners bezette eiland Guadalcanal (deel van de Salomonseilanden in de Stille Oceaan). De tweede aflevering van de HBO-miniserie The Pacific handelt over de slag.

Voorbeschouwing

Alhoewel het verlies aan mensenlevens (ongeveer 24.000 Japanners en 6.000 Amerikanen) beperkt bleef in vergelijking met andere gevechten, werd de campagne gekenmerkt door grimmige gevechten en een aantal primeurs:
voor het eerst werden de Japanse landstrijdkrachten verslagen
de eerste amfibische landing van Amerikaanse strijdkrachten sinds 1898
gevarieerdheid van de strijd (vlootacties, kustbeschietingen, guerrillatactieken, landoorlog, luchtgevechten...)

Guadalcanal ligt in het midden van de langgerekte keten van de Salomonseilanden ten noorden van AustraliŽ.

De Keizerlijke Japanse marine wilde de Salomonseilanden in een belangrijke strategische basis veranderen en begon in 1942 met een programma om alle eilanden te bezetten en hier luchthavens te bouwen voor landgestationeerde patrouillebommenwerpers. Guadalcanal zou de belangrijkste basis in het midden van de keten worden. Wanneer zij hierin zouden slagen, zou de geallieerde scheepvaart tussen de VS en AustraliŽ een lange omweg langs het zuiden moeten maken. Japan had reeds een basis in Rabaul, in het noorden van de eilandenketen.

Steeds opnieuw voerden de tegenstanders versterkingen aan, niemand wilde eraan denken deze slag te verliezen. De Japanners bezetten het in juli 1942 als tussenstation op hun weg naar AustraliŽ en HawaÔ; de Amerikanen (meer bepaald admiraal Ernest King, chef van de operatie) wilden het gebruiken als uitvalsbasis voor hun opmars in noordwestelijke richting. Isoroku Yamamoto, commandant van de Japanse vloot, besefte bij het begin onvoldoende het belang van deze confrontatie en de middelen die ze zou vergen.

Het verlies van Guadalcanal betekende voor de Japanners dat ze in defensieve positie terechtkwamen en de Amerikanen het eiland als springplank konden gebruiken voor de opmars naar Japan. 
Operatie Watchtower

Generaal Alexander Vandergrift wordt amper vijf weken voor de start van de aanval aangesteld als bevelhebber van de Amerikaanse grondtroepen in een slag die uiteindelijk leidt tot de evacuatie van het eiland door de Japanners. In de periode tussen augustus 1942 en februari 1943 vindt een aantal confrontaties te land, ter zee en in de lucht plaats die hieronder gedetailleerd worden beschreven.
de landing op 7 augustus 1942
Zeeslag bij het eiland Savo op 9 augustus 1942, een eerste mislukte poging van de Japanse marine om de Amerikanen, ondanks hun zware verliezen, te verdrijven.
Op 18 augustus landt Kolonel Kiyono Ichiki met 950 man op het eiland. Bij een drieste Banzai-aanval van deze elitetroepen sneuvelen meer dan 700 Japanners. Kolonel Ichiki pleegt harakiri.
In de zeeslag om de oostelijke Salomonseilanden op 24 augustus raakt het Amerikaans vliegdekschip Enterprise zwaar beschadigd. De Japanners verliezen onder meer hun vliegdekschip Ryujo.
Op 12-14 september slaat kolonel Mike Edson een aanval van 7.000 Japanners onder leiding van generaal-majoor Kiyotake Kawaguchi af. Deze confrontatie wordt later de Battle of Bloody Ridge genoemd. Zware luchtbombardementen op Henderson Field en beschietingen met scheepsgeschut gaan eraan vooraf.
Op 15 september gaat het vliegdekschip Wasp verloren bij een duikbootaanval. De zware kruiser North Carolina incasseert een torpedotreffer. 4.000 Amerikaanse soldaten aan boord van transportschepen raken veilig aan land.
Luitenant-generaal Haruyoshi Hyakutake landt op 9 oktober met 20.000 man. Vandergrift ziet zijn strijdmacht versterkt met 4.000 soldaten.
De Zeeslag bij Cape Esperance op 11-12 oktober eindigt met licht Amerikaans voordeel. De Amerikaanse marine kan echter het continu aan land zetten van Japanse troepen (door de Marines smalend de Tokio-expres genoemd) wel vertragen maar niet verhinderen.
Op 13 oktober wordt Henderson Field opnieuw beschoten door scheepsartillerie en door Pistol Pete (een stuk zware veldartillerie). In tachtig minuten treffen 918 granaten van zwaar kaliber het vliegveld waardoor het onbruikbaar wordt.
Hyakutake maakt nieuwe plannen om op 18 oktober een drieledige aanval vanuit verschillende richtingen op Henderson Field te lanceren. De Japanse marine en luchtmacht leveren steun. Moeilijkheden bij het vervoer van kanonnen door de jungle en de niet aflatende regen zorgen voor uitstel tot 24 oktober. Eenheden onder bevel van Generaal Sumioyosji, die niet op de hoogte zijn van het uitstel, lanceren hun aanval op 23 oktober. 650 Japanners sneuvelen. De aanval van de Sendai-divisie wordt 's anderendaags afgeslagen (meer dan 900 Japanse gesneuvelden). Scheepsartillerie, bommenwerpers en Pistol Pete beschieten Amerikaanse stellingen op 25 oktober (dug-out sunday). 's Avonds vallen Japanse grondtroepen opnieuw en ook deze keer zonder succes aan. Vanaf 29 oktober beginnen ze zich terug te trekken.
In de nacht van 25 op 26 oktober is er een nieuwe confrontatie tussen de Japanse en Amerikaanse marine (Zeeslag bij de Santa Cruz-eilanden). De Amerikanen verliezen het vliegdekschip Hornet, de torpedojager Porter en 74 vliegtuigen. Het vliegdekschip Enterprise en de South Dakota worden beschadigd. De Japanners verliezen honderd vliegtuigen; de vliegdekschepen Shokaku en Zuiho, de zware kruiser Tsjikuma en de torpedojager Terutsuki worden zwaar beschadigd. 
 

Locatie van Guadalcanal 
Datum 7 augustus 1942 - 9 februari 1943 
Locatie Guadalcanal op de Salomonseilanden 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Vlag van AustraliŽ AustraliŽ
Vlag van Nieuw-Zeeland Nieuw-Zeeland Vlag van Japan Japan 
Commandanten en leiders 
Frank Fletcher (tactisch commandant)
Alexander Vandergrift (leger) Hyakutake Haruyoshi (leger)
Gunichi Mikawa (marine) 
Troepensterkte 
29.000 (12 november) 30.000 (12 november) 
Verliezen 
6000 24.000



V.S. Mariniers op Guadalcanal

V.S. Mariniers op Guadalcanal

De Slag om Madagaskar-6 november 1942

De Slag om Madagaskar (ook bekend als Operatie Ironclad) was een geallieerde campagne om tijdens de Tweede Wereldoorlog het door Vichy-Frankrijk bezette Madagaskar in handen te krijgen. De slag begon op 5 mei 1942, en duurde tot 6 november 1942
Achtergrond
Begin 1942 vreesden geallieerde leiders dat de havens op Madagaskar zouden worden gebruikt door het Keizerrijk Japan; een idee dat werd gedeeld door de Kriegsmarine. Na hun verovering van Zuidoost-AziŽ was de Japanse marine in staat om verder naar het westen te trekken. OnderzeeŽrs van de Japanse Keizerlijke Marine konden vrijuit door de Indische Oceaan varen. In maart 1942 voerden Japanse vliegtuigen een aanval uit op de Indische Oceaan. Hierdoor werd de Britse Oostelijke Vloot verdreven uit het noordoosten van de Indische Oceaan.
De mogelijkheid bestond dat de Japanners nu Madagaskar zouden gebruiken als basis voor verdere aanvallen. Ze zouden dan een grote bedreiging vormen voor transportschepen van de geallieerden. Japanse onderzeeŽrs hadden destijds het grootste bereik van allemaal: 16.000 kilometer. 
De landingen
19 september 1942. Geallieerde troepen landen in Tamatave harbour. (fotograaf: Lt D.C. Oulds.)
Na enkele verkenningsmissies van de South African Air Force (SAAF), voerden de 5e infanteriedivisie (Verenigd Koninkrijk), de 17e infanteriebrigade (Verenigd Koninkrijk) en de 13e infanteriebrigade (Verenigd Koninkrijk), evenals de 29e infanteriebrigade (Verenigd Koninkrijk), en 5 Commando Royal Marines een landing uit. De troepen werden met landingsvaartuigen naar Courrier Bay en Ambararata Bay in het noorden van Madagaskar gebracht, onder dekking van de slagschepen. Tegelijkertijd werd een tweede aanval ingezet vanuit het oosten. Deze was vooral bedoeld ter afleiding. De aanval werd vanuit de lucht bijgestaan door voornamelijk Fairey Albacores, Grumman Martlets en Fairey Swordfish van de Fleet Air Arm. Een klein aantal SAAF-vliegtuigen hielp ook mee.
De troepen van Vichy-Frankrijk werden geleid door gouverneur-generaal Armand Lťon Annet. Het Vichy-Franse leger telde 8.000 soldaten, waarvan 6.000 inwoners van Madagaskar. Ongeveer 1.500 tot 3.000 Vichy-troepen bevonden zich rond Diego Suarez, de havenplaats vlak bij de plek waar de landingen plaatsvonden.
Na een hevige strijd gaf Diego Suarez zich op 7 mei over aan de geallieerden. De overige Vichy-troepen trokken zich echter terug naar het zuiden.
De Japanse onderzeeŽrs I-10, I-16 en I-20 arriveerden drie weken later bij Madagaskar. Het verkenningsvliegtuig van de I-10' zag de Ramillies voor anker liggen bij Diego Suarez, waarna I-20 en I-16 beide twee minionderzeeŽrs lanceerden. Deze slaagden erin de haven te betreden en twee torpedoís af te vuren, terwijl zelf werden aangevallen met dieptebommen. Een torpedo beschadigde de Ramillies, terwijl de tweede de olietanker British Loyalty deed zinken. Ramillies werd later gerepareerd in Durban en Plymouth.
De bemanning van een van de minionderzeeŽrs, luitenant Saburo Akieda en Petty Officer Masami Takemoto, ging aan land bij Nosy Antalikely en trok landinwaarts naar Cape Amber. Ze werden echter betrapt en gedood door Britse soldaten toen ze in een dorp voedsel kochten. De andere minionderzeeŽr werd vermist op zee. Het lichaam van een van de bemanningsleden spoelde een dag later aan.

Na de geslaagde landing, bleven de geallieerden nog enkele maanden op verzet stuiten. Tijdens de zomer van 1942 werden twee brigades van het 5e infanteriedivisie (Verenigd Koninkrijk) naar India overgeplaatst. Op 22 juni arriveerde de Oost-Afrikaanse Brigade Group op Madagaskar. De 7e gemotoriseerde brigade (Zuid-Afrika) en de 27e infanteriebrigade (RhodesiŽ) arriveerden in de weken na de komst van de Oost-Afrikanen.
Op 10 september voerden de 29e Brigade en 22e Brigade een amfibische aanval op Majunga om de geallieerde troepen voor de komst van het regenseizoen verder te helpen. De opmars van de geallieerden verliep echter traag. Naast regelmatige kleine gevechten met vijandige troepen, kwamen ze ook obstakels tegen zoals wegblokkades. Uiteindelijk veroverden de geallieerden de hoofdstad, Tananarive, zonder veel tegenstand. De laatste grote slag was bij Andriamanalina op 18 oktober. Annet gaf zich op 8 november over vlak bij Ilhosy, in het zuiden van het eiland.
Landcampagnes
December 1942. Vier Westland Lysander Mark IIIA verkenningsvliegtuigen vliegen over Madagaskar.
Na de geslaagde landing, bleven de geallieerden nog enkele maanden op verzet stuiten. Tijdens de zomer van 1942 werden twee brigades van het 5e infanteriedivisie (Verenigd Koninkrijk) naar India overgeplaatst. Op 22 juni arriveerde de Oost-Afrikaanse Brigade Group op Madagaskar. De 7e gemotoriseerde brigade (Zuid-Afrika) en de 27e infanteriebrigade (RhodesiŽ) arriveerden in de weken na de komst van de Oost-Afrikanen.
Op 10 september voerden de 29e Brigade en 22e Brigade een amfibische aanval op Majunga om de geallieerde troepen voor de komst van het regenseizoen verder te helpen. De opmars van de geallieerden verliep echter traag. Naast regelmatige kleine gevechten met vijandige troepen, kwamen ze ook obstakels tegen zoals wegblokkades. Uiteindelijk veroverden de geallieerden de hoofdstad, Tananarive, zonder veel tegenstand. De laatste grote slag was bij Andriamanalina op 18 oktober. Annet gaf zich op 8 november over vlak bij Ilhosy, in het zuiden van het eiland.
De Vrije Franse generaal Paul Legentilhomme werd benoemd tot hoge commissaris voor Madagaskar. De Franse controle over het eiland duurde echter niet lang, daar Madagaskar net als veel andere koloniŽn na de oorlog onafhankelijk wilde worden.
De bezetting van Madagaskar betekende bovendien het definitieve einde van het Madagaskarplan, het in bepaalde nazikringen aangehangen plan joden naar Madagaskar te deporteren. Hoewel de uitvoerbaarheid op dat moment al zeer bezwaarlijk was, betekende de bezetting van Madagaskar dat het plan nu definitief van tafel ging. In de ogen van de nazi's bleef er nog maar een alternatief over: totale uitroeiing.

Britse soldaten landen in Tamatave, mei 1942. 
Datum 5 mei Ė 6 november 1942 
Locatie Madagaskar 
Resultaat Overwinning voor de geallieerden 
Casus belli Japanse onderzeeŽrs bedreigden vaarroutes 
Territoriale
veranderingen Geallieerden veroveren Madagskar 
Strijdende partijen 
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk (inclusief Afrikaanse koloniŽn)
Flag of South Africa 1928-1994.svg Zuid-Afrika
Flag of Australia.svg AustraliŽ Flag of Philippe Pťtain, Chief of State of Vichy France.svg Vichy-Frankrijk
Merchant flag of Japan (1870).svg Japan 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg Robert Sturges Flag of Philippe Pťtain, Chief of State of Vichy France.svg Armand Lťon Annet
Merchant flag of Japan (1870).svg Ishizaki Noboru 
Troepensterkte 
10.000-15.000 (landtroepen) 8.000 (landtroepen)[1] 
Verliezen 
107 gedood bij gevechten
280 gewond
In totaal: 680 dood (door ziektes etc.) 

 

19 september 1942. Geallieerde troepen landen in Tamatave harbour. (fotograaf: Lt D.C. Oulds.)

 

December 1942. Vier Westland Lysander Mark IIIA verkenningsvliegtuigen vliegen over Madagaskar.

Het Saaroffensief 7-16 september 1939

Het Saaroffensief werd op 7 september 1939 gelanceerd door het Franse leger tegen nazi-Duitsland als reactie op de Duitse invasie in Polen. Het offensief werd op 16 september 1939 door de Franse opperbevelhebber tot stilstand gebracht. De terugtrekking van de Franse troepen werd bevolen op 21 september 1939 en voltooid op 4 oktober 1939


Voorgeschiedenis

Op 23 augustus 1939 sloten nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact af dat een non-agressieverdrag was waarin de twee landen afspraken elkaar niet aan te vallen, en dat ook niet te doen als een van beide door een derde land zou worden aangevallen. Adolf Hitler wilde het vermeende onrecht dat de Duitsers was aangedaan met de overgave in de Eerste Wereldoorlog en de represaillemaatregelen uit de Vrede van Versailles ongedaan maken en het Erste Reich (Heilig Roomse Rijk) opnieuw opbouwen. De Duitsers hadden op dat moment de demilitarisatie van het Rijnland naast zich neergelegd, Saarland ingenomen, de Anschluss van Oostenrijk, Sudetenland en TsjechiŽ bewerkstelligd en waren nu militaire voorbereidingen aan het treffen voor een Poolse campagne.

Een onderdeel van de Poolse invasie was een manteloperatie in Duitsland waarbij moest blijken dat Polen de agressor was die Duitsland binnenviel en Hitler een politieke aanleiding had om op zijn beurt Polen binnen te vallen met zijn divisies. De SS werd ingeschakeld om een grensincident te plannen nabij Gleiwitz. Zodoende startte op 31 augustus 1939 Operatie Himmler waarbij een SD-Sonderkommando het Duitse radiostation overmeesterde en een doodgeschoten misdadiger (uit een Duitse gevangenis) achterlieten in een Pools uniform om zo de indruk te wekken dat het om een Poolse agressiedaad ging. Het SD-commando stuurde een radiobericht de ether in met de melding dat de strijd tussen Polen en de Duitsers was aangebroken waarna de propagandamachine van Hitler de opgezette actie aan de buitenlandse pers toelichtte en zo de Duitsers een reden gaven om Polen binnen te vallen. Zoals gepland ging op 1 september 1939 om 4u45 op Fall Weiss van start. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk verklaarden op 3 september 1939 de oorlog aan nazi-Duitsland.Deze militaire escalatie zou ten slotte bekend worden als de Tweede Wereldoorlog. 
Het offensief

Generaal Faury, de commandant van de invallende troepen
Frankrijk had aan Polen de garantie gegeven dat zijn leger na het begin van de vijandelijkheden met inzet van alle krachten een ontlastend offensief zou beginnen aan de Duitse grens. Door de diplomatieke crisis werden al in de laatste week van augustus 1939 een aantal Franse legereenheden in staat van paraatheid gebracht en naar de Frans-Duitse grens gezonden. Eerst bleven die werkloos toezien omdat men nog hoopte op een diplomatieke oplossing van het conflict. Toen die uitbleef overschreden ze in de nacht van 7 op 8 september 1939 onder commando van Louis Faury de grens met Duitsland nabij SaarbrŁcken in Saarland en markeerden hiermee de start van het Saaroffensief. In totaal namen elf divisies (veel minder dan de vijfendertig die waren toegezegd van de vijfentachtig waarover Frankrijk beschikte) van het Vierde en Vijfde Leger deel aan deze militaire operatie over een frontbreedte van 32 kilometer. De Duitse weerstand was minimaal, omdat nagenoeg alle eenheden aan de Poolse invasie deelnamen ó het Oberkommando der Wehrmacht had van Hitler geen voorbereidingen mogen treffen tegen een Frans offensief omdat Hitler er van overtuigd was dat Frankrijk de oorlog niet zou durven te verklaren. Aan de hele westgrens lagen maar elf getrainde Duitse divisies.

De Franse opmars werd voornamelijk gehinderd door de versperringen en mijnenvelden van de Westwall en artillerieduels. Ondanks de geringe Duitse weerstand kwam het niet tot een grote Franse opmars. De reden is vooral te vinden in het feit dat het Franse opperbevel zich voorlopig wilde beperken tot statische oorlogsvoering omdat er nog grote tekortkomingen waren in bewapening (vooral bij de luchtmacht) en op de lange duur de tijd in het voordeel van Frankrijk zou werken. Het leek dus onverantwoord om deze vermeende zekerheid van een uiteindelijke overwinning op het spel te zetten door een gewaagd strategisch offensief, dat ook niet paste binnen de zeer methodische Franse militaire doctrine. Toen men Polen de belofte van bijstand deed, was men al niet van plan geweest die na te komen.[bron?] Daarbij was men zeker niet van plan dwars door de Siegfriedlinie op te rukken: al op 1 september 1939 had de Franse opperbevelhebber Maurice Gamelin aan premier …douard Daladier duidelijk gemaakt dat een beslissende aanval op Duitsland alleen kans van slagen zou hebben door de neutraliteit van BelgiŽ en Nederland als eerste te schenden en via die landen een omtrekkende beweging te maken om de Westwall heen. De planning van de Entente voorzag zo'n actie pas in de zomer van 1941, wanneer voldoende nieuwe pantserdivisies op de been waren gebracht.

Tijdens het offensief beperkte men zich tot het innemen van al volledig door de Duitse burgerbevolking ontruimde saillanten. Tot een aanval op de hoofdwerken van de Westwall kwam het dus niet. Ten zuidwesten van SaarbrŁcken werden de vijftig vierkante kilometer van het woud van Warndt bezet, met het dorpje Lauterbach. Ten zuidoosten, voor Breitfurt, werd een strook grensgebied bezet met een breedte van een kleine dertig kilometer en maximaal acht kilometer diep. Die bevatte de dorpjes BŁbingen, Kleinblittersdorf en Reinheim.

Op 16 september deed Gamelin Instruction personnelle numťro 4 uitgaan. Deze legerorder legde de opmars al weer stil, met als argument dat de Polen toch al het punt stonden het te begeven onder de Duitse druk en een voortzetting van het offensief dus nutteloos leek. Op 21 september kwam het bevel terug te trekken, mochten de Duitsers tot de tegenaanval overgaan. Dat gebeurde niet maar op 23 september werden de tankbataljons teruggetrokken. Op 30 september volgden de infanterie-eenheden, in het diepste geheim om de publieke opinie niet te verontrusten. De terugtocht was voltooid op 4 oktober; slechts een veiligheidsscherm van lichte infanterie bleef achter. Op 16 oktober begonnen de Duitsers dan inderdaad op te rukken. De Franse voorposten trokken zich terug en op de morgen van de volgende dag was vrijwel het hele Duitse grondgebied al weer bevrijd. Aan beide zijden waren de verliezen gering; bij de Duitsers sneuvelden in de eerste twee maanden van de oorlog 198 man aan het westfront.

Een Franse soldaat in Saarland 
Datum 7 september - 16 september 1939 
Locatie Saarland, Duitsland 
Resultaat Franse terugtrekking 
Strijdende partijen 
Flag of France.svg Frankrijk Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of France.svg Maurice Gamelin
Flag of France.svg Andrť-Gaston Prťtelat Flag of the NSDAP (1920Ė1945).svg Erwin von Witzleben 
Troepensterkte 
40 divisies
2.400 tanks
4.700 artillerie 22 divisies
100 artillerie 
Verliezen 
22 doden
105 gewonden
58 vermisten 196 doden
114 vermisten
356 gewonden
11 vliegtuigen verloren



Generaal Faury, de commandant van de invallende troepen

De Landing op Iwo Jima-26 maart 1945

De Landing op Iwo Jima (codenaam Operatie Detachment) was in februari 1945 een landingsoperatie van de Amerikanen op het eiland Iwo Jima die een onderdeel vormde van de gevechten in de Grotten.
Oceaan tussen de Verenigde Staten en Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Amerikanen wilden Iwo Jima als basis voor hun (lucht)aanvallen op Japan gebruiken. Zij wisten het eiland op de Japanners te veroveren en verkregen zo de controle over de daar aanwezige drie vliegvelden, de enige tussen Japan en de Marianen en op 1250 km van Tokio. De Japanners hadden deze gebruikt om Amerikaanse bommenwerpers te onderscheppen onderweg van en naar hun bombardementen op Japan en nu konden de Amerikanen het eiland gebruiken als 'springplank' naar het Japanse vasteland.
Voorspel
Ten tijde van de Aanval op Pearl Harbor had het Japanse leger een garnizoen van 3700-3800 man gelegerd op Chichi-jima. Hiernaast waren er een 1200 man marinepersoneel gevestigd op de Chichi-jima marinebasis. Deze bestond uit een basis voor watervliegtuigen, een radio- en weerstation en verschillende lichte vaartuigen als mijnenvegers, onderzeebootjagers en patrouilleboten.
Op Iwo Jima had de marine een vliegveld gebouwd op 1,5 ŗ 2 km afstand van de berg Suribachi. 1500 man marineluchtvaart personeel en 20 vliegtuigen vormden de bezetting van het vliegveld.
Na het verlies van de Marshalleilanden en de vernietigende luchtaanvallen op Truk in de Carolinen in februari 1944, heroverwogen de Japanse militaire leiders de situatie. Alle inlichtingen wezen op een komende Amerikaanse aanval richting de Marianen en de Carolinen. Als maatregel hiertegen formeerden zij een binnenste verdedigingslinie die zich uitstrekte van de Carolinen tot de Marianen, en van daar naar de Bonin-eilanden. In maart 1944 werd het 31ste Japanse leger geformeerd onder bevel van generaal Hideyoshi Obata om deze binnenste verdedigingslinie te bemannen. De commandant van het Chichi-jima garnizoen werd nominaal bevelhebber van de leger- en marine-eenheden op de Bonin-eilanden.
Omdat Japan zich na het verlies van de Marianen in de zomer van 1944 terdege realiseerde dat het verlies van de Bonin-eilanden een verheviging van de bombardementen op het Japanse thuisland zou betekenen, stuurden zowel de marine als het leger versterkingen naar Iwo Jima. In maart en april 1944 kwamen er 500 man marine en 500 man versterking van het leger aan. Samen met versterkingen van Chichi-jima en de thuiseilanden groeide de kracht van de verdediging uit tot 5000 man met 13 stukken artillerie en 200 lichte en zware machinegeweren. De defensie beschikte hiernaast over 12 zware luchtafweerkanonnen, 120 mm scheepsafweergeschut, en 30 25mm dubbelloops luchtafweermitrailleurs.
De Japanse verdedigingsplannen werden gecompliceerd doordat de marine na de vernietigende nederlaag van haar vloot in de Slag in de Golf van Leyte niet meer in staat was de landingen effectief te hinderen. Bovendien waren de luchtverliezen zo zwaar dat, zelfs vertraging door luchtaanvallen niet meegenomen, het tot maart of april 1945 zou duren voordat de Japanners weer over 3000 toestellen zouden beschikken. Zelfs dan zouden deze toestellen niet boven Iwo Jima kunnen worden ingezet, want het eiland viel buiten bereik van de Japanse vliegtuigen. En datgene wat er aan vliegtuigen was, was hard nodig op Formosa en de aangrenzende eilanden, waar in ieder geval voldoende luchtbases beschikbaar waren.
In een naoorlogse studie beschreven Japanse stafofficieren de strategie bij de verdediging van Iwo Jima als volgt:
In het licht van bovenstaande situatie, onderkennend dat het onmogelijk was om lucht, land- of zeeoperaties uit te voeren die tot een uiteindelijke overwinning zouden leiden, werd besloten dat om tijd te winnen voor de voorbereiding van de verdediging van het (Japanse) thuisland, onze strijdkrachten uitsluitend moesten vertrouwen op de beschikbare verdediging van het gebied en het doel de vertraging van de vijandelijke opmars was.Het was een terneerdrukkende gedachte dat zelfs zelfmoordaanvallen van kleine groepen marine- en legervliegtuigen, verrassingsaanvallen van onderzeeŽrs en landingen door parachutisten niet in staat zouden zijn incidentele strategische kansen te benutten.
Zelfs voor de val van Saipan in juni 1944, wisten de Japanners dat Iwo Jima versterkt diende te worden. Eind mei informeerde generaal Hideki Tojo luitenant-generaal Tadamichi Kuribayashi op het kantoor van de premier dat hij uitgekozen was om Iwo Jima tot het eind te verdedigen. Kuribayashi werd het belang van deze opdracht benadrukt: de ogen van heel Japan waren op hem gericht. Op 8 juni begaf Kuribayashi zich op weg voor wat zijn laatste opdracht zou zijn.
In de begindagen van 1945 wachtte Japan het vooruitzicht van een geallieerde invasie. Dagelijkse bombardementen vanaf de Marianen, onderdeel van Operatie Scavenger, richtten vernietigende schade aan. Iwo Jima diende als waarschuwingsstation. Per radio werd de komst van Amerikaanse bommenwerpers aan Japan doorgegeven. De Japanse luchtverdediging was dan klaar wanneer de geallieerde bommenwerpers zouden arriveren.
De landing werd door de geallieerden gepland omdat tussen de landing op Leyte in de Filipijnen en de landing op Okinawa een gat van twee maanden in de planning zat. Dit werd niet aanvaardbaar geacht.
Japanse voorbereidingen
Generaal Kuribayashi kwam tussen 8 en 10 juni 1944 aan op Iwo Jima. Bij zijn aankomst waren er 80 gevechtsvliegtuigen aanwezig, maar begin juli waren er hier slechts vier van over. Een Amerikaanse marine-eenheid beschoot gedurende twee dagen vanaf dichtbij het eiland. Er bleef geen gebouw heel. Ook werden de laatste vier vliegtuigen vernield.
Tot verbazing van het garnizoen volgde er in de zomer van 1944 geen invasie. Er bestond echter weinig twijfel dat de Amerikanen een invasie zouden ondernemen. Het was duidelijk dat bij gebrek aan lucht- en marineondersteuning de val van het eiland onvermijdelijk was, maar generaal Kuribayashi was vastbesloten de tegenstander daar een zo hoog mogelijke prijs voor te laten betalen. Als eerste stap liet hij alle burgers evacueren, iets wat eind juli gereed was.
Kuribayashi voorganger, luitenant-generaal Hideyoshi Obata, had conform de geldende doctrine dat invasies direct aan de waterzijde gestopt dienden te worden, de kustlijn versterkt met bunkers en artillerie. Generaal Kuribayashi hield er een andere mening op na. In plaats van een vergeefse poging om de stranden te houden, liet hij deze alleen met lichte wapens verdedigen. Alle artillerie, mortieren en raketten werden aan de voet en op de hellingen van de vulkaan Suribachi en op de hoge grond in het noorden geplaatst.
Voor een langdurige verdediging van het eiland zou een uitgebreid en doordacht systeem van tunnels op verschillende niveaus nodig zijn, immers het kustbombardement had getoond dat gebouwen de beschietingen van scheepsgeschut niet konden weerstaan. Er werden ingenieurs uit Japan ingezet om de tunnels en grotten zo te ontwerpen dat ook bij langdurige beschieting verse lucht aanwezig zou zijn.
Tegelijkertijd begonnen versterkingen op het eiland te arriveren. Kuribayashi besloot de 2de gemengde brigade van 5000 man over te plaatsen van Chichi naar Iwo. Na de val van Saipan werden 2700 man van het 145ste infanterieregiment onder kolonel Masuo Ikeda naar Iwo Jima overgebracht. Deze versterkingen brachten in juli en augustus de getalsterkte omhoog tot 12.700 man. Een genie bataljon van 1233 man begon met de constructie van de bunkers en ander fortificaties.
Op 10 augustus arriveerde admiraal Toshinosuka Ichimaru, kort daarna gevolgd door 2216 man marine personeel. Vervolgens arriveerden artillerie-eenheden en vijf antitankbataljons. Hoewel veel bevoorradingsschepen onderweg naar Iwo Jima door Amerikaanse onderzeeŽrs en vliegtuigen tot zinken werden gebracht, bereikte gedurende de zomer en het najaar van 1944 veel materiaal het eiland.
Eind 1944 had Kuribayashi 361 stukken artillerie beschikbaar van 75 mm of zwaarder. Hiernaast had hij een dozijn 320 mm mortieren, 65 middelzware (150 mm) en lichte (81 mm) mortieren, 33 stukken scheepsgeschut van 80 mm en 94 luchtafweerkanonnen van 75 mm of meer. Hiernaast waren er 200 20 en 25 mm luchtafweerkanonnen, en 69 antitankkanonnen. De vuurkracht van deze artillerie werd versterkt met 70 raketlanceerders van diverse formaten, waaronder een reuzenexemplaar van meer dan 500 pond met een bereik van 7 km.
Het 26e tankregiment werd onderweg naar Iwo Jima getorpedeerd en verloor al haar 28 tanks. De 600 man kwamen wel veilig aan. Er werden nieuwe tanks in Japan besteld en in december kwamen er 22 aan. De bedoeling van kolonel Nishi was zijn tanks als brandweerploeg te gebruiken: overal in te zetten waar de situatie uit de hand dreigde te lopen. De heuvelachtige natuur van het eiland verhinderde een dergelijk gebruik en de tanks werden ingegraven.
Alle artillerie werd door de Japanners ingebouwd in stevige betonnen bunkers. De Japanners ondervonden dat men van de zwarte vulkanische as met cement een uitstekende kwaliteit beton kon maken. De bunkers bij het strand hadden alle een muurdikte van een meter. Een uitgebreid netwerk van ondergrondse gangen, bunkers en versterkingen bood de Japanse troepen een prima schuilplaats tegen luchtaanvallen en scheepsbeschietingen. Hierbij werd uitgebreid aandacht geschonken aan ventilatie (de vulkanische aard van het eiland gaf veel zwavelgas) en voor meerdere uitgangen, zodat na een bombardement de bemanning van een bunker niet gevangen zou zitten.
General Kuribayashi vestigde zijn commandobasis op het noordelijke deel van het eiland. Zijn commandobunkers lagen ruim 20 meter onder de grond, verbonden met 200 meter lange tunnels. Bovengronds, in een stevige betonnen bunker, werkten 70 telegrafisten in ploegen.
Heuvel 382 was na de vulkaan het hoogste punt van het eiland. Hier werd een weerstation en een radiostation gebouwd. Kolonel Chosaku Kaido was verantwoordelijk voor alle artillerie op het eiland en had zijn commando vlak bij het radiostation.
Het grootste project was een 27 km lang stelsel van tunnels om alle grote defensieinstallaties te verbinden. Bij de landing door de Amerikanen was hiervan 13 km voltooid. De arbeid was extreem zwaar: de temperatuur bedroeg 30 tot 50 graden, men moest gasmaskers tegen de zwaveldampen dragen en vanaf 8 december bombardeerde de Amerikaanse luchtmacht het eiland dagelijks. Ondanks de Amerikaanse blokkade door onderzeeŽrs en bommenwerpers bleven er versterkingen binnendruppelen. Uiteindelijk had generaal Kuribayashi de beschikking over 21.000 tot 23.000 man.
Zijn verdedigingsplan week radicaal af van alle eerdere plannen voor de verdediging van het eiland:
Om hun posities niet te verraden, zou de Japanse artillerie geen Amerikaanse scheepsbeschietingen beantwoorden.
Men zou de Amerikanen niet op de stranden opvangen.
400 ŗ 500 meter landinwaarts zouden de Amerikanen onder vuur worden genomen door automatische wapens bij het vliegveld en artillerie op de vulkaan Suribachi en vanaf de hoge grond in het noorden.
Na maximale schade te hebben aangericht, zou de artillerie van het vliegveld naar het noorden worden teruggetrokken.
Er zou geen grote banzai tegenaanval worden uitgevoerd.
Er zou een elastische, zittende verdediging worden gevoerd. De Japanse troepen hadden voorraden voor 2,5 maand.

De Amerikaanse vlag wappert op de vulkaan Suribachi 
Datum 19 februari 1945 Ė 26 maart 1945 
Locatie Iwo Jima, Japan 
Resultaat Amerikaanse overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten Vlag van Japan Japan 
Commandanten en leiders 
Vlag van Verenigde Staten Holland Smith Vlag van Japan Tadamichi Kuribayashi 
Troepensterkte 
70.000 22.000 
Verliezen 
7000 doden, 19.000 gewonden 21.800 doden, 200 krijgsgevangenen 
Grote Oceaan 
Pearl Harbor ∑ Ambon ∑ Marshall- en Gilberteilanden ∑ Javazee (1) ∑ Javazee (2) ∑ Singapore ∑ Doolittle ∑ Koraalzee ∑ RY ∑ Aleoeten ∑ Midway ∑ Guadalcanal ∑ Golf van Leyte ∑ Iwo Jima ∑ Okinawa



Ligging van Iwo Jima

 

Tadamichi Kuribayashi

Amerikaanse voorbereiding
Op 7 oktober 1944 formuleerde admiraal Chester W. Nimitz met zijn staf de doelen voor Operatie Detachment. Het algehele doel voor de operatie was tegen Japan "de druk op ketel te houden" en de Amerikaanse controle over de Grote Oceaan te verstevigen. Met Iwo Jima in Amerikaanse handen zouden Amerikaanse bommenwerpers minder gehinderd worden in hun bombardementen op Japan, en het eiland kon in gebruik worden genomen als basis voor aanvallen op Japan. Amerikaanse gevechtsvliegtuigen zouden steun kunnen geven aan Amerikaanse bommenwerpers bij hun vluchten naar Japan, en beschadigde bommenwerpers zouden op Iwo Jima een noodlanding kunnen maken.
Op 9 oktober ontving generaal Holland Smith de studie van de staf, vergezeld van een opdracht van admiraal Nimitz om het eiland in handen te krijgen. In de opdracht werden ook de commandanten voor de operatie genoemd.
Admiraal Spruance, commandant van de vijfde vloot, kreeg het bevel over Operatie Commander met Task Force 50.
Onder Spruance viel viceadmiraal Richmond Kelly Turner, commandant van de amfibische strijdkrachten in de Grote Oceaan, zou bevel voeren over Task Force 51.
Plaatsvervangend commandant van de Joint Expeditionary Force was Schout bij nacht Harry W. Hill. Generaal Holland Smith werd aangewezen als bevelvoerend generaal van de "Expeditionary Troops", Task Force 56.
Het was niet toevallig dat deze personen voor deze operatie werden uitgekozen. Ieder van hen had in vorige gelijksoortige operaties zijn sporen verdiend. Het was het team dat de amfibische technieken van Guadalcanal tot Guam en van de Salomonseilanden tot Tarawa had georganiseerd en geperfectioneerd.
De belangrijkste eenheden van de landingstrijdmacht zouden de 3de, 4de en 5de divisie mariniers zijn. De derde divisie had zichzelf al onderscheiden bij Bougainville op de Salomonseilanden en op Guam in de Marianen. De divisie was in de herfst 1944 nog bezig met een reorganisatie na de zware gevechten op Guam en tevens actief in het opruimen van de laatste Japanse verzetshaarden op het eiland.
Admiraal Spruance nam op 26 januari het bevel over de betrokken strijdkrachten in het centrale deel van de Grote Oceaan op zich. De 4de en 5de mariniersdivisie minus het 26ste regiment waren aangewezen voor de landing. Het 26ste regiment was reserve, terwijl de 3de divisie vanaf Guam aan boord zou gaan en niet eerder als D+3 aan land zou gaan.
Het landingsschema was eenvoudig: de 4de en 5de divisie zouden op het oostelijke strand landen, de 4de rechts en de 5de links. De 3de divisie zou later op hetzelfde strand landen en al naargelang de behoefte een offensieve of defensieve rol spelen. Het plan voorzag een snelle uitbreiding van het bruggenhoofd. Een regiment van de 5de divisie werd aangewezen voor de verovering van de vulkaan Suribachi in het zuiden.
Vanwege het risico op ongunstige golfcondities op de oostelijke stranden, werd op 8 januari 1945 een alternatief plan voor landing op de westelijke stranden opgesteld. De kans dat dit plan zou worden uitgevoerd was niet groot, omdat de overheersende noord- tot noordwestelijke wind gevaarlijke golven op de westelijke kust van het eiland gaf.
Voor de landing werd het oostelijke strand in stroken van 450 meter (500 yard) ingedeeld die van links naar rechts als groen, rood 1 en 2, geel 1 en 2 en blauw 1 en 2 werden benoemd. De 5e divisie mariniers zou landen op groen en rood 1 en 2, en recht over het eiland trekken tot het de westkust bereikte: het eiland was op deze plaats vrij smal. Een regiment zou de vulkaan Suribachi innemen.
De 4de divisie mariniers had als opdracht het centrum van het eiland in te nemen, terwijl haar flank het Motoyama Plateau als doel kreeg, het hoge terrein met uitzicht op het landingsgebied. Tenzij beide doelen, van waaraf de stranden willekeurig bestookt konden worden, snel ingenomen zouden worden, zou het aantal slachtoffers onder de landingstroepen snel op kunnen lopen.
Wanneer het zuidelijke deel van het eiland veilig gesteld zou zijn, zouden de twee divisies gezamenlijk noordwaarts oprukken. De 3de divisie mariniers, aanvankelijk als reserve aan boord blijvend, zou dan ook aan land gaan om de aanval extra kracht bij te zetten.
Landingsplan
Het gedetailleerde landingsschema, van links naar rechts:
groen 1: 28e regiment, kolonel Harry B. Liversedge:
groen 1: 27e regiment, kolonel Thomas A. Wornham:
geel 1 en 2: 23e regiment, kolonel Walter W. Wensinger: Verover vliegveld Motoyama
blauw 1: 25e regiment, kolonel John R. Lanigan: assisteren bij inname Vliegveld 1
24e regiment, kolonel Walter I. Jordan, in reserve
26e regiment, kolonel Chester B. Graham: ondersteunen 5e divisie
De artillerie zou pas na opdracht van de divisiecommandant aan land gaan. Het 14e regiment (kolonel Louis G. DeHaven) en 13e regiment (kolonel James D. Wailer) zouden de 4de respectievelijk 5de divisie steun verlenen.
De operatie was zo getimed dat op h-uur 68 amfibische landingsvaartuigen van de eerste aanvalsgolf op het strand zouden komen. Deze voertuigen zouden doorrijden tot de eerste strook land voorbij de hoogwaterlijn. Deze gepantserde voertuigen zouden hun houwitzers en machinegeweren gebruiken om de vijand in dekking te houden. Op deze manier zou de infanterie uit de volgende aanvalsgolven dekkingsvuur hebben wanneer zij uit hun landingsvaartuigen over het strand renden. Het tijdstip voor de landing van de tanks zou flexibel bepaald worden. Vanaf 16 februari volgde een drie dagen durend bombardement van het eiland. 
De Amerikaanse landing
Op 19 februari om 02.00 uur 's nachts begonnen Amerikaanse slagschepen met een beschieting als bij de aanvang van D-Day. Een bombardement door 100 bommenwerpers volgde, waarna het scheepsgeschut opnieuw in actie kwam. Om 08.30 uur gingen de eerste van 30.000 mariniers aan land op Iwo Jima.
"Landing op Iwo Jima"
De mariniers lagen onder zwaar vuur vanaf de vulkaan Suribachi in het zuiden van het eiland. Het terrein waarin ze vochten was buitengewoon vijandig: ruwe vulkanische as waarop men gemakkelijk uitgleed, maar waarin het niet mogelijk was zich in te graven. Toch waren tegen de avond 30.000 mariniers aan land gegaan en was de berg afgesneden van het noorden van het eiland. In de loop van de strijd zouden nog 40.000 mariniers volgen.
De hellingen van de vulkaan Suribachi moesten meter voor meter bevochten worden. Geweervuur was nutteloos tegen de goed verschanste Japanse infanterie. Met vlammenwerpers en granaten moesten de Japanse bunkers stuk voor stuk uitgeschakeld worden. Het duurde tot 23 februari voor de top werd bereikt. Om 10.00 uur plantten mariniers van het 28ste regiment op de top een Amerikaanse vlag.
Deze gebeurtenis werd enkele uren later overgedaan en hiervan werd een van de beroemdste foto's van de Tweede Wereldoorlog gemaakt. Fotograaf Joe Rosenthal van de Associated Press won met deze foto diverse prijzen, waaronder de Pulitzer-prijs in 1945.
Met het hijsen van de vlag waren echter nog niet alle Japanse verdedigingsstellingen op de vulkaan ingenomen. In de dagen hierna volgde nog zware strijd. Generaal Kuribayashi verbood een grote tegenaanval, toen Ichimaru hem hiervoor om toestemming verzocht.
Het landingsgebied was met het in handen krijgen van de vulkaan deels veilig gesteld. Nu kwamen er meer mariniers en zware uitrusting aan land. De invasie werd uitgebreid om de vliegvelden en de rest van het eiland in handen te krijgen. In de hierop volgende weken bleef de strijd over het gehele eiland uiterst taai. Met traditionele moed vochten de Japanners tot de dood. Van de 21.000 verdedigers werden slechts 200 man gevangengenomen.
De geallieerde strijdkrachten telden 21.000 slachtoffers, waarvan 7000 doden. Een kwart van de Medal of Honor onderscheidingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan Amerikaanse mariniers werden toegekend, waren voor de verrichtingen op Iwo Jima.Op 26 maart 1945 werd het eiland veilig verklaard.
Admiraal Chester W. Nimitz zou de gevechten als volgt omschrijven:Onder de mannen die op Iwo Jima vochten, was ongewone moed een gewone eigenschap.

Locatie van Iwo Jima

De leden van het 1ste Bataljon 23e Marines ingraven in het vulkanisch zand op het strand van Iwo Jima, als hun kameraden lossen voorraden en apparatuur van de landing schepen, ondanks de zware regen van artillerievuur van vijandelijke posities in de achtergrond

Het slagschip USS New York vuren zijn 356 mm (14,0 inch) grote kanonnen op het eiland, 16 februari 1945

Mariniers landing op het strand

De Slag om Manilla-3 maart 1945

De Slag om Manilla werd van 3 februari tot 3 maart 1945 uitgevochten tussen Amerikaanse, Filipijnse en Japanse troepen. De slag resulteerde in een vreselijk bloedbad en verwoesting van de stad Manilla. Het was een van de verschrikkelijkste gebeurtenissen onder de stadsgevechten in de Stille Oceaan en maakte een eind aan de driejarige Japanse bezetting van de Filipijnen.
Op 9 januari 1945 landde het Amerikaanse 6e Leger onder bevel van luitenant-generaal Walter Krueger in de Golf van Lingayen en rukte snel op richting het zuiden.
Drie weken later op 31 januari 1945 landde het Amerikaanse 8e Leger onder luitenant-generaal Robert L. Eichelberger bestaande uit de 187th en 188th Glider Infantry Regiments, delen van de 11e Luchtlandingsdivisie onopgemerkt bij Nasugbu in het zuiden van Luzon en begon op te rukken naar het noorden richting Manilla. Ondertussen landde op 4 februari per parachute de 11e divisie's 511e Regimental Combat Team onder kolonel Orin D. ďHardrockĒ Haugen bij Tagaytay, ze waren de speerpunt van de noordelijke aanval.
Op 4 februari 1945 begon de massale opmars van de Amerikaanse troepen naar Manilla. Gebruikmakend van inlichtingen van de Filipijnse guerrilla's waren de Amerikanen in staat om intacte bruggen en ondiepe rivieren te vinden om over te steken.
Japanse verdediging
Toen de Amerikanen van verschillende richtingen naar Manilla oprukten ontving het merendeel van de Japanse troepen eerder orders van generaal Tomoyuki Yamashita zich terug te trekken in de buitenwijken van Manilla. Yamashita had echter het grootste deel van zijn troepen teruggetrokken naar Baguio, waar hij de Filipijnse en Amerikaanse troepen in Noord-Luzon wilde tegenhouden.
In 1942 verklaarde generaal Douglas MacArthur Manilla tot open stad. Hoewel Yamashita dat niet gedaan had in 1945 had hij niet de bedoeling gehad om Manilla te verdedigen, hij dacht dat hij niet een miljoen inwoners van de stad zou kunnen voeden en een groot gebied met brandbare houten gebouwen kon verdedigen. Generaal Yamashita had oorspronkelijk de commandant van de Shimbu Groep, generaal Yokoyama Shizuo, bevolen de stad te evacueren en alle bruggen en andere vitale installaties te vernietigen als de Amerikaanse troepen naderden.
Maar Rear Admiraal Iwabuchi Sanji was belast om de stad in handen te houden en hij was vastbesloten Manilla tot de laatste man te verdedigen. Iwabuchi legde de orders van Yamashita naast zich neer en voerde in de stad het bevel over zijn Manilla Marine Verdedigingstroepen, een bonte verzameling van matrozen, mariniers en legertroepen. Ze ontdekten verschillende goede verdedigingsposities, inclusief Intramuros en andere nabijgelegen gebouwen. Na het opblazen van elke afgelegen faciliteit met marginale waarde, zoals bruggen en voetpaden legde Iwabuchi mijnenvelden, prikkeldraad, vergrendelde loopgraven en wrakken van vrachtwagens en bussen om knelpunten en valkuilen te creŽren. Hij beval zijn troepen om zich terug te trekken in de defensieve zone.
De veldslag
GeÔnterneerden in Santo Tomas bevrijd

Op 3 februari 1945 rukten delen van de Amerikaanse 1e Cavaleriedivisie onder generaal-majoor Verne D. Mudge op richting de noordelijke buitenwijken van Manilla en namen een belangrijke brug over de rivier de Tuliahan in. Een eskader van de 8e Cavaleriedivisie onder brigadier-generaal William C. Chase was de eerste eenheid die de stad bereikte en rukte op richting de campus van de University of Santo Tomas, die veranderd was in een interneringskamp voor burgers en de Amerikaanse leger- en marinezusters beter bekend als de ďAngels of BataanĒ.
Sinds 4 januari 1942 werd het hoofdgebouw van de universiteit gebruikt om burgers gevangen te houden. Van de 4.255 gevangenen, stierven 466 in gevangenschap, drie werden op 15 februari 1942 vermoord nadat ze probeerden te vluchten, slechts een kon in januari 1945 met succes ontsnappen.
Om 21:00 uur crashte een jeep tegen de hoofdpoort waardoor er vuur uitbrak, de bestuurder van de jeep, kapitein Manuel Colayco werd het eerste bekende geallieerde slachtoffer bij de bevrijding van Manilla. Hij en zijn compagnon luitenant Diosdado Guytingco waren ingedeeld bij de Amerikaanse Eerste Cavalerie. Beiden waren ongewapend. Colayco stierf zeven dagen later in een veldhospitaal. Gelijktijdig ramde een M4 Sherman tank van de 44th Tank Bataljon genaamd ďBattlin BasicĒ de universiteitsmuren, terwijl vier andere tanks door de Calle EspaŮa doorbraken. Amerikaanse troepen en Filipijnse guerrillaís volgden meteen, na een korte schermutseling werden de meeste van de geÔnterneerden bevrijd.
De Japanners onder bevel van luitenant-kolonel Toshio Hayashi dreven de overgebleven geÔnterneerden samen in de Education Building als gijzelaars. De volgende dag op 4 februari onderhandelden ze met de Amerikanen om ze toe te staan zich aan te sluiten bij de Japanse troepen in het zuiden van de stad. De Filipijnse en Amerikanen gingen akkoord, maar de Japanners mochten alleen hun geweren, pistolen en zwaarden dragen. De volgende dag stuitte een patrouille van de 37e Infanteriedivisie en de 31e Infanteriedivisie op meer dan 1.000 krijgsgevangenen, de meeste waren de verdedigers van Bataan en Corregidor die vastgehouden werden in de Bilibid-gevangenis die door de Japanners was verlaten.
In de morgen van 5 februari werden 47 Japanners uit de universiteit geleid naar de door hun verlangde plek. Elke groep groette elkaar en ze vertrokken. De Japanners wisten niet dat het gebied waar ze om verzochten vlak bij het door de Amerikanen bezette MalacaŮang Palace lag en spoedig werden ze onder vuur genomen en verschillende Japanners inclusief Hayashi werden gedood. Later in de middag keerden de overlevenden van dezelfde groep terug naar Santo Tomas en werden daar krijgsgevangen genomen.
In totaal werden 5.785 gevangenen bevrijd: 3.000 Filipino's, 2.870 Amerikanen, 745 Britten, 100 AustraliŽrs, 61 Canadezen, 50 Nederlanders, 25 Polen, 7 Fransen, 2 Egyptenaren, 2 Spanjaarden, een Zwitser, een Duitser en een Slowaak.
Omsingeling en massamoord
Eerder op 4 februari 1945 had generaal MacArthur de aankomende herovering van de hoofdstad aangekondigd, terwijl zijn staf een overwinningsparade plande. Maar de Slag om Manilla was nauwelijks begonnen. Bijna meteen rapporteerde de 1e Cavaleriedivisie in het noorden en de 11e Luchtlandingsdivisie in het zuiden verstijving van de Japanse tegenstand tegen verdere voortgang in de stad.
Na de eerste Amerikaanse doorbraak op 4 februari waren er voor bijna een hele maand gevechten in de stad. De gevechten mondden snel uit in bittere straatgevechten en huis tot huisgevechten. In het noorden ging generaal Griswold door om elementen van de XIV Corps ten zuiden van de Santo Tomas University te laten oprukken richting de rivier de Pasig. Laat in de middag van 4 februari beval hij het 2de Squadron, 5th Cavalry om de Quezon Brigde in te nemen, dat was de enige brug die over de rivier de Pasig lag die de Japanners niet hadden vernietigd. Toen het squadron de brug naderde nam de vijand hen vanaf een wegversperring op de Quezon Boulevard onder vuur, waardoor de cavalerie werd gedwongen zijn opmars te staken en zich bij het vallen de avond terug te trekken. Toen de Amerikanen en de Filipino's zich terugtrokken bliezen de Japanners de brug op.
Op 5 februari begon de 37e Infanteriedivisie Manilla binnen te trekken en Griswold verdeelde het noordelijke deel van Manilla in twee sectoren, de 37e Infanteriedivisie werd verantwoordelijk voor het westelijk deel en de 1e Cavaleriedivisie voor het oostelijk deel. In de middag van 8 februari had de 37e Infanteriedivisie hun sector grotendeels van Japanners gezuiverd, maar de schade voornamelijk aan de woonwijken was groot. De Japanners droegen bij aan de vernietiging door gebouwen en militaire installaties op te blazen als ze terugtrokken.
De meest bittere strijd voor Manilla die het zwaarst was voor de 37th Divison was om Provisor Island te veroveren, een klein industrieel centrum in de rivier de Pasig. Het Japanse garnizoen, waarschijnlijk minder dan een bataljon was in staat de infanteriemannen van Beightler tot 11 februari aan zich te binden.
Mugeís 1e Cavaleriedivisie ondervond echter weinig tegenstand bij de verovering van de buitenwijken in het oosten van Manilla. Hoewel de 7th en 8th Cavalry Regiment hevige gevechten leverden om twee waterinstallaties in het noorden van de stad had de cavalerie hun controle ten zuiden van de rivier uitgebreid. In de nacht vestigde de XIV Corps voor de eerste keer aparte bruggenhoofden op beide oevers van de rivier de Pasig.
De laatste aanval op de Japanse verdediging werd uitgevoerd door de 11e Infanteriedivisie, die sinds 10 februari onder controle stond van de XIV Corps. De divisie was op 4 februari tegengehouden bij het vliegveld Nichols Field en was sindsdien in hevige gevechten verwikkeld met Japanse marine-eenheden, ondersteund door zwaar artillerievuur. Het vliegveld viel de volgende dag in handen van para-eenheden, hierdoor was generaal-majoor Swing in staat om op 12 februari de Amerikaanse omsingeling van Manilla te voltooien.
In een poging om zowel de stad als haar burgers te beschermen had MacArthur strikte beperkingen gelegd op de Amerikaanse artillerie- en luchtsteun. Maar massale verwoesting van het stedelijk gebied kon niet worden voorkomen. De matrozen, mariniers en legerversterkingen van Iwabuchi, die aanvankelijk succes boekten tegen de Amerikaanse infanterie die bewapend was met vlammenwerpers, granaten en bazookaís. Gebouw na gebouw werd door tanks, tankjagers, houwitsers onder vuur werd genomen, waardoor de Japanners en de omgesloten burgers in de gebouwen om het leven kwamen.
Onderworpen aan onophoudelijke bombardementen en tegenover een zekere dood of gevangenschap botvierden de belegerde Japanse troepen hun woede en frustratie op de burgers en pleegden hiermee ernstige daden van wreedheid, die later bekend kwamen te staan als het Bloedbad van Manilla. Gewelddadige verminkingen, verkrachtingen en moordpartijen op de bevolking gingen gepaard met de strijd om de stad, die vrijwel in puin lag.
Intramuros verwoest
De gevechten voor Intramuros waar Iwabuchi 4.000 burgers gijzelde vonden plaats tussen 23 februari en 28 februari 1945. Na de Japanse troepen reeds gedecimeerd te hebben met bombardementen gebruikten de Amerikanen artillerie om te proberen de Japanse verdedigers uit te roeien. De eeuwenoude stenen bastions, ondergrondse bouwwerken, de Santa Lucia Barracks, Fort Santiago en dorpen binnen de stadsmuren voorzagen echter in een uitstekende dekking. Minder dan 3.000 burgers ontsnapten aan de aanval, vooral vrouwen en kinderen die op 23 februari werden vrijgelaten. De soldaten en matrozen van Noguchi vermoordden 1.000 mannen en vrouwen, terwijl de andere gijzelaars omkwamen tijdens de Amerikaanse bombardementen.
Het laatste Japanse verdedigingsbolwerk bij het Finance Building dat reeds in puin was geschoten werd op 3 maart onder vuur genomen door zware artillerie.
Afloop
De rest van de maand waren de Amerikanen en de Filipijnse guerrilla's bezig met het opruimen van de laatste verzetshaarden. Met de opruiming van de Intramuros op 4 maart 1945 was Manilla officieel bevrijd, maar grote delen van de stad lagen in puin. De slag kostte 1.010 Amerikaanse soldaten het leven en er raakten 5.565 Amerikaanse soldaten gewond. Er werd geschat dat 100.000 Filipijnse burgers omkwamen, door zowel de Japanners als de Amerikaanse bombardementen. Ongeveer 12.000 Japanse soldaten, voornamelijk matrozen van de Japanse Manilla-verdedigingseenheid, kwamen om.

Luchtfoto van een verwoest Manilla in mei 1945 
Datum 3 februari - 3 maart 1945 
Locatie Manilla, Filipijnen 
Resultaat geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 

Border Verenigde Staten
Vlag van de Filipijnen Gemenebest van de Filipijnen Handelsvlag van Japan Japanse Keizerrijk 

Commandanten en leiders 

Border Oscar Griswold
Border Robert S. Beightler
Border Verne D. Mudge
Border Joseph M. Swing
Vlag van de Filipijnen Alfredo M. Santos Handelsvlag van Japan Iwabuchi Sanji 

Troepensterkte 

35.000 Amerikaanse troepen
3.000 Filipijnse guerrillaís 10.000 matrozen en mariniers
4.000 soldaten 

Verliezen 

1.010 doden
5.565 gewonden 12.000 doden 
100.000 Filipijnse burgers vermoord (velen tijdens het Bloedbad van Manilla)

 

 

 

 

 


Een Sherman tank rijdt het fort binnen tijdens de slag om Manilla

De Slag om Peleliu 15 september 1944

De Slag om Peleliu, codenaam Operatie Stalemate II, is een veldslag uit de Tweede Wereldoorlog. Deze strijd tussen de Verenigde Staten en het Keizerrijk Japan om het eiland Peleliu vond plaats in september en oktober 1944.
De verovering van de Japanse pocket rond Umurbrogol wordt beschouwd als een van de moeilijkste operaties uit de Tweede Wereldoorlog die de Amerikaanse strijdkrachten moesten volbrengen.
Achtergrond
Amerikaanse overwinningen tijdens de zomer van 1944 in de zuidelijke en centrale Stille Oceaan hadden de oorlog dichterbij Japan gebracht. Amerikaanse bommenwerpers waren in staat de Japanse eilanden te bereiken.
Er was reeds lange tijd onenigheid tussen de twee belangrijkste Amerikaanse commandanten. Generaal Douglas MacArthur wilde de Filipijnen heroveren, gevolgd door Okinawa en de Japanse eilanden. Admiraal Chester Nimitz was voorstander van een directere lijn: een directe aanval op Formosa en Okinawa, gevolgd door aanvallen op de Japanse legers in China en de hoofdaanval op Japan.
Ofschoon om verschillende redenen, vereiste de strategie van beide commandanten een aanval op Peleliu. President Roosevelt reisde persoonlijk naar Pearl Harbor om de beide commandanten te ontmoeten en hun argumenten te vernemen. Hij koos de strategie van MacArthur. Voor de aanval op de Filipijnen was het echter noodzakelijk de rechterflank veilig te stellen door het innemen van de Palaueilanden, vooral Peleliu en Anguar.
Admiraal William Halsey, de bevelhebber in de zuidelijke Stille Oceaan, beschouwde de aanval als overbodig wanneer het ging om de verovering van de Filipijnen. Hij kon zijn superieur, admiraal Nimitz, echter niet overtuigen. Moderne militaire analisten geven Halsey vaak gelijk. 
De verdediging
In de zomer van 1944 bestond de verdediging van Palau uit ongeveer 30.000 Japanse soldaten, waarvan 11.000 op Peleliu. Deze bestond uit de Japanse 14e divisie en arbeiders uit Korea en Okinawa.
Na hun verlies van de Slag om de Salomonseilanden, de Gilberteilanden, de Marshalleilanden en de Marianen, formeerde het Keizerlijke Japanse Leger een onderzoeksteam om een nieuwe eiland verdedigingsstrategie te ontwikkelen. Het team rekende af met de verdediging op de stranden en de roekeloze banzai-aanvallen. De nieuwe strategie verstoorde de landingen, vormde honingraatstructuren van versterkte punten op het eiland, en verving de banzai-aanvallen door gecoŲrdineerde tegenaanvallen. De Amerikanen werden zo gedwongen een uitputtingsslag te leveren.
Kolonel Kunio Nakagawa, commandant van het 2e regiment van de divisie en verantwoordelijk voor de opbouw van de verdediging, handelde overeenkomstig de aanbevelingen. Hij gebruikte het ruwe terrein van dit atol tot zijn voordeel, bouwde een stelsel van zwaar verdedigde bunkers, grotten en ondergrondse posities.
Japanse fortificaties.
Het grootste deel van de verdediging bouwde Nakagawa bij het hoogste punt van Peleliu, de berg Umurbrogol, die uit een verzameling heuvels en steile hellingen bestond. Vanuit dit centrale punt van Peleliu, bestreek men vanuit Umurbrogol een groot deel van het eiland, inclusief het vliegveld. Umurbrogol bevatte zo'n 500 kalksteengrotten, verbonden door tunnels. Veel van deze tunnels waren oude mijnschachten. Ingenieurs voegden er stalen schuifdeuren aan toe met meerdere openingen, zodat er vanuit de verdediging zowel met artillerie als met machinegeweren kon worden geschoten.
De verdediging bevatte o.a. mortieren, luchtafweergeschut, en een eenheid lichte tanks. De grotingangen waren overhellend, als verdediging tegen granaataanvallen en vlammenwerpers. De grotten en bunkers waren door heel centraal Peleliu verbonden door een uitgebreid netwerk, zodat de Japanse troepen zich konden evacueren, posities naar behoefte opnieuw innemen, en de perimeter verkleinen als daar de noodzaak voor ontstond. De Japanners gebruikten ook het strand in hun voordeel. Het noordelijke uiteinde van het landingsstrand was een koralen schiereiland. Bij de Amerikanen raakte dit bekend als The Point (de Punt). Er werden gaten in geblazen voor 47 mm-antitankkanonnen en zes 20 mm-kanonnen. De posities werden daarna afgesloten, zodat alleen het schietgat overbleef. Soortgelijke verdedigingen werden langs het strand opgericht.
Het strand werd volgestouwd met mijnen en artilleriegranaten. Deze granaten konden door aanraking tot ontploffing worden gebracht. Een infanteriebataljon werd langs het strand gelegerd, maar alleen met het doel de landing te vertragen. De eigenlijke verdediging zou landinwaarts plaatsvinden. 
Voorbereiding van de aanval
erwijl de Japanners hun tactieken radicaal wijzigden, hielden de Amerikanen vast aan hun beproefde technieken. En dit ondanks dat de Slag om Biak, waar kolonel Kuzume Naoyuki dezelfde strategie had gekozen, de Amerikanen 3000 man had gekost.
De landing op Peleliu was toegewezen aan de 17.000 man van de 1e Amerikaanse Mariniersdivisie onder bevel van Major Generaal William H. Rupertus. Amerikaanse planners kozen de zuidwestelijke stranden uit voor een landing, omdat het dichtbij het vliegveld lag. Het 1e mariniersregiment onder bevel van kolonel Lewis B. Puller zou op het noordelijkste eind van de stranden landen. Het 5e regiment onder kolonel Harold D. Harris in het centrum, en het 7e regiment onder kolonel Herman H. Hanneken zou aan het zuidelijk uiteinde landen.
Het 1e en 7 regiment zouden de flanken dekken terwijl het 5e regiment landinwaarts trok en het vliegveld innam. Door verder oostwaarts te trekken zou het 5e regiment de Japanse verdediging van het eiland in tweeŽn delen. Het 1e regiment zou naar Umurbrogol in het noorden gaan, terwijl het 7e regiment het zuidelijk deel van het eiland voor zijn rekening nemen. Er bleef 1 bataljon in reserve, terwijl de 81e infanteriedivisie voor steun vanuit Anguar ten zuiden van Peleliu beschikbaar was.
Op 4 september 1944 vertrokken de mariniers vanuit hun basis op Pavuvu, een reis van 3.400 km naar Peleliu. Het Underwater Demolition Team van de Amerikaanse marine begon aan het opruimen van landingsobstakels, terwijl op 12 september 1944 de marine met hun bombardement begint.
De slagschepen USS Pennsylvania, USS Maryland, USS Mississippi, USS Tennessee en USS Idaho, de zware kruisers USS Indianapolis, USS Louisville, USS Minneapolis en USS Portland, de lichte kruisers USS Columbia, USS Columbia, USS Columbia en USS Columbia, drie vliegdekschepen en vijf lichte vliegdekschepen leverden 519 rondes 410 mm granaten, 1.845 rondes van 360 mm granaten, 1.793 bommen van 500 pond (230 kg), en 73.412 rondes machinegeweervuur op het eiland van 16 km≤ af.
De Amerikanen geloofden dat het bombardement succesvol was geweest. Schout-bij-Nacht Jesse Oldendorf claimde dat de marine geen doelwitten meer had. In werkelijkheid was het grootste deel van de Japanse posities onbeschadigd. Zelfs het bataljon dat de stranden verdedigde was vrijwel ongedeerd. Gedurende het bombardement namen de verdedigers een grote mate van zelfdiscipline in acht, en vuurden vrijwel niet om hun posities niet te laten blijken. Het bombardement vernietigde de Japanse vliegtuigen en de gebouwen om het vliegveld. De Japanse soldaten bleven op hun positie in hun fortificaties, gereed om de landingstroepen aan te vallen. 
De landing
De landingsstranden

De mariniers landden om 08:32 op 15 september 1944 met het 1e regiment in het noorden op "White Beach", en met het 5e en 7e regiment in het centrum en in het zuiden op "Orange Beach". Omdat gewone landingsvaartuigen niet het koraalrif, circa 800 meter uit de kust, konden oversteken, werd de feitelijke landing uitgevoerd met LVT's, licht pantservaartuigen, waarvan de eerste golf was uitgerust met 37mm of 70 mm kanonnen. Terwijl de landingsvaartuigen de stranden naderden, kwamen ze in een kruisvuur terecht toen de Japanners de stalen deuren van hun fortificaties openden en met hun artillerie de vaartuigen en troepen onder vuur namen. Om 09:30 hadden de Japanners 60 landingsvaartuigen (LVTs en DUKWs) vernietigd.
Het 1e regiment liep vast door zwaar vuur vanuit "The Point". Puller ontsnapte ternauwernood toen een granaat zijn LVT trof. Zijn verbindingsset werd op weg naar het strand vernietigd door een treffer van een 47 mm kanon. Het 7e regiment kreeg te maken met vergelijkbare problemen door artillerieposities op hun flank. Veel LVT's werden al bij de nadering uitgeschakeld, waardoor hun inzittenden door borsthoog water aan wal moesten waden, terwijl ze onder vuur werden genomen door machinegeweren. Het aantal slachtoffers was hoog, en velen die het strand wel levend bereikten waren hun geweren en andere uitrusting kwijt.
Het 5e regiment maakte de eerste dag de meeste vorderingen, doordat zij het minste last hadden van de artillerieposities aan linker- en rechterzijde. Zij trokken op naar het vliegveld, en liepen daar tegen de eerste tegenaanval van Nakagawa op. Zijn tanks raceten over het vliegveld om de mariniers terug te jagen, maar de Japanse tanks kregen al snel te maken met net gelande Amerikaanse tanks, houwitsers, scheepsvuur en bommenwerpers. De tanks van Nakagawa en de begeleidende infanterie werden snel vernietigd.
Aan het eind van de eerste dag hielden de Amerikanen een strook strand van 3,2 km lang. Ze waren op hun diepste punt ongeveer 1,6 km landinwaarts getrokken, maar volgens andere bronnen was hun bruggenhoofd niet dieper dan 500 meter. Ze telden 200 doden en 900 gewonden. Divisiecommandant Rupertus geloofde dat de Japanse weerstand snel ineen zou storten, omdat hun frontlijn doorbroken was. Hij was zich niet bewust van de Japanse tactiek. 
Het vliegveld
De commandant van de Mariniersdivisie besloot dat de 2 regimenten van de infanterie, die gereed stonden om de landing te ondersteunen, niet nodig zijn en zijn mariniers het alleen afkunnen. Op de tweede dag trokken de mariniers van het 5e regiment opnieuw naar het vliegveld. Voorbij het vliegveld kwamen ze onder zwaar vuur te liggen vanuit de heuvels in het noorden, en leden zware verliezen. Na de verovering van het vliegveld trokken ze verder naar de oostelijke oever van het eiland, waarmee de de verdedigers van de zuidelijke punt isoleerden van de rest van het eiland.
Dit gebied werd door de Japanners fel verdedigd; ze bezaten hier nog veel bunkers. De temperaturen liepen op tot 45 graden Celsius, en de hitte eiste veel slachtoffers onder de mariniers. De enige zoetwaterbron van de mariniers was verontreinigd met olie. Toch slaagden de mariniers er in om tegen de achtste dag hun doelen, het vliegveld en de zuidelijke punt van het eiland, te halen.
Op de derde dag namen de Amerikanen het vliegveld in gebruik. L-2 Grasshoppers uit VMO-1 begonnen luchtverkenningen uit te voeren voor artillerie van de mariniers en de marine. Op 26 september 1944 (D+11), landden de eerste Marine F4U Corsairs uit VMF-114 op de landingsstrook. De Corsairs begonnen duikbombardementen boven Peleliu, vuurden raketten af om grotingangen voor de infanterie open te breken, en lieten napalm vallen. Dit was de tweede keer dat het wapen in de Pacific werd ingezet. Het bleek nuttig doordat het de begroeiing boven de bunkers wegbrandde, en vaak de bezetters van de bunkers doodde. 
The Point
Waarschuwingsbord frontlinie op Peleliu oktober 1944

Het fort op The Point bleef zware verliezen aan de troepen op de landingsstranden toebrengen. Puller gaf kapitein George Hunt, commandant van K-compagnie 3de bataljon 1ste Mariniers opdracht de positie te veroveren. Hij naderde The Point met een tekort aan voorraden; de meeste machinegeweren waren op de stranden verloren gegaan. Een van Hunts pelotons zat bijna een dag vast in een kwetsbare positie tussen de fortificaties. De rest van zijn compagnie kwam in gevaar toen de Japanners een bres in zijn linie sloegen, en zijn rechterflank dreigden af te snijden.
Echter, een peloton begon de Japanse kazematten ťťn voor ťťn uit te schakelen. Onder dekking van rookgranaten naderden ze de Japanse bunkers, waarna ze deze met granaten vernietigden. Nadat ze op deze wijze de zes mitrailleursnesten hadden uitgeschakeld, stonden ze voor het 47 mm kanon. Een luitenant verblindde de kanonnier met rookgranaten, waarna korporaal Henry W. Hahn een granaat door de vuuropening naar binnen gooide. De granaat bracht de 47 mm granaten tot ontploffing, en dreef de bunker bezetting naar buiten, waar ze werden neergeschoten.
K-compagnie had The Point veroverd, maar Nakagawa liet een tegenaanval uitvoeren. De hierop volgende 30 uur weerstond de eenzame compagnie vier belangrijke tegenaanvallen, waardoor deze zonder water kwam te zitten en door haar voorraden heen raakte. Spoedig kwam het tot handgevechten tussen de Japanse aanvallers en de Amerikaanse mariniers. Toen de versterkingen arriveerden, was de compagnie gereduceerd tot 18 man - ze telden 157 slachtoffers. 
Umurbrogol
Een Corsair gooit napalm op de Japanse posities op Umurbrogol

Na de verovering van The Point, trokken de mariniers noordwaarts naar de Umurbrogol-pocket, door de mariniers "Bloody Nose Ridge" gedoopt. Puller leidde zijn mannen in talrijke aanvallen, maar iedere aanval liep stuk op de Japanse verdediging. De mariniers raakten gevangen in de nauwe paden tussen de heuvels, waar elke heuvel de ander met dodelijke kruisvuur ondersteunde.
De mariniers leden steeds grotere verliezen terwijl ze langs de heuvelranden optrokken. De Japanners namen een ongewoon sterke vuurdiscipline in acht, doordat ze alleen vuurden wanneer ze een maximaal aantal slachtoffers konden maken. Terwijl het aantal slachtoffers opliep, begonnen de Japanse sluipschutters op de brancardiers te vuren, wetend dat er dan nog meer brancardiers nodig waren om de slachtoffers uit het vuurgebied weg te slepen. In plaats van hun banzai-aanvallen, infiltreerden ze 's nachts tussen de Amerikaanse linies, om de Amerikanen in hun schuttersputjes aan te vallen. De mariniers reageerden hierop door putjes voor twee man te graven, zodat de een kon slapen terwijl de ander de wacht hield.
Een bijzonder bloedig gevecht ontstond toen het 1ste bataljon van het 1ste regiment onder majoor Raymond Davis Heuvel 100 aanviel. In zes dagen durende gevechten verloor het bataljon 71% van zijn mensen. Kapitein Everett Pope en zijn compagnie drongen diep in de Japanse verdediging door, en zijn resterende 90 man namen na een dag van gevechten een positie in op wat hij dacht dat heuvel 100 was, maar wat in feite een andere heuveltop was, verdedigd door een groter aantal Japanse verdedigers.
Pope zette een kleine verdedigingslinie op, welke de hele nacht door de Japanners werd aangevallen. De mariniers raakten door hun munitie heen, en moesten de Japanse aanvallers met hun messen en vuisten van zich af houden. Ze vielen zelfs terug op het gooien van koraalbrokken en lege ammunitiedozen naar de Japanners. [bron?] Toen ze tegen de morgen terugtrokken, waren er slechts negen man over. Pope ontving later de Medal of Honor voor deze actie.
De Japanners brachten Pullers 1ste regiment uiteindelijk 71% verliezen toe. De mariniers verloren 1749 van hun 3000 man. Na zes dagen van gevechten rond Umurbrogol zond generaal Roy Geiger, commandant van het 3e amfibische korps, eenheden van zijn 81ste Infanteriedivisie naar Peleliu om het regiment af te lossen. Het 321ste Regiment Combat Team landde op de westelijke stranden van Peleliu ó aan het noordelijke einde van Umurbrogol op 23 september 1944. Het 321ste regiment, en de 5de en 7de mariniersregimenten vielen om beurten Umurbrogol aan, en allen leden vergelijkbare verliezen.
Half oktober 1944 hadden het 5e en 7e regiment ongeveer de helft van hun manschappen verloren in de gevechten rond de heuvels van Umurbrogol. Ze werden afgelost door meer eenheden van de 81e divisie. Het 323ste Regimental Combat Team landde op 15 oktober 1944, en tegen de derde week van oktober waren bijna alle mariniers naar Pavuvu geŽvacueerd.
De 81e divisie streed nog een maand tegen de resterende Japanse troepen op Bloody Nose Ridge voordat het eiland veilig genoemd werd. Nakagawa proclameerde "Ons zwaard is gebroken en we zitten zonder speren". Hij verbrandde de vlaggen van het regiment en pleegde seppuku. Hij werd postuum gepromoveerd tot Luitenant-Generaal voor zijn moed op Peleliu.
Nasleep
Mariniers in een ziekenhuis in Guadalcanal nadat ze in de strijd om Peleliu gewond raakten
De 1e Mariniersdivisie leed ernstige verliezen en bleef buitengevecht gesteld tot de actie op Okinawa op 1 april 1945. In totaal verloor de divisie 6.500 man gedurende hun maand op Peleliu, meer dan een derde van haar sterkte. De 81e Infanteriedivisie verloor 3000 man.
Een Japanse luitenant met 26 soldaten en acht matrozen hield het in de grotten van Peleliu uit tot 22 april 1947 en gaven zich over toen een Japanse admiraal hen overtuigde dat de oorlog voorbij was.
De landingsbaan van Peleliu wordt vandaag als Airstrip Peleliu nog steeds gebruikt voor Belau Air-lijnvluchten naar Koror en Angaur.

De eerste landingsgolf op weg naar de invasiestranden 
Datum 15 september 1944 Ė 27 november 1944 
Locatie Peleliu, Palau 
Resultaat Amerikaanse overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten Vlag van Japan Japanse Keizerrijk 
Commandanten en leiders 
Vlag van Verenigde Staten William H. Rupertus Vlag van Japan Kunio Nakagawa 
Troepensterkte 
1e mariniersdivisie: 17.490
81ste infanteriedivisie: 10.994
14e infanteriedivisie: Ongeveer 11.000 man 
Verliezen 
1e mariniersdivisie: 
1.252 doden, 5.274 gewond of vermist
81e infanteriedivisie: 542 doden, 2.736 gewonden
Totaal: 1.794 doden, 8.010 gewonden en vermisten



De landingsstranden

 

 

 

 

 

 

 

 

Mariniers van het 5e regiment op Orange Beach

Waarschuwingsbord frontlinie op Peleliu oktober 1944

 

 

 

 

 

 

 

Mariniers in een ziekenhuis in Guadalcanal nadat ze in de strijd om Peleliu gewond raakten

De Slag om de Salomonseilanden1942-1945

De Slag om de Salomonseilanden was een militaire strijd die een groot deel van de Tweede Wereldoorlog duurde en op en rondom een aantal eilanden in het zuidelijk deel van de Stille Oceaan werd uitgevochten
Samenvatting
De eerste aanzet voor de strijd begon in januari 1942, toen Japanse troepen op het Britse gedeelte van de Salomonseilanden en Bougainville landden. Nadat ze deze gebieden hadden bezet, begonnen de Japanners met het aanleggen van verschillende luchtmacht- en zeebases die waren bedoeld om de Japanse troepen die op dat moment op Nieuw-Guinea met een offensief bezig waren bezig waren in de flank te versterken, een veiligheidszone te creŽren voor de belangrijkste Japanse basis in Rabaul en de toevoerlijnen tussen de geallieerde troepen in de Verenigde Staten, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland af te snijden.
Om hun communicatie en toevoerlijnen te beschermen, ondersteunden de geallieerden hierop een tegenoffensief in Nieuw-Guinea. Ze brachten de Japanse basis op Rabaul in een geÔsoleerde positie en gingen in augustus 1942 voor het eerst serieus in de tegenaanval, toen ze op Guadalcanal en enkele naburige eilanden landden en de slag om deze gebieden begon. Dit was het begin van een lange reeks gevechten die op Guadalcanal begonnen en werden voortgezet op de centrale en noordelijke Salomonseilanden, op en rondom de eilanden New Georgia en Bougainville. Tijdens deze gevechten, die zowel op land als op zee en in de lucht werden uitgevochten, werd de Japanners ernstige militaire schade toegebracht. De geallieerden heroverden een deel van de Salomonseilanden en isoleerden en neutraliseerden sommige Japanse posities. Uiteindelijk viel de Slag om de Salomonseilanden samen met de Slag om Nieuw-Guinea.
Achtergrond
Strategisch

Op 7 december 1941 vond de aanval op Pearl Harbor plaats, waarbij het grootste deel van de Amerikaanse militaire vloot op de Stille Oceaan werd uitgeschakeld. Vanaf dat moment verkeerden Japan en de Verenigde Staten formeel in staat van oorlog. Toen er bijna op hetzelfde moment ook bezittingen van het Britse Rijk op de Stille Oceaan (onder meer Hongkong) werden aangevallen, raakten het Verenigd Koninkrijk, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland eveneens bij het conflict betrokken. De Japanse leiders lokten deze oorlog doelbewust uit, omdat ze de Amerikaanse vloot wilden neutraliseren en in het bezit wilden komen van natuurlijke hulpbronnen en strategische militaire bases.

Aan het begin van de strijd slaagde Japan er daadwerkelijk in een aantal gebieden (de Filipijnen, Malaya, Thailand, Singapore, Nederlands-IndiŽ, Wake, Nieuw-BrittanniŽ, de Gilberteilanden en Guam) te bezetten. Het uiteindelijke doel van Japan was het creŽren van een stevige verdedigingslinie die liep vanaf Brits-IndiŽ aan de westkant en vervolgens via Nederlands-IndiŽ zuidwaarts richting eilandbases in het zuiden en midden van de Stille Oceaan. In het voorjaar van 1942 begonnen de Japanners met het bouwen van een vliegveld in Buka (noordelijk Bougainville) en het aanleggen van een zeebasis en een vliegveld in Buin (zuidelijk Bougainville). 
Japanse veroveringen van de Salomonseilanden
Overzicht van alle militaire operaties tijdens de eerste fase van de slag om de Salomonseilanden. Nieuw-Guinea en Rabaul zijn hier onzichtbaar maar liggen ten westen van Bougainville.
De gevechten op zee zijn blauw weergegeven, die op het land roze.
In april 1942 begonnen het Japanse leger en de Japanse vloot gezamenlijk aan een nieuwe militaire operatie, welke bekend is geworden als Operatie MO (Japans: Mo Sakusen). Het doel van deze operatie was de stad Port Moresby in Nieuw-Guinea en het eiland Tulagi te veroveren, om aldaar nieuwe bases te kunnen oprichten die op hun beurt de verovering van Nauru, Banaba, Nieuw-CaledoniŽ, Fiji en Samoa gemakkelijker moesten maken. Van daaruit zouden ook de toevoerlijnen tussen AustraliŽ en de Verenigde Staten af kunnen worden gesneden, zodat Japans dominante positie in de Stille Oceaan uiteindelijk niet of veel minder door AustraliŽ zou worden bedreigd. De Japanse marine stelde ook nog voor om AustraliŽ zelf binnen te vallen, maar het Japanse leger vond dat het hiervoor te weinig troepen had.
De Japanse verovering van Tulagi lukte, maar de invasie van Port Moresby werd tijdens de Slag in de Koraalzee afgeslagen. De Japanse marine in de noordelijke en centrale Salomonseilanden begon nieuwe garnizoenen op te zetten. Een maand later verloor de Gecombineerde Vloot van Japan tijdens de Slag bij Midway vier van haar vliegdekschepen.
Antwoorden van de geallieerden
De geallieerden beantwoordden de Japanse dreiging door troepen en een luchtmacht op te bouwen. Hun doel was het heroveren van de Filipijnen. Op 12 maart 1942 begonnen zij met het bezetten van enkele strategisch belangrijke eilanden, toen een combinatie van leger en vloot aankwam in Noumťa dat daarmee een geallieerde zeebasis werd. Op Tontouta werd een luchthaven aangelegd.
De bevelhebber (Commander-in-Chief) van de Amerikaanse vloot, Ernest King, die in februari samen met generaal George Marshall de geallieerde strategie had uitgemeten, stelde een aanval vanuit de Nieuwe Hebriden via de Salomonseilanden naar de Bismarck-archipel voor. Generaal Douglas MacArthur stelde een bliksemactie voor om Rabaul - dat als uitvalsbasis voor de Japanse militaire operaties diende-, opnieuw in te nemen. De Verenigde Staten wilden daarentegen een meer geleidelijke benadering vanuit Nieuw-Guinea richting de Salomonseilanden, waarop generaal Marshall bij wijze van compromis een plan in drie fasen voorstelde: eerst zou het eiland Tulagi worden ingenomen, vervolgens zou een benadering langs de Nieuw-Guinese kust volgen en tenslotte zou Rabaul worden heroverd.
Het eerste plan werd op 2 juli 1942 uitgevoerd en dit was het begin van de grote slag om de Salomonseilanden. De geallieerden vormden een luchtformatie genaamd Cactus Air Force, waardoor ze overdag in de lucht de baas waren. De Japanse marine ging daarop over tot nachtelijke bevoorrading (onder andere via New Georgia Sound), iets wat de geallieerden Tokyo Express noemden. Er volgden een aantal hevige gevechten om de Japanse bevoorrading te stoppen. Daarbij gingen aan beide zijden zoveel schepen verloren, dat het gebied ten zuiden van New Georgia Sound de nieuwe naam Ironbottom Sound kreeg (voorheen heette dit Savo Sound).
De actie van de geallieerden rondom de Salomonseilanden zorgde er in ieder geval voor dat Japan AustraliŽ en Nieuw-Zeeland niet van de Verenigde Staten kon afsnijden. Op 30 juni 1943 begon Operation Cartwheel, waarbij Rabaul werd geÔsoleerd en zeer veel van Japans militaire macht in de zee en de lucht werd vernietigd. Dit maakte weer een nieuwe slag om de Filipijnen mogelijk. Ook werd Japan van zijn hulpbronnen in Nederlands-IndiŽ afgesneden. Uiteindelijk leidde de slag om de Salomonseilanden tot de slag om Bougainville, die tot het einde van de oorlog zou duren.

Kaart van de Salomonseilanden die de geallieerde opmars gedurende 1943 toont. 
Datum januari 1942 Ė 21 augustus 1945 
Locatie Britse Salomonseilanden, Territorium Nieuw-Guinea, Stille Oceaan 
Resultaat Doorslaggevende overwinning voor de geallieerden. 
Strijdende partijen 
Flag of the United States.svg Verenigde Staten
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of New Zealand.svg Nieuw-Zeeland
Flag of Australia.svg AustraliŽ 

 

Overzicht van alle militaire operaties tijdens de eerste fase van de slag om de Salomonseilanden. Nieuw-Guinea en Rabaul zijn hier onzichtbaar maar liggen ten westen van Bougainville.
De gevechten op zee zijn blauw weergegeven, die op het land roze.

2-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog

1--2--3