Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

2-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog

1--2


Operatie Biting

Operatie Biting, ook wel Raid op Bruneval genoemd, was een in de nacht van 27 februari 1942 uitgevoerde Britse militaire actie, met als doel om onderdelen van de Duitse radar WŁrzburg (FuMG 62) gelegen te Bruneval in Frankrijk, over te brengen naar Engeland. De WŁrzburg-radar werd toegepast bij het Duitse luchtafweergeschut tijdens de Tweede Wereldoorlog en het station bij Bruneval diende als Duits waarschuwingseenheid tegen de geallieerde schepen en vliegtuigen die de kust van West-Europa naderden
Naar aanleiding van de wedren om de technologische voorsprong waren de Britse wetenschappers, onder leiding van R.V. Jones, een onderzoek begonnen naar de Duitse WŁrzburg-radar. De Britten waren van plan maatregelen te treffen in het kader van de straaloorlog tegen de Duitse wetenschappers. Jones vroeg om verkenningsvluchten boven de Freya-radarsites daar hij dacht dat de WŁrzburg-radars op dezelfde locatie stonden opgesteld.
Op 22 november 1941 nam een Spitfire foto's van een Freya-radarsite bij Bruneval, een Frans dorpje nabij Le Havre, waarop ongewone structuren te zien waren.
Op 5 december 1941 werd nog een verkenningsvlucht ondernomen door Flight Lieutenant Tony Hill, maar deze keer op lage hoogte, waarbij de ongewone structuren duidelijk te zien waren. R.V. Jones concludeerde dat de ongekende structuur de WŁrzburg-radar moest zijn en de grootte van de radarschotel werd geschat op zo'n 3 meter diameter. De luchtfoto's wezen uit dat de WŁrzburg-radar was geplaatst in een kuil, ongeveer 50 meter voor een alleenstaand huis richting de kustkliffen. Bij daaropvolgende verkenningsvluchten boven andere locaties ontdekte men meerdere WŁrzburgs waarbij ťťn WŁrzburg-Riese (reuze-WŁrzburg).
Voorbereiding
Op vraag van R.V. Jones en gesteund door Winston Churchill werd een raid op de Bruneval-installatie aangevraagd aan de Chef van de Gezamenlijke Operaties Lord Louis Mountbatten. Lord Mountbatten nam de voorbereiding in handen en vroeg op 8 januari aan de Parachutisten van de 1e Parachute Brigade, die nog in opleiding waren, om een compagnie te leveren. De Charlie-compagnie van het 2e Battalion onder leiding van majoor John Dutton Frost werd gekozen als de commando-eenheid die de aanval moest uitvoeren. Charlie-compagnie stond ook gekend als Jock compagnie wegens het hoog aantal Schotten. Het 51e Squadron, onder bevel van Wing Commander P. Pickard, moest de manschappen droppen boven Bruneval.
Op 24 januari 1942 vertrok majoor Frost naar Tilshead, voor een eerste ontmoeting met commandant F.N. Cook van de Royal Australian Navy, die de evacuatie van Frost en zijn mannen moest verzorgen. Verder waren er 32 officieren en manschappen van de Royal Fusiliers en de South Wales Borderers aanwezig, die met de 6 evacuatieboten mee zouden gaan en de terugtocht van de Charlie-compagnie moest verzekeren. Eťn van de belangrijkste personen tijdens deze bijeenkomst was RAF radio-operator Flight-Sergeant C. Cox. Zijn belangrijke taak was om, als radiodeskundige, de verschillende onderdelen van de WŁrzburg-installatie te ontmantelen.
Op 15 februari 1942 voltooide de C-compagnie zijn opleiding. De Franse weerstandsgroepen gaven informatie door van de Bruneval installatie die de Britten zorgen baarde. Men had op de eerdere luchtfoto's geen wapens gezien die zwaarder leken dan een mitrailleur, maar de Duitsers hadden versterkingen aangebracht. Het Duits garnizoen had een sterkte van 30 man waarvan 5 in het nabijgelegen huis sliepen en de rest in het dorp op ongeveer 500 meter van het strand. Men was tevens begonnen met de bouw van 3 bunkers die op op slechts 200 meter van de WŁrzburg-radar verwijderd waren en onderling verbonden met verbindingsloopgraven, de laatste nog in aanbouw. De prikkeldraadversperring rondom de verdedigingswerken was vrij breed (1,80 meter) en er werden meerdere mitrailleurposten waargenomen.
Het doel van de Operatie Biting was om vitale onderdelen van de WŁrzburg-radar mee te nemen naar Engeland. De aanvallende strijdmacht werd in 3 afdelingen gesplitst; Nelson, Drake, en Rodney. De eerste afdeling, onder leiding van Luitenant Charteris, had de taak om het stuk strand te veroveren, te behouden en gereed te maken voor de terugtocht van de overvalsgroep. Luitenant Ross, verbonden aan deze eenheid, moest een route vrijmaken door eventuele mijnenvelden die hij mocht aantreffen. De twee andere afdelingen hadden als taak om het radarcomplex aan te vallen, waarbij ťťn zich bezighield met de Duitse verdediging en de andere zich concentreerde op de ontmanteling van de vitale delen en het nemen van foto's. 
Raid
Men wachtte op goede weersomstandigheden en op de middag van 27 februari 1942 vertrok de Britse marine met kanonneerboten richting Frankrijk en in de nacht van 27 februari 1942 werden 120 manschappen van de 1e Parachute Brigade, 2e Bataljon, C-compagnie onder leiding van majoor John Frost ingescheept in twaalf Armstrong-Whitworth Whitley-bommenwerpers, vertrokken vanaf het vliegveld van Thruxton en werden twee uur later gedropt boven de onder sneeuw bedekte velden van Bruneval. De commando-eenheid ondervond zware Duitse weerstand en de compagnie moest improviseren om de operatie te laten slagen maar kon uiteindelijk toch vitale WŁrzburg-componenten en twee gevangenen, waaronder een Duitse radio-operator, meenemen naar Engeland.
Terugtocht
Ook bij de terugtocht ging niet alles zoals gepland aangezien de groep van luitenant Charteris, die het strand had moeten vrijmaken, te ver was afgedreven tijdens de dropping wegens hevig luchtafweervuur. Charteris en z'n groep kwam uiteindelijk toch ter plekke en om 02u15 was het strand vrij van Duitsers. Met 20 minuten vertraging (02u35) zag men de 6 marineschepen aankomen. Deze waren ook in moeilijkheden gekomen omdat een aantal Duitse schepen en duikboten hen op een mijl afstand waren gepasseerd. De aftocht van de C-compagnie werd gedekt door de 12e Commando-eenheid die zich in de 6 marineschepen opstelden. Twee mijl uit de kust klommen de manschappen uit de landingsvaartuigen in wachtende kanonneerboten en voeren richting Portsmouth, Engeland. In de loop van de ochtend vlogen RAF jachtvliegtuigen boven de kanonneerboten om de bemanning en z'n vracht te beschermen tegen Duitse wraakacties van de Luftwaffe.
Twee Britten werden gedood en zes haalden niet op tijd de landingsvaartuigen en werden gevangengenomen, 4 tijdens de overval en twee tijdens hun poging Zwitserland te bereiken (de 6 overleefden de oorlog). Ook bij de Duitsers vielen doden (ook onduidelijkheid: 5 of 6) en werden twee gevangengenomen, inclusief een radio-operator.
Nabeschouwingen
Na de Bruneval Raid concludeerde de Britse wetenschappers dat de WŁrzburg-radar slechts ťťn enkele frequentie gebruikte en geen beveiligingsmechanisme tegen storingen bevatte. Doch het ontwerp was grondig en modulair opgebouwd (in tegenstelling tot de Britse modellen) wat het onderhoud en de opsporing van fouten makkelijker maakte en minder opleiding vereiste. De gevangengenomen radio-operator bevestigde deze stelling doordat hij minder opgeleid was dan zijn Britse tegenhanger.
De Duitsers daarentegen moesten hun laatdunkende mening over het Britse leger danig herzien en versterkten al hun radar sites na de Britse overval. Deze versterkingen bewezen op 17 augustus 1942 hun diensten bij een gelijkwaardige Britse aanval om de componenten van een Freya radar bij de Raid op Dieppe.
Operatie Biting was de tweede actie van de Britse Parachutisten-troepen (eerste actie was operatie Collossus in 1941), en verhoogde het moreel van de Britse publieke opinie in tijden waarin het de Britten niet schitterend afging. De Britse regering begreep ook hoe kwetsbaar de radarinstallaties aan de kust kunnen zijn voor vijandelijke commandotroepen. Dit leidde indirect tot de verhuizing van de RAF ontwikkelingsafdeling voor radar toepassingen (TRE - Telecommunications Research Establishment) van Swanage naar Malvern nadat de Britse spionagediensten meldden dat er Duitse commando-eenheden in Cherbourg aankwamen.
Majoor John Frost kreeg een onderscheiding Militair Kruis voor z'n aandeel in de Bruneval Raid, 1942. Tijdens de uitreiking droeg John Frost nog steeds z'n uniform van het regiment Cameronianen, daar het Parachute regiment op dat moment nog geen eigen uniformen had.

RAF fotoverkenning, de radarschotel in de voorgrond

 

John Frost na uitreiking van de onderscheiding.

Dit monument is ter nagedachtenis aan Operation Biting, een Britse "Combined Operations" aanval op de kust bij Saint-Jouin-Bruneval in de nacht van 27 op 28 februari 1942. Het doel van deze commando operatie was om onderdelen van een Duitse WŁrzburg radar te stelen voor onderzoek. De Britten verloren 8 man in de aanval (2 gedood en 6 krijgsgevangenen), terwijl de Duitsers 10 man verloren (5 gedood, 2 krijgsgevangenen en 3 vermisten).

Operatie Edelweiss 23-Juli-1942

Operatie Edelweiss was de codenaam voor een Duitse militaire operatie op het oostfront in de Tweede Wereldoorlog vanaf 23 juli 1942 met de bedoeling om de olievelden van Bakoe te veroveren in aansluiting op Fall Blau.

De operatie startte na bevel nr. 45 van Adolf Hitler. Het bevel voerde generaal Wilhelm List en hij beschikte over het 1e pantserleger onder Ewald von Kleist het 17e leger onder Richard Ruoff, een Roemeens cavaleriekorps en luchtsteun door de 4e luchtvloot onder Wolfram von Richthofen. Op 4 augustus viel Stavropol, op 9 augustus Krasnodar en staken de Duitsers de Koeban over.

De Roemenen schakelden de Russische verdediging aan de oostkust van de Zee van Azov uit en veroverden het schiereiland Taman. Majkop viel op 9 augustus en ook de wegen naar OssetiŽ en GeorgiŽ lagen nu open. Op 21 augustus werd als triomfgebaar door een Duitse alpinisteneenheid de hakenkruisvlag geplant op de top van Elbroes, de hoogste bergtop van Europa. Op 26 augustus begon de aanval op Toeapse, die twee dagen duurde. Op 31 augustus viel na verbeten gevechten de havenstad Anapa. Op 11 september landde het 11e Leger op het Taman schiereiland en viel Novorossiejsk, een belangrijk steunpunt voor de Zwartezeevloot. De Duitsers veroverden het bergdorp Pschu in AbchaziŽ, 20 km landinwaarts vanaf de Zwarte Zee bij Gudaoeta. Ten oosten van de Elbroes rukten de Duitsers en de Roemenen op langs de rivieren Baksan en Terek tot Naurskaja. Ten noorden strekte het front zich uit langs de Kuma, de steppe van Noga en de steppe van KalmukkiŽ.

Op 9 september ontsloeg Hitler generaal List. Eind september verving hij ook Franz Halder. Tot 22 november 1942 voerde Hitler persoonlijk het bevel, dat hij daarna aan von Kleist overdroeg. Tegen einde november raakte het 6e leger bij Stalingrad ingesloten. Einde december had het Rode Leger de poging tot ontzet Operatie Wintergewitter afgeslagen en in het zuiden een tegenoffensief gelanceerd. De Duitsers moesten zich op 31 december terugtrekken. Ze behielden wel tot oktober 1943 het bruggenhoofd aan de Koeban. De olievelden waarom de operatie ging, werden nooit veroverd.

Duitse troepen in de sneeuw op de bergen van de Kaukasus

Operatie Edelweiss Bern - Zwitserland

Brits-Sovjetische invasie van Iran 1941

De Brits-Sovjetische invasie van Iran met de codenaam Operation Countenance was de invasie van Iran door het Brits Gemenebest en de Sovjet-Unie in de zomer van 1941.
Aanleiding

Olie


In mei 1941 hadden de Britten Irak onder hun controle gebracht om zich van olietoevoer te verzekeren. In juni van dat jaar viel nazi-Duitsland de Sovjet-Unie binnen, onder meer om de toegang tot de Roemeense olievelden veilig te stellen.

Iraans-Duitse betrekkingen

Nazi-Duitsland was Irans grootse handelspartner en Iran stelde zich tijdens de oorlog neutraal op. Het land weigerde ook zo'n 2000 Duitsers die in Iran werkten uit te zetten. Ook werd de Sjah van Iran ervan verdacht sympathieŽn te hebben met de nazi's. Groot-BrittanniŽ was dan ook bevreesd de cruciale Iraanse olie te verliezen aan de Duitsers.
Strategische ligging

Verder was Iran door haar ligging tussen het Europese front van Duitsland en het Aziatische front van Japan essentieel voor de bevoorrading van het Rode Leger vanuit het zuiden. Sjah Reza Pahlavi weigerde echter het gebruik van de trans-Iraanse spoorweg door de geallieerden toe te staan.

De invasie

De inval


Al deze feiten brachten Groot-BrittanniŽ en de Sovjet-Unie ertoe in augustus 1941 Iran binnen te vallen en te bezetten. De Britten vielen het land vanuit Irak in het oosten binnen. De Sovjets kwamen vanuit het noorden waar ze aan Iran grensden. De invasie verliep voorspoedig voor de twee bondgenoten. De Britse marine viel de Iraanse marinebasis bij Abadan aan de Perzische Golf aan en vernietigde er de vloot. Ook werden de aldaar gelegen olie-installaties ingenomen.

Het verloop
Terwijl de Britse luchtmacht Iraanse luchtmachtbases en communicatiestellingen bombardeerde trokken Britse- en Indische gronddivisies op naar het noorden. Vandaaruit werden ze tegenmoetgekomen door het Sovjet-leger wiens pantserdivisies structureel verzetsposities uitschakelde en ondersteund door bommenwerpers naar het zuiden optrok. 
Afloop
De twee krijgsmachten sloten het front op de lijn Hamadan-Teheran op 30- en 31 augustus en het verslagen Iran werd verdeeld in een noordelijke en zuidelijke bezettingszone. Op 25 augustus had de Sjah nog om steun gevraagd aan de president van de Verenigde Staten op basis van het Atlantisch Handvest. Franklin Roosevelt vond echter dat de situatie in de wereld de agressie rechtvaardigde.
Verdrag

Op 16 september deed de Sjah troonsafstand ten voordele van zijn zoon, Mohammed Reza Pahlavi en werd verbannen naar Zuid-Afrika. De geallieerden hadden nu de Iraanse olievelden veilig gesteld en controleerden de Trans-Iraanse Spoorweg. Iran, de Britten en de Sovjets sloten in januari 1942 het Tripartiteverdrag van Alliantie. De Iraanse overheid ging akkoord met de uitzetting van de Duitse diplomaten en de sluiting van alle consulaten van de asmogendheden.
Voorwaarden
Aan de vereiste om overige Duitsers aan Groot-BrittanniŽ en de Sovjet-Unie uit te leveren werd niet voldaan en dus volgde een raid op de hoofdstad Teheran op 17 september. Op 17 oktober trokken ze zich weer terug uit de hoofdstad. Volgens het overeengekomen verdrag zouden de troepen zich uiterlijk zes maanden na de oorlog weer uit Iran terugtrekken. De Sovjet-Unie eerde die afspraak niet en bleef nog lang aanwezig. Het land steunde separatistische groepen in het noorden van Iran.
Nasleep
Met de bezetting van Iran hadden de geallieerden eindelijk de beoogde doorgang tot de Sovjet-Unie, de Perzische Corridor. Meer dan vijf miljoen ton aan militair materieel zou uiteindelijk door Iran naar de USSR getransporteerd worden. In september 1943 verklaarde ook Iran Duitsland de oorlog. De geallieerde leiders bevestigden eind dat jaar op de Conferentie van Teheran Irans soevereiniteit en hun wil tot economische steun aan het land.

Soort Invasie 
Periode 25 augustus ó 17 september 1941 
Partijen Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Vlag van Sovjet-Unie Sovjet-Unie Vlag van Iran Iran 
Leiders Vlag van Verenigd Koninkrijk Edward Quinan
Vlag van Sovjet-Unie Dmitri Kozlov Sjah Reza Pahlavi 
Sterkte Vlag van Verenigd Koninkrijk 2 divisies, 2 brigades
Vlag van Sovjet-Unie 3 legers 9 divisies 
Verliezen Groot-BrittanniŽ:
22 doden
50 gewonden
1 tank verloren
Sovjet-Unie:
40 doden
3 vliegtuigen verloren ~800 militaire doden
~200 burgerdoden
2 slagschepen gezonken
4 slagschepen beschadigd
6 vliegtuigen verloren 
Plaats Iran 
Casus belli Nood aan Iraanse doorgang naar de Sovjet-Unie.
Iraanse toenadering tot nazi-Duitsland. 
Uitkomst Bezetting van Iran door de Sovjet-Unie (noorden) en het Verenigd Koninkrijk (zuiden). 
Verdrag Tripartiteverdrag van Alliantie 
Gevolg Opening van de Perzische Corridor.
Iraanse coŲperatie met de geallieerden.


Een trein op de Trans-Iraanse Spoorweg tijdens de Tweede Wereldoorlog

Operatie Cottage 15 augustus 1943

Operatie Cottage was een geallieerde operatie tijdens de Slag om de Aleoeten, in de Tweede Wereldoorlog. Het doel was om het eiland Kiska te veroveren op de Japanners die het sinds 6 juni 1942 hadden bezet. De Japanners hadden echter in het geheim het eiland twee weken eerder al verlaten, nadat de Amerikanen de Slag om Attu hadden gewonnen. Operatie Cottage was het einde van de Slag om de Aleoeten, die eindigde in een Amerikaanse overwinning.

Japanse invasie
In de vroege ochtend van 7 juni 1942 landde de Japanse kapitein Takeji Ono samen met 500 Japanse mariniers op het eiland. Ze bestormden een Amerikaans weerstation, dat werd bemand door tien US Navy officieren. Twee werden gedood, de andere acht werden als krijgsgevangenen naar Japan gestuurd.

Later arriveerde er nog eens 2000 troepen op het eiland. De troepen op het eiland stonden onder bevel van viceadmiraal Monzo Akiyama. In december 1942 kwam er extra luchtafweermateriaal, samen met genisten en infanterieversterking. Het hoogste aantal troepen op het eiland zou 5400 bedragen. Luitenant-generaal Kiichiro Higuchi nam het bevel over van Akiyama. 
Geallieerde reactie

Een Amerikaanse B-24 Liberator bommenwerper spotte in 1943 Japanse oorlogsschepen bij Kiska. Er was verder geen aantal troepen bekend. Er werd een invasie opgedragen door het Amerikaanse opperbevel. De planners van de invasie verwachtten, na de Slag om Attu, een nieuw bloedbad. De Japanners realiseerden zich echter al dat het eiland te geÔsoleerd lag om nog langer te kunnen verdedigen en planden een evacuatie van de troepen.

Er waren kleine, maar duidelijke signalen dat de Japanners bezig waren met een terugtrekking van de troepen. Zo waren de afweerkanonnen stil als Amerikaanse vliegtuigen overvlogen. Op 28 juli 1943 evacueerden de Japanners met succes het garnizoen op Kiska.





Het geallieerde landingsplan in augustus 1943
Op 15 en 16 augustus landden de Amerikaanse 7e Infanteriedivisie en de Canadese 13e Infanteriebrigade op naast elkaar liggende kusten van Kiska. Er volgden enkele schotenwisselingen, allen eigen vuur, waardoor 24 geallieerde soldaten werden gedood. De USS Abner Read voer op een Japanse mijn, waardoor de achtersteven zwaar werd beschadigd. Hierbij vielen 71 doden. 74 soldaten werden vermist tijdens het tweedaagse verblijf op het eiland, en sneuvelden waarschijnlijk ook door eigen vuur. Vier anderen werden gedood door landmijnen of andere boobytraps.

Het eiland werd dus zonder Japanse tegenstand ingenomen en was het einde van de Slag om de Aleoeten.

Datum 15 augustus 1943 
Locatie Kiska, Aleoeten 
Resultaat Herovering van Kiska door Amerikaanse en Canadese troepen 
Strijdende partijen 
Merchant flag of Japan (1870).svg Japans Keizerrijk US flag 48 stars.svg Verenigde Staten
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada 
Commandanten en leiders 
Nvt. US flag 48 stars.svg Thomas C. Kinkaid
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg William Kirby 
Troepensterkte 
Geen 7800 
Verliezen 
Geen 313 doden
2500 gewonden, zieken of bevroren
1 torpedobootjager zwaar beschadigd.


Het geallieerde landingsplan in augustus 1943

Operatie Epsom 26 en 30 juni 1944

Operatie Epsom, ook wel bekend als de Eerste Slag bij de Odon, was een Brits offensief tijdens de Tweede Wereldoorlog dat plaatsvond tussen 26 en 30 juni 1944, tijdens de Slag om NormandiŽ. Het offensief was bedoeld om de door de Duitsers bezette stad Caen te veroveren, een belangrijke geallieerde doelstelling in de vroege stadia van de invasie van Noordwest-Europa.
Voorafgegaan door enkele aanvallen om de opmars veilig te stellen, werd Operatie Epsom gelanceerd in de vroege ochtend van 26 juni, met eenheden van de 15e (Schotse) Infanteriedivisie oprukkende achter een vooruit bewegende artillerie-barrage. Luchtdekking was sporadisch aanwezig gedurende een groot deel van de operatie omdat slechte weersomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk leidden tot een lastminute-annulering van de ondersteuning door bommenwerpers. Ondersteund door de tanks van de 31e Tank Brigade, boekte de 15e Schotse Infanteriedivisie gestaag vooruitgang en aan het eind van de eerste dag werd een groot deel van de Duitse voorposten veroverd. Problemen bleven echter bestaan bij het beveiligen van de flanken. Bij zware gevechten gedurende de twee daarop volgende dagen, werd uiteindelijk een voet aan de grond gezet aan de overzijde van de rivier de Odon en werden inspanningen gedaan om het bruggenhoofd uit te breiden door het veroveren van strategische punten rond dit punt en het verder voorwaarts te verplaatsen van de Britse 43e (Wessex) Infanteriedivisie. Als antwoord op een krachtige Duitse tegenaanval op 30 juni werden een aantal van de Britse troepen over de rivier teruggetrokken, waardoor de operatie tot een einde kwam.
Interpretaties
Militaire historici hebben sterk verschillende interpretaties over de intentie en het uitvoering van Operatie Epsom, maar er is algemene overeenstemming over het effect ervan op de balans van de strijdkrachten in NormandiŽ. De Duitsers slaagden erin om het offensief te weerstaan, maar om dit te bewerkstelligen waren ze gedwongen om al hun kracht in te zetten, waaronder twee pantserdivisies die pas aangekomen waren in NormandiŽ en bestemd waren voor een offensief tegen de Britse en Amerikaanse posities rond Bayeux. Aan beide zijden waren veel slachtoffers maar in tegenstelling tot generaal Bernard Montgomery was veldmaarschalk Erwin Rommel niet in staat om na de slag eenheden terug te trekken in reserve omdat ze nodig waren om stand te houden in de frontlinie. De Britten behielden het initiatief en waren in staat om verdere acties te starten in de loop van volgende weken, wat uiteindelijk leidde tot de inname van Caen rond het einde van juli. 
Achtergrond
De historische Normandische stad Caen was een doelstelling voor de Britse 3e Infanteriedivisie die landde op Sword Beach op 6 juni 1944. De verovering van Caen, als ďambitieusĒ omschreven door de historicus L.F. Ellis, gold als de belangrijkste doelstelling tijdens D-Day, en was toegewezen aan luitenant-generaal John Crockers Britse Eerste Legerkorps. De doelstelling van Operation Overlord was dat het 2e Leger (Verenigd Koninkrijk) de stad veiligstelde en vervolgens een frontlinie zou vormen van Caumont-l'…ventť naar het zuidoosten van Caen, met het oog op het verkrijgen van vliegvelden en de bescherming van de linkerflank van het 1e leger (VS) terwijl het oprukte naar Cherbourg. Bezit van Caen en haar omgeving zou het Britse Tweede Leger de ruimte geven voor een push naar het zuiden tot Falaise. Dit kon dan vervolgens als springplank dienen voor een opmars naar Argentan en de rivier Touques.
Door ophoping rond het bruggenhoofd, wat de inzet van gepantserde steun vertraagde en dwong om af te buigen richting sterk versterkte Duitse stellingen langs de 15km lange weg naar de stad, was de 3e Divisie niet in staat Caen aan te vallen en werd de aanval vlak voor de stadsgrens gestopt door de 21e Panzer Division. Onmiddellijke opeenvolgende Britse aanvallen waren niet succesvol vanwege sterke Duitse weerstand; hierdoor werd de frontale aanval gestaakt. Operatie Perch - een tangbeweging door het Britse Eerste en 30e Legerkorps - werd gelanceerd op 7 juni met de bedoeling om Caen te naderen vanuit het oosten en het westen. Het Britse Eerste Legerkorps, naderend vanuit het zuiden vanuit het bruggenhoofd bij de Orne, werd tegengehouden door de Duitse 21e Panzer Division. De aanval door het Britse 30e Legerkorps strandde bij Tilly-sur-Seulles, ten westen van Caen, vanwege felle tegenstand van de Duitse Panzer Lehr Division. In een poging om de Panzer Lehr Division terug te laten trekken of zich over te geven en de operatie door te laten gaan, drong een onderdeel van de Britse 7e Pantserdivisie zich door een onlangs gecreŽerd gat in de Duitse frontlinie en probeerde de stad Villers-Bocage in te nemen. Aan het einde van de Slag om Villers-Bocage zag de voorhoede van de Britse 7e Pantserdivisie zich genoodzaakt zich terug te trekken uit de stad, maar op 17 juni werd de Panzer-Lehr-Division teruggedrongen bezette het 30e Legerkorps Tilly-sur-Seulles.
Een vervolgaanval van de Britse 7e Pantserdivisie werd niet meer opgezet en verdere offensieve operaties werden afgelast toen op 19 juni een zware storm opstak boven het Het Kanaal. De storm, die drie dagen duurde, vertraagde de geallieerde opbouw aanzienlijk. Het merendeel van de konvooien van landingsvaartuigen en schepen die reeds op zee waren werden teruggetrokken naar havens in Groot-BrittanniŽ; gesleepte aken en andere ladingen (met inbegrip van 4km drijvende wegen voor de Mulberryhaven) gingen verloren en 800 vaartuigen bleven gestrand op de stranden van NormandiŽ tot het volgende springtij in juli. Ondanks deze tegenslag begon de planning voor een tweede offensief. Operatie Dreadnought wordt gelanceerd vanuit het Orne bruggenhoofd door het 8e Britse Legerkorps om Caen te naderen van uit het oosten. De operatie werd geannuleerd na bezwaren van 8e Legerkorps commandant Sir Richard O'Connor en de planning voor een aanval richting …vrecy werd vervolgens onderzocht. Er is enige controverse of Montgomery of Miles Dempsey, bevelhebber van de Britse Tweede Leger, de operatie annuleerde. Dempsey zei in een naoorlogse interview met Chester Wilmot dat hij Montgomery vertelde dat hij de voorgestelde actie ging annuleren op 18 juni.
Het slechte weer tussen 19 tot 22 juni hield ook de geallieerde vliegtuigen aan de grond. De Duitsers maakten gebruik van de onderbreking van de luchtaanvallen om hun defensieve linies te verbeteren met sterkere infanterie posities, met mijnenvelden en het plaatsen van circa zeventig 88mm kanonnen in hagen en bossen rond de toegangswegen naar Caen. 
Planning
Op 20 juni kreeg veldmaarschalk Erwin Rommel, als commandant van de Duitse troepen in NormandiŽ, van Hitler opdracht om een tegenoffensief te lanceren tegen de geallieerden tussen de steden Caumont en Saint-LŰ. Het doel was om een corridor tussen de Amerikaanse en Britse legers te creŽren door herovering van de stad Bayeux (ingenomen door de Britten op 7 juni) en de kust er achter. Vier SS Panzer Divisies en een ííHeeríí Panzer Division moesten dit uitvoeren. De aanval moest worden uitgevoerd door de 9de en 10de SS Panzer Divisies van de het tweede SS Panzer Corps, onlangs aangekomen uit OekraÔne, ondersteund door de 1ste en 2e SS Panzer Divisies. Het merendeel van de tanks die gebruikt worden door deze formaties waren Panzer IVs, ondersteund door SturmgeschŁtz, Panthers en Tigers - de laatste twee behoren tot de meest dodelijke en best beschermende Duitse pantservoertuigen. Op 18 juni vaardigde generaal Bernard Montgomery, commandant van alle geallieerde grondtroepen in NormandiŽ, een order uit voor luitenant-generaal Miles Dempsey om Caen in te nemen door de lancering van een nieuwe tang-aanval. Het oorspronkelijke plan was dat het Eerste en 30e Legerkorps ten westen van Caen aanvielen, vier dagen vůůr het 8e Legerkorps de belangrijkste aanval lanceerde uit het bruggenhoofd Orne, ten oosten van Caen op 22 juni. Het was al snel duidelijk dat het 8e Legerkorps niet in staat zou zijn zich te verzamelen in de kleine omtrek van het Orne bruggenhoofd en het plan werd daarom herzien op 19 juni.
Het nieuwe plan bevatte een inleidende operatie drie dagen vůůr de hoofdaanval. De 51e Infanterie Divisie kreeg de opdracht richting het zuiden aan te vallen vanuit het Orne bruggenhoofd, om zo elementen van de Duitse 21e Pantserdivisie vast te zetten. Operatie Martlet (ook bekend als Operation Dauntless) begon een dag vůůr Operatie Epsom; De 49e infanterie Divisie en de 8e Pantserdivisie, moesten de flanken verdedigen van het 8e Legerkorps door het veroveren van een hoger gelegen gebied aan de rechterkant van de aanvalsrichting.
De belangrijkste rol in Operatie Epsom werd toegewezen aan het nieuw aangekomen 8e Legerkorps, bestaande uit 60.244 man onder bevel van luitenant-generaal Sir Richard O'Connor. Zij zouden hun offensief starten vanaf het bruggenhoofd dat gevormd was door de 3e Canadese Infanteriedivisie. De operatie zou plaatsvinden in vier fasen, en het doel was het hoger gelegen gebied in de buurt van Bretteville-sur-Laize, ten zuiden van Caen te veroveren. Het zou worden ondersteund door onder andere drie kruisers en de HMS Roberts. De Royal Air Force gaf luchtdekking en een inleidende bombardement door 250 bommenwerpers.
De 15e (Schotse) Infanterie Divisie zou de aanval leiden. Tijdens fase I, met de codenaam ĎíGoutíí, werden ze geacht de dorpen Sainte Manvieu en Cheux in te nemen. In Fase II, codenaam ĎíHangoveríí, zou de divisie verschillende oversteekplaatsen over de Odon rivier en de dorpen Mouen en Grainville-sur-Odon innemen. Mocht de weerstand tijdens de openingsfase licht zijn, dan zou de 11e Pantserdivisie de bruggen over de rivier innemen.
Tijdens de eerste twee fasen bleef de 43e (Wessex) Infantrie Divisie - op 28 juni versterkt met infanterie van de Guards Armoured Division brigade Ė achter op de startposities om zo een "stevige basis" te geven aan het offensief. In de derde fase, ĎíImpetigoíí, zou de 43e Divisie oprukken om de Schotse infanterie ten noorden van de Odon te ondersteunen. De 15e divisie zou dan aan de overzijde van de rivier oversteken om daar de uitbreiding van het bruggenhoofd verzorgen door het innemen van een aantal belangrijke dorpen. In de laatste fase van de operatie, codenaam ĎíGoitreíí, zouden elementen van de 43e divisie de rivier oversteken om het veroverde gebied bezet te houden, terwijl de 15e divisie hun bruggenhoofd uit zou breiden. De 11e Pantserdivisie zou proberen om een oversteek over Orne te forceren en hun uiteindelijke doel Bretteville-sur-Laize in te nemen. De 4e Pantserbrigade, onderdeel van de 11e Pantserdivisie, werd achtergehouden tussen de Odon en Orne ter bescherming van de flank en om in positie te blijven om naar het westen of richting Caen aan te vallen als dat nodig was.
Afhankelijk van het succes van de aanval van het 8e Legerkorps zou het Eerste legerkorps twee ondersteunende operaties lanceren, codenaam Aberlour en Ottawa. In de eerste valt de 3e Infanteriedivisie, ondersteund door een Canadese infanterie brigade, aan ten noorden van Caen, de tweede operatie was een aanval van de 3e Canadese Infanteriedivisie, ondersteund door de 2e Canadian Pantserbrigade, naar het dorp en vliegveld van Carpiquet. De oorspronkelijk startdatum van 22 juni, werd uitgesteld tot 26 juni in verband met tekortkomingen in mankracht en materiaal. De eerste tegenstand tegen Epsom werd verwacht van de uitgeputte 12. SS-Panzer-Division Hitlerjugend ("Hitler Jugend"), met elementen van de 21e Panzer Division en de Panzer Lehr.
Inleidende aanval
Voor de dag aanbrak en zonder een artilleriebombardement trok de 51e (Highland) Infantrie Divisie op 23 juni in alle stilte naar het dorp Sainte-Honorine-la-Chardronette. Ze verrasten het Duitse garnizoen en had voor zonsopgang de controle over het dorp. Gedurende de ochtend startten de Duitsers een tegenaanval met elementen van de 21e Pantserdivisie; echter was tegen de middag het dorp nog steeds stevig in Britse handen. Dit succes trok de Duitse aandacht en middelen uit de buurt van waar het 8e Legerkorps zich voorbereidde voor verdere aanvallen vanuit het Orne bruggenhoofd.
Om 04:15 uur op 25 juni startte operatie Martlet. Om het eerste doel, het dorp Fontenay-le-Pesnel, werd de hele dag gevochten, maar de hardnekkige Duitse tegenstand verhinderde inname van het dorp. Een infanteriebataljon ondersteund door tanks, trok rond het dorp naar het westen, maar werd vervolgens aan een reeks Duitse tegenaanvallen blootgesteld. Deze werden afgeremd door Brits artillerievuur en luchtdekking, maar tegen het eind van de dag had de Britse 49ste divisie het dorp Rauray nog niet kunnen bereiken. Het resultaat hiervan was dat de rechterflank van de beoogde aanval van het 8e Legerkorps nog stevig in Duitse handen was. Operatie Martlet dwong het Eerste SS Pantserkorps om de resterende tanks van de 12e SS Pantserdivisie in te voor een tegenaanval op het 30e Legerkorps de volgende dag. Tijdens de nacht trokken de Duitsers zich terug uit Fontenay-le-Pesnel om de frontlinie te versterken, infanterie van de 49ste Divisie bezette het dorp voor zonsopkomst.
Hoofdaanval
26 juni
26 juni: Infanterie van de15e (Schotse) Infanteriedivisie, wachtend op hun startpositie op het signaal om op te rukken.
Slecht weer bemoeilijkte de start van Operatie Epsom op 26 juni; de regen zorgde voor drassige grond en er hing dikke mist, zowel boven het slagveld als boven het Verenigd Koninkrijk tijdens de vroege uren van de ochtend, wat resulteerde in het aan de grond houden van vliegtuigen en het afblazen van de bombardementen. Nr. 83 Group van de Royal Airforce, gestationeerd in NormandiŽ, was wel in staat om luchtondersteuning te bieden tijdens de gehele operatie. De 49e (West Riding) Infanterie Divisie hervat Operatie Martlet om 0650, maar zonder noemenswaardige ondersteuning van de artillerie, omdat dit werd toebedeeld aan de hoofd-operatie. De Duitsers waren in staat om de Britse opmars te vertragen en startten vervolgens met een gepantserde weerwoord. Aanvankelijk wonnen de Duitsers hiermee terrein, maar ze werden tegengehouden toen de Britse pantsers naar voren traden en de twee partijen zich bezighielden op een beperkt terrein. In de veronderstelling dat tijdens de middag een groot Britse offensief aan de gang was verder naar het oosten, blies SS-StandartenfŁhrer Kurt Meyer van de 12e SS Panzerdivisie de tegenaanval af en beval zijn tankcompagnies terug te keren naar hun posities ten zuiden van Rauray. Tijdens de rest van de dag was de 49ste Divisie in staat om vooruitgang te boeken tot net ten noorden van Rauray
26 juni:Geleid door hun doedelzakspeler rukt het 7e Seaforth Highlanders regiment op
Om 0730 rijden de 44e (Lowland) Infanteriebrigade en de 46e (Highland) Infantriebrigade van de 15e (Schotse) Infanteriedivisie, ondersteund door de 31e Tank Brigade, weg van hun start-posities achter een vooruit bewegend spervuur. De 46e Brigade moest in eerste instantie zonder gepantserde ondersteuning oprukken, want bij het omzeilen van het door mijnen en boobytraps geteisterde dorpje Le Mesnil-Patry, werden de tanks gedwongen om mijnenvelden langs het dorp te ontruimen. De opmars van de infanterie had gemengde resultaten; een bataljon 2de Bataljon, Glasgow Highlanders werd slechts geconfronteerd met lichte weerstand, terwijl de andere (9e Bataljon, The Cameronians) de grenadiers van de Hitlerjugend divisie trof. Rond 10 uur werd de infanterie herenigd met hun tanks, tegen de middag vochten de twee bataljons voor controle over hun oorspronkelijke doelen; Cheux en Le Haut du Bosq. De 44e Brigade, dat niet dezelfde problemen ondervond als de 46e en oprukkend met tankondersteuning, ondervonden weinig tegenstand totdat ze onder mitrailleurvuur kwamen te liggen bij een klein riviertje, waarna de Duitse weerstand veel zwaarder was. Tussen 0830 en 0930 bereikten de twee leidende bataljons hun oorspronkelijke doelen; Sainte Manvieu en La Gaule. Net na de middag waren deze dorpen ingenomen.
Tanks en infanterie uit de 12e SS en de 21e Pantserdivisie lanceerden twee tegenaanvallen in een poging Sainte Manvieu te heroveren, maar beiden werden afgeslagen met behulp van intensief artillerievuur. De belangrijkste Duitse weerstand in dit gedeelte van hun buitenlinies kwam van elementen van het 26e Pantsergrenadier regiment van de 12e SS Pantserdivisie. De Duitsers in Rauray die de vorige dag niet waren verslagen, zoals eerder gepland, waren in staat om de Britse brigades onder vuur te nemen met artillerie en tanks, waarbij zij veel slachtoffers veroorzaakten, met name in het dorp Cheux. Om 1250 werd een verkenningseenheid van de 11e Pantserdivisie ten regiment noorden van Cheux bevolen om door te gaan naar de Odon als voorbode voor een poging van de gepantserde brigade om de bruggen te bestormen. Door mijnenvelden in de buurt van het dorp, door puin geblokkeerde straten en Duitse standhouders die de tanks aanvielen, was het niet voor 14.00 uur dat het regiment in staat was om vooruitgang te boeken. Om 1430 uur arriveerde het squadron op een bergkam ten zuiden van Cheux waar het werd aangevallen door twintig Panzer IVs (afgesneden van de 12e SS Pantserdivisie uit het gebied rond Rauray), Tiger tanks van het 101e Zware SS Pantserbataljon en pantservoertuigen van de 21e Pantserdivisie. Meer tanks uit de 11e Pantserdivisie arriveerden, maar door het Duitse verzet werd verdere opmars geremd. Aan het eind van de dag had de Britse divisie 21 tanks verloren. Om 18.00 uur arriveerde de 227e (Highland) Divisie op het strijdtoneel. Zij waren vertraagd door de gevechten ter ondersteuning van de rest van de divisie en slechts twee compagnies uit het 1ste Bataljon Gordon Highlanders boekten veel vooruitgang. Zij namen de noordelijke buitenwijken van Colleville in om 21.00 uur maar werden al snel afgesneden door Duitse tegenaanvallen. Na zware en verwarrende gevechten was een compagnie in staat om uit te breken en zich weer bij het bataljon te voegen. Om het Britse offensief te stoppen gaf veldmaarschalk Rommel īs avonds opdracht aan alle beschikbare eenheden van II SS Panzer Corps om bijstand te verlenen.

Een munitie vervoerder van de 11e Pantserdivisie ontploft nadat deze is getroffen door een mortier tijdens operatie Epsom van 26 juni 1944. 
Datum 26 juni Ė 30 juni 1944 
Locatie In het westen van Caen, NormandiŽ, Frankrijk 
Resultaat Tactische onbeslist, strategische geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg Bernard Montgomery
Flag of the United Kingdom.svg Miles Dempsey
Flag of the United Kingdom.svg Richard O'Connor Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Friedrich Dollmann
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Leo Geyr von Schweppenburg
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Josef Dietrich
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Paul Hausser
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Wilhelm Bittrich 
Troepensterkte 
15e Infanteriedivisie
43e Infanteriedivisie 10. SS-Panzer-Division Frundsberg
Panzer-Lehr-Division
1. SS-Panzer-Division Leibstandarte-SS Adolf Hitler 
Verliezen 
4,020 Ė 4,078 doden 3,000 doden
126 tanks verloren

 

Operaties rondom Caen

 

 

 

26 juni: Infanterie van de15e (Schotse) Infanteriedivisie, wachtend op hun startpositie op het signaal om op te rukken.

27 juni
Evacuatie van gewonden met een Universal Carrier van de 49e (West Riding) Infantriedivisie gedurende Operatie Epsom.
Zonder aanvallen gedurende de nacht was het Duitse commando van mening dat de Britse offensief was stilgevallen. Tijdens de vroege uren van 27 juni, werd het Tweede SS Pantserkorps opdracht gegeven om de voorbereidingen te hervatten voor het tegenoffensief richting Bayeux.
Aan de rechter zijde van de Britse opmars lanceerde het Eerste SS Pantserkorps een tegenaanval met 80 tanks, deze werd ontregeld door artillerievuur voordat hij stuk liep op de antitankkanonnen van de 49e (West Riding) Infanteriedivisie, die vervolgens weer hun pogingen hervatten om de flank van het 8e Legerkorps te beveiligen. Na verdere zware gevechten tegen pantsergrenadiers van de 12de SS Pantserdivisie werd het dorp Rauray ingenomen door de 49ste Divisie om 16.00 uur. Duitse troepen waren reeds tevoren weggetrokken voor het 8e Legerkorps en de val van Rauray ontzegde de Duitsers een belangrijke uitkijkpost, maar ze bleven controle houden over een hoger gelegen gebied ten het zuiden van de Rauray.
Operatie Epsom werd door het 10e Bataljon (Highland) Lichte Infantrie van de 227e (Highland) Infantriebrigade. Het was de bedoeling om met de steun van Churchill tanks een poging te wagen de overgang over de Odon bij Gavrus in te nemen. De Highlanders ontmoetten meteen felle tegenstand bestaand uit elementen van de 12e SS Pantserdivisie en waren ondanks zware artillerie ondersteuning niet in staat om de hele dag op te rukken. Aan beide zijden vielen vele slachtoffers.
Om 0730 lanceerden het 2e Bataljon Argyll en Sutherland Highlanders, ook onderdeel van de 227 (Highland) Infanteriebrigade, een aanval gericht op het veroveren van de overgang over de Odon bij Tourmauville, ten noordwesten van het dorp van Baron-sur-Odon. Terwijl de Duitse troepen door de Highland Lichte Infanterie werden aangevallen, waren de Argyll en Sutherland Highlanders ondersteund door het Britse 23e regiment Hussars in staat om met relatief weinig weerstand op te rukken tot Colleville. Daar lag een klein Duits garnizoen gevestigd dat ondersteund werd door 88mm kanonnen, dat zware verliezen toegebracht aan de Britse troepen en hen tot de middag het dorp onthield. Na het nemen van deze laatste hindernis kon de brug bij Tourmauville rond 17.00 uur worden ingenomen, en was een bruggenhoofd gevestigd. Tegen 19.00 uur staken twee uitgeputte eenheden van de 23e Hussars en een compagnie van de 8e Rifle Brigade de Odon over naar het bruggenhoofd.
De rest van de 15e (Schotse) Infanteriedivisie was gepositioneerd rond Cheux en Sainte Manvieu en werd daar opgevolgd door de 43e (Wessex) Infanteriedivisie. Een bataljon van de 43e trok naar de rand van Cheux en ontdekte dat de Schotse infanterie was al was vertrokken, en dat de vrijgekomen positie was opnieuw bezet door de grenadiers van de 12e SS Pantserdivisie. Na het vechten om de positie te heroveren werd het bataljon om 0930 door zes Panthers van de 2e Pantserdivisie aangevallen. De aanval drongen door tot in de buitenwijken van Cheuxen leidde tot vernietiging van een aantal antitankkanonnen voordat deze werd afgeslagen. Verdere aanvallen van 2e Pantserdivisie werden tegengehouden, maar het gehele front was "een massa van kleine aanvalletjes". Gedurende de rest van de ochtend en middag breidden de Schotse infanterie en de 4e en 29e Pantserbrigades het gebied ten noorden van de Odon uit en gaven rugdekking aan de Argyll en Sutherland Highlanders. Laat op de avond werden de mannen van de 159e Infanteriebrigade (11e Pantserdivisie) in vrachtwagens door de smalle "Schotse corridor" vervoerd om vervolgens in Tourville te worden uitgeladen, waarna de Odon te voet werd overgestoken om het bruggenhoofd te versterken.
Tijdens de nacht arriveerde Kampfgruppe Weidinger aan het front, een 2.500 man sterke gevechtseenheid van de 2de SS Pantserdivisie. Deze werd onder het bevel van de Pantser Leer van de Wehrmacht geplaatst. 
28 juni
Tijdens de vroege uren van 28 juni arriveerde een gevechtsgroep van de 1ste SS Panzer Division, Kampfgruppe Frey, aan het front. Deze werd onder het commando van de 12e SS Pantserdivisie geplaatst . Om 08.10 uur gaf Generaal Dollmann , de commandant van het Duitse Zevende Leger, SS-ObergruppenfŁhrer Paul Hausser opdracht om met zijn Tweede SS Pantserkorps uit te wijken voor een tegenaanval ten zuiden van Cheux. Hausser antwoordde dat er geen tegenaanval kon worden gelanceerd tot de volgende dag omdat vele eenheden het front nog moesten bereiken. Voordat alle plannen konden worden afgerond werd de Duitse commandostructuur verstoord door de plotselinge dood van Dollmann; Maarschalk Rommel en Gerd von Rundstedt waren op weg naar een conferentie met Hitler en niet op de hoogte van de situatie. Het duurde tot na 15.00 uur voordat Hausser werd benoemd tot commandant van het Zevende Leger, met Willi Bittrich, voormalig commandant van de 9de SS Pantserdivisie, als commandant van het Tweede SS Pantserkorps (hoewel Hausser geadviseerd werd om de controle van het Korps te houden tot de volgende ochtend). In afwachting van de terugkeer van Rommel naar NormandiŽ, was Hausser ook opperbevelhebber in het invasiegebied. Om 17.00 uur werd de bevelsstructuur weer veranderd; het Zevende leger onder Hausser zou het opnemen tegen het Amerikaanse leger, terwijl de Pantser Groep West onder leiding van generaal von Schweppenburg verantwoordelijk was het invasiefront van de Anglo-Canadese troepen.
Een Churchill tank van het Zevende Royal Tank Regiment, 31e Tank Brigade, bij het ondersteunen van de infanterie van de Royal Scots tijdens Operatie Epsom, 28 juni 1944.
Om 0530 uur lanceerden elementen van de 15e (Schotse) Infantriedivisie met tank ondersteuning een nieuwe aanval om het dorp Grainville-sur-Odon in te nemen. Na beschietingen en straatgevechten, werd het dorp rond 13.00 uur ingenomen. Duitse tegenaanvallen volgden, maar deze werden afgeslagen. Om 06.00 uur startten de Duitsers twee sterke flank-aanvallen, met de bedoeling de Britse saillant dicht te drukken. Kampfgruppe Frey, gelegen op de oostelijke flank van de saillant, lanceerde een aanval ten noorden van de Odon, ondersteund door Panzer IVs van de 21e Pantserdivisie. Deze bereikten de dorpen Mouen en Tourville, maar de Britse tegenaanval vanuit Cheux resulterende in zware gevechten die de hele dag duurden, Kampfgruppe Frey slaagde erin om Mouen onder controle te krijgen. Britse tegenaanvallen ondersteund door tanks stopten eventuele verdere vooruitgang, maar waren niet in staat om het dorp te heroveren. Britse patrouilles troffen Marcelet deels leeg aan, de Duitse frontlinie bleek te zijn teruggetrokken naar Carpiquet. Op de westelijke flank trachtte Kampfgruppe Weidinger, ondersteund door Panthers, om Brettevillette, Grainville-sur-Odon en Mondrainville te heroveren. De Britse verdedigers behielden hun posities en startten lokale tegenaanvallen om verloren terrein te herwinnen. Deze Duitse aanval werd uiteindelijk op 1km afstand van Kampfgruppe Frey gestopt. Ten zuiden van de Odon rukten om 09.00 uur de Argyll en Sutherland Highlanders op vanuit het bruggenhoofd met als doel het innemen van een brug ten noorden van het dorp Gavrus. Hevige gevechten vonden plaats gedurende de middag, uiteindelijk vielen zowel het dorp als de brug in Schotse handen. Ondertussen breidde infanterie uit de 11e Pantserdivisie het bruggenhoofd uit door het dorp Baron-sur-Odon in te nemen, en het 23e regiment Hussars rukte met infanterie op naar Heuvel 112. Na de noordelijke helling te hebben ingenomen en de verdedigers te hebben verdreven van de top, waren zij echter niet in staat om de andere zijde van de helling in te nemen. Verschillende mislukte tegenaanvallen werden gelanceerd door het 12e SS Pantser, de gehavende Hussars werden rond 15.00 uur afgelost door de het 3e Royal Tank Regiment, maar geen van beide partijen was in staat om de heuvel volledig onder controle te krijgen. De 11e Pantserdivisie had aan het einde van de dag bijna 40 tanks verloren op de hellingen en werd aan drie zijden omringd, maar troepen wisten de locatie te bereiken en de positie te versterken.
29 juni
Door de verbetering van het weer boven het Verenigd Koninkrijk en NormandiŽ kwamen de voorbereidingen van Hausser voor een tegenaanval onder voortdurende vuur van geallieerde vliegtuigen en artillerie te liggen, wat leidde tot uitstellen van de start van de aanval tot de middag. Uit het aantal Duitse versterkingen dat aankwam in de sector van het 8e Legerkorps, alsmede met luchtverkenning, vermoedde commandant luitenant-generaal Richard O'Connor dat de Duitsers een groot offensief te organiseerden. Het 30e legerkorps lag nog ver naar het noorden, waardoor de rechter flank van het 8e legerkorps open lag, en OíConnor opdracht gaf de aanvallen van het Eerste legerkorps uit te stellen en het achtste verdedigend opstelde. Luitenant-generaal Miles Dempsey, commandant van het Tweede Leger en ingewijd tot de ULTRA ontcijferingen van het onderschepte Duitse radioverkeer, wist dat de tegenaanval aanstaand was en keurde O'Connors voorzorgsmaatregelen goed.
VIII Corps begon te reorganiseren om de aanval op te vangen. Bevoorrading echelons voor Haussers divisies waren gelegen in het gebied tussen …vrecy-Noyers-Bocage-Villers-Bocage en stonden gedurende de hele ochtend en begin van de middag in het middelpunt van de belangstelling van RAF jachtbommenwerpers; de RAF vernietigde meer dan 200 voertuigen. Het 8e legerkorps lanceerde ook aanvallen. Om 08.00 uur viel het Eerste Bataljon Regiment Worcestershire van de 43e divisie Mouen aan. Zonder tankondersteuning maar met hulp van een artilleriebombardement had het bataljon rond 11.00 uur de 1ste SS Pantserdiviesie pantsergrenadiers verdreven, waarna het 7e Bataljon Somerset Light Infantry kon oprukken en zich kon ingegraven langs de weg tussen Caen en Villers-Bocage. De 129e Brigade van de 43ste divisie veegde de bossen en boomgaarden in de buurt van Tourville-sur-Odon voordat de rivier ten noorden van Baron-sur-Odon werd overgestoken om de zuidoever schoon te vegen. Andere aanvallen waren minder succesvol. Een poging van 44e Brigade van de 15e divisie om door te trekken tot de Odon om contact te maken met de troepen die de bruggen bij Gavrus bezet hielden faalde, waardoor deze positie geÔsoleerde werd. Ook slaagde het 14e Bataljon Royal Tankregiment er niet in om na een botsing met het 10e SS Panzer, met verlies 6 tanks, Heuvel 113 in te nemen, even ten noorden van …vrecy. In een poging om hun positie te versterken startten elementen van de 11 Pantserdivisie een mislukte aanval naar Esquay-Notre-Dame, ten westen van Heuvel 112. Een gecombineerde infanterie en tankaanval door elementen van het Achtste Bataljon Rifle Brigade en het Derde Bataljon, slaagde het 3e Bataljon (The Royal Tank Regiment) op de zuidelijke helling van de heuvel erin de Duitsers uit de positie te verdrijven.
Hausser wilde dat de 9e SS Pantserdivisie Ė met Kampfgruppe Weidinger op de linker flank -dwars door de Britse saillant ten noorden van de Odon trok, terwijl de 10e SS Pantserdivisiee Gavrus en Heuvel 112 ten zuiden van de rivier moest heroveren. De aanval van de 9e SS Pantserdivisie begon om 14.00 uur, zwaar ondersteund door artillerie. De 19e en 20e SS Panzergrenadier Regimenten, ondersteund door Panthers, Panzer IV's en aanvalskanonnen vielen Grainville,le Haut du Bosq en Le Valtru, met als einddoel Cheux. Een Brits compagnie werd onder de voet gelopen en tanks en infanterie drongen door in le Valtru waar antitankkanonnen vier Duitse tanks vernietigden in het dorp zelf en door artillerievuur werd de ondersteunende infanterie gedwongen zich terug te trekken. Zware en verwarrende gevechten, soms man tegen man, vonden plaats buiten Grainville. De Pantsergrenadiers bezetten een tactisch belangrijk bos, maar ze werden door een Britse tegenaanval gedwongen terug te trekken. Tegen de avond had de Britse infanterie het dorp stevig in handen.
Rond 16.00 uur namen de Britten een officier van de 9de SS Pantserdivisie gevangen. Hij bleek in het bezit te zijn van een kaart en notitieboek met gegevens over nieuwe aanvallen. Desalniettemin vielen de Duitsers rond 1830 uur de 15e (Schotse) Infantriedivisie aan op de rechterflank. Een eenheid werd juist afgelost en in de verwarring konden Duitse tanks en infanterie door de Britse verdediging glippen, waarvan een aantal eenheden tot 3km oprukten voordat ze zware weerstand ondervonden. Tegen 23.00 uur was 9e SS Panzer gestopt. Extra ondersteuning voor aanvallen tegen de Britse oostelijke flank was gepland, maar de Duitse tank concentraties in het gebied rond Carpiquet waren dusdanig verstoord door de RAF-bommenwerpers gedurende de middag, dat de aanvallen nooit uitgevoerd zijn.
De 10de SS Pantserdivisie lanceerde zijn aanval om 1430 uur. Na botsingen eerder op de dag lagen de Britten ze op te wachten, maar na vijf uur intense gevechten werd de Schotse infanterie in Gavrus teruggedrongen in een zak rond de brug ten noorden van het dorp. Een artilleriebombardement genoodzaakte de Duitsers zich terug te trekken, maar de Britten namen het dorp niet weer in. Op weg naar Heuvel 113 liepen elementen van de 10e SS Panzer in de armen van Britse tanks en infanterie in …vrecy, hen belemmerend de heuvel te bezetten. Het omgaan met deze hindernis nam de rest van de dag in beslag, zodat de aanval van de divisie op Heuvel 112 werd uitgesteld.
In de veronderstelling dat de Duitse aanvallen op 29 juni zouden worden gevolgd door meer tegenaanvallen de volgende dag, versterkte Dempsey het de Odon bruggenhoofd met een brigade van de 43e divisie. De 159e Infanterie Brigade van de 11e Pantserdivisie werd onder het commando van de 15e (Schotse) Infantriedivisie geplaatst, en de tegemoet tredend aan O'Connors wensen voor extra infanterie voegde Dempsey de pas aangekomen 53e (Welsh) Infantriedivisie toe aan het 8e Legerkorps. Om het bezit van de Heuvel 112 te behouden erkende Dempsey dat hij ook …vrecy en Hill 113 zou moeten behouden, echter beschikte hij daarvoor op dat moment niet over voldoende middelen. Hij beval de 29e Patnserbrigade om de heuvel te verlaten. Ervan overtuigd dat de meest belangrijke positie die behouden diende te worden gelegen was tussen Rauray en de Odon, trok Dempsey na het donker de 29e Pantserbrigade ten noorden van de rivier terug om zo in een positie te komen om het verwachte Duitse offensief op te vangen. 
30 juni
Villers-Bocage, gefotografeerd gedurende het bombardement op 30 juni 1944.
Willi Bittrich was zeer verontrust door het falen van II SS Pantserkorps om de Britse saillant flink reduceren. Hij gaf opdracht het offensief te hervatten in de nacht van 29 op 30 juni, in de hoop geallieerde luchtsteun te vermijden. Het 19e en 20e regiment van de 9e SS Pantserdivisie richtten in het donker hun hernieuwde aanvallen op Grainville-sur-Odon en Le Valtru, maar boekten weinig vooruitgang door de tegenstand van de tanks van de 11e Armoured Division - nu in de positie ten noorden van de Odon - en zware artilleriebombardementen. Om 0120 uur begon de 10e SS Pantserdivisie te bewegen in de richting van Heuvel 112 en bij het ochtendgloren, gedekt met zware artillerievuur, overvielen ze de verlaten Britse posities. Zich er niet van bewust dat de Britten zich hadden teruggetrokken, schoven de pantsergrenadiers en tanks van de 10e SS Pantser de heuvel van het zuiden en zuidwesten op en viel infanterie van de 12e SS Pantser vanuit het oosten en zuidoosten aan. Zonder enige tegenstand hadden de Duitsers zich tegen de middag verschanst op de heuvel. Een Britse tegenaanval en artillerievuur brak een vervolg van de aanval richting Baron-sur-Odon.
Bittrich blies verdere offensieve actie tegen het 8e Legerkorps af vanwege de beperkte bereikte resultaten. ís Avonds bracht Hausser, commandant van het Zevende Leger, Rommels hoofdkantoor ervan op de hoogte dat zijn tegenaanvallen waren opgeschort en dat dit te wijten was aan "hardnekkige vijandelijke weerstand" en intensief geallieerd vuur van artillerie en marine. Zich niet bewust van dit feit en in de veronderstelling dat er meer Duitse aanvallen zouden volgen, staakte Dempsey Operatie Epsom. Het front werd vastgezet, hoewel beide zijden de rest van de dag zware beschietingen op elkaar uitvoerden. Het slagschip HMS Rodney droeg bij aan de beschietingen door het bombarderen van dorpen die ervan werden verdacht Duitse hoofdkwartieren te bevatten; later werd ontdekt dat in een van deze dorpen het hoofdkwartier van het SS Pantserkorps was ondergebracht. Omdat er voorlopig geen Brits offensief zou volgen werden in de middag de bruggen bij Gavrus opgegeven en werden hun Schotse verdedigers teruggetrokken over de Odon. Om 2030 uur werd Villers-Bocage, een vitaal verkeerscentrum voor de Duitse troepen, vernietigd door 256 zware bommenwerpers van de RAF. Gehoopt werd dat Duitse troepen zou worden vernietigd door de bombardementen, maar alleen Franse burgers waren aanwezig. 
Nasleep
1 juli
Het Tweede SS Pantserkorps hervatte haar tegenoffensief op 1 juli, na hergroepering gedurende de voorgaande 24 uur. Zich niet van bewust van het feit dat de Britten hun operaties hadden opgeschort en met door bewolkt weer bemoeilijkte geallieerde luchtsteun, geloofde Bittrich dat hij de kans had om te voorkomen dat de 11e Pantserdivisie verder oprukte over de Orne. Voor dag en dauw rukte de 10e SS Pantserdivisie op, ondersteund door zwaar mortier- en artillerievuur. De Duitsers namen het dorp van Baron-sur-Odon spoedig in, maar door een tegenaanval door de 31e Tankbrigade werd het dorp weer verloren. Zware beschietingen braken andere aanvallen van de 10e SS Pantser op heuvel 112 af; Britse patrouilles vonden later (na schatting) 300-400 dode pantsergrenadiers op de noordelijke helling van de heuvel. De 9e SS Pantserdivisie probeerde gedurende de dag de Britse aanvoerlijnen tussen Rauray en de Odon te forceren. Aangevuld met pantsergrenadiers van de 2de SS Pantserdivisie en na een eerste bombardement, rukten tanks en infanterie van het 9e SS Pantserdivisie op achter een rookgordijn en braken door de buitenste ring van de Britse verdediging. De Duitsers werden tegengehouden door secundaire posities vlak voor Rauray en op hoger gelegen grond ten zuidoosten hiervan, alhoewel Duitse elementen doordrongen tot Haut du Bosq. Verdere Duitse aanvallen gedurende de dag werden beantwoord met intensief artillerievuur, deze boekten geen verdere vooruitgang, en in de vroege avond werd de oorspronkelijke frontlinie hersteld door een Britse tegenaanval met behulp van Sherman en Churchill Crocodile tanks met vlammenwerpers. Aan beide zijden vielen vele slachtoffers. Dertig Duitse tanks werden vernietigd, de meeste door de 49e (West Riding) Infantriedivisie; Elementen van de 12e SS Pantserdivision werden teruggeslagen tijdens de ochtend, en artillerievuur zette aanvallen van andere formaties stop.

26 juni:Geleid door hun doedelzakspeler rukt het 7e Seaforth Highlanders regiment op

 

Evacuatie van gewonden met een Universal Carrier van de 49e (West Riding) Infantriedivisie gedurende Operatie Epsom.

 

 

Een Churchill tank van het Zevende Royal Tank Regiment, 31e Tank Brigade, bij het ondersteunen van de infanterie van de Royal Scots tijdens Operatie Epsom, 28 juni 1944.

 

 


Villers-Bocage, gefotografeerd gedurende het bombardement op 30 juni 1944.

De Italiaanse veldtocht(1943-tot Mei-1945)

De Italiaanse veldtocht tijdens de Tweede Wereldoorlog omvatte de geallieerde operaties in ItaliŽ van 1943 tot mei 1945.
Opmerkelijk aan de Italiaanse veldtocht was de grote diversiteit aan geallieerde troepen. Naast de Amerikanen en Britten vochten er onder andere Vrije Fransen, Polen, Canadezen, AustraliŽrs, Nieuw-Zeelanders, IndiŽrs, Marokkanen, Brazilianen, Tsjechen en een joodse brigade. In het eindstadium mengden zich tevens Joegoslavische partizanen in de strijd toen zij noordoost-ItaliŽ binnenvielen.
Achtergrond
Toen de overwinning in de Noord-Afrikaanse veldtocht naderde, ontstond verschil van mening in het geallieerde kamp over de te volgen strategie. Groot-BrittanniŽ, en vooral Winston Churchill, was voorstander van een landing in ItaliŽ. Het was duidelijk dat het Italiaanse volk steeds minder enthousiast over de oorlog was. Men hoopte dat een invasie van het schiereiland de Italianen als oorlogspartij zou elimineren en dat dit een belangrijke propaganda stunt zou leveren. Wanneer ItaliŽ niet meer aan de oorlog meedeed dan zou de Royal Navy de controle over de Middellandse Zee verkrijgen. Hierdoor zou de verbinding tussen Groot-BrittanniŽ en het Midden-Oosten en het Verre Oosten aanmerkelijk verbeteren. De Amerikaanse staf was voorstander van een zo snel mogelijke invasie in Noord-Frankrijk. Deze landing bleek echter in 1943 nog niet mogelijk. Om deze reden werd besloten tot een compromis: een beperkte operatie alleen op SiciliŽ.
De landing op SiciliŽ
Een gecombineerde Brits-Amerikaanse Invasie op SiciliŽ begon op 10 juli 1943 met luchtlandingen en landingen uit zee. Een Duits-Italiaanse tegenaanval faalde, waarna de Duitsers zich langzaam van het eiland terugtrokken via Messina naar het Italiaanse schiereiland.
De landingen droegen in belangrijke mate bij aan de val van Mussolini. De militaire tegenslagen hadden zelfs binnen de fascistische partij de weerstand tegen de oorlog gesterkt, een oorlog die eigenlijk vooral begonnen was omdat Mussolini zo graag net als Hitler een grote veroveraar wilde zijn. Op 24 juli 1943 werd de Fascistische Grote Raad bijeengeroepen die een motie tegen Mussolini indiende. De dag erna werd Mussolini gearresteerd na een onderhoud bij de koning. Maarschalk Badoglio nam het premierschap over en verklaarde de oorlog aan Duitse zijde voort te zetten, terwijl hij in het geheim met de geallieerden in onderhandeling trad.
De laatste Duitse en Italiaanse troepen verlieten SiciliŽ op 17 augustus 1943. 
Invasie in ItaliŽ
De geallieerden zagen nu hun kans schoon de overgave van ItaliŽ te bewerkstelligen en een bruggenhoofd in continentaal Europa te vestigen. Terwijl Badoglio openbaar verkondigde trouw te blijven aan de asmogendheden, werd afgesproken dat de geallieerden in Zuid-ItaliŽ zouden landen en dat Badoglio hierna zou capituleren.
Britse strijdkrachten landden op de Italiaanse 'teen' op 3 september 1943 in Operatie Baytown. Op 8 september gaf de Italiaanse regering zich inderdaad over, maar Duitse troepen waren hierop voorbereid. Generaal Kesselring viel met 30 divisies Noord-ItaliŽ binnen, sloeg het begin van een arbeidersopstand in Milaan en Turijn neer, en rukte snel op naar het zuiden. Italiaanse troepen in ItaliŽ en de gebieden die dit land nog bezet hield op de Balkan werden omsingeld en ontwapend, waarna ze werden afgevoerd naar krijgsgevangenenkampen. Sommige Italiaanse troepen bleven trouw aan de inmiddels bevrijde Mussolini. Zij vochten door onder de vlag van de fascistische marionettenstaat van Mussolini (Italiaanse Sociale Republiek) maar onder Duits commando. In het zuiden gaven Italiaanse eenheden zich aan de geallieerden over en verklaarden zich trouw aan Badoglio. Sommigen namen eveneens de wapens op. Tevens vormden tegenstanders van Mussolini in het noorden partizanengroepen, die sabotage en aanslagen pleegden. Zo was het Italiaanse front tevens een burgeroorlog, daar aan beide zijden Italianen aan de strijd deelnamen.
Op 9 september landen Amerikaanse strijdkrachten bij Salerno in Operatie Avalanche en additionele Britse strijdkrachten bij Tarento in Operatie Slapstick. Op 1 oktober 1943 volgde de inname van Napels.
Het ruige terrein verhinderde een snelle geallieerde opmars, maar gedurende de rest van het jaar dreven de geallieerden de Duitse troepen langzaam naar het noorden.
Winter linie, Anzio en Monte Cassino
De Duitsers hadden een verdedigingslijn opgebouwd onder de naam Winterlinie. Een deel hiervan werd Gustav-linie genoemd. Bij deze linie stokte eind 1943 de geallieerde opmars. Aanvallen op de Duitse verdediging bij Monte Cassino faalden. De Landing bij Anzio was bedoeld om dit obstakel te omzeilen, maar werd door de Duitse troepen geÔsoleerd. Pas in het voorjaar 1944 werd de linie na een vierde frontale aanval in de Slag bij Monte Cassino doorbroken. Op 4 juni werd Rome ingenomen.
Het eindstadium
Na de val van Rome en de Landing in NormandiŽ werd het Italiaanse theater van secundair belang. Een tweede Duitse verdedigingslinie, de Gotische Linie, stopte de geallieerde opmars tot voorjaar 1945.
In het voorjaar van 1945 dreigden de Duitse troepen in Noord-ItaliŽ afgesneden te raken door de geallieerden in het zuiden en westen, de Joegoslavische partizanen van Tito in het oosten, en de Russen in het noordoosten. Zij trokken zich terug naar Oostenrijk en lieten de fascisten aan hun lot over. De geallieerden braken door in de Povlakte, en overal namen partizanen de macht over. Op 29 april 1945 werd Mussolini door partizanen gedood, en op 2 mei 1945 was de strijd in ItaliŽ ten einde.
Nasleep
Fascisten werden door de partizanen en de nieuwe machthebbers opgepakt. Tevens werd de monarchie in 1946 afgeschaft doordat deze Mussolini aan de macht had laten komen en hem 20 jaar lang zijn gang had laten gaan, met desastreuze gevolgen. Vanwege de bijstand aan de geallieerden hoopte dit nieuwe ItaliŽ op een milde behandeling bij de daaropvolgende vrede van Parijs, maar de vredesbepalingen vielen zwaarder uit dan waarop was gehoopt. Twee jaar aan geallieerde zijde meevechten deed niet af aan de eerdere agressie en aangerichte schade. Vooral de gebiedsafstanden aan JoegoslaviŽ en Griekenland werden door veel Italianen als onbillijk ervaren, en een dag van nationale rouw werd afgekondigd.

Amerikaanse soldaten nabij Prato in Toscane, april 1945 
Datum 10 juli 1943 Ė 2 mei 1945 
Locatie ItaliŽ 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten 1912-1959 Verenigde Staten
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada
Vlag van AustraliŽ AustraliŽ
British Raj Red Ensign.svg Brits-IndiŽ
Vlag van Nieuw-Zeeland Nieuw-Zeeland
Vlag van Zuid-Afrika 31 mei 1928-27 april 1994 Zuid-Afrika
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen
Vlag van Polen Polen
Vlag van BraziliŽ BraziliŽ
Vlag van ItaliŽ ItaliŽ (vanaf 13 okt. 1943)
Vlag van Duitsland Duitsland
Vlag van ItaliŽ ItaliŽ (tot 8 sept. 1943)
War flag of the Italian Social Republic.svg Italiaanse Sociale Republiek (vanaf 23 sept. 1943) 
Commandanten en leiders 
Vlag van Verenigde Staten 1912-1959 Dwight Eisenhower
Vlag van Verenigd Koninkrijk Henry Maitland Wilson
Vlag van Verenigd Koninkrijk Harold Alexander Vlag van Duitsland Albert Kesselring
Vlag van Duitsland Heinrich von Vietinghoff
Vlag van ItaliŽ War flag of the Italian Social Republic.svg Benito Mussolini
War flag of the Italian Social Republic.svg Rodolfo Graziani

Neder-Silezische offensief 8-2-24 Februari 1945

Het Neder-Silezische offensief (Russisch: Нижне-Силезская наступательная операция) was een onderdeel van de campagne van het Rode leger aan het oostfront in de winter van 1945. Vanaf 8 februari 1945 tot 24 februari 1945 viel de rechterflank van het 1e OekraÔense front onder leiding van maarschalk Ivan Konev de Duitse Legergroep Centrum in Neder-SileziŽ aan. Het doel van het offensief was verdrijven van de Duitse troepen, die zich in SileziŽ bevonden. Deze troepen vormden een bedreiging voor de zuidelijk flank van het 1e OekraÔense front bij een aanval op Berlijn. Na de omsingeling van Breslau en het bereiken van de Neisse schortte maarschalk Konev het offensief op en hij richtte zijn aandacht op zijn linkerflank.
De pauze in de offensieve operaties van het Rode leger gaf de Wehrmacht een kans om zich te hergroeperen. Begin maart 1945 leidde een Duitse tegenaanval tot de herovering van Lauban. Het offensief in Neder-SileziŽ werd op 15 maart 1945 gevolgd door een offensief in Opper-SileziŽ, waarbij de Duitsers ook uit dit gebied werden verdreven. Na de Silezische operatie was de bedreiging voor een flankaanval op het 1e OekraÔense front verdwenen. Het 1e OekraÔense front had zijn startpositie voor de aanval op Berlijn aan de oevers van de Neisse ingenomen
Situatie aan het oostfront
Sovjetzijde
Tijdens het Weichsel-Oder offensief was het 1e OekraÔense front opgerukt vanuit het bruggenhoofd bij de Weichsel tot aan de Oder. De beide tanklegers van het 1e OekraÔense front staken op 22 januari 1945 de Oder over nabij Steinau en enkele dagen later werd een tweede bruggenhoofd gevestigd nabij Ohlau, ten zuiden van Breslau. Daarna richtte maarschalk Konev zijn aandacht op het rijke industriegebied in Opper-SileziŽ, dat werd verdedigd door het 17e leger. Hij gaf opdracht aan het 3e Garde-tankleger onder leiding van generaal Pavel Rybalko om naar het zuidoosten te zwenken. Ondertussen vielen het 59e leger en 60ste leger de Duitse posities frontaal aan. De opmars van het 3e Garde-tankleger dreigde de ontsnappingsroute van het 17e leger af te snijden, maar generaal Pavel Rybalko vertraagde zijn opmars zodat de Duitsers de kans kregen om zich terug te trekken. Hierdoor slaagde maarschalk Konev erin om de fabrieken en mijnen onbeschadigd te veroveren. Op 1 februari 1945 waren de troepen van het 1e OekraÔense front verspreid langs de oostelijke oever van de Oder.
Begin februari 1945 gaf Stavka de opdracht om de resterende Duitse eenheden uit SileziŽ te verdrijven en zich te hergroeperen aan de Neisse, zodat ze de aanval van het 1e Wit-Russische front op Berlijn konden steunen. Gelijktijdig begon het 2e Wit-Russische front met de aanval op Pommern.
Opstelling van het Rode Leger
1e OekraÔense front 3e Garde Leger
5e Garde Leger
21ste Leger
6ste Leger
13ste Leger
52ste Leger
59ste Leger
60ste Leger
4de Tankleger (generaal Dmitry Lelyushenko)
3e Garde-tankleger (generaal Pavel Rybalko)
Duitse zijde
Na het rampzalig Weichsel-Oder offensief waren de Duitse legers uit het centrale gedeelte van Polen gevlucht. Reeds in de eerste dagen van het offensief was de verdediging totaal ingestort. Achtervolgd door de tanklegers van het 1e Wit-Russische Front en het 1e OekraÔense front trokken ze zich terug naar het westen. De snelle opmars van de Sovjets leidde tot de vernietiging van Legergroep A. Op 27 januari 1945 benoemde Hitler generaal Ferdinand SchŲrner tot bevelhebber van de nieuwe Legergroep Centrum, die de restanten van het 4e Pantserleger en het 17e Leger omvatte. Onmiddellijk begon hij opdrachten te geven om tegenaanvallen in te zetten, maar de Duitse eenheden waren niet in staat om deze bevelen uit te voeren. Naar het Duitse opperbevel gaf hij de indruk dat de situatie onder controle was.
Met harde hand probeerde generaal Ferdinand SchŲrner de discipline bij de Duitse soldaten te herstellen zodat de soldaten zich niet langer durfden terugtrekken. Hij liet elke deserteur die werd gearresteerd onmiddellijk ophangen. De krijgsraden maakten geen onderscheid tussen officieren en soldaten. Hij wilde dat de Duitse soldaten evenveel schrik hadden van hem als van de Sovjets.
Uiteindelijk stabiliseerde het front zich langsheen de Oder en de Neisse. Het 4e Pantserleger en het 17e Leger hergroepeerden zich achter de Oder in SileziŽ.
Opstelling van de Wehrmacht
Legergroep Centrum (Generaal Ferdinand SchŲrner) 4e Pantserleger (Generaal Fritz-Hubert Gršser) 5e Korps (Generaal Kurt Wšger)
Pantser Korps ďGroŖdeutschlandĒ (Generaal Dietrich von Saucken)
40e Pantser Korps (Generaal Siegfried Henrici)
24e Pantser Korps (GeneraalWalther Nehring)
Festung Glogau (Kolonel Jonas Graf zu Eulenburg)
17e Leger (Generaal Friedrich Schulz) 8e Korps (Generaal Walter Hartmann)
17e Korps (Generaal Otto Tiemann)
48e Pantser Korps (Generaal Maximilian Reichsfreiherr von Edelsheim)
57e Pantser Korps (Generaal Frieddrich Kirchner)
Festung Breslau (Generaal Hans von Ahlfen)
1e Pantserleger (Generaal Gotthard Heinrici) 49e Berg Korps (Generaal Karl von Le Suire)
59e Korps (Generaal Ernst Sieler)
11e Korps (Generaal Walter Hartmann) 
Offensief
Op 8 februari 1945 lanceerde maarschalk Konev zijn offensief. Vanuit het bruggenhoofd bij Steinau rukten het 3e Garde-tankleger en het 4de Tankleger naar het westen op. De Duitse verdediging werd reeds op de eerste dag van de aanval doorbroken. Op 11 februari 1945 omsingelde het 4de Tankleger 8000 Duitse soldaten in Glogau, maar ze wisten de Sovjet-aanval op de stad af te slaan. Om geen tijd te verliezen, gaf maarschalk Konev bevel om de stad te belegeren en hij stuurde zijn tanks verder naar het westen. Pas op 1 april 1945 gaven de laatste verdedigers van Glogau zich over. Het kleine stadje was nagenoeg volledig verwoest.
De aanval vanuit het bruggenhoofd ten zuiden van Breslau stuitte echter op meer tegenstand en verliep aanzienlijk trager. Maarschalk Koniev gaf generaal Pavel Rybalko opdracht om de aanval in de richting van Bunzlau te staken en twee van zijn drie tankkorpsen in zuidoostelijke richting te laten oprukken. Op 15 februari 1945 was Breslau omsingeld en ongeveer 35 000 Duitse soldaten zaten in de val. Hitler verklaarde de Silezische hoofdstad tot festung. In plaats van troepen en kostbare tijd te verspillen aan een frontale aanval op een grote stad probeerde maarschalk Konev de stad uit te hongeren. Tijdens de slag om Breslau zouden meer dan 25 000 Duitsers sneuvelen, maar de stad zou tot het eind van de oorlog in Duitse handen blijven.
Ondertussen trok het 4de Tankleger verder naar het westen en de voorhoede bereikte nabij Frost de Neisse. Verschillende eenheden van het 17e leger bevonden zich nog steeds achter de Oder en door de snelle opmars dreigden ze te worden omsingeld. Ook de restanten van het gehavende 24e Korps van generaal Nehring bevinden zich nog ten noorden van Glogau. De rechtervleugel van het 1e OekraÔense front strekte zich uit van Breslau tot aan de Neisse en generaal Nehring greep zijn kans. Door de opmars van het 4de Tankleger naar het westen en van het 3e Garde-tankleger naar het zuidoosten was er een gat gevallen tussen beide tanklegers, dat elke dag groter werd. Hij verzamelde de restanten van het Pantser Korps ďGroŖdeutschlandĒ en viel de achterhoede van het 4de Tankleger aan. Hij probeerde een corridor open te houden in de richting van GŲrlitz. Deze ontsnappingsroute gaf de restanten van het 17e leger de kans om naar het westen terug te trekken. Maarschalk Konev stuurde het 52e leger en delen van het 3e Garde-tankleger om de flanken van (generaal Dmitry Lelyushenko) te beschermen en de Duitse terugtocht te verhinderen. Na twee dagen van hevige gevechten was de Duitse aanval afgeslagen, maar de troepen van generaal Nehring waren ontkomen. Ze ontsnapten naar het westen, waar ze zich terugtrokken achter de Neisse.
Lauban
Lauban was een belangrijk verkeersknooppunt halverwege tussen GŲrlitz en Breslau. Op 18 februari besliste het Duitse opperbevel om Breslau te ontzetten, maar zolang de spoorweg bij Lauban nog in handen was van het 1e OekraÔense front konden de Duitsers hun troepen niet verzamelen. Bovendien kon het 3e Garde-tankleger vanuit Lauban de eventuele Duitse ontzettingspoging in de flank bedreigen. Generaal SchŲrner kreeg bevel om Lauban te bezetten.
Toen eind februari 1945 de troepen van het 1e OekraÔense front verspreid waren, zag generaal SchŲrner zijn kans. Hij verzamelde alle reserves, die hij bijeen kon schrapen en lanceerde op 1 maart een tegenaanval om Lauban te heroveren. Ze vielen de flanken van het 3e Garde-tankleger aan en slechts na zware gevechten konden de Sovjets zich uit de omsingeling bevrijden. Met achterlating van hun zware materiaal en 25 000 doden en gewonden moest het 3e Garde-tankleger zich terugtrekken. Lauban viel op 8 maart in handen van het 17e leger en de frontlijn bleef ongewijzigd tot het einde van de oorlog.
Generaal SchŲrner probeerde nu een aanval in de richting van Breslau te lanceren, maar zijn troepen waren te uitgeput en het plan werd afgeblazen.
Resultaat
Dr Goebbels in Lauban

Tot verbazing van het Duitse opperbevel schortte maarschalk Konev op 24 februari 1945 alle offensieve acties in het gebied tussen de Oder en de Neisse op. Het doel van het offensief in Neder-SileziŽ was echter enkel bedoeld als hergroepering van de rechtervleugel van het 1e OekraÔense front en dat had hij bereikt op 24 februari. De Duitse troepen waren verdreven van de Oder naar de Neisse en ze vormden geen gevaar meer bij een aanval op Berlijn.
Volgens het Oberkommando der Wehrmacht had het 1e OekraÔense front geen enkele overwinning geboekt. Breslau was nog in Duitse handen, er was geen doorbraak in de richting van Dresden en het 17e leger en het 4e Pantserleger waren niet omsingeld. Propagandaminister Dr Goebbels schilderde de overwinning bij Lauban af als een grote overwinning. Samen met enkele journalisten bracht hij op 8 maart een bezoek aan het heroverde stadje.

Datum 8 februari - 24 februari 1945 
Locatie Neder-SileziŽ 
Resultaat Tactische overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 

Vlag van Duitsland Duitsland Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie 

Commandanten en leiders 

Vlag van Duitsland Ferdinand SchŲrner Flag of the Soviet Union.svg Ivan Konev 

Troepensterkte 

ca 400.000 ca1.200.000 

 

 

Ferdinand SchŲrner

Operatie Crusader (30 december 1941)

Operatie Crusader (18 november 1941 - 30 december 1941) was een Britse aanval tijdens de Tweede Wereldoorlog in Noord-Afrika, met als doel het vernietigen van Duitse tanks en het ontzetten van het belegerde Tobroek, in LibiŽ.

Achtergrondinformatie

Na de kostbare mislukking van Operatie Battleaxe, werd Generaal Archibald Wavell als opperbevelhebber van het Midden-Oosten vervangen door Claude Auchinleck.
De geallieerde woestijntroepen werden gereorganiseerd in het Britse Achtste Leger. Dit leger kwam onder leiding te staan van luitenant-generaal Alan Cunningham. Het bestond onder andere uit het Britse 30e Korps, dat uit de Britse 7e pantserdivisie en de Zuid-Afrikaanse Eerste infanteriedivisie bestond. Voor de rest bestonden de strijdkrachten vooral uit resten van het 13e Korps, bestaande uit de Nieuws-Zeelandse en de Indiase Vierde infanteriedivisie. Het Achtste leger was hervormd naar een leger met zeven divisies, ondersteund door 770 tanks. Onder deze tanks bevonden zich veel van de nieuwe Crusader Cruiser Tanks. De naam van de operatie is dan ook op deze nieuwe tank gebaseerd. Als het nodig was, kon er door ongeveer duizend vliegtuigen tactische luchtsteun worden verleend.

De tegenstanders van de geallieerden waren de getrainde en in strijd geharde troepen van Erwin Rommels Afrikakorps, bestaande uit de 15e en 21e pantserdivisie en de 90e lichte infanteriedivisie. Deze troepen werden aangevuld met zes zwakke Italiaanse divisies, die 153 tanks telden. De asmogendheden konden in de lucht maar weinig weerstand bieden. De Luftwaffe had 120 vliegtuigen ter beschikking, terwijl de Italiaanse luchtmacht 200 vliegtuigen kon inzetten. 
Het gevecht

Op 18 november 1941 lanceerde het Achtste leger een verrassende aanval richting het noordwesten. Volgens plan zou de Britse 7e pantserdivisie het Afrika Korps aanvallen en trachten uit te schakelen. Ondertussen zou het 30e korps de aanval inzetten op de Italiaanse stellingen bij Bardia. Tegelijkertijd met de aanval op Bardia zou de Britse 70e divisie Tobroek proberen te verlaten en uit te breken in de richting van het 30e Korps. De aanval stagneerde toen de Britse 7e pantserdivisie zich moest terugtrekken met zware verliezen. De 70e divisie en het 30e Korps kwamen onder hevig (artillerie)vuur te liggen. Bovendien leden de Britten nog meer gevoelige nederlagen. Zo gingen bij Bir el Gobi meer dan vijftig tanks verloren, terwijl er maar 34 Italiaanse werden vernietigd.
Op 21 november zag Rommel een kans om de constante druk op de belegerde Italianen enigszins te verminderen. Hij probeerde dit te doen door een aanval met zijn pantserdivisie op de Britse stellingen. Rommel zou zijn pantserdivisie ondersteunen met een grote zwerm vliegtuigen die de Luftwaffe beschikbaar had gesteld.

Bijna in paniek vroeg Cunningham toestemming om zich te mogen terugtrekken, maar Auchinleck besloot dat de posities moesten worden behouden. De moedige aanval die Rommel eerder al had gelanceerd, liep uit op een mislukking. De Duitsers waren zo snel opgerukt dat hun aanvoertroepen hen niet meer kon bijhouden. Zonder voorraden moesten ze de strijd aangaan met delen van het 4e Indiase Korps. Dit Korps wist de Duitsers onherstelbare schade toe te brengen en de Duitsers moesten dan ook de overige troepen zo snel mogelijk evacueren.

Op 27 november had de Nieuw-Zeelandse divisie aansluiting gevonden bij het garnizoen van Tobroek. Het Afrikakorps was in groot gevaar, aangezien hun lichte infanterie divisie was ingesloten. De asmogendheden werden voortdurend belegerd en moesten een doorbraak forceren. Rommel wilde met zijn pantserdivisie de lichte infanteriedivisie bevrijden, wat pas lukte op 6 december. Op 7 december gaf Rommel het bevel om een sterke verdedigingslinie te vormen nabij Gazala, ten zuidwesten van Tobroek. Rond Bir el Gobi wisten de Duitsers stevig weerstand te bieden en dat gaf de succesvolle tactiek van Rommel aan.

Nadat Auchinleck de situatie had geŽvalueerd, verving hij Cunningham door Neil Ritchie. Auchinleck en Ritchie besloten om de Duitse linie onder druk te houden. Ze trachtten de Duitsers terug te dringen naar de stellingen bij El Agheila (28-30 december), waar ze hun eerste offensief in maart 1941 waren begonnen.

Vervolg van de strijd in Noord-Afrika

Door de vastberadenheid van Auchinleck en de agressie van Ritchie was de directe bedreiging van Egypte en het Suezkanaal door de asmogendheden verdwenen. Het Duits-Italiaanse garnizoen van Bardia gaf zich op 2 januari 1942 over. Dit werd gevolgd door een grote massaovergave van de Duits-Italiaanse strijdkrachten bij Halfaya. Na felle gevechten werden 30.000 krijgsgevangenen gemaakt. Het Achtste leger was van plan om Rommel aan te vallen bij El Agheila, maar het had de afgelopen maand zware verliezen geleden. Daardoor moesten de Britten eerst weer op oorlogssterkte komen, alvorens ze een aanval konden lanceren.

Op 21 januari 1942 lanceerde Rommel ťťn van zijn verrassende tegenaanvallen tegen de vermoeide en verspreide Britse strijdmachten. Ze werden teruggedreven naar Gazala en namen daar bezit van de stellingen die de Duitsers hadden betrokken tijdens de Slag bij Gazala. De Britten kregen daar verse troepen aangeleverd en ze reorganiseerden en hergroepeerden zich. Ondanks het geringe succes van Operatie Crusader, werd wel aangetoond dat het Afrikakorps niet onverslaanbaar was. Tevens gaf de operatie aan dat de strijd in Noord-Afrika vooral een dynamisch gevecht was. 
 

Strijdende partijen 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk Vlag van Duitsland Duitsland
Vlag van ItaliŽ ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Claude Auchinleck
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Alan Gordon Cunningham
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Charles Norrie
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Neil Ritchie Vlag van Duitsland Erwin Rommel
Vlag van Duitsland Ludwig CrŁwell
Vlag van ItaliŽ Ettore Bastico
Vlag van ItaliŽ Gastone Gambara 
Troepensterkte 
13e korps, 30e korps en 70e divisie. 
700 tanks en 1.000 vliegtuigen
Afrika Korps en het Italiaanse 10e Korps, 20e korps en 21e korps. 
414 tanks en 320 (in het begin, later 800) vliegtuigen.
Verliezen 
18.600 doden 24.500 dood en gewond, 36.500 gevangenen, 386 tanks, 450 vliegtuigen



Een Crusader tank passeert een brandende PzKpfw IV.

Operatie Flipper(De Rommel Raid)10-11-1941

Operatie Flipper was een Britse speciale operatie tijdens de Tweede Wereldoorlog met als hoofddoel een aanval op het hoofdkwartier van Erwin Rommel, de commandant van de Asmogendheden in Noord-Afrika. De operatie werd uitgevoerd in de nacht van 17 op 18 november 1941, een nacht voor de start van Operatie Crusader, een groot Brits offensief. De operatie was een totale mislukking. Slechts twee van de ruim dertig commando's die aan land kwamen wisten veilig terug te keren. De rest was dood of al dan niet gewond krijgsgevangen gemaakt.
Achtergrond
In oktober en november 1941 werd door het Britse 8e Leger een plan opgesteld om meerdere doelen achter de vijandelijke linies aan te vallen, te weten:
Het hoofdkwartier van Erwin Rommel nabij Al Bayda
Het Italiaanse hoofdkwartier bij Cyrene
Een afdeling van de inlichtingendienst in Apollonia
Verschillende communicatiestations
Het belangrijkste doel was het doden van Erwin Rommel zelf, waarmee werd gehoopt dat de organisatie van het vijandelijke leger een volledige chaos werd als Operatie Crusader van start ging.
De commandant van de operatie was Luitenant-Kolonel Robert Laycock. Luitenant Geoffrey Keyes, die aanwezig was geweest bij het plannen van de operatie, nam de meest hachelijke taak op zich: de aanval op het hoofdkwartier van Rommel.
De Raid
Op 10 november verlieten twee onderzeeŽrs de haven van AlexandriŽ. De HMS Torbay had Keyes, kapitein Campbell en luitenant Cook en 25 commando's aan boord. De HMS Talisman had Laycock, kapitein Glenny, luitenant Sutherland en ook 25 commando's aan boord. In de nacht van 14 op 15 november landde de eenheid van Keyes op het strand van Hamama, ruim 400 kilometer achter de vijandelijke linies. Hier hadden ze contact met kapitein Haselden, luitenant Ingles en korporaal Severn, van de Long Range Desert Group, een inlichtingendienst, die al eerder in het gebied waren afgezet.

De andere eenheid, onder leiding van Laycock, had meer moeite met aan land komen. Het weer was omgeslagen en slechts zeven man wisten samen met Laycock aan land te komen. De rest bleef achter op de Talisman. Hiermee waren slechts 39 van de kleine 60 man beschikbaar. Het plan moest worden gewijzigd, en in plaats van vier groepen die aan zouden vallen, werden het er slechts 2. Laycock bleef achter op het verzamelpunt met enkele mannen in de hoop dat de achtergebleven commando's op de Talisman alsnog aan land konden gaan.
De voltallig groep van Keyes ging naar het hoofdkwartier van Rommel, en luitenant Cook ging met zijn mannen naar de communicatiestations.
Kort nadat het licht werd bereikte de groep van Keyes een Wadi. Hier bleven ze gedurende de dag, tot het weer donker werd. In de nacht vertrokken ze weer, maar hun Arabische gids weigerde verder mee te gaan door het verslechterende weer. Hierop leidde Keyes zijn mannen naar een hoogte van ca. 550 meter. Hierop volgde een mars van ruim 28 kilometer. Na wederom een dag geschuild te hebben wist de groep rond 22:00 uur het hoofdkwartier op enkele honderden meters te naderen.
Een minuut van twaalf uur 's nachts had Keyes zijn mannen langs bewakers en andere verdedigingen van het hoofdkwartier geleid, en kwamen ze aan bij het huis. Doordat ze geen open deur of raam konden vinden werd kapitein Campbell, die vloeiend Duits sprak, naar het huis gestuurd om op de deur te bonken en toegang te eisen. De soldaat die de deur opendeed werd onmiddellijk aangevallen door Campbell en Keyes, maar was desondanks nog in de positie om alarm te kunnen slaan. Hierop schoot Campbell hem dood met zijn pistool. Het geluid van het pistool alarmeerde de andere Duitsers rond het huis, waarop een gevecht ontstond.
In het gevecht werd Keyes dodelijk verwond. Hij werd naar buiten gedragen door een paar van zijn mannen, waar hij binnen enkele minuten overleed. Later werd Campbell in zijn been geschoten door ťťn van zijn eigen mannen, nadat hij achteloos een hoek om was gelopen, terwijl hij eerder het bevel had gegeven om eenieder die binnen gezichtsveld kwam neer te schieten. Hierop gaf hij het bevel over aan sergeant Terry en bleef zelf achter. Terry hergroepeerde de eenheid en trok terug.
Terry kwam met de eenheid veilig terug bij Laycock op het strand. De eenheid van Cook, die naar de communicatiestations was gegaan, keerde niet terug. Vanwege het slechte weer was het niet mogelijk om aan boord van de onderzeeŽrs te gaan, en ze besloten om op het strand te wachten op beter weer. Ze werden echter al snel ontdekt door de vijand, die hierop in de aanval ging. Laycock was zich ervan bewust dat ze geen kans hadden tegen een grote, georganiseerde gevechtseenheid en beval zijn mannen om in kleine groepen uiteen te gaan. Alleen Terry en Laycock wisten echter, na 37 dagen in de woestijn, veilig terug te keren naar de duikboten. De rest was of gedood of gevangengenomen.
Nasleep
Achteraf werd duidelijk dat Rommel ten tijde van de operatie helemaal niet aanwezig was in het hoofdkwartier, maar dat hij het huis twee weken eerder al had verlaten. Desondanks was Operatie Crusader een gering succes voor de geallieerde strijdkrachten. Niet lang erna lanceerde Rommel echter een verrassende tegenaanval waardoor de Britse troepen weer een stuk terug moesten trekken.
Luitenant-kolonel Keyes werd op bevel van Rommel met militaire eer begraven op een lokale katholieke begraafplaats. Voor zijn bijdrage in de operatie werd hij postuum onderscheiden met het Victoria Cross, de hoogste Britse militaire onderscheiding.

Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog
Datum 10 november - 18 november 1941
Locatie LibiŽ
Resultaat Britse doelen niet bereikt
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Commandanten en leiders
Robert Laycock
Geoffrey Keyes Ü Erwin Rommel
Verliezen
2 doden
28 krijgsgevangenen (incl. 3 gewonden)
3 ontsnapt

 

Geoffrey Keyes, de aanvoerder van operatie Flipper.

Erwin Rommel, doelwit van operatie Flipper.

Jacht op het Duitse Atoomwapen in WO II

De Jacht op het Duits atoomwapen in WOII was de zoektocht van verschillende geheime militaire organisaties van de geallieerden naar atoomgeleerden en materiaal van het Duits atoomprogramma in ItaliŽ, Frankrijk en nazi-Duitsland.
Achtergrond
Al aan het begin van de oorlog kwamen de geallieerde inlichtingendiensten erachter dat er in het diepste geheim een Duits militair atoomprogramma werd opgestart met de waarschijnlijke bedoeling om voor de naziís een atoombom te ontwikkelen. Er was onder meer een Uranverein opgericht. Uit verschillende bronnen (waaronder die van geleerden) waren de geallieerden erachter gekomen dat zoín atoombom in verkeerde handen de loop van de oorlog nadelig voor hen kon beÔnvloeden. Om te voorkomen dat de naziís als eerste de bom zouden ontwikkelen, werden er verschillende geheime militaire teams samengesteld die op jacht gingen naar atoomgeleerden, informatie (documentatie) en uranium. Er werd door deze teams ook gezocht naar informatie hoever de Duitsers precies waren gevorderd in de ontwikkeling van een kernbom.
Een tweede reden voor deze teams was dat de geallieerden zo veel mogelijk Duitse kerngeleerden uit de handen van de Russen wilden houden. Zelfs enkele weken nadat de Tweede Wereldoorlog was afgelopen, werden familieleden en andere belangrijke personen uit de Russische zone van Berlijn ontvoerd door de 30e Assault Unit. Om geen argwaan te wekken werden deze Duitsers in geallieerd militair uniform en in geallieerde militaire voertuigen (onder de neus van de Russen) over de grens gesmokkeld (Operation Paperclip). De Russen kwamen echter achter het bestaan van deze smokkel die de relaties tussen de Westelijke geallieerden en Rusland - al enkele weken na de oorlog - danig bekoelde. Er zijn bronnen die beweren dat de Sovjets ook bezig waren met het ontvoeren (of pogen te ontvoeren) van belangrijke personen. In ťťn geval werd een Sovjet-ontvoeringspoging verijdeld. 
30-AU en Alsos
In Engeland stond Ian Fleming (de schrijver van James Bond) aan het hoofd van de 30e Assault Unit, of kortweg 30 AU. Deze unit was in september 1942 opgericht door het hoofd van de Britse Naval Intelligence en werd uiteindelijk in 1946 ontbonden. 30 AU bestond oorspronkelijk uit drie verschillende militaire eenheden die in december 1943 werden samengesmeed tot 1 enkele eenheid. De 30e Assault Unit opereerde zelfstandig en schrok er niet voor terug om met grote snelheid diep in vijandelijk gebied door te dringen (en waarbij er zelfs voor de geallieerde opmars uit werd doorgereden. De opzet van deze werkwijze van Ian Fleming was, dat als een front nog ver weg was, de Duitsers er nog niet over nadachten om documenten of materiaal te vernietigen). Verder moest 30 AU geheime infiltraties uitvoeren in vijandelijk gebied (te land, ter zee en in de lucht). Gezocht werden naar codes, documenten, materiaal en Duitse wetenschappers. 30 AU werkte heel vaak samen met de Intelligence Corps' Field Security Sections. 30 AU voerde missies uit in Noord-Afrika, de Griekse eilanden, Noorwegen, SiciliŽ, het eiland Pantelleria, ItaliŽ en Corsica.
In NormandiŽ werd 30 AU op D-Day 6 juni 1944 afgezet op Juno Beach en Utah Beach (de eenheden werden gecodeerd als Woolforce en Pikeforce). Voertuigen die hiervoor gebruikt werden waren Jeeps. In eerste instantie probeerde 30 AU een Duits radarstation in te nemen bij Douvres-la-Dťlivrande en vocht zich later een weg naar Cherbourg. De betreffende commandant van 30 AU bezat een z.g. Black Book, waarin alle Duitse geleerden en het opgesomde atoommateriaal stonden beschreven die koste wat het kost moesten worden gevonden. Werd atoommateriaal of de geleerde gevonden, dan werd deze ter plaatse geconfisqueerd/gearresteerd en vervolgens naar Engeland afgevoerd waar verdere ondervraging van de persoon plaatsvond.
Zo werd op 3 mei 1945 de fysicus Werner Heisenberg in het huis van zijn familie gearresteerd (hij was eerder per fiets op 20 april 1945 gevlucht naar Urfeld ten zuiden van MŁnchen) en naar Engeland overgebracht alwaar hij over zijn rol ondervraagd werd. Heisenberg (de ontdekker van de onzekerheidsrelaties in de fysica) was niet de enige die de geallieerden oppakten. In totaal werden na de oorlog de top 10 Duitse atoomgeleerden in Engeland in een speciale safehouse (in Farm Hall nabij Cambridge) geÔnterneerd. Dit project werd Operation Epsilon genoemd. Alle gesprekken werden in het geheim - en zonder medeweten van de Duitse geleerden - door de Secret Intelligence Service (SIS) opgenomen. Mede door deze afgeluisterde gesprekken zouden de Britten tot het besef zijn gekomen, dat de Duitsers nog niet ver genoeg waren gevorderd in de ontwikkeling van een kernbom. Bovendien schatten de Duitse kerngeleerden de hoeveelheid kritische massa van een kernbom te hoog in. De tien Duitse kerngeleerden werden in januari 1946 vrijgelaten.
Tot op de dag van vandaag zou niet bekend zijn wat precies tijdens deze sessies in Farm Hall verteld is. Dit vormt tot op heden een onderwerp van discussie. Er zijn wel transcripties beschikbaar, maar of de transcripties overeenkomen met de originele opnamen is niet met zekerheid te achterhalen.
30 AU was niet de enige geheime groep die op zoek was naar bovenstaande zaken. Ook het Alsos-team deed hier aan mee.hoofd van het Manhattan-project). Wetenschappelijk hoofd van dit team was dr. Samuel Goudsmit, een Amerikaanse kerngeleerde van Nederlandse afkomst en verbonden aan het Manhattanproject. De Amerikaanse baseballspeler en gerekruteerde Moe Berg verleende belangrijke diensten naast ALSOS, zoals de ondervraging van Duitse en Italiaanse geleerden. Ook hij kwam na uitvoerige gesprekken met Duitse geleerden - zoals Heisenberg - erachter dat het Derde Rijk nog niet zo ver was in de ontwikkeling van een atoombom. Moe Berg kreeg van de OSS de opdracht om Heisenberg direct te liquideren indien zou blijken dat het atoomwapen binnen Duits handbereik was gekomen.
Alsos-agenten waren Amerikaanse militairen die dezelfde doelen nastreefden als 30 AU, maar de lagere Alsos-agenten waren uit veiligheidsoverwegingen niet geÔnformeerd over het bestaan van het Manhattanproject. Bij eventuele gevangenneming kon er geen gevoelige informatie uitlekken naar de vijand en konden Duitse geleerden nooit achter een goed werkend principe van een kernreactor komen. Ook het Alsos-team, onder leiding van kolonel Boris Pash, was op zoek naar Duitse atoomgeleerden en atomair materiaal. Daarin slaagden ze wonderwel door zelfs de plaats te lokaliseren waar een Duitse kernreactor verborgen werd gehouden. De reactor werd ontdekt in een grot onder een kasteelkerk in het plaatsje Haigerloch, circa 50 kilometer ten zuiden van Stuttgart. Op enige afstand buiten het kasteel in een bosgebied, werd op aanwijzingen van ondervraagde Duitse wetenschappers, een hoeveelheid uranium voor deze reactor in de grond aangetroffen en uitgegraven. Later bleek dat de Duitse kerngeleerden er niet in waren geslaagd om gedurende dit project voldoende uranium te verzamelen. Het kostte de geallieerden moeite om het zware uranium uit de grond te halen en te vervoeren. Ook werd een voorraad van zwaar water gevonden dat als moderator voor de reactor kon worden gebruikt.
Duitse misrekeningen
Britten en Amerikanen ontmantelen de Duitse reactor .Dat de Duitsers als moderator deuterium gebruikten, kwam door een wetenschappelijke vergissing aan Duitse zijde. In die zelfde periode werd geŽxperimenteerd met grafiet als moderator. In januari 1941 maakte de fysicus Walther Bothe een kritieke miscalculatie, die door de Duitsers werd overgenomen: grafiet zou niet bruikbaar zijn als moderator. De Duitse kerngeleerden stapten derhalve ten onrechte ov r op deuterium. De Hongaarse wetenschapper Leů SzilŠrd had het voor elkaar gekregen om de Verenigde Staten (die toen nog neutraal was in de Tweede Wereldoorlog) te bewegen om de wetenschappelijke resultaten over het grafiet geheim te houden. Hierdoor waren Duitse wetenschappers niet in staat om te leren van deze nieuwe inzichten en konden ze er niet via de wetenschappelijke literatuur achter komen dat hun eigen wetenschappelijke inzichten onjuist waren.
Verder werd aan Duitse zijde gedacht dat voor een werkende kernbom zeer veel uranium nodig was, eveneens ten onrechte. De Duitse geleerden meenden (ook ten onrechte) dat een kernbom eerder een wapen voor de toekomst was, terwijl de geallieerden tot de slotsom kwamen dat binnen korte tijd Ė met de wetenschappelijke gegevens van die dagen Ė wťl een kernwapen kon worden gebouwd.
De geallieerden zijn er bijna in geslaagd om de gehele Duitse zwaar waterproductie (en de aanwezige voorraad) te achterhalen en te vernietigen. Uit informatie na de Tweede Wereldoorlog blijkt echter dat niet alle voorraad en productie-eenheden konden worden achterhaald. Uit de archieven van de Norsk Hydro elektriciteitscentrale in Vemork, waar zwaar water werd geproduceerd, blijkt dat in maart 1944 nog een zending deuterium de geallieerden ontglipt was en zonder problemen naar Duitsland was vervoerd. Deze voorraad kwam in handen van de Duitse kerngeleerde Heisenberg. Ook in Haigerloch werd een deel van een voorraad zwaar water aangetroffen. Een deel van de voorraad die Ė dankzij het Noorse verzet Ė wťl werd onderschept (op 20 februari 1944), ligt dankzij een bomaanslag van Special Operations Executive (SOE) nu tezamen met de veerboot op de bodem van het Noorse meer TinnsjŚ.

Schema van het Duits atoomwapen

 

 

Boris Pash rechts in zijn jeep

 

 

Britten en Amerikanen ontmantelen de Duitse reactor

Afwikkeling van Haigerloch
Het oorspronkelijke Amerikaanse plan om de Duitse reactor in Haigerloch ter plaatse op te blazen stuitte op verzet van een aantal geestelijken. Zij stelden dat bij het opblazen ook de bovengelegen barokke kasteelkerk zou worden verwoest. De Amerikanen besloten daarop om de bunker met de reactor (voorzichtig) gedeeltelijk te vernielen. Het Duitse uranium (in totaal 2 ton) werd vervolgens met 20 vliegtuigen naar Engeland overgevlogen. Bepaalde onderdelen van de reactor werden naar de Verenigde Staten overgebracht. In totaal werd vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa, 1000 ton aan uranium naar de VS verscheept en gebruikt voor het Manhattanproject.
Geheime missies van Alsos
De volgende Alsos-operaties zijn bekend:
Operatie Cellastic
Operatie Toothpaste
Operatie Jackpot
Operatie Humbug
Operatie Big
Operatie Epsilon
Eerste Alsos-missie
Eind 1943 werd Alsos in ItaliŽ ingezet in de zoektocht naar de fysici Carlo Wick en Edoardo Amaldi. Beide natuurkundigen werkten in 1931 in een onderzoeksgroep aan de Universiteit van Leipzig. Alsos was in beiden geÔnteresseerd, aangezien werd vermoed dat Wick en Amaldi iets zouden weten van het Duitse kernonderzoek. Hoewel Wick goed bevriend was met de Duitse fysicus Heisenberg (en bij het onderzoek naar U-235 betrokken was geweest), kon het Alsos-team via hem geen informatie achterhalen. De beide fysici bleken nooit verbonden te zijn geweest aan het Duits kernonderzoeksprogramma. De eerste poging van Alsos leverde dus geen informatie op.
Eerste Alsos-missie
Eind 1943 werd Alsos in ItaliŽ ingezet in de zoektocht naar de fysici Carlo Wick en Edoardo Amaldi. Beide natuurkundigen werkten in 1931 in een onderzoeksgroep aan de Universiteit van Leipzig. Alsos was in beiden geÔnteresseerd, aangezien werd vermoed dat Wick en Amaldi iets zouden weten van het Duitse kernonderzoek. Hoewel Wick goed bevriend was met de Duitse fysicus Heisenberg (en bij het onderzoek naar U-235 betrokken was geweest), kon het Alsos-team via hem geen informatie achterhalen. De beide fysici bleken nooit verbonden te zijn geweest aan het Duits kernonderzoeksprogramma. De eerste poging van Alsos leverde dus geen informatie op.
Tweede Alsos-missie
Op 25 augustus 1944 was het Alsos-team in Parijs voor de ondervraging van de belangrijke Franse natuurkundige Frťdťric Joliot-Curie, die zijn laboratorium in het CollŤge de France had en contacten onderhield met de Franse verzetsbeweging. Joliot-Curie had al vůůr het uitbreken van de oorlog via een geniale wisseltruc de Duitsers een grote voorraad Noors deuterium afhandig weten te maken. Tijdens zijn ondervraging in 1944 kwam Alsos erachter dat er meer kerngeleerden aan het Franse laboratorium hebben gewerkt, en dat in dit laboratorium ook een cyclotron werd gebruikt. Het blijken de Duitse kerngeleerden professor Erich Schumann en dr.Kurt Diebner te zijn, die in eerste instantie het plan hadden om het Franse cyclotron te demonteren en naar Duitsland over te brengen. Dit plan lieten de Duitse kerngeleerden overigens snel varen. Juliot-Curie wist echter niet veel van de inspanningen van de Duitsers op het gebied van het Duitse uraniumonderzoek. Alsos had meer geluk bij het doorzoeken van de leegstaande gebouwen van de Siemens fabrieken, maar ook hier doken geen belangrijke documenten en informatie op. Bij verdere ondervraging kwam het Alsos-team wťl achter het bestaan van een Duitse wetenschappelijke inlichtingengroep, genaamd Cellastic. Het is om deze reden dat Alsos de missie de codenaam Operatie Cellastic meegaf.
Operatie Toothpaste
Tijdens Operatie Toothpaste werd door het Alsos-team onderzoek uitgevoerd in Parijs. In het bureau van de Duitse chemicus Peterson ontdekten ze dat een grote hoeveelheid thorium was verscheept naar nazi-Duitsland. Thorium werd in het kernonderzoek gebruikt en vooral de grote hoeveelheden wekten bij het Alsos-team de nodige argwaan. Peterson werd door Alsos in september 1944 gevangengenomen, ergens in het Belgisch-Duitse grensgebied. Later bleek echter bij ondervraging dat Peterson het thorium niet wilde gebruiken voor kernonderzoek, maar dat hij na de oorlog in de cosmeticaindustrie wilde werken en daar een grote hoeveelheid thorium voor nodig dacht te hebben. De aanvankelijke hoop van Alsos om nu eindelijk informatie te vinden werd de bodem ingeslagen. Maar dit zou echter snel veranderen tijdens Operatie Jackpot waar Alsos de eerste bruikbare informatie wist te verzamelen.
Operatie Jackpot
Tijdens deze actie werd de belangrijkste en grootste vangst van Alsos gedaan dankzij de vondst van informatie bij Duitse firma's die in Frankrijk gelegen waren. Alsos kwam er achter dat belangrijk materiaal van het kernonderzoek naar de Universiteit van Straatsburg was gestuurd. Een aantal namen in dit onderzoek doken op: professor Rudolf Fleischmann, Carl Friedrich von Weizsšcker en professor Eugene Haagen. Na de inval van Straatsburg door de geallieerden op 15 november 1944, ging het Alsos-team op 25 november op zoek naar deze kerngeleerden. Weizsšcker en Haagen wisten echter te vluchten, maar Fleischmann werd door Alsos opgepakt en naar de Verenigde Staten overgebracht. Belangrijke documenten uit het laboratorium in Straatsburg werden gevonden en veilig gesteld. Deze documenten (veelal persoonlijke brieven van de wetenschappers) gaven veel informatie over berekeningen aangaande reactoren en bepaalde problemen die optraden. De informatie hieruit gaf de Amerikanen het eerste en overtuigende bewijs, dat er (nog) geen Duitse atoombom bestond en dat de Duitsers ook niet in staat waren zo'n bom op korte termijn te verwezenlijken. Er zijn bronnen[bron?] die nu stellen dat er nooit enig militair atoomprogramma in Duitsland is geweest, maar dat de technologie en het zwaar water voor privť-onderzoeksdoeleinden van Duitse wetenschappers werd gebruikt. Andere bronnen[bron?] stellen dat het Derde Rijk al een primitieve bom had ontwikkeld en deze zou hebben getest op concentratiekampslachtoffers. De discussie over het wel of niet bestaan van de nazi-kernbom duurt nog altijd voort.
Operatie Humbug
Tijdens Operatie Humbug, op 24 april 1945, wisten de Amerikanen met het Alsos-team het plaatsje Hechingen binnen te dringen. Deze plaats was belangrijk, aangezien Werner Heisenberg hier zijn laboratorium had opgezet. Heisenberg zelf wist vier dagen eerder het gebied te ontvluchten voordat de geallieerde troepen daar binnenstormden. Na maandenlange arbeid boekte het Alsos-team het eerste belangrijke succes: de ontdekking van een testreactor, compleet met twee ton uraan, twee ton zwaar water en nog eens tien ton koolstof. De hoeveelheid zwaar water die daar lag opgeslagen was volgens Duitse fysici overigens onvoldoende. Uit berekeningen bleek dat voor het opstarten van de reactor vijf ton zwaar water nodig was. Nadat veel materiaal was geconfisqueerd, werd besloten om het Heisenberg-laboratorium uit voorzorg op te blazen. Hierdoor waren de Duitse wetenschappers niet meer in staat om enige experimentele informatie te verzamelen. In deze laatste fase werd een groot gebied in Duitsland afgezocht (Hechingen - Haigerloch) om alle informatie, nucleaire hardware en atoomgeleerden uit het gebied te halen. Afgesproken was dat het betreffende gebied door de Fransen zou worden bezet. De Amerikanen wilden voorkomen dat de belangrijkste Duitse atoomgeheimen en geleerden in Franse handen zouden vallen. Het oprollen van dit Duitse atoom-netwerk werd ook wel Operation Harborage genoemd. 
Gevangengenomen Duitse geleerden in Operation Epsilon
Werner Heisenberg
Max von Laue
Otto Hahn
Walther Gerlach
Paul Harteck
Kurt Diebner
Carl Friedrich von Weizsšcker
Karl Wirtz
Erich Bagge
Horst Korsching
Wat deden de Duitsers?
Duitse kerngeleerden (die voor de nazi's werkten) zaten intussen ook niet stil. Ook zij waren op zoek naar informatie over kernwapentechnologie. Daarvoor werd een Duitse schijn-firma Cellastic opgericht, achter het bestaan waarvan de geallieerden later kwamen tijdens de tweede Alsos-missie. Informatie over Cellastic werd ook door de Nederlandse geleerde Wander de Haas verzameld (dit veroorzaakte later voor De Haas na de oorlog in Nederland voor problemen, aangezien hij er van verdacht werd voor de Duitsers te hebben gewerkt. Na 1945 en tot aan zijn pensionering in 1948 kon hij nog wel zijn ambt uitoefenen).

Onder deze kasteelkerk bevond zich de reactor

 

 

Reconstructie van de reactor in Haigerloch

 

Opgedolven blokken uranium

 

 


Farm Hall: hierheen werden de fysici ontvoerd om ondervraagd en afgeluisterd te worden
In het Engelse Farm Hall waren de volgende Duitse fysici vastgezet:

 

 

 

Andere eenheden
Uit weer andere verhalen blijkt, dat geallieerde militairen in geheel Europa informatie kregen welke treinen precies het zwaar water vervoerden; de nummers van de treinen waren bekend. De Duitsers probeerden zo veel mogelijk de beschikbare productie-eenheden en de voorraad van zwaar water te verschepen van Noorwegen naar Duitsland, omdat de zwaarwater-fabriek in het Noorse Vemork geregeld werd aangevallen door de geallieerden. Zwaar water werd over het water en via de goederentrein verstuurd. Bij ťťn gelegenheid stuitte de groep van Bomb Disposalers - geheel toevallig - op een zwaar bewaakte trein die voldeed aan de beschrijving van zwaarwater-vervoer. Hierop werd in allerijl besloten om de trein aan te vallen en het transport te vernietigen. Volgens deze geallieerde militair brak de ene explosie na de andere uit en werd de locomotief letterlijk doorzeefd met mitrailleurvuur. Natuurlijk wisten deze militairen niet waarvoor het zwaar water diende, maar wel dat het van het grootst mogelijke belang was deze transporten lam te leggen.
Japanse atoombom
Uit documenten blijkt, dat niet alleen nazi-Duitsland ervan verdacht werd een atoomwapen te ontwikkelen. Amerikaanse codebrekers hadden al in juli 1943 gecodeerde berichten onderschept die gewag maakten van een Japans atoombom-programma. Op 16 april 1945 werd besloten een grote hoeveelheid uraniumoxide van 560 kg (deze hoeveelheid wordt door sommige bronnen betwist[bron?) via de Duitse U-234 van Noorwegen naar Japan te verschepen voor de bouw van een Japans atoomwapen. De U-234 was oorspronkelijk ontworpen om zeemijnen te leggen. Door een geallieerd bombardement in 1942 werd de duikboot tijdens de aanbouw beschadigd. In juli 1942 werd besloten er een onderzees transportschip met bestemming Japan van te maken. Op 25 maart 1945 vertrok de U-234 uit het Duitse Kiel op weg naar Kristiansand in Noorwegen. Om geallieerde dieptebommen te ontwijken, werd besloten om op 250 meter diepte te gaan varen.
Op de kisten met uraanoxide stond de tekst "U-235" geschreven. De bedoeling zou zijn geweest om het uranium van Noorwegen naar Osaka en het Riken Laboratorium in Tokio te sturen, maar zover kwam het niet. Op 4 mei 1945, kreeg de U-234 vanuit Berlijn het bevel om zich over te geven, nadat al enkele dagen eerder het laboratorium gebombardeerd was door de geallieerden. Daarop stuurde Kapitein Johann-Heinrich Fehler (na een verhit intern overleg) de U-234 richting V.S. en gaf zich daar over op 14 mei 1945 te Portsmouth, New Hampshire waar de onderzeeŽr door de torpedobootjager Sutton werd opgebracht. Het uranium, de bouwtekeningen, en een Messerschmitt Me 262 straaljager in kratten met V-2 onderdelen, werden door de Amerikanen in beslag genomen. Aan boord bevonden zich een aantal Duitse deskundigen van topniveau (waaronder ook luitenant-generaal Ulrich Kessler die hoopte onderweg naar ArgentiniŽ te kunnen vluchten), een radarexpert, een luchtafweerexpert en twee Japanse officieren: de duikbootontwerper Hideo Tomonaga en de vliegtuigexpert Genzo Shoji. Tomonaga en Shoji wilden zich niet aan de Amerikanen overgeven en besloten al hun bezittingen, waaronder een samoeraizwaard weg te geven. Maar kapitein Fehler gooide dit zwaard korte tijd later overboord. Deze Japanse officieren vertrokken naar hun cabines en pleegden zelfmoord door het innemen van luminal.
Volgens Karl Ernst Pfaff, de eerste officier van U-234, die bij de opening van de containers in Washington D.C. aanwezig was, stond ook een Amerikaanse geleerde naar de opening van de containers te kijken. Het was Robert Oppenheimer die (volgens Pfaff) de kratten met het uranium in ontvangst nam. Volgens sommigen voor de ontwikkeling van een Amerikaans atoomwapen in het Manhattanproject. Er zijn ook bronnen die beweren dat het uranium dat voor de Japanse bom bestemd was, gebruikt werd in de twee Amerikaanse atoombommen die op 6 en 9 augustus 1945 op Hiroshima en Nagasaki Japan vielen. Zekerheid hierover bestaat vooralsnog niet, aangezien het uranium korte tijd na de aankomst in de VS spoorloos is verdwenen. Zeker is wel dat het uranium na aankomst in Washington D.C. als eerste verzonden is naar Oak Ridge. Zie foto. Mogelijk is het uranium gebruikt in testbommen na de Tweede Wereldoorlog in Nevada en Bikini (atol). Waar het uranium werkelijk is gebleven en in welke bommen het werd gebruikt, is tot op de dag van vandaag nog onduidelijk. Hoewel de bovenstaande informatie deels in 1945 is uitgelekt, is de exacte lading van U-234 overigens nooit officieel door de VS vrijgegeven. 
Nieuwe ontwikkelingen
Peter Debije
In Dagblad De Limburger werd op 27 juli 2006 een artikel gepubliceerd waarin stond dat de Maastrichtse Nobelprijswinnaar Peter Debye de geallieerden getipt had over de Duitse atoombom. Debye had gemeld dat de Duitsers flinke vorderingen maakten in de ontwikkeling van dit wapen. Debye werd door sommigen verweten met de Duitsers te hebben gecollaboreerd, toen hij in nazi-Duitsland als wetenschapper was aangesteld. Documenten over het tippen van de geallieerden zouden gevonden zijn in de Cornell Universiteit in de Verenigde Staten alwaar Debye lange tijd hoogleraar was. Volgens het artikel in De Limburger zou Debye de geschiedenis in belangrijke mate hebben beÔnvloed ten gunste van de geallieerden.

De waterkrachtcentrale van Vemork waar het zwaar water werd aangemaakt

 

 Peter Debye

Operatie Platinfuchsn 29 juni-21 september 1941

Operatie Platinfuchs was een Duitse operatie tijdens de Tweede Wereldoorlog, met als bondgenoot Finland. De operatie vond plaats aan het Oostfront en had als doel om de stad Moermansk, in de Sovjet-Unie, dat in het bezit was van een haven aan de Barentszzee, te veroveren. Operatie Platinfuchs maakte deel uit van Operatie Silberfuchs.

Achtergrond

Tijdens de lancering van Operatie Barbarossa, de Duitse inval in de Sovjet-Unie, op 22 juni 1941 werden er enkele eenheden van het Armeeoberkommando Norwegen naar Petsamo in Finland gestuurd om het te verdedigen tegen een mogelijke Russische aanval (Operatie Renntier). In Petsamo voegden ze zich bij Finse troepen die gestationeerd waren bij de grens met de Sovjet-Unie. De Duitse divisies bestonden uit Duitse elitetroepen (Gebirgsjšger) die speciaal getraind waren om te opereren binnen de Noordpoolcirkel.

Deze groep Duits-Finse troepen kregen het bevel om, als onderdeel van Operatie Barbarossa, Operatie Silberfuchs te lanceren. Silberfuchs hield in dat de Sovjet stad Moermansk werd aangevallen van twee kanten, en bestond dus ook uit twee delen. Het ene deel, waarbij de troepen vanuit Petsamo richting Moermansk optrokken kreeg de naam Operatie Platinfuchs. Het andere deel, waarbij Moermansk werd aangevallen vanuit het zuiden, en waarbij eerst de steden Kandalaksja en Salla werden ingenomen, werd Operatie Polarfuchs genoemd.

Aanval

Operatie Platinfuchs werd gelanceerd op 29 juni 1941. Het Gebirgskorps Norwegen, onder leiding van Generalleutnant Eduard Dietl, bestaande uit het 2. Gebirgs-Division, het 3. Gebirgs-Division en leden van de Finse grenswachten, stak de grens over en rukte op richting Moermansk.

Aanvankelijk wisten de Duitsers en Finnen vooruitgang te boeken, maar het ruige terrein en het felle verzet van de Sovjetsoldaten (leden van het 14e Leger) wist ze uiteindelijk toch tot stilstand te brengen. Er werd besloten om de aanval verder richting het zuiden voort te zetten, richting het Duitse XXXVI Gebirgskorps, nabij Salla, en later richting het Finse III Armeijakunta, nabij Kiestinki.

Nasleep

De mislukking van Operatie Platinfuchs had een grote invloed op het verloop van de oorlog. De Sovjet-Unie ontving een ruim een kwart van de goederen van de Lend-Lease Act via de haven van Moermansk, en kon daardoor verzet blijven bieden.

Datum 29 juni - 21 september 1941 
Locatie Lapland, Finland 
Resultaat Patstelling 
Strijdende partijen 
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Flag of Finland.svg Finland Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie 
Commandanten en leiders 
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Eduard Dietl Flag of the Soviet Union.svg Feodor Sabinev 
Troepensterkte 
40.000 manschappen 10.000 manschappen 
Verliezen 
5.500 doden
9.000 gewonden
200 vermisten 2.500 doden
4.000 gewonden
600 vermisten

 De aanval op PeHarbor-7 December 1941

De aanval op Pearl Harbor was een verrassingsaanval door de Japanse Keizerlijke Marine onder leiding van admiraal Isoroku Yamamoto op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor in Hawaii, op zondagochtend 7 december 1941. De aanval was bedoeld om het grootste deel van de vloot van de Verenigde Staten te vernietigen, zodat Japan vrij spel zou hebben in de Pacifische Oceaan.
Hierbij kwamen 2.402 Amerikanen om het leven en vielen er 1.282 gewonden. De verliezen aan de Japanse kant waren veel kleiner, 65 militairen kwamen om of werden verwond. Een Japanse matroos werd gevangengenomen.
De aanval kwam als een grote schok voor het Amerikaanse volk en leidde rechtstreeks tot de Amerikaanse betrokkenheid in de Tweede Wereldoorlog, zowel in de Stille Oceaan als in Europa. De volgende dag verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan Japan.
Voor de oorlog in AziŽ begon
Op 27 september 1940 tekenden Duitsland, Japan en ItaliŽ een pact: het driemogendhedenpact. Hierin stond beschreven dat ze elkaars leidende positie in de nieuwe orde, de nieuwe wereld zoals zij die zagen, zouden erkennen. Ook beloofden ze elkaar militaire steun in het geval dat ťťn van hen zou worden aangevallen.
Er waren al eerder pacten gesloten, maar dit was speciaal, omdat het een extra veiligheid betekende in het geval dat de Verenigde Staten van Amerika zouden deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog. Iedereen was van mening dat deze oorlog spoedig wereldwijd zou worden. Duitsland had in 1938 Oostenrijk en Sudetenland al ingenomen en was in september 1939 Polen binnengevallen. De aanval op Polen leidde tot een reeks van oorlogsverklaringen die zou escaleren tot de Duitse aanval in westelijke richting op 10 mei 1940.
In 1940, tijdens de evacuatie uit Duinkerken, had het Verenigd Koninkrijk bijna al zijn militair materiaal verloren en ook het aantal soldaten was sterk teruggelopen. Na een vraag om hulp ontvingen de Britten al spoedig materiŽle steun van de Verenigde Staten. Dit gaf al duidelijk aan aan wiens kant Amerika stond, maar officieel was het land nog steeds neutraal. 
Waarom Japan de VS aanviel
In 1940 capituleerde Frankrijk, waarna Japan Indochina bezette, dat voorheen onder Franse controle viel. Ook Siam (het tegenwoordige Thailand) werd onder druk gezet om Japanse 'protectie' te aanvaarden. Als reactie hierop zetten Nederland en de Verenigde Staten hun olie-export stop. Echter, de Amerikanen deden nog meer: ze stelden embargo's in op sloopijzer, staal en vliegtuigbrandstof. Deze beperkingen sneden Japan af van de grondstoffen die het nodig had. Japan was door deze maatregelen bang voor gezichtsverlies en de bevelhebber van hun marine stelde: Oorlog of Vrede is nu een kwestie van leven of dood.
Omstreeks dezelfde tijd voelde Japan zich door de VS bedreigd, omdat de VS militair materieel aan Engeland leverde (voor de strijd tegen Duitsland) en dus indirect (via het pact) aan een Japanse vijand. Om zich te verdedigen had de VS een basis nodig in de Grote Oceaan, omdat andere bases, die in de buurt van Japan lagen, te ver weg lagen om binnen korte tijd strategische doelen in Japan te bereiken. Daarnaast hadden ze ook een strijdmacht nodig om hun positie in de Filipijnen te beschermen.
De meest strategische positie voor een basis was Pearl Harbor, een haven in Oahu, een eiland van HawaÔ. Hier stuurden de Amerikanen dan ook een grote vloot heen. Deze was weliswaar sterk, maar bevatte niet alle schepen van de Pacifische vloot, omdat veel (vliegdek)schepen en vliegtuigen in de Atlantische Oceaan dienst deden.
Voor meer bescherming breidden de Amerikanen ook hun strijdmacht op de Filipijnen uit, om zo de Japanners attent te maken op hun macht en aanwezigheid in dit gebied. In juli 1941 werden de strijdmachten op de Filipijnen opnieuw uitgebreid. Deze keer met B-17-bommenwerpers. De Amerikanen dachten dat deze vliegtuigen de Japanners zouden afschrikken om de Filipijnse eilanden aan te vallen.
Op datzelfde moment verkeerde Japan in een slechte economische situatie en dacht het aan uitbreiding in de omringende landen, om zo het broodnodige geld te bemachtigen uit koloniŽn. Men wilde eigenlijk de leidende natie worden in Zuidoost-AziŽ, waarbij ze vooral geÔnteresseerd waren in Nederlands Oost-IndiŽ. Maar ook wilde Japan alle Britten, Nederlanders, Fransen en Portugezen in het verre oosten overheersen. In feite wilde Japan de gehele Stille Oceaan beheersen, en het was duidelijk dat de aanwezigheid van een Amerikaanse militaire basis in deze oceaan daarbij niet gewenst was.
In 1941 hadden de Japanners weinig te vrezen van Nederland of andere Europese landen, omdat die al hadden gecapituleerd voor de Duitsers en/of nog druk bezig waren hun land tegen de Duitsers te verdedigen. De enige macht die Japan nog in de weg stond om de Stille Oceaan te beheersen was de VS. Japan kon voor de VS een bedreiging vormen en daarom was het voor de Amerikanen niet wenselijk dat de Japanners een dergelijk groot gebied zouden gaan beheersen, waarbij tegelijkertijd zoveel militaire macht hoorde.
De Amerikaanse defensie, die uiteraard de dreiging van de Japanners voelde, maakte veel vluchten vanaf Pearl Harbor. Vooral ten noorden en noordwesten werd veel gepatrouilleerd. Er werd gevlogen tot een straal van ongeveer 560 km vanaf de haven. Door een tekort aan vliegtuigen boden deze patrouilles echter geen volledige bescherming.
De haven
Foto vanuit een Japans vliegtuig kort na het begin van de aanval
Pearl Harbor ligt op meer dan 3600 km afstand van San Francisco en was populair bij de Amerikaanse zeelieden. Als de vijand een schip in de haveningang tot zinken zou brengen, was de basis onbruikbaar. Om open zee te bereiken had de vloot drie uur nodig. Als de vloot binnen was vormde ze, samen met alle voorraden en opslagplaatsen, een aantrekkelijk doelwit. Het volledig mobiliseren en laten uitvaren van de vloot zou echter miljoenen dollars kosten en geen bevelhebber wilde het risico lopen voor niets zo'n order te geven.
Admiraal James Richardson, bevelhebber van de basis in mei 1940, vond dat de schepen thuishoorden in veilige havens aan de westkust. Toen hij met zijn bezwaren naar de president stapte, werd hij van zijn post ontheven en vervangen door admiraal Husband Kimmel.
Tijdlijn tot 7 december 1941
Al op 16 oktober 1941 waren de Amerikaanse media zich bewust van de dreigende situatie. Ze besteedden in hun nieuwsartikelen dan ook enige aandacht aan deze dreiging. De inwoners van Amerika echter, voelden zich volledig beschermd door hun leger en besteedden weinig aandacht aan de artikelen. Henry Stimson, die op dat moment minister van defensie was in Amerika, was zich terdege bewust van de dreiging, want als reactie op de nieuwsartikelen sprak hij: Het is nu een tijd om te wachten, zodat Japan de eerste stap kan doen, waarna wij ze direct kunnen aanvallen.
Japan en Amerika waren nog steeds in onderhandeling met elkaar, maar deze wilden niet vlotten. Op 5 november werden zes boodschappen onderschept waarin stond dat de onderhandelingen met Amerika voor 25 november afgerond zouden moeten zijn.
De leider van de Japanse oorlogsoperatie, Yamamoto, wilde het hele Zuidelijke Pacifisch gebied in zijn macht krijgen en daarom ontwikkelde hij een strategie om Pearl Harbor, de Filipijnen en alle andere niet-Japanse plaatsen in dit gebied op hetzelfde moment aan te vallen. Zijn plan hiervoor presenteerde hij op 7 november en hij noemde het plan Z.

Kaart van Oʻahu met Japanse aanvliegroutes


Kaart van Oʻahu met Japanse aanvliegroutes 
Datum 7 december 1941 
Locatie Pearl Harbor, HawaÔ 
Resultaat Japanse overwinning 
Strijdende partijen 
US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine 
Commandanten 
Husband Kimmel (USN)
Walter Short (USA) Chuichi Nagumo 
Troepensterkte 
8 slagschepen, 6 kruisers, 29 destroyers, 9 onderzeeŽrs, ~390 vliegtuigen 6 vliegdekschepen, 2 slagschepen, 3 kruisers, 9 destroyers, 441 vliegtuigen, 6 onderzeeŽrs 

Verliezen 
2.403 man; 5 slagschepen gezonken, 3 beschadigd; 3 kruisers gezonken; 3 destroyers gezonken; 188 vliegtuigen vernietigd, 155 vliegtuigen beschadigd 29 vliegtuigen verloren, 55 piloten gedood, 5 onderzeeŽrs gezonken, 9 kikvorsmannen gedood, 1 gevangen. 
Grote Oceaan 
Pearl Harbor ∑ Ambon ∑ Marshall- en Gilberteilanden ∑ Javazee (1) ∑ Javazee (2) ∑ Singapore ∑ Doolittle ∑ Koraalzee ∑ RY ∑ Aleoeten ∑ Midway ∑ Guadalcanal ∑ Golf van Leyte ∑ Iwo Jima ∑ Okinawa

Foto vanuit een Japans vliegtuig kort na het begin van de aanval met Ford Island duidelijk zichtbaar

Plan "Z
Niemand bij de Japanse marine kende Pearl Harbor beter dan Yamamoto. In zijn hut op zijn vlaggenschip Nagato hing een kaart van de basis waarop hij allerlei aantekeningen had gemaakt. Omdat alles op de basis met een vaste regelmaat verliep, kon hij weten wanneer hij daar de grootste scheepsconcentratie kon aantreffen. De luchtafweer was onvoldoende en hij geloofde dat een luchtaanval een grote kans van slagen had. Hij liet zich inspireren door admiraal Heihachiro Togo en noemde zijn plan naar diens Z-signaal tijdens de slag bij Tsushima (1905).
Daarbij wist hij dat vierentwintig Britse vliegtuigen op 11 november 1940 bij een aanval op de Italiaanse vloot in Tarente drie slagschepen tot zinken brachten met een verlies van slechts drie toestellen. Ook de Amerikanen onderkenden het belang van deze aanval, maar admiraal Kimmel weigerde anti-torpedonetten te installeren omdat die de bewegingsvrijheid van zijn schepen hinderden.
Japanse tactiek
Yamamoto gaf er de voorkeur aan om eerst en vooral de slagschepen buiten gevecht te stellen omdat hij dacht dat dit een harde klap voor de Amerikanen zou betekenen. Toen hij zijn plan om Pearl Harbor aan te vallen met behulp van vliegtuigen die zouden opstijgen vanaf vliegdekschepen voorlegde aan kapitein Minoru Genda, een specialist in luchtaanvallen, kreeg hij de raad om de Amerikaanse vliegdekschepen aan te pakken omdat die de grootste bedreiging vormden voor de Japanse Keizerlijke Marine.
Japan beschikte over twee van 's werelds grootste vliegdekschepen: de Akagi (36.500 ton) die 91 vliegtuigen kon meevoeren (groter dan de Amerikaanse Lexington en Saratoga) en de 38.200 ton metende Kaga. Samen met de Hiryu, Soryu, Zuikaku en Shokaku telde de Japanse Keizerlijke Marine zes vliegdekschepen. Genda wilde ze alle zes bij de aanval inzetten (441 vliegtuigen in totaal) samen met een vooruitgeschoven strijdmacht van duikboten. Men gaf de voorkeur aan torpedo's, omdat deze krachtiger en nauwkeuriger zijn dan bommen.
Alhoewel Yamamoto zelf het bevel bij de aanval wilde voeren, ging dit niet omdat hij te veel andere verantwoordelijkheden had. De keus viel op schout-bij-nacht Chuichi Nagumo. Hij was geen expert op het gebied van vliegtuigen, maar werd omwille van zijn anciŽnniteit aangesteld. Hij was ontsteld bij het horen van de verantwoordelijkheid van zijn taak, maar troostte zich met de gedachte dat de aanval misschien niet door zou gaan. Japan was immers nog niet in oorlog met de VS. Bovendien moest het plan nog worden goedgekeurd door het Japans opperbevel.
Twijfels bij het Plan Z
Keizer Hirohito werd door zijn ministers en generaals in het ongewisse gelaten over hun concrete plannen om de Amerikaanse basis in Pearl Harbor uit te schakelen. Op 5 september 1941 stond de keizer prins Konoe audiŽntie toe, waarin hij met afgrijzen vernam dat de voorbereidingen voor een oorlog voorrang kregen boven diplomatie. Hierop liet hij ogenblikkelijk enige hooggeplaatste officieren, generaal Sugiyama en admiraal Nagano, ontbieden om duidelijkheid te verschaffen. Zij verzekerden hem dat een diplomatieke oplossing nog steeds hun voorkeur had. De volgende dag, tijdens de Keizerlijke Conferentie, kwam de kwestie nogmaals ter sprake. Op de vraag of de voorbereidingen tot een oorlog de voorkeur kregen boven diplomatie, hielden Sugiyama en Nagano hun mond en lieten anderen het woord doen.
Toen gebeurde er iets dat bijna nooit voorkwam. De keizer, die werd verondersteld de conferentie voor te zitten en niet actief deel te nemen aan het beraad, rees van zijn stoel en nam het woord: "Wij betreuren het ten zeerste dat het opperbevel het niet nodig geoordeeld heeft de kwestie voor ons op te helderen". Hij haalde daarbij een gedeelte van een gedicht aan: "Aangezien wij allen broeders zijn in deze wereld, waarom zijn dan de golven en de winden zo onrustig ?" Na deze zeer grove inbreuk op het protocol heerste er een minutenlange stilte waarin het gezelschap probeerde de onverwachte uitval van hun keizer te verwerken. Uiteindelijk nam admiraal Nagano het woord en verzekerde Hirohito van hun trouw aan de keizer, dat zij het belang van diplomatie inzagen en dat het hun ten zeerste speet, de keizer met hun gedrag te hebben misnoegd. Hierop sloot men de vergadering in een volgens Konoe zeer gespannen sfeer. 
Yamamoto had zijn plan voorgelegd aan Genda en later aan de Marine, maar was bij de laatste op veel weerstand gestuit. Velen vonden het plan te stoutmoedig. Yamamoto was ervan overtuigd dat, als het tot een oorlog zou komen, Amerika een vernietigende slag moest worden toegebracht, zodat Japan ongehinderd de Filipijnen, Malakka en Nederlands-IndiŽ kon bezetten voordat de Amerikaanse marine zich kon herstellen. Zijn collega's gingen nog steeds uit van de beslissende kracht van slagschepen waarvan Japan er twee op stapel had staan: de Yamato en de Musashi.

De Z-vlag in de Slag bij Tsushima

 

Een Japanse Aichi D3A1 bommenwerper in actie

Tijdlijn tot 7 december 1941 
Ondanks de beslissing plan Z toch uit te voeren onderhandelde Japan nog steeds met Amerika om zo te proberen geen argwaan te wekken. Op 10 november werd dan ook een onderhandelingsvoorstel naar Cordell Hull gestuurd, op dat moment de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. De Amerikanen negeerden dit voorstel echter en daarom werd tien dagen later door Saber Kurusu, de Japanse onderhandelaar een nieuw voorstel gedaan. Ook werd de uiterste datum die op 25 november gepland was, verschoven naar 29 november.
Wegens de dreigende situatie deed de Amerikaanse minister van Defensie opnieuw een opvallende uitspraak: The question is how we should manoeuvre them into the position of firing the first shot, without too much danger and damage to ourselves. (De vraag is, hoe we ze in de positie moeten manoeuvreren om het eerste schot te lossen, zonder dat wij te veel schade oplopen.) Hieruit blijkt weer dat Amerika zich terdege bewust was van de dreiging en tevens oorlog wilde, zonder 'schuldig' te zijn.
De Japanse media schreven dat op 25 november, de oude einddatum, een grote vloot de Japanse haven had verlaten. Deze voer volgens hen deels richting de Filipijnen en deels richting de straat van Formosa, het zuidoosten van China. In werkelijkheid vertrok de vloot pas een dag later. Op die dag, verliet Nagumo, de viceadmiraal van de Japanse vloot, de Baai van Hitokappu (単冠湾, Hitokappuwan) aan de oostzijde van Etorofu met 6 vliegdekschepen, 423 vliegtuigen, 2 slagschepen, 28 onderzeeŽrs, 2 kruisers en 11 torpedojagers. Het is duidelijk dat de vliegdekschepen in deze vloot relatief zwaar oververtegenwoordigd waren, maar dat was ook logisch, omdat het de bedoeling was om met de vliegdekschepen aan te vallen. De andere schepen hadden uitsluitend de taak deze kostbare oorlogsbodems te beschermen. Al vanaf het vertrek heerste er tussen de schepen een strikte radiostilte, zodat de Amerikanen hen niet zomaar zouden opmerken en traceren.
Als reactie op het voorstel van Kurusu op 20 november, presenteerde Hull een tegenvoorstel. Hierin stelde hij echter zķlke hoge eisen, dat vooraf al duidelijk was dat Japan hieraan geen gehoor zou geven. Opnieuw een aanwijzing dat Amerika een oorlog probeerde te beginnen zonder de eerste stap te zetten. Een dag na het voorstel van Hull, zond de oorlogsminister van Amerika, Henry Stimson, berichten naar de Pacifische vloot. Hij waarschuwde hierin voor mogelijke vijandelijke acties van Japan.
Japan vond dat er na het mislukken van de diplomatieke wegen geen ander alternatief was dan oorlog. Desondanks voerden ze nog steeds onderhandelingen met Amerika om het voor te doen komen dat men nog de intentie had om de diplomatieke weg te bewandelen.
Enkele mensen binnen de Amerikaanse overheid wensten dat er nieuwe waarschuwingen voor een oorlogsdreiging werden uitgezonden, maar de legerleiding weigerde dit, omdat die bang was voor vals alarm. Toch waren er vanaf toen steeds vaker stille aanwijzingen voor een aanval te vinden. Zo onderschepte de FBI bijvoorbeeld een bericht over een ophanden zijnde oorlog, maar negeerde deze boodschap, omdat men geen paniek wilde zaaien onder de bevolking.
Vanwege de steeds duidelijker oorlogsdreigingen besloot de Amerikaanse marine dat ze zich niet zou laten aanvallen zonder paraat te zijn. Daarom stuurde men een vliegdekschip richting Midway, ten noordwesten van HawaÔ. Twee andere vliegdekschepen werden naar een ander gebied gezonden. Al deze scheepsverplaatsingen lieten opnieuw zien dat Amerika op de hoogte was van de dreiging die van Japan uitging. Ondanks deze maatregelen was men nog niet alert genoeg, zoals later zou blijken. Op dat moment was het al 5 december.
Op 6 december ontcijferde een Amerikaanse telegrafist enkele Japanse boodschappen die al enkele dagen geleden waren onderschept. De ontcijfering maakte hem duidelijk dat er opnieuw aanwijzingen voor oorlog waren, maar zijn chef wilde er niets van weten. Integendeel: hij eiste dat de telegrafist deze boodschap zou laten rusten. In plaats van zich gereed te maken voor een ophanden zijnde oorlog werd nu juist nagedacht over het idee om Engeland te steunen als het zou worden aangevallen door Duitsland.
Op 6 december ontving Hirohito, de toenmalige keizer van Japan, een bericht van de Japans-Pacifische vloot. Dit bericht werd vlug beantwoord. Op 7 december, om 10:32 en 12 seconden 's ochtends plaatselijke tijd las Franklin D. Roosevelt dat Japan niet de oorlog aan Amerika verklaarde, maar wel tot de conclusie was gekomen dat verder onderhandelen met Amerika geen zin meer had.

Brandende schepen

Chuichi Nagumo

7 december
Een uur na dit bericht las de president een (onderschept) bericht waarin stond dat om 13:00 een officiŽle oorlogsverklaring aan Amerika moest worden overhandigd. Echter, details over de plaats en tijd van een aanval door Japanse strijdkrachten werden hier niet in vermeld. Als reactie hierop gaf Marshall opdracht aan de Pacifische vloot om extra alert te zijn.
Tegen diezelfde tijd merkte men een mysterieuze Japanse onderzeeŽr op die probeerde om Pearl Harbor binnen te komen. Sommige mensen waren van mening dat deze onderzeeŽr was 'verdwaald', maar een logischer verklaring lijkt dat hij op zoek was naar de zwakke plekken binnen de Amerikaanse vloot en nog meer om uit te vinden of deze Łberhaupt wel was voorbereid op een oorlog. Hoe het ook zij, rond 12:00 werd deze onderzeeŽr door een torpedojager beschoten en tot zinken gebracht. De officieren op Pearl Harbor waren niet echt bevreesd voor deze vreemde duikboot. Ze berichtten het voorval erg laat aan het hoofdkantoor.
Om 12:02 werd de eerste aanvalsgolf van Japanse vliegtuigen opgemerkt door een Amerikaans radarstation. Dit waren de vliegtuigen die om 11:00 waren opgestegen vanaf de Japanse vliegdekschepen. Om 12:20 merkte een andere radar opnieuw deze golf vliegtuigen op, nu dichter bij de haven. De dienstdoende officier echter, legde dit angstwekkende beeld naast zich neer en waarschuwde niemand, waarschijnlijk omdat er op die dag een aantal B-17's uit de VS gepland stond om te arriveren. Pas om 12:25 werd Kimmel bericht over het eerdere voorval met de onderzeeŽr, maar nog altijd werd er geen actie ondernomen. Alle schepen lagen in de haven voor anker en vormden zo een uitermate kwetsbaar doelwit voor de naderende vliegtuigen.
Om 12:49 ontvingen de Japanse piloten officieel toestemming voor de aanval; hierop viel de eerste Japanse aanvalsgolf om 12:55 Pearl Harbor daadwerkelijk aan vanuit het noordwesten. De tweede golf volgde ruim een uur later, om 14:00. Zij vielen de haven aan vanuit het noordoosten.
Om 14:45 waren er van de 96 schepen in de haven 18 gezonken of zwaar beschadigd. Ook 188 van de 394 vliegtuigen waren vernietigd en 159 andere beschadigd. In totaal vonden 2402 militairen de dood als gevolg van deze aanval. Er vielen 1178 gewonden. Het hoge aantal doden werd voornamelijk veroorzaakt door het zinken van het slagschip de USS Arizona. Bij de ondergang van dit schip vonden namelijk 1177 mensen de dood.
Tijdsverschil
Deze tijdsperiode is gebaseerd op de Amerikaanse tijd in de Verenigde Staten, en vooral die van Washington D.C.. De Japanse aanval begon omstreeks 07.55 u. op Pearl Harbor, Oahu, HawaÔ, dus omstreeks 12.55 u. in Washington D.C. Dit is een tijdsverschil van vijf uur.
Oorlogsverklaring van nazi-Duitsland
Het feit dat Japan en Amerika nu in oorlog waren was ook voor Hitler reden om op de vierde dag na de aanval de oorlog aan de Amerikanen te verklaren. Voor de tweede maal waren de Verenigde Staten aldus betrokken geraakt bij een Europese oorlog (de eerste keer was de Eerste Wereldoorlog), terwijl ze dit van te voren probeerden te vermijden.

De USS Utah na de aanval

De USS Arizona explodeert

Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki

Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki 


Al voor het begin van de Tweede Wereldoorlog hadden fysici in Amerika (waaronder Einstein) de mogelijkheden van een nieuw wapen, een atoombom, onder de aandacht van de Amerikaanse president gebracht en in 1943 was men begonnen met het Manhattanproject, een uiterst geheim project om uranium te verrijken (zie ook het kader onderin de pagina). Het doel was de productie van een atoombom, oorspronkelijk als mogelijk wapen tegen nazi-Duitsland. In de loop van 1945 werd duidelijk dat het gebruik van de bom noodzakelijk zou kunnen zijn tegen Japan en er werden commissies in het leven geroepen om allerlei voor- en tegenargumenten voor het gebruik op een rij te zetten en afwegingen te maken. Een van die commissies had als taak mogelijke doelen (plaatsen) in Japan in kaart te brengen. Deze plaatsen moesten voldoen aan een aantal voorwaarden. Een daarvan was dat ze nog niet eerder gebombardeerd waren geweest. De commissie kwam uiteindelijk met een lijst waar (in die volgorde) Kyoto, Hiroshima, Kokura en Niigata opstonden. Als voorzitter van de commissie had generaal Groves gepleit voor Kyoto, maar de minister van oorlog, Stimson, torpedeerde dit, vanwege de grote culturele waarde van Kyoto (hij was er zelf een paar keer geweest). Stimson won en daarop werd Nagasaki aan de lijst toegevoegd. 

De beslissing
Op 26 juli 1945 kwam de verklaring van Potsdam (van de Verenigde Staten, Engeland en China), waarin de eis was vervat dat Japan zich onmiddellijk diende over te geven. Met name bij de Japanse legerleiding was hier grote weerstand tegen omdat hierin niets werd gezegd over de rol van de keizer en men was bang dat dit eeuwenoude instituut verdwijnen zou, ook al omdat men wist dat het westen het liefst de keizer gevangen wilde nemen of zelfs erger, wilde doden. Op 28 juli meldde de Japanse premier Suzuki dat er geen sprake zou zijn van overgave. Daar moet wellicht ook bij bedacht worden dat er veel conservatieve krachten speelden bij de legerleiding en een overgave voor Japanners met de aloude samoeraigeest eigenlijk onmogelijk is. Het is of winnen of sterven. Hierop besliste president Truman dat het gebruik van de bom door zou gaan, zeker nadat hij bericht had gekregen (toen hij in Potsdam was) dat een proef in de woestijn op 16 juli met een eerste atoombom succesvol was verlopen. 
Op 6 augustus 1945 om 8.15 uur (lokale tijd) gooide de Amerikaanse B-29 bommenwerper, de Enola Gay met piloot Paul Tibbets, de eerste atoombom (Little Boy, een uraniumbom) op de plaats Hiroshima. Hierdoor verloren direct 78.000 mensen het leven. Door de radioactieve straling verloren daarna nog eens duizenden mensen het leven, waardoor het totaal aantal slachtoffers 140.000 bedraagt. Nog eens duizenden mensen waren of zijn ziek voor de rest van hun leven. Volgens opgaven van de Japanners is het totaal aantal slachtoffers echter ruim 240.000 omdat ook jaren later nog mensen stierven aan bijv. kanker.
Omdat de Japanners na het werpen van de eerste bom zich nog steeds niet overgaven gooiden de Amerikanen een tweede atoombom (Fat Man, een plutoniumbom), nu op Nagasaki. Eigenlijk was Kokura de aangewezen plaats maar daar was het bewolkt. De bom op Nagasaki viel op 9 augustus om 11.02 uur.

De capitulaiet

Op 15 augustus om 12 uur houdt keizer Hirohito zijn historische toespraak op de radio, de 'gyokuonhŰsŰ' (uitzending van de keizerlijke stem), waarin voor het eerst een keizer van Japan zich direct richt tot het volk, al was deze toespraak wel een dag eerder opgenomen op een grammofoonplaat. 
Overigens zorgde deze toespraak wel voor verwarring. Ten eerstDe discussie
Nog steeds is er een hevige discussie gaande of de bom wel of niet gebruikt had moeten worden. De voorstanders beargumenteren dat dit zeker versneld een einde aan de Tweede Wereldoorlog heeft gemaakt en daardoor vele (Amerikaanse) soldatenlevens heeft gespaard, omdat anders een noodzakelijke invasie vele duizenden soldaten het leven zou hebben gekost, zeker gezien de wijze waarop Japan zich steeds had verdedigd op eilanden als Iwo Jima. Anderen wijzen erop dat Japan dusdanig verzwakt was dat het tegen het einde van 1945 zich zeker zou hebben overgegeven. Dat is dan wellicht achteraf bekend maar dat was het waarschijnlijk niet in augustus 1945. Bovendien, hoeveel levens zou dit dan toch nog gekost hebben?
Anderen pleitten voor een demonstratie van de afschrikwekkende kracht van de bom of een waarschuwing, zodat de te treffen plaats ontruimd kon worden. Men vond echter dat een demonstratie niet kon omdat Japan dan bedacht zou zijn op de komst van ťťn enkel vliegtuig en dit zou neerschieten. De uiteindelijke komst van de Enola Gay boven Hiroshima leidde inderdaad tot geen enkele reactie van de Japanners. Een waarschuwing aan de Japanners zodat men de stad kon ontruimen werd ook afgewezen omdat men bang was dat de Japanners dan krijgsgevangen in de stad zouden plaatsen. Anderen wilden een 'ouderwets' bommentapijt op Japan gooien, die in grootte vergelijkbaar zou zijn met een atoombom. Ook dit werd afgewezen omdat er al een enorm bommentapijt gegooid was en vele steden, zoals Tokyo, al praktisch geheel verwoest waren en Japan toch nog steeds doorging. 

Japan neemt nu, na het gooien van de twee bommen, de slachtofferrol op zich. V.w.b. deze atoombommen is dat natuurlijk zo. Men stelt dat vele duizenden onschuldige burgerslachtoffers zijn gemaakt. Ook dat is correct. Terecht merken anderen juist weer op dat door de agressie van Japan naar de buurlanden als China, Nederlands-IndiŽ (hetgeen de Japanners een 'bevrijding van de Nederlanders' noemden), Malakka e.d. andere landen betrokken raakten in een oorlog die ze helemaal niet wilden, waardoor er vele duizenden doden zijn gevallen, alleen door de agressiepolitiek van Japan. Dat er altijd burgerslachtoffers vallen in een oorlog is helaas een gegeven, denk maar de bombardementen op steden in Engeland (Londen), Duitsland, maar ook bijv. het bombardement op Rotterdam. Het is ook bekend dat juist Japan veel burgerslachtoffers maakte in bijv. Nanking in 1937, waar geen Chinese militairen meer waren en toch tussen de 200.000 en 300.000 burgers de dood vonden, verminkt, verkracht, mishandeld en vermoord. Denk ook aan de jappenkampen in het toenmalig Nederlands-IndiŽ, waar vele Nederlandse onschuldige burgers gemarteld, mishandeld en vermoord zijn.

Hoewel wij als gewone burger bij politieke en militaire beslissingen nooit echt alle achtergronden en vooral alle belangen die er toen speelden te weten zullen komen (maar dat is vandaag de dag nog steeds zo), lijkt, alles bij elkaar genomen, het gebruik van de atoombommen op dat moment o.i. een juiste keuze te zijn geweest. Ook een aantal Nederlandse krijgsgevangenen, die toen nabij Hiroshima te werk gesteld waren en nog steeds de gevolgen van de bom ondervinden, zijn die mening toegedaan.


de keizer niet over overgave, maar meldde dat men de verklaring van Potsdam zou accepteren. Hierdoor wisten velen niet of dit nou betekende dat men door moest gaan of zich juist moest overgeven.
Conservatieve krachten binnen de legertop voelden, ondanks de twee atoombommen, helemaal niets voor een dergelijke oneervolle overgave en hebben op de avond van de 14e augustus nog geprobeerd de grammofoonplaat met de toespraak te vernietigen. Volgens de verhalen is de grammofoonplaat uit het paleis gesmokkeld in een wasmand met damesondergoed en naar de radiostudio gebracht.
Op 2 september wordt de overgave officieel ondertekend aan boord van het Amerikaanse slagschip Missouri in de baai van Tokyo. Voor Japan tekenen de minister van buitenlandse zaken Shigemitsu Mamoru en generaal Umezu Yoshijiro de onvoorwaardelijke capitulatie van Japan. Voor Amerika tekent generaal MacArthur.

Gevolgen van de bom
Direct door de bom vielen al duizenden doden en duizenden gewonden. Er waren veel mensen met brandwonden en velen hadden een enorme dorst. Er was veel behoefte aan water, dat er juist helemaal niet meer was. Daarom is water symbolisch geworden bij de vele herdenkingsmonumenten.
Zoals boven al is opgemerkt waren er, naast de duizenden doden, veel slachtoffers die ziek zijn geworden door de bom. Deze mensen konden in Japan in aanmerking komen voor een staatsuitkering, maar hiervoor diende men zich wel op te geven. Deze mensen, maar ook wel de mensen die de bom hadden meegemaakt, maar niet ziek waren geworden, kregen te maken met een bepaalde gewoonte van de Japanse maatschappij. Bij sollicitatie, huwelijk en andere belangrijke zaken wordt veelal een antecedentenonderzoek ingesteld. Bijv. bij een aanstaand huwelijk wordt de geschiedenis en afkomst van de huwelijkskandidaat grondig onderzocht. Indien dan blijkt dat de betrokkene ziek is door de bom of niet ziek is, wel de bom heeft meegemaakt en 'dus' ziek zou kunnen worden, wordt hij of zij afgewezen als huwelijkskandidaat of, als het een sollicitatie betreft, afgewezen als toekomstig werknemer. Deze mensen krijgen daarom moeilijk een baan en vinden moeilijk een partner. Een voorbeeld hiervan is te lezen in het boek 'Zwarte regen' van Masuji Ibuse....


De paddenstoelwolk boven Hiroshima

 

De paddenstoelwolk boven Nagasaki

 

 


Hiroshima, na het bombardement

De discussie
Nog steeds is er een hevige discussie gaande of de bom wel of niet gebruikt had moeten worden. De voorstanders beargumenteren dat dit zeker versneld een einde aan de Tweede Wereldoorlog heeft gemaakt en daardoor vele (Amerikaanse) soldatenlevens heeft gespaard, omdat anders een noodzakelijke invasie vele duizenden soldaten het leven zou hebben gekost, zeker gezien de wijze waarop Japan zich steeds had verdedigd op eilanden als Iwo Jima. Anderen wijzen erop dat Japan dusdanig verzwakt was dat het tegen het einde van 1945 zich zeker zou hebben overgegeven. Dat is dan wellicht achteraf bekend maar dat was het waarschijnlijk niet in augustus 1945. Bovendien, hoeveel levens zou dit dan toch nog gekost hebben?
Anderen pleitten voor een demonstratie van de afschrikwekkende kracht van de bom of een waarschuwing, zodat de te treffen plaats ontruimd kon worden. Men vond echter dat een demonstratie niet kon omdat Japan dan bedacht zou zijn op de komst van ťťn enkel vliegtuig en dit zou neerschieten. De uiteindelijke komst van de Enola Gay boven Hiroshima leidde inderdaad tot geen enkele reactie van de Japanners. Een waarschuwing aan de Japanners zodat men de stad kon ontruimen werd ook afgewezen omdat men bang was dat de Japanners dan krijgsgevangen in de stad zouden plaatsen. Anderen wilden een 'ouderwets' bommentapijt op Japan gooien, die in grootte vergelijkbaar zou zijn met een atoombom. Ook dit werd afgewezen omdat er al een enorm bommentapijt gegooid was en vele steden, zoals Tokyo, al praktisch geheel verwoest waren en Japan toch nog steeds doorging. 

Japan neemt nu, na het gooien van de twee bommen, de slachtofferrol op zich. V.w.b. deze atoombommen is dat natuurlijk zo. Men stelt dat vele duizenden onschuldige burgerslachtoffers zijn gemaakt. Ook dat is correct. Terecht merken anderen juist weer op dat door de agressie van Japan naar de buurlanden als China, Nederlands-IndiŽ (hetgeen de Japanners een 'bevrijding van de Nederlanders' noemden), Malakka e.d. andere landen betrokken raakten in een oorlog die ze helemaal niet wilden, waardoor er vele duizenden doden zijn gevallen, alleen door de agressiepolitiek van Japan. Dat er altijd burgerslachtoffers vallen in een oorlog is helaas een gegeven, denk maar de bombardementen op steden in Engeland (Londen), Duitsland, maar ook bijv. het bombardement op Rotterdam. Het is ook bekend dat juist Japan veel burgerslachtoffers maakte in bijv. Nanking in 1937, waar geen Chinese militairen meer waren en toch tussen de 200.000 en 300.000 burgers de dood vonden, verminkt, verkracht, mishandeld en vermoord. Denk ook aan de jappenkampen in het toenmalig Nederlands-IndiŽ, waar vele Nederlandse onschuldige burgers gemarteld, mishandeld en vermoord zijn.

Hoewel wij als gewone burger bij politieke en militaire beslissingen nooit echt alle achtergronden en vooral alle belangen die er toen speelden te weten zullen komen (maar dat is vandaag de dag nog steeds zo), lijkt, alles bij elkaar genomen, het gebruik van de atoombommen op dat moment o.i. een juiste keuze te zijn geweest. Ook een aantal Nederlandse krijgsgevangenen, die toen nabij Hiroshima te werk gesteld waren en nog steeds de gevolgen van de bom ondervinden, zijn die mening toegedaan.
In 1938 beschoten de Duitsers Hahn en Strassmann in het Kaiser Wilhem Instituut (in Berlijn) een uraniumkern met neutronen. Uranium is element nummer 92 en de kern bevat dan 92 protonen en 146 neutronen. Dit geeft een atoomgewicht van 238 en daarom spreekt men van U 238. In de natuur bevat het uranium voor 0,7 % ook de lichtere isotoop met 3 neutronen minder in de kern, U 235. 
Na de bovengenoemde beschieting van de uraniumkernen met neutronen, kostte het enige tijd om uit te vinden welke producten er waren ontstaan en men verwachtte eigenlijk een aantal zwaardere elementen, de zogenaamde transuranen te zullen vinden. Tot hun verbazing vonden ze veel lichtere elementen, zoals barium en krypton, hetgeen weliswaar wees op brokstukken van de kern, maar dat was iets dat men toen voor onmogelijk hield en men had dan ook geen verklaring voor de aanwezigheid van deze elementen. Het was Lise Meitner (gevlucht uit nazi-Duitsland naar het laboratorium van Niels Bohr in Kopenhagen) die met de verklaring kwam en de term 'kernsplijting' introduceerde. Wat men ook vond was dat de som van de massa van de brokstukken kleiner was dan de massa van de oorspronkelijke uraniumkern. Einstein had al uitgerekend dat dit verschil overeenkwam met een grote hoeveelheid energie (E=mc≤). Men ontdekte ook, en dat is essentieel, dat er bij die splijting weer 1 of 2 neutronen vrijkomen. Als deze neutronen weer een volgende splijting teweeg zouden brengen, zou een kettingreactie mogelijk zijn, waarbij enorme hoeveelheden energie zouden vrijkomen. Om uiteindelijk een dergelijke kettingreactie op gang te brengen en in stand te kunnen houden moest wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo bleek U 238 niet geschikt, maar wel U 235 en dus moest het percentage U 235 veel hoger liggen. Dit wordt bereikt in de enorme grote, dure en energieverslindende verrijkingsmachines (ultracentrifuges), die Amerika in de Tweede Wereldoorlog bouwde in het Manhattanproject in Los Alamos. Dit project was uiterst geheim om te voorkomen dat Hitler er achter zou komen dat men met een atoombom bezig was. Men dacht of verwachtte namelijk dat er in nazi-Duitsland ook aan gewerkt werd want tenslotte waren de Duitse fysici in feite de vaders van de kernsplijting. Een andere voorwaarde voor het tot stand komen van een kettingreactie is dat een bepaalde kritische massa overschreden moet worden, m.a.w. er moest voldoende materiaal zijn. In 1942 bouwde Fermi in Amerika (Chicago) een kernreactor, waar, door toepassing van neutronenabsorberend materiaal als cadmium, een gecontroleerde kettingreactie ontstond en het vrijkomen van energie gecontroleerd en gedoseerd plaatsvond. Dit gebeurde onder veel spanning. Bedenk dat men toen geen idee had hoe snel een dergelijke kettingreactie uit de hand kon lopen, waardoor de kernreactor opeens zou veranderen in een atoombom. Ook had men ontdekt dat men uit het veel voorkomende U 238 het plutonium 239 (Pu 239, met 94 protonen en 145 neutronen) kon maken, dat ook, net als U 235 makkelijk splijtbaar was en geschikt was om een kettingreactie tot stand te laten komen. Op 16 juli 1945 ontplofte de eerste test-atoombom (van plutonium) in de woestijn van Nevada en in augustus waren de bommen op Hiroshima en Nagasaki het gevolg. De bom op Hiroshima bevatte verrijkt uranium en die op Nagasaki bestond uit

Afbeeldingsresultaat voor atoombommen op hiroshima en nagasaki

 

Afbeeldingsresultaat voor atoombommen op hiroshima en nagasaki

3 m. x 1.5 m, 21.000 ton TNT). 

Links de bom die op Hiroshima viel (Little Boy, 2.5 m x 0.7 m, 15.000 ton TNT) en rechts de bom van Nagasaki (Fat man)

Afbeeldingsresultaat voor atoombommen op hiroshima en nagasaki

Vredesbeeld in Nagasaki

Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki-Deel II

De Atoombomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki zijn twee aanvallen met een atoombom die in 1945 door de Amerikaanse luchtmacht zijn uitgevoerd. Op 6 augustus werd de Japanse havenstad Hiroshima gebombardeerd, en op 9 augustus de stad Nagasaki. Kort daarna capituleerde Japan onvoorwaardelijk. Hiermee kwam een eind aan de Tweede Wereldoorlog.
Eind 1945 waren als gevolg van de aanvallen circa 250.000 mensen om het leven gekomen. Als gevolg van stralingsziekte en kanker zouden nog enige honderdduizenden slachtoffers zijn gevallen.
Achtergrond
De Amerikanen begonnen in 1939 het zogeheten Manhattanproject met als doel een atoombom te ontwikkelen en voldoende splijtbaar materiaal te produceren voor zo'n bom. In 1943 werd het onderzoek grotendeels naar Los Alamos verplaatst. Amerikaanse wetenschappers haastten zich om de kracht van het atoom te ontsluiten omdat gevreesd werd dat ook nazi-Duitsland aan een kernbom werkte. Dit was inderdaad zo, maar het Duitse project is nooit goed van de grond gekomen en toen Duitsland op 8 mei 1945 capituleerde had nog geen enkel land een werkend prototype voltooid. Op 16 juli vond de eerste test-explosie plaats (Trinity). Vervolgens kwamen twee atoombommen gereed voor gebruik, namelijk een uraniumbom (Little Boy) en een plutoniumbom (Fat Man). Er zou lang zijn nagedacht of deze bommen ook ingezet moesten worden. Veel geleerden zoals Joseph Rotblatt waren tegen: de bom was ontwikkeld om Hitler voor te zijn, maar nu was Duitsland verslagen. Uiteindelijk besloten de VS de bom tegen Japan te gebruiken. Het hierbij gehanteerde argument was dat een atoombomaanval de oorlog met Japan zou bekorten waardoor onder meer veel Amerikaanse soldatenlevens gespaard zouden blijven. De Amerikaanse ervaringen op Okinawa speelden hierbij een belangrijke rol. Tijdens de slag om Okinawa (van 1 april tot 21 juni 1945 ) hadden de Amerikanen als gevolg van felle Japanse tegenstand en kamikaze-aanvallen onverwacht hoge verliezen geleden. Het Amerikaanse leger redeneerde dat het veroveren van het vasteland van Japan op vergelijkbare tegenstand zou stuiten en nog veel meer doden zou kosten. Jarenlang werd het getal van 500.000 tot meer dan een miljoen Amerikaanse doden genoemd in het geval van een invasie op de Japanse thuiseilanden. Deze aantallen worden tegenwoordig als schromelijk overdreven beschouwd. Onder wetenschappers bestaat de consensus dat er in dat geval hoogstens 46.000 doden zouden zijn gevallen, zoals zou blijken uit vrijgegeven militaire rapporten. Bovendien bleek al kort na de oorlog dat Truman al voordat hij de atoombommen inzette, wist dat Japan zich wilde gaan overgeven. Er waren al een half miljoen burgerdoden gevallen bij de 'gewone' geallieerde bombardementen op Tokyo en andere steden, de hardline-strategie van Kamikaze en nooit overgeven had al gefaald, daardoor waren de hardliners onder de Japanse generaals flink verzwakt, het land was door en door oorlogsmoe. Dit was allemaal bekend bij de Amerikaanse inlichtingendienst, en dus ook bij Truman.
Inzet.
Nagasaki voor en na de bom.Op 10 mei, twee dagen na de capitulatie van nazi-Duitsland, begon te Los Alamos een tweedaags overleg over mogelijke doelwitten van atoombomaanvallen op Japan. Gekozen werd in eerste instantie voor Yokohama, Hiroshima, Kokura, Niigata en Kioto. De laatste stad werd geschrapt omdat in deze stad veel historische tempels stonden. Het pleidooi voor het schrappen van Kioto als doel wordt gewoonlijk toegeschreven aan japanoloog Edwin Reischauer, maar deze heeft dat ontkend. Volgens Reischauer zou Henry Stimson, die er enkele decennia eerder zijn huwelijksreis had gemaakt, Kioto van de lijst hebben geschrapt. Uiteindelijk viel de keuze op Hiroshima. Deze stad had een belangrijke industriŽle en militaire betekenis en was tijdens de voorafgaande conventionele bombardementen redelijk gespaard gebleven, zodat het effect van een atoombomaanval goed zou kunnen worden nagegaan. De omringende bergen zouden de kracht van de explosie gedeeltelijk focussen op de stad waardoor de verwoesting nog heviger zou zijn. Bovendien was dit de enige grote Japanse stad zonder krijgsgevangenenkamp, zodat er geen slachtoffers onder de eigen troepen zouden vallen.
Van 17 juli tot 2 augustus vond te Berlijn de conferentie van Potsdam plaats. Een dag eerder hadden de Amerikanen met succes een proefexplosie uitgevoerd, de Trinity-test. De Amerikaanse president Harry S. Truman was opgetogen wegens het goede nieuws en meldde tijdens de conferentie aan de Russische dictator Jozef Stalin dat hij een nieuw en krachtig wapen tot zijn beschikking had. Stalin, die ironisch genoeg dankzij Sovjet-spionage lang voor Truman op de hoogte was dat de Amerikanen een atoomwapen ontwikkelden, moedigde Truman aan om alle mogelijke wapens te gebruiken om de oorlog zo snel mogelijk te beŽindigen. Op 26 juli werd de verklaring van Potsdam uitgegeven. Het was toen al bekend bij Truman dat Japan zich wilde overgeven en de oorlog stoppen. Hierin legden de leiders van de landen die tegen Japan vochten, Harry S. Truman, Winston Churchill en de Chinese leider Chiang Kai-Shek, de voorwaarden voor de Japanse overgave vast. Bepaald werd dat Japan zich onvoorwaardelijk zou moeten overgeven, daar het anders direct en totaal zou worden verwoest. Maar voor de Japanners was een onvoorwaardelijke overgave ondenkbaar, omdat zij vreesden voor de goddelijke positie van de keizer (kokutai). Zonder dat de Japanners het beseften werden de voorbereidingen voor de eerste atoombomaanval in de geschiedenis afgerond.
Hiroshima
Hiroshima, na het bombardementEen team onder leiding van Paul Tibbets vloog de bom Little Boy op 6 augustus in de B-29 bommenwerper Enola Gay van Tinian naar Hiroshima en wierp de bom op 9500 m hoogte boven de stad af. De explosieve kracht bedroeg ongeveer 63 TJ, wat overeenkomt met 15 kiloton TNT. Tijdens de aanval had de stad ongeveer 255.000 inwoners. Toen Little Boy om 8:15 uur 's morgens explodeerde, kwamen vrijwel direct 78.000 mensen om het leven als gevolg van de enorme drukgolf en de intense hitte die bij de explosie vrijkwam. Een vergelijkbaar aantal mensen raakte gewond. In de daaropvolgende dagen stierven nog veel mensen als gevolg van de fall-out.
Het duurde enkele uren voordat men zich elders in Japan realiseerde dat in Hiroshima iets verschrikkelijks was gebeurd. De uitzending van de nationale omroep was in Hiroshima weggevallen, de belangrijkste telegraaflijn van het land was iets ten noorden van de stad verbroken, en vanuit kleine spoorwegstations in de buurt kwamen verwarde berichten over een enorme explosie die zou hebben plaatsgevonden. Ook de verbindingen met het militaire hoofdkwartier in Hiroshima leken weggevallen. Pas nadat vanuit Tokio een verkenningsvliegtuigje met een piloot en een stafofficier naar de stad was gestuurd, werd duidelijk dat zich daar een ramp van ongekende omvang had voorgedaan. Al op 160 kilometer van de stad was een enorme rookkolom zichtbaar, meldde de tweekoppige bemanning. Het vliegtuig cirkelde rond de stad, landde iets ten zuiden ervan, waarna de officier de verwoestingen rapporteerde aan het hoofdkwartier in Tokio.
Japan wenste zich echter nog niet onvoorwaardelijk over te geven. De Japanse regering wilde aan overgave vier voorwaarden stellen: behoud van de goddelijke positie van de keizer; ontwapening en demobilisSlachtoffer van de Atoomaanval
Slachtoffer van de atoombom, 1945In de jaren na de aanval op Hiroshima was kanker de belangrijkste doodsoorzaak. Ook het aantal miskramen in het gebied rond Hiroshima vertoonde een sterk stijgende lijn. Door de na-effecten als gevolg van de ioniserende straling liep het dodental uiteindelijk op tot ongeveer 140.000 eind 1945. Volgens een in 2004 afgerond onderzoek door de gemeente Hiroshima, heeft Little Boy in totaal 237.062 levens gekost. In Nagasaki zouden nog zo'n 70.000 mensen zijn omgekomen, onder meer als gevolg van leukemie.
Hibakusha
De overlevenden van de beide atoombomaanvallen worden hibakusha (被爆者) genoemd. Op 31 maart 2007 telde Japan 251.834 hibakusha. In Japan bestond aanvankelijk weinig kennis over de effecten van nucleaire straling, en de overlevenden werden hevig gediscrimineerd. In 1956 richtten zij een vereniging op, Nihon Hidankyo, die bij de overheid een toelage afdwong. Als hibakusha worden beschouwd;
mensen die zich op het moment van de aanval binnen een paar kilometer van het hypocentrum van de bommen bevonden,
mensen die zich binnen twee kilometer van het hypocentrum bevonden binnen twee weken na de aanvallen,
mensen die zijn blootgesteld aan fall-out,
baby's van zwangere vrouwen uit elk van de categorieŽn hierboven.
Een deel van de hibakusha werd in de Verenigde Staten aan de gevolgen van de atoombomaanvallen behandeld. Hibakusha strijden ook tegen atoombewapening.
Tot de overlevenden behoor den ook circa veertigduizend Koreaanse dwangarbeiders, die na de oorlog vrijwel allemaal naar Korea terugkeerden. Bij een verdrag dat in 1965 werd gesloten zag Zuid-Korea af van schadevergoeding. In 2005 werd de Japanse regering echter veroordeeld tot schadevergoeding aan veertig van de Koreaanse slachtoffers.
Herdenkingen, musea
Zowel in Hiroshima als in Nagasaki werd in 1955 een vredespark ingericht en een museum gebouwd dat gewijd is aan de atoombomaanval. Hiroshima heeft daarnaast een vredesmonument dat bestaat uit de ruÔne van een tentoonstellingsgebouw dat als enige gebouw in het centrum van de stad de aanval doorstond.
Op 9 augustus 1996, 51 jaar na de aanval, werd in Nagasaki een nieuw museum geopend.
De aanvallen op Hiroshima en Nagasaki worden ter plaatse elk jaar herdacht. De namen van de in het afgelopen jaar overleden hibakusha worden jaarlijks aan de cenotaven toegevoegd.
atie onder verantwoordelijkheid van het keizerlijk hoofdkwartier; geen Amerikaanse bezetting; en de berechting van Japanse oorlogsmisdadigers zou aan de Japanse regering moeten worden toevertrouwd. Nu Japan zich nog steeds tegen onvoorwaardelijk overgave verzette besloten de Amerikanen een tweede atoombom af te werpen, ditmaal boven Kokura.
Nagasaki
Een team onder leiding van Charles Sweeney ging op 9 augustus in de B-29 Bockscar met de bom Fat Man op weg naar Kokura, waar zich veel oorlogsindustrie bevond. Boven Kokura hing echter veel bewolking en Sweeney had opdracht de aanval op zicht uit te voeren. Nadat drie aanlopen waren afgebroken, werd uitgeweken naar het alternatieve doel, Nagasaki. Omdat ook daar het zicht slecht was, werd het doelwit gemist. Bommenrichter Frederick Ashworth wierp de bom af op ongeveer drie mijl van het doelwit. Daardoor vond de explosie gedeeltelijk boven dunbevolkt gebied plaats. Bij de aanval vielen ongeveer 40.000 doden en 25.000 gewonden, aanzienlijk minder dan bij de aanval op Hiroshima.
Capitulatie
Een dag eerder (8 augustus) had de Sovjet-Unie de oorlog aan Japan verklaard, en nog voor de aanval op Nagasaki waren Sovjetlegers de Japanse vazalstaat Mantsjoekwo al binnengevallen. Op 12 augustus besloot keizer Hirohito tot de overgave. Hij nam op 14 augustus een radiorede op, die de volgende dag werd uitgezonden. Op 2 september werd de capitulatie getekend.
Slachtoffers.

Slachtoffer van de Atoomaanval

 

Ground Zero voor de atoombom.

en na de atoombom

 

 

Bestand:Victim of Atomic Bomb1.jpg

Een 14-jarig slachtoffer van de atoombom op Nagasaki.

 

Bestand:Boy.jpg

Foto van een jongen die zijn dood broertje mee heeft gepakt om hem te laten cremeren. Op de achtergrond is de paddenstoelwolk te zien

60 jaar geleden: de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki

Nawoord 
Hiroshima, 6 augustus 1945, 8u. Het alarmsignaal geeft aan dat een luchtaanval door VS-bommenwerpers beŽindigd is. Arbeiders en kinderen verlaten hun huizen, ruimen het puin en maken zich op om te gaan werken. Om 8u45 vliegt ťťn enkele bommenwerper boven de stad en laat die een atoombom op de stad ontploffen. Er vallen 100.000 doden en 80.000 gewonden. 
De geallieerden hadden reeds massavernietigingswapens ingezet tegen Duitse en Japanese steden, maar de atoombom was kwalitatief anders - ťťn enkel wapen leidde tot evenveel slachtoffers als een continue golf van andere bommenwerpers samen. 
Op 9 augustus viel een tweede atoombom op Nagasaki, waarbij er meer dan 70.000 doden vielen en een gelijkaardig aantal gewonden. De atoombommen leidden tot een traumatische ervaring van sociale verwoesting en genetische afwijkingen. 
Het VS-imperialisme had met de steun van Groot-BrittanniŽ en andere kapitalistische machten een nieuw tijdperk van massavernietigingswapens betreden. De fascistische regimes in Duitsland, ItaliŽ en Japan hadden verschrikkelijke misdaden gepleegd tegen de mensheid, waaronder genocide. Maar de strategie van massaterreur tegen de burgerbevolking zoals uitgevoerd door de Westerse machten, in het bijzonder op het einde van de Tweede Wererldoorlog (1939-1945) vormde ook een onderdeel van een monsterlijke misdaden tegen de mensheid. 
Hiroshima en Nagasaki zullen steeds een symbool blijven voor barbaarse oorlogsstrategieŽn. De nucleaire aanvallen toonden een nieuwe dimensie van vernietiging. Het vormde het sluitstuk van een reeks medogenloze acties tegen onschuldige burgers in Duitsland en Japan. 
Tapijtbombardementen op Duitse steden 
Op het einde van de oorlog tegen Duitsland gebruikten de geallieerden een strategie van bombardementen op volledige regioís. Die strategie was er niet op gericht om militaire operaties te coveren of om de militaire machine van Hitler te vernietigen, maar op de vernietiging van volledige steden waarbij de burgerbevolking werd getroffen. 
De bombardementen door de naziís hadden uiteraard enorme vernietiging aangebracht in steden als Warschau, Rotterdam, Coventry en andere steden. De ďblitzĒ tegen Londen, waarbij sterke bommenwerpers werden ingezet, was een onderdeel van een brutale strategie van terreur. Maar in de twee laatste jaren van de oorlog werd die strategie veel verder gereven door de VS. 
De tapijtbombardementen van 1943-45 zaaiden vernieling in steden als Hamburg, Bremen, Dresden en Berlijn. Daarbij werden meer dan 600.000 mensen getroffen, voornamelijk burgers. De ergste bombardementen vonden plaats in de laatste maanden van de oorlog, toen Duitsland reeds in een ruine was herschapen en de militaire machine van Hitler zwaar was aangetast. 
De ďstrategische bombardementenĒ werden uitgewerkt door de leiding van de Britse luchtmacht, in het bijzonder door Trenchard, Portal en de beruchte commandant Harris. Samen met Churchill zelf waren ze betrokken in pogingen om opstanden van Arabieren en Koerden in Irak (1920) en in Aden (1934) neer te slaan met bombardementen en gasaanvallen. 
Churchill en zijn commandanten legden adviezen van wetenschappelijke adviseurs zoals Lord Zuckerman naast zich neer toen die stelden dat er beter zou gewerkt worden met gerichte aanvallen op transportinfrastructuur. In plaats van gerichte aanvallen, wilden de lakeien van de Britse heersende klasse wraak nemen op Duitsland. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen het nazi-regime en de Duitse bevolking, ook al vormde die bevolking het eerste slachtoffer van de fascistische dictatuur van Hitler. 
In de strategie van het Amerikaans en Brits imperialisme vormden de Duitse burgerslachtoffers geen Ďcollateral damageí (wederzijdse schade), ze waren namelijk het doelwit op zich van het geallieerde offensief. Hetzelfde gebeurde in Japan. De stedelijke bevolking, voornamelijk arbeiders, betaalde een enorme prijs voor de militaire agressie van haar heersende klasse. . 
Waarom gebruikt de VS een atoombom tegen Japan? 
VS-president Truman en de legerleiding argumenteerden dat het inzetten van nucleaire wapens noodzakelijk was om de oorlog tegen Japan snel tot een einde te brengen. Ze beweerden dat hiermee het leven van miljoenen Amerikaanse soldaten zou gered worden. Met het grote aantal VS-slachtoffers bij het veroveren van het Japanese eiland Iwo Jima en Okinawa, kreeg dit een zekere positieve respons bij heel wat Amerikanen. 
De VS verzweeg echter de militaire informatie die voorspelde dat Japan zich snel zou overgeven. Een officieel VS-rapport stelde later: ďWe menen dat Japan zich zeker voor 31 december 1945 en mogelijks zelfs voor 1 november 1945 zou hebben overgegeven, zelfs indien de atoombommen niet werden gebruikt, zelfs indien Rusland niet was tussengekomen in de oorlog, en zelfs indien er geen invasie werd gepland of uitgevoerd.Ē 
De militaire machine van Japan was grotendeels uitgeschakeld. In maart 1945 had de Amerikaanse luchtmacht een aanval uitgevoerd op Tokyo waarbij meer dan 80.000 slachtoffers vielen. 
Delen van het Japanese fascistische regime gingen na op welke wijze het land zich kon overgeven aan de Westerse geallieerden, in het bijzonder op basis van onderhandelingen waarin ook de Sovjetregering zou betrokken worden. De VS wou een onvoorwaardelijke overgave. De Japanese heersende klasse wilde een garantie dat keizer Hirohito niet zou berecht worden als oorlogsmisdadiger en keizer zou kunnen blijven onder een VS-bezettingen. Ze waren minder bezorgd om de situatie van de gewone bevolking in Japan. Truman weigerde de voorwaarden, alhoewel de VS het later wel aanvaardde Ė nadat twee atoombommen op het land werden gegooid. 
Waarom was het VS-imperialisme zo vastberaden om nucleaire wapens in te zetten? De historicus Herbert Feis geeft een opsomming. De haastige inzet van de bommen, slechts een maand na de eerste testen in de woestijn van New Mexico, werd bevorderd door ďde drang van de strijdmachten om een afstraffing te organiseren en te tonen hoe superieur de VS-macht was...Ē Deze medogenloze politiek leidde tot honderdduizenden doden. 
De demonstratie van de VS-macht was in het bijzonder gericht tegen de Sovjetunie. In overeenstemming met de eerdere akkoorden in Yalta in februari 1945, wou Stalin een militair offensief tegen Japan inzetten op 8 augustus. 
Tegen het midden van 1945 kwamen er echter onderlinge verdeeldheid naar voor tussen de geallieerde machten. Geconfronteerd met de druk van de fascistische regimes in Duitsland, ItaliŽ en Japan, moesten de VS en Groot-BrittanniŽ beroep doen op de Sovjetunie voor militaire steun. Met het einde van de oorlog in Europa, vestigden de stalinisten echter bureaucratische regimes op basis van een gecentraliseerde geplande economie in Oost- en Centraal-Europa. Hiermee werd een enorm tegengewicht gevestigd tegenover de macht en de invloed van het Westerse kapitalisme. 
Het laatste wat Truman en Churchill wilden was de bezetting van Japan door de Sovjetunie. Ze waren vastberaden om voorop te lopen op het militaire offensief van Stalin in Japan en gingen daarom over tot het inzetten van atoombommen op 6 en 16 augustus. Dit maakte het voor de VS-troepen van generaal MacArthur mogelijk om Japan te bezetten. 
Een voormalige wetenschappelijke adviseur van de Britse regering, PMS Blackett, stelde later: ďhet gooien van de atoombommen was niet zozeer de laatste militaire daad van de Tweede Wereldoorlog, maar veeleer de eerste daad van een diplomatieke koude oorlog met Rusland.Ē Voor de diplomatieke demonstratie van de nucleaire macht, betaalden twee steden de zware prijs van totale vernietiging. 
Kapitalistische leiders blijven het gebruik van nucleaire wapens tegen Japan goedpraten in 1945. Maar de historische omstandigheden zijn nu duidelijk: Hiroshima en Nagasaki waren voor het VS-imperialisme niet nodig om Japan snel tot een nederlaag te brengen. Atoombommen, massavernietigingwapens op een compleet nieuwe schaal, werden enkel gebruikt om de VS-macht te tonen. 
De nucleaire wapenwedloop 
De meerderheid van de topwetenschappers (124 op 150) die voor het ĎManhattan Projectí werkten (een wetenschappelijk-industrieel project in de VS om nucleaire wapens te produceren), spraken zich uit tegen het inzetten van atoombommen tegen Japan. De meesten waren voorstander van een publieke demonstratieve explosie om de Japanese regering de kans te bieden om zich over te geven. Aangezien gevreesd werd dat Hitler werkte aan nucleaire wapens, meenden de wetenschappers dat het gerechtvaardigd was om te werken aan Amerikaanse atoombommen. 
Na de nederlaag van Duitsland werd het echter duidelijk dat het nazi-regime nooit in staat was geweest om nucleaire wapens te ontwikkelen, waarop de wetenschappers de verdere ontwikkeling van dergelijke wapens in de VS niet langer als gerechtvaardigd beschouwden. De politieke vertegenwoordigers van de Amerikaanse heersende klasse gingen regelrecht in tegen dat standpunt. 
In een brief aan Truman, waarschuwde een groep wetenschappers waaronder James Franck en Leo Szilard dat het inzetten van atoombommen zou leiden tot een ongebreidelde wapenwedloop om nucleaire wapens te ontwikkelen. Hun waarschuwing werd in de wind geslagen. Als reactie op wapenontwikkelingen in de VS begon ook de Sovjetunie haar eigen massale nucleaire wapenbestand uit te bouwen. 
Kleinere machten zoals Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en China volgden. De grote mogendheden ontwikkelden voldoende kernkoppen om de planeet meerdere malen te vernietigen. Deze wapenwedloop slorpte een groot aantal middelen op, zowel op sociaal vlak als op wetenschappelijk en technologisch vlak. Dit had voor sociaal nuttiger projecten kunnen gebruikt worden. 
In een poging om de kernwapens goed te praten, stelden de Westerse leiders dat een balans van nucleaire macht met de mogelijkheid van wederzijdse vernietiging, oorlogen in de toekomst zouden vermijden. Terwijl de kernwapens een wereldoorlog tussen de grote machten uitsloot, aangezien dit zou leiden tot een totale vernietiging van de planeet, kon niet vermeden worden dat er een eindeloze reeks Ďkleinereí oorlogen kwam waarbij de grote machten tussenkwamen om hun belangen veilig te stellen. Tussen 1950 en 1989 leidden deze oorlogen naar schatting tot een dodental van 20 tot 30 miljoen mensen. 
Na de val van de Sovjetunie in 1989, beweerden de Westerse leiders dat de kansen op vrede enorm waren toegenomen en dat er mogelijks een afbouw zou komen van de kernwapens en militaire uitgaven in het algemeen. Het aantal kernkoppen is inderdaad afgenomen, maar er zijn nog steeds ongeveer 27.600 kernkoppen met een destructieve macht van 5.000 megaton (wat overeenkomt met 5.000 miljoen ton TNT). 
Het verdwijnen van de relatief stabiele verhoudingen van de koude oorlog, met twee dominante supermachten, heeft bovendien geleid tot een meer onstabiele en gevaarlijke situatie. 
Meer dan 40 landen hebben kernwapens of de capaciteit om die op korte termijn te ontwikkelen. De supermachten kunnen nucleaire wapens zien als een wapen van de laatste kans. Maar het is niet uitgesloten dat regimes in Noord-Korea of Pakistan bij regionale conflicten of interne opstanden, deze wapens inzetten tegen hun vijanden. 
De grote machten beweren dat zij voorstander zijn van een beperking van de kernwapens door een non-proliferatieverdrag. Maar dat is hypocriet. Zelfs de VS ontwikkelt een nieuwe generatie van taktische nucleaire wapens. In Groot-BrittanniŽ is Blair bezig met een geheim project om de nucleaire Trident-macht te vervangen. Dit zou minstens 15 miljard pond kosten. 
In 1945 waarschuwden Franck, Szilard en andere wetenschappers van het Manhattan Project: ďde bescherming tegen het destructief inzetten van nucleaire macht kan enkel komen vanuit de politieke wereld.Ē 60 jaar later, na het falen van de Verenigde Naties en ontelbare internationale wapenverdragen, wordt duidelijk dat dit een utopische droom is onder het kapitalisme. De concurrentie tussen verschillende nationale kapitalistische landen voor een steeds groter deel van de rijkdom en de macht, maakt een wapenwedloop en oorlog onvermijdelijk. 
Om tot politieke verandering te komen, is er nood aan een verandering van het sociaal systeem. Er is nood aan een democratisch geplande economie in plaats van de anarchie van de markt. Een socialistische democratie is nodig tegenover de heerschappij van een kleine groep kapitalisten en grootgrondbezitters. Enkel de democratische controle van de samenleving door de arbeidersklasse kan de basis vormen voor een echte internationale samenwerking en globale planning. 
Hiroshima en Nagasaki herinneren ons aan het barbaarse destructieve potentieel van het kapitalisme. Als gevolg van het verdiepen van de globale crisis, is de wereldsituatie vandaag bijzonder onstabiel en zitten we in een gevaarlijke situatie. De aanwezigheid van kernwapens, toont de dringendheid van socialistische verandering meer dan ooit aan.

Bestand:Vredesbeeld.jpg

Het Vredesbeeld.

 

 

 

 

 

Bestand:Peace Gates.jpg

De Vredespoorten in Hiroshima.

 

 

 

Bestand:Urakami-Kathedraal.jpg

Urakami Tenshudō na de 2de atoombom.

 

Bestand:Cranes.jpg

Tienduizenden kraanv

2-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog

1--2