Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Nederlands militair in de Tweede Wereldoorlog

Hendrik Johan Kruls

Hendrik Johan Kruls (Amsterdam, 1 augustus 1902 — Den Haag, 13 december 1975) was een Nederlands generaal en zakenman.

Na een officiersopleiding aan de KMA en rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit Utrecht werd hij geplaatst bij de artillerie, later gedetacheerd bij het ministerie van Defensie. Hij vergezelde in 1940 als adjudant minister van defensie Dijxhoorn naar Londen en werd daar belast met de opbouw van het Militair Gezag dat na de bevrijding het dagelijks bestuur in Nederland moest overnemen.

Ondanks aanvankelijke bezwaren van koningin Wilhelmina werd hij als chefstaf belast met de leiding van het Militair Gezag. Kruls was een goed organisator, maar ook een autoritaire man die vaak ondiplomatiek optrad. Dat leidde regelmatig tot conflicten. Na de oorlog was hij chef van de Generale Staf en vanaf 1949 als generaal ook Voorzitter van het Comité Verenigde Chefs van Staven, en ook in die functie kwam hij vaak in conflict met de minister. Een geschil over de visie op het toekomstige defensiebeleid leidde in 1951 tot zijn gedwongen vertrek. Hierna bekleedde hij verschillende functies in het bedrijfsleven, onder meer bij de KLM.

In 1975 publiceerde hij zijn memoires onder de titel Generaal in Nederland, memoires H.J. Kruls (ISBN 9022839850).

Kruls in 1946

Kruls in 1946
Geboren 1 augustus 1902
Amsterdam
Overleden 13 december 1975
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1919-1951
Rang Nl-landmacht-generaal.svg Generaal
Leiding over Nederlandse Krijgsmacht
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Ander werk KLM
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog

 


Albert Gerrit van der Land

Albert Gerrit van der Land (Batavia (Nederlands-Indië), 3 april 1915 — Driehuis, 9 april 2001) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog Bij Koninklijk Besluit op 16 juli 1940 is de dapperheidsonderscheiding de Bronzen Leeuw als eerste aan hem toegekend. Als luitenant ter zee der 1e klasse is het oorlogsherrinneringskruis met de gespen "Krijg ter zee 1940-1945" en "Nederland mei 1940" op 14 november 1949 aan hem toegekend.

Op 10 mei 1940 was A.G. van der Land vuurleider van de de torpedoboot Hr. Ms. "Z 5". Tijdens de Duitse aanval op Nederland in 1940 werd door de Duitsers met mitrailleurs vanaf de Maaskade en het Prinsenhoofd geschoten op de Z-5. Hierbij werd de brug van de Z-5 zodanig geraakt dat zeven man gewond raakten, waaronder A.G. van der Land zelf. Ondanks verwondingen is hij op zijn post gebleven en heeft hij zich van zijn taak gekweten en verder zijn dienst vervuld, totdat hij na aankomst te Portsmouth op 17 mei 1940 door de geneeskundige dienst aldaar kon worden opgenomen, waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk bleek.

Het fregat Willem van der Zaan werd in 1956 in de Nederlandse Antillen afgelost door het fregat Van Speyk onder commando van A.G. van der Land. Vervolgens was hij commandant van de marinebasis Parera tot 1958.

A.G. van der Land is Oudste Officier geweest op de volgende fregatten:

Hr. Ms. "Z 5" 29 april - oktober 1940
Hr. Ms. "Z 8" oktober 1940 - 4 april 1941
Hr. Ms. "Colombia" 4 april - 21 augustus 1941
Hr Ms. "Jan van Brakel" 21 augustus 1941 - 23 maart 1942
Hr. Ms. "O 9" 17 januari 1943 - 15 februari 1944

Albert Gerrit van der Land
Geboren 3 april 1915
Batavia
Overleden 9 april 2001
Driehuis
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Marine
Rang Luitenant-ter-zee 1e klasse
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Neth bronzelion rib.PNG Bronzen Leeuw
Bronzen Kruis
Eervolle Vermelding
Huwelijksmedaille 1937
Oorlogsherinneringskruis

 


Etienne Henri (Hans) Larive

Etienne Henri (Hans) Larive (Singapore, 23 september 1915 – Den Haag, 28 december 1984) was een Nederlands marineofficier gedurende de Tweede Wereldoorlog. Hij ontsnapte uit Oflag IV C en bereikte Engeland.
Hans Larive ging in 1934 naar het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM), waar hij in 1937 afstudeerde.
Oorlogsjaren
In mei 1940, maar een paar dagen voordat de Duitsers Nederland aanvielen, kwam hij aan boord van de torpedobootjager Hr. Ms. Van Galen terug van zijn missie in Nederlands-Indië, waarop hij diende als wachtsofficier. Toen de oorlog uitbrak kreeg de Van Galen opdracht om Duitse parachutisten te bombarderen die rond Rotterdam en vliegveld Waalhaven waren geland. Om dit te doen moest de Van Galen de Nieuwe Waterweg opvaren, die erg nauw was en gedeeltelijk van mijnen was voorzien. Hier werden zij aangevallen door Duitse Stuka’s. Nadat het schip onbruikbaar was geworden werd het op 12 mei door de eigen bemanning tot zinken gebracht. Larive onderscheidde zichzelf tijdens deze aanvallen door het schip rustig door het nauwe kanaal te sturen.
Krijgsgevangenschap
Na de Nederlandse capitulatie werd alle Nederlandse officieren gevraagd de erewoordverklaring te tekenen, waarin zij beloofden de bezetter op geen enkele manier lastig of aan te vallen. Samen met 60 andere officieren weigerde Larive dit te doen. Vervolgens werden zij allen naar krijgsgevangenkampen in Duitsland gebracht.
Oflag VI A
Hun eerste kamp was Oflag VI A in Soest in Duitsland. Hier deed Larive in oktober 1940 zijn eerste ontsnappingspoging. Deze poging bracht hem dicht bij de Zwitserse grens, waar hij uiteindelijk door de politie werd gearresteerd. Duitsland was nog steeds aan de winnende hand en de Gestapo-officier die hem ondervroeg liet hem zien, in de overtuiging dat Duitsland de oorlog zou winnen, waar hij de fout was ingegaan en wat Larive anders had moeten doen om wel te kunnen ontsnappen door de Zwitserse grens. Larive onthield de informatie goed en dankzij de tips van de arrogante Gestapo-officier wisten vele Britse en Nderlandse gevangen langs deze route te ontsnappen.
Oflag VIII C en Oflag IV C
Na deze ontsnapping van Larive werden alle Nederlandse krijgsgevangen verplaatst naar Oflag VIII C vlak bij Juliusburg en na een succesvolle ontsnapping van twee Nederlandse officieren werden zij allen in juli 1941 verplaatst naar een extra streng beveiligd kamp, Oflag IV C te Colditz.
In Colditz werden alle Nederlandse ontsnappingen gecoördineerd door de Nederlandse kapitein Machiel van den Heuvel, ook wel bekend bij de Britten als "Vandy". Van den Heuvel herkende snel de ontsnappingsmogelijkheden van het park bij het kasteel en had zijn eerste ontsnappingsplan al klaar. Op 15 augustus 1941 ontsnapte Larive samen met Luitenant-ter-zee 2e klassse Francis Steinmetz. Tijdens een wandeling verstopten de twee zich in een mangat in het park. Luitenant Gerrit Dames creëerde een afleiding door een gat in het prikkeldraad te knippen en toen hij werd ontdekt schreeuwde hij naar niet bestaande ontsnapte gevangenen om hard weg te rennen, zodat de Duitsers dachten dat er verscheidene officieren waren ontsnapt. In de tussentijd zaten Larive en Steinmetz nog steeds in het mangat verstopt. Nadat het donker was geworden kwamen zij uit het mangat, plaatsten het originele slot weer terug en maakten vervolgens dat zij weg kwamen uit het kasteel.
Engelandvaart
Bij Leisnig namen zij de trein naar Neurenberg, waar zij moesten overstappen op een andere trein. Zij doodden de tijd in het park. Hier zaten enkele koppeltjes te vozen en om niet op te vallen deden ook zij zich voor als een koppel die aan het zoenen waren. Steinmetz trok een deken over zijn broek zodat het op een rok leek. Na deze nacht hadden beide mannen medelijden met vrouwen die met ongeschoren mannen moesten zoenen. De volgende dag wisten zij bij Gottmadingen de Zwitserse grens te bereiken.
Via Zwitserland en Spanje arriveerden Larive en Steinmetz op 4 november in Gibraltar. Zij voeren vervolgens naar Londen aan boord van de onderzeeboot Hr. Ms. O 21 en arriveerden daar op 7 december 1941. Larive verzocht daar om bij de Nederlandse Motor Torpedo Boot (MTB) brigade gevoegd te worden. Gedurende de volgende twee jaar bleef hij Senior officier voor de Nederlandse MTB-brigade, waar hij zich bij diverse missies wist te onderscheiden. De Nederlandse MTB-brigade werd in 1944 opgeheven omdat de manschappen nodig waren voor zogeheten 'Port Parties'.
Na de oorlog
Larive werd hoofd van de Marine Voorlichting Dienst, een positie die hij tot het einde van zijn diensttijd behield. Na zijn marineperiode ging hij aan de slag bij Shell, waar hij verschillende posities bekleedde.
In 1950 publiceerde hij zijn oorlogsherinneringen onder de titel 'Vannacht varen de Hollanders', in 1975 vertaald in het Engels onder de titel: 'The Man who came in from Colditz'.
Hans Larive overleed in 1984 te Den Haag op 69-jarige leeftijd.
Rangen
Luitenant ter zee der derde klasse (LTZ3) 13 augustus 1937
Luitenant ter zee der tweede klasse (LTZ 2) 13 augustus 1939
Luitenant ter zee der eerste klasse (LTZ 1) 2 september 1942
Uit de Koninklijke Marine op 1 juli 1946

Larive als luitenant ter zee der tweede klasse

Larive als luitenant ter zee der tweede klasse
Bijnaam "Hans"[1]
Geboren 23 september 1915
Singapore
Overleden 28 december 1984
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Marine
Dienstjaren 1937 - 1946
Rang Nl-marine-vloot-luitenant ter zee der 1e klasse.svg Luitenant ter zee der eerste klasse
Eenheid Marine
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940
Onderscheidingen zie onderscheidingen
Portaal Portaalicoon Marine

Kasteel Colditz, gevangenis (1945)

 


Marius van Lokhorst

Marius van Lokhorst ('s-Gravenhage, 2 december 1883 - aldaar, 12 maart 1971) was een Nederlands militair, schrijver, lid van de NSB en burgemeester van Nijmegen in de Tweede Wereldoorlog.

Hij was een zoon van Jacobus van Lokhorst, die van 1878 tot 1906 Rijksbouwkundige Onderwijs was. Zijn zuster was de schrijfster Emmy van Lokhorst, die actief was in het kunstenaarsverzet.

Van Lokhorst werd op vijftienjarige leeftijd beroepsmilitair. Hij volgde de officiersopleiding en was tijdens de mobilisatie aan het begin van de Eerste Wereldoorlog commandant van een compagnie. Hierna, toen Nederland neutraal bleef, stond hij twee jaar op non-actief en in die periode reisde hij door verschillende landen in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en verdiepte zich in de geschiedenis van met name Peru en Mexico. Hij werd onderscheiden als officier in de Peruviaanse Orde van de Zon. Van 1922 tot 1933 was hij instructeur aan de school voor reserve-officieren in Breda. Tussen 1933 en 1938 reisde hij door Europa en publiceerde hij daarover verschillende artikels en 25 novellen en reisbundels. Vanwege de mobilisatie in 1939 werd hij als reserve-officier weer opgeroepen en in 1940 nam hij deel aan de gevechten rond Vliegveld Valkenburg. Van Lokhorst had bij zijn pensionering de rang van majoor.

Hij meldde zich in 1932 als lid van de NSB. Een jaar later moest hij het lidmaatschap neerleggen vanwege het ambtenarenverbod. In 1940 werd hij wederom lid en volgde hij een burgemeesterscursus. Hij was werkzaam als hoofd van de afdeling ontspanning en cultuur van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. In die hoedanigheid hield hij op 11 juli 1941 een radiorede op Hilversum II over Finland en de Sovjet-Unie. Hij was ook redacteur van het maandblad Nederland.Van Lokhorst was namens het Duits bestuur in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog burgemeester van Nijmegen van 24 februari 1943 tot 17 september 1944. Hij was niet erg actief als burgemeester en liet veel taken over aan locoburgemeester Harmanus Hondius, met wie hij in conflict kwam.Rond 5 september 1944, bekend als Dolle Dinsdag, vluchtte Marius van Lokhorst naar Groningen. Na de oorlog werd hij in 1946 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar.

Hij schreef één van de delen van de Opbouw-serie: Cultuur en Ontspanning (1942), een reeks uitgaven van uitgeverij De Schouw. Ook publiceerde hij een novelle over de oude cultuur in Mexico.

Marius van Lokhorst (1883-1971).png

Algemene informatie
Volledige naam Marius van Lokhorst
Geboren 's-Gravenhage, 2 december 1883
Overleden 's-Gravenhage, 12 maart 1971
Partij NSB
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland
 

 


Antonius Loontjens

Antonius Loontjens (Maastricht, 19 november 1922 - Goes, 13 november 2010) was de enige Nederlandse marinier die Engelandvaarder werd.

Als 17-jarige jongeman ging Ton Loontjens in 1940 bij het Korps Mariniers. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd hij ingedeeld als marinier, hoewel hij eigenlijk een centimeter te kort was. Hij werd krijgsgevangen gemaakt en moest puin gaan ruimen na de bombardementen. Later werd hij met twee anderen als bewaker naar de militaire detentie-inrichting Nieuwersluis overgeplaatst. Van daar werd hij overgeplaatst naar Utrecht en tewerkgesteld bij de brandweer van de NS. In Utrecht werd hij aangesproken door Johannes Jansen, hoofd van een verzetsgroep die kort daarvoor door de Duitsers was opgerold. Jansen wilde naar Engeland uitwijken en vroeg Loontjens om hulp.


De overtocht
Hij besloot de overtocht te wagen met een groep mensen die hij nauwelijks kende: Johannes Jansen, de 24-jarige ex-sergeant Theo Daalhuysen, Gerardus van Asch, Abraham en Greta Levi uit Assen, Walrave van Krimpen, twee lichtmatrozen Adriaan van der Craats en Jan Bastiaan. Zij slaagden erin met een motorvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij (ZHRM) vanuit de Berghaven in Hoek van Holland te ontsnappen. Op zee ontdekten ze dat de bougies verwijderd waren en de motor niet kon starten. Na lang zoeken bleken de bougies aan boord verstopt te zijn, zodat de motor hersteld kon worden. Alle negen opvarenden werden zeeziek en na de eerste dag was er geen drinkwater meer. Na 68 uren kwamen zij bij Reculver in het graafschap Kent aan wal.

De opleiding
Vervolgens werden ze twee weken lang in de Patriotic School door Oreste Pinto (1889-1961) ondervraagd. Allen werden betrouwbaar gevonden en vrijgelaten. Loontjes werd op de thee gevraagd door koningin Wilhelmina waar hij door Van 't Sant aan haar werd voorgesteld.

Uiteindelijk kreeg hij een commando-opleiding in Achnacarry, Schotland en werd hij bij de Nr. 2 Dutch Troop in Zuid-Engeland geplaatst. Daar werden veel landingstrainingen gehouden. In 1943 werd hij overgeplaatst naar North Carolina en in 1944 door kolonel de Bruyne met 100 man weer teruggehaald naar Engeland om per eind april in Dovercourt deel uit te maken van de Prinses Irene Brigade (PIB).

De anderen
Walrave van Krimpen (1894) kwam om nadat zijn schip was getorpedeerd. Hij liet een vrouw en vijf kinderen achter.
Abraham Levi (1910) kwam bij de PIB, raakte zwaargewond en overleefde de oorlog niet.
Greta Cato Levi-Mendels (1910), zijn echtgenote, keerde na de oorlog met baby terug naar Nederland.
Gerardus van Asch (1922), een 19-jarige machinebankwerker.
Jan Bastiaan (1920), lichtmatroos.
Adriaan van der Craats (1921), lichtmatroos.
Theo Daalhuysen (1917), ex-sergeant.
Jan Jansen (1917) werd in Londen tot spion opgeleid en meermalen met een onderzeeër bij Petten afgezet en weer opgehaald.
Loontjens woonde in Driebergen.

Onderscheidingen
Bronzen Kruis
Eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau in zilver met de zwaarden
Chevallier de la Legion d'Honneur
Freedom of the City of Wolverhampton

1940 Bronzen Kruis.jpg

Uitgereikt door Koninkrijk der Nederlanden
Type Militaire onderscheiding
Bestemd voor Militairen en burgers
Uitgereikt voor moedig en beleidvol gedrag tegenover de vijand
Status Wordt nog steeds uitgereikt
Statistieken
Instelling 11 juni 1940
Laatst uitgereikt 22 oktober 2015
Totaal uitgereikt 3497

Bronzen Kruis 1941

 


Kapitein-Vlieger Jan Hendrik Lukkien

Kapitein-Vlieger Jan Hendrik Lukkien (Coevorden, 28 augustus 1913 - 29 september 1993) was een Nederlandse beroepsmilitair en vlieger. Jan Lukkien was de oudste van drie kinderen. Hij ging al voor de Tweede Wereldoorlog als vlieger naar Nederlands-Indië waardoor het contact met zijn ouders verbrak. Hij ging in Bandoeng wonen. Na de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan de politionele acties waarbij Nederland zijn Aziatische koloniale rijk trachtte te behouden.
Hij trouwde bij volmacht op 31 maart 1938 met Jansje Smith.
Loopbaan
Lukkien werd vlieginstructeur van de vliegschool op vliegbasis Kalidjati en vloog met Koolhoven FK-51, Curtiss Falcon of Lockheed 12. Toen in 1942 de oorlog met Japan uitbrak, werd hij patrouillecommandant. Er werd een squadron geformeerd dat op 11 januari 1942 naar de geheime vliegbasis Samarinda II op Borneo werd overgeplaatst.
Op 13 januari 1942 werd de eerste opdracht uitgevoerd: De Japanse vloot aanvallen om de invasie van Tarakan af te weren. Het gevechtsplan zou bestaan uit voortdurende aanvallen op patrouillesterkte, dus drie vliegtuigen elk anderhalf uur. Jan Lukkien had bezwaren tegen dit zogenaamde 'dosis"-plan en gaf de voorkeur aan optreden in afdelingsverband. Hij vond geen gehoor bij Dirk Lucas Asjes, noch bij de basiscommandant. De opdracht kon niet gewijzigd worden.De Japanners zouden ieder anderhalf uur bommen krijgen, de hele dag door. Lukkien trachtte aan te tonen, dat patrouille een te klein verband was om zich te verdedigen als ze werd onderschept door jagers. Het had allemaal geen effect. Een eerste patrouille onder leiding Van Boekel ging naar Tarakan en kwam niet terug. Van deze patrouille is nooit meer iets vernomen. Toen ging Lukkien voor de tweede 'dosis' en ook hij werd door Zero's boven Tarakan onderschept. Zijn beide nevenvliegtuigen werden naast hem weggeschoten. Hij zag nog net hoe zijn buurman, sergeant majoor Tinkelenberg, zich tijdens de val vrijmaakte met zijn parachute. Hij was de enige overlevende.
Toen werd het vliegtuig van Lukkien aangegrepen en deerlijk gehavend: een motor was reeds defect en de kist zat vol gaten. Lukkien zelf was op twee plaatsen gewond.Hij trachtte te dalen en een noodlanding uit te voeren op een zandplaat in de baai voor de kust. Ze zagen echter kans de Zero van zich af te schudden en toen Lukkien net gereed was de noodlanding te maken met zijn gehavende Glenn Martin 139, besloot hij door te vliegen om te trachten Balikpapan te halen. Zijn telegrafist seinde in open taal naar de afdeling: 'Pas op voor landjagers'. Toen dit bericht op Samarinda ontvangen werd en geëvalueerd met de verliezen van de vorige dag en het niet terugkeren van de patrouille Van Boekel, werd de laatst patrouille onder Van Weerden, die reeds gestart was teruggeroepen.Met de gehavende Glenn Martin 139 wist hij Balikpapan te bereiken, waar hij in een hospitaal werd opgenomen.
Het eerste levensteken dat de familie over hem kreeg was een bericht in de Vliegende Hollander dat Jan het Vliegerkruis had gekregen.
Op 15 februari was hij voldoende hersteld en kreeg hij bevel naar Australië te gaan om nieuwe B-25's op te halen. In Brisbane bleken helemaal geen vliegtuigen klaar te staan. Na een vergeefse wachtperiode werd hij overgeplaatst naar de Royal Netherlands Military Flying School in Jackson, waar hij instructeur werd van geallieerde vliegers.
Na de eerste cursus stak hij met een nieuw gevormd squadron onder leiding van kapitein in een B-25 Witters van Californië naar Australië over. Van Brisbane werd hij doorgestuurd naar Townsville waar schietoefeningen moesten worden gedaan.
Zijn tweede Vliegerkruis verdiende Lukkien bij het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron toen hij en twee andere B-25 vliegtuigen naar Timor vloog om voorraden af te werpen in de bergen, waar Nederlands-Indische guerrillastrijders door Japanners omsingeld werden. Na wat scherfbommen op de Japanners te hebben laten vallen en de voorraden bij de guerrilla's te hebben afgeworpen, werden ze door de Japanners beschoten. De drie B-25's konden in de wolken vluchten
Na de capitulatie keerde Lukkien op Java terug. Hij voelde zich een vreemdeling. Van de Nederlandse vlag was overal de blauwe strook verwijderd. Veel familieleden en vrienden zaten nog in jappenkampen.
Onderscheidingen
Hem werd voor zijn "initiatief, moed en volharding" in de strijd tegen de Japanse vloot tweemaal het Vliegerkruis uitgereikt. De eerste maal kreeg hij als 1ste luitenant-vlieger het Vliegerkruis op 27 januari 1942[2] voor een bomaanval op de Japanse vloot. De tweede maal kreeg hij als kapitein-vlieger het kruis op 3 juni 1950[3] voor het uitvoeren van 38 operationele vluchten bij het 18e squadron in Australië. Hij maakte daarvoor 228 vlieguren in de Zuidwest Pacific.
Lukkien was 20 jaar beroepsofficier en werd zesmaal onderscheiden. Hij droeg het
Het Vliegerkruis met het getal "2"
Het Oorlogsherinneringskruis met de gespen "Nederland Mei 1940", "Australië-Zuid Pacific 1942-1945" en een derde (voor schrijver dezes op afbeeldingen onleesbare) gesp.
Het Ereteken voor Orde en Vrede met de gespen "1947" en "1948"
Het Kruis voor onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het cijfer "20" (in goud)
Het Ridderkruis in de Orde van Sint-Olaf (Noorwegen) met Zwaarden

Uitreiking vliegerkruis (2e maal) door H.M. Koningin Juliana aan Kapitein-Vlieger J.H. Lukkien, 3 juni 1950

Uitreiking vliegerkruis (2e maal) door H.M. Koningin Juliana aan Kapitein-Vlieger J.H. Lukkien, 3 juni 1950
Geboren 28 augustus 1913
Coevorden
Overleden 29 september 1993
Begraven Gecremeerd[1]
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Nederlands-Indië
Onderdeel Militaire Luchtvaart
Dienstjaren 20
Rang Nl-luchtmacht-luitenant kolonel.svg
Luitenant-kolonel-Vlieger[1]
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Azië in de Tweede Wereldoorlog

Groepsportret van vliegeniers, Andir. (Jan Lukkien knielend)

 


Abraham Pierre Tonny Luteijn

Abraham Pierre Tonny Luteijn (Batavia, 10 februari 1917 - Den Haag, 9 februari 2003) was een Nederlands legerofficier die in 1942 succesvol uit het Duitse concentratiekamp Colditz ontsnapte. (In Engeland is Luteijn ook bekend onder de naam Anthony Luteyn.)

Tweede Wereldoorlog[bewerken]
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog in Nederland was Tony Luteijn cadet op de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Na de Nederlandse capitulatie hoorde Luteijn bij een groep van 69 Nederlandse officieren die weigerden om de Duitsers hun erewoord te geven dat ze niet in verzet zouden komen. Deze officieren werden gevangengezet. Op 16 juli 1940 werden ze eerst naar het gevangenkamp in Soest geleid. In november 1940 werden ze verhuisd naar Juliusburg (Amalienstift), een oud klooster. In juli 1941 werd de groep geïnterneerd in Slot Colditz. Daar zaten Britse, Poolse, Franse en Belgische krijgsgevangenen. Binnen twee maanden ontsnapten vier Nederlandse officieren uit Colditz. De luitenants Hans Larive en Francis Steinmetz, majoor C. Giebel en tweede luitenant Oscar Drijber ontsnapten naar Zwitserland en vandaar naar Engeland.

Op 5 januari 1942 ontsnapte Tony Luteijn samen met de Britse luitenant Airey Neave uit Colditz. Met een verkleedtruc kwamen ze uit het kasteel, waarna ze de vroege trein naar Leipzig namen. In Augsburg werden ze opgepakt door de politie, maar Luteijn en Neave wisten te ontsnappen. Ze liepen vervolgens 40 kilometer naar Biberach, namen de trein naar Stockach en wandelden verder naar Singen. Op de avond van de vierde dag bereikten ze de Zwitserse grens.

Na zijn succesvolle ontsnapping ging Luteijn naar Suriname en vandaar naar Australië, waar hij zich aansloot bij het Nederlands-Indische leger. Voor zijn ontsnapping kreeg Luteijn in 1943 het Bronzen Kruis. Airey Neave ging bij de Britse geheime dienst werken, werd een beroemd Brits parlementslid en kwam om het leven bij een bomaanslag door de INLA, een Ierse terreurgroep.

Tony Luteijn.jpg

Algemene informatie
Volledige naam Abraham Pierre Tonny Luteijn
Geboren Batavia, 10 februari 1917
Overleden Den Haag, 9 februari 2003
Nationaliteit Nederlandse
Beroep militair
Bekend van ontsnapping uit Colditz

 


Diederik van Lynden

Diederic Wolter baron van Lynden (Amsterdam, 22 april 1917 - 's-Gravenhage, 5 februari 1990) was een Nederlandse diplomaat.

Voor de oorlog
Van Lynden diende vanaf 1937 bij de Koninklijke Marine als officier, en laatstelijk als luitenant.

Oorlogsjaren
Juliusburg
Op 14 mei 1940 was Van Lynden gewond geraakt. Hij werd gevangengenomen en kwam op 17 november in Oflag VIII C Juliusburg aan. Daar waren al 650 Belgische officieren en een zestigtal Nederlanders. Er waren twee slaapzalen, één voor de kapiteins en één voor de luitenants. Er was ook een leeszaal.

Samen met Hans Larive maakte hij plannen om het kamp te ontvluchten als Belgische soldaten. Verkleed liepen ze op 2 april 1941 naar de moestuin, die door Belgische militairen werd bewaakt, maar ze werden ontdekt en teruggestuurd.

Colditz
Op 21 juli 1941 werd de Nederlandse groep overgeplaatst naar Colditz, waar ze per trein op 24 juli aankwamen. Op 15 december deed Van Lynden weer een poging te ontsnappen, ditmaal met ritmeester E. Steenhouwer. Ze hadden Duitse uniformen nagemaakt en hun pistoolholsters waren van linoleum gemaakt, maar ze vielen door de mand. Bijgevoegde foto is genomen nadat ze weer gearresteerd waren.

In augustus slaagden kapitein Dolf Dufour en lt. John Smit erin zich te verstoppen in een waterput en later de muur over te klimmen. Vijf dagen later deden lt. Hans Larive en lt. Francis Steinmetz hetzelfde en op 19 september werd de put nogmaals gebruikt om ook majoor Cornelis Giebel en lt. Oscar Drijber te laten ontsnappen. Daarna werd de put ontdekt, dus Van Lynden en Steenhouwer begonnen opnieuw Duitse uniformen na te maken. Op 15 december deden ze een poging om, wederom als Duitsers vermomd, de poort te verlaten maar de wacht herkende hen.

De volgende poging ging via de slaapzaal van de Duitse compagnie, die tijdens de wachtwisseling leeg was. Op 11 maart 1942 zouden Van Lynden en Squadron Leader Brian Paddon vertrekken, wederom in Duitse kledij, maar terwijl Paddon naar buiten kroop werden ze ontdekt.

In juni 1943 werd Van Lynden naar Stanislau overgeplaatst. Tijdens de reis sprong hij uit de trein en ontsnapte. Later werd hij in een dorpje gearresteerd. Hij liet zich ontvallen dat hij uit Colditz kwam en werd daarheen teruggestuurd. Het lukte hem niet meer om nogmaals uit de trein te ontsnappen.

Na de oorlog
Van Lynden trad in 1949 in diplomatieke dienst en diende laatst van 1974 tot 1982 als ambassadeur te Bonn.

Privé
Van Lynden werd geboren als lid van de familie Van Lynden en als tweede zoon van Jan Carel Elias baron van Lynden (1887-1946) en Maria Johanna de Clercq (1890-1977). Zijn vader was eerste ondervoorzitter van het Nederlandsche Roode Kruis en ook grootmeester van koningin Wilhelmina.[1] Van Lynden is een oudere broer van Frank Wolfaert Boudewijn van Lynden (1918-2000). Op 17 maart 1945 trouwde Van Lynden met de Engelse Anne Heathcote (1923-2015). Ze kregen na de oorlog een dochter en twee zonen. Hun jongste zoon is Aernout van Lynden, oorlogscorrespondent.

Diederik van Lynden.jpg

Algemene informatie
Volledige naam Diederic Wolter baron van Lynden
Geboren Amsterdam, 22 april 1917
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep militair
Bekend van ontsnapping uit Colditz

Van Lynden en Steenhouwer in 'Duitse' uniformen, dec. 1941

 


Hendrik Jan van der Molen

Hendrik Jan van der Molen of Hindrik Jans van der Molen (Bellingwolde, 4 juni 1911 - 21 juni 2005) was hoofdcommissaris van Amsterdam.
Hij werd geboren in het Groningse Bellingwolde, maar groeide op in het Friese Wommels als zoon van een belastingambtenaar. Zijn vader had graag gezien dat hij eveneens belastingambtenaar werd, maar hij gaf de voorkeur aan een loopbaan als officier. Als cadet ging hij studeren bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda waar hij in juni 1934 slaagde voor het officiersexamen. Kort hierop werd hij gepromoveerd tot tweede luitenant der infanterie en geplaatst in Harderwijk. In 1938 volgde bevordering tot eerste luitenant. Op advies van de luitenant Kees Poll ging hij over naar het Korps Politietroepen (PT).
Oorlogsjaren
In de mei-dagen van 1940 was hij met de zesde compagnie politietroepen te Amsterdam belast met de beveiliging van Schiphol. Na de capitulatie in 1940 werd de PT opgeheven en deed Van der Molen aanvankelijk dienst bij de gemeentepolitie van Amsterdam en later in die van Alkmaar. In 1942 moest hij zich als voormalig beroepsofficier melden in de Oranje Nassaukazerne te Amsterdam en werd vervolgens door de Duitsers als krijgsgevangene afgevoerd naar Duitsland. Vanaf 1942 was hij krijgsgevangene in Kamp Stanislau (Oekraïne) en het meer westelijk gelegen Neubrandenburg (Noord-Duitsland). Daar werd hij in 1945 door Russische troepen bevrijd en kon hij naar Nederland terugkeren.
Na de oorlog
Enige tijd na zijn terugkeer moest hij zich als oud-PT-officier (dat korps werd niet heropgericht) melden bij de Staf van het Wapen der Koninklijke Marechaussee in Den Haag. Van der Molen ging over naar de marechaussee en werd kapitein- districtscommandant in Groningen. In 1949 werd hij Hoofd van het Bureau Criminele Onderzoeken (BCO) bij de Staf Koninklijke Marechaussee in Den Haag. Zo was hij als kapitein belast met een onderzoek naar de executie eind 1942 in Fort Zeelandia (Suriname) van twee uit het Kamp Jodensavanne ontsnapte gevangenen. De eenheid waaraan hij leiding gaf was voorts belast met het doen van onderzoeken inzake fraude bij Defensie en in de aanschaffingssfeer.
In november 1955 promoveerde hij tot luitenant-kolonel. Het jaar erop werd hij gevraagd door de Amsterdamse burgemeester A.J. d'Ailly of hij er voor voelde om hoofdcommissaris Kaasjager op te volgen die in juli met pensioen was gegaan. Op 1 november 1956 nam hij die functie over. Op 4 november vielen Sovjettroepen Boedapest binnen om een einde te maken aan de Hongaarse opstand. Als reactie daarop volgden in Amsterdam gewelddadige protesten bij de gebouwen van de Communistische Partij van Nederland en De Waarheid omdat de CPN die inval niet wilde veroordelen.
Van der Molen kon goed overweg met D'Ailly maar toen uitgekomen was dat deze burgemeester een buitenechtelijke relatie had, diende D'Ailly zijn ontslag in. Op 1 januari 1957 werd G. van Hall de nieuwe burgemeester. Deze kon met Van der Molen minder goed opschieten wat ertoe leidde dat Van Hall zijn hoofdcommissaris in 1961 probeerde te ontslaan wegens problemen binnen de organisatie en de persoonlijke verhoudingen in de top. Dit verzoek werd echter door het ministerie van Binnenlandse Zaken niet gehonoreerd. In diezelfde periode had Van der Molen geen succes met een sollicitatie naar de functie van burgemeester van de Groningse gemeente Vlagtwedde.
In de jaren die volgden had de Amsterdamse politie te maken met wekelijks samenscholingen van provo's bij Het Lieverdje. Daarnaast waren er anti-Amerikaanse demonstraties tegen de Vietnamoorlog waarbij leuzen geroepen werden als "Johnson moordenaar". De politie kreeg de opdracht om mensen die dat riepen op te pakken omdat volgens het toenmalig Wetboek van Strafrecht een 'bevriend staatshoofd' niet beledigd mocht worden. Bij het huwelijk van kroonprinses Beatrix met de Duitser Claus werd op 10 maart 1966 door provo's een rookbom gegooid. Toen daar ook nog eens het bouwvakkersoproer en de bestorming van het Telegraafgebouw op 14 juni bij kwam, was een ontslag van Van der Molen onvermijdelijk geworden. Op 16 juli 1966 werd hij door minister van Binnenlandse Zaken Jan Smallenbroek 'eervol' ontslagen.
Daarna volgde een carrière in wat hij "de burgermaatschappij" noemde. De Commissie-Enschedé, een regeringscommissie onder leiding van Ch.J. Enschedé, kreeg van de regering de opdracht om de Amsterdamse problemen te onderzoeken. Deze commissie kwam in april 1967 met een vernietigende conclusie over het beleid van Van Hall waarna het kabinet-De Jong druk op hem uitoefende om ontslag te nemen wat hij op 30 juni 1967 ook deed.
In 2005 overleed Van der Molen op 94-jarige leeftijd.

Hendrik Jan van der Molen (1966)

 


Johan Nicolaas Mulder

Johan Nicolaas (Joop) Mulder (Voorburg, 6 oktober 1915 - 's-Gravenhage, 2 mei 1991) was een Nederlands militair. Hij vervulde tijdens de Tweede Wereldoorlog diverse functies bij de Koninklijke Luchtmacht.
Levensloop
Na zijn eindexamen twijfelde Mulder tussen een studie in Delft of een carrière in de krijgsmacht. Het werd het laatste. Na zijn dienstplichttijd werd hij in 1936 in de rang van cadet-sergeant op de KMA voor artillerie officier in opleiding genomen. Op 1 augustus 1938 verliet hij de KMA in de rang van 2e luitenant bij de veld-artillerie.
Lang heeft hij niet bij dit wapen gediend. Op 20 juli 1939 werd hij op zijn verzoek in opleiding genomen tot militair vlieger en overgeplaatst naar de ML op vliegveld Souburg en later Haamstede. Bij het uitbreken van de oorlog was hij nog in opleiding en hij heeft derhalve niet deelgenomen aan de luchtstrijd in de meidagen van 1940. Hij commandeerde een sectie Jagers met als taak Duitse parachutisten onschadelijk te maken. Na de capitulatie is hij, hoewel net sinds zes weken getrouwd, met andere leerlingvliegers en personeel, in totaal 280 man van de beide vliegscholen, via Frankrijk naar Engeland geëvacueerd, waar hij op 2 juni aankwam.
In Engeland werd hij voor de duur van de oorlog gedetacheerd bij de Marine Luchtvaartdienst in de rang van officiervlieger der 3e klasse. De MLD zond hem ter voltooiing van de vliegeropleiding naar Nederlands-Indië. Op 1 juli 1941 haalde hij hier zijn waarnemersbrevet, waarna hij met acht andere leerlingvliegers via de Verenigde Staten naar Engeland vertrok om daar de opleiding tot vlieger op meermotorige vliegtuigen te voltooien. Op 1 april 1942 verwierf hij het militair brevet voor vlieger. Na vier maanden intensieve gevechtstraining bij de Royal Air Force werd hij geplaatst bij het 320 (Dutch) squadron onderdeel van Coastal Command. Op 12 oktober 1942 volgde de eerste operationele vlucht met een Lockheed Hudson. Er zouden er nog 18 volgen, die voornamelijk uit patrouilles boven de Noordzee en aanvallen op vijandelijke scheepvaart bestonden.
In maart 1943 begon het squadron met de training op de Mitchelll B-25 bommenwerpers en ging het over naar Bomber Command van de RAF 2ATAF. Op 19 augustus 1943 volgde de eerste operationele vlucht in Bomber Command, Mulders 19e oorlogsvlucht met een bombardement op een vijandelijk vliegveld in Frankrijk. Hiervan zouden er tot oktober 1944 nog 52 volgen op diverse doelen in Frankrijk en Nederland. Op 26 april 1944 werd hij door een Mosquito van de RAF in de ochtendschemering neergeschoten. De bemanning overleefde. Voor zijn moedig optreden werd hem op 4 mei 1944[2] het Vliegerkruis verleend. Op 1 juli '44 nam hij tijdelijk tot 7 september het commando over het 320 squadron waar, als kapitein-vlieger. In september 1944 volgden de eerste bombardementsvluchten op Nederland (Zeeland en het gebied rond Arnhem). Joop Mulders wapenfeiten, gevaarvolle en belangrijke operationele opdrachten waren van dien aard dat hij bij Koninklijk besluit van 26 november 1947[1] met het Ridderkruis der 4e klasse in de Militaire Willems-Orde werd onderscheiden.
Na de Duitse capitulatie werd Mulder in verschillende functies en rangen bij het directoraat Luchtstrijdkrachten tewerkgesteld en zette hij zijn carrière voort bij de Koninklijke Luchtmacht als majoor-vlieger. Hij was o.m. commandant Transva en van het 325 Meteor squadron en van de Jachtgroep op vliegbasis Soesterberg. Na diverse staffuncties bij SHAPE werd hij directeur Luchtmachtstafschool en commandant vliegbasis Ypenburg. In oktober 1961 vertrok hij als Commandant Luchtverdediging naar Nieuw-Guinea tijdens de crisis met Indonesië. In 1964 werd hij commandant Commando Luchtmacht Opleidingen in de rang van commodore. In 1969 werd hij benoemd tot gouverneur van de KMA in de rang van generaal-majoor. Op 15 juni 1971 werd hij eervol ontslagen en ging met pensioen. Op 2 mei 1991 is generaal Mulder op 75-jarige leeftijd overleden.
Joop Mulder was de derde echtgenoot van Jos Gemmeke, ook zij was Ridder in de Militaire Willems-Orde.

De uitvoering van 1948 met de aanduidingen van een, twee, drie en vier gespen

 


Generaal-majoor Johan Willem van Oorschot

Generaal-majoor Johan Willem van Oorschot (Den Helder, 29 januari 1875 - Nijmegen, 15 december 1952)[1] was een Nederlands militair.
Van Oorschot diende bij de infanterie. Op 1 oktober 1919 ging hij over naar het Ministerie van Defensie waar hij van 1930 tot november 1939 referendaris was.
Vlak voor het uitbreken van de oorlog werd Van Oorschot hoofd van de Nederlandse geheime dienst (GDIII), die in 1913 was opgericht en deel uitmaakte van de Generale Staf. Er werd in die tijd veel samengewerkt met de Britse geheime dienst MI6. Onder de dekmantel van British Passport Control Office opereerde de Britse Secret Intelligence Service vanuit een pand aan de Nieuwe Parklaan no.57 in Den Haag. Koning George VI heeft Van Oorschot in maart 1938 de onderscheiding verleend van Commander (honorary) of the Civil Division of the Order of the British Empire. In Oktober 1937 was aan hem de Franse onderscheiding, Commandeurskruis van het legioen van Eer verleend, en in 1938 was hem Het kruis van verdienste met de ster der orde van den Duitschen Adelaar geschonken door de Duitse Rijkskanselier.
Na het Venlo-incident moest Van Oorschot ontslag nemen. Hij bleek op de hoogte te zijn geweest van de contacten tussen de Duitsers en twee Engelse geheim agenten Payne Best en Stevens. Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal H.A.C. Fabius. Toen de oorlog uitbrak, trad hij opnieuw in dienst. Hij had een Engelse echtgenote.
Tweede Wereldoorlog
Op instructie van generaal Winkelman moesten generaal-majoor J.W. van Oorschot en luitenant-kolonel J G W Zegers (1891-1952) direct na de Duitse inval naar Londen vertrekken met watervliegtuigen van de Marine Luchtvaartdienst die op het Braassenermeer gestationeerd waren. Doordat de Duitsers op vliegveld Valkenburg waren geland, konden ze niet meer naar het meer en werd besloten dat ze vanaf Scheveningen zouden vertrekken. Drie watervliegtuigen vlogen dus van het meer naar Scheveningen. Het eerste vliegtuig kon vertrekken met het echtpaar Van Kleffens en minister Ch.J.I.M. Welter aan boord. maar de tank van het tweede vliegtuig werd onderweg lekgeschoten en het derde vliegtuig werd door een Duitse jager in brand geschoten. De twee militairen konden niet vertrekken.
Uiteindelijk vertrokken ze op een Britse jager vanuit Hoek van Holland en kwamen ze op 12 mei in Dover aan. Van Oorschot en Zegers moesten een militaire missie opzetten. Na een dag was dat al niet meer nodig omdat Nederland gecapituleerd had en veel regeringsleden ook naar Engeland gekomen waren.
Hun kantoor kwam in het gebouw van C&A Brenninkmeyer in Oxford Street, maar hun taken veranderden. Van Oorschot onderhandelde met de Engelsen over het ter beschikking stellen van ruimte aan boord van de schepen, die troepen in Frankrijk en België ophaalden [2]. Door gebrek aan steun van minister Dijxhoorn slaagde dit maar ten dele. Verder was hij verantwoordelijk voor de Nederlandse contacten met de Britse land- en luchtstrijdkrachten.
In Oxfordstreet was kolonel Zegers zijn tweede man, hoewel hij wist dat Zegers in 1933 NSB'er was geweest. Van Oorschot vond dat niet belangrijk, maar geconfronteerd met dat verleden deed Zegers enkele naïeve uitspraken die door de Britten als NSB-sympathieën werden geïnterpreteerd. François van 't Sant ontsloeg Zegers op 28 mei, waarna hij in Liverpool werd geïnterneerd. In september 1944 werd hij op voorspraak van ZKH Prins Bernhard weer vrijgelaten, waarna hij voor het Nederlandse Rode Kruis ging werken.
Op 13 maart 1944 benoemde de regering de inmiddels gepensioneerde generaal-majoor Van Oorschot tot hoofd van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO). Op 11 mei gaf hij op verzoek van Louis d'Aulnis opdracht Huize Kleykamp te bombarderen, waar de Duitsers het Centrale Bevolkingsregister met duplicaten hadden gevestigd.

Johan Willem van Oorschot (1942)

 


Hans van Oostrom Soede

Henri Max Louis Frédéric Emile (Hans) van Oostrom Soede (Groede, 12 mei 1910 — 's-Gravenhage, 11 juli 1993) was een officier in de Nederlandse Koninklijke Marine. Van Oostrom Soede diende in de Onderzeedienst en hij heeft zich in de Tweede Wereldoorlog zozeer onderscheiden dat hij in een Koninklijk Besluit van 9 januari 1948, No. 25, werd benoemd tot Ridder der 4e klasse in de Militaire Willems-Orde.
Jeugd
Van Oostrom Soede werd in Zeeuws-Vlaanderen geboren als zoon van burgemeester Jan Marie van Oostrom Soede en Susanna Cornelia Johanna Burgerhoudt[1]. Toen hij elf jaar was verhuisde het gezin naar Indië. Hij was al gauw het enige junior-bestuurslid van de zwemvereniging, en daar kreeg hij de smaak te pakken van het leiding geven. In 1927 wilde hij elektrotechnisch ingenieur worden, maar daar zat geen toekomst in. Daarom sloot hij zich aan bij de Marine, waar wel de mogelijkheid bestond om zich te bekwamen in de elektrotechniek. Hij ging naar het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder.
Marine
In die jaren heerste daar een ijzeren discipline. Elektrische zaken hadden nog steeds zijn belangstelling, maar leiding geven was toch aantrekkelijker. Hij waardeerde ook de hechte saamhorigheid. Dat hij nog te jong was om leiding te geven zette hem ertoe overplaatsing aan te vragen naar de onderzeedienst in Indië. Drie jaar later was hij 'oudste officier', dat wil zeggen ondercommandant. In 1938 werd hij commandant van de O-12 en in 1939 van de O-15, waarmee hij naar de West voer.
Oorlogsjaren
In 1942 werd Van Oostrom Soede met de O-15 naar Engeland ontboden waar hij belast werd met de afbouw van Hr. Ms. Dolfijn, een U-klasse-onderzeeboot. Hij liet er wijzigingen aanbrengen, die later door de Engelsen allemaal werden overgenomen, dat werd de V-klasse.

Als commandant van de Dolfijn voer hij eerst naar Algiers om zich bij de 8th Submarine Flotilla te voegen. Hij huurde een kamer aan wal, maar overdag was hij continu aan boord van de H.M.S. Maidstone. De commandant was een Brit. De flotilla bestond uit 12 onderzeeërs, toen de Dolfijn tien maanden later vertrok, waren er daarvan nog maar twee over, maar de vloot was inmiddels aangevuld tot vierentwintig schepen.

In juli 1943 kwam de Dolfijn bij Civita Vecchia een koopvaardijschip tegen, geëscorteerd door een kustvaartuig, een zogenaamde U-J (U-boot Jager) met dieptebommen. Hun torpedo bracht het koopvaardijschip tot zinken. Daarna ging de Dolfijn zo snel mogelijk naar beneden.

Bij Cavoli, een klein eilandje bij Elba, viel de Dolfijn een onderzeeboot aan. Zijn luchtbellen werden door een Junkers 88 gezien, maar ze konden nog net ontsnappen. Toen ze bij Kaap Spartivento een onderzeeër naar de bodem hielpen, waren er enkele overlevenden, die toevallig op de brug stonden. Zij werden door een mijnenveger opgepikt.
Op een dag kwam prins Bernhard op inspectie in Algiers, gekleed in een Brits luchtmachtuniform. Na de inspectie van de Dolfijn was er een partij op de Maidstone. De sfeer was formeel. Op voorstel van Van Oostrom Soede heeft de prins zich toen verkleed in een uniform van de Nederlandse marine, zodat ze onopvallend aan wal konden gaan.
In september 1943 viel de Dolfijn een Duits troepentransportschip aan, dat gebruikt was om Bastia te evacueren. Het schip vloog in brand. Aangezien er veel munitie aan boord was, durfden de beschermende schepen niet langszij te komen om de troepen over te nemen.
In de baai bij Ustica werd de Dolfijn negentig keer beschoten door een Italiaanse motortorpedoboot. Verder bracht hij in de Middellandse Zee een anti-luchtdoelschoener en nog een Duitse transportschip tot zinken.
De voordracht van het kapittel van de Militaire Willems-Orde, met de gebruikelijke kwalificatie "het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw", werd in het Koninklijk Besluit overgenomen[2].
Na de oorlog
Zijn lange loopbaan in de Koninklijke Marine, hij bracht het tot kapitein-ter-zee, waarnemend commandant van het vliegdekschip Hr. Ms. Karel Doorman en commandant van de Onderzeedienst Nederland, leverde van Oostrom Soede meerdere onderscheidingen op.
Ridder der 4e klasse in de Militaire Willems-Orde.
Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden
Het Bronzen Kruis, verleend op 4 mei 1944
Het Oorlogsherinneringskruis met twee gespen
Het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het getal XX
Het Ereteken voor Orde en Vrede
Een hoge Britse ridderorde, "Honorary Companion" in de Distinguished Service Order van het Verenigd Koninkrijk
Een Deense ridderorde; Ridder 1e klasse in de Orde van de Dannebrog
In 1960 ging Van Oostrom Soede met pensioen. In 1993 overleed hij in Den Haag.

Hans van Oostrom Soede in 1958

Hans van Oostrom Soede in 1958
Geboren 12 mei 1910
Groede
Overleden 11 juli 1993
's-Gravenhage
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Dienstjaren 1927-1960
Rang Nl-marine-vloot-kapitein ter zee.svg Kapitein-ter-zee
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Militaire Willems-Orde
Portaal Portaalicoon Marine
Tweede Wereldoorlog
1940 Bronzen Kruis.jpg

Bronzen Kruis

 


Ludolph Hendrik van Oyen

Ludolph Hendrik van Oyen (of Oijen) ('s-Gravenhage 25 april 1889 - 28 juli 1953) was een Nederlands luitenant-generaal, waarnemend commandant van het Nederlands-Indische leger en bevelhebber van het ML-KNIL ten tijde van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Loopbaan
Aankomst van van Oyen op de Royal Netherlands Military Flying School te Jackson.
Ludolph Hendrik van Oyen begon zijn militaire carrière bij de cadettenschool in Alkmaar vanaf 1906, vervolgens, tot 1911, op de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Vanaf 1922 tot 1925 volgde hij in de rang van kapitein de Hoogere Krijgsschool te Den Haag en werd na afloop aangesteld als majoor en bevelhebber van het LA-KNIL. Dit zou hij onder verschillende rangen blijven, tot hij in 1940 werd gepromoveerd tot generaal-majoor. Als bevelhebber van het ML-KNIL wist hij deze flink uit te breiden met het oog op de Japanse opmars aan het begin van oorlog. In 1942 werd hij benoemd tot plaatsvervangend bevelhebber van vice-maarschalk sir Richard Peirse, die het commando voerde over de luchtstrijdkrachten binnen de ABDACOM, een samenwerking tussen de Amerikaanse, Britse, Nederlandse en Australische strijdkrachten die op 25 februari 1942 door opperbevelhebber generaal sir Archibald Wavell werd opgeheven. Na de slag in de Javazee landden de Japanners op Java. Op 5 maart trokken ze Batavia binnen en op 7 maart vluchtte luitenant-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, Hubertus van Mook, samen met onder andere Van Oyen, naar Australië gedurende de Slag om Java. Drie dagen later capituleerde Nederlands-Indië. In Australië werd Van Oyen belast met het voltooien van de vliegopleiding van Nederlandse vliegers aan de Royal Netherlands Military Flying School die ook naar Australië waren vertrokken. Deze vliegopleiding vond uiteindelijk plaats op de Amerikaanse vliegbasis Jackson in de staat Mississippi.
In oktober 1943 werd Van Oyen gepromoveerd tot luitenant-generaal en waarnemend legercommandant van het Nederlands-Indische leger, ter vervanging van luitenant-generaal ter Poorten, die op dat moment krijgsgevangen was genomen door de Japanners. Van Oyens opdracht was het zo veel mogelijk heropbouwen van de Nederlandse strijdkrachten met het oog op een Japanse capitulatie.
Nadat Nederlands-Indië in 1945 grotendeels weer was heroverd probeerde Van Oyen, en de opperbevelhebber van de Nederlandse marine Conrad Helfrich, de Britten ervan te overtuigen het Nederlandse gezag zo veel mogelijk te herstellen. Het Indische leger stond op dat moment nog onder gezag van de Britten. Beide Nederlandse generaals waren van mening dat Soekarno en de pas uitgeroepen Republiek Indonesia de kop ingedrukt moesten worden. De Britten, onder aanvoering van Lord Mountbatten, en de commandant in Batavia, Philip Christison, weigerden dit. Uiteindelijk bood Van Oyen, als laatste drukmiddel, zijn ontslag aan bij Van Mook, evenals Helfrich. Hij werd opgevolgd door generaal Spoor, wiens ideeën niet veel verschilden van die van Van Oyen. Hij verkreeg eervol ontslag in januari 1946. Van Oyen bleef tot aan zijn overlijden in 1953 commandant van het Rode Kruis-korps. Hij was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, officier in de Orde van Oranje-Nassau, Lid in de Orde van het Bad, Commandeur in de Orde van Merit en 5de klasse Zilveren Kruis in de Orde van Virtuti Militari (Polen).

Ludolph Hendrik van Oyen (1943)

 


Gerard Peijnenburg

Gerard Henri Joan Marie Peijnenburg (Asten, 12 juni 1919 - Wassenaar, 2 januari 2000) was een Nederlands topambtenaar en staatssecretaris. Hij was lid van de Katholieke Volkspartij (KVP) maar zat niet voor die partij in de regering.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte hij omtrent 1944 deel uit van de 82nd American Airborne Division. Hij nam deel aan de gevechten rond Nijmegen In datzelfde jaar was hij ook reserve-officier in de staf van prins Bernhard.
Peijnenburg was een topambtenaar van het ministerie van Defensie, die in de administratie van de landmacht van de hoed en de rand wist. Als laatste (katholieke) partijloze staatssecretaris van de Nederlandse politiek was hij als staatssecretaris van Defensie in het kabinet-Cals belast met de landmachtzaken (1965-1967). Daarna was hij tot zijn pensioen nog weer zestien jaar secretaris-generaal van Defensie.
Familie
Gerard Peijnenburg was een neef van CDA-minister Rinus Peijnenburg. en de kleinzoon van Harry Peijnenburg de oprichter van Koninklijke Peijnenburg B.V.

Loopbaan
- economie (kandidaats), Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam - militair, 82nd American Airborne Division, omstreeks 1944 - reserve-officier, lid staf van Z.K.H. Prins Bernhard, 1944 - toegevoegd ambtenaar Bureau Organisatie, militair kabinet van de minister van Oorlog, van 1945 tot 1947 - werkzaam bij Bureau legervorming, hoofdkwartier Generale Staf, van 1947 tot 1948 - ambtenaar afdeling dienstplichtzaken, ministerie van Oorlog, van 1948 tot 1958 - hoofd (rang: hoofdcommies) sectie 2 (vrijstelling, uitstel en vergoedingen), directoraat personeel, ministerie van Oorlog, omstreeks 1954 - hoofd afdeling dienstplichtzaken, ministerie van Defensie, van 1958 tot 1962 - plaatsvervangend directeur-generaal, ministerie van Defensie, van 1962 tot 1963 - plaatsvervangend secretaris-generaal (kl), ministerie van Defensie, van 1963 tot mei 1965 - staatssecretaris van Defensie (belast met aangelegenheden betreffende de Koninklijke Landmacht), van 13 mei 1965 tot 5 april 1967 - secretaris-generaal ministerie van Defensie, van 1 januari 1969 tot 1 juli 1984

nevenfuncties
- voorzitter Lectuurcommissie Defensie, 1968 - lid/voorzitter Commissie Dienstplichtbeleid, van augustus 1968 tot 1969 - lid Raad van Commissarissen "Verenigde Bedrijven Nijmegen" - lid college van advies Stichting "Amerika-Europese Gemeenschappen" - vicevoorzitter Nationaal Comité "Capitulatie 1945 Wageningen" - lid Raad van Advies Nederlandse Bond van Oud-strijders het veteranenlegioen Nederland - lid Raad van Advies Stichting "Onze Koninklijke Militaire Kapel" - lid centrale Nationaal campagne-comité Het Nederlandse Rode Kruis - lid Monumentenraad, vanaf 1985 - voorzitter-lid Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving, omstreeks 1989 - voorzitter-lid Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, omstreeks 1989

erefuncties, comités van aanbeveling etc.
- lid comité van aanbeveling bevrijdingsmuseum 1944 Rijk van Nijmegen - lid comité van aanbeveling Stichting Nederland-V.S.

Onderscheidingen
Officier in de Orde van Oranje-Nassau, 29 april 1961
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 17 april 1967
Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, 29 april 1981
Oorlogsherinneringskruis met gesp
Erekruis Huisorde van Oranje, 15 juni 1984

Prins Bernhard reikt aan drs. Peijnenburg, seceretaris-Generaal van Defensie, de Prins Mauritsmedaille uit. Nederland, Den Haag, 17 mei 1984

Ridderkruis van de Huisorde van Oranje

 


Hein ter Poorten

Hein ter Poorten (Buitenzorg (Nederlands-Indië), 21 november 1887 - 's-Gravenhage, 15 januari 1968) was een Nederlandse luitenant-generaal van het KNIL tijdens de Tweede Wereldoorlog in Azië. Daarnaast was hij commandant van de landstrijdkrachten van het ABDACOM in 1941-1942 én initiator van het ML-KNIL.

De oprichting van het ML-KNIL
Hein ter Poorten werd geboren te Java maar volgde zijn opleiding in Nederland op de Cadettenschool te Alkmaar en daarna aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Nadat hij benoemd was tot tweede luitenant der artillerie, in 1908, kwam hij in aanraking met de luchtvaart. Hij behaalde zijn ballonbrevet en won een ballonvaartwedstrijd in Duitsland. In 1910 bezocht hij samen met Van Heyst, Coblijn en Willem Versteegh de vliegschool van Pierre de Caters. Daar werd zijn enthousiasme voor de luchtvaart aangewakkerd. Hij kreeg toestemming om vlieglessen te nemen en begon bij de vliegschool Aviator van Pierre de Caters in Sint-Job-in-'t-Goor maar vertrok al gauw, wegens onvrede over de professionaliteit, naar de school van Léon de Brouckère in Kiewit, waar hij samen met luitenant Spandaw lessen volgde. Hier haalde hij op 30 augustus 1911 als eerste beroepsofficier zijn vliegbrevet. Inmiddels was hij in april 1911 gepromoveerd tot eerste luitenant. Nadat hij zijn brevet had gehaald vloog hij in een geleend vliegtuig van De Brouckère naar Nederland. Daar deed hij mee met de eerste legeroefening in Nederland waarbij vliegtuigen betrokken waren, in september 1911. Hij kreeg daarna de opdracht om naar Bétheny in Frankrijk te gaan om daar geschikte vliegtuigen te vinden. Hij koos voor een Deperdussin en twee Farmans, die hij vervolgens liet fabriceren bij De Brouckère, die hiervoor een licentie bezat. Op 12 december 1912 trouwde Ter Poorten met Agneta Cornelia Roqué; het echtpaar kreeg twee kinderen. In 1913 keerde hij terug naar Nederlands-Indië. De Deperdussin werd naar Nederlands-Indië verscheept maar nooit uitgepakt omdat de commandant van het KNIL nog niets zag in de luchtvaart. De Farmans bleven in Nederland omdat bleek dat de Deperdussin niet bestand was tegen het tropische klimaat. De oprichting van de "Proefvliegafdeling" - voorloper van de ML-KNIL - op 30 mei 1914 verliep moeizaam en Ter Poorten vroeg overplaatsing aan naar de vestingartillerie. In 1915 zag de militaire leiding alsnog de noodzaak van de luchtvaart in en verzocht Ter Poorten om met een commissie naar de Verenigde Staten af te reizen om daar vliegtuigen aan te schaffen. Daar koos men voor de Glenn Martin TA. In de VS wist Ter Poorten het Amerikaans hoogterecord te verbeteren tot 2540 meter en een snelheidsrecord te vestigen tussen Los Angeles - San Diego. Terug in Nederlands-Indië stortte hij bij een introductievlucht neer. Hij raakte gewond maar medepassagier luitenant-generaal Michielsen kwam hierbij om het leven. Ter Poorten werd per ongeluk ook als overleden beschouwt door de toenmalige pers. Hij keerde nog eenmaal terug naar de Verenigde Staten, waar hij een tijdelijk vliegverbod kreeg. Eenmaal weer in Nederlands-Indië hield hij de luchtvaart voor gezien.

De Tweede Wereldoorlog
Luitenant-generaal H. Ter Poorten legercommandant van het KNIL in Japanse krijgsgevangenschap
In 1919 begon Ter Poorten zijn studie aan de Hogere Krijgsschool in Nederland. Hij keerde terug naar Nederlands-Indië, in 1922, en zijn huwelijk eindigde in een scheiding in 1924. Ter Poorten maakte al gauw promotie binnen het Indische leger en in juli 1939 was hij opgeklommen tot chef van de Generale Staf van het KNIL. Op 18 september 1934 hertrouwde hij met Anna Maria Bergman. Nadat luitenant-generaal Berenschot was omgekomen tijdens een vliegtuigongeluk in oktober 1941 werd Ter Poorten gepromoveerd tot luitenant-generaal en benoemd tot legercommandant en hoofd van het Departement van Oorlog. Ter Poorten stond bekend als iemand die goed kon opschieten met zijn manschappen maar slecht met de ambtenarij en burgerij. Toen Nederland, na de aanval op Pearl Harbor, Japan de oorlog verklaarde werd Ter Poorten aangesteld als commandant van de landstrijdkrachten van de gezamenlijk opererende legers van Amerika, Groot-Brittannië, Nederland en Australië (ABDACOM), van 1941 tot 1942 onder leiding van de Britse generaal Archibald Wavell. Ondanks de beloofde versterkingen aan Ter Poorten, besloot Wavell de samenwerking op 25 februari 1942 te stoppen, nadat Singapore, Zuid-Sumatra en andere eilanden van de Indische Archipel door de Japanners veroverd waren. Ter Poorten probeerde Java als laatste steunpunt nog te behouden maar moest op 9 maart 1942 alsnog capituleren. Tijdens de oorlog werd Ter Poorten in diverse jappenkampen als krijgsgevangene vastgehouden achtereenvolgens op Java, Taiwan en in Mantsjoerije, waar hij op 17 augustus 1945 werd bevrijd.

Hein ter Poorten

Hein ter Poorten
Geboren 21 november 1887
Buitenzorg
Overleden 15 januari 1968
Den Haag
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Koninkrijk der Nederlanden
Onderdeel Infanterie van het Indische leger
Dienstjaren 1908-1945
Rang Luitenant-generaal
Leiding over Commandant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Pacifische Oorlog
Verovering van Nederlands-Indië door Japan

 

Na de bevrijding
Eenmaal terug in Nederland vroeg hij eervol ontslag aan. Ter Poorten heeft de indruk gehad dat hij als zondebok heeft moeten fungeren voor het militaire debacle dat in Indië tegen de Japanners werd geleden. Vooral de overdracht van het opperbevel, drie dagen voor de onvermijdelijke capitulatie, heeft hem in die mening gesterkt. Hij zag hierin een poging de verantwoordelijkheid op hem af te wentelen voor een drama waarvan iedere ingewijde, ook de gouverneur-generaal Alidius Tjarda van Starkenborch Stachouwer, de afloop moest kennen. Zijn vermoeden werd na de oorlog versterkt toen zijn ontslagaanvraag niet direct werd verleend. Luitenant-gouverneur-generaal van Mook vroeg Ter Poorten om een verslag van de gebeurtenissen voorafgaand aan de capitulatie. Naar aanleiding van dit rapport en het advies van een onafhankelijke commissie zou Mook bepalen onder welke termen Ter Poorten ontslag zou worden verleend. Dat rapport kwam er, maar het advies niet. Uiteindelijk werd Ter Poorten eervol ontslag aangeboden, maar zonder de kwalificatie vele en gewichtige diensten. Ter Poorten was ridder in de Orde van Oranje-Nassau met zwaarden (voor zijn aandeel in de eerste vliegtuigmanoeuvres in 1911).

Militaire loopbaan
Tweede luitenant: 25 juli 1908
Eerste luitenant: 29 april 1911
Kapitein: 26 augustus 1924
Majoor: 25 juli 1930
Luitenant-kolonel: 28 juli 1935
Kolonel: 29 april 1936
Generaal-majoor: 13 september 1937
Luitenant-generaal: oktober 1941
Onderscheidingen[bewerken]
Orde van Oranje-Nassau
Officier (on.4)
Ridder met Zwaarden
Oorlogsherinneringskruis
Officier in het Legioen van Eer
Ridder Commandeur in het Orde van het Bad?
Mobilisatiekruis 1914-1918
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officiel
Eremedaille ter Gelegenheid van het 40e Regeringsjubileum van Pakoe Boewono X Soesoehoenan van Soerakarta

Luitenant-generaal H. Ter Poorten legercommandant van het KNIL in Japanse krijgsgevangenschap

 


Gerrit Rijke

Gerrit Rijke (Rotterdam, 26 september 1906 – Apeldoorn, 19 maart 1995) was een Nederlandse Eerste luitenant, officier der Koninklijke Landmacht en drager van de Verzetsster Oost-Azië 1942-1945.
Loopbaan
In de jaren 30 is Rijke in dienst getreden van het Koninklijk Nederlands Indische Leger afgekort het KNIL. In maart 1942 heeft hij geheel vrijwillig deelgenomen aan een verkenningspatrouille van Laabalang (Alasvallei Atjeh) uit naar Bindjei en vandaar naar het reeds door Japanners bezette omgeving van Medan. Krijgsgevangen gemaakt en tewerkgesteld aan de Birma spoorlijn. Daar heeft hij met gevaar voor eigen leven medicijnen, voedsel en radio onderdelen gestolen van de Japanners almede meegewerkt aan de clandestiene nieuwsvoorziening.
Na de capitulatie van de Japanners is hij contactpersoon geweest tussen de Fransen en het geallieerde krijgsgevangenkamp te Saigon.
In 1946 keerde hij terug naar Nederlands-Indië.
Rijke werd bij koninklijk besluit van 21 december 1949 nummer 10 voor bovenstaand gedrag begiftigd met de Verzetsster Oost-Azië. Rijke werd ook hiervoor met terugwerkende kracht buitengewoon bevorderd tot sergeant-majoor instructeur Beschikking nummer 9216/1 A 2. dd 27 september 1946 Ingangsdatum 15 augustus 1945.
Rijke werd juni 1946 aangesteld als commandant van het gevangenkamp voor Japanse verdachten inzake oorlogsmisdrijven te Sabang. Bij bezoeken is gebleken dat Rijke een juiste opvatting van zijn taak had en deze opvatting met ijver en volharding in de praktijk bracht. Aan de ene kant stond hij op handhaving van de voorschriften en aan de andere kant toonde hij steeds hart te hebben voor zijn gevangenen.
Rijke is bij koninklijk besluit van 2 december 1947 Nr. 4 het Ereteken voor Orde en Vrede met gespen "1945", "1946" en "1947" toegekend.
Het verzetsherdenkingskruis, toegekend op 5 mei 1982, werd aan hem uitgereikt door Prins Bernhard in Wageningen.
Na zijn dienstverlating in 1961 is Rijke in dienst getreden bij de gemeente Apeldoorn, waar hij tien jaar heeft gefungeerd als ambtenaar sportzaken.
Buiten zijn werkzaamheden was Rijke ontzettend actief op het gebied van de sport te denken valt ABCC (Apeldoornse Boks- en Conditieclub), Zwemvierdaagse, Trim Apeldoorn, bouw zwembad de Sprenkelaar, AZC (Apeldoornse Zwemclub).


In 1988 ontving hij op 82-jarige leeftijd "de Zilveren Wapensleutel van Apeldoorn" uit handen van burgemeester Hubers, wegens zijn vele en langdurige verdiensten op enthousiaste en onbaatzuchtige wijze aan de Apeldoornse sportbeoefening bewezen.

Op het moment van uitreiken was Rijke nog steeds actief als official van de Nederlandse Sport Federatie en de Koninklijke Nederlandse Zwembond.

Gerrit Rijke.jpg

Geboren 26 september 1906
Rotterdam
Overleden 19 maart 1995
Apeldoorn
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Rang Eerste luitenant - officier

 


Albert Cornelis de Ruyter van Steveninck

Albert Cornelis de Ruyter van Steveninck, (Tiel, 28 november 1895 – Den Haag, 25 juni 1949) was een Nederlandse militair die tijdens de Tweede Wereldoorlog commandant van de Prinses Irene Brigade was. De Legerplaats Oirschot is naar hem vernoemd. Hij is een directe nazaat van Michiel de Ruyter.


Jeugd en opleiding
Albert Cornelis was de zoon van Albert de Ruijter van Steveninck en Agnes Bär von Remmersweil. Het katholieke gezin telde vijf kinderen. Albert was de jongste; zijn twee zussen waren Nicole (1890) en Henriette (1893) en zijn twee broers Anthony (1892) en Raimond (1894), ook militair, die als voormalig N.S.B.-lid tijdens de oorlog burgemeester van Leiden was. Na de HBS in Leeuwarden volgde Albert vanaf 1915 de KMA in Breda als cadet voor de artillerie. Vanwege zijn belangstelling voor de artillerieverkenning stapte De Ruyter van Steveninck over naar de luchtmacht.

Oorlog & Prinses Irene Brigade

Generaal Phaff (links), Koningin Wilhelmina en A.C. de Ruyter van Steveninck (rechts), Wolverhampton 1942
Gedurende de aanloop naar de oorlog was (inmiddels) kapitein De Ruyter van Steveninck geplaatst bij de staf van het 1e Legerkorps in Den Haag. Na het uitbreken van de oorlog vluchtte De Ruyter via Brussel, Parijs, La Bourboule, Algiers, Casablanca en Lissabon naar London. Als majoor werd hij in mei 1941 commandant van het 1e Bataljon en een half jaar later commandant van de Prinses Irene Brigade. Dit wat slaperige legeronderdeel vormde hij om tot een strijdbare brigade, die als onderdeel van de Britse 21e Legergroep deelnam aan de invasie van Normandië in augustus 1944. In de nacht van 20 september 1944 stapte De Ruyter met zijn mannen ten zuiden van Valkenswaard de Nederlandse grens over. De brigade voerde op dat moment flankbeveiligingsopdrachten uit in het kader van de operatie Market Garden. De Brigade was verder actief in Zeeland en Noord-Brabant.

Na de oorlog
Na de oorlog werd De Ruyter van Steveninck benoemd tot waarnemend bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten. In 1946 nam hij, inmiddels kolonel, zitting in het Hoog Militair Gerechtshof. Op 22 maart 1949, kort voor zijn overlijden, volgde de bevordering tot generaal-majoor. Als erkenning voor zijn verdiensten werd na zijn dood de Legerplaats Oirschot omgedoopt tot Generaal Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne.

Publicaties over A.C. de Ruyter van Steveninck
Lou de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel IX en Xa (Den Haag, 1979 & 1980)
H. Amersfoort: Albert Cornelis de Ruijter van Steveninck. In: Nieuw Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 4, 1994
Nederlands Patriciaat, 6e jrg. (1915) blz. 363-364

De Ruyter van Steveninck (Londen, 1943)

De Ruyter van Steveninck (Londen, 1943)
Geboren 28 november 1895
Tiel
Overleden 25 juni 1949
Den Haag
Religie Katholiek
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1915 - 1949
Rang Generaal-majoor
Leiding over Prinses Irene Brigade
Bevelhebber Landstrijdkrachten
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940
Operatie Overlord
Operatie Market Garden

 


Bodo Sandberg

Jhr. Bodo Sandberg (Rotterdam, 23 september 1914 – Bentveld, 2 mei 2005) was luitenant-kolonel en jachtvlieger bij de Nederlandse Luchtmacht en Engelandvaarder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vocht voor Nederland aan twee fronten, eerst in luchtgevechten boven Nederland zelf tegen de binnenvallende Duitsers en later in Nederlands-Nieuw-Guinea tegen de Japanse bezetters. Hij ontving het Kruis van Verdienste en het Vliegerkruis voor zijn dapperheid tijdens de Duitse invasie in mei 1940. Hij was lid van de familie Sandberg.
Bijzondere prestaties

De Fokker G.I was een van de eerste toestellen in Nederland met intrekbaar landingsgestel, maar dit nieuwe systeem werkte in het begin niet altijd even goed. Op 26 augustus 1939, tijdens het aanvliegen voor een landing, kwam één van de twee wielen niet uit. Op één wiel kan je niet landen dus trok hij het ene wiel dat wél uit was gegaan weer in en, na geruime tijd rond te cirkelen om de brandstof op te maken, maakte Bodo Sandberg de eerste succesvolle buiklanding in de Nederlandse geschiedenis. Bij de landing raakte de G-1 nauwelijks beschadigd.
Invasie 1940
Op 13 mei 1940, kort na de Duitse aanval op Nederland werd Sandberg ingezet om de Moerdijkbruggen over het Haringvliet te bombarderen om de invasie van de Duitse strijdkrachten in Nederland te vertragen. Omdat de Duitsers al op de eerste dag vrijwel de gehele Nederlandse luchtmacht kapot hadden geschoten, vloog Sandberg een van de weinige Fokker G.I-jagers die nog luchtwaardig waren. Samen met één andere G-1 moest hij de laatste bommenwerper, een Fokker T.V, beschermen tegen de Duitse Messerschmitts. Net voorbij Dordrecht werd het kleine Nederlandse eskader aangevallen door negen Messerschmitts. Drie van de Messerschmitts vielen de T.V aan. De andere zes splitsten zich op en vielen de twee G.I's aan. De T.V ging in vlammen op en stortte neer in de buurt van Ridderkerk. Hierbij kwamen alle vijf bemanningsleden om. Mogelijk hebben twee van hen de crash aanvankelijk overleefd. In hun brandende kleding probeerden ze water te bereiken. Terwijl ze hulpeloos op de grond en inmiddels voor de Duitsers ongevaarlijk waren, werden ze vanuit de Messerschmitts doodgeschoten.
Engelandvaarder
Direct na het begin van de oorlog probeerde Sandberg uit bezet Nederland te ontvluchten en Engeland te bereiken, om vandaaruit de strijd tegen de nazi's voort te zetten. Hij ondernam zijn eerste poging samen met C.A. den Hoed, G. Haspels, E.A. Plate en J.G.S. Versteegh. Ze wilden via België, Frankrijk en Spanje uiteindelijk Portugal bereiken, maar kwamen niet verder dan Poligny in Frankrijk, net ten Oosten van Parijs. Daar werd het vijftal verraden en gearresteerd waarna ze in een krijgsgevangenkamp buiten Lyon belandden. Het lukte echter om uit het gevangenkamp te ontsnappen: ze stalen de auto van de kampcommandant en slaagden erin langs de gewapende wachten het kamp uit te rijden. Alle vijf keerden uitgehongerd en ziek terug in Nederland.
Sandberg gaf echter niet op, tegen de tijd dat hij zijn tweede vlucht uit bezet Nederland ondernam, deze keer samen met Jan Bosch, Faam Janssens en Ad Kanters, was de ondergrondse beter georganiseerd. Daardoor waren er bij de tweede poging geen verraders op hun pad en haalden ze Engeland wel. Het was een lange en moeilijke tocht, meestal te voet. Onderweg belandden ze in een Zwitsers werkkamp. Vandaaruit gingen Bodo Sandberg en Jan Bosch door, over de Pyreneeën, door Spanje en Portugal, waarna ze eindelijk Engeland bereikten, precies een jaar na de start van Bodo's eerste ontvluchting uit nazi bezet Nederland.
In Engeland splitste de wegen van de twee Engelandvaarders.
Jan Bosch bleef in Engeland en vloog 61 missies, over bezet Nederland en vijandelijk Duitsland.
Bodo Sandberg ging in 1944 door naar de Royal Netherlands Military Flying School in Jackson, Mississippi, waar hij op Amerikaanse jachtvliegtuigen trainde (o.a. de Curtiss P-40 Warhawk). Daarna ging hij naar Australië en Nieuw-Guinea, waar hij tegen de Japanners vocht.
Na de oorlog
Na de oorlog was Sandberg squadroncommandant van het 322 Squadron op Soesterberg dat met Supermarine Spitfires vloog
Na de oorlog bleef Sandberg actief in de Nederlandse Luchtmacht als jachtvlieger en vlieginstructeur. Hij was squadroncommandant van het 322 Squadron dat met Supermarine Spitfires vloog vanaf de Nederlandse vliegbasis Soesterberg. Na een crash met een Spitfire bij Soesterberg waarbij een leerlingvlieger, van Tienhoven, om het leven kwam en Sandberg zwaargewond raakte en ternauwernood aan de dood ontsnapte, werd Sandberg luchtmachtattaché voor de vier Scandinavische landen bij de Nederlandse Ambassade te Oslo in Noorwegen. Tot slot werd hij Commandant van de Nederlandse Luchtmachtbasis vliegveld Ypenburg.
Onderscheidingen
Sandbergs onderscheidingen: aan de linkerkant twee vliegerwings van de Luchtvaartafdeling, een Vlieger-Waarnemer-wing van de ML-KNIL en een doorgeborduurde Vlieger-Waarnemerwing van MLD-model.
Vliegerkruis op 23 augustus 1948[1] (Voor: “Nederland 10-14 mei 1940, aanval op de Moerdijkbruggen”)
Kruis van Verdienste op 5 augustus 1943
Oorlogsherinneringskruis met twee gespen
Ereteken voor Orde en Vrede1947
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier[3], met cijfer XXV
Commandeur in de Orde van Sint-Olaf[3] met de Zwaarden (Noorwegen)
Ridder Ie Klasse in de Orde van het Zwaard[3] (Zweden)

Jhr. Bodo Sandberg op de Royal Netherlands Military Flying School in Jackson, Mississippi, VS, 1943

Jhr. Bodo Sandberg op de Royal Netherlands Military Flying School in Jackson, Mississippi, VS, 1943
Geboren 23 september 1914
Rotterdam
Overleden 2 mei 2005
Bentveld
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Netherlands roundel.svg Nederlandse Luchtmacht
Rang Nl-luchtmacht-luitenant kolonel.svg Luitenant-kolonel
Leiding over 322 Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940
Azië in de Tweede Wereldoorlog

Sandbergs onderscheidingen: aan de linkerkant twee vliegerwings van de Luchtvaartafdeling, een Vlieger-Waarnemer-wing van de ML-KNIL en een doorgeborduurde Vlieger-Waarnemerwing van MLD-model.

 


Heije Schaper

Heije Schaper (Joure, 8 september 1906 - 's-Gravenhage, 26 mei 1996) was een Nederlands militair en politicus. Voor zijn acties in de Tweede Wereldoorlog werd hij onderscheiden met Militaire Willems-Orde. Na de oorlog was hij commandant van de Marine Luchtvaartdienst en Koninklijke Luchtmacht, voor hij voorzitter van het Comité van de Verenigde Chefs van Staven werd. Hij was tevens een korte periode staatssecretaris van Defensie.


Jeugd en opleiding
Schaper werd in 1906 als zoon van Johan Schaper en Wietske van der Zee geboren in Joure. Hij volgde een HBS-B-opleiding in Heerenveen, tot hij in 1926 aan de opleiding tot tot koopvaardijofficier aan de Kweekschool voor Zeevaart in Amsterdam begon. Deze opleiding voltooide hij in 1929, waarna hij in dienst trad bij de Koninklijke Marine. Hij werd reserve-officier bij de onderzeedienst en volgde van 1931 tot 1933 de opleiding tot waarnemer, waarna hij officier-vlieger der derde klasse bij de Marine Luchtvaartdienst (MLD) werd. Met Hr.Ms. K XIV maakte hij in 1934 de oversteek naar Nederlands-Indië, waar hij tot 1937 werkte als vlieger en later ook als vlieginstructeur op Vliegkamp Morokrembangan in Soerabaja. Hierna kwam hij terug naar Nederland, waar hij werkte als vlieger op Vliegkamp Schellingwoude.

Tweede Wereldoorlog
In 1940 wist Schaper met een Fokker T.VIIIw watervliegtuig naar Engeland te ontkomen waar hij in het 320 Dutch Squadron RAF verkennings- en bombardementvluchten uitvoerde. In oktober 1940 probeerde hij contact tussen de Londense regering en het verzet in Nederland te leggen door verzetsmensen op te halen, te weten Lodewijk van Hamel, Hans Hers, Jean Mesritz, Marion Smit en prof. Lourens Baas Becking. Tijdens een gevaarlijke tocht landde Schaper met een watervliegtuig op het Tjeukemeer. Zijn komst was aan de Duitsers verraden, zijn vliegtuig werd beschoten maar Schaper en zijn bemanning konden ontkomen. De verzetsmensen werden opgepakt en naar de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) in Scheveningen gebracht. Voor deze missie kreeg Schaper op 15 november 1940 uit handen van Koningin Wilhelmina de Militaire Willems-Orde.

Schapers Lockheed Hudson werd op 30 mei 1942 bij Terschelling neergeschoten tijdens een aanval op Duitse schepen. Schaper overleefde de crash en werd krijgsgevangengenomen. Hij werd in Stalag Luft III opgesloten, waar hij meehielp met de voorbereidingen van een ontsnapping die later werd verfilmd als "The Great Escape". Aan het eind van de oorlog werd dit kamp ontruimd en werden de gevangenen op voettocht gestuurd naar een volgend kamp. Begin mei 1945 werden ze onderweg door Britten bevrijd.

In 1945 werd hij commandant van het 321 Dutch Squadron RAF in Ceylon, maar daar aangekomen was de oorlog al ten einde.

Loopbaan na de oorlog

Schaper als schout-bij-nacht
Bij terugkeer in Nederland in 1946 werd Schaper waarnemend commandant van de MLD in Nederland en de overzeese gebieden. In 1949 volgde zijn aanstelling tot commandant van de MLD als schout-bij-nacht. In 1954 maakte hij de overstap naar de Koninklijke Luchtmacht, dat sinds 1953 een eigen krijgsmachtonderdeel was. Schaper werd als generaal-majoor benoemd tot plaatsvervangend chef van de Luchtmachtstaf, waarna hij in 1956 als luitenant-generaal benoemd werd tot chef van de Luchtmachtstaf en bevelhebber der Luchtstrijdkrachten. Hij zette zich vooral in voor de modernisering van de vliegtuigen. De Meteor en Thunderjet-jachtvliegtuigen werden onder zijn leiding vervangen door de Hunters en de F-84K’s. Hij was betrokken bij het aanschaffen van geleide wapens en een supersonisch gevechtsvliegtuig de F-104G Starfighter.

Als bevelhebber der Luchtstrijdkrachten was hij van januari 1958 tot mei 1959 tevens voorzitter van het Comité van de Verenigde Chefs van Staven (een voorloper van de huidige functie van commandant der Strijdkrachten. Hij was van 1958-1981 als eerste luchtmachtofficier Kanselier van de Nederlandse Ridderorden.

In 1961 verliet Schaper de Koninklijke Luchtmacht om Chef van het Militaire Huis van H.M. de Koningin te worden. Van 1966 tot 1967 was de partijloze Schaper staatssecretaris van Defensie voor de Koninklijke Luchtmacht, hij volgde als partijloze deskundige in het kabinet-Cals de overleden KVP'er Borghouts op. Na zijn uitstapje naar de politiek pakte Schaper zijn werkzaamheden voor het Militaire Huis weer op, een functie die hij tot aan zijn pensioen in 1976 bleef vervullen, waarna hij benoemd werd tot adjudant in buitengewone dienst. In 1996 overleed Schaper op 89-jarige leeftijd.

Schaper trouwde in 1942 en kreeg drie zoons uit dat huwelijk. Eén van die zoons is diplomaat en Eerste Kamerlid Herman Schaper.

Onderscheidingen en overige medailles
Militaire Willems-Orde (MWO.4), 15 november 1940
Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 17 april 1967
Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau
Distinguished Flying Cross, 10 januari 1941
Oorlogsherinneringskruis met gesp
Ereteken voor Orde en Vrede
Gouden Generaal Snijderspenning, december 1993

Heije Schaper als staatssecretaris (1966-1967)

Heije Schaper als staatssecretaris (1966-1967)
Geboren 8 september 1906
Joure
Overleden 26 mei 1996
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Koninklijke Luchtmacht
Dienstjaren KM: 1929-1954
KLu: 1954-1961
Rang Nl-luchtmacht-luitenant generaal.svg Generaal
Leiding over Marine Luchtvaartdienst
Koninklijke Luchtmacht
Comité van de Verenigde Chefs van Staven
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Militaire Willems-Orde (lijst)
Ander werk Staatssecretaris van Defensie
Portaal Portaalicoon Marine
Tweede Wereldoorlog

Schaper (links) in 1949

 


Kolonel Pieter Wilhelmus Scharroo

Kolonel Pieter Wilhelmus Scharroo (Den Haag, 16 september 1883 - aldaar, 19 augustus 1963) was bevelhebber van de Nederlandse troepen tijdens de Slag om Rotterdam na de Duitse inval van 10 mei 1940. Terwijl hij op 14 mei met Duitse bevelhebbers onderhandelde over de overgave van de stad vond het Bombardement op Rotterdam plaats.
Voor de Tweede Wereldoorlog had hij een indrukwekkende burgerlijke en militaire carrière in zowel Nederland als in Nederlands-Indië. Kolonel Scharroo was onder meer betrokken bij de bouw van het Amsterdamse Olympisch Stadion, mede-organisator van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam en langdurig lid van het IOC.
In de vroege ochtenduren van de 10e mei landden aan weerszijden van de Maasbruggen twaalf watervliegtuigen. Hieruit kwamen ongeveer 120 Duitse soldaten [5], die zich in rubberbootjes begaven naar strategische punten op en nabij de Maasbruggen. Korte tijd later kregen zij versterking van een peloton van enige tientallen parachutisten die bij het Feijenoordstadion waren neergekomen. Op de noordelijke oever vormden de Duitsers een bruggenhoofd, dat geleidelijk werd uitgebreid tot enige honderden meters vanaf het noordelijke landhoofd van de Willemsbrug (de verkeersbrug over de Nieuwe Maas). Weer later bereikten luchtlandingstroepen, die op het inmiddels door parachutisten veroverde Vliegveld Waalhaven aan de grond waren gezet, het Noordereiland. Hun opmars naar de bruggen had vertraging opgelopen door verdedigend optreden van Nederlandse troepen in Rotterdam-Zuid. Slechts weinigen wisten uiteindelijk door te dringen tot het noordelijke bruggenhoofd, want inmiddels waren de bruggen onder Nederlands vuur komen te liggen.
In Rotterdam waren ongeveer zevenduizend Nederlandse militairen gelegerd, maar het merendeel hiervan had verzorgende en logistieke taken of was nog in opleiding en had derhalve nauwelijks, respectievelijk beperkte gevechtswaarde. Wat betreft de landmacht was slechts één infanteriebataljon, bestemd voor bewakingstaken, tot op zekere hoogte te beschouwen als bestaande uit geoefende combattanten. Daar kwam bij dat de militaire leiding ter plaatse in het geheel niet was voorbereid op een Duitse aanval in het hart van de stad. De chaos werd nog vergroot door een onduidelijke bevelstructuur. Zo was in Rotterdam nogal wat marinepersoneel gelegerd, hoofdzakelijk bestaande uit circa 450 mariniers (beroepsmilitairen, en gevechtstroepen bij uitstek), die echter voor het merendeel nog in opleiding waren, en ongeveer evenveel zeemiliciëns (dienstplichtig vlootpersoneel). Deze marinetroepen stonden rechtstreeks onder de minister van Defensie. Hun commandant, kolonel Von Frijtag Drabbe, had opdracht naar bevind van zaken te handelen. Kolonel Scharroo, die het bevel voerde over de landmacht in de stad, had over deze 'maritieme middelen' formeel dus geen enkele zeggenschap. Ondanks dit alles kwamen al vrij spoedig Nederlandse tegenmaatregelen – soms met geïmproviseerde eenheden van gemêleerde samenstelling - van de grond.
De Duitsers in het noordelijke bruggenhoofd werden al kort na hun aankomst door acties van Nederlandse verbanden teruggedrongen tot posities in de onmiddellijke omgeving van het gebouw van de Nationale Levensverzekeringbank, recht tegenover het noordelijke uiteinde van de Willemsbrug. Zij leden tijdens die eerste gevechten aanzienlijke verliezen. Hun situatie werd er niet beter op toen Nederlandse militairen van land- en zeemacht wisten door te dringen tot nabijgelegen panden met een goed schootsveld: het Witte Huis en het Maashotel. Uit dat laatste gebouw werden de Nederlanders echter verdreven toen de Duitsers er vanaf het Noordereiland in slaagden het Maashotel in brand te schieten.
De Duitse posities op de Maasbruggen waren eerder op de dag ook onder kanon- en mitrailleurvuur komen te liggen van twee Nederlandse marineschepen (De TM51 en de Z5). Het eerstgenoemde schip werd buiten gevecht gesteld door een Duitse luchtaanval en het andere trok zich later terug nadat het haar munitie had verschoten. Om substantiëlere steun te kunnen geven wilde de marine nog een zwaardere eenheid in de strijd werpen, namelijk de torpedobootjager Van Galen. Dit schip had echter technische problemen met haar luchtafweer en dat werd op de Nieuwe Waterweg, die nauwelijks manoeuvreerruimte bood, fataal. De Van Galen werd onderweg naar Rotterdam door Duitse Stuka's tot zinken gebracht.
Ondanks de Nederlandse tegenmaatregelen op de eerste oorlogsdag waren de bruggen nog volledig intact en de Duitsers niet uit het noordelijke bruggenhoofd verdreven, zij het dat zij wel geïsoleerd waren geraakt van hun strijdmakkers op het Noordereiland.

Majoor Pieter Scharroo (tweede van links) tijdens de huldiging van architect Jan Wils voor het Stedelijk Museum in Amsterdam, 30 juli 1928.

 


Hendrik Alexander Seijffardt

Hendrik Alexander Seijffardt (Breda, 1 november 1872 - Den Haag, 6 februari 1943) was een Nederlands generaal. In afwijking tot zijn naam in het Haags bevolkingsregister werd zijn naam in kranten als Seyffardt geschreven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij met de Duitsers als boegbeeld van het Nederlandsch Legioen, een onderdeel van de Waffen-SS dat aan het Oostfront werd ingezet.

Seijffardt was een zoon van August Lodewijk Willem Seijffardt, minister van Oorlog in het Kabinet-Van Tienhoven. Net als zijn vader koos hij voor een loopbaan als beroepsofficier. Op 15-jarige leeftijd begon hij als cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, en in 1900 werd hij hier docent. Hij bracht het tot Chef van de Generale Staf (1929-1934) en had daarmee de Centrale Inlichtingendienst (C.I.), onderdeel van GS III, onder zich. In mei 1934 ging hij met pensioen.

Hij begon spreekbeurten te geven voor het conservatieve Verbond voor Nationaal Herstel. In 1937 werd Seijffardt lid van de NSB, maar na een half jaar zegde hij zijn lidmaatschap op. In oktober 1940 bezocht hij een vergadering van een fascistische groepering rond het blad De Waag.[2] In juli 1941 werd hij als luitenant-generaal buiten dienst door Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart aangezocht om als boegbeeld te dienen voor de Nederlandse vrijwilligers die na de Duitse inval in de Sovjet-Unie bereid waren mee te strijden tegen het bolsjewisme. Seyffardt richtte zich onder meer via het Polygoonjournaal tot het Nederlandse bioscooppubliek om vrijwilligers voor de strijd aan het oostfront te werven. Seijffardt, een nationalist en fel anti-communist, leende zich hier voor maar zag te laat in dat hij zich in feite op sleeptouw had laten nemen door de SS die de inzet van de Nederlanders al snel naar zich toe trok. Hoewel de ex-generaal nominaal commandant was van het Nederlands Vrijwilligerslegioen werd zijn inbreng door de Duitse autoriteiten systematisch genegeerd. Van een onafhankelijke Nederlandse eenheid aan het oostfront, hoe graag Seijffardt en de overige top van de NSB dat ook wilden, is nooit sprake geweest. In maart 1942 diende hij zijn ontslag in bij Hanns Rauter en Seyss-Inquart, maar hij liet zich overhalen om aan te blijven.


1941: Generaal Seyffard, gekleed in Nederlands generaalsuniform, geeft de Hitlergroet tijdens de beëdiging van Oostfront vrijwilligers op het Binnenhof in Den Haag.
Op 1 februari 1943 stelde Anton Mussert een schaduwkabinet van 'Gemachtigden' samen. Seijffardt werd hierin genoemd als gemachtigde voor het vrijwilligerslegioen. Door het verzet werd gevreesd dat dit het begin was van een kabinet-Mussert, met Seijffardt als minister van Oorlog die militaire dienstplicht zou invoeren. Op de avond van vrijdag 5 februari 1943 werd Seijffardt in zijn eigen huis aan de Haagse Statenlaan neergeschoten door Gerrit Willem Kastein en Jan Verleun, twee leden van de Nederlandse verzetsgroep CS-6. Een dag later bezweek hij aan zijn verwondingen.[3]

Te zijner ere werd een eenheid van Nederlandse vrijwilligers aan het oostfront omgedoopt tot 48. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Regiment General Seyffardt. Seijffardts dood was verder één van de aanleidingen tot de grootschalige Duitse represailles in bezet Nederland vanaf 1943, Aktion Silbertanne.

11 oktober 1941.
Geboren 1 november 1872
Breda, Nederland
Overleden 6 februari 1943
Den Haag, Nederland
Begraven Begraafplaats & Crematorium Westerveld, Noord-Holland, Nederland[1]
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Waffen-SS
Dienstjaren 1887 - 1943
Rang Luitenant-generaal
Leiding over Vrijwilligerslegioen Nederland (nominaal), (Befehlshaber einer niederländischen Freiwilligenlegion)
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940
Oostfront

 


Albert Eduard Stoové

Albert Eduard Stoové (Yogyakarta (Nederlands-Indië), 26 december 1920 - Delft, 23 september 2010) was sergeant-kortverband-vlieger der Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (ML-KNIL) tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog. Voor zijn bewezen diensten bij de 2-VLG-V onder leiding van Kapt. Jacob Pieter van Helsdingen ontving hij op 24 februari 1942 het vliegerkruis.
Voor de oorlog
Albert Eduard (Ed) Stoové werd op 26 december 1920 geboren te Yogyakarta in Nederlands-Indië als het derde van de in totaal acht kinderen van Jozeph Leophinus Gaillard Stoové en Louise Caroline Françoise Manz. Zijn vader was van Nederlandse en Duitse afkomst, en zijn moeder was van Zwitserse afkomst. Zijn vader was eigenaar van een melkerij genaamd "Louise" te Djetis. Tevens had hij renpaarden en jockies en leverde renpaarden aan Sultan Hamengkoeboewono VIII van Djokjakarta. Mede hierdoor had Ed een redelijk makkelijke en fijne jeugd.
Het embleem van 2-VLG-V. De groep waartoe Stoové behoorde tijdens de oorlog.
Opleiding tot vlieger[bewerken]
Omdat Stoové eind december 1938 zijn 18e verjaardag gevierd had moest hij zich in januari 1939 melden voor zijn dienstplicht. Na zijn algemene basisopleiding werd hij ingedeeld bij de marine. Hij zag het echter niet zitten om langere periodes op een schip te moeten zitten en vroeg om overplaatsing naar de luchtmacht, wat hem werd toegekend. Al snel mocht hij beginnen met opleiding tot vlieger op vliegbasis Kalidjati, Bandoeng-Java. Hier trainde hij in een Koolhoven FK 51. In december 1939 behaalde Stoové zijn vliegers opleiding. Na zijn opleiding vloog Stoové in de Glenn Martin 139, echter maakte hij al binnen een half jaar de overstap naar jachtvliegtuigen. Op 1 juli 1941 werd Stoové na een re-organisatie toegevoegd aan het nieuwe opgerichte tweede afdeling van vliegtuiggroep vijf, kortweg 2-VLG-V, alwaar hij voor het eerst zijn eigen persoonlijke jachtvliegtuig kreeg: De B-3117.
Tweede Wereldoorlog
De Nederlandse hulp aan Singapore was al voor aanvang van de vijandigheden overeengekomen. Al vanaf oktober 1940 wisselden de Britten en Nederlanders militaire informatie aan elkaar uit. In november van dat jaar hadden de eerste besprekingen plaatsgevonden tussen de Britten, Australiërs en de Nederlanders, over een gezamenlijke verdediging van het gehele gebied. Op 9 december 1941 vertrokken meerdere vliegtuiggroepen, inclusief 2-VLG-V, de groep waarbij Sgt. Stoové was ingedeeld, naar Singapore. In totaal werden er 27 Glenn Martin 139 bommenwerpers en 12 Brewster 339 jagers naar Singapore gestuurd die werden gestationeerd op Kallang Airfield in Kallang.
Vanaf deze vliegveld vloog Stoové meerdere missies ter verdediging van Singapore, tijdens één van deze missies werd onder andere een Japanse torpedobootjager tot zinken gebracht door zijn groep, en werden er 4 Japanse vliegtuigen neergehaald. Bij deze actie verloor 1 Nederlandse piloot (Sgt. Groot) zijn leven. De groep keerde op 18 januari 1942 terug naar Java. Samen met 7 andere Brewster Buffalo piloten vloog hij naar Semplak, terwijl 23 andere piloten uitweken naar Andir en Tjilitian. Doordat ze de 18e terugvlogen ter verdediging van Java, misten de vliegers op een haar na het einde van de Slag om Singapore.
Slag om Balikpapan

Op 23 januari was Stoové één van de betrokken vliegers die bombardementen uitvoerde op Japanse schepen in de Straat Makassar. In totaal vlogen er 20 Brewster 339's, van 1-VLG-V en 2-VLG-V, met elk 2 bommen van 50 kg. In totaal werden er 8 'hits' (waaronder één hit door Stoové)[3] geregistreerd op 4 schepen. Tijdens deze actie kwam de koppelgenoot van Stoové, Vdg. Robert Adolf Rothkrans om het leven. Deze werd door vijandelijk vuur neergeschoten. Voor deze aanval werd Stoové onderscheiden met het Vliegerkruis.
Slag om Java
Op 1 maart 1942 moest Kapt. van Helsdingen een aanval op de Japanse landingen op Eretan Wetan leiden, en koos Stoové uit als zijn koppelgenoot. Om ongeveer 05.30 uur startten de zeven inzetbare jagers (5 van 1-VLG-V en 2 van 2-VLG-V). Het achtste ingedeelde toestel (van 2-VLG-V) kon niet mee, omdat tijdens het proefdraaien eerder op de ochtend de motor in brand vloog. De vliegers van 1-VLG-V die meededen aan deze aanval waren: Kapt. van Rest, 1st Lt. Tideman, 1ste Lt. Benjamins, Sgt. Adam en Sgt. van Kempen.Onder hevig luchtafweervuur gooiden ze hun bommen af boven schepen, en beschoten ze de landingsvaartuigen die vol zaten met Japanse militairen in drie aparte runs. Hierna keerden ze terug naar hun vliegbasis. Van Rest zijn toestel (B-3131) was meerdere malen in de vleugel geraakt en zijn toestel moest daarna aan de grond blijven. In bijna dezelfde bezetting als tijdens de eerste aanval stegen de vliegers (behalve Kapt. van Rest en Sgt. van Kempen die werd vervangen door Sgt. Compaan) om 07:45 weer op voor een tweede aanval. Bij deze aanval werden troepenformaties gemitrailleerd door 1st Lt. Benjamins en Sgt. Stoové. Enkele vliegtuigen werden wel geraakt door het afweervuur echter konden deze kogelgaten snel worden afgeplakt na terugkomst. Op de terugweg kreeg Stoové nog wel motorproblemen, maar hij haalde het vliegveld zonder kleerscheuren.
Krijgsgevangene
Na de capitulatie van Nederlands-Indië op 8 maart 1942 werd Stoové in de navolgende drie jaren naar verschillende jappenkampen gestuurd. Zo werd hij onder andere ter werk gesteld in een jappenkamp op het eiland Flores, waar hij met andere gevangenen onder andere landingsbanen moest aanleggen voor de Japanse luchtmacht.
Na de oorlog
Nadat de oorlog afgelopen was, en Stoové uit het jappenkamp bevrijd was, kreeg hij eervol ontslag en ging aan de slag bij een auto-dealer. Nadat Nederland in 1949 de onafhankelijkheid van Indonesië erkende, was het er voor bewoners met een europese afkomst zeer gevaarlijk. Velen bewoners die een europese afkomst hadden werden opgejaagd, mishandeld, en soms zelfs vermoord. Vooral (ex-)militairen en inheemse bevolkingen die samengewerkt hadden met de Nederlanders waren het slachtoffer. Nadat Stoové via een kennis te horen kreeg dat ze hem op het oog hadden besloot hij het land te ontvluchten. In 1954 emigreerde Stoové tezamen met zijn vrouw, Janet Edith van Handenhove, naar Nederland. Op 12 mei 1954 begon hun bootreis op de MS Willem Ruys vanuit Nederlands-Indië naar Rotterdam, dat drie weken duurde, waarna ze zich vestigden in Bloemendaal.
Terug in dienst
Via een oude kennis uit Nederlands-Indië hoorde Stoové dat de Nederlandse luchtmacht oude vliegers van de ML-Knil aan nam. Hierop besloot hij te solliciteren, waarna hij werd aangenomen en gestationeerd op vliegbasis Soesterberg bij 334 Squadron. Vanwege dit verhuisde het gezin naar Delft. Stoové vloog in Nederland geen jachtvliegtuigen meer, enkel transportvliegtuigen. Dit ging om zowel goederen en personeel van de luchtmacht, als om goederen en leden van de koninklijke familie. Eind 1975 ging Stoové, vanwege zijn 55ste verjaardag, met vervroegd pensioen, waarna hij tot zijn 70ste nog bij een autogarage in Delft aan het werk was. Stoové is een van de weinige luchtmachtpiloten die 10.000+ vlieguren op zijn naam schreef. Op 23 september 2010 overleed Stoové in verpleeghuis Bieslandhof te Delft.

Afbeeldingsresultaat voor Albert Eduard Stoové

Bijnaam Ed
Geboren 26 december 1920
Yogyakarta
Overleden 23 september 2010
Delft
Land/partij Nederlands-Indië
Onderdeel Militaire Luchtvaart
Dienstjaren 1939 - 1946
1954 - 1976
Rang Sergeant
Eenheid 2-VLG-V
334 Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Azië in de Tweede Wereldoorlog
Verdediging van Singapore
Slag om Malaya
Slag om Balikpapan
Slag om Java
Onderscheidingen Vliegerkruis
Ander werk Autoverkoper, Garagemonteur, Verzekeringsagent

Het embleem van 2-VLG-V. De groep waartoe Stoové behoorde tijdens de oorlog.

 


Benjamin Marius Vlielander Hein

Benjamin Marius Vlielander Hein, heer van Rockanje (Den Haag, 29 januari 1914 - 16 maart 1992) was navigator bij 72 bombardementsvluchten tijdens de Tweede Wereldoorlog.


Familie
Benjamin Vlielander Hein was een lid van het geslacht Hein en een zoon van luitenant-ter-zee Johan Wilhelm Vlielander Hein (1881-1941) en Digna Jacoba Mijer (1883-1969). Hij trouwde in 1944 met Doreen Adelaide Glass (1920) en in 1958 Ellen Ruth Freydanck Oesinger (1924). Uit het tweede huwelijk werden twee dochters geboren, Henriette Marie Vlielander Hein (1/5/1959) en Digna Vlielander Hein (3/4/1961).

Leven en werk
Ben Vlielander Hein bezocht het Nederlandsch Lyceum in Den Haag, waar hij bevriend raakte met Chris Krediet en de iets jongere Erik Hazelhoff Roelfzema. Daarna werkte hij bij de KLM in Colombo.

Oorlogsjaren
Op 22 september 1940 kwam Vlielander Hein in dienst bij de Koninklijke Marine, die tijdens de oorlog viel onder het ministerie van Marine in Londen. Op 28 maart 1944 werd hij overgeplaatst naar de Marine Luchtvaartdienst in Engeland. Hij werd als luitenant ter zee tweede klasse ingedeeld bij het 139 PFF Squadron in Upwood, Cambridgeshire, en werd navigator. Samen met zijn schoolvriend Erik Hazelhoff Roelfzema deed hij 72 bombardementsvluchten in een Pathfinder Mosquito van de Royal Air Force.

Na de oorlog
Ben Vlielander Hein werd inspecteur bij de KLM. Hij overleed aan kanker.

Ben Vlielander Hein, 1942

Ben Vlielander Hein, 1942
Geboren 29 januari 1914
Den Haag
Overleden 16 maart 1992
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Marine Luchtvaartdienst
Dienstjaren 1940 -
Rang Nl-marine-vloot-luitenant ter zee der 2e klasse.svg Luitenant ter zee tweede klasse
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

 


David van Voorst Evekink

David van Voorst Evekink (Zutphen, 31 december 1890 – Londen, 16 maart 1950) was een Nederlands militair.
Loopbaan
In 1939 en 1940 was overste Van Voorst Evekink militair attaché in Parijs. Na het uitbreken van de oorlog vertrok hij naar Engeland waar hij tot kolonel werd bevorderd.
In september 1941 werd hij als generaal-majoor commandant van de Prinses Irene Brigade. Hij wilde met de Brigade naar Nederlands-Indië gaan en werd daarin ondersteund door koningin Wilhelmina en prins Bernhard. Niet alle leden van de Brigade waren enthousiast want velen wilden liever tegen de Duitsers vechten. Van Voorst Evekink werd opgevolgd door kolonel A.C. de Ruyter van Steveninck, maar op 6 januari 1942 vertrokken ze per trein van Wolverhampton naar Gourock en de volgende dag van Glasgow aan boord van koopvaardijschip Hr. Ms. Colombia van de KNSM naar de Oost. Het schip had ook torpedo's aan boord en werd door een konvooi beschermd. Ze kwamen op 7 maart 1942 in Colombo aan, dit was echter 2 dagen voordat Generaal H. Ten Poorten de capitulatie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL)te Kalidjati tekende. Admiraal Helfrich, Bevelhebber van de Strijdkrachten in het Oosten, stelde voor de brigade naar Engeland terug te sturen, maar dit gebeurde niet. Van Voorst Evekink ging wel terug en werd hoofd van een nieuw Bureau van Oorlog: het bureau Organisatie Generale Staf.
Van 1945-1950 was hij militair attaché in Londen.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant: 29 juni 1911
Eerste luitenant: 29 juli[2] 1915
Ritmeester: 21 januari[2] 1927
Majoor: 1 november 1936
Luitenant-kolonel: 1 november 1938
Kolonel:
Generaal-majoor: september 1941
Luitenant-generaal:
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van Oranje Nassau
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met jaarteken XXX
Mobilisatiekruis 1914-1918[2]
Vaardigheidsmedaille van de Nederlandse Sport Federatie
Watersnoodmedaille 1926 in brons
Lid in de Orde van het Bad op 11 juni 1947
Officier in de Orde Polonia Restitut
Ridder der Eerste Klasse in de Orde van het Zwaard
Ridder in de Orde van de Dannebrog
Commandeur in de Orde van Leopold II
Militair Kruis, der Eerste Klasse (nr.138) op 22 oktober 1943

Kapitein David van Voorst Evekink

Kapitein David van Voorst Evekink
Geboren 31 december 1890
Zutphen[1]
Overleden 16 maart 1950[1]
Londen, Verenigd Koninkrijk[2]
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1905 - 1947
Rang Nl-landmacht-luitenant generaal.svg Luitenant-generaal
Eenheid Cavalerie[1]
Leiding over Prinses Irene Brigade
(1 september 1941 -
6 januari 1942)[1]
Organisatie Generale Staf
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940

 


Albrecht Nicolaas de Vos van Steenwijk

Albrecht Nicolaas baron de Vos van Steenwijk (Arnhem, 4 februari 1912 - Ede, 4 augustus 1996) was commandant der Nederlandse Zeemacht en familiehistoricus.

Biografie
De Vos van Steenwijk, zoon van de president van het gerechtshof te Arnhem mr. Jan Arend Goderd baron de Vos van Steenwijk (1882-1961) en Catharina Charlotte Evelina den Tex Bondt (1888-1978), koos voor een militaire loopbaan en nam op 15-jarige leeftijd dienst bij de Koninklijke Marine. Op 19-jarige leeftijd werd hij luitenant ter zee 3e klasse. Hij diende aan boord van de Hr. Ms. De Zeven Provinciën tijdens de muiterij in 1933. De marineofficier De Vos van Steenwijk werd vanwege zijn oorlogsactiviteiten in de wateren bij Nederlands-Indië en in de Indische en de Stille Oceaan als luitenant ter Zee 1e klasse aan boord van Hr. Ms. Tromp onderscheiden met het Bronzen Kruis. Na de oorlog zette hij zijn carrière bij de Marine voort en sloot tegelijkertijd in 1952 een studie rechten succesvol af. Hij was van 1960 tot 1964 commandant van de Nederlandse Zeemacht in de rang van viceadmiraal. Voor zijn werkzaamheden ontving hij meerdere onderscheidingen. Hij was naast drager van het Bronzen Kruis, onder meer ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw en officier in de orde van Oranje-Nassau.

Naast zijn militaire activiteiten was De Vos van Steenwijk lid, en van 1984 tot 1986 voorzitter, van de Hoge Raad van Adel en coadjutor van de Johanniter Orde[. Hij publiceerde zowel op zijn vakgebied de marine als over het geslacht De Vos van Steenwijk. Hij was stichter van het Marine Museum te Den Helder.

De Vos van Steenwijk was een achterkleinzoon van de voorzitter van de Eerste Kamer, Jan Arend Godert baron de Vos van Steenwijk. Zijn oom was viceadmiraal Carel de Vos van Steenwijk (1885-1959). De Vos trouwde drie maal en had uit zijn eerste huwelijk met Yvonne Lucile Maria Pia Margit gravin Zichy de Zich et Vasonkéö (1920), twee zonen.

Bibliografie[bewerken]
De Vos van Steenwijk, Albrecht Nicolaas Het marinebeleid in de Tweede Wereldoorlog (1986) uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, ISBN 90-6707-116-1
De Vos van Steenwijk, Albrecht Nicolaas Het geslacht De Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel (1976) uitg. Van Gorcum, Assen, ISBN 90-232-1273-8
De Vos van Steenwijk, Albrecht Nicolaas 'Maritieme heraldiek' (1966) in: De Hoge Raad van Adel. Geschiedenis en werkzaamheden p. 124-129, ('s-Gravenhage)
De Vos van Steenwijk, Albrecht Nicolaas De vrije zee: Nederland ter zee, 1666-1966 (1966) uitg.Ando, Den Haag (uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling gehouden in het Haags Gemeentemuseum van 11 juni t/m 14 augustus 1966)

De Vos van Steenwijk (luitenant, 1933)

De Vos van Steenwijk (luitenant, 1933)
Algemene informatie
Volledige naam Albrecht Nicolaas baron de Vos van Steenwijk
Geboren Arnhem, 4 februari 1912
Overleden Ede, 4 augustus 1996
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep militair
Bekend van commandant Zeemacht

 


Willem Frederik August (Gus) Winckel

Willem Frederik August (Gus) Winckel (Muntok (Banka), 3 november 1912 – Pukekohe (Nieuw-Zeeland), 17 augustus 2013)was tijdens de Tweede Wereldoorlog een tweede luitenant-vlieger bij de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL, of 'Netherlands East Indies' (NEI) Air Force).

Winckel was een lid van de in het Nederland's Patriciaat opgenomen familie Winckel. Hij was meer in Australië bekend dan in Nederland. Daar werd hij een van de meest gerespecteerde vliegers van de KNIL genoemd.De laatste jaren van zijn leven woonde hij nog steeds in die regio: deels in Australië, deels in Pukekohe, bij Auckland in Nieuw-Zeeland.

Loopbaan
Als zestienjarige jongen werd hij naar de Zeevaartschool van Delfzijl gestuurd. Toen hij 23 was, vroeg hij te worden opgenomen in de opleiding als kortverbandvlieger bij de KNILM. Daar begon zijn pilotenopleiding. Na Pearl Harbor in 1941 was Winckel als transportvlieger op een Lockheed Lodestar die voedsel, gewonden en materieel vervoerde. Toen Japan Nederlands-Indië binnenviel, raakte Gus Winckel betrokken bij het evacueren van mensen en het vervoeren van materieel naar Australië.

Aanval op Broome
1rightarrow blue.svg Zie Aanval op Broome voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nadat hij in drie maanden 600 uren met zijn Lockheed Lodestar gevlogen had, was Gus Winckel in maart 1942 met vluchtelingen onderweg van Bandung naar Perth en landde hij in Broome om te tanken. Hij had ruim zeven uren gevlogen en was toe aan een kleine pauze. Hij was de eerste die negen Japanse vliegtuigen zag aankomen. Dit waren Zero's, afkomstig van Kupang op Timor.Ze vlogen onder het commando van luitenant Zenziro Miyano en waren op weg om een militair doelwit bij Broome te vernietigen. Ze vlogen zo laag dat Winckel met zijn Colt-mitrailleur vanaf de grond de Zero van luitenant Osamu Kudo kon neerschieten, die even verderop in zee neerstortte. De andere Zero's vlogen vervolgens terug naar Timor. Hij[bron?] wist een onderzeeër uit te schakelen. Ter herinnering aan dit wapenfeit heeft hij na de oorlog op Moruya (in Nieuw-Zuid-Wales) een standbeeld gekregen.

Onderscheidingen
Gus Winckel kreeg in 1942 het Bronzen Kruis met Eervolle Vermelding. Ook kreeg hij de Bronzen Leeuw toegekend.
Later was hij eerste luitenant-waarnemer-vlieger (Flying Officer) bij de Australische R.A.A.F., No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron. Op 9 december 1959 kreeg hij het Vliegerkruis.

Winckel overleed op ruim honderdjarige leeftijd aan complicaties, zes weken na een heupbreuk door een val.

Gus Winckel (rechts) met anderen

 


Henri Gerard Winkelman

Henri Gerard Winkelman (Maastricht, 17 augustus 1876 - Soesterberg, 27 december 1952) was de Nederlandse opperbevelhebber vanaf 1 november 1939 en ten tijde van de Duitse invasie in 1940. Hij droeg vanaf 13 mei 1940 de hoogste regeringsmacht in Nederland na de vlucht van de koningin en de regering naar Londen. Winkelman werd een nationaal figuur door zijn openlijke steun aan het koninklijk huis op Anjerdag 29 juni 1940, wat leidde tot zijn arrestatie in de nacht van 1 op 2 juli 1940, waarna hij vijf jaar krijgsgevangen bleef.
Voor 1939
Winkelman werd geboren in een protestants gezin. Zijn vader, Julius Hendrik Winkelman, was inspecteur der registratie en domeinen. Na zijn HBS-opleiding ging hij naar Koninklijke Militaire Academie in Breda, met als doel om in Nederlands-Indië te dienen als officier. Tijdens zijn opleiding stelde hij zich doelstellend op en werd als cadet-korporaal geplaatst bij de Infanterie. Tijdens zijn studie was hij lid van verschillende cadettenverenigingen, waaronder een schiet- en muziekvereniging. Na een succesvolle studie werd hij op 11 augustus 1896 benoemd tot tweede luitenant[1]. En op 25 november 1901[1] benoemd tot eerste luitenant. Via de Hogere Krijgsschool in Den Haag doorliep hij zonder problemen officiersrangen bij de verschillende krijgsmachtonderdelen.
In 1902 trouwde hij met Arendina Jacomina Coert. Uit dit huwelijk kwamen twee zoons en twee dochters voort. Tussen 1909–1913 en 1917–1924 was hij werkzaam bij de afdeling Generale Staf van het ministerie van Defensie. Hij werd op 1 april 1913 bevorderd tot kapitein[1]. In 1923 behaalde hij de rang van majoor en op 1 november 1931[2] werd hij bevorderd tot generaal-majoor en commandant van de 4de divisie. Op 1 mei 1934[2] volgde bevordering tot luitenant-generaal. Hij verliet datzelfde jaar de militaire dienst na eervol ontslag te hebben gevraagd, omdat hij in de race voor de functie van chef-staf had verloren van generaal Reijnders. Als gepensioneerd opperofficier bleef Winkelman op verschillende manieren actief op het gebied van landsverdediging. Zo was hij actief in de Defensie Commissie Bezwaarschriften en was hij vanaf 1938 adviseur bij Philips.
Benoeming tot opperbevelhebber
Na toenemende internationale spanning besloot het Kabinet-De Geer II in afwezigheid van minister-president De Geer over te gaan tot algehele mobilisatie. Er ontstonden spanningen tussen minister van Defensie Dijxhoorn en generaal Reijnders, voornamelijk over het strategisch beleid. Generaal Reijnders en het kabinet konden het na meerdere pogingen niet eens worden over de strategie, waarop hij ontslagen werd. Na crisisberaad in het kabinet schoof voormalig minister van defensie Van Dijk Winkelman naar voren om de post te bekleden. Op een late avond in januari (datum onbekend) werd hem door het kabinet gevraagd of hij de post wilde vervullen. Na een dag bedenktijd deelde minister Dijxhoorn mee dat Winkelman de post aannam. Dezelfde dag werd hij officieel benoemd tot opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. En op 6 februari 1940 bevorderd tot generaal.
De Duitse invasie
Generaal Winkelman verlaat op 15 mei 1940 het schoolgebouw in Rijsoord waar de capitulatie is getekend.
Toen op 10 mei 1940 de Duitse invasie plaatsvond, bleek dat de paraatheid van de Nederlandse krijgsmacht niet overal optimaal was. Winkelman was tijdens de nacht van de invasie niet aanwezig op het Algemeen Hoofdkwartier, maar sliep thuis in Wassenaar. Hij werd pas vroeg in de ochtend geïnformeerd en vertrok onder gevaarlijke omstandigheden naar Den Haag. Tijdens deze rit vlogen er vele Duitse toestellen boven het hoofdkwartier en landden er Duitse parachutisten. Desondanks wist Winkelman op het hoofdkwartier aan het Lange Voorhout te komen.
Daar aangekomen deed hij een beroep op de bondgenoten en vooral op Frankrijk. Maar de hoogste prioriteit van de Nederlandse troepen kon het hoge opmarstempo van de Duitse luchtlandingstroepen niet tegenhouden, tot grote verrassing van Winkelman en zijn staf. De belangrijkste bruggen bij Dordrecht, Rotterdam en de Moerdijk waren vrij snel in Duitse handen. Boven Den Haag waren ondertussen Duitse transporttoestellen neergeschoten, waarbij de Nederlandse regering de aanvalsplannen tot haar beschikking kreeg. Daaruit bleek al snel dat de invasie een politiek doel had door het in hechtenis willen nemen van de koningin, het kabinet en de legerleiding. Daarop besloot generaal Winkelman Den Haag geheel af te grendelen. Maar de Duitse opmars in het zuiden en bij de Grebbelinie ging in zo'n hoog tempo dat zijn plan al snel onmogelijk uit te voeren viel.
Op 13 mei, na het vertrek van koningin Wilhelmina naar Londen, waren de meeste ministers in Hoek van Holland van plan om ook daarheen te gaan. Minister van Financiën Steenberghe droeg op eigen initiatief het regeringsgezag in Nederland over aan Winkelman en verzocht de secretarissen-generaal zich naar diens aanwijzingen te gedragen. Dat werd pas achteraf door het kabinet en daarna door de koningin informeel goedgekeurd.
Het bombardement op Rotterdam en de onmiddellijk daarop volgende Duitse dreiging met een bombardement van Utrecht gaf voor Winkelman de doorslag dat de strijd zinloos was. Daarom tekende hij op 15 mei 1940 in de lagere school van Rijsoord de capitulatie van Nederland. Bij deze gelegenheid zou hij hebben gezegd: "Wij sluiten geen vrede, wij zetten de oorlog door", waarmee hij onder andere refereerde aan de naar Engeland uitgeweken militairen van de marine en luchtmacht. Zeeland capituleerde niet omdat Franse hulptroepen vanaf de eerste oorlogsdag vanuit Duinkerken en vanaf de Frans-Belgische grens in Vlissingen en Breda waren aangekomen. Op 12 mei droeg de Commandant Zeeland (C.Z.) zijn troepen in midden-Zeeland over aan Géneral de Brigade Mary Durand en in Zeeuws-Vlaanderen aan gén. de brig. Maurice Beaufrère. Midden-Zeeland capituleerde op 17 mei. De strijd in Zeeuws-Vlaanderen duurde tot 27 mei.
Na de capitulatie
Winkelman hield vast aan de opvatting dat Nederlanders en Nederlandse bedrijven na de capitulatie geen militaire opdrachten voor de nazi's mochten uitvoeren, in de breedste zin van het woord. Zowel hoge Nederlandse ambtenaren als de meeste Nederlandse industriëlen werkten hem daarin tegen.
Na de capitulatie wilde Winkelman niet meewerken met de Duitse bezetter. Op 29 juni voerde hij in Den Haag de Anjerdag aan. Op 2 juli 1940 werd hij gevangengenomen. Hij verbleef tijdens de gehele oorlog in krijgsgevangenschap in Duitsland, waaruit hij op 12 mei 1945 terugkeerde. Op 1 oktober 1945 werd hij eervol ontslagen uit de militaire dienst en op 4 mei 1946 onderscheiden met de hoogste burgerlijke koninklijke onderscheiding, Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij overleed op 27 december 1952 in Soesterberg.
Na zijn dood werd hij geëerd met naamswijziging van de legerplaats in Nunspeet aan de Elspeterweg tot Generaal Winkelmankazerne. Die kazerne werd in 1996 gesloten en vervolgens werd in 2007 de Legerplaats Harskamp naar hem vernoemd. Daarnaast herbergt zijn woonplaats Soesterberg een straat met zijn naam en aan zijn voormalig algemeen hoofdkwartier aan het Lange Voorhout is een plaquette bevestigd die aan hem herinnert.
Onderscheidingen
Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw(nr. 1) op 4 mei 1946
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
Mobilisatie-Oorlogskruis[3]
Mobilisatiekruis 1914-1918
Oorlogsherinneringskruis met 1 gesp
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier
Commandeur in de Orde van het Zwaard
Ridder in de Orde van Sint-Olaf
Militaire Orde van de Witte Leeuw voor de Overwinning, Derde Klasse op 6 november 193

Henri Winkelman.jpg

Geboren 17 augustus 1876
Maastricht
Overleden 27 december 1952
Soesterberg
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Koninklijke Marine
Dienstjaren 1896 - 1945
Rang Nl-landmacht-generaal.svg Generaal
Leiding over Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940

Borstbeeld van generaal Winkelman bij het Oorlogs- en Verzetsmuseum Johannes Post in Rijsoord

 


Francien de Zeeuw

Francien de Zeeuw (Terneuzen, 19 mei 1922 – Middenbeemster, 8 september 2015)was een Nederlands verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog en de eerste vrouwelijke militair binnen de Nederlandse krijgsmacht.

De Zeeuw was in de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet en luisterde telefoonverkeer af, drong telefooncentrales binnen en smokkelde. Ze meldde zich aan voor de nieuw op te richten Marine Vrouwenafdeling (Marva) en vertrok eind 1944 vanuit het reeds bevrijde deel van Nederland naar Engeland waar zij de eerste Marva werd. De Zeeuw werd gedecoreerd met het Oorlogsherinneringskruis, het verzetsherdenkingskruis en het Ereteken voor Orde en Vrede.

Na de oorlog ging ze in Purmerend wonen, waar ze een gezin stichtte.

In 2017 werd in Terneuzen de biografie "Van Verzetsheldin tot eerste vrouwelijke militair" gepresenteerd tijdens de onthulling van het straatbord van de naar De Zeeuw vernoemde straat.

Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie

2-Nederlands militair in de Tweede Wereldoorlog

1---2