Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog is het grote, monumentale werk over de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, bijna helemaal alleen geschreven door historicus Loe de Jong. De Jong was in de oorlog verslaggever bij Radio Oranje en na de oorlog directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.


Omvang en werktijd
Dit veertiendelige werk (verschenen in 29 banden), behandelt in de eerste twaalf delen uitvoerig en ruim gedocumenteerd de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog in het Koninkrijk der Nederlanden; ook de ontwikkelingen in Nederlands-Indië komen daarbij aan bod. Deel dertien bevat een verantwoording van De Jong, gevolgd door een overzicht van de tot op dat moment bekende onjuistheden met hun correcties plus het register, dat echter slechts uit topografische en persoonsnamen bestaat en zaaknamen ontbeert.

Deel veertien, getiteld 'Reacties', verscheen onder redactie van J.Th.M. Bank, C. Fasseur, A.F. Manning, E.H. Kossmann, A.H. Paape en I. Schöffer. De eindredactie was in handen van J.Th.M. Bank en P. Romijn. Tot op heden behoort deze serie tot de best gedocumenteerde geschiedkundige werken[bron?] die over de Tweede Wereldoorlog zijn verschenen.

In 1955 kreeg De Jong van de minister van Onderwijs en Wetenschappen de opdracht een wetenschappelijk verantwoord gedetailleerd boekwerk te schrijven over de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Geschat werd dat het karwei 15 jaar zou duren. Na jaren van voorbereiding kwam in 1969 het eerste deel uit. Op dat moment stond al wel vast dat 15 jaar een optimische schatting was geweest - De Jong dacht dat het minstens 25 jaar zou duren. Het laatste deel van de hand van De Jong (deel 13) kwam uit in 1988 en het slotdeel (deel 14) kwam van de pers in 1991.

Het werk verscheen in een wetenschappelijke editie, een publiekseditie (beide gebonden, harde kaft) en een pocketeditie (exact dezelfde indeling als de publiekseditie harde kaft).

De Jong zei achteraf dat de moed hem bij voorbaat al in de schoenen zou zijn gezonken als hij voorzien had hoe uitgebreid zijn werk zou worden.

Volgens de aanvankelijke planning zou het werk uit zes of zeven delen bestaan. Al gauw bleek dat De Jong steeds meer ging schrijven, zodat een enkele band per deel niet meer voldoende was, en bovendien werden er meer delen gepland. Vanaf deel 4 verschenen de delen in twee banden - helften genaamd. Er kwamen twee delen 10, elk bestaande uit twee helften, en zelfs drie delen 11, steeds bij Martinus Nijhoff te 's Gravenhage.

Loe de Jong en 12 delen Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog

Loe de Jong en 12 delen Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog
Land van oorsprong Nederland
Originele taal Nederlands
Genre Geschiedschrijving
Onderwerp Tweede Wereldoorlog
Creatieteam
Auteur(s) Loe de Jong
Publicatie
Uitgever Sdu
Eerste publicatie 1969
Laatste publicatie 1991
Lijst
14 delen in 29 banden

Kritiek
Zijn werk is niet helemaal kritiekloos ontvangen. Volgens de schrijver en oorlogshistoricus Ad van Liempt is het werk van De Jong 'een boom in de schaduw waarvan geen andere plant kon groeien'. Oorlogshistoricus en later directeur van het NIOD, professor Hans Blom stelde in zijn inaugurele rede van 12 december 1983 in 'Tussen goed en fout' dat De Jong te veel een scheiding aanbracht tussen 'goed' en 'fout'.
Ook verwijt men De Jong dat hij zich enige malen te ongenuanceerd zou hebben uitgelaten en daardoor een niet geheel correct beeld van de toenmalige situatie zou hebben gegeven.[3] De grootte van het verzet zou er daardoor te positief zijn uitgesprongen en daarentegen de grootte van de collaboratie te onderbelicht.
Ook ontving hij kritiek van oud-Nederlands-Indië-gangers die vonden dat hij hun daden te negatief had afgeschilderd. Opmerkelijk is dat deze kritiek voorbijgaat aan een andere omissie van De Jong, namelijk de grote hongersnood van 1943-44 in 'Indië', die miljoenen doden kostte - een zaak die De Jong in één kort hoofdstuk behandelt.[4]
Sinds de verschijning van het laatste deel zijn er tientallen studies verschenen die aanvullingen op De Jongs werk bieden. De Jong had volgens sommige critici bijvoorbeeld te weinig oog voor bijvoorbeeld de marine en de koopvaardij. Volgens lt-kol b.d. Eppo Brongers schreef De Jong te weinig over de Nederlandse militaire prestaties in de meidagen van 1940, waarbij het Duitse leger bijvoorbeeld 525 vliegtuigen verloor.
Dat de Nederlandse economie de eerste jaren van de oorlog groeide dankzij Duitse orders, vinden sommigen bij De Jong te weinig belicht. Daarop is onder meer 'De Oorlog' van de NPS-Ad van Liempt dieper ingegaan. Wel heeft De Jong uitvoerig behandeld met welk systeem de Duitsers via de zogenaamde 'bezettingskosten' Nederland lieten leegbloeden.
De Jong was argwanend tegenover oral history. Daardoor is zijn geschiedenis van de oorlog vooral niet geschreven vanuit het standpunt van de bevolking. Daarin hebben talloze andere publicaties voorzien, onder 'Mijn oorlog' van Ivo Niehe, en vele tientallen projecten binnen het programma Erfgoed van de oorlog van het ministerie van WVC, naast soortgelijke plaatselijke of regionale initiatieven. Zo ontbreken bijvoorbeeld gegevens over de dagelijkse luchtoorlog boven Nederland en het vrijwel dagelijks neerstorten van geallieerde bommenwerpers.
Ook heeft De Jong volgens sommigen niet voldoende oog gehad voor de prestaties van de Poolse 1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade onder generaal Sosabowski tijdens Operatie Market Garden.
In 2001 verscheen het boek 'Grijs verleden' van Chris van der Heijden, dat tien drukken beleefde (tot op dec. 2010) en eveneens sterke kritiek op De Jong (en diens leermeester, Jacques Presser) uitte, onder meer dat hij (net als volgens deze visie Presser) vanwege zijn Joodse afkomst te emotioneel zou hebben geschreven. Dat werd door een aantal historici uitvoerig ontzenuwd, onder meer met een verwijzing naar de zeer uitvoerige documentatie die De Jong gebruikte en weergaf, en bijvoorbeeld het lijvige deel 11 over Nederlands-Indië, dat vrijwel geen enkel Joods element bevat en 2700 pagina's beslaat. Ook verwezen historici naar bijvoorbeeld De Jongs beschrijving van Joodse verraders zoals Ans van Dijk: binnen de Joodse gemeenschap lag en ligt dit erg gevoelig, zoals uit het verschijnen van de deelstudie 'Vogelvrij' van Sytze van der Zee in 2010 zou blijken.
Ook de relativering van de ongebreidelde roof door de Duitsers (vrijwel het gehele motorpark, voedselvoorraden, fabrieksinventarissen, 99% van het spoorwegmaterieel en zelfs de rails) heeft De Jong uitvoerig gedocumenteerd maar is in 'Grijs Verleden' gebagatelliseerd. Wel heeft de Jong - onduidelijk is waarom - de collaboratie naar de smaak van een aantal historici van na 1980 te licht weergegeven, zoals onder meer blijkt uit het verschijnen van een uitvoerig werk over de collaboratie in de Rotterdamse haven in 2010.
De Jong had - mogelijk als randstedeling - echter wel betrekkelijk weinig oog voor het verzet in Limburg, met name van de NV, hoewel juist dat verzet draaide om het redden van Joodse kinderen uit o.m. de Hollandsche Schouwburg.
Ook vinden sommige critici de aandacht van De Jong voor het enorme aantal autochtone slachtoffers in het toenmalige Nederlands-Indië (volgens De Jong zelf 2 tot 2,5 miljoen doden, volgens andere bronnen zelfs 4 miljoen [bron?]) te gering, hoewel wat hij vermeldt in hoofdstuk 10 van deel 11b-2 op zich niet bekritiseerd is.
Intussen is per 2010 de discussie verder geëvolueerd en lijkt er weer plaats te zijn voor 'goed' en 'fout'[bron?], zoals in april van dat jaar bleek op een discussiebijeenkomst in het Verzetsmuseum Amsterdam, waaraan professor Hans Blom, directeur Marjan Schwegman van het NIOD, historica en schrijfster Jolande Withuis en Chris van der Heijden deelnamen.
In zijn boek 'Tegen beter weten in' uit Ies Vuijsje kritiek op de manier waarop De Jong de kennis over de Jodenvervolging en vernietiging heeft weergegeven. Vuijsje stelt dat De Jong ernstig heeft gerommeld met de gegevens over de sjoah, die al eind 1942 in Londen, waar De Jong toen werkte, bekend werden. De Jong heeft het feit dat hij die gegevens enige tijd heeft verdoezeld, onjuist in zijn boek weergegeven, aldus Vuijsje.
Militair materieel
Eén kenmerk van De Jongs werk is evident maar weinig opgemerkt: zijn relatief geringe weergave van de militaire en militair-materiële aspecten van de oorlog. Dit is ook een kenmerk van het door hem geleide instituut, het RIOD (nu: NIOD) geworden. De enorme betekenis van bijvoorbeeld de Duitse luchtmacht in de bezette Nederlanden is bij De Jong niet terug te vinden. De Duitsers gebruikten Nederland - dat lag in de voornaamste aanvliegroute vanuit Engeland naar Duitsland - als eerste Duitse aanvals- en verdedigingsbasis, waarbij zij tienduizenden mensen hebben ingezet evenals honderden vliegtuigen op 40 vliegvelden in Nederland. Pas het verschijnen van het standaardwerk 'Vliegvelden in oorlogstijd' eind 2009 heeft hierin voorzien.
Internationaal
Er is in andere landen nauwelijks werk vergelijkbaar met dat van De Jong over de oorlog te vinden. De geschiedschrijving vanuit Angelsaksische sfeer geschiedt meestal vanuit militair oogpunt; pas na het verschijnen van de verfilming van Thomas Keneally's boek Schindler's Ark onder de titel Schindler's List door Steven Spielberg kreeg met name het Amerikaanse publiek oog voor de werkelijkheid van de Jodenvervolging en de zeer vooraanstaande plaats daarvan in de geschiedenissen van de betrokken landen. Duitstalige geschiedenissen belichtten tot ongeveer 2000 vooral het militaire aspect oftewel de Duitse slachtofferrol.
De Jongs werk biedt verder, bij gebrek aan tijdig beschikbaar en betrouwbaar materiaal, geen Europees perspectief in de zin van vergelijkingen met de situaties in andere door de nazi's bezette landen. Op die manier ligt er nog een lacune om de Nederlandse situatie te vergelijken met die van bijvoorbeeld België, Luxemburg of Denemarken (in de laatste twee landen is bijvoorbeeld ook tijdens de bezetting tegen de nazi's gestaakt).
Een groot praktisch bezwaar van De Jongs werk is dat het geen zaakregister bevat.

Loods 24

Loods 24 was een havenloods in gebruik voor de opslag van tabak op het terrein van de Gemeentelijke Handelsinrichtingen tussen de Binnenhaven en de Spoorweghaven in Rotterdam. Deze loods werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter gebruikt als verzamelplaats voor de deportatie van Joden.
In Rotterdam woonden in 1941 nog 11.000 Joden. Voor de oorlog waren dit er 13.000. Tussen 30 juli 1942 en 22 april 1943 werden door 8 transporten 6.790 mensen via Loods 24 gedeporteerd. Het overgrote deel van de Joden die via Loods 24 werden afgevoerd, werd in Sobibór en Auschwitz-Birkenau vermoord. Uit onderzoek in 2000 is gebleken dat 144 personen de deportaties hebben overleefd.

Deportaties
Op 29 juli krijgen 2.000 Joden een oproep voor de Arbeidseinsatz. Er meldden zich de volgende dag op 30 juli 1942 1.100 mensen om zes uur bij Loods 24. In twintig personenwagons werden ze midden in de nacht getransporteerd naar Westerbork.Bij de tweede oproep voor zondag 2 augustus 1942 meldden zich 800 Joden, bij de derde oproep slechts 500. In september 1942 werden Joden, als zij zich niet zelf melden, door middel van razzia's opgehaald.
Op 4 oktober werden vrouwen en kinderen van Joodse arbeiders die in de werkkampen zaten opgehaald. Enkele dagen later, op 8 oktober 1942 werden Joodse Rotterdammers vanaf 60 jaar naar Westerbork en van daar naar de vernietigingskampen afgevoerd.
Op 26 februari 1943 werden het Joods weeshuis, het Joodse bejaardenhuis aan de Claes de Vrieslaan en het Joods ziekenhuis aan de Schietbaanlaan ontruimd: 269 wezen, zieken en bejaarden gingen op transport naar Westerbork.
Op 22 april 1943 moesten de laatste tientallen Joden in Zuid-Holland, waaronder de leden van de Joodse Raad bureau Rotterdam, zich in Vught melden. In de zomer van 1943 moesten de overgebleven Portugese Joden weg. In 1944 werden nog eens 254 arrestanten, voornamelijk ondergedoken Joden, aan de Duitsers overgedragen.
Monumenten
In de jaren vijftig werd de loods afgebroken. Een stukje muur van het haventerrein van de aan de Stieltjesstraat herinnert vandaag nog aan de reis die vanuit deze plaats begon. Bij de plannen van de Kop van Zuid werd besloten om de voormalige plek van de loods zelf open te houden met de naam Plein Loods 24. Het herdenkingsplein omvat een oplopend grasveld ter bezinning en rust, een stenen bank op de plek van de voormalige loods en een in 1999 geplaatst lichtmonument bestaande uit vijf masten. Op 28 juli 2005 is een gedenkmuur met plaquette onthuld. In 2013 is bij de oude muur van het voormalige haventerrein het Joods Kindermonument onthuld.
De straten in de omgeving van Loods 24 werden ter herinnering aan de Rotterdamse Joodse gemeenschap hernoemd. De Louis Pregerkade is vernoemd naar een Joodse onderwijzer die door onder te duiken de oorlog overleefd heeft. De Eric Kropstraat is vernoemd naar een christelijk onderwijzer en verzetsstrijder die Joodse mensen heeft geholpen. De Helmersstraat is vernoemd naar de voormalige Helmersstraat bij de Kruiskade waar veel Joden woonden. Deze straat, vernoemd naar Jan Frederik Helmers is bij het bombardement van Rotterdam vernietigd. De Eva Cohen-Hartogkade is vernoemd naar Eva Cohen die actief was in de Joodsche Vrouwenraad en Theresienstadt overleefd heeft. De Levi Vorstkade is vernoemd naar Levi Vorst, overlevende van concentratiekamp Bergen Belsen, en na de oorlog rabbijn in Rotterdam.
Herdenking
Jaarlijks wordt op 30 juli, de dag van het eerste transport, een herdenking gehouden voor alle slachtoffers van de deportaties in de Tweede Wereldoorlog.

Luchtfoto met in het midden loods 24.

Luchtfoto met in het midden loods 24.
Locatie Stieltjesstraat, Rotterdam
Coördinaten 51° 55′ NB, 4° 30′ OL
Oorspr. functie loods
Status afgebroken

Restant van de toenmalige omheining van de Handelsinrichtingen aan de kant van de Stieltjesstraat. De Stieltjesstraat lag vroeger aan de andere kant van de muur, dus aan de kant van de boom.

Loyaliteitsverklaring

De loyaliteitsverklaring was een verklaring die studenten in 1943 moesten ondertekenen. In die verklaring moesten zij beloven dat ze zich zouden 'onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk [...] gerichte handeling'. De verklaring werd door de Duitse bezetter op 13 maart 1943 ingevoerd, de studenten hadden tot 10 april de tijd om de verklaring te ondertekenen. Wie niet tekende, mocht geen college meer lopen.
Raad van Negen
De Raad van Negen, een overlegorgaan van het Nederlandse studentenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, was reeds op 6 maart op de hoogte van de invoering van de verklaring en verbood de studenten in haar illegale blad De Geus om de loyaliteitsverklaring te tekenen.
De Raad van Negen vaardigde een richtlijn uit. Die richtlijn hield in dat men niet mocht tekenen, wie wel tekende was een "deserteur". Op studenten die toch wilden tekenen werd door medestudenten ingepraat, tot ze waren 'omgekletst'. Binnen de zeer hechte studentencorpora was de druk op de (oud-)leden zeer hoog. De ouderejaars hielden de jongerejaars voor dat men beslist niet moest tekenen op straffe van vervolging door de interne rechtspraak van het Corps.
De corpora hadden zichzelf opgeheven omdat zij weigerden hun Joodse leden te royeren. Binnen de kring van studenten bleef men desondanks sterk met elkaar verbonden.
Invoering
In 1943 nam de Duitse bezetter maatregelen tegen de bijna 15.000 studenten in Nederland en de in de zomer van 1940 weer vrijgelaten militairen. De studenten moesten beloven dat ze zich zouden 'onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk  gerichte handeling'. Deze belofte moest schriftelijk worden gedaan, door een loyaliteitsverklaring te tekenen.
Weigeraars
Er waren op dat moment 14.600 studenten. Ongeveer 12.400 (85%) weigerden de verklaring te tekenen, inclusief 1880 meisjes. Al gauw werd duidelijk wat er met weigeraars zou gebeuren. Mannelijke studenten die niet tekenden, moesten zich in Ommen bij de Arbeitseinsatz aanmelden. Als de weigeraars niet naar Ommen zouden gaan, zouden er represaillemaatregelen tegen hun familieleden worden genomen.
De bezetter arresteerde ongeveer 3.500 weigeraars, die naar Duitsland werden gestuurd. De overige weigeraars doken onder.
Getekend
Op 10 april hadden ongeveer 2200 studenten de verklaring getekend. Toen het nieuws zich verspreidde dat mensen gearresteerd werden, tekenden nog 1550 studenten voor het einde van de maand de verklaring, In totaal werd de verklaring 3550 keer getekend, dat wil zeggen door 25% van de studenten.
Alleen in Nijmegen weigerde de rector magnificus de studenten de verklaring voor te leggen, desondanks tekende 0,3% van de studenten
In Tilburg tekende 2,2% van de studenten
In Groningen tekende 9,3% van de studenten
In Rotterdam tekende 11,7% van de studenten
In Utrecht tekende 12,6% van de studenten
In Amsterdam tekende 17,5% van de studenten
In Wageningen tekende ca. 21% van de studenten
In Delft stuurde de Academische Senaat een positief advies aan de studenten, daar werd de verklaring door 25,6% getekend.
120 meisjes-studenten tekenden de verklaring.
In Kamp Vught tekenden alle krijgsgevangen studenten de verklaring in de overtuiging dat het alternatief, het aanmelden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland erger was.

Loyaliteitsverklaring

Nederlandse Vereniging voor Luchtbescherming

De Nederlandsche Vereeniging voor Luchtbescherming (NVL) werd in 1933 in 's Gravenhage opgericht. De vereniging probeerde met behulp van alle burgemeesters in Nederland in iedere gemeente een plaatselijke afdeling op te richten.

In de jaren twintig en dertig verwachten veel Europese militairen en politici dat steden in toekomstige oorlogen grootschalig gebombardeerd zouden worden. In de Eerste Wereldoorlog hadden vooral Oostenrijk en Duitsland bombardementen uitgevoerd op onder andere Londen. De latere Italiaanse bombardementen in Ethiopië en in de Spaanse Burgeroorlog, onder andere op Madrid en Guernica, bevestigden deze vrees. Naast bombardementen met explosieve bommen en luchtmijnen werd gevreesd voor bombardementen met gifgas. De regering meende dat de Nederlandse bevolking daarop moest worden voorbereid.

De Nederlandse Vereniging voor Luchtbescherming stelde zich ten doel de zelfbescherming door de bevolking bij luchtaanvallen. Dit doel probeerde men te bereiken door het geven van trainingen, het organiseren van bijeenkomsten, demonstraties en tentoonstellingen. De contributie bedroeg minimaal 1 gulden per jaar. Bedrijven betaalden een hogere contributie. De vereniging was erg actief en organiseerde onder andere EHBO-cursussen en tentoonstellingen. Ook het ontruimen van scholen werd geoefend.

Het bestuur plaatste in de kranten advertenties voor brandblussers en (onbrandbare) asbestplaten die werden aangeprezen als bescherming tegen brandbommen.

Naast het particuliere initiatief van de NVL was ook de overheid actief op dit terrein. In veel gemeenten was ook een gemeentelijke luchtbeschermingsdienst, onder leiding van de burgemeester actief. Eind 1939 werd door de NVL en het Ministerie van Binnenlandse Zaken afgesproken dat de Vereniging voor Luchtbescherming zich voortaan zou beperken tot "de zelfbescherming achter de huisdeur".

De Medaille

In 1949 werd, ter beloning van de duizenden vrijwilligers, een Herinneringsmedaille Luchtbescherming 1940-1945 ingesteld. Deze particuliere onderscheiding mocht, omdat de Minister van Defensie dat had bepaald, ook op uniformen van de strijdkrachten worden gedragen.

   

Affiche van de NVL                                De Medaille

Merwedegijzelaars

De Merwedegijzelaars was een groep van honderden jonge mannen die op 16 mei 1944 in dorpen aan beide zijden van de rivier de Merwede bij een razzia werden opgepakt en door de bezetter zijn weggevoerd. Deze razzia was een vergeldingsactie voor een aanslag op een groep Landwachters in de nacht van 9 op 10 mei 1944.
De jonge mannen, voor het overgrote deel afkomstig uit Sliedrecht, Giessendam, Hardinxveld, Sleeuwijk, Werkendam en de Biesbosch werden meegevoerd en op twee plaatsen verzameld. In Sliedrecht bij de Hervormde Kerk en in Neder-Hardinxveld op het schoolplein van de School met de Bijbel nabij de boogbrug. Op beide plaatsen is in 1985 een plaquette aangebracht ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de razzia.
De eerste groep werd in de vooravond vanaf de verzamelplek in vrachtwagens geladen. De tweede groep ging om 21.00 uur op weg en kwam 's nachts om half één aan in Kamp Amersfoort. In het kamp behielden de Merwedegijzelaars hun kleding en hun haar. Vanaf 9 juni dienden de gijzelaars met de andere gevangenen op appèl te verschijnen. Tot die tijd waren ze vrijgesteld van appel met hun medegevangenen. Evenals de andere gijzelaars verloren ook zij na verloop van tijd de voorrechten die de status van gijzelaar hun bood.
Er waren ten tijde van de Merwedegroep nog meer gijzelaars aanwezig in Kamp Amersfoort, onder andere uit Beverwijk en Bedum. Vanaf 16 mei 1944, de dag dat de Merwedegijzelaars in Kamp Amersfoort arriveerden, tot 6 juli 1944 werden in totaal 263 Merwedegijzelaars in vrijheid gesteld. Dat gebeurde in veel gevallen op verzoek van hun werkgever. Dit waren voornamelijk werknemers van bedrijven die voor de Duitse bezetter belangrijk waren, zoals Aviolanda, scheepswerven en andere metaalverwerkende bedrijven.
Op 28 juni 1944 werden de nog aanwezige gijzelaars geselecteerd voor transport naar Duitsland. Dat transport vond plaats in de nacht van 6 op 7 juli 1944. Van de 650 gevangenen die op dit transport gingen, zijn er tot en met mei 1945 circa 100 overleden ten gevolge van ziektes waaronder tuberculose en tyfus, ondervoeding, mishandeling en bombardementen. Dit aantal betreft alleen de officieel geregistreerde overledenen, het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Van de Merwedegijzelaars zijn er meer dan 25 in Duitsland overleden.
Profetie Ds. Joh. van der Poel
Het boek Dwars door lood en dood van schrijver Rik Valkenburg beschrijft een gedeelte van deze bewogen geschiedenis vanuit Giessendam. Zeventien jongens die bij deze razzia werden opgepakt behoorden tot de Oud Gereformeerde Gemeente van Giessendam. Ds. Johannes van der Poel, predikant in oorlogstijd van dit Merwededorp, profeteerde vanaf de kansel in een emotionele kerkdienst, dat al zijn jongens terug zouden komen. En, ze kwamen alle zeventien terug. Eerst zestien, Valkenburg beschrijft hoe dat toen Van der Poel bepaald werd bij ( zoals men dat in die kringen noemt ).... Hij maakt op hun gebeden gans Israël eens vrij....( Een regel uit de berijmde Psalm 130 ). Van der Poel onderstreepte opnieuw zijn gedane uitspraken, en enkele weken later kwam ook het zeventiende schaapje van de kudde behouden thuis.

De plaquette voor de Merwedegijzelaars aan de Hervormde Kerk te Sliedrecht

Moffenzeef

De Moffenzeef is een apparaat dat in de Tweede Wereldoorlog, tussen 1942 en 1944 werd gebruikt om de stoorsignalen van de Duitsers te elimineren en zo toch naar Radio Oranje te kunnen luisteren.

Het apparaat is uitgevonden door Erik Schaaper en Jan Corver. De Moffenzeef wordt tussen de antenne en de antenne-ingang van het radiotoestel gezet. Het apparaat bestaat uit een spoel, een variabele weerstand (een potentiometer en een variabele condensator). In het midden van de spoel zit een aftakking die verbonden is met de antenne-ingang van de radio en de loper van de potentiometer. Het ene eind van de spoel wordt met een antenne verbonden. Volgens Jan Corver is een oost-west gerichte gordijnroe geschikt als hoofdantenne. De tweede antenne kon de metalen grondplaat van de kachel of de kachel zelf zijn. Deze antenne komt aan het andere einde van de spoel. Zorgvuldige afstellen van de variabele condensator en potentiometer resulteerde in een veel minder gestoorde ontvangst, omdat het stoorsignaal werd uitgefilterd.                                                                                                                   De Moffenzeef werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt om het stoorsignaal van de Duitsers te elimineren om zo naar Radio Oranje te kunnen luisteren.

De Nederlandsche SS

De Nederlandsche SS werd op 11 september 1940 opgericht. Op 1 november 1942 veranderde de naam in Germaansche SS in Nederland.

Ontstaan
Het belang van een vestiging van een verlengstuk van Himmlers SS in Nederland berustte op een viertal overwegingen. Ten eerste wenste de SS, als gevolg van de expansiedrift van Himmler, in de veroverde landen een belangrijke positie in te nemen. Ten tweede achtte de SS de oprichting van de Nederlandsche SS van groot belang voor de werving van vrijwilligers voor de Waffen-SS. De Nederlandsche SS kon niet alleen zelf als reservoir dienen, maar had ook een belangrijke taak in het creëren van een basis van waaruit de werving in de toekomst diende plaats te vinden. Ten derde diende de Nederlandsche SS Mussert in de gewenste groot-Germaanse richting te duwen. Tot slot had de oprichting van de Nederlandsche SS een belangrijke propagandistische waarde.

In een ontmoeting op 9 juni 1940 van Anton Mussert, leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) met Gottlob Berger van het Duitse SS-Amt, werd Mussert op de hoogte gebracht van een bevel van Hitler waarin opdracht werd gegeven om Nederlanders voor de divisie 'Wiking' van de Waffen-SS te werven. De Nederlandse vrijwilligers zouden hun eigen Standarte 'Westland' krijgen. Hoewel Mussert zijn medewerking niet verleende en zijn leden opriep vooral geen dienst te nemen bij de SS, ging de oprichting door.

In eerste instantie bleef Mussert zijn medewerking weigeren, maar hij deed vervolgens toch concessies om zijn eigen positie niet in gevaar te brengen. De Duitsers waren zijn halfslachtige houding namelijk zat en dreigden Meinoud Rost van Tonningen naar voren te schuiven, ten koste van Mussert. Om zijn positie te redden ging Mussert daarom in september 1940 akkoord met de oprichting van de Nederlandsche SS, als variant van de Allgemeine SS. Zo werd op 11 september 1940 de Nederlandsche SS door Mussert opgericht, formeel als onderafdeling (Afdeling XI) van de NSB. Als 'Voorman' werd Henk Feldmeijer benoemd, die zich in de dagelijkse praktijk echter weinig gelegen liet liggen aan Mussert en diens NSB. Feldmeijer zocht in plaats daarvan meer en meer aansluiting bij de Duitse Allgemeine (politieke) SS. In de lente van 1941 werd een opleidingsschool voor de Nederlandsche SS geopend op het landgoed Avegoor te Ellecom.

Op 1 november 1942 werd de naam gewijzigd in Germaansche SS in Nederland. Deze naamsverandering benadrukte dat niet langer het Nederlandse aspect van het grootste gewicht was, maar het 'Germaanse'. Zij telde in totaal circa 7000 leden en was in de eerste plaats een politieke formatie en daarnaast tevens een reservoir voor de Waffen-SS. De Nederlandse SS'ers waren gekleed in een zwart uniform, dat was afgeleid van de Duitse SS. Aan het eind van 1944 bestond de Germaansche SS in Nederland slechts nog op papier vanwege het voor de Duitsers en hun aanhangers kerend getij der oorlogsomstandigheden.

Selectie
Aangezien de Nederlandsche SS een elitekorps behoorde te zijn, kon niet iedereen lid worden. Er vonden selecties plaats op basis van ras, levenshouding, persoonlijkheid en lichamelijke conditie. Om voorlopig lid te worden van de Nederlandsche SS moest de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden:

Arische afstamming vanaf 1800 (voor officieren: 1750), die uiteindelijk moet worden aangetoond. De kandidaat moet op erewoord verklaren dat hem van niet-arische afstamming niets bekend is.
Geen oneervolle strafrechtelijke vonnissen.
Minstens 1,72 m lichaamslengte.
Lichamelijk gezond, aangetoond na onderzoek.
Leeftijd tussen 18-30 jaar. Uitzondering voor beproefde nationaalsocialisten van voor 9 mei 1940.
Belofte van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan alle meerderen.
Hierna volgde voor de toekomstige SS-Maat (de laagste rang, een vertaling van het Duitse 'SS-Mann') nog een serie keuringen en onderzoeken op fysiek en genealogisch terrein. Pas nadat deze met succes waren afgerond, werd de kandidaat officieel SS-man.
Organisatie
De Nederlandsche SS was verdeeld in vijf territoriale standaarden:
Standaard I (Friesland, Groningen en Drenthe) hoofdkwartier te Groningen
Standaard II (Overijssel en Gelderland) hoofdkwartier te Arnhem
Standaard III (Noord-Holland en Utrecht) hoofdkwartier te Amsterdam
Standaard IV (Zuid-Holland en Zeeland) hoofdkwartier te Den Haag
Standaard V (Noord-Brabant en Limburg) hoofdkwartier te Eindhoven.
Verder was er nog een aparte, van deze indeling losstaande politie-standaard.
De verschillende standaarden waren weer onderverdeeld in groepen (4 man), troepen (40 man + leider), stormen (123 man + commandant + plaatsvervanger) en 3 stormbannen (500 man + stormbanstaf). Deze indeling bestond echter slechts op papier. In de praktijk bestonden de standaarden uit een aantal stormen, die bovendien nog eens matig bemand waren. Gemiddeld telden de standaarden slechts 130 manschappen. Een belangrijke reden voor dit lage aantal was de voortdurende doorstroming naar de Waffen-SS.                                                                                               Verdeling van Nederland in vijf Standaarden

Standaard van de Nederlandsche SS

Standaard van de Nederlandsche SS
Oprichting 11 september 1940
Ontbinding 1944
Land Vlag van Duitsland nazi-Duitsland
Krijgsmachtonderdeel paramilitair
Organisatie NSDAP
Onderdeel van Schutzstaffel (SS)
Aantal 7000
Kleur Zwart

Rekruteringsaffiche Nederlandse SS

De Nederlandsche Unie

De Nederlandsche Unie was een Nederlandse politieke beweging tijdens de Tweede Wereldoorlog, opgericht door een driemanschap bestaande uit Louis Einthoven, Johannes Linthorst Homan en Jan de Quay.
Oprichting en doel
Dit driemanschap richtte zich op 24 juli 1940 tot het Nederlandse volk en riep het op zich te verenigen.
'tot doelbewuste arbeid voor het behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap en tot voorbereiding van de voorwaarden en de wegen van hun bestaan en welzijn in de toekomst.'
Het doel van de Unie was, onder erkenning van de gewijzigde politieke verhoudingen in Nederland en Europa, en in samenwerking met de Duitse en Nederlandse autoriteiten, een maatschappij op te bouwen op basis van een brede nationale samenwerking, een harmonische structuur en sociale rechtvaardigheid.
Bestrijding NSB en accommodatie
De oprichters wilden met hun organisatie de NSB de wind uit de zeilen nemen, maar moesten hiervoor wel concessies aan de bezetter doen. Zo meende het drietal in oktober 1940 dat voor naar Nederland uitgeweken Joden een regeling 'noodzakelijk' was. Maatregelen tegen Joden wier familie al generaties in Nederland woonden achtten zij 'onnodig en ongewenst'.
Linthorst Homan ging het verst in de aanpassing aan de nieuwe politieke omstandigheden. Hij knoopte banden aan met de NSB en het Nationaal Front. Toen nauwe samenwerking niet mogelijk bleek, onder meer omdat de Nederlandsche Unie geen verbod voor Joodse leden wenste in te stellen, poogde Linthorst Homan vertegenwoordigers van beide organisaties in de Raad van Advies van de Nederlandsche Unie opgenomen te krijgen. In december 1940 leidde dit bijna tot het uittreden van Einthoven en De Quay. De leden van de Unie bleven over het algemeen onkundig van deze perikelen. Zij waren veelal slechts lid geworden om te laten zien dat ze tegen de NSB en de Duitsers waren, droegen trots hun Unie-speldje, bevestigden een Unie-vlaggetje aan hun fiets, en bekommerden zich niet om de koers van de Unie-leiding.
Antisemitisme en verbod door Duitsers
In het voorjaar van 1941 besloot het driemanschap een instituut voor actieve leden niet open te stellen voor Joden. Tot een gedwongen vertrek van Joden kwam het echter niet. Een verzoek van het driemanschap aan mr. L. E. Visser van de Joodse Coördinatie Commissie (JCC) om Joden te adviseren zich uit de Nederlandsche Unie terug te trekken, legde deze naast zich neer. Met name na de inval van Duitsland in Rusland (Operatie Barbarossa, 22 juni 1941) werd door de Duitse bezetter van de Nederlandsche Unie een pro-Duits standpunt verwacht. Dat bleef echter uit. In december 1941 werd de organisatie door de Duitse bezetter verboden. De top werd geïnterneerd in Sint-Michielsgestel waar De Quay deel uit zou gaan maken van de Heeren Zeventien die sprak over de politieke toekomst van Nederland.
Sympathisanten en leden
Op haar hoogtepunt had de Nederlandsche Unie ongeveer 1 miljoen sympathisanten. Hiervan waren ongeveer 600.000 personen lid. De Nederlandsche Unie gaf het weekblad De Unie uit met een oplage van 314.000 exemplaren.
Oordeel
Het klaarblijkelijk aanvaarden van de als gevolg van de Duitse inval ontstane situatie, was tijdens de bezetting - maar zeker daarna - aanleiding voor fundamentele kritiek op de Nederlandsche Unie: defaitisme en een onnationale houding. Het defaitisme bleek uit het aanvaarden van de onherroepelijkheid van de Duitse suprematie in Europa en de onnationale houding uit de bereidwilligheid tot samenwerking met de bezetter. Daarnaast suggereerde het optreden van de leiders van de Nederlandsche Unie een zekere minachting voor de parlementaire democratie en een duidelijke voorkeur voor de inrichting van Nederland als een corporatieve staat. Deze overigens wijdverbreide denkbeelden vertoonden enige overlap met die van de fascistische staatsinrichting. (Kanttekening: na de oorlog werd overgegaan tot de instelling van publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties zoals de productschappen, uitingen van de corporatieve staat.)
De historicus Lou de Jong had in zijn magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog geen goed woord over voor het driemanschap, dat hij van collaboratie beschuldigde. Later is men hier genuanceerder over gaan denken. De Nederlandsche Unie heeft waarschijnlijk de groei van de NSB afgeremd, waardoor deze nimmer tot een massabeweging kon uitgroeien en door de Duitse bezetter niet serieus werd genomen.
De Heeren Zeventien, met daarin De Quay, Einthoven en Schermerhorn, drukten na de oorlog hun stempel op de ontwikkeling van de machtsstructuur van het land. De Quay en Einthoven werkten binnen Defensie voor de oorlog en in de terugkeerperiode van oorlog naar vrede met prins Bernhard samen. Hoewel in de terugkeerperiode Wilhelmina met nadruk De Quay wilde benoemen tot de naoorlogse minister-president, werd hij uiteindelijk minister van Oorlog. Louis Einthoven kreeg na de oorlog de leiding over het Bureau Nationale Veiligheid, dat in 1946 de naam Binnenlandse Veiligheidsdienst kreeg. Kort na de bevrijding bestond onvrede onder de bevolking over de opstelling van de Unie in de jaren 1940 en 1941. In het zicht van de eerste naoorlogse verkiezingen van 16 mei 1946 nam de onrust toe, toen De Quay kenbaar maakte commissaris van de Koningin van Noord-Brabant te willen worden. Minister-president Schermerhorn stelde een geschiedkundig onderzoek in, waarna de naam van De Quay werd gezuiverd. Na de bevrijding oordeelde de regering dat Linthorst Homan niet in zijn functie van commissaris van de Koningin kon terugkeren. Nadat een regeringsonderzoek naar de Unie in 1947 was afgerond, werd aan Homan met terugwerkende kracht eervol ontslag verleend.

De Quay, Einthoven, Linthorst Homan (juli 1940)

 

De Quay, Einthoven, Linthorst Homan (juli 1940)
Ontstaansdatum 1940

Ledenaantal ca. 600.000 (max.)

 

File:Flag of the Netherlands.svg

Land    Vlag van Nederland Nederland

Nederlandse Zeeslepers

Een deel van de Nederlandse Zeeslepers heeft in de Tweede Wereldoorlog in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap aan geallieerde zijde deelgenomen aan de oorlog ter zee.
Neutraal
Tot mei 1940 was Nederland neutraal in het oorlogvoerende Europa. Eind augustus 1939 werden 18 sleepboten door de Marine gevorderd om als ‘bewakings-vaartuig’ ingezet te worden. Ze begeleidden Duitse schepen door Nederlandse wateren en hadden taken als patrouilleschip. De Zwarte Zee kreeg paravanen om mijnen op te sporen. De Nederlandse schepen werden na het uitbreken van de Tweede wereldoorlog, september 1939, voorzien van duidelijke neutraliteits-kenmerken.
Mei 1940
Bij de Duitse inval in Nederland in Mei 1940 vielen sommige zeesleepboten in Duitse handen. Andere ontkwamen, soms met een oorlogsschip dat op de helling lag in het kielzog, zoals de Schelde, of de Amsterdam. Enkele schepen gingen verloren bij oorlogshandelingen zoals de Noordzee. In de haven van IJmuiden en bij Ameland liet men sleepboten, zoals de Oceaan, zinken om havens of vaarwegen te blokkeren. Sommige zeesleepboten, zoals de Javazee, die op stapel lag, werden gesaboteerd om inbeslagname te voorkomen. "Holland" van Doeksen uit Terschelling werd door de bezetter overgenomen en werd bewapend. Dertien zeesleepboten wisten naar Engeland te ontkomen. Enkelen van hen waren al buitengaats, zoals de Hudson en de Thames.
In geallieerde dienst
In Engeland kwamen deze zeeslepers in dienst van de Britse Admirality, als bergingsvaartuig, als transportschip of als communicatievaartuig. De opvarenden bevonden zich plotseling in gevaarlijke militaire operaties zonder dat ze over veel bescherming beschikten. Weigering zou de zeelieden echter als desertie zijn aangerekend. Aanvankelijk hadden de mannen geen contact met hun familie. Later verbeterde de rechtspositie van de bemanningen en kwam er via het Rode Kruis soms bericht van thuis. De sleepboten deden zwaar bergingswerk en voerden reddingsacties uit bij het begeleiden van konvooien van vrachtschepen tussen Amerika en Engeland. Tot midden 1943 leidde de door de Duitsers begonnen Slag om de Atlantische Oceaan tot verlies van veel geallieerde schepen.
Invasie Normandië
Twaalf zeesleepboten onder Nederlandse vlag namen deel aan Operatie Overlord, de invasie in Normandië in 1944. De slepers hielpen in het kader van Operatie Pluto bij het leggen van lange pijpleidingen door Het Kanaal voor brandstof ten behoeve van de invasietroepen. Ook sleepten ze betonnen caissons voor de aanleg van de kunstmatige Mulberryhavens naar de Franse kust. De Roode Zee werd tijdens de operatie getroffen door een Duitse torpedo en ging met de gehele bemanning ten onder.
Thuiskomst
Na de bevrijding was de vreugde voor veel opvarenden van korte duur. Ze waren vervreemd van hun familie en er was maar weinig belangstelling voor hun verhaal. Sommigen bleken zelfs uitgeschreven te zijn uit het bevolkingsregister. Velen van hen monsterden dan ook alweer snel aan en voeren weer uit.

Kunstmatige haven

Oranjehaven

Oranjehaven was een sociëteit in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op initiatief van koningin Wilhelmina werd in Londen een sociëteit opgericht, die bedoeld was als toevluchtsoord van de ongeveer 1700 Engelandvaarders, die een geslaagde overtocht achter de rug hadden. Ze zouden hier opgevangen worden, eten, kleren en zakgeld krijgen. Erik Hazelhoff Roelfzema wees de koningin op een geschikte locatie, die onder zijn appartement was op Hyde Park Place 23 in Londen. Op zijn aanraden werd Käthe (ook Kaatje en Cathy) Peters de beheerder. Het ging om de begane grond en het sousterrain. Op 6 juni 1942 werd de sociëteit geopend. Ter herinnering hieraan kreeg de koningin een speld met een wit-leren anjer, die zij later aan Jacob de Mos gaf.
Veel Engelandvaarders hadden soms maandenlang niet veel te doen. Ze kwamen daar, wisselden ervaringen uit, klaagden tegen elkaar dat ze niks te doen hadden en steunden elkaar. Velen waren ontevreden over de regering en sommigen overwogen zelfs een staatsgreep. Onder hen waren Chris Krediet, Erik Hazelhoff Roelfzema, Peter Tazelaar en enkele topmensen uit het bedrijfsleven waaronder een directeur van Philips. François van 't Sant werd hiervan ook op de hoogte gebracht. Het ging hen vooral om het vervangen van drie ministers. Het plan is nooit uitgevoerd.
Als de koningin op de sociëteit kwam thee drinken werden snel alle drankflessen verstopt. Nieuwkomers werden door haar ondervraagd over de omstandigheden in Nederland.
Tijdens de oorlog bezocht prins Bernhard enkele keren zijn gezin in Ottawa. Hij nam dan foto's en filmpjes mee terug. De film die de prins maakte nadat prinses Margriet geboren was, werd op Oranjehaven vertoond.
Meerdere Engelandvaarders woonden tijdelijk op Hyde Park Place, onder andere Ben Buunk en Peter Tazelaar.

Oranjehaven.jpg

Het persoonsbewijs

Het persoonsbewijs (PB) was een identiteitskaart die op aandringen van de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog werd ingevoerd door de Nederlandse secretarissen-generaal. In april 1941 werden alle Nederlanders van vijftien jaar en ouder verplicht tot het bezit van een persoonsbewijs.
Achtergrond

Het persoonsbewijs was ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz. In samenwerking met de Duitse bezetter wist Lentz een document te ontwikkelen dat het beste persoonsbewijs van Europa genoemd kon worden. Het is het Nederlandse verzet eigenlijk nooit gelukt om dit persoonsbewijs goed te vervalsen en na te maken. Dit had mede te maken met de inktsoort die voor het persoonsbewijs werd gebruikt: onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Verder was het niet mogelijk om de pasfoto in het persoonsbewijs te verwijderen. Hierdoor werd een doorzichtige zegel aan de achterkant verbroken, waarop een vingerafdruk stond. De lijm van de zegel was buitengewoon moeilijk te verbreken, zonder dat de zegel ook verbrak. De vingerafdruk op de achterkant van de pasfoto moest weer overeenkomen met de vingerafdruk aan de linkerkant. Vervalsingen met een pasfoto waren daarom vrijwel uitgesloten.
Schaduwarchief
1rightarrow blue.svg Zie Koninklijke Kunstzaal Kleykamp voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Om het kopiëren moeilijker te maken werd een schaduwarchief van de persoonsbewijzen bijgehouden, zodat vervalste nummers zouden opvallen (deze nummers staan geheel bovenaan het persoonsbewijs). Wilde men een perfecte vervalsing maken, dan moesten de corresponderende nummers in het persoonsbewijs overeenkomen met de nummers in een archief dat in Huize Kleykamp in Den Haag werd bewaard. Dit archief werd door de Duitsers vaak geraadpleegd. Op verzoek van het Nederlandse verzet werd dit archief op 11 april 1944 om 15:00 uur gebombardeerd door de geallieerden. Het ambtelijk personeel was nog aan het werk toen het bombardement begon. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.
Invloed
Het persoonsbewijs verschafte de Duitse bezetter een krachtig administratief middel voor zijn onderdrukkingspolitiek. Loe de Jong typeert het persoonsbewijs als "een onmisbaar hulpmiddel voor het vervolgingsbeleid van de Duitse bezetter". Vooral bij de Jodenvervolging en bij de tewerkstelling in Duitsland bleek iedere keer weer de onschatbare betekenis van het persoonsbewijs. Voor de SS vormde het persoonsbewijs een bijna perfect administratief instrument ter arrestatie van verzetsmensen. Het systeem van persoonsbewijzen heeft duizenden mensen het leven gekost omdat het opsporing en arrestatie aanzienlijk vereenvoudigde.
Kenmerken
Het bewijs had op de voorkant een pasfoto. Andere gegevens die het bevatte waren:
de vingerafdruk van de betrokkene
de woonplaats van de betrokkene
de geboortedatum en het geslacht.
Datum van afgifte en nummer van het persoonsbewijs werden aangetekend in de gemeentelijke administratie, op de persoonskaart van die persoon. Op deze manier werd een vrijwel sluitende maatschappelijke herkenning gerealiseerd. Indien de SS iemand zocht dan was een vrijwel complete opgave beschikbaar. Dat maakte het persoonsbewijs, tezamen met het bijna niet te vervalsen karakter, tot een machtig hulpmiddel.
Voor Joden was het persoonsbewijs ook nog aan de voor- en achterzijde bedrukt met een grote zwarte J. Medio 1941 had SS-obengrüppenführer en politiechef Hanns Rauter verordonneerd dat deze J op het persoonsbewijs van de Joden moest worden aangebracht. Bij de deportaties van Joden naar Polen was dit een belangrijk hulpmiddel om Joden te identificeren.
Ausweis
Het persoonsbewijs moet niet worden verward met een ausweis. Een ausweis was een papieren document dat aangaf dat men vergunning had om op een bepaalde plaats of gedurende een bepaalde tijd aanwezig te zijn of dat er sprake was van een vrijstelling (zoals Arbeitseinsatz of dienst aan het front). In zo’n geval spreekt men dan van een sonder-ausweis. Moest men bijvoorbeeld werken gedurende de spertijd, dan had men een ausweis nodig. Een ausweis is dus niet hetzelfde als een persoonsbewijs, hoewel beide documenten vaak met hetzelfde woord worden aangeduid. Een persoonsbewijs had echter voor landarbeiders wel het karakter van een (sonder-)ausweis omdat de beroepsvermelding vrijstelling verleende voor onder meer de Arbeitseinsatz.
Paspoort

Het grote verschil tussen een paspoort en een persoonsbewijs was dat het persoonsbewijs een verplichtend karakter heeft. Dit is echter achterhaald door recente veranderingen in Nederlandse wetgeving om criminaliteits- en terrorismebestrijding te vereenvoudigen. Wederom moet iedereen van 14 jaar en ouder zich op verzoek van de politie kunnen identificeren met een paspoort, identiteitskaart, rijbewijs of een vreemdelingenkaart. De politie mag niet altijd om een identificatiebewijs vragen. Er moet een reden voor zijn, zoals het vermoeden van een misdrijf of overtreding.

Buitenzijde van een persoonsbewijs.

Binnenzijde van een persoonsbewijs.

 

Buitenzijde van een persoonsbewijs met vermelding van een 'J'

De SS-Werfer-Abteilung 500

De SS-Werfer-Abteilung 500 was een Duitse V2-raketeenheid die in de periode tussen 13 november 1944 en 28 maart 1945 een lanceerbasis had ingericht in Overijssel. De lanceerbasis had als doel om vanuit diverse lanceerplaatsen in Hellendoorn en Dalfsen V2-raketten te lanceren op allerlei voorkomende geallieerde militaire doelen. De voornaamste doelen die onder vuur werden genomen waren; de Haven van Antwerpen en de brug in Remagen in Duitsland.
Geschiedenis
In mei 1944 werd de SS-Werfer-Batterie 500 opgericht. Het was de enige SS-eenheid die deel uitmaakte van de 8-Werfers Batterie Division Nordhausen. In 1945 werd de naam van de eenheid gewijzigd in SS-Werfer-Abteilung 500. De militairen die deel uitmaakten van de speciale SS-Abteilung hadden voor aanvang van hun technische opleiding een speciale opleiding bij de SS gevolgd. De Divisie stond onder bevel van SS-Generaal dr. ir. Hans Kammler (1901-1945). Kammler was een civiele ingenieur met een hoge officiersrang bij de SS. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog werd Kammler belast met het gehele V-2 programma. In de maand mei 1945 toen de nederlaag van het Duitse leger een feit was pleegde Kammler zelfmoord. Zijn dood werd op 9 mei 1945 officieel bevestigd. Over de wijze van zelfmoord spreken de bronnen zich tegen.
Opleiding
De Abteilung 500 was het “paradepaardje” van generaal Kammler. Hij zorgde ervoor dat de eenheid met het beste materiaal en de beste apparatuur werd uitgerust. De bediening van de V2-platforms en de raketspecialisten waren voor deze bijzondere taak opgeleid in de Freiherr von Fritsch Kazerne in Köslin in West-Pommeren in Polen. De kazerne viel onder het commando van de Wehrmacht. Het was het belangrijkste opleidingsinstituut waar bemanningen van V2-raketplatforms werden opgeleid. In Köslin werd de opleiding verzorgd door civiele ingenieurs. De opleiding bestond uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. In de omgeving van Köslin werden geen V2-raketten gelanceerd. Er werd voornamelijk met “Dummy” raketten gewerkt om het assembleren (samenvoegen) van de kop en de raketmotor, het in stelling brengen van de raket en de lanceerprocedures te beoefenen.
Het onderzoek en de ontwikkeling van het V2-programma geschiedde op de V2-testlanceerbasis in Peenemünde, op het eiland Usedom in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren. Toen de geallieerden in 1943 de lanceerbasis hadden vernield werd de ontwikkeling en het onderzoek van V-wapens verplaatst naar Nordhausen. In de ondergrondse fabriek Mittelbau-Dora nabij Nordhausen werden de V1, de Wasserfall en de V2-raket gefabriceerd. In de fabriek van het concentratiekamp Mittelbau-Dora werkten voornamelijk dwangarbeiders. In de fabriek vond ook de technische opleiding van V2-bemanningen plaats. Ook de raketspecialisten en technici van de Abteilung 500 werden in deze fabriek opgeleid. Het was er bij Generaal Kammler alles aan gelegen om “zijn” SS-Abteilung een voordeel te geven boven de andere V2-Abteilungen die tot de Wehrmacht behoorden.
De verplaatsing naar Nederland
In september 1944 werd de SS-Werfer-Abteilung 500 per trein vervoerd vanaf de Tuchel heide in Pommeren naar de Nederlandse grens. In een bos in de omgeving van Schöppingen, nabij Burgsteinfurt, werd op 13 oktober 1944, op een lanceerbasis met de codenaam “Schandfleck”, de eerste V2-raket in de richting van Antwerpen gelanceerd. De lancering mislukte. De V2-raket stortte op drie kilometer afstand van de lanceerplaats in een weiland neer.
Organisatie en sterkte
De SS-Werfer-Abteilung 500 bestond uit acht officieren en ongeveer vierhonderd SS-militairen die in diverse functies betrokken waren bij de lancering van de V2-raketten. Alle militairen behoorden tot de Waffen-SS. In het bos bij Archem was het Sonderkommando gevestigd. Het Sonderkommando stond onder bevel van SS Hauptsturmführer Johannes Miesel. Het gedeelte van de eenheid dat verantwoordelijk was voor het lanceren van de raketten bestond uit drie lanceergroepen. De sterkte van een lanceergroep bedroeg ongeveer dertig man. Een batterij Luchtdoelartillerie, uitgerust met 20mm en 37mm kanonnen, was verantwoordelijk voor de luchtafweer. De eenheid had de beschikking over ruim honderd voertuigen. Naast het lanceergedeelte bestond de eenheid uit een verzorgingsgedeelte zoals; een commandogroep, een administratiegroep, een veldkeukengroep, een onderhoudswerkplaats voor de reparatie en het herstel van voertuigen, een beveiligings- en bewakingsgroep, een groep voor de overslag en bevoorrading van brandstoffen en een groep die verantwoordelijk was voor het lossen en bevoorraden van de V2-raketten en de assemblage.
Operatiegebied[bewerken]
Op 14 november 1944 arriveerde de SS-Werfer-Abteilung 500 in de omgeving van Hellendoorn en Ommen. In het Eelerberg bos bij Hellendoorn en de buurtschap Archem bij Dalfsen maakte het personeel van de eenheid een V2-lanceerbasis in gereedheid om V2-raketten te lanceren op allerlei voorkomende geallieerde doelen. Het voornaamste doel was de Haven van Antwerpen. Door de haveninstallaties te vernielen probeerden de Duitsers de Haven van Antwerpen onbruikbaar te maken voor de bevoorrading van de geallieerde legers.
Bevoorrading
De A4/V2 raketten werden vanuit Duitsland per trein naar Nederland vervoerd. De V2-raketten zonder springlading kwamen 's nachts per trein aan op het station van Ommen. Op een zijspoor in de bossen tussen Mariënberg en Ommen, werden de V2-raketten gelost. In de bossen waren twee lange opstelplaatsen ingericht. De opstelplaatsen lagen ten zuiden van de spoorlijn die loopt van Mariënberg naar Ommen. Vervolgens werden de V2-raketten gecamoufleerd en onder zeer strenge bewaking op Meillerwagens vervoerd naar het assemblagegebied in de buurtschap Archem. Hier werd de raket geassembleerd. De kop met springlading werd met de raketmotor samengevoegd. Vanuit Archem werden de raketten, veelal ’s nachts, onder strenge bewaking naar de lanceerplaatsen in het Eelerberg bos nabij Hellendoorn vervoerd. De raketten werden gecamoufleerd om herkenning vanuit de lucht te voorkomen. Het station in Heino werd voornamelijk gebruikt als losplaats voor brandstoffen. Op het station van Ommen werd soms methylalcohol en andere brandstoffen gelost.
Lanceerbasis Hellendoorn/Dalfsen
Op 14 november 1944 ging de SS-Werfer-Abteilung 500 in Hellendoorn en in de buurtschap Archem bij Ommen in stelling. Vanaf 19 november 1944 tot 28 maart 1945 werden er vanaf diverse lanceerplaatsen V2-raketten afgevuurd op allerlei voorkomende geallieerde doelen. Vele raketten hadden de bestemming Antwerpen. De lanceringen op Antwerpen hadden tot doel om de Haven van Antwerpen onbruikbaar te maken voor de bevoorrading van de geallieerde legers. Niet alle V2-raketten bereikten hun bestemming. Om de vijf à zes raketten mislukte de lancering. Veelal stortte de raket als gevolg van een defect aan de raketmotor neer op korte afstand van de lanceerinrichting. Op 4 december 1944 stortte een V2-raket neer op vijf kilometer afstand ten zuidwesten van Hellendoorn. In de buurt van Luttenberg. Bij het ongeluk kwamen negentien mensen om het leven. In Antwerpen bereikten niet alle raketten het havengebied. Er kwamen raketten neer in het centrum van Antwerpen. Op de Groenplaats tegenover de Onze-Lieve-Vrouwe kathedraal werden de raketten aan het publiek tentoongesteld. Vanaf 17 maart 1945 werden er V2-raketten afgevuurd op de brug bij Remagen in Duitsland. Geen enkele raket raakte zijn doel. Een aantal huizen in de directe omgeving van de brug werden verwoest. Een aantal Amerikaanse soldaten kwamen bij dit bombardement om het leven. Op 28 maart 1945 werd de Abteilung 500 op bevel van Adolf Hitler verplaatst in de richting van Berlijn.
Lanceerplaatsen in het Eelerberg bos bij Hellendoorn
De V2-lanceerbasis was ingericht op de Eelerberg in het Eelerberg bos. Het Eelerberg bos lag op ongeveer achttien honderd meter ten noordwesten van Hellendoorn. Binnen een kilometer van de lanceerbasis in het Eelerberg bos was de bevolking geëvacueerd. Zeventien gezinnen moesten hun huizen verlaten. Daarna waren de huizen geschikt gemaakt voor troepen legering. Het commando-centrum was in Hellendoorn bij de lokale pastorie ingericht. De SS-officieren waren gelegerd in Huis Eelerberg. De leden van de lanceergroepen waren ondergebracht in boerderijen in de buurt van de lanceerplaatsen. De voertuigen stonden achter de huizen geparkeerd. De voertuigen die niet direct benodigd waren stonden op een centrale parkeerplaats gecamoufleerd opgesteld.
Op de Eelerberg waren zes à zeven lanceerplaatsen ingericht. Er was een lanceerplaats die dicht bij het sanatorium lag. Het sanatorium was tijdens de Tweede Wereldoorlog een kuuroord voor tuberculose patiënten. Tegenwoordig doet het sanatorium dienst als verpleeghuis “Krönnenzommer”. Een andere lanceerplaats lag op een kilometer afstand van het sanatorium. De lanceerplaats lag achter een landgoed. Het Eelerberg bos bestond geheel uit naaldhout bomen. Het bos werd doorsneden door een aantal rechte wegen. Alle lanceerplaatsen waren gelegen op of evenwijdig aan de wegen. Het lanceerplatform op de lanceerplaats was veelal gebouwd op een ondergrond van grenenhouten palen. De palen waren door touwverbindingen met elkaar verbonden. Er waren ook platforms die enkel en alleen een geëgaliseerde zand ondergrond hadden.
De raketten werden ten zuidwesten van de rentmeesters woning, nabij het sanatorium, in de buurt van het hoogste punt gelanceerd. Op 19 november 1944 werd de eerste V2-raket vanaf de Eelerberg gelanceerd. Kort na de lancering stortte de raket, als gevolg van een defect aan de raketmotor, in de bosgrond voor de lanceerplaats neer. De raket explodeerde. Bij het sanatorium veroorzaakte de explosie een enorme glasschade. In de loop van de maand werden er vanuit diverse lanceerplaatsen vanaf de Eelerberg vijf en twintig raketten afgevuurd.
Tussen 30 december 1944 en 8 maart 1945 werd er een “vuurpauze” ingelast. Enkele lanceerplatforms vertoonden mankementen, waardoor steeds meer lanceringen mislukten. Daarnaast was het boscomplex door de vele branden die na een mislukte lancering ontstonden zwaar aangetast. De herkenning van de lanceerplaatsen vanuit de lucht, door de overvliegende geallieerde vliegtuigen, begon voor de eenheid een reëel gevaar op te leveren. De wetenschap dat de activiteiten van de eenheid door het Nederlands verzet nauwlettend in de gaten werden gehouden kan er mede toe hebben bijgedragen dat de lanceerbasis van de Abteilung 500 naar elders werd verplaatst. Op 8 maart 1945 werden de werkzaamheden hervat.
Lanceerplaatsen in Hessum bij Dalfsen
Op 1 januari 1945 werd de SS-Werfer-Abteilung 500 verplaatst naar Hessum bij Dalfsen. Evenals in de omgeving van de Eelerberg moesten ook hier veel inwoners hun huizen verlaten om plaats te maken voor de SS-militairen. De lanceerbasis lag op een paar kilometer ten noordwesten van Hellendoorn. Een groep van vier lanceerplaatsen was gelegen aan de weg van Vilsteren naar Dalfsen. De lanceerplaatsen stonden op of lagen naast de bestaande wegen. Vanuit de lanceerplaatsen werden hier twee en dertig raketten afgevuurd. Allen met bestemming de Haven van Antwerpen. Er zijn vanuit Hessum 118 v2 raketten afgevuurd op de haven van Antwerpen.
Lanceerplaatsen op het landgoed de Mataram bij Dalfsen
Op 30 januari 1945 werd SS-Werfer-Abteilung 500 verplaatst naar het landgoed de Mataram bij Dalfsen. Vanaf diverse lanceerplaatsen werden van hieruit een en zestig V2-raketten afgevuurd in de richting van Antwerpen. In de buurt van het landgoed de Mataram bevonden zich vijf lanceerplaatsen. Bij een ongeluk tijdens de lancering werd een “Feuerleitpantzer” vernield. Een “Feuerleitpanzer” was een gepantserd voertuig van waaruit de V2-raket werd gelanceerd. De bevoorrading van de raketten vond plaats vanuit Vilsteren in de buurt van Dalfsen. Daar werden de raketten per trein afgeleverd en gelost. Vervolgens werden de raketten op een Meillerwagen naar de lanceerplaatsen vervoerd. De commandant van de eenheid had zich in een woning in Dalfsen gevestigd. Door middel van een telefoonverbinding stond de commandant in verbinding met de eenheid te velde.
Lanceerplaatsen in het Eelerberg bos bij Hellendoorn
Op 9 maart 1945 keerde de SS-Werfer-Abteilung 500 terug naar de Eelerberg bij Hellendoorn. Vanuit diverse lanceerplaatsen werden van hieruit wederom twee en veertig raketten afgevuurd op Antwerpen. Als gevolg van het feit dat de geallieerden steeds meer successen boekten en de brug bij Remagen door de geallieerden was veroverd, werden er op 17 maart 1945 elf V2-raketten afgevuurd op de brug bij Remagen. Geen enkele raket raakte zijn doel. In de directe omgeving van de brug werden een aantal huizen vernietigd. Zes Amerikaanse soldaten kwamen bij dit bombardement om het leven. In Hellendoorn werden de behaalde successen in Remagen door de Duitse militairen breed uit gemeten. De Duitsers spraken er openlijk over dat de raketten tegen het geallieerde front in Remagen werden ingezet. Het verhaal deed de ronde dat Adolf Hitler aan de commandant van de eenheid zijn persoonlijke felicitaties had verstuurd.
Op 27 maart 1945 werden de laatste raketten gelanceerd. Daarna vernietigde de Duitsers hun eigen lanceerbasis. Als gevolg van het snel naderende Canadese 1e Leger werd de SS-Werfer-Abteilung 500, op 28 maart 1945, vanuit Hellendoorn in drie groepen in de richting van Berlijn verplaatst. De ineenstorting van Duitsland zorgde voor veel verwarring. De bronnen spreken zich tegen of de groepen Berlijn hebben bereikt.
SS-Generaal dr. ir. Hans Kammler
Het gemiddelde aantal raketten dat binnen vier en twintig uur werd gelanceerd was twee tot vier raketten. Soms was er een uitschieter naar zeven raketten. Om de vijf à zes lanceringen mislukte een lancering. Meestal stortte de raket op een korte afstand van de lanceerplaats neer. Op 14 december 1944 werden zeven raketten afgevuurd. Op 26 november 1944 werden twee raketten tegelijk afgevuurd.
Vanaf januari 1945 werd SS-Generaal dr. ir. Hans Kammler hoofd van alle V2-projecten. Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bleef Kammler de SS-Werfer-Abteilung 500 stimuleren om de vuurfrequentie op te voeren. Het was hem er alles aan gelegen om “zijn” Abteilung beter te laten “scoren” dan een reguliere Abteilung van de Wehrmacht. In de maand mei 1945 toen de nederlaag van het Duitse leger een feit was pleegde Kammler zelfmoord. Zijn dood werd op 9 mei 1945 officieel bevestigd. Over de wijze van zelfmoord spreken de bronnen zich tegen.
Het ongeluk in Luttenberg
Op 4 december 1944 werd er vanuit een lanceerplaats in het Eelerberg bos in Hellendoorn een V2-raket afgevuurd. De raket stortte neer en hij kwam op vijf kilometer ten zuidwesten van Hellendoorn in een weiland in de buurt van Luttenberg terecht. Veel inwoners waren getuige van het ongeluk. Ze begaven zich naar de plaats waar het projectiel was neergekomen. De V2-raket had een diepe trechter in het weiland geslagen. De verzamelde menigte die op het ongeluk was afgekomen had zich rond de brokstukken verzameld. Een aantal minuten nadat de raket was neergestort explodeerde de springlading in de kop van de raket. Met een verschrikkelijke klap werden de mensen tegen de grond geslagen. In een straal van achthonderd meter hadden de huizen glasschade. De Duitsers rukten uit met ambulances. De artsen en verpleegkundigen van de eenheid verleenden eerste hulp aan de getroffen slachtoffers. De zwaargewonden werden naar het ziekenhuis in Almelo afgevoerd. Toen twee weken na het ongeluk de balans werd opgemaakt bleken negentien mensen als gevolg van de explosie te zijn overleden. Na de oorlog werd in Luttenberg een monument opgericht ter nagedachtenis aan de slachtoffers.
De rol van het Nederlands verzet
In de periode dat de Abteilung 500 in de omgeving van Hellendoorn en Dalfsen een lanceerbasis inrichtte waren er in datzelfde gebied diverse spionage- en verzetsgroepen actief. De groepen behoorden tot de Raad van Verzet (RVV) en stonden onder bevel van de kapitein Albert Ferdinand Lancker (1894-1945). Lancker was de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in het District Salland. Om arrestatie door de Sicherheitsdienst (SD) te voorkomen wisselde Lancker met het BS-hoofdkwartier steeds van locatie. Vanaf september 1944 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was het BS-hoofdkwartier gevestigd op diverse locaties in de omgeving van de plaatsen Hellendoorn, Luttenberg en Hoge Hexel. In hetzelfde gebied waar de verzetsgroepen actief waren hadden agenten van het Bureau Inlichtingen (BI) en van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) seinposten ingericht. De agenten waren in het gebied aanwezig om het verzet te coördineren en om het radiocontact te verzorgen tussen de verzetsgroepen en de leiding van het BI en BBO in Londen. De agent Ben Buunk (1917-1945) verzorgde het radiocontact tussen de Twentse RVV-brigade, het Inlichtingencentrum Oost en het BI in Londen en Eindhoven. Hij hield zich voornamelijk bezig met spionage. De agent Jaap Beekman (1919) verzorgde het radiocontact tussen de RVV-brigade en het BBO in Londen. Het BBO hield zich bezig met de militaire opleiding van de medewerkers van de verzetsgroepen en het aanvragen en ontvangen van wapen en munitie droppingen.
Naast de agenten van het BI en het BBO had Lancker contact met de agenten van een Jedburgh-team. Het waren agenten die met een speciale opdracht in de nacht van 11 op 12 september 1944 op het afwerpterrein “Evert” bij de Piksen waren geparachuteerd. Het waren de majoor Henk Brinkgreve, de amerikaanse majoor John Olmsted en de Britse sergeant John Austin. Zij hadden de taak om het verzet in het gebied te coördineren en de samenwerking tussen de Twentse RVV-brigade en de Twentse Knokploegen te bevorderen. Olmsted was agent van het Office of Strategic Services (OSS). Hij stond rechtstreeks in radiocontact met de geallieerde verbindingscentrale “Wensun” die zich in de achterhoede van de oprukkende geallieerde legers bevond. Hij verzamelde samen met de verzetsgroepen militaire inlichtingen die direct van nut waren voor de oprukkende geallieerde legers. Austin was radiotelegrafist hij verzorgde de verbinding tussen de leden van het Jedburgh-team en de geallieerde militaire autoriteiten in Londen en Eindhoven. Door de activiteiten van de in het gebied aanwezige agenten werden de geallieerde militaire autoriteiten bijna dagelijks op de hoogte gebracht van de vijandelijke activiteiten van de Abteilung 500.
Op 16 november 1944 reisde Olmsted door de vijandelijke linies om mondeling rapport uit te kunnen brengen over vijandelijke activiteiten in Twente en Salland. Vanaf november 1944 werd het net rond de verzetsgroepen in Twente en Salland door de SD aangetrokken. Op 18 november 1944 werd de radiotelegrafist van het “Jedburgh-team”, John Austin, in Luttenberg bij een huiszoeking door de SD gearresteerd. Vanaf 9 februari 1945 vond er bij de Radiodienst van de Raad van Verzet een golf van arrestaties plaats. In een boerderij in Hardenberg werd een radiozender van de Radiodienst van de Raad van Verzet uitgepeild. Enkele kopstukken van de Radiodienst waaronder D.Eskes en F.van der Laaken werden gearresteerd. Een dag later werden nog tientallen medewerkers van de Zendgroep Oost en het Inlichtingencentrum Oost gearresteerd. De agent Buunk werd op 10 februari 1944 door de SD in Vroomshoop gearresteerd. De kapitein Lancker werd op 11 februari 1944 door de SD gearresteerd en op de vlucht doodgeschoten. De agenten van het BBO zochten een veilig heen komen en zij doken onder in Zwolle. Toen de rust in de regio was teruggekeerd namen de agenten van het BI de draad weer op. De agenten Karel Christiaan Mooiweer (1923-1971), Pieter Bouman (1924-1997) en Menco Rein Mulder (1923-1945) zetten het werk van de agent Buunk voort. Door de geallieerden werd nooit enige actie tegen de SS-Werfer-Abteilung 500 ondernomen.

 

 

Voorbereidingen bij de start van een V2-raket, op de testlanceerbasis Peenemünde, maart 1942.

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor SS-Werfer-Abteilung 500

Testlancering van een V2-raket in Peenemünde, juni 1943. De SS-Werfer-Abteilung 500 ...

 

 

 

 

 

 

Storm (tijdschrift)

Het weekblad Storm verscheen voor het eerst op 11 april 1941 en het laatste nummer zag op 4 mei 1945 het licht. Het werd uitgegeven door de Nederlandsche SS en het kende in zijn bestaan twee hoofdredacteuren: Nico de Haas (april 1941 - december 1942), H.W. van Etten (januari 1943 - september 1944) en weer Nico de Haas (september 1944 - mei 1945).
Voorgeschiedenis
Een van de belangrijkste middelen waarmee de Nederlandsche SS haar invloed probeerde te vergroten en de SS-gedachte trachtte te verspreiden, was het weekblad Storm (somtijds onterecht Storm-SS genoemd). Op initiatief van Henk Feldmeijer, Nico de Haas en Reinier van Houten kwam Storm tot stand. De inhoud van het magazine, eigenlijk een opinieblad, was niet specifiek gericht op SS'ers, maar op een breed publiek. Het was de bedoeling dat vooral buitenstaanders geïnteresseerd zouden raken in het gedachtegoed van de SS. Het blad werd gedrukt bij De Arbeiderspers en het kostte f 0,10 per exemplaar (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit: € 0,60).
Ideologische doelstelling
Nico de Haas was de eerste hoofdredacteur en hij liet in Storm originele en bekwaam geschreven artikelen publiceren. Met het oog op de voorbereidingen voor het verschijnen van Storm, had De Haas zich in het voorjaar van 1941 enkele dagen laten inwerken op de redactie van het Duitse weekblad voor de SS, Das schwarze Korps. Het was de opzet van de SS-leiding om met Storm naar buiten een duidelijker omlijnd, zo mogelijk schrikaanjagend beeld van de Nederlandsche SS te geven en naar binnen toe aan de hand van de actualiteit het ideologische vormingsproces van de SS-man te stimuleren. De strikte SS-doctrine werd vanzelfsprekend niet verloochend, maar zij werd met het oog op de brede doelgroep veel minder benadrukt. In de praktijk betekende dat de (voor de meesten) saaie artikelen over Germaans bloed, Germaanse rituelen, enzovoort, niet in Storm werden opgenomen. In dit opzicht verschilde Storm aanzienlijk van de veel theoretischere SS-Vormingsbladen en de Germanische Leithefte die wel specifiek voor de SS-doelgroep verschenen. Storm was bedoeld als de radicale tegenhanger van het in SS-kringen als burgerlijk ervaren NSB-weekblad Volk en Vaderland. Bovenal was Storm een radicaal strijdblad dat een intimidatiepolitiek tegen andersdenkenden voerde. Storm drukte moderne fotoreportages af van actuele zaken waarvan de strijd van de Nederlandse vrijwilligers aan het oostfront één van de voornaamsten was. De auteurs van de artikelen stelden de misstanden in het vooroorlogse Nederland aan de kaak en gaven hun indrukken van de oorlog. Deze indrukken werden onder meer verwoord in een nieuw soort poëzie: het oostfrontgedicht, dat naast de algemene nationaalsocialistische aspecten gekenmerkt werd door een nationaalsocialistische visie op het thema dood en vergankelijkheid.

Affiche voor "Storm" uit 1941

Kunst en literatuur
In de vele artikelen over kunst en literatuur die Storm publiceerde werd dan ook krachtig stelling genomen tegen díe artistieke uitgangspunten die de goedkeuring van de SS-ideologie niet konden wegdragen. Zo werd over het werk van Peter Alma gezegd:
Ook dit stompzinnig maakwerk geven wij hier weer. Wij willen er geen woord aan vuil maken, maar het wordt tijd dat lieden die zulke rommel onder de mom van liefde tot land en volk durven verspreiden, eens door een paar stevige volksknapen onder handen worden genomen.
En over het schilderij 'Negerin met rode sjaal' van Jan Sluyters:
Een plomp en in knalharde kleuren - rood en geel - in elkaar gesmeerd werk, waarop een walgelijk leelijke vrouw met een brute stierenek te kijk zit achter een dunnen bloedroden sluier. Geboren uit lage instincten, uitgevoerd uit even lage reclame- en sensatiezucht, is er ook voor dit boek maar één plaats: de brandstapel.
Over Hendrik Chabot:
Wij brengen hier een aantal 'kunstwerken' van den schilder H. Chabot, omdat zij zoo kenmerkend zijn voor den geest, dien wij bestrijden, en zoo lijnrecht ingaan tegen alle gevoel voor schoonheid en waardigheid, voor fierheid en levensblijheid, dat den Germaanschen mensch bij zijn diepste belevenissen kan bezielen.
Antisemitisme
Vanaf het begin van zijn bestaan heeft Storm zich in de meest verschrikkelijke terminologie antisemitisch opgesteld. De wellicht meest rabiate vorm van Jodenhaat die Nederland in de Tweede Wereldoorlog heeft gekend, was te vinden in de kolommen van dit SS-weekblad. Ook hier enige voorbeelden:
Opnieuw springt de noodzaak in het oog, om de joden duidelijk zichtbaar als joden te kenmerken. Zoowel op hun persoonsbewijs als op hun kleding behoort een opvallend teeken te zijn aangebracht. Zoolang dit niet het geval is, zullen er steeds 'misverstanden' blijven bestaan, die tot grote wanorde aanleiding kunnen geven. En het mag toch waarachtig geen overdreven wensch heeten, dat iedere Nederlander in het openbare leven kan zien, met wien hij te doen heeft en of hij niet tegenover zijn aartsvijand staat! (19 september 1941)
Naar aanleiding van het begin van de deportatie der Nederlandse Joden:
De situatie is dan ook zoo, dat van nu af aan regelmatig transporten van joden naar het Oosten zullen gaan en wel in zoodanig tempo, dat op 1 juni 1943 geen jood meer in Nederland zal worden aangetroffen. Het jodendom zal dan ook ervaren dat de nationaal-socialistische voorhoede niet om den tuin te leiden is. Geen spoedhuwelijken, geen ijldoopfeesten en kerkbriefjes zullen baten en jodenknechten en jodenslavinnen zullen meemaken dat hun volksverraad en bloedschande een kwaad is, dat zichzelf straft. (17 juli 1942)
In het voorjaar van 1943 besteedt Storm onder de titel 'Afscheid' in een uitgebreide en van vele foto's voorziene reportage, aandacht aan de laatste grote deportaties vanuit Amsterdam. Omdat die foto's de enige zijn die van de Amsterdamse deportaties gemaakt zijn (ze zijn overigens van de hand van Nico de Haas) zijn te terug te vinden in veel werken over de ondergang van het Nederlandse Jodendom. Storm:
Wij hebben afscheid moeten nemen, afscheid van gasten, die sinds eeuwen ons brood z.g. met ons deelden en de beste stukken voor zichzelf wisten te veroveren. Wij hebben ze uitgeleide gedaan en hebben hun een laatste vaarwel toegeroepen, daar op een terrein aan de Polderweg in Amsterdam-Oost. Zij droegen insignes, zespuntige sterren, die daar echter het bewijs waren, dat zij behoorden tot de leden van het reisgezelschap naar Polen. (...) Hoeveel bloed er door het joodsche reeds verontreinigd werd, hoeveel bastaarden er hier op de straten rondloopen, dat alles kon men eerst zoo recht begrijpen bij het zien van deze scènes. Doode getallen werden hier levend. De practijk bevestigde de wetenschap. Maar erger nog. Wij waren ook reeds op weg een net blond jodentype met bijna arisch gezicht te kweeken. Daar wandelden zij rond, deze joden en jodinnen. Een bekende lichte vrouw was erbij, platina, zoodat geen mensch haar het joodsche bloed zou aanzien. Tientallen liepen daar, die zoo zonder meer de bruid van een goeden arischen jongen hadden kunnen worden, zonder dat de man er ook maar een oogenblik aan zou hebben gedacht een jodin tot vrouw te kiezen. Daar was een gevaar en dat gevaar was zeer groot. Het is goed, dat hier ingegrepen werd. Zoo zijn de joden dan verdwenen. Wij hebben gezien hoe zij in de treinen verdwenen. Het afscheid is ons niet zwaar gevallen. (4 juni 1943)
Distributie en oplagen
In de zomer van 1942 kende Storm een oplage van 12.500 exemplaren, met ongeveer 5000 abonnees. De oplage van Storm steeg vanaf 1943 aanzienlijk, mede door de meer of minder verhulde aanvallen op de officiële Nederlandse instanties. Tot in de zomer van 1944 steeg het aantal exemplaren in de losse verkoop tot ruim 17.000, het aantal abonnees nam toe tot ruim 7000 en bovendien werden vanaf de herfst van 1943 10.000 exemplaren aangeschaft door het Nederlands Arbeidsfront ten behoeve van in Duitsland werkzame Nederlanders. Ook zijn vrijwel altijd een onbekend aantal exemplaren verzonden naar Nederlandse SS-vrijwilligers aan het oostfront. De totale oplage komt daarmee op circa 35.000 exemplaren.
De strijd tussen NSB en SS
Aanvankelijk hield Storm de tegenstellingen tussen de op Dietsland en Groot-Nederland gerichte NSB en de Groot-Germaans denkende Nederlandsche SS op de achtergrond. Onder redactie van Nico de Haas viel er zo nu en dan slechts een licht oppositionele toon tegen de NSB te bespeuren. Men zou kunnen zeggen dat Storm de nog relatief gematigde koers van de aan de NSB gebonden Nederlandsche SS volgde. De Haas wist de Diets denkende NSB'ers aan Storm te binden door bij het uiten van Groot-Germaanse gedachten te benadrukken, dat de gedachte van een Groot-Duitsland niet betekende dat Nederland zijn eigen karakter moest prijsgeven, hetgeen een van de belangrijkste bezwaren van de Dietse stroming was.
De periode onder De Haas die zich kenmerkte door een gematigde toon veranderde toen hij eind 1942 als hoofdredacteur werd vervangen door SS-onderstormleider H.W. van Etten. Waarom De Haas niet langer aan het roer van Storm bleef staan, is niet helemaal duidelijk. Zelf beweerde hij in zijn 'Rapport over Hamer' (1943) dat zijn werkzaamheden voor het zowel in Nederland als Vlaanderen verschijnende tijdschrift Hamer prioriteit dienden te krijgen. L. de Jong geeft in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een andere verklaring voor het plotselinge vertrek van De Haas. Kon De Haas' matigende toon al niet op ieders sympathie rekenen, zijn onverbloemde aanvallen op de kerken alarmeerden zelfs het Reichskommissariat Niederlande, waar men ze zag als een voedingsbodem voor maatschappelijke onrust. Vooral Reichskommissar Seyss-Inquart maakte zich grote zorgen over de potentiële onrust die De Haas hiermee kweekte. Om hier een einde aan te maken zou besloten zijn om De Haas te vervangen door Van Etten.
Onder invloed van Van Etten kreeg Storm net als zijn Duitse tegenhanger Das Schwarze Korps, het blad voor de Duitse SS, in toenemende mate een kritische toon. Met hulp van de radicale Rost van Tonningen en de voorman der Nederlandsche SS Henk Feldmeijer werden de artikelen meer en meer voorzien van zinsneden waarin het functioneren van Mussert werd bekritiseerd. Zowel Musserts persoon als zijn politiek werden met enige regelmaat op de hak genomen. Alhoewel dit alles slechts tussen de regels door viel op te lezen, was de boodschap voor de gemiddelde lezer meer dan duidelijk. Een uitstekend voorbeeld van de behandeling die Mussert ten deel viel, was de geïllustreerde pagina die ter gelegenheid van Musserts 59e verjaardag verscheen in Storm van 14 mei 1943. In zijn (niet verzonden) nota aan Hitler van 17 mei 1943 zegt Mussert dat Storm foto's heeft afgedrukt waarop hij staat afgebeeld
als een zwakzinnige en wordt omringd door de figuren die mij in de loop der jaren hebben verraden.
De betreffende foto is inderdaad geraffineerd in elkaar gezet. Bij eerste beschouwing is er sprake van een neutraal getoonzette pagina, waar men Mussert in zijn diverse hoedanigheden aantreft. Nadere beschouwing geeft de ware opzet echter weer. Zo is er een foto waar Himmler Mussert bij de arm meevoert, wat het onbeholpen imago van Mussert versterkt. Op de foto 'Aan het werk' zien we Mussert achter de schrijftafel, en niet omringd door zijn volk, zoals het een ware leider betaamt. Op een andere foto staat Mussert in de nabijheid van George Kettmann, die door Mussert een paar maanden eerder uit de NSB gestoten is. Ook zien we Mussert in het gezelschap van freule Julia Op ten Noort en Florrie Rost van Tonningen-Heubel, beiden representanten van de volkse SS-beweging die zich al sinds jaar en dag tegen Mussert verzette.
Van Etten was in dat opzicht succesvol; zijn kritische toon leek in de smaak te vallen. Met het distantiëren van de NSB hoopte Storm een deel van het Nederlandse volk voor zich te winnen. De gemiddelde Nederlander had een hekel aan de NSB en daar hoopte het blad op in te kunnen spelen. De misrekening was echter dat de meeste Nederlanders weliswaar niets op hadden met de NSB, maar nog veel minder met de SS. De stille hoop dat men een groot deel van het Nederlandse volk voor het karretje van de SS kon spannen, bleek allesbehalve realistisch. De groei van de oplage leek dan ook niet te danken aan het aantal 'gewone' Nederlanders dat Storm las, maar meer aan de aantallen SS'ers en NSB'ers die op de hoogte wilden blijven van de onderlinge richtingenstrijd. Alhoewel de oplage steeg, werd het doel waarvoor Storm aanvankelijk was opgericht, namelijk buitenstaanders interesseren voor het gedachtegoed van de SS, daardoor niet gehaald.
Na 'Dolle Dinsdag'
De opmars van de Geallieerde legers had ook voor Storm grote gevolgen. In september 1944 werd het redactiekantoor verplaatst van Amsterdam naar Groningen en werd Nico de Haas weer aangesteld als redacteur. Alhoewel De Haas zichzelf binnen de SS als bijzonder evenwichtig typeerde, leek zijn rentree vooral te danken aan zijn roem als ideoloog van het geweld. In april 1945 ging ten slotte tijdens de hevige strijd in de binnenstad van Groningen het redactiekantoor in vlammen op. De Haas had, nadat hij het laatste nummer van Storm (te verschijnen op 4 mei 1945) persklaar had gemaakt, toen reeds de benen genomen.

2-Nederland in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4