Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Kampgevangene in Auschwitz

Primo Levi

Primo Levi (Turijn, 31 juli 1919 – aldaar, 11 april 1987) was een Joods-Italiaans schrijver van korte verhalen, romans en gedichten. Hij was ook scheikundige en een van de overlevenden van Auschwitz.n
Leven
Levi was afkomstig uit een Joods middenklassengezin. Van een baby die vaak ziek was, groeide hij uit tot een frivole en slimme kleuter. Zijn ouders kregen twee jaar na zijn geboorte nog een tweede kind, Anna Maria, met wie hij zijn leven lang een warme band zou hebben. In zijn eerste schooljaren was Primo een geliefd kind. Dit veranderde naarmate hij ouder werd. Zijn kleine postuur, intelligentie en hekel aan sport waren enkele oorzaken waardoor Primo gepest werd. Bovendien keken klasgenoten op hem neer, omdat de familie Levi van Joodse afkomst was. Hoewel het gezin volledig geassimileerd was en de joodse wetten niet werden nageleefd – slechts de joodse feesten werden gevierd, niet uit religieuze overtuiging, maar om de familieband te versterken – werd Primo aangekeken op zijn Joodse achtergrond.
Als puber besloot Primo om chemicus te worden. Na de middelbare school ging hij scheikunde studeren aan de Universiteit van Turijn. Hij behaalde uitstekende resultaten, waardoor hij na zijn studie de kans kreeg om een proefschrift te schrijven. Doordat in het fascistische Italië de anti-Joodse sentimenten voortdurend sterker werden en vanaf 1938 antisemitische wetten van kracht werden, kreeg Levi na zijn promotie geen betrekking aan de universiteit. Ook buiten de academische wereld slaagde hij er niet in een baan te vinden. Dit maakte hem uiterst wanhopig. Al vanaf zijn kindertijd had hij met enige regelmaat met ernstige depressies te kampen. In psychisch opzicht was Levi verre van stabiel. Door het uitblijven van een vaste aanstelling werd hij wanhopig en verhevigde zijn depressie. Tegenover een vriend verklaarde hij zelfmoord te hebben overwogen. Uiteindelijk kon hij onder een valse naam aan de slag in een klein laboratorium.
In 1939 ontdekte Levi zijn liefde voor wandelen in de bergen. Samen met zijn vriend Sandro Delmastro bracht hij veel weekends door in de bergen van Turijn. De fysieke inspanning, het risico en de strijd met de elementen die hier geleverd werd, waren voor hem een uitlaatklep voor alle frustraties in zijn leven. In juni 1940 verklaarde Italië de oorlog aan Groot-Brittannië en Frankrijk en de eerste luchtaanvallen op Turijn volgden al twee dagen later. Levi studeerde verder, maar kreeg een zware klap te verwerken toen bleek dat zijn vader darmkanker had.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam aan zijn werk in het laboratorium een einde. Levi moest onderduiken. In de zomer van 1942 raakte hij betrokken bij het verzet. In eerste instantie kreeg hij slechts kleine taken toebedeeld. Zo was hij belast met de taak om 'Viva la pace' ('Leve de vrede') op bankbiljetten te schrijven. Nadat Turijn een jaar later tot de Republiek van Salò, de fascistische Duitse marionettenstaat, ging behoren, sloot Levi zich aan bij een groep gewapende partizanen, Giustizia e Libertà, wat staat voor Recht en Vrijheid. De eenheid waar hij terechtkwam, kende een slechte strategie en organisatiestructuur. De groep bestond voornamelijk uit studenten, waarvan de meesten nog nooit een wapen hadden leren hanteren. Een infiltrant zorgde ervoor dat Levi’s afdeling werd opgepakt. Levi werd op 13 december 1943 gearresteerd. Nadat men achterhaalde dat Levi een Jood was werd hij naar het doorvoerkamp in Fossoli gebracht. Hiervandaan werd Levi op 22 februari 1944 als Jood en verzetsstrijder gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij uiteindelijk werd tewerkgesteld in de Buna-Werke van Auschwitz-Monowitz. Levi overleefde Auschwitz, als een van de vijf overlevenden van een groep van 650 Italiaanse Joden, mede dankzij het feit dat hij als scheikundige een zogenoemd 'bruikbare Jood' was, en bovendien Duits kende: voor de oorlog was dit de taal van veel belangrijke scheikundeboeken. Hij overleefde echter ternauwernood enkele selecties voor de gaskamer.
Na de Tweede Wereldoorlog
Over zijn tijd in het concentratiekamp schreef hij Se questo è un uomo (1947). Het boek werd echter pas in 1958 bekend, toen het opnieuw werd uitgegeven door een grotere uitgever. De eerste Nederlandse druk kwam uit in 1963 onder de titel "Eens was ik een mens" (Arbeiderspers). Een heruitgave in 1987 had de titel "Is dit een mens". Er is enig dispuut over de juistheid van de vertaling van de titel. "Als dit een mens is", vinden velen een betere vertaling. In "Is dit een mens" beschrijft Levi het leven in het kamp en hoe mensen zich gedragen onder extreme omstandigheden. De onderliggende vraag is voortdurend: is dit een mens? Die vraag geldt voor de onderdrukkers en de onderdrukten. De afstandelijke wijze waarop Levi het leven in Auschwitz beschrijft, maakte erg veel indruk.
In 1963 volgt het boek La Tregua, in het Nederlands in 1966 vertaald als Het oponthoud en in 1988 in een nieuwe vertaling uitgebracht onder de titel Het respijt. La Tregua werd in 1997 verfilmd door Francesco Rosi. In de film speelt John Turturro de rol van Primo Levi. In Het Respijt beschrijft Levi zijn terugtocht van Auschwitz naar Turijn na de bevrijding van het kamp. Het zou een lange reis worden met vele ontberingen. Op 19 oktober 1945 - na een reis van negen maanden - arriveert Levi in Turijn.
De Trilogie over zijn oorlogsherinneringen wordt afgesloten met het boek I sommersi e i salvati. Dit boek verscheen in Italië in 1986 en werd in 1991 in het Nederlands vertaald onder de titel De verdronkenen en de geredden. Het boek is een bundeling van essays waarbij de vraag 'Wie overleefde en waarom?' centraal staat. Ook 'slachtofferschap' en 'schaamte' spelen een belangrijke rol in de bundel. Levi spreekt vaak over de 'schaamte slachtoffer te zijn geweest.'
Naast de drie oorlogsboeken, gebundeld onder de titel "De getuigenissen" schreef Levi nog tal van andere verhalen, gedichten en essays.
Verdacht overlijden
Levi overleed op 67-jarige leeftijd. Hij kwam ten val in een trappenhuis en viel enkele verdiepingen naar beneden. Over de manier waarop Levi stierf zijn de meningen verdeeld. Was het een ongeluk of zelfmoord? Levi-vertaler Reinier Speelman houdt het op een noodlottige val, anderen menen dat Levi sprong omdat hij zijn herinneringen niet meer aankon. Bovendien, zo stelt zijn vriend Ferdinando Camon, had hij zijn levenswerk met I sommersi e i salvati voltooid.
Overig prozawerk
Storie naturali (1966, onder het pseudoniem Damiano Malabaila)
Vizio di forma (1971)
Il sistema periodico (1975, in 1987 in het Nederlands vertaald onder de titel 'Het periodiek systeem')
La chiave a stella (1978, vertaald onder de titel 'De kruissleutel')
Lilit e altri racconti (1981, vertaling: 'Lilith: verhalen')
La ricerca delle radici (1981)
Se non ora, quando? (1982, vertaling: 'Zo niet nu, wanneer dan?')
Alle verhalen (Amsterdam, Meulenhof, 2000)
Auschwitz rapportage (Amsterdam, Meulenhof, 2008)

Geboren 31 juli 1919 
Turijn , Italië
Ging dood 11 april 1987 (67 jaar) Turijn, Italië
Naam van de pen Damiano Malabaila (gebruikt voor sommige van zijn fictiewerken)
Bezetting Schrijver, chemicus
Taal Italiaans
Nationaliteit Italiaans
Onderwijs Degree in chemie
Alma mater Universiteit van Turijn
Periode 1947-1986
Genre Autobiografie, korte verhaal, essay
Opvallende werken Als dit een man is
Echtgenoot Lucia Morpurgo (1920-2009)
Kinderen 2
familie Cesare Levi (vader) 
Ester Levi (moeder) 
Anna Maria Levi (zuster)

 


Hajo Meyer

Hajo Meyer (12 augustus 1924 - 23 augustus 2014) was een joods Duits - Nederlands natuurkundige en een anti-zionistische politieke activist . 
Vroege leven 
Geboren in Bielefeld , in 1938 vlucht Meyer uit nazi-Duitsland alleen naar Nederland, zonder zijn ouders. Hij dook onder in 1943, maar werd na een jaar gearresteerd en bracht tien maanden door in Auschwitz . Zijn ouders, die ook uit Auschwitz waren gedeporteerd, overleefden het niet. 
Post-Holocaust
Na de oorlog keerde Meyer terug naar Nederland en studeerde theoretische natuurkunde . Hij werd uiteindelijk directeur van het Phillips Physics Laboratory (NatLab). Na zijn pensionering volgde hij cursussen in Engeland en werkte hij als een bouwer van nieuwe violen en violen.
Latere carrière
In zijn latere jaren werd Meyer politiek actief, onder meer als regisseur van A Different Jewish Voice . Hij schreef Het einde van Het Jodendom ( The End van het jodendom ) in 2003, die beschuldigt Israël van het misbruiken van de Holocaust aan misdaden tegen de rechtvaardigen Palestijnen . Hij was lid van het International Jewish Anti-Zionist Network . Hij nam deel aan de 2011 "Never Again - For Anyone" tour. Hij beweerde dat het zionisme ouder was dan het fascisme , dat zionisten en fascisten een geschiedenis van samenwerking hadden (Nazi / Zionistische samenwerking was het onderwerp van 51 Documents: Zionist Collaboration with the Nazis , dat werd verzameld en uitgegeven door Lenni Brenner), waarbij onder andere wordt aangeklaagd dat Israël antisemitisme in de wereld wil aanmoedigen om meer joden aan te moedigen naar Israël te emigreren.
Meyer sprak zich uit voor Boycott, desinvestering en sancties tegen Israël. Meyer was lid van de Nederlandse GreenLeft .
Dood 
Op 23 augustus 2014, Meyer stierf in zijn slaap in Heiloo , Nederland op de leeftijd van 90. 
Referenties 
Spring omhoog ^ "Joden zonder Grenzen: In Memoriam: Dr. Hajo Meyer" . Jewssansfrontieres.blogspot.com . Opgerold op 9 september 2016 .
Spring omhoog ^ Verhey, Elma. "Interview - Hajo Meyer" . Tribune, Socialistische Partij (Nederland) . Opgehaalde 2 mei 2010 .
Spring omhoog ^ Murray, Grahame; Watt, Chris (24 januari 2010). "Auschwitz-overlevende:" Israël gedraagt ​​zich als nazi's " " . Herinner Schotland . Opgehaalde 2 mei 2010 .
Spring omhoog ^ [1] Gearchiveerd25 december 2010 bij deWayback-machine.
Spring omhoog ^ Kerrison, Mark (29 januari 2010). "De overlevende van Auschwitz steunt een campagne van boycot, desinvestering en sancties tegen Israël" . Demotix.com . Gearchiveerd vanaf het origineel op 23 september 2015 . Opgerold op 9 september 2016 .

Afbeeldingsresultaat voor Hajo Meyer


Hajo Meyer
Born 12 August 1924
Bielefeld, North Rhine-Westphalia, Germany
Died 23 August 2014 (aged 90)
Heiloo, The Netherlands
Nationality German-Dutch
Scientific career
Fields Theoretical physicist

 


Max Moszkowicz sr.

Max Moszkowicz sr. (Essen, 5 oktober 1926) is een Nederlands voormalig advocaat.
Jeugd en huwelijk
In 1933 vluchtten Moszkowicz' Joodse ouders uit angst voor het opkomend nationaalsocialisme naar Nederland en vestigden zich met hun gezin in Maastricht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor Moszkowicz zijn vader, moeder, broer en zus. Zij werden om het leven gebracht in Duitse vernietigingskampen. Zelf overleefde hij Auschwitz en Mauthausen en werd eind '45 – toen een jaar of 19 – weer naar Nederland gebracht. Na zijn terugkeer uit Duitsland werd hij opgevangen door een katholiek gezin in Limburg.Op 5 oktober 1948 huwde hij in Maastricht Maria Bertha (Berthe) Bessems, een lid van deze familie. Zij kregen vier zonen, David, Max jr., Robert en Bram.
Advocaat
Moszkowicz maakte na de oorlog alsnog het gymnasium af en begon een studie medicijnen te Utrecht. Al snel verwisselde hij deze studie voor rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn afstuderen vestigde hij zich als advocaat in Maastricht. Zijn zonen studeerden eveneens rechten en gingen de advocatuur in voor de familiefirma, die na zijn pensionering geleid werd door de broers David en Max jr. Als strafpleiter groeide Moszkowicz uit tot een van de bekendste van Nederland.Hij is vaak geroemd om zijn vakkennis en pleidooien. Moszkowicz verdedigde bekende namen uit de Amsterdamse onderwereld, zoals de crimineel Klaas Bruinsma en de Heineken-ontvoerders Cor van Hout en Willem Holleeder.Moszkowicz heeft wel aan kritiek blootgestaan omdat hij goed geld verdiende aan het verdedigen van harde misdadigers. Hij pareerde dit met de opmerking dat hij nooit de misdaad verdedigde, maar de mens.
Moszkowicz verdedigde in principe elk soort verdachte, met uitzondering van personen die verdacht worden van oorlogsmisdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Naar eigen zeggen vloeit dit voort uit de afweging dat hij dan "wegens persoonlijke omstandigheden niet in staat zou kunnen zijn om de best mogelijke verdediging van zo'n cliënt te garanderen".
In 2004 kreeg Moszkowicz een beroerte, sindsdien woont hij in het Belgische Hasselt.Vanaf januari 2013 is hij om gezondheidsredenen uitgeschreven als advocaat. Zijn zonen Robert, Bram en David werden als gevolg van tuchtprocedures uit het beroep van advocaat gezet.
Nevenactiviteiten
Naast zijn activiteiten als advocaat en manager heeft Moszkowicz sr. onder het pseudoniem 'Mr. Raab' vele jaren lang een wekelijkse column in De Telegraaf geschreven.Hierin verhaalde hij over zijn belevenissen als advocaat. Op basis hiervan zijn boeken verschenen en is ook een televisieserie gemaakt.
Van 1963 tot 1967 was hij lid van het hoofdbestuur van de VVD.
Bibliografie[bewerken]
2005 - Raab geeft niet op
2003 - Raab zet door
1999 - Raab op zijn best
1998 - Recht voor zijn raap
1994 - Bloed en tranen: uit de praktijk van mr. Raab
1989 - Uit de praktijk van mr Raab
1988 - Mr. Raab vertelt
1986 - Recht voor z'n raap Dl. 2
1985 - Recht voor z'n raap Dl. 1

Max Moszkowicz sr. (1985)

Max Moszkowicz sr. (1985)
Algemene informatie
Geboren Essen, 5 oktober 1926
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederlands
Beroep Advocaat
Overig
Kinderen David (1950)
Robert (1953)
Max (1955)
Bram (1960)
Kleinkinderen: Max Moszkowicz

Religie joods
Politiek VVD
Portaal Portaalicoon Mens en maatschappij

 


Peter van Pels

Peter Aron van Pels (Osnabrück, 8 november 1926 - Mauthausen, 5 mei 1945) was de zoon van Auguste en Hermann van Pels en een van de acht onderduikers in het Achterhuis, waar ook Anne Frank zich schuilhield.

Peter en zijn ouders vluchtten in 1937 vanuit Duitsland naar Nederland, vanwege het opkomende nazisme. Zijn vader was Nederlands en zijn moeder Duits. Ze woonden in Amsterdam op de Zuideramstellaan, pal achter de familie Frank aan het Merwedeplein. Iedereen die Peter heeft gekend, zei over hem dat hij heel erg handig was. Vanaf 13 juli 1942 dook Peter met zijn ouders onder in het Achterhuis, samen met de familie Frank en de tandarts Fritz Pfeffer. Na ruim twee jaar onderduiken werden ze verraden en opgepakt. Hij, Otto Frank, Fritz Pfeffer en Hermann van Pels kwamen in het mannengedeelte van Auschwitz. Vlak voor de bevrijding van het kamp door de Russen, werd Peter met tal van andere gevangenen op 'dodenmars' naar Mauthausen in Oostenrijk gestuurd. Dat was enkel het lot van degenen die nog in staat waren om te lopen: Otto Frank was achtergebleven in Auschwitz. Peter stierf in het concentratiekamp Mauthausen, drie dagen voor de bevrijding.

Trivia
De Britse auteur Sharon Dogar schreef een roman met Peter Aron van Pels in de hoofdrol: Annexed. The incredible story of the boy that loved Anne Frank, in het Nederlands vertaald als De jongen in het Achterhuis. Dit boek kreeg vanuit bepaalde hoeken stevig commentaar, omdat Dogar suggereerde dat Anne Frank en Peter een seksuele relatie gehad zouden hebben. De auteur meende dat uit Annes dagboek opgemaakt te hebben.[bron?] De neef van Frank, Buddy Elias, herkent zich niet in dat geschetste beeld van Dogar

Peter van Pels (1942)

Peter van Pels (1942)
Algemeen
Geboortedatum 8 november 1926
Sterfdatum 5 mei 1945
Geslacht Man
Geboorteplaats Osnabrück
Plaats van overlijden Mauthausen

 


Auguste van Pels

Auguste van Pels-Röttgen (Buer, 29 september 1900 - tussen Raguhn en Teresienstadt, 9 april 1945) was één van de onderduikers in Het Achterhuis.

Auguste Röttgen trouwde op 5 december 1925 met Hermann van Pels. Hun zoon Peter werd geboren in 1926. In 1937 vertrok het echtpaar van Pels vanwege de nazidreiging in Duitsland naar Nederland en vestigden zich in Amsterdam, waar zij eerst een woning aan de Biesboschstraat betrokken, en in 1940 verhuisden naar de Zuider Amstellaan. Na een aantal vruchteloze pogingen om met het gezin naar Amerika te emigreren, duikt de familie van Pels op 13 juli 1942 onder tezamen met de familie Frank en tandarts Fritz Pfeffer aan de Prinsengracht 263.

Op 4 augustus 1944 worden de onderduikers verraden en opgepakt. Zij worden naar Westerbork getransporteerd en van daaruit met het laatste transport naar Auschwitz in september 1944. Ze werd van haar man en zoon gescheiden en bleef daarna kort bij Anne, Margot en Edith in het vrouwengedeelte van Auschwitz-Birkenau. Daarna ging ze naar Bergen-Belsen, waar ze Anne en Margot opnieuw tegenkwam. Vandaar ging ze naar Raguhn, een deel van Buchenwald. Op transport naar Teresienstadt overleed ze op 9 april 1945. Ooggetuige Rachel van Amerongen-Frankfoorder verklaarde dat Auguste van Pels door de Nazi's tijdens het transport op het treinspoor is gegooid en ter plekke om het leven kwam.[1]



Externe link
Auguste van Pels-Röttgen op het Joods Monument

Afbeeldingsresultaat voor Auguste van Pels

Geboortedatum 29 september 1900
Sterfdatum 9 april 1945
Geslacht Vrouw
Geboorteplaats Buer
Plaats van overlijden tussen Raguhn en Teresienstadt

 


Fritz Pfeffer

Fritz Pfeffer (Gießen, 30 april 1889 - Neuengamme, 20 december 1944) was een Duitse tandarts, die bekend werd doordat hij in de Tweede Wereldoorlog samen met de familie Frank in Amsterdam ondergedoken zat. In Anne Franks dagboek Het Achterhuis wordt hij met de naam Dussel geduid, dat het Duitse woord is voor stommerik of leeghoofd.
Biografie
Fritz Pfeffer werd op 30 april 1889 in Giessen (Duitsland) geboren. Zijn ouders waren joods en hadden een kledingzaak in het centrum van de stad. Na zijn middelbare school studeerde hij voor tandarts in Berlijn en na zijn studie startte hij daar een tandartspraktijk.
In 1921 trouwde hij met de veel jongere Vera Bythiner. Op 3 april 1927 werd hun zoontje Werner geboren (1927-1995). Het huwelijk van Fritz en Vera liep in 1933 uit op een scheiding. Fritz Pfeffer kreeg de voogdij over Werner toegewezen. Na de machtsovername door de nazi's in 1933 kreeg hij het steeds moeilijker in zijn tandartspraktijk en op een gegeven moment zag hij zich genoodzaakt deze illegaal voort te zetten.
Na zijn scheiding van Vera Bythiner maakte Fritz Pfeffer kennis met Charlotte Kaletta. Vanwege de Nürnberger wetten van 1935, die huwelijken tussen Joden en niet-joden verboden, was het voor hen onmogelijk te trouwen. Na de Kristallnacht emigreerden Fritz en Charlotte naar Nederland. Fritz stuurde zijn zoontje Werner met een kindertransport naar zijn broer Ernst in Engeland. Vermoedelijk behoorde Werner tot de groep van 350 vluchtelingen uit Noord-Duitsland, die op 15 december 1938 aankwamen in Harwich. Ernst Pfeffer was ook tandarts en overleed in 1944.
Pfeffer vestigde zich als tandarts in Amsterdam-zuid in een praktijk aan de Amstellaan, die nu de Vrijheidslaan heet. Hij was samen met zijn vrouw regelmatig te gast bij de de theepartijtjes van de familie Frank op zaterdagmiddag. In 1939 leerde hij Miep Gies kennen en zij werd een van zijn patiënten. Het was voor niet-joden in 1942 al geruime tijd verboden zich door joodse artsen of tandartsen te laten behandelen. Miep bleef echter zijn patiënt, want zij vond Pfeffer een uitstekende tandarts en ze mocht hem graag.
In de herfst van 1942 wilde Fritz onderduiken en vroeg aan Miep Gies of zij een onderduikadres voor hem wist. Miep overlegde met de families Frank en Van Pels die al sinds 6 juli 1942 ondergedoken waren en deze stemden erin toe dat hij op hetzelfde adres onderdook. Pfeffer was vanaf 16 november 1942 de achtste gast in het Achterhuis aan de Prinsengracht 263. Hij deelde een kamer met Anne Frank. Via Miep Gies hield hij contact met zijn vrouw Charlotte. Hij wilde samen met Charlotte na de oorlog naar Zuid-Amerika emigreren en leerde in het Achterhuis alvast de Spaanse taal. Dat Pfeffer ook als tandarts in het Achterhuis fungeerde, blijkt uit het dagboek van Anne Frank. Zij beschrijft daarin hoe hij bij mevrouw van Pels een tand wilde trekken. Anne schrijft: "Mijnheer Pfeffer, de man van wie altijd gezegd werd dat hij uitstekend met kinderen op kon schieten en ook van alle kinderen hield, ontpopt zich als de meest ouderwetse opvoeder en preker van ellenlange manierenreeksen". Fritz Pfeffer was bij de familie Frank niet erg populair. Anne zelf noemt hem in haar dagboek naast Dussel ook de zondebok van het achterhuis.
Op 4 augustus 1944 werden de acht onderduikers verraden en door Karl Silberbauer gearresteerd. Pfeffer verbleef samen met de anderen vier dagen in de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam en aansluitend in het concentratiekamp Westerbork. Op 3 september 1944 werden ze alle acht samen met 1011 andere gevangenen naar concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd, waar ze op 6 september 1944 aankwamen. Via concentratiekamp Buchenwald of via concentratiekamp Sachsenhausen werd Fritz Pfeffer naar het concentratiekamp Neuengamme gedeporteerd, waar hij op 20 december 1944 overleed hij aan enterocolitis. Pfeffers eerste vrouw Vera Bythiner werd in Auschwitz vermoord.
Situatie na 1945
Stolperstein voor Fritz Pfeffer

In 1946 emigreerde Werner Pfeffer naar de Verenigde Staten en veranderde zijn naam in Peter Pepper. Hij stichtte er een gezin en werd een geslaagd zakenman. Hij overleed op 15 februari 1995.
Op 9 april 1953 werd het huwelijk tussen Charlotte Kaletta en Fritz Pfeffer met terugwerkende kracht vanaf 31 mei 1937 erkend. Lotte Kaletta kon daardoor tot aan haar dood in 1985 van een bescheiden pensioen genieten. De in 1987 gedane vondst op de Amsterdamse Vlooienmarkt van een deel van Kaletta's inboedel met foto's en brieven van Pfeffer, werpt een ander licht op het werkelijke karakter van Fritz Pfeffer. Het door Anne Frank in haar dagboek opgeroepen beeld van een sikkeneurige, kleinzielige en irritante man ontstaan door het langdurig gedwongen samenleven op een kleine plek, wordt daardoor in positieve zin bijgesteld.
In 1990 publiceerde Nanda van der Zee het boek De kamergenoot van Anne Frank na de vondst van een deel van een deel van de inboedel van Lotte Kalette door Joke Kniesmeyer, een medewerkster van de Anne Frank Stichting. Met deze uitgave zette zij het door Anna Frank in haar dagboek eenzijdig geschetste beeld recht van Fritz Pfeffer aan de hand van een fictief getuigenverslag van Lotte Kalette over de onderduikersperiode in het Achterhuis aan de Amsterdamse Prinsengracht. Door Lotte te laten vertellen kon zij naar eigen zeggen de vergeten levende slachtoffers om de directe, dode slachtoffers heen, wier leven mede werd en wordt ontwricht door de oorlog, een stem geven.
In Berlijn herinnert sinds 12 september 2007 een Stolperstein voor het huis Lietzenburger Straße 20b aan Fritz Pfeffer.
Media
Het dagboek van Anne Frank werd meermaals verfilmd. De rol van Fritz (Albert Dussel) wordt in deze films gerelateerd aan het karakter in het boek van Anne Frank. De volgende acteurs speelden de rol:
1959: Das Tagebuch der Anne Frank (The Diary of Anne Frank) – Ed Wynn
1967: Das Tagebuch der Anne Frank (The Diary of Anne Frank) – Donald Pleasence
1980: Das Tagebuch der Anne Frank (The Diary of Anne Frank) – Clive Revill
1985: Het dagboek van Anne Frank – Robert Sobels
1987: Das Tagebuch der Anne Frank (The Diary of Anne Frank) – David Swift
1988: Mein Leben mit Anne Frank (The Attic: The Hiding of Anne Frank) – Jeffrey Robert
1995: Anne no nikki – Yûsuke Takita
2001: Anne Frank – Die wahre Geschichte (Anne Frank: The Whole Story) – Jan Niklas
2009: The Diary of Anne Frank – Nicholas Farrell

Fritz Pfeffer, 1938
Algemeen
Geboortedatum 30 april 1889
Sterfdatum 20 december 1944
Geslacht Man
Geboorteplaats Gießen
Plaats van overlijden Neuengamme
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

Stolperstein voor Fritz Pfeffer

 


Witold Pilecki

Ritmeester Witold Pilecki ([ˈvitɔlt piˈletski]?) (Olonets, Karelië, Rusland), 13 mei 1901 – Warschau, 25 mei 1948), pseudoniemen Roman Jezierski, Tomasz Serafiński, Druh, Witold, was een Pools beroepsmilitair en verzetsman, oprichter van één van de eerste nationalistische verzetsgroepen in Polen en later lid van de Armia Krajowa (Poolse Binnenlandse Leger). Hij liet zich in 1940 gevangennemen om in Auschwitz te komen en zou bijna drie jaar lang de belangrijkste inlichtingenbron over dat kamp voor de geallieerden zijn. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij door de Poolse communistische regering geëxecuteerd.
Korte biografie
Hij werd geboren in Olonets, aan het Ladogameer in Karelië, in een Poolse familie die in 1864 na de Poolse Januari-opstand door de Tsaristische autoriteiten verbannen waren naar Karelië. Op zijn tiende verhuisde hij met zijn familie naar Vilnius. Hij volgde de handelsschool en vocht met distinctie in de Pools-Russische Oorlog van 1920 met de Poolse Ulanen. Na het einde van deze oorlog slaagde Pilecki voor zijn eindexamen en even later werd hij gedemobiliseerd in de rang van vaandrig. Tijdens het interbellum werkte hij als boer op het land van zijn familie in de buurt van Vilnius, hij trouwde en kreeg twee kinderen. Na deelname aan de Poolse campagne in 1939 ontliep Pilecki krijgsgevangenschap en richtte hij één van de eerste verzetsgroepen in Polen op, in Warschau. Later sluit deze groep zich aan bij de Armia Krajowa.
945 dagen in Auschwitz
Hij verwierf bekendheid omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog, voor zover bekend, de enige persoon was die zich op vrijwillige basis liet gevangennemen in Auschwitz.[2] Dit was geheel zijn eigen idee (hij wilde weten in hoeverre de geruchten over Auschwitz waar waren en eventueel een opstand organiseren) en hij moest toestemming vragen aan zijn superieuren voor dit plan. Zij vonden het aanvankelijk te riskant maar lieten zich uiteindelijk door Pilecki overtuigen. Pilecki, onder de valse naam Tomasz Serafiński, liet zich vervolgens in september 1940 eenvoudig oppakken tijdens een razzia in Warschau. Terwijl hij in Auschwitz was organiseerde hij het verzet en informeerde hij via het Poolse verzet de geallieerden al in 1941 over de misdaden die de nazi's begingen. Dit was lange tijd de voornaamste inlichtingenbron voor de geallieerden over Auschwitz. Hij ontsnapte in 1943 uit het kamp, omdat hij op het punt stond ontmaskerd te worden. Later nam hij deel aan de Opstand van Warschau (augustus–oktober 1944), waarna hij als krijgsgevangene in Duitsland terechtkwam.
Witold's rapport
Na zijn ontsnapping uit Auschwitz schreef Pilecki een gedetailleerd rapport, waarin onder andere de volgende regel stond: In de eerste 3 jaar zijn er 2 miljoen mensen vermoord, de komende 2 jaar zullen er 3 miljoen mensen omkomen in dit kamp. Het rapport (bekend als Witold's Rapport) werd doorgestuurd naar de westelijke geallieerden. De geallieerden, die het rapport in 1943 onder ogen kregen, vonden het een schromelijke overdrijving. Pilecki stelde ook voor om het kamp te bevrijden, de Armia Krajowa verkende het kamp van buitenaf en concludeerde dat ze zonder geallieerde steun (luchtsteun en commando's) niet de militaire mogelijkheid had om een succesvolle bevrijdingsactie uit te voeren. De geallieerden gaven het geen hoge prioriteit en wilden niet vliegtuigen en manschappen riskeren voor een actie diep in bezet gebied.
Na de oorlog en zijn executie
Na de bevrijding door Amerikanen werd Pilecki in opdracht van de Poolse regering in ballingschap in september 1945 teruggestuurd naar Polen. Zijn opdracht was informatie verzamelen over het Russische optreden in Polen en een verzetsnetwerk organiseren. In 1946 besloot de Poolse regering in ballingschap echter om al het gewapende verzet tegen de Sovjets te staken en beval alle nog overgebleven verzetsgroepen om de wapens neer te leggen of om uit te wijken naar het Westen. Pilecki legde zich daar niet bij neer en bleef rapporten naar Londen sturen over de stalinistische terreur die de nazistische terreur had afgelost en op dat moment in Polen woedde.
Begin 1947 werd Pilecki door de Poolse veiligheidsdienst, UB, gearresteerd. Na langdurige martelingen en een showproces waarin hij samen met een aantal medestrijders valselijk van spionage werd beschuldigd, en een getuigenis tegen hem van voormalige mede-Auschwitz overlevende en latere premier Józef Cyrankiewicz moest aanhoren, werd hij samen met twee anderen ter dood veroordeeld en in 1948 geëxecuteerd in de Mokotów-gevangenis in Warschau.
Tot 1989 werd alle informatie over Pilecki door het Poolse regime gecensureerd, pas na de val van het communisme werd hij gerehabiliteerd en kreeg hij bekendheid.
Militaire loopbaan
Podoficer, Poolse strijdkrachten: 1921
Podchorąży, Poolse strijdkrachten:
Podporucznika, Poolse strijdkrachten: 1 juli 1925
Porucznika, Poolse strijdkrachten: 11 november 1941
Rotmistrz, Poolse strijdkrachten: 11 november 1943
Major, Poolse strijdkrachten:
Podpułkownik, Poolse strijdkrachten:
Pułkownik, Poolse strijdkrachten: 6 september 2013 (Postuum)
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Witte Adelaar (Postuum) in 30 juli 2006
Commandeur met ster in de Orde Polonia Restituta (Postuum) in 1995
Kruis van Verdienste (2) in 1938
Oorlogskruis 1944
Gwiazda Wytrwałości (Postuum) in 1984
Medal Pamiątkowy za Wojnę 1918-1921
Medal Dziesięciolecia Odzyskanej Niepodległości
Kruis voor de Opstand van Warschau (Postuum)
Kruis van Auschwitz (Postuum)
Krzyż Zasługi Wojsk Litwy Środkowej
Rechtvaardige onder de Volkeren (Postuum)
Ereburger van de stad Warschau

Witold Pilecki in 1939

Witold Pilecki in 1939
Geboren 13 mei 1901
Olonets, Karelië, Keizerrijk Rusland
Overleden 25 mei 1948
Warschau, Woiwodschap Mazovië, Polen
Begraven Lichaam verloren of vernietigd
Religie Rooms-katholiek
Land/partij Vlag van Polen Polen (2e Republiek)
Vlag van Polen Polen
Onderdeel Armia „Prusy”
POL Wojska Lądowe.svg Poolse strijdkrachten
Dienstjaren 1918 - 1921
1939 - 1948
Rang PL Epolet plk.svg
Pułkownik (Postuum)
Eenheid 211 Pułk Ułanów
Armia Krajowa
Armia Polska Tayna
2e Korps
Slagen/oorlogen Pools-Russische Oorlog (1919-1921)
Bevrijding van het Vilniusgebied
Vrede van Riga (1921)
Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

Poolse veldtocht
Sovjet-aanval op Polen
Opstand van Warschau (1944)

 


Rosa Glaser

Tijdens een excursie naar Auschwitz ziet Paul Glaser in een vitrine een koffer met daarop zijn eigen achternaam. Deze gebeurtenis zorgt er uiteindelijk voor dat hij besluit een boek te schrijven over zijn tante Roosje en een geheime familiegeschiedenis.
Paul Glaser (1947) ging een aantal jaar geleden, na eerst een conferentie in de Poolse stad Krakau te hebben bezocht, met enkele collega’s op excursie naar Auschwitz. Opmerkelijk, want eigenlijk had hij helemaal geen trek in een bezoek aan een concentratiekamp. “Ik ervaar het bezoek aan concentratiekampen als een vorm van ramptoerisme”, legt Glaser, die zich destijds door zijn collega’s had laten overhalen, uit. “Misschien wist ik onbewust dat ik er van weg moet blijven”.
Het bezoek aan Auschwitz gaf het leven van Glaser een bijzondere wending. In een vitrine zag hij een grote stapel koffers. Op een van de koffers stond zijn eigen achternaam. De vondst van deze koffer zorgde er uiteindelijk voor dat hij besloot het geheim van zijn familie te onthullen: het verzwegen lot van zijn tante Roosje (1914-2000) en de Joodse identiteit van zijn familie.
Die tante heette Rosa Regina Glaser en was, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, een levenslustige danseres die middenin het leven stond. Het feit dat ze Joods was zei haar eigenlijk niet zo heel veel, maar naarmate de oorlog vorderde werd ze, als zoveel Joden, op een pijnlijke manier meer en meer geconfronteerd met haar Joodse wortels.
Het werd steeds lastiger voor de danseres om op te treden en ook het runnen van haar dansschool werd alsmaar moeilijker. Niet alleen de welbekende anti-Joodse maatregelen maakten het haar onmogelijk haar leven in te richten zoals ze zelf wil, ze had ook nog eens te kampen met dubieuze Hollanders.
Met een echtgenoot bijvoorbeeld die zich in liet palmen door het nationaal-socialisme en later bleek een zogenaamde goede vriend een verrader. Als Jodin werd ze, of ze zich nou Joods voelde of niet, hoe langer hoe meer geïsoleerd van de rest van de samenleving.
De veerkrachtige Rosa maakte, zoals op de achterflap terecht wordt vermeld, gedurende de oorlogsjaren zelfs het ondenkbare mee. Rosa Glaser werd, na als Joodse onderduiker door een ‘vriend’ te zijn verraden, opgepakt door Nederlandse agenten en belandde via de kampen Westerbork en Vught onder meer in Auschwitz en Ravensbrück. In Westerbork knoopte ze een relatie aan met een SS-officier waardoor een transport naar Polen gerekt werd. Uiteindelijk ontkwam Rosa echter niet aan het gevreesde transport naar Auschwitz. Ook dit kamp wist ze echter te overleven. Ze werkte er bij de gaskamers en later leerde ze SS’ers dansen op Duitse liedjes als Warum ist es am Rhein so schön. Rosa Glaser overleefde uiteindelijk zes concentratiekampen.
Bewonderenswaardig is de levenskracht die Rosa ook op de meest zwarte momenten wist vast te grijpen. Haar vastbeslotenheid te overleven en haar waardigheid te behouden zijn ontroerend. Na de oorlog ondertekende ze al haar brieven met de naam Rosita. In de letter ‘R’ tekende ze voortaan een klein lachend gezichtje. “Als lange neus naar al diegenen die mij klein hadden willen krijgen. Ze hebben me niet gekregen.”
Paul Glaser beschrijft in dit boek, dat overigens leest als een roman en erg helder en toegankelijk geschreven is, ook zijn eigen zoektocht naar de geschiedenis van zijn familie. Zijn vader John, broer van Rosa, voedde hem katholiek, sprak niet over het oorlogsverleden en waarschuwde toen hij liet weten op zoek te gaan naar de familiegeschiedenis: “De mensen vinden die Joodse achtergrond en verschrikkelijke geschiedenis interessant, maar praat er niet over, houd het voor je, want vroeg of laat wordt het tegen je gebruikt”. Die houding is te begrijpen als je je bedenkt dat ongeveer 95 procent van de familie van John Glaser tijdens de oorlog werd vermoord.
“Moeilijkheden en risico’s vormen de vuurproef van ons karakter”
– Rosa Glaser
Nadat Paul in Auschwitz de koffer met daarop de naam ‘Glaser’ had gevonden, sprak hij met zijn vrienden over zijn tante en de familiegeschiedenis. Zijn vrienden adviseerden hem het verhaal verder te vertellen. Bij het schrijven maakte Glaser dankbaar gebruik van de memoires die zijn tante achterliet. Zelf bezocht hij zijn tante een keer en sprak toen uitvoerig met haar over haar ervaringen.

Rosa schreef zowel tijdens als na de oorlog over haar ervaringen. Een deel van haar dagboeken gingen bij een bombardement verloren. Na de oorlog begon ze opnieuw. Ze droeg het werk op aan haar omgekomen ouders en aan hen die met haar het standpunt delen dat moeilijkheden en risico´s de vuurproef van het karakter vormen.
Interessant aan het boek Tante Roosje is onder meer dat het verhaal niet stopt waar de Tweede Wereldoorlog eindigt. Het antisemitisme was in 1945 niet plotsklaps verdwenen. Ook in Nederland had het antisemitisme flink wortel geschoten en veel uit de kampen terugkerende Joden werden in het vaderland hardvochtig behandeld en zelfs tegengewerkt. Soms zelfs dusdanig dat deze terugkerende Joden besloten te emigreren naar vriendelijker oorden.
Rosa besloot na de oorlog in Zweden te gaan wonen. Omdat het de Zweden waren die haar leven hadden gered. Niet de Nederlanders, die hadden haar opgepakt en tot twee keer toe verraden. De enige echte hulp die ze in Nederland tijdens de oorlog ontving, kwam van een Duits echtpaar. “Terugkijkend op al die gebeurtenissen kan ik niet anders dan vaststellen dat Nederlanders voor mij geen medelanders zijn geweest toen het erop aankwam”, schrijft Rosa in het boek.
“De houding van Nederland was in en na de oorlog jegens joodse landgenoten niet alleen kil maar soms zelfs vijandig”
– Paul Glaser
Kort na aankomst in Zweden ontving Rosa Glaser van de Nederlandse ambassade in Stockholm wel een warme winterjas. Die kon ze na alle oorlogsverschrikkingen goed gebruiken. Een ‘warm gebaar’ van de ambassade. Illustratief voor de manier waarop veel Joden na de oorlog door Nederland behandeld werden is echter dat Rosa enige tijd later een rekening opgestuurd kreeg. Of ze de jas nog even terug wilde betalen. Een klein voorbeeld, maar zo staan in het boek veel meer voorbeelden die getuigen van de harde Nederlandse houding.
Auteur Paul Glaser laat zich in niet mis te verstane bewoordingen uit over de wijze waarop Nederland de Joden tijdens en na de oorlog behandelde:
“De houding van Nederland was in en na de oorlog jegens joodse landgenoten niet alleen kil maar soms zelfs vijandig. Geld en goederen waaronder schilderijen werden niet of pas laat teruggegeven, opvang ontbrak of was mager, er was weinig compassie.”
Glaser denkt dat die houding veel te maken heeft met de vaak zo geroemde Nederlandse handelsgeest.
“De houding van Nederland was toen te zuinig. Wij zijn er trots op dat we een handelsvolk zijn. Dit is de andere kant van die mentaliteit. Het zijn de normen en waarden van een handelsman met als centrale vraag: wat word ik er beter van. Gelukkig is het nu een stuk beter maar de kern van die mentaliteit is er nog steeds, wij blijven een handelsvolk”.
Paul Glaser is door het verhaal van zijn tante niet anders gaan denken over het bezoeken van concentratiekampen. Tegen de goede bedoelingen van scholen die met hun leerlingen kampen bezoeken heeft hij echter niets.
“Ik geloof zelf niet dat mensen er veel van leren, dat blijkt ook nergens uit. Als ze er van leren zijn het gruwelijkheden. Kijk maar hoe mensen reageren in tijden van crisis, hoge werkloosheid, oorlog, vreemdelingenhaat. Ik geloof veel meer in belang van stabiele structuren zoals de Europese Unie. Zo is nog iets moois ontstaan uit de ellende van die oorlog.”

Rosa Regina Glaser

 

 

 

Roosje in 1941

 


Rémy Roure

Rémy Roure , geboren op30 oktober 1885in Arcens ( Ardèche ) en stierf op8 november 1966in Parijs , is een journalist en een Frans verzet, metgezel van de bevrijding .

Hij was een journalist bij Le Temps , Le Monde en Le Figaro .
Biografie 
Rémy Roure nam deel aan de Eerste Wereldoorlog en werd gevangen genomen: hij ontsnapte verschillende keren. Tijdens zijn gevangenschap in het fort van Ingolstadt in Beieren ontmoette hij twee andere gevangenen in 1917: Charles de Gaulle en Michail Tukhatsjevski , de toekomstige Sovjetmaarschalk geëlimineerd door Stalin in 1937.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog trad hij al vroeg in dienst bij het verzet. Met generaal Cochet richtte hij met François de Menthon de Liberté- beweging op waarvan hij lid is van de stuurgroep. Lid van de strijd , was hij voorstander van een toenadering tussen deze beweging en generaal De Gaulle, meer uitgesproken en vroeger dan zijn baas, Frenay , die hij beschuldigt zijn vis-à-vis opportuniteit van de strijd tegen Frankrijk heeft .

Rémy Roure is ook lid van een bergingsnetwerk van geallieerde piloten, Bordeaux-Loupiac , terwijl ze blijft schrijven in Le Temps , een activiteit die dienst doet als "cover". de11 oktober 1943Terwijl hij escorteerde naar Rennes Amerikaanse piloten die hij naar Londen moest begeleiden door een maritieme operatie, werd hij door de Gestapo tegengehouden in het Café de l'Epoque, rue du Pré-Botte, na een aanklacht. Hij probeert te ontsnappen maar raakt tijdens zijn poging ernstig gewond door geweerschoten terwijl Jean-Claude Camors , of Raoul, chef van Bordeaux-Loupiac die hem vergezelt, wordt neergeschoten. Bijna sterven - sneed hij de slagader - het is wonderbaarlijke wijze genezen door een Franse chirurg, D r Eugène Marquis. Vier dagen later in Fresnes geïnterneerd, wordt hij geslagen en gemarteld, maar hij is stil. de27 april 1944hij verliet Camp Compiegne om gedeporteerd te worden naar Duitsland, eerst naar Auschwitz voor een paar dagen, vervolgens naar Buchenwald waar hij aankwam 14 mei 1944. Hij werd vervoerd in het konvooi van getatoeëerde 2 , 3 en draagt ​​het nummer 186331 . Hij wordt vrijgelaten op11 april 1945in Buchenwald 4 .

Onder gevangenen en gedeporteerden, wordt gedelegeerd aan de Voorlopige Raadgevende Vergadering , de24 juli de 3 augustus 1945.

Aan het einde van de oorlog wordt Rémy Roure 'metgezel van de bevrijding 5 ' gemaakt.

Bij de bevrijding maakt hij deel uit van het team van voormalige leden van de populaire democratische partij (PDP) die de transformatie van de PDP weigeren in een populaire republikeinse beweging (de MRP), die ervoor kiest om een ​​nieuwe Democratische Partij (PD) te vormen, die zich voegt de Rally van de Republikeins Links . De DP fuseerde in 1946, na enkele maanden van bestaan, met de Democratische en Socialistische Bond van Verzet (UDSR).

Roure is ook een van de hoofdfiguren van de vooroorlogse journalistiek om zich bij Le Monde aan te sluiten , onder de hoede van Hubert Beuve-Méry.

Hélène Roure , echtgenote van Rémy, geboren op20 mei 1888La-Magisterium ( Tarn-et-Garonne ), werd uit Parijs gedeporteerd, van het Gare de l'Est, de kamp Ravensbrück de18 mei 1944 ; zij draagt ​​het registratienummer 38993 . Ze sterft in dit kamp, ​​een maand voor het einde van het conflict, de31 maart 19456

Afbeeldingsresultaat
biografie
geboorte 
30 oktober 1885Bekijk en bewerk gegevens op Wikidata
ArcensBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
dood 
8 november 1966Bekijk en bewerk gegevens op Wikidata(op 81 jaar oud) 
ParijsBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
Geboorte naam 
Eloi Frédéric Rémy RoureBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
pseudoniem 
Pierre FervacqueBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
nationaliteit 
FransBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
activiteit 
journalistBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
Andere informatie
onderscheidingen 
Grootofficier in het Legioen van Eer 
Croix de Guerre 1939-1945 
Companion van de Bevrijding

 


Walter Süskind

Walter Süskind (Lüdenscheid, 29 oktober 1906 – Midden-Europa, 28 februari 1945) was een Joodse Duitser van deels Nederlandse afkomst die als medewerker van de Hollandse Schouwburg ongeveer 600 Joodse kinderen aan de Jodenvervolging heeft helpen ontsnappen.[1]
Biografie
Süskind groeide op in een gezin met twee broers en een pleegbroer. Hij woonde tot 1938 in Keulen, waar hij sinds 1929 werkzaam was als hoofd verkoop van de margarinefabriek Bolak voor de afzetgebieden Pruisen en Polen. Omdat hij twee Nederlandse grootouders had, bezat hij zowel de Duitse als Nederlandse nationaliteit.
In 1938 besloot hij vanwege het opkomende antisemitisme in Duitsland naar Nederland te verhuizen. Hij vestigde zich met zijn vrouw eerst in Bergen op Zoom, waar hij werkte als verkoper voor Unilever en vanaf 1942 ging hij met zijn vrouw en inmiddels geboren dochtertje in Amsterdam wonen. Omdat de jodenvervolging inmiddels ook in Nederland was aangevangen, hoopte hij vandaaruit naar de Verenigde Staten te kunnen emigreren. Hij correspondeerde hierover met zijn oudere broer Robert, die in 1937 al daarheen was geëmigreerd.[2]
Süskind was werkzaam als metaaldraaier in een machinefabriek in Amsterdam, maar kreeg vanwege zijn Joodse afkomst ontslag en vond daarna werk bij de Joodse Raad als chef bagage- en ordedienst. In die functie was hij de beheerder van de Hollandsche Schouwburg, waar Amsterdamse Joden zich moesten melden voordat ze gedeporteerd zouden worden naar Kamp Westerbork.
Verzetswerk
Vanwege zijn vloeiende Duits en het feit dat hij destijds met de toen in Amsterdam werkzame SS-officier Ferdinand aus der Fünten op school had gezeten, vertrouwden de Duitsers hem en kon hij zonder argwaan te wekken de gegevens van geregistreerde Joodse kinderen vervalsen en ze laten onderduiken en ontsnappen via de nabijgelegen crèche op de Plantage Middenlaan 38 in Amsterdam.
Samen met de directrice van de crèche, Henriëtte Pimentel, en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad, die ook in de schouwburg werkte, werd een werkwijze opgezet om de kinderen er weg te krijgen. De baby's werden achterom door de tuin naar de Hervormde Kweekschool gebracht waarbij de directeur ervan, Johan van Hulst, meewerkte. Hiervandaan gingen ze in een tas, mand of rugzak naar buiten en werden per tram en trein naar Limburg, Drenthe en Friesland gebracht waar het verzet onderduikadressen regelde.
Halverstad en Süskind zorgden ervoor dat de inschrijvingen van de kinderen verwijderd werden uit de administratie. Dit werk gebeurde zonder dat de leiding van de Joodse Raad hiervan op de hoogte was.[3] Gedurende de achttien maanden dat hij de schouwburg beheerde, moet hij met behulp van een aantal verzetsgroepen zeker 600 kinderen en ook een aantal volwassenen gered hebben van deportatie.
Deportatie en overlijden
Uiteindelijk moest het gezin Süskind zelf ook op transport naar Westerbork. Op 2 september 1944 werden ze vandaaruit op transport gezet naar Theresienstadt. Süskind had een vervalste brief van de nazi's bij zich, waarin stond dat hij voor hen onmisbaar was geweest en probeerde deze aan commandant Karl Rahm te overhandigen, maar dit hielp niet.
Ze werden per goederenwagon op transport gesteld naar Auschwitz-Birkenau. Daar kwamen ze aan in oktober en bij de selectie werd hij gescheiden van zijn vrouw en dochtertje. Deze gingen direct naar de gaskamer, waar ze werden vermoord, terwijl Süskind zelf nog een tijdlang in het kamp verbleef. Süskind zelf stierf uiteindelijk rond 28 februari 1945 op een onbekende plek, mogelijk tijdens een van de transporten van kamp naar kamp, de zogenaamde dodenmarsen.
Eerbetoon
Na de oorlog werd het werk van Süskind geëerd door een bronzen plaquette aan de huidige IVKO-school aan de Plantage Middenlaan 31-33. Hierop staat de tekst: "Aan allen die tijdens de Duitse bezetting hebben geholpen Joodse kinderen voor deportatie te behoeden. 1940-1945." Ook werd de ophaalbrug over de Nieuwe Herengracht bij de Hermitage in Amsterdam na de oorlog naar hem vernoemd. Op 15 januari 2012 ging de Nederlandse speelfilm Süskind van Rudolf van den Berg in première, die gebaseerd is op zijn leven.

Afbeeldingsresultaat

Walter Süskind
Born 29 October 1906
Lüdenscheid, Westphalia, Germany
Died 28 February 1945 (aged 38)
Nationality German

Deportatie via goederenwagons in Westerbork

 


Simone Annie Liline Veil-Jacob, DBE (Nice, 13 juli 1927 – Parijs, 30 juni 2017)was een Franse advocate en politica. Ze was in Frankrijk twee keer minister voor Volksgezondheid (ministre de la Santé). Ze was van juli 1979 tot 1982 de 16e voorzitter van het Europees Parlement, de eerste vrouw in deze positie.
In 1988-89 was ze voorzitter van het Frans Comité voor het Europees Jaar van het Milieu.
In november 2008 werd ze lid van de Académie française.
Jonge jaren
Veil werd geboren als dochter van een Joodse architect. In 1943 haalde ze het baccalaureaat. Kort hierop werd ze met haar moeder en zus gedeporteerd naar Auschwitz en van daar naar Bergen-Belsen. Haar moeder stierf in het kamp.
Na de oorlog begon ze met haar studie rechten en politieke wetenschappen. Tijdens deze studie leerde ze Antoine Veil kennen. Ze trouwden op 26 oktober 1946 en kregen drie zonen.
Politieke carrière
Van 1974 tot 1979 was Simone Veil minister van Volksgezondheid in het parlement van achtereenvolgens Jacques Chirac en Raymond Barre. In december 1974 voerde ze een wet in die de beschikbaarheid van anticonceptiemiddelen moest vergroten. Op 17 januari 1975, in de functie van minister van Volksgezondheid, liet ze, tegen de wil van haar eigen politieke kamp, (liberale) wetgeving stemmen die abortus provocatus in Frankrijk uit het strafwetboek haalde. Vooral hiervoor is ze bekend.
Veil werd bij de Europese Parlementsverkiezingen 1979 gekozen tot lid van het Europees Parlement. Door dit nieuwe parlement werd ze gekozen tot voorzitster. Veil behield deze positie tot 1982.
In 1984 werd ze herkozen tot lid van het Europees Parlement, waar ze tot 1989 de leider werd van de Partij van Europese Liberalen en Democraten. In 1989 werd ze nog een keer herkozen tot parlementslid. In 1993 trok ze zich terug uit deze positie. Tussen 1984 en 1992 was Veil onder andere lid van het comité voor Milieu, Volksgezondheid en Voedselveiligheid.
In 1993 werd Veil in Frankrijk opnieuw minister van Volksgezondheid en bleef dit tot 1995. In 1998 werd ze gekozen in de Conseil Constitutionnel. In 2005 trok ze zich tijdelijk terug van deze positie om campagne te voeren voor het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Deze actie werd sterk bekritiseerd daar het in leek te gaan tegen wat leden van de Conseil Constitutionnel mogen doen voor Europese politiek.
Van 2000 tot 2007 was ze voorzitster van de Franse organisatie Fondation pour la mémoire de la Shoah, die zich ervoor inzet de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog niet te doen vergeten.
Datzelfde jaar verraste ze veel mensen door haar steun te betuigen aan presidentskandidaat Nicolas Sarkozy. In 2007 publiceerde ze ook haar autobiografie, "Une vie".
Onderscheidingen
In 1981 ontving Veil de Internationale Karelsprijs Aken.
1984: Four Freedoms Award Freedom medal.
2005: Prins van Asturië-prijs.
2007: Noord-Zuid Prijs van de Europese Raad.
Eredoctor van de Université catholique de Louvain.
Uitvaart
Gedurende vele jaren was Simone Veil een van de meest geliefde Franse personaliteiten, zoals in talrijke opiniepeilingen tot uiting kwam. Haar grote populariteit kwam ook tot uiting naar aanleiding van haar overlijden.
De uitvaart bestond uit een nationale plechtigheid op de binnenkoer van Hotel des Invalides, bijgewoond door heel wat publieke figuren. Beide zoons voerden er het woord. De lijkrede werd uitgesproken door president Emmanuel Macron, die op het einde van zijn toespraak aankondigde dat het echtpaar Veil zal worden bijzet in het Pantheon.
Werken
L'Adaption, données médicales, psychologiques et sociales (1969)

Simone Veil, gymnase Japy 2008 02 27 n5.jpg

Volledige naam Simone Annie Liline Veil-Jacob
Geboren 13 juli 1927
Overleden 30 juni 2017
Functies
27 mei 1974 –
4 juli 1979 minister van Volksgezondheid
juli 1979 – 1982 16e voorzitter van het Europees Parlement
29 maart 1993
18 mei 1995 minister van Volksgezondheid
Portaal Portaalicoon Politiek
 

 


Shlomo Venezia

Shlomo Venezia (Grieks: Σλόμο Βενέτσια) (Thessaloniki, 26 juli 1923 – Rome, 1 oktober 2012) was een Jood van Grieks-Italiaans afkomst, geboren en getogen in Thessaloniki, Griekenland. Hij werd tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau, waar hij werd ingedeeld bij het Sonderkommando. Hij was een van de weinige leden van het Sonderkommando die de oorlog overleefde.
Biografie
Voor de deportatie

Shlomo Venezia groeide op in het Griekse Thessaloniki. Na de Duitse inval vluchtten Venezia en zijn familie naar Athene waar ze in barre omstandigheden moesten leven. Toen Shlomo 20 jaar oud was werden hij en zijn familie echter opgepakt door de SS en in een vrachtwagen naar een kamp gebracht waar ze een week verbleven. Daarna werden ze gedeporteerd naar het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau. De levensomstandigheden in Griekenland waren inmiddels zo slecht geworden, dat de familie dit als een verbetering zag: in hun ogen waren de Duitsers streng maar eerlijk. Dit dachten ze zelfs nog na de aankomst in Birkenau: ze geloofden dat ze er zouden werken voor het Reich. Na een dagenlange reis was iedereen zo uitgeput door het gebrek aan voedsel en slaap dat men alles onderging zonder hierbij vragen te stellen. Na een treinreis van elf dagen kwam de familie in april 1944 aan in Auschwitz. Op het perron werd Shlomo hardhandig van zijn moeder gescheiden. Hij heeft haar en zijn zusters nooit teruggezien.
Aankomst in Auschwitz
Bij aankomst in Auschwitz moesten de mannen aan de ene kant staan en de vrouwen en kinderen aan de andere kant. Alles gebeurde zo snel dat de Joden niet beseften dat ze voorgoed gescheiden werden van hun families. Venezia's groep telde ongeveer 300 man en de andere groep zo'n 1.500 mensen. Deze groep werd direct naar de gaskamers geleid. Venezia en zijn lotgenoten moesten te voet naar het kamp waar ze aankwamen in een met prikkeldraad afgezette plein. Boven de toegangspoort hing het opschrift Arbeit macht frei. Nog steeds dachten ze in een werkkamp aangekomen te zijn.
Een Duitse officier stuurde hen echter terug naar Birkenau waar ze naar de Zentralsauna werden geleid, het gebouw waar iedereen gekeurd en gedesinfecteerd werd. Twee officieren-artsen deden de eerste keuring en stuurden de zwaksten onder hen meteen weg. De rest werd kaalgeschoren en moest ze zich uitkleden om naar de douches te gaan waar een Duitser zich amuseerde door hen afwisselend onder ijskoud en heet water te zetten. Vervolgens werd hen door medegevangenen een registratienummer op hun linkerarm getatoeëerd. Venezia kreeg nummer 182727.
Bij het verlaten van de Zentralsauna werd Venezia geroepen door een jongen die hij in eerste instantie niet herkende door zijn korte haar en de grijsgestreepte gevangenenkledij. Het bleek zijn broer te zijn. Toen kwam hij ook te weten wat er met zijn moeder was gebeurd: toen hij naar haar vroeg, wees iemand naar de rook uit de grote schoorsteen en vertelde dat iedereen die met hen was meegekomen, zich al aan het "losmaken" waren van deze plek. Langzaam groeide het besef dat ze er misschien niet allemaal levend uit zouden komen.
Na enkele dagen quarantaine kwamen Duitse officieren de barak binnen en vroegen de gevangenen naar hun beroep. Ze beseften dat ze maar beter een nuttig beroep konden noemen. Venezia zei dat hij kapper was van beroep, omdat hij bij aankomst geschoren werd door andere gevangenen en hoorde dat zij niets anders hoefden te doen dan iedereen kaalscheren. Zo'n tachtig man, onder wie Shlomo en zijn broer werden naar een afgesloten gedeelte van het kamp gebracht. Daar kreeg hij brood met jam toegestoken van iemand die hem verzekerde dat ze voortaan genoeg te eten zouden krijgen, omdat ze nu in een speciale eenheid zaten: het Sonderkommando.
Het Sonderkommando
In het kamp werden de leden van het Sonderkommando gedwongen mee te helpen aan de massavernietiging van hun eigen volk. In opdracht van de SS begeleidden ze mensen naar de gaskamers om later hun lijken op te moeten ruimen en de sporen die in de gaskamers achter waren gebleven, uit te wissen. Na enige maanden waren de meesten van hen verzwakt door ondervoeding, vermoeidheid en ziekte, en werden dan zelf vermoord. Vlak voor de bevrijding van het kamp door de soldaten van het Rode Leger werden de meeste nog levende leden van het Sonderkommando als getuigen gezien en uit de weg geruimd.
Shlomo's verhaal
Als zogezegde kapper moest Venezia het haar van de dode vrouwen afknippen. Hij kwam er nog goed vanaf in vergelijking met een vriend die had verteld dat hij tandarts was: hij moest de lijken de gouden tanden uittrekken, wat niet altijd even gemakkelijk ging. Wanneer de lijkstijfheid was ingetreden, moest hij eerst de kaken openbreken. Doordat er op het laatst zoveel transporten aankwamen en er zoveel mensen werden vergast, werden ook de kappers al vlug ingedeeld voor andere klussen, zoals het begeleiden van de mensen tot de gaskamer en daarna het opruimen van de lijken.
Venezia werd in Crematorium III tewerkgesteld, waar men bij het binnenkomen eerst de kleedkamers heeft en daarna de gaskamer. Er was een lift geïnstalleerd die de gaskamer verbond met de ovens die zich een verdieping hoger bevonden. Eerst werden de vrouwen en kinderen naar de kleedkamer gebracht waar ze zich moesten uitkleden om daarna zogezegd onder de douche te gaan. Er werd hen gezegd om het nummer van hun kapstok te onthouden zodat ze na hun douche hun kleren gemakkelijker zouden terugvinden. Daarna waren de mannen aan de beurt. Uiteindelijk werden ze naar de doucheruimte bij de vrouwen en kinderen gebracht. Er werden zo'n 1.500 tot 1.700 mensen samengeperst in een kamer die daar niet op voorzien was. Velen stierven al vóór de vergassing.
Venezia en zijn medehelpers hoorden de mensen schreeuwen en huilen toen ze goed en wel beseften dat de deur al veel te lang dicht was en er nog steeds geen water uit de douchekoppen kwam. En dan ging het licht uit en na enige tijd weer aan, omdat een bewaker door een luik controleerde of de kamer wel vol genoeg was. Wanneer het licht opnieuw aanging, hoorde men de mensen opgelucht ademhalen. Het licht ging echter weer uit, en de Zyklon-B-tabletten werden in de kamer gedeponeerd door de dakpijpen en de leidingen. De mensen schreeuwden het uit. Twaalf minuten later was het weer stil, iedereen was dood. Zo ging het altijd, aldus Venezia.
Eén iemand heeft het eens overleefd. Na het openen van de gaskamer hoorde iemand een vreemd geluid, een soort gerochel en gehuil. Het bleek afkomstig te zijn van een baby die zodanig aan de borst van haar moeder had gezogen dat zij relatief weinig gas had ingeademd: het kind leefde nog tussen die stapel lijken. Het meisje hing nog steeds vastgeklampt aan haar moeders borst. Een Duitser vond haar en schoot het kind koelbloedig dood.
Tijdens een van de laatste vergassingen in het crematorium moest Venezia een groep mannen begeleiden in de kleedkamer toen hij iemand zijn naam hoorde roepen. Het was Léon Venezia, een neef van zijn vader. Hij was gewond en niet meer in staat om te werken en werd dus naar de gaskamer gestuurd. Léon was in paniek en vroeg Shlomo hem te helpen te vluchten. Het was inmiddels bij iedereen bekend dat niemand de kamer nog levend verliet. Shlomo zei hem dat hij hem niet kon redden maar deed er alles aan om hem gerust te stellen. Hij gaf hem nog brood en sardines zodat zijn vaders neef zich wat beter voelde. Léon vroeg aan Shlomo hoelang het duurde vooraleer men doodging en of het pijn deed. Shlomo Venezia loog niet en zei hem dat het 10 à 12 minuten zou duren, maar hij durfde hem niet zeggen hoe làng die 12 minuten zouden duren. Gearmd gingen Shlomo en Léon de gaskamer binnen. Zijn kameraden moesten Shlomo ondersteunen en ervoor zorgen dat hij Léon niet te zien kreeg toen de deur weer openging.
Door zijn verstand op nul te zetten en te werken als een automaat kon Shlomo dit gruwelijk werk volhouden. Dit was de enige manier om in leven te blijven, toch zo lang mogelijk en met zeer veel geluk. Het werk was gruwelijk maar hij leerde ermee leven, zelfs met de verschrikkelijke geur en het zicht van de stapels lijken. Als de deur van de gaskamer openging, bood dit een onbeschrijfelijke aanblik van dode lichamen, die in een smurrie van urine, uitwerpselen, braaksel en bloed lagen. Dit was de smerigste dood die men zich kon indenken. Sommige lijken waren erg rood, anderen dan weer zeer wit, of hadden uitpuilende ogen. In de eerste dagen dat hij met dit karwei belast was kon Shlomo amper eten. Hij kon zijn brood nauwelijks aanraken omdat de geur van de dood op zijn handen kleefde en hij voelde zich bezoedeld door de dood. Gaandeweg leerde hij ermee leven en ermee om te gaan, hoe hard het ook was. Per slot van rekening werden hij en zijn lotgenoten gedwongen dit vuile werk te doen: als iemand weigerde dit werk uit te voeren, werd de man meteen met een nekschot afgemaakt, wat Venezia had zien gebeuren. En als zij het niet deden, moest iemand anders het voor hen doen. Het was een kwestie van overleven en genoeg eten te hebben en voor zichzelf te zorgen, en proberen helder te denken, anders gingen ze er zelf aan kapot.
Om de drie maanden ongeveer, werd er een selectie doorgevoerd in het Sonderkommando. Van de zowat 900 leden werden er telkens zo'n 250 man uitgepikt om gedood te worden en vervangen te worden door nieuwe mannen. Naarmate de tijd verstreek, begon Venezia ook zijn dagen te tellen. Omdat er op het einde nog een enorm aantal Hongaren werden gedeporteerd en de tijd begon te dringen, kwam vanuit Berlijn het bevel dat het huidige Sonderkommando moest aanblijven om op korte termijn nog zo veel mogelijk mensen te kunnen doden.
Op een dag zagen ze duizenden mensen het kamp verlaten. Waar er tot nu toe alleen mensen binnenkwamen, was er nu een massale uittocht aan de gang. Toen kwam er een SS'er de barak binnen die riep dat ze binnen moesten blijven. Venezia en de zijnen vonden dit verdacht, want ze moesten altijd binnenblijven als ze niet aan het werk moesten. Ze wisten dat ze, als ze als enige achter zouden blijven, gedood zouden worden, omdat ze te veel wisten. Hij en zijn medegevangenen van het Sonderkommando ontvluchtten hun barak en mengden zich onder de andere gevangenen. Dat was het beste dat ze konden doen want toen ze 's avonds in Auschwitz aankwamen, waren de Duitsers naar hen op zoek. Ze vroegen wie in het Sonderkommando gezeten had, maar niemand bekende natuurlijk. Op deze manier konden Venezia en de zijnen opgaan in de massa. Venezia werd daarna tewerkgesteld in Melk en in Ebensee, waar hij bij temperaturen van -20°C buiten moest werken. Het kon Venezia toen niet veel schelen; hij was zo blij dat hij weg was van de gaskamers, dat hij de kou niet voelde. Hij is daar gebleven tot aan de bevrijding.
Bevrijd
Na de bevrijding door de Amerikanen werden ze eerst ontsmet met DDT en moesten ze een röntgenfoto laten maken. Venezia werd meteen naar een tent gebracht zonder te weten wat hem mankeerde. Het was zeer lang geleden dat hij nog tussen smetteloze lakens en in een zacht bed had gelegen. Een vriend die hem kwam bezoeken zag dat er aan Shlomo's bed een bordje met de vermelding "TBC" hing. Zijn vriend en de anderen maakten plannen om via Italië naar Palestina te trekken en Venezia wilde met hen mee. Venezia raakte echter niet verder dan Italië, waar zijn ziekte doorbrak. Hij werd naar een sanatorium nabij Rome gebracht en het heeft tweeënhalf jaar geduurd voor hij genezen was. Psychisch er weer bovenop komen duurde langer: ongeveer zeven jaar. Venezia bleef in Rome, ging Engels studeren en doorliep ook de hotelschool. Tijdens de Engelse les leerde Venezia zijn toekomstige vrouw kennen. Ze kregen drie kinderen en vijf kleinkinderen.
Venezia's getuigenis
Kort na de oorlog wilde niemand naar Venezia luisteren. De oorlog was zwaar geweest voor iedereen en niemand wilde er nog aan herinnerd worden. Bovendien heeft het lang geduurd tot Venezia het een plaats kon geven in zijn leven. Op een gegeven moment zag Venezia op gevels in het centrum van Rome antisemitische slogans en hakenkruizen opduiken. Toen vond Venezia dat het tijd was om na 65 jaar zijn verhaal te doen, om te vertellen wat hij had gezien, gehoord en meegemaakt.

Afbeeldingsresultaat voor Shlomo Venezia

Shlomo Venezia

 

Griekse Joden wachten op transporten die hen uiteindelijk naar Nazi Deathcamps zouden brengen

 

De selectiehelling in Birkenau

 

 

Crematorium 4 in aanbouw in Auschwitz-Birkenau, Polen, winter 1942-1943

Josef Mengele in Birkenau

 


Pierre Vidal-Naquet

Pierre Emmanuel Vidal-Naquet , geboren op23 juli 1930in de 7 e arrondissement van Parijs en stierf29 juli 2006in Nice en begraven in Fayence , is een Franse historicus , specialist in de geschiedenis van het oude Griekenland , die ook een rol speelde in verschillende gebieden van het intellectuele en politieke leven van Frankrijk.
Auteur van verschillende historische en politieke werken, schreef hij ook veel voorwoorden aan de meest uiteenlopende boeken 1 ; hij was een activist tegen marteling tijdens de oorlog in Algerije , tegen de dictatuur van de Griekse kolonels en steunde de vredesinspanningen in het Arabisch-Israëlische conflict in het Midden-Oosten , en beweerde in 1967 de noodzaak om een ​​Palestijnse staat te creëren naast Israël . Vanaf eind jaren zeventig wijdde hij een deel van zijn intellectuele activiteit aan de strijd tegen de ontkenning van de Holocaust .
Biografie
Pierre Vidal-Naquet schreef verschillende autobiografische teksten, met inbegrip van zijn memoires , gepubliceerd in 1998 , maar ook meer punctuele teksten als: "Hoe en waarom ik werd een historicus" (Ontmoetingen van Blois, 2002) en "Schets van een anti-kolonialistische pad "(2001) 2 .
Familie
Hij komt uit een familie Comtadine Joden van Carpentras (Vaucluse, tot 1791 pauselijk bezit) familie die verwantschap heeft met Jose Bérys , Francine Bloch en Darius Milhaud en met Alfred Naquet (1834-1916) 
De Vidal-Naquet ervaren opwaartse mobiliteit in de xix e eeuw, de vestiging in Montpellier en vervolgens naar Marseille , daarna in Parijs, in de Faubourg Saint-Germain 3 .
Hij is de zoon van Lucien Vidal-Naquet (1899-1944), advocaat, en Margaret Valabregue (1907-1944), getrouwd in 1929. De zuster van Lucien Isabelle (1898-1954) was de vrouw van Robert polytechnician Brunschwig ; broer Lucien, Georges (1900-1978) trouwde in 1931 Martha Valabregue, tweelingzus Margaret.
Het is een seculiere omgeving (atheïst voor sommigen) en republikeinse oriëntatie van Dreyfusard : "Mijn hele leven werd ik gekenmerkt door het verhaal dat mijn vader aan mij maakte aan het einde van 1941 of begin 1942 van de zaak Dreyfus " 4 .
Lucien Vidal-Naquet, werd in 1921 advocaat, was eerste in het kabinet van René Viviani en ging vervolgens naar Alexandre Millerand . Hij is een burger, met name geïnteresseerd in intellectuele eigendommen; in de jaren dertig verzette een van zijn affaires zich tegen het filmbedrijf Tobis.
Pierre Vidal-Naquet trouwde in 1952 en kreeg drie kinderen.
Kindertijd 
Nadat Peter, François (1932) en Aline (1933) waren geboren. Breken met traditie, besnijden Lucien en Marguerite hun zonen niet.]
Geschoold in het gezin, in combinatie met een privécursus 5 , wordt Pierre in juni 1939 toegelaten tot de zevende middelbare school Montaigne .
Adolescentie gekenmerkt door de Shoah 
In juli 1939, de families van Lucien en Georges Vidal-Naquet en Robert Brunschwig komen op vakantie naar Beg Meil 6 (Common Fouesnant , Finistère ). Ze zullen daar blijven tijdens de vreemde oorlog , zonder de vaders die worden gemobiliseerd (Lucien in de artillerie in Charleville). In februari 1940 wordt de tweede broer van Pierre, Yves geboren. Op 18 juni 1940 in volle nederlaag van het leger en de regering, de drie vrouwen nemen de beslissing om Marseille (met de auto) te verlaten. Ze zal heel pijnlijk aankomen de 1 ste juli; kleine Yves, nogal fragiel, stierf op 20 juni.
Lucien Vidal-Naquet, gedemobiliseerd, voegden zich bij hen, en keerde daarna terug naar Parijs, waar hij nog steeds zijn vak beoefenen tot zijn ontslag uit de Bar. In 1940 trad hij toe tot het verzet binnen het verzetsnetwerk van het Musée de l'Homme 7 . De intrekking ging in op 12 mei 1942 en hij kwam toen in Marseille wonen.
Pierre werd zesde in het Lycée Périer in 1940. Tegelijkertijd werd hij een Scout in het kader van de Unionist Scouts of France (protestanten).
Na de invasie van de zuidelijke zone door het Duitse leger (november 1942), Georges Vidal-Naquet erin slaagt om naar Spanje en lid van de Vrije Frankrijk; zijn familie vertrekt naar Saint-Agrève , een protestantse stad die de Joden een toevluchtsoord biedt. De andere kinderen gaan naar een instelling in Megève. In april 1943, Vidal-Naquet kinderen terug te keren naar Marseille, maar Brunschwig verzamelen in een gezinswoning in Dieulefit (Drôme). Pierre Vidal-Naquet maakte er twee reizen (augustus 1943 en april 1944), waarbij hij de dichter Pierre Emmanuel ontmoette .
15 mei 1944 , Lucien en Marguerite werden gearresteerd door de Gestapo , overgebracht naar Drancy en vervolgens gedeporteerd naar Auschwitz , waar ze sterven een en ander kort na 8 , maar de drie kinderen te ontsnappen arrestatie en worden eerst ondergebracht door leraren. Op 17 mei worden Pierre en François naar een boerderij in Cucuron gebracht ; Aline wordt op 5 juni naar Saint-Agrève gebracht; zijn broers komen op 17 juni naar haar toe.
Na een laatste verblijf in Dieulefit (half september-half oktober 1944) keerde hij terug naar Parijs met de Brunschwig, waar hij tot 1948 woonde. Hij ging naar de tweede middelbare school Carnot. Deze periode wordt gekenmerkt door twijfels over het lot van zijn ouders (hij weet dat ze door Drancy zijn gegaan en zijn gedeporteerd); pas in het najaar van 1945 krijgt hij de zekerheid dat ze niet zullen terugkeren.
Studies en intellectuele vorming 
Na Bachelor (1947), volgt hij het spoor van Jacques Brunschwig en treedt diploma Letters de Lycee Henri IV waar hij maakte vervolgens twee khâgnes zonder ook in aanmerking komen (zijn neef wordt eerst ontvangen op het ENS in 1948); er is voor klasgenoot en vriend Charles Malamoud en voor klasgenoten Pierre Juquin en Robert Faurisson 9 .
Zijn roeping historicus als gevolg onder andere het lezen van The Strange Defeat van Bloch , maar hij is zeer geïnteresseerd in de literatuur, in het bijzonder het surrealisme ( André Breton , René Char en Antonin Artaud ) en de kunsten. In 1948-1949 nam hij met Pierre Nora deel aan het avontuur van het tijdschrift Imprudence , dat drie nummers publiceert. Tijdens de zomervakantie van 1949 en 1950 reisde hij met Jacques Brunschwig naar Italië. Politiek gezien is het aanzienlijk vertrokken, maar ondanks enkele belangstelling, is het niet houden aan de beslissing Communistische Partij definitief bevestigd in 1949 na de proefperiodeLászló Rajk in Hongarije, vanwaar hij het getuige karakter waarneemt.
In 1950 besloot hij om een ​​derde khâgne te doen, maar in Marseille, op Lycée Thiers ; het is een gemengde klasse, waar hij Geneviève Railhac 10 ontmoet , met wie hij kort daarna zal trouwen.
Na nog een mislukking in 1951, heeft hij geen ander diploma dan een "gratis licentie"; Het compleet met certificaten die haar een licentie Classics en maakte een verhandeling over Plato, met Henri-Irénée Marrou (extra geheugen op Jean Jaurès , met Labrousse ), het verkrijgen van een graduaat in de geschiedenis ( November 1953). Hij bereidt vervolgens de samenvoeging van de geschiedenis voor en wordt ontvangen in 1955 (evenals de CAPES of Classical Letters) 11 .
Universitaire carrière 
De eerste opdrachten (1955-1966) 
Orleans (1955-1956)
Hij werd voor het eerst benoemd tot lid van de Pothier School van Orleans , waar hij voor collega Georges Dupeux en student Alain Corneau , die hem eren bij de uitgang van elke ochtend van de wereld (1991).
Op verzoek van Robert Blum werkt hij mee aan de redactie van het werk van Leon Blum ; Hij werkt onder leiding van Robert Verdier de geschriften van de jaren 1945-1950, die uiteindelijk geef twee delen 12 (tweede editie wordt geleid door François fret ) 13 .
De universiteit van Caen (1956-1961)
In het najaar van 1956 verwierf hij een assistent-functie aan de universiteit van Caen , met Henri Van Effenterre . Vervolgens wijdt hij zijn professionele activiteit aan het onderwijzen van de geschiedenis van het oude Griekenland , terwijl hij in september 1960 begint om het seminarie van Jean-Pierre Vernant bij EPHE 14 te volgen .
Maar op dit moment is hij erg betrokken bij de problemen in verband met de oorlog in Algerije ( Maurice Audin-zaak , manifest 121 ): in 1961 wordt hij opgeschort aan de Universiteit van Caen, juist vanwege het manifest.
De universiteit van Lille (1961-1962)
Bij de start in 1961, werd hij toegewezen aan de Universiteit van Lille 15 , als assistent van Roger Remondon 16 .
The CNRS (1962-1964)
Van 1962 tot 1964 werd hij gedetacheerd bij het CNRS. Gedurende deze tijd, neemt hij nog steeds aan het seminar EPHE Vernant, maar ook 17 aan die van André Aymard (sociologie van de oorlog in de oudheid), René Remondon (papyrologie) en Louis Robert ( Griekse epigrafie). Hij heeft ook archeologische activiteiten in Mallia Kreta (1963) met Henri Van Effenterre en in Samos in 1964 18 .
Hij schreef vervolgens het eerste belangrijke werk in zijn werk, in samenwerking met Pierre Lévêque : "Clisthenes the Athenian", voor het eerst gescreend als een artikel voor de Annals , en vervolgens gepubliceerd begin 1964.
Hij maakte ook kennis met het werk van Moses I. Finley , auteur van The World of Odysseus (1954), waarvan nog geen enkel boek in het Frans is vertaald en dat hij in Frankrijk heeft geïntroduceerd via een recensie in de Annales en 1963 19 .
De universiteit van Lyon (1964-1966)
In 1964 liet de verdubbeling van de leerstoel van de Griekse geschiedenis, gehouden door Antoine Bon, hem tot hoogleraar toe.
De school beoefent hoge studies dan de School voor geavanceerde studies in sociale wetenschappen (1966-1997)
Hij trad toe tot het EPHE als een sub-directeur van studies in de 6e Sectie (Economische en Sociale Wetenschappen), onder leiding van Fernand Braudel - vanaf 1975, School voor geavanceerde studies in sociale wetenschappen - werd hij directeur van studies in 1969, positie die hij tot zijn pensionering in september 1997 bekleedde 20 .
Zijn studenten zijn filmmaker Alain Corneau , schrijver Frédéric H. Fajardie , historici Alain Corbin (in Caen), Nicole Loraux , François Hartog , Maurice Sartre , Pauline Schmitt-Pantel en Alain Schnapp .
19 januari 1974, zijn promotor die Edward Will , het ondersteunt de universiteit van Nancy thesis "op een reeks van werken" (artikelen en boeken over het oude Griekenland gepubliceerd sinds 1960), en werd Doctor of Letters. In 1981 verschijnt de collectie The Black Hunter , die zijn belangrijkste artikelen over het oude Griekenland verzamelt.
Als lezer van Dumézil en Levi-Strauss wordt hij beschouwd als een lid van de 'Parijse School' (formule van de Amerikaanse universitaire gemeenschap), samen met Jean-Pierre Vernant , met wie hij enkele boeken schreef, door Nicole Loraux. en Marcel Detienne : dit is de groep onderzoekers verbonden aan het EPHE, die anders zijn dan de klassieke Hellenisten ( François Chamoux ) door de wens om verschillende disciplines te implementeren, inclusief structurele antropologie.
Van 1982 tot 1992 was hij lid van de National Council of Universities en de CNRS Recruitment Commission.
Hij is een van de vaste lezers van de bibliotheek van de Fondation Maison des sciences de l'homme .
Als opvolger van Jean-Pierre Vernant werd hij directeur van het Louis Gernet Center for Comparative Research on Ancient Societies.
Militante interventies
In mei 1968 ondersteunde hij de studentenbeweging en nam hij deel aan de reflectiecommissie over de reorganisatie van de EPHE. Tijdens de zomer, na het verzamelen van een groot aantal documenten (folders), schreef hij met Alain Schnapp een boek: The Journal of the Commune student (gepubliceerd begin 1969).
Het einde van de jaren 1970 werd gekenmerkt door de opkomst van de ontkenning van de Holocaust in de Franse media; Pierre Vidal-Naquet publiceerde vervolgens verschillende artikelen gewijd aan de analyse van dit fenomeen, verzameld in The Assassins of Memory (1987).
Hij stierf in Nice Hospital op 29 juli 2006 .

Bijdrage tot de geschiedenis van het oude Griekenland 
Hij wijdde zijn onderzoek aan het oude Griekenland , de Joodse geschiedenis en de hedendaagse geschiedenis. Jean-Pierre Vernant herinnerde zich in augustus 2006: "- Denkt u dat er in de historische discipline een" voor "en een" na "Pierre Vidal-Naquet is? [Reactie van Jean-Pierre Vernant]: - [...] Voor mij, die geen professionele historicus is, was Pierre een historicus met zijn voeten in zijn hoofd. Hij dacht niet alleen aan een historicus, hij keek op dezelfde manier naar de hedendaagse wereld, de Griekse wereld, de Joodse wereld: als een historicus. Classicist die de wapens van epigrafie en papyrologie beheerste, heeft Griekenland nog nooit tot een tijdloos model gemaakt. Hij vergat niet dat er bijvoorbeeld China, India, pre-Colombiaans Amerika was en dat we de Grieken niet konden begrijpen als we deze beschavingen niet kenden. Peter combineerde in hem zeer zeldzame kwaliteiten: geletterde, wonderbaarlijke geleerde, hij was ook een innovator, en niet alleen op het gebied van de Griekse wereld. Ik denk aan zijn werk over de Joodse wereld: in zijn bewonderenswaardige boek overJosephus , schildert het een treffend beeld van de problemen die zich op dat moment (de i ste eeuw) in Judea , wijzend bepaalde latente kwesties in de moderne wereld. The Black Hunter (Maspero, 1981) is een absoluut nieuwe manier om de Griekse wereld te zien in zijn complexiteiten en ambiguïteiten. Hetzelfde in zijn studie van de tragedie die deels is uitgevoerd met mij om te begrijpen welke specifieke in het Grieks theater was, terwijl met de wens niet om de sociale, politieke en geestelijke context "los te maken 21 .
Pierre Vidal-Naquet werd ook gezegd van overtuigd dat het continent genaamd Atlantis door Plato was slechts een uitvinding van het en "was gewoon de imperialistische Athene van het v- ste eeuw" 22 .
Buiten de Franse intellectueel milieu, werd bekritiseerd voor het verwaarlozen van de historische feiten en de individuele kenmerken van daders of zelfs manipuleren van tekst door de invoering van categorieën voor hen vreemde, met inbegrip van concepten zoals de meerdere betekenissen en dubbelzinnige 23 .
Een geëngageerde intellectueel

Naast het oude Griekenland, zijn favoriete vakgebied, is hij geïnteresseerd in hedendaagse onderwerpen zoals de Algerijnse oorlog en het drama van de Holocaust .
Tegen marteling in Algerije
Intellectueel toegewijd aan de verdediging van de mensenrechten , pleit hij al heel vroeg tegen het kolonialisme , en in het bijzonder tegen het gebruik van foltering tijdens de oorlog in Algerije . In april 1957 publiceerde hij in het tijdschrift Esprit een artikel van zijn vriend Robert Bonnaud (hij kent het sinds de middelbare school Périer in Marseille), over de misstanden van het Franse leger waarvan hij getuige was als reservist in 1956 .
Vanaf het einde van 1957 werkte hij als historicus aan de verdwijning van Maurice Audin , wiskundige, assistent aan de Universiteit van Algiers , gearresteerd door de parachutisten tijdens de slag om Algiers , en vervolgens 'verdwenen' : terwijl het officiële proefschrift stelt dat Maurice Audin ontsnapt is, verdedigt Pierre Vidal-Naquet, samen met de andere leden van het "Audin Comité", de these van zijn dood onder foltering. Hij maakte een boek, L'Affaire Audin , gepubliceerd in 1958 en heruitgegeven, grotendeels voltooid, jaren later.
In 1960 richtte hij samen met Robert Barrat , Paul Thibaud en Jacques Panijel de clandestiene krant Truth-Freedom 24 op ter vervanging van Testimonials and Documents , verantwoordelijk voor het publiceren van de teksten (artikelen of boeken) die een inbeslagname teweegbrachten.
In 1960 ondertekende het " Manifest 121 ", een verzoekschrift van intellectuelen over het recht op insubordinatie voor dienstplichtigen die naar Algerije waren gestuurd, het ministerie van Nationale Opvoeding heeft hem een ​​jaar uit zijn positie verwijderd (terwijl hij hem zijn salaris).
In 1962 publiceerde hij The Reason of State , een boek waarin het gebruik van foltering aan de kaak werd gesteld.
Geweldloze, linkse man 
Marxistische anti- stalinistische , hij werd kort lid van de Socialistische Partij van de Eenheid en aanhanger van het socialisme of barbarij , maar nooit beschouwd als activist van een politieke partij, zal de PSU voor hem slechts een "eenvoudige discussiecirkel ".
Met Michel Foucault en Jean-Marie Domenach tekende hij op 8 februari 1971 het manifest van de Prison Information Group . Hij is lid van het sponsorcomité van de Franse coördinatie voor het Decennium van de Cultuur van Vrede en Geweldloosheid.
Controverse met Bernard-Henri Levy
In het voorjaar van 1979 , Castoriadis en sterk kritiek op hem Lévy in Le Nouvel Observateur incorrect zijn verwijzingen gecontroleerd in zijn boek De Wil van God (de eerste editie van het boek citeerde de getuigenis van de processen van Neurenberg van Heinrich Himmler , terwijl de -CI pleegde zelfmoord toen gevangen), zei: "hedendaagse" verre eeuwen gebeurtenissen, en voerde citaten zonder vermelding van de auteurs. Het conflict verspreidt zich over verschillende nummers tot Jean Danielmaak een einde aan een laatste antwoord van Bernard-Henri Lévy. Dit moet de benchmark fout en het feit dat deze vermeldingen niet altijd invloed op de auteurs van dit haalt hij zijn 25 .
In 1980 was hij mede-oprichter van de Afrane- vereniging (Frans-Afghaanse vriendschap) en werd hij directeur van zijn tijdschrift "Les Nouvelles d ' Afghanistan ".
Defensie Luke Tangorre 
Pierre Vidal-Naquet, die volgens Annie Kriegel , was altijd op zoek naar een Alfred Dreyfus dat hij het zou kunnen zijn Zola 26 [ref. armen] , is betrokken bij de verdediging van Luke Tangorre , belast met een serie verkrachtingen in Marseille en waarvan de advocaat is de broer van Pierre Vidal-Naquet, François Vidal-Naquet. In het bijzonder publiceren in Le Monde van 28 december 1983 een pleidooi getiteld "Luke Tangorre" en organiseert een manifest getiteld "Verkrachting is een misdaad, zoals gerechtelijke dwaling" dat verschijnt 25 januari 1985 ook in The World. In 1992, de schuld van dat bleek uiteindelijk Tangorre, Pierre Vidal-Naquet publiekelijk excuses in de kolommen van dezelfde krant 27 . In 2008 heeft de rechter-commissaris Philippe Bilger groette de moed van Pierre Vidal-Naquet staat om zijn fout te erkennen 28 .
Militant tegen ontkenning van de Holocaust
Pierre Vidal-Naquet houdt zich ook bezig met de strijd tegen de ontkenning van de Holocaust .
in Februari 1979Het is met Leon Poliakov op initiatief van een verklaring van 34 historici gepubliceerd in Le Monde , het verwijderen van retoriek ontkenning van Robert Faurisson 29 .
Zijn memoires getuigen ook van dit engagement, zoals de publicatie van het boek The Assassins of Memory in 1995.
Hij zal echter in januari 2001 worden veroordeeld wegens het belasteren van holocaustontkenner Henri Roques . Hij had een proefschrift gepresenteerd in vergelijkende literatuur aan de universiteit van Nantes (proefschrift geannuleerd voor administratieve onregelmatigheden), gewijd aan Kurt Gerstein . Pierre Vidal-Naquet schreef over dit onderwerp in zijn Memoires : "Als ik geloof dat een getuige goed geplaatst is om het te weten, zou [het proefschrift gepresenteerd door Henri Roques] niet zijn geschreven door Henri Roques, die geen woord kent van het Duits, maar door mijn voormalige kameraad [van Khagne ], Robert Faurisson in persoon "(P. Vidal-Naquet, Memoires t.2 - Trouble and Light, 1955-1998 , Le Seuil, 1998, p. 44 ). Pierre Vidal-Naquet werd in eerste aanleg veroordeeld . In november 2002 oordeelde het hof van beroep van Parijs in het voordeel van Pierre Vidal-Naquet, maar het vonnis werd in januari 2005 door de Cour de Cassation vernietigd 30 . Pierre Vidal-Naquet en zijn redacteur hebben zich teruggetrokken voor het Hof van Beroep dat de zaak opnieuw zou moeten behandelen, het vonnis van 2001 werd als definitief beschouwd. Een controverse verzette zich in het begin van de jaren tachtig tegen de Amerikaanse intellectueel Noam Chomskybetreffende de steun die deze laatste aan de holocaust denier Robert Faurisson heeft verleend, bedreigde met zijn fundamentele rechten. Noam Chomsky is van mening dat het heeft die steun de vrijheid van meningsuiting Robert Faurisson zonder historische steun haar stellingen 31 , terwijl Pierre Vidal-Naquet werd beschuldigd van verder gegaan dan deze steun in principe inclusief bellen Faurissons "soort relatief apolitiek liberaal" en haar positie van trots en irritatie te hebben tegengesproken te hebben gehandhaafd 32 .
Solidariteit met het Palestijnse volk 
In juli 2003 nam hij deel aan de oproep " Another Jewish Voice ", die joodse persoonlijkheden verenigt in solidariteit met het Palestijnse volk, voor een rechtvaardige en duurzame vrede in het Midden-Oosten. Hij houdt zich aan de Frans-Joodse Unie voor de Vrede .
Vrijheid voor Geschiedenis
Pierre Vidal-Naquet was een van de initiatiefnemers van de Vrijheidspetitie voor geschiedenis in december 2005.
Decoraties 
Officier van het Legion of Honor Officier van het Legion of Honor
GRE Orde van de Feniks - Bestel BAR.png Commandant van de Orde van de Feniks

Afbeeldingsresultaat voor Pierre Vidal-Naquet

biografie
geboorte 23 juli 1930
in Parijs
dood 29 juli 2006
in Nice
nationaliteit Vlag: Frankrijk Frans
thematisch
opleiding Universiteit van Parijs
waardepapieren Director of Studies bij EHESS
beroep Historicus , schrijver , universiteitshoogleraar ( d ) en klassieke geleerde ( d )Bekijk en bewerk gegevens op Wikidata
werkgever School voor geavanceerde studies in sociale wetenschappenBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
constructie 
Economieën en maatschappijen in het oude Griekenland. Archaïsche en klassieke perioden in samenwerking met Michel Austin (1972)
The Black Hunter. Vormen van denken en vormen van samenleving in de Griekse wereld (1981)
Marteling in de Republiek: een essay over geschiedenis en hedendaagse politiek (1954-1962) (1972)
The Assassins of Memory (1995)
benaderen geschiedenis van het oude Griekenland

 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Pierre Vidal-Naquet

The writer Pierre VidalNaquet in Paris France in October 1993

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maxime Rodinson, de historici Pierre Vidal Naquet en Pierre Nora, de schrijver Simone de Beauvoir, de filosoof Alain Finkielkraut, professor Claude Lanzmann en de schrijver Regis Debray

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het 13e arrondissement is de Esplanade Pierre Vidal-Naquet genoemd naar Vidal-Naquet

 


Lex van Weren

Lex van Weren (Den Haag, 13 maart 1920 - Amsterdam, 31 juli 1996) was een Nederlands trompettist, dirigent en arrangeur.

Lex van Weren maakte furore in de jaren vijftig en zestig als dirigent van het populaire City-theaterorkest. Voordat de hoofdfilm begon, traden artiesten op die door het orkest 'in de bak' werden begeleid. Verder speelde Van Weren jarenlang trompet voor radio en televisie, die toen in opkomst was. Grote populariteit verwierf hij met het belangeloos optreden voor charitatieve doeleinden, waarbij de Nacht van de Witte Bedjes vermeld dient te worden. Wegens zijn grote verdiensten voor de Nederlandse lichte muziek behoorde hij in 1964 tot de eersten die van stichting Conamus een Gouden Harp ontvingen.
Lex van Weren kwam uit Den Haag, maar groeide op in Amsterdam. Hij begon voor de Tweede Wereldoorlog, in 1935, op veertienjarige leeftijd in het orkest van Bernard Drukker. Hij was autodidact. Op achttienjarige leeftijd kwam hij in dienst bij Heck op het Rembrandtplein bij John van Brück. Hij was toen al verloofd met zijn latere vrouw Tilly, met wie hij na de oorlog trouwde.

Van 1967 tot 1969 was Van Weren bedrijfsleider van het Rembrandttheater.

Bijna even bekend als musicus is Lex van Weren thans vanwege zijn rol als trompettist in het vernietigingskamp Auschwitz. Na jarenlang zwijgen haalde Dick Walda hem in 1980 over om zijn ongelofelijke geschiedenis als gevangene nummer 163848 te vertellen. In mei 1989 schonk Lex van Weren zijn vanuit Auschwitz meegebrachte kornet aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Voordat Van Weren via Westerbork naar het 'Oosten' werd afgevoerd, werd hij in de Hollandsche Schouwburg door de Joodse Raad aangesteld om de kinderen van de opgeroepenen aldaar te vermaken. Met Jo Spier maakte hij wandelingetjes met de kinderen en die uit de naastgelegen crèche. Tijdens die wandelingetjes 'verdwenen' altijd een paar kinderen. Een truc van zijn 'baas' Walter Süskind.

De ouders van Lex van Weren (Sal van Weren, koopman, en Rosetta van Weren-Waterman, huisvrouw) en zijn broer Louis, vertegenwoordiger te Rotterdam, kwamen niet terug uit de Shoah. Zij werden op 22 oktober 1943 respectievelijk 21 januari 1944 in Auschwitz vergast.
Na zijn pensionering dirigeerde Van Weren bij de amateur-operettevereniging Kunst & Vriendschap en speelde hij kleine rollen en trad hij op als 'edelfigurant' in diverse films. Zo was hij in 1991 te zien als de vader van de in politiedetentie gestorven kraker Hans Kok in het docudrama van Barbara den Uyl In Naam der Wet (Van der Hoop Films, Amsterdam).
Bibliografie
Dick Walda (1980-89) Trompettist in Auschwitz De Bataafse Leeuw)

Lex van Weren (1980)

Lex van Weren (1980)
Algemene informatie
Geboren 13 maart 1920
Overleden 31 juli 1996
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Beroep trompettist, dirigent, arrangeur
Portaal Portaalicoon Muziek
 

2-Kampgevangene in Auschwitz

1---2