Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

David Cohen

David Cohen (Deventer, 31 december 1882 – Amsterdam, 3 september 1967) was een Nederlands classicus en tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de twee voorzitters van de Joodse Raad.
Opleiding en carrière tot 1940
Cohen werd geboren als oudste zoon van makelaar Herman Cohen en Rebecca van Essen. Hij doorliep in Deventer de lagere school en het gymnasium, waarna hij in Leipzig, Göttingen en Leiden klassieke talen studeerde. In 1912 promoveerde hij in die laatste stad op het proefschrift De magistratibus Aegyptiis externas Lagidarum regni provincias administrantibus: specimen litterarium inaugurale. Hij vestigde zich als leraar in Den Haag en werd aan de Rijksuniversiteit Leiden privaat-docent. In 1924 werd hij aan dezelfde universiteit bijzonder hoogleraar, een ambt dat hij aanvaardde met het uitspreken van de rede Universalisme en particularisme in den aanvang van het Hellenistisch tijdperk. Twee jaar later werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam. Al die tijd was hij actief in verschillende Joodse organisaties, waaronder de Nederlandse Zionistenbond. Hij zette zich zeer actief in voor het bieden van hulp aan Joden die uit Duitsland waren gevlucht. Ook was hij betrokken bij de oprichting van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen in maart 1933. Hij werd secretaris, en Abraham Asscher voorzitter. Cohen werd voorzitter van het belangrijkste subcomité, namelijk het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Cohen was al vanaf 1902 betrokken bij het Joods vluchtelingenwerk. In november 1940 werd hij, vanwege zijn joodse afkomst, als hoogleraar uit zijn ambt gezet en in februari 1941 ontslagen.
De oorlog en de periode daarna
In 1941 werden Cohen en Asscher door de Duitse bezetter aangesteld als voorzitters van de Joodse Raad voor Amsterdam. Zo werden zij – ongewild – instrumenteel in de vervolging en deportatie van vele Joodse Nederlanders. In september 1943 werden Cohen en Asscher overigens ook zelf gearresteerd en weggevoerd naar het doorgangskamp Westerbork. Later werden zij daarvandaan gedeporteerd, Cohen naar het Concentratiekamp Theresienstadt. Daar overleefde hij de oorlog. Na de oorlog werd het voorzitterschap van de Joodse Raad hen zwaar aangerekend. De Joodse Ereraad verbood hem in 1947 ooit nog een functie te vervullen binnen de Joodse gemeenschap. Dit besluit werd geannuleerd in 1950 en hij werd vrijgesteld. Wel kreeg Cohen na de oorlog zijn hoogleraarschap terug aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1953 met emeritaat ging.
De tekenaar Jo Spier bezocht Cohen een half jaar voor zijn dood vanuit de Verenigde Staten, waar Spier toen woonde en werkte. Spier en zijn vrouw kende Cohen nog uit Theresienstadt. Cohen woonde destijds alleen in de Corenelis Schuytstraat in Amsterdam op een derde bovenhuis. Hij was de hoge steile strap al maanden niet meer af geweest, schrijft Spier in Dat alles heft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt 1942-1945.[1] Spier en zijn echtgenote troffen een man die er zeer oud uitzag en erg in de put zat, vanwege een 'afschuwelijk grapje' dat over hem werd verteld. Diep verontwaardigd vertelde Cohen waarom het ging. Er waren in 1945 nog twee joden in Amsterdam over, Asscher en Cohen, en er kwam bericht dat de helft van de Joden op transport moest. Cohen zei: 'Ga jij maar Asscher, om erger te voorkomen.' Spier vond het wel een goed grapje. Het was de laatste keer dat hij hem zag, een half jaar later was Cohen overleden'.
Familiebanden
Cohen was de vader van de bouwkundige Herman Cohen (1914-2005), die van 1939 tot 1967 hielp bij de opbouw van de staat Israël en die dat trachtte te doen in harmonie met de Engelse heersers en de Arabische bevolking. Een van zijn kleinkinderen is de arts en PvdA-politicus Rob Oudkerk. Hij was een broer van de in zijn tijd bekende schrijver Josef Cohen.
Literatuur
David Cohen, Zwervend en Dolend. De Joodse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940, met een inleiding over de jaren 1900-1933. Haarlem: De Erven F. Bohn N.V., 1955.
Piet Schrijvers, Rome, Athene, Jeruzalem. Leven en werk van Prof. dr. David Cohen. Groningen: Historische Uitgeverij, 2000, ISBN 9789065544711
Herman Cohen, Jood in Palestina. Herinneringen 1939-1948. Amsterdam: Meulenhoff, 1995, ISBN 9029050284
Erik Somers, Voorzitter van de Joodse Raad. De herinneringen van David Cohen (1941-1943). Ingeleid en geannoteerd door Erik Somers. Zutphen: Walburg Pers, 2010, ISBN 9789057305368

(Cohen in 1923, foto Nationaal Archief)

(Cohen in 1923, foto Nationaal Archief)
Algemene informatie
Geboren 31 december 1882, Deventer
Overleden 3 september 1967, Amsterdam
Land Nederland
Beroep Classicus
Werk
Bekende werken Zwervend en Dolend. De Joodse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940 (1955)
Portaal Portaalicoon Geschiedenis

 


G.L. Durlacher

Gerhard Leopold Durlacher (Baden-Baden, 10 juli 1928 – Haarlem, 2 juli 1996) was een Nederlandse schrijver en socioloog.
Levensloop
Durlacher werd geboren in een liberaal-joods gezin in Duitsland. In 1937 vestigde hij zich met zijn ouders in Rotterdam, nadat zij waren gevlucht voor de nazi’s. De vlucht was niet ver genoeg. Het gezin werd op 3 oktober 1942 gearresteerd en op transport gesteld naar kamp Westerbork. Daarna naar Theresienstadt en vervolgens naar Auschwitz. Op 8 mei 1945 werd Gerhard Durlacher door de Russen bevrijd. Zijn vader kwam om in Bergen-Belsen, zijn moeder in Stutthof.
Van 1964 tot eind 1983 was G.L. Durlacher docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 kreeg hij een ere-doctoraat van diezelfde Universiteit
Pas op latere leeftijd schreef Durlacher een aantal boeken over zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog; als Joods jongetje in Baden-Baden in het boek Drenkeling en als kampgevangene in Strepen aan de hemel. In het laatste boek uit Durlacher scherpe kritiek op de geallieerden die niet ingrepen, hoewel zij tot in detail op de hoogte waren van het lot van de Joden in de door nazi-Duitsland bezette landen.
In juli 1996 overleed Durlacher plotseling in zijn woonplaats Haarlem.
Privé
G.L. Durlacher had drie dochters, onder wie de schrijfster Jessica Durlacher.
Prijzen
Drenkeling werd in 1994 bekroond met de Anne Frank-prijs (Zwitserse prijs, niet te verwarren met de gelijknamige Nederlandse prijs).
In 1994 ontving Durlacher de AKO Literatuurprijs voor Quarantaine.
Bibliografie[bewerken]
1965 - De laagst betaalden (sociologische studie)
1985 - Strepen aan de hemel (novelle)
1987 - Drenkeling: kinderjaren in het Derde Rijk
1991 - De zoektocht
1993 - Quarantaine (verhalen)
1995 - Niet verstaan (verhalen)
1997 - Verzameld werk

Gebeeldhouwd portret van Gerhard Durlacher in brons

Gebeeldhouwd portret van Gerhard Durlacher in brons
Algemene informatie
Volledige naam Gerhard Leopold Durlacher
Geboren 10 juli 1928, Baden-Baden
Overleden 2 juli 1996 (67), Haarlem
Land Nederland
Beroep Schrijver
Werk
Bekende werken Drenkeling, Strepen aan de hemel, Quarantaine
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Literatuur

 


Marek Edelman

Marek Edelman (Homel (Wit-Rusland), 31 december 1922 - Warschau, 2 oktober 2009) was een Poolse cardioloog, politiek en sociaal activist, politicus en de laatst levende leider van de Opstand in het getto van Warschau. Hij was van Joodse komaf.
Levensloop
Op jonge leeftijd kwam hij met zijn ouders naar Warschau, waar zijn vader overleed. Toen Marek Edelman dertien jaar was, stierf ook zijn moeder. Zij was bij de Bund aangesloten. Uiteindelijk sloot ook de jonge Marek zich daar bij aan.
Oorlogsjaren
Toen de Tweede Wereldoorlog in 1939 uitbrak, moest hij gedwongen verhuizen naar het getto. Hij werkte hier in het gettoziekenhuis. In 1942 kwam hij bij de Żydowska Organizacja Bojowa (ŻOB), de Joodse verzetsorganisatie van het Warschause getto. De ŻOB stond toen onder leiding van Mordechaj Anielewicz, maar na diens dood tijdens de opstand in 1943 nam Marek Edelman de leiding over. Hij slaagde erin om via de riolen uit het getto te ontsnappen, samen met een handjevol andere strijders. Hierna dook hij onder en vocht hij in 1944 mee in de Opstand van Warschau.
Na de oorlog
In 1946 vestigde Marek Edelman zich in Łódź, waar hij afstudeerde aan de Medische Universiteit. Hij trouwde en kreeg twee kinderen. Naast zijn werk als cardioloog was hij ook weer actief in de Bund. In 1968 verlieten zijn vrouw en kinderen Polen, vanwege het opnieuw opkomende antisemitisme, maar Marek Edelman bleef. Als hem gevraagd wordt waarom, antwoordt hij: "Iemand moet toch bij alle omgekomen mensen blijven". In 1971 ontwikkelde hij een nieuwe revolutionaire methode voor hartoperaties, waardoor veel mensen gered konden worden die anders waren gestorven.
In 1976 werd hij activist van Komitet Obrony Robotników (het Comité van de Defensie van Arbeiders) en van Solidarność. Tijdens de Poolse Staat van Beleg begin jaren tachtig zat Edelman, als activist enige maanden gevangen. Van 1989 tot 1993 was hij een prominent lid van de Sejm. Op 17 april 1998 kreeg Marek Edelman de hoogste Poolse onderscheiding: de Orde van de Witte Adelaar. Ook was hij lid van de Partia Demokratyczna.
In 1999 appelleerde Edelman aan de Westerse wereld en de NAVO om in te grijpen in Kosovo en zodoende niet "dezelfde fout begaan door niet in te grijpen destijds bij de Opstand in het getto van Warschau".
Op latere leeftijd sprak hij als verdediger van het Palestijnse volk, omdat hij voelde dat de joodse zelfverdediging waarvoor hij gevochten had gevaar liep om zelf te transformeren in onderdrukking. In augustus 2002 schreef hij een open brief aan de Palestijnse verzetsleiders. Hoewel de brief de Palestijnse zelfmoordaanvallen bekritiseerde, was de reactie van de Israëlische regering en pers furieus. Volgens de Britse schrijver en activist Paul Foot: "Hij schreef [de brief] in een geest van solidariteit van een collega verzetsstrijder, als voormalig leider van een joodse opstand, die niet verschillend was van de wanhoop van de Palestijnse opstand in de bezette gebieden. " Hij adresseerde zijn brief" Aan alle leiders van Palestijnse militaire, paramilitaire en guerilla organisaties - Aan alle soldaten van Palestijnse militante groepen ".
Moshe Arens, voormalig Israëlische minister van defensie en minister van Buitenlandse Zaken, bezocht Edelman in Warschau in 2005 om de opstand van Warschau Ghetto te bespreken. Arens bewonderde Edelman en probeerde zonder succes officiële Israëlische erkenning voor hem te krijgen.
In 2004 sprak Edelman zich in een interview uit vóór interventie in Irak met het argument dat fascisme, in de vorm van nazisme, baathisme of islamisme, altijd bestreden moet worden.
Edelman heeft twee boeken geschreven over zijn oorlogservaringen, waaronder één met Hanna Krall.
In 2007 werd hem door de Medische Universiteit van Łódź een eredoctoraat verleend.
In de miniserie Uprising uit 2001, over de getto-opstand in Warschau, is het personage van Marek Edelman een van de hoofdrollen, vertolkt door John Ales. Op de extra's van deze dvd staat een interview met Marek Edelman zelf, samen met Simha Rotem ('Kazik'), een andere overlevende van de getto-opstand.
Bibliografie
The Ghetto Fights. Warsaw 1941-43, (1990) ISBN 090622456X
Resisting the Holocaust. Fighting back in the Warsaw ghetto, (2004) ISBN 1-876175-52-4.
Literatuur[bewerken]
Der Hüter. Marek Edelman erzählt, Rudi Assuntino & Wlodek Goldkorn. (2002) ISBN 3406486568
God vóór zijn, Hanna Krall. (1980) ISBN 90-6074-520-5

Geboren 1919 of 1922 
Ging dood 2 oktober 2009 
Warschau, Polen
Trouw Generaal Joodse Labour Bund 
Żydowska Organizacja Bojowa 
Armia Ludowa
Dienstjaren 1942-1944
Rang Plaatsvervangend commandant ( ŻOB )
Gevechten / oorlogen Getto van Warschau Getto Opstand in 
Warschau
Awards French Legion of Honor 
Orde van de White Eagle 
Yale University , eredoctoraat

Mural im Warchau

 


Leopold Engleitner

Leopold Engleitner (23 juli 1905 - 21 april 2013) was een Oostenrijkse gewetensbezwaarde , als een van Jehovah's Getuigen, en overlevende van de Holocaust die publiekelijk en met studenten over zijn ervaringen sprak. Hij was het onderwerp van de documentaire Ongebroken Will . [2] Voor zijn dood was Engleitner de oudste overlevende van het concentratiekamp ter wereld (die werd gehouden in Buchenwald , Niederhagen en Ravensbrück ) en de oudste mannelijke Oostenrijker.
Het vroege leven en gevangenschap van 1934 tot 1938 
Engleiter , geboren in Aigen-Voglhub , Oostenrijk, groeide op in de keizerlijke stad Bad Ischl . Hij bestudeerde de bijbel intensief in de jaren dertig en werd in 1932 gedoopt als een Jehova's Getuige . In de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog kreeg hij te maken met religieuze intolerantie , zelfs vervolging , vanuit zijn directe omgeving en de Oostenrijkse autoriteiten, eerst door het fascistische regime van Dollfuss en dan onder Nazi-Duitsland .
Lente 1934: 48 uur in de gevangenis van Bad Ischl
Winter 1934/35: 48 uur in de gevangenis van Bad Ischl
5 januari 1936 - 30 maart 1936: gevangenisstraf in St. Gilgen en Salzburg
19 september 1937 - 14 oktober 1937: gedetineerd in Bad Aussee gevangenis
Concentratiekampen en dwangarbeid 
Toen Adolf Hitler in 1938 Oostenrijk bezet , bracht Leopold Engleitners religie, ideologieën en gewetensbezwaar tegen dienst in het leger hem in conflict met de nazi's .
Op 4 april 1939 werd hij door de Gestapo in Bad Ischl gearresteerd en vastgehouden in Linz en Wels . Van 9 oktober 1939 tot 15 juli 1943 werd hij vastgehouden in de concentratiekampen Buchenwald, Niederhagen en Ravensbrueck. In Niederhagen verwierp hij een voorstel om afstand te doen van zijn overtuigingen io terug te keren voor zijn vrijlating. Ondanks brutale en onmenselijke behandeling, was zijn wil - om voor eerlijke principes te staan ​​en militaire dienst te weigeren - ongebroken.
In juli 1943, met een gewicht van slechts 28 kilogram, werd hij vrijgelaten op voorwaarde van zijn acceptatie van levenslange slavenarbeid op een boerderij.
Na thuiskomst werkte hij op een boerderij in St. Wolfgang . Op 17 april 1945, drie weken voor het einde van de oorlog, kreeg hij bericht om in dienst te treden in het Duitse leger. Hij vluchtte naar de bergen van Salzkammergut en verborg zich in een alpine hut en een grot, opgejaagd door de nazi's maar nooit gevonden.
Op 5 mei 1945 was Engleitner in staat om naar huis terug te keren en het werk op de boerderij als slavenarbeider te hervatten. Toen hij in 1946 probeerde de boerderij te verlaten, werd zijn verzoek afgewezen door het arbeidsbureau van Bad Ischl, over het argument dat de door de nazi-bezetting opgelegde slavenarbeid nog steeds geldig was. Pas na tussenkomst van de Amerikaanse bezettingsmacht werd hij in april 1946 vrijgesteld van de plicht.
4 april 1939 - 5 oktober 1939: gevangenissen in Bad Ischl, Linz en Wels
5 oktober 1939 - 9 oktober 1939: deportatie naar concentratiekamp (gevangenissen in Salzburg en München )
9 oktober 1939 - 7 maart 1941: concentratiekamp Buchenwald
7 maart 1941 - april 1943: concentratiekamp Niederhagen in Wewelsburg
April 1943 - 15 juli 1943: concentratiekamp Ravensbrück
22 juli 1943 - 10 april 1945: dwangarbeid op een boerderij
17 april 1945 - 5 mei 1945: oproep aan het Duitse leger; vlucht naar de bergen
Rehabilitatie en herkenning 
In de jaren na de oorlog bleef Engleitner geconfronteerd met isolatie en intolerantie, en pas nadat de auteur en filmproducent Bernhard Rammerstorfer zijn leven in 1999 documenteerde in de boek- en documentairefilm Nein statt Ja und Amen, werd het grote publiek zich van hem bewust. Engleitner en Rammerstorfer hielden lezingen op universiteiten, scholen en gedenktekens in Duitsland, Italië , Oostenrijk , Zwitserland en de Verenigde Staten .
Hoewel hij al ver gevorderd was in jaren, reisde Engleitner tussen 1999 en 2012 met zijn biograaf en vriend Bernhard Rammerstorfer meer dan 95.000 mijl door Europa en de VS, naar scholen, gedenkplaatsen en universiteiten, als een getuige van de geschiedenis om te verzekeren dat het verleden niet was vergeten, en hij werd een model van tolerantie en vrede.
Ooit was hij een vervolgde concentratiekamparbeider en verbood hij gewetensbezwaarde. Hij werd in mei 2007 geëerd in de Republiek Oostenrijk en de Bondsrepubliek Duitsland vanwege zijn moedige positie tijdens het naziregime en vanwege zijn enorme bewustmakingsactiviteiten met:
De gouden orde van verdienste van de Republiek Oostenrijk van de Oostenrijkse president Dr. Heinz Fischer.
The Cross of Merit op lint van de Bondsrepubliek Duitsland (Knight's Cross) van de Duitse president Dr. Horst Köhler
In 2003 ontving hij de "Zilveren Orde van Verdienste van de provincie Opper-Oostenrijk" door de Oberösterreichse gouverneur, Josef Pühringer.
In 2006 ontving hij de Elfriede Grünberg-prijs van Antifa , een anti-fascistisch initiatief in Oostenrijk.
In 2008 ontving Engleitner de "Erering van de stad Bad Ischl" door de gemeentelijke autoriteiten in Bad Ischl, de stad waar hij opgroeide.
In 2009 ontving hij het "Kenteken van de eer van de stad St. Wolfgang" van zijn thuisgemeente St. Wolfgang.
Boeken, films en documentaires
In 2004 werden het boek en de film Nein statt Ja und Amen vertaald in een Engelse versie met de naam Unbroken Will , en werden ze in de VS gepresenteerd door een tour met het Holocaust Memorial Museum in Washington, DC , Columbia University in New York en de Verenigde Staten. Simon Wiesenthal Center in Los Angeles .
In 2006 maakten Engleitner en Rammerstorfer een tweede tournee door de Verenigde Staten. Ze gaven lezingen in Washington, DC, (aan Georgetown University en Library of Congress ), New York (aan Columbia University), Chicago (aan Harold Washington College ), Skokie (voor de Holocaust Memorial Foundation van Illinois), Palo Alto , in de San Francisco Bay area ( Stanford University ) en Los Angeles (in het Los Angeles Museum van de Holocaust).
Locaties van hun derde, 2009, VS sprekende tour waren: Harvard University , Cambridge, Massachusetts ; Florida Holocaust Museum, St. Petersburg, Florida; Palladium Theatre at St. Petersburg College, Florida; Los Angeles Museum van de Holocaust, Californië; Universiteit van Californië, Los Angeles (UCLA); Moorpark College, Californië; Presidentiële bibliotheek van Ronald Reagan , Californië.
In 2005 bracht Rammerstorfer een nieuwe Duitse biografie en DVD Nein-statt Ja und Amen - 100 Jahre ungebrochener Wille uit . Het boek bevat ook een korte biografie van de Duitse gewetensbezwaarde Joachim Escher: Escher werd tussen 1937 en 1945 vastgehouden in verschillende gevangenissen en de concentratiekampen Sachsenhausen, Niederhagen en Buchenwald; in Buchenwald was hij dienaar van de voormalige Franse regeringsleden Georges Mandel en Léon Blum , die de Duitsers als gijzelaars hielden.
De Franse versie van het boek getiteld Une volonté de fer werd uitgebracht in 2007.
In 2008 bracht Rammerstorfer een nieuwe versie uit van het Duitse boek getiteld "Ungebrochener Wille", dat Engleitner en Rammerstorfer op de Frankfurter Buchmesse 2008, 2009 en 2011 presenteerden. In 2009 zal het nieuwe Engelse boek Unbroken Will: The Extraordinary Courage of an Ordinary Man- Het verhaal van het naziconcentratiekamp Overlevende Leopold Engleitner, geboren in 1905 op basis van de nieuwste Duitse versie, werd vrijgegeven aan de universiteit van Harvard. De Oostenrijkse president, Heinz Fischer , beschreef in zijn voorwoord het boek als "een mijlpaal in correspondentie over de gruwel van het nazisme." Brewster Chamberlin, directeur van archieven bij het Amerikaanse Holocaust Memorial Museum in Washington DC van 1986 tot 1997, schreef een voorwoord. Verdere voorwoorden werden geschreven door de oprichter van deOostenrijkse holocaustherdenking , Andreas Maislinger , Franz Jägerstätter en Leopold Engleitner, en Walter Manoschek, van de universiteit van Wenen , "Nooit meer oorlog!
In 2009 werd het nieuwe Engelse boek Unbroken Will: The Extraordinary Courage of an Ordinary Man-The Story of Nazi Concentration Camp Survivor Leopold Engleitner, geboren in 1905 op basis van de nieuwste Duitse versie, werd uitgegeven aan de Harvard University. De Oostenrijkse president, Heinz Fischer , beschreef in zijn voorwoord het boek als "een mijlpaal in correspondentie over de gruwel van het nazisme." Brewster Chamberlin, directeur van archieven in het Amerikaanse Holocaust Memorial Museum in Washington DC van 1986 tot 1997, schreef een voorwoord. Verdere voorlezen werden geschreven door de stichter van de Oostenrijkse Holocaust Herdenkingsdienst , Andreas Maislinger , Franz Jägerstätter en Leopold Engleitner, en Walter Manoschek, uit deUniversiteit van Wenen , "Nooit meer oorlog!"
In mei 2009 schreven de songwriters Mark David Smith en Rex Salas uit Californië het lied "Unbroken Will" voor Leopold Engleitner. Op 22 mei 2009 ontving Leopold Engleitner het lied tijdens een evenement op het Moorpark College. De zanger Phillip Ingram interpreteert "Unbroken Will". Het nummer kan worden gedownload op de website www.unbrokenwill.com en de songtekst.
De Russische vertaling van het boek Unbroken Will ( Несломленная воля ) werd in 2009 in Rusland uitgebracht. Engleitner en Rammerstorfer presenteerden het boek in Moskou in het Central Journalist House en in september 2009 in de boekhandel "BIBLIO-GLOBUS".
In 2012 produceerde Bernhard Rammerstorfer met A. Ferenc Gutai de documentaire "LADDER in the LIONS 'DEN - Freedom Is a Choice, Nazi Concentratiekamp Overlevende Leopold Engleitner: Een 107-jarige ooggetuige vertelt zijn verhaal." De première van de VS vond plaats in Laemmle's Town Center 5 Theater in Encino, Los Angeles County, in november 2012 met Leopold Engleitner. De Duitse versie, "LEITER in der LÖWENGRUBE", werd in maart 2013 in Oostenrijk uitgebracht. In april 2013 werd de film bekroond met "Best Documentary Short" door het Fallbrook International Film Festival 2013, Fallbrook, Californië, en "Best Short Documentary" door het Rincòn International Film Festival 2013, van Rincòn, Puerto Rico.
Engleitner is het onderwerp van Rammerstorfer's educatieve DVD Unbroken Will . met de volledige documentaire plus films van speciale evenementen met betrekking tot de bewustmakingsactiviteiten van Engleitner van 1999 tot 2004, evenals materiaal over de Holocaust voor gebruik op scholen in het Engels, Duits, Italiaans en Spaans.
In 2006 produceerde Rammerstorfer de documentaire Unbroken Will Captivates the United States , met betrekking tot de 2004 Amerikaanse tournee. die in première ging in het Laemmle's Music Hall 3 Theater in Beverly Hills , Los Angeles .
Rammerstorfer produceerde ook de documentaire Unbroken Will USA Tour , met betrekking tot de Amerikaanse tournee van 2006, die in 2009 in het Amerikaanse Laemmle Sunset 5 Theatre in West Hollywood in première ging.
Internationale filmprijzen voor de documentaire LADDER in de LIONS 'DEN 
-Winner: Best Documentary Short op het Fallbrook International Film Festival 2013, Fallbrook, California, VS.
-Winner: Beste korte documentaire op het Rincón International Film Festival 2013, Rincón, Puerto Rico
Winnaar: publieksprijs voor een documentaire op het Marina del Rey Filmfestival 2013, Los Angeles County, Californië, VS.
-Winner: Best International Feature Documentary op het Laughlin International Film Festival 2013, Laughlin, Nevada, VS.
-Officiële selectie: Festival of Tolerance: 7e Zagreb International Jewish Film Festival 2013, Zagreb, Kroatië
-Officiële selectie: Festival of Tolerance: 1e Rijeka International Jewish Film Festival 2013, Rijeka, Kroatië
-Officiële selectie: Chagrin Documentary Film Festival 2013, Chagrin Falls, Ohio, VS.
-Officiële selectie: Life Fest Film Festival 2014, Hollywood, Californië, VS.
-Nominatie: Alan Fortunoff Humanitarian Award op de Long Island International Film Expo 2014, Long Island, New York, VS.
-Nominatie: Beste Documentaire op de Long Island International Film Expo 2014, Long Island, New York, VS.
-Officiële selectie: Green Bay Film Festival 2015, Green Bay, Wisconsin, VS.
-Winner: Speciale Juryvermelding op het European International Film Festival 2016, St. Petersburg, Rusland
-Winner: Best Documentary Short op het Cutting Edge International Film Festival 2016, Florida, VS.
-Winner: Audience Award op het Cutting Edge International Film Festival 2016, Florida, VS.
-Winner: Beste religieuze / spirituele film op het Erie International Film Festival 2016, Pennsylvania, VS.
-Officiële selectie: GardenCity International Film Festival 2017, Bangalore, India
Internationale filmprijzen voor de documentaire TAKING THE STAND 
-Nominatie: Beste Documentaire op de Long Island International Film Expo 2016, Long Island, New York, VS.
-Winner: Alan Fortunoff Humanitarian Award op de Long Island International Film Expo 2016, Long Island, New York, VS.
-Winner: Best Short Documentary Film op het Laughlin International Film Festival 2016, Laughlin, Nevada, VS.

Leopold Engleitner.png

Leopold Engleitner geïnterviewd tijdens "Unbroken Will"
Geboren 23 juli 1905 
Aigen-Voglhub , Oostenrijk
Ging dood 21 april 2013 (107 jaar) St. Wolfgang im Salzkammergut , Oostenrijk
Bezetting Farmhand, Roadman, docent Holocaust
Bekend om 'S Werelds oudste overlevende van het mannelijke concentratiekamp ( Buchenwald , Niederhagen en Ravensbrück

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Leopold Engleitner

Leopold Engleitner

 


Viktor Frankl

Viktor Emil Frankl (Wenen, 26 maart 1905 – Wenen, 2 september 1997) was een Oostenrijks neuroloog en psychiater, maar werd vooral ook bekend als overlever van de holocaust. Frankl was de grondlegger van de logotherapie, een vorm van existentiële analyse, ook wel de Derde Weense School der psychotherapie genoemd. Zijn boek De zin van het bestaan (uitgegeven in 1978 als vertaling van Ein Psycholog erlebt das Konzentrationslager dat al in 1946 verscheen) schetst zijn ervaringen als gevangene in een concentratiekamp en beschrijft zijn psychotherapeutische methode voor het vinden van bedoeling van het leven in alle levensomstandigheden en daarmee een reden om verder te leven.

Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Frankl werd geboren in Wenen als zoon van een Joodse ambtenarenfamilie (Beamtenfamilie). Zijn interesse voor psychologie kwam al in zijn jeugdjaren naar boven. Voor zijn eindexamen Gymnasium (Matura) schreef hij een scriptie over de psychologie van het filosofisch denken. Na het behalen van zijn diploma in 1923, studeerde hij geneeskunde aan de Universiteit van Wenen en specialiseerde zich later in neurologie en psychiatrie, waarbij hij zich toelegde op depressie en zelfmoord. Hij kende Sigmund Freud en Alfred Adler persoonlijk.


Dokter en therapeut
In 1924 werd hij voorzitter van de Sozialistische Mittelschüler Österreich. In deze functie verschafte hij afstuderende studenten een speciaal adviesprogramma. Tijdens zijn ambtstermijn pleegde geen enkele student zelfmoord. Het succes van dit programma kwam onder de aandacht van mensen zoals Wilhelm Reich, die hem uitnodigde om naar Berlijn te komen.

Van 1933 tot 1937 gaf hij leiding aan het zogenaamde zelfmoordenaarspaviljoen (Selbstmörderpavillon) van het Algemeen Ziekenhuis in Wenen. Hij behandelde hier jaarlijks drieduizend vrouwen met zelfmoordplannen. Nochtans werd het hem verboden om arische patiënten te behandelen, vanwege zijn Joodse achtergrond. Hij werkte in een eigen praktijk, totdat hij aan de slag ging in het Rothschild Hospitaal in 1940, waar hij leiding gaf aan de neurologische afdeling en tevens actief was als hersenchirurg. In die tijd was dit hospitaal het enige dat nog toegankelijk was voor Joden. Verschillende keren voorkwam zijn medische oordeel dat patiënten geëuthanaseerd werden via het euthanasieprogramma van de nazi's. In december 1941 trad hij in het huwelijk met Tilly Grosser.
Viktor Frankl
Gevangene en therapeut
Op 25 september 1942 werd hij samen met zijn vrouw en ouders naar het concentratiekamp Theresienstadt (Tsjechisch: Terezín) gedeporteerd. Hoewel hij net zoals de medegevangenen dwangarbeid moest verrichten, probeerde Frankl ook (geassisteerd door onder andere dr. Leo Baeck en rabbijn Regina Jonas) medegevangenen te behandelen bij zwaarmoedigheid en zelfmoord te voorkomen. Hij werkte in het blok voor psychiatrische hulp en gaf leiding aan een neurologische kliniek in blok B IV. Daarnaast werd door hem een kampdienst voor psychische hygiëne en geesteszorg voor zieken en levensmoeden opgezet en onderhouden. In Theresienstadt gaf Frankl lezingen over onderwerpen zoals Slaap en slaapstoornissen, Lichaam en geest, Medische geesteszorg, Psychologie van de bergsport, Rax en Schneeberg, Hoe houd ik mijn zenuwen gezond, Existentiële problemen in psychotherapie en Sociale psychotherapie. Op 29 juli 1943 organiseerde hij een besloten ontmoeting van de Wetenschappelijke Sociëteit met als titel: Levensuitputting & Levensmoed in Terezin. De titel van zijn lezing op 25 januari 1944 was Over speciale personen: ervaringen van een neuroloog en zijn laatst bekende lezing in Terezin op 14 juli 1944 had hij als titel meegegeven: Bescherming van psychische gezondheid. Bovendien beschreef hij de psychische gezondheidsdienst van Terezin in een jaarlijks rapport, de eerste besloeg de periode oktober 1942 - oktober 1943.

Later, op 19 oktober 1944, werd hij gedeporteerd naar Auschwitz en enige dagen daarna naar Türkheim, een concentratiekamp niet ver verwijderd van Dachau, waar hij aankwam op 25 oktober 1944. Zijn vrouw was ondertussen overgebracht naar het concentratiekamp Bergen-Belsen, waar zij omkwam; zijn vader en moeder waren vanuit Auschwitz naar Theresienstadt overgebracht en kwamen daar om. Op 27 april 1945 werd Frankl bevrijd door de Amerikaanse troepen. Van zijn directe verwanten had alleen zijn zuster de oorlog overleefd, dankzij emigratie naar Australië.

Door het lijden dat hij en anderen hadden ondergaan in de concentratiekampen kwam hij tot de opzienbarende conclusie dat zelfs in de meest absurde, pijnlijke en inhumane situaties het leven potentieel zinvol is. Deze conclusie vormde de sterke basis voor Frankls logotherapie.

Na de Tweede Wereldoorlog
Nadat hij was bevrijd uit kamp Türkheim door het Amerikaanse leger, keerde hij terug naar Wenen.

In 1945 nog schreef hij zijn wereldberoemde boek getiteld De zin van het bestaan; een inleiding tot de logotherapie. In dit boek beschrijft hij het leven van een gewone gevangene in het concentratiekamp vanuit het perspectief van een psychiater.

In 1946 werd hij aangesteld als directeur van de Weense polikliniek voor neurologie, welke functie hij zou blijven vervullen tot 1971. In 1947 hertrouwde hij met Eleonore Katharina Schwindt, met wie hij een dochter, Gabriele, zou krijgen. Vanaf 1955 was hij hoogleraar in de neurologie en psychiatrie aan de Universiteit van Wenen. Daarnaast vervulde hij enkele gastprofessoraten in de Verenigde Staten (Harvard University, Dallas, Pittsburgh).

In de naoorlogse jaren publiceerde Frankl meer dan 32 boeken, waarvan er meerdere in tien tot twintig talen werden vertaald. Het bekendst is hij echter als bedenker van de logotherapie (logos, λόγος, is Grieks voor 'woord, reden, principe'; therapie, Θεραπεύω, betekent 'ik genees'). Hij gaf wereldwijd lezingen en seminars en ontving 29 eredoctoraten.

Weetjes
Frankl zei vaak dat er zelfs binnen de benauwende muren van het concentratiekamp maar twee soorten mensen bestaan: fatsoenlijke en onfatsoenlijke mensen. Dit gold ongeacht de klasse, etniciteit of groep waartoe men behoorde.
In concentratiekamp Theresienstadt werkte hij als algemeen arts in een kliniek, totdat zijn psychiatrische kennis werd erkend. Toen werd hem verzocht een aparte kliniek op te zetten waar hij nieuwe gevangenen leerde hun schrik en woede te boven te komen. Later zette hij een speciale kliniek op voor de behandeling van suïcidale gevangenen; tekenen van suïcidale gedachten bij gevangenen werden aan hem gemeld. Om zijn waardigheid te behouden onder de naargeestige omstandigheden van het concentratiekamp, gaf hij dikwijls een lezing aan een denkbeeldig publiek over Psychotherapeutische ervaringen in een concentratiekamp. Hij geloofde dat hij het lijden kon beëindigen door het volledig objectief te ervaren.
Frankl geldt als bedenker van de term Sunday neurosis, waarmee hij verwijst naar een soort depressie die optreedt bij mensen, zodra ze zich bewust worden van de leegte van hun leven als de werkweek voorbij is.

 


Hans Freudenthal

Hans Freudenthal (Luckenwalde, 17 september 1905 – Utrecht, 13 oktober 1990) was een Duits-Nederlandse wiskundige en pedagoog die bijdragen leverde aan de topologie en de filosofie, historie en theorie van het wiskundeonderwijs. Hij is de grondlegger van het realistisch rekenen.
Levensloop
Freudenthal kwam uit een Joods gezin. Zijn vader was godsdienstleraar Jozef Freudenthal en zijn moeder Elsbeth Ehmann. Door zijn Joodse afkomst kon hij gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn beroep niet meer uitoefenen, leefde hij min of meer ondergedoken en moest hij in een werkkamp in Havelte aan de nooit gerealiseerde grootste luchthaven van Nederland werken. Hij trouwde op 20 juli 1932 in Amsterdam met Suzanna (Suus) Johanna Catherina Lutter. Het paar kreeg drie zoons (Jedidja, Matthijs en Thomas) en een dochter (Mirjam).
Freudenthal bezocht het gymnasium in zijn geboorteplaats Luckenwalde, waar hij een brede belangstelling toonde voor zowel exacte onderwerpen als voor taal, literatuur en poëzie. Hij studeerde vanaf 1923 aan de Universiteit van Berlijn, waar hij in februari 1930 bij Heinz Hopf promoveerde op een proefschrift getiteld: "Über die Enden topologischer Räume und Gruppen". In 1927 leerde Freudenthal L.E.J. Brouwer kennen, die in Berlijn colleges gaf. Op diens uitnodiging ging hij in november 1930 naar Amsterdam en werd hij medewerker bij Brouwer en al spoedig lector. Ondertussen studeerde hij enige tijd aan de Sorbonne in Parijs.
In 1937 bewees hij de suspensiestelling van Freudenthal. Spoedig na de oorlog in 1946 werd hij hoogleraar zuivere en toegepaste wiskunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, een leerstoel die hij tot zijn emeritaat in 1975 bekleedde. Later concentreerde Freudenthal zich, mede onder invloed van zijn vrouw - die pedagoge en grondlegster van het Jenaplanonderwijs in Nederland was - op wiskundige didactiek. Dat leidde ertoe dat hij in 1971 het Instituut voor de Ontwikkeling van het Wiskunde Onderwijs (IOWO) oprichtte. Dit instituut is een expertisecentrum voor het reken- en wiskundeonderwijs en doet onderzoek naar alle aspecten daarvan. In 1991 werd het omgedoopt in het Freudenthal Instituut. Het doel is het reken- en wiskundeonderwijs op alle niveaus te verbeteren, vooral in het basis-, voortgezet- en beroepsonderwijs.
Freudenthal was een universeel geleerde, die ruime kennis had van onderwerpen ook buiten de wiskunde. Zo bestudeerde hij onder meer Sanskriet, was een kenner van literatuur en poëzie en ontwikkelde hij een universele taal, Lincos, voor communicatie met mogelijk buitenaardse beschavingen.
In 1951 werd hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, (KNAW). Hij ontving eredoctoraten van de Humboldt-Universität te Berlijn (1960), de Friedrich-Alexander Universität te Neurenberg (1972), de Vrije Universiteit te Brussel (1974), York University te Toronto (1974) en de Universiteit van Amsterdam (1977). Hij was rector magnificus aan de Universiteit Utrecht in het studiejaar 1963-1964. In 1984 ontving hij de Gouden Ganzenveer.
Hans Freudenthal overleed op 85-jarige leeftijd in de vroege herfst van 1990, zittend op een bankje in een park in de stad Utrecht, waar hij 's morgens altijd wandelde.
Werken
Freudental schreef een twintigtal boeken (waarvan enige zijn vertaald) en meer dan honderd artikelen. Een selectie van zijn Nederlandse boeken:
5000 jaren internationale wetenschap, Wolters-Noordhoff, 1946
Ehrenfest-Afanassjewa, T. en H. Freudenthal; Kan het wiskundeonderwijs tot de opvoeding van het denkvermogen bijdragen, Muuses, 1951
Inleiding tot het denken van Einstein, Born, 1952
Exacte logica, De Erven F. Bohn, 1961
Wiskunde in wetenschap en dagelijks leven, De Haan, 1967
Didactische fenomenologie van wiskundige grondbegrippen, 1979
Appels en peren/wiskunde en psychologie: gebundelde opstellen, 1984
Didactische fenomenologie van wiskundige structuren, 1984
Schrijf dat op, Hans: knipsels uit een leven, Meulenhoff Informatief, 1987
Internationale publicaties:
Mathematics as an educational task (1973), Mathematik als pädagogische Aufgabe (1973, 1977)
Weeding and sowing: preface to a science of mathematical education (1978), Vorrede zu einer Wissenschaft vom Mathematikunterricht (1978)
Méthodes et méthodologie dans les recherches didactiques (1980)
Didactical phenomenology of mathematical structures (1983)
Revisiting mathematics education: China lectures (1991)
Onder het pseudoniem V. Sirolf publiceerde hij:
Viersprong der grote wegen, Gottmer, 1946

Freudenthal (1983)

Freudenthal (1983)
Algemene informatie
Geboren 17 september 1905, Luckenwalde
Overleden 13 oktober 1990, Utrecht
Land Vlag van Duitsland Duitsland Vlag van Nederland Nederland
Beroep wiskundige
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Wiskunde
Onderwijs
 

Freudenthal ontvangt Gouden Ganzenveer (1984) uit de hand van Minister Deetman.

 


Heinz Galinski

Heinz Galinski (Marienburg, West-Pruisen, tegenwoordig Polen, 28 november 1912 - Berlijn, 19 juli 1992) was de voorzitter van de Zentralrat der Juden in Duitsland.

Heinz Galinski volgde een opleiding tot textielhandelaar, die hij in 1933 afsloot. Vanaf 1938 woonde Galinski in de Berlijnse wijk Prenzlauer Berg. Vanaf 1940 moest hij dwangarbeid verrichten voor de nazi's en in 1943 werd hij met zijn vrouw en zijn moeder gedeporteerd naar het concentratiekamp Auschwitz. Zijn vrouw en zijn moeder werden in Auschwitz vermoord en Galinski moest in het kamp Auschwitz III - Monowitz werken voor de IG Farben. In januari 1945 werd Galinski overgebracht naar het kamp Mittelbau-Dora en na de ontruiming van dat kamp naar Bergen-Belsen waar hij half april 1945 werd bevrijd.

Galinski bleef na het einde van de oorlog in Duitsland en was betrokken bij de oprichting van de Vereniging van vervolgden van het nazi-regime (VVN). Tot 1948 was hij vicevoorzitter van de VVN, maar hij trad uit de VVN toen deze vereniging in communistisch vaarwater terecht was gekomen. Van april 1949 tot 1992 was Galinski voorzitter van de Joodse gemeente van Berlijn. Onder druk van de vervolging van Joodse communisten in de DDR vluchtte Galinski naar West-Berlijn, net als een groot deel van de Joodse gemeente. Tussen 1954 en 1963 was hij de eerste voorzitter van de Zentralrat der Juden. In 1966 kreeg Galinski het Große Bundesverdienstkreuz uitgereikt.

In de zomer van 1975 werd een aanslag met een bombrief gepleegd op Galinski, waarbij hij ongedeerd bleef. In 1987 werd hij benoemd tot ereburger van de stad Berlijn. In 1988 werd Galinski weer voorzitter van de Zentralrat der Juden, hetgeen hij tot zijn dood in 1992 bleef. Als voorzitter werd hij opgevolgd door Ignatz Bubis.

In september en december 1998 werden twee aanslagen met explosieven op het graf van Galinski gepleegd. Zijn grafsteen werd daarbij verwoest.

Heinz Galinski voor het gebouw van de Joodse gemeente (januari 1967)

 


Bronisław Geremek

Bronisław Geremek (Warschau, 6 maart 1932 – Lubień (Groot-Polen), 13 juli 2008) was een Pools politicus en historicus van Joodse komaf. Sinds 2004 was hij Europarlementariër. Hij was voorzitter van de Vrijheidsunie en minister van Buitenlandse Zaken. Ook was hij betrokken bij de oprichting van de Poolse vakbond Solidarność.
Jeugd
Geremek was de zoon van een rabbijn. Zijn vader werd vermoord in het concentratiekamp Auschwitz. Samen met zijn moeder werd hij in 1943 uit het Getto van Warschau gesmokkeld en dook onder bij een Poolse familie.

Opleiding en werkzaamheden
In 1954 studeerde Geremek af aan de faculteit historie van de Universiteit van Warschau en tussen 1956 en 1958 voltooide hij postdoctorale opleidingen aan de École pratique des hautes études in Parijs. Hij promoveerde in 1960 en in 1972 ontving hij zijn postdoctorale graad aan de Polish Academy of Sciences. In 1989 werd hij benoemd tot buitengewoon professor in de middeleeuwse geschiedenis en in 1993 tot professor.

Hij was gespecialiseerd in cultuurgeschiedenis en de middeleeuwse samenleving. Hij schreef veel artikelen en publicaties die zijn vertaald in tien talen. Zijn promotieonderzoek (1960) handelde over de arbeidsmarkt in het middeleeuwse Parijs. Zijn postdoctoraal onderzoek spitste zich toe op de ondergrondse groeperingen in datzelfde middeleeuwse Parijs.

Onderzoekscarrière
Geremek werkte het grootste deel van zijn onderzoekscarrière bij het Historisch Instituut van de Poolse Wetenschapsacademie. Hij was daar werkzaam van 1955 tot 1985. Van 1960 tot 1965 was hij hoogleraar aan de Sorbonne in Parijs en de manager van het Poolse Cultureel Centrum van diezelfde universiteit. Hij heeft eredoctoraten gekregen bij diverse universiteiten waaronder de Universiteit van Bologna, de Universiteit Utrecht, de Sorbonne en de Columbia University.

Politieke carrière
Communistisch Polen

In 1950 sloot Geremek zich aan bij de Poolse Communistische Partij. Hij was de tweede secretaris van de Basic Party Organisation (POP) van deze partij bij de universiteit van Warschau. In 1968 trok hij zich terug uit de partij uit protest tegen de inval van de overige landen van het Warschaupact in Tsjecho-Slowakije.

In de jaren 70 van de 20e eeuw werd hij beschouwd als een van de leidende figuren in de Poolse oppositie. Hij was medeoprichter van de Society for Educational Courses, waar hij lezingen gaf. In augustus 1980 sloot hij zich aan bij de protestbeweging van de havenarbeiders uit Gdańsk en werd een van de adviseurs van de vakbond Solidarność (Pools voor Solidariteit). In 1981 was hij de voorzitter van de programmacommissie tijdens de eerste nationale conventie van die partij. Het lukte de partij om het communistische regime op vreedzame wijze tot vergaande concessies te dwingen. Deze situatie was voor de communistische machthebbers in Moskou niet verteerbaar en een interventie hing in de lucht. Onder druk van de Sovjet-Unie kondigde generaal Wojciech Jaruzelski op 13 december 1981 de staat van beleg af. De macht van de communisten werd hersteld en de vakbond Solidarność en andere oppositiebewegingen werden verboden. Dit leidde tot de arrestatie van onder andere Geremek en hij werd een jaar gevangengezet, tot december 1982. Daarna werd hij adviseur van Solidarność, die toen illegaal was, en werkte daarbij nauw samen met Lech Wałęsa. In 1983 werd hij opnieuw gearresteerd.

De derde Poolse republiek
De rondetafelbijeenkomsten

Tussen 1987 en 1989 was Gemerek de leider van de commissie voor politieke hervormingen of the Civic Comité, welke voorstellen voorbereidde voor een vreedzame democratische hervorming van Polen. In 1989 speelde hij een cruciale rol in de debatten tussen Solidarność en de overheid (de ronde tafelbijeenkomsten) welke leidden tot vrije verkiezingen en de inrichting van een tweekamerparlement.
Geremek was vervolgens medeoprichter van de Democratische Unie, die later opging in de Vrijheidsunie (Unia Wolności) en tegenwoordig als de Democratische Partij door het leven gaat. Ook was hij de fractieleider van zijn partij van 1990 tot 1997. Na de verkiezingen van 1991 werd hij door de president Lech Wałęsa gevraagd om een nieuwe regering te vormen. Geremek slaagde hier niet in en vervolgens werd Jan Olszewski aangesteld als Minister-President.
Van 1989 to 2001 was Geremek lid van de Sejm, de Poolse Tweede Kamer en voorzitter van de politieke raad van de Vrijheidsunie. Hij was voorzitter van de parlementscommissie Buitenlandse Zaken van 1989 tor 1997, de Grondwetscommissie van 1989 to 1991 en de commissie Europese wetgeving van 2000 tot 2001.
Nadat in 1997 een nieuwe regering was gevormd tussen de AWS en de Vrijheidsunie, werd hij aangesteld als Minister van Buitenlandse Zaken onder premier Jerzy Buzek en diende tot 2000. In maart 1999 tekende hij namens Polen het toetredingsverdrag tot de NAVO.
Europees Parlement
Tijdens de Europese Parlementsverkiezingen van juni 2004 werd Geremek verkozen als kandidaat van de Vrijheidsunie, waarbij hij het hoogst aantal stemmen van Warschau vergaarde. In het Europees Parlement was hij lid van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa.
In april 2007 weigerde Geremek een, in Polen omstreden, verklaring te ondertekenen waarin hij aangaf nooit te hebben samengewerkt met de Geheime Dienst in het kader van een zuiveringsactie. Een maand later werd deze actie door de Poolse Hoge Raad afgekeurd en gestopt, inclusief de verplichting voor zo'n 700.000 Polen om deze verklaring te ondertekenen.
Onderscheidingen, benoemingen, eerbetoon
Geremek ontving de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland, de Internationale Karelsprijs Aken (1998), en is benoemd door Frankrijk als tot officer van het Légion d'honneur.
In 2002 kreeg hij van president Aleksander Kwaśniewski de belangrijkste Poolse onderscheiding, de Orde van de Witte Adelaar. In 2000 ontving hij de Four Freedoms Award voor vrijheid van meningsuiting.
Geremek lezing
Sinds 2009 organiseert de Universiteit Utrecht, via het Utrecht Centre for Global Challenges, jaarlijks de Geremek lezing, als huldeblijk voor het politieke en wetenschappelijke werk van Geremek.
Overlijden
Bronisław Geremek overleed op 76-jarige leeftijd, als gevolg van een auto-ongeluk in Polen. Hij was op weg naar een bijeenkomst in Brussel.
Vele prominente Europeanen reageerden op zijn overlijden en spraken hun waardering voor hem uit. Zo sprak de voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Barroso de hoop uit dat toekomstige generaties Geremek als voorbeeld zullen nemen als symbool van een vrije geest en de strijd voor de vrijheid.
De Franse president Nicolas Sarkozy noemde Geremek een groot bijdrager aan de opbouw van Europa en aan de hereniging van het continent.
Hans-Gert Pöttering, voorzitter van het Europees Parlement, zei dat Geremek bewees dat het mogelijk is om dicht bij zijn eigen land te staan en tegelijkertijd ook dicht bij Europa te staan.

Bronisław Geremek, mei 2004

Geboortedatum en -plaats 6 maart 1932 
Warschau
Datum en plaats van overlijden 13 juli 2008 
Lubień
Minister van Buitenlandse Zaken
periode van 31 oktober 1997 
tot 30 juni 2000
Politieke verbondenheid Vrijheid Unie
voorganger Dariusz Rosati
opvolger Władysław Bartoszewski
President van de Vrijheidsunie
periode van 18 december 2000 
tot 14 oktober 2001
Politieke verbondenheid Vrijheid Unie
voorganger Leszek Balcerowicz
opvolger Władysław Frasyniuk
MP voor de zesde ambtstermijn
periode van 20 juli 2004 
tot 13 juli 2008
Politieke verbondenheid Democratische Partij - demokraci.pl

 

 

 

 

Bronisław Geremek (l) en Tadeusz Mazowiecki (r), 1 mei 2004

 


Martin Gray (schrijver)

Martin Gray, geboren als Mietek Grajewski (Warschau, 27 april 1922 – Ciney (België), 25 april 2016), was een Frans-Amerikaans schrijver en Holocaustoverlevende van Joods-Poolse afkomst. Hij werd het meest bekend door autobiografische boeken over zijn ervaringen in en na de Tweede Wereldoorlog.
Biografie
Het eerste boek van Gray, waarmee hij in één klap beroemd werd, draagt de titel Au nom de tous les miens (Ned.: Uit naam van al de mijnen). Dit boek vertelt hoe Gray de concentratiekampen overleeft en over het familiedrama dat hem later overkomt tijdens een bosbrand. Het beschrijft de tijdspanne van 1922 (geboortejaar) tot 1970, het jaar waarin de schrijver zijn (Nederlandse) vrouw en zijn vier kinderen in een bosbrand verloor. In dit boek beschrijft Gray verder zijn gruwelijke ervaringen als joodse jongeman in het getto van Warschau en het vernietigingskamp Treblinka in Oost-Polen. Gray slaagde er in 1943 als één van de zeer weinigen in om te ontsnappen uit Treblinka. Het boek is in Nederland uitgegeven als Uit naam van al de mijnen. Gray vertelde zijn verhaal aan Max Gallo die het boek voor Martin schreef.
Het tweede boek La vie renaîtra de la nuit (Nederlandse vertaling: Na de nacht het leven) behandelt de tijdspanne 1970–1977. We zien hier de schrijver die, tegen de klippen op, het verlies van zijn complete gezin probeert te verwerken. Eén en ander mondt uit in een zelfmoordpoging, maar uiteindelijk komt Gray erdoorheen en ontmoet zijn tweede vrouw, Virginia, een Belgische. Het echtpaar krijgt een dochter, Barbara. Hiermee begint en eindigt het boek. Uit zijn tweede huwelijk kreeg Gray nog twee kinderen. Rond 1990 trouwde hij voor een derde keer. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen.[1]
Zijn laatste boek heet Au nom de tous les hommes (Ned.: Uit naam van alle mensen). Een vijftal titels zijn in het Nederlands vertaald, zijn laatste boek niet. In totaal schreef Gray 12 boeken.
Martin Gray stierf in 2016 op 93-jarige leeftijd. ZIjn lichaam werd gevonden in het zwembad in zijn woning in België.[2]
Over Gray
Zijn eerste boek (Uit naam van al de mijnen) kreeg in 1983 een Frans-Canadees-Hongaarse verfilming met titel Au nom de tous les miens, in regie van Robert Enrico. Duur: 145 minuten. De hoofdrollen werden gespeeld door Michael York en Jacques Penot. In 1985 werd een gelijknamige tv-mini-serie uitgebracht door dezelfde regisseur, met dezelfde hoofdacteurs. 8 episodes van 52 minuten.
In 2007 werd een korte documentaire, Seeking Martin Gray, gemaakt door Frits Vrij.
De Amerikaanse fotograaf David Douglas Duncan schreef in 1979 een boek over Gray; The fragile miracle of Martin Gray.

Martin Gray Monument in Ukkel

 


Edith Hahn Beer

Edith Hahn Beer (Wenen, 24 januari 1914 – Londen, 17 maart 2009) was een Oostenrijkse jodin die de Holocaust overleefde door een andere identiteit aan te nemen en te trouwen met een lid van de nazi-partij, de NSDAP.
Jeugd en studie
Edith Hahn werd geboren in een geassimileerd joods gezin van drie kinderen. Haar ouders, Clotilde en Leopold Hahn, bezaten een restaurant in Wenen, waar de familie graag vertoefde. Het was geen "kosjer" restaurant, omdat haar ouders niet orthodox waren, en zelden naar de synagoge gingen. Edith ontwikkelde zich als een gelukkig en intelligent kind. Ze was leergierig en leerde zo goed dat haar schoolleraar haar vader overhaalde om haar naar het hoger onderwijs te sturen, iets dat in die tijd voor meisjes ongebruikelijk was. Tijdens haar schooltijd werd Edith verliefd op Joseph 'Pepi' Rosenfeld, de zoon van een joodse vader en een katholieke moeder. Ze vonden elkaar in dezelfde intellectuele interesses. Met hem sprak ze over politiek, filosofie, over socialisme, en het verbeteren van de wereld. Twee derde van de bevolking in Wenen was destijds socialistisch. Ook Edith voelde zich aangetrokken tot het socialisme. Er werd in Oostenrijk nog niet veel over Hitler gesproken, omdat het opkomende nazisme in Duitsland ver van hun bed leek. Edith beschouwde Hitler niet als een 'denker', maar als een bombastisch spreker. Hoewel Edith voornamelijk geïnteresseerd was in filosofie, schreef ze zich in 1933 in aan de Universiteit van Wenen voor een rechtenstudie. Ze wilde advocaat of rechter worden, en voelde ambities om zich in te zetten voor rechtvaardigheid.
Anschluss
Tijdens haar studie werd Oostenrijk in 1938 ingelijfd bij Duitsland (de Anschluss), en werd het Edith onmogelijk gemaakt haar studie af te maken. Vlak voor haar laatste examen, waarna ze haar doctoraaldiploma in ontvangst zou nemen, kreeg ze te horen dat ze als jodin niet meer welkom was en haar diploma kon vergeten. In Oostenrijk ontwikkelde de Jodenhaat zich nog sneller en grimmiger dan in Duitsland en Edith wilde net als vele andere joden snel uit het land weg. Haar geliefde Pepi wilde dit echter niet, omdat zijn moeder had gedreigd met zelfmoord als hij dat zou doen. Edith voelde zich daardoor gedwongen te blijven omdat ze Pepi niet wilde verlaten. Haar twee zussen vertrokken nog net op tijd, op de avond van de Kristallnacht, naar Palestina. De niet-joodse moeder van Pepi had intussen besloten haar zoon bij de joden (en dus ook bij Edith) weg te halen. Nog diezelfde Kristallnacht moest Edith daarom afscheid nemen van Pepi.
Dwangarbeid
Edith en haar moeder werden door de Gestapo gedwongen te verhuizen naar het Weense ghetto, waar ze leefden in één kamer met 5 anderen, in een 1-persoonsappartement. De nazi's gingen over tot nauwkeurige registratie van alle joden, en in het voorjaar van 1941 moesten Edith en haar moeder zich melden bij het registratiebureau in Wenen. Maar terwijl ze in de rij stonden, werden ze eruit geplukt door de Gestapo om op transport te worden gezet naar Noord-Duitsland (Osterburg) voor dwangarbeid op het land. Edith pleitte voor haar moeder, om haar vanwege haar hoge leeftijd te sparen, hetgeen lukte. Maar Edith zelf ontkwam niet aan het transport. Hierna zouden moeder en dochter elkaar nooit meer zien. Pas na 13 maanden zou Edith terugkeren in Wenen, in juni 1942. Het was de bedoeling dat ze haar moeder zou weerzien, maar deze bleek twee weken daarvoor te zijn gedeporteerd naar Polen. Omdat Edith haar jodenster van haar kleding had gerukt en wilde onderduiken, keerde Pepi, die nog altijd in Wenen woonde, zich uit angst van haar af. Na zes weken te hebben geschuild in stadsparken, meldde Edith zich ten einde raad bij een nazi-vrouw van wie ze in Osterburg gehoord had dat die een jodin had geholpen. Deze vrouw was Maria Niederall, een lid van de NSDAP. Zij gaf Edith het adres van een man aan wie ze de volledige waarheid moest vertellen. Tot Ediths schrik bleek dit een SS'er te zijn, maar hij toonde zich inderdaad behulpzaam. Hij adviseerde Edith een paspoorttruc toe te passen, en gaf nauwkeurige aanwijzingen hoe dit moest worden uitgevoerd. Met hulp van haar christelijke vriendin Christl Margarethe Denner lukte dit. Hierna ging Edith door het leven als 'Margarethe (Grete) Denner'.
München en huwelijk
Met haar vervalste 'arische' paspoort reisde Edith in augustus 1942 naar München. Daar ging ze voor het Rode Kruis werken. Vlak daarna ontmoette ze in een kunstgalerie Werner Vetter, een kunstschilder die uit broodnood vliegtuigen voor de Luftwaffe beschilderde en lid was van de NSDAP. Werner werd verliefd op Grete (Edith) en vroeg haar ten huwelijk. Omdat Edith besefte dat de ontdekking van haar ware identiteit na een huwelijk met een NSDAP-lid haar in diepe problemen kon brengen, besloot ze hem de waarheid omtrent haar joods-zijn en haar valse papieren te vertellen. Tot haar verrassing vond Werner dit geen probleem. Hij beloofde haar joodse identiteit geheim te houden, een belofte die hij nooit geschonden heeft. Begin 1943 trok ze bij hem in, in zijn appartement in Brandenburg an der Havel. Toen Edith op de kinderafdeling van het plaatselijke ziekenhuis werd geplaatst, ontstond bij haar de wens een kind te krijgen. Werner ging onder sputteren akkoord, op voorwaarde dat ze zouden trouwen. En zo geschiedde op 16 oktober 1943. Op 9 april 1944 werd hun dochter Maria Angelika Vetter geboren. Zij is vermoedelijk het enige joodse kind dat in een nazi-ziekenhuis ter wereld kwam. Op 1 september 1944 werd Werner opgeroepen voor het leger om te vechten aan het Oostfront. Zijn superieur zag kwaliteiten in Werner, en maakte hem tot officier. En zo werd de eens door nazi's opgejaagde jodin Edith Hahn de vrouw van een nazi-officier. In maart 1945 werd Werner door de Russen gevangengenomen toen zijn legereenheid werd aangevallen, waarna hij naar een gevangenkamp in Siberië werd gestuurd.
Na de oorlog
Hoewel ook het appartement van Werner en Edith in Brandenburg door de geallieerde bombardementen op Duitsland was verwoest, vond ze wonderwel in de rokende puinhopen haar originele paspoort en universiteitspapieren terug, die ze daar in een koffer had verstopt. Ze hernam daarop haar oorspronkelijke identiteit, en heette voortaan "Edith Vetter geb. Hahn". Op zoek naar nieuws over haar moeder, toog ze naar een doorgangskamp in Berlijn voor overlevende Joden. Daar werd ze door mede-Joden echter begroet met haat, omdat ze de oorlog ongeschonden had doorstaan en er zo gezond uitzag. De communisten boden haar een baan aan als rechter in Brandenburg, die ze met beide handen aannam. Twee jaar na de oorlog keerde Werner Vetter tegen alle verwachting in levend terug. Edith wilde de relatie met hem voortzetten, en zelfs een nieuw kind van hem, omdat ze van hem hield en hij haar al die tijd bescherming had geboden. Werner was echter niet opgewassen tegen de verandering die zijn 'Grete' had ondergaan. Van een dienstbare huisvrouw was Edith veranderd in een zelfbewuste vrouw die een baan als rechter had, en niet altijd voor hem klaar kon staan. Dit gaf zoveel wrijving dat Werner een scheiding aanvroeg. Hij stierf in 2002 in Duitsland. Na haar scheiding met Werner Vetter kon Edith zich steeds minder vinden in het strenge communistische beleid in (Oost)Duitsland, en vertrok ze naar Londen waar haar zus woonde.
Later leven
In 1957 hertrouwde Edith met Fred Beer, een in Londen woonachtige Weense jood, die net als zij de Holocaust had overleefd. Na zijn dood, emigreerde Edith naar Israël. In haar laatste levensfase keerde zij toch weer terug naar Londen, waar ze haar laatste jaren sleet in een verpleeghuis. In 1999 verscheen haar Engelstalige autobiografie, die het jaar daarop in het Duits werd uitgegeven onder de titel Ich ging durchs Feuer und brannte nicht. In 2002 werd haar boek tot een documentaire verfilmd, onder regie van Liz Garbus.

Afbeeldingsresultaat

Edith Hahn Beer
Geboren Edith Hahn 24 januari 1914 Wenen, Oostenrijk

Ging dood 17 maart 2009 (95 jaar)
residentie Golders Green , Barnet , Londen 
Nationaliteit Oostenrijkse 
Britten
Andere namen Grete Denner, Grete Vetter
Partner (s) Werner Vetter ( m. 1944-47) 
Fred Beer ( m. 1957-84)
Kinderen Angelika "Angela" Schlüter

Bestand: Edith Hahn Beer.jpg

Een jonge Edith Hahn in Oostenrijk

 



Max Hamburger

Meijer (Max) Hamburger (Amsterdam, 10 februari 1920 – Maastricht, 2 juli 2012) was een Nederlandse psychiater van Joodse afkomst. Hij was verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog en hij was een getuigend overlevende van de concentratiekampen Auschwitz en Buchenwald.
Jeugd en opleiding
Max Hamburger werd geboren in Amsterdam als tweede zoon van de diamantair en honkballer Hartog Hamburger en Julia Waterman, die costumière was. Zijn moeder werd weduwe, maar kon door het pensioen van haar man en haar eigen werk Max na zijn middelbareschooltijd door laten studeren. Hamburger ging medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam, mede ingegeven door het feit dat zijn oudere broer als tiener aan kanker was overleden, wat een grote invloed had gehad op het gezin.
Arrestatie en concentratiekamp
In oktober 1943 werden Hamburger en zijn moeder opgepakt en naar Kamp Westerbork gebracht. Hamburger was gearresteerd omdat de verzetsgroep waar hij deel van uitmaakte verraden was. Hij werd op 8 februari 1944 op transport gezet naar Auschwitz. Zijn moeder volgde een maand later: zij werd na aankomst in Auschwitz op 6 maart 1944[1] onmiddellijk in een gaskamer om het leven gebracht. Zelf overleefde Max als arts in opleiding een tijdlang als medisch assistent die de gevangenen op luizen moest controleren. Aan het eind van de oorlog werd hij overgeplaatst naar verschillende kampen om uiteindelijk in Buchenwald te belanden. Hij was de dood zeer nabij toen hij daar op 10 april 1945 werd bevrijd door het Amerikaanse Derde Leger onder leiding van generaal Patton.
Na de oorlog
Onmiddellijk na de bevrijding werd van hem, toen hij nog maar 28 kilo woog, een bekende foto gemaakt door een Amerikaanse militair die in vele tijdschriften heeft gestaan (zie hiernaast). Op deze foto staat ook Eli Wiesel afgebeeld waarmee hij tot lang na de oorlog contact zou houden. Terug in Nederland kreeg hij ook het nieuws dat de ouders van zijn voor de oorlog overleden vader al in 1943 waren omgekomen in het vernietigingskamp Sobibór en hij zijn gehele familie was kwijtgeraakt. Ernstig verzwakt door tuberculose bracht hij na de oorlog jaren in ziekenhuizen en een sanatorium door. Vanaf het ziekbed voltooide hij zijn studie medicijnen en werd psychiater, gespecialiseerd in het behandelen van oorlogstrauma's. In 1999 maakte het televisieprogramma Netwerk een aangrijpende documentaire over zijn bezoek met zijn twee dochters uit zijn tweede huwelijk aan het kamp Auschwitz, waar ook de gedenk-kei van zijn moeder opgezocht werd.
Personalia
Max Hamburger kreeg vier kinderen uit zijn eerste huwelijk, twee uit zijn tweede en twee uit zijn derde huwelijk. Hij sprak tot zeer hoge leeftijd nog in scholen, kerken en universiteiten in binnen- en buitenland over zijn ervaringen

Max Hamburger is de op de rug liggende man, vierde van links op de onderste bank. Elie Wiesel is in de tweede rij, zevende van links.

 


Wilhelm Heckmann

Wilhelm Heckmann (Dortmund-Wellinghofen, 26 juni 1897 – Wuppertal, 10 maart 1995) was een Duitse concert- en entertainmentmuzikant. Van 1937 tot 1945 zat hij in de concentratiekampen Dachau en Mauthausen. In het concentratiekamp Mauthausen stichtte hij de eerste gevangenenkapel en was hij bij de oprichting van het groot gevangenenorkest betrokken.
Leven
Als zoon van de herbergier Adolf Heckmann, groeide Willi Heckmann op in het herbergmilieu van Altena (Westfalen). Na de Eerste Wereldoorlog (Vaderlandse hulpdienst en militaire dienst) studeerde Heckmann zang en piano aan het stedelijk conservatorium in Hagen (Westfalen), onder andere bij Otto Laugs.
In de jaren 1920 voerde hij gastvoorstellingen uit als “Rijnlandse Tenor” in Wuppertal, Altena, Rheydt, Zürich en Berlijn; daarnaast begeleidde hij zwijgende films als bioscoopmuzikant in, onder andere, het “Zentraltheater” in Altena en “Thalia” in Wuppertal. In het begin van de jaren 1930 gaf hij een aantal gastvoorstellingen in Stuttgart, Gotha en Düsseldorf. Vanaf 1934 oefende de nationaalsocialistische regering meer en meer de druk uit op de beroepsmuzikanten, die zich naar de nationaal-racistische lijn van de partij moesten richten, volgens de politiek van de “Gleichschaltung” (gelijkschakeling). De zogenoemde Entartete Kunst werd verbannen en de populaire en lichte muziek (“Schlager”) bevorderd. In het muziektijdschrift “Das Deutsche Podium, Kampfblatt für deutsche Musik” (Het Duits Podium, Strijdblad voor de Duitse muziek) werd Heckmann toenemend lovend besproken: "in de loop der maanden heeft hij een steeds groter wordende groep vrienden en mecenassen veroverd (...) met een fijne en goed getrainde tenorstem (...) Willi Heckmann, die muzikaal niets verloren doet gaan (...) zijn volume vult de zaal (...) pianospel, een mooi akkoord, een goed getraind gezang, Mijnheer Heckmann heeft het allemaal"
Verdere optredens en contracten volgden in Stuttgart, Gotha, München, Partenkirchen en Passau. Daar werd hij op 29 juli 1937, geheel onverwacht, zonder acute reden of rechterlijk bevel, door de Gestapo gearresteerd, verhoord en, met verwijzing naar een vroegere homoseksuele episode, “volgens Paragraaf 175” (het homoseksueel artikel) in “preventieve hechtenis” naar het concentratiekamp Dachau overgebracht.De precieze omstandigheden rondom zijn deportatie zijn tot nu toe niet opgehelderd.
In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Heckmann naar het KZ Mauthausen in Oostenrijk overgebracht. In Mauthausen werkte hij in de steengroeve “Wiener Graben”, maar hij slaagde er rond 1940 in om een muzikantentrio op te richten, dat verschillende muziekgenres voor SS’ers, ter gelegenheid van bezoeken van belangrijke gasten en in het casino moest spelen. Op de foto van het “Zigeunerorkest”, toen deze samen met de gevluchte en daarna weer opgepakte gevangene Hans Bonarewitz op 30 juli 1942 door het kamp rondgeleid en daarbij door de fotoafdeling van de SS gefotografeerd werd, bevindt Willi Heckmann zich in de eerste rij van de muzikanten, in een toonaangevende positie. Rechts van hem (met een groot accordeon) staat Georg Streitwolf, de kapo van het postbureau. Nadat Heinrich Himmler tijdens zijn bezoek in de herfst van 1942 het bevel gaf om een groot kamporkest op te richten, werd de kapel “met de hulp van of door de bemiddeling van Heckmann, Rumbauer en een Tsjechische arts”[3] samengesteld. Tot aan de bevrijding van het kamp speelde het orkest regelmatig marsmuziek, populaire en klassieke muziek. “De harmonicaspeler en zanger was Willi Heckmann[3].” Vanaf het moment dat hij deel uitmaakte van het groot orkest, werd Heckmann min of meer als een kapo behandeld. Hij werd in een commando geplaatst dat lichter werk verrichtte (transport, desinfectie) en bleef zo van de hardste concentratiekampopdrachten gespaard. De SS-leiding maakte duidelijk gebruik van zijn muzikaal talent om het kampleven emotioneel te beïnvloeden. Op 5 mei 1945 maakte hij de bevrijding van het concentratiekamp Mauthausen door de elfde Amerikaanse Pantserdivisie van het derde Amerikaanse leger mee.
Na de oorlog probeerde hij zich weer een plaats te verwerven als beroepsmuzikant, wat hem echter tijdens de rest van zijn leven slechts in beperkte mate ging lukken. Als gevolg van jarenlange zware arbeid in de steengroeve van het KZ Mauthausen leed hij aan reuma en aan een zenuwontsteking in de schouders en de armen, wat hem in de uitvoering van zijn beroep belemmerde. In 1954 diende hij een aanvraag voor vergoeding of schadeloosstelling in. Deze werd echter in 1960 afgewezen, met de opmerking dat hij “enkel als homoseksueel wegens misdaad tegen § 175 van het Strafwetboek gevangen was genomen”. Hierdoor had hij geen recht op vergoeding.
Wilhelm Heckmann werkte tot ongeveer 1964 in verschillende Duitse hotels en restaurants als solo entertainer. Hij overleed op 10 maart 1995 in Wuppertal, op zevenennegentigjarige leeftijd.

Wilhelm Heckmann met accordeon
 

Muziekkapel concentratiekamp Mauthausen (Wilhelm Heckmann met klein accordeon), 30 juli 1942

2-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5