Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

2-Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3

Frans persoon in de Tweede Wereldoorlog

Léon Blum

Léon Blum (Parijs, 9 april 1872 - Jouy-en-Josas, 30 maart 1950) was een Frans politicus.
Biografie
Hij werd geboren in een Joodse middenstandsfamilie. Hij richtte vanwege de bezorgdheid over het opkomende nationaalsocialisme in november 1935 de socialistische partij Front populaire op (het Volksfront), samen met Édouard Daladier, Maurice Thorez, Édouard Herriot en Daniel Mayer.
In 1936 werd Blum premier van Frankrijk. In 1938 viel zijn regering en hij werd opgevolgd door Daladier.
Een van de belangrijke verworvenheden van de Franse Volksfrontregering was dat een groot deel van de arbeidersbevolking nu voor het eerst een paar weken per jaar betaalde vakantie kreeg.
Aan de negatieve kant moet worden geregistreerd dat zijn regering vanwege binnenlandse politieke spanningen - en de onwil van Engeland om Frankrijk hierbij te ondersteunen - te weinig steun verleende aan de Spaanse regering, die in de Spaanse Burgeroorlog vocht tegen rechtse rebellen, die wel rijkelijk steun kregen van Hitler en Mussolini.
Toen Duitsland in mei 1940 aan Frankrijk de oorlog verklaarde, vluchtte Blum naar Zuid-Frankrijk. Hij werd samen met Daladier en Paul Reynaud gearresteerd op last van Philippe Pétain; Blum werd in 1943 naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd. Op 4 mei 1945 werd hij in Niederdorf bevrijd door de Amerikanen.
Blum was ook een esperantist. Hij zei: "Ik wens dat het Esperanto in alle dorpen en alle steden wordt onderwezen; dit zou een entente tussen volkeren brengen en de zekerste manier zijn om universele vrede te handhaven."
Hij stierf in 1950. Het dorp Kfar Blum in Galilea werd naar hem vernoemd.
Voorganger:

Albert Pierre Sarraut Premier van Frankrijk
Kabinet-Blum
1936-1937 Opvolger:
Camille Chautemps
Voorganger:
Camille Chautemps Premier van Frankrijk
Kabinet-Blum
1938 Opvolger:
Édouard Daladier
Voorganger:
Georges Bidault
(voorzitter van de Voorlopige Regering) Voorzitter van de Voorlopige Regering
Kabinet-Blum
1946-1947 Opvolger:
Paul Ramadier
(premier)
Voorganger:
Georges Bidault Minister van Buitenlandse Zaken
1946-1947 Opvolger:
Georges Bidault

Léon Blum

Édouard Daladier

Édouard Daladier (Carpentras, 18 juni 1884 – Parijs, 10 oktober 1970) was een Frans politicus. Hij studeerde in Lyon waar Edouard Herriot, lid van de radicaal socialistische partij, burgemeester was.
Biografie
Daladier werd geboren in Carpentras in Zuidoost-Frankrijk, waar hij in 1911 burgemeester werd. In datzelfde jaar werd hij lid van de volksvertegenwoordiging. Vanaf juni 1924 was hij negen jaar minister, eerst van Koloniën, en vervolgens onder meer van Oorlog. In 1927 werd hij leider van de radicaal socialistische partij, en in 1933 werd hij minister-president. Zijn regering sneuvelde na enkele maanden. In 1934 was Daladier gedurende enkele weken minister-president.
In 1936 werd hij opnieuw minister van Oorlog, ditmaal in de Volksfront-regering, en in april 1938 werd hij opnieuw premier. In die hoedanigheid tekende hij het Verdrag van München. In maart 1940 werd hij opnieuw minister van Oorlog, dit keer onder Paul Reynaud. Toen Duitsland Frankrijk binnenviel, vluchtte Daladier naar Marokko. Hij werd in opdracht van Pétain gearresteerd, en werd in februari 1942 samen met Léon Blum en Paul Reynaud berecht wegens landverraad. Vervolgens werd hij overgedragen aan de Duitse bezetter die hem tot 1945 in kamp Buchenwald vasthield, waarna hij werd bevrijd door de geallieerden. Na de oorlog hervatte hij als tegenstander van Charles de Gaulle zijn politieke carrière, tot 1958.
Daladier overleed op 86-jarige leeftijd te Parijs.
Voorganger:
Paul Painlevé Minister van Oorlog
1925 Opvolger:
Paul Painlevé
Voorganger:
Joseph Paul-Boncour Minister van Oorlog
1932-1934 Opvolger:
Jean Fabry
Voorganger:
Joseph Paul-Boncour Minister van Buitenlandse Zaken
1934 Opvolger:
Louis Barthou
Voorganger:
Louis Maurin Minister van Oorlog
1936-1940 Opvolger:
Paul Reynaud
Voorganger:
Georges Bonnet Minister van Buitenlandse Zaken
1939-1940 Opvolger:
Paul Reynaud
Voorganger:
Paul Reynaud Minister van Buitenlandse Zaken
1940 Opvolger:
Paul Reynaud

Édouard Daladier

René-Émile Godfroy

René-Emile Godfroy (Parijs, 10 januari 1885 – Fréjus, 16 januari 1981) was een Franse admiraal.
Biografie
Godfroy studeerde vanaf oktober 1901 aan de École navale en diende daarna op verschillende schepen en nam deel aan de expeditie van Charchot in 1908 naar de Zuidpool. Hij vocht mee tijdens de Eerste Wereldoorlog met de rang van lieutenant de vaisseau en promoveerde op 8 februari 1921 tot capitaine de corvette. Hij werd in 1936[1] bevorderd tot contre-amiral en in april 1940 werd hij benoemd tot commandant van de Force X in de Middellandse Zee. Op 19 juni 1940[1] werd hij bevorderd tot vice-amiral.
In juni 1940 voerde Godfroy het bevel over de Franse marine-eenheid in Alexandrië waar hij met de Britse admiraal Andrew Cunningham onderhandelde over de vreedzame overdracht van de Franse oorlogsschepen.
Het Franse eskader bestond uit het slagschip Lorraine, vier kruisers (Duquesne, Tourville, Suffre en Duguay-Trouin), drie torpedojagers (Basque, Forbin, Fortuné) en een onderzeeër (Agro). De Fransen leegden hun benzinebunkers en verwijderden het vuurmechanisme van de kanonnen. Cunningham beloofde dat de bemanning gerepatrieerd zou worden.
Admiraal Godfroy bleef tot 31 mei 1943 buiten de schijnwerpers en stelde zich toen beschikbaar aan de regering in Algiers, maar werd op 10 december 1943 door Gaullisten uit zijn functie ontheven en met pensioen gestuurd. Hij stierf in januari 1981 in Fréjus in Zuid-Frankrijk op 96-jarige leeftijd.
Onderscheidingen
Grootofficier in het Legioen van Eer
Orde van de Academische Palmen
Ridder in de Maritieme Orde van Verdienste
Herinneringsmedaille aan de Dardanellen
Herinneringsmedaille aan Syrië en Cilicië
Médaille de Serbie (Servië)
Officier in de Leopoldsorde (België)
Commandeur in de Orde van de Glorie (Tunesië)
Commandeur in de Orde van Sharifian Alawaidis
Grande médaille d’or de la Société centrale de sauvetage

Geboren 10 januari 1885
Parijs
Overleden 16 januari 1981
Fréjus
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Onderdeel Franse marine
Dienstjaren 1901 - 1943
Rang French Navy-Rama NG-OF7.svg Vice-amiral
Leiding over Pothuau (kruiser)
Capricieuse
Duquesne
Foch
Force X (escadre)
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk

René Mayer

René Mayer (Parijs, 4 mei 1895 - aldaar, 13 december 1972) was een Frans liberaal politicus van joodse komaf.
Levensloop
Mayer was verwant aan de Rothschild-familie. Hij studeerde letteren en rechten en diende tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bij de artillerie. Hij raakte gewond. Na de Eerste Wereldoorlog, in 1920, werd hij lid van de Conseil d'État (Staatsraad).
Mayer was tijdens het interbellum zakenman en hield zich bezig met de invoer van steenkool uit Duitsland. In 1937 werd hij lid van het comité dat de oprichting van de Société Nationale des Chemins de fer Français (SNCF, nationale spoorwegmaatschappij) voorbereidde. Daarnaast was hij lid van de Raad van Bestuur Air France. Tegelijkertijd werd hij leraar aan het prestigieuze École Libre des Sciences Politiques ("Privé School voor Politieke Wetenschappen").
Verzetsleid
René Mayer werd in 1939 gemobiliseerd en leidde vervolgens een Franse missie over bewapening in Londen. In mei 1940 keerde hij naar Frankrijk terug en vestigde zich na de Franse overgave in Vichy-Frankrijk. De houding van de Vichy-regering ten opzichte van Joden was ronduit negatief en zonder enige schroom deporteerde de met nazi-Duitsland collaborerende Vichy-regering onder maarschalk Philippe Pétain naar concentratiekampen. Ook werden Joden belemmerd in hun werk. In november/december 1941 nam hij deel aan de besprekingen over de oprichting van de door het Vichy-bewind opgedrongen Union Générale des Israëlites de France (UGIF, Algemene Unie van Israëlieten in Frankrijk)[1]. Alle Joden in Vichy-Frankrijk zouden zich hierbij moeten aansluiten. Sommige deelnemers aan de besprekingen, zoals Raymond-Raoul Lambert, waren voor de instelling van de UGIF en samenwerking met de regering, anderen, zoals Mayer en professor David Olmer waren tegen. Mayer stelde voor dat Joden in openbare functies collectief ontslag zouden nemen en op die manier de Vichy-regering tegen te werken. De meeste deelnemers aan de besprekingen waren echter vóór de instelling van de UGIF.
In 1943 wist Mayer naar Algerije (een toenmalige Franse kolonie) te ontkomen. Hij vestigde zich bij generaal Henri Giraud in Algiers en werd hoofd van het secretariaat voor Communicatie. Vervolgens werd hij lid van het Comité Français de la Libération Nationale (CFLN, Frans Comité voor de Nationale Bevrijding), het uitvoerende orgaan van de Vrije Fransen van generaal Charles de Gaulle. Na de bevrijding van Frankrijk was hij van 26 augustus 1944 tot 21 november 1945 minister van Transport en Openbare Werken in het kabinet onder premier De Gaulle. Van 26 augustus 1944 tot 10 september 1944 was hij tevens minister van Communicatie.
Van 1945 tot 1946 was hij Hoge Commissaris van Duitsland[.
Naoorlogse carrière
René Mayer werd bij de parlementsverkiezingen van 1946 als lid van de Parti Radical-Socialiste (PRS) voor het departement Constantine (Algerije) in de Franse Nationale Vergadering (Assemblée Nationale) gekozen. Hij bleef lid van de Nationale Vergadering tot 1955. Als kamerlid trad hij op als vertegenwoordiger van de belangen van de koloniën (later Franse Overzeese Gebiedsdelen genaamd).
Van 1945 tot 1948 was hij minister van Financiën en Economische Zaken. Van 26 juli tot 11 september 1948 was hij korte tijd minister van Defensie. Vervolgens was hij van 1949 tot 1951 minister van Justitie en Grootzegelbewaarder. In die functie verleende hij in 1950 gratie aan de na de oorlog tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeelde Xavier Vallat. Vallat was commissaris voor Joodse Vraagstukken van de Vichy-regering geweest[3]. Van 1951 tot 1952 was hij vicepremier (Vice-Président du Conseil) en minister van Financiën en Economische Zaken in het kabinet onder premier René Pleven.
Premier
Op 8 januari 1953 werd Mayer door president Vincent Auriol benoemd tot premier (Président du Conseil). Zijn kabinet bestond uit de PRS, de christendemocratische Mouvement Républicain Populaire (MRP), de liberale Union Démocratique et Socialiste de la Résistance (UDSR), de conservatief-liberale Centre National des Indépendants et Paysans (CNIP) en Gaullistisch georiënteerde Action Républicaine et Sociale (ARS). Het kabinet wilde een verhoging van de pensioensgerechtigde leeftijd van werknemers in staatsbedrijven, een stijging van de prijzen voor alcoholische dranken, alsook een bezuiniging van 120 miljard franc. Daarnaast wilde de regering bijzondere volmachten om de financiële en economische crisis aan te pakken. Er bestond echter geen meerderheid in het Franse parlement voor de regeringsplannen en Mayer diende na slechts vier maanden premier te zijn geweest, zijn ontslag in. Demissionair-premier Mayer en zijn demissionaire kabinet bleven aan tot 28 juni 1953.
Voorzitter EGKS
René Mayer was een overtuigd Europeaan. Reeds in 1943 werkte hij als lid van het CFLN een plan voor West-Europese integratie uit. Van 1955 tot 1957 was hij voorzitter van de Hogere Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS).
Graf van René Mayer op de begraafplaats van Montparnasse
Mayer was ook op departementeel en gemeentelijk vlak actief. Hij was burgemeester van Giverny (departement Eure), conseiller général (lid van de Generale Raad) van het departement Eure en daarna conseiller général van het departement Sétif (Algerije) en Président du Conseil Général (President van de Generale Raad) van het departement Constantine).
René Mayer overleed op 77-jarige leeftijd.
Ministersposten
Commissaris voor Communicatie en Transport (26 augustus - 10 september 1944)
Minister van Transport en Openbare Werken (10 september 1944 - 21 november 1945)
Minister van Financiën en Economische Zaken (24 november 1947 - 26 juli 1948)
Minister van Defensie (26 juli - 11 september 1948)
Minister van Justitie en Grootzegelbewaarder (29 oktober 1949 - 11 augustus 1951)
Vicepremier en minister van Financiën en Economische Zaken (11 augustus 1951 - 20 januari 1952)
Premier (8 januari - 28 juni 1953)

Rene Mayer.jpg

Termijn 1946 - 1955
Departement Constantine
Parlementaire groep RRRS
Tijdvak Vierde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

 

Graf van René Mayer op de begraafplaats van Montparnasse

Paul Reynaud

Paul Reynaud (Barcelonnette, 15 oktober 1878 - Neuilly-sur-Seine, 21 september 1966) was een Frans advocaat, politicus en advocaat prominent in het interbellum, bekend om zijn standpunten over het economisch liberalisme en militante verzet tegen Duitsland. Reynaud was een nakomeling uit een familie die rijk werd in de textielindustrie. Hij werd na de Eerste Wereldoorlog lid van het Franse Parlement voor de rechtse partij Alliance Démocratique. Hij vertegenwoordigde zijn partij enkele keren als minister.
Voor de Tweede Wereldoorlog
Zijn vader maakte fortuin in de textielindustrie, waardoor Reynaud de mogelijkheid kreeg rechten te studeren aan de Sorbonne. Hij werd al vlug actief in de politiek. Hij werd verkozen voor de Franse Kamer van Volksvertegenwoordigers van 1919 tot 1924, en opnieuw vanaf 1928. Alhoewel hij eerst verkozen werd als lid van de conservatieve beweging in 1919, vervoegde hij al vlug daarna de centrum-rechtse Alliance républicaine démocratique. Reynaud werd later de ondervoorzitter van deze partij.
In de jaren 20 kreeg Reynaud de reputatie laks om te springen met de Duitse herstelbetalingen. In de jaren 30, tijdens de Grote Depressie, verharde zijn standpunt tegen de Duitsers. Reynaud ging een sterke alliantie aan met het Verenigd Koninkrijk, en was voorstander van betere relaties met de Sovjet-Unie[1].
In de jaren 30 had Reynaud verschillende kabinetsposten, maar hij kwam niet langer overeen met zijn partijleden na 1932, wat betrof het Franse buitenlandse beleid en defensie. Tot 1938 kreeg hij geen nieuwe kabinetspositie. In 1938 keerde Reynaud terug als Minister van Financiën onder Edouard Daladier. Niet lang nadat hij Minister van Justitie werd, werd de breuk met zijn partijleden te groot, en verliet hij de partij en werkte verder als onafhankelijke.
Tweede Wereldoorlog
“Wij zullen overwinnen omdat wij de sterkste zijn;” verklaarde Reynaud in 1939. Hij was op dat moment voorstander van oorlog en pleitte voor sterke bewapening. Op 21 maart 1940, tijdens de Tweede Wereldoorlog, volgde hij Édouard Daladier op als premier van Frankrijk. De strijd brak in Frankrijk los, slechts twee maanden nadat Reynaud eerste minister werd. Op 15 mei 1940, 5 dagen na de invasie, contacteerde Reynaud zijn Britse medestanders en vertelde hen “We zijn verslagen, we hebben de slag verloren. Het front is doorbroken nabij Sedan.” Al vlug na de bezetting van Parijs was er een toenemende druk op Reynaud om vrede te sluiten met Duitsland. Reynaud weigerde dit resoluut.
Nog in 1940 lanceerde Jean Monnet, hoofd van het Anglo-French Co-ordinating Committee, een noodplan. Hij wilde Frankrijk en Groot-Brittannië verenigen omdat ze samen meer troeven hadden tegen Duitsland. Reynaud, evenals Winston Churchill, ging akkoord. “De regeringen verklaren dat Frankrijk en Groot-Brittannië niet langer twee naties zullen vormen, maar één Frans-Britse unie” luidde de verklaring die Reynaud op 16 juni aan het Franse kabinet voorstelde. Het kabinet stemde tegen: Reynaud werd gedwongen af te treden ten gunste van maarschalk Philippe Pétain. Op 16 juni verklaarde de nieuwe premier dat hij een wapenstilstand met de Duitsers wilde sluiten. Diezelfde nacht vielen Duitse bommen op Engeland.
Reynaud vluchtte naar Noord-Afrika. Daar werd hij op last van Pétain gearresteerd en naar het moederland teruggebracht. In februari 1942 werd hij door het Vichy-regime samen met Léon Blum en Daladier tijdens het Proces van Riom veroordeeld wegens landverraad. Reynaud werd overgedragen aan Duitsland dat hem krijgsgevangen zette. Reynaud werd, samen met andere Franse gevangenen, bevrijd door de geallieerde troepen in het Itter Kasteel nabij Wörgl in Oostenrijk, op 7 mei 1945.
Reynaud had de Fransen niet kunnen overtuigen van de noodzaak alle krachten in te zetten tegen Duitsland. Hij was niet geliefd door de rechtse partijen omdat hij pro-oorlog was. Links verweet hem dat hij partij koos tegen het verdrag van München.
Na de Tweede Wereldoorlog
Na de Tweede Wereldoorlog speelde Paul Reynaud nog een rol in de Franse politiek, zij het minder invloedrijk. Hij werd in 1946 verkozen als lid van de Kamer van Afgevaardigden. Hij werd benoemd tot enkele kastposities in de naoorlogse periode en bleef een prominent figuur in de Franse politiek. Zijn pogingen om regeringen te vormen in 1952 en 1953 in de turbulente politiek van de Franse Vierde Republiek waren mislukkingen. Reynaud was voorstander van een 'Verenigde Staten van Europa', samen met een aantal prominente tijdgenoten. Reynaud was enige tijd voorzitter van de Raad van Europa. Reynaud trok zich terug uit de politiek in 1962.
Reynaud hertrouwde in 1949 op de leeftijd van 71 jaar, en kreeg drie kinderen.
Hij overleed op 21 september 1966 te Neuilly-sur-Seine.

Paul Reynaud 1933.jpg

Termijn Afgevaardigde 1919 - 1924,
1928 - 1940 en 1946 - 1958
Departement Basses-Alpes (4)
Parlementaire groep GRD (1919-1928)
ADS (1928-1932)
CR (1932-1936)
ARGRI (1936-1940)
RI (1946-1956)
IPAS (1956-1958)
Tijdvak Derde Franse Republiek
Vierde Franse Republiek
Vijfde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

Pierre Taittinger

Pierre Taittinger (Parijs, 4 oktober 1887 - Parijs, 22 januari 1965) was een Frans industrieel en extreem-rechts politicus.
Biografie
Pierre Charles Taittinger is afkomstig uit een familie gevestigd in Lotharingen die in 1871 het dan door de Duitsers geannexeerde departement Moezel verlaat om Frans te kunnen blijven.
Hij stapt al voor zijn twintigste in de politiek bij de Bonapartisten. Zijn politieke carrière wordt onderbroken door WO I waaruit hij als kapitein en gedecoreerd terugkeert. In 1919 wordt hij verkozen als parlementslid voor de Charente-Maritime en in 1924 voor Parijs waarvoor hij tot 1940 het 20e arrondissement vertegenwoordigt.
Ligue des jeunesses patriotes
Als Bonapartist, sticht hij, in 1924, de Jeunesses patriotes, in de lijn van de Ligue des patriotes opgericht in 1882 door Paul Déroulède. Deze beweging wordt vanaf het eind van de jaren 1920 een van de belangrijkste anti-communistische en patriottistische bewegingen in Frankrijk concurrerend met de Action française en de Croix de Feu. In 1935, groeit zij uit tot de Parti national et social om in 1936 de Parti républicain national et social te worden.
Pierre Taittinger is burgemeester van Saint-Georges-des-Coteaux (Charente-Maritime) tot zijn dood. In maart 1940 werd hij onderscheiden door de Franse overheid met een benoeming tot Commandeur in het Legioen van Eer. Hij is op dat ogenblik gemeenteraadslid in Parijs en Conseiller Général voor het departement Seine.
Voorzitter van de Gemeenteraad van Parijs
Hij keurt op 10 juli 1940 in het parlement mee de volmachten goed voor maarschalk Philippe Pétain. Als voorzitter van de gemeenteraad van Parijs sinds 1943, wordt Taittinger in zijn ambt bevestigd door de Duitse bezetter.
Rol bij de bevrijding van Parijs

Op 4 september 1943, schrijft hij naar Pierre Laval om Parijs tot "open stad" te verklaren teneinde de vernieling ervan te voorkomen.
Op 19 augustus 1944, ontvangt hij commandant Dufresne, chef van de generale staf van het FFI om deze af te brengen van het idee een algemene opstand te starten zoals beslist werd door Henri Rol-Tanguy, met als argument dat hij samen met Raoul Nordling de Zweedse consul-generaal, de Duitse generaal Dietrich von Choltitz heeft overtuigd de stad te sparen. Hij verzet zich tevergeefs tegen het hijsen van de Franse vlag op het stadhuis, en gezien de wending die de situatie neemt, stelt hij voor Charles de Gaulle te ontmoeten op het bordes van het stadhuis, wat Dufresne weigert.
Bij de inname van het stadhuis wordt hij gearresteerd door het Parijse bevrijdingscomité en opgesloten in Drancy en nadien Fresnes. Hij komt vrij op 27 februari 1945. Hij verliest zijn burgerrechten, wordt onverkiesbaar en geeft de politiek op.
Zijn boek Et Paris ne fut pas détruit wordt bekroond door de Académie française. In 1954, wordt hij ere-afgevaardigde. Taittinger wordt na de oorlog lid van de Association pour défendre la mémoire du maréchal Pétain (vereniging ter verdediging van de herinnering aan maarschalk Pétain).
Champagne
Als financier sticht hij in 1932 te Reims, het champagnehuis dat zijn naam draagt, Champagne Taittinger, gevestigd in de kelders van de oude abdij Saint-Nicaise.
Familie
Hij trouwt, in 1917, Gabrielle Guillet (1893-1924), nadien in 1925, Anne-Marie Mailly (1887-1986).
Pierre Taittinger had acht kinderen :
GuyTaittinger (1918-1978)
Michel Taittinger (1920-1940), gesneuveld op 15 juni 1940 te Saint-Parres aux Tertres (Aube)
François Taittinger (1921-1960)
Jean Taittinger (1923-2012) parlementslid voor de UDR van 1958 tot 1973, burgemeester van Reims van 1959 tot 1977, voormalig minister
Pierre-Christian Taittinger, (1926-2009), burgemeester van het 16e arrondissement van Parijs (1989-2008) en senator (1968-1995)
Claude Taittinger, (1929)
Colette Taittinger
Marie-Clotilde

Fichier:Pierre Taittinger.jpg

 

Pierre Taittinger, gedeputeerde van Parijs (1929).
functies
Adjunct van Neder-Charente en de Seine
1919 - 1940
fractie ARS ( 1919 - 1924 ) 
URD ( 1924 - 1932 ) 
NL ( 1932 - 1940 )
biografie
Geboortedatum 4 October 1887
Datum van overlijden 22 januari 1965 (Tot 77 jaar)

Pierre Taittinger tijdens een meeting van de Jeunesses Patriotes in 1936

Frans verzet in de Tweede Wereldoorlog

Forces françaises de l'intérieur

De Forces françaises de l'intérieur (FFI, Frans binnenlands leger) is een verzetsbeweging tijdens de Tweede Wereldoorlog, ontstaan op 1 februari 1944 uit de fusie van verschillende militaire verzetsbewegingen die in Frankrijk actief waren tijdens de bezetting. De belangrijkste componenten waren: het Geheim Leger en de FTP en partizanen.

De fusie tussen de verschillende verzetsbewegingen kwam er op aangeven van Jacques Bingen, algemeen afgevaardigde van het Frans verzet. De fusie kwam er niet enkel om meer eenheid te krijgen en een wettelijk karakter te geven aan het verzet maar ook om deze van een hiërarchische structuur te voorzien. De FFI-leden kwamen vanaf maart 1944 dan ook onder de bevelvoering van commandant generaal Kœnig en onder de politieke verantwoordelijkheid van de GPRF van generaal De Gaulle.

Kort na de oprichting van de FFI begon de bevrijding van Frankrijk en vanaf dit ogenblik werd de FFI steeds meer georganiseerd als lichte infanterie-eenheden en leverden ze in die hoedanigheid waardevolle steun aan de reguliere Franse troepen. Vanaf oktober 1944, toen Frankrijk al grotendeels bevrijd was, werden de FFI-eenheden opgeslorpt in het Franse leger.

Volgens generaal Patton was het snelle oprukken van zijn troepen door Frankrijk onmogelijk geweest zonder de steun van de FFI in de strijd. Generaal Patch schatte het militaire belang van de FFI vanaf de landing half augustus nabij Saint-Raphaël tot de bevrijding van Dijon gelijk aan het inzetten van vier volledige divisies.

Bij de fusie in februari 1944 telde de FFI ongeveer 100.000 leden, in juni al 200.000 en in oktober 400.000.

Lid van de FFI in Châteaudun

Maquis (Franse verzetsbeweging)

Maquis waren guerrilla-eenheden van de Franse verzetsbeweging (de Résistance) die gedurende de Tweede Wereldoorlog actief was. Er werd gewapend verzet gepleegd tegen de Duitsers en de leden van de Maquis zaten ondergedoken in de natuur van het Franse platteland; aan dit laatste ontleenden zij hun naam.

De Maquis hebben - als geheim leger - een belangrijke rol gespeeld in het vernietigen van kritieke infrastructuur van de Duitsers in de voorbereiding van D-Day, de invasie in Normandië op 6 juni 1944. De Maquis droegen de Baskische baret. Maar omdat de groep (ook) in het zuiden opereerde waren de Maquis niet te onderscheiden van de plaatselijke bevolking die ook deze baretten droeg.

Soms werd een Maquisard-aanval groots uitgevoerd. Zo viel in april 1944 onder leiding van Nancy Wake (een SOE-agente) met 7000 Maquisard-strijders een Duits SS-garnizoen van 20.000 soldaten aan. Er vielen bij deze aanval zeker 1400 slachtoffers. Aan beide kanten werden vaak geen gevangenen gemaakt. Maquisards die in handen van de Duitsers vielen werden bij hun ondervraging gemarteld. Weer anderen verdwenen in de concentratiekampen. De Maquisard terroriseerden de Duitse bezetter en het Vichy-regime in Frankrijk waar zij dit maar konden doen.

Politiek gezien waren de Maquisard een bonte verzameling van alle mogelijke politieke gezindtes (van rechts nationalistisch tot communistisch), maar er mocht standaard niet aan politiek worden gedaan binnen de Maquis als groep.

Bij de Maquis waren ook buitenlanders betrokken zoals Otto Aernout van Lennep.

Leden van de Maquis in La Tresorerie

Operatie Jedburgh

Operatie Jedburgh was een geallieerde operatie tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Hierbij landden speciale eenheden per parachute of zweefvliegtuig achter de vijandige linies in Frankrijk, België en Nederland om sabotage- en guerrilla-acties uit te voeren tegen de Duitse bezetters en plaatselijke verzetsgroepen te organiseren. De operatie was vermoedelijk vernoemd naar de Schotse plaats Jedburgh, willekeurig gekozen uit een lijst met codenamen.
Teams
De belangrijkste functie van de Jedburgh-teams was om als tussenschakel te dienen tussen de geallieerden en plaatselijke verzetsgroepen. Ze organiseerden voorzieningen van wapens en ammunitie en gaven advies, training en leiding aan de verzetsgroepen. De teams landden meestal 's nachts, per parachute of zweefvliegtuig, en werden ontvangen door een plaatselijke verzetsgroep.
De "Jeds" of "Jedburghs", zoals de leden van deze teams genoemd werden, waren afkomstig van het Britse Special Operations Executive (SOE), het Amerikaanse Office of Strategic Services (OSS), het Franse Bureau Central de Renseignements et d'Action en de Nederlandse en Belgische strijdkrachten. Het SOE en OSS vormden een gezamenlijk hoofdkwartier in Londen, het Special Force Headquarters, intern ook 'Special Forces Headquarters' genoemd. 
Na ongeveer een maand paramilitaire training in opleidingsfaciliteiten van de Britse SOE, werden de Jeds gestationeerd op het landgoed Milton Hall in het Engelse Cambridgeshire.Tot hun uitzending naar bezet gebied bleef dit het hoofdkwartier van de Jedburgh-militairen.
Er moesten in totaal circa 100 Jedburgh-teams worden geformeerd.Elk team bestond uit drie man: een bevelhebbende officier, een uitvoerende officier en een onderofficier die als telegrafist diende. Een van de officieren was altijd Brits of Amerikaans terwijl de andere officier uit het land kwam waar het team actief was (Frankrijk, België of Nederland). Naast hun wapens (waaronder een M1 Carbine en een Colt-pistool)[4] en sabotage-apparatuur hadden de teams een Type B Mark II-radio (bijgenaamd de B2 of Jed Set) om te kunnen communiceren met het hoofdkwartier in Londen. Elk team kreeg ook een lap zijde mee met daarop ongeveer 500 vierletterige codes ter afkorting van veelgebruikte berichten en een one-time pad om de berichten te versleutelen.De radio's bleken voor veel problemen te zorgen: regelmatig verdwenen ze of gingen kapot bij de parachutesprong, en als ze wel werkten, waren er vaak problemen om contact te krijgen met het hoofdkwartier in Londen.
Hitlers Kommandobefehl gaf de Duitsers toestemming om de Jedburghs te martelen en executeren als ze gevangengenomen werden. Aangezien ze uniform droegen, was dit gelijk aan oorlogsmisdaad. Verscheidene Jedburghs werden uiteindelijk gefusilleerd, waaronder de Britse officier Victor A. Gough op 25 november 1944 (in Frankrijk). De Britse telegrafist John Austin werd gefusilleerd door de Duitsers in Nederland op 4 april 1945 en ligt begraven op het Erehof Hattem.
Geschiedenis
Operatie Jedburgh was de eerste samenwerking in Europa van belang tussen het Britse Special Operations Executive (SOE) en het Amerikaanse Office of Strategic Services (OSS). De Britten waren op dat tijdspunt niet in staat om zo'n grote operatie alleen uit te voeren. Bijvoorbeeld hadden ze maar 23 Handley Page Halifax-vliegtuigen om agenten en voorzieningen af te werpen. Dit was nauwelijks genoeg om haar bestaande agenten in de door Duitsers bezette gebieden te ondersteunen.
De Amerikanen wilden maar al te graag betrokken worden bij de operatie, aangezien ze hiermee meer agenten in Noordwest-Europa zouden hebben dan ooit tevoren. Desondanks verzekerde de Amerikaanse generaal Eisenhower de Fransen dat ze de operatie zelf zouden leiden en gaf ze op 9 juni 1944 het bevel over de Jedburgh-teams in Frankrijk. De Amerikanen konden de Britse vliegtuigen aanvullen met B-24 Liberator-toestellen (codenaam "Carpetbagger") die vanaf de Britse vliegbasis RAF Harrington vlogen.
De rekrutering van Jedburgh-leden begon midden 1943 en de eerste Jedburgh-teams werden begin 1944 gevormd.Het eerste Jedburgh-team, codenaam "Hugh", werd afgeworpen in centraal-Frankrijk, nabij Châteauroux, in de nacht voor de landingen in Normandië in juni 1944. In totaal waren 93 teams actief in Frankrijk tussen juni en december 1944.Ze droegen codenamen die meestal gebaseerd waren op de namen van kruiden, met enkele toevallig gekozen namen die niet waren gebaseerd op kruiden, om zo de Duitsers in de war te brengen.
Tijdens Operatie Market Garden werden vier Jedburgh-teams in Nederland ingezet. Het Jedburgh-team "Dudley" werd al een week voor deze operatie boven Overijssel geparachuteerd. Verscheidene Jedburgh-ploegen konden tijdens Operatie Market Garden, in samenwerking met het verzet, een grote bijdrage aan de geallieerden leveren.Na het mislukken van Operatie Market Garden leidde Jedburgh-team "Stanley II" in Nijmegen en omstreken (voormalige) verzetsstrijders op tot Stoottroepen en Bewakingstroepen.
In april 1945 werden de laatste twee Jedburgh-teams in Nederland ingezet. Een vierkoppig Jedburgh-team (codenaam "Dicing") werd nabij Hooghalen in Drenthe afgeworpen, bestaande uit onder meer de Nederlandse kapiteins Arie Bestebreurtje en Carel Ruijsch van Dugteren. Bestebreurtje verzwikte zijn enkel bij de landing en wist, na zich vijf dagen verborgen te houden, de aandacht van een boer te trekken, die hem op zijn boerderij verborgen hield. Ruijsch van Dugteren daarentegen wist contact te leggen met een plaatselijke verzetsleider en kon zijn missie uitvoeren: het geven van wapeninstructies aan het plaatselijke verzet en het organiseren van verzetsactiviteiten tegen de Duitsers. Op 12 april maakte hij er melding van dat hij als een van de eersten Kamp Westerbork was binnengelopen tijdens de bevrijding van dit concentratiekamp.
Jedburgh-teams werden ook ingezet tegen de Japanners in Zuidoost-Azië in 1945, waaronder Frans-Indochina, waar 60 Jedburghs werden ingezet om de Franse guerrilla-eenheid Corps Léger d'Intervention te ondersteunen. In Birma namen Jedburgh-teams deel aan Operatie Billet, bedoeld om het Birmese verzet tegen de Japanners aan te wakkeren, en Operatie Character, dat was bedoeld om het verzet van de Karen te organiseren.
Veel van de Amerikaanse Jeds die de oorlog overleefden, kregen later belangrijke functies in het Amerikaanse leger en de CIA. John Singlaub bijvoorbeeld werd generaal en was een van de oprichters van de CIA, William Colby diende als directeur van de CIA en Aaron Bank richtte de United States Army Special Forces (Green Berets) op.

Leden van Jedburgh-teams staan voor een B-24 Liberator vlak voor opstijgen

 

 

Leden van Jedburgh-teams krijgen instructies van een officier in een appartement in Londen

 

Leden van Jedburgh-teams tijdens een training bij Milton Hall

Jedburgh-teams in Nederland
De volgende Jedburgh-teams waren actief in Nederland:
Dudley
Graf van John Austin (team Dudley) op Erehof Hattem
Geland nabij Stegerveld op 12 september 1944
Majoor Henk Brinkgreve (Nederlands)
Majoor John Olmsted (Amerikaans)
Sergeant John Austin (Brits)
Edward[bewerken]
Geland nabij Groesbeek op 17 september 1944, tijdens Operatie Market Garden
Kapitein Jacob Staal (Nederlands)
Kapitein McCord Sollenberger (Amerikaans)
Kapitein Mills (Brits)
Luitenant Leonard Richard Douglas Willmott (Brits)
Sergeant James R. Billingsley (Amerikaans)
Claude
Jacobus Groenewoud (team Claude), afbeelding in het Informatiecentrum Slag om Arnhem
Maarten Knottenbelt (teams Claude en Gambling) met lintje van de Militaire Willems-Orde, 2003
Geland nabij Arnhem op 17 september 1944, tijdens Operatie Market Garden
Kapitein Jacobus Groenewoud (Nederlands)
Luitenant Maarten Knottenbelt (Nederlands)
Luitenant Harvey Todd (Amerikaans)
Sergeant Scott (Amerikaans)
Clarence[bewerken]
Geland nabij Groesbeek op 17 september 1944, tijdens Operatie Market Garden
Kapitein Arie Bestebreurtje (Nederlands)
Luitenant George Verhaeghe (Amerikaans)
Sergeant Willard Beynon (Amerikaans)
Daniel II[bewerken]
Geland nabij Son op 17 september 1944, tijdens Operatie Market Garden
Majoor Wilson (Brits)
Luitenant Abraham du Bois (Nederlands)
Sergeant Lykele Faber (Nederlands)
Sergeant Mason (Brits)
Stanley II[bewerken]
Gevormd nabij Nijmegen op 2 oktober 1944
Kapitein Arie Bestebreurtje (Nederlands)
Kapitein Peter Vickery (Brits)
Sergeant Beynon (Amerikaans)
Gambling[bewerken]
Geland nabij Appel op 3 april 1945
Majoor A.H. Clutton (Brits)
Kapitein Maarten Knottenbelt (Nederlands)
Sergeant Jim Menzies (Brits)
Dicing[bewerken]
Geland nabij Hooghalen op 7 april 1945, tijdens Operatie Amherst
Majoor R.A.F. Harcourt (Brits)
Kapitein Arie Bestebreurtje (Nederlands)
Kapitein Carel Ruijsch van Dugteren (Nederlands)
Sergeant C.C. Somers (Brits)

Graf van John Austin (team Dudley) op Erehof Hattem

 

Jacobus Groenewoud (team Claude), afbeelding in het Informatiecentrum Slag om Arnhem

FTP (verzetsbeweging)

Het FTP, afkorting voor "Francs tireurs et partisans français" (vertaald: Franse vrijschutters en partizanen), was de naam van de verzetsbeweging tegen de Duitse bezetting en het collaborerende Vichy-bewind, die eind 1941 opgericht werd in Frankrijk door de leiding van de Communistische Partij van Frankrijk.

Geschiedenis
Oprichting (eind 1941)

Na het verbreken van het Molotov-Ribbentroppact en de invasie van de Sovjet-Unie door Duitsland op 22 juni 1941, besluit de leiding van de ondergedoken Franse Communistische Partij in overeenstemming met de besluiten van de Communistische Internationale een gewapende verzetsorganisatie op te starten. Charles Tillon krijgt de opdracht de gewapende strijd te organiseren samen met Jacques Duclos en Benoit Frachon.

In het begin zijn het vooral jonge communistische militanten uit de regio Parijs die gerekruteerd worden als lid van de "Organisation Spéciale" om groepen te vormen die ook bekend worden als de "Bataillons de la Jeunesse". Deze jongeren zullen later onder leiding van Albert Ouzoulias de FTP vervoegen. Terwijl Ouzoulias de jongerenbataljons opstart, begint Eugène Hénaff, een 37-jarige uit gevangenschap ontsnapte vakbondsman, volop vrijwilligers te zoeken en rekruteren. Vanaf oktober 1941 worden beide groepen samengebracht in een organisatie, de "TP" (Travail Particulier) waarvan Hénaff de leiding neemt met Ouzoulias als adjunct. Pas begin 1942 wordt de naam FTPF doorgaans verkort tot FTP aangenomen.

Gedenkplaat in Parijs

Lucie Aubrac

Lucie Aubrac, eigenlijke naam Lucie Samuel-Bernard (Mâcon, 29 juni 1912 – Issy-les-Moulineaux, 14 maart 2007) was een Joods-Franse verzetsstrijdster, lerares en activiste.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ze een belangrijk lid van het Franse verzet en keerde ze zich tegen het met de Duitse bezetter collaborerende regime van Vichy-Frankrijk. Na de oorlog was Aubrac lid van de tijdelijke Franse regering die werd geleid door generaal Charles de Gaulle. Ook zette zij zich in voor de rechten van de Mens en pleitte ze voor onafhankelijkheid van Algerije. Daarnaast was ze lerares geschiedenis en aardrijkskunde en begaf ze zich op het schrijverspad.
Jeugd
Aubrac werd geboren in een Joodse familie die zich bezighield met de wijnteelt. Na een voorbeeldige schoolcarrière besloot ze op zeventienjarige leeftijd niet verder te gaan leren en nam ze een baan als serveerster in een restaurant. Eind jaren dertig startte ze met een studie geschiedenis en aardrijkskunde. In 1936 brengt ze een bezoek aan de Olympische Zomerspelen in Berlijn waar ze werd geconfronteerd met het antisemitisme in nazi-Duitsland. Na haar studie werd ze lerares geschiedenis in Straatsburg. Hier ontmoette ze Raymond Samuel met wie ze in 1939 trouwde.
Verzet
Na de capitulatie van Frankrijk in 1940 trad ze in 1941 samen met haar man toe tot een verzetsbeweging in Lyon, de Libération-sud. Samen met Jean Moulin zouden ze bekend worden als drie zeer prominente verzetshelden. Zij en haar man kozen toen voor een valse, niet-Joodse achternaam, Aubrac. Na de oorlog zou ze deze naam blijven gebruiken.
Toen haar man op 21 juni 1943 samen met onder anderen Jean Moulin door de Gestapo werd opgepakt voerde de groep een legendarisch geworden overval op het gevangenentransport uit. Als voorbereiding bracht ze eerst een bezoek aan het hoofd van de Gestapo, Klaus Barbie, ook wel bekend als de 'Slachter van Lyon' en vroeg ze hem persoonlijk of ze haar man mocht spreken. Op dat moment was ze zwanger van hun eerste kind. Tijdens haar bezoek stelde ze haar man op de hoogte van het plan. Op 21 november 1943 werd het plan uitgevoerd en werden veertien verzetsmensen bevrijd.
In februari 1944 zag het echtpaar zich gedwongen om naar Groot-Brittannië te vluchten. Lucie was toen al moeder geworden van haar eerste kind.
Na de oorlog
Na de bevrijding maakte ze deel uit van een adviescommissie voor de voorlopige regering van generaal de Gaulle. Later begon zij zich in te zetten voor de mensenrechten in Marokko en pleitte ze voor de onafhankelijkheid van Algerije. Ook nam ze haar baan als lerares weer op.
In 1984 publiceerde ze haar memoires. De verzetstijd van de Aubracs werd in 1997 verfilmd. Lucie Aubrac overleed op 94-jarige leeftijd in een ziekenhuis in de buurt van Parijs.

Lucie Aubrac in 2003

Maurice Bourgès-Maunoury

Maurice Bourgès-Maunoury (Luisant 19 september 1914 - Parijs 10 februari 1993) was een Frans politicus. Van 12 juni 1957 tot 6 november 1957 was hij premier van Frankrijk (Président du Conseil).
Biografie
Bourgès-Maunoury studeerde in 1935 af aan de École Polytechnique. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan het verzet tegen de Duitsers. In deze periode raakte hij bevriend met de verzetsstrijders Jacques Chaban-Delmas en Félix Gaillard. Op 2 september 1944 raakte hij geweond. Vanwege zijn verdiensten in het verzet onderscheidde generaal Charles de Gaulle hem het verdienstenkruis van de Compagnon de la Libération. In 1945 werd hij benoemd tot politiechef van Bordeaux.
Minister
Bourgès-Manoury behoorde tot de rechtervleugel van de Parti Radical-Socialiste (PRS, Radicaal-Socialistische Partij) en werd in 1946 voor het departement Haute-Garonne in de Nationale Vergadering (Assemblée Nationale) gekozen. Hij bleef tot 1958 parlementslid. Vervolgens maakte hij deel uit van verscheidene kabinetten, eerst als staatssecretaris en daarna als minister[1]. Van 1949 tot 1973 was hij conseiller général van het kanton Montastruc-la-Conseillère. Van 1964 tot 1971 was hij tevens burgemeester (maire) van Bessières (Haute-Garonne).
Hij was minister van Defensie (1952, 1955, 1956-57)[2] en in die laatste functie zette hij zich in voor nauwe militaire samenwerking met de jonge Staat Israël tegen haar vijand, Egypte. Frankrijk was in die tijd scherp gekant tegen het Arabisch nationalisme, dat de rust verstoorde in met name de Franse kolonie Algerije. Frankrijk hielp Israël bij het opstarten van de nucleaire reactor van Dimona en verkocht Mirage III gevechsvliegtuigen aan Israël. Als minister van Defensie bepleitte hij een militaire oplossing van de Algerijnse opstand. Voor hem was Algerije een integraal onderdeel van Frankrijk.
Als minister van Financiën in het kabinet-Mayer (1953) stond hij een orthodox financieel beleid voor. Ook onderhandelde hij namens de Banque de France voor een lening in Verenigde Staten om de oorlog in Indochina te bekostigen.
Premier van Frankrijk
Bourgès-Maunoury werd op 12 juni 1957 premier van Frankrijk (Président du Conseil). In die functie streefde hij naar de gezondmaking van de staatsfinanciën[1] en onder zijn leiding ratificeerde Frankrijk de in maart 1957 getekende Verdragen van Rome. Op 30 september 1957 diende Bourgès-Maunoury zijn ontslag in bij de president, nadat zijn kaderwet voor Algerije door de Nationale Vergadering was verworpen[3]. Nadien was hij minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Gaillard. In die functie benoemde hij de extreemrechtse Maurice Papon tot prefect van politie van Parijs.
Als afgevaardigde verzette hij zich tegen de Charles de Gaulle en voerde hij campagne tegen de grondwet van de Vijfde Republiek.
Bourgès-Maunoury werkte begin jaren 70 aan een politieke terugkeer en was in 1973 kandidaat bij de parlementsverkiezingen van dat jaar; hij werd echter niet gekozen.
Bourgès-Maunoury overleed op 78-jarige leeftijd.
Ministersposten
Minister van Openbare Werken, Transport en Toerisme in het kabinet-Queuille II (2 juli - 12 juli 1950) en ad interim in het kabinet-Mendès France (14 augustus - 3 september 1954)
Minister van Bewapening in het kabinet-Faure I (20 januari - 8 maart 1952)
Minister van Financiën in het kabinet-Mayer (8 januari - 28 juni 1953)
Minister van Handel en Industrie in het kabinet-Mendès France I (19 juni - 3 september 1954)
Minister van Strijdkrachten in het kabinet-Mendès-France II (20 januari - 23 februari 1955)
Minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Faure II (23 februari - 1 december 1955) en in het kabinet-Gaillard (6 november 1957 - 14 november 1958)
Minister van Defensie in het kabinet-Mollet (1 februari 1956 - 13 juni 1957)

Bourgès-Maunoury.jpg

Termijn Afgevaardigde 1946-1958
Departement Haute-Garonne (31)
Parlementaire groep RRRS (1946-1958)
Tijdvak Vierde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk
 

Georges Catroux

Georges Catroux (Limoges, 29 januari 1877 – Parijs, 21 december 1969) was een Frans generaal, minister tijdens de IVe Republiek en diplomaat (ambassadeur). Hij diende zowel in de Eerste Wereldoorlog als in de Tweede Wereldoorlog. Hij was ook grootkanselier van het Légion d’honneur van 1954 tot 1969.

Catroux was de zoon van een beroepsofficier, René-Michel Catroux. Zijn moeder, Félicité Solari, was de dochter van een Italiaans kolonist in Algerije. Hij studeerde aan de Prytanée National Militaire en in 1896 aan de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr. Hij promoveerde in 1898. In de vroege jaren van zijn militaire carrière was hij luitenant in het Vreemdelingenlegioen in Algerije (waar hij Charles de Foucauld en nadien ook Hubert Lyautey ontmoette) en in Indochina. In 1916 werd hij als commandant van een bataljon gevangengenomen (in Arras) door de Duitsers. Tijdens zijn krijgsgevangenschap ontmoette Catroux Charles de Gaulle die toen nog kapitein was.

Na de Eerste Wereldoorlog werd hij lid van de Franse militaire missie naar Arabië en diende in Marokko, Algerije en in de Levant. In 1931 promoveerde hij tot generaal. Op rust gesteld in 1939 na onenigheid met generaal Maurice Gamellin werd hij juli 1939 benoemd tot gouverneur-generaal van Frans Indochina. Parijs wilde aan de vooravond van de vijandelijkheden met zijn aanstelling een sterk signaal geven in het Verre Oosten . Maar na de eerste verdragen met Japan in juli 1940 en zijn weigering om met het nieuwe Vichy-regime samen te werken werd Catroux gedwongen zijn post over te dragen aan admiraal Jean Decoux.

Catroux koos in augustus 1940 de kant van Charles de Gaulle, die de leider was geworden van de Vrije Fransen. Als een vijfsterrengeneraal was Catroux de hoogste officier van het Franse leger die zich aansloot bij de Vrije Fransen. Door het Vichy-regime werd hij in abstinentia berecht in 1941 en ter dood veroordeeld.

Van 1941 tot 1943 was Catroux opperbevelhebber van de Vrije Franse troepen. De Gaulle benoemde hem in 1941 tot hoge commissaris van de Levant. Hij nam de controle over Syrië en Libanon over namens de Vrije Fransen na de nederlaag van de Vichy-generaal Henri Dentz en de Wapenstilstand van Saint Jean d’Acre. Kort na zijn benoeming erkende Catroux namens de Vrije Fransen de onafhankelijkheid van Syrië en Libanon. De Gaulle benoemde hem daarna tot gouverneur-generaal van Algerije (1943-1944). Catroux was van 9 september 1944 tot 21 oktober 1945 minister voor Noord-Afrika in de eerste regering van De Gaulle en van 1945 tot 1948 ambassadeur in de Sovjet-Unie.

Na de onrust in Marokko onderhandelde Catroux over de terugkeer van sultan Mohammed V in 1955. Op 1 februari 1956 werd hij in de regering van Guy Mollet minister-resident voor Algerije ter vervanging van (gouverneur-generaal) Jacques Soustelle. Catroux was voorstander van een grotere autonomie voor Algerije, wilde het Franse staatsburgerschap verlenen aan grote groepen Algerijnen en zag in dat onafhankelijkheid op termijn onvermijdelijk was. Hij was gedwongen op 9 februari ontslag te nemen door de hevige protesten en demonstratie (op 6 februari) van de Franse inwoners van Algiers. Hij werd als minister-resident vervangen door Robert Lacoste.

Catroux was voorzitter van de onderzoekscommissie, de Commissie-Catroux, die de Franse nederlaag bij Điện Biên Phủ onderzocht. Hij was ook rechter in het militaire tribunaal waarvoor de generaals, die betrokken waren bij de mislukte machtsovername in Algiers in 1961, terechtstonden.

Jean Cavaillès

Jean Cavaillès (Saint-Maixent-l'École, 15 mei 1903 – Arras, 17 februari 1944) was een Frans filosoof en logicus, gespecialiseerd in wetenschapsfilosofie en filosofie van de wiskunde. Hij was tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de grondleggers en een van de meest merkwaardige en consequente figuren van het Frans verzet, oprichter van Libération, stichtend lid van Libération-Nord en Cohors-Asturies.
Biografie
Cavaillès stamt uit een oud hugenoots geslacht uit de Tarn en de Pyreneeën met voorwereldlijke ervaringsdeskundigheid in het maquis (de "Camisards"). Zijn grootoom langs vaderskant was Eugène Casalis (1812-1891), stichter van de Missions Protestantes, etnograaf-linguïst van de Lesotho en directeur van de "Missions évangéliques de Paris". Langs moederskant was de grootvader een protestants bekeerling, stammend uit een even vurig katholieke familie. Jeans vader, Ernest Cavaillès (1872-1940), was beroepsmilitair en niet gespeend van intellectuele, meer bepaald geografische en historische belangstelling. Hij was onder meer de vertaler van C.R.L. Fletchers en Rudyard Kiplings A School History of England. Diens broer Henri Cavaillès (1870-1951) werd hoogleraar geografie in Bordeaux. De militaire loopbaan van vader (hij werd luitenant-kolonel) bracht het gezin Cavaillès van garnizoen tot garnizoen, wat niet bevorderlijk was voor een consistente en gestaag continue schoolcarrière voor hun kinderen Gabrielle (1901-2001) en Jean. Daarentegen wel voor een eigenzinnige en solitaire zin voor zelfstudie. De familiale atmosfeer is religieus en patriottisch, maar ook republikeins en dreyfusgezind. En Jean en zijn oudere zus Gabrielle, zijn latere biografe (Ferrières 1950/1982/2003), zouden vanuit die gezamenlijke jeugd door een innige band aan elkaar vastgeklonken blijven (levenslang, en langer)
Na een voorbereidingsjaar aan het Lycée Louis-le-Grand (Parijs) komt Cavaillès in 1923 als eerste uit het ingangsexamen voor de École Normale Supérieure (rue d'Ulm). Hij behaalt een licentie wiskunde en voltooit in 1927 zijn "diplôme d'études supérieures" in filosofie met een thesis over "La philosophie et les applications du calcul des probabilités chez les Bernouilli" (een werkstuk dat verloren is gegaan). Zijn promotor en voornaamste leermeester is de neokantiaan en kritisch intellectualist Léon Brunschvicg. Daarnaast volgt hij onder meer ook de colleges van Emile Bréhier. Onder zijn medestudenten bevinden zich Georges Canguilhem en Raymond Aron (met wie hij bevriend zal blijven), Jean-Paul Sartre, Paul Nizan, Jean Hyppolite,... Van 1929 tot 1935 zal hij in de Ecole Normale de rol van "agrégé-répétiteur" spelen, waarbij hij onder andere Maurice Merleau-Ponty, Etienne Borne, Jean Gosset, Georges Gusdorf en Albert Lautman, de wiskundige filosoof, op hun diploma voorbereidt. In 1929 geeft hij verslag van de historische discussie tussen Martin Heidegger en Ernst Cassirer op de "Cours universitaires de Davos".
Wanderjahre: van Duitsland tot Straatsbur
Tijdens de jaren 1930-31 verblijft hij in Duitsland, nadat hij via Célestin Bouglé, directeur van het Centre de documentation sociale en later van de hele "École", een Rockefellerbeurs heeft verworven voor de studie van de Duitse jeugdbewegingen en van de evolutie van het Duitse protestantisme. (Bouglé was een belangrijke schakel in de Franse sociologische school, evenzeer beïnvloed door Emile Durkheim als door Georg Simmel. De ENS was in die tijd ook een tempel van de sociologie.) In het kader van die missie heeft Cavaillès talrijke contacten met theologen van de nieuwe dialectische school (zoals Karl Barth, Friedrich Gogarten), maar ook katholieke theologen (zoals Przywara en vooral Romano Guardini). Hij leest ook Kierkegaard. Hij ontmoet Edmund Husserl; en in de biografie vindt men daar een merkwaardig verslag van, met zin voor pathos en tragikomische humor.Hij volgt er ook de politieke ontwikkelingen op de voet en schrijft er artikels over, onder meer voor Politique en Esprit (zie Philosophia Scientiae 1998).
Het voornaamste doel van zijn Duitse verblijf ligt evenwel elders. In overleg met Brunschvicg is omstreeks 1928 de beslissing gevallen een proefschrift te schrijven over het ontstaan en de geschiedenis van de verzamelingenleer. Daartoe gaat hij in München, Berlijn, Hamburg, Göttingen de bronnen verzamelen en onderzoeken. Daartoe ook komt hij in contact met enkele van de grootste Duitse wiskundigen van die tijd: Abraham A. Fraenkel, Emmy Noether. Via Fraenkel en Noether komt hij uit bij de correspondentie tussen Georg Cantor en Richard Dedekind, welke hij samen met Emmy Noether in 1937 uitgeeft. Hij bestudeert verder het werk van David Hilbert, Felix Klein, Paul Bernays, Gerhard Gentzen, Leopold Löwenheim, Thoralf Skolem, Kurt Gödel, Jacques Herbrand, Arend Heyting en andere mathematici en logici. Studie van mathematische logica was op Herbrand na totaal ongebruikelijk in Frankrijk, en zelfs voorwerp van argwaan, onder invloed van figuren als Henri Poincaré en, jawel, Cavaillès' eigen promotor Brunschvicg. In de loop van zijn onderzoek komt Cavaillès gaandeweg tot het besluit dat zijn oorspronkelijk project (de verzamelingenleer) de rol van "thèse complémentaire" toebedeeld zal krijgen, en de "thèse principale" zal gaan over de oplossingspogingen die in het werk van genoemde metamathematici en logici worden uitgewerkt voor de zogenaamde crisis van de verzamelingenleer. Op die manier zal de "thèse principale" qua onderwerp chronologisch aansluiten op de "thèse complémentaire". Beide "thèses" verdedigt hij in 1938 aan de Sorbonne. Voordien zou hij, tijdens de afwerking van zijn proefschriften, nog twee jaar in de hogere jaren aan het "lycée" van Amiens lesgeven (1936-38): filosofie en literatuur. Op het programma staan Valéry, Rimbaud, poëtisch ritme en verstechnieken, maar ook Proust; en dat gebeurt niet volgens recepten van onderwijskundigen avant la lettre, maar wel verrassend interactief.[3] Eveneens in Amiens leert hij de legendarische Lucie Aubrac kennen, toen nog gewoon Lucie Bernard, en ook Raymond Samuel (later Raymond Aubrac). Hij overtuigt hen ervan, en met hen Georges Canguilhem en andere leerlingen van Alain, dat pacifisme niet de meest geschikte houding is om het oprukkende nazisme het hoofd te bieden.
In 1938 en 1939 zal Cavaillès logica en wetenschapstheorie alsook "philosophie générale" doceren in Straatsburg. Daar zal hij vriendschappen aanknopen of heraanknopen met leden van de polycefale groep Bourbaki die de formele en abstracte wiskunde in Frankrijk een hoge vlucht zou geven: Charles Ehresmann, André Weil, Henri Cartan, Jean Dieudonné, Claude Chevalley. Met Albert Lautman, zijn Frans-Joodse vriend die eveneens in het verzet zou omkomen, houdt hij een gezamenlijke sessie "La pensée mathématique" voor de "Société française de philosophie", waar Lautman zijn platonisme verdedigt en Cavaillès daartegenover zijn interne rationaliteit en autonomie van de wiskunde stelt. Eveneens in 1939 redigeert Cavaillès een artikel "Du collectif au pari" waar hij het statuut en de rol van de probabiliteitstheorie bespreekt, en in de discussie over de interpretatie van een probabiliteit (Is het een frequentie? Is het een graad van geloof?) verdedigt hij de laatste optie: het probabiliteitsoordeel als gok. Het opmerkelijke is ook, dat Cavaillès na dertien jaar terugkomt op het onderwerp van zijn "diplôme d'études supérieures", onderwerp destijds gesuggereerd door Brunschvicg en waarvan hij het belang aanvankelijk niet erg inzag. Dit betekent voor de globale duiding van zijn werk vooral ook dit: dat hij voortaan wel de relatie tussen wiskunde en wereld, en vooreerst tussen wiskunde en fysica, als een belangrijk thema erkent, ongeacht alle nadruk op de autonomie van de wiskunde. Dit is onder meer ook van belang om het project van zijn "filosofische testament" Sur la logique et la théorie de la science (infra) min of meer volkomen inzichtelijk te maken.
Tweede Wereldoorlog
Bij het begin van de oorlog wordt Cavaillès gemobiliseerd als officier; in juni 1940 wordt hij gevangengenomen. Hij onstnapt tijdens het transport in België en vervoegt de Universiteit van Straatsburg die teruggetrokken is in Clermont-Ferrand. Daar sticht hij met Lucie Aubrac en Emmanuel d'Astier de la Vigerie de verzetsbeweging 'Libération-Sud" en het blad "Libération". Tot de netwerken die vandaaruit zullen ontstaan zullen ook mensen als Raymond Aubrac, Jean Gosset, Yves Rocard, Georges Canguilhem, Pierre-Yves Canu, Christian Pineau, Cavaillès' zus Gabrielle Ferrières en schoonbroer Marcel Ferrières behoren, naast zovele anderen: zie Ferrières (1950/2003) en het boek van Alya Aglan en Pierre Azéma (2002). In 1941 wordt Cavaillès plaatsvervangend benoemd aan de Sorbonne voor de leerstoel Logica en Wetenschapsfilosofie. Naast die opdracht gaat hij zich dieper en dieper in de clandestiniteit begeven.Tijdens een tweede gevangenschap in 1942, na arrestatie bij een poging om de leiding van France libre in Londen te bereiken, schrijft Cavaillès zijn filosofisch testament, in 1947 postuum uitgegeven door Georges Canguilhem en Charles Ehresmann onder de bewust neutraal gehouden titel Sur la logique et la théorie de la science. Met het voltooide manuscript onder de arm ontsnapt hij, graaft zich nog dieper in in de clandestiene actie, die van langsom een meer militair karakter van directe actie en sabotage aanneemt. In februari 1943 weet hij dan toch Londen te bereiken waar hij met Charles de Gaulle en zijn omgeving onderhandelt over betoelaging van, verbindingen met en tussen, en coördinatie tussen de diverse verzetsbewegingen. Terug in Frankrijk in april raakt hij steeds dieper verstrengeld in acties van sabotage en spionage, onder meer ten aanzien van de Kriegsmarine en de Duitse radiobakens op de kustlijn. De acties, individueel en in wisselende groepen, onder alsmaar nieuwe schuilnamen, reiken in het Noorden ook tot in de Belgische netwerken. Uiteindelijk blijkt zijn eigen netwerk Cohors geïnfiltreerd. Op 28 augustus volgt de definitieve arrestatie en opsluiting, samen met zes andere leden, waaronder zijn zus en schoonbroer. Na vijf maanden komt zijn zuster vrij, haar echtgenoot wordt samen met de vijf anderen gedeporteerd en zal terugkeren uit Buchenwald; Cavaillès zelf echter wordt ten slotte, nadat de bezetter zich eindelijk de hoeveelheid van zijn schuilnamen en dus de radius van zijn actie heeft gerealiseerd, door een Duits militair tribunaal ter dood veroordeeld en op 17 februari 1944 gefusilleerd.

Jean Cavaillès.jpg

Persoonsgegevens
Geboren Saint-Maixent-l'École, 15 mei 1903
Overleden Arras, 17 februari 1944
Land Frankrijk
Functie Filosoof
Oriënterende gegevens
Discipline Epistemologie, filosofie van de wiskunde
Tijdperk Hedendaagse filosofie
Belangrijkste ideeën interne conceptuele dialectiek, kritiek van het logicisme, kritiek van transcendentale analyse, kritiek van radicaal formalisme; sleutelbegrippen: Filosofie van het concept, act (operatie) en actbetekenis, ponerende actbetekenis en geponeerde actbetekenis, paradigmatische abstractie (idealisering) en thematische abstractie (thematisering), rationele aaneenschakelingen, gebeurtenis en gok, noodzakelijkheid van aaneenschakelingen vs. historiciteit en probabiliteit van gebeurtenissen en handelingen
Beïnvloed door Spinoza, Kant, Hegel, Bernard Bolzano, Léon Brunschvicg, Georg Cantor, Richard Dedekind, David Hilbert, Kurt Gödel, Felix Klein, Gerhard Gentzen, Edmund Husserl, Emmy Noether, Blaise Pascal, Romano Guardini, Henri Cartan, Gaston Bachelard, Ludwig Wittgenstein, Luitzen Egbertus Jan Brouwer, Jacques Herbrand, Thoralf Skolem
Beïnvloedde Gaston Bachelard, Georges Canguilhem, Jean Gosset, Jacques Bouveresse, Gilles-Gaston Granger, Jacques Derrida, Jean-Toussaint Desanti, Suzanne Bachelard, Albert Lautman, Tran Duc Thao, Jules Vuillemin, Jean Ladrière, Jean Hyppolite, Paul Ricœur, Hourya Benis Sinaceur, Gerhard Heinzmann, Dominique Lecourt, Louis Althusser, Michel Foucault, Michel Fichant, Dominique Pradelle, Michael Hallett, Herman Roelants, Jan Sebestik, Renato Jacumin, Paul Cortois, Baptiste Mélès, Pierre Cassou-Noguès, W.N.A. Klever

Oeuvre
Cavaillès schreef in zijn korte leven een reeks teksten die handelden over epistemologische problemen omtrent wetenschap en wiskunde. De bekendste tekst is Sur la logique et la théorie de la science (geredigeerd 1942). In dit werk bekritiseerde hij onder meer het logisch positivisme van de Wiener Kreis en Husserls transcendentaal project. Zo plaatste hij na grondige analyse van Husserls Formale und transzendentale Logik (1931) diens transcendentale fundering van de logica voor een dilemma: als die logica transcendentaal wil zijn, kan ze niet absoluut gelden, en als ze absoluut wil gelden, kan ze niet transcendentaal zijn.[4] Cavaillès was ook de eerste om het conflict te zien tussen Husserls ideaal van een nomologische theorie en Gödels onvolledigheidsstellingen. Verder verzette hij zich ook tegen het radicale formalisme en het logicisme in de wiskunde; zelf probeerde hij een vorm van dialectiek te denken binnen de wiskunde. Zijn filosofie werd door hemzelf en door andere auteurs ook omschreven als een vorm van spinozisme. Hij geldt, onder meer ook in dat opzicht, als een belangrijk pionier van het naoorlogse Parijse structuralisme. Die invloed en die lijn werden door denkers als Georges Canguilhem, Gilles-Gaston Granger en Michel Foucault als een belangrijke traditie naast en tegenover het sartriaanse existentialisme en de fenomenologie geplaatst, ook wat betreft het denken over mens en cultuur. Een filosofie van het cogito zou plaats moeten ruimen voor een filosofie van het concept, aldus de beroemde slotformule van Sur la logique: "Geen filosofie van het bewustzijn, maar een filosofie van het concept is in staat een wetenschapstheorie op te leveren. De voortbrengende noodzakelijkheid is niet deze die een activiteit kenmerkt, maar is die van een dialectiek." 
Zijn filosofie valt te plaatsen binnen een bredere traditie van Franse wetenschapsfilosofen of epistemologen. Zo schreef hij zijn doctoraatsthesissen bij Léon Brunschvicg. Specifieker is hij vooral beïnvloed door een reeks filosofen die zich in de eerste plaats met wiskunde en logica bezighielden, zoals David Hilbert, Kurt Gödel, Georg Cantor en Dedekind, Emmy Noether, Jacques Herbrand. Hij beïnvloedde en werkte samen met zijn jongere vriend in filosofie en verzet Albert Lautman. Zijn denken was invloedrijk bij auteurs als Gaston Bachelard, Georges Canguilhem, Raymond Aron, Louis Althusser, Jules Vuillemin, Michel Foucault, Gilles-Gaston Granger, Suzanne Bachelard en Jean-Toussaint Desanti. Vandaag grijpen een aantal epistemologen van twee volgende generaties in Frankrijk terug op zijn werk; zo onder meer Hourya Benis Sinaceur, Gerhard Heinzmann, Baptiste Mélès, Dominique Pradelle. In België en Nederland beïnvloedde hij - en werd de studie van zijn werk opgenomen bij - Jean Ladrière, Herman Roelants, Paul Cortois en Wim Klever.
Jeugdwerk
Daarnaast is ook zijn (tot hiertoe vrijwel vergeten) jeugdwerk van metafysische, godsdienstfilosofische en godsdienstsociologische aard aan herontdekking toe. Hier blijkt hij, vanuit zijn protestantse achtergrond en ook vanuit de oecumenische belangstelling uit zijn jongere jaren, beïnvloed geweest te zijn door nieuwe dialectische theologen als Karl Barth en Romano Guardini, met wie hij (ook persoonlijk) kennismaakte tijdens zijn langere studieverblijven in Duitsland. Via deze connectie en ook via zijn leermeester Brunschvicg zijn er lijnen te trekken tot bij Blaise Pascal. De merkwaardige verhouding bij deze laatste tussen rationaliteit en leven staat daarbij mee op de voorgrond. Cavaillès' reflectie gold niet enkel de wiskunde, maar ook het verband zowel als de spanning tussen het zuiver en autonoom wiskundige enerzijds, met zijn verbanden van interne noodzaak, en anderzijds de wereld (vooreerst maar niet alleen als object van de fysica) waarin we handelen en waar gebeurtenissen plaatsvinden. Deze kunnen in hun historische contingentie enkel het voorwerp uitmaken van een "gok", die overigens het wezen uitmaakt van de probabiliteit, de modus die ons optreden in de wereld kenmerkt. Toch is er iets wat ook hier aan deze contingentie ontsnapt: een morele noodzakelijkheid, mogelijk gemaakt door een pascaliaanse "oubli de soi" die, desnoods tegen elke overlevingswaarde in, de oproep fundeert tot verzet. Verzet dat onverzettelijk wordt volgehouden tegen de macht en de arbitrariteit van de feiten in. Hier ziet men, niet alleen in de vroege en onrijpe begintijd, maar juist tot en met het eind - in leven en werk - in sterven en erfenis - gemanifesteerd eerder dan in teksten uitgeschreven -, hoe in de unieke figuur van Cavaillès, bij die logicus "volgestouwd met explosieven" (dixit Canguilhem), Spinoza kan convergeren met denkers die het subject evenzeer transformeren én onderschikken aan een eis die het te boven gaat zoals Hegel (dixit Ladrière, net als Dominique Dubarle, Benis Sinaceur) én Blaise Pascal (dixit Cortois).
Thèses
Begin 1938 verdedigt Cavaillès zijn beide "thèses" aan de Sorbonne. In Remarques sur la formation de la théorie abstraite des ensembles (ondertitel: Etude historique et critique) komt het erop aan door middel van een casestudy aan te tonen dat de geschiedenis van de wiskunde eigenlijk geen geschiedenis is, want de temporele ontwikkeling is er gekenmerkt door een noodzakelijkheid in de manier waarop nieuwe conceptuele systemen voortkomen uit reeds gevestigde. Geschiedenis - ook van de wetenschap - in de courante zin van het woord is gekenmerkt door een zekere mate van contingentie en relativiteit (ten opzichte van de cultuur, de psychologie, evenementiële factoren ...). Welnu, de wording van de wiskunde ontsnapt daar voor een essentieel stuk aan: wat er gesanctioneerd wordt en overblijft is wat via een kern van noodzakelijkheid uit het oude is voortgekomen, en er bovenuit groeit. Dit betekent evenwel niet dat het om een logische noodzakelijkheid gaat, in de zin van de pure logica. De logicistische poging om elke wiskundige theorie te funderen in een daaraan voorafgaand systeem van formele redeneerprincipes slaat evenzeer de bal mis. Ook de verzamelingentheorie zelf is niet het absolute fundament dat voorafgaat aan alle andere wiskundige theorieën. Getuige daarvan de paradoxen die in de verzamelingenleer zelf zullen opduiken, ironisch genoeg op het moment zelf (rond 1900) waarop de theorie eindelijk ingang en aanvaarding zou vinden, omwille van haar belangrijke toepassingen. De noodzakelijkheid in de ontwikkeling van de wiskundige concepten is dus eigen aan haar niet-historische historiciteit: in de onvoorspelbare overgang waarin essentiële nieuwheid ontstaat is een kern aanwezig die zich onontkoombaar opdringt als uitbreiding en verdieping van de vorige stadia en waarbij nieuwe problemen in het verlengde van de oude pas effectieve antwoorden krijgen.
Die houding kan evenwel pas een geloofwaardige kijk bieden op de verzamelingenleer, zeker als poging om de wiskunde ultiem te unificeren, indien de crisis van de paradoxen van een oplossing kan worden voorzien. Dat is net de vraagstelling van de "thèse primaire" Méthode axiomatique et formalisme (ondertitel: Essai sur le problème du fondement des mathématiques). Hier worden de drie klassieke scholen voorgesteld welke dat antwoord moesten bieden: intuïtionisme (Brouwer, Heyting), logicisme (Frege, Russell), en formalisme of bewijstheorie (Hilbert). Het intuïtionisme blijkt daarbij te schatplichtig aan kantiaanse en andere constructivistische in- en aspiraties, en vooral: het perkt op absolutistische wijze de wiskundige praktijk in, op grond van een apriorische afwijzing van de klassieke logica. Indien de oplossing het kind (de klassieke analyse) met het badwater (de paradoxen) weggooit, moet het devies van de wiskundige en de filosoof zijn: voorrang aan de praktijk! Wat onmisbaar is in het organische geheel van wiskundige theorieën zal door de verdere ontwikkeling ervan gelegitimeerd worden, amputatie is geen optie.
Het proces van het logicisme, anderzijds, was al gemaakt - het is evenzeer in strijd met de solidariteit tussen alle delen van dat organisme en de autonomie van de wiskunde als geheel, wanneer men er een elementair deel uit afzondert om dat de rol van fundament toe te kennen. Bovendien, oordeelt Cavaillès, zijn Russell en Whitehead er niet in geslaagd Freges project van reductie van wiskunde tot logica te reanimeren door middel van de logische typentheorie: deze laatste heeft minstens twee axioma's nodig (oneindigheid en reductibiliteit) die allesbehalve logisch evident zijn.
En ten slotte het formalisme dan: Hilberts bewijstheorie biedt de mogelijkheid om heel wat kenmerken van het (zeker ook moderne, abstracte) wiskundige denken te profileren: de rol van het teken als zintuigelijke basis die op zijn beurt vertrekpunt van thematisering en dus nieuwe, intern gegenereerde inhoud kan worden; de idealisering of uitbreiding van een objectdomein door de beperkingen opgelegd aan een bepaalde operatie op te heffen - op voorwaarde van consistentie en bewaring van reeds bereikte resultaten. Er is autonomie van de wiskunde (tegenover logica, tegenover fysica); er is plaats voor radicale nieuwheid, zonder de banden met de vorige theorieën te doorbreken.
Wat evenwel fout gaat in de poging tot formalistische fundering van de wiskunde, is de ambitieuze onderneming om de consistentie van alle wiskundige theorieën aan te tonen via de metatheorie: als men er maar in slaagt de consistentie van de analyse (en alle grotere theorieën) terug te voeren op deze van de aritmetica, en vervolgens een absoluut consistentiebewijs van deze laatste te leveren, dan zou het probleem zijn opgelost. Welnu, de onvolledigheidsstellingen van Gödel hebben - ruw gezegd - tot gevolg dat een dergelijk consistentiebewijs onmogelijk is. Loopt alles dan op een mislukking uit? Wat we te leren hebben uit de zogenaamde crisis is dat er geen absolute fundamenten zijn - en dat zij ook overbodig zijn. De wiskunde gaat haar eigen gang en zal telkens in een volgend stadium de nodige middelen ontwikkelen om de paradoxen of andere conceptuele moeilijkheden uit het overgeleverde stadium van antwoorden te voorzien. Zonder dat er ooit een definitieve fase met laatste antwoorden bereikt zal zijn. Dat alles betekent dat men de term "crisis" beter met het nodige voorbehoud zou hanteren. En een voorrang aan de wiskundige praktijk - de "wiskundige ervaring" zal Cavaillès ook zeggen - moet toekennen.
Primaire Bibliografie
Briefwechsel Cantor-Dedekind. E. Noether en J. Cavaillès (eds.), Paris, Hermann, 1937.
Méthode axiomatique et formalisme - Essai sur le problème du fondement des mathématiques, Paris, Hermann, 1938.
Remarques sur la formation de la théorie abstraite des ensembles, Paris, Hermann, 1938.
« Du collectif au pari », Revue de métaphysique et de morale, 47, 1940, pp. 139–163.
« La pensée mathématique », discussie met Albert Lautman (4 februari 1939), Bulletin de la Société française de philosophie, 40(1946), p. 1-39
Transfini et continu, Paris, Hermann, 1947
Sur la logique et la théorie de la science, Paris, PUF, 1947, 4de ed. Vrin, 1987
Œuvres complètes de philosophie des sciences, Paris, Hermann, 1994
"Un mouvement des jeunes en Allemagne", "L'Allemagne et le Reichstag", "Crise du protestantisme allemand", "La crise de l'église protestante allemande", Philosophia Scientiae. Travaux d'histoire et de philosophie des sciences. Studien zur Wissenschaftsgeschichte und -philosophie 3(1998)1 Jean Cavaillès. Rédigé par Gerhard Heinzmann.
Libération: organe des Français libres, hebdomadaire, Paris, 1940-1944
Secundaire Bibliografie
Gabrielle Ferrières (voorwoord Jacques Bouveresse, nawoord Gaston Bachelard), Jean Cavaillès : Un philosophe dans la guerre, 1903-1944, Paris, éd. Le Félin, coll. « Résistance - Liberté - Mémoire », 2003, 4e éd. (1re éd. 1950 PUF, 2ème éd. 1982 du Seuil), 248p.
Jean Cavaillès, philosophe, résistant, Actes du Colloque d'Amiens, Amiens, 1985
Hourya Benis Sinaceur, Jean Cavaillès. Philosophie mathématique, Paris, PUF, 1994
Hourya Benis Sinaceur, Cavaillès, Paris, Les Belles Lettres, 2013
Georges Canguilhem, Vie et mort de Jean Cavaillès, Allia, 1996
Pierre Cassou-Noguès, De l'expérience mathématique : essai sur la philosophie des sciences de Jean Cavaillès, Paris, Vrin, 2001
Alya Aglan et Jean-Pierre Azéma (réd.), Jean Cavaillès Résistant ou La Pensée en actes, Paris, Flammarion, 2002, 318 p.
Paul Cortois, "The Structure of Mathematical Experience According to Jean Cavaillès", in Philosophia Mathematica (Series III) 4(1996), p. 18-41
Paul Cortois, "Quelques aspects du programme épistémologique de Cavaillès", in Dialectica 48(1994)2, p. 125-141
Philosophia Scientiae. Travaux d'histoire et de philosophie des sciences. Studien zur Wissenschaftsgeschichte und -philosophie Volume 3 (1998) Cahier 1. Jean Cavaillès. Rédaction Gerhard Heinzmann. Textes: 1) Jean Cavaillès - Chroniques d'Allemagne. ("Un mouvement des jeunes en Allemagne", "L'Allemagne et le Reichstag", "Crise du protestantisme allemand", "La crise de l'église protestante allemande"). 2) Contributions de Gilles-Gaston Granger, Laurent Douzou, Elisabeth Schwartz, Gerhard Heinzmann, Alain Michel, Paul Cortois. 174 p.
Gilles-Gaston Granger, "Jean Cavaillès ou la montée vers Spinoza", in Les Études Philosophiques. Nouvelle Série 2 (1947)3/4
Dominique Pradelle, "Vers une genèse a-subjective des idéalités mathématiques: Cavaillès critique de Husserl", in Archives de Philosophie 76(2013)2
Dominique Dubarle, "Le dernier écrit philosophique de Jean Cavaillès (I et II)", in "Revue de métaphysique et de morale" 53 (1948)3 en 4
Jan Sebestik, "Postface" à J. Cavaillès, Sur la logique et la théorie de la science, 5e édition, Vrin, 1997, p. 91-142
Fabienne Federini, Écrire ou combattre. Des intellectuels prennent les armes (1942-1944), Paris, La Découverte, coll. « Textes à l'appui », 2006
Pascal Engel, "Vies parallèles : Rougier et Cavaillès", in Philosophia Scientiae, 10(2006)2, p. 1-30
Baptiste Mélès, "Pratique mathématique et lectures de Hegel, de Jean Cavaillès à William Lawvere", in Philosophia Scientiae 16(2012), p. 153-182
Wim N.A. Klever, "Wiskunde en dialectiek: een onderzoek van enkele belangrijke geschriften uit de traditie van de Franse epistemologie", in Id., Dialectisch denken. Over Plato, wiskunde en de doodstraf, Het Wereldvenster, 1981.

Pierre de Chambrun

Charles Louis Antoine Pierre Gilbert de Pineton markies de Chambrun (Parijs, 11 juni 1865 - Marvejols, 24 augustus 1954), was een Frans edelman en politicus.


Achtergrond en vroege carrière
Pierre de Chambrun stamde uit een oude adellijke familie uit Lozère. Hij was verwant aan markies de La Fayette.

Pierre de Chambrun volgde zijn vader Adolphe markies de Pineton de Chambrun (1831-1891) in 1892 op als lid van de Franse ambassaderaad in Washington D.C. (Verenigde Staten) en bleef dit gedurende vijf jaar. Op 20 oktober 1895 trouwde hij te Cincinnati met de Amerikaanse Margaret Rives Nichols (1872-1949). Tijdens de Eerste Wereldoorlog was zij verpleegster te Marvejols en werd in 1917 onderscheidden als Ridder in het Legioen van Eer. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren: Marthe, getrouwd met een prins Ruspoli, Jean-Pierre, kunstenaar en schilder en Gilbert, diplomaat en politicus.

Politicus
Pierre de Chambrun keerde in 1898 in Frankrijk terug en werd voor het departement Lozère in de Kamer van Afgevaardigden (Chambre des Députés) gekozen. Hij bleef kamerlid tot 1933. Aanvankelijk was hij lid van de fractie van de Républicains Modéré (Gematigde Republikeinen), daarna zat hij als onafhankelijke kandidaat in de Kamer van Afgevaardigden (1914-1924), maar sloot zich in 1914 aan bij de Alliance Démocratique (Democratische Alliantie; 1924-1928). Bij de parlementsverkiezingen van 1928 werd hij opnieuw als onafhankelijke kandidaat in de Kamer van Afgevaardigden gekozen en sloot zich aan bij de fractie van Onafhankelijken, geleid door Paul Reynaud. Gedurende zijn kamerlidmaatschap was hij lid van diverse kamercommissies, waaronder, tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Frans-Britse commissie.

Pierre de Chambrun werd in 1933 lid van de christendemocratische Parti Démocrate Populaire (PDP, Democratische Volkspartij) en werd voor die partij in de Senaat (Sénat).

Een van de Vichy 80
Op 10 juli 1940, na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland, stemde hij tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain. Hierna begaf hij zich in het verzet tegen de Duitse bezetter.

Na de Bevrijding van Frankrijk (1944) werd hij voor het departement Lozère in de Nationale Raadgevende Vergadering (Assemblée Consultative Provisoire) gekozen. In 1945, op de leeftijd van 80 jaar, ging hij met pensioen. In 1946 volgde zijn zoon Gilbert de Chambrun hem op als lid kamerlid.

Onderscheidingen
Na de Tweede Wereldoorlog werd hij onderscheidden voor zijn deelname aan het verzet:

Croix de Guerre 1939-1945 (Oorlogskruis 1939-1945) met vergulde (vermeil) ster - 27 maart 1947
Legioen van Eer voor bewezen diensten voor het verzet - 9 juli 1949
Pierre de Chambrun overleed op 89-jarige leeftijd, op 24 augustus 1954 te Marvejols.

Pierre Chambrun (rechts) en Émile Daeschner (links), de Franse ambassadeur van de Verenigde Staten, in Washington D.C., 1925

Pierre Chambrun (rechts) en Émile Daeschner (links), de Franse ambassadeur van de Verenigde Staten, in Washington D.C., 1925
Termijn Afgevaardigde 1898 - 1933
Senator 1933 - 1942
Afgevaardigde 1944 - 1945
Departement Lozère (48)
Parlementaire groep Partijloos (1898-1914)
Modéré (1914-1924)
RDG (1924-1928)
Indépendant (1928-1932)
Partijloos (1932-1933)
PDP (1933-1942)
MRP (1944-1945)
Tijdvak Vierde Franse Republiek
Vijfde Franse Republiek

2-Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3