Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

2-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8

De Lebensborn Vereniging van Nazi Duitsland

De Lebensborn Vereniging (Duits: Lebensborn e.V.) was een van staatswege opgerichte vereniging door Duitsland tijdens het Derde Rijk. De vereniging had tot doel het geboortecijfer te verhogen teneinde een zuiver, arisch ras te scheppen in overeenstemming met nationaalsocialistische rassen- en gezondheidsideologie.
Ideologische grondlagen van Lebensborn 
De Lebensborn Vereniging was een ideologisch gegrondvest project van Heinrich Himmler, waaraan hij een modelfunctie voor de toekomst van Duitsland toedichtte. De denkbeelden aangaande bevolkingspolitiek van de vereniging werden eigenlijk geheel bepaald door de volgende, ideologische uitgangspunten:
De redding van de—zogenaamd als enige voor de heerschappij geschikte -- "noordelijke rassen" van de ondergang die dreigde door negatieve bevolkingsgroei
De samenvoeging van alle zogeheten Germaanse volkeren in een op te bouwen "rijk", als eerste stap richting de oprichting van een imperium op nationaalsocialistische grondslag
De waarde van een volk wordt afgemeten aan zijn grootte (aantal mensen) en de zogeheten "raskwaliteit" van zijn soldaten en soldatenmoeders
Toename van het geboortecijfer met gelijktijdige "rassenveredeling" (verbetering van de "rassenkwaliteit" van het indertijd zogeheten 'Duitse volk')
De Lebensborn Vereniging hing deze ideologische stelregels aan en probeerde ze op het gebied van de verzorging van kinderen door de moeder in de praktijk te brengen. Centraal doel van de vereniging was het voorkomen van abortus en daarmee de verhoging van het geboortecijfer. Echter niet in de zin van de Kerk, maar ten behoeve van de "nieuwe moraal" van de actieve, door ras bepaalde, nationaalsocialistische bevolkingspolitiek. Hieronder vielen ook de sociale maatregelen die door Lebensborn doorgevoerd werden voor ongehuwde moeders "van goeden bloede" (moeders "van anderen bloede" en met name diegene die "erfziekten" hadden konden, als mensonterende keerzijde van de raciale "elite", onder meer gedwongen gesteriliseerd worden). De nationaalsocialisten zetten zo de eugenetica in daden om die in westelijke staten, waaronder de VS en Zweden, soms nog tot in 1974 "wetenschappelijk" besproken werd.
Geschiedenis en organisatie
Geboortecijfer en nationaalsocialistische maatregelen
Na de Eerste Wereldoorlog was het geboortecijfer sterk teruggelopen, van 894.978 levendgeborenen in 1920 tot 516.793 in 1932. Geen ander geïndustrialiseerd land kende een dergelijke trendbreuk in de demografische statistieken. Het overschot aan vrouwen (voornamelijk ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog) bedroeg ongeveer 2 miljoen. In 1937 schatte de Reichsführer-SS en hoofd van de Duitse politie, Heinrich Himmler, het aantal abortussen op 600.000 tot 800.000 op jaarbasis en daarmee duidelijk hoger dan het geboortecijfer. Per jaar stierven ook ongeveer 30.000 vrouwen ten gevolge van een abortus en als gevolg van ondeugdelijke ingrepen werden op termijn zo'n 300.000 vrouwen per jaar onvruchtbaar. Om deze ontwikkelingen tegen te gaan, startte de Nationaal-Socialistische Volkswelvaart in maart 1934 het Steunprogramma Moeder en Kind. Dit programma beschikte over enorme, financiële middelen, meer dan de helft van de totale opbrengst van het Wintersteunprogramma. De Vereniging Duits Instituut voor Jeugdzorg bekommerde zich om buitenechtelijke kinderen, van wie de vader alimentatie weigerde te betalen. Huwelijken werden aangemoedigd door middel van subsidies in de vorm van waardebonnen voor meubels en huisraad tot 1000 Reichsmark. Het oprichten van de concurrerende Lebensborn Vereniging door de SS moet ook in deze sociaal-politieke context gezien worden.
Oprichting en statuut van de vereniging
Op initiatief van Himmler werd op 12 december 1935 in Berlijn de Lebensborn Vereniging opgericht met als doel de prioritaire begeleiding van ongehuwde moeders. De vereniging was organisatorisch bij de SS ingedeeld, maar behield de vorm van zelfstandig rechtspersoon om eigenaar te kunnen zijn van tehuizen en ander bezit en ook om het mogelijk te maken voor niet-SS'ers om toe te treden. Bij de oprichting werd ook een passend statuut met de raciale verenigingsdoelen ingediend. Op 15 augustus 1936 opende Lebensborm het eerste tehuis "Hochland", te Steinhöring bij Ebersberg in Opper-Beieren. Het tehuis beschikte in het begin over 30 bedden voor moeders en 55 voor kinderen. Tot 1940 verdubbelde zich echter het aantal bedden. Directeur van de vereniging waren achtereenvolgens SS-kapitein Guntram Pflaum en ingaande 15 mei 1940 tot het einde van de oorlog SS-vlaggendrager Max Sollman. Medisch directeur was vanaf het eerste begin SS-majoor dokter Gregor Ebner.
Voorwaarden voor opname
Vrouwen die om opname in het programma verzochten, moesten volgens de statuten van oorsprong, zoals het heette, "in rassen- en biologisch erfelijk opzicht aan alle verwachtingen voldoen die in de SS over het algemeen gelden". Met name moesten de vrouwen dezelfde vereisten vervullen als ieder ander kandidaat-lid van de SS bij de toetreding en het huwelijk:
Ze moesten een Groot Certificaat van Afstamming overleggen met documentatie van voorvaderen teruggaand tot 1 januari 1800, zoals ook voor de NSDAP en haar onderafdelingen verplicht was.
Een vragenlijst aangaande erfelijke gezondheid moest ingevuld worden, waarin alle, mogelijke "erfelijke belastingen" in de familie opgesomd werden.
Er werd door een arts (eerst een SS-arts, later—vanwege tekort aan artsen—ook andere artsen) een vragenlijst van medisch onderzoek opgesteld ter documentatie van de gezondheid en "ter beoordeling van ras".
De kandidate moest een vragenlijst overhandigen aangaande haar persoon, haar beroep, ziektekostenverzekering, partijlidmaatschap, huwelijksvooruitzichten enzovoorts, alsmede een handgeschreven chronologie van haar leven, toegelicht met foto's, indienen.
Ongehuwde toekomstige moeders moesten bovendien een verklaring onder ede afleggen, dat de aangegeven man ook echt de vader van het kind was.
Dergelijke documenten moesten ook door de toekomstige vader ingediend worden, die dus ook altijd bekend moest zijn. SS-leden waren alleen dan vrijgesteld van deze verplichting als voor de moeder al een huwelijksvergunning uitgegeven was door het Ministerie van Ras en Volkshuisvesting.
In het begin leidden de selectiecriteria tot een stevige schifting van kandidaten. Deze criteria werden later echter, ten gevolge van het verloop van de oorlog, stevig afgezwakt tot op het punt dat ongeveer 75% van de aanvragen gehonoreerd werden. De enorme verliezen aan mankracht ten gevolge van de oorlog en de immer afnemende bevolkingsgroei onder de Duitsers noopten ertoe de "raciale selectie" niet meer zo op de voorgrond te plaatsen en compromissen te sluiten tussen de "noodzakelijke kwaliteit en de hoogst haalbare rassenkwaliteit".
Begeleiding in de tehuizen.
Als onderafdeling van de SS was Lebensborn in staat om absolute geheimhouding aangaande bevallingen te garanderen. De SS-eigen bureaus van de burgerlijke stand en politie in de Lebensbornhuizen zorgden ervoor dat het "thuisfront" van een ongehuwde moeder nooit van de bevalling te horen kreeg - alleenstaande moeders kregen destijds weinig sociaal begrip. Als de opname goedgekeurd was, kon de aanstaande moeder desgewenst haar zwangerschap ook ver verwijderd van haar woonplaats doorbrengen en tot enige weken na de bevalling wonen in een tehuis van de Lebensborn Vereniging. Daarna waren er verschillende mogelijkheden. Aanzienlijke aantallen vrouwen gingen werken in de Lebensborn-tehuizen om in de buurt van hun kinderen te kunnen zijn. Maar er was ook de mogelijkheid om de kinderen overdag te laten verzorgen in het tehuis, waarna de vrouw ging werken. En ten slotte kon de vrouw het kind ook langere tijd laten opnemen in een pleeggezin of afstaan ter adoptie. Voor zover de vrouwen na hun bevalling ongehuwd waren en bleven, nam de Lebensborn Vereniging de voogdij over de kinderen op zich. De kinderen werden gedoopt middels een ritueel dat een combinatie was van germaanse, nationaalsocialistische en pseudochristelijke elementen, middels dolkoplegging onder het hakenkruisbanier. Als doopgeschenk kreeg ieder kind een kandelaar mee, die gemaakt was door een gevangene van concentratiekamp Dachau. Het niveau van zorg in de Lebensborn-tehuizen lag ook tijdens de oorlog boven de levensstandaard van de Duitse bevolking. De medische zorg in de tehuizen was zelfs zo goed dat steeds meer echtgenoten van SS-officieren zich enkel en alleen voor de bevalling aanmeldden. Gedurende de oorlog waren de tehuizen ook zeer geliefd als woon- of verblijfsplaats, omdat ze voornamelijk buiten de gebieden lagen die als doelwit voor bombardementen golden. Tegen het einde van de oorlog werden de huizen ongeveer voor de helft bevolkt door vrouwen van SS-leden en voor de rest door ongehuwde moeders. Tussen de twee groepen kwam het regelmatig tot aanzienlijke spanningen. De kinderen die via Lebensborn ter wereld kwamen, konden in de tehuizen opgevoed worden en wellicht—als ze aan de "rassenvereisten" voldeden—geadopteerd worden. Daarbij werden die kandidaat-ouders voorgetrokken die familiebanden met de SS hadden. Na de oorlog (en na het wegvallen van de Lebensborn Vereniging) liep het met een groot aantal van deze kinderen slecht af. Deze kinderen werden gestigmatiseerd, mishandeld, seksueel misbruikt, in gestichten weggestopt en onder dwang geadopteerd. Als gevolg hiervan heeft een aanzienlijk aantal van hen zelfmoord gepleegd.

Embleem van de Lebensborn

 


Zuster bij een Lebensborn-kliniek

 

Lebensborn en oorlogsmisdaden.
Hoewel Lebensborn gevestigd werd op eugenetische grondslag en met twijfelachtige morele en bevolkingspolitieke idealen, kon van de uitwerking van het Lebensborn-programma in eerste instantie toch nog gezegd worden dat het, buiten morele aspecten, een sociaal programma van acceptabel allooi was. Ongehuwde moeders werden voorzien van opvang en begeleiding, uitstekende medische zorg en zij konden hun kinderen van een toekomst voorzien zonder voor het leven getekend te zijn in een maatschappij die buitenechtelijke zwangerschappen niet accepteerde. Het enige, serieuze bezwaar tegen deze uitwerking van het programma dat aangevoerd zou kunnen worden, was dat het programma alleen op discriminerende basis toegankelijk was.
Tijdens de oorlog bleek echter dat de inspanning van Lebensborn op zich niet voldoende was. Het geboortecijfer steeg weliswaar, maar niet zoveel als gewenst. En zeker niet genoeg om de verliezen in de oorlog tegen te gaan. Deze ontwikkeling noopte Himmler tot het instellen van het beleid waar Lebensborn berucht om werd:
Himmler gaf zijn soldaten in bezet gebied opdracht om alle kinderen te ontvoeren die er 'ook maar enigszins arisch uitzagen' en hen over te dragen aan de Lebensborn Vereniging om als Ariërs opgevoed te worden. Kinderen werden ontvoerd uit Polen en Denemarken, maar soms ook uit andere landen. Deze jonge kinderen werden onder valse voorwendselen weggevoerd, kregen een Duitse naam, werden verspreid over Lebensborn-tehuizen en mochten alleen nog maar Duits spreken. Ze werden beoordeeld naar hun arische uiterlijk, voornamelijk de afstand voorhoofd-achterhoofd. De SS beschikte over zogenaamde 'Ariërtabellen' die het lot van deze kinderen besliste. De 'hoogste' categorie Ariër werd geadopteerd door een SS-familie, de 'laagste' ging naar het concentratiekamp.
SS-troepen kregen bevel om zo veel mogelijk affaires aan te gaan met Noorse meisjes, om zo veel mogelijk kinderen te verwekken. Duitsland zag de Noren als een ras van Vikingen en verwant aan hun eigen ras. De Noorse bevolking mishandelde de betrokken meisjes vaak en bestempelde hen als 'Duitse hoeren'.
Daarnaast moesten SS'ers financieel bijdragen aan de Vereniging, tenzij ze vier of meer kinderen hadden (buitenechtelijk of uit hun huwelijk). Dit was voor SS'ers ook weer een aansporing om nageslacht te verwekken.
De Lebensborn-tehuizen
Veel van de tehuizen van de Lebensborn Vereniging werden ingericht in gebouwen die van Joden onteigend waren. Sommige huizen werden aan de Vereniging geschonken.
Tehuizen in Duitsland, binnen de grenzen van 1937 (het zogeheten Oude Rijk)
"Hochland" in Steinhöring bij Ebersberg (1936 - april 1945) - bij oprichting: 50 bedden voor moeders (M) en 109 voor kinderen (K)
"Harz" in Wernigerode (Harz) (1937) - 41 M / 48 K
"Kurmark" in Klosterheide (Mark) (1937) - 23 M / 86 K
Pommern* in Bad Polzin (Polen) (1938 - februari 1945) 60 M / 75 K
"Friesland" Gut Hohehorst in Löhnhorst (tegenwoordig Schwanewede) bij Bremen (1937 - januari 1941) 34 M / 45 K
Kindertehuis »Taunus« in Wiesbaden (1939 - maart 1945) - 55 K
Oorlogsmoedertehuis in Stettin (1940)
Kindertehuis »Sonnenwiese« in Kohren-Sahlis bij Leipzig (1942) - 170 K
"Schwarzwald" in Nordrach (Baden) (1942)
Kindertehuis »Franken« I und II in Schalkhausen b. Bocksberg (Kreis Ansbach) (1944)
Het totale aantal in de tehuizen geboren buitenechtelijke kinderen was op 31 december 1939 zo'n 770, waarvan er nog 354 in de tehuizen woonden.
Tehuizen in het huidige Oostenrijk
"Ostmark", later "Wienerwald" in Pernitz-Muggendorf bij Wenen (1938) - 49 M / 83 K
"Alpenland" in Oberweis bij Gmunden (Traunsee) (1943)
Tehuizen in het huidige Polen
"Heimstätt" in Smoscewo/Regierungsbezirk Zichenau (april - juli 1944) - 22 houten huisjes voor ongehuwde moeders
Tehuizen in andere, bezette gebieden
Luxemburg
Kindertehuis "Moselland" in Bofferding bij Luxemburg (1943)
België
"Ardennen" in Wegimont bij Luik (1943 - september 1944) - 30 M
Her werden, op bevel van de militaire chefstaf België/Noord-Frankrijk,
Aanstaande moeders van germaanse bloeden, ..., die van bloeden zijn van leden van de Wehrmacht van het Duitse rijk of buitenlandse leden van Duitse steunorganisaties (de Waffen-SS, het Waalse (SS-)Legioen, Vlaamse SS, NSKK e.d.) of anderszins Duitsen bloeden
opgenomen. De Belgische Lebensborn was er kennelijk stilletjes toe overgegaan ook puur buitenlandse kinderen op te nemen wier ouders beiden geen Duits staatsburger waren.
Frankrijk
"Westland", later "Westwald" in Lamorlaye bij Chantilly (1944 - augustus 1944)
Nederland
"Lebensborn Gelderland" in Berchmanianum Houtlaan Nijmegen - 60 M / 100 K (nooit in bedrijf genomen)
Noorwegen
"Heim Geilo" (1942) - 60 M / 20 K
"Kinderheim Godthaab" bij Oslo (1942) - 165 K (in oktober 1943 met 250 kinderen tussen 3 maanden en 4 jaar opgezadeld)
"Heim Hurdalsverk" (1942) - 40 M / 80 K
"Heim Klekken" (1942)
"Heim Bergen" in Hop bij Bergen (1943) - 20 M / 6 K
"Kinderheim Stalheim" (1943) - 100 K
"Stadtheim Oslo" (1943) - 20 M / 6 K
"Stadtheim Trondheim" (1943) - 30 M / 10 K
"Heim Os" bij Bergen - 80 K (nooit in bedrijf genomen)
Tot 30 september 1944 werden 6584 Noorsen in de compleet overbevolkte Lebensborn-bevallingshuizen opgenomen.
In de loop van de oorlog werden in totaal 200 tot 250 Noorse kinderen met vijf luchttransporten naar de tehuizen Kohren-Sahlis, Hohehorst en Bad Polzin overgebracht. Ze werden of door hun vaders opgevangen of kwamen in de pleegzorg met als doel later geadopteerd te worden.
Geboortestatistieken (zonder Noorwegen)[bewerken]
Per 31 december 1939: 1371 (totaal levend geboren) - daarvan ongeveer 770 buitenechtelijk geborenPer 31 december 1940: 2408Per 1 april 1942: 3477Per 30 september 1943: 5047Per 11 mei 1945: 7000 - 8000 totaal (geschat) - waarvan net 5000 buitenechtelijk geborenPer 11 mei 1945 in tehuis "Hochland": 1438 totaal
In de Duitse Lebensborntehuizen werden tot het einde van de oorlog ongeveer 8000 kinderen geboren. In Noorwegen, afhankelijk van de bron, tussen de 9000 en 12.000. Veel kinderen hebben hun ouders nooit teruggevonden.
In Noorwegen vond een speciale discriminatie plaats tegen deze kinderen (tyskerbarn genoemd, Duitse kinderen) en hun moeders. In 1998 heeft minister-president Kjell Magne Bondevik hiervoor excuses aangeboden.
Een groep Noorse Lebensbornkinderen is begin maart 2007 naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gestapt om genoegdoening te vinden voor de jaren van mishandelingen en discriminatie. De groep verwachtte dat het Hof de Noorse Staat zou opdragen smartegeld te betalen. De aanklagers stellen dat de Noorse overheid nagelaten heeft deze groep kinderen te beschermen. Men spreekt van schuldig verzuim. Het lot van deze kinderen in de naoorlogse tijd was allerminst aantrekkelijk: opsluiting in psychiatrische instellingen, wegzending naar een school voor verstandelijk gehandicapten.
In juli 2007 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de zaak afgewezen. Het hof stelde de Noorse rechtbanken die de klacht wegens verjaring hebben afgewezen, in het gelijk en weigerde de zaak in behandeling te nemen.
Processen tegen het Ministerie van Ras en Volkshuisvesting
Als onderdeel van de Processen van Neurenberg vonden in het gerechtsgebouw van Neurenberg onder Amerikaanse leiding processen plaats tegen het Ministerie van Ras en Volkshuisvesting, tussen 1 juli 1947 en 10 maart 1948. Tijdens deze processen stonden ook vier kopstukken van de Lebensborn Vereniging terecht. Het oordeel van de rechtbank was als volgt:
SS-majoor Dr. Gregor Ebner (leidinggevend arts) - 2 jaar, 8 maanden (uitgezeten)
SS-majoor Max Sollmann (directeur) - 2 jaar, 8 maanden (uitgezeten)
SS-kapitein mr.dr. Günther Tesch (leidinggevende hoofdafdeling rechtwezen)- 2 jaar, 10 maanden (uitgezeten)
Inge Viermetz (plaatsvervangend chef van de hoofdafdeling arbeid) - vrijspraak

 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Lebensborn Vereniging van Nazi Duitsland

Het doel van de Lebensborn vereniging was: De prioritaire begeleiding van ongehuwde moeders.

De Poolse Campange 1939

De Poolse veldtocht was de invasie van Polen door nazi-Duitsland. De inval wordt gezien als het begin van de Tweede Wereldoorlog.
De invasie begon op 1 september 1939 met de Slag om Westerplatte. De Duitsers veroverden binnen vier weken het westelijk deel van Polen met een nieuwe tactiek, de Blitzkrieg oftewel "bliksemoorlog".
Op 17 september 1939 viel de Sovjet-Unie Oost-Polen binnen, als onderdeel van het Molotov-Ribbentroppact. Het land werd daarop verdeeld tussen de twee overwinnaars.
Versailles
In 1919 was te Versailles een deel van Duitsland aan Polen toegewezen. Polen kreeg via de Corridor een toegang tot de zee bij de havenstad Gdynia. Ingeklemd tussen deze Corridor en de Duitse exclave Oost-Pruisen lag de stad Danzig (het huidige Gdańsk), die als Vrije Stad Danzig tot onafhankelijke stadstaat was uitgeroepen. Deze stond wel onder toezicht van de Volkenbond en de stad had geen echte leider. Veel Duitsers leefden in het gebied dat was afgestaan aan Polen, zoals een stuk van Oost-Pruisen en de stad Danzig. Ondanks alle ontevredenheid brak er geen oorlog uit tussen Duitsland en Polen, terwijl dat wel gebeurde tussen Polen en de Sovjet-Unie.
Houding van Hitler tegenover Polen
Toen Hitler aan de macht kwam, ging hij zich eerst bezighouden met de binnenlandse politiek, om alle antinazi elementen uit de samenleving te verwijderen. In 1935 sloot hij zelfs een non-agressie pact met Polen om de oostgrens veilig te houden. Hierdoor kon hij ongestoord zijn gang gaan in Duitsland. Na de herbewapening en de Anschluss van Oostenrijk werd de druk geleidelijk opgevoerd. Voordat Tsjecho-Slowakije was toegewezen aan Duitsland, bestond de kans dat dit ook met Polen gebeurde.
Na de aaneensluiting van Tsjechië en de verandering van dit gebied in een protectoraat, werd de aandacht gevestigd op Polen. Vanaf maart 1939, toen het land een aanbod van Hitler voor veel nauwere samenwerking onder Duitse leiding afwees, had Duitsland echter de druk op Polen steeds verder opgevoerd. De eisen werden steeds zwaarder: eerst eiste men de aanleg van een snel- en spoorweg op Poolse kosten door de Corridor, later eiste men het hele gebied inclusief Danzig op. Polen wilde het gebied dat tot 1919 van Duitsland was geweest echter niet aan Duitsland teruggeven. Polen werd hierin door Engels-Franse garanties gesteund en gaf geen krimp. Bovendien had Polen, op dat moment geregeerd door een militaire dictatuur, op papier één van de sterkste legers van Europa.
Molotov-Ribbentroppact
Hitler wilde Polen gebruiken als een gebied voor zijn Lebensraum-ideeën en vreesde dat Polen een pact zou sluiten met Rusland en Duitsland zou aanvallen. Daarom sloot Hitler in augustus 1939 het Molotov-Ribbentroppact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, en werd alles in gereedheid gebracht voor een aanval op Polen. Onderdeel van het pact was de opdeling van Polen tussen Duitsland en de Sovjet-Unie. Ook werden de verschillende invloedssferen in Europa opgedeeld. Polen zou verdeeld worden, Finland ging naar de Sovjet-Unie evenals de Baltische staten.
Het Gleiwitzincident
In de nacht van 31 augustus op 1 september vond het laatste van de 21 valse incidenten plaats in de grensstreek tussen nazi-Duitsland en Polen. Deze incidenten behoorden tot Operatie Himmler. Het doel hiervan was de wereld wijs te maken dat Polen Duitsland had aangevallen. Gesuggereerd werd dat Poolse soldaten enkele grensgebouwen hadden bezet. Na de incidenten werden Amerikaanse journalisten toegelaten om het strijdtoneel te bezichtigen. De dode 'Poolse soldaten' die vielen te zien waren gedode gevangenen van concentratiekampen in Duitsland. Er werd bewust een verkeerd beeld van de incidenten weergeven; het leek net of Polen werkelijk Duitsland was binnengevallen. Na de incidenten verklaarde Hitler Polen de oorlog en zette hiermee Fall Weiss, de invasie van Polen en het begin van de Tweede Wereldoorlog, in gang.
Het plan
Operationeel 

Op het operationele niveau ging het bij Fall Weiss om een conventionele frontale aanval waarbij infanterie-eenheden en pantserdivisies in samenwerking het Poolse front braken. Dat dit hun gelukte was een gevolg van een falende Poolse voorbereiding. Om Hitler niet te provoceren had men de mobilisatie en het aanleggen van veldversterkingen tot het laatste moment uitgesteld. Daardoor kon geen effectief gebruik worden gemaakt van wat potentieel Polen sterkste punt zou zijn geweest: dat het land in tegenstelling tot Duitsland (dat door de beperkingen opgelegd door het Verdrag van Versailles vele jaarcohorten niet had kunnen trainen) een grote geoefende reserve bezat. Dat de Duitsers in de beginfase al pantserdivisies inzetten was in strijd met hun officiële doctrine en noodzakelijk geworden door een tekort aan infanteriedivisies.
Strategie
Op het strategische niveau was de operatie een enorme vernietigingsslag, een Kesselschlacht volgens de klassieke 19e-eeuwse methode van von Moltke en von Schlieffen. Het Poolse leger werd verpletterd waarbij Oost-Pruisen als "aambeeld" diende en de Duitse hoofdmacht, in rechte lijn over een breed front uit Silezië oprukkend, als "hamer". Hoewel er weinig verrassends was aan deze manoeuvre, speelden de Polen hem in de kaart door een belangrijk deel van hun troepen in Posen te concentreren om zelf een verrassingsaanval richting Berlijn uit te voeren. Dit plan had alleen kans van slagen als het Duitse offensief zou vastlopen. Toen dit niet gebeurde viel de Poolse aanvalsmacht de linkerflank van de Duitse hoofdmacht aan. Dit vertraagde de Duitse operaties enkele dagen totdat alle krachten waren verbruikt.
De technologische ontwikkelingen in beide leger
Op technologisch niveau hadden de Duitsers een duidelijke voorsprong: Duitsland kon viermaal zoveel pantservoertuigen en achtmaal zoveel tanks in inzetten. Vaak wordt hiervan echter een karikatuur gemaakt waarbij men het beeld schetst van Poolse cavalerie die met getrokken sabel of lansen charges uitvoert tegen tanks. In werkelijkheid was de cavalerie deels gemoderniseerd tot gepantserde cavalerie (dus met tanks), en deels omgezet naar mobiele infanterie, waar het paard als vervoermiddel diende om snel op het slagveld te geraken. Een aantal kleinere Duitse infanterie-eenheden werd echter wel door wanhopige ouderwetse cavaleriecharges half onder de voet gelopen toen sommige Poolse eskadrons liever ten onder gingen in een zelfmoordaanval volgens de oude tradities uitgevoerd, dan zich over te geven. Polen produceerde zelf tanks en tankettes en had er ook een aantal aangekocht van Engeland en Frankrijk. Bijna alle Duitse tanks waren erg licht, van het type Panzerkampfwagen I of Panzerkampfwagen II en eenvoudig uit te schakelen door Poolse antitankkanonnen.
Luchtmacht
Ook de Poolse luchtmacht was vrij klein en had de snelle technologische ontwikkelingen van vlak voor de oorlog niet kunnen volgen. Men besefte dit terdege en de vliegtuigen werden daarom verspreid over geheime noodvliegvelden. Het verhaal dat de Poolse luchtmacht al in de eerste uren vernietigd werd, iets wat men vaak als een typisch onderdeel van een "Blitzkrieg" beschouwt, is dus al evenzeer een mythe. In die tijd was het fysieke effect van luchtaanvallen overigens erg marginaal — maar het psychologische effect op het moreel van de vijand soms verpletterend.
De bedoeling van de Duitsers was om de luchtmacht zo snel mogelijk uit te schakelen omdat de Poolse luchtmacht vrij sterk was. Hierdoor moesten ze verrassingsaanvallen uitvoeren op Poolse vliegvelden. Het voordeel voor de Duitsers was dat de meeste vliegvelden en vliegtuigen zich dicht bij de Duitse grens bevonden en dat ze makkelijker uit te schakelen waren. Zoals hierboven al geschetst waren de meeste vliegtuigen echter al verspreid en werden dus niet op de grond vernietigd door de Luftwaffe. Vooral de Stuka's van de Duitsers hadden een groot psychologisch effect op het Poolse leger. Met een schrille fluittoon doken ze op de grond af en bombardeerden ze de steden en wegen. Ook joegen ze de bevolking uiteen met salvo's uit de machinegeweren die in de vleugels zaten. Veel Polen raakten hierdoor gedemoraliseerd.

De kaart van Europa tijdens de verovering van Polen.

Duits–Sovjet-Russische verdeling van Polen 
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog 
De kaart van Europa tijdens de verovering van Polen. 
De kaart van Europa tijdens de verovering van Polen. 
Datum 1 september - 6 oktober 1939 
Locatie Europa: Polen 
Resultaat Duitse, Sovjet en Slowaakse overwinning 
Casus belli Operatie Himmler 
Territoriale
veranderingen Polen bezet door nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie en de Eerste Slowaakse Republiek

Internationale reactie na de inval
Na de inval van Polen door Duitsland reageerde de internationale gemeenschap verdeeld. Italië was een bondgenoot van Duitsland maar was toch bang voor de kracht van het offensief en de gevolgen ervan. De Entente reageerde sterker dan tegen de inname van Tsjecho-Slowakije door onmiddellijke terugtrekking te eisen, of in een staat van oorlog met elkaar te verkeren. De Sovjet-Unie reageerde laat door op 17 september het oostelijk deel van Polen te 'bevrijden'.
Conferentie mislukt
Op 2 september deed Mussolini een voorstel voor een conferentie zoals in München. Duitsland, Engeland, Frankrijk en Italië zouden deelnemen. Mussolini was bang in een oorlog verzeild te raken, en wilde graag nog een paar jaar vrede. Het mocht niet baten: het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk eisten onmiddellijke terugtrekking. Toch zette Duitsland de campagne door, en de volgende dag, 3 september, verklaarden Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog. Dit was een enorme tegenvaller voor Hitler en voor de Duitse generale staf. Hitler was er vast van overtuigd geweest dat ook ditmaal de Entente zou inbinden. Hitler gokte elke keer een beetje meer en elke keer ging het goed tot het moment dat het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hem de oorlog verklaarde. Hermann Göring reageerde op de onheilstijding met de uitroep: "Als we deze oorlog verliezen, moge God ons genadig zijn!".
Verloop van de oorlog
De Duitse invasie verliep voorspoedig. De Poolse Luchtmacht werd al vrij snel verslagen en veel vluchtten naar het toen nog neutrale Roemenië. De Duitse luchtmacht was heer en meester van het luchtruim en voerde veel aanvallen op Poolse militaire en civiele colonnes uit.
In de eerste week gelukte het het Duitse leger om in het noorden door de Corridor op te rukken naar Oost-Pruisen en Danzig te bezetten. In het zuiden voltooide de hoofdmacht de opmars vanuit Silezië en Slowakije naar Warschau. De Poolse tegenaanval door hun omgedraaide centrum vanuit Posen vertraagde echter de aanval op de hoofdstad. Echter, op 8 september was een van Walter von Reichenau's gemotoriseerde divisies in een buitenwijk van Warschau gekomen. De Duitsers waren dus in een week tijd 225 kilometer opgerukt.
De westelijke gebieden en Danzig waren binnen een week al verloren. Het Poolse leger verliet de gebieden Silezië, Pommeren en Groot-Polen. Hiermee werd een verbinding tussen Oost-Pruisen en Duitsland gemaakt. Op 9 september werd de grootste slag in Polen gevochten nabij Kutno. Hierbij waren bij de Polen acht infanterie en vier cavalerie divisies betrokken en bij de Duitsers 12 infanterie en vijf gemotoriseerde divisies betrokken. De Polen hadden na de terugtrekking richting Warschau een tegenoffensief gepland die ze nu uitvoerden. De slag bij de Bzura, een rivier die in het hartland van Polen stroomt, duurde tot 22 september met wisselende aanvallen en tegenaanvallen. Uiteindelijk wonnen de Duitsers door hun superioriteit in militaire middelen.
Nadat de Polen de slag hadden verloren lag de weg naar Warschau nagenoeg vrij.
Saaroffensief
Frankrijks reactie was echter erg traag. De Duitse westgrens was grotendeels van troepen ontbloot — men had immers alles nodig tegen Polen — maar pas op 7 september openden de Fransen het Saaroffensief. Dat vorderde erg langzaam door de fortificaties van de Westwall en werd reeds na een week beëindigd toen de situatie van Polen toch al hopeloos bleek. De bescheiden Franse troepenmacht die was ingezet werd weer teruggetrokken, waarna de Duitsers het gebied terugnamen. Frankrijk was evenmin als Duitsland klaar voor een confrontatie en de Franse doctrine, methodischer dan de Duitse, bood geen plaats voor gewaagde uitvallen richting Ruhrgebied. Dit ondanks het feit dat de geallieerden in deze eerste oorlogsmaand een overwicht hadden, omdat Duitslands meeste en beste troepen in Polen waren. Tijdens de Schemeroorlog zou Frankrijk zelfs om het moreel hoog te houden enkele divisies demobiliseren en naar huis sturen. Ook verklaarde Maarschalk Gamelin later dat het Franse Leger niet klaar was voor een invasie in Duitsland. Dit zou op zijn vroegst in het voorjaar van 1941 kunnen, vanwege de luchtmacht en de pantserdivisies die nog niet klaar waren. In het begin van oktober waren alle Franse troepen al weer teruggetrokken.
Polen voelde zich verraden door de Entente omdat zij niet kwamen helpen.
De Sovjets rukken op
Op 17 september 1939 overschreden dertig divisies van het Rode Leger de Poolse grens. Ze rukten op naar de Curzonlijn, waarbij ze van de gedemotiveerde Poolse grenswachten en het restant van het leger weinig tegenstand ontmoetten. Volgens afspraak bezetten zij het oosten van het land, "ter bescherming van de Wit-Russische en Oekraïense minderheden tegen eventuele Poolse en Duitse agressie. Voor de Duitsers was dit een zeer spannend moment: als Stalin ze zou verraden en de kant van de geallieerden kiezen was voor Duitsland de oorlog al meteen verloren. De voorraden grondstoffen, olie en munitie bevonden zich op een kritiek laag peil. Maar Stalin liet deze kans om zich vrijwel risicoloos van nazi-Duitsland te ontdoen onbenut voorbijgaan.
Waarschijnlijk was Stalin bang voor een eventuele vergeldingsactie afkomstig van Japan. Japan behoorde immers tot een van de drie asmogendheden, was een buurland van Rusland, en zou wellicht de situatie kunnen aangrijpen om een stuk van Siberië te bezetten. Anderzijds was Rusland heel blij met deze gemakkelijke gebiedsuitbreiding. In Stalins ogen betrof het slechts gebied dat Polen in de Pools-Russische Oorlog van de Sovjet-Unie had afgenomen, gebruikmakend van de zwakheid en chaos ten gevolge van de Russische burgeroorlog en Russische revolutie. Het was in zijn ogen niets anders dan een correctie. Dat dit gebeurde door Polen in de rug aan te vallen deed niet ter zake, want Polen had het gebied immers destijds eveneens veroverd toen Rusland zwak was.
Bombardement van Warschau
Al op 1 september, de eerste dag van de invasie, begon het bombardement op Warschau. De Duitse luchtmacht had al snel de macht in de lucht en de intensiteit nam hierdoor toe.

De Gleiwitzzender waar het incident plaats vond

 

 

 

Een kaart van de Poolse Campagne

Capitulatie
Nu de Polen van twee kanten werden aangevallen was hun positie volledig hopeloos. Op 28 september ontmoetten de Sovjetlegers de Duitsers bij de rivieren Narew, Boeg, Wisła en San. Hoewel de Polen nog wel bescheiden overwinningen behaalden, zoals bij Szack tegen het Rode Leger, was de insluiting meer en meer een feit. Eind september waren de laatste gevechtshaarden het belegerde Warschau en de vesting Modlin, de Onafhankelijke Operationele Groep 'Polesië' onder leiding van Generaal Franciszek Kleeberg die zich tot in de buurt van Lublin had teruggetrokken, en het schiereiland Hel in het noorden (Slag om Hel). Warschau en Modlin moesten zich op respectievelijk 27 en 28 september overgeven, Hel volgde op 2 oktober.
De Slag bij Kock zou het sluitstuk van de Poolse campagne worden. In een slag die van 2 tot 6 oktober 1939 duurde probeerden de Duitsers deze laatste verzetshaard op te ruimen. Kleeberg capituleerde pas toen hij volledig verstoken bleek van voedsel en ammunitie. Polen was nu geheel bezet.
Duitse maatregelen ten tijde van de invasie
Onmiddellijk na het begin van de strijd braken er etnische onlusten uit. Volksduitsers hielpen in sommige gevallen de Wehrmacht, terwijl in het oosten de Polen hun woede koelden op de daar aanwezige Duitse minderheid. Einsatzgruppen, speciale eenheden van de Duitse SS, schoten veel Polen neer nadat het leger deze gebieden had veroverd. Na de capitulatie roeiden de Duitsers meteen systematisch de Poolse elite uit (AB-Aktion) en begon de vervolging van de Joden.
Resultaat van de oorlog
De Duitsers en Sovjets bezetten samen het land. Op 27 september gaf Warschau, murw gebeukt door onophoudelijke bombardementen, zich over, op 6 oktober werd de laatste verzetshaard opgeheven. De nieuwe Duits-Sovjet grens werd getrokken. Een deel van Polen werd bij Duitsland gevoegd, en rond Warschau werd een Generaal-Gouvernement gevormd, waar Hans Frank gouverneur werd. Duitse generaals waren niet op de hoogte van de Duits-Russische afspraak over de verdeling van Polen en moesten zich tot hun grote woede terugtrekken uit gebieden die ze hadden veroverd maar aan de Sovjet-Unie waren toegewezen. Een aantal correcties werd tevens doorgevoerd. Zo lieten de Duitsers de Sovjet-Unie de vrije hand in Litouwen in ruil voor een gebied in Midden-Polen.
De Poolse regering week, samen met een deel van de zuidelijke legers, uit naar Roemenië en vervolgens naar Londen. De Polen zouden opnieuw een leger vormen in Frankrijk en na Fall Gelb in Engeland. Stalin die eerst veel Polen liet vermoorden of als slavenarbeider gebruiken, zou later in de oorlog toestaan dat sommigen naar het westen vertrokken en daarna ook zelf een Pools leger oprichten dat de kern zou vormen van de strijdmacht van de naoorlogse volksrepubliek. Na de oorlog zou de Sovjet-Unie het grootste deel van Oost-Polen niet meer teruggeven, en Polen compenseren met een deel van Duitsland.

Een Heinkel He 111 bombardeert Warschau

De Holocaust door Nazi Duitsland

De Holocaust, ook wel Shoah, Shoa of Sjoa (Hebreeuws: השואה Ha-Shoah) genoemd, was de systematische Jodenvervolging en genocide door de nazi's en hun bondgenoten voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de overheersing door nazi-Duitsland werden er tussen de 5,1[1] en 6[2] miljoen Europese Joden vermoord. De moorden vonden grotendeels plaats in vernietigingskampen en door Einsatzgruppen.
De term Holocaust

Het woord holocaust betekent "brandoffer" en is afgeleid van het Oud-Griekse woord ὁλόκαυστον (holokauston), wat letterlijk 'geheel verbrand' betekent. Dit was in de oudheid een aanduiding voor een brandoffer aan een godheid. Het woord holocaust bestond in die betekenis ook in het Middelnederlands in de 14e eeuw, maar is daarna in onbruik geraakt.
Betekenisverschuiving en toepassing
Volgens het Oxford English Dictionary stamt de eerstbekende Engelse vermelding van het woord holocaust in de zin van massamoord uit 1833, toen de Schotse journalist Leitch Ritchie in een beschrijving van de oorlogen van de Franse middeleeuwse koning Lodewijk VII vertelde dat hij "eens een holocaust maakte van dertienhonderd mensen in een kerk", een massamoord met vuur op de inwoners van Vitry-le-François in 1142. In de vroege 20e eeuw, voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, gebruikten Winston Churchill en andere contemporaine schrijvers het om te verwijzen naar de Armeense genocide tijdens de Eerste Wereldoorlog.Er wordt verwezen naar de Armeense genocide in de titel van het gedicht "The Holocaust" (gepubliceerd als boekje in 1922) en het boek The Smyrna Holocaust (1923) gaat over het verbranden en massamoorden van Armenen.De eerste keer dat het woord 'holocaust' in het Engels werd toegepast op de genocide door de nazi's was in 1942, maar pas in de jaren 1950 hebben historici de geschiedkundige term 'de Holocaust' (met bepaald lidwoord en hoofdletter) ingevoerd. Algemeen wordt aangenomen dat door de Amerikaanse televisieserie Holocaust (van de Joods-Amerikaanse regisseur Gerald Green), voor het eerst uitgezonden in de VS van 16 tot 19 april 1978 en later ook in tal van Europese landen, de belangrijkste bijdrage heeft geleverd aan het populariseren van de term in deze betekenis in de meeste talen waaronder het Nederlands.
Andere termen
Omdat de term Holocaust oorspronkelijk de naam was van een vrijwillig brandoffer aan God, en er bij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog geen vrijwillige offers aan een godheid werden gebracht, gebruiken sommigen liever de term Sjoa (שואה = vernietiging). De kopstukken van de NSDAP zelf gebruikten de term Endlösung der Judenfrage (definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk), een term die al bestond sinds de 19e eeuw, maar pas in de loop van 1941 de betekenis zou krijgen van 'uitroeiing van alle Europese Joden' en met de Wannseeconferentie (20 januari 1942) een definitievere vorm kreeg
Discussie over meetellen niet-Joodse slachtoffers
Ondervoede gevangene in Mauthausen-Gusen, Oostenrijk, waar vooral politieke tegenstanders zaten.
1rightarrow blue.svg Zie ook Niet-Joodse slachtoffers van het naziregime
Naast ongeveer 6 miljoen Joden hebben de nazi's ook ongeveer 5 miljoen andere mensen vermoord. Geleerden zijn verdeeld over de vraag of de term 'Holocaust' zou moeten worden toegepast op alle slachtoffers van nationaalsocialistische massamoord, waarbij sommigen het als synoniem voor Sjoa of Endlösung der Judenfrage gebruiken, terwijl anderen ook de moord op Roma en Sinti (zigeuners), Polen en andere Slaven, de dood van Sovjet-krijgsgevangenen, homoseksuele mannen, Jehova's getuigen, gehandicapten en politieke tegenstanders (willen) meetellen.[8][9] Hierbij is ook de vraag of de gehele periode van 1933 tot 1945 moet worden bekeken of alleen de oorlogsperiode na 1939 en vooral 1941.

Contra: De Tsjechisch-Israëlische historicus Yehuda Bauer stelt dat de Holocaust alleen maar over Joden zou moeten gaan, omdat de nazi's van plan zouden zijn geweest om alleen de Joden helemaal uit te roeien en de andere groepen niet.Het meetellen van niet-Joodse slachtoffers van de nazi's bij de Holocaust wordt afgewezen door verschillende personen zoals de Joodse Holocaustoverlevende Elie Wiesel en organisaties zoals Yad Vashem, een Israëlische staatsinstelling in Jeruzalem die in 1953 is opgericht om slachtoffers van de Holocaust te herdenken.Volgens hen sloeg het woord oorspronkelijk op de uitroeiing van de Joden en was de Joodse Holocaust een misdaad van een dergelijk grote schaal, totaliteit en specificiteit en de climax van een lange geschiedenis van Europees antisemitisme, dat het niet zou moeten worden ondergebracht in een algemene categorie met de andere misdaden van de nazi's.
Pro: De Britse historicus Michael Burleigh en de Duitse historicus Wolfgang Wippermann stellen dat, hoewel alle Joden slachtoffer waren, de Holocaust de grenzen van de Joodse gemeenschap oversteeg – andere mensen deelden in het tragische lot van slachtofferschap.[12] De voormalige Hongaarse minister voor Roma-zaken László Teleki past de term Holocaust toe op zowel de moord op Joden als Roma door de nazi's en hun bondgenoten.In The Columbia Guide to the Holocaust gebruiken de Amerikaanse historici Donald Niewyk en Francis Nicosia de term voor Joden, zigeuners en gehandicapten. Amerikaans historicus Dennis Reinhartz heeft beweerd dat zigeuners de belangrijkste genocideslachtoffers waren in Kroatië en Servië tijdens de Tweede Wereldoorlog en noemt dit daarom "de Balkanholocaust 1941–1945".
Aantal slachtoffers
Definitiebreedte, onderzoeken en schattingen
Voorbeeld van een ruwe procentuele schatting van Holocaustdoden volgens een brede definitie met inbegrip van niet-Joden, zoals Roma, Slaven, Sovjet-krijgsgevangen en politieke tegenstanders (klik voor meer details).
Het precieze aantal slachtoffers is niet bekend, er worden verschillende schattingen gemaakt op grond van het beschikbare bewijsmateriaal. Het totale aantal hangt vooral af van welke definitie van "de Holocaust" er wordt gehanteerd. Volgens Donald Niewyk en Francis Nicosia[16] wordt de term gewoonlijk gedefinieerd als de massamoord op meer dan vijf miljoen Europese Joden. Ze zeggen echter ook dat 'niet iedereen dit een geheel bevredigende definitie vindt'Volgens de Britse historicus Martin Gilbert ligt het totaal aantal slachtoffers net onder de zes miljoen — circa 78 procent van de 7,3 miljoen Joden in het bezette Europa destijds.Timothy D. Snyder schreef dat "de term Holocaust soms wordt gebruikt op twee verschillende manieren: voor alle Duitse moordprogramma's tijdens de oorlog of voor iedere vorm van onderdrukking van de Joden door het naziregime."[19] Wichert ten Have en Maria van Haperen van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies stelden dat het doel van de Holocaust "het vermoorden van de Europese Joden en het vernietigen van het Joodse volk als zodanig" was, maar zeggen erbij dat "andere auteurs ervoor pleiten om andere vervolgde groepen als de Roma ook als slachtoffers van de Holocaust te beschouwen".
Bredere definities omvatten ook de twee à drie miljoen Sovjet-krijgsgevangen die zijn gestorven ten gevolge van mishandeling door het racistische nazibeleid, twee miljoen niet-Joodse etnische Polen die door de omstandigheden van de nazibezetting zijn omgekomen, 90.000 tot 220.000 Roma, 270.000 mentaal en fysiek gehandicapten in het Duitse eugeneticaprogramma, 80.000 tot 200.000 vrijmetselaars, 20.000 tot 25.000 Slovenen, 5000 tot 15.000 homoseksuelen, 2500 tot 5000 Jehova's getuigen en 7000 Spaanse republikeinen, waarmee het dodental uit zou komen op ongeveer 11 miljoen. De breedste definitie zou ook zes miljoen Sovjet-burgers omvatten die stierven als gevolg van oorlogsgerelateerde honger en ziekten, waardoor het dodental zou oplopen tot 17 miljoen.Een onderzoeksproject dat van 2000 tot 2013 werd uitgevoerd door het United States Holocaust Memorial Museum schatte dat in heel Europa 15 tot 20 miljoen mensen zijn omgekomen of opgesloten in kampen of andere omstandigheden.
Over de periodisering bestaan ook meningsverschillen. Microsoft Encarta stelt dat de Holocaust gebeurde vanaf de Machtergreifung op 30 januari 1933 tot V-dag op 8 mei 1945 (overgave van Duitsland), onder te verdelen twee perioden: januari 1933 tot september 1939 (sociale uitsluiting van de Joden) en van september 1939 tot mei 1945 (totale vernietiging van de Joden). Anderen zeggen dat de Holocaust pas begon in de herfst van 1941, toen de nazi's daadwerkelijk overgingen tot het uitvoeren van massamoord op de Joden.
Joodse slachtoffers
Holocaustslachtoffers in Mittelbau-Dora
Slachtoffers van de Holocaust bij Buchenwald-Ohrdruf
Volgens de betrouwbaarste schattingen ligt het totaal aantal vermoorde Joden tussen de 5,1en iets meer dan 6 miljoen.
Naoorlogse schattingen per land (grenzen van voor de oorlog):
Land Aantal slachtoffers
Polen 3.000.000
Sovjet-Unie 700.000- 1.000.000
Roemenië 270.000 - 300.000- 350.000
Tsjecho-Slowakije 260.000
Hongarije 180.000- 270.000
Duitsland 130.000- 165.000
Litouwen 130.000 - 160.000
Nederland 102.000
Frankrijk 75.000
Letland 67.000- 70.000
Joegoslavië 60.000 - 65.00
Griekenland 59.000
Oostenrijk 50.000 - 65.000
België 25.000
Italië 7000 - 9000
Luxemburg 1200
Estland > 1000
Noorwegen 758
Denemarken 60
Chronologisch zijn de slachtofferaantallen als volgt in te delen:
Jaar/periode Aantal
1933-1940 < 100.000
1941 1.100.000
1942 2.600.000
1943 > 600.000
1944 > 600.000
1945 > 100.000
Niet-Joodse slachtoffers van het naziregime
1rightarrow blue.svg Zie Niet-Joodse slachtoffers van het naziregime voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Naast Joden werden ook andere groepen al dan niet systematisch vermoord, zoals homoseksuelen, Esperantisten, zigeuners, "economisch onwaardigen", Russen, etnische Polen, gehandicapten, Jehova's getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, vakbondsleden, vrijmetselaars, communisten, Spaanse republikeinen, Serven, Quakers en mensen die zich verzetten tegen de nazi's.[29] Het totaal aantal vermoorde niet-Joden wordt geschat op 5 tot 11 miljoen mensen.
Achtergrond
Bestand:Hoe kon een doorsnee Duitser uitgroeien tot een massamoordenaar- (2-5).webm
Historicus Bart van der Boom over de vraag 'Hoe kon een doorsnee Duitser uitgroeien tot een massamoordenaar?'
Waarom de nazi's en hun bondgenoten precies overgingen tot het op grote schaal vermoorden van Joden, homoseksuelen, zigeuners en 'economisch onwaardigen' als fysiek en mentaal gehandicapten, en hoe de burgerbevolking hier grotendeels in meeging, is onderwerp van debat. Dit werd onder meer gevoerd door Daniel Goldhagen met zijn boek Hitlers gewillige beulen. Duidelijk is wel dat Adolf Hitlers felle antisemitisme de 'motor' was die het nationaalsocialisme schuldig maakte aan etnische zuivering of volkerenmoord.
Een genocide op zo grote schaal was slechts mogelijk doordat een aantal factoren gelijktijdig speelden in delen van Europa, en met name Duitsland:
De aanwezigheid of de stabiele installatie van een dictatuur zonder controle of voorhanden zijnde scheiding van de verschillende staatsmachten.
Geografisch sterk verspreid aanwezig latent en soms virulent antisemitisme, sterk verankerd in de christelijke cultuur van Europa.
De aanloop naar de Holocaust
"Duitsers, verweer je! Koop niet bij Joden." (Berlijn 1933).
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was de economie van het Duitse Keizerrijk uitgeput en het leger stond op instorten. Uiteindelijk ontketenden soldaten en arbeiders de Novemberrevolutie, waarbij de keizer werd afgezet en de Weimarrepubliek werd uitgeroepen. De sociaaldemocratische interim-regering sloot eerst een wapenstilstand en uiteindelijk het Verdrag van Versailles met de Geallieerden. Miljoenen Duitsers voelden zich zwaar vernederd dat men de strijd had verloren. Om de verantwoordelijkheid voor de nederlaag af te wentelen, verzon de Duitse legerleiding de Dolkstootlegende, volgens welke het Duitse leger de oorlog helemaal niet verloren had, maar was verraden door de marxisten. Aangezien Karl Marx een Jood was, meende Hitler dat het marxisme een Joods complot was en dat de vernedering van Duitsland dus de schuld van de Joden was. In Mein Kampf (1924) beweerde hij dat de oorlog niet zou zijn verloren als de Duitsers "twaalf- tot vijftienduizend van deze Hebreeuwse volksbedervers een paar gifgasaanvallen had laten doormaken".
Antisemitisme en antiziganisme waren altijd al onderdeel geweest van het NSDAP-partijprogramma, waarin Hitlers ideeëngoed een steeds belangrijkere rol speelden. Dit antisemitisme werd nog verder gevoed door de naoorlogse hyperinflatie van 1919–23 vanwege de gedachte dat Joden zich vaak in de bankiers- en zakenwereld bevonden. Niet alleen Hitler, maar ook vele kopstukken van zijn partij waren antisemiet. Julius Streicher spande met zijn radicale partijblad Der Stürmer de kroon: soms waren zijn ideeën zelfs de nazi's wat te gortig. De nazi's zagen de Joden als "bacillen", die de Duitse natie "ziek maakten" en "ondermijnden".
Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam, was er in het land wel zeker latent antisemitisme, dat door de NSDAP en de SA werd uitgebuit. Toch was dit zeker niet hetzelfde antisemitisme als dat van de NSDAP. Het antisemitisme in Duitsland was eerder economisch van aard en ging beslist niet zo ver dat men de Joden wilde uitroeien of verwijderen. Veel Joden integreerden in de Duitse samenleving en werden dan ook niet meer als Jood gezien. Het antisemitisme van de NSDAP was hoofdzakelijk beïnvloed door het antisemitisme in Oostenrijk en Sudetenland, dat veel radicaler was. Hitler had zelf jaren in Wenen gewoond, waar de Duitssprekenden zich bedreigd voelden door de groeiende aanwezigheid van de niet-Duitssprekenden en Joden. Hier kwamen groeperingen op die betoogden dat er een "Joods ras" bestond dat inferieur was aan het "Germaanse ras" en dat dit ras en diens zuiverheid "ondermijnde". Dit was het antisemitisme dat de NSDAP propageerde, en dat al in de 19e eeuw radicalere oplossingen voorstond.
De Neurenberger wetten
1rightarrow blue.svg Zie Rassenwetten van Neurenberg voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De weg naar de Holocaust/Shoa begon met door de regering en partij aangemoedigde pesterijen door radicale elementen. Deze pesterijen omvatten onder andere uitschelden, belachelijk maken, molestaties en zo nu en dan ook moord. Wanneer het te gortig werd, werd van bovenaf "ingegrepen", waarna de regering de radicalen "tevreden stelde" met antisemitische maatregelen om "verder geweld te voorkomen". Dit culmineerde uiteindelijk in de "Neurenberger wetten" van 1935. Dit omvatte een pakket discriminerende maatregelen alsmede regelgeving die bepaalde wie er wel en wie niet een Duitser of Jood was. Door die nieuwe wetgeving raakten Joden hun burgerrechten kwijt en werden huwelijken tussen Joden en niet-Joden verboden. In de jaren dertig was de nazipartij zeer populair en werd het antisemitisme "op de koop toe genomen", ook door degenen die niet antisemiet waren. Men veronderstelde bovendien dat de ideologie mettertijd zou verzwakken nu de NSDAP regeerde, wat tijdens de Olympische Spelen van 1936 ook werkelijk leek te gebeuren. De NSDAP had echter de pesterijen doelbewust tegengehouden om de schone schijn tijdens de Spelen op te houden. Na 1936 gingen de maatregelen en pesterijen weer door.
Op 10 november 1938 vond na de moord op Vom Rath de Reichskristallnacht of kortweg Kristallnacht plaats. Duizenden SA-mannen in burger overvielen Joodse huizen en winkels, stichtten brand in synagogen en sloegen Joden in elkaar. Dit leidde tot het buiten de economie plaatsen van de Joden en het opleggen van een boete van 1 miljard mark aan de Joodse gemeenschap, aangezien volgens de regering de Joden de aanstichters waren. Buitenlandse kritiek werd gepareerd met de mededeling dat dit een uiting was van het gezonde volksoordeel, het "Gesundes Volksempfinden".

Joodse kinderen worden verzameld voor deportatie

 

Ondervoede gevangenen in Buchenwald

 

Een truck volgeladen met lichamen in Buchenwald

 

Een Duitse man houdt nabij Suttrop een

De "oplossing"
Bestand:Was de holocaust een vooropgezet plan (1 5).webm
Historicus Bart van der Boom over de vraag 'Was de Holocaust een vooropgezet plan?'
Gedurende de jaren 1930 en vroege jaren 1940 hebben de nazi's veel overlegd en verschillende strategieën gehanteerd om een 'oplossing voor het Joodse vraagstuk' te vinden en verwezenlijken. Deze vallen ruwweg in te delen in assimilatie, emigratie, deportatie en uitroeiing. Net als de andere drie werd uitroeiing overwogen, maar lange tijd gezien als onwenselijk of onuitvoerbaar. Pas toen de andere plannen waren mislukt, werd dit in 1941 de definitieve oplossing (Endlösung).
Migratie
In de jaren 1938-1941 werd gewerkt aan een oplossing waarbij Joden naar een bepaald gebied gezonden zouden worden. Eén optie was Brits Palestina, een andere was Madagaskar. Met name na de overwinning op Frankrijk zouden veel nazi's het Madagaskarplan aanhangen, maar dit was zolang de oorlog duurde niet haalbaar. De Britse marine beheerste de zee en de Duitsers durfden niet te veel druk op de Fransen uit te oefenen om ze hun kolonie te laten afstaan. De uiteindelijke bezetting van het eiland door geallieerde troepen zorgde dat dit plan definitief van de agenda verdween. Een verdere stap in de richting van genocide was het idee Joden als gijzelaars te gebruiken om de Verenigde Staten buiten de oorlog te houden.
De aanval op de Sovjet-Unie opende nieuwe mogelijkheden voor de nazifilosofen. Nu konden ze alle Joden uit Groot-Duitsland en zijn satellieten naar Siberië sturen, waar ze "zouden creperen". Immers, wanneer ze het "te gemakkelijk" hadden, zouden de Joden in een nieuwe Joodse staat wellicht een bedreiging vormen. Daarom konden ze volgens de nazi's maar beter creperen. In het oosten ontstonden de eerste kampen voor Joden, maar na de nederlaag bij Moskou bleek dat de optie om de Joden naar Sovjetgebied te deporteren voorlopig niet haalbaar was.
Getto's
Getto van Łódź: "Woongebied der Joden. Betreden verboden." (1941)
In bezet Polen begonnen ondertussen de gouwleiders van oostelijke gouwen als Wartheland en Danzig-Westpruisen hun gouwen "Judenrein" (vrij van Joden) te maken door Joden naar het General-Gouvernment (de door de Duitsers geïnitieerde Poolse rompstaat) te deporteren. De nieuwe gouwen werden gezien als mogelijkheid om een ideale nazi-samenleving te creëren. Daarbij hoorde uiteraard het "verwijderen" van "ongewenste elementen", waaronder Joden. Tussen de gouwleiders ontstond een zekere competitie over wie de meest genazificeerde gouw had. In de Poolse grote steden ontstonden hierdoor getto's: overvolle afgebakende woonwijken waar de Joden onder de meest onhygiënische omstandigheden moesten wonen.
Moord
Uitroeiing of vernietiging werd meer en meer als de beste optie gezien, bovendien kostte het deporteren en opsluiten van de Joden geld en voedsel. Verschillende manieren werden overwogen. Doodschieten "kostte te veel kogels"[bron?], en bovendien was het voor de beulen "geestelijk te belastend".[bron?] Ook het gebruik van explosieven werd overwogen, maar dit leidde ertoe dat de lichaamsdelen her en der verspreid raakten, wat eveneens tot zenuwziektes bij het kamppersoneel kon leiden. Vergassing zag men als oplossing. Aanvankelijk geschiedde dit nog met koolmonoxide. Speciale gaswagens werden ingezet. De Joden werd verteld dat ze "op transport" gingen per vrachtwagen, en vervolgens werden de uitlaatgassen de laadruimte ingeleid. De wagen reed nadien door naar een massabegraafplaats.
Eind augustus of begin september 1941 werd in Auschwitz een eerste proef gedaan met het insectenbestrijdingsmiddel Zyklon B. In een kelder van Blok 11 werden Russische krijgsgevangenen bijeen gedreven en blootgesteld aan Zyklon B. De dag erna werd de effectiviteit ervan gecontroleerd, waarbij bleek dat een groot deel van de gevangenen nog in leven was. Men verhoogde daarop de dosis. De SS liet gevangenen de lijken opruimen en verbranden in het crematorium. Na dit eerste experiment werd een tweede vergassing met Zyklon B uitgevoerd op een transport met Russische krijgsgevangenen.Zyklon B werd al gebruikt voor ontluizing, maar de extreme giftigheid van het middel bracht waarnemend commandant van Auschwitz Karl Fritzsch op het idee om het te gebruiken voor het vergassen van gevangenen.
Endlösung
Hitler nam het besluit tot vernietiging van het Europese Jodendom (de zogeheten Endlösung der Judenfrage, ofwel de Eindoplossing van het Jodenprobleem) naar alle waarschijnlijkheid in september 1941.Tijdens de Wannseeconferentie in een villa aan de Wannsee nabij Berlijn in januari 1942 werd de logistieke uitvoering van het besluit besproken. Adolf Eichmann, een van de beruchtste betrokkenen bij de Holocaust, was een van de aanwezigen. Vanaf dat moment kon gesproken worden van een van tevoren beraamde en systematisch uitgevoerde genocide, voor zover deze feitelijk al niet aan de gang was. Overigens was er al eerder een systematische genocide aan de gang: het optreden van de beruchte Einsatzgruppen, die vlak achter de oprukkende Wehrmacht aan het Oostfront direct alle Joden en communisten oppakten en vermoordden in massale executies. Dit was op bevel van Berlijn georganiseerd en begon al in juli 1941, toen Hitler de Sovjet-Unie binnenviel.

Vernietigings-, concentratie- en doorgangskampen
Concentratie- en vernietigingskampen, getto's en deportatieroutes
Sommige gevangenen stierven al onderweg naar de vernietigingskampen aan ondervoeding
Vernietigingskampen
1rightarrow blue.svg Zie vernietigingskamp voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Voor de Endlösung werden vernietigingskampen ingericht. Deze kampen waren bedoeld om doelbewust en systematisch te vermoorden. Een vernietigingskamp is een kamp waar de meeste gevangenen onmiddellijk na aankomst vergast werden. Dit lot trof sowieso de zieken, ouderen en kinderen. De gevangenen die in leven gehouden werden, kregen verscheidene taken met als doel het kamp draaiende te houden. Die werkzaamheden varieerden van zware arbeid tot dienst in bijvoorbeeld de keukens. Uiteindelijk zouden ook deze gevangenen vergast worden. Deze kampen bevonden zich in het oosten van het Reich (in het huidige Polen) en werden bijgevolg ook door het Rode Leger bevrijd. In totaal kregen zeven kampen de functie van vernietigingskamp, waarvan zes in Polen en één in Wit-Rusland. Deze zeven kampen waren:
Chełmno
Bełżec
Treblinka II
Sobibór
Maly Trostenets
Majdanek, tevens concentratiekamp
Auschwitz II (Auschwitz-Birkenau)
Concentratiekampen
Naast vernietigingskampen hadden de nazi's een groot aantal concentratiekampen, zoals Dachau (bij München) en Buchenwald (bij Weimar). Een concentratiekamp is niet hetzelfde als een vernietigingskamp. Zoals de naam impliceert is een concentratiekamp een werkkamp waar gevangenen geconcentreerd werden. De meeste doden vielen daar door het zware werk, ondervoeding, ziekten en mishandeling. Deze werkkampen kan men bijvoorbeeld vergelijken met de zogenoemde "goelags" in Sovjet-Russisch Siberië. In de jaren veertig werden veel concentratiekampen ook van gaskamers voorzien, waarna ook daar gevangenen vergast werden.
Doorgangskampen
Naast de concentratie- en vernietigingskampen bestonden er ook de zogenoemde doorgangskampen. Dit waren kampen die opgezet werden om mensen te verzamelen en vervolgens in een wekelijks schema in speciale treinen op transport te stellen naar de vernietigingskampen. Westerbork is een voorbeeld van een doorgangskamp in Nederland. In België werd hiervoor de oude bestaande Kazerne Dossin te Mechelen gebruikt. In het Franse kamp Drancy, ten noorden van Parijs, werden tijdens de Tweede Wereldoorlog circa 65 duizend Joden vastgehouden, vooraleer zij naar het vernietigingskamp Auschwitz werden getransporteerd. Ook Theresienstadt was een doorgangskamp.
Dodenmarsen
Tijdens de opmars van de Sovjettroepen werden de laatste nog bestaande kampen, die voornamelijk in Polen en Tsjechië lagen, vanaf eind 1944 gesloten. Daarbij werd door de nazi's vaak besloten de gevangenen niet achter te laten, maar hen te dwingen naar het westen af te marcheren. Degenen die te zwak, te oud of te jong waren, werden simpelweg geëxecuteerd. Deze zogenaamde dodenmarsen eisten nogmaals talloze slachtoffers. Schattingen gaan uit van ruim 250.000 doden.

Voorbeeld van een ruwe procentuele schatting van Holocaustdoden volgens een brede definitie met inbegrip van niet-Joden, zoals Roma, Slaven, Sovjet-krijgsgevangen en politieke tegenstanders (klik voor meer details).

Holocaustslachtoffers in Mittelbau-Dora

Slachtoffers van de Holocaust bij Buchenwald-Ohrdruf

"Duitsers, verweer je! Koop niet bij Joden." (Berlijn 1933).

Houding ten opzichte van de Jodenvervolging
Bestand:Wat vonden gewone Nederlanders van de Jodenvervolging- (3-5).webm
Historicus Bart van der Boom over de vraag: 'Wat vonden gewone Nederlanders van de Jodenvervolging?'
In nazi-Duitsland en de door de Asmogendheden bezette Europese gebieden werd, afhankelijk van een aantal factoren, verschillend gereageerd op de vervolging van Joden en andere groepen. In sommige regio's, vooral waar een burgerlijk bestuur werd gevormd en er ideologisch gedreven SS'ers het bewind voerden, werd de vervolging met meer kracht doorgevoerd dan gebieden met een militair regime, waar deze minder prioriteit werd gegeven en verzet meer zin had.[33] Ook hadden Joden meer kans op overleven in landen waar ook veel niet-Joden probeerden onder te duiken, bijvoorbeeld om dienstplicht in de Einsatzgruppen te ontlopen, zodat er makkelijker gebruik gemaakt kon worden van een reeds bestaand netwerk.[33] Waar de nazi's actief of passief verzet ontmoetten, kon de Jodenvervolging soms deels worden gesaboteerd. Waar de bevolking echter actiever meewerkte, werd een groter percentage van de Joden uitgeroeid.[bron?]
Joods verzet
Dode lichamen in Mauthausen-Gusen, Oostenrijk. Veel verzetsstrijders kwamen hier aan hun eind.
1rightarrow blue.svg Zie ook Joods verzet tegen de nazi's
De Joden zelf zijn een aantal malen in opstand gekomen. In 1943 kwam het getto van Warschau in opstand. In Auschwitz bliezen in oktober 1944 Joodse gevangenen een crematorium op met binnengesmokkelde explosieven. In oktober 1943 was er een geslaagde opstand in Sobibór: elf Duitse SS-officieren, onder wie de ondercommandant, werden gedood en ongeveer driehonderd van de zeshonderd gevangen ontsnapten. Ongeveer zestig daarvan hebben de oorlog overleefd. De ontsnapping bracht de nazi's ertoe het kamp te sluiten, waarschijnlijk uit angst voor bekendmaking. In Nederland zaten nogal wat politiek links-georiënteerde (socialistische en communistische) Joden in het verzet. Zij weigerden ook vaak de gehate Jodenster te dragen.
Op 19 april 1943, dezelfde dag waarop ook het getto van Warschau in opstand kwam, werd in België het twintigste treinkonvooi aangevallen door drie Jonge verzetslieden. Dit Jodentransport was vertrokken vanuit Mechelen met bestemming Auschwitz. Gewapend met één revolver, een stormlamp en rood papier dwongen drie studenten (Georges Livschitz, Robert Maistriau en Jean Franklemon) van het atheneum te Ukkel de trein te stoppen op de spoorlijn Mechelen–Leuven tussen Boortmeerbeek en Haacht. Dit is een uniek feit in de geschiedenis van de Holocaust. Nergens in Europa is tijdens de Tweede Wereldoorlog een bevrijdingsactie uitgevoerd op een Jodentransport.
In Italië weigerden de meeste legerbevelhebbers en politiebeambten de Joden te vervolgen. Toen men in Denemarken de kleine Joodse gemeenschap trachtte te vervolgen, werd deze beschermd en uiteindelijk naar Zweden getransporteerd. Finland, bondgenoot van Duitsland uit opportunistische overwegingen, weigerde Joden te vervolgen of uit te leveren. Japan beschermde de weinige Joden die op Japans of bezet grondgebied waren. Toen de Duitsers de Bulgaarse Joden sterren wilden laten dragen, ging de gehele bevolking deze trots dragen. Ook latere pogingen van de Duitsers en Bulgaarse antisemieten werden geblokkeerd.
Enkele bekende personen die zich actief tegen de Holocaust hebben verzet:
Hans Calmeyer
Giorgio Perlasca
Witold Pilecki
Oskar Schindler
Chiune Sugihara
Raoul Wallenberg
Over de motieven van degenen die actief of passief in verzet kwamen werd en wordt druk gespeculeerd. Oprechte sympathie met de Joodse medemensen en verontwaardiging over hun behandeling zal in de meeste gevallen in meerdere of mindere mate een rol hebben gespeeld. Anderen probeerden hun eigen straatje schoon te houden en wilden niet na de oorlog als oorlogsmisdadiger worden berecht. Weer anderen maakten misbruik van de situatie en verrijkten zich aan de vluchtelingen.
Nederland
1rightarrow blue.svg Zie Holocaust in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Ruim honderdduizend van de Nederlandse Joden, circa 75% van de Joden die bij het begin van de bezetting in Nederland woonden, overleefden de oorlog niet. Dit percentage was veel hoger dan in bijvoorbeeld België (40%) en Frankrijk (25%). In het maatschappelijk debat wordt vaak aangenomen dat dit primair te wijten is aan de onverschilligheid van de Nederlandse burgers ten aanzien van het lot van hun Joodse landgenoten, maar een geschiedkundige studie van Pim Griffioen en Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940-1945 (2012) heeft aangetoond dat dit een misverstand is. In feite was er een complexe combinatie van factoren waardoor dit percentage in Nederland zo hoog kwam te liggen
Een belangrijke factor was dat Nederland tijdens de oorlogsjaren een Zivilverwaltung (burgerlijk bestuur) had en geen Militärverwaltung (militair bestuur) zoals in België en Frankrijk.[33] Het burgerlijk bestuur werd daardoor gevormd door ideologisch gedreven SS'ers die voort wilden maken met het helemaal uitroeien van de Joden. Ook al was publiek protest in Nederland groter, met als belangrijkste voorbeeld de Februaristaking, werd dit ook veel harder door de bezetter onderdrukt.[33]
De Nederlandse ambtenaren stelden ook de bevolkingsregisters aan de bezetter ter beschikking. De precieze ambtenaren van de burgerlijke stand noteerden hen zelfs als "geëmigreerd". Voorafgaand aan de analyse van de bevolkingsregisters door de nazi's is door het toenmalige Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken een uitgebreid onderzoek gedaan naar de historische herkomst van Nederlandse geslachtsnamen. Familienamen van Nederlandse Joden werden daarin in een aparte sectie opgenomen en verklaard. Van dit onderzoek is nog tijdens de bezetting een samenvatting van de hand van de onderzoekende rijksambtenaar in boekvorm gepubliceerd. Het boek zelf geeft geen duidelijk uitsluitsel over de aanleiding van het onderzoek
Vijfduizend Roma in Nederland stierven aan de gevolgen van de zigeunervervolging.
België
1rightarrow blue.svg Zie Holocaust in België voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Ongeveer vijfentwintigduizend Belgische Joden werden het slachtoffer, ongeveer 40% van alle Joden in het land.De meeste Joden waren pas recent naar België verhuisd/gevlucht uit Oost-Europa door toenemend antisemitisme aldaar; zij waren wantrouwender tegenover de overheid dan in Nederland.[33] In tegenstelling tot Nederland was er niet zulk groot publiek protest tegen de Jodenvervolging, maar wel al veel eerder een uitgebreid onderduikersnetwerk, omdat België al in 1941 troepen moest leveren voor de Einsatzgruppen, waar ook niet-Joden aan probeerden te ontsnappen.[33] Het relatief kleine aantal was ook ten dele het gevolg van het feit dat België een Militärverwaltung (militair bestuur) had tijdens de Duitse bezetting, dat in de eerste plaats orde en rust wilde handhaven en de Jodenvervolging minder belangrijk vond. Het weliswaar minder sterke protest ertegen had daardoor ook meer effect dan in Nederland.[33] Pas in 1944 werd de administratie omgevormd in een Zivilverwaltung (burgerlijk bestuur). Het doorgangskamp, de Dossinkazerne waar de Joden verzameld werden voordat zij op transport gezet werden naar de vernietigingskampen in Polen, bevond zich te Mechelen, halfweg tussen Antwerpen en Brussel, waar de meeste Joden woonden.
Frankrijk
In Frankrijk is ongeveer 25% van alle Joden gedeporteerd.Het antisemitisme was in Frankrijk sterker dan in Nederland; zo was er minder publiek protest tegen de vervolgingen en nam het Vichy-regime allerlei anti-Joodse maatregelen op eigen initiatief; de Duitsers hadden daar soms niet eens om gevraagd.[33] Net als België had Frankrijk echter een militair bestuur dat aan Jodenvervolging geen prioriteit gaf. Ook verzette het Vichy-regime zich toen de nazi's in maart 1943 autochtone Franse Joden wilden deporteren. De militaire bezetter gaf daaraan toe en daardoor reden er maandenlang geen Holocausttreinen vanuit Frankrijk naar het oosten.
Roemenië
Gevangenen werden in veel te krappe wagons vervoerd. Hier worden Joden uit Iași die onderweg stierven uit de trein gegooid (1 juli 1941).
In Roemenië vormde de radicaal antisemitische IJzeren Garde in 1940 samen met het leger een regering. Dit bewind werd gekenmerkt door geweld tegen Joden, soms met dodelijke afloop. De ordeverstoringen waren zo ernstig dat legerleider maarschalk Ion Antonescu de Garde in 1941 uit de regering zette. Roemenië verbond zich met Duitsland, maar de toestand leek voor de Roemeense Joden te verbeteren, en antisemitische maatregelen werden in Walachije slechts zeer sporadisch ingevoerd. Deze gematigdheid was echter schijn. Antonescu wilde wel degelijk de Joden uit de Roemeense samenleving verwijderen, maar was tegen de gewelddadige plunderingen van de IJzeren Garde die het land ontwrichtten. Hiertoe werkte hij met onder anderen Adolf Eichmann samen. Hoewel Antonescu soms de Duitse transporten tegenhield, stond hij eveneens toe dat honderdduizenden andere Joden wel naar de concentratiekampen werden gestuurd. Met name in het verarmde Moldavië werkte de bevolking bovendien enthousiast mee aan de Jodenvervolging.
Baltische staten
In de Baltische staten nam de bevolking wraak voor de steun van veel Joden aan de Russische, en dus communistische, bezetters. In zowel Roemenië als de Baltische Staten was men zich bovendien bewust van de grote aantallen Joodse leden van de communistische partijen.
Denemarken
In Denemarken was het verzet tegen de deportatie van de Joden het sterkst. Nadat in september 1943 bekend werd dat de deportatie van de Joodse bevolking in Denemarken werd voorbereid, kwam er spontaan een grootscheepse reddingsactie op gang waar alle lagen van de bevolking aan meewerkten. Er werd groot alarm geslagen via synagogen, artsen, pastoors en studenten die weer de Joden inlichtten. De Joden werden verzameld en met alles wat maar wielen had naar de Deense kusten vervoerd. De Joden werden vervolgens door vissers met boten over de Sont naar het neutrale Zweden overgebracht, waarmee de Denen al hadden afgesproken dat zij de Deense Joden op zouden vangen. De Deens-Joodse gemeenschap bestond voor de oorlog uit 8.200 mensen, hiervan overleefde ruim 95% de nazi's. Na de oorlog keerden de Deense Joden terug naar hun thuisland en vonden hun huizen en eigendommen precies zo terug zoals ze ze hadden achtergelaten.
Kroatië
In Kroatië waren de Joden nog het slechtst af. Velen konden echter in de eerste twee bezettingsmaanden ontsnappen, doordat de Kroaten zich eerst concentreerden op de uitroeiing en assimilatie van de Serviërs, van wie er meer dan een half miljoen verdwenen. De Joden die bleven, vielen echter ten prooi aan Kroatisch geweld, waarna ze met Duitse efficiëntie naar de kampen werden gestuurd.
Albanië
Albanië is het enige land waar na de Tweede Wereldoorlog meer Joden woonden dan ervoor. De Albanese overheid weigerde de namen van de Joodse bevolking aan de Duitse bezetter te overhandigen, en Joodse vluchtelingen uit Oostenrijk en de Balkanlanden werden gastvrij opgevangen.
Afloop en nasleep

Zwaar ondervoede Joodse gevangenen in Buchenwald bij de bevrijding op 16 april 1945
Overlevenden in Wöbbelin
In de loop van 1944 en 1945 werden alle kampen door de geallieerde troepen bevrijd. De gevangenen werden gevoed en medische zorg gegeven, maar verreweg de meesten konden nog niet meteen teruggestuurd worden naar hun vroegere woonplaats door allerlei juridische, logistieke en infrastructurele moeilijkheden. Duizenden overlevenden hebben nog tot 1947 in ontheemdenkampen gezeten tot zij door een land werden opgenomen of uit eigen beweging een nieuw huis en nationaliteit konden verkrijgen.
Emigratie
1rightarrow blue.svg Zie Bricha voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Vele Joden wensten niet meer terug te keren naar de samenlevingen waaruit zij waren weggerukt dan wel verstoten en zochten hun heil in de Aliyah Bet: zij trokken weg uit Europa naar het Britse Mandaatgebied Palestina in de hoop daar een natiestaat voor zichzelf te kunnen stichten. Dit leidde echter al snel tot conflicten met de Arabisch-islamitische bevolking van Palestina. VN-resolutie 181 voorzag in een tweestatenoplossing en bij de Oorlog van 1948 wist de nieuw opgerichte Joodse staat Israël ruim zijn deel van het grondgebied te veroveren. Hoewel hierdoor een land voor Joden was gerealiseerd, was hiermee ook het Arabisch-Israëlisch conflict ontstaan.
Berechting
De geallieerden besloten de belangrijkste leiders van het naziregime gezamenlijk te berechten in de Neurenbergse processen en enkele andere rechtszaken (september 1945 tot december 1949), waarbij het Proces van Neurenberg (20 november 1945 – 1 oktober 1946) 24 kopstukken van de NSDAP aanklaagde. Hiervoor werden de Neurenbergse principes opgesteld, die nodig waren om te stellen dat het internationaal recht boven nationaal recht ging, omdat veel van wat de nazi's hadden gedaan legaal was volgens de toenmalige Duitse wet. Al zou iets naar nationaal recht legaal of niet strafbaar zijn, toch erkende men het bestaan van fundementele 'hogere' principes waar men zich aan diende te houden. Ook werd vastgesteld dat het argument dat 'ik alleen maar bevelen uitvoerde' ("Befehl ist Befehl") iemand niet ontslaat van verantwoordelijkheid voor een misdaad, ook niet wanneer dit bevel afkomstig is van (destijds) bevoegd en erkend gezag.
Joodse eigendommen
Van degenen die uit de kampen terugkeerden, vonden velen hun huizen bewoond en hun bezittingen onteigend. Maar weinigen lukte het hun bezittingen terug te krijgen en dan ook nog pas na vaak jarenlange processen.[bron?] De Duitse overheid heeft via het Wiedergutmachung-programma betalingen gedaan aan de staat Israël.
Invloed op internationaal recht
De Holocaust had ook belangrijke internationaalrechtelijke consequenties. Bij het nieuwe wereldwijde politiek overlegorgaan, de Verenigde Naties, werd er een consensus bereikt dat een dergelijke misdaad tegen de menselijkheid nooit meer ongestraft mocht gebeuren. Op 9 december 1948 werd het Genocideverdrag aangenomen door de VN: alle ondertekenende landen verplichtten zichzelf daarmee om militair te interveniëren om een genocide te beëindigen of voorkomen. De Vierde Geneefse Conventie van 1949 legde in meer details vast welke rechten burgers en militairen in een conflict hebben en de plicht van strijdende partijen om zich aan bepaalde normen te houden, die de internationale gemeenschap zou handhaven.

Concentratie- en vernietigingskampen, getto's en deportatieroutes

Sommige gevangenen stierven al onderweg naar de vernietigingskampen aan ondervoeding

Overlevenden in Wöbbelin

Zwaar ondervoede Joodse gevangenen in Buchenwald bij de bevrijding op 16 april 1945

De Opstand in het getto van Warschau

De Opstand in het getto van Warschau (Jiddisch: אױפֿשטאַנד אין װאַרשעװער געטאָ; Pools: Powstanie w getcie warszawskim; Duits: Aufstand im Warschauer Ghetto) was een joodse opstand in het getto van Warschau, Polen, tegen nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De opstand vond plaats van 19 april 1943 tot 16 mei 1943, tot ze bloedig werd neergeslagen door de nazi's onder leiding van SS-Gruppenführer Jürgen Stroop. Een prelude tot de opstand vond plaats op 18 januari 1943 toen de getto-bewoners gewapende aanvallen uitvoerden tegen de Duitsers.
Huizen werden in brand gestoken om de Joden 'uit te roken'
In 1940 begonnen de nazi's met het concentreren van de ruim 3 miljoen Poolse joden in enkele uitermate overbevolkte getto's in verschillende Poolse steden. Het grootste getto bevond zich in Warschau, waar in aanvang 380.000 joden bijeengedreven werden in de oude joodse wijk van de stad, waar voor de oorlog ongeveer 100.000 mensen woonden. In totaal zouden tussen de 450.000 tot 560.000 joden op enig moment in het getto wonen (de schattingen lopen uiteen). Het getto werd met een ruim 3 meter hoge muur en prikkeldraad compleet afgesloten van de buitenwereld. Duizenden joden waren al omgekomen door uithongering, ziektes en willekeurige executies voordat de nazi's met massale deportaties naar het vernietigingskamp Treblinka begonnen. Binnen 52 dagen, tot 12 september 1942, werden ongeveer 300.000 bewoners van het getto de dood in gestuurd, via de Umschlagplatz (Duitse naam voor een treinstation ten noorden van het getto). Toen de deportaties begonnen, kwamen de leiders van het joodse verzet bij elkaar, maar besloten om geen actie te ondernemen, want ze verkeerden in de veronderstelling dat de joden naar werkkampen werden gestuurd. Eind 1942 werd het hen echter duidelijk, dat het om deportaties naar vernietigingskampen ging. Daarop besloten de overgebleven 40.000 tot 50.000 joden in het getto zich te gaan verzetten. 
De Opstand
Op 18 januari 1943 vond het eerste gevecht plaats toen de Duitsers de tweede golf van deportaties begonnen. De joodse strijders verzetten zich hevig en behaalden een belangrijke overwinning: de deportaties stopten na vier dagen en de joodse gevechtsorganisaties Żydowska Organizacja Bojowa (Joodse Gevechtsorganisatie, afgekort als ŻOB) en Żydowski Związek Wojskowy (Joodse Strijdersbond, afgekort als ŻZW) namen de controle in het getto over. Zij bouwden tientallen gevechtsstellingen op, en joodse collaborateurs werden door hen zonder pardon vermoord.
Gedurende drie maanden bereidden de bewoners van het getto zich voor op het beslissende gevecht, waarvan zij er zich bewust van waren dat het ook het laatste gevecht zou zijn. Honderden ondergrondse bunkers werden gebouwd onder de huizen, aangesloten op het water- en elektriciteitsnet en vaak met elkaar verbonden middels het riolenstelsel. Sommige bunkers hadden ook tunnels die naar buiten het getto leiden. De gefrustreerde Duitsers voerden ondertussen versterkingen aan, maar wachtten verder af buiten het getto.
Steun van buiten het getto was beperkt. Leden van het Poolse Armia Krajowa-verzetsleger (AK) en de kleinere, communistische Gwardia Ludowa voerden sporadisch aanvallen uit op Duitse wachtposten rondom het getto. Een beperkte hoeveelheid wapens afkomstig van het AK werd het getto binnengesmokkeld. De joodse gevechtsorganisaties probeerden ook nog wapens op de zwarte markt te kopen tegen woekerprijzen. Eén eenheid van het AK vocht voor korte tijd binnen de getto-muren samen met de joodse gevechtsorganisaties. Het AK probeerde ook nog 2 keer de getto-muur op te blazen, echter zonder succes.
Het finale gevecht begon op de vooravond van Pesach op 19 april 1943. De Duitsers, onder leiding van SS-Gruppenführer Jürgen Stroop, kwamen met zwaar materieel het getto binnen. Ze werden onthaald op een barrage van geweervuur, granaten en molotov-cocktails vanuit geprepareerde hinderlaagposities verspreid over het getto. Vervolgens begonnen de nazi's met artilleriebeschietingen en het systematisch platbranden van elk huis in het getto. Alle opgepakte joden werden ter plekke geëxecuteerd. Binnen korte tijd stond het grootste deel van het getto in brand. De joodse strijders konden zich nog moeilijk verplaatsen en beperkten zich tot het verdedigen van bolwerken. Georganiseerd verzet konden zij niet meer uitvoeren na 23 april, maar individuele acties vonden plaats tot 16 mei. Op 8 mei sneuvelden de leider van de opstand, Mordechaj Anielewicz (die commandant was van de ŻOB ) en zijn medestrijders in een der laatste bunkers (op het adres Mila 18), toen zij zelfmoord pleegden om Duitse gevangenneming te ontlopen. De ŻOB was de verzetsgroep die gelieerd was aan de socialistische Joodse Arbeidersbond, terwijl de getalsmatig even grote ŻZW voornamelijk uit joden bestond die in het Poolse leger hadden gediend in 1939 en politiek gezien als 'rechts' omschreven konden worden. Beiden waren zionistisch van aard.
Na de opstand werd het hele getto letterlijk met de grond gelijk gemaakt. Een groot deel van het centrum van Warschau bestond eenvoudigweg niet meer. De Duitsers creëerden in de ruïnes een concentratiekamp (Gesia) en gevangenis (Pawiak) waar veel massa-executies zouden plaatsvinden. Tijdens de latere Opstand van Warschau wist het AK beide gevangenissen te bevrijden, waarbij 380 joodse gevangen werden gered die zich vervolgens aansloten bij het AK.
Tijdens de opstand sneuvelden ongeveer 7000 joodse opstandelingen. Ruim 6000 kwamen om toen ze verbrand of vergast werden in hun ondergrondse bunkers. De overige 40.000 joden werden naar het vernietigingskamp Treblinka gestuurd.
Relatie met de Opstand van Warschau van 1944
De Opstand in het getto van Warschau van 1943 wordt soms verward met de Opstand van Warschau van 1944. De twee opstanden verschilden echter in doelstelling en omvang. De eerste, in het getto, was een keuze om vechtend de dood in te gaan, met een geringe kans om te overleven, in plaats van een zekere dood in het vernietigingskamp. De tweede was een gecoördineerde actie die onderdeel was van een grote, landelijke opstand (Operatie Storm) met als doel Polen te bevrijden. Toch zijn er bepaalde connecties: ongeveer 1000 strijders uit het getto zouden een jaar later deelnemen aan de Opstand van Warschau. De wreedheid van de nazi-troepen en speciale eenheden van de SS (gerekruteerd door Oskar Dirlewanger uit zware Duitse gevangenen) was vergelijkbaar. Tenslotte was de joodse opstand één van de inspiratiebronnen voor de Poolse opstandelingen in 1944.
Herinnering in Israël
Een groep overlevenden van de getto-opstand, bekend als de Getto-strijders zouden later de kibboets Lohamei HaGetaot in Israël oprichten. In 1984 publiceerden leden van de kibboets Dapei Edut (Overlevingsgetuigenissen, onder redactie van Zvika Dror), vier boeken met persoonlijke getuigenissen van 96 leden van de Lohamei HaGetaot-kibboets. De kibboets is ten noorden van Acre gevestigd en herbergt een museum en archieven met betrekking tot de Holocaust.

Joden worden gearresteerd tijdens de opstand

Duitse soldaten arresteren Joodse mannen tijdens de opstand in mei 1943

De SS en de SD pakken Joden op tijdens de opstand in het Getto van Warschau

 

 

Het Helden van het Getto-monument, Warschau van Nathan Rapoport

Huizen werden in brand gestoken om de Joden 'uit te roken' 
Datum 19 april - 16 mei 1943 
Locatie Getto van Warschau, Gouvernement-Generaal, Polen 
Resultaat Duitse overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of German Reich (1935–1945).svg Duitsland Flaga PPP.png Pools verzet 
Commandanten en leiders 
Flag of German Reich (1935–1945).svg Jürgen Stroop
Flag of German Reich (1935–1945).svg Ferdinand von Sammern-Frankenegg
Flag of German Reich (1935–1945).svg Erich Steidtmann
Flag of German Reich (1935–1945).svg Franz Bürkl Flaga PPP.png Mordechaj Anielewicz
Flaga PPP.png Dawid Moryc Apfelbaum
Flaga PPP.png Icchak Cukierman
Flaga PPP.png Marek Edelman
Flaga PPP.png Paweł Frenkiel
Flaga PPP.png Henryk Iwański
Flaga PPP.png Zivia Lubetkin
Flaga PPP.png Dawid Wdowiński 

Troepensterkte 
Officiële dagelijks gemiddelde van 2090 manschappen (waaronder 821 Waffen-SS) volgens de Duitse interne verslagen. Ongeveer 220 tot 600 ŻOB- en 150 tot 400 ŻZW-strijders (op 19 april 1943). Kleinere aantallen Poolse strijders op verschillende tijdstippen. 
Verliezen 
17 doden
93 gewonden
(Duitse cijfers) 13.000 doden
56.885 gedeporteerd, voornamelijk burgers
(Duitse schatting)

Het Getto van Warschau

Het Getto van Warschau
Het Getto van Warschau in Warschau, Polen, was het grootste joodse getto opgericht door nazi-Duitsland tijdens de Holocaust in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het driejarig bestaan van het getto zorgden ondervoeding, ziekte en deportaties naar concentratiekampen en vernietigingskampen voor een daling van het bevolkingsaantal van een geschatte 450.000 tot 37.000 mensen. Hoeveel mensen precies in het getto hebben verbleven is onbekend, de schattingen lopen uiteen tussen de 450.000 en 560.000. In het getto vond de Opstand in het getto van Warschau plaats, een van de eerste massale opstanden tegen de nazi's die Europa bezetten. 
Oprichting van het getto
Plannen om de joodse populatie van Warschau en haar buitensteden te isoleren circuleerden meteen na de Duitse bezetting van Polen in 1939. In 1939 was het Duitse Generalgouvernement nog niet volledig georganiseerd, en waren er verschillen in de belangen van de drie belangrijke partijen: de burgeroverheid, het leger en de SS. Door deze omstandigheden was de jodenraad (Judenrat) in Warschau, onder leiding van Adam Czerniaków, er in geslaagd de oprichting van de getto met een jaar te vertragen, voornamelijk door het leger er op te wijzen hoe waardevol Joden als werkkrachten waren.
Het getto van Warschau werd definitief opgericht door de Duitse gouverneur-generaal Hans Frank op 16 oktober 1940, het getto werd gevestigd in een deel van Warschau waar van oudsher veel Joden woonden; de Jodenwijk. Niet-Joden moesten uit de wijk vertrekken, Joden die niet in de wijk woonden moesten hun woningen verlaten en zich in het getto vestigen. De Judenrat, nog steeds onder leiding van Czerniaków, kreeg de administratieve leiding over het getto, zij moesten de bevelen van de Duitsers uitvoeren. Bij de oprichting werd de bevolking van het getto geschat op ongeveer 380.000 mensen, dat was zo'n 30% van de bevolking van Warschau. Het getto bezette 2,4% van het grondgebied van Warschau, daarmee was het getto van meet af aan overbevolkt. Nazi's bouwden op 16 november 1940 een muur rond het getto, waardoor het van de buitenwereld werd afgesloten. De Duitsers en de Poolse politie hielden toezicht op wie er in en uit het getto ging, in het getto was de ordehandhaving in handen van Duitsers, de Poolse Politie en zo'n 2.000 door de Duitsers aangestelde Joden, de Jüdischer Ordnungsdienst. In de anderhalf jaar volgende op de oprichting van het getto werden Joden van kleinere steden en dorpen naar het getto gebracht. Ondanks deze aanwas bleef het bevolkingsaantal ongeveer gelijk en nam in 1942 zelfs af omdat veel inwoners van het getto overleden door ziektes (voornamelijk tyfus) en ondervoeding. 
Vernietiging van het getto
In het begin van 1942 besloten de nazi's op de Wannseeconferentie om de Joden van Europa te vernietigen. De eerste zin van de 'definitieve oplossing' (Endlosung der Judenfrage) was Operatie Reinhard, die als doel had alle Poolse Joden te vernietigen. De bouw van vernietigingskamp Treblinka begon in mei 1942 en was gereed in juli 1942, toen de grootschalige vernietiging van het getto van Warschau op het punt stond te beginnen.
Op 22 juli 1942 werd de Judenrat geïnformeerd dat alle Joden 'naar het oosten' zouden worden gedeporteerd. Er waren ook groepen Joden die in eerste instantie gespaard zouden blijven, dit waren Joden die werkten in Duitse fabrieken, joods ziekenhuispersoneel, leden van de Judenrat en hun families en de leden van het joodse politiekorps en hun families. De joodse politie kreeg het bevel om elke dag 6.000 Joden af te leveren bij het treinstation (bekend onder de naam Umschlagplatz). Als dat niet gebeurde zou dat leiden tot de onmiddellijke executie van honderd gijzelaars, inclusief Czerniakóws vrouw. Czerniakóws probeerde de Duitsers te overtuigen om hun plannen te herzien, ook vroeg hij hen in ieder geval de kinderen en als dat niet mogelijk was, dan toch in ieder geval de wezen van het getto te sparen. De Duitsers gaven echter geen gehoor aan de smeekbede van Czerniakóws, hierop pleegde Czerniaków zelfmoord op 23 juli 1942. Czerniakóws liet een brief achter waarin hij schreef: "Ik kan dit niet langer aan. Mijn daad zal aan iedereen bewijzen wat het goede is om te doen". Op 23 juli kwamen de leden van het joodse verzet bij elkaar, maar besloten geen tegenstand te bieden omdat ze toen nog daadwerkelijk geloofden dat de Joden naar werkkampen werden gestuurd.
De massadeportaties van de bewoners, zoals op 22 juli werd bevolen, begonnen. In de volgende 52 dagen (tot 21 september) werden ongeveer 300.000 mensen naar het vernietigingskamp Treblinka getransporteerd. In aanvang was de Joodse politie verantwoordelijk voor de deportaties, er werden in juli 64.606 Joden naar de vernietigingskampen gestuurd. Vanaf augustus namen de Duitsers een meer directe rol bij de deportaties, zij zorgden ervoor dat alleen al in augustus 135.000 Joden werden gedeporteerd.
De laatste fase van de eerste massadeportaties vond plaats tussen 6 en 10 september 1942. In die vijf dagen werden 35.885 Joden gedeporteerd, 2648 in de getto doodgeschoten en pleegden 60 Joden zelfmoord. Na 10 september bleven ongeveer 55.000 tot 60.000 Joden in het Getto leven. Deze mensen waren of aan het werk in Duitse fabrieken of ze leefden verborgen in het getto.
Tijdens de volgende zes maanden werden de overblijfselen van verscheidene politieke organisaties samengebracht onder de naam ŻOB (Joodse Gevechtsorganisatie), geleid door Mordechaj Anielewicz, met 220-500 leden; 250-450 anderen waren georganiseerd in de ŻZW (Joodse Strijdersbond) De leden van deze groepen hadden geen illusies over de plannen van de Duitsers en wilden vechtend sterven. Hun bewapening bestond voornamelijk uit handgeweren, zelfgemaakte explosieven en Molotov-cocktails. 
Sociaal en cultureel leven in het getto
Ondanks de ongelooflijke zwaarte van het dagelijks leven, lukte het de Judenrat en de jeugdbewegingen om verscheidene instituten en organisaties in het leven te roepen om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften van de bewoners. De grootste problemen waren overbevolking, honger en inactiviteit. Als reactie nam de Judenrat de verantwoordelijkheid om woonruimte toe te wijzen - gemiddeld zeven mensen per kamer -, terwijl liefdadigheidsorganisaties als CENTOS keukens inrichtten waar gratis soep werd uitgedeeld: op een gegeven moment werd voor twee derde van de bevolking van het getto soep gemaakt. Gedurende een korte tijd was het de Judenrat ook toegestaan om vier basisscholen op te richten voor de kinderen van het getto, maar er was ook een uitgebreid ondergronds schoolsysteem van de verscheidene jeugdbewegingen, dat alle niveaus aanbood (vaak vermomd als keuken), en het systeem organiseerde zelfs cursussen op universiteitsniveau op de zondagen.
Duitse soldaten arresteren joodse mannen tijdens de opstand in mei 1943
De Judenrat was ook verantwoordelijk voor de ziekenhuizen en weeshuizen in het getto. Eén weeshuis, geleid door de kinderarts en auteur Janusz Korczak, was ingericht als modeldemocratie, de Republiek van de kinderen. Deze en andere weeshuizen werden in 1942 ontruimd en hun bewoners werden naar Treblinka overgebracht.
Het cultureel leven bestond uit een levendige pers in drie talen (Jiddisch, Pools en Hebreeuws), religieuze activiteiten, en lezingen, concerten, theater en tentoonstellingen. In veel gevallen waren de artiesten prominente figuren in het Poolse culturele leven tijdens de oorlog.
Een van de meest opmerkelijke culturele inspanningen in het getto waren die van historicus Emmanuel Ringelblum en zijn groep Oyneg Shabbos, die documenten verzamelden van mensen van alle leeftijden en posities om een geschiedenis van het sociale leven in het getto te maken. In totaal werden een geschatte 50.000 documenten verzameld. Deze documenten werden verstopt in drie afzonderlijke groepen, waarvan er twee gevonden zijn en een onmisbaar inzicht hebben gegeven in het leven in het getto. 
Herdenking
Op 22 april 2002 herdachten leden van de Poolse Raad voor Christenen en Joden de 59e verjaardag van de antinazi-opstand in 1943. Bij de herdenking werden verschillende herdenkingsplekken bezocht die iets te maken hadden met de vroegere joodse wijk in de stad.
Władysław Szpilman wiens memoires verfilmd zijn als The Pianist door Roman Polański
Marcel Reich-Ranicki, de beroemdste literatuurcriticus van Duitsland, overleden in 2013
Simon Pullman dirigent van het orkest van het getto van Warschau
Janusz Korczak, die met zijn weeshuis werd gedwongen naar het getto te verhuizen

Markt in het overbevolkte ghetto

Gebrek aan huisvesting en voeding eisten hun tol

Door ondervoeding en ziekte was het sterftecijfer hoog (foto uit 1941)

Plattegrond van getto in Warschau

Het Helden van het Getto-monument, Warschau van Nathan Rapoport

Treblinka concentratiekampen-vernietigingskamp---Deel 2

Treblinka is de naam van twee concentratiekampen: Treblinka I, een werkkamp en Treblinka II, een vernietigingskamp die respectievelijk in 1941 en 1942 gebouwd werden nabij het Poolse dorp Treblinka in het noordoosten van Polen. Er werden 900.000 mensen vermoord. Dit was na Auschwitz-Birkenau het kamp waar de meeste slachtoffers vielen.
Straf-Arbeitslager Treblinka I
Dit strafkamp werd in de zomer van 1941 operationeel. Het had een 'gemengde' bezetting van zowel Polen als Joden. De meesten werden gedwongen tewerkgesteld in de steengroeve bij het kamp of op het station van Małkinia. Enkele gevangenen werkten in het kamp zelf (de zogenaamde Lagerkommandos), vrouwen werden tewerkgesteld op de kampboerderij.
In totaal konden 1000 à 1200 personen tegelijkertijd gevangen worden gehouden. De bezetting veranderde steeds doordat er gevangenen overleden als gevolg van het regime in het kamp, dat was gebaseerd op terreur en honger. Meer dan 20.000 personen werden geïnterneerd in het kamp, waarvan meer dan de helft dit niet overleefde. Zij overleden aan de gevolgen van honger, marteling of werden geëxecuteerd vanwege een overtreding van de kampregels.
In 1944 werd het kamp ontmanteld om het oprukkende Rode Leger in het ongewisse te laten om wat zich hier had afgespeeld.
Nabij het Poolse dorp Treblinka werd in 1942 door de SS het vernietigingskamp Treblinka II gebouwd

Eind 1941 raakten de nazi's ervan overtuigd dat er maar één Endlösung der Judenfrage was: totale vernietiging. Tot die tijd hadden de nazi's nog het idee om de Joden af te zonderen in aparte wijken of steden: de getto's. Door de verovering van Oost-Europa kwamen er zoveel Joden bij dat afzondering niet meer als mogelijkheid werd gezien. Op 20 januari 1942 vond de Wannseeconferentie plaats, hier werd voor het eerst binnen de gelederen van de SS uitgesproken dat de Joden moesten worden vernietigd. Al snel gingen de nazi's over tot het bouwen van vernietigingskampen, waarvan Treblinka II er één was. In 1941 had men o.a. in Auschwitz geëxperimenteerd hoe men grote aantallen mensen in één keer kon ombrengen, daar waren gaskamers als meest geschikte oplossing uitgekomen.
De bouw van Treblinka II startte in mei 1942, het kamp was gereed voor gebruik in juli 1942. Joden uit Warschau en steden in de buurt en gevangenen uit Treblinka I werden ingezet bij de bouw en camouflage van het kamp. Anders dan Treblinka I was Treblinka II geen strafkamp maar een vernietigingskamp, uitsluitend gericht op het doden van gevangenen. Treblinka II maakte deel uit van Aktion Reinhard. De bouw stond onder leiding van SS-Hauptsturmführer Richard Thomalla, de bouwkundige van Aktion Reinhard. De (vooral Joodse) gevangenen die Treblinka bouwden, werden als eerste vergast omdat geen enkele gevangene mocht blijven leven die zou kunnen getuigen over de holocaust.
De eerste kampcommandant was SS-Obersturmführer Irmfried Eberl, een Oostenrijker die in het euthanasiecentrum Bernberg had gewerkt. In euthanasiecentra werden gehandicapten om het leven gebracht. Eberl had geen idee hoe hij een grootscheepse vernietiging als in Treblinka II moest aanpakken. Het liep al snel spaak: treinen met slachtoffers stonden dagen te wachten op het spoor, het kamp lag vol met rottende lijken. Hierdoor dreigde de operatie minder in het geheim te verlopen dan de Duitsers wensten, de omwonenden konden duidelijk de stank ruiken. In augustus 1942 werd Eberl van zijn taak ontheven en vervangen door SS-Obersturmführer Franz Stangl, die tot dan toe commandant van Sobibór was geweest. Sobibór was net als Treblinka een vernietigingskamp, Stangl kon dus bogen op ervaring. Treblinka II telde tot het aantreden van Stangl zo'n dertig SS'ers, bijgestaan door rond de 120 Oekraïense bewakers. De meeste Oekraïners waren krijgsgevangenen die vrijwillig dienst hadden genomen bij de Duitsers. Zij waren opgeleid in trainingskamp Trawniki. Sommige Oekraïners waren verantwoordelijk voor de gaskamers, onder hen was de beruchte Ivan Marchenko, ofwel "Ivan de Verschrikkelijke", die bij een gevangenenoproer werd gedood[bron?]. Nog eens zo'n 700 tot 1000 Joodse gevangenen werden gedwongen te helpen bij het vernietigingsproces. Ze moesten helpen bij het uitkleden, sorteren van goederen en leegruimen van wagons en gaskamers. De gevangenen werden direct na aankomst op het station geselecteerd. Zij die hand-en-spandiensten moesten verrichten voor de SS werden meestal zelf na enkele dagen gedood en vervangen door nieuw aangekomenen.
Eind 1942 gaf Stangl opdracht tot de bouw van een imitatiespoorwegstation. Levensechte perrons, loketten, een klok met geschilderde cijfers die steeds op 6 uur stonden, een café en allerlei overzichten met vertrektijden moesten de illusie wekken dat men op een écht station aankwam. Bedoeling van de SS was de nieuw aangekomen slachtoffers te laten geloven dat zij in een doorgangskamp waren aangekomen, dat moest hen rustig houden. Wat de aangekomenen niet wisten was dat er slechts één uitgang was, de 'dodenweg' naar de gaskamers. Verreweg de meeste gevangenen werden binnen twee uur na aankomst vergast.
Het kamp mat ca. 400 bij 600 meter en was in drie zones ingedeeld: het deel dat voor de bewaking en opslag van goederen in gebruik was, de ontvangstzone (Auffanglager), en het deel waar vernietiging plaatsvond (Totenlager). Binnen het kamp was een vierkant van 100 x 100 meter afgezet, hier verbleven de Joodse gevangenen die de SS moesten helpen met de vernietiging. Verder was het kamp verdeeld in het Lage Kamp: het woongedeelte voor Duitsers en bewakers. Het Lage Kamp kende luxewoningen, een dierentuin en een "Biergarten". Het andere deel - het Hoge Kamp of Totenlager - was het echte vernietigingskamp. Hier bevonden zich de gaskamers en werden de doden verbrand.

Bijna alle sporen uitgewist
De inkomende transporten bestonden uit treinen met ca. 50-60 veewagons, waarin 6000 tot 7000 personen werden vervoerd. Bij aankomst werd de gevangenen meegedeeld dat ze in een doorgangskamp waren aangekomen, dat ze om hygiënische redenen moesten douchen en hun kleren moesten laten ontsmetten. Persoonlijke bezittingen en kostbaarheden konden tijdelijk in bewaring worden gegeven. Hierna werden ze de gaskamers binnengeleid en aldaar om het leven gebracht. De lijken werden verbrand.

Al in september 1942 waren 254.000 Joden uit Warschau en nog eens 112.000 uit de omgeving in Treblinka omgebracht. Na de winter van 1943 werden 337.000 Joden uit het district Radom omgebracht en 35.000 uit Lublin. Naar schatting 738.000 Joden uit het Generalgouvernement en 107.000 uit Białystok werden vermoord tussen juli 1942 en april 1943. Daarnaast kwamen ca. 7000 Joden uit Slowakije, 8000 uit Theresienstadt, 4000 uit Griekenland, 7000 uit Macedonië, 2800 uit Salonika en 2000 uit Roemenië om het leven.

Er waren diverse verzetsacties in het kamp, waaronder de moord op de SS'er Max Biala door Meir Berliner op 11 september 1942. In 1943 werd een verzetsgroep geformeerd, die er op 2 augustus in slaagde de wapenkamer te openen. Doordat enkele SS'ers besloten te gaan zwemmen zagen de opstandelingen hun kans schoon en openden het vuur op de kampbewakers. Een benzinestation ontplofte en houten barakken werden omgeblazen. Veel opstandelingen trachtten door de prikkeldraadversperringen te ontkomen maar de meesten werden door bewakers op de wachttorens neergeschoten. Slechts zestig van de opstandelingen overleefden de oorlog.

Nadat op 21 augustus 1943 de laatste slachtoffers waren vergast, werd het kamp ontmanteld en het terrein omgebouwd tot een boerderij. Een Oekraïense bewaker, Streibel, werd achtergelaten om de indruk te wekken dat er niets bijzonders was gebeurd en om te voorkomen dat de lokale bevolking aan de haal zou gaan met eventueel achtergelaten kostbaarheden. De laatst overgebleven Joodse gevangenen, die het kamp hadden moeten ontmantelen, werden overgebracht naar Sobibór. In november van datzelfde jaar was het kamp geheel ontmanteld. De SS'ers werden elders te werk gesteld, de meeste waren inmiddels in zeer goede doen doordat zij zich een groot deel van de bezittingen van de omgebrachte Joden hadden toegeëigend.

Eind 1942 lag het dodental al op 713.555[1] In totaal zou het slachtofferaantal tot ongeveer 900.000 zijn opgelopen.Huidige onderzoeken duiden er echter op dat het aantal slachtoffers wel eens te laag geschat zou kunnen zijn.

Na de oorlog zijn enkele opgepakte oorlogsmisdadigers werkzaam in Treblinka II opgehangen, nadat zij tot de doodstraf waren veroordeeld wegens misdaden tegen de mensheid.
Treblinka is vanaf 10 mei 1964 een Nationaal Monument. Er is getracht om het kamp met graniet te doen herleven: waar de rails lagen, liggen nu granieten biels. Ook het hekwerk wordt uitgebeeld door graniet, evenals de wachttorens.

De plek waar eerst drie en later dertien gaskamers stonden is bebouwd met een gigantische zuil met daarop de menora. De kuil waarin de lijken werden gecremeerd is verbeeld met een materiaal dat het meest lijkt op gestold teer.

Op het overgebleven terrein is een symbolische begraafplaats verrezen met puntige stenen. In sommige stenen staan inscripties om belangrijke personen die hier vermoord zijn te gedenken of om de totale afgevoerde en vernietigde populatie van één stad te gedenken.

Komende van het noorden passeert men eerst Malkinia Gora, voorheen een belangrijke doorgangsplaats voor de treintransporten. Verderop staat er op de hoofdweg in het dorp Treblinka een aanduiding Muzeum Walki Meczenstwa w Treblince, 4 km. Verderop komt men het dorp “Prostyn” tegen en nog verderop enkele betonblokken met de naam Treblinka en de lang verwachte aanduiding naar Muzeum Walk i Meczenstwa Treblinka. De coördinaten van de ingang van het kamp zijn: N 52° 38.310′ E 22° 03.058′

Deze grafstenen zouden, volgens de begeleidende tekst, gebruikt zijn om de weg tussen het vernietigingskamp en het werkkamp te verstevigen

Bergen-Belsen concentratiekamp

Bergen-Belsen was een krijgsgevangenen- en concentratiekamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog meer dan 70.000 mensen zijn omgekomen.Het kamp was een van de grotere concentratiekampen binnen Duitsland. Het lag in de provincie Hannover (tegenwoordig Nedersaksen), zestig kilometer ten noordoosten van de stad Hannover, nabij Celle aan de zuidrand van de Lüneburger Heide. Op de officiële Duitse lijst van concentratiekampen heeft Bergen-Belsen nummer 96.
Kazerne en krijgsgevangenenkamp
Bij de stad Bergen werd in 1935 een kazerne met oefenterrein voor de Panzertruppenschule van de Duitse Wehrmacht aangelegd. In die stad was ook de voor munitieaanvoer gebouwde Rampe (laad- en losplaats bij het spoor) gelegen. Om de arbeiders die de kazerne bouwden te huisvesten werd er aangrenzend aan het zuidoostelijke stadsdeel Bergen-Belsen een kamp met dertig barakken gebouwd. Na de inval van de Duitsers in België en Frankrijk in juni 1940 werd de voormalige oefenplaats gebruikt als krijgsgevangenenkamp voor zeshonderd Belgische en Franse soldaten. In 1941 kreeg het de naam Stalag XI C/311. Na de inval in Rusland in 1941 zaten er al snel 21.000 Russische krijgsgevangenen opgesloten. Zij leefden onder erbarmelijke omstandigheden: in de open lucht, omringd door prikkeldraad, zonder enige sanitaire voorzieningen, in zelfgemaakte tenten en in kuilen in de grond. Begin 1942 waren al 18.000 van deze Russen omgekomen door dysenterie en tyfus. Een kleine 500 Sovjetcommissarissen werden in Sachsenhausen als proefpersonen met de daar ontwikkelde nekschotmachine vermoord. In april 1943 werd Bergen-Belsen overgenomen door de SS. Er waren geen gaskamers in Bergen-Belsen. Niettemin zijn er meer dan 70.000 politieke tegenstanders van het nationaalsocialisme, waaronder 25.000 Russen, 15.000 Polen en tienduizenden verzetsstrijders uit de bezette gebieden, alsmede enige duizenden Joden om het leven gekomen.

Concentratiekamp Bergen-Belsen 
Ingebruikname mei 1940 
Bevrijding 15 april 1945 
Locatie Bergen 
Verantwoordelijk land nazi-Duitsland 
Coördinaten 52° 45′ NB, 9° 54′ OL 
Beheerder SS 
Gevangenen 120.000
Dodental 70.000

Functies
Bergen-Belsen had drie hoofdfuncties:

Onder de naam Stalag XI C/311 was het een krijgsgevangenenkamp vanaf 1939 tot aan de bevrijding in 1945.
Het was een concentratiekamp voor o.a. Joodse mensen vanaf april 1943 tot aan de bevrijding in 1945. Het lag in de bedoeling om deze Joodse mensen te ruilen tegen gewenste zaken uit het buitenland. Door het opgeven van al hun geld en bezittingen konden deze gevangenen zich aanvankelijk ook vrijkopen. Voor deze transakties was er een route via Berlijn en Istanboel naar Palestina.

Nazi-arts Fritz Klein staat in een massagraf van Bergen-Belsen na de bevrijding in april 1945

Bergen-Belsen had in het Joodse deel vijf onafhankelijke deelkampen: 1.In het Häftlingslager (gevangenenkamp) werden tot februari 1944 ongeveer vijfhonderd Joden gevangen gehouden, die het kamp moesten opbouwen.
2.In het Sonderlager waren Joden met bijzondere papieren opgesloten, de meesten uit Zuid-Amerikaanse landen. Van de 2400 gevangen uit het Sonderlager werden er 1050 in Auschwitz vermoord.
3.In het Neutralenlager waren ongeveer driehonderdvijftig Joden opgesloten uit neutrale landen.
4.Het Sternlager (sterkamp) was het grootste kamp van Bergen-Belsen. Hier zaten eind juli 1944 zogenaamde ruiljoden, waaronder Joden uit Saloniki, zeven transporten uit het doorgangskamp Westerbork, Noord-Afrikaanse Joden, kleine groepen Franse Joden, Joegoslavische en Albanese Joden. Hier werden net zoals in de andere kampen families met kinderen ondergebracht. De gevangenen droegen burgerkleding waarop een Jodenster was genaaid, vandaar de naam Sternlager. De ondervoede gevangenen moesten dwangarbeid verrichten, veelal bij het Schuh-Kommando waar ze oude schoenen uit elkaar moesten halen. Van deze ruiljoden kwam maar een gering aantal daadwerkelijk vrij: eind april 1944 vertrokken 222 personen na een ruil naar Palestina. 136 personen met paspoorten uit Zuid-Amerikaanse landen konden in januari 1945 naar Zwitserland vertrekken; anderen werden in het interneringskamp in Biberach an der Riß opgehouden.
5.In het Ungarnlager bevonden zich 1684 Joden uit Hongarije.
Kampleiders waren in de concentratiekampperiode SS-Hauptsturmführer Adolf Haas (1943/44) en Josef Kramer (1944/45).De SS'ers hebben in 1943 geprobeerd om Joodse diamantairs en diamantslijpers naar Bergen-Belsen te brengen om daar een diamantindustrie op te zetten. Dit plan is nooit echt van de grond gekomen.Ten derde was er in het kamp van 1939 tot aan de bevrijding in 1945 een groot ziekenhuis. Dit werd gebruikt als centraal ziekenhuis voor alle Duitse concentratiekampen. Veel zwangere vrouwen zijn op medische indicatie in dit ziekenhuis terechtgekomen.

Monument bij de ingang van Bergen-Belsen

Nazi-arts Fritz Klein staat in een massagraf van Bergen-Belsen na de bevrijding in april 1945
 

Vanaf 30 april 1943 werd een deel van Bergen-Belsen concentratiekamp. Het werd bevolkt door een groot aantal Joden, die niet meer tot werken in staat waren, alsmede dwangarbeidsters en later ook geëvacueerde gevangenen uit concentratiekampen uit het oosten. De overbevolkte situatie veroorzaakte nog meer doden door ziekten, ondervoeding en uitputting. Alleen al tussen januari en april 1945 stierven ongeveer 35.000 personen. Anne Frank en haar zuster Margot bevonden zich onder de slachtoffers. Zij stierven, vlak voor de bevrijding, in maart 1945 aan vlektyfus. Ook de Belgische minister Arthur Vanderpoorten (1884-1945) stierf hier. De Nederlandse journalist Ischa Meijer overleefde als 2-jarig kind tezamen met zijn ouders de internering in Bergen-Belsen.

Bevrijding

Bij de bevrijding van Bergen-Belsen door de Britten op 15 april 1945 troffen zij massagraven en duizenden onbegraven lichamen aan, naast ongeveer 60.000 overlevenden, waarvan er nog eens 13.000 bezweken in de loop van de daaropvolgende dagen en weken, onder meer aan de gevolgen van ondervoeding en uitdroging. De overlevenden werden op de dag van de bevrijding overgebracht naar de twee kilometer verderop gelegen kazerne. Het kamp Bergen-Belsen werd na de bevrijding met de grond gelijkgemaakt en afgebrand, vanwege het zeer hoge risico van besmetting met tyfus en luizen. De laatste barak werd op 24 mei 1945 in het bijzijn van de voormalige gevangenen met een kleine plechtigheid verbrand

Onder toezicht van Britse soldaten wordt voedsel uitgereikt aan de uitgehongerde gevangenen (21 april 1945)
 

Tegenwoordig zijn op het terrein van het voormalige kamp Bergen-Belsen een bezoekers- en een studiecentrum gevestigd. Het terrein is parkachtig ingericht met taluds en symbolische graven. De taluds staan voor de massagraven en de individuele graven zijn monumenten voor de daarop genoemde vermoorde personen. Op een van deze symbolische graven staat een steen voor Anne en Margot Frank. Op het terrein zijn een tiental monumenten. Waar direct na de bevrijding een berkenhouten kruis door de overlevenden werd neergelegd staat nu een vijf meter hoog houten kruis. Er is een hoge zuil bij een gedenkmuur. Buiten het voormalige kamp waren massagraven voor Russische en Poolse krijgsgevangenen. Deze plek is als monument gehandhaafd. Het enige kilometers verderop bij Bergen gelegen laadperron ("Rampe") is nu weer in gebruik door het leger. Op het oudste stukje spoor staat een kopie van de in de oorlog gebruikte veewagons.

Een van de massagraven

Rampe

Concentratiekamp-Buchenwald

 

Buchenwald was tijdens de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp in nazi-Duitsland in een bosrijke omgeving nabij de stad Weimar. Het bijna volledig van de buitenwereld afgesloten kamp werd in 1937 aangelegd door SS'ers en gevangenen. Buchenwald werd op 11 april 1945 bevrijd door de zesde pantserdivisie van het derde Amerikaanse leger. In eerste instantie heette het kamp Konzentrationslager Ettersberg naar de locatie, maar werd al snel omgedoopt naar Konzentrationslager Buchenwald/Post Weimar op voorspraak van de cultuurcommissie van Weimar
Voor de oorlog
Heinrich Himmler gaf opdracht om Buchenwald te bouwen. Het kamp was berekend op 8.000 gevangenen en was in eerste instantie bedoeld voor politieke gevangenen en criminelen. De eerste 149 gevangenen - communisten, Jehova's getuigen, Roma en Sinti, criminelen en homoseksuelen - kwamen in kamp Buchenwald aan op 15 juli 1937. Ze waren afkomstig uit andere kampen, zoals Sachsenhausen en Lichtenburg. De gevangenen werden tewerkgesteld bij de aanleg van het kamp, de bouw van de barakken, kazernes, woonhuizen en de aanleg van straten.
Tegen het einde van 1937 waren in het kamp al 2561 gedetineerden, 48 waren er overleden en gecremeerd in het crematorium van Weimar. Vanaf april 1938 werden duizenden 'werkschuwen' (mensen die toegewezen werk hebben geweigerd) en daklozen in het kamp geïnterneerd. Tevens werd in elke categorie gevangenen een subcategorie Joden gedefinieerd.
In het najaar van 1938 kwamen de eerste Oostenrijkse gevangenen uit Dachau aan in Buchenwald. Onder hen veel vooraanstaande Joodse kunstenaars en wetenschappers. Tegen het einde van 1938 waren er meer dan 11.000 gevangenen in Buchenwald. Gedurende 1938 stierven er 771, waaronder 408 van Joodse afkomst.

Buchenwald
Ingebruikname 15 juli 1937
Bevrijding 11 april 1945
Locatie Weimar 
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland 
Coördinaten 51° 2′ NB, 11° 15′ OL 
Beheerder SS 
Gevangenen 238.979
Dodental 56.545

Vanaf 1939
Na het uitbreken van de oorlog in 1939 arriveerden 8.500 mannelijke gevangenen, waaronder zevenhonderd Tsjechen, honderden Roma, meer dan 2200 Polen en meer dan duizend Weense Joden. Drieduizend Polen en Joden werden in het Sonderlager samengeperst, waar ze van honger en uitputting omkwamen.
De aanslag op Adolf Hitler werd door de SS gewroken met de executie van 21 Joden in een steengroeve. De overgebleven Joden moesten het drie dagen zonder eten doen.
Eind 1939 waren er 11.807 gevangenen, in de loop van dat jaar bleken er 1235 in Buchenwald te zijn gestorven.
In 1940 werd begonnen met de bouw van een crematorium in het kamp. In september zou het bevel volgen, dat de lijken voor crematie moesten worden ontdaan van gouden kronen. Honderden gevangenen, voornamelijk Roma en Weense Joden kwamen door ontberingen, kou en dwangarbeid om het leven in de winter van 1940. In de zomer van dat jaar kwamen ook 232 Nederlandse gevangenen naar Buchenwald. Eind 1940 waren er 7440 gevangenen, in 1940 zouden er 1772 sterven.
In de winter van 1941 arriveerde opnieuw een Nederlands transport, met 389 Nederlandse Joden. In het voorjaar werden de Nederlandse Joden en de Roma en Sinti op transport gezet naar Mauthausen, waar de meesten bij dwangarbeid in de steengroeve om het leven kwamen.
Vanaf september 1941 arriveerden ook Sovjet krijgsgevangenen in het kamp. Er werd een speciale executieplaats aangelegd, waar men in de daaropvolgende twee jaar ongeveer 8000 van deze krijgsgevangenen met een nekschot executeerde.
In 1941 arriveerde een groep Nederlandse gevangenen van de verzetsgroep De Geuzen in het kamp. In maart 1942 kwam er een groep van 179 Nederlandse verzetsmensen, waaronder een grote groep communisten uit voornamelijk Den Haag en Groningen, in het kamp. Veel van deze mensen waren Nacht und Nebel-gevangenen, die voor een groot deel naar Groß-Rosen of later Natzweiler-Struthof zouden worden doorgestuurd.
Eind 1941 werd commandant Koch overgeplaatst naar Lublin. Er waren 7.911 gevangenen in het kamp, en 1903 Sovjet krijgsgevangenen. In 1941 kwamen 1522 mannen in het kamp om, er is geen statistiek beschikbaar die melding maakt van het aantal geëxecuteerde Sovjet krijgsgevangenen.

Lijken voor transport naar de verbrandingsoven
 

De nieuwe Lagerkommandant was Hermann Pister, hij trad in functie in januari 1942. In dat jaar werd een wapenfabriek gebouwd, en duizenden Sovjet dwangarbeiders kwamen naar het kamp. Groepen gehandicapten werden overgebracht naar Dachau, Joden naar Auschwitz. Tevens verordonneerde men, dat de haren van gevangenen moesten worden gebruikt om vilt en textiel van te fabriceren. Eind 1942 bedroeg het aantal gevangenen 9517, in dat jaar kwamen er 2.898 in het kamp om het leven.

Het crematorium

In 1943 werden vele gevangenen tewerkgesteld in de wapenindustrie. Daartoe werden subkampen gebouwd bij Erla-Maschinenwerk GmbH in Leipzig, Junkers Flugzeugwerken in Schönebeck en Rautalwerken Wernigerode.
In Falkenhof werden de Franse regeringsleiders Édouard Daladier, Paul Reynaud en Léon Blum geïnterneerd. Tevens arriveerden de eerste groepen gevangenen, uit het doorvoerkamp Compiègne, in Buchenwald. Er werd gestart met de bouw van subkamp Dora, waar een raketfabriek werd gebouwd. Dwangarbeiders uit Oekraïne kwamen in het kamp. Einde 1943 waren er 37.319 gevangenen, 3516 kwamen er dat jaar om.
Begin 1944 werden 348 Noorse studenten geïnterneerd, die in 1943 in Oslo waren gearresteerd. 1888 zieken uit subkamp Dora werden op transport gezet naar Majdanek en Bergen-Belsen. Meer dan 20.000 gevangenen uit Buchenwald en haar subkampen waren tewerkgesteld in de wapenindustrie. De gevangenen waren chronisch ondervoed, en ca. 10% van hen leed aan open tuberculose.
In de zomer van 1944 was het kamp met 31.491 gevangenen overvol. Veel gevangenen moesten noodgedwongen in de open lucht of in tenten bivakkeren. Nog eens 43.500 gevangenen zaten in de 64 subkampen. Bij geallieerde bombardementen op wapenfabrieken en SS-kwartieren kwamen 388 gevangenen om het leven, en raakten meer dan 2.000 van hen gewond.
Een aantal vrouwenkampen van Ravensbrück werd 'overgenomen' door de leiding van Buchenwald. 200 Roma en Sinti kinderen werden ter vernietiging naar Auschwitz gebracht. In december 1944 waren er 15.500 Joden, de gevangenen uit diverse opgeheven werkkampen werden naar Buchenwald gebracht. In totaal verbleven er meer dan 87.000 gevangenen in het kamp en de subkampen, meer dan een derde daarvan waren kinderen en jongeren tot 20 jaar.
Door het oprukken van het Rode Leger werden steeds meer gevangenen uit andere kampen naar Buchenwald geëvacueerd. Zo kwamen er 4.200 Joden uit Czestochowa, 7.350 uit Auschwitz en nog eens 7800 uit Groß-Rosen. Degenen die levend aankomen zijn op sterven na dood door uitputting, kou en honger. Buchenwald werd daarmee het grootste kamp, er verbleven in februari 1945 112.000 gevangenen, waarvan 25.000 vrouwen. Ongeveer een derde was Joods. De omstandigheden werden nu ook door overbevolking steeds slechter, dagelijks stierven er tientallen mensen door ontberingen.
De dwangarbeid werd tot op het laatst in stand gehouden. Pas op het laatste moment werden subkampen ontruimd, waarbij de gevangenen die te zwak zijn om te lopen werden doodgeschoten door SS'ers. Dit leidde tot massaslachtingen bij subkampen in Leipzig, Gardelegen en Ohrdruf. Begin april volgde van Pfister het commando om het kamp te evacueren, er waren toen 47.500 gevangenen in het kamp. 28.000 mensen werden op de marsroute gezet in de richting van Dachau, Flossenbürg en Theresienstadt. Duizenden van hen kwamen onderweg om.

Het crematorium

Het hek van Buchenwald: "Jedem das seine" (Ieder het zijne)
 

Opstand
In het kamp was een sterke ondergrondse beweging van de Duitse communisten, die samenwerking met buitenlandse communisten zochten. Voor de Nederlandse communisten was de contactman Henri Pieck en in mindere mate Jan Schalker en Leen Seegers. Vanaf 1942 begonnen de communisten met het verzamelen van wapens en het vormen van strijdgroepen. Uiteindelijk telden die groepen 850 man, die over 91 karabijnen en een machinegeweer beschikten. Bij het naderen van een Amerikaanse voorhoede bestormden de strijdgroepen de wachttorens en namen de macht in het kamp over; dat kon onder andere lukken omdat een deel van de SS-bewaking was meegetrokken met tienduizenden gevangenen die op het laatste moment te voet werden afgevoerd. Enige uren na de machtsovername dienden de eerste Amerikaanse militairen zich aan. Na twee dagen namen de Amerikanen de controle over en ontwapenden de ex-gevangenen. Na de oorlog zou de machtsovername in de Oost-Duitse propaganda worden opgeblazen tot een zelfbevrijding, wat natuurlijk sterk overdreven is, want zonder de nabijheid van de Amerikaanse troepen was een blijvende machtsovername onmogelijk geweest. In de westerse tegenpropaganda werd de actie van de gevangenen bij de bevrijding juist gemarginaliseerd, hetgeen ook een onjuiste weergave van de gebeurtenissen was.

Verwijderde trouwringen

Buchenwald werd op 11 april 1945 bevrijd door de zesde pantserdivisie van het derde Amerikaanse leger. Bij de komst van de Amerikanen waren er 21.000 gevangenen in het kamp, onder hen 1.000 kinderen jonger dan 14 jaar. Deze kinderen konden overleven doordat zij voedsel kregen van de volwassenen, vooral van de Denen die hun Rode Kruis pakketten met hen deelden.

In de eerste maanden van 1945 tot aan de bevrijding waren er 13.969 mensen in het kamp omgekomen, en nog honderden stierven na de bevrijding aan uitputting en ziekte. Over het aantal doden dat bij de evacuatiemarsen is gevallen lopen de schattingen uiteen van 12.000 tot 15.000.

Na de bevrijding dwongen de geallieerden de inwoners van Weimar om het kamp te bezoeken. Aanvankelijk dachten de inwoners dat het een 'uitje' was. Tijdens de kennismaking met de wreedheden in het kamp waren velen geschokt, men beweerde niets te weten van hetgeen in het kamp gebeurde.

Overlevende van Buchenwald
 

Op de eerste mei 1938 werd voor het gehele kamp het middageten niet verstrekt, omdat er radijsjes uit de tuin zouden zijn gestolen. De dagelijkse waterverstrekking werd door kampcommandant Karl Koch vastgesteld op vier emmers per barak, waardoor ernstig watertekort onder de gevangenen ontstond.

Op 4 juni 1938 vond de eerste openbare terechtstelling in een Duits concentratiekamp plaats met de - voor het oog van de aangetreden gevangenen - ophanging van arbeider Emil Bargatzky. Duizend Joden werden opgesloten in een schapenstal en in het casco van de nog aan te leggen keuken, zonder bedden, tafels of stoelen. Bij het doorzoeken van de barakken werd het gehele interieur door de SS'ers kort en klein geslagen, en werden strozakken kapot gesneden. Bij anti-Joodse acties werden 9845 Joden in een prikkeldraadomheining geperst en gruwelijk mishandeld. 255 van hen overleefden dit niet.

In 1939 werd het voedsel voor de Joden gerantsoeneerd op 400 gram brood en een liter soep per dag.

Begin 1942 startten de medische experimenten in barakken 46 en 50. Gevangenen werden ingeënt met test-medicaties, geleverd door onder andere Behring-Werke en het Robert Koch-instituut in Berlijn. 145 gevangenen werden gedwongen deel te nemen aan de experimenten, waarvan er 5 overleden. In 1943 zouden dit soort experimenten meerdere malen plaatsvinden.

Een wagen met lijken voor het crematorium
 

In Buchenwald zaten gedurende het bestaan van het concentratiekamp 238.979 mensen opgesloten.Daarvan kwamen er 56.545 om het leven,waaronder 11.000 Joden.

Na de oorlog


De Amerikanen dwongen circa 2000 burgers van Weimar het kamp te bezichtigen net nadat het was bevrijd. In april 1945 deed de beroemde Amerikaanse CBS-reporter en latere McCarthy-opponent Edward R. Murrow uit de eerste hand verslag van de geconstateerde wreedheden. Dat gebeurde op een onconventionele en confronterende wijze – die hem niet door iedereen in de Verenigde Staten in dank werd afgenomen. Hij reageerde hierop op 15 april 1945 met:
"I pray you to believe what I have said about Buchenwald. I have reported what I saw and heard, but only part of it. For most of it I have no words. If I've offended you by this rather mild account of Buchenwald, I'm not in the least sorry."
Tussen mei en augustus 1945 werd het kamp geëvacueerd en overgedragen aan de Sovjets.

Subkamp Ohrdruf
 

In de loop van mei 1945 droegen de Amerikanen het gezag over Buchenwald over aan de Sovjet-Unie. Nadat alle gevangenen geëvacueerd waren, werd het kamp door de NKVD, de geheime dienst van de Sovjet-Unie, opnieuw in gebruik genomen. Aanvankelijk werden in het kamp vooral Duitsers geïnterneerd die, mede op basis van door marteling verkregen bekentenissen, werden beschouwd als aanhangers van het naziregime. In toenemende mate werd het kamp echter bevolkt door mensen die op andere gronden waren gevangengezet, met name sociaaldemocraten, boeren en leden van de adel. Naar schatting zaten er 30.000 Duitsers tijdens de Sovjet-bezetting in Buchenwald gevangen. Door de barbaarse behandeling lieten ongeveer 7.000 gevangenen het leven. Vanaf 1948 maakte het kamp deel uit van de Goelag. Begin 1950 droegen de Sovjetautoriteiten het kamp en de gevangenen over aan de pas opgerichte DDR. Een deel van de gevangenen werd vrijgelaten, anderen werden gedeporteerd naar de Sovjet-Unie of overgebracht naar tuchthuizen in de DDR.

Zwaar ondervoede Joodse gevangenen in Buchenwald bij de bevrijding op 16 april 1945, op de foto is Eli Wiesel te zien
 

Bekende gevangenen in Buchenwald
Bruno Apitz (Roman: Nackt unter Wölfen)
Hermann Axen, Duits communist
Bruno Bettelheim, (kinderpsycholoog)
Marcel Dassault, schepper van de Mirage straaljager.
Léon Blum, (Franse politicus)
Octaaf Demuynck; aangehouden te Lichtervelde wegens wapenbezit
Jacques Grippa, stafchef van de Belgische gewapende partizanen, kabinetschef in de eerste naoorlogse regering
Max Hamburger, psychiater die later in binnen en buitenland vertelde over zijn ervaringen.

Curt Herzstark uitvinder van de Curta calculator - een mechanische zakrekenmachine
Stéphane Hessel, Frans diplomaat en schrijver
Werner Hilpert, later voorzitter van de CDU in Hessen.
Paul-Emile Janson, Belgische eerste minister
Dolf Joekes, Nederlands politicus, en zijn zoon
Imre Kertész, schrijver van het boek 'Sorstalansag', welke later is verfilmd (Faithless).
Yisrael Meir Lau, opperrabbijn van Tel Aviv
Antonia van Luxemburg, kroonprinses van Beieren
Albert de Maurissens, telg uit een adellijk geslacht
Paul Morgan, (Oostenrijks toneelspeler en medeoprichter van het Kabarett der Komiker)
Henri Pieck, kunstenaar en tweelingbroer van Anton Pieck
Josef Plojhar, (politicus en priester)
Mafalda van Savoye, (dochter van de Italiaanse koning Victor Emanuel III, omgekomen in Buchenwald)
Josef Ignaz Julius Maria Schmutzer, Nederlands katholiek politicus, industrieel in Nederlandsch-Indië en stimulator van de inheemse kunsten aldaar
Jorge Semprún, (schrijver).
Ernst Thälmann, voorzitter van de KPD, de communistische partij van Duitsland.
Bert Van Hoorick, Belgisch politicus.
Isa Vermehren, cabaretière en actrice.
Elie Wiesel, als kind gered door het illegale internationale verzet in het kamp.
André Wynen

Nederlandse gijzelaars, buiten het eigenlijke concentratiekamp geïnterneerd:
Anton Constandse, (journalist, schrijver en anarchist)
Willem Drees, (politicus)
Prof.dr. Pieter Geyl, scheef onder pseudoniem A. van der Merwe Het Wachtwoord, 1944
Marinus van der Goes van Naters, (politicus)
Carel Goseling, (politicus)
dr. P.H. Ritter jr., (publicist)
jhr. J.Th.M. Smits van Oyen, (burgemeester)
Hendrik Willem Tilanus, (politicus)

Resterende menselijk botten in de ovens, foto genomen tijdens de bevrijding door Jules Rouard, oorlogsvrijwilliger bij 1e Amerikaanse leger

De Amerikaanse senator Alben W. Barkley uit Kentucky, een lid van de commissie van het Amerikaanse congres dat de wreedheden van de nazi's onderzocht, beziet het bewijs uit de eerste hand in Buchenwald


Joseph Schleifstein, vier jaar oud, heeft Buchenwald overleefd. De SS'ers gebruikten hem als mascotte, dat was zijn redding

Fort van Breendonk Concentratiekamp

Breendonk is een Belgisch fort bij Willebroek, op circa 20 kilometer ten zuiden van Antwerpen. Het werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's gebruikt als concentratiekamp, hoewel het kamp nooit officieel door de Duitsers bestempeld werd als Konzentrationslager. Het werd gebruikt als werkkamp en als doorgangskamp. Het is het enige dergelijke kamp in West-Europa dat volledig intact is gebleven. Dit kamp is voor België een belangrijk gedenkteken geworden aan de oorlog en werd ingericht als "Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk". Het is ondergebracht in de Historische Pool van Defensie.
Geschiedenis
De Antwerpse Fortengordel 

De beslissing tot de bouw van het Fort Breendonk, genomen door de regering De Smet de Naeyer, dateert van 30 maart 1906. Het maakte deel uit van een buitenste verdedigingsgordel van elf forten rond Antwerpen, de Stelling van Antwerpen. Het werd op technische wijze aangeduid als 'een fort van tweede orde met samengevoegde caponnières". In 1909 werd er aan de bouw ervan begonnen. Het werd een betonnen vesting met in elk der vier hoeken een lange caponnière, omgeven door een brede gracht (zie de luchtfoto hiernaast). De opgegraven aarde uit de gracht werd gebruikt om het beton te camoufleren. De werken liepen door tot in de loop van 1914.
Een eerste contingent soldaten werd ingekwartierd in 1913. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fortengordel vanaf 28 september 1914 aangevallen door het Duitse leger onder leiding van generaal Hans von Beseler. Koning Albert I verliet het fort op 7 oktober 1914, om zich, samen met zijn leger, terug te trekken achter de IJzer. Op 8 oktober gaf het fort zich over, nadat zijn commandant Weyns dodelijk gewond was geraakt.
Tussen de beide wereldoorlogen werden er af en toe troepen ingekwartierd. Het fort werd een bezienswaardigheid voor de buurtbewoners.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zag men in dat de oude fortengordel niet voldoende aan de moderne oorlogvoering kon worden aangepast. Breendonk werd nu het algemeen hoofdkwartier van het Belgische leger, en ook de plaats waar in geval van oorlog de Koning naartoe zou worden gebracht.
Toen op 10 mei 1940 het Duitse leger het neutrale België binnenviel, vertrok Koning Leopold III naar het fort, samen met zijn militaire raadgever generaal Raoul van Overstraeten. Vanuit Breendonk richtte hij zich in een toespraak tot de Belgische bevolking. Ook ontving hij in het fort bevelhebbers van het Engelse en Franse leger. Toen de trots van het Belgisch leger, het Fort Eben-Emael reeds op de eerste dag van de oorlog viel en toen de Duitsers op 16 mei een doorbraak forceerden op het Franse leger nabij Sedan besefte de koning dat het conflict al beslist was en dat een capitulatie van het Belgisch leger zou volgen. Dit in tegenstelling tot zijn ministers, die bleven hopen op een mirakel. Het fort werd ontruimd en de koning en het Belgische opperbevel werd verplaatst naar het kasteel van Wijnendale.

Fort van Breendonk
Stelling van Antwerpen

Toegang tot het fort
 

Het Auffanglager Breendonk
Na de bezetting van België door nazi-Duitsland werd Breendonk een gevangenkamp, gebruikt als doorgangskamp in afwachting van transport naar concentratiekampen in Duitsland, Oostenrijk en Polen. Breendonk was dus geen concentratiekamp, hoewel de levensomstandigheden niet veel verschilden. Het fort van Breendonk was in België de laatste halte voor het vertrek naar Auschwitz en andere concentratiekampen. Het eerste transport vanuit Breendonk vond plaats op 22 september 1941 en ging naar Neuengamme bij Hamburg.
Volgens de verklaring van de eerste kampcommandant Schmitt, die deze na de oorlog aflegde, werd het bevel tot oprichting van dit SS-kamp gegeven door Karl Hasselbacher, de eerste leider van de Sipo-SD in België (de Duitse politieke politie en onderdeel van de SS.), en door Müller, de Oberfeldcommandant van Brussel. De betrokkenheid van Müller, die in feite tot de Wehrmacht behoorde, wordt echter in twijfel getrokken.
Het fort werd vanaf eind augustus 1940 als gevangenis ingericht. De bewaking van het kamp bestond uit een klein aantal Wehrmacht-soldaten van een Landesschützenbataillon; oudere soldaten die niet meer geschikt werden geacht voor de frontlinie. Zij werden ingezet voor de bewaking van de gevangenen op de werf en het uitvoeren van de executies. Ook is een geval bekend waarbij een lading nieuwelingen onthaald werden door twee rijen Wehrmacht soldaten en spitsroeden moesten lopen onder de kolfslagen of de schoppen van de soldaten. Dit detachement wordt teruggetrokken in 1944. Hoewel vele soldaten een kwalijke reputatie hadden, werden ze na de oorlog niet verontrust.
De Wehrmacht werd aangevuld met een klein Duits SS-garnizoen; vanaf september 1941 ook enkele Belgische SS-mannen; en vanaf 1944 Roemeense en Hongaarse SS'ers.
Op 20 september 1940 kwamen de eerste gevangenen binnen, een Belg en drie Joden uit centraal-Europa. In de eerste weken verbleven er maximum twintig gevangenen in het fort. Het aantal gevangenen varieerde gedurende het verder verloop van de oorlog tussen twintig en zeshonderd. Sommigen verbleven er slechts één dag, anderen doorleefden deze hel gedurende drie jaar. Het gemiddelde was ongeveer drie maanden. In totaal hebben er circa 3600 personen gevangengezeten, waarvan 400 à 500 Joden.
Aanvankelijk werd Breendonk vooral gebruikt voor de opsluiting van overtreders van anti-joodse wetten, smokkelaars, zwarthandelaars of al wie door de Duitsers werd beschouwd als asociaal. Vanaf 1942, toen de joodse gevangenen werden overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen, werd het kamp vooral aangewend voor de opsluiting van verzetslieden, politieke gevangenen en gijzelaars. Toen in 1941 de oorlog met Sovjet-Unie uitbrak, werden er ook communisten en socialisten gevangengezet.
Het kamp werd een eerste maal volledig ontruimd op 6 mei 1944. Maar kort daarop werden er opnieuw een aantal verzetslieden gevangengezet. De definitieve ontruiming gebeurde op 31 augustus 1944. De gevangenen werden vervoerd naar het Nederlandse Kamp Vught. Van daaruit werden ze overgebracht naar diverse concentratiekampen.
Op 2 september 1944 kwam het fort in de handen van de bevrijders.

Pas aangekomen gevangenen moeten stilstaan gedurende registratie en het uitdelen van de kampkledij. Wie bewoog werd zwaar mishandeld; 13 juni 1941
 

Kampleiding

In de eerste maanden waren er slechts vier SS'ers. De eerste kampcommandant was SS-Sturmbannführer Philipp Schmitt (september 1940 - november 1943). Hij werd na de oorlog wegens oorlogsmisdaden ter dood veroordeeld. Zijn medewerker, de brutale SS-Untersturmführer Arthur Prauss, zorgde voor de inrichting van het kamp en het dagelijks toezicht op de gevangenen. Schmitt werd opgevolgd door Karl Schönwetter (november 1943 - september 1944).
Beide kampcommandanten waren regelmatig afwezig: Schmitt had ook het bevel over het kamp in de Dossin-kazerne in Mechelen, en zijn opvolger Schönwetter was regelmatig ziek of verzuimde zijn taak. Gedurende die periodes werd het kamp bestuurd door hun plaatsvervangers. Deze plaatsvervangers waren SS-Hauptsturmführer Karl Lamotke (1895-1973), de brutale SS-Obersturmführer Johann Kantschuster (1897, vermist na 1945), SS-Hauptsturmführer Rudolf Steckman (1912- vermist na 1945 en officieel doodverklaard in 1956) en SS-Obersturmführer Gustav Kämper (1913 - ?).
Lamotke, Steckman en Kämper bleven nagenoeg onbekend bij de gevangenen en hielden zich gedeeltelijk op de achtergrond met kantoorwerk. Maar de brutale Kantschuster, die bijna steeds dronken was, werd na de oorlog beschuldigd van moorddadige activiteiten. Hij overtrof in wreedheid zelfs Arthur Prauss. Hij duwde onder andere een gevangene in een ketel kokend water. Hij schoot een andere gevangene dood omdat deze zijn gezicht durfde beschermen tegen zweepslagen.

Joodse politieke gevangene
(geel lint met rood vierkant)

Dagelijks leven
In het begin was het kampregime hard maar toch nog enigszins te verduren. Maar het steeds hardere werktempo en de strengere discipline maken de gevangenschap potentieel dodelijk. Op 17 februari 1941 viel de eerste dode, Julius Nathan, een joodse immigrant. De situatie verergerde nog na de inval van de Duitsers in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Een aantal Russen en communisten werd opgepakt en in Breendonk opgesloten, waardoor de kampbevolking verdubbelde. Vanaf dit moment vielen er maandelijks verschillende doden door dwangarbeid, ondervoeding en zware mishandelingen
De gevangenen werden ondergebracht in betonnen kazematten, achtenveertig personen per kamer, verdeeld over twee rijen bedden met telkens drie bedden boven elkaar gestapeld. Deze kamers waren kil tot ijzig koud. Hoewel er een potkachel stond brandde die bijna nooit. De ramen mochten nooit open. De aanwezigheid van zoveel mensen in een kleine ruimte zonder enige luchtverversing, maakte de lucht zo vochtig dat er schimmel op de muren verscheen. Per kamer van 48 personen waren er twee emmers voor het toilet. Deze liepen elke nacht over. Deze emmers moesten bovendien dienen om de vloer schoon te maken. De stank was vreselijk.

De gevangenen sliepen per twee op een stromatras vol ongedierte. Elke morgen om halfzes (in sommige periodes om vier uur) was het appel aan bed. Dan kreeg men twee minuten om het bed op te maken. Indien de bewaker ook maar één oneffenheid kon ontdekken bij de "Bettenbau", kreeg de gevangene die dag geen eten. Vervolgens twee minuten om zich wat te wassen (zonder zeep en zonder handdoek). Gedurende een inspectie of appel kon men steeds slagen verwachten.

Gevangenen opgesteld voor het appel op 13 juni 1941
 

De gevangenen werden op een hongerrantsoen geplaatst en kregen per dag 250 gram brood, vier koppen ersatz-koffie en een liter watersoep, gemaakt met rapen en bieten. Een dergelijk regime veroorzaakte diarree, die vaak dodelijk was voor deze verzwakte gevangenen. Een gevangene die zijn behoefte moest doen, moest toestemming vragen aan de bewaker. Er kon toestemming verleend worden, maar evengoed kon dit geweigerd worden, gevolgd door een slag met de knuppel of de zweep.
Sommige gevangen probeerden gras te eten, toen de honger te sterk werd, maar werden hiervoor zwaar afgestraft. De voedselpakketten, die door het Rode Kruis werden opgezonden, werden door de SS'ers voor de varkens geworpen, terwijl de gevangenen toekeken.
Daarnaast moesten de gevangenen dwangarbeid verrichten. Om halfacht moesten de gevangenen in rijen van drie marcheren naar de arbeidsplaats, begeleid door SS'ers met de zweep in de hand. Dit waren leren zwepen, versterkt met staaldraad. De SS'ers vermaakten zich door een slachtoffer uit te kiezen en deze met de zweep af te ranselen, bij voorkeur op zweren (iedereen had zweren) of op de oren.
De eerste gevangenen moesten, onder toezicht van soldaten van de Wehrmacht, 250.000 m3 à 300.000 m 3 zand, aarde en gruis verplaatsen uitsluitend met handenarbeid, om onder andere ruimte te maken voor nieuwe barakken. Deze nieuwe barakken, de zogenaamde "jodenbarakken", moesten dienen om de grote toevloed aan gevangen Joden te kunnen opvangen. Verder was deze dwangarbeid totaal nutteloos en had als enig doel de gevangenen af te beulen. De zwaksten moesten zware zakken vol aarde sjouwen, berm af, berm op. Deze zakken van dertig tot veertig kilo betekenden in feite een doodstraf voor deze gevangenen. Dit zware werk ging door tot halfzes. Daarna moest men vlug in het gelid gaan staan. Ging dit niet snel genoeg, dan kregen deze uitgeputte gevangenen straffen. Zij moesten op de grond liggen, met de spade in de hand, weer rechtop staan, weer gaan liggen, tot de bewakers voldoening hadden. Wie dit niet snel genoeg deed kreeg een steen naar het hoofd geworpen, of de bewakers schopten tegen het hoofd van de ongelukkige, of sprongen op zijn rug. Wie deze omstandigheden overleefde, werd als sterk beschouwd en werd naar Duitsland gedeporteerd.

Kamer met twee rijen stapelbedden voor 48 personen
 

Medische verzorging

De medische verzorging in het Revier (ziekenboeg) was minimaal. Er waren zo goed als geen geneesmiddelen en van de Duitse dokter of verplegers hoefde men geen goede wil te verwachten. De verplegers werden aangemaand door de kampcommandant om hard te zijn.
Om verzorgd te worden moest men toestemming vragen aan de bewakers. Maar volgens SS-Untersturmführer Prauss was men slechts ziek "als men met zijn hoofd onder zijn arm bij hem kwam".In het eerste jaar was het zelfs verboden ziek te zijn. Wie zich aanbood in het Revier werd brutaal weggestuurd, of kreeg slagen of schoppen.
Een lichte verbetering kwam er toen er gevangen dokters aangesteld werden in het Revier: de dokters Singer, Goethals, Casman, Leclercq, Simonart (hoogleraar aan de KUL) Thys, Van Wien en Jodogne.
In een latere fase werden de zwaarst zieken op voorspraak van de Duitse arts Köchling doorgestuurd naar het militair hospitaal in Antwerpen of Brussel. Veertien gevangenen overleden in deze hospitalen. De doodsoorzaak was meestal hongeroedeem, difterie of tuberculose - allen veroorzaakt door ondervoeding, dwangarbeid en verzwakking van het weerstandsvermogen door slagen en verwondingen.

Doodsoorzaak door...ziekte
 

Kameroversten
"Geen enkele maatregel van de SS is zo pervers als de delegatie van terreur aan andere gevangenen" (uitspraak van de Duitse historica Karin Orth).[2]
Aan het hoofd van elke kamer werd een kameroverste (Zugführer) aangesteld. Deze was zelf een gevangene die in feite tussen twee vuren kwam te zitten, enerzijds de SS, anderzijds zijn medegevangenen. Sommigen zouden hun kamergenoten zo veel mogelijk beschermen, maar een aantal beging zware misdaden. Willy Giersch, een Duitse communist die Duitsland ontvlucht was, was erom berucht zijn medegevangenen af te ranselen, al heeft hij niemand gedood.
Toen later meer en meer joodse gevangenen binnengebracht werden, werden ze afgescheiden van de "Ariërs" en kregen hun eigen kamers. Onder druk van de brute SS-Untersturmführer Arthur Prauss, moesten joodse kameroversten nog harder optreden dan hun Arische tegenhangers. De kameroverste, Walter Obler, een extreem-linkse joodse politieke vluchteling uit Duitsland, werd zodanig berucht dat zelfs het militair hoofdbestuur (Militärverwaltung) in Brussel protesteerde. Obler werd in september 1943 zelf gedeporteerd naar een concentratiekamp, eerst naar Auschwitz en daarna naar Sachsenhausen, maar overleefde die. Hij werd na de oorlog veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de moord op tien joodse gevangenen en werd op 12 april 1947 geëxecuteerd door een vuurpeloton.
Sally Lewin, een invalide Duitse jood, was even wreed als zijn voorbeeld Obler. Hij werd na de oorlog eveneens gefusilleerd, wegens medeplichtigheid aan moord op acht personen.
Leo Schmandt, een Berlijnse jood, 'beperkte' zich tot slagen en verwondingen. Hij werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenschap, maar kwam reeds in 1951 vrij.
Andere joodse kameroversten waren Erich Adler, Kurt Adler, Peter John, Kahn en Schiff. Zij waren wreed maar toch minder hard voor hun medegevangenen. Schiff werd zelfs door Prauss als kameroverste afgezet omdat hij tegenwierp dat "de gevangenen onmogelijk nog harder konden werken".
Ook bij de Belgische kameroversten waren er spoedig enkelen zeer berucht. Valère De Vos (1916 - vermoord in Buchenwald door zijn medegevangenen in 1944), een voormalige communistische militant die nog meegevochten heeft in de Spaanse burgeroorlog, werd kameroverste in november 1942. Hij was zo bruut dat hij bestempeld wordt als "het Breendonk in Breendonk". De Vos werd zelfs postuum ter dood veroordeeld op het proces van Mechelen.
René Hermans (1918-1947), een beroepsmilitair, werd in september 1942 kameroverste van de Brusselse postmannen, die gearresteerd waren na sabotage bij de bestelling van Duitse brieven. Hij werd spoedig een verklikker, die zijn kamergenoten uitvroeg. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor de dood van vijf gevangenen. Hermans werd in november 1942 gedeporteerd naar Mauthausen, waar hij eveneens kapo werd. Hij kwam voor het vuurpeloton in 1947.
Fernand Daumerie, een verzetsstrijder uit de streek rond Charleroi, was slechts enkele maanden kameroverste in de eerste maanden van 1943. In die korte tijd veroorzaakt hij de dood van ten minste twee gevangenen door uitputtende slavenarbeid. Hij werd op 23 april 1943 vrijgelaten, en werd twee dagen na de bevrijding in 1944 gearresteerd. Daumerie werd ter dood veroordeeld en als eerste terechtgesteld.
Hendrik Borm, een oud-Spanjestrijder, smokkelaar en ritselaar, was een beetje een apart figuur. Hij had zich aangesloten bij de Organisation Todt, maar viel in het oosten van Duitsland in ongenade bij deze organisatie. Borm werd gearresteerd, zat enige tijd in Duitsland gevangen en kwam uiteindelijk via een Ausserkommando van Dachau in Breendonk terecht. Bij zijn kamergenoten stond hij bekend als de dief van het weinige brood dat zij hadden. Zwaardere beschuldigingen, zoals verklikking en het slaan van kamergenoten, konden echter voor het gerecht niet worden bewezen. Hij werd uiteindelijk vrijgesproken voor de rechtbank.

Kamerdeur
 

Folteringen
In het kamp hebben in totaal ruim 3500 mensen gevangengezeten. Ongeveer de helft hiervan (1733) heeft de oorlog niet overleefd. In Breendonk zelf werden ongeveer 300 mensen vermoord. Folteringen waren ook een belangrijke doodsoorzaak. Ten minste 98 mensen stierven door ontbering of foltering. De verhoorkamer of de beruchte bunker was een plaats van angst voor iedereen.
Voordat de "arrestant" (gevangene) naar de verhoorkamer ging werd deze in een isoleercel geplaatst. Deze gevangenen waren meestal verzetslieden. Er werden voor hen twee kazematten omgebouwd tot cellenblokken met aan elke kant acht kleine isoleercellen met witgekalkte muren. Overdag moesten de gevangenen in het halfduister rechtop blijven staan; een echte marteling. Het was verboden tegen de witgekalkte muren te leunen. Wie op zijn plunje sporen van kalk vertoonde werd afgeranseld. Deze opsluiting varieerde van één dag tot verschillende maanden.
De verhoorders waren leden van de Gestapo die uit de verschillende hoofdkwartieren (Gent, Antwerpen, Brussel, Luik en Charleroi) van de Sipo-SD kwamen. Hun verhoren vonden soms plaats in aanwezigheid van SS'ers van Breendonk. In de "bunker" (zoals de verhoorkamer genoemd werd) schreef de verhoorder de antwoorden op van de politieke gevangene of verzetsstrijder.

Folterkamer
 

 

Executieplaats
Wie niet genoeg meewerkte aan dit verhoor, werd voor een "verscherpt verhoor" gezonden naar de folterkamer. Gedurende augustus of september 1942 had men op bevel van Ehlers, hoofd van de Sipo-SD in Brussel, een voormalig kruitmagazijn ingericht als folterkamer . In de folterkamer stond een lessenaar met erop een revolver, een blad papier voor de bekentenis en ijzeren poken. Er was een takel bevestigd aan het plafond. Erover hing een dikke touw met een vleeshaak. Onder de takel stonden twee grote houten wiggen.
De gevangene werd de armen op de rug gebonden. De vleeshaak werd bevestigd tussen de koorden. Vervolgens werd hij omhoog getrokken met de takel zodanig dat hij in horizontale positie kwam te liggen. Het duurde niet lang of de bovenarm sprong uit de gewrichtsholte en de spieren in het gewricht scheurden. Bij deze onverdraaglijke pijn kwam dan nog een regen van slagen met de bullenpees. Dan werd hij losgelaten en viel hij met zijn borstkas en lichaam op de driehoekige, langwerpige houten wiggen. Deze bewerking werd herhaald tot de gevangene in zwijm viel, waarna men een emmer koud water over zijn hoofd uitwierp. Men gebruikte ook duimschroeven en vingerklemmen, hoofdklemmen met ijzeren bollen, elektrocutie op de genitaliën, brandende sigarettenpeuken of roodgloeiende ijzeren poken.
De goot die in de folterkamer liep, was niet zozeer voor het bloed, maar voor de urine die het slachtoffer verloor, doordat de sluitspieren hierdoor verlamden. Ook bij stokslagen werd het slachtoffer over een ronde bank gebonden, met de voeten in voetblokken. Dan kreeg het slachtoffer stokslagen op het achterwerk, zodanig dat men moest wateren, doordat de sluitspieren, voor een tijd, gevoelloos werden. De pijn was onbeschrijfelijk. Deze foltertuigen werden vernield voor de bevrijding. De blokken die thans in Breendonk tentoongesteld worden, zijn reconstructies aan de hand van getuigenissen van gevangengenomen SS'ers.
De nieuwe kampcommandant Schönwetter maakte eind 1943 een einde aan de medewerking van de SS'ers van Breendonk aan deze folteringen, nadat een SS'er, na een zuippartij, een gevangene was vergeten die nog aan de katrol hing, waarna de gevangene de volgende dag dood werd aangetroffen.
De SS-kantine deed tevens dienst als rechtszaal. De vonnissen werden onmiddellijk uitgevoerd aan de executiepaal of door ophanging: 164 gevangenen werden gefusilleerd en 21 werden opgehangen. De eerste executies vonden op 27 november 1942 plaats, als represaille voor aanslagen op collaborerende burgemeesters.

Executieplaats
 

Belgische SS'ers: de beulen van Breendonk
In september 1941 arriveerde een eerste contingent Vlaamse SS'ers. Zij kregen van Prauss de opdracht om te zorgen voor meer tucht en discipline. In 1943 werd hun aantal versterkt met meerdere Vlaamse SS'ers uit de Wachgruppe van de SD. Deze laatste zorgden, samen met de Wehrmacht, voor de wacht rond het kamp. In totaal hebben er negentien Vlaamse SS'ers kortere of langere tijd verbleven in het kamp.
Een beruchte bewaker in Breendonk was de Antwerpenaar Fernand Wyss. Hij bekende na de oorlog ten minste zestien gevangenen te hebben doodgeslagen of vermoord. Zijn kompaan was Richard De Bodt, een sluiswachter en rexist. In Breendonk had De Bodt dezelfde functie als Wyss vanaf augustus 1942 tot de bevrijding. De Bodt was even brutaal en onmenselijk als Wyss. Zij gingen onderling weddenschappen aan wie de meest buitenissige martelingen kon bedenken. De Bodt sloeg een gevangene dood om een weddenschap te winnen met een fles cognac als inzet.
De Bodt had er plezier in om de handen van de gevangenen vast te binden op de rug terwijl ze al likkend hun bord moesten leegeten. De Bodt werd na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld. Het zou tot 1951 duren vooraleer men hem op het spoor kwam. Een maand voor de Duitse capitulatie besefte hij dat hij van kamp moest veranderen en dus sloot hij zich aan bij het Amerikaans leger, waar hij na zes maanden bedankt werd voor zijn diensten. Hij vestigde zich in Neurenberg met vrouw en kind, onder de valse naam Richard Verstraeten. Op 9 juli 1951 werd hij aan de Franse grens gearresteerd waarna hij in de gevangenis van Rastatt werd opgesloten. Door de nieuwe wet van minister Joseph Pholien (PSC) werd zijn straf omgezet in levenslange dwangarbeid. Een comité geleid door Jean Nysthoven, een oud-gevangene van Breendonk, eiste het ontslag van Pholien, wat ook gehonoreerd werd. De Bodt overleed op 3 januari 1975 in de gevangenis van Sint Gillis.
Andere beruchte Belgische SS'ers waren Adolf Lampaert, Marcel De Saffel, Felix Brusselaers, Jan Pellemans, Eugène Raes en Georges Vermeulen. Zij kregen allen de doodstraf.

Galg (reconstructie)
 

Breendonk II
Toen het Fort na de Tweede Wereldoorlog heroverd werd, werd het opnieuw gebruikt als gevangenis. Tijdens de repressie, vanaf vier september 1944, werden er collaborateurs en Duitsgezinden ("incivieken") opgesloten, in totaal ongeveer 750. Het kamp bleef tot 10 oktober 1944 in handen van verzetsgroepen, in een periode waarin de Tweede Wereldoorlog nog volop aan de gang was. De wraakgevoelens onder de bevolking waren groot. Pas op 10 oktober werd het wettelijk gezag hersteld en kreeg de Belgische staat weer controle over het gevangeniswezen.
De gevangenen werden overgelaten aan de grillen van de bewakers. Hier vonden de ergste wantoestanden van de repressie plaats. De geïnterneerden werden geslagen, geschopt en vernederd op dezelfde wijze als de SS'ers voordien de gevangenen behandeld hadden. Er werd gedreigd met executies. Een vrouw moest in een doodskist gaan liggen ter intimidatie.
De vrouwelijke gevangenen worden belaagd door de sadistische Jeanne Hoekmans ("tante Jeanne"). Deze vrouwen worden kaalgeschoren, ontkleed, beschilderd met hakenkruisen en seksueel mishandeld. Later zou Hoekmans zelf tot drieënhalf jaar gevangenisstraf worden veroordeeld wegens collaboratie met de Duitsers.
Deze periode staat bekend als Breendonk II en wordt door historici als even wreed beschouwd. Paul Lévy zou "Breendonk II" een ontwijding noemen van de plaats waar hij en zoveel anderen geleden hebben.
In 1947 werd het fort bij wet verheven tot Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk. Herdenkingen aan repressieslachtoffers worden er steevast geweigerd.
Bekende ex-gevangenen
Kamer met de namen der gedeporteerden naar de concentratiekampenJacques Grippa
Wilchar
Jean Améry
André Wynen
Jacques Ochs
Jef Van Extergem
Paul Nothomb
Een bezoek aan het fort

Het fort is opengesteld voor het publiek, dat een kijkje kan nemen in de wereld van de gevangenen. Op de binnenplaats ziet men de graven en, als men de weg langs het fort volgt, de strop met daarbij de gedenkplaten voor wie daar ter dood is gebracht. Er staan ook gereconstrueerde zwarte executiepalen voor het vuurpeloton. Er zijn kamers in authentieke staat en waarvan de muren onaangetast zijn gebleven.

Kamer met de namen der gedeporteerden naar de concentratiekampenJacques Grippa

Breitenau heropvoedings-concentratiekamp

Periode 1932-1934
In 1874 werd in het klooster het opvoedingsinstituut voor bedelaars, landlopers, prostituees en verwaarloosde jongeren opgericht. Na de machtsovername door de nazi’s werd het kamp voornamelijk gebruikt om politieke tegenstanders uit Duitsland op te sluiten, te straffen en door intimidatie rijp te maken voor een nieuw leven buiten het kamp. In de loop van 1933 werd het kamp uitgebreid met een concentratiekamp. Het kamp werd onder de lokale bevolking als volgt onder de aandacht gebracht:

"Selbstverständlich sollen die Konzentrationslager keine Dauereinrichtung sein. Sie haben lediglich den Zweck, die unsauberen Elemente unschädlich zu machen und sie gegebenenfalls, das muss angestrebt werden, zu Staatsbürgern zu machen, die sich in die neue Form der Volksgemeinschaft willig einreihen."
In september 1933 werden er ook daklozen gedetineerd, die waren opgepakt tijdens een razzia in de Bedelaarsweek (tussen 18 en 25 september 1933). In de loop van 1934 sloot het regime het kamp.
Periode 1940-1945
In 1940 werd het kamp weer geopend als een “Abeitserziehungslager” ten dienste van de Gestapo in Kassel. Werd het kamp in de eerste periode alleen gebruikt voor Duitse gevangenen, nu werden er ook buitenlanders geïnterneerd, die geweigerd hadden te werken voor het Reich of de regels van de Nationaal-Socialisten hadden geschonden. Door een streng regime moest bereidwilligheid tot werken gekweekt worden. Gevangenen bleven niet lang in het kamp (naar verluidt gemiddeld 56 dagen), zodat ze sneller inzetbaar waren. In deze periode zaten zo’n 6500 buitenlandse en 2000 Duitse gevangenen vast in het kamp, waarvan er 1800 gedeporteerd werden naar andere concentratiekampen.
Gedurende deze periode vonden, als reactie op de wet ter voorkoming van erfelijk belaste nakomelingen, in het kamp testen plaats om te bepalen of er zich personen in het kamp bevonden, die genetisch, erfelijk belast waren met bepaalde ziektes. Een grote groep werd slachtoffer van deze wet en naar een euthanasie-centrum gestuurd. Anderen werden verplicht gesteriliseerd.
Het kamp werd kort voor de aankomst van de Amerikaanse troepen in 1945 gesloten.
Gedenkplaats
Sinds 1984 wordt in een van de gebouwen van het klooster een permanente tentoonstelling gehouden ter herinnering aan de nazi-periode. Dit initiatief is opgezet door de Universiteit van Kassel. Via de beschikbare documenten wordt een poging gedaan inzicht te geven in de wijze waarop de vervolging door de Gestapo plaatsvond.
Periode 1932-1934
In 1874 werd in het klooster het opvoedingsinstituut voor bedelaars, landlopers, prostituees en verwaarloosde jongeren opgericht. Na de machtsovername door de nazi’s werd het kamp voornamelijk gebruikt om politieke tegenstanders uit Duitsland op te sluiten, te straffen en door intimidatie rijp te maken voor een nieuw leven buiten het kamp. In de loop van 1933 werd het kamp uitgebreid met een concentratiekamp. Het kamp werd onder de lokale bevolking als volgt onder de aandacht gebracht:
"Selbstverständlich sollen die Konzentrationslager keine Dauereinrichtung sein. Sie haben lediglich den Zweck, die unsauberen Elemente unschädlich zu machen und sie gegebenenfalls, das muss angestrebt werden, zu Staatsbürgern zu machen, die sich in die neue Form der Volksgemeinschaft willig einreihen."
In september 1933 werden er ook daklozen gedetineerd, die waren opgepakt tijdens een razzia in de Bedelaarsweek (tussen 18 en 25 september 1933). In de loop van 1934 sloot het regime het kamp.
Periode 1940-1945
In 1940 werd het kamp weer geopend als een “Abeitserziehungslager” ten dienste van de Gestapo in Kassel. Werd het kamp in de eerste periode alleen gebruikt voor Duitse gevangenen, nu werden er ook buitenlanders geïnterneerd, die geweigerd hadden te werken voor het Reich of de regels van de Nationaal-Socialisten hadden geschonden. Door een streng regime moest bereidwilligheid tot werken gekweekt worden. Gevangenen bleven niet lang in het kamp (naar verluidt gemiddeld 56 dagen), zodat ze sneller inzetbaar waren. In deze periode zaten zo’n 6500 buitenlandse en 2000 Duitse gevangenen vast in het kamp, waarvan er 1800 gedeporteerd werden naar andere concentratiekampen.
Gedurende deze periode vonden, als reactie op de wet ter voorkoming van erfelijk belaste nakomelingen, in het kamp testen plaats om te bepalen of er zich personen in het kamp bevonden, die genetisch, erfelijk belast waren met bepaalde ziektes. Een grote groep werd slachtoffer van deze wet en naar een euthanasie-centrum gestuurd. Anderen werden verplicht gesteriliseerd.
Het kamp werd kort voor de aankomst van de Amerikaanse troepen in 1945 gesloten.

Breitenau (concentratiekamp)

Ingebruikname 1933 
Locatie Guxhagen 
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland 
Coördinaten 51° 12′ NB, 9° 29′ OL 
Beheerder SS

De Breitenau Guxhagen is opgericht door de Universiteit van Kassel , met de steun van de Staat Welfare Association Hessen in augustus 1984.

Neuengamme Duits concentratiekamp

Neuengamme was tijdens de Tweede Wereldoorlog een Duits concentratiekamp. Het kamp ligt zo'n achttien kilometer ten zuidoosten van Hamburg in Duitsland bij het dorp Neuengamme.


Concentratiekamp

Het kamp werd op 13 december 1938 geopend. Als dependance van Sachsenhausen was het kamp aanvankelijk bedoeld om arbeiders voor de plaatselijke SS steenfabriek te huisvesten. Juni 1940 werd Neuengamme een zelfstandig concentratiekamp. Het hoofdkamp, dat 213.000 vierkante meter groot was, ving de meeste mensen op, maar in geheel Noord-Duitsland lagen nog 92 zogenaamde buitenkampen die bestuurlijk gezien onder Neuengamme vielen. Zelfs op het kanaaleiland Alderney was een buitenkamp. Deze buitenkampen hadden vaak maar een kort bestaan. In 1944 functioneerden er zestig gelijktijdig. De mensen in de kampen, afkomstig uit zo'n 28 landen, waren veelal krijgsgevangenen, gijzelaars, verzetsstrijders, Joden, zigeuners, homoseksuelen en Jehova's getuigen. Bij aankomst moesten alle persoonlijke bezittingen worden afgegeven. Vervolgens werd al het lichaamshaar afgeschoren en kreeg men in plaats van de eigen naam een nummer op een zinken plaatje, dat om de nek gedragen moest worden. De SS probeerde de morele en psychische weerstand van de gevangenen te breken door hen in vernederende omstandigheden te laten leven en werken. De barakken waren overvol, sanitaire voorzieningen waren ontoereikend en enige privacy was er niet. Men kreeg onvoldoende voedsel en moest zware arbeid verrichten. De dag was zo strikt ingedeeld dat er nauwelijks een vrije minuut overbleef. Neuengamme bezat geen gaskamers of vergelijkbare methoden om mensen massaal van het leven te beroven. Desondanks stierven er 55.000 mensen door de onmenselijke toestanden in het kamp, waaronder epidemieën en gebrek aan voedsel. Tijdens de oorlog verbleven ongeveer 106.000 mensen in Neuengamme. Het hoogste gevangenisnummer dat in de dodenboeken vermeld staat is 87.067.000

Concentratiekamp Neuengamme 
Ingebruikname 13 december 1938 
Bevrijding 4 mei 1945 
Locatie Neuengamme 
Verantwoordelijk land Nazi-Duitsland 
Coördinaten 53° 26′ NB, 10° 14′ OL 
Beheerder SS 
Gevangenen 106.000 
Dodental 55.000

In de zomer van 1944 werden veel vrouwelijke ingezetenen van Auschwitz met hun Aufseherinnen (onder andere Käthe Becker, Erna Dickman en Angelika Grass) naar Neuengamme gezonden. Slechts een handvol van deze opzichters werd na de oorlog in Neurenberg berecht. Op 3 mei 1945 werden duizenden bewoners van Neuengamme in schepen geladen, waaronder de Cap Arcona en achtergelaten in de baai van Lübeck; op die manier probeerden de nazi's het bewijs dat het concentratiekamp had bestaan te verdoezelen. De geallieerden, die de schepen aanzagen voor troepentransportvaartuigen, brachten de schepen tot zinken, waarbij naar schatting 7000 tot 8000 mensen omkwamen. Velen die de oever wisten te bereiken werden door de SS neergeschoten. Op 4 mei 1945 werd Neuengamme door de geallieerden bevrijd.
Naoorlogse geschiedenis
Na de oorlog werd Neuengamme gebruikt om leden van de SS, Wehrmachtsoldaten en leden van de nazipartij te interneren. Nog later werd door de justitiële overheid een strafgevangenis op het kampterrein gebouwd. Pas in de jaren '60 werd op initiatief van een vereniging van voormalige Franse kampbewoners begonnen met het inrichten van een gedenkplaats op het kampterrein. Neuengamme fungeert tegenwoordig als een oorlogsmonument met herbouwde kampelementen en permanente exposities. Bijna de volledige administratie van Neuengamme is vernietigd. Omdat een gevangene de boeken uit de ziekenbarakken in de steenfariek heeft verstopt zijn duizenden namen bewaard gebleven. Verder rest er een door gevangenen bijgehouden dodenboek en zijn er gegevens van het Rode Kruis. Er wordt nog steeds gewerkt aan de reconstructie van de administratie, maar het ziet er niet naar uit dat deze nog volledig te krijgen is.



Poolse overlevende krijgt medicijnen van een Duitse medewerker van het Rode Kruis
 

Meerdere monumenten


Drie van Neuengammes buitenkampen zijn omgevormd tot oorlogsmonumenten:

één voor de twintig kinderen die in Hamburg aan medische experimenten werden onderworpen en vlak voor de Duitse capitulatie om het leven werden gebracht.
één als herdenking van de slavenarbeid die vrouwen uit het Poolse getto te Łódź moesten verrichten.
één in de Fuhlsbüttel gevangenis, waar vooral communisten en politieke tegenstanders werden opgesloten. Zo'n 450 van hen werden door de nazi's vermoord.

Op het hoofdterrein staan drie monumenten op de plaats waar de oudste steenfabriek stond. Aan het begin van het terrein is een stukje spoorrails gereconstrueerd. Daarop staat een replica van een veewagon.

Weggestopt tussen de uitgestrekte weilanden, aan de Jean Dolidierweg in de streek ‘Vierlanden’ nabij het gehucht Neuengamme, niet ver buiten Hamburg, vinden we de overblijfselen van het concentratiekamp Neuengamme. Van wat eens een van de grootste kampen van Noord-Duitsland was resten nu nog slechts enkele gebouwen en wat fabriekshallen.
 

één voor de twintig kinderen die in Hamburg aan medische experimenten werden onderworpen en vlak voor de Duitse capitulatie om het leven werden gebracht.
één als herdenking van de slavenarbeid die vrouwen uit het Poolse getto te Łódź moesten verrichten.
één in de Fuhlsbüttel gevangenis, waar vooral communisten en politieke tegenstanders werden opgesloten. Zo'n 450 van hen werden door de nazi's vermoord.

Op het hoofdterrein staan drie monumenten op de plaats waar de oudste steenfabriek stond. Aan het begin van het terrein is een stukje spoorrails gereconstrueerd. Daarop staat een replica van een veewagon.
Nederlanders
Op 19 november 1941 arriveren de eerste 270 Nederlanders in Neuengamme. Vast staat dat in 21 rechtstreekse transporten, meestal vanuit Amersfoort, 3084 Nederlanders naar Neuengamme werden getransporteerd.Het totaal aantal Nederlanders dat in Neuengamme moest verblijven wordt geschat op 6950. Onder hen honderden vroeg in de oorlog gearresteerde communisten, anti-Duitse politiemensen en 601 mannen[2] van de vergeldings-razzia van Putten. Volgens de dodenboeken kwamen minimaal 3500 Nederlanders in Neuengamme om. Het aantal omgekomenen ligt ongetwijfeld hoger. Probleem bij het vaststellen van de juiste getallen is de welhaast volledige verdwijning van de administratie van de SS. Het is zeker dat 613 Nederlanders Neuengamme hebben overleefd.Tot de Nederlanders die in Neuengamme omkwamen behoren Felix van der Stok (broer van Bram van der Stok, oorlogsvlieger van Oranje), Willem Niemeijer, Jan Campert, Jan van Hout, Willem Idenburg, Johannes Petrus Lijding, Rudolf Tappenbeck, en Anton de Kom (die in het buitenkamp Sandbostel overleed), en Johannes Rijpstra (die in het buitenkamp Hamburg-Hammerbrook omkwam). Het Tweede Kamerlid Louis de Visser (CPN) overleefde het kamp, maar kwam om bij het geallieerde bombardement op het schip Cap Arcona. De latere journalist W.L. ("Boebie") Brugsma overleefde Neuengamme. Andries van Dantzig, die later psychiater zou worden, behoorde tot de overlevenden van het buitenkamp in Schwesing bij Husum. Hij zou in 2005 het eerste exemplaar in ontvangst nemen van een boek over de Nederlanders in het kamp.
Ook de Duitse tandarts Fritz Pfeffer overleed in Neuengamme. Pfeffer was samen met de familie van Anne Frank en de familie van Pels één van de onderduikers in het Achterhuis.
Belgen
Uit België werden ongeveer 5.000 gevangenen naar Neuengamme gedeporteerd.
Meestal ging het om politieke gevangenen die 'anti-Duitse' handelingen hadden gesteld, geen gevolg wilden geven aan Duitse bevelen of actief waren in het Verzet. Naarmate het Verzet toenam werd steeds harder opgetreden.
De Belgen waren meestal eerst opgesloten in het Fort van Hoei of in het kamp van Breendonk. In Aarlen werden 40 inwoners als gijzelaars opgepakt en naar Neuengamme gevoerd. In de gemeente Meensel-Kiezegem werden alle mannen als represaillemaatregel opgepakt. De meeste kwamen om.

Ook de Duitse tandarts Fritz Pfeffer overleed in Neuengamme. Pfeffer was samen met de familie van Anne Frank en de familie van Pels één van de onderduikers in het

2-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog

1--2--3--4--5--6--7--8