Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

2-Duits persoon in de Tweede Wereldoorlog

Hans Fritzsche

Hans Georg Fritzsche (21 april 1900 - 27 september 1953) was een hoge Duitse nazi- functionaris, die de oorlog beëindigde als Ministerialdirektor bij het Propagandaministerium (Reichsministerium van Openbare Verlichting en Propaganda). Hij was aanwezig in de Berlijnse Führerbunker tijdens de laatste dagen van Adolf Hitler . Na Hitlers dood ging hij naar de Sovjet linies in Berlijn om de overgave van de stad aan het Rode Leger op 1 mei 1945 aan te bieden . Hij werd gevangengenomen. Fritzsche stierf in 1953.
Carrière 
Fritzsche werd geboren in Bochum (een stad in het Ruhrgebied ) en diende in 1917 in het Duitse leger . Na de oorlog studeerde hij kort aan een aantal universiteiten voordat hij journalist werd voor de Hugenberg Press en vervolgens betrokken raakte bij de nieuwe massamedia van de radio , werkend voor de Duitse regering. In september 1932 werd hij hoofd van de Drahtloser Dienst (de draadloze nieuwsservice). Op 1 mei 1933 trad hij toe tot de NSDAP (nazi-partij).
Onder het Reichsministerium van Joseph Goebbels bleef hij leiding geven aan de radio-afdeling voordat hij werd gepromoveerd tot de afdeling Nieuws op het ministerie. Halverwege 1938 werd hij plaatsvervanger van Alfred Ingemar Berndt bij de Duitse persdivisie. Verantwoordelijk voor het controleren van Duits nieuws, werd het bureau ook de Home of Domestic Press Division genoemd. In december 1938 werd hij benoemd tot hoofd van de Home Press Division. In mei 1942 nam Goebbels de controle over de divisie over en Fritzsche keerde terug naar het radiowerk voor het ministerie als Gevolmachtigde voor de politieke organisatie van de Grotere Duitse radio en hoofd van de radioafdeling van het ministerie.

In april 1945 was hij aanwezig in de Berlijnse Führerbunker tijdens de laatste dagen van Adolf Hitler en Goebbels. Na Hitlers zelfmoord op 30 april 1945 nam Goebbels de rol van Hitler als kanselier over. Op 1 mei voltooide Goebbels zijn enige officiële functie als kanselier. Hij dicteerde een brief aan de Sovjet-legerleider Vasily Chuikov , waarin hij om een ​​tijdelijk staakt-het-vuren vroeg en de Duitse generaal Hans Krebs beval het te bezorgen. Chuikov commandeerde de Sovjet-troepen in het centrum van Berlijn. Nadat dit was afgewezen, besloot Goebbels dat verdere inspanningen zinloos waren.]Goebbels lanceerde toen een tirade die de generaals uitschold en hen eraan herinnerde dat Hitler hen verbood zich over te geven. Fritzsche verliet de kamer om te proberen het heft in eigen hand te nemen. Hij ging naar zijn nabijgelegen kantoor op de Wilhelmplatz en schreef een overleveringsbrief gericht aan de Sovjet-Marshall Georgy Zhukov . Een boze en dronken generaal Wilhelm Burgdorf volgde Fritzsche naar zijn kantoor. [4]Daar vroeg hij Fritzsche of hij van plan was Berlijn in te leveren. Fritzsche antwoordde dat hij precies dat ging doen. Burgdorf schreeuwde dat Hitler zijn overgave had verboden en als burger had hij geen autoriteit om dat te doen. Burgdorf trok toen zijn pistool om Fritzsche te schieten, maar een radiotechnicus "sloeg het pistool" en de kogel vuurde het plafond. Verschillende mannen duwden Burgdorf vervolgens het kantoor uit en hij keerde terug naar de bunker. Fritzsche verliet toen zijn bureau en ging over naar de Sovjetlijnen en bood aan om de stad over te geven. 
Militair tribunaal 
Fritzsche werd gevangen genomen door soldaten van het Sovjet Rode Leger . Eerst werd hij gevangen gehouden in een kelder en vervolgens naar Moskou gestuurd voor ondervraging in de Lubyanka-gevangenis, waar volgens zijn eigen verhaal bij aankomst drie gouden tanden uit zijn mond werden getrokken. Hij was beperkt tot een "staande kist", een cel met een oppervlakte van 3 voet waar het onmogelijk was om te slapen en geplaatst op een brood- en warmwaterdieet. Hij tekende uiteindelijk een bekentenis. 
Later, toen hij in Neurenberg berecht werd, schreef hij zijn verslag van de Sovjetgevangenis dat in Zwitserland werd gepubliceerd. 
Fritzsche werd naar Neurenberg gestuurd en berecht voor het Internationale Militaire Tribunaal . Hij werd beschuldigd van samenzwering om misdaden tegen vrede, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid te plegen . In zijn posities in het propaganda-apparaat van de nazi-staat speelde Fritzsche een rol bij het voortzetten van de samenzwering om gruweldaden te plegen en de agressieoorlog te starten. Volgens journalist en auteur William L. Shirer was het voor de aanwezigen onduidelijk waarom hij werd aangeklaagd. Shirer merkte op dat "niemand in de rechtszaal, inclusief Fritzsche, leek te weten waarom hij daar was - hij was een te kleine jongen - tenzij het als een geest was voor Goebbels ..Hij was een van de slechts drie beklaagden die vrijgesproken moesten worden in Neurenberg (samen met Hjalmar Schacht en Franz von Papen ). 
Hij werd later berecht door een West-Duitse denazificatie hof en werd veroordeeld tot negen jaar. Hij werd vrijgelaten in september 1950 en stierf kort daarna aan kanker. Zijn vrouw Hildegard Fritzsche (geboren Springer) stierf hetzelfde

Hans Fritzsche12.jpg

Fritzsche bij de processen van Neurenberg
Persoonlijke gegevens
Geboren 21 april 1900 Bochum , Duits keizerrijk
Ging dood 27 september 1953 (53 jaar) Keulen , West-Duitsland
Nationaliteit Duitse
Politieke partij Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP)
Partner (s) Hildegard Fritzsche
Bezetting Ministerialdirektor in het Ministerie voor Volksverlichting en Propaganda
Beroep Journalist

 


Hans Globke

Hans Josef Maria Globke (Düsseldorf, 10 september 1898 - Bonn, 13 februari 1973) was een Duits politicus en jurist in overheidsdienst.
Levensloop
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog studeerde Globke rechten en politieke wetenschappen aan de universiteiten van Bonn (Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität) en Keulen. In 1922 promoveerde hij aan de universiteit van Gießen met een verhandeling over de onschendbaarheid van leden van de rijks- en landdagen (‘’ "Die Immunität der Mitglieder des Reichstages und der Landtage"’’). Tijdens zijn studies was hij lid van Katholische Deutsche Studentenverbindung Bavaria Bonn, behorend tot het Cartellverband der katholischen deutschen Studentenverbindungen. Daarna begon hij een carrière bij de overheid.
In 1925 werd hij plaatsvervangend politiepresident in Aken, in 1929 werd hij ambtenaar in het Pruisische ministerie van Binnenlandse Zaken, en in 1932 vervolgde hij zijn ambtenarenloopbaan in het rijksministerie van Binnenlandse Zaken, waartoe hij tot het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 behoorde.
In de hoedanigheid van ambtenaar in de "Afdeling voor Joodse zaken" scheef hij samen met staatssecretaris Wilhelm Stuckart een commentaar op de (racistische, anti-joodse) Rassenwetten van Neurenberg, waarin motivatie, achtergrond en interpretatie ervan beschreven worden. Algemeen wordt aangenomen dat hij ook aan de opstelling van deze wetten deelgenomen heeft. Zijn commentaar had wel gunstige gevolgen voor de positie van "Mischlinge", die uitgezonderd werden van de maatregelen die golden voor "Volljuden". Hij informeerde ook hoge kerkelijke kringen; Joden die gehuwd waren met een niet-Joodse partner bleven uitgezonderd van deportatie.Nadat Slowakije in 1939 een Duitse satellietstaat werd nam hij daar deel aan de uitwerking van de "Kodex des jüdischen Rechts", waarmee de ontmonding en de onteigening van de joodse bevolking begon. Toen de nazi's tot de volledige uitroeiing van de Joden besloten, nam het hoofd van de Afdeling voor Joodse zaken uit protest ontslag. Globke volgde hem op.
Globke was aanhanger van de Zentrum-partij. Voor zover bekend is hij nooit lid van de NSDAP geweest. Bovendien onderhield hij contact met militaire en civiele kringen van het verzet tegen het naziregime: hij was informant van de Berlijnse bisschop Konrad Graf von Preysing en was via Jakob Kaiser op de hoogte van de coupplannen van de Hitler-opponenten rond Carl Friedrich Goerdeler en Ludwig Beck. In 1945 verhinderde het oprukken van de geallieerden zijn arrestatie door de nationaalsocialisten.
In de jonge Bondsrepubliek werd Globke eerst ‘Ministerialdirigent’ (soort afdelingsleider) in het kanseliersambt (bij kanselier Konrad Adenauer), en in 1953 promoveerde hij er tot staatssecretaris (tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1963). In deze functie behoorde hij tot de vertrouwelingen van de kanselier, en er wordt aangenomen dat Globke, in de achtergrond aan de touwtjes trekkend, een van de belangrijkste steunpilaren voor Adenauers "Kanzlerdemokratie" was. Globke organiseerde de kabinetszittingen en bepaalde de agenda ervan. Alle afspraken met de kanselier verliepen via Globkes bureau.
Showproces in 1963
In 1963 werd hij bij verstek door het opperste gerechtshof van de DDR in een showproces, dat de "Wesensgleichheit des Bonner Regimes" met de terreurstaat van Hitler moest aantonen, tot levenslang veroordeeld. Basis voor deze veroordeling was zijn medewerking tijdens het naziregime aan wettelijke regelgeving die de juridische basis vormde voor de Jodenvervolging en de germanisering van de bezette gebieden in Oost-Europa.
Globke was wegens zijn betrokkenheid bij het naziregime ook in de Bondsrepubliek een omstreden figuur. Door sommigen werd hij er zelfs van verdacht naar een heropleving van het naziregime te streven. Zijn open samenwerking en blijvende vriendschap met een aantal personen die ook in het Derde Rijk belangrijke posities ingenomen hadden en die hij in het nieuwe bestuur opnam werden hem vaak kwalijk genomen. Zo legde hij contact tussen Reinhard Gehlen en Adenauer. Gehlen was een generaal-majoor van de Duitse Wehrmacht die tijdens de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk was voor de inlichtingendienst aan het oostelijk front en na de oorlog door de Amerikaanse militaire inlichtingendienst aangetrokken werd om een spionageafdeling tegen de Sovjet-Unie op te zetten. In 1956 werd de "Organisation Gehlen", waarin volgens sommigen vele SS'ers en nazi's onderkomen gevonden hadden, omgevormd tot de Bundesnachrichtendienst en kwam onder directe leiding van staatssecretaris Globke te staan.
Als veiligheidsadviseur van de kanselier werd Globke steeds meer de verbindingsman tussen de geheime diensten van de Bondsrepubliek, de Verenigde Staten en de NAVO, waarbij zijn verleden een potentieel veiligheidsrisico was. Hoewel de Bundesnachrichtendienst Adolf Eichmann in 1958 op het spoor was en de CIA hierover informeerde, werd hierop geen actie ondernomen. Gevreesd werd dat Eichmann belastende informatie had over Globke. In Argentinië had Eichmann zijn memoires op papier gezet en was uitgebreid geïnterviewd door de Nederlandse SS'er Willem Sassen. Deze memoires werden voor publicatie in het Amerikaanse tijdschrift Life door de CIA gescreend. Er bleek slechts een verwijzing naar Globke in te staan, die niet gepubliceerd werd.
Adenauer bleef Globke tot het einde van zijn kanselierschap steunen. "Man schüttet kein schmutziges Wasser weg, solange man kein sauberes hat", zou Adenauer over zijn staatssecretaris gezegd hebben. Kort na het aftreden van Adenauer in 1963 werd Globke onderscheiden met het Grootkruis van Verdienste van de Bondsrepubliek.

Duitse stafchef
In functie
28 oktober 1953 - 15 oktober 1963
Kanselier Konrad Adenauer
Voorafgegaan door Otto Lenz
Opgevolgd door Ludger Westrick
Persoonlijke gegevens
Geboren Hans Josef Maria Globke 10 september 1898 Düsseldorf , Duitse Rijk

Ging dood 13 februari 1973 (74 jaar)
Nationaliteit Duitse
Politieke partij CDU
Partner (s) Augusta Vaillant
Bezetting Advocaat, politicus
Bekend om Adviseur van Konrad Adenauer

 


Magda Goebbels

Johanna Maria Magdalena (Magda) Goebbels (Berlijn, 11 november 1901 – aldaar, 1 mei 1945) was een Duitse nationaalsocialiste. Ze was de vrouw van Joseph Goebbels, de Duitse minister van propaganda tijdens het bewind van nazi-Duitsland.

Jeugd
Magda's oorspronkelijke achternaam was Behrend, de naam van haar ongehuwde moeder. Haar biologische vader was Oskar Ritschel. Toen haar moeder trouwde met Richard Friedländer kreeg Magda zijn achternaam. Friedländer was een Jood en stierf in 1939 in een concentratiekamp.
Tijdens haar schooltijd in Brussel, omstreeks 1918, had Magda Friedländer een relatie met Chaim Arlosoroff, een van de grondleggers van de latere Joodse staat Israël. Zo groeide Magda in een Joods milieu op.

Eerste huwelijk
Toen Magda zich verloofde met Günther Quandt, moest ze opnieuw haar achternaam veranderen, want Quandts streng protestantse familie accepteerde niet iemand met een Joodse achternaam. Ze nam toen de achternaam van haar biologische vader Ritschel aan. Op 4 januari 1921 trouwde Magda met Günther. Op 1 november van dat jaar werd Harald Quandt geboren. Het huwelijk werd in 1929 ontbonden.

Tweede huwelijk
Op 19 december 1931 trouwde Magda met Joseph Goebbels. Een van de getuigen was Adolf Hitler. Ze kregen zes kinderen: Helga (1932), Hilde (1934), Helmut (1935), Holde (1937), Hedda (1938) en Heide (1940).
Het einde
Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, terwijl de Russen oprukten naar Berlijn, zat ze met haar gezin bij Adolf Hitler in de Führerbunker. Op 1 mei 1945 volgde het gezin Goebbels de Führer in de dood. Helmut Gustav Kunz, assistent van de hoofdarts van de gezondheidsdienst, gaf de zes kinderen een flinke dosis morfine.Toen de kinderen gedrogeerd waren, brak Dr. Ludwig Stumpfegger, Hitlers persoonlijke arts, een blauwzuurcapsule in de mond van ieder kind
Later die avond pleegde Magda samen met haar man in de tuin van de Rijkskanselarij zelfmoord door middel van een blauwzuurcapsule. Een SS'er had de opdracht gekregen ook twee kogels in ieder lichaam te schieten, zodat het zeker was dat ze dood waren. Hierna werden de lichamen verbrand, maar door de te geringe hoeveelheid benzine waren de lichamen nadien nog goed te herkennen.

Bundesarchiv Bild 146-1973-034-56, Magda Goebbels.jpg

Geboortedatum 11 november 1901
Sterfdatum 1 mei 1945
Geslacht Vrouw
Geboorteplaats Berlijn
Plaats van overlijden Berlijn
Functie
Zijde Nazi-Duitsland
Organisatie NSDAP
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog

 


Emmy Göring

Emmy Göring, geboren als Emma Johanna Henny Sonneman, (Hamburg, 24 maart 1893 – München, 8 juni 1973) was een bekende Duitse toneelspeelster en de tweede vrouw van nazileider Hermann Göring.Tijdens het naziregime fungeerde ze vaak als „Hohe Frau“ van nazi-Duitsland.
Biografie
Emmy Göring werd op 24 maart 1893 als Emma Sonneman geboren in Hamburg. Ze groeide op in een vrij rijke familie en al gauw besloot Emmy dat ze toneelspeelster wilde worden. Ze genoot haar opleiding bij Leopold Jessner in Hamburg. Hierna trad ze op in diverse theaters en uiteindelijk ging ze in dienst bij het theater van Weimar. In 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog, trouwde Emmy met Karl Köstlin, maar al na enkele jaren scheidden de twee.
Huwelijk met Hermann Göring
Emmy ontmoette in 1931 Hermann Göring.Er was destijds echter geen sprake van een liefdesrelatie, daar Hermann Göring getrouwd was met de Zweedse Carin Fock. Toen Görings vrouw overleed, zagen Emmy en Hermann elkaar steeds vaker en ontstond er een liefdesrelatie. In 1934 verleende Göring haar de titel Staatsschauspieler, het hoogst haalbare voor een toneelspeler. In 1935 stopte ze met toneelspelen; haar laatste toneelspel was Minna von Barnhelm oder das Soldatenglück.
De bruiloft op 10 april 1935 was een groot feest.De straten waren versierd, de binnenstad van Berlijn was afgesloten voor verkeer en meer dan tweehonderd vliegtuigen van de pas opgerichte Luftwaffe cirkelden boven het paar.
Op 2 juni 1938 beviel Emmy haar eerste kind, genaamd Edda. Ze zou zijn genoemd naar de oudste dochter van Benito Mussolini. Al gauw kreeg ze de titel „Hohe Frau“, wat inhield dat ze als first lady van nazi-Duitsland moest optreden, daar Hitler niet getrouwd was.In de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog kon Emmy vrijwel alles krijgen wat ze zich wenste. Hermann Göring noemde zijn verblijf in Rominten, het Reichsjägerhof, naar zijn tweede vrouw, de Emmyhall. Zijn groot landhuis, waar hij met Emmy woonde, was genoemd naar zijn eerste vrouw, de Carinhall. Emmy maakte daar nooit een probleem van.
Naoorlogse periode
Na de Tweede Wereldoorlog werd ze door de Amerikanen gevangengenomen. Eerst zaten Emmy en Edda samen met Hermann gevangen in kamp Ashcan in Mondorf, Luxemburg. Tijdens het proces van Neurenberg verbleef ze in een appartement nabij en bezocht ze zo vaak als mogelijk haar man. In 1948 werd ze in de Spruchkammer van Garmisch-Partenkirchen als actieve nazi aangemerkt. Het vonnis hield in dat dertig procent van haar bezitting in beslag werden genomen, ze één jaar dienst moest doen in een werkkamp en vijf jaar niet op het podium mocht verschijnen. Tijdens haar verblijf in diverse interneringskampen, leed Emmy aan ischias. Nadat ze werd vrijgelaten ging ze in een nieuw appartement in Berlijn wonen. Ze publiceerde in 1967 een autobiografie onder de titel An der Seite meines Mannes - Begebenheiten und Bekenntnisse.
Emmy overleed na een lang ziekbed in 1973 op tachtigjarige leeftijd in München. Ze is begraven op het Waldfriedhof in München.

Emmy en Hermann Göring voor de Dom van Berlijn.

 


Helmut Gröttrup

Helmut Gröttrup (12 februari 1916 - 5 juli 1981) was een Duitse ingenieur en raketgeleerde. Hij was een manager voor Wernher von Braun in het V-2 raketprogramma . In 1940 was hij programmamanager voor externe begeleiding en controle bij het legeronderzoekscentrum van Peenemünde . In december 1940 werd hij afdelingshoofd bij het Peenemünde Army Research Center onder Ernst Steinhoff .

In 1946 maakte hij samen met zijn vrouw en twee kinderen deel uit van de meer dan tweeduizend Duitse specialisten die met geweld (onder schot) onder operatie Osoaviakhim naar Rusland werden gebracht . Van 1946-1953 was hij verantwoordelijk voor de meer dan 170 Duitse specialisten die naar Branch 1 van NII-88 op Gorodomlya Island in Lake Seliger werden gebracht. Het Duitse team werd indirect gevolgd door Sergei Korolev , de 'hoofdontwerper' van het Russische raketprogramma.

Na zijn terugkeer in Duitsland in 1953 maakte hij belangrijke ontwikkelingen op de chipkaart .

Sovjet-programma 
Na de Tweede Wereldoorlog besloot Gröttrup te werken met het Russische raketprogramma, in de hoop zijn leider te zijn in plaats van een ondergeschikte van von Braun (met wie hij persoonlijkheidsconflicten had). Van 9 september 1945 tot 22 oktober 1946 werkte Gröttrup onder toezicht van Sergei Korolev in de Sovjetbezettingzone . Tijdens de nacht op 22 oktober 1946 werden alle Duitse wetenschappers en ingenieurs - plus uitrusting - onverwacht en met geweld (onder schot) door 92 treinen verplaatst naar de USSR als onderdeel van Operatie Osoaviakhim . 

Gröttrup hielp Korolev bij het R-1-project, een recreatie van de V-2-raket met behulp van Russische productie en materialen. Bij Kapustin Yar hielp hij Korolev toezicht te houden op de lancering van 20 herbouwde V-2-raketten. Om de Korolev-raketvoorstellen te controleren, vroeg de officiële Dmitriy Ustinov Gröttrup en zijn kleine team om verschillende nieuwe raketsystemen te ontwerpen, waaronder de R-10 (G-1), R-12 (G-2) en de R-14 ( G-4) die vergelijkbaar was met de A9 / A10 langeafstandsraket von Braun, ontworpen tijdens de oorlog. { Http://www.russianspaceweb.com/gorodomlya.html#g1end} Gröttrup werd ook gevraagd te raadplegen over de R-13 (G-3) kruisraket. Geen van deze projecten ging verder dan de ontwerpfase, maar sommige ideeën werden verwerkt in de R-2 en R-5 raketsystemen.

Terugkeer naar Duitsland
Op 22 november 1953 werd Gröttrup vrijgelaten naar Oost-Duitsland. Om veiligheidsredenen mochten Duitse specialisten na 1951 niet aan belangrijke rakettechnologieën werken, maar ze werden gedurende 1,5 jaar in de afkoelingsperiode in de USSR bewaard, zodat zij geen tijdige informatie aan British Intelligence of American Intelligence konden geven . Fritz Karl Preikschat , die het hoogfrequente laboratorium onder Gröttrup van 1946-1952 op het eiland Gorodomlya beheerde , werd in juni 1952 vrijgelaten, bereikte het naar West-Duitsland en informeerde de Amerikaanse luchtmacht over het Russische raketprogramma. Gröttrup en een paar andere Duitse wetenschappers bleven langer behouden, gebaseerd op hun posities en de bezorgdheid dat ze naar West-Duitsland zouden verhuizen. 

Terug in Duitsland werkte Gröttrup voor SEL ( Standard Elektrik Lorenz ) in Stuttgart (1955-1958). In 1959 richtte hij samen met Joseph Mayer een bedrijf genaamd DATEGE op in de gegevensverwerkende industrie. Later ontwikkelde hij samen met Jürgen Dethloff de chipkaart . Verschillende patenten werden ingediend in 1968 en 1969 en later verleend, zoals US3678250, GB1317915, GB1318850. In 1970 nam Giesecke & Devrient DATEGE over en stopte hij in 1980.

Lancering van een V2 raket

Helmut Gröttrup
Geboren Helmut Gröttrup 12 februari 1916 Keulen, Duitsland

Ging dood 5 juli 1981 (65 jaar) München, Duitsland
Nationaliteit Duitse
Burgerschap Duitsland
Alma mater Technische Hochschule Berlin (Technische Universiteit in Berlijn)
Bezetting Ingenieur en Rocket-wetenschapper
Partner (s) Irmgard Rohe (m. 1940-1981)
Kinderen Peter Gröttrup 
Ursula Gröttrup

 


Ernst Hanfstaengl

Ernst Franz Sedgwick Hanfstaengl (2 februari 1887 - 6 november 1975) was een Duits-Amerikaanse zakenman en intieme vriend van Adolf Hitler . Uiteindelijk raakte hij echter uit de gunst van Hitler en overliep hij van nazi-Duitsland naar de Verenigde Staten . Hij werkte later voor Franklin D. Roosevelt en was ooit verloofd met de auteur Djuna Barnes .
 


Het vroege leven en onderwijs
Ernst Hanfstaengl, bijgenaamd "Putzi", werd geboren in München , Beieren , Duitsland , de zoon van een Duitse kunstuitgeverij, Edgar Hanfstaengl , en een Amerikaanse moeder. Hij bracht het grootste deel van zijn vroege jaren door in Duitsland en verhuisde later naar de Verenigde Staten. Zijn moeder was Katharine Wilhelmina Heine, dochter van William Heine, een neef van de Amerikaanse generaal John Sedgwick van het Amerikaanse leger . Zijn peetvader was hertog Ernst II van Saksen-Coburg en Gotha . Hij had een oudere zus, Erna , oudere broers, Edgar en Egon, en een jongere broer Erwine. 
Hij ging naar de universiteit van Harvard en maakte kennis met Walter Lippmann en John Reed . Als begaafd pianist componeerde hij verschillende liedjes voor het voetbalteam van Harvard. Hij studeerde af in 1909.
Hij verhuisde naar New York en nam het management over van de Amerikaanse tak van zijn vaders bedrijf, het Franz Hanfstaengl Fine Arts Publishing House. Op frequente ochtenden oefende hij op de piano in de Harvard Club in New York , waar hij kennis maakte met zowel Franklin als Theodore Roosevelt . Onder zijn kennissenkring bevonden zich de krantenbaron William Randolph Hearst , auteur Djuna Barnes (met wie hij verloofd was) en acteur Charlie Chaplin .
Bij het uitbreken van de oorlog vroeg hij de Duitse militaire attaché in New York Franz von Papen hem terug naar Duitsland te smokkelen. Een beetje verbijsterd door het voorstel, de attaché geweigerd en Hanfstaengl bleef in de VS tijdens de oorlog. Na 1917 werd de Amerikaanse tak van het familiebedrijf geconfisqueerd als eigendom van de vijand.
Op 11 februari 1920 trouwde Hanfstaengl met Helene Elise Adelheid Niemeyer van Long Island . Hun enige zoon, Egon Ludwig, ging uiteindelijk in dienst bij het US Army Air Corps . Een dochter, Hertha, stierf op de leeftijd van vijf.
Hitler's vertrouweling 
Hanfstaengl met Diana Mitford tijdens een Neurenberg-rally in 1934.
Toen hij in 1922 terugkeerde naar Duitsland, woonde hij in zijn geboorteland Beieren toen hij Hitler voor het eerst hoorde spreken in een bierhal van München . Een medelid van de Harvard Hasty Pudding club die op de Amerikaanse ambassade werkte, vroeg Hanfstaengl om een ​​militaire attaché te helpen die was gestuurd om het politieke toneel in München te observeren. Vlak voordat hij terugkeerde naar Berlijn , stelde de attaché, kapitein Truman Smith , Hanfstaengl voor om naar een Nazi- rally te gaan als een gunst en zijn indrukken van Hitler te rapporteren. Hanfstaengl was zo gefascineerd door Hitler dat hij al snel een van zijn meest intieme volgelingen werd, hoewel hij zich niet formeel bij de nazi-partij voegdetot 1931. "Wat Hitler in 2½ uur aan een menigte kon doen, zal nooit over 10.000 jaar worden herhaald," zei Hanfstaengl. "Vanwege zijn wonderbaarlijke keelconstructie, was hij in staat om een ​​rapsodie van hysterie te creëren en werd hij na verloop van tijd de levende onbekende soldaat van Duitsland."
Hanfstaengl stelde zichzelf voor aan Hitler na de toespraak en begon aan een hechte vriendschaps- en politieke associatie die zou duren tot de jaren 1920 en vroege jaren dertig. Nadat hij in 1923 deelnam aan de mislukte bierzaal van München, Putsch , vluchtte Hanfstaengl vluchtig naar Oostenrijk , terwijl de gewonde Hitler zijn toevlucht zocht in het huis van Hanfstaengl in Uffing , buiten München. Hanfstaengls vrouw, Helene, zou Hitler naar verluidt ervan hebben weerhouden zelfmoord te plegen toen de politie hem kwam arresteren.
Voor een groot deel van de jaren 1920 introduceerde Hanfstaengl Hitler naar de high society van München en hielp hij bij het oppoetsen van zijn imago. Hij hielp ook mee aan de financiering van de publicatie van Hitler's Mein Kampf en de officiële krant van de NSDAP , de Völkischer Beobachter (People's Observer). Hitler was de peetvader van Hanfstaengl's zoon Egon. Hanfstaengl componeerde zowel Brownshirt- als Hitler Youth- marsen naar zijn Harvard-voetbalsongs en, zo beweerde hij later, bedacht het gezang " Sieg Heil ". Onder de vrienden van Hanfstaengl waren in deze periode Hanns Heinz Ewers en collega- nazi- partijarbeider en journalist Kurt Lüdecke.
Vloeiend in Engels , met veel connecties naar hogere kringen in zowel het Verenigd Koninkrijk als de VS, werd Hanfstaengl hoofd van het Foreign Press Bureau in Berlijn. Afgezien van deze officiële positie was veel van zijn invloed te danken aan zijn vriendschap met Hitler, die graag naar 'Putzi' piano luisterde. Hanfstaengl beweerde later dat hij Hitler en Hermann Göring op de hoogte had gesteld van het Rijksdagvuur .
Wanneer Winston Churchillverbleef in Hotel Regina in de zomer van 1932, Hanfstaengl stelde zichzelf voor en zei dat hij gemakkelijk een ontmoeting met Hitler daar kon regelen, omdat hij elke avond rond vijf uur naar het hotel kwam. Op dat moment zei Churchill dat hij geen nationale vooroordelen tegen Hitler had en weinig wist van zijn 'doctrine of record en niets van zijn karakter'. In de loop van het gesprek met Hanfstaengl zei Churchill echter: "Waarom is uw chef zo ​​gewelddadig over de Joden? Ik kan heel goed begrijpen dat ik boos ben op de Joden die kwaad hebben gedaan of die tegen het land zijn, en ik begrijp het verzet tegen hen als ze proberen de macht te monopoliseren in elke levensweg, maar wat is het gevoel tegen een man te zijn vanwege zijn geboorte? Hoe kan een man helpen hoe hij wordt geboren? " Hanfstaengl, volgens Churchill, moet dit aan Hitler hebben verteld, want de volgende dag, rond de middag, kwam hij naar het hotel om hem te vertellen dat Hitler toch niet zou komen om hem te zien. Hitler verloor aldus zijn kans om Churchill op zijn eigen voorwaarden te ontmoeten, en Churchill weigerde eveneens om Hitler bij verschillende volgende gelegenheden te ontmoeten.
Fall from power 
Zoals de NSDAP haar macht geconsolideerd, diverse geschillen ontstaan tussen Hanfstaengl en de Duitse minister van Propaganda , Joseph Goebbels . Hanfstaengl werd in 1933 uit Hitler's staf gehaald. Hij en Helene scheidden in 1936. Hanfstaengl viel volledig buiten Hitler's gunst nadat hij werd aangeklaagd door Unity Mitford , een goede vriend van zowel de Hanfstaengls als Hitler.
In 1937 ontving Hanfstaengl de opdracht om te parachute in een gebied dat door de nationalistische kant van de Spaanse burgeroorlog werd ingenomen , om te helpen bij onderhandelingen. Terwijl hij aan boord was, vreesde hij een complot over zijn leven en leerde hij meer details van de piloot over de missie, die uiteindelijk toegaf dat hij Hanfstaengl had laten vallen op het door de republikein bewapende gebied, wat bijna een zekere dood zou betekenen. De piloot belandde uiteindelijk op een klein vliegveld in de buurt van Leipzig nadat hij een motorstoring claimde na een kort gesprek met Hanfstaengl, waardoor hij kon ontsnappen.
Deze versie van het verhaal was in zijn memoires met elkaar verbonden door Albert Speer , die verklaarde dat de 'missie' naar Spanje een uitgebreide praktische grap was, verzonnen door Hitler en Goebbels, ontworpen om Hanfstaengl te straffen nadat hij de Führer ontstemd had door 'ongunstig' te zijn. opmerkingen over de vechtlust van de Duitse soldaten in de strijd "in de Spaanse Burgeroorlog. Hanfstaengl kreeg verzegelde bevelen van Hitler die niet mochten worden geopend voordat zijn vliegtuig vluchtte. Uit deze orders bleek dat hij in "Red Spanish territory" zou worden gezet om als agent voor Francisco Franco te werken. Het vliegtuig, volgens Speer, cirkelde alleen maar over Duitsland met een steeds meer verbijsterde Hanfstaengl, waarbij valse locatierapporten werden gegeven om de indruk te wekken dat het vliegtuig steeds dichter bij Spanje kwam . Nadat de grap was uitgespeeld, verklaarde de piloot dat hij een noodlanding moest maken en veilig landde op de luchthaven van Leipzig . Hanfstaengl was zo gealarmeerd door de gebeurtenis dat hij kort daarna overliep.
In een interview aan het eind van de jaren zestig in zijn huis in Schwabing (München), zei Hanfstaengl dat hij ervan overtuigd was dat hij uit het vliegtuig zou worden gegooid en over Noord-Duitsland zou parachuteren. 
Hij maakte zijn weg naar Zwitserland en na het veiligstellen van de vrijlating van zijn zoon Egon uit Duitsland, verhuisde hij naar Groot-Brittannië, waar hij werd gevangengezet als een buitenaards wezen van een vijand na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog . Hij werd later verplaatst naar een gevangenkamp in Canada . In 1942 werd Hanfstaengl overgedragen aan de VS en werkte hij voor het "S-Project" van president Roosevelt, waarbij informatie werd onthuld over ongeveer 400 nazi-leiders. Hij verstrekte 68 pagina's met informatie over Hitler alleen, inclusief persoonlijke gegevens over het privéleven van Hitler, en hij hielp professor Henry Murray , de directeur van de Harvard Psychological Clinic, en psychoanalyticus Walter C. Langer en andere deskundigen om een ​​rapport voor deOSS heeft in 1943 de " Analyse van de Persoonlijkheid van Adolph Hitler " aangewezen . In 1944 werd Hanfstaengl teruggegeven aan de Britten, die hem aan het einde van de oorlog naar Duitsland repatrieerden . William Shirer , een CBS- journalist die tot 1940 in Nazi-Duitsland verbleef en regelmatig contact had met Hanfstaengl, beschreef hem als een 'excentrieke, slungelige man, wiens sardonische geest enigszins gecompenseerd werd voor zijn oppervlakkige geest'.
Hanfstaengl schreef Unheard Witness (1957) (later opnieuw uitgebracht als Hitler: The Missing Years ) over zijn ervaringen. In 1974 woonde Hanfstaengl zijn 65e Harvard Reunion bij, waar hij de Harvard University Band regelde over de auteurs van verschillende vechtliederen van Harvard. Zijn relatie met Hitler werd niet genoemd.
Hanfstaengl stierf in 1975 in München. In 2004 werd zijn verhaal verteld door de schrijver Peter Conradi in zijn boek Hitler's Piano Player: The Rise and Fall van Ernst Hanfstaengl, Confidante van Hitler, Bondgenoot van FDR .

Bundesarchiv Bild 183-R41953, Ernst Hanfstaengl.jpg

Geboren 2 februari 1887 
München , Beieren , Duitsland
Ging dood 6 november 1975 (88 jaar) München , Beieren , West-Duitsland
Alma mater Harvard universiteit

 

Hanfstaengl met Diana Mitford tijdens een Neurenberg-rally in 1934.

 

 

Met Hitler en Göring, 1932

 


Karl Hanke

Karl Augustus Hanke (Lauban, Silezië, 24 augustus 1903 - platteland Bohemen, 8 juni 1945) was een ambtenaar van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Hij diende als gouverneur (Gauleiter) van Neder-Silezië van 1940 tot 1945 en hij was ook voor veertig dagen in 1945 de laatste Reichsführer-SS.
Hij verklaarde de grote Duitse stad Breslau op bevel van Hitler tot Festung Breslau, dwong de bevolking lange tijd niet te evacueren voor het Rode Leger, dwong de Volkssturm barricades op te werpen, inspecteerde zelf de verdedigingswerken rond de stad, leidde maandenlang het verzet in de omsingelde stad, maar vluchtte dagen voor de overgave van de Festung (6 mei 1945) met een Fieseler Fi 156 Storch. Hij werd later in Bohemen op de vlucht uit een gevangeniskamp doodgeschoten door Tsjechen of Amerikanen.
Militaire loopbaan
SS-Anwärter: 15 februari 1934
SS-Sturmbannführer: 7 augustus 1934
SS-Obersturmbannführer: 20 april 1935
SS-Standartenführer: 15 september 1935
SS-Oberführer: 20 april 1937
Unteroffizier der Reserve (Heer): juli 1939
Leutnant der Reserve (Heer): 1939
Oberleutnant der Reserve (Heer): januari 1940
SS-Brigadeführer: 9 maart 1941 (met ingang van 30 januari 1941)
SS-Gruppenführer: 20 april 1941
Hauptmann der Reserve (Heer): 30 januari 1942
SS-Dienstaltersliste van 30 januari 1942 geeft aan de rang van Hauptmann in het Heer, maar de SS-DAL van 9 november 1944 blijkt het Leutnant der Reserve.
SS-Obergruppenführer: 30 januari 1944
Reichsführer-SS en Chef der Deutschen Polizei: 29 april 1945
Registratienummers
NSDAP-nr.: 102 606
SS-nr.: 203 113 (lid geworden 15 februari 1934)
Decoraties
IJzeren Kruis 1939, 1e klasse (1940) en 2e klasse (1940)
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e klasse en 2e klasse
Gewondeninsigne in zwart in 1939
Panzerkampfabzeichen in zilver in 1940
Ehrendegen des Reichsführers-SS
SS-Ehrenring
Gouden Ereteken van de NSDAP
Dienstonderscheiding van de NSDAP in zilver en brons
Gouden Ereteken van de Hitlerjeugd met Eikenloof op 30 augustus 1941
Duitse Orde op 12 april 1945 (voor de verdediging van Festung Breslau)
Erekruis voor de Wereldoorlog
Duits Olympisch Ereteken, 1e klasse in 1936 "Voor zeer bijzondere verdienste bij het organiseren van de spelen."
Ehrenwinkel der Alten Kämpfer
Dienstonderscheiding van de SS, 2e, 3e en 4e graad
Duitse Kruis in goud
Duitse Ruiter Onderscheiding in zilver in 1938

Karl Hanke, februari 1945

Karl Hanke, februari 1945
Bijnaam "Beul van Breslau"
Geboren 24 augustus 1903
Lauban, Silezië, Koninkrijk Pruisen
Overleden 8 juni 1945
platteland Bohemen, Tsjecho-Slowakije
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel SA-Logo.svg Sturmabteilung
Allgemeine-SS
Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1934 - 1945
Rang Reichsführer-SS Collar Rank.svg Reichsführer-SS
Eenheid 6. SS-Standarte
3. Panzer-Division (Wehrmacht)
7. Panzer-Division (Wehrmacht)
Leiding over Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Vice-president van de Reichskulturkammer
Gauleiter van Lager-Silezië
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Poolse veldtocht
Slag om Breslau

 


Ernst Heinkel

Ernst Heinkel (Grunbach, Württemberg, Duitsland, 24 januari 1888 - Stuttgart, 30 januari 1958) was een Duitse vliegtuigbouwer.
Hij studeerde vier jaar aan het Technisch Instituut in Stuttgart. Nadat hij enthousiast was geraakt door de zeppelins en in 1909 een luchtshow had bijgewoond, bouwde hij in 1910 zijn eerste vliegtuig, gebaseerd op de plannen van Henri Farman.
Na zijn studies kon hij aan de slag bij de Albatros Flugzeugwerke in Berlijn, waar hij de Albatros B.II ontwierp, een verkenningsvliegtuig dat in het begin van de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers werd ingezet. Tijdens de oorlog stapte Heinkel over naar de Hansa-Brandenburg Flugzeugwerken, waarvoor hij enkele watervliegtuigen ontwierp.
In 1922 richtte hij de Heinkel Flugzeugwerke in Warnemünde-Rostock op. Hij zorgde er daarbij voor dat Rostock in de eerste helft van de 20e eeuw de motor was achter de industrialisering in Saksen en van Rostock zelf een grootstad en technologie-centrum maakte. De Heinkel-fabrieken zouden op luchtvaartgebied niet minder dan 1352 patenten verzamelen.
Oorspronkelijk werden er watervliegtuigen en burgervliegtuigen gebouwd, maar later ook jachtvliegtuigen en bommenwerpers. Door het Verdrag van Versailles mocht Duitsland slechts in beperkte mate vliegtuigen bouwen. Om die reden ging Heinkel op zoek naar buitenlandse sponsors en partners.
Voor die buitenlandse partijen ontwierp Heinkel vliegtuigen, die dan weer onder licentie in het buitenland moesten gebouwd worden. Eén van die partners was de Japanse Keizerlijke Marine, waarvoor Heinkel watervliegtuigen liet bouwen in Zweden. In Duitsland werden die vliegtuigen alleen gebruikt in de burgerscheepvaart om een postverbinding te verzorgen met zeeschepen.
Toen Adolf Hitler aan de macht kwam, vormden de ontwerpen van Heinkel een essentieel onderdeel van de groeiende kracht van de Luftwaffe in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Daarbij gebruikte de luchtmacht zowel de Heinkel He 59, de Heinkel He 115 en de Heinkel He 111.
Ernst Heinkel ontving in 1938 samen met Willy Messerschmitt de Nationale Duitse Prijs voor Kunst en Wetenschap, de "Duitse Nobelprijs" en de daaraan verbonden 100 000 Rijksmark.
Heinkel was echter vooral bezeten door snelheid en hij vond in een zekere Wernher von Braun dan ook een geschikte partner. Von Braun, de latere vader van de Amerikaanse ruimtevaart, kreeg van Heinkel enkele vliegtuigen te leen om zijn raketmotoren te testen. In 1938 werd het allereerste vliegtuig (Heinkel He 176) met een raketmotor getest. Een jaar later bouwde Heinkel zijn eerste straalvliegtuig (Heinkel He 178).
Vooral de Heinkel He 111 werd op grote schaal ingezet bij de Slag om Engeland in 1940. Maar het vliegtuig bleek wel heel kwetsbaar te zijn voor luchtafweer en werd daarop vooral ingezet als trekvliegtuig voor zweefvliegtuigen en als mijnenlegger. Uiteindelijk werd de Heinkel He 111 vervangen door de Heinkel He 177, waarvan er door de nazi-regering meer dan duizend werden besteld.
Ernst Heinkel was echter, sinds hij begin jaren 30 zijn joodse medewerkers had moeten ontslaan, een bekend tegenstander van Hitler. In 1942 werd hij gedwongen zijn meerderheidsaandeel in zijn bedrijf over te doen aan Hermann Göring. Heinkel vertrok naar Wenen en begon daar een nieuw ontwerpbureau, waarin hij tot aan het einde van de oorlog werkte aan het ontwerp van de Heinkel He 274. Anderzijds zou hij in het Noorden van Duitsland gebruik hebben gemaakt van dwangarbeid van Russische, Nederlandse, Tsjechische, Belgische en Hongaarse gevangenen (concentratiekampen Barth bij Althagen, en Roevershagen) (Uwe Johnson, Jahrestage, p. 852-853).
Aan het einde van de oorlog werd Heinkel door de geallieerden in hechtenis genomen, maar toen zijn vijandschap met Hitler duidelijk bleek, werd hij weer vrijgelaten.
Heinkel kreeg toestemming om opnieuw als industrieel aan de slag te gaan. In 1950 begon hij in Stuttgart met de productie van motoren en scooters. In 1958 kwam hij in Speyer op zijn oude liefde terug en begon onder de naam Ernst Heinkel-Fahrzeugbau opnieuw met vliegtuigontwerp. Hij overleed kort daarna op 30 januari 1958 op 70-jarige leeftijd in Stuttgart. Het bedrijf werd in 1964 overgenomen door de Vereinigte Flugtechnische Werken-Fokker, dat nadien van naam zou veranderen in Pfalz-Flugzeugwerke.
De zwaar gebombardeerde fabriek van Heinkel in Rostock werd echter door de Russische bezettingstroepen ontmanteld, waarbij al het bruikbaar materiaal naar de Sovjet-Unie werd overgebracht. Van de hele fabriek staat alleen nog een bakstenen muur overeind. Die is sinds 1993 zelfs een beschermd monument.

Geboren 24 januari 1888 
Grunbach , Duitse rijk
Ging dood 30 januari 1958 (70 jaar) Stuttgart , West-Duitsland
Bezetting Duitse vliegtuigontwerper en -fabrikant
Awards Duitse nationale prijs voor kunst en wetenschap (1938)

 


Hermann Oberth

Hermann Oberth (Hermannstadt, 25 juni 1894 – Neurenberg, 29 december 1989) was een Duitse natuurkundige en raketpionier. Hij deelt, samen met Konstantin Tsiolkovski en Robert Goddard, de titel "Vader van de ruimtevaart".
Voor WO II
Jeugd

Oberth werd op 25 juni 1894 geboren in het toenmalige Hermannstadt, tegenwoordig onderdeel van Roemenië (Transsylvanië). Zijn vader was een welvarend arts. Toen hij op jonge leeftijd roodvonk kreeg, stuurde zijn familie hem naar Italië om aan te sterken. Op 11-jarige leeftijd gaf zijn moeder hem twee boeken van Jules Verne, Van de aarde naar de maan en De reis om de maan. Oberth raakte gefascineerd door de boeken en ontwierp drie jaar later, op 14-jarige leeftijd, zijn eerste raket. Hij zag de technische haalbaarheid van vloeibare brandstofraketten in; zo'n raket zou zich voortbewegen door uitstoot van uitlaatgassen.
In 1912 begon de 18-jarige Oberth zijn studie aan de Universiteit van München. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Oberth werd ingedeeld bij een medische eenheid te velde in het Oostenrijks-Hongaars leger. Hij kwam er niet zonder kleerscheuren af en raakte gewond. De jonge Hermann ging bij zichzelf te rade en concludeerde, dat zijn roeping niet in de medische sector lag.
Hij pakte zijn studie weer op, ditmaal natuurkunde. In die tijd deed niemand onderzoek naar aantrekkingskracht en de mogelijkheden van vloeibare raketbrandstof. Oberth vergaarde zijn kennis door eigenhandig proeven te doen op wiskundig en natuurkundig gebied. Hij voerde experimenten uit die gewichtloosheid simuleerden en ontwierp in 1917 een langeafstandsraket op vloeibare brandstof. Het Ministerie van Oorlog toonde hiervoor echter geen interesse.
Op 6 juli 1918 trad hij in het huwelijk met Mathilde Hummel, met wie hij vier kinderen kreeg. De Tweede Wereldoorlog ging niet aan het paar voorbij; twee kinderen verloren het leven.
Interbellum
Oberth realiseerde zich de voordelen van de meertrapsraket en schreef: "...Als een kleine raket boven op een grote wordt geplaatst en de grote wordt afgeworpen en de kleine ontstoken, worden hun snelheden bij elkaar opgeteld...". Tot 1922 was Oberth onbekend met het werk van Goddard in de VS en pas in 1925 kwam hij in aanraking met dat van Tsiolkovski. Hij voerde met beiden correspondentie en erkende dat zij eerder waren met het opstellen van hun formules.
Oberth deed onderzoek met vooraanstaande wetenschappers en publiceerde zijn proefschrift in 1922, maar dat werd afgewezen. Hij liet zich hierdoor niet uit het veld slaan en een jaar later zag het eerste concept van Die Rakete zu den Planetenräumen het levenslicht. Een uitgebreidere versie van 429 pagina's verscheen in 1929. Oberth leverde het wiskundige bewijs, dat een raket de ontsnappingssnelheid kon bereiken. Bovendien besprak hij de theorie, dat een raket in een vacuüm kon functioneren en sneller dan zijn eigen uitlaatgassen kon vliegen. Tevens stipte hij de gevolgen van ruimtereizen op het menselijk lichaam aan en ging in op de mogelijkheid om satellieten in een baan om de Aarde te brengen. Het boek leverde hem wijdverbreid erkenning op en vormde een inspiratiebron voor een groepje Duitse raketpioniers. Een enthousiaste jongeman, Wernher von Braun, legde zich toe op natuur- en wiskunde om Oberths vergelijkingen beter te kunnen begrijpen.
In 1929 verscheen Wege zur Raumschiffahrt, een boek waarin Oberth de ontwikkeling van de ionenmotor voorzag. Het leverde hem de Robert Esnault-Pelterie-André Hirsch Prijs op. Met de 10.000 franks financierde hij zijn onderzoek naar raketmotoren op vloeibare brandstof. Hij werd lid van de VfR (Verein fur Raumschiffahrt), die hem al spoedig tot president verkoos. Hij fungeerde als mentor voor de jonge Von Braun.
In 1931 accepteerde hij een docentschap in Roemenië en in 1931 verkreeg hij octrooi op een vloeibare brandstofraket, waarna hij terugkeerde naar Duitsland. Op 7 mei 1931 lanceerde hij in de omgeving van Berlijn zijn eerste vloeibare brandstofraket. In 1938 trad Oberth toe tot de faculteit van de Technische Universiteit in Wenen, vervolgens verkaste hij naar het Technisch College te Dresden.
WO II en later
Nazitijd

In 1940 werd hij Duits staatsburger en de nazi's wisten zijn kwaliteiten op waarde te schatten. Een jaar later plaatsten die hem over naar het raketonderzoekscentrum nabij Peenemünde, waar hij met Von Braun aan de V2 werkte. De geallieerden dreven het naziregime steeds verder in het nauw en Oberth werkte in Wittenberg aan vaste brandstofraketten voor de luchtverdediging. Na de ineenstorting van het regime en het begin van de Koude Oorlog vluchtte hij naar Feucht. In 1948 was hij als onafhankelijk raketadviseur werkzaam in Zwitserland; in 1950 hield hij zich bezig met vaste brandstof luchtdoelraketten in Italië, waarna hij in 1953 naar Feucht terugkeerde voor de publicatie van zijn nieuwe boek Menschen im Weltraum. Hij etaleerde vooruitstrevende ideeën aangaande ruimtepakken, elektrisch voortgedreven ruimteschepen en ruimtestations.
Na de oorlog
Zijn oude leerling Von Braun haalde hem in 1955 over om nogmaals samen te werken in de VS, waar Von Braun en vele andere Duitse raketgeleerden hun toevlucht zochten in het kader van Operatie Paperclip. Ditmaal toetste hij plannen voor nieuwe raketten op haalbaarheid. In november 1958 nam hij ontslag en keerde opnieuw naar Feucht in Duitsland terug. Hier trad hij als technisch adviseur in dienst bij Convair en assisteerde bij de ontwikkeling van de Atlas draagraket.
In 1962 ging hij met pensioen. Na zijn pensionering hield hij zich nog bezig met theoretische studies naar raketten. Hij bracht enige boeken met een meer filosofische benadering uit: Matter and Life (Stof und Leben, (1959)), Catechism of the Uranics en Primer For Those Who Would Govern (1984). In Stof und Leben betoogt Oberth onder meer, dat materialisme, de filosofie waarop het communisme zich baseert, niet deugt. Verder stelt hij dat de rede de ziel niet kan verklaren.
Overlijden
Hermann Oberth overleed op 29 december 1989 op 95-jarige leeftijd in Neurenberg. Als enige van de "Grote Drie" (Tsiolkovski, Goddard en Oberth) zag hij zijn dromen nog tijdens zijn leven verwezenlijkt worden. Zijn grafschrift vermeldt een citaat uit de Bijbel: "Gezegend zijn degenen die hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid". In Feucht bevindt zich thans het Hermann Oberth Raumfahrt Museum. Voor zijn vele wetenschappelijke verdiensten zijn de Oberthkrater op de maan en planetoïde 9253 Oberth naar hem vernoemd.

Hermann Oberth 1950s.jpg

Algemene informatie
Geboren Hermannstadt, 25 juni 1894
Overleden Neurenberg, 29 december 1989
Nationaliteit Duitsland (vanaf 1940)
Beroep natuurkundige
Bekend van raketpionier

Een van Oberths ontwerpen, Modell B, een tweetraps raket

 


Heinrich Hoffmann

Heinrich Hoffmann (12 september 1885 - 15 december 1957) was de officiële fotograaf van Adolf Hitler , en een nazi- politicus en een uitgever, die lid was van de intieme cirkel van Hitler. Hoffman's foto's vormden een belangrijk onderdeel van de propagandacampagne van Hitler om zichzelf en de nazi-partij te presenteren als een groot massaverschijnsel. Hij ontving royalties van alle gebruik van het imago van Hitler, zelfs op postzegels, waardoor hij miljonair werd in de loop van Hitler's regering. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij berecht en veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens oorlogsgeweld . Hij werd door de Art Looting Investigators van de geallieerden geclassificeerd als een "grote overtreder" inNazi- kunst plundering van joden, zowel als kunsthandelaar en verzamelaar en zijn kunstcollectie, die veel kunstwerken bevatte die waren geplunderd van de Joden, werd bevolen door de geallieerden in beslag genomen. Hij herstelde de kunst in 1956 in opdracht van de Beierse staat. 
Leven en carrière 
Na het afronden van zijn lagere schoolopleiding, trainde Hoffmann van 1901 tot 1903 als fotograaf . Tot 1909 vond hij werk in Heidelberg , Frankfurt aan de Main , Bad Homburg , Zwitserland , Frankrijk en Engeland . In 1909 bezat hij een fotografiewinkel in München en begon hij om te werken als persfotograaf. In 1913 richtte hij het beeldagentschap Photobericht Hoffmann op . In 1917 werd Hoffmann ingelijfd bij het Duitse leger en diende hij als fotocorrespondent bij de Beierse Fliegerersatz-Abteilung I in Frankrijk. In 1919 vervoegde Hoffmann de Beierse Einwohnerwehren , een rechtse burgersmilitie.Dat jaar was hij getuige van de kortstondige naoorlogse Beierse Sovjetrepubliek in München en publiceerde een verzameling foto's die hij had genomen als Ein Jahr bayerische revolutie in Bilde ("Eén jaar van de Beierse revolutie in de schilderkunst"). De begeleidende tekst van Emil Herold suggereerde een verband tussen de "Joodse kenmerken" die op de foto's te zien zijn en het linkse beleid van de onderwerpen. 
Hoffmann-foto zou Hitler hebben laten zien dat hij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op de Odeonsplatz in München had gevierd . De authenticiteit van de foto wordt betwist.
Een bekende foto van Hoffmann op de Odeonsplatz in München op 2 augustus 1914 toont blijkbaar een jonge Hitler in de menigte die het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog aanmoedigde . Dit werd later gebruikt in nazi-propaganda, hoewel de authenticiteit ervan in twijfel is getrokken. 
Hoffmann beweerde dat hij Hitler pas op de foto ontdekte in 1929, nadat de nazi-leider de studio van de fotograaf had bezocht. Toen hij hoorde dat Hoffmann de menigte op de Odeonsplatz had gefotografeerd, zei Hitler tegen Hoffmann dat hij daar was geweest en Hoffmann zei dat hij vervolgens het glasnegatief van het beeld doorzocht totdat hij Hitler vond. De foto werd vervolgens gepubliceerd in de editie van 12 maart 1932 van de Illustrierter Beobachter ("Illustrated Observer"), een nazi-krant. Na de oorlog werd het glasnegatief niet gevonden. 
Na jarenlange beschouwing van de foto kwam historicus Gerd Krumeich , een bekende Duitse expert over de Eerste Wereldoorlog, tot de conclusie dat Hoffmann het beeld had bewerkt. Krumeich onderzocht andere beelden van de betoging en kon Hitler niet vinden op de plaats waar de foto van Hoffmann hem plaatste. Ook, in een andere versie van de foto van Hoffman in het Beierse Staatsarchief , ziet Hitler er anders uit dan in de gepubliceerde afbeelding. Andere analisten hebben erop gewezen dat Hitler's snor in het beeld niet dezelfde stijl is die te zien is op foto's van Hitler terwijl hij in het Duitse leger diende . Ze wijzen er ook op dat Hitler niets vermeldt in Mein Kampfvan het zijn op de menigte van de Odeonsplatz. Als gevolg van de twijfel die deze overwegingen oproepen, hebben de curatoren van een tentoonstelling in Berlijn in 2010 over de Hitler-sekte een bericht geplaatst waarin staat dat ze niet konden instaan ​​voor de authenticiteit van de afbeelding. 
Nazipartij 
Hoffmann ontmoette Hitler in 1919 en vervoegde de nazi-partij op 6 april 1920. Hij nam deel aan de Beer Hall Putsch als fotografisch correspondent. Terwijl de nazi-partij werd verboden, vervoegde Hoffmann de kortstondige Großdeutsche Volksgemeinschaft en voegde zich in 1925 weer bij de nazi-partij. Het jaar erna richtte hij de Illustrierter Beobachter in . In november 1929 vertegenwoordigde hij de nazi-partij in de districtsvergadering van Opper-Beieren en van december 1929 tot december 1933 diende hij als gemeenteraadslid van München. In 1940 werd Hofmann lid van de nazi-Duitse Reichstag . 
Nadat Hitler het feest in 1921 had overgenomen, noemde hij Hoffmann zijn officiële fotograaf, een functie die hij meer dan een kwarteeuw bekleedde. Geen enkele andere fotograaf dan Hoffmann mocht foto's maken van Hitler, en Hoffmann zelf mocht geen foto's maken. Toen Hoffmann op de Berghof , Hitler's bergterugtrekking, een foto maakte van Hitler die speelde met de terriër van zijn meesteres Eva Braun . Hitler vertelde Hoffmann dat hij de foto niet kon publiceren, omdat "een staatsman zich niet laat fotograferen met een kleine hond." Een Duitse herdershond is de enige hond die een echte man waardig is.Hitler controleerde in alle opzichten zijn publieke imago strikt, liet zich in een nieuw jasje fotograferen voordat hij het in het openbaar zou dragen, aldus Hoffmann, en gaf in 1933 opdracht alle afbeeldingen van zichzelf die lederhosen droegen uit de circulatie te nemen. Hij drukte ook zijn afkeuring uit over Benito Mussolini en liet zich fotograferen in zijn badpak. 
De poging van Hoffmann om Hitler neer te zetten als de belichaming van het Duitse volk was moeilijk omdat hij het raciale profiel van het Noordse ras (dat wil zeggen lang en blond haar) miste , dat de nazi-nieuwe orde probeerde te behouden.Hoffmann probeerde Hitler in het beste licht te portretteren door meer te focussen op zijn ogen, die velen dromerig en hypnotiserend vonden. 
Hoffman's foto's vormden een belangrijk onderdeel van de propagandacampagne van Hitler om zichzelf en de nazi-partij te presenteren als een groot massaverschijnsel. In 1926 toonden Hoffman's beelden van de betoging van de partij in Weimar in Thüringen - een van de weinige Duitse staten waarin Hitler in die tijd niet werd verboden - het indrukwekkende marsverleden van 5.000 stormtroopers, voor het eerst begroet door Hitler met de rechtstreeks bewapende "Romeinse" of fascistische groet . Deze foto's werden afgedrukt in de belangrijkste nazi-krant, de Völkischer Beobachter , en werden door duizenden door heel Duitsland verspreid. Die betoging was de stamvader van de jaarlijkse massale bijeenkomsten van de partij die quasi-jaarlijks in Neurenberg werden gehouden .Later was Hoffmans boek, The Hitler Nobody Knows (1933), een belangrijk onderdeel van Hitlers zware inspanning om zijn publieke imago te manipuleren en te beheersen. 
Hitler en Hoffmann werden goede vrienden. Historicus Alan Bullock omschreef kort en bondig Hoffmann als een "aardse Beierse met een zwakte voor drinkpartijen en stevige moppen" die "genoten van de licentie van een hofnar" met Hitler.Hoffman maakte deel uit van het kleine feestje dat naar de gevangenis van Landsberg reed om Hitler te krijgen toen hij op 20 december 1924 werd vrijgelaten uit de gevangenis en zijn foto nam. Later dineerde Hoffmann vaak met Hitler op de Berghof of in het favoriete restaurant van de Führer in München, de Osteria Bavaria, roddelen met hem en het delen van verhalen over de schilders uit Schwabing die Hoffmann kende.Hij vergezelde Hitler op zijn ongekende verkiezingscampagne door de lucht tijdens de presidentsverkiezingen tegen veldmaarschalk Paul von Hindenburg in 1932. 
In het najaar van 1929 introduceerden Hoffmann en zijn tweede vrouw Erna zijn assistent in studio's in München , Eva Braun , aan Hitler. Hoffmann vond Hitler dat ze "een aantrekkelijk klein ding" was - Hitler gaf de voorkeur aan de vrouw om gezien te worden en niet gehoord - maar Braun achtervolgde hem actief en vertelde haar vrienden dat Hitler verliefd op haar was en beweerde dat ze hem zou laten trouwen met haar . Hoffmann meldt echter dat hoewel Braun uiteindelijk een inwoner van de Berghof werd - na de dood van Geli Raubal (zie hieronder) - en toen constant aan Hitlers zijde was gedurende de tijd dat hij met zijn privé-entourage was, zij niet meteen zijn meesteres; hij gelooft dat dat ooit is gebeurd, ook al is Hitler's uiterlijke houding tegenover haar nooit veranderd. Uiteindelijk, tot verbazing van zijn intieme cirkel, Hitler trouwde met Braun in de Führerbunker in Berlijn op 29 april 1945, en het paar begaanzelfmoord samen, de volgende dag. 
Op 17 september 1931 was Hitler met Hoffmann op reis van München naar Hamburg toen de Führer hoorde dat zijn nicht, Geli Raubal - die hij aanbad en hem vergezelde naar bijna alle sociale evenementen - zelfmoord had gepleegd door zichzelf te beschieten. In zijn naoorlogse memoires, Hitler Was My Friend , uitte Hoffmann de mening dat Raubal zichzelf had gedood omdat ze verliefd was op iemand anders dan Hitler, en Hitlers jaloerse jaloerse controle over haar leven niet kon nemen, vooral nadat hij erachter kwam dat zij had een affaire met Emil Maurice , Hitler's oude kameraad en chaffeur. 
Dienen aan het regime van Hitler
Toen Hitler de heerser van Duitsland werd, was Hoffmann de enige persoon die gemachtigd was om officiële foto's van hem te maken. De foto's van Hoffmann werden gepubliceerd als postzegels, ansichtkaarten, posters en prentenboeken. In navolging van Hoffmann's suggestie ontvingen zowel hij als Hitler royalty's voor alle gebruik van Hitler's imago, zelfs op postzegels, die zowel Hitler- als Hoffmann-miljonairs verdienden: de royalty-zegelrechten bedroegen in de loop van Hitler's regering minstens 75 miljoen dollar. 
In 1933 werd Hoffman verkozen tot de Reichsta die na de passage van de Enabling Act van 1933 een machteloze entiteit met weinig functie, behalve om te dienen als decor voor een deel van het beleid toespraken van Hitler was geworden.Als eenpartijstaat betekende een "verkiezing" in nazi-Duitsland het plaatsen van een stembriefje waarmee de kandidatenlijst van de Führer werd goedgekeurd; er werden geen alternatieve keuzes gepresenteerd of toegestaan.
Hitler met zijn staf op zijn veldhoofdkwartier " Wolf's Lair " in mei of juni 1940. Heinrich Hoffmann staat op de eerste rij helemaal rechts
De persoonlijke waardering die Hitler voor Hoffmann genoot, wordt aangegeven door het feit dat hij in 1935 de fotograaf toestemming gaf om een ​​beperkte oplage te geven van een portfolio van zeven schilderijen die Hitler in de Eerste Wereldoorlog had gemaakt, hoewel hij sinds hij kanselier was zijn wens om te worden gebagatelliseerd een schilder in zijn jeugd. In latere jaren verbood Hitler elke publicatie of commentaar over zijn werk als schilder. Ook in 1935, voor de 50ste verjaardag van Hoffmann, gaf Hitler de fotograaf een van zijn eigen schilderijen van de binnenplaats van de Alte Residenz ("Oud Koninklijk Paleis") in München, een favoriet onderwerp van Hitler's, en een die hij veel had geschilderd keer dat hij een worstelende kunstenaar was. Hoffmann kwam om minstens vier van de waterverf van Hitler te bezitten- één werd gekocht in 1944, wat de opmerking van Hitler uitlokte dat het "gek" zou zijn om er meer dan 150 of 200 mark voor te hebben betaald, hoogsten - die aan het einde door het Amerikaanse leger in beslag werden genomen van de oorlog en zijn nooit meer teruggebracht naar Duitsland. 
In 1937, toen de selectiejury Hitler ervoor had gekozen om de eerste grote Duitse kunsttentoonstelling samen te stellen om de opening van het Huis van de Duitse kunst in München furieus te maken en de Führer boos te maken met hun keuzes, verwierp hij het panel en stelde Hoffmann de leiding. Dit verontrustte de artistieke gemeenschap, die vond dat Hoffmann ongeschikt was voor de rol. Frederic Spotts, in Hitler en de esthetiek van de macht, meldt dat Hoffmann "een alcoholist en een cretin was die weinig meer van schilderen afweet dan de gemiddelde loodgieter." Hoffmann's antwoord aan zijn critici was dat hij wist wat Hitler wilde en wat hem zou aanspreken. Niettemin werden zelfs enkele keuzes van Hoffmann door Hitler van de tentoonstelling afgewezen; een kamer vol enigszins modernere schilderijen die Hoffmann als mogelijkheden had uitgekozen, werd boos door Hitler met een gebaar ontslagen. Hoffmann bleef verantwoordelijk voor de daaropvolgende jaarlijkse Great German Art Exhibitions, waarbij de voorlopige selecties werden gemaakt die vervolgens werden opgehangen voor goedkeuring door Hitler of een veto. Hoffmann gaf de voorkeur aan het conventionele werk van schilders uit Zuid-Duitsland, wat Propagandaminister Josef Goebbelsriep in zijn dagboek "Munich-school kitsch", over dat van de meer experimentele schilders uit het noorden. 
Samen met beeldhouwer Arno Breker , scenograaf Benno von Arent , architect Gerdy Troost en museumdirecteur Hans Posse , was Hoffmann een van de weinige mensen wiens artistieke oordeel Hitler vertrouwde. Hij schonk de eretitel van 'professor' aan Hoffmann in 1938, [22] wat hij deed voor veel van zijn favorieten in de kunst, zoals Leni Riefenstahl , de actrice en filmregisseur; architecten Albert Speer en Hermann Giesler ; beeldhouwers Breker en Josef Thorak ; Wilhelm Furtwängler , dirigent van het Filharmonisch Orkest ; en acteurEmil Jannings ; onder andere. 
Hoffman vergezelde Hitler op zijn staatsbezoek aan Italië in 1938, waarin de Führer veel werd ingenomen door de schoonheid van de Italiaanse steden Rome , Napels en Florence en de kunstwerken en architectuur die ze bevatten.Hoffmann was ook een van de partij die naar de Sovjetunie ging toen Minister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentrop in 1939 in het geheim het Non-Agressie Verdrag met Vyacheslav Molotov onderhandelde , waardoor Hitler Polen binnen kon vallen. Hitler vroeg Hoffmann specifiek om een ​​close-upfoto van de oorlellen van Stalin, waarbij hij dacht dat hij kon bepalen of de Sovjetleider Joods was of niet. Earlobes die "ingegroeide" waren, duidden op Joods bloed, terwijl degenen die "gescheiden" waren, Arisch zouden zijn; Hoffmann nam het vereiste beeld en Hitler bepaalde tot zijn eigen tevredenheid dat Stalin niet Joods was. Hitler zou Hoffman niet toestaan ​​om foto's van Stalin te publiceren als hij een sigaret rookte, en vond het ongepast om een ​​leider van Stalin's status op die manier te laten zien. 
Naast de introductie van hem bij Eva Braun, introduceerde Hoffmann Hitler ook bij kunsthandelaar Maria Almas Dietrich, die deze verbinding gebruikte om honderden schilderijen aan Hitler zelf te verkopen - voor de verzameling van Hitler's geplande Führermuseum in zijn woonplaats Linz, Oostenrijk - naar andere rangorde van nazi's en verschillende Duitse musea. In 1941 was Hoffmann de leider onder de vele nazi-stamhoofden die gebruik maakten van de bezetting van Nederlandom schilderijen en andere kunstwerken van Nederlandse dealers te kopen, soms tegen hoge prijzen. Dit dreef de kunstmarkt op, tot grote schrik van Hans Posse, die in opdracht van Hitler een verzameling voor het geplande museum had samengesteld. Posse deed een beroep op Hitler om er een eind aan te maken, maar Hitler weigerde het verzoek. 
Hoffmann was ook de persoon die Dr. Theodor Morell aan Hitler aanbood voor de behandeling van zijn eczeem . Morell, die lid was van de nazi-partij, werd Hitler's persoonlijke arts en behandelde hem voor talloze klachten met een arsenaal aan drugs , waaronder amfetaminen , cocaïne , oxycodon , barbituraten , morfine , strychnine en testosteron , die mogelijk hebben bijgedragen aan de gedegradeerde fysieke toestand van Hitler aan het einde van de oorlog. 
Na ongeveer 1941 begon Hoffman zijn gunst bij Hitler te verliezen, vooral omdat Martin Bormann - Hitlers persoonlijke secretaris nadat Rudolph Hess naar Schotland vloog in een onoplosbare poging om een ​​vredesovereenkomst te sluiten - hem niet mocht, en grotendeels gecontroleerde toegang tot Hitler had. Bormann gaf ook Hitler's verkeerde informatie en insinuaties over zijn rivalen voor Hitlers aandacht, zoals Hoffman. 
Familie 
Hoffmann trouwde met Therese "Lelly" Baumann, die erg gesteld was op Hitler, in 1911. Hun dochter Henriette ("Henny") werd geboren op 3 februari 1913 en op 24 oktober gevolgd door een zoon, Heinrich ("Heini") 1916. Henriette trouwde met de National Hitler Youth Leader Baldur von Schirach , die in 1932 inleidingen gaf bij veel van Hoffmanns prentenboeken. Therese Hoffmann stierf in 1928 plotseling en onverwacht.
Hoffmann hertrouwde kort daarna in 1929; zijn tweede vrouw was Erna Gröbke. 
Publicaties 
Tijdens het Derde Rijk verzamelde Hoffmann vele fotoboeken over Hitler, zoals The Hitler Nobody Knows (1933) - een boek dat Ron Rosenbaum noemt "centraal in Hitler's uiterst slimme, uiterst goed gecontroleerde poging om zijn imago te manipuleren ... om te draaien zijn notoir niet-Scandinavisch ogende vreemdheid, zijn veelbesproken vreemdheid, tot rijkdom aan zijn charisma " - en Jugend um Hitler (" Youth Around Hitler ") in 1934. In 1938 schreef Hoffmann drie boeken, Hitler in Italië , Hitler overreed Sudetenland ("Hitler bevrijdt Sudetenland") en Hitler in seiner Heimat ("Hitler in zijn huis").Zijn Mit Hitler im Westen("Met Hitler in het Westen") werd in 1940 gepubliceerd. Zijn laatste boek van deze periode, Das Antlitz des Führers ("Het gezicht van de Führer"), werd kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geschreven .
Na de oorlog publiceerde Hoffmann zijn memoires in 1955 in Londen onder de titel Hitler Was My Friend .
Adolf Hitler repeteert poseert voor zijn toespraken in foto's naar verluidt genomen in 1927.
Later leven
Hoffmann komt prominent voor in de OSS Art Looting Investigation Unit 's Reports 1945-46, Detailed Intelligence Report DIR N ° 1 draagt ​​zijn naam. Hij werd gearresteerd door het leger van de Verenigde Staten op 10 mei 1945, en hij werd later berecht en veroordeeld tot vier jaar voor oorlog woekerhandel . Het leger beschouwde hem als een "grote overtreder" en Werner Friedman noemde hem een ​​van de "greediest parasieten van de Hitler pest." Na zijn vrijlating op 31 mei 1950 vestigde hij zich in het dorpje Epfach in de regio München, waar hij zeven jaar later stierf op 72-jarige leeftijd. Zijn weduwe, Erna, bleef daar samen wonen met de voormalig stomme filmster Wera Engels .
Fotografisch archief 
Een groot archief van Hoffman's foto's werd tijdens de geallieerde bezetting van Duitsland in beslag genomen door het leger van de Verenigde Staten. Deze worden nu beheerd door de National Archives and Records Administration en vormen een belangrijke bron van afbeeldingen voor geleerden van nazi-Duitsland. Deze foto's zijn in het openbaar domein in de VS vanwege hun status als in beslag genomen Nazi-eigendom, anders zouden hun auteursrechten nog niet zijn verlopen. 
Er is ook een archief genaamd 'Bildarchiv Hoffmann', in de Beierse Staatsbibliotheek ( Bayerische Staatsbibliothek ) in München, Duitsland. 
Geheime foto's van Hitler 
Negen foto's gemaakt door Hoffmann onthullen hoe Adolf Hitler poses en handgebaren repeteerde voor zijn openbare toespraken. Hij vroeg Hoffmann om deze opnamen te maken, zodat hij kon zien hoe hij eruit zou zien voor zijn publiek, en gebruikte ze vervolgens om zijn uitvoeringen vorm te geven, die hij voortdurend aan het verfijnen was. Hitler vroeg dat de foto's worden vernietigd, een verzoek dat Hoffmann niet heeft geëerd.

Heinrich Hoffmann in 1945

 

 

Hoffmann-foto zou Hitler hebben laten zien dat hij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op de Odeonsplatz in München had gevierd . De authenticiteit van de foto wordt betwist.

 

 

 

 

 

 

 

Hitler met zijn staf op zijn veldhoofdkwartier " Wolf's Lair " in mei of juni 1940. Heinrich Hoffmann staat op de eerste rij helemaal rechts

 

 

 

 

 

Adolf Hitler repeteert poseert voor zijn toespraken in foto's naar verluidt genomen in 1927.

 

 

 

 

Youth Around Hitler , een Hoffmann-prentenboek

 


Hans Jeschonnek

Hans Jeschonnek (9 april 1899 - 18 augustus 1943) was een Duitse Generaloberst en een hoofd van de generale staf van de Luftwaffe van nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog . Hij pleegde zelfmoord in augustus 1943 nadat hij ten onrechte opdracht gaf luchtafweergeschut af te vuren op Duitse jagersvliegtuigen die in de buurt van Berlijn waren verzameld.
Het vroege leven en carrière 
Jeschonnek werd geboren in de Pruisische provincie Posen , de zoon van een leraar. Hij studeerde aan het cadetinstituut van Lichterfelde en werd in 1914 aangesteld als Leutnant . Hij begon zijn vliegcarrière in 1917. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog eindigde, had Jeschonnek twee vijandelijke vliegtuigen neergeschoten en ontving het IJzeren Kruis 1e Klasse en het IJzeren Kruis 2e Klasse. Met de oprichting van de Reichswehr , Jeschonnek deel aan de Silezische opstanden als lid van de Reichswehr ' s ruiters krachten. Daarna werkte hij onder Kurt Studentbij de afdeling legerofficieren en studeerde aan de generale stafopleiding , afstuderen in 1928. 
Na zijn afstuderen werkte Jeschonnek voor een afdeling van het Reichswehr ministerie, die verantwoordelijk was voor de bouw van vliegtuigen verboden door het Verdrag van Versailles . Hij werd de adjudant van Erhard Milch in 1933 en was een protégé van Walther Wever . Hij werd gepromoveerd tot kapitein in Bomber Wing 152 in maart 1934 en tot majoor op 1 april 1935. Jeschonnek diende als commodore van trainingsgroep III van lucht administratieve zone I in Greifswald , die vliegtuigen testte, vanaf 1 oktober 1936 - 1 oktober 1937. In het laatste jaar keerde hij terug naar de Luftwaffe- bediening en werd gepromoveerd totluitenant-kolonel . Jeschonnek werd op 1 februari 1938 de chef van de Luftwaffe Operations Staff en werd in november van hetzelfde jaar gepromoveerd tot Oberst . Op 1 februari 1939 verving Jeschonnek Hans-Jürgen Stumpff als de chef van de generale staf van de Luftwaffe , een functie die hij tot zijn dood bekleedde. Op 14 augustus 1939 werd hij gepromoveerd tot Generalmajor .
Tweede Wereldoorlog
Op de eerste dag van de invasie van Polen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog , riep Jeschonnek de Duitse ambassade in Moskou op om de Sovjet-Unie te verzoeken haar Minsk- radiostation voortdurend te laten identificeren, zodat Duitse piloten het voor navigatiedoeleinden konden gebruiken tegen Poolse doelen. Hij ontving het Ridderkruis van het IJzeren Kruis op 27 oktober 1939, nadat Polen verslagen was. Met het succes van de Luftwaffe in Polen en tijdens de slag om Frankrijk , werd Jeschonnek op 19 augustus 1940 gepromoveerd tot General der Flieger , waarbij hij de normale rang van Generalleunant overslaat.
Hoewel de Luftwaffe groot succes had tijdens de invasie van Polen en de Slag om Frankrijk , begon de slechte logistiek van de Luftwaffe te vertonen tijdens de campagnes tegen Groot-Brittannië , de Sovjet-Unie en de Middellandse Zee , vooral met de grote verliezen aan mankracht en materieel. Jeschonnek en Hermann Göring hadden de schuld, omdat ze de logistiek die betrokken was bij de campagne onderschat hadden. Omdat Groot-Brittannië doorging met " de Blitz ", stelde Jeschonnek in september 1940 voor dat de Luftwaffe een terreurbom zou moeten plegen Woonwijken van Londen , een suggestie geweigerd door Adolf Hitler . [5] Ondanks de Luftwaffe ' verzuim in de Battle of Britain, Jeschonnek werd gepromoveerd tot Generaloberst op 1 maart 1942.
Toegewijd loyaal aan Hitler en ruzie maken met Milch en Göring, ontving Jeschonnek in de loop van het jaar steeds meer kritiek van Hitler op de Luftwaffe , terwijl de capaciteiten van het filiaal tijdens de oorlog afnamen. Veldmaarschalk Albert Kesselring verklaarde:
Tijdens de oorlogsjaren was de meest indrukwekkende persoonlijkheid onder de chefs van de generale staf Generaloberst Jeschonnek - een ongewoon intelligente en energieke persoon. Zelfs Jeschonnek was echter niet sterk genoeg om Göring met succes te weerstaan ​​(af en toe slaagde hij erin Hitler te weerstaan) in zaken van doorslaggevend belang. Een zeer duidelijk gebrek aan harmonie bracht effectieve coördinatie tot stilstand. 
Als onderdeel van Operation Crossbow , geallieerde bombardementen getroffen Peenemünde in de nacht van 17-18 augustus 1943; Jeschonnek bestelde Berlin 'luchtverdediging s te schieten op 200 Duitse jagers, in de overtuiging dat het vijandelijke vliegtuigen, die ten onrechte hadden verzameld in de buurt van het Rijk ' hoofdstad s. Toen hij zich vergiste, schoot Jeschonnek zichzelf neer op 18 augustus 1943 in het hoofdkantoor van Luftwaffe Lager Robinson in Goldap , Oost-Pruisen . Na zijn dood werd hij vervangen door generaal der Flieger Günther Korten en tegelijkertijd Oberst Eckhard Christianwerd verplaatst naar Luftwaffe- Führungstab (personeel voor de richting van luchtoperaties). Een jaar later, op 1 september 1944, werd de laatste bevorderd tot Generalmajor en chef van de Luftwaffe- Führungstab op verzoek van Hitler.

Hermann Göring op de begrafenis van Jeschonnek

 

Het graf van Jeschonnek in Gołdap , woiwodschap Ermland-Mazurië , Polen .

 


Johannes Winkler

Johannes Winkler (Karslruhe, 29 mei 1897 – Braunschweig, 27 december 1947) was een Duitse raketpionier uit de jaren twintig en dertig uit de vorige eeuw.
Hij doorliep de basisschool in Karlsruhe en volgde middenschool in Oppeln. Na zijn afstuderen in 1915 aan de hogeschool in Liegnitz ging hij in dienst. Een jaar later raakte hij zwaargewond tijdens het Narotsj-offensief en bracht zeven maanden in het ziekenhuis door. Na genezing werd hij uit militaire dienst ontslagen en behaalde in mei 1918 een graad in werktuigbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Danzig.
Eerste kennismaking met raketten, VfR
In de jaren twintig kreeg hij belangstelling voor luchtvaart, astronomie en raketten. Winkler had een betrekking als werktuigkundige bij de vliegtuigfabriek Junkers. Samen met enkele andere enthousiaste medestanders richtte hij op 5 juni 1927 de VfR (Verein für Raumschiffart) op. De eerste vergadering vond plaats in een bierhuis te Breslau. Onder de eerste leden bevonden zich diverse personen, die later naam maakten als raketpionier. Naast Johannes Winkler vermeldde de ledenlijst onder anderen Max Valier, Rolf Engel, Willy Ley, Hermann Oberth, Walter Hohmann en Klaus Riedel. In 1930 voegde de 18-jarige Wernher von Braun zich bij het gezelschap. Winkler was de eerste president van de club en redigeerde tot eind 1929 het clubblad Die Rakete.
HW-I, eerste Europese raket op vloeibare brandstof
In datzelfde jaar nam hij ontslag bij Junkers om zich volledig aan de bouw van raketten te wijden, in eerste instantie op vaste brandstof. Hij kreeg een halfjaarcontract bij Junkers om alle types vaste brandstofraketten te onderzoeken. Na afloop werkte hij op contractbasis tot april 1931 nogmaals voor Junkers. De firma toonde interesse in een raketstart voor watervliegtuigen. Tussentijds werkte hij aan zijn eigen ontwerp.
Op 21 februari 1931 steeg de HW-I op. Die had een lengte van 60 cm en een startgewicht van ongeveer 10 kilo. Veel stelde het niet voor: de raket bereikte een hoogte van twee à drie meter. De raketmotor werkte op een mengsel van vloeibaar methaan en vloeibare zuurstof. Vijf jaar nadat Robert Goddard zijn eerste vloeibarebrandstofraket in de VS gelanceerd had, vloog het eerste exemplaar in Europa. Bij de tweede poging, drie weken later op 14 maart, waren stabilisatievinnen aangebracht. Ditmaal bereikte de raket een hoogte van 90 meter, maar boog daarna af en landde op 200 m van de startplaats. Hugo Hückel bood Winkler financiële ondersteuning, vandaar de afkorting HW.
HW-II
Na de geslaagde HW-I begon Winkler in mei 1931 met de ontwikkeling van opvolger HW-II. Hückel stelde voor om Winklers eigen lab in Dessau te verplaatsten naar de Raketenflugplatz, waar hij met anderen op een afgescheiden gedeelte aan het ontwerp verder kon werken. Hij verwachtte dat de HW-II, eveneens functionerend op een mengsel van vloeibaar methaan en vloeibare zuurstof, een hoogte van 5 km kon bereiken. De HW-II was met een hoogte van 1,90 m en 40 cm diameter aanmerkelijk groter dan zijn voorganger. Voor die tijd was het een vooruitstrevend ontwerp; de inlaatkleppen voor de stuwstoffen bestonden uit elektron, een nieuwe aluminium-magnesiumlegering. Zijn team verkreeg toestemming voor lancering op 6 oktober 1932 vanaf Frische Nehrung.
Toen Winklers team in de vroege ochtend de tanks ging vullen, lekten de kleppen. Niemand (de fabrikant evenmin) had rekening gehouden met corrosie onder invloed van zeelucht. Maar de lancering afblazen was geen optie. Regeringsvertegenwoordigers waren al naar hen op weg en marineschepen hadden het testgebied op zee reeds afgesloten. Zijn collega Rolf Engel schreef later: "... Wij besloten het risico te nemen en de hele raket vlak voor de start door te blazen met stikstof onder druk. Dat gebeurde, maar vermoedelijk niet grondig genoeg. Toen de ontsteking werd ingeschakeld, was er nog altijd voldoende explosief gas tussen de buitenwand, de tanks en de verbrandingskamer ...". Een halve seconde na het openen van de geroeste kleppen bracht een bougie het brandstofmengsel tot ontbranding. Het gelekte gas explodeerde en de raket sprong in talloze stukken uit elkaar.
Laatste jaren
Na deze deceptie keerde Winkler naar zijn oude broodheer Junkers terug. Hij hield zich slechts in zijn vrije tijd nog bezig met raketten, maar dat duurde niet lang. Het naziregime verbood alle particuliere raketonderzoek. Tijdens de oorlogsjaren werkte hij aan het Duitse militaire luchtvaartonderzoeksinstituut. Geen enkel ontwerp van zijn hand werd echter in productie genomen.
De oorlog eiste een zware tol van zijn gezondheid. Op 27 december 1947 overleed de 50-jarige Johannes Winkler in een vluchtelingenkamp te Braunschweig.
Nasleep
De mislukte lancering van de HW-II oefende een gigantische invloed uit op het verloop van de Duitse raketontwikkeling en Tweede Wereldoorlog. In plaats van het team van Winkler en Engel, nam het team van Von Braun nu het stokje over.

Johannes Winkler
Geboren 29 mei 1897 
Bad Carlsruhe , het Duitse Keizerrijk 
Pokój, Polen
Ging dood 27 december 1947 (50 jaar) - beroerte Braunschweig- Querum
Wetenschappelijke loopbaan
Fields Lucht- en ruimtevaarttechniek
instellingen -1939: VfR
1939-1945: Aeronautical Research Institute
1945-1947: Junkers
Notes
1e president VfR (1927)

2-Duits persoon in de Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5