Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog

De Slag om de Aleoeten

De Slag om de Aleoeten (3 juni 1942 - 15 augustus 1943) was de strijd tussen het Japanse Keizerrijk en de geallieerden om de Aleoeten, een eilandengroep ten westen van Alaska. Deze strijd maakt deel uit van de Tweede Wereldoorlog in Azië, die specifieker ook wel de Pacifische Oorlog genoemd wordt.
Achtergrond
Van geallieerde naar asmogendheid

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Japan het nog samen met de geallieerden tegen Duitsland opgenomen. Maar tijdens het interbellum veranderden de Japanse relaties met de westerse landen. Toen het Japanse leger in 1931 namelijk Mantsjoerije veroverde en de vazalstaat Mantsjoekwo oprichtte, werd deze actie veroordeeld door de Volkenbond. Bijgevolg stapte Japan in 1933 uit de Volkenbond, waarmee het definitief een imperialistische weg insloeg. Mede door zijn successen in Mantsjoerije had het Japanse leger de macht in Japan naar zich toe getrokken en was het land een militaire dictatuur geworden.
De Japanse expansiedrang leidde in 1937 tot de Tweede Sino-Japanse Oorlog. Door de verschillende incidenten,die daarmee gepaard gingen, raakte Japan meer en meer vervreemd van de Westerse landen. Bovendien vormde de Japanse aanwezigheid in China een bedreiging voor de westerse landen met economische belangen in China. Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten steunden dan ook het Chinese verzet. De VS namen verder ook economische maatregelen door in 1939 het handelsverdrag met Japan op te zeggen. Japan weigerde echter toe te geven aan het Westen. Het stationeerde in september 1940 troepen in het noorden van Frans-Indochina, om de invoer van wapens en materiaal in China te blokkeren. Later diezelfde maand ondertekende Japan het Driemogendhedenpact met nazi-Duitsland en Italië en maakte zo duidelijk welke kant het gekozen had.
Tweede Wereldoorlog
Voor Japan hield de ondertekening van het pact een oorlog met de VS in. Het komende jaar zou volledig gewijd worden aan het voorbereiden van Japans intrede in het wereldconflict. Door de successen van Hitler in Europa lag Zuidoost-Azië voor het grijpen: met de verovering van deze gebieden zou Japan niet meer afhankelijk zijn van de invoer van grondstoffen uit het buitenland en zou het zich kunnen opstellen als de nieuwe Aziatische grootmacht.
De enige spelbreker voor een dergelijk zuidelijk offensief zouden de VS zijn. Bijgevolg werd een strategie in drie fasen en op twee fronten uitgewerkt. Enerzijds werd er gewerkt aan een grootscheepse aanval op de Westerse gebieden in Zuidoost-Azië. Anderzijds werkte admiraal[2] Isoroku Yamamoto (山本 五十六, Yamamoto Isoroku) in het grootste geheim een aanval op Pearl Harbor uit om de Amerikaanse vloot buiten werking te stellen. Na deze eerste offensieve fase zou in een tweede fase het veroverde gebied beveiligd worden door verdere veroveringen van strategische punten. Daarnaast zouden de aanwezige grondstoffen in het veroverde gebied geëxploiteerd worden. In een laatste en derde fase zouden ze, gesteund door Duitsland en Italië, de Westerse landen tot vredesbesprekingen dwingen. Tijdens de gedetailleerde uitwerking van de aanvallen zou Japan de schijn ophouden dat het naar een diplomatieke uitweg bleef zoeken.
De VS had als reactie op de Japanse aanwezigheid in noordelijk Indochina (september 1940) al een embargo ingesteld op oud ijzer en staal, maar toen Japan in juli 1941 ook zuidelijk Indochina bezette, werd het Japans kapitaal in Amerika geblokkeerd en volgde er ook een embargo op olie. Dit voorbeeld werd meteen gevolgd door Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Japan sprak over een ABCD-blokkade (ABCD 包囲網, ABCD hōi mō), vanuit het Engels American, British, Chinese, Dutch. Voor Japan was er nu geen weg meer terug en moest er zo snel mogelijk aangevallen worden voordat de grondstofvoorraad op was.
Op 7 december 1941 viel Japan Pearl Harbor aan en het veroverde geheel volgens plan op enkele maanden tijd onder meer Hongkong, de Filipijnen, Malakka, Singapore, Nederlands-Indië en Birma. Het veroverde gebied, dat zich nu van Birma tot de Salomonseilanden uitstrekte, werd door Japan 大東亜共栄圏 (Romanisatie: Dai-tō-a Kyōeiken (Hepburn), Engels: Greater East Asia Coprosperity Sphere) genoemd. De tweede fase, het behoud van het veroverde gebied zou echter een veel zwaardere opgave zijn. Het keerpunt in de Pacifische Oorlog was de Slag bij Midway in juni 1942. In de schaduw van deze slag begon ook de aanval op de Aleoeten.
Japanse aanval
Voorbereiding
Japanse aanvalsplan

Het plan voor de aanval op de Aleoeten werd geconcipieerd door admiraal Yamamoto. De aanval zou gelijktijdig met de slag bij Midway plaatsvinden. Door een aanval op Midway hoopte Yamamoto de resterende Amerikaanse vliegdekschepen, die gestationeerd lagen in Pearl Harbor, in een hinderlaag te lokken en uit te schakelen. De volgende stap zou dan de verovering van Hawaï zijn. De aanval op de Aleoeten zou volgens sommigen een afleidingsmanoeuvre voor de Midway-operatie geweest zijn. Maar in recentere publicaties gaat men ervan uit dat Japan, door het veroveren en installeren van basissen op Midway en de Aleoeten, de controle over het noordelijke en centrale gebied van de Grote Oceaan wilde uitbreiden. Zo zouden ze voortaan luchtaanvallen als de Doolittle Raid op Tokio kunnen voorkomen.Ten slotte zou dit ook mogelijke militaire samenwerking tussen de VS en de Sovjet-Unie verhinderen.
Japan had van tevoren heel wat informatie verzameld over de Aleoeten, maar die informatie was niet meer actueel. De Japanners gingen ervan uit dat de VS dit gebied ondertussen sterk beveiligd zouden hebben. Zo veronderstelden ze ten onrechte dat er vliegdekschepen aanwezig waren en dat er kleine garnizoenen aanwezig waren op Attu, Adak en Kiska; de meest westelijke grotere eilanden. Het operatieplan voor de aanval op de Aleoeten was het volgende: een vloot, met onder andere 2 vliegdekschepen zou onder leiding van viceadmiraal Boshiro Hosogaya (細萱 戊子郎, Hosogaya Boshirō) uitvaren naar de Aleoeten. Daar zou er eerst een luchtaanval uitgevoerd worden op Dutch Harbor, de Amerikaanse marinebasis op Unalaska, centraal in de Aleoetenarchipel. Daarna zouden er amfibische aanvallen uitgevoerd worden op Attu, Adak en Kiska, en zouden Attu en Kiska bezet worden.
Amerikaanse voorbereidingen
De Verenigde Staten hadden echter de geheime code van de Japanse Keizerlijke marine gekraakt en waren rond 21 mei op de hoogte van de geplande aanvallen op Midway en de Aleoeten. Admiraal Chester William Nimitz, die aan het hoofd stond van de Amerikaanse vloot in de Grote Oceaan, zou zelf Yamamoto tegemoet gaan bij Midway, terwijl divisieadmiraal Robert A. Theobald de opdracht kreeg Dutch Harbor te behouden en een Japanse invasie in Alaska tegen te houden. Ze gingen er namelijk van uit dat Japan Dutch Harbor wilde innemen om zo naar het Amerikaanse continent op te trekken. Op 25 mei vertrok Theobald met een kleine vloot uit Pearl Harbor naar Kodiakeiland waar hij zijn schepen paraat zou houden voor de Japanse aanval.
Vertrek van de Japanse vloot
De Japanse vloot vertrok in drie eenheden vanuit Ominato (huidig Mutsu), in het noorden van Honshu. De eenheid met de vliegdekschepen, die Dutch Harbor zou aanvallen, vertrok op 25 mei. Op 28 mei en 29 mei volgden de twee andere eenheden, die zich zouden bezighouden met Attu, Adak en Kiska.
Luchtaanval op Dutch Harbor
De eenheid die Dutch Harbor zou aanvallen bestond uit de twee vliegdekschepen Junyo en Ryujo, en werd begeleid door verschillende kruisers en jagers. In de namiddag van 2 juni werd deze eenheid op ongeveer 1500 km ten zuidwesten van Dutch Harbor opgemerkt tijdens een Amerikaanse patrouillevlucht, en hielden de Amerikanen zich klaar voor de aanval.
Vroeg in de ochtend van 3 juni vertrokken Japanse vliegtuigen voor een eerste aanval op Dutch Harbor. Door het slechte weer bereikte slechts de helft ervan effectief Dutch Harbor. Toen ze echter hun bestemming bereikten, konden ze maar beperkte schade aanrichten omdat ze hevig onder vuur genomen werden. De volgende dag volgde er een tweede aanval, en dit keer met meer succes.[6] Bij het begin van de avond bereikten de Japanse vliegtuigen Dutch Harbor en troffen daar onder meer enkele brandstoftanks, het hospitaal en een op het strand getrokken schip. In tegenstelling tot de vorige dag wisten de Amerikanen die dag de Japanse vliegdekschepen wel te lokaliseren, maar ze slaagden er niet in om deze uit te schakelen.
Na afloop van de Japanse aanvallen waren er aan Amerikaanse zijde 43 doden en 64 gewonden gevallen. Verder waren er 11 Amerikaanse vliegtuigen vernietigd, tegenover zo'n 10 aan Japanse zijde. Al bij al was de schade dus vrij beperkt en kon Dutch Harbor operationeel blijven.
Verovering van Attu en Kiska
Ondertussen was de Midway-operatie rampzalig afgelopen voor de Japanse marine. Hosogaya annuleerde de landingen en wilde Yamamoto tegemoetkomen, maar Yamamoto beval Hosogaya om zijn missie toch nog uit te voeren, zodat er alsnog een succes kon worden gemeld aan het thuisfront. Op 6 juni landden ze op Kiska, waar ze een Amerikaans weerstation veroverden. De volgende dag werd ook Attu ingenomen. Er werd weinig weerstand geboden en later werden de Amerikaanse bemanning van het weerstation en de plaatselijke bevolking van Attu overgeplaatst naar kampen in Japan.
Op 10 juni werden de gebeurtenissen in gebruikelijke propagandastijl bekendgemaakt aan het Japanse volk. Men had het over succesvolle bombardementen op Midway en – belangrijker nog – over de voordelen van de bezetting van Attu en Kiska. De mogelijke 'noordelijke aanvalsroute' van de VS zou nu geblokkeerd zijn, en bij het Amerikaanse thuisfront zou het bericht van het verlies van Amerikaans grondgebied zwaar aangekomen zijn. In werkelijkheid werd de Japanse aanwezigheid pas diezelfde dag door de Amerikanen vastgesteld en werd dit niet bekendgemaakt aan het publiek.
Zonder de bezetting van Midway had de Japanse aanwezigheid op de Aleoeten niet veel belang meer. Ze konden immers geen patrouillevluchten uitvoeren tussen de Aleoeten en Midway. Niettemin werd er eind juni toch besloten om de eilanden te behouden en er landingsbanen aan te leggen.
Geallieerde tegenaanval
Zodra de Japanse aanwezigheid op Attu en Kiska vastgesteld werd, gingen de Amerikanen in de tegenaanval met bombardementen op Kiska. Ze kregen hier al snel de hulp bij van Canada, waardoor men kan spreken van een geallieerde tegenaanval. De komende maanden rukten ze geleidelijk aan verder op naar het westen. Op 30 augustus landden ze op Adak, op zo’n 400 km van Kiska, om er een landingsbaan aan te leggen die tegen 14 september operationeel was. Door de aanhoudende bombardementen op Kiska waren de Japanners er zeker van dat de VS vast van plan waren om de eilanden te heroveren. Tegen november hadden ze hun troepenaantal opgetrokken tot 1000 man op Attu en 4000 op Kiska.
In de winter werkte het slechte weer op de Aleoeten in het voordeel van Japan, en konden de geallieerde bommenwerpers nauwelijks hun werk doen. Niettemin werd er verder westwaarts opgerukt. Op 11 januari landden er Amerikaanse troepen op Amchitka, zo'n 100 km van Kiska, en werd hier begonnen met de aanleg van een landingsbaan. Twee weken later ontdekten de Japanners de Amerikaanse aanwezigheid op Amchitka: ze voerden enkele luchtaanvallen uit, maar die hadden weinig succes. Bijgevolg was de basis op Amchitka tegen 16 februari operationeel, zodat in februari en maart, onder betere weersomstandigheden, de luchtbombardementen op Kiska weer volop werden hervat.
Slag om de Komandorski-eilanden
Midden maart werd er besloten om de bevoorrading en versterking van de Japanse troepen te blokkeren. Met succes werden er enkele Japanse schepen tegengehouden en werd er een blokkadelinie ten westen van Attu opgetrokken. Deze linie stond onder het bevel van divisieadmiraal Charles H. McMorris en bestond uit 1 zware kruiser (USS Salt Lake City (CA-25)), 1 lichte kruiser (USS Richmond (CL-9)) en 4 torpedobootjagers. Zoals de Amerikanen verwacht hadden, stuurde Japan deze keer transportschepen naar de Aleoeten met een escorte. Deze escorte stond onder het bevel van viceadmiraal Hosogaya Boshiro en bestond uit 2 zware kruisers (Nachi en Maya), 2 lichte kruisers en 4 torpedobootjagers. Het treffen tussen de twee vloten vond plaats op 27 maart 1943 en wordt door de Amerikanen de ‘Slag om de Komandorski-eilanden’ genoemd, de dichtstbijzijnde eilandengroep. In Japan heeft men het echter over de ‘Zeeslag bij Attu’ (アッツ島沖海戦, Attutō oki kaisen). Bijzonder bij deze zeeslag was het feit er in het gevecht geen tussenkomst was van duikboten of vliegtuigen (op een verkenningsvliegtuig van Nachi na).
Verloop van de zeeslag
Een uur voor zonsopgang, om half acht, nam de Amerikaanse linie de Japanse vloot waar. McMorris, die zich op dat moment niet bewust was van het Japanse overwicht, besloot de vijand tegemoet te varen voor de aanval. De Japanse vloot werd zich kort daarop bewust van de Amerikaanse aanwezigheid en voer hen tegemoet, terwijl de transportschepen wegvoeren. Toen de Amerikanen de superieure slagkracht van de Japanse vloot vaststelden, besloot McMorris om koers te zetten naar de vluchtende transportschepen. Zo hoopte hij eventueel de transportschepen uit te schakelen of ervoor te zorgen dat de Japanse vloot zich zou opsplitsen, zodat hij hen beter kon bestrijden.
Geen van beide doelstellingen werd bereikt, doordat de Maya en de Nachi rond 08:40, op een afstand van ± 18 km het vuur openden op de Richmond en vervolgens op de Salt Lake City. Het vuur werd beantwoord en aan beide kanten ontstond lichte schade. Daarop begon de Amerikaanse vloot zich terug te trekken omdat ze geen kans maakte tegen het Japanse overwicht. Hosogaya ging in de achtervolging en nam de Amerikaanse kruisers onder vuur. Bij die achtervolging werd de Nachi geraakt op het middendek, waardoor ze een half uur lang buiten strijd was. Kort daarop werd ook de Salt Lake City geraakt door Maya, maar de schade bleef beperkt en het schip kon op volle snelheid verder varen. Na een uur achtervolging werd de Salt Lake City, die inmiddels met stuurproblemen te kampen had, zwaar geraakt, waardoor de voorste compartimenten onderliepen. McMorris besloot het schip te beschermen en liet de jagers een rookgordijn optrekken rond het schip. Niettemin werd de zware kruiser nog enkele keren geraakt, waardoor zijn motoren rond de middag enkele minuten uitvielen door problemen met de brandstofleidingen. Daarop stevenden de Amerikaanse jagers af op de Japanse kruisers om hen te bestoken met torpedo’s en de Salt Lake City buiten schot te houden. Beide kampen bestookten elkaar met succes. Een van de Amerikaanse jagers werd zwaar beschadigd en begon water te maken, waarop de jagers zich terugtrokken. Maar de Amerikaanse aanval bleek toch effectief geweest te zijn, want Hosogaya had de aftocht geblazen. Zijn jagers hadden niet veel brandstof meer en zijn kruisers zaten bijna door hun munitie. Bovendien vreesde hij dat er Amerikaanse bommenwerpers in aantocht waren.
Uitslag
De zeeslag eindigde dus onbeslist, maar met de aftocht van zijn vloot had Hosogaya – achteraf bekeken – een strategische fout begaan. Hij was zich niet bewust van de schade die hij bij de Salt Lake City aangericht had. Hoewel hij dus over superieure slagkracht beschikte en de overwinning voor het grijpen had, was hij tot de terugtocht overgegaan. Achteraf werd hij hiervoor uit zijn functie gezet. McMorris daarentegen zou gedecoreerd worden voor zijn optreden.
Het gevolg van deze zeeslag was dat Japan geen verdere pogingen meer ondernam om de troepen op de Aleoeten te versterken. Voortaan werden ze op kleine schaal bevoorraad door duikboten.
Herovering van Attu
Amerikaanse plannen

Plannen om de Japanse troepen van Kiska en Attu te verdrijven werden reeds in de winter gemaakt. Oorspronkelijk was het de bedoeling om eerst Kiska aan te vallen. Maar bij gebrek aan schepen voor de landing van de daarvoor benodigde troepenmacht, werd er uiteindelijk besloten om eerst het zwakker verdedigde Attu te heroveren. Terwijl de troepen getraind werden voor de landing en overgebracht werden naar de Aleoeten, werd het aanvalsplan voor de herovering van Attu verder uitgewerkt.
Het uiteindelijke plan voor operatie Landcrab, zoals het Amerikaanse leger deze invasie noemde, was het volgende. Het invasieleger zou uitvaren op 3 mei. Dit zou gebeuren onder escorte van een sterke vloot, die moest kunnen optreden ingeval de Japanse Noordelijke Vloot (第五艦隊, dai go kantai) in de buurt was. Nadat lucht- en scheepsbombardementen het terrein stormrijp gemaakt zouden hebben, zou dan de landing volgen. Eerst zou een verkenningseenheid landen in het noorden van het eiland, gevolgd door de landing van de hoofdmacht op Massacre Bay in het zuiden. Beide eenheden zouden dan landinwaarts naar elkaar toe gaan en de vijand op hun weg verdrijven. Vervolgens zouden ze gezamenlijk optrekken naar het Japanse basiskamp, dat op de noordoostelijke landtong, in Chichagof Harbor lag. In totaal zouden hiervoor 11000 manschappen ingezet worden, terwijl de Japanse bezettingsmacht, volgens hun laatste schattingen, uit zo’n 1600 à 1800 man zou bestaan. De hele operatie zou na drie dagen afgerond moeten zijn.
De Amerikaanse invasieplannen waren echter verre van volmaakt. De kaarten waarover ze beschikten bevatten slechts informatie over het kustgebied. Het weer en de ondergrond van Attu hadden ze nauwelijks in rekening gebracht. Een dichte mist is er namelijk eerder de regel dan de uitzondering, en door de warme zeestroom, afkomstig van Japan, is de toendra er niet bevroren maar drassig, en dus moeilijk begaanbaar. Ten slotte was ook de Japanse bezettingsmacht, met meer dan 2600 man, groter dan gedacht.
De herovering van Attu.
Het weer beïnvloedde de plannen van bij het begin. Door slecht weer moest de vloot een dag later (4 mei) vertrekken, werd de landing enkele dagen uitgesteld en werden ook de lucht- en scheepsbombardementen, die aan de landing moesten voorafgaan, verhinderd. Zo begon de invasie uiteindelijk op 11 mei.
In de ochtend landden er twee verkenningseenheden in het noorden op Beach Scarlet en Beach Red. De andere landingstroepen in het noorden en in Massacre Bay, moesten echter wachten tot de mist wat opgetrokken was in de namiddag. Ondertussen werden er wel al lucht- en scheepsbombardementen uitgevoerd op het Japanse basiskamp. Bijgevolg was kolonel Yasuyo Yamasaki (山崎 保代, Yamasaki Yasuyo), die aan het hoofd stond van de Japanse bezettingsmacht, op de hoogte van de Amerikaanse aanwezigheid. Hij liet dan ook de posities versterken die de passages tussen Massacre Valley en het basiskamp verdedigden. Het was pas rond vier uur dat de Amerikaanse gevechtstroepen landden op Beach Red in het noorden, en Beach Yellow en Beach Blue in Massacre Valley. De landingen ondervonden echter geen tegenstand, omdat ze verborgen bleven door de mist. Vijf uur later zou er zo’n 3500 man geland zijn: 400 op Beach Scarlet, 1100 op Beach Red, en 2000 in Massacre Valley.
Tegen die tijd waren de Amerikaanse troepen echter vast komen te zitten. De twee bataljons die in Massacre Valley landinwaarts getrokken waren, kwamen na 2,5 km onder vuur te liggen. Japanse troepen hadden positie genomen op heuvelkammen met zicht over de hele vallei, en hadden de Amerikanen tot stilstand gedwongen. Ook het noordelijk bataljon, dat op Beach Red geland was, stuitte op vijandig vuur en ging traag vooruit.
De volgende dag wist het noordelijke bataljon nog een Japanse stelling in te nemen op een heuvel (Hill X), die uitstak boven de Japanse posities verderop in Holtz Valley. Maar de volgende dagen zouden de Amerikanen niet meer vooruitkomen, ondanks de versterking van beide fronten met elk één bataljon. De Amerikanen verwachtten dan ook dat het veel tijd en manschappen zou kosten om door passages te raken die naar het Japanse basiskamp leidden. Bovendien werden nu ook de schepen, die nog steeds de Japanse stellingen beschoten, bedreigd. Op 12 mei had een Japanse duikboot een van de schepen aangevallen, zij het zonder succes.
Op 15 mei werd de impasse echter plots opgeheven. Toen de mist even opklaarde bleek dat de Japanse troepen, onder druk van de scheepsbombardementen, zich hadden teruggetrokken tot een heuvelkam (Moore Ridge) centraal in Holtz Valley. Dit liet de drie noordelijke bataljons toe zich te verenigen en verder op te trekken. Tegen het einde van de volgende dag wisten ze de Japanse troepen van die heuvelkam te verdrijven. Nu werd ook de flank bedreigd van Japanse troepen die de Amerikanen in Massacre Valley tegenhielden. Daarom liet kolonel Yamasaki die nacht (16-17 mei) zijn troepen verder terugtrekken naar Chichagof Harbor voor een laatste stelling.
De terugtrekking van het Japanse leger was het keerpunt in de slag om Attu. Op 18 mei konden de noordelijke en zuidelijke troepen zich verenigen en gezamenlijk beginnen met het optrekken naar het Japanse basiskamp. De Japanse troepen hadden zich nu met machinegeweren ingegraven op de heuveltoppen en het zou de Amerikanen nog twee weken kosten om hun stellingen een voor een uit te schakelen. Niettemin was de onzekerheid van de eerste week nu verdwenen en kwam de overwinning steeds dichterbij.
Op 29 mei werd de strijd op een ontstellende manier beëindigd. Kolonel Yamasaki en de resterende Japanse troepen besloten zich niet te zullen overgeven. Degenen die niet meer in staat waren om te vechten pleegden zelfmoord. Zij die wel nog konden vechten gingen in een allerlaatste aanval een ‘eervolle dood’ tegemoet. Die avond stormden ze door de Amerikaanse linie op een verraste achterhoede in Massacre Valley af. Zowat de helft van de aanvallers werd hierbij onderweg neergeschoten. De andere helft, die het Amerikaanse kamp bereikte, vocht tot de dood of blies zichzelf op met granaten. Slechts 28 Japanners gaven zich over en overleefden de aanval.
Deze aanval was de eerste van een reeks zelfmoordaanvallen die de Japanners hebben uitgevoerd aan het einde van de Pacifische Oorlog. De Amerikanen noemden het Banzai-aanvallen[9], omdat de Japanners bij deze aanval “Tennōheika banzai” (天皇陛下万歳) riepen, “Lang leve de keizer”. In Japan gebruikt men hier echter de metafoor gyokusai (玉砕) voor. Niet alleen de Amerikanen begrepen deze vergeefse verspilling van levens niet, maar ook keizer Hirohito (裕仁) keurde het af. Zelfmoordacties zouden immers pas in de latere stadia van de oorlog noodzakelijk kunnen worden. Het Japanse volk daarentegen juichte bij het nieuws van de gyokusai en riep de gesneuvelde soldaten uit tot nationale helden.
Voor de herovering van Attu hebben de Amerikanen een hoge tol moeten betalen. Van de 15000 man die uiteindelijk voor de operatie waren ingezet, waren er 549 gesneuveld, 1148 gewond in de strijd en ongeveer 2000 buiten strijd gesteld door ziekte of kwetsuren. De meest voorkomende aandoening was de loopgravenvoet. Bij het begraven van de gesneuvelden telden de Amerikanen 2351 Japanse doden, terwijl er tevoren nog enkele honderden wellicht door de Japanners zelf begraven werden.
Herovering van Kiska
Amerikaanse voorbereiding

De voorbereidingen voor de herovering van Kiska waren al begin mei, voor de landing op Attu, aangevat. De bloederige uitkomst van de slag op Attu beïnvloedde natuurlijk deze plannen. Zo werd de troepenmacht voor de landing bijna verdubbeld. Uiteindelijk werd het plan voor de herovering van Kiska, operatie Cottage genaamd, goedgekeurd op 22 juni. Een geallieerde troepenmacht van ongeveer 34000 man, waaronder 5500 Canadezen, zou op 15 augustus de grootscheepse landing uitvoeren. Men ging er immers van uit dat er ongeveer 10000 man aanwezig was op Kiska, en dat de strijd even zwaar zou zijn als die van Attu. Ondertussen werden de Japanse installaties op Kiska in de periode voor de landing (juni – juli) bijna dagelijks gebombardeerd.
Evacuatie van Kiska
Ook in het Japanse hoofdkwartier had men ondertussen lessen getrokken uit de slag om Attu. Er werd besloten dat de Japanse bezettingsmacht van Kiska geen nutteloze dood hoefde te sterven en ze gingen over tot de evacuatie van het eiland. Begin juni werden er al een 800-tal soldaten teruggebracht met duikboten, maar omdat er bij deze actie 3 duikboten onderschept waren, werd er van deze strategie afgestapt. Het grote obstakel voor de evacuatie was namelijk een grote Amerikaanse scheepsblokkade op weg naar Kiska. Daarom werd het plan opgevat om Kiska in één keer te evacueren met schepen onder dekking van de mist. Op 7 juli voer een eerste eenheid hiervoor uit, maar omdat de weersomstandigheden het niet toelieten moesten ze terugkeren.
Op 22 juli vertrok er een tweede reddingseenheid. Deze zag op 28 juli haar kans. De vorige dag hadden enkele schepen van de blokkade enkele stippen op hun radar waargenomen, en waren ze tot de aanval overgegaan in de overtuiging dat ze met Japanse schepen te maken hadden. De radar was in die tijd echter nog een nieuw en niet zo betrouwbaar instrument. Ze hadden op denkbeeldige doelen geschoten, en moesten bijgevolg tijdelijk terugkeren om de munitie weer aan te vullen en bij te tanken. Op dat ogenblik glipten de Japanse schepen, onder dekking van de mist, door het gat in de blokkade, en evacueerden in sneltempo de ongeveer 5200 op Kiska gestationeerde soldaten. Het hele eiland werd in amper 1 uur tijd ontruimd, waarbij ze al hun materiaal achterlieten. Tegen de tijd dat de Amerikaanse schepen weer terug in positie waren, waren de Japanners alweer weg. De bezetting van Kiska had uiteindelijk het leven gekost van ongeveer 2500 Japanse soldaten.
Landingsoperatie op Kiska.
De geallieerden, die van de evacuatie niets afwisten, gingen de komende drie weken echter door zoals gepland. Het ontruimde Kiska werd dag in dag uit gebombardeerd. Hoewel de berichten van piloten intussen aangaven dat het eiland weleens verlaten kon zijn, ging divisie-admiraal Thomas C. Kinkaid, die operatie Cottage mee zou leiden, ervan uit dat de Japanners, zoals op Attu, de bergen ingetrokken waren.
De landing ging dus door zoals gepland op 15 augustus. Troepen werden aan land gezet op de west- en oostkust van het eiland en trokken landinwaarts. De komende dagen heerste er verwarring en onzekerheid. Er werden verschillende schoten gehoord en gelost, maar er was geen enkele vijand meer te vinden. Verschillende soldaten werden het slachtoffer van het zogenaamde friendly fire, anderen van Japanse boobytraps en op zeker ogenblik voer een Amerikaanse jager tegen een mijn aan. Na afloop waren er meer dan 30 doden gevallen en 200 waren ziek of gewond. Op 24 augustus werd het eiland eindelijk veilig verklaard en daarmee was de strijd om de Aleoeten afgelopen.
Nabeschouwing
Historische betekenis

De strijd om de Aleoeten was een strijd om twee kleine eilanden die nauwelijks strategische waarde hadden. De Aleoeten konden dan wel beschouwd worden als een natuurlijke ‘noordelijke weg’ tussen Japan en Noord-Amerika, maar geen van beide kampen heeft deze ‘weg’ ooit echt in zijn plannen willen opnemen om tegen de vijand op te trekken.Door de afgelegen locatie en het lastige klimaat van de eilanden waren dergelijke plannen niet wenselijk. De hele strijd had meer dan een jaar geduurd en had vele levens gekost.Maar hij is in de geschiedenis haast volledig overschaduwd geworden door gelijktijdige gebeurtenissen in het zuiden, zoals de Slag bij Midway en de Slag om Guadalcanal.
Evacuatie van de Aleoeten
Een zwarte bladzijde in de Amerikaanse geschiedenis is de evacuatie van de plaatselijke Inuït-bevolking van de Aleoeten, eveneens ‘Aleoeten’ oftewel Unangan genoemd. Als gevolg van de Japanse aanval, werden ze in juni 1942 door het leger geëvacueerd en geïnterneerd in kampen op het vasteland. Van de 881 Unangan kwam ongeveer 10 procent om in deze kampen. Toen ze na de oorlog mochten terugkeren, waren vele van hun huizen geplunderd of in brand gestoken door het Amerikaanse leger. Een schadevergoeding en formele verontschuldiging van de Amerikaanse overheid voor de mensonwaardige omstandigheden in de kampen zou pas volgen in 1988.
Invloed van de slag op de media en kunst
De Slag om de Aleoeten mag dan wel in de marge van de geschiedenis verzeild geraakt zijn, maar zowel aan Amerikaanse als Japanse zijde zijn er inspanningen geleverd die aan de strijd op de Aleoeten herinneren. Naast de vele, vaak gespecialiseerde, publicaties van militaire geschiedkundigen, onderzoekers en veteranen, bereikten enkele memorabilia toch een ietwat breder publiek.
Tijdens de oorlog werden de gebeurtenissen op de Aleoeten in de Japanse media gebruikt voor propagandistische doeleinden. In het kader daarvan kan hier een schilderij van Tsuguharu Fujita (藤田 嗣治, Fujita Tsuguharu) vermeld worden. Deze Japanse schilder was enige tijd succesvol in Parijs, waar hij onder meer bevriend raakte met Picasso. Tijdens de oorlog verbleef hij in Japan en deed hij mee aan de oorlogspropaganda. In die context maakte Fujita het schilderij Attu Jima Gyokusai (アッツ島玉砕), over de zelfmoordaanval op Attu. Het schilderij werd drie weken na de feiten tentoongesteld.
In 2006 ging er ook een documentaire Red White Black & Blue in première op het filmfestival van Locarno (Zwitserland). In deze documentaire keren twee Amerikaanse veteranen terug naar Attu, en wordt er teruggeblikt op de strijd die er geleverd werd.

Aleutian Islands map.png

Datum 3 juni 1942 - 15 augustus 1943
Locatie Aleoeten
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Geallieerden:
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Verenigde Staten,
Vlag van Canada 1921-1957 Canada Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Leiders en commandanten
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Thomas C. Kinkaid
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Francis W. Rockwell
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Albert E. Brown
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Archibald Vincent Arnold
Vlag van Verenigde Staten (1912-1959) Simon Bolivar Buckner jr.
Vlag van Canada 1921-1957 George Pearkes
Vlag van Canada 1921-1957 Harry Wickwire Foster Vlag van Japan Boshirō Hosogaya
Vlag van Japan Kakuji Kakuta
Vlag van Japan Monzo Akiyama
Vlag van Japan Yasuyo Yamasaki †
Grote Oceaan
Pearl Harbor · Ambon · Marshall- en Gilberteilanden · Javazee (1) · Javazee (2) · Singapore · Doolittle · Koraalzee · RY · Aleoeten · Midway · Guadalcanal · Golf van Leyte · Iwo Jima · Okinawa
Slag om de Aleoeten
Dutch Harbor · Kiska · Komandorski · Attu · Cottage

 

Brandende gebouwen na de eerste Japanse aanval op Dutch Harbor.

 

 

Japanse troepen hijsen de Japanse oorlogsvlag op Kiska.

 

 

 

De Salt Lake City in actie tijdens de Slag bij de Komandorski-eilanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De herovering van Attu.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Landingsoperatie op Kiska.

 

 

 

Slag om de Atlantische Oceaan

De Slag om de Atlantische Oceaan is de strijd van 1939 tot 1945 tussen de Duitse Kriegsmarine en de geallieerde vloot. Tijdens deze langstdurende militaire campagne van de Tweede Wereldoorlog probeerden de Duitsers vooral met onderzeeboten de maritieme aanvoerlijnen van hun tegenstanders af te snijden.
Achtergrond
Groot-Brittannië was niet zelfvoorzienend en dit maakte het eiland afhankelijk van aanvoerlijnen over zee. Bovendien vond het leeuwendeel van de Angelsaksische oorlogsproductie plaats in de Verenigde Staten. Daarom was het voor Duitsland cruciaal om het scheepsverkeer in de Atlantische Oceaan onmogelijk te maken door meer vaartuigen tot zinken te brengen dan de geallieerden konden produceren. Deze uitputtingsslag zou vanaf 1943 in het voordeel van de geallieerden worden beslecht. In dat jaar werd nog vijfentwintig procent van de geproduceerde schepen door de Duitsers vernietigd, maar dit percentage liep terug tot minder dan elf in 1944.
In Engeland werd de Slag om de Atlantische Oceaan sinds het begin van 1941 geleid vanuit een ondergrondse bunker in Liverpool, het Western Approaches Command Center.
De oppervlakteschepen
De omvang van Duitse oppervlaktevloot viel in het niet bij die van de Royal Navy mede door de voorwaarden van het Verdrag van Versailles. Al in 1939 liep het slecht af met het vestzakslagschip Admiral Graf Spee. De Kriegsmarine vermeed daarom zorgvuldig de Britse oorlogsvloot en poogde met individuele aanvallen de geallieerde koopvaardijschepen te vernietigen. De Bismarck vernietigde in mei 1941 de HMS Hood. Enkele dagen later werd zij zelf echter tot zinken gebracht en de overgebleven slagschepen/slagkruisers Scharnhorst, Tirpitz, Gneisenau en Prinz Eugen werden teruggetrokken. Hoewel zij nog drie jaar lang een bedreiging zouden vormen en veel aandacht en materieel van de Royal Navy zouden eisen was hun offensieve rol uitgespeeld. De Scharnhorst en de Tirpitz zouden evenwel nog een tijd lang met wisselend succes de geallieerde konvooien aanvallen. Toen de Scharnhorst bij de Noordkaap naar de bodem werd gejaagd waagden de overige slagkruisers zich niet meer in open water. Na talloze en kostbare pogingen van de Royal Air Force werd in november 1944 de Tirpitz alsnog in de Tromsøfjord tot zinken gebracht.
De onderzeeboten
De Duitsers beseften het belang van het ontregelen van transport van Amerika richting Engeland en bedachten Operatie Paukenschlag om de Amerikaanse kustvaart te treffen. Dit was een zeer succesvolle militaire operatie die enorme verliezen toebracht aan de koopvaardij met 5000 doden en 609 gekelderde schepen. Zevenenvijftig U-boten had Duitsland in 1939 en in de jaren erna zouden er meer dan duizend bijkomen. Uiteindelijk werd driekwart tot zinken gebracht. Door de wolvenroedeltactiek zag het er tot 1943 nog naar uit dat de nationaalsocialisten de strijd in de Atlantische Oceaan zouden winnen. Als een U-boot een konvooi ontdekte volgde een gecoördineerde groepsaanval en zo zonken in 1941 meer dan twee maal zoveel schepen als de geallieerden konden bouwen.
"Het enige gevaar dat mij tijdens de oorlog werkelijk angst aanjoeg waren de U-boten" - Winston Churchill
Er vonden echter enkele gebeurtenissen plaats die het tij deden keren:
De ASDIC-sonar maakte het mogelijk om onderzeeboten op te sporen en te vernietigen.
De Amerikaanse oorlogseconomie kwam op gang en er kwamen meer oorlogsschepen die de konvooien konden escorteren.
De Enigmacodes werden gebroken waarna de locatie van de U-boten niet langer geheim was.
Werden in 1942 vijfentachtig onderzeeboten tot zinken gebracht, in 1943 was dit aantal gestegen tot tweehonderdenzevenentachtig. Bovendien konden de Britten en Amerikanen meer schepen produceren dan dat de U-Boten er konden vernietigen. Hierdoor werd de opbouw van troepen in het Verenigd Koninkrijk mogelijk en kon de invasie van het Europese vasteland worden georganiseerd. De meest succesvolle commandant voor de geallieerden in de bestrijding van de duikboten was Johnnie Walker, onder wiens commando een groot aantal Duitse U-boten tot zinken werd gebracht.
De air gap (gat in het luchtruim) was het gebied in de Atlantische Oceaan, waar de luchtmacht schepen geen bescherming kon bieden tegen de Duitse U-boten. Het sluiten van de air gap was voor de geallieerden een belangrijk doel. In mei 1943 slaagden de geallieerden er met B-24 Liberators in, de air gap te sluiten en dienovereenkomstig de operaties voor de U-boten moeilijker te maken.
Balans
Meer dan 3500 geallieerde schepen gingen verloren tegen 783 U-boten. De grote Duitse oppervlakteschepen werden uiteindelijk bijna allemaal vernietigd. Zesendertigduizend geallieerde matrozen en dertigduizend Duitse zeevarenden vonden de dood.

Officers on the bridge.jpg

Datum 3 september 1939 - 8 mei 1945
Locatie Atlantische Oceaan, Noordzee, Ierse Zee, Labradorzee, Saint Lawrencebaai, Caraïbische Zee, Golf van Mexico, Outer Banks en de Noordelijke IJszee
Resultaat Geallieerde overwinning
Verliezen
36,200 doden
36,000 bemanningen van koopvaardijschepen omgekomen
3,500 koopvaardijschepen gezonken
175 oorlogsschepen gezonken 30,000 doden
783 onderzeeërs gezonken

Duitse U boot

Slag om het Esperokonvooi

De Slag om het Esperokonvooi was één van de allereerste zeeslagen van de Tweede Wereldoorlog die werd uitgevochten tussen schepen van de Italiaanse Regia Marina enerzijds en schepen van de Britse Royal Navy en Australische Royal Australian Navy. De ‘ontmoeting’ vond op 28 juni 1940 plaats ten zuidwesten van Kreta, toen een strijdmacht van zeven kruisers en zestien torpedobootjagers, die drie geallieerde konvooien op weg naar Alexandrië escorteerden, een klein Italiaans konvooi in het oog kreeg. Het Italiaanse konvooi bestond uit drie torpedobootjagers die onderweg waren van Tarente naar Tobroek.
Achtergrond
Op 10 juni 1940 verklaarde Italië de oorlog aan Frankrijk en Groot-Brittannië. Het Italiaanse opperbevel (Comando Supremo), die een Britse aanval met pantsertroepen op de Cyrenaica voorspelde, besliste dat zo snel mogelijk een antitank-eenheid bij de havenstad Tobroek moest worden opgesteld. De eenheid bevatte tien pantserafweerkanonnen, 120 ton munitie en 162 militairen.
De twee strijdmachten
De Italianen kozen drie torpedobootjagers van de ‘Turbine’-klasse om de antitankeenheid naar Tobroek te transporteren. Deze schepen werden uitgekozen dankzij hun hoge snelheid en grote laadruimen. De gekozen torpedobootjagers waren de Espero (het vlaggenschip), de Zeffiro en de Ostro. De schepen van deze klasse konden snelheden van 36 knopen halen. De bevelhebber van het Italiaanse eskadron was kapitein Enrico Baroni.
Tegelijkertijd waren drie geallieerde konvooien (twee uit Malta en een vanuit Griekenland) onderweg naar Alexandrië, die geëscorteerd werden door zeven kruisers (twee lichte kruisers, de HMS ''Capetown'' en de HMS Caledon, de andere kwamen van het ‘7th Squadron’: de HMS Liverpool, de HMS Orion, de HMAS Sydney, de HMS Gloucester en de HMS Neptune) en zestien torpedobootjagers. Alle 32 schepen vielen onder het commando van vice-admiraal John Tovey. Verkenningsvliegtuigen uit Alexandrië en van Malta ondersteunden de geallieerde operatie.
De slag
De Italiaanse torpedobootjagers werden ’s middags op ongeveer tachtig kilometer ten zuidwesten van het eiland Zakynthos door twee watervliegtuigen van het type Short Sunderland opgemerkt. Ze waren binnen het bereik van Tovey’s strijdmacht, waarop de vice-admiraal de kruisers beval om de vijandige schepen van twee kanten te onderscheppen.
Om 18:30 lokale tijd begonnen de eerste salvo’s van de 6-inch kanonnen van de vijf geallieerde kruisers van een afstand van zestien km op het verraste Italiaanse konvooi neer te vallen. Baroni, die besefte dat hij ondanks de hoge snelheid van zijn schepen volledig kansloos was, probeerde om door middel van rookgordijnen de andere schepen te dekken en via ontwijkende manoeuvres zijn veel sterkere tegenstanders af te schudden. Terwijl Baroni op zijn vlaggenschip achterbleef om een ongelijke strijd aan te gaan voeren de Zeffiro en de Ostro op volle kracht naar het zuidwesten.
Pas om 19:20 trof een salvo vanaf 12,8 km de Espero. Tegen die tijd had Tovey de achtervolging van de andere twee torpedobootjagers afgebroken. De schepen van het 7th Squadron hadden ruim 5.000 granaten afgevuurd voordat de Espero was gezonken, na twee uur en tien minuten van zware strijd.
Een enkele 120-mm granaat raakte de Liverpool, maar veroorzaakte slechts lichte schade. De slag resulteerde in zo’n tekort aan munitie dat twee reeds geplande konvooien die vanuit Malta zouden vertrekken voor twee weken werden opgeschort. De HMAS Sydney redde 47 man van de Italiaanse torpedobootjager en zes anderen werden 22 dagen later levend door een Italiaanse onderzeeër opgepikt. Kapitein Baroni werd samen met zijn schip vermist en hij werd postuum onderscheiden met de Medaglia d’oro al valor militare. De Zeffiro en de Ostro bereikten de volgende dag Benghazi en arriveerden kort daarna in Tobroek. Uiteindelijk werd twee derde van het konvooi gered.
Nasleep
Uit deze slag volgden voor beide partijen twee belangrijke lessen. Voor de geallieerden was het dat bij operaties op zee bij daglicht op de lange afstand onwaarschijnlijk was dat het beslissend zou zijn als de vijandelijke eenheden sneller waren dan de eigen schepen. Voor de Italianen was dit een dreigende voorspelling van het belang van goed gecoördineerde surveillance vanuit de lucht. Als Italiaanse toestellen de geallieerde kruisers hadden gezien voordat ze binnen vuurbereik waren, zouden de drie torpedobootjagers ongedeerd zijn ontsnapt.

De HMS Liverpool, het vlaggenschip van vice-admiraal Tovey

De HMS Liverpool, het vlaggenschip van vice-admiraal Tovey
Datum 28 juni 1940
Locatie Middellandse Zee, ten zuidwesten van Kreta
Resultaat Geallieerde tactische overwinning
twee derde van de Italiaanse versterkingen bereikte zijn bestemming
Twee geallieerde konvooien vanuit Malta uitgesteld
Strijdende partijen
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy
Naval Ensign of Australia.svg Royal Australian Navy Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Regia Marina
Leiders en commandanten
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Vice-admiraal John Tovey Flag of Italy (1861-1946).svg Enrico Baroni
Troepensterkte
5 kruisers 3 torpedobootjagers
Verliezen
1 kruiser licht beschadigd 1 torpedobootjager gezonken
150-180 doden

Slag in de Filipijnenzee

De slag in de Filipijnenzee was de grootste zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen vliegdekschepen van de Verenigde Staten van Amerika en Japan. Deze zeeslag vond plaats op 19 en 20 juni 1944 in de Filipijnenzee.
Aanleiding
De Marianen zijn een eilandengroep in het westen van de Stille Oceaan en ten zuiden van Japan. Er zijn maar zes van deze eilanden bewoond waaronder het grootste eiland Saipan. De Filipijnse eilanden liggen tussen de Stille Oceaan en de Zuid-Chinese Zee verspreid rond het eiland Luzon. In 1898 scheidden deze eilanden zich af van Spanje, en werden tijdelijk een kolonie van de Verenigde Staten. In 1935 kregen ze zelfbestuur. Op 8 december 1941 bezette Japan deze eilanden.
De Amerikanen wilden deze eilanden heroveren om er vliegbasissen te kunnen aanleggen voor hun luchtmacht en moesten hierbij gebruikmaken van amfibische oorlogvoering. Dit is een militaire operatie die zowel door land- , zee- als luchtstrijdkrachten wordt uitgevoerd. Het Amerikaanse US Marine Corps en het Amerikaanse leger zouden Tinian, Guam en Saipan gaan bezetten maar moesten hiervoor eerst luchtoverwicht zien te verkrijgen. Bij deze operatie werd er gebruikgemaakt van Grumman F6F Hellcat deklandingsvliegtuigen. De gezamenlijke landing van de Amerikaanse strijdkrachten werd succesvol uitgevoerd op het eiland Saipan op 15 juni 1944. Japan reageerde hierop door het bevel te geven om de hele Amerikaanse vloot die deze landing ondersteunde, te vernietigen.
Slag in de Filipijnenzee
Posities innemen
Amerika

Bij deze operatie voerde admiraal Raymond Spruance het bevel. Vice-admiraal Marc Mitscher leidde de slag. Er werden voor de kusten van Taiwan, de Filipijnen en de Marianen circa negentien onderzeeërs geplaatst. Daarbij werden er nog negen duikboten van de Amerikaanse zevende vloot ingezet ter versterking en vijftien vliegdekschepen naar de Marianen gestuurd. Deze groep vliegdekschepen bestond uit zes schepen van de Essex-categorie, 8 schepen van Independence-categorie en de USS Enterprise (CV-6). Deze schepen bevatten in totaal 479 Grumman F6F-3 Hellcat waarvan 27 Grumman F6F-3N nachtjagers van het Amerikaanse nachtjagers detachement VF(N), uitgerust met een AN/APS-6 radar. In dit detachement zaten er ook nog drie F4U Corsair nachtjagers.
Japan
Bij de Japanners voerde viceadmiraal Takeo Kurita het bevel tijdens deze operatie. Hun vloot bestond uit vier slagschepen, drie vliegdekschepen, vijf kruisers en acht torpedojagers. Er werden hiernaast nog twee extra eenheden ingezet.
Eenheid ‘A’ onder het bevel van viceadmiraal Jisaburo Ozawa bestond uit twaalf schepen: drie vliegdekschepen (de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku), drie kruisers en zes torpedojagers.
Bij eenheid ‘B’ voerde Schout-bij-Nacht Joshima het bevel. Deze eenheid bestond uit drie vliegdekschepen: de Junyo, de Hiyo en de Ryujo en ook nog een slagschip en een paar torpedojagers.
Eenheden 'A' en 'B' bevatten samen 440 jagers- en aanvalsvliegtuigen. Deze werden daarbij ondersteund door de 61ste Japanse luchtvloot, met 630 vliegtuigen.[bron?]
De slag op zee
Terwijl de Japanners nog bezig waren met het samenstellen van hun vloot bracht de USS Harder (SS-257) al drie torpedojagers tot zinken voor de kust van Tawi Tawi (Filipijnen). De Amerikanen wonnen in snelheid door het gebruik van onderzeeërs. Toen de Japanse eenheid vertrok voor de slag werd dit eveneens gemeld door een observerende Amerikaanse duikboot. Door deze meldingen kreeg admiraal Spruance de tijd om Task Fors 58 (gelegen ten westen van de Marianen) gereed te maken om de landingsoperatie van de Amerikanen te dekken. Op 19 juni 1944 vielen de Japanners aan. Terwijl de Japanse luchtmacht hevige verliezen aan het lijden was, bracht de Amerikaanse onderzeeër USS Albacore (SS-218) het vliegdekschip Taiho tot zinken met driekwart van de bemanning nog aan boord en de Shokaku werd getorpedeerd en vervolgens ook tot zinken gebracht door de USS Cavalla. De volgende dag werd de Japanse vloot verrast bij het tanken en werden de Hiyo en twee tankers tot zinken gebracht. Drie vliegdekschepen waaronder de Zuikaku en een slagschip werden die dag beschadigd.
Slag in de lucht
Op 11 juni moesten de Amerikanen luchtoverwicht zien te verwerven door te jagen op vijandige toestellen. Task Force 58 (TF-58) haalde toen zeven Japanse verkenningsvliegtuigen uit de lucht waaronder een D4Y1-C Judy verkenningsbommenwerper.
Op 18 juni 1944 ontdekte viceadmiraal Ozawa door middel van verkenningsvliegtuigen de Amerikaanse vloot die zich voorbereidde op de landing van hun leger op Saipan. Ozawa zag af van een verrassingsaanval uit vrees dat zijn piloten 's nachts niet konden landen op vliegdekschepen.
De eerste aanvalsformatie of raid bestond uit 64 vliegtuigen die opstegen vanaf de Chitose, Chiyoda en Zuiho die kleinere vliegdekschepen waren. De Amerikanen zagen hen op de radar en stuurden 74 jachtvliegtuigen uit acht verschillende squadrons in de lucht, die 42 Japanse vliegtuigen uit de lucht schoten.De Japanners slaagden er wel in om de USS Dakota te raken met een bom.
Ongeveer een uur nadat de eerste aanvalsformatie werd geregistreerd op de Amerikaanse radar kwam de tweede golf er aan. Deze was de grootste opgezette aanval van de dag met 109 vluchten vanaf de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku die geconfronteerd werden met 162 Grumman F6F Hellcats. De Japanners zijn tot bij drie Amerikaanse vlooteenheden geraakt en konden hiervan een slagschip en vier vliegdekschepen aanvallen maar brachten slechts minimale schade toe. De Japanners verloren 97 vliegtuigen.
Bij de derde raid vertrokken er 47 vliegtuigen van de Junyo, de Hiyo en de Ryujo maar deze raid had weinig effect. De Japanners waren al snel binnen het bereik van de Amerikanen. Van de 47 vliegtuigen bleven er slechts zestien Mitsubishi A6M Zero’s over. Zestien Hellcats vielen deze aan. Er werden zeven Zero’s neergehaald en geen enkele Hellcat.
De vierde aanvalsformatie was een onderneming van de eerste en tweede vliegdekschependivisie en zond 82 vliegtuigen uit. 64 hiervan bereikten het doelgebied en werden vervolgens nog verder verspreid door ondoeltreffende aanvallen of landingspogingen op Guam. Er werden minstens 30 Japanse vliegtuigen neergehaald en 29 werden op de grond vernietigd.
Tijdens de tweede golf van aanvallen van de Japanners werd de Taiho geraakt door een torpedo en tot zinken gebracht. Dit was het schip van Ozawa, die nog tijdig kon ontsnappen. Ozawa verloor die dag 400 piloten en twee belangrijke vliegdekschepen. Hij wist zich twee dagen onzichtbaar te houden voor de Amerikaanse radar, wat hem genoeg tijd gaf om zijn schepen te hergroeperen. Op 21 Juni werd de Japanse vloot ontdekt door een Amerikaans verkenningsvliegtuig[5] en viceadmiraal Mitscher zond er 216 vliegtuigen op af. Boven elke groep vliegdekschepen en hun tankers, braken er luchtgevechten uit. Het vliegdekschip Hiyo werd vernietigd en de Chiyoda, de Haruma en de Zuikaku werden beschadigd. Toen Ozawa Okinawa bereikte, had hij 35 vliegtuigen over.
Bijnaam
De slag in de Filipijnenzee werd door de Amerikaanse piloten The Great Marianas Turkey Shoot "De grote kalkoenenschieting in de Marianen" genoemd wegens de enorme verliezen bij de Japanse lucht- en zeemacht. Deze hevige verliezen werden veroorzaakt door de Amerikaanse piloten en het Amerikaanse luchtafweergeschut.
De slag in de Filipijnenzee maakte deel uit van een grotere operatie. Deze operatie werd door de Amerikaanse planners, die de invasie op de eilanden bedacht hadden, Operatie Forager genoemd.
Nederlaag voor Japan
De Japanners verloren ongeveer 500 vliegtuigen die op de grond gestationeerd waren en 250 vliegtuigen in de lucht. De vliegdekschepen Shokaku, Taiho, Hiyo en twee ondersteunende tankers werden tot zinken gebracht. Vliegdekschip Zuikaku werd zwaar beschadigd. Vliegdekschepen Junyo, de Chiyoda, slagschip Haruna, de kruiser Maya en de torpedobootjager Shigure werden minder erg beschadigd.
Verliezen Amerika
De Turkey Shoot was voor de Amerikanen een succes zowel op technologisch vlak, als wat de training betreft. Desondanks hebben de Amerikanen bij deze slag toch een aantal verliezen geleden. Maar uiteindelijk konden ze dankzij hun suprematie in de lucht boven de Marianen toch de overwinning behalen. Amerika verloor in totaal ongeveer 130 vliegtuigen, waaronder ook vliegtuigen die niet tijdens het vechten verloren gingen. De USS South Dakota werd middelmatig beschadigd.
Herdenking slachtoffers
De Amerikanen hebben op 18 augustus 1978 op het eiland Saipan American Memorial Park opgericht. Hier worden alle slachtoffers van de hele Marianas campagne herdacht, zowel de gevallen soldaten als de burgers van de eilanden waarop er gevochten werd. Het museum over de Tweede Wereldoorlog legt vooral de nadruk op de Marianas Campagne. Dit wordt duidelijk doordat er in de inkomhal een opvallend portret ophangt van zowel de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt als de Japanse keizer Hirohito. Zij regeerden op het moment dat de campagne plaatsvond. Tussen deze twee portretten bevindt zich een aandenken aan de slachtoffers bij de plaatselijke bevolking van de Marianas. Er is in het park ook een monument opgericht waarop voor het 50ste jubileum van de invasie van Saipan de namen van de 5204 slachtoffers werden gebeiteld.

Japanse schepen worden aangevallen.

 

 

De Zuikaku wordt aangevallen.

 

 

 

 

 

Gevechtsvliegtuigsporen in de lucht boven TF-58 op 19 juni 1944.

The Court of Honor in American Memorial Park.

Slag in de Golf van Leyte

De Slag in de Golf van Leyte was een zeeslag in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vond plaats in de zeeën rond het eiland Leyte in de Filipijnen van 23 oktober tot en met 26 oktober 1944. De Japanners probeerden de geallieerde invasie op Leyte te verhinderen. In plaats hiervan brachten de geallieerde marines aan de numeriek zwakkere Japanse Keizerlijke Marine een belangrijke nederlaag toe. De Japanse marine was hierna geen strategisch wapen meer. De slag wordt vaak beschouwd als de grootste zeeslag in de geschiedenis.[1]
Deze zeeslag was ook de plaats van de eerste kamikazeaanvallen van de Japanners.[bron?] De Australische zware kruiser Australia werd op 21 oktober geraakt, en georganiseerde zelfmoordaanvallen door de "Speciale aanvalsmacht" begonnen op 25 oktober.
Wat voorafging
De gevechten in 1943 hadden het Japans Keizerlijk Leger van zijn bases op de Salomonseilanden verdreven. In 1944 hadden de geallieerden na een serie van landingen, ondersteund door vliegdekschepen, de Marianen veroverd. De geallieerde overwinning in juni in de Slag in de Filipijnenzee had de Japanse vliegdekschepen vernietigd en een geallieerd lucht- en zeeoverwicht verzekerd.
Hierdoor hadden de geallieerden keuzevrijheid bij het bepalen van hun volgende aanval. Admiraal Chester Nimitz was er voorstander van om de Japanse strijdkrachten in de Filipijnen op te sluiten en Formosa[2] aan te vallen. Het bezit van Formosa zou de geallieerden in staat stellen om de Japanse zeeroutes met Zuid-Azië af te snijden, en daarmee ook de Japanse garnizoenen aldaar te isoleren. Bij gebrek aan bevoorrading zouden deze dan niet lang kunnen standhouden.
Generaal Douglas MacArthur was voorstander van een invasie op de Filipijnen, die ook op de bevoorradingsroute naar Zuidoost-Azië lagen. De Filipijnen in Japanse handen laten zou ernstige schade aan het Amerikaanse imago toebrengen, en een persoonlijke belediging van MacArthur zijn, die in 1942 publiekelijk en plechtig had beloofd te zullen terugkeren. President Roosevelt werd ingeschakeld om het dispuut te beslechten; hij stelde zich achter MacArthur.
Voor de Japanners was het duidelijk welke opties voor de geallieerden openstonden. De opperbevelhebber van de vloot, Toyoda Soemu trof voorbereidingen voor vier 'overwinningsplannen': Shō-1 (捷1号作戦 Shō ichigō sakusen) was een belangrijke marineoperatie in de Filipijnen, Shō-2, -3 en -4 waren antwoorden op aanvallen op Formosa, de Riukiu-eilanden respectievelijk de Koerilen. Alle plannen behelsden compromisloze complexe agressieve operaties waarbij alle beschikbare strijdkrachten zouden worden ingezet voor een beslissende slag.
Toen Nimitz op 12 oktober een aanval met vliegdekschepen inzette op Formosa, om te zorgen dat de aldaar gestationeerde vliegtuigen niet bij de geplande invasie op de Filipijnen tussenbeide konden komen, zetten de Japanners plan Shō-2 in actie: een onophoudelijk stroom aanvallen werd op de vliegdekschepen losgelaten. Dit resulteerde echter in het verlies van 600 vliegtuigen in drie dagen waardoor de Japanse vloot bijna geen luchtdekking meer had.
Volgens plan Shō-1 zou dat de strijdmacht van viceadmiraal Jisaburo Ozawa de Amerikaanse derde vloot weglokken met een schijnbaar kwetsbare strijdmacht van vliegdekschepen. De geallieerde landingsstrijdmacht zou dan zonder luchtdekkingssteun vanuit het westen worden aangevallen door drie aanvalsgroepen. Die van viceadmiraal Takeo Kurita, gestationeerd in Brunei, zou de golf van Leyte binnenvaren en de geallieerde landingsschepen vernietigen; de strijdmachten van admiraal Shoji Nishimura en van viceadmiraal Kiyohide Shima zouden als mobiele aanvalseenheid fungeren. De laatste drie strijdkrachten zouden uit oppervlakteschepen bestaan.
Het was waarschijnlijk dat het plan zou resulteren in de vernietiging van een of meer van de drie strijdkrachten.
Toyoda rechtvaardigde dat later tegenover zijn ondervragers als volgt: wanneer de Filipijnen verloren zouden gaan en Japan zijn vloot kon behouden, kon deze of naar Japan terugkeren of naar het zuiden varen. In Japan was een tekort aan brandstof en in het zuiden was een tekort aan munitie en andere bevoorrading. Het zou dus nutteloos zijn de vloot te redden zonder de Filipijnen.[bron?]
De grote lijn van de gevechten
Kurita's strijdmacht voer op 24 oktober de Sibuyanzee in ten noordwesten van Leyte. In de Slag in de Sibuyanzee werd het eskader aangevallen door vliegtuigen van Amerikaanse vliegdekschepen. Het Japanse slagschip Musashi werd hierbij tot zinken gebracht. Toen Kurita omkeerde meenden de Amerikaanse piloten dat hij zich terugtrok, maar hij draaide opnieuw en voer 's nachts door de Straat van San Bernardino, om de volgende ochtend voor Samar te verschijnen.
Nishimura's strijdmacht koerste richting de Straat Surigao in het zuiden, waar ze om 03:00 op 25 oktober op een Amerikaanse strijdmacht stuitten. In de Slag in de Straat Surigao werden de Japanse slagschepen Fuso en Yamashiro tot zinken gebracht. Nishimura werd gedood, en het restant van zijn strijdmacht trok zich naar het zuidwesten terug.
Halsey vernam van de naderende eenheid van Ozawa en nam zijn vliegdekschepen mee in de achtervolging op 25 oktober. In de Slag bij Kaap Engaño bracht hij vier Japanse vliegdekschepen door luchtaanvallen tot zinken. Ozawa's overblijvende schepen vluchtten naar Japan.
Kurita arriveerde om 06.00 uur bij Samar. Met Halsey afwezig door zijn achtervolging van Ozawa, waren de enige aanwezige Amerikaanse strijdkrachten drie groepen escorte vliegdekschepen met hun begeleiding van torpedobootjagers. In de Slag bij Samar probeerden de Japanse slagschepen en zware kruisers tevergeefs door deze bescherming heen te breken. Onophoudelijke luchtaanvallen, torpedoaanvallen, slecht weer en bluf deden Kurita uiteindelijk besluiten zich terug te trekken, hoewel hij een aantal Amerikaanse schepen reeds zwaar beschadigd had.
Slag in de Sibuyanzee
Yamato aangevallen in de Sibuyanzee.
Kurita's "Strijdmacht Midden" bestond uit vijf slagschepen (Yamato, Musashi, Nagato, Kongo en de Haruna), en twaalf kruisers (Atago, Maya, Takao, Chokai, Myoko, Haguro, Noshiro, Kumano, Suzuya, Chikuma, Tone, en Yahagi), ondersteund door dertien torpedobootjagers.
Toen Kurita kort na middernacht op 23 oktober het eiland Palawan passeerde, ontdekten de onderzeeërs USS Dace (SS-247) en USS Darter (SS-227) zijn strijdmacht. Hoewel de radiooperator aan boord van de Yamato dit bericht opving, troffen de Japanners geen voorzorgen. De Darter bracht zowel Kurita's vlaggenschip Atago als de Maya tot zinken. De Takao werd beschadigd en keerde met twee torpedobootjagers terug naar Brunei, achtervolgd door de twee onderzeeërs. Op 24 oktober liep de Darter aan de grond. Alle inspanningen om haar weer los te krijgen faalden, en ze werd opgegeven.
Kurita overleefde de aanval van de onderzeeërs en bracht zijn vlag over naar de Yamato.
Om ongeveer 08:00 (24 oktober) werd de vloot door vliegtuigen waargenomen toen ze de nauwe ingang tot de Sibuyanzee invoer. De vliegtuigen waren afkomstig van het Amerikaanse vliegdekschip Intrepid. 260 vliegtuigen van de Intrepid, de Bunker Hill en andere vliegdekschepen van Task Group 38.2 vielen om 10:30 aan, daarbij treffers plaatsend op de Nagato, de Yamato, de Musashi en verscheidene andere schepen. De tweede golf vliegtuigen concentreerde zich op de Musashi en trof deze met zowel bommen als torpedo's. Toen deze terugtrok richting haven volgde een derde aanvalsgolf van de Enterprise die de Mushashi raakte met 11 bommen en acht torpedo's Kurita gaf zijn vloot bevel zich terug te trekken tot buiten het gebied van de vliegtuigen. Ze passeerden hierbij de zwaar gehavende Mushashi. Om 17:15 draaide hij opnieuw, nu richting de Straat van San Bernardino. De Musashi zonk uiteindelijk om 19:30.
Ondertussen had viceadmiraal Onishi Takijiro zijn Eerste Luchtvloot van 80 vliegtuigen, gestationeerd op Luzon, naar de vliegdekschepen Essex, Lexington, Princeton en Langley van Task Group 38.3 gestuurd. De Princeton werd door een pantserdoorborende bom geraakt en vloog in brand. Om 15:30 explodeerde het achterste munitiemagazijn. Tweehonderd zeelieden van de Princeton werden hierbij gedood, en nog eens 80 van de langszij liggende kruiser Birmingham. De Birmingham was zo zwaar beschadigd dat ze gedwongen was terug te keren. Ook andere schepen in de omgeving waren beschadigd. Alle inspanningen om de Princeton te redden waren vergeefs. Om 17:50 zonk ze.
Slag in de Straat Surigao
Nishimura's "Strijdmacht zuid" bestond uit de slagschepen Yamashiro en Fuso, de kruiser Mogami en vier torpedobootjagers. Zij werden op 24 oktober door bommenwerpers aangevallen maar leden slechts geringe schade.
Vanwege de strikte radiostilte die de Strijdmacht Midden en de Strijdmacht Zuid in acht moesten nemen, was Nishimura niet in staat zijn bewegingen met die van Shima en Kurita te coördineren. Toen hij om ongeveer 02.00 bij de nauwe Straat Surigao aankwam, was Shima 40 km achter hem, en Kurita nog in de Sibuyanzee, verschillende uren van de bruggenhoofden op Leyte verwijderd.
Bij het passeren van de kaap van het eiland Panaon liepen zij in een dodelijke val die de Amerikaanse Zevende vloot voor hen had opgesteld. Admiraal Jesse Oldendorf had zes slagschepen (Mississippi, Maryland, West Virginia, Tennessee, California en Pennsylvania), acht kruisers (waaronder Australia en Louisville), 29 destroyers en 39 torpedoboten.
Om door de straat de landingsgebieden te bereiken, moest Nishimura met zijn schepen spitsroeden lopen tussen de torpedo's van de torpedoboten, twee groepen torpedobootjagers ontwijken, en dit onder het geconcentreerde vuur van zes slagschepen. Deze werden dan weer door een kordon van kruisers en torpedobootjagers beschermd.
Om 03:00 werden de Fuso en de torpedobootjagers Asagumo, Yamagumo en Mishishio geraakt door torpedo's. De Fuso brak in tweeën, maar zonk niet.
Om 03:50 openden de slagschepen het vuur. De radarondersteunde vuurgeleidingsinstallaties stelden de Amerikanen in staat het vuur al te openen op afstanden waarop de Japanners nog niet konden terugschieten. De Yamashiro en Mogami werden kreupel geschoten door 16-inch (406 mm) pantserdoorborende granaten. De Shigure draaide terug, maar verloor de macht over het roer en stopte. De Yamahiro zonk om 04:19.
Om 04:25 bereikte Shima's strijdmacht van twee kruisers (Nachi en Ashigara) en acht torpedobootjagers de slag. Toen de Japanners de twee helften van de Fuso in zicht kregen, zagen zij deze aan voor de wrakken van de twee slagschepen van Nishimura. Shima realiseerde zich het hopeloze van een poging door deze nauwe zeestraat op te stomen, en beval een terugtocht. Zijn vlaggenschip Nachi kwam hierbij in aanvaring met de Mogami, waarbij het roercompartiment van de laatste onder water kwam te staan. Mogami raakte bij de terugtocht achterop en werd de volgende ochtend door Amerikaanse vliegtuigen tot zinken gebracht.
De voorste helft van de Fuso werd door de Louisville tot zinken gebracht, de achterste helft zonk bij het eiland Kanihaan.
Van Nishimura's strijdmacht van zeven schepen overleefde alleen de Shigure het gevecht.
Yamashiro was het laatste slagschip dat het gevecht aanbond, en een van de weinige die door een ander slagschip tot zinken werden gebracht.
Slag bij kaap Engaño
Ozawa's "Strijdmacht Noord" had de beschikking over vier vliegdekschepen Zuikaku, Zuiho, Chitose, en Chiyoda; twee gedeeltelijk tot vliegdekschip omgebouwde slagschepen (Hyuga en Ise) waarbij de achterkanons waren vervangen door een vliegdek, katapult en hangar, maar die geen van beiden vliegtuigen droegen; drie kruisers (Oyodo, Tama, en Isuzu), negen torpedobootjagers en 108 vliegtuigen.
Op 24 oktober werd Ozawa's strijdmacht pas om 16:40 opgemerkt. De Amerikanen waren te druk bezig met de aanval op Kurita en de luchtaanvallen vanaf Luzon. Op de avond van 24 oktober kreeg Ozawa per abuis een Amerikaans bericht over Kurita's terugtocht[bron?], en trok zich daarop eveneens terug. Maar om 20.00 gaf Toyoda Soemu alle strijdmachten opdracht aan te vallen.
Halsey zag dat hij een gelegenheid had om de laatste Japanse vliegdekschepen in het gebied van de Grote Oceaan te vernietigen, Zo'n slag zou de Amerikaanse marine de absolute heerschappij bezorgen, en de Amerikaanse marine in staat stellen het Japanse thuisland aan te vallen. Hij dacht dat Kurita verslagen was door de luchtaanvallen in de Sibuyanzee en zich terugtrok richting Brunei. Daarom zette Halsey de achtervolging van Ozawa in met alle drie groepen vliegdekschepen, en met de "Task Force 34" met slagschepen onder admiraal Willis A. Lee. Hoewel Kurita's koers naar de Straat van San Bernardino was waargenomen, was deze informatie waarschijnlijk niet aan Halsey doorgegeven.
De Amerikaanse Derde Vloot was een formidabele strijdmacht, in alle opzichten de meerdere van de Japanse Strijdmacht Noord. Halsey beschikte over negen vliegdekschepen (Intrepid, Hornet, Franklin, Lexington, Bunker Hill, Wasp, Hancock, Enterprise, en Essex), acht lichte vliegdekschepen (Independence, Princeton, Belleau Wood, Cowpens, Monterey, Langley, Cabot, en San Jacinto), zes slagschepen (Alabama, Iowa, Massachusetts, New Jersey, South Dakota, en Washington), zeventien kruisers en 63 torpedobootjagers. Hij kon meer de 1000 vliegtuigen inzetten. Maar het liet de landingsplaatsen op Leyte kwetsbaar achter, slechts bewaakt door enkele vliegdekschepen en torpedobootjagers.
Halsey hapte in het aas dat Ozawa hem zo verleidelijk voorhield.
In de ochtend van 25 oktober liet Ozawa 75 vliegtuigen opstijgen om de aanval op de Amerikanen in te zetten. Deze aanvallen richten slechts weinig schade aan. De meeste vliegtuigen werden neergehaald door Amerikaanse patrouillerende jachtvliegtuigen. Een handvol overlevenden haalde Luzon.
De Amerikaanse vliegdekschepen lanceerden hun eerste aanval bij dageraad met 180 vliegtuigen voordat Strijdmacht Noord precies gelokaliseerd was. De zoekvliegtuigen maakten om 07.10 contact. Om 08.00 uur vernietigden Amerikaanse jagers het beschermende luchtschild van 30 Japanse vliegtuigen. Hierna konden de luchtaanvallen beginnen, die tot de avond voortduurden. De Amerikanen hadden toen 527 vluchten tegen Strijdmacht Noord uitgevoerd. Daarbij hadden ze drie van Ozawa's vliegdekschepen (Zuikaku, Zuiho en Chiyoda) en de torpedobootjager Akitsuki. Het vierde vliegdekschip, Chitose, was buiten gevecht gesteld, evenals de kruiser Tama. Ozawa bracht zijn vlag over naar de Oyodo.
Met alle Japanse vliegdekschepen buiten gevecht gesteld, waren de omgebouwde slagschepen Ise en Hyuga de voornaamste doelen geworden. Hun stevige constructie bleek tegen luchtaanvallen bestand en Halsey stuurde Task Force 34 naar voren om in een vuurgevecht met hen af te rekenen. Toen bereikte Halsey echter bericht over het gevecht bij Samar en de naderende ramp van Sprague's Task Group 77.4. Hij brak de achtervolging af en keerde naar het zuiden, slechts een kleine eenheid van torpedobootjagers en kruisers onder Laurence T. DuBose achterlatend om de Japanse schepen tot zinken te brengen. Ise en Hyuga keerden naar Japan terug, waar ze in 1945 op hun ankerplaats tot zinken werden gebracht.
Slag bij Samar
Kurita voer op 25 oktober 1944 om 03.00 door de Straat van San Bernardino en koerste zuidwaarts langs de kust van Samar.
Om hem te stoppen waren er drie groepen van admiraal Thomas Kinkaid's Zevende Vloot. Iedere groep bestond uit zes escortevliegdekschepen en zeven of acht torpedobootjagers.
Admiraal Thomas Sprague's Task Unit 77.4.1 ("Taffy 1") bestond uit: Sangamon, Suwannee, Chenago, Santee, Saginaw Bay, en Petrof Bay.
Admiraal Felix Stump's Task Unit 77.4.2 ("Taffy 2") bestond uit: Natoma Bay, Manila Bay, Marcus Island, Kadashan Bay,
Savo Island, en Ommaney Bay.
Admiraal Clifton Sprague's Task Unit 77.4.3 ("Taffy 3") bestond uit: Fanshaw Bay, St Lo, White Plains, Kalinin Bay, Kitkun Bay, en Gambier Bay.
Ieder escortevliegdekschip droeg ongeveer 30 vliegtuigen, gezamenlijk meer dan 500 toestellen. De vliegdekschepen waren langzaam en slechts licht gepantserd en waren in een korte afstandsontmoeting met een slagschip kansloos.
Een misverstand in de communicatie leidde Kinkaid ertoe te geloven dat Willis A. Lee's Task Force 34 van slagschepen de Straat van San Bernardino in het noorden bewaakte. Hij verwachtte dus geen gevaar uit die richting, maar Lee achtervolgde met Halsey Ozawa. De Japanners stuitten om 06.45 op Taffy-3. De verrassing aan Amerikaanse zijde was volledig. Kurita verwarde de escorte vliegdekschepen met transportschepen en meende dat hij de hele Amerikaanse Derde Vloot voor de loop van zijn 18-duims kanons had.
Sprague gaf zijn vliegdekschepen opdracht om te draaien en van de vijand weg te stomen. Hij hoopte dat het slechte zicht de nauwkeurigheid van het Japanse kanonvuur zou verminderen. Ook stuurde hij zijn torpedobootjagers ten aanval, in de hoop dat deze de Japanse opmars konden vertragen. Deze torpedobootjagers vielen de Japanse formaties aan en trokken het vuur naar zich toe. De Japanse formaties werden door de torpedoaanvallen verbroken toen de Japanse schepen probeerden de torpedo’s te ontwijken. De Yamato raakte tussen twee torpedo's op evenwijdige koers en draaide tien minuten lang van de Amerikaanse vloot af. De Japanse slagschepen wisten de Amerikaanse torpedobootjagers Hoel, Johnston, en Samuel B. Roberts tot zinken te brengen, terwijl vier anderen beschadigd werden.
De aanval door de torpedobootjagers stelde Sprague in staat om zijn vliegtuigen in de lucht te brengen. Er was geen tijd om de vliegtuigen met pantserdoorborende bommen te herladen; de vliegtuigen stegen op met wat zij aan boord hadden - in sommige gevallen met dieptebommen. De vliegdekschepen van Sprague draaiden weg naar het zuiden, terwijl de granaten rondom hen in zee vielen. De Gambier Bay in de achterhoede werd tot zinken gebracht, terwijl de meeste anderen schade opliepen.
Gedurende enige tijd leek het onmogelijk dat Taffy-3 aan een algehele vernietiging zou ontkomen, maar om 09.20 keerde Kurita om en trok zich naar het noorden terug. De aanvallen door de Amerikaanse torpedobootjagers hadden zijn formaties verbroken en hij had de tactische controle verloren. De zware kruisers Chokai, Suzuya, Chikuma waren door de geconcentreerde zee- en lucht aanvallen tot zinken gebracht.
Berichten van Ozawa had hem op het verkeerde been gezet en hij meende dat hij de gehele Derde vloot tegenover zich vond. Dat betekende dat hoe langer hij zijn aanval doorzette, hoe groter de kans was dat alle vliegdekschepen van Halsey zich op zijn vloot zouden storten. Hij trok onder voortdurende luchtaanvallen naar het noorden en later westen door de Straat van San Bernardino terug. De Nagato, Haruna en Kongo waren zwaar beschadigd. Hij was de slag met vijf slagschepen begonnen, maar toen hij Japan bereikte, was alleen de Yamato nog gevechtswaardig.
Terwijl de slag ten einde liep, zette viceadmiraal Takijiro Onishi zijn "Speciale aanvalseenheid" in actie. Kamikazeaanvallen werden uitgevoerd op de geallieerde schepen in de golf van Leyte. Op 25 oktober werd de Australia voor de tweede keer geraakt en gedwongen voor reparatie terug te keren. Het escortevliegdekschip St. Lo werd tot zinken gebracht.
Betekenis van de slag
De slag in de Golf van Leyte beschermde het bruggenhoofd van het Amerikaanse zesde leger op Leyte tegen aanvallen vanuit zee. Pas na de Slag om Leyte zou het eiland eind december 1944 geheel in Amerikaanse handen zijn.
Strategisch gezien was het nog belangrijker dat na deze slag de Japanse zeemacht verslagen was. De weg naar de Riukiu-eilanden lag open. De enige belangrijke Japanse maritieme operatie die gedurende de oorlog nog zou volgen was de Operatie Ten-go in april 1945.

Vliegdekschip USS Princeton (CVL-23) brandt op 24 oktober 1944 om 10h01 na een bom in het hangardek

Vliegdekschip USS Princeton (CVL-23) brandt op 24 oktober 1944 om 10h01 na een bom in het hangardek
Datum 23 oktober - 26 oktober 1944
Locatie Golf van Leyte
Resultaat Beslissende Amerikaanse overwinning
Strijdende partijen
US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy
Naval Ensign of Australia.svg Royal Australian Navy Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Leiders en commandanten
Flag of the United States.svg William Halsey Flag of Japan.svg Jisaburo Ozawa
Troepensterkte
17 vliegdekschepen
18 escortevliegdekschepen
12 slagschepen
24 kruisers
141 torpedobootjagers
Veel kleinere schepen en onderzeeërs
1500 vliegtuigen 4 vliegdekschepen

9 slagschepen
19 kruisers
34 torpedobootjagers
Ongeveer 200 vliegtuigen
Verliezen
3000 doden,
1 vliegdekschip,
1 kruiser,
2 escortevliegdekschepen,
3 torpedobootjagers 10.000 doden,
4 vliegdekschepen,
3 slagschepen,
6 kruisers,
12 torpedobootjagers.
Grote Oceaan
Pearl Harbor · Ambon · Marshall- en Gilberteilanden · Javazee (1) · Javazee (2) · Singapore · Doolittle · Koraalzee · RY · Aleoeten · Midway · Guadalcanal · Golf van Leyte · Iwo Jima · Okinawa

 

De kaart van de vier deelslagen

 

Yamato aangevallen in de Sibuyanzee.

 

 

 

Kaart van de zeeslag in de Straat Surigao

 

 

De Japanse vliegdekschepen Zuikaku (links) en waarschijnlijk Zuiho worden aangevallen door duikbommenwerpers bij Kaap Engaño

Slag bij Kaap Matapan

De Slag van Kaap Matapan, ook wel Slag van Gaudo genoemd, was een zeeslag die van 27 tot 29 maart 1941 werd uitgevochten tussen de Britse Royal Navy en de Italiaanse Regia Marina. De Britse Middellandse Zeevloot werd geleid door admiraal Andrew Cunningham. De Italiaanse bevelhebber was admiraal Angelo Iachino.

Inleiding
Met het oog op de Italiaans-Duitse aanval op Griekenland drongen de Duitsers tijdens de Conferentie van Merano bij de Italianen aan op een meer agressieve rol op zee. Daarop planden de Italianen een operatie om de Britse koopvaardijschepen tussen Egypte en Griekenland aan te vallen. Het grootste probleem zou zijn dat de Regia Marina in wateren zou opereren waar de Britten volledige luchtondersteuning hadden. Verrassing was dan ook de belangrijke factor voor deze operatie.

Zodra de plannen meer vorm begonnen aan te nemen werden de Britten gewaarschuwd door het verhoogde gebruik van radioboodschappen bij de Italiaanse marine. Dankzij Ultra konden de Britten de Enigma-berichten van de Regia Marina decoderen. Het was voor de Britten niet moeilijk om vast te stellen dat de koopvaardijschepen naar Griekenland weleens een doelwit kon zijn. Een uitgezonden verkenningsvliegtuig merkte een Italiaans vlooteskader op, dat bestond uit een slagschip, zes zware kruisers twee lichte kruisers, geëscorteerd door 17 torpedobootjagers. De Britse Middellandse Zeevloot verliet die avond onopgemerkt de haven.

Ondertussen waren de Italianen, door Duitse beweringen dat de Luftwaffe twee Britse slagschepen tot zinken had gebracht, ervan overtuigd dat de Britten nog één slagschip hadden in plaats van drie. Verder waren ze ook niet op de hoogte dat het vliegdekschip de HMS Eagle beschadigd was door de HMS Formidable.[bron?]

De zeeslag

Op 27 maart werd een kruisergroep, bestaand uit de kruisers Orion, Ajax, Perth en Gloucester met escorterende torpedobootjagers en onder bevel van viceadmiraal Henry Pridham-Wippell vanuit de Griekse haven Piraeus naar een positie ten zuiden van Kreta gezonden om daar contact te maken met de drie slagschepen en het vliegdekschip van Cunningham.

Pas op 28 maart, rond 07.55 uur maakte beide vloten met elkaar contact. De kruisers van Pridham-Wippell ontmoette de Italiaanse Trento-groep. De Italianen bevonden zich achter de Britten en zetten direct de achtervolging in. Om 08.12 openden de Italianen het vuur. Het Italiaanse vuur was niet accuraat door een slechte plaatsing van de kanonnen in hun geschuttorens. Na een uur braken de Italianen de achtervolging af en keerden terug naar de rest van de Italiaanse vloot. De Britse kruisers draaiden weer om en begonnen de Italianen te schaduwen. Om 10.55 kwamen de Italiaanse kruisers in contact met hun slagschip Vittorio Veneto. Opnieuw gingen de Italianen tot de aanval over, onwetend dat de Britse slagschepen nog maar 90 mijl verwijderd waren, maar de Britse kruisers keerden weer om. Een luchtaanval van de vliegtuigen van HMS Formidable leidde ertoe dat de Italianen het gevecht moesten afbreken. Omdat de verrassing verdwenen was, besloot Iachino om terug te keren.

Luchtaanvallen

Nu de Italianen terugkeerden besefte Cunningham dat hij hen nooit meer kon inhalen. Op de één of andere manier moest hij de Italianen zien te vertragen. Cunningham besloot om zijn luchtmacht in te zetten. Rond 15.00 kregen de Italianen een tweede luchtaanval te verwerken. Het slagschip Vittorio Veneto werd getroffen aan de schroeven en er stroomde ongeveer 4.000 ton water in. Het schip stopte en pas om 16.42 konden de motoren aan stuurboord weer worden gestart. De Italiaanse vloot was weer onderweg maar de snelheid bedroeg nu maar 19 knopen. De luchtaanval had de Italianen vertraagd en dit gaf de Britten de kans om de afstand te verkleinen.

Een derde luchtaanval vond plaats nabij zonsondergang en werd uitgevoerd door twee squadrons van HMS Formidable en één squadron opererend van Kreta. De kruiser Pola werd getroffen door een torpedo en kwam stil te liggen. Iachino was zich er nog altijd niet van bewust dat de Britse slagschepen op zee waren en besloot de zware kruisers Zara en Fiume eropuit te sturen om de Pola naar Italië terug te slepen. De rest van de Italiaanse schepen voer verder naar Italië.

Nachtgevecht
Kort na 22.00 kregen de Britten de Italiaanse kruisers op hun radar en konden naderen zonder gedetecteerd te worden. De Italiaanse schepen hadden geen nachtgevecht verwacht en daarom waren de kanonnen onbemand. De Italianen hadden ook geen radar en konden daardoor de Britten niet detecteren. De drie Britse slagschepen, Barham, Valiant en Warspite onder kapitein Herbert Annesley Packer, openden het vuur vanaf 3.500 meter terwijl de escorterende torpedobootjagers de Italiaanse doelen zichtbaar maakten met hun zoeklichten. In enkele minuten tijd waren de Zara en de Fiume enkel nog brandende wrakken.

Twee Italiaanse torpedobootjagers, de Alfieri en de Carducci, werden ook tot zinken gebracht. De Gioberti en de Oriani konden ontkomen maar de laatste liep zware schade op. Alleen de Alfieri slaagde erin om in actie te komen. Ze vuurde enkele torpedo's af maar deze misten hun doelen. De Pola werd uiteindelijk in de ochtend getorpedeerd en tot zinken gebracht door de torpedobootjagers HMS Jervis en HMS Nubian.

Toen de Britten bezig waren met de Italiaans overlevenden uit het water te halen verscheen de Luftwaffe op het strijdtoneel en viel de Britse schepen aan. Cunningham besloot om het gebied te verlaten maar zond eerst open over de radio de positie van de overlevenden door naar Rome. De Italianen lieten weten dat het hospitaalschip Gradisca onderweg was naar het gebied.

De Italianen verloren 2.303 man, drie zware kruisers en twee torpedobootjagers in deze slag. De Britten verloren slechts één torpedobommenwerper.

Kaart van de Slag bij Kaap Matapan

Kaart van de Slag bij Kaap Matapan
Datum 27 maart - 29 maart 1941
Locatie Middellandse Zee, Kaap Matapan, Griekenland
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of Australia.svg Australië Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Koninkrijk Italië
Leiders en commandanten
Flag of the United Kingdom.svg Andrew Cunningham Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Angelo Iachino
Troepensterkte
1 vliegdekschip
3 slagschepen
7 zware kruisers
2 lichte kruisers
17 torpedojagers 1 slagschip
6 zware kruisers
2 lichte kruisers
17 torpedojagers
Verliezen
4 lichte kruisers licht beschadigd
1 torpedobommenwerper verloren
3 doden 1 slagschip zwaar beschadigd
3 zware kruisers gezonken
2 torpedojagers gezonken
2300+ doden

De kruisers Perth, Ajax en Orion tijdens de slag

Slag bij Kaap Passero (1940)

De slag bij Kaap Passero was een treffen op zee tussen de Britse lichte kruiser HMS Ajax en zeven torpedoboten en torpedobootjagers van de Regia Marina in de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats in de vroege uren van 12 oktober 1940, ten zuidoosten van Sicilië in de nasleep van een Britse bevoorradingsoperatie naar Malta.
Achtergrond
In oktober 1940 lanceerde de Britse Middellandse Zeevloot een bevoorradingsoperatie van Alexandrië naar Malta onder de codenaam MB6. Het konvooi bestond uit vier vrachtschepen die werden geëscorteerd door twee kruisers voor de luchtafweer en vier torpedobootjagers. De beschermingsmacht werd aangevoerd door admiraal Cunninghams vlaggenschip, het slagschip de HMS Warspite, en omvatte drie andere slagschepen, twee vliegdekschepen, zes kruisers en zestien torpedobootjagers. Het enige opmerkelijke incident tijdens het konvooi was dat de HMS Imperial werd beschadigd toen ze zich in een mijnenveld begaf. De koopvaardijschepen bereikten op 11 oktober hun bestemming. Tot dan toe had slecht weer de tussenkomst van de Italiaanse vloot voorkomen. Een vliegtuig van de Regia Aeronautica merkte de terugkerende schepen op nadat ze Malta hadden verlaten. De HMS Ajax was intussen losgemaakt van de andere kruisers om een verkenningsmissie uit te voeren.
De slag
De Italiaanse bevelhebber, admiraal Inigo Campioni, beval een groep torpedobootjagers om naar Kaap Bon te varen in het geval dat de Britse oorlogsschepen naar Gibraltar zouden varen. Volgens Campioni was het voor de Italiaanse kruisers en slagschepen te laat om nog operaties tegen het konvooi uit te voeren. Een flottielje van drie torpedoboten en vier torpedobootjagers waren tegelijkertijd op patrouille tussen 35045’ N en 35025’ N, waar ze 5,6 kilometer bij elkaar in het volle maanlicht voeren. De Italiaanse torpedobootjagers, allemaal van de Soldati-klasse, waren de Artigliere, Camicia Nera, Aviere en Geniere. De torpedoboten waren van de Spica-klasse, de Ariel, Alcione en Airone.
Kruiser tegen torpedoboten
Om 01:37 ’s nachts werd de HMS Ajax opgemerkt door de Alcione, die met volle vaart van een afstand van 17.900 meter op de kruiser afstevende. Om 01:48 naderden de drie torpedoboten met hoge snelheden de Britse kruiser. De kruiser was zich volledig onbewust van de vijandelijke nadering. Om 01:57 lanceerde de Alcione twee torpedo’s van een afstand van 1.700 meter. Kapitein Banfi, de aanvoerder van de Italiaanse torpedoboten, beval het vlaggenschip, de Airone, om het vuur met haar 99-mm kanons op de vijand te openen, gevolgd door haar zusterschepen. Drie granaten raakten de Ajax, twee op de brug en één 1,8 meter onder de waterlinie.
De HMS Ajax besefte dat ze werd aangevallen en opende het vuur op de dichtstbijzijnde torpedoboot, de Ariel, terwijl ze met volle vaart erop afging. De Ariel werd als het ware kapotgeschoten door de salvo’s van de Ajax en zonk 20 minuten later, ofschoon ze in staat was om nog een torpedo te lanceren. Kapitein Mario Ruta, zijn adjudant en het grootste deel van de bemanning werden gedood. De Airone was het volgende Italiaanse schip dat aan de beurt was. Het lukte haar om twee torpedo’s te lanceren voordat ze buiten werking werd gesteld doordat haar brug en bovendek van korte afstand door de Ajax werden gemitrailleerd. Ze zonk enkele uren later, maar Banfi bevond zich onder de overlevenden. De Alcione, het enige onbeschadigde Italiaanse oorlogsschip, brak het contact om 02:03 af.
Kruiser tegen torpedobootjagers
Intussen vervolgde de HMS Ajax haar tocht oostwaarts, nadat ze tijdens het gevecht vele manoeuvres had gemaakt en uit haar koers was geraakt. Om 02:15 detecteerde haar radar twee Italiaanse torpedobootjagers waarvan de bevelhebber, Carlo Margottini, het vuren van de HMS Ajax vanuit het zuiden had gezien. Een radiostoring voorkwam dat Margottini met zijn schepen in grote sterkte aan zou vallen toen drie van zijn torpedobootjagers naar het noordwesten gingen, in plaats van naar het noorden, zoals was bevolen. De Aviere moest zich zwaar gehavend naar het zuiden terugtrekken nadat ze werd geraakt door de Britse kruiser, die op zijn beurt een torpedo-aanval moest ontwijken. De Artigliere slaagde erin om een torpedo te lanceren en drie salvo’s van haar 120-mm kanons van 2.600 meter af te vuren voordat ze werd geraakt en beschadigd. De torpedo miste, maar vier granaten raakten twee secundaire geschutskoepels van de HMS Ajax en haar radar werd buiten werking gesteld. Nadat ze zonder succes op de Camicia Nera had gevuurd brak de Ajax het gevecht af. Ze had 490 granaten van verschillend kaliber verschoten en vier torpedo’s gelanceerd. Dertien bemanningsleden werden gedood en meer dan twintig man raakten gewond, terwijl de kruiser een maand nodig had voor reparatie voordat ze weer in actieve staat van dienst kon treden. De uitgeschakelde Artigliere, waarvan de commandant en de meeste stafofficieren waren gedood, werd op sleeptouw genomen door de Camicia Nera. Toen de volgende dag de zon opkwam werden ze verrast door de kruiser HMS York, die de Camicia Nera wegjoeg voordat ze de Artigliere tot zinken bracht. De overlevenden werden de dag erna gered door schepen van de Regia Marina.
Nasleep
Deze slag was de eerste ervaring van de Regia Marina met het superieure vermogen en bewapening in nachtelijke aanvallen van de Royal Navy. Het royale gebruik van lichtkogels, zoeklichten en brandstichtende en granaten moesten worden bestreden, voordat de Italianen de technische gebreken konden dichten. Ze verwachtten eveneens dat de vijand radar zou gebruiken, maar op dat moment konden ze er alleen maar naar gissen. Ze concludeerden dat gebrekkige Italiaanse luchtverkenning een snelle reactie van de zware Italiaanse eenheden had voorkomen, waardoor ze het tactische overwicht van het vermijden van contact in ongunstige situaties naar de Britten toe verspeelden.

De Britse lichte kruiser HMS Ajax

De Britse lichte kruiser HMS Ajax
Datum 12 oktober 1940
Locatie Middellandse Zee, ten zuidoosten van Sicilië
Resultaat Britse overwinning
Strijdende partijen
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Regia Marina
Leiders en commandanten
Naval Ensign of the United Kingdom.svg Kapitein E. D. B. McCarthy Flag of Italy (1861-1946).svg Kapitein Carlo Margottini
Troepensterkte
2 kruisers 4 torpedobootjagers
3 torpedoboten
Verliezen
1 kruiser beschadigd
13 doden 1 torpedobootjager gezonken
2 torpedoboten gezonken
1 torpedobootjager beschadigd
ongeveer 200 doden

Slag om de Komandorski-eilanden

De Slag om de Komandorski-eilanden was een zeeslag in de Slag om de Aleoeten, tijdens de Tweede Wereldoorlog. De slag vond circa 160 kilometer ten zuiden van de eilanden, op 27 maart 1943 plaats.

De slag
De Verenigde Staten kwamen erachter dat er een Japans konvooi met voorraden onderweg was naar de Japanse garnizoenen op de Aleoeten, die ze ongeveer een jaar eerder, op 3 juni 1942, hadden bezet. Hierop werden enkele schepen van de US Navy, onder bevel van schout-bij-nacht (Amerikaanse equivalent: Rear Admiral) Charles McMorris, erop uitgestuurd om dit konvooi te onderscheppen. De Amerikaanse vloot bestond uit de zware kruiser USS Salt Lake City, de oude lichte kruiser USS Richmond en de torpedobootjagers USS Coghlan, USS Bailey, USS Dale en USS Monaghan.

De Amerikanen wisten echter niet dat de Japanners hadden besloten om het konvooi te escorteren met twee zware kruisers, twee lichte kruisers en vier torpedobootjagers, onder bevel van viceadmiraal Boshiro Hosogaya. In de ochtend van 27 maart werd het Japanse konvooi ontdekt door de Amerikaanse vloot waarop een gevecht volgde.

Doordat de slag plaatsvond op open zee en de ontmoeting redelijk op toeval gebaseerd was, had geen van beide partijen lucht- of onderzeesteun, waarmee het één van de weinige zeeslagen was tijdens de Pacifische Oorlog die puur tussen oppervlakteschepen werd uitgevochten, en was het één van de laatste pure schietduels in de maritieme geschiedenis.

Hoewel de Japanners een groter aantal schepen hadden, kwam er geen tactische overwinnaar uit het gevecht. Beide partijen leden verliezen, maar de Amerikaanse schepen waren niet zo zwaar beschadigd als ze hadden kunnen zijn. Toen de Japanners op het punt stonden de overwinning binnen te halen, besloot de Japanse bevelhebber de strijd te staken, uit angst voor mogelijke Amerikaanse luchtsteun en zonder te weten hoeveel schade zijn schepen hadden aangebracht aan de bevelvoerende USS Salt Lake City.

Dankzij het terugtrekken van het Japanse konvooi behaalden de Amerikanen wel een strategische overwinning, want hiermee stopten de Japanse pogingen om de Aleoeten te bevoorraden met oppervlakteschepen, en kon dit alleen nog maar gedaan worden met onderzeeërs.

De Japanse admiraal Hosogaya werd na de slag op non-actief gesteld.

USS Salt Lake City (CA-25) in action during the Battle of the Komandorski Islands on 26 March 1943 (80-G-73827).jpg

Datum 27 maart 1943
Locatie bij de Komandorski-eilanden, Aleoeten
Resultaat Strategische Amerikaanse overwinning
Strijdende partijen
Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine US Naval Jack 48 stars.svg United States Navy
Leiders en commandanten
Boshirō Hosogaya Charles McMorris
Troepensterkte
2 kruisers
2 lichte kruisers
4 torpedobootjagers 1 kruiser
1 lichte kruiser
4 torpedobootjagers

1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog

1---2---3