Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog

De Slag om Aken 2--21 october 1944

De Slag om Aken was een gevecht dat plaats vond in oktober 1944 tijdens de Tweede Wereldoorlog in en rond de Duitse stad Aken. In 1939, bij de aanvang van de oorlog, telde de stad 160.000 inwoners. Veel burgers waren de naderende strijd ontvlucht en bij de aankomst van de Amerikanen woonden er nog slechts 20.000 burgers. De stad werd verdedigd door ongeveer 5000 Duitse troepen geleid door kolonel Gerhard Wilck. Deze troepen waren elementen van de 3e Pantserdivisie en een aantal Waffen-SS Kampfgruppen.
Wat vooraf ging
Na de uitbraak uit NormandiŽ waren de Amerikanen snel opgerukt. Bij de eerste grotere Duitse stad, Aken, aangekomen, aarzelden de Amerikaanse commandanten om tot de bloedige stadsgevechten over te gaan. In plaats hiervan besloten zij om in Blitzkrieg-stijl de stad te omtrekken en het garnizoen te isoleren.
Aken is de stad van Karel de Grote en kroningstad van veel Duitse keizers. Voor Duitsland was deze daarmee geboortestad van het Heilige Roomse Rijk en tegelijk voor de nazi's van het Derde Rijk. Adolf Hitler gaf opdracht de stad ten koste van alles te houden.
Het Amerikaanse 9e Leger manoeuvreerde zich ten noorden en ten zuiden van de stad. Met het verstrijken van de tijd werd het Duitse garnizoen toch een te groot risico geacht. Men besloot tot een directe aanval.
Aanval
De aanval begon op 2 oktober. Op 11 oktober trokken Amerikaanse troepen, eenheden van de Amerikaanse 1e divisie, de buitenwijken in. Er volgden zware straatgevechten, waarbij de Duitsers het voordeel hadden van het terrein en een verdedigingsoorlog.

Ook probeerden de Duitsers het garnizoen in de stad te versterken. De 166e Pantserdivisie en de 3e pantsergrenadierdivisie, 23.300 man sterk, probeerden de stad te ontzetten. Meer dan 100 van hun rupsvoertuigen werden buiten de stad door de Amerikaanse luchtmacht uitgeschakeld.

Op 18 oktober stelden de Amerikanen een ultimatum aan de Duitsers om de stad te verlaten. Het ultimatum was gericht aan zowel de Duitse militaire bevelhebber als aan de burgemeester. De Amerikanen werd te verstaan gegeven dat de Duitsers niet op het ultimatum ingingen. Uit ondervraging van krijgsgevangenen wisten de Amerikanen dat de Duitse voorraden in de stad na een maand belegering op waren. Zo dronk men regenwater omdat de watervoorziening niet meer functioneerde.

Hierop volgden bombardementen door de Amerikaanse luchtmacht (P38 gevechtsvliegtuigen en P47 bommenwerpers) en beschietingen met 155 mm geschut. Eenheden van het 26e regiment van de Amerikaanse 1e divisie, ondersteund door het 745e tankbataljon, trokken hierna het centrum binnen en leverden daar enkele zeer zware gevechten.

De Duitse verdediging was echter slecht georganiseerd, waardoor het aantal Amerikaanse slachtoffers relatief beperkt bleef. De strijd om Aken kostte dan ook relatief minder geallieerde levens dan de Slag om het HŁrtgenwald.

Vanuit het noorden trok de Amerikaanse 30e infanteriedivisie de stad binnen. Tegen het bevel van Hitler in capituleerde Wilck op 21 oktober en ging in gevangenschap. De Amerikanen namen zo'n 12.000 man gevangen.

Slag om Aken 
Datum 2 oktober 1944 Ė 21 oktober 1944 
Locatie Aken, Duitsland 
Resultaat Amerikaanse overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
US flag 48 stars.svg William Simpson Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Gerhard Wilck 
Troepensterkte 
100.000 manschappen 12.000 manschappen 
Verliezen 
2000 gedood,
3000 gewond. 5000 dood of gewond, 5600 krijgsgevangenen.

Slag bij Beda Fomm 5 Februari 1941

De Slag bij Beda Fomm was een militair treffen tussen Britse en Italiaanse strijdkrachten tijdens de Noord-Afrikaanse campagne van de Tweede Wereldoorlog. De slag bij Beda Fomm wordt beschouwd als de laatste fase van Operatie Compass.
Verloop van de slag
Naarmate operatie Compass vorderde en de Britten de Italiaanse strijdkrachten verder terug begonnen te dringen, wisten de Britse spionagediensten te weten te komen dat het Italiaanse leger zich opmaakte om verder terug te trekken via Beda Fomm, een klein kustplaatsje in het zuidwesten van Cyrenaica in LibiŽ.
Combeforce
De Britten besloten hun 7e Tankdivisie dwars door de woestijn naar Beda Fomm te sturen, om zo het terugtrekkende Italiaanse 10e Leger de pas af te snijden, terwijl de AustraliŽrs de Italianen moesten opjagen langs de kustweg. De weg die de 7e Tankdivisie moest afleggen liep echter door erg ruw terrein, dat nauwelijks in kaart was gebracht: de woestijn ten zuiden van Jebel Akhdar. Daardoor begonnen de tankregimenten van de divisie te verdragen. Er werd besloten om de snelste eenheden van de divisie, de 4e Gepantserde Brigade en onderdelen van de 11e Hussars, vooruit te sturen en de weg te blokkeren bij Beda Fomm. Nadat deze gevechtsgroep echter tť snel vooruit begon te snellen, werd besloten om de infanteristen van de Rifle Brigade in vrachtwagens naar de gevechtsgroep te sturen ter versterking. De volledige groep kwam onder bevel van luitenant-generaal John Combe en werd daarom Combeforce genoemd.
Combeforce, met een totale sterkte van ongeveer 2000 man, trok zo snel mogelijk door de woestijn naar Beda Fomm. In de morgen van 5 februari nam Combeforce positie in van Msus, ten noordoosten van Beda Fomm, tot Sidi Saleh, ten zuiden van het plaatsje. Enkele uren na de middag kwamen de eerste Italianen in zicht. A-compagnie van de Rifle Brigade en C-compagnie van de 11e Hussars stopten een eerste colonne. De Italianen begonnen uit te wijken naar de zee, in de hoop zo naar het zuiden door te stoten, maar raakten ook daar verwikkeld in gevechten met Combeforce.
Aangezien de Britten een volledig Italiaans leger tegenover zich hadden, lieten ze de Italianen niet aan de bal komen. Onderdelen van de 7e Hussars gingen samen met de A-compagnie van het 2e Royal Tank Regiment in de aanval tegen een Italiaanse colonne, die vernietigd werd. Rond 18u werd een Italiaanse infanteriecolonne overvallen. Tijdens deze actie nam een Britse soldaat te voet twee Italiaanse tankbemanningen gevangen door op de tank te springen en met zijn wapen de bemanning naar buiten te dwingen.
De eerste doorbraakpogingen
De rest van de dag en tijdens de nacht werden er sporadisch schoten gelost. De volgende morgen gingen echter drie Italiaanse colonnes in de aanval tegen de wegversperring bij Beda Fomm. De Italianen werden gesteund door 300 voertuigen, maar de eerste twee colonnes werden relatief gemakkelijk tot stand gebracht en er werden veel gevangenen gemaakt. Rond 11u30 werd ook de derde aanval afgeslagen. Naast een nakend tekort aan munitie, begon ook de gestage stroom van gevangenen een probleem te worden voor de kleine Britse strijdmacht. Er werd snel een beveiligd gebied opgericht waar de gevangenen werden bewaakt door een peloton van C-compagnie, 2e Rifle Brigade. Later die dag arriveerde ook de rest van de 4e Gepantserde Brigade en viel de Italianen aan in hun flank ten noorden van Beda Fomm.
Een snelle instorting van de Italianen was echter niet zichtbaar en het zwaartepunt van de slag verplaatste zich naar een kleine heuvel enkele kilometers ten noorden van de wegversperring. Daar ontstond een tankslag tussen de Britse cruiser tanks in ingegraven posities en de aanvallende Italiaanse tanks die beneden langs de weg trachtten op te rukken. De heuvel veranderde tijdens de slag voortduren van bezetting en ondertussen moesten de verdedigers van de wegversperring Italianen verdrijven die langs de duinen trachtten door te breken.
Net toen de munitievoorraden van de 3e en 7e Hussars begonnen op te raken, arriveerde het 1e Royal Tank Regiment op het slagveld. Het 1e RTR schoot een Italiaanse colonne uiteen en gaf op die manier gelegendheid aan de Hussars om zich te hergroeperen, aangezien zij nog maar zes werkende tanks tot hun beschikking hadden. Rond half drie in de middag werd nog een Italiaanse colonne vernietigd en kwamen de Britten te weten dat Italiaanse tanks een ontsnappingspoging ondernamen in noordoostelijke richting. Met een minimale troepensterkte joegen de Britse tanks de Italianen op: in het zuiden werkte de 7e Hussars zich naar voren in een Italiaanse colonne terwijl het 2e Royal Tank Regiment diezelfde colonne oprolde vanuit het noorden. In het centrum viel het 1e RTR en de drie laatste tanks van de 3e Hussars een Italiaanse tankcolonne aan die naar het noordwesten trok.
De laatste dag
In de avond van 6 februari 1941 trachtten de Italianen nog een keer door te breken. Drie colonnes tanks slaagden erin om de dunne linies van de Rifle Brigade te penetreren, maar de aanval werd afgeslagen en 500 Italianen werden gevangengenomen. De rest van de nacht was het rustig bij Beda Fomm, en overal in de omgeving waren er brandende tanks en Italiaanse soldaten die zich probeerden over te geven.
In de vroege uren van 7 februari, rond half zeven, kwam de laatste Italiaanse doorbraakpoging. Twintig Italiaanse Fiat M13/40-tanks braken door de dunne Britse linies bij Sidi Saleh, maar werden op enkele meters van het Britse hoofdkwartier gestopt door antitankgeschut. De vrachtwagens met de Italiaanse infanterie werden snel gestopt door Brits mitrailleurgevuur. De Italiaanse bevelhebber, generaal Tellera, werd in het hoofd geraakt door een kogel en stierf. Luitenant-generaal Bergonzoli nam het bevel over en gaf zich over aan de Britten, samen met de rest van het 10e Leger. De slag bij Beda Fomm was afgelopen.
Afloop
De Britten wisten 25.000 Italianen krijgsgevangen te nemen. De materiŽle schade was voor de Italianen eveneens groot: 100 tanks, 216 kanonnen en 1500 andere voertuigen vielen in handen van het Britse leger. De drie dagen na het einde van de slag hielden de Britten zich bezig met het verzamelen van alle voorraden die de Italianen hadden achtergelaten: kledij, voedsel, medicijnen, wapens, benzine,...
De slag bij Beda Fomm opende de weg naar Benghazi en zorgde er eveneens voor dat de Italiaanse strijdkrachten in Noord-Afrika geen directe bedreiging meer vormden. Hierdoor kwamen Britse troepen vrij voor de verdediging van Griekenland. De Britse 7e Pantserdivisie, die de bijnaam Desert Rats kreeg, werd uit de frontlijn omdat ze dringen aan vervangingen toe was.

AfricaMap1.jpg

Strijdende partijen
Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk ItaliŽ ItaliŽ
Troepensterkte
onderdelen 7e Tankdivisie 10e Leger
Verliezen
25.000 gevangen, 100 tanks, 216 kanonnen, 1500 voertuigen

 

 

 

De Slag om Cherbourg 6-30-juni 1944

De Slag om Cherbourg was een onderdeel van de Slag om NormandiŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 6 juni, de dag van de landing, begon het gevecht om de belangrijke havenstad. Amerikaanse troepen wisten de stad te omsingelen en te veroveren in een tijdsbestek van ruim drie weken.
Het geallieerde plan 
Toen de geallieerden plannen maakten voor een invasie in Frankrijk, kwamen ze tot de conclusie dat een zeehaven zeer belangrijk was voor het aanvoeren van troepen en materieel. Bij een landing in NormandiŽ waren er twee keuzes. Men kon Le Havre ůf het meer gunstig liggende Cherbourg, dat aan het einde van het schiereiland Cotentin ligt, trachtten in te nemen. Cherbourg was namelijk makkelijker in te sluiten, terwijl bij een inname van Le Havre de Duitsers van meerdere kanten konden aanvallen.
De geallieerden besloten om niet direct een landing te forceren op Cotentin. Dit onder andere vanwege het falen van de Raid op Dieppe. Men wilde niet nog eens zo'n fiasco meemaken door een havenstad direct aan te vallen. Tevens was de sector rondom Cherbourg overspoeld met Duitsers die de geallieerde luchtlandingen trachtten tegen te gaan. Opperbevelhebber van de grondtroepen Bernard Montgomery was de mening toegedaan dat er wel degelijk moest worden geland op Cotentin, aangezien dit de vijand verplichtte over een breder front te vechten en het de inname van Cherbourg zou versnellen.
Landingen
In de vroege morgen van 6 juni landden parachutisten van de 82e Luchtlandingsdivisie en 101e Luchtlandingsdivisie op de grond van Cotentin. Hoewel de troepen verspreid waren geland, wisten zij toch de meeste routes te beveiligen, waardoor het Amerikaanse 7e Korps vanuit Utah Beach makkelijk kon oprukken zonder al te grote verliezen te lijden.
In de directe nasleep van de landingen, lag de prioriteit voor de gelande troepen op Utah Beach bij het contact maken met de Amerikaanse luchtlandingstroepen die meer westwaarts waren geland. Op 9 juni slaagde de 101st Airborne Division erin om de overstroomde vallei bij de Douve te doorkruisen, waarna ze oprukte richting Carentan. Deze belangrijke stad werd een dag later veroverd. Het belang van Carentan was dat het de verbinding zou vormen tussen de troepen van Utah Beach en Omaha Beach.
De weg naar Cherbourg
De weg door Cotentin

Doordat de landingen succesvol waren verlopen, enkele belangrijke plaatsen waren ingenomen en een stevig bruggenhoofd was gevormd, konden de Amerikaanse troepen westwaarts richting de Atlantische Oceaan trekken, om op deze manier de troepen ten noorden van deze lijn af te snijden. Ondertussen waren al drie infanteriedivisies geland om het 7e korps te ondersteunen. Hun bevelhebber, majoor-generaal Lawton Collins, verving troepen in de frontlinie of ontsloeg officieren wanneer men niet snel genoeg oprukte.
De Duitse troepen op Cotentin beschikte nauwelijks over pantserondersteuning, aangezien men deze meer nodig achtte voor de verdediging van Caen. Daarbij kwam dat de Duitsers in dit gebied met zware verliezen kampten en de versterking in de vorm van infanterie, maar traag op gang kwam. Bovendien werkte het onderwater gezette gebied nu ook tegen de Duitsers, aangezien het de zuidelijke flank van de Amerikanen dekte, waardoor deze was afgeschermd van een Duitse aanval vanuit het zuiden.
Op 16 juni waren er geen verdere natuurlijke obstakels te bekennen voor de Amerikaanse troepen. Het Duitse opperbevel (van West-Europa) was enigszins verward. De bevelhebbers ter plekke, inclusief veldmaarschalk Erwin Rommel, waren van mening dat men zich moest terugtrekken tot Cherbourg om daar een vestingstad van te maken. Men zou dan enige tijd de belegering moeten doorstaan, voordat ze werden ontzet door naar het noorden doorgestoten Duitse troepen. Adolf Hitler gaf echter het bevel dat ze de huidige frontlinie kostte wat het kost moesten behouden, ook al bestond er de kans op een grootschalige ramp.
Op 17 juni was Hitler plotseling een andere mening toegedaan. Hij stond toe dat de troepen zich mochten terugtrekken, maar hij specificeerde een nieuwe, onlogische verdedigingslijn, die het volledige schiereiland ten zuiden van Cherbourg overspant. Rommel protesteerde tegen het bevel, maar voerde de bevelen tegen zijn zin toch uit.
De weg nabij Cherbourg
Een verdedigingswerk van de Duitsers nabij Cherbourg.

Op 18 juni bereikte de Amerikaanse 9e infanteriedivisie de westkust van Cotentin. Binnen 24 uur trokken drie infanteriedivisies noordwaarts over een breed front. Er was bijna geen tegenstand aan de westzijde van het geallieerde front. Aan de oostelijke zijde stortten de uitgeputte verdedigers in elkaar en gaven zich over aan de geallieerde troepen aldaar. Verscheidene grote geheime bewaarplaatsen van vliegende bommen V1 werden ontdekt naast een V2 raketinstallatie in Brix.
Binnen twee dagen waren de Amerikaanse troepen Cherbourg op een afstand genaderd vanwaaruit ze de eerste aanvallen konden ondernemen. Luitenant-Generaal Karl-Wilhelm von Schlieben, de bevelhebber van het garnizoen in Cherbourg, had 21.000 manschappen tot zijn beschikking. Velen waren echter afkomstig van de marine en de troepen die waren teruggetrokken naar Cherbourg waren vermoeid en gedesorganiseerd. Er was een tekort aan brandstof, voedsel en munitie. De Luftwaffe dropte een kleine hoeveelheid aan voorraden, maar het meeste wat uiteindelijk werd gedropt bleken ijzeren kruizen te zijn. Dit werd gedaan om het moreel van de Duitsers in Cherbourg op te krikken. Ondanks het tekort aan o.a. voedsel en munitie, verwierp Von Schlieben een voorstel om zich eervol over te geven. Hij begon uitvoerend met het vernielen van de haven om deze onbruikbaar te maken voor de geallieerden.

Het geallieerde plan

Datum 6 juni 1944 Ė 30 juni 1944 
Locatie Cherbourg, NormandiŽ, Frankrijk 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United States.svg Verenigde Staten Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the United States.svg Lawton Collins Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Friedrich Dollmann 
Troepensterkte 
onbekend 40.000 manschappen 
Verliezen 
2.800 gedood
5.700 vermist
13.500 gewond 

 

Omar N. Bradley (links) en J. Latwon Collins bij Cherbourg

Cherbourg                
Het gevecht    
                                                                                                                                                                                                                            
Op 22 juni vallen de Amerikaanse troepen de verdedigingsstellingen van de Duitsers aan. Rond 12:40 wordt er bovendien een luchtaanval ter ondersteuning van het offensief uitgevoerd. Mustangs en Thypoons vallen de stad aan. Om 13:00 uur volgde een volgend bombardement van 562 bommenwerpers. Tijdens dit bombardement werden ook Amerikaanse troepen geraakt. Ongeveer een uur later volgde nog eens een bombardement door 377 bommenwerpers. Na artillerie- en pantserbeschietingen op de stad, vallen de Amerikaanse infanterietroepen aan. De verdedigingslinie van de Duitsers wordt systematisch uitgeschakeld.
Op 23 juni starten de Duitsers een tegenoffensief. Deze had echter nauwelijks enig effect en de Amerikanen bleven maar verder oprukken. Ze bleven constant beschietingen uitvoeren op de stad met artillerie en vliegtuigen. Op 25 juni waren de Amerikanen nog steeds niet doorgedrongen in de stad. De beschietingen werden steeds heviger. Naast de artillerie en vliegtuigen, openden nu ook drie slagschepen en vier kruisers het vuur.
Als gevolg van de toenemende artilleriebeschietingen wist het 7e korps door te stoten naar de binnenstad. De Duitsers trokken zich terug tot de haven en trachtten deze te vernietigen, zodat de geallieerden hem niet meer konden gebruiken. Enige sterke stellingen, nabij de haven en in de stad zelf, bleven nog steeds weerstand bieden, maar de Duitsers vochten niet meer gecoŲrdineerd.
Karl-Wilhelm von Schlieben, die op 23 juni 1944 tot bevelhebber van de vesting Cherbourg werd benoemd, besliste drie dagen later (26 juni) in de avond tot capitulatie. Samen met 800 militairen werd hij in zijn bunker krijgsgevangen gehouden. Tevens had Walter Hennecke, bevelhebber van de zeeverdediging in NormandiŽ, zich overgegeven.
Er volgde later een tweede, officiŽle capitulatie in het hoofdkwartier van generaal Collins.
De Duitse stellingen die nog steeds weerstand boden, konden zich op 27 juni overgeven, nadat hun verteld was dat de overgave was ondertekend. Op 29 juni waren de laatste Duitse verdedigingswerken onder controle. Enkele Duitse troepen hadden, ondanks de overgave, doorgevochten tot het bittere einde.
Op 1 juli was het gehele noordelijke deel van Cotentin onder controle.
De balans
De Amerikanen hadden ongeveer 10.000 Duitse soldaten gevangengenomen. Het Duitse aantal doden en gewonden is tot op de dag van vandaag niet bekend.
De Amerikaanse verliezen waren vrij hoog. Het aantal doden lag op 2.800, terwijl er nog eens ongeveer 5.700 vermisten waren. Bovendien werden 13.500 Amerikanen dusdanig verwond, dat ze tijdelijk buiten gevecht waren gesteld.

Een dode Duitse soldaat in Cherbourg.

De nasleep
Wederopbouw van de haven

Hitler had het bevel gegeven om de haven vol te leggen met mijnen, waardoor de geallieerden eerst deze moesten opruimen, voordat de haven kon worden gebruikt. Bovendien was de haven van Cherbourg ernstig toegetakeld. Om de haven weer bevaarbaar te maken moesten ook diverse schepen worden opgeruimd. Dit werd met behulp van duikers en sleepboten bewerkstelligd. Tevens moesten beschadigde of vernietigde gebouwen worden gerepareerd.
Na vijftien dagen was de haven zover opgeknapt dat de eerste schepen weer konden binnenvaren. Echter pas na drie maanden was de gehele haven weer toegankelijk voor schepen. Dag en nacht werd er gewerkt aan de haven. Het was van essentieel belang dat de haven in gebruik kon worden genomen voor het aanvoeren van troepen en voorraden.
Gilles Perrault noemde de haven als "De belangrijkste voedingsader van het geallieerde leger".Op 7 september kwamen 23.000 nieuwe Amerikaanse soldaten aan land, die vanuit de haven naar het front werden getransporteerd. Doordat het een zeehaven was, konden de Amerikaanse troepen direct vanuit de Verenigde Staten naar Cherbourg varen. Op 15 oktober werd er zelfs meer dan 20.000 ton aan uitrustingsmateriaal binnengebracht. Na november 1944 nam het militair belang van de haven af; havens als Le Havre, Rouen en Antwerpen waren veroverd en in gebruik genomen en deze lagen veel dichter bij het front. Cherbourg verwerkte tot de overgave van Duitsland ruim 2,7 miljoen ton vracht en circa 95.000 soldaten. Cherbourg was na Marseille de belangrijkste geallieerde haven in continentaal Europa wat de aanvoer van materieel betreft.Het was tijdens deze tijd de grootste overslagplaats ter wereld.

Duitse gevangenen na de Slag om Cherbourg.

De oorlog
Het verlies van Cherbourg beschadigde het moreel van de Duitse troepen en verbeterde het moreel van de geallieerde troepen. Aangezien de Duitsers de havenfaciliteiten vůůr de overgave hadden vernietigd, konden de geallieerden de haven niet meteen gebruiken.
Door de inname van Cherbourg, konden de Amerikanen toewerken naar een uitbraak in NormandiŽ. Deze operatie startte op 24 juli en kreeg de codenaam Operatie Cobra. Na het succes van Operatie Cobra en de "Slag om Caen", lukte het de geallieerde troepen om de Duitse troepen te omsingelen nabij Falaise. Deze omsingeling kreeg de bijnaam "De Zak van Falaise". Hier werden meer dan 10.000 Duitsers gedood, 60.000 raakte gewond en 50.000 werden gevangengenomen. Toch wisten veel Duitsers nog te ontsnappen door een klein gaatje in de omsingeling.
De Slag om Cherbourg en de andere veldslagen in NormandiŽ zorgden ervoor dat de geallieerden een vaste basis hadden opgezet in Noord-Frankrijk. Vanuit hun vaste basis zouden ze doorstoten naar Parijs.
Monumenten en musea
In Cherbourg, in Fort du Roule, op de berg van Roule, bevindt zich vandaag de dag een museum genaamd Musťe de la Liberation de Cherbourg (Museum van de bevrijding van Cherbourg). Dit museum is het oudste museum in NormandiŽ met betrekking tot de Slag om NormandiŽ.
Daarnaast zijn diverse herdenkingsplaatsen in en rond Cherbourg, die aan de zware strijd doen herinneren.

Zo zag Cherbourg eruit net na het gevecht in de stad.

De Slag bij El Agheila N-Afrika 1942

De Slag bij El Agheila was een militair treffen in Noord-Afrika in 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, tussen Duitse en Italiaanse strijdkrachten aan de ene zijde en de Britten aan de andere zijde. De veldslag was een nederlaag voor de Asmogendheden en leidde tot een algehele terugtrekking richting TunesiŽ.
Voorgeschiedenis
Op 4 november 1942 had veldmaarschalk Rommel besloten tot een algemene terugtrekking van de Astroepen uit El Alamein. De Duitse en Italiaanse troepen trokken achtereenvolgens terug naar Foeka en op 6 november naar Mersa Matruh, op ongeveer 180 kilometer van El Alamein. Op 8 november 1942 landden de geallieerden in Marokko en Algerije tijdens Operatie Torch. Uit angst voor een grote krijgsmacht in zijn achterhoede besloot Rommel om onmiddellijk terug te trekken naar El Agheila, en op die manier Cyrenaica volledig op te geven.
In snelle opeenvolging namen de achtervolgende Britse strijdkrachten onder leiding van Bernard Montgomery Sidi Barrani (op de grens met LibiŽ), Tobroek en Derna in. Al deze steden werden zonder slag of stoot door Rommel opgegeven. Ook de havenstad Benghazi, die erg belangrijk was voor de aanvoerlijnen, werd door de Duitsers ontruimd maar niet voordat ze de haveninstallaties onklaar hadden gemaakt. Rommel was vastbesloten om niet zoals de Italianen in februari 1941 omsingeld te worden door de Britten bij Beda Fomm.
Op dit moment had de Asmogendheden 630 km teruggetrokken in tien dagen, en nog ging het verder westwaarts. Op 23 november werd Agedabia ontruimd en betrokken de Duitsers en de Italianen stellingen nabij Mersa Brega en El Agheila. Ondertussen deed Montgomery het rustig aan, omdat hij Rommel niet vertrouwde. Tussen 10 en 11 december 1942 kwamen de Britten toch aan bij Marsa Brega en El Agheila.
De veldslag
In de nacht van 11 op 12 december vielen de Britten aan en de Asmogendheden reageerden. Toen in de morgen van 12 december echter een Britse verkenningseenheid werd opgemerkt in Merduma, reeds 96 km ten westen van El Agheila, besloot Rommel om de gevechten af te breken. Tegen de avond van de twaalfde was het volledige Afrikakorps aan het terugtrekken, enkele eenheden die de achterhoede beschermden buiten beschouwing gelaten. Op 13 december ontdekten Duitse verkenningsvliegtuigen 300 Britse voertuigen ten noorden van de Marada-oase, 120 kilometer ten zuiden van El Agheila. Uit angst om volledig omsingeld te worden, besloot Rommel het tempo van de terugtocht verder op te voeren. Ten noorden van de Duitse terugtocht werd een Britse aanval teruggeslagen door de Italianen.
Rommels terugtrekking van El Alamein naar El Agheila
De daaropvolgende dagen kwamen er verschillende geÔsoleerde gevechten voor tussen beide zijdes, maar het kwam niet tot een grote beslissende veldslag. Op 17 december was het grootste deel van de Duitse strijdkrachten uit El Agheila geŽvacueerd. Een dag later was er een laatste hevig treffen tussen Duitsers en Britten bij Nofilia, 160 km ten westen van El Agheila. Dit waren de laatste stuiptrekkingen van de slag bij El Agheila, een slag die vooral bestond uit een kat-en-muis spel tussen Montgomery en Rommel.
Uitkomst van de slag
De nederlaag bij El Agheila dwong Rommel om steeds verder richting TunesiŽ terug te trekken. Zijn plan was om zich helemaal tot in Tunis terug te trekken en vandaar zo veel mogelijk van zijn veteranen naar ItaliŽ over te brengen. Op last van zijn meerderen moest Rommel echter halt houden bij Buerat, 80 kilometer ten westen van Sirte, en daar een verdedigingslinie aanleggen.

Rommels terugtrekking van El Alamein naar El Agheila

Strijdende partijen 
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Vlag van Polen Polen
Vlag van Nieuw-Zeeland Nieuw-Zeeland Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom (3-5).svg Harold Alexander
Flag of the United Kingdom (3-5).svg Bernard Montgomery

De Slag om Engeland juli 31 oktober 1940

De Slag om Engeland (Engels: Battle of Britain) was een luchtoorlog tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen de Duitse Luftwaffe en de Britse Royal Air Force (RAF). De luchtoorlog startte op 10 juli 1940 en verliep in vijf fasen tot hij ten slotte eindigde op 31 oktober 1940.

Situatie in het Verenigd Koninkrijk
Toen Thomas Inskip in 1937 als minister voor de CoŲrdinatie van de Defensie werd aangesteld, zag hij in dat het Verenigd Koninkrijk de bommenwerperwedloop tegen Duitsland aan het verliezen was. De theorie was "een bommenwerper komt er altijd door (d.w.z. door de luchtverdediging)", maar dit hoefde niet te kloppen als hij een goed wapen hiertegen vond.
De bommenwerper als apart wapen was met succes toegepast door de Duitsers in de Spaanse Burgeroorlog, door de Japanners in China en door de Italianen in AbessiniŽ. Maar Inskip wilde de taak van de RAF beperken: alleen verhinderen dat de Duitsers een beslissende klap uitdeelden en standhouden tot er hulp van bondgenoten opdaagde of een blokkade de vijand zou afmatten.
Hij had daarvoor enkele aanwinsten: de nieuwe jagers, vooral de Spitfire en de ontwikkeling van de radar. Het argument dat deze optie minder duur zou zijn dan het bouwen van bommenwerpers gaf de doorslag toen het kabinet in 1937 goedkeuring aan zijn voorstellen gaf.
Een tweede sleutelfiguur voor de Britten was Air Chief Marshal Hugh Dowding van de RAF, die in 1936 was benoemd tot chef van Fighter Command (chef van de jachtvliegtuigen). Hij bekeek de jagersstrategie op een koele manier en zag het vernietigen van de Duitse bommenwerpers als zijn enige taak.
Daarnaast was de benoeming van Lord Beaverbrook tot minister van Vliegtuigproductie voor zijn land van enorm belang. Hij had maar ťťn taak: zo vlug en zo veel mogelijk vliegtuigen produceren. Dankzij hem had de Britse luchtmacht op het einde van de Slag om Engeland meer vliegtuigen dan ervoor. Hij slaagde erin tijdens die periode bijna 500 Hurricanes en Spitfires te produceren. Alleen kon hij het verlies aan ervaren piloten niet compenseren. 
Situatie in Duitsland
Hitler ging er van uit dat de Britten vrede zouden sluiten als Frankrijk verslagen was. In zijn Weisung (aanbeveling) 16 schreef hij trouwens: Omdat Engeland, ondanks zijn hopeloze militaire positie, geen tekenen toont dat het een compromis wil sluiten, heb ik besloten om een landing in Engeland voor te bereiden en, zo nodig, uit te voeren. Mussolini's schoonzoon, graaf Ciano schreef het volgende in zijn dagboek: Hitler is de gokker die zijn grote slag heeft geslagen en van de tafel zou willen opstaan om niets meer te riskeren.
Frankrijk viel na amper zes weken strijd op 22 juni 1940 in de Slag om Frankrijk. Na een maand te hebben gewacht dreigde Hitler op 19 juli toch met een aanval op het Verenigd Koninkrijk indien het niet onmiddellijk de wapens neerlegde. In de zojuist aangetreden regering die geleid werd door Winston Churchill was Lord Halifax minister van Buitenlandse Zaken; hij was meer dan Churchill geneigd vrede te sluiten, maar moest onder druk van zijn premier en van het parlement Hitlers voorstel tot wapenstilstand afwijzen en dus voelde Hitler zich genoodzaakt zijn dreigementen kracht bij te zetten. Op 21 juli viel de principiŽle beslissing het Verenigd Koninkrijk binnen te vallen (Operatie Zeeleeuw).
De Duitse legerleiding wilde dezelfde tactiek toepassen als bij de oversteek van de Maas, maar de verhouding van de in te zetten middelen tot de grootte van de opgave was anders. Generaal Alfred Jodl zei het zo: in vorm gelijk aan het oversteken van een rivier over een breed front. Men zou opnieuw gebruikmaken van Stuka's in plaats van artillerie, maar hiervoor was overwicht in de lucht vereist. Erich Raeder, Duits groot-admiraal, bevelhebber van de vloot, geloofde niet in een invasie vooraleer de Britten zich hadden overgegeven. Hij had respect voor de kracht van de Royal Navy. Duitsland beschikte niet over landingsvaartuigen voor het overzetten van materieel en manschappen. Er werden wel wat voorbereidingen getroffen zoals het verzamelen van binnenschepen en kustvaarders, maar dit was meer bedoeld om Raeders ongeloof in de operatie te verdoezelen. De Kriegsmarine stelde een plan voor om vlak bij Dover een bruggenhoofd te slaan. De route zou men met zeemijnen en onderzeeboten beschermen. Ze stelden dat er tien dagen nodig waren om de eerste aanvalsmacht aan land te zetten. Dit wekte grote weerstand op bij de legerleiding. Zij wilde bij de eerste aanvalsgolf 260.000 man, 30.000 voertuigen en 60.000 paarden laten overbrengen en beschouwde de middelen die de Kriegsmarine ter beschikking stelde als onvoldoende. De Luftwaffe stond er dan ook alleen voor. Het luchtmachtoffensief, Operatie Adelaar had echter totaal geen binding met Operatie Zeeleeuw.
Hermann GŲring, chef van de luchtmacht, besefte terdege, gezien de tegenstand die zijn luchtmacht had ondervonden toen ze de evacuatie van de Britse troepen bij Duinkerke wilde verijdelen, dat dit geen eenvoudige taak was. Hij wilde er wel twee weken voor uittrekken.
Om de RAF te vernietigen werden 2600 vliegtuigen verzameld (Luftflotte I en II) waaronder 1200 bommenwerpers en een duizendtal jagers. Men plande ook aanvallen op havens en schepen voor het wurgen van de Britse natie, die sterk afhankelijk was van handel en voedselimport over zee.
De bedoeling was met grote aantallen bommenwerpers de Britten tot overgave te dwingen. Hulp van land- en zeestrijdkrachten zou hierbij niet nodig zijn. Er werd niet gedacht aan het aanvoeren van troepen via de lucht, alhoewel de Britten dat wel verwachtten.
De meest gebruikte types bommenwerpers waren:
Dornier Do 17Z
Dornier Do 215 (variant van de Dornier Do 17Z)
Dornier Do 217
Heinkel He 111
Junkers Ju 88
Stuka (populaire naam voor de Junkers Ju 87)
De meest gebruikte types jagers waren:
Messerschmitt Bf 110
Messerschmitt Bf 109


Datum 10 juli 1940 Ė 31 oktober 1940 
Locatie Engeland, het Kanaal, Noordzee 
Resultaat Beslissende Britse overwinning 
Strijdende partijen 
Geallieerden:
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Piloten van 13 verschillende nationaliteiten waaronder: Brits Gemenebest, Polen, VS, Tsjechoslowakije en BelgiŽ. Asmogendheden:
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Nazi-Duitsland
Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
RAF roundel.svg Hugh Dowding
RAF roundel.svg Keith Park
RAF roundel.svg Trafford Leigh-Mallory Luftwaffe roundel WW2.png Hermann GŲring
Luftwaffe roundel WW2.png Albert Kesselring
Luftwaffe roundel WW2.png Adolf Galland 
Troepensterkte 
754 eenpersoonsvliegtuigen
149 tweepersoonsvliegtuigen
560 bommenwerpers
500 boten
Totaal: 1963 1107 eenpersoonsvliegtuigen
357 tweepersoonsvliegtuigen
1380 bommenwerpers
428 duikbommenwerpers
569 reconnaissance
233 boten
Totaal: 4074 
Verliezen 
1023 gevechtsvliegtuigen
524 bommenwerpers
Totaal: 1547
27450 gedode burgers
32138 burgers gewond 873 gevechtsvliegtuigen
1014 bommenwerpers
Totaal 

 

De Slag
De Slag om Engeland begon op 10 juli 1940 en duurde tot 30 oktober 1940. De campagne vertoonde veel improvisatie van Duitse kant en kon worden opgedeeld in vijf fasen:
Deel 1: beginfase: Slag om het Kanaal, 10 juli - 12 augustus 1940
De slag om het Kanaal (Duits: 'Kanalkampf') bestond voornamelijk uit gevechten tussen jagers van beide kanten. Ook aanvallen van Duitse Stuka-bommenwerpers op konvooien in het Kanaal kwamen voor. Deze gevechten waren voor de Duitse luchtmacht een goede manier om de sterkte van de RAF te testen en om hun piloten de nodige gevechtservaring op te laten doen. De gevechten boven het Kanaal verliepen meestal in het voordeel van de Duitsers, aangezien hun bommenwerpers werden geŽscorteerd door grote groepen jagers, die de RAF numeriek overvleugelden. De noodzaak om alle konvooien in het Kanaal te begeleiden zorgde voor een grote last voor de RAF en uiteindelijk werden deze konvooien dan ook afgelast.
Deel 2: Operatie Adelaar, 13 augustus - 18 augustus 1940
Op 13 augustus 1940 startte Operatie Adelaar (Duits: Adlertag). Duitse bommenwerpers maakten 485 vluchten en jagers maakten 1000 vluchten bij aanvallen op de havensteden Plymouth en Southampton en op vliegvelden in Hampshire en Kent. De Luftwaffe verloor daarbij 45 vliegtuigen, de RAF 13. Twee dagen later deed men een poging om de bases van de jachtvliegtuigen onbruikbaar te maken via een aanvalsmacht die bestond uit 1266 jagers en 520 bommenwerpers. Ze herhaalden dat op de 16de en de 18de. De RAF reageerde met kracht en haalde 162 vliegtuigen neer.
Deel 3: Bombardementen tegen de vliegvelden, 24 augustus - 6 september 1940
De Duitsers bleven de rest van de maand en in het begin van september met hun aanvallen op de vliegvelden doorgaan tot GŲring plotseling, na een reeks aanvallen van de RAF op Berlijn, besloot dat Londen het hoofddoel van de Duitse aanval moest zijn. Op die manier hoopte hij het moreel van het Britse volk te breken. Tijdens deze fase verloor de RAF 290 vliegtuigen en van de Luftwaffe werden 380 vliegtuigen vernietigd.
Slag om Londen, 7 september - 30 september 1940
Op 7 september vertrokken 372 bommenwerpers, geŽscorteerd door 642 jachtvliegtuigen om de stad aan te vallen. Deze aanval was een groot succes, vooral omdat het havengebied zwaar werd beschadigd. De Britten hadden hun vliegtuigen over een groot aantal vliegvelden verdeeld om deze te beschermen. Toen de Luftwaffe een paar dagen later een nieuwe aanval op Londen lanceerde kostte dat hen 28 toestellen.
Een bom met opschrift "extra havanna voor Churchill.
Later werd geopperd dat de aanval op Berlijn een zet van Winston Churchill was om de aandacht van de Duitsers naar Londen te verleggen en de Londenaren op te offeren om Fighter Command te doen overleven. In ieder geval verschafte de gewijzigde Duitse tactiek de RAF een broodnodige adempauze die haar toeliet haar vliegvelden opnieuw volledig operationeel te maken.
Intussen was de Duitse luchtmacht tot het besef gekomen dat, als ze haar eigen verliezen aan bommenwerpers wilde terugdringen, Fighter Command uitgeschakeld moest worden. De bommenwerpers waren immers niet in staat aanvallen van jagers af te slaan. Een andere optie was de bommenwerpers via langeafstandsjagers, zoals de tweemotorige Messerschmitt Bf 110, tot boven hun doel te begeleiden. Al snel bleek dat deze niet waren opgewassen tegen Spitfires en Hurricanes en moest men teruggrijpen op de Messerschmitt Bf 109 die met een actieradius van 740 km (omdat hij over een extra brandstoftank beschikte) vanuit Calais de bommenwerpers dekking kon geven tot Londen. In de praktijk kwam dit neer op circa 20 minuten nuttige gevechtstijd boven Engeland. Voor de Duitsers betekende deze jager-dekking van twintig minuten een serieuze handicap, want nadien was de bommenwerperbemanning op zichzelf aangewezen. Dowding speelde daar handig op in door zijn squadrons terug te trekken op vliegvelden die buiten het bereik lagen van de dekking door de Bf-109.
Op 15 september lanceerde de Luftwaffe een grootscheepse aanval op Londen. Ze verloor 60 vliegtuigen.
Deel 5: eindfase, 1 oktober - 31 oktober 1940
Er werden door de Duitsers acties op kleinere schaal uitgevoerd.

Een Spitfire valt een Dornier Do 17 aan

Een bom met opschrift "extra havanna voor Churchill"


Met de inzet van 3080 jongemannen van 14 verschillende nationaliteiten werd de slag gewonnen. Meer dan ťťn op vijf verloor hierbij het leven en minder dan de helft zou de oorlog overleven. Winston Churchill zei over deze vliegers: "Nooit in de geschiedenis van de oorlogvoering hebben zovelen zoveel te danken gehad aan zo weinigen" (Engels: "Never in the field of human conflict was so much owed by so many to so few").
Een belangrijke reden waarom de Duitse verliezen aan vliegtuigen aanzienlijk hoger waren dan de Britse bestond erin dat de Britten over een nieuw wapen beschikten, dat de Duitsers nog niet hadden: radar. Daardoor waren zij tijdig vrij goed op de hoogte van de aanvliegroutes van de Duitse vliegtuigen, terwijl de Duitsers geen idee hadden waar de Britse vliegtuigen zich ophielden. De Britten hadden bovendien de Enigma-code gekraakt en konden zo gecodeerde Duitse radioberichten lezen. Verder was er het geografische voordeel; omdat de Britten veel dichter bij hun bases vochten hadden ze meer actieve tijd in de lucht. Omdat zij boven eigen terrein vlogen konden geallieerde vliegers die een noodlanding moesten maken later weer aan de strijd deelnemen, terwijl boven Groot-BrittanniŽ neergeschoten Duitse bemanningen krijgsgevangen werden gemaakt.
De uitkomst van de Slag om Engeland zorgde ervoor dat het Verenigd Koninkrijk een factor van belang bleef als oorlogvoerende mogendheid, vooral in ogen van de Verenigde Staten.
In Duitsland werd het afgelasten van de invasie in Engeland afgedaan als een zaak van minder belang. De aandacht van Hitler en Hermann GŲring verplaatste zich naar de voorgenomen invasie in Rusland. De Duitsers achtten de Britten, ook al waren ze niet overwonnen, niet meer in staat hen veel schade toe te brengen. Zolang de Britten er alleen voor stonden, was dat ook zo; vanaf toen was alle Britse hoop om het tij te keren op Amerika gevestigd. In feite heeft Duitsland er zelf voor gezorgd dat de Britten twee machtige bondgenoten kregen: door het aanvallen van de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 en door de oorlogsverklaring aan Amerika vier dagen na de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941.

Een Spitfire beschiet een Heinkel He-111-bommenwerper

De Slag om de Kasserinepas 19-2-1943

De Slag om de Kasserinepas vond plaats in centraal TunesiŽ tijdens de Tweede Wereldoorlog als onderdeel van de campagne in Noord-Afrika. De gevechten werden gevoerd in de Kasserinepas, een landopening van 3 km breed in het Atlasgebergte, tussen het Duitse Afrikakorps (DAK) onder leiding van generaal Erwin Rommel enerzijds en de geallieerden onder leiding van de Amerikaanse generaal Lloyd Fredendall.
Achtergrond
Vier dagen na de doorbraak van Bernard Montgomery in de Tweede slag bij El Alamein landden de geallieerde strijdkrachten op 8 november 1942 in Noord-Afrika via gelijktijdige invasies te Casablanca, Oran en Algiers (zie Operatie Toorts). Omdat de Duitsers nu op twee grote frontlinies werden bedreigd brachten de asmogendheden versterkingen over vanuit SiciliŽ en ItaliŽ om TunesiŽ te heroveren. De asmogendheden waren in staat om grote versterkingen naar de twee diepzeehavens van TunesiŽ te sturen: Tunis en Bizerte. Vanaf 12 november werden 5 divisies, 176 tanks, 131 stukken artillerie en 13.000 ton voorraden naar TunesiŽ vervoerd.
Op dat moment was er weinig georganiseerd verzet in de westelijke woestijn, maar de Amerikanen bewogen slechts langzaam naar Rommels achterhoede terwijl zij met de lokale Vichy-commandanten probeerden te onderhandelen. Er werden verschillende pogingen ondernomen om Tunis te bereiken voordat de as-strijdkrachten dit deden, maar slechte coŲrdinatie aan Amerikaanse zijde en het uitstekend verdedigbare terrein stelde kleine Duitse en Italiaanse eenheden in staat de Amerikanen op te houden.
Op 23 januari 1943 nam Montgomery's Achtste Leger Tripoli in, daarbij Rommel van zijn voornaamste bevoorradingsbasis berovend. Rommel had met deze mogelijkheid rekening gehouden. Voor deze situatie had hij plannen klaar liggen om de zuidelijke toegang tot TunesiŽ te blokkeren door een serie verdedigingswerken over te nemen die de naam Marethlinie droeg. Deze waren door de Fransen aangelegd als verdediging tegen een mogelijke Italiaanse aanval vanuit LibiŽ. Met een verdedigingslijn door het Atlasgebergte in het westen en geflankeerd door de Golf van Sidra in het oosten kon ook een kleine Duits-Italiaanse troepenmacht geallieerde strijdkrachten tegenhouden. 
FaÔd
Een aantal Amerikaanse troepen waren echter reeds door de Atlas bergen opgetrokken en hadden een vooruitgeschoven post gevestigd bij FaÔd, aan een oostelijke uitloper van de bergen. Dit was een uitstekende positie om Rommel af te snijden van zijn bevoorrading en zijn troepen in het noorden. Het was duidelijk dat Rommel deze situatie niet kon tolereren.
Het Afrika Korps bereikte de linies op 30 januari. De Duitse 21e pantserdivisie kwam tegenover een aantal Franse verdedigers te staan waar ze met weinig moeite overheen walsten.
Het grootste deel van TunesiŽ bevond zich nu in Duitse handen. Alle toegangswegen tot de laagvlakte waren geblokkeerd. Hoewel de Amerikanen nog het binnenste deel van het ruwweg driehoekige Atlasgebergte beheersten, leek dit niet iets om zich zorgen over te maken, immers alle uitgangen naar het oosten waren geblokkeerd. Gedurende de volgende twee weken overlegde Rommel met zijn officieren over de verder te volgen koers. Gezien de latere ontwikkelingen zou dit een kostbaar tijdsverlies blijken.
Rommel besloot uiteindelijk dat hij zijn bevoorradingssituatie kon verbeteren ťn zijn westelijke front veiliger stellen door aan te vallen in de richting van twee Amerikaanse bevoorradingsstations in een westelijke tak van de bergen in Algerije. Hij was niet echt geÔnteresseerd in het beheersen van het bergland, maar wel in de aanwezige Amerikaanse voorraden.
Op 14 februari zette de 21e pantserdivisie zich naar het westen in beweging, aanvallend in de richting Sidi Bou Zid, ongeveer 16 km van FaÔd op het binnenplateau van het Atlasgebergte. Hoewel bij de strijd aan beide zijden zo'n 200 tanks betrokken waren, duurde de slag slechts een dag. De Amerikanen coŲrdineerden slecht en gebruikten hun aanwezige tanks te veel verspreid, waardoor het Afrika Korps aan het eind van de dag het terrein beheerste. De volgende dag hadden de Duitsers weinig moeite een tegenaanval af te slaan. Op 16 februari rukten ze verder op, naar Sbeitla.
Wegens het ontbreken van verder geschikt terrein trokken de Amerikanen zich terug naar de gemakkelijker te verdedigen Kasserinapas aan de westzijde van de bergen. Hun verliezen waren op dit moment al opgelopen tot 2546 vermisten, 103 tanks, 280 voertuigen, 18 veldkanonnen, 3 antitankkanonnen en een gehele luchtdoelbatterij. 
Kasserinepas
Op 19 februari lanceerde Rommel verschillende proefaanvallen. Hij besloot dat de Kasserinapas de gemakkelijkste plaats voor een aanval bleef. De volgende dag leidde hij persoonlijk de aanval van de recent gevormde 10e pantserdivisie, in de hoop de bevoorradingsposten in te nemen, terwijl de 21e pansterdivisie zijn aanval noordwaarts door de Sbiba gap voortzette.
Binnen enkele minuten braken de Duitsers door de Amerikaanse linies heen. De Amerikaanse lichte kanonnen en tanks bleken kansloos tegen de zwaardere Duitse uitrusting, en de Amerikanen hadden weinig of geen ervaring in gevechten met pantsereenheden. De Duitse Panzer IVs en Tiger tanks sloegen alle aanvallen met gemak af. De Amerikaanse M3 Lee en Grant tanks waren in vergelijking met de Duitse tanks hopeloos inadequaat. Amerikaanse commandanten die per radio om artilleriesteun of toestemming voor een tegenaanval vroegen, kregen vaak pas toestemming nadat de linies doorbroken waren. Opnieuw bevond de Amerikaanse 1e pantserdivisie zich in een nutteloze positie en tegen de tweede dag van het offensief waren twee van hun drie groepen vernietigd en de derde buiten gevecht gesteld.
Na de pas binnen te zijn getrokken, verdeelden de Duitse strijdkrachten zich in twee groepen. Beiden volgden een van de twee wegen die vanuit de pas naar het noordwesten leidden. Rommel bleef bij de hoofdgroep van de 10e pantserdivisie op de noordelijkste van de twee wegen naar Thala, terwijl een gemengd Duits/Italiaanse strijdmacht de zuidelijke weg naar Haidra insloeg. Om de zuidelijke strijdmacht te bevechten, reed het overgebleven deel van Combat Command B van de Amerikaanse 1e pantserdivisie 30 km om hen de volgende dag te ontmoeten. Dit lukte echter niet. Het moreel van de Amerikaanse troepen dreigde nu ineen te storten en tegen de avond trokken veel troepen zich terug, hun uitrusting in het veld achterlatend. De pas lag nu volledig open, en de Amerikaanse voorraden bij Tťbessa leken binnen handbereik van de Duitsers.
Wanhopige verdediging door geÔsoleerde achtergebleven groepen vertraagden de Duitse opmars, en op de tweede dag waren de Duitsers nog steeds bezig deze groepen op te ruimen terwijl de gepantserde voorhoede over de weg verder trok.
In de nacht van 21 op 22 februari vorderde de 10e tot net buiten het kleine stadje Thala. Als het stadje zou vallen, en de 10e divisie zou besluiten verder te trekken over de twee wegen die van hieruit naar Tťbessa voerden, zou de 9e Amerikaanse divisie in het noorden afgesneden zijn van haar bevoorrading, terwijl Combat Command B gevangen zou zitten tussen de 10e en de haar ondersteunende eenheden die over de tweede weg naar het noorden trokken.
Die nacht werden kleine Britse, Franse en Amerikaanse eenheden vrijgemaakt uit hun frontlinies en in kleine groepen naar Thala gezonden, waardoor de verdediging de volgende dag bij het hernieuwen van de gevechten iets versterkt was.
Te ver uitgespreid en onderbevoorraad besloot Rommel echter om het offensief te beŽindigen. Ook vreesde hij dat het oprukkende Britse Achtste leger de Mareth linie zou aanvallen en doorbreken, tenzij hij deze bijtijds versterkte. Hij liet de Amerikanen met rust en trok zich naar het oosten terug.
Op 23 februari versnelde een massale geallieerde luchtaanval de Duitse terugtocht. Tegen het einde van 24 februari 1943 was de pas weer in geallieerde handen.

Amerikaanse infanterie marcheert door de pas 
Datum 19 februari 1943 - 24 februari 1943 
Locatie Kasserinapas, TunesiŽ 
Resultaat Tactische Duitse overwinning 
Strijdende partijen
Vlag van de Verenigde Staten Verenigde Staten Vlag van Duitsland Duitsland
Vlag van ItaliŽ ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Vlag van de Verenigde Staten Lloyd Fredendall Vlag van Duitsland Erwin Rommel 
Troepensterkte 
30.000 22.000 
Verliezen 
6054 doden en gewonden
3700 gevangen
315 tanks
706 voertuigen

De Slag om Monte Cassino 18 mei 1944

De strategische positie van Monte Cassino heeft het tot de locatie van verschillende veldslagen en belegeringen vanaf de klassieke oudheid gemaakt. Naar het zuiden toe kijkt het klooster uit over de rivier Rapido.
In de Tweede Wereldoorlog was de Slag om Monte Cassino, ook wel eens de Slag om Rome genoemd, een serie gevechten, toen de geallieerden tijdens de Italiaanse campagne probeerden door de Gustav-linie te breken. De intentie was de ingesloten geallieerde troepen van de Landing bij Anzio te bereiken en door te breken naar Rome. Oorspronkelijk was de landing bij Anzio bedoeld om de Gustav-linie te omzeilen, en een kostbare aanval op deze linie te vermijden, maar Duitse troepen sloten de geallieerde invasiemacht in.
Eind 1943 rukten de geallieerden op, maar bij de Gustav-linie kwam hun opmars tot staan. Hoewel het klooster een sleutelpositie innam, zou de Duitse veldmaarschalk Albert Kesselring de Duitse troepen verboden hebben het klooster te bezetten vanwege de historische waarde van het gebouw[bron?]. De commandant van de Duitse 'elite' Eerste Duitse luchtlandingsdivisie, Julius Schlegel, liet de kostbare bibliotheek met meer dan 1200 unieke historische documenten en boeken, in Rome in veiligheid brengen. Volgens de piloten die het klooster later zouden bombarderen werden de geallieerden beschoten vanuit het klooster, waardoor men genoodzaakt was om het te bombarderen. 
Verloop van de slag
De eerste slag begon op 4 januari 1944. Van 17 tot 25 januari probeerden Amerikaanse eenheden tevergeefs de berg en de stad in te nemen. Met zware verliezen trokken de Amerikanen zich terug.
De Nieuw-Zeelandse generaal Bernard Freyberg eiste en kreeg een bombardement van het klooster, hoewel alle Duitse troepen zich in de bergwand op minstens 300 meter van het historische gebouw bevonden. Op 15 februari werd het klooster van Monte Cassino door een geallieerd bombardement verwoest. De katholieke piloten kregen de optie van de aalmoezenier om niet deel te nemen aan de operatie, maar omdat paus Pius XII toestemming verleend had, besloten allen de missie te volbrengen[1]. In twee aanvalsgolven gooiden de 12de en 15e luchtvloot 435 ton bommen op het gebouw. In de kelders van het gebouw hadden de monniken en 800 burgers een toevlucht gezocht; 250 van hen vonden de dood. Hierna gaf Kesselring op 17 februari zijn troepen toestemming de ruÔnes van het gebouw ter verdediging in te nemen.
Dan volgde van 15 tot 18 februari een nieuwe aanval, die evenals de eerste vastliep.
De ruÔnes werden op 15 maart opnieuw gebombardeerd. Van 15 tot 25 maart volgde een derde aanval. Ook deze aanval liep vast op de taaie Duitse verdediging van het klooster en de stad. De geallieerde strijdmacht bestond uit Amerikaanse, Britse, Indiase, Canadese, Australische en Nieuw-Zeelandse eenheden.
De zogenoemde vierde slag om Monte Cassino werd uitgevochten door het Poolse 2e Korps onder generaal Władysław Anders. Bij de eerste aanval (11 - 12 mei) leed het korps zware verliezen, maar stelde wel het Britse Achtste leger onder generaal Oliver Leese in staat om door de Duitse linies in de vallei van de rivier Liri beneden het klooster te breken.
De tweede aanval (17 mei - 19 mei) verliep ten koste van zeer zware verliezen onder de Poolse troepen. Het werd door de Polen uitgevoerd met de hulp van Franse hulptroepen, gerekruteerd onder de Algerijnse en Marokkaanse bergbewoners. Zij verdreven de Duitsers (de genoemde eerste luchtlandingsdivisie) uit de heuvels rondom het klooster en omsingelden deze bijna. Na afloop trokken zij moordend en verkrachtend de omliggende dorpen in. Deze oorlogsmisdaden staat bekend als Marocchinate. Op 18 mei slaagde een verkenningseenheid van de Poolse ulanen erin om de ruÔnes van het klooster te bezetten.
De verovering van Monte Cassino maakte de opmars van Britse en Amerikaanse troepen naar Rome mogelijk. Rome viel op 4 juni 1944 in hun handen, twee dagen voor de landing in NormandiŽ.
Bij de gevechten zijn 105.000 geallieerde en 80.000 Duitse troepen betrokken geweest. 20.000 Duitse en 54.000 geallieerde troepen werden hierbij gedood, gewond, of raakten vermist.
1-Eerste slag (24 januari - 11 februari 1944)---2-Tweede slag (15-18 februari 1944)---3-Derde slag (15-30 maart 1944)
Monte Cassino en het Poolse nationale bewustzijn
In de definitieve aanval op de Duitse stellingen werd de hoofdrol gespeeld door het Poolse 2e Korps van generaal Władysław Anders. Van deze Poolse soldaten sneuvelden er ongeveer 4.000.
In het Poolse nationale bewustzijn wordt grote betekenis toegekend aan deze slag, want dit was voor de Poolse troepen aan het westfront in Europa ťťn van de grootste overwinningen op de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl het Poolse leger in het Westen, de Poolse regering in Londense ballingschap en het Armia Krajowa in de periode van de Volksrepubliek Polen onderwerpen waren die taboe waren verklaard, mocht men wel (pas vanaf de jaren zestig) - als een soort uitlaatklep - de Poolse bijdrage in de slag bij Monte Cassino verheerlijken.
Pools ereveld op de helling van Heuvel 593, gezien vanaf de abdij
Bijna alle Polen kennen het lied "Rode klaprozen op de Monte Cassino", dat het volgende refrein heeft:

Rode klaprozen op de Monte Cassino

In plaats van dauw dronken jullie Pools bloed.

Langs die klaprozen ging de soldaat, en daar sneuvelde hij

Maar sterker dan de dood was zijn toorn.

De jaren en eeuwen gaan voorbij,

Maar de sporen van die langvervlogen dagen blijven

En de klaprozen op de Monte Cassino zullen nog roder zijn

Want zij groeien uit Pools bloed.

Slag om Monte Cassino 
Datum 17 januari 1944 Ė 18 mei 1944 
Locatie Monte Cassino, ItaliŽ 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of Poland.svg Polen
Flag of the United States.svg Verenigde Staten
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of New Zealand.svg Nieuw-Zeeland
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada
British Raj Red Ensign.svg India
Flag of South Africa 1928-1994.svg Zuid-Afrika Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland
War flag of the Italian Social Republic.svg ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg Harold Alexander
Flag of Free France 1940-1944.svg Alphonse Juin
Flag of Poland.svg Władysław Anders Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Albert Kesselring 
Troepensterkte 
105.000 80.000 
Verliezen 
54.000 20.000



 

Pools ereveld op de helling van Heuvel 593, gezien vanaf de abdij

Eerste slag (24 januari - 11 februari 1944

Tweede slag (15-18 februari 1944)

Derde slag (15-30 maart 1944)

Het Praagoffensief 6 mei-11 mei 1945

Het Praagoffensief (Russisch: Пражская стратегическая наступательная операция; Prajskaija Strategitsjieskaija Nastouparelnaija Operatsia - 'Praag strategisch offensief') was de laatste grote Russische militaire operatie in de Tweede Wereldoorlog aan het Europese oostfront. De in en rondom de Tsjechische hoofdstad Praag uitgevochten veldslag had van 6 mei tot 11 mei 1945 plaats, terwijl Duitsland op 8 mei 1945 capituleerde.
Achtergrond
Van 30 april tot 1 mei 1945 kondigde SS-ObergruppenfŁhrer en General der Polizei Karl Hermann Frank over de radio van Praag aan, dat hij iedere mogelijke opstand in een bloedbad zou laten eindigen. Hij wist dat enkele Sovjetlegers zich in de richting van Praag voortbewogen. Karl Hermann Frank was ook een generaal van de Waffen-SS. De situatie in Praag was onstabiel.
De slag
Een Duitse aanvalsgroep bestaande uit de 615. Zbv-Division, 545. Grenadier-Division en elementen van de Panzergrenadier-Division ďBrandenburgĒ lanceerde een aanval op 21 april op de verzwakte rechtervleugel van het 2e Poolse Leger. Deze gebeurtenis is de geschiedenisboeken ingegaan als het begin van de Slag om Bautzen.
In de nacht van 22 op 23 april 1945 hergroepeerde het Duitse leger zich in de sector tegenover het 2e Poolse Leger en ondernam in de ochtend van 23 april 1945 een tegenaanval langs de Spree, in de richting van Spremburg. Als resultaat brak de Duitse aanvalsgroep (bestaand uit twee divisies en ongeveer 100 tanks) door de frontlinie en drong tot 20 kilometer noordwaarts in bevrijd gebied door. Maarschalk Konev had het volgende te zeggen over deze Duitse doorbraak:
ď Door een sterke tegenaanval te organiseren, hoopten de Duitsers hiermee een crisissituatie te creŽren op onze linkerflank en zodoende het verloop van het offensief tegen Berlijn te beÔnvloeden. De Duitsers slaagden hier niet in. Er ontstond geen crisissituatie.Ē
Door de Duitse tegenaanval kon het Duitse leger 33 kilometer richting Spremburg oprukken en zo het 2e Poolse Leger via de achterhoede ontglippen. Uiteindelijk werd de Duitse aanvalsgroep in de avond van 24 april 1945 gestopt.
Tijdens de Slag om Bautzen werd de 9e Infanteriedivisie vrijwel weggevaagd. Het volgende schema geeft een overzicht van de verliezen van het 2e Poolse Leger in de slag om Bautzen:
Gesneuveld: 4.902 
Vermist: 2.798 
Gewond: 10.532 
Totaal: 18.232 

Het 2e Poolse Leger verloor in relatief korte tijd ongeveer 22% van het totale gevechtspersoneel, naast 20% van haar artillerie en 60% van haar pantservoertuigen en tanks (ongeveer 250 stuks). Volgens de Poolse historicus Zbigniew Wawer was dit de meest bloedige slag waar het Poolse Leger sinds de Slag om Bzura (in 1939) bij betrokken was geweest. De Duitse verliezen worden ook hoog geschat, namelijk (volgens Poolse bronnen) op 6,500 soldaten en 350 burgers. Hoeveel Sovjet- soldaten en officieren in de slag zijn gesneuveld of gewond geraakt is niet bekend.
De Sovjetaanval op Praag vernietigde de laatste serieuze groepen van Duits militair verzet in Europa. De aanval werd uitgevoerd door het 1e, 2de en 4de OekraÔense leger, het Sovjetleger aan het front, en het 2de Poolse leger. De Russen hadden in totaal meer dan twee miljoen troepen. Om deel te kunnen nemen aan het Praagoffensief werd het 1e OekraÔense leger overgeplaatst vlak na de Slag om Berlijn.
Het Sovjetleger stond tegenover bijna 900.000 Duitse soldaten, het resterende leger onder commando van veldmaarschalk Ferdinand SchŲrner, het eerste panzerleger, het vierde panzerleger, het zevende leger en het zeventiende leger. Het leger had ook de beschikking over kleine groepen die overgebleven waren van de legergroep zuid die ook bekendstond als legergroep Ostmark onder commando van Lothar Rendulic. Op 5 mei kwam Praag in opstand tegen de Duitsers. Deze opstand werd door de Waffen-SS goeddeels onderdrukt en eindigde op 8 mei in een wapenstilstand tussen de opstandelingen en het Duitse leger.
Op 9 mei 1945 trokken de Sovjettroepen de stad Praag binnen. Enkele restanten van het Duitse leger bleven verzet uitoefenen tot 11 mei. De linkerflank van het 2de OekraÔense leger sloot zich aan bij het 3de Amerikaanse leger onder leiding van George Patton. Praag was hierdoor volledig omsingeld.
Het einde
Op 5 mei pleegde Emanuel Moravec zelfmoord. Moravec was berucht bij de Tsjechen als verrader en collaborateur met nazi-Duitsland. Op 14 mei werd Emil HŠcha in Praag gearresteerd en direct overgebracht naar een gevangenziekenhuis. HŠcha was de president van het Protectoraat Bohemen en MoraviŽ, wat in 1939 was gecreŽerd als protectoraat van het Groot-Duitse Rijk. Hij is onder onbekende omstandigheden op 26 juni gestorven.
Ergens in mei werd de burgemeester van Praag, professor Josef Pfitzner, publiekelijk opgehangen. Konrad Henlein, de leider van de nazipartij in het Sudetenland, pleegde rond dezelfde tijd zelfmoord.
Op 22 mei 1946 werd SS-ObergruppenfŁhrer Karl Hermann Frank opgehangen. Wilhelm Frick, een prominente nazi-ambtenaar, werd tijdens het Proces van Neurenberg voor oorlogsmisdaden veroordeeld en op 26 oktober 1946 opgehangen.
SS-OberstgruppenfŁhrer Kurt Daluege werd door Amerikaanse troepen opgepakt en uitgeleverd aan Tsjecho-Slowakije. Hij werd door de Tsjechen voor oorlogsmisdaden veroordeeld en op 24 oktober 1946 opgehangen.
Om de deelnemers van de operatie te vereren, stelde de Sovjet-Unie de Medaille voor de Bevrijding van Praag in.
Nasleep
Militaire en politieke overwegingen

Het Praagoffensief bracht de vernietiging van de Legergroep Midden en delen de van Legergroep Ostmark met zich mee. Deze legergroepen waren de laatste grote intacte militaire formaties van Duitsland, en na het offensief werden alle overlevende Duits soldaten krijgsgevangen of voortvluchtig.
Het aantal Duitse militairen die door de Sovjet-Unie krijgsgevangen genomen werden bedroeg bijna 900.000. Tienduizenden Duitse soldaten kozen ervoor om zich over te geven aan Amerikaanse troepen, die eveneens tot in Tsjechoslowakije waren opgerukt.
Tsjechoslowakije was voor het eerst sinds eind 1938 vrij van het Duitse bezettingsregime. Tsjechoslowakije werd in het westen bezet door het Amerikaanse leger, maar het grootste deel van het land, waaronder Praag, was door het Rode Leger bezet. Beide legers zouden Tsjechoslowakije verlaten aan het eind van 1945.
De naoorloogse communistische invloeden in het land werd steeds groter en westers georiŽnteerde machten kwamen steeds meer aan de zijlijn te staan. In 1948 vond er een communistische staatsgreep plaats en werd het Tsjechoslowakije een satellietstaat van de Sovjet-Unie.

 

 

Gevechten rond Praag 
Gevechten rond Praag 
Datum 6 mei - 11 mei 1945 
Locatie Praag, Protectoraat Bohemen en MoraviŽ 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 
Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the Soviet Union.svg Ivan Konev Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Ferdinand SchŲrner
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Lothar Rendulic 
Troepensterkte 
2.000.000 soldaten 900.000 soldaten

 



 

Luitenant-generaal Karol Swierczewski (midden) met zijn staf in 1945

De Slag om Tarawa 20-23 november 1943

De Slag om Tarawa was een slag die zich afspeelde in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd van 20 november tot 23 november 1943 gestreden om het Kiribatische atol Tarawa, en was ťťn van de veldslagen volgens de, ook wel 'Leapfrogging' genoemd. Het doel van de Amerikaanse aanval was om het vliegveld op het eiland Betio van het Tarawa-atol te veroveren op de Japanners. Het was het eerste Amerikaanse offensief in het belangrijke centrale gebied van de Stille Oceaan. Het was ook de eerste keer in de oorlog dat de Verenigde Staten hevige Japanse weerstand kreeg te verwerken bij een amfibische landing. De voorafgaande landingen hadden immers met weinig of geen initiŽle weerstand te kampen gekregen. De 4500 Japanse verdedigers waren goed bevoorraad en voorbereid, en ze vochten bijna tot de laatste man, waardoor de slag een zware tol eiste van de United States Marine Corps.
De Amerikaanse verliezen op het strand waren dermate zwaar dat meer dan honderd lijken nooit gerepatrieerd werden. Stafsergeant Norman T. Hatch, een militaire fotograaf die de lijken op het strand filmde, produceerde beelden die zo verontrustend waren dat hij toestemming nodig had van president Franklin Roosevelt om ze te mogen publiceren. Het beeldmateriaal werd opgenomen in een korte documentaire uit 1944, With the Marines at Tarawa, en het was de enige film tot dan toe die huiveringwekkende beelden van dode Amerikaanse soldaten toonde.
Aanleiding
Na Wereldoorlog I wist Japan via het Vrede van Versailles (1919) zijn invloedssfeer in de Stille Oceaan uit te breiden. Door onderhandeling had het vele atollen in de Stille Oceaan aan zijn grondgebied kunnen toevoegen. In 1932 stapte Japan echter uit de Volkenbond die was voortgevloeid uit de conferentie in Versailles.[2] In 1937 besloot de Japanse regering een alliantie met Duitsland en ItaliŽ aan te gaan. Na de val van Nederland en Frankrijk leek het Japan opportuun de kolonies van deze landen te annexeren. IndonesiŽ en Indochina waren immers rijk aan grondstoffen en moesten de hongerige Japanse oorlogsmachine voeden.
De plotse expansie van het Japanse rijk lag de Verenigde Staten echter zwaar op de maag. Hoewel ze een vriendschappelijke relatie met Japan beoogden, was het ontstaan van een potentiŽle tweede supermacht in de Stille Oceaan een doorn in het oog. De relatie tussen beide landen verzuurde en beide kampen begonnen de eerste oorlogsplannen te smeden.
Op 8 december 1941, een dag na de aanval op Pearl Harbor, verklaarde Japan de oorlog aan de Verenigde Staten. Aangezien het voor de Verenigde Staten onmogelijk was om al zijn acties vanaf het vasteland te organiseren, kwam de legerstaf op de proppen met de Island-hoppingtechniek. Het plan was om beetje bij beetje de Japanse hoofdeilanden te naderen om zo een efficiŽnter offensief te kunnen voeren. Tarawa werd een van de eerste eilanden op de lijst van de Amerikanen.
De Japanse verdedigingswerken
"Tarawa could not be taken by a million men in a hundred years."Admiraal Shibazaki Keiji 柴崎恵次, die de leiding had over de Tarawa-atol, was zich bewust van een mogelijke aanval en liet minutieuze verdedigingswerken uitvoeren. Omdat Betio slechts een vijftal kilometer lang was en een kleine 800 m breed, waren de stranden een belangrijk punt van verdediging. De grote lagune die het eiland Betio aan de noordelijke kant omvat, zag hij als een ideaal natuurlijk obstakel bij een mogelijke aanval. Er werden enkele houten barricades gebouwd en artillerie geplaatst om de vijand af te schrikken.
Er was behoorlijk wat lef nodig om de Noordzijde aan te vallen. De Japanse troepen hadden er vrij schot en het water was er minimaal doorwaadbaar omwille van de zandbanken en het scherpe koraal waaraan de bodem van de lagune rijk was. Shibazaki had nog plannen om de defensie van dit strand te verfijnen. Zo had hij nog het idee zeemijnen in de lagune te laten plaatsen, maar wegens tijdsgebrek konden deze plannen niet uitgevoerd worden.
De zuidelijke zijde echter, die de vijand makkelijker zou kunnen aanvallen, werd volledig afgezet door een barricade en ook hier werd zware artillerie geplaatst. Indien de vijand toch door zou breken, waren er over het eiland nog strategisch geplaatste controlepunten en bunkers om hen tegen te houden. Verder werden er nog anti-tankkuilen gegraven om de zware tanks en terreinwagens van de Amerikanen tegen te houden, maar omdat de luchthaven vrijwel het gehele eiland besloeg, was het volgens Shibazaki van kapitaal belang dat zeker de kustlinies stand hielden bij een eventuele aanval. 
De Amerikaanse aanvalsplannen
De Amerikanen, onder leiding van de generaal Smith, werkten een plan uit samen met Britten, AustraliŽrs en Nieuw-Zeelanders die in de regio van de Gilberteilanden gewoond hadden. De ex-kolonialen waren een grote hulp voor de Amerikanen omdat ze een vrij gedetailleerde beschrijving van het terrein konden geven. Het plan dat ze uiteindelijk zouden uitvoeren, stond haaks op de verwachtingen van admiraal Shibazaki. Ze zouden met behulp van amfibische voertuigen en landingsboten de lagune betreden en van daaruit in verschillende aanvalsgolven het strand belagen.
De noordelijke zijde van Betio werd verdeeld in 3 zones: Red 1,2 en 3. Elke compagnie kreeg een zone toegewezen waarop ze zich tijdens de slag moest focussen. Als alles naar wens verliep zou zo volgens de Amerikanen het eiland in een mum van tijd ingenomen worden. Majoor Frank Holland, een specialist wat de getijden betrof, merkte op dat het plan van de Amerikanen alleen zou slagen indien de troepen de lagune zouden betreden bij hoogtij. Anders zouden ze onvermijdelijk vastlopen op de zandbanken en zouden ze een uitstekende schietschijf voor de Japanse mariniers zijn. Zijn bemerkingen werden maar lauw onthaald door zijn oversten en de plannen werden nauwelijks bijgestuurd.
De slag
Dag 1
Betio: Posities op 21 november, 1800 uur

Op 20 november 1943 begon het gevecht. Om vijf uur 's morgens werden de Japanners onder vuur genomen door de Amerikanen. De bommen die ze op het eiland lieten vallen als verrassingsaanval wekten bij de Amerikanen de illusie op dat de Japanse troepen sterk uitgedund waren. De aanval op het strand kon beginnen. Waar de Amerikanen echter geen rekening mee gehouden hadden, was de standvastigheid van de Japanse soldaten. Ze zouden snel merken dat de luchtaanval weinig effect had. Hoewel de Amerikanen zich zorgvuldig hadden voorbereid, liep niet alles volgens plan. Het hoogtij waarop ze gehoopt hadden bleef uit en dus moesten ze de lagune bij laagtij betreden. Hierdoor konden de boten die de troepen moesten transporteren de kusten nauwelijks bereiken en waren ze genoodzaakt de Amerikaanse mariniers een honderdtal meter voor de kust te laten ontschepen . Shibazaki's voorbereidingen wierpen hun vruchten af. De bunkers hadden de meeste manschappen kunnen beschermen tegen de luchtaanval en het Japanse artillerievuur maaide een groot deel van de Amerikaanse troepen neer die met veel moeite het water doorwaadden. Sommigen stuitten op scherp koraal of verdronken door hun zware uitrusting. De voormiddag was een succes voor Japan. Amerika had behoorlijk wat logistieke schade geleden en ook de troepen kenden grote verliezen. De namiddag zou echter een kentering in de slag brengen. De Amerikaanse mariniers bestookten de kust met hevigere aanvalsgolven en konden uiteindelijk hier en daar voet aan wal krijgen. Het aantal gewonden aan Japanse zijde liep ondertussen op en Generaal Shibasaki besloot zijn hoofdkwartier op te geven opdat er een hospitaal in ondergebracht kon worden. Toen een Amerikaanse marinier op een bepaald moment enkele Japanners bemerkte die druk in gesprek waren, besloot hij dit te melden aan zijn oversten. Zij gaven op hun beurt het bevel tot het bombarderen van de plek. Het bleken later Shibasaki en zijn staf te zijn. Nu zij dood waren, waren de Japanse soldaten op zichzelf aangewezen. Dit ongeluk was een belangrijk keerpunt, want indien Shibasaki het leven niet gelaten had bij deze aanslag, was de kans groot geweest dat hij met zijn vernuft de Amerikanen alsnog had kunnen terugdringen door 's nachts terug te slaan. 
Dag 2
Hoewel dag 1 er 's morgens veelbelovend had uitgezien voor Japan, was het in extremis toch verkeerd uitgedraaid en dag 2 zag er al niet veel beter uit. 's Nachts hadden de Japanse troepen ervoor gekozen niet in de tegenaanval te gaan maar hadden ze voor een versteviging van de verdediging geopteerd. Nu de kustlinie op enkele plaatsen doorbroken was, verspreidden de gevechten zich over het hele eiland. Niet veel later was bijna het volledige gebied tussen de kust en de luchthaven in handen van de Amerikanen. Het nieuwe doel was nu het vliegveld te behouden, en de Japanners waren vastberaden dit niet zonder slag of stoot in Amerikaanse handen te laten vallen. De Amerikaanse troepen die de luchthaven bestormden, lagen al snel onder vuur. De Japanse troepen die nog sporadisch stand hielden aan de kust, werden rond 10 uur met een nieuw bombardement volledig uitgeschakeld. Het strand was eindelijk van de Amerikanen. De Japanse troepen deden alles wat in hun macht lag om hun greep op het vliegveld te houden maar in de loop van de dag moesten ze het toch opgeven. De Amerikanen rukten steeds verder op en het zag er steeds slechter uit voor Japan.
Dag 3
De Japanse troepen probeerden zo lang mogelijk stand te houden maar het zag er reeds naar uit dat de strijd gestreden was. Na het verlies van het vliegveld bestond de verdediging van Betio nog slechts uit enkele gefragmenteerde groepjes soldaten.Niet denkend aan opgeven, verzamelden de laatste Japanse soldaten zich 's nachts om met een laatste stormaanval het eiland te behouden. De Japanners stierven nog liever dan dat ze in de handen van de vijand vielen. De wanhoopspoging mislukte echter en daarmee viel het doek over de strijd. Van de geschatte 4700 Japanse troepen overleefden slechts een 17-tal Japanse soldaten de veldslag. De Amerikaanse zijde verloor zo'n 3000 manschappen.
De dagen na de slag om Betio
Nu de strijd gestreden was, werd duidelijk welke ravage was aangericht. Op het eiland stond nauwelijks nog een palmboom recht en de dodentol was aan beide zijden hoog. Overal op het eiland lagen lijken verspreid die de hevigheid van de gevechten op een gruwelijke manier illustreerden. De enkele Japanse krijgsgevangenen die nog in leven waren, werden volledig uitgekleed opdat ze geen zelfmoord konden plegen. Een grote schande voor de Japanse soldaat.Met de val van Betio vielen ook de andere eilanden die deel uitmaakten van de Tarawa-atol in handen van de Amerikanen. Het puin werd geruimd en het vliegveld werd in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Tarawa zou in het verdere verloop van de oorlog dienen als bevoorradingspunt voor het Amerikaanse kamp. Opmerkelijk is dat beide kampen na de strijd met verstomming geslagen waren. De Japanners omwille van het feit dat hun "onneembaar" eiland toch ingenomen was door de VS, de Amerikanen waren dan weer onder de indruk van de Japanse troepen, die een ongelooflijke trouw en vastberadenheid hadden getoond. Het werd voor beide kampen duidelijk dat de slagen die ze nog zouden moeten uitvechten, een grote beproeving voor beide legers zou zijn.

Gevechten op Tarawa 
Datum 20 november Ė 23 november 1943 
Locatie Betio, Tarawa, Kiribati 
Resultaat Amerikaanse overwinning 
Strijdende partijen 
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten Merchant flag of Japan (1870).svg Japanse Keizerrijk 
Commandanten en leiders 
Vlag van Verenigde Staten Julian C. Smith Merchant flag of Japan (1870).svg Keiji Shibazaki Ü 
Troepensterkte 
35 000 mariniers 2619 troepen, 1000 Japanse en 1200 Koreaanse arbeiders 
Verliezen 
Mariniers: 
1696 doden
United States Marine Corps: 1009 doden, 2101 gewonden
United States Navy: 1 vliegdekschip gezonken, waarvan 687 opvarenden omkwamen.
4690 doden, 
17 krijgsgevangenen en 129 arbeiders




Betio: Posities op 21 november, 1800 uur

 

 

 

 

Een barriŤre van 1,5 meter hoog langs het water versperde de weg voor de Amerikaanse voertuigen. Op de eerste dag van de invasie stond de infanterie er alleen voor.

De slag om Alam el Halfa 1942

De slag om Alam el Halfa was een belangrijke veldslag in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats tussen 30 augustus 1942 en 5 september 1942 ten zuiden van El Alamein. Het Panzerarmee Afrika, bestaande uit Duitse en Italiaanse divisies onder het bevel van Erwin Rommel, deed er een poging om het Britse Achtste Leger, dat onder bevel stond van Bernard Montgomery, te omsingelen. In het laatste grote offensief van de Noord-Afrika campagne trachtte Rommel het Britse leger te verslaan vooraleer het voorzien kon worden van materieel en versterkingen, wat een overwinning voor de asmogendheden vrijwel onmogelijk maakte.
Montgomery, die door inlichtingen afkomstig van Ultra descriptie op voorhand op de hoogte was gesteld van Rommels intenties, liet opzettelijke een gat ontstaan in de zuidelijke sector van het front. Hij wist dat de Duitsers hier gingen aanvallen en stelde zijn artillerie en pantservoertuigen 32 kilometer achter het front op, rondom de bergkam van Alam el Halfa. In een nieuwe tactiek werden de tanks ingegraven en gebruikt als antitankwapens, waardoor er geen tegenaanval gelanceerd hoefden te worden, zoals in het verleden het geval was. Ze konden daardoor hun positie op de bergkam behouden. In tegenstelling tot andere tactieken, leidde dit tot een minimum aan verliezen.
Omdat zijn bevoorrading twijfelachtig was en het maar niet lukte de bergkam te veroveren, gaf Rommel het bevel om terug te trekken. Montgomery besloot zijn defensieve overwinning niet uit te buiten en zijn troepen te sparen voor wat de Tweede slag om El Alamein zou worden. Toch lanceerde de 2e Nieuw-Zeeland Divisie, tegen het bevel in, een aanval op een Italiaanse positie en leed hierbij zware verliezen. Rommel beweerde dat de Britse luchtsuperioriteit een beslissende rol speelde in Montgomeryís overwinning.
Achtergrond.
Na de mislukte poging van Rommel om door te breken tijdens de Eerste slag om El Alamein en de daaropvolgende tegenaanvallen van Auchinlecks Achtste Leger in juli 1942, waren beide zijden uitgeput. Ze groeven zich in om hun kracht her op te bouwen. Nabij El Alamein was Rommels bevoorradingspositie echter onzeker geworden. Zijn aanvoerlijnen waren zeer ver uitgestrekt, zijn grootste bevoorradingshavens in Benghazi en Tobroek waren respectievelijk 1.300 kilometer en 640 kilometer van het front verwijderd, en de haven van Tripoli bevond zich 1.900 kilometer van het front. Omdat de haven zodanig afgelegen lag, was deze zo goed als buiten gebruik geraakt. Bovendien voorzag het originele plan van de asmogendheden dat, na de slag om Gazala in juni, er een pauze van zes weken werd ingericht om te hergroeperen en te herbewapenen. Rommel had echter beslist om zijn momentum te behouden om te voorkomen dat het Achtste Leger defensieve posities kon voorbereiden, dus achtervolgde hij de geallieerde troepen richting CaÔro en indien mogelijk wilde hij verder doorstoten tot aan het Suezkanaal. Het resultaat hiervan was dat de luchtlandingstroepen, die normaal toegewezen waren om deel te nemen aan de aanval op Malta, nu werden toegekend aan Rommel om de geÔmproviseerde aanval naar Egypte te ondersteunen. Als gevolg daarvan waren de Britten in staat om hun aantallen in de Middellandse Zee weer op te bouwen en de aanvoer van voorraden naar Noord-Afrika te remmen door de bevoorradingsschepen zwaar onder vuur te nemen, wat resulteerde in zware verliezen op zee voor de asmogendheden zowel in materieel als in manschappen. Hoewel er nieuwe versterkingen waren ingevlogen vanuit Kreta, kampten Rommels eenheden aan het eind van augustus met een tekort aan belangrijke voorraden, vooral het tekort aan munitie en brandstof vormde een groot probleem.
Generaal Alexander, die pas aangesteld was als opperbevelhebber van het Midden-Oosten, kon daarentegen genieten van een korte afstand tussen zijn bevoorradingshavens in Egypte, en de frontlinie. Desalniettemin waren zijn aanvoerlijnen vanuit het Verenigd Koninkrijk, de Britse Kolonies en de Verenigde Staten zeer lang, wat resulteerde in een groot gat tussen het vaststellen van benodigde voorraden en het arriveren van de uitrusting. Tegen de zomer van 1942 begonnen er echter grote hoeveelheden Sherman-tanks en 6 pounder antitankkanonnen, die de verouderde 2 pounders moesten vervangen, te arriveren. De Britse en Gemenebest luchtmacht werd steeds invloedrijker op de uitkomst van de slag, en bovendien werd ze ondersteund door nieuwe Amerikaanse jachteskaders, die hun strijdwaardigheid moesten bewijzen.
De Duitse inlichtingendiensten hadden Rommel gewaarschuwd voor de komst van een geallieerd konvooi dat 100.000 ton aan voertuigen vervoerde naar Egypte. Hij realiseerde zich dat de tijd tegen hem tikte en dat het arriveren van geallieerde versterkingen de balans in het voordeel van de Britten zou doen omslaan, daarom besloot hij aan te vallen. Hij bracht het Italiaanse Comando Supremo in Rome ervan op de hoogte dat hij 6.000 ton brandstof en 2.500 ton munitie zou nodig hebben voor de geplande startdatum van het offensief tegen het einde van de maand. Tegen 29 augustus waren meer dan de helft van alle gezonden schepen tot zinken gebracht en maar 1.500 ton brandstof had Tobruk bereikt. Rommel kon het offensief niet langer uitstellen omdat de vijand alsmaar sterker werd en besloot een gok te wagen door aan te vallen, met de hoop op een snel succes. Aan het begin van de slag, nadat Albert Kesselring akkoord was gegaan om een deel van de brandstof van de Luftwaffe af te staan, had Rommel genoeg brandstof om 240 kilometer af te leggen per troepenvoertuig en 400 kilometer voor andere voertuigen.Duitse strategie
De El Alamein-sector bood geen breed front zoals het geval was in andere woestijnslagen, hierdoor zou elke pantserbeweging moeten passeren tussen de zee in het noorden, en de Qattara-depressie in het zuiden, die onbegaanbaar was voor tanks. De Britse verdediging was vrij sterk, maar Rommel geloofde dat er zich een zwak punt in de linie bevond. De zuidelijke sector, tussen Munassib en Qaret El Himeimat, was licht verdedigd en Rommel dacht dat er ook geen al te sterk mijnenveld aanwezig was.
Een van de verslagen indiceert dat de noordelijke en centrale sector van het front zo stevig versterkt waren dat het zuidelijke stuk van 24 kilometer, tussen de Nieuw-Zeelandse stelling aan de Alam Nayil Bergkam en de Qattara-laagte, het enige deel van het front was waar er mogelijk een snelle doorbraak met een kans op succes kon plaatsvinden. Om een doorbraak te forceren kon Rommel niet anders dan te blijven oprukken tot hij zijn doel had bereikt.
Aangezien het onmogelijk was om verrassingsaanvallen uit te voeren, stelde Rommel dat zijn aanval afhing van het bereiken van het verrassingseffect door snel op te rukken. Hij wilde snel door de zuidelijke sector breken om zo dwars door de communicatielijnen van het Achtste Leger te snijden, hopend dat dit de vijand zou verwarren en uit balans brengen. Hij wilde over de mijnenvelden heen trekken in een nachtelijke aanval, en plande al ver voorbij de mijnenvelden te zijn tegen zonsopgang.
In het noorden had Rommel de Italiaanse infanteriedivisies, gesteund door de brigade parachutisten van Hermann-Bernhard Ramcke en de Duitse 164e Lichte Afrika Brigade, een frontale aanval laten uitvoeren om er voor te zorgen dat de Britten niet van hun stelling konden wijken om andere delen van die linie te ondersteunen, terwijl zijn hoofdaanval door het zuidelijk deel van de linie zou snijden, waarna ze vervolgens in een scherpe noordelijke linkse beweging doorheen de geallieerde aanvoerlijnen zouden trekken. Hij hoopte dat na deze actie de meeste geallieerde eenheden omsingeld of vernietigd zouden zijn. Rommel, altijd vol met kenmerkend optimisme, had als uiteindelijke doel Egypte en het strategische Suezkanaal in te nemen.
Deze hoofdaanval zou geleid worden door zijn Duitse eenheden, de 15e Pantserdivisie en de 21 Pantserdivisie, vergezeld door de 90e Lichte Infanterie Divisie. De flanken werden gedekt door de drie Italiaanse divisies van het Italiaanse XX Corpo díArmata, die onder het bevel stonden van generaal Giuseppe de Stefanis.
Geallieerde verdediging
Sinds 13 augustus was het bevel over het Britse Achtste Leger overgedragen aan luitenant-generaal, later veldmaarschalk, Montgomery. Britse Ultra inlichtingen hadden een vijandelijke aanval voorzien, dus had de voormalige bevelhebber van het Achtste Leger, generaal Auchinleck, al een basisplan voor de verdediging opgesteld. Dit plan bevatte enkele noodopties voor het creŽren van defensieve stellingen rondom AlexandriŽ en CaÔro voor het geval er vijandelijke eenheden door de linie zouden breken. Na een bezoek aan de frontlinie besliste Montgomery dat deze plannen moesten vernietigd worden en benadrukte dat het zijn bedoeling was het gebied rond El Alamein te behouden tegen elke prijs.
In het noorden werd het XXX Korps, onder bevel van luitenant generaal Ramsden, achter het mijnenveld opgesteld. Het XXX korps bevatte de 9e Australische Divisie, de 1e Zuid-Afrikaanse Infanterie Divisie en de 5e Indische Infanterie Divisie, met de 23e Pantserdivisie in reserve.
De 2e Nieuw-Zeeland Divisie kreeg het bevel een 8 kilometer lang deel van de linie te verdedigen, net ten zuiden van de Ruweisat bergkam. Dit gebied stond bekend als de Nieuw-Zeeland stelling, en verdedigde het noordelijke uiteinde van de stellingen van het XIII Korps. Montgomery zag al snel in dat het vlakke terrein in de zuidelijke sector moeilijk te verdedigen zou zijn tegen een aanval met tanks, en besliste daarom dat het front van aan de Nieuw-Zeeland stelling tot aan Qaret el Himeima licht verdedigd zou worden, om zo Rommel aan te moedigen op dit punt aan te vallen. Deze opening werd voorzien van een mijnenveld en prikkeldraad. De 7e Gemotoriseerde Brigade en de 4e Lichte Pantser Brigade zouden de mijnenvelden beschermen, maar mochten terugtrekken indien het niet anders kon. Daardoor vormde de Nieuw-Zeeland Stelling de hoek van het verdediging netwerk, aangezien zij het hoger terrein nabij Alam Nayil bezaten van waaruit ze de vijand perfect onder vuur konden nemen.
De aanvallers zouden de defensieve stelling treffen, als ze naar het noorden zwenkten en de Alam el Halfa Bergkam naderden, die zich ver achter het front van het Achtste Leger bevond. Hier besliste Montgomery om het merendeel van zijn zware en middelzware tanks in te graven, evenals enkele antitankeenheden, en de aanval af te wachten. Achter de Britse pantsers, op het hoger gelegen terrein ten noordoosten bevonden zich twee brigades van de 44e Infanterie Divisie en concentraties van divisie en korps artillerie.
De 10e Pantserdivisie had zich in de Nijldelta heruitgerust met Grant tanks, die een veel effectiever 75 mm kanon bezaten. Deze moesten zo snel mogelijk de positie in Alam el Halfa versterken. Het merendeel van de 8e Pantser Brigade arriveerde op 30 augustus en nam positie links van de 22e Pantser Brigade, zodat ze de vijand in de flank konden aanvallen terwijl deze oprukte. Zodra Montgomery de opstelling van Rommel had waargenomen na het begin van zijn opmars, beval hij dat de 23e Pantser Brigade, die een reserve vormde binnen het XXX Korps, nu onder het XIII Korps geplaatst moest worden, waar ze bij de 10e Pantserdivisie zou gevoegd worden. Op 31 augustus rond 13.00 uur waren 100 Valentine tanks verplaatst om de opening tussen de 22e Pantser Brigade en de Nieuw-Zeelanders te dichten.

Slag om Alam el Halfa 
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog 
Datum 30 augustus 1942 Ė 5 september 1942 
Locatie El Alamein, Egypte 
Resultaat Strategische defensieve geallieerde overwinning. 
Strijdende partijen 
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland
Flag of Italy (1861-1946).svg ItaliŽ Vlag van het Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Flag of New Zealand.svg Nieuw-Zeeland 
Commandanten en leiders 
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Erwin Rommel Vlag van het Verenigd Koninkrijk Bernard Montgomery 
Troepensterkte 
6 divisies 4 divisies 
Verliezen 
2.900 gedood, gewond of gevangengenomen, 49 tanks en 36 vliegtuigen 1.750 gedood, gewond of gevangengenomen, 68 tanks en 67 vliegtuigen

De strijd
De aanval startte in de nacht van 30 augustus onder een volle maan. Vanaf het begin begon het al mis te lopen voor Rommel, de RAF nam een grote concentratie van As-pantservoertuigen waar, waarop ze enkele luchtaanvallen uitvoerden. Fairey Albacores van de Royal Navy dropten lichtbakens om doelwitten te verlichten voor de Vickers Wellington bommenwerpers en de artillerie. Ook waren de mijnenvelden breder dan verwacht. De Britse eenheden die de mijnenvelden moesten beschermen bestonden uit twee brigades afkomstig van de 7e Pantserdivisie, namelijk de 7e Gemotoriseerde Brigade en de 4e Pantser Brigade, met het bevel de vijand maximale verliezen toe te brengen, vooraleer terug te trekken. Dit deden ze ook, en de asmogendheden leden zware verliezen, waaronder generaal Nehring, commandant van het Afrika Korps, die gewond raakte tijdens een luchtaanval en generaal Von Bismarck, commandant van de 21e Pantserdivisie, die gedood werd door een mortierinslag.
Ondanks deze problemen kwamen Rommels eenheden de volgende dag toch door de mijnenvelden, zwenkten af naar links en maakten zich klaar voor de hoofdaanval, die normaal al om 06u00 plaats had moeten vinden. Het uitlopen van het schema en de onophoudelijke aanvallen door de Britse 7e Pantserdivisie op de flanken van Rommels eenheden, dwongen hen naar het noorden, waar ze westelijker in Montgomeryís flank zaten dan gepland was, wat ertoe leidde dat ze recht op het verdedigingsnetwerk van Alam el Halfa toe reden. Rond 13u00 rukte de 15e Pantserdivisie op, gevolgd door de 21e Pantserdivisie. De geallieerde eenheden die de bergkam bezetten, waren de 22e Pantserbrigade, die beschikte over 92 Grant tanks en 74 lichte tanks, gesteund door 6 pounder antitankkanonnen en artillerie van de 44e en 2e Nieuw-Zeeland Divisies.
In ťťn van de verslagen wordt gesteld dat de Duitsers naar schatting over 200 inzetbare tanks beschikten in beide pantserdivisies, en dat de Italianen over 240 tanks beschikten binnen hun pantserdivisies. De Italiaanse modellen waren verouderd, terwijl de Duitsers beschikten over 74 Pz.Kpfw III Ausf. J met een 50 mm kanon en 27 Pz.Kpfw IV Ausf. F2 met een 75 mm kanon. Ditzelfde verslag indiceerde dat de Britten over 700 tanks beschikten aan het front, waarvan 160 Grants. Toch namen maar 500 tanks deel aan de korte maar krachtige slag. Terwijl de Duitse Pantserdivisies de bergkam naderden, openden de Panzers IV al van veraf het vuur en vernietigden enkele Britse tanks. De Britse Grants hadden een grote handicap doordat het 75 mm hoofdwapen zich op de romp bevond, wat hen ervan weerhield zich in te graven, hoewel het 37 mm kanon, dat zich op de koepel bevond het pantser van de vijandelijke tanks beter penetreerde dan het 75 mm kanon. Toen de Duitsers eindelijk binnen bereik waren, kwamen hun tanks zwaar onder vuur te liggen.
Een poging om rond de Britse flank te trekken werd afgeslagen door verschillende antitankkanonnen en met het vallen van de nacht en het gebrek aan brandstof door verschillende vertragingen, beval generaal Von Vaerst, die nu het bevel voerde over het Afrikakorps, dat de pantsereenheden zich moesten terugtrekken. Tijdens deze schermutseling verloren de Duitsers 22 tanks en de Britten 21.
Ook de nacht bracht weinig soelaas voor de asmogendheden, aangezien Albacore en Wellington bommenwerpers opnieuw de aanval inzetten, met als doelwitten de bevoorradingsroutes. Dit droeg bij aan Rommels logistiek probleem, aangezien de geallieerden al meer dan de helft van de 5.100 ton brandstof, door Mussolini beloofd aan Rommel, tot zinken hadden gebracht. Bijgevolg was de 21e Pantserdivisie de volgende dag, 1 september, inactief en de enige actie die ondernomen werd kwam van de 15e Pantserdivisie die een aanval ondernam op de oostelijke flank van de 22e Pantserbrigade. Hun aanval startte bij het aanbreken van de dag, maar werd snel tegengehouden door een flankaanval van de 8e Pantserbrigade. De Duitsers leden lichte verliezen, omdat de Britten het bevel hadden gekregen hun tanks te sparen voor het komende offensief.
Ondertussen hadden de Italiaanse Pantserdivisies Littorio en Ariete zich naar de linkerflank van het Afrikakorps begeven en de 90e Lichte Infanteriedivisie en onderdelen van het Italiaanse X Korps hadden posities ingenomen om de zuidelijke flank van de Nieuw-Zeeland stelling aan te vallen. Doorheen de dag bleven de luchtaanvallen doorgaan en op de morgen van 2 september realiseerde Rommel zich dat zijn offensief gefaald had en dat het behouden van hun posities alleen maar zou bijdragen aan zijn verliezen. Daarom besloot hij terug te trekken, weg uit de saillant in het Britse front.
Rommel trekt zich terug
In een boodschap aan het Oberkommando der Wehrmacht rechtvaardigde Rommel zijn beslissing om het offensief te staken wegens het gebrek aan brandstof, het geallieerde luchtoverwicht en het verlies van het verrassingselement. Op 2 september bleef de situatie verslechteren voor de asmogendheden. Pantserwagens van de 4/8e Huzaren hadden zich een weg gebaand naar de bevoorradingroutes van de as en vielen een groep van 300 vrachtwagens aan, waarvan 57 vernietigd werden. Het resultaat was dat er Italiaanse pantsereenheden naar de routes moesten verplaatst worden, om de bevoorrading veilig te stellen en verdere aanvallen te voorkomen. Maar al bij al was 2 september een relatief kalme dag met weinig actie van beide kanten. Enkel in de lucht, waar de woestijnluchtmacht 167 bommenwerpermissies en 501 jagermissies vloog, was er veel actie.
Montgomery realiseerde zich dat het Afrikakorps op het punt stond zich terug te trekken en dacht offensieve plannen uit voor de 7e Pantserdivisie en de 2e Nieuw-Zeeland Divisie, onder de voorwaarde dat ze geen onnodige verliezen zouden lijden die verdere offensieve plannen in het gedrang kon brengen.
Terwijl de acties van de 7e Pantserdivisie nooit verder kwamen dan invallen om de vijand te tergen, was de aanval van de Nieuw-Zeelanders aanzienlijk feller. Deze bevatten de zeer ervaren 5e Nieuw-Zeeland Divisie en de kersverse 132e Infanterie Brigade. Deze laatste stond onder het bevel van de 44e Infanterie Divisie en werd gesteund door een pantserregiment. Het doel van de aanval was de bevoorradingsroutes van het Afrikakorps af te snijden en hen te isoleren ten oosten van de geallieerde linies. De aanval, "operatie Beresford" gedoopt, begon op 3 september om 22u30. De aanval door de 5e Nieuw-Zeeland Brigade aan de linkerzijde veroorzaakte grote verliezen bij de verdedigende Italiaanse troepen. De volgende ochtend sloegen de Nieuw-Zeelanders alle tegenaanvallen af. De aanval van de 132 Infanterie Brigade mislukte. De troepen kwamen een uur te laat aan in hun startposities, waardoor de vijand paraat stond en al hevig in de weer was met de afleidingsaanvallen van de 6e Nieuw-Zeeland Brigade op hun rechterflank. Commandant Robertson van de 132e infanterie Brigade, raakte zwaargewond en commandant Clifon van de 6e Nieuw-Zeeland Brigade werd gevangengenomen.
Ook verdwaalden de ondersteunende Valentine tanks van het 46e Koninklijke Tank Regiment in de duisternis en eindigden in een mijnenveld, waar 12 tanks permanent uitgeschakeld werden. De 90e Lichte Infanterie Divisie rekende zwaar af met de 132e Infanterie Brigade, zo verloren maar liefst 697 soldaten het leven en uiteindelijk waren ze niet in staat Rommel ervan te weerhouden te ontsnappen.
De sterke verdediging van de asmogendheden deed commandant Freyberg, de bevelhebber van de Nieuw-Zeeland Divisie, inzien dat het onwaarschijnlijk was dat een nieuwe aanval zou slagen. Hij stelde daarom voor de troepen terug te trekken van hun zeer blootgestelde posities, en de operatie af te blazen. Montgomery en generaal Horrocks waren het hierover eens, en de troepen werden teruggetrokken in de nacht van 4 september.
Gevolgen
Tijdens deze slag verloren de geallieerden 1.750 manschappen en de asmogendheden 2.930. De geallieerden verloren meer tanks dan de asmogendheden, maar voor de eerste maal in de campagne was er geen wanverhouding tussen de verliezen. Ook leden de asmogendheden door de constante aanvallen van de RAF grote verliezen aan transportvoertuigen. Het was het laatste grootschalige offensief van de asmogendheden in Noord-Afrika. Uiteindelijk was het de superieure vuurkracht van de geallieerden en hun controle over het luchtruim dat hen de overwinning bracht.
Er was veel kritiek op Montgomeryís leiderschap tijdens de slag, vooral over zijn keuze om verliezen te vermijden. Dit voorkwam dat de Britse tankformaties het Afrikakorps konden uitschakelen toen het in grote nood verkeerde tussen Alam el Halfa en de mijnenvelden. Friedrich von Mellenthin beschreef later in zijn boek Panzerschlachten de dramatische toestand waarin de pantserdivisies zich bevonden. Ze waren verlamd door een gebrek aan brandstof, lagen constant onder vuur van de RAF, wachtend op een afslachting.
Montgomeryís antwoord op de verwijten was dat het Achtste leger zich in een staat van reformatie bevond. Door het arriveren van nieuwe, ongetrainde eenheden was de legergroep niet klaar om over te gaan op het offensief, noch was het logistiek klaar voor een reis van 2.600 kilometer doorheen de woestijn. Deze tactiek had beide zijde al meermaals de overwinning gekost in een poging de woestijncampagne te beŽindigen, en juist daarom besloot Montgomery te wachten tot het Achtste Leger zich in optimale conditie bevond.
Daarnaast besloot Montgomery een nieuwe tactiek te gebruiken waarbij de Britse tanks hun stelling niet verlieten om zinloze aanvallen op Rommels stellingen uit te voeren, zoals ze in het verleden vaak deden, maar op veilige afstand te blijven van Rommels antitankscherm. Door dit proces gaf hij telkens het initiatief aan de vijand. Rommel klaagde hier enorm over bij Kesselring, ďdat zwijn valt niet aan!Ē
Montgomery kon dankzij zijn weigering om zijn overwinning uit te buiten, zijn eenheden bewaren en zijn logistieke ondersteuning voldoende opbouwen om in oktober het beslissende offensief te starten dat bekendstaat onder de naam de Tweede slag om El Alamein.

 

 

De Slag om Berlijn 16 april 1945-2 mei 1945

De Slag om Berlijn was de hevige strijd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog om de Duitse hoofdstad van eind april tot begin mei 1945. Het totale aantal slachtoffers (militair en civiel) is moeilijk precies vast te stellen, maar ligt waarschijnlijk aanzienlijk boven de 200.000. Verscheidene nazikopstukken, waaronder Adolf Hitler zelf, pleegden zelfmoord. Op 2 mei 1945 gaven de laatste verdedigers van Berlijn zich over. Enkele dagen later kwam een einde aan de Tweede Wereldoorlog in Europa.
Voorbereiding

Het Sovjetoffensief in centraal Duitsland - wat na de verovering de Sovjet-bezettingszone in Duitsland was en na 1949 Oost-Duitsland[1] of de Duitse Democratische Republiek (DDR) werd genoemd - had twee doelen. Stalin geloofde niet dat - zoals afgesproken tijdens de Conferentie van Jalta - zijn westerse bondgenoten het door hun bezette grondgebied na de oorlog aan de Sovjet-Unie zouden overhandigen en daarom startte hij een breed en snel offensief om hen zo westelijk mogelijk te ontmoeten. De belangrijkste doelstelling was echter de inname van Berlijn. Deze twee doelstellingen vulden elkaar aan omdat de inname van Berlijn noodzakelijk was voor de macht over de regio. Een andere overweging was dat Berlijn zelf 'nuttige naoorlogse strategische activa' had, met name de 'hoofdprijs' Adolf Hitler zelf maar ook bijvoorbeeld het Duitse atoombomprogramma.
Op 6 maart benoemde Hitler Luitenant Generaal Helmuth Reymann tot bevelhebber van het Berlijnse verdedigingsgebied. Reymann verving Generaal Bruno Ritter von Hauenschild.
Op 20 maart werd Generaal Gotthard Heinrici benoemd tot bevelhebber van de Weichsel-verdedigingsgroep. Hij verving ReichsfŁhrer-SS Heinrich Himmler. Heinrici was een van beste verdedigers in het Duitse leger. Heinrici oordeelde correct dat de belangrijkste Sovjet-aanval over de rivier de Oder en langs de belangrijkste oost-west-autobahn van Breslau naar Berlijn kon worden verwacht. Hij besloot de oevers van de Oder met slechts een dun scherm van soldaten te verdedigen en de hoofdmacht te concentreren bij de Seelowhoogten, 90 kilometer ten oosten van de hoofdstad. Heinrici gaf daar de genie opdracht de hoogten te versterken. Tevens begon de genie de achterliggende rivier de Oder, reeds gezwollen door de lentedooi, in een moeras te veranderen door het water van een stroomopwaarts gelegen reservoir vrij te geven. Hierachter werden drie verdedigingsstellingen gebouwd. Deze stellingen liepen door tot aan de rand van Berlijn (de linies dichtbij Berlijn werden Wotan-stelling genoemd). De linies bestonden uit antitankgeschut en een uitgebreid netwerk van loopgraven en bunkers.
Op 9 april viel Koningsbergen in Oost-Pruisen definitief in handen van het Rode Leger, na de capitulatie door Festungskommandant Lasch. Dit gaf het 2e Wit-Russische front van generaal Konstantin Rokossovski de mogelijkheid westwaarts naar de oostelijke oever van de Oder te trekken.
Tijdens de eerste twee weken van april voerde het Rode Leger zijn snelste hergroepering van de oorlog uit. Generaal Georgi Zjoekov hergroepeerde zijn 1e Wit-Russische front, dat langs de Oder van Frankfurt in het zuiden tot aan de Oostzee was opgesteld, naar enkel een gebied voor de Hoogten van Seelow. Het 2e Wit-Russische front werd verplaatst naar de posities die door het 1e Wit-Russische front, noordelijk van de Seelow Hoogtes, werden vrijgemaakt.
Tijdens deze hergroepering ontstonden er openingen in de linies en de resten van Generaal Dietrich von Sauckens 2e Duitse Leger, dat dichtbij Danzig was geconcentreerd, slaagden erin naar de Weichsel te ontsnappen. In het zuiden verplaatste Maarschalk Ivan Konev het belangrijkste gewicht van het 1e OekraÔense front uit het noordwestelijke Opper-SileziŽ naar de Neisse. Men ontweek hierbij het gebied rond de Festung Breslau, omdat Breslau strijdgebied was gebleven en tot 6 mei 1945 zou worden verdedigd door fanatieke Duitse eenheden van onder andere de Hitlerjugend en Volkssturm.
De drie Sovjetfronten omvatten gezamenlijk 2,5 miljoen militairen (met inbegrip van een kleine 200.000 militairen uit het 1e Poolse Leger), 6.250 tanks, 7.500 vliegtuigen, 41.600 artilleriestukken en mortieren, 3.255 op vrachtwagen opgestelde lanceerinrichtingen voor Katjoesjaraketten (bijgenaamd 'Stalinorgels') en 95.383 motorvoertuigen.
Russische opmars
In januari 1945 namen de Russen de Poolse hoofdstad Warschau in. Na een offensief dat resulteerde in het oversteken van de Narev rukten ze snel op: 30-40 kilometer per dag. De rivier de Oder vormde even een nieuwe frontlijn.
Een tegenaanval van de Duitsers, geleid door Himmler rond 24 februari, mislukte. Boedapest viel op 13 februari na drie vergeefse Duitse ontzettingspogingen. Een Duitse aanval met het onmogelijke doel de Donau als front te herstellen faalde op 16 maart. Op 30 maart trokken de Russen Oostenrijk binnen en op 13 april viel Wenen.
Berlijn als frontstad
Op 16 april waren de Russen hun opmars naar Berlijn begonnen. Op 20 april 1945 werd Adolf Hitler gewekt door het gedonder van Russische artillerie. De Russen waren de Oder overgestoken en bevonden zich op een tiental kilometers van Berlijn. Hitler liet een speciale order uitgaan, waarin Berlijn als frontstad werd aangemerkt. De stad moest tot het uiterste verdedigd worden en het bestuursapparaat zou zich met medeneming van de nodige en vernietiging van de overige documenten in Noord-Duitsland vestigen. Wellicht hoopte Hitler tijd te winnen teneinde een bondgenootschap met de geallieerden te kunnen sluiten. Andere historici beweren dat Hitler zo veel mogelijk mensen met zich mee wilde slepen in zijn ondergang.
 

Sovjettroepen in Berlijn 
Datum 16 april 1945 - 2 mei 1945 
Locatie Berlijn, Duitsland 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 
Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie
Flag of Poland.svg Polen Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the Soviet Union.svg Georgi Zjoekov
Flag of the Soviet Union.svg Konstantin Rokossovski
Flag of the Soviet Union.svg Ivan Konev Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Gotthard Heinrici
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Kurt von Tippelskirch
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Ferdinand SchŲrner
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Hellmuth Reymann
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Helmuth Weidling 
Troepensterkte 
2.500.000 soldaten, 6250 tanks, 7500 vliegtuigen, 41.600 stuks artillerie. 
Voor de circumvallatielinie en de aanval op de Berlijnse verdedigingsgordel ongeveer 1.500.000 soldaten.
766.750 soldaten, 1519 tanks, 2224 vliegtuigen, 9303 stuks artillerie. 
In de Berlijnse verdedigingsgordel ruim 45.000 soldaten, aangevuld met de politie, Hitlerjugend, en 40.000 Volkssturm. 
Verliezen 
81.116 doden of vermisten, 280.251 zieken en gewonden, totaal 361.367 mannen, 1997 tanks, 2108 stuks artillerie, 917 vliegtuigen 88.080 doden, 479.298 gevangen, totaal 937.378 mannen, in de Berlijnse verdedigingsgordel: 22.000 burgers gedood, ongeveer 22.000 militairen gedood

 

Volkssturmsoldaten maken een wegversperring, foto van 10 maart 1945

Volkssturmsoldaten staan met een Panzerfaust,10 maart 1945

Verwoeste huizen in Berlijn na een bombardement

Russische kanonnen vuren op de stad Berlijn, april 1945.

Katjoesjaraketten worden in Berlijn door de Russen afgevuurd.

De Slag om Dakar 23-25 september1940

De Richelieu was de naamgever van de Richelieu-klasse , waarvan er 4 op stapel werden gezet. Hiervan zouden er slechts 2 van worden voltooid, omdat de laatste 2 eenheden in Duitse handen vielen en werden gesloopt. De Richelieu werd op stapel gezet door Arsenal de Brest op 22 oktober 1935. Op 17 januari 1939 werd ze te water gelaten en op 15 juli 1940 in dienst gesteld. Haar bewapening bestond uit acht 381 mm/45 Caliber model 1935 kanons, negen 152 mm/55 caliber model 1930 kanons, en een aantal luchtdoelkanons. De Richelieu was 248 meter lang en 33 meter breed. Op 18 juni 1940 verliet het slagschip Frankrijk en zette koers naar Dakar. Haar 381 mm kanons konden het vuur echter nog niet openen. Na de Frans Duitse wapenovereenkomst eisten de Britten dat het slagschip werd ontwapend of zich naar een Engelse haven begaf. Toen dit niet gebeurde zond de Royal Navy een vaartuig de haven van Dakar in die zonder gezien te worden 6 dieptebommen afwierp naast de Richelieu, die niet tot ontploffing kwamen. Op 8 juli 1940 werd het slagschip aangevallen door Engelse torpedovliegtuigen, slechts 1 plaatste een treffer. Deze torpedotreffer ontplofte onder het achterschip. De explosie had tot gevolg dat ook de dieptebommen af gingen, waardoor de Richelieu op haar ankerplaats in ondiep water zonk. Dankzij het feit dat het slagschip in ondiep water zonk konden haar voorste vier 381 mm kanons schietklaar gemaakt worden.
Het Engelse slagschip Ramillies werd door Beardmore & Cammell Laird Co op 12 november 1913 op stapel gezet en was de derde eenheid van de Revenge-klasse. Het slagschip 12 september 1916 te water gelaten en op 19 september 1917 voltooid. Ze werd door een 330 mm pantserwand beschermt en droeg een hoofdbewapening van acht 381 mm/42 caliber MK1 kanons. Het slagschip had een lengte van 190,3 meter, was 27 meter breed en 28.150 ton zwaar. Ze werd in 1918 wat gemoderniseerd en in de jaren 30 nog eens gemoderniseerd waarbij haar breedte toenam tot 31,2 meter. Het schip zag niet veel actie en werd in 1944 gebruikt als opleidingsschip. Op 20 maart 1948 werd de Ramillies voor de sloop verkocht. 1 van Ramillies 381 mm kanos staat tegenwoordig bij het Imperial War Museum. 
Het Engelse slagschip Ramillies werd door Beardmore & Cammell Laird Co op 12 november 1913 op stapel gezet en was de derde eenheid van de Revenge-klasse. Het slagschip 12 september 1916 te water gelaten en op 19 september 1917 voltooid. Ze werd door een 330 mm pantserwand beschermt en droeg een hoofdbewapening van acht 381 mm/42 caliber MK1 kanons. Het slagschip had een lengte van 190,3 meter, was 27 meter breed en 28.150 ton zwaar. Ze werd in 1918 wat gemoderniseerd en in de jaren 30 nog eens gemoderniseerd waarbij haar breedte toenam tot 31,2 meter. Het schip zag niet veel actie en werd in 1944 gebruikt als opleidingsschip. Op 20 maart 1948 werd de Ramillies voor de sloop verkocht. 1 van Ramillies 381 mm kanos staat tegenwoordig bij het Imperial War Museum
De Barham werd op 24 februari 1916 op stapel gezet door J.Brown,Clydebank en was de derde eenheid van de Queen Elizabeth-klasse. Op 13 oktober 1914 werd ze te water gelaten en op 5 november 1915 voltooid. Ze werd met een 330 mm pansterwand beschermd en droeg een hoofdbewapening van acht 381 mm/42 Caliber MK1 kanons. De Barham was 196 meter lang en 27,4 meter breed. Na haar modernisering in 1930 tot 1933 nam haar breedte toe tot 31,7 meter. Nadat het slagschip in de Eerste Wereldoorlog deelnam aan de grootste slagachipconfrontatie, werd ze op 25 november 1941 door 3 torpedo's tot zinken gebracht door de onderzeeboot U-331, waarbij 861 man stierven.
Op 19 en 21 september 1940 vertrok een geallieerde strijdmacht onder commando van Cunningham uit Freetown voor Operation Menace, met de bedoeling Dakar in te nemen. De geallieerden hadden een vloot samengesteld bestaande uit het vliegkampschip Ark Royal, de slagschepen Barham en Resolution, de zware kruisers Austalia, Devonshire en Cumberland, de lichte kruiser Delhi, 5 torpedobootjagers, 5 kanonneerboten, 2 patrouille vaartuigen, 5 vrachtschepen en 6 troepentransportschepen. Het overgrote deel van de vloot was Engels, maar er zaten ook Franse oorlogsschepen bij en Nederlandse vrachtschepen. In Dakar lagen enkele Vichy Franse schepen, waaronder het bijna voltooide slagschip Richelieu , bewapend met acht 381 mm kanons. Op 23 september lag deze vloot op de rede van Dakar, het was die dag erg mistig. Franse vliegtuigen probeerden de geallieerde schepen aan te vallen, maar werden door vliegtuigen van de Ark Royal onderschept. Toen de geallieerden om 10:51 voor de baai van Dakar lagen openden de Franse kustforten als eerste het vuur. De geallieerde vloot vuurde ook enkele salvo's af, maar wilde zo min mogelijk geweld gebruiken. Om 14:00 ontving de Franse admiraal in Dakar dat er troepentransportschepen waren gesignaleerd. Hij zond toen de flottieljeleider L'Audacieux op verkenning, die door de Engelse zware kruisers Devonshire en Australia werd onderschept. De Franse flottieljeleider werd door vele 203 mm granaten getroffen en moest aan de grond worden gezet, om te voorkomen dat het in de golven zou verdwijnen. Desondanks brandde de L'Audacieux volledig uit en ging alsnog verloren. 
Ondertussen bleven de Franse forten op Dakar het vuur openen op de geallieerde strijdmacht en ze wisten de kruisers Cumberland en Dragon en 2 torpedobootjagers te beschadigen. De geallieerden trokken hun schepen tijdelijk terug uit het bereik van de forten. De Engelse slagschepen Barham en Resolution hadden geprobeerd het Franse slagschip Richelieu uit te schakelen. De 381 mm granaten sloegen in rondom de Richelieu, waardoor een passagiersschip enkele werven en gebouwen werden beschadigd. De Richelieu werd echter niet getroffen, maar 1 van haar 381 mm granaten blokkeerden haar enige werkende geschutstoren, waardoor de Fransen snel de tweede 381 mm geschutstoren schietklaar maakten. De volgende dag op 24 september probeerden de vliegtuigen van de Ark Royal de Richelieu uit te schakelen, te vergeefs. Bij een andere te vergeefse aanval op een Franse kruiser verloor de Ark Royal 2 vliegtuigen. De geallieerden probeerden herhaaldelijk de Franse kust dichter te naderen, om zo de Franse schepen onder vuur te nemen. De Fransen die bang waren voor een tweede Mers El Kebir zonden hun onderzeeboten uit om de geallieerde vloot aan te vallen. 1 werd al snel onderschept en een ander beschadigt. Een Franse onderzeeboot wist echter een rookscherm te leggen, waardoor de geallieerden het vuur moesten staken. Toen de rook was weggetrokken hervatte de Engelse slagschepen Resolution en Barham het vuur. Het machtige slagschip Richelieu opende samen met de forten het vuur en er werd weer een rookscherm gelegd. De Resolution werd door vier granaten van de forten getroffen en de geallieerden besloten zich hierna maar tijdelijk terug te trekken. Op 25 september openden de Engelse slagschepen opnieuw het vuur. Een Franse onderzeeboot wist onopgemerkt de slagschepen te besluipen en vuurde 5 torpedo's af op de Resolution. Slechts 1 ervan trof de veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, en richtte ernstige schade aan. De bakboordmachinekamer van het slagschip liep onderwater. De Barham, ook een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog opende het vuur en haar 381 mm granaten troffen een vrachtschip en een motorschip die beiden in de Franse haven lagen. Zelf werd de Barham door 4 granaten van de forten getroffen en nog eens beschadigd door een near-miss van de Richelieu. De Engelse Admiraal besloot toen maar terug te trekken, wat voor de Vichy Fransen kon worden gezien als een overwinning.

Slag om Dakar 
Datum 23 september Ė 25 september 1940 
Locatie Dakar, Frans-West-Afrika 
Resultaat Vichy-Franse overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of Australia.svg AustraliŽ
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen Flag of Philippe Pťtain, Chief of State of Vichy France.svg Vichy-Frankrijk 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg John Cunningham
Flag of Free France 1940-1944.svg Charles De Gaulle Flag of Philippe Pťtain, Chief of State of Vichy France.svg Pierre FranÁois Boisson 
Troepensterkte 
2 slagschepen, 1 vliegkampschip, 5 kruisers, 10 torpedojagers 1 slagschip, 2 kruisers, 4 torpedojagers, kustverdedigingen 
Verliezen 
2 slagschepen en 2 kruisers beschadigd 1 torpedojager gezonken,
2 onderzeeŽrs gezonken


Slagschip Richelieu

De Eerste slag bij El Alamein 1942

De Eerste slag bij El Alamein was een beslissende veldslag in Noord-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats nabij El Alamein in Egypte tussen 1 juli 1942 en 27 juli 1942. Aan de zijde van de asmogendheden vocht het Afrikakorps, onder het bevel van veldmaarschalk Erwin Rommel. De geallieerde zijde bestond uit het Britse Achtste Leger aangevoerd door generaal Claude Auchinleck. Deze slag liet de tweede en laatste opmars van de as-troepen in Egypte tot een halt komen bij El Alamein, dat op amper 106 kilometer van AlexandriŽ vandaan lag.
Terugtocht van Gazala
Na de nederlaag bij Gazala in juni 1942 had het Achtste leger zich moeten terugtrekken van de Gazala-linie naar Mersa Matruh dat ongeveer 160 kilometer voorbij de grens met Egypte gelegen was. Generaal Neil Ritchie had besloten om de verdedigingslijn aan de grens van Egypte op te geven. Het plan voor de verdediging daar was gebaseerd op infanterie-eenheden, die enkele versterkte stellingen moesten behouden, en een sterke pantsereenheid, die achtergehouden werd in reserve om elke poging om de stellingen te penetreren of te omtrekken af te slaan. Aangezien Ritchie bijna geen enkele pantsereenheden over had die nog geschikt waren voor de strijd zou de infanterie daar volledig onder de voet gelopen worden.
Het plan voor de verdediging van Mersa Matruh was net hetzelfde als voor de grens van Egypte, maar Ritchie geloofde, dat hij de infanterie hier zo zou kunnen opstellen dat ze de mijnenvelden kon beschermen. Zo zouden ze verhinderen dat As troepen een opening in het mijnenveld konden vrijmaken voor de Duitse pantserdivisies. Als de mijnenvelden intact bleven, zou de infanterie in staat zijn de posities te verdedigen zonder de hulp van pantservoertuigen.
Om de Mersa Matruh-linie te verdedigen plaatste Ritchie de 10e Indische Infanteriedivisie in Mersa Matruh zelf en de 50e Indische Infanteriedivisie ongeveer 24 km verder naar de kust in Gerawla. De beide divisies werden onder het bevel van het nieuw, net uit SyriŽ gearriveerde, X Korps geplaatst. Verder naar het binnenland toe zat de 5e Indische Infanteriedivisie rond Sidi Hamza samen met de 1e Pantserdivisie die het bevel over de 4e en 22e Pantserbrigades had overgenomen van de 7e Pantserdivisie, deze divisies stonden onder het bevel van het XIII Korps.
Op 25 juni verving Claude Auchinleck, die opperbevelhebber in het Midden-Oosten was, Neil Ritchie en nam zelf het bevel over het Achtste Leger op zich. Hij besloot om geen confrontatie aan te gaan bij Mersa Matruh, omdat deze in het zuiden een open flank had en Rommel dit al eens in zijn voordeel had benut bij Gazala. Hij besloot in plaats daarvan om ongeveer 160 kilometer terug te trekken in oostelijke richting naar El Alamein waar de steile hellingen van de Qattara-depressie het onmogelijk maakte voor tanks om langs de zuidelijke flank een omtrekkende beweging uit te voeren.
De slag bij Mersa Matruh
Terwijl Auchinleck bezig was met de El Alamein-linie voor te bereiden, voerde hij nog verschillende vertragingsacties uit. Eerst bij Mersa Matruh op 26 en 27 juni en dan in Fuka op 28 juni. Het laattijdig veranderen van de bevelen leidde tot wat verwarring in de voorste formaties van het X Korps en XIII Korps. Deze verlangde ernaar om de vijand aan te vallen, maar moesten ook terug zien te trekken op een ordelijke manier aangezien ze niet de intentie hadden om klemgezet te worden in de Mersa Matruh positie. Het resultaat was een slechte coŲrdinatie tussen de twee voorste korpsen en de eenheden onder hen.
Laat op de avond van 26 juni slaagde de 90e Lichte Infanteriedivisie en de 21e Pantserdivisie erin om zich een weg te banen door het mijnenveld in het centrum van het front. Maar op de ochtend van 27 juni werd de opmars van de 90e Lichte Infanteriedivisie gestuit door de artillerie van de 50e Indische Infanteriedivisie. Ondertussen rukten de 15e en 21e Pantserdivisies op naar Minqar Qiam. De 15e Pantserdivisie werd echter tegengehouden door de 4e Pantserbrigade en de 7e Gemotoriseerde Brigade, desalniettemin kreeg de 21e Pantserdivisie het bevel om de aanval toch door te zetten en Minqar Qiam aan te vallen. Rommel beval de 90e Lichte Infanteriedivisie om hun opmars te hervatten, eisend dat ze de kustweg, die zich achter de 50e Indische Infanteriedivisie bevond, zouden afsnijden tegen de avond.
Toen de 21e Pantserdivisie Minqar Qiam naderde, werd de 2e Nieuw-Zeeland-Divisie omsingeld. Ze slaagde er echter in om uit te breken onder de nacht van 27 juni zonder veel verliezen te leiden en trokken naar het oosten. Auchinleck had een tweede vertraging manoeuvre gepland nabij Fuka, ongeveer 48 km ten oosten van Mersa Matruh. Om 19.20 uur gaf hij het bevel terug te trekken naar Fuka, maar door verwarring in de communicatie trokken sommige divisie direct terug naar de El Alamein-linie.
Ondertussen was het X Korps, dat er niet in geslaagd was hun positie op de helling te beveiligen, rond 19.30 uur alle contact verloren met het Achtste Leger, dit werd pas hersteld om 04.30 uur de volgende morgen. Toen ontdekten ze pas dat het bevel om terug te trekken al geven was. Doordat het XIII Korps ondertussen al teruggetrokken was lag de zuidelijke flank van het X Korps aan de kust nabij Mersa Matruh nu onbeschermd en hun route om terug te trekken was gecompromitteerd doordat de kustweg 27 kilometer ten oosten van Mersa Martuh afgesneden was. Ze kregen het bevel om uit te breken naar de woestijn en van daaruit naar het oosten te trekken.
Achinleck beval het XIII Korps om ondersteuning te bieden tijdens te uitbraak maar deze bevonden zich niet in een geschikte positie om dit te doen. Op 28 juni rond 21.00 uur trok het X Korps, opgedeeld in verschillende brigades, naar het zuiden. Er heerste grote verwarring in de duisternis toen men op enkele vijandelijke eenheden stuitte die in de buurt gelegerd lagen voor de nacht. In het bijzonder bij de 10e Indische infanteriedivisie die veel verliezen leed, inclusief de totale vernietiging van de 29e Infanterie Brigade nabij Fuka. De As nam meer dan 6.000 gevangenen en maakte 40 tanks en veel voorraden buit.

Eerste Slag om El Alamein 
Datum 1 juli 1942 Ė 27 juli 1942 
Locatie El Alamein, Egypte 
Resultaat Strategische Geallieerde overwinning, tactische gelijk. 
Strijdende partijen 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Britse Gemenebest Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland
Flag of Italy (1861-1946).svg ItaliŽ 
Commandanten en leiders 
Vlag van het Verenigd Koninkrijk Claude Auchinleck Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Erwin Rommel 
Troepensterkte 
150.000 manschappen
1.114 tanks
1.000 artilleriekanonnen
1.500 vliegtuigen 96.000 troepen (waarvan 56.000 Italiaans)
585 tanks
minder dan 500 vliegtuigen 
Verliezen 
13.250 gedood, gewond of gevangengenomen 10.000 gedood of gewond, 7.000 gevangengenomen 

 

Verdediging bij El Alamein
El Alamein zelf was een onbeduidend spoorwegstation aan de kust. Ongeveer 16 kilometer naar het zuiden lag de Ruweisat-bergkam, een lage steenachtige bergkam die een uitstekend observatiepunt vormde over verschillende kilometers woestijn. 32 kilometer naar het zuiden van de bergkam lag de Qattara laagte. De Britse verdedigingslinie strekte zich uit van de kust tot aan de Qattara laagte, wat betekende dat Rommel een enorme omweg door de woestijn zou moeten nemen om rond hun flank te kunnen trekken. Het Britse leger in Egypte had dit al voor de oorlog ingezien en had het Achtste Leger enkele stellingen laten voorbereiden, waarvan de best voorbereide rond het spoorwegstation lagen. Het merendeel van de linie bestond echter gewoon uit open woestijngebied. Luitenant-generaal Norrie organiseerde de posities en begon drie verdedingingsstellingen voor te bereiden. De eerste en sterkste nabij El Alamein, tegen de kust, was voorzien van een uitgegraven verdedigingswerk en gedeeltelijk uitgerust met een mijnenveld en prikkeldraad door de 1e Zuid-Afrikaanse Infanteriedivisie. De Bab el Qattara-stelling, die zich zoín 32 kilometer van de kust en 13 kilometer ten zuidwesten van de Ruweisat-bergkam bevond, beschikte ook over een uitgegraven verdedigingswerk maar was niet uitgerust met een mijnenveld of prikkeldraad en bij de Naq Abu Dweis-stelling, aan de rand van de Qattara laagte, waren bijna geen voorbereidingen getroffen.
De Britse situatie in Egypte stond nu op een kritiek punt. De nederlaag bij Mersa Matruh had paniek veroorzaak in het Britse hoofdkwartier te CaÔro. Later op de dag begonnen de Britten alle vertrouwelijke papieren te verbranden in afwachting van As troepen die de stad zouden binnenvallen. Deze dag werd toepasselijk ďAswoensdagĒ genaamd op het Britse hoofdkwartier alsook bij de achterste troepenformaties en de Britse Ambassade. Alhoewel hij er van overtuigd was dat hij Rommel kon stoppen bij El Alamein, voelde Auchinleck dat hij niet kon negeren dat de mogelijkheid bestond dat zijn leger weer onder de voet zou worden gelopen of dat Rommel weer een flank manoeuvre zou uitvoeren. Daarom geloofde Auchinleck dat hij, om zijn leger in stand te houden, een plan moest opstellen om nog verder terug te trekken en ondertussen het moreel hoog te houden en de steun en medewerking van de Egyptenaren te bewaren. Er werden verdedingingsstellingen aangelegd ten westen van AlexandriŽ en op de routes die naar CaÔro leiden, ondertussen werden ook aanzienlijke gebieden in de Nijldelta onder water gezet.
Ook de asmogendheden dachten dat de inname van Egypte nabij was, de Italiaanse leider Benito Mussolini, die een historisch moment voelde aankomen, vloog naar LibiŽ om er zijn triomfantelijke intocht naar CaÔro voor te kunnen bereiden.
Dat het X Korps volledig uit elkaar was gedreven dwarsboomde de plannen van Auchinlecks om deze de El Alamein-linie te laten bezetten. Op 29 juni beval hij het XXX Korps om hun posities aan de kustsector, rechtse van het front, in te nemen en het XIII Korps om hetzelfde te doen aan de linkerzijde van het front. Wat nog overbleef van de 1e en 7e Pantserdivisie zou dienen als een mobiele leger reserve. Het was Auchinlecks intentie dat de defensieve posities de vijand zouden kanaliseren en desorganiseren, zodat de mobile reserve in de flank en rug van de vijand kon aanvallen.
Op 30 juni naderde Rommels Afrikakorps de El Alamein posities. De As-eenheden waren uitgeput en sterk onderbemand. Toch bleef Rommel hen onverbiddelijk voorwaarts sturen in de overtuiging dat, mits hij toesloeg voor het Achtste Leger de kans had gekregen zich op te stellen, zijn momentum hem door de El Alamein-linie zou helpen en hij zo kon oprukken naar de Nijl zonder veel tegenstand.
De bevoorrading bleef met problemen kampen omdat men bij het As-commando een pauze van 6 weken verwachtte na de inname van Tobroek. Ondertussen bleken de buitgemaakte voorraden zeer goed van pas te komen, maar water en munitie was slechts beperkt leverbaar, terwijl een groot tekort aan transportmiddelen het verspreiden van voorraden die wel beschikbaar waren belemmerde. 
Aanvalsplan
De 90e Lichte Infanteriedivisie en beide pantserdivisies van het Afrika Korps zouden de linie van het Achtste Leger tussen El Alamein en Deir El Abyad penetreren. Daarna zou de 90e Lichte Infanteriedivisie naar het noorden oprukken en de kustweg afsnijden, om zo de verdedigers van de El Alamein-stelling in de val te laten lopen. Het Afrika Korps zou naar recht oprukken om zo het XIII Korps in de rug aan te vallen.
Vanuit het westen zou er een Italiaanse divisie de El Alamein-stelling aanvallen en een andere divisie zou de 90e Lichte Infanteriedivisie volgen. Het Italiaanse XX Korps zou het Afrika Korps volgen en afrekenen met de Qattara-stelling terwijl de Littoro-Divisie en Duitse verkenningseenheden hun rechter flank zouden beschermen.

Britse infanterie verdedigt El Alamein

Kaart van het slagveld

Het Afrikakorps valt aan
Op 1 juli rukte de 90e Lichte Infanteriedivisie op richting het oosten, maar ze dwaalde te ver af naar het noorden en kwam onder vuur te liggen van de 1e Zuid-Afrikaanse Infanteriedivisie waardoor ze klem zaten. De 15e en 21e Pantserdivisie werden opgehouden door een zandstorm en later door een zware luchtaanval. Het was pas tegen klaarlichte dag dat ze rond Deir el Abyad gecirkeld waren, waar ze in het oosten de 18e Indische Infanteriebrigade aantroffen, die na een haastige reis vanuit Irak de blootgestelde positie op 28 juni had ingenomen net ten westen van Deir el Shein en ten oosten van Deir el Abyad om er ťťn van generaal Norries extra defensieve posities te creŽren.
Op 1 juli viel de 21e Pantserdivisie Deir el Shein aan. De 18e Indische Infanteriebrigade, ondersteund door drieŽntwintig 25-pounders, zestien van de nieuwe 6-pounders en 9 Matilda-tanks, hield de hele dag stand in een wanhopig gevecht, maar tegen de avond werden ze uiteindelijk door de Duitsers onder de voet gelopen. De extra tijd die ze wonnen zorgde ervoor dat Auchinleck de westelijke verdediging aan het einde van de Ruweisat-bergkam kon organiseren. De 1e Pantserdivisie was ondertussen naar Deir el Shein gestuurd om in te grijpen. Net ten zuiden van Deir el Shein botsten ze op de 15e Pantserdivisie, maar konden deze terugdrijven naar het westen. Tegen het einde van de dag had het Afrika Korps nog maar 37 van de oorspronkelijke 55 tanks over.
In de vroege namiddag had de 90e Lichte Infanteriedivisie zichzelf bevrijd van de defensieve stelling nabij El Alamein en hun opmars richting het oosten weer hervat. Later kwamen ze onder artillerievuur te liggen van de 3e Zuid-Afrikaanse Brigade en waren gedwongen zichzelf in te graven.
Op 2 juli gaf Rommel het bevel om het offensief te hervatten. Opnieuw was de 90e Lichte Infanteriedivisie niet in staat om vorderingen te maken, dus beval Rommel het Afrika Korps hun plannen te wijzigen en via Alam el Onsol naar het oosten, richting de Ruweisat-bergkam, te trekken om de 90e Lichte Infanteriedivisie helpen door stoten naar de kustweg.
De Britse verdediging bij de Ruweisat-bergkam steunde op een geÔmproviseerde troepenformatie genaamd Robcol, deze bestond uit een regiment van licht luchtafweer- en veldartillerie en een compagnie van infanterie.
Robcol wist extra tijd te winnen en zo konden tegen de late namiddag de 2 Britse pantserdivisies deelnemen aan de strijd, de 4e Pantserbrigade viel de 15e Pantserdivisie aan en de 22e Pantserbrigade viel de 21e Pantserdivisie aan. Ze dreven herhaaldelijk aanvallen van de Duitse tanks terug, die zich dan voor het vallen van de avond terugtrokken. In de nacht van 2 juli versterkten de Britten de Ruweisat-bergkam. Het nu uitgebreide Robcol kreeg de naam nieuwe naam Walgroep. Ondertussen voerde de RAF zware luchtaanvallen op de eenheden van de As.
Op de volgende dag, 3 juli, hervatten Rommel zijn aanval op de Ruweisat-bergkam. Deze keer leiden het Italiaanse XX Gemotoriseerde Korps de aanval, wat duidelijk de lage aanvalskracht en uitputting van het Afrikakorps, dat nog maar over 26 tanks beschikt, indiceerde. De Italiaanse Ariete-Divisie maakte goede vorderingen bij de Ruweisat-rgkam, tot op het punt dat ze de talrijkere en beter bewapende Britse tanks van de 4e Pantserbrigade kruiste. Tijdens de ochtend werd de As opmars tot staan gebracht door een combinatie van Brits artillerievuur en constante luchtaanvallen. De RAF vloog op 3 juli 780 missies.
Om de druk rechts en op het centrum van de linie van het Achtste leger te verlagen, rukte het XIII Korps op vanuit de Qattara-stelling. Het plan was dat de 2e Nieuw-Zeeland-Divisie, samen met dat wat nog over bleef van de 5e Indische Infanteriedivisie en de 7e Gemotoriseerde Brigade onder hun bevel, naar het noorden zou oprukken om de flank en achterhoede van de As te bedreigen. Deze trof echter de artilleriegroep van de Ariete-Divisie, die de zuidelijke flank van de divisie ondersteunde terwijl die de Ruweisat-bergkam aanviel. De Italiaanse commandant beval zijn bataljons dat ze zich moesten vrij zien te vechten, uiteindelijke verloren ze 531 manschappen, 36 artilleriestukken, een 6 tal tanks en 55 vrachtwagens. Aan het einde van de dag had de Ariete-Divisie nog slechts 5 tanks over en bleek dat het Afrika Korps en de Ariete-Divisie er weer als 2e beste uitkwamen tegenover het superieure aantal tanks van de 22e Pantserbrigade en de 4e Pantserbrigade. Rommel raakte gefrustreerd omdat het hervatten van het offensief bleek te mislukken. Hierbij speelde ook de RAF een belangrijke rol, ze vlogen 900 missies doorheen de dag.
Op 5 juli hervatten de Nieuw-Zeeland groep, in het zuiden, zijn opmars naar het noorden richting El Mreir met de intentie de achterhoede van de Ariete-Divisie af te snijden van hun divisie. Ze werden echter hevig onder vuur genomen door de Brescia-Divisie die hun vooruitgang belemmerd, wat er uiteindelijk toe leiden dat het XIII zijn aanval moest afblazen.

Matilda tanks bij Tobroek

Rommel graaft zich in
Op 4 juli besloot Rommel dat zijn uitgeputte troepen te rusten en te hergroeperen. Het Afrikakorps had nog slechts 36 tanks en de drie Duitse divisies telden elk nog maar tussen de 1200 en 1500 manschappen die uitgeput waren en op het einde van hun aanvoerlijnen opereerden.
Rommel had zwaar te lijden onder de alsmaar langer wordende afstand van zijn aanvoerlijnen. De Britse woestijnluchtmacht concentreerde zijn aanvallen op zijn fragiele en langer worden aanvoerroutes, terwijl mobiele Britse colonnes zich naar het westen verplaatsten om vanuit het zuiden zijn achterhoede aan te vallen. Rommel kon zich deze verliezen niet veroorloven omdat de aanvoer vanuit ItaliŽ van manschappen en materieel aanzienlijk verminderd was; in mei kreeg hij nog 34.000 ton voorraden en 2000 voertuigen, in juli nog maar 5.000 ton voorraden en 400 voertuigen. Ondertussen was het Achtste leger zich aan het herorganiseren en heropbouwen, hun kortere aanvoerroute vanuit AlexandriŽ was hierbij een enorm voordeel. Op 4 juli had de 9e Australische divisie hun plaats ingenomen op het noordelijke deel van de linie en op 9 juni keerde de 5e Indische Infanteriebrigade terug van hun aanval en loste ze de eenheden op de Ruweisat-bergkam af. Op datzelfde moment versterkte de 161e Indische Infanteriebrigade de sterk onderbemande 5e Indische Infanteriebrigade. 
Tel El Eisa
Auchinleck beval dat de nieuwe commandant van het XXX Corps, luitenant-generaal Ramsden, de lage bergkammen nabij Tel el Eisa en Tel el Makh Khad moest innemen, om van daaruit mobile aanvalsgroepen naar het zuiden, richting Deir el Shein, te kunnen sturen en daarmee verschillende invallen te doen naar het westen, op de vliegvelden van El Daba. Ondertussen zou het XIII Corps de Asmogendheden beletten versterkingen naar de kustsector te sturen. Ramsden belastte de 9e Australische divisie met de taak om Tel el Eisa in te nemen. Hiervoor kregen ze hulp van het 44e Koninklijke Tankregiment dat onder hun bevel werd geplaatst. De taak om Tel el Makh Khad in te nemen viel op de 1e Zuid-Afrikaanse infanteriedivisie. Deze werd ondersteund door 8 tanks. De 1e Pantserdivisie zou voor de invalsgroepen op de vliegvelden van El Daba zorgen.
Op 10 juli vond om 03.30 uur een hevig artilleriebombardement plaats waarop de 26e Australische divisie de aanval inzette op de noordelijke bergkam gelegen aan het station van Tel el Eisa. Dit bombardement was ťťn van de hevigste tot dan toe in Noord-Afrika en veroorzaakte enorme paniek bij de onervaren troepen van de Italiaanse Sabratha-Divisie, die nog maar net hun posities in de oppervlakkige stelling hadden ingenomen. De Australische divisie nam meer dan 1500 gevangen, joeg een Italiaanse divisie volledig op de vlucht en liep de Duitse 621 Radiosignaalonderscheppingscompagnie onder de voet. Ondertussen hadden de Zuid-Afrikaanse divisies, in de late ochtend, Tel el Makh Khad ingenomen om van daaruit ondersteuning te bieden tijdens de aanval. Onderdelen van de Duitse 164e Lichte divisie en de Italiaanse Trieste-divisie, die net arriveerde, moesten de openingen die in de As-verdedigingslinie waren geslagen opvullen. Die namiddag en avond lanceerden tanks van de 15e Pantserdivisie en Italiaanse Trieste-divisie tegenoffensieven tegen de Australische stellingen, maar die faalden onder het gewicht van de overweldigende geallieerde artillerie en de Australische antitankkanonnen.
Op 11 juli viel, bij het aanbreken van de dag, het 2/24e Australische bataljon, gesteund door tanks van het 44e Koninklijke Tankregiment, het westelijke deel van de heuvels rondom Tel el Eisa aan. Tegen de vroege ochtend was het doel bereikt en ingenomen. De As voerde enkele tegenaanvallen uit in de loop van de dag, maar kon het doel niet heroveren. Een kleine colonne van pantservoertuigen, gemotoriseerde infanterie en enkele kanonnen vertrokken voor een inval op Deir el Abyad en dwongen een Italiaans infanteriebataljon tot overgave. Hun opmars werd gestuit nabij de Miteirya-bergkam en ze waren gedwongen om die avond terug te trekken naar de El Alamein-stelling. Die dag waren meer dan 1.000 Italianen gevangengenomen.
Op 12 juli voerde de Duitse 21e Pantserdivisie een tegenaanval uit op Trig 33 en Punt 24. Na een gevecht van meer dan twee uur werd de aanval uiteindelijk afgeslagen, met meer dan 600 Duitsers dood of gewond verspreid over het front van de Australische stellingen. De volgende dag lanceerde de 21e Pantserdivisie een aanval op Trig 33 en op de Zuid-Afrikaanse posities gelegen in de El Alamein-stelling. De verdedigers wisten de aanval tegen te houden door een hevig artilleriebombardement uit te voeren. Uiteindelijk wist de 21e Pantserdivisie Punt 24 te veroveren, maar niet zonder veel verliezen te lijden. Rommel was nog steeds vastberaden om de vijand terug naar zijn eigen frontlinie te drijven en op 15 juli werd er nog een aanvalspoging ondernomen, maar door hardnekkig verzet konden de aanvallers nergens terrein veroveren. Op 16 juli voerde de AustraliŽrs, ondersteund door enkele Britse tanks, een tegenaanval uit op 24, maar werden teruggedreven door Duitse tegenaanvallen en verloren hierdoor bijna 50% van hun manschappen.
Na zeven dagen intens vechten luwde de strijd in het noorden van Tel el Eisa. De 9e Australische Divisie schatte dat er ongeveer 2.000 As-manschappen gesneuveld waren en nog eens 3.700 gevangengenomen waren. Het belangrijkste resultaat van de strijd was echter dat de 621 Radiosignaal Onderscheppingscompagnie gevangengenomen was. Deze eenheid had Rommel tot dan toe van onschatbare informatie voorzien uit onderschept Brits radioverkeer. -

Rommel met zijn officieren

 

Een Duitse Panzer III tank uitgeschakeld met een schot van Australisch antitankgeschut tussen het 2e en het 3e wiel

De Eerste slag bij de Ruweisat-bergkam
Terwijl de As troepen zich ingroeven, ontwikkelde Auchinleck, die een groot aantal Duitse eenheden naar de kust wist te lokken tijdens de gevechten rondom Tel el Eisa, een plan, genaamd "Operatie Becon", om de Italiaanse Pavia- en Brescia-Divisies, die in het centrum van het front gepositioneerd waren, aan te vallen.
Het was de bedoeling dat de 4e Nieuw-Zeeland Brigade en de 5e Nieuw-Zeeland Brigade richting het noordwesten zouden aanvallen om het westelijke deel van de Ruweisat-bergkam in te nemen, en dat de 5e Indische Infanterie Brigade, die zich rechts van de Nieuw-Zeeland Brigades bevond, het oostelijk deel van de bergkam zou innemen. Dan zou de 2e Pantserbrigade deze opening benutten om door te stoten naar Deir el Shein en de Miteirya-bergkam. De 22e Pantserbrigade bevond zich links en stond paraat om de infanterie te beschermen terwijl deze hun positie versterkte.
De aanval begon om 23.00 uur op 14 juli. De twee Nieuw-Zeelandse Brigades veroverden, op 15 juli, kort voor het aanbreken van de dag hun doelstellingen, maar mijnenvelden en kleine haarden van verzet veroorzaakten verwarring onder de aanvallers. Ook belemmerden enkele kleine verzetshaarden achter de voorste troepen, de aanvoer van artillerie en voorraden, met als gevolg dat de Nieuw-Zeelandse brigade blootgestelde posities bezetten op de bergkam zonder enige vorm van ondersteunende wapens, buiten enkele antitankkanonnen. En nog erger, het contact met de twee Britse pantserdivisies faalde waardoor de tanks niet oprukten om de infanterie te dekken. Bij het aanbreken van de dag voerde een klein deel van het 8e Pantserregiment een tegenaanval uit tegen het 22e Nieuw-Zeelandbataljon. De strijd die volgde schakelde de antitankkanonnen van de Nieuw-Zeelanders uit, met als gevolg dat de infanterie zich kwetsbaar en in open terrein bevond, met geen ander alternatief dan zich over te geven. Ongeveer 350 Nieuw-Zeelanders werden gevangengenomen.
Terwijl de 2e Nieuw-Zeelandse Divisie het westelijk deel van de Ruweisat-bergkam aanviel, maakte de 5e Indische Brigade kleine vorderingen op het oostelijk deel van de Ruweisat-bergkam. Tegen 07.00 uur was er eindelijk contact gelegd met de twee Britse Pantserbrigade die zich naar het noordwesten begonnen te begeven. Twee van de regimenten raakten verstrikt in een mijnenveld, maar het derde regiment was in staat om zich aan te sluiten bij de 5e Indische infanterie brigade net voor ze hun aanval zouden hervatten. Met de hulp van de tanks en artillerie konden de IndiŽrs hun doelstelling vroeg in de namiddag veroveren. Ondertussen werd de 22e Pantserbrigade aangevallen, nabij Alam Navil, door eenheden van de 90e Lichte Infanteriedivisie en de Ariete-Divisie, die oprukte vanuit het zuiden. Terwijl ze, met de hulp van mobiele infanterie en artillerie colonnes van de 7e Pantserdivisie, de As-Divisies met gemak terugdreven, werden ze er wel van weerhouden verder op te rukken naar het noorden om de flank van de Nieuw-Zeelandse infanterie te dekken.
Rommel zag dat de Brescia- en Pavia-Divisies onder druk stonden en snelde Duitse troepen naar de Ruweisat sector. Rond 15.00 uur waren het 3e Verkenning Regiment en een groep van de 15e Pantserdivisie op hun plek onder bevel van generaal Walther Nehring. Rond 17.00 uur lanceerde hij een tegenaanval. De 4e Nieuw-Zeeland Brigade had nog altijd niet voldoende ondersteunende wapens en tegen deze tijd begon ook de munitie schaars te worden. Opnieuw werden de antitankbarriŤres doorbroken en ongeveer 380 Nieuw-Zeelanders werden gevangengenomen. Een uur later werd ook het hoofdkwartier van de brigade overrompeldn. Een kwartier later viel de 2e Pantserbrigade de Duitse troepen aan en stopte de oostelijke opmars van de asmogendheden. Tegen het vallen van de avond brak generaal Nehring zijn aanval af.
Vroeg op de ochtend van 16 juli hervatten generaal Nehring de aanval. De 5e Indische Infanterie Brigade sloeg de aanval af, maar het was duidelijk aan de hand van onderschepte radiocommunicatie dat er verder pogingen zouden ondernomen worden. Vervolgens werden er ijverig voorbereidingen getroffen om antitankkannonen in te graven en de artillerie te organiseren, er werd ook een regiment van de 22e Pantserbrigade naar de 2e Pantserbrigade gestuurd ter versterking. Wanneer Nehring de aanval laat in de namiddag hervatte werden deze meteen teruggeslagen, de IndiŽrs telden ongeveer 24 vernietigde tanks plus een groot aantal achtergelaten pantservoertuigen en antitankkannonen op het slagveld.
In drie dagen van constante gevechten namen de geallieerde ongeveer 2000 As troepen gevangen, de meeste waren afkomstig van de Brescia- en Pavia-Divisies. De Nieuw-Zeeland-Divisie leed 1405 slachtoffers.

Een 88 mm antitankkanon

Miteirya-bergkam
Om de druk op de Ruweisat-bergkam de verminderen beval Auchinleck de 9e Australische Divisie nogmaals een aanval vanuit het noorden uit te voeren. In de vroege uurtjes van 17 juli viel de 24e Australische Brigade, gesteund door het 44e Koninklijke Tank Regiment en sterke luchtdekking, de Miteirya-bergkam aan. De eerste aanval verliep vlot, met 736 gevangen, voornamelijk troepen van de Trento- en Trieste-Divisies. Maar opnieuw wist de As een kritieke situatie te vermijden door snel bij elkaar gevoegde As eenheden in de strijd te werpen en enkele tegenaanvallen uit te voeren, waardoor de AustraliŽrs genoodzaakt waren terug te trekken tot aan hun oorspronkelijke start positie en ongeveer 300 slachtoffers lede
De Tweede slag bij de Ruweisat-bergkam
Het Achtste leger genoot nu een aanzienlijke superioriteit in materiaal tegenover de As-eenheden. De 1e Pantserdivisie beschikte over 173 tanks plus nog meer in reserve of onderweg, terwijl Rommel nog maar beschikte over 38 Duitse tanks en 51 Italiaanse tanks, hoewel er nog een 100 tal tanks wachtte op onderhoud en herstellingen.
Auchinlecks plan was dat de 161e Indische Infanteriedivisie langs de Ruweisad-bergkam zou aanvallen om Deir el Shein in te nemen, terwijl de 6e Nieuw-Zeeland Brigade, vanuit het zuidelijk deel van de bergkam, de El Mreir depressie zou aanvallen. Bij het aanbreken van de dag zouden twee Britse pantserbrigades, de 2e Pantserbrigade en de nieuw gevormde 23e Pantserbrigade, doorheen de opening trekken die gecreŽerd was door de infanterie. Het plan was gecompliceerd en ambitieus.
De nachtelijke infanterie aanval begon om 16.30 uur op 21 juli. De Nieuw-Zeelandse aanvallers veroverde hun doelstelling in de El Mreir depressie. Maar opnieuw faalde een groot deel van de voertuigen erin om te arriveren en zaten de Nieuw-Zeelanders in blootgestelde posities met een tekort aan ondersteunde wapens. Tegen het aanbreken van de dag op 22 juli faalde ook de 2e Pantserdivisie in het oprukken en reageerde generaal Nehrings 5e en 8e Pantserregiment met een tegenaanval die snel de Nieuw-Zeelandse infanterie overrompelde en meer de 900 slachtoffers maakte onder de Nieuw-Zeelanders. De 2e Pantserbrigade stuurde twee regimenten naar voor om te helpen maar die werden tegengehouden door een mijnenveld en enkele antitankkanonnen.
De aanval door de 161e Indische Brigade kende gemengde successen. Links was de eerste aanvalsgolf erin gefaald het westelijke einde van de Ruweisat-bergkam vrij te maken, maar rond 08.00 uur werd een tweede poging door het reservebataljon ondernomen die er uiteindelijk wel in slaagde dit te doen. Rechts doorbrak het bataljon de Deir El Shein perimeter maar werd teruggedreven door man-tegen-mangevechten.
Door uit de ramp bij El Mreir geleerd te hebben, beval de commandant van de 23e Pantserbrigade zijn brigade op te rukken en zijn orders tot op de letter op te volgen. Generaalmajoor Alexander Gatehouse, commandant van de 1e Pantserdivisie, was er echter niet van overtuigd dat er een pad was vrijgemaakt tussen het mijnenveld en stelde voor om de opmars af te gelasten, maar luitenant-generaal William Gott, commandant van het XIII Korps verwierp dit bevel en beval om de aanval in te zetten, vanuit een startpositie die zich 1,5 kilometer naar het zuiden bevond, waarvan hij dacht dat deze mijnvrij was, wat onjuist was. Dit laatste bevel raakte niet tot bij de Brigade en deze zetten de aanval in zoals gepland was. De brigade bevond zich al snel verwikkeld in een mijnenveld en lag zwaar onder vuur van antitankkanonnen. Tegen 11.00 uur lanceerde de 21e Pantserbrigade een tegenaanval en waren ze gedwongen zich terug te trekken. De 23e Pantserbrigade was, met het verlies van 40 tanks en 47 zeer zwaar beschadigd, volledig uitgeschakeld.
Rond 17.00 uur beval generaal Gott de 5e Indische Infanteriedivisie een nachtelijke aanval uit te voeren om de westelijke helft van de Ruweisat-bergkam en Deir el Shein in te nemen. Het 3/14e Punjab Regiment van de 9e Indische Infanterie brigade viel aan rond 02.00 uur op 21 juli, maar faalde in hun opdracht omdat ze verdwaalde raakte. Tijdens de volgende dag werd er een nieuwe poging ondernomen om de posities te veroververen, maar ze werden intens onder vuur genomen van drie kanten, wat resulteerde in het verliezen van de positie doordat de bevelvoerende officier gesneuveld was en vier van zijn hoogstgeplaatste officieren gewond of vermist raakten. 
De aanval op Tel el Eisa wordt hervat
In het noorden zetten de 9e Australische Divisie haar aanval door. Rond 06.00 uur op 22 juli viel de 26e Australische Brigade Tel el Eisa aan en de 24e Australische Brigade viel Tel El Makh Khad aan, richting de Mirirya-bergkam. Er werd een hoge prijs betaald tijdens de gevechten voor Tel el Eisa, maar tegen de namiddag hadden de AustraliŽrs hun doel veroverd. Die avond viel de 4e Australische Brigade ondersteund door het 50e Koninklijke Tank Regiment Tel el Makh Khad aan. Deze tankeenheid was nooit getraind in het direct van dichtbij ondersteunen van infanterie en faalde erin te kunnen coŲrdineren met de infanterie. Het resultaat was dat de pantservoertuigen en infanterie apart oprukte en toen het 50e Koninklijke Tank Regiment hun doelstelling bereikte verloren ze 23 tanks omdat er geen ondersteunende infanterie aanwezig was.
Opnieuw lukte het Achtste Leger er niet in om Rommels eenheden te vernietigen, ondanks de overweldigende superioriteit in manschappen en uitrusting. Aan de andere hand werd de situatie voor Rommel steeds erger. Ondanks succesvolle defensieve operaties, had zijn infanterie zware verliezen geleden en hij rapporteerde dat de situatie kritiek was. 
De laatste aanval van het Achtste Leger
Op 26/27 juli lanceerde Auchinleck operatie Manhood in de noordelijke sector in een laatste poging de As eenheden te vernietigen. Het XXX Korps werd ondersteund door de 1e Pantserdivisie, de 4e Lichte Pantserbrigade en 69e Infanterie Brigade. Het plan was om door de vijandelijke linies te breken ten zuiden van de Miteirya-bergkam en naar het noordwesten op te rukken. De Zuid-Afrikaanse divisies moesten een opening in het mijnenveld creŽren en markeren ten zuidoosten van de Miteirya-bergkam tegen middernacht van 26 op 27 juli. Tegen 01.00 uur op 27 juli moest de 24e Australische Brigade hun doel hebben op het oostelijke einde van de Miteirya-bergkam en zou dan naar het noordwesten oprukken.
De 69e Infanterie Brigade zou door de opening in het mijnenveld, gecreŽerd door de Zuid-Afrikanen, naar Deir el Dhib trekken om verdere openingen te markeren. De 2e Pantserbrigade zou dan door El Wishka passeren gevolgd door de 4e Lichte Pantserbrigade die daar de communicatielijnen van de As onder vuur zouden nemen.
Dit was de derde poging, langs geallieerde zijde, die gemaakt werd om door de noordelijke sector te breken en de As verwachtte reeds een aanval. Zoals voorgaande aanvallen, was deze gehaast en dus ondoordacht gepland. De 24e Australische Brigade was er op 27 juli omstreeks 02.00 uur in geslaagd hun doelwitten op Miteirya Ridge in te nemen. Om 01.30 uur lanceerde de Britse 69e Infanterie Brigade aan zuidelijke zijde hun aanval aan en slaagde er in hun doelwit rond 08.00 uur te veroveren. De keerzijde was echter wel dat de ondersteunende antitankeenheden verloren waren geraakt in de duisternis of vertraagd werden door mijnenvelden, waardoor de geallieerde troepen geÔsoleerd raakte en dus blootgesteld werden aan vijandelijke vuur bij het aanbreken van de dag. Dit werd gevolgd door een periode met verwarrende en tegenstrijdige verslaggevingen omtrent de openingen in het mijnenveld. Dit had tot gevolg dat de vooruitgang, gemaakt door de 2e Pantserbrigade, werd opgehouden. Rommel lanceerde een onmiddellijke tegenaanval met Duitse tanks, die de twee gevorderde bataljons van de 69e Infanterie Brigade onder de voet liepen. Ondertussen ondervond het 50e Koninklijke Tank Regiment, die de AustraliŽrs ondersteunde, ernstige problemen met het lokaliseren van de openingen in het mijnenveld, gemaakt door het 2/24e Australische Bataljon. Ze slaagden er niet in een doorgang te vinden en werden ondertussen hevig onder vuur genomen en verloren zo dertien tanks. Het niet ondersteunde 2/28e Australische Bataljon op de bergkam werd overrompeld. De 69e Infanterie Brigade verloor zeshonderd man en de AustraliŽrs verloren er vierhonderd in een deze strijd.
Het Achtste leger was uitgeput. Op 31 juli verklaarde Auchinleck de aanvallen voorlopig ten einde, en gaf prioriteit aan het versterken van de Britse verdediging om een komende Duitse aanval het hoofd te bieden.
Rommel zou later het falen van het offensief om door de linie te breken aan het opdrogen van de bevoorrading van zijn leger wijten en hoe het verzet van vele Italiaanse divisie was ingestort in het begin van juli. Ook klaagde hij veel over belangrijke Italiaanse konvooien die keer op keer faalde in het bevoorraden van zijn leger dat wanhopig tanks en voorraden nodig had, hij legde de schuld hiervoor bij het Italiaanse opperbevel, nooit vermoedde hij dat geallieerde codebrekers hiervoor verantwoordelijk waren.
Nasleep
De slag eindigde met een impasse, maar stopte de opmars van de asmogendheden naar AlexandriŽ, CaÔro en het Suezkanaal. Het Achtste Leger had 13.000 slachtoffers geleden in juli, maar had 7.000 gevangengenomen en veel materieel van de asmogendheden vernietigd. Begin augustus bezochten Winston Churchill en generaal Alan Brooke CaÔro toen ze onderweg waren naar Moskou, om daar Jozef Stalin te ontmoeten. Ze beslisten Auchinleck te vervangen en benoemde luitenant generaal William Gott tot nieuwe bevelhebber van het Achtste Leger en generaal Harold Alexander werd de nieuwe opperbevelhebber in het Midden-Oosten. PerziŽ en Irak zouden afgesplitst worden in een apart PerziŽ en Irak Commando, Auchinleck kreeg de positie van opperbevelhebber over deze regio aangeboden maar weigerde deze post. Gott kwam echter om het leven toen zijn transportvliegtuig neergeschoten werd door een Duitse Messerschmitt jager. Hij werd vervangen door luitenant-generaal Bernard Montgomery.
Een tweede poging van Rommel om de linie te doorbreken werd teruggeslagen tijdens de Slag om Alam el Halfa in de loop van augustus, in oktober bracht het Achtste Leger de asmogendheden een beslissende nederlaag toe in de tweede slag bij El Alamein.

Duitse Panzer II tanks

 

Geschut van de 9e Australische infanteriedivisie

 

Duitse Panzer II tanks

 

Geschut van de 9e Australische infanteriedivisie

De Zak van Falaise 12-21 augustus 1944

De Zak van Falaise (ook bekend als Falaise omsingeling of Falaise pocket) was een veldslag tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen de geallieerden en de Duitsers.
Na de succesvolle landing in NormandiŽ bleek de verdere opmars van de geallieerden zeer moeizaam te verlopen. Pas na de geallieerde uitbraak in Operatie Cobra kwam er beweging in het front.
Uitgangspositie
Hitlers opdracht dat de Duitse troepen niet mochten terugtrekken, zorgde ervoor dat de bij Operatie Cobra uitgebroken Amerikaanse eenheden onder George Patton op hun zuidflank bijna geen tegenstand ondervonden. Intussen begon Bernard Montgomery met Operatie Totalize een aanval tegen de Duitse eenheden bij Caen. Dit bracht twee Britse pantserdivisies ver genoeg naar voren om bedreigend te worden voor de achtergelegen delen van de Duitse linie.
Door de combinatie van beide aanvallen liepen 28 Duitse infanteriedivisies en 11 pantserdivisies het risico in een geallieerde tangbeweging genomen te worden. Na het afbreken van Operatie LŁttich kreeg het Duitse 5e pantserleger bevel, in zuidwestelijke richting aan te vallen, hoewel het daarmee het risico liep, tussen Falaise en Argentan ingesloten te worden door geallieerde strijdkrachten.
In zijn oorlogsdagboek schreef veldmaarschalk Von Kluge:
"Unglaublichkeit einer groŖen militšrischen Streitkraft,die in Seelenruhe einen Angriff plant, wšhrend der Feind weit hinter ihr eifrig eine Schlinge bildet, um sie zu strangulieren."
De insluiting
Op 8 augustus bereikte Pattons 5e pantserdivisie Le Mans, die daar aansloot bij de Franse 2e pantserdivisie onder Leclerc. Bradley en Montgomery kwamen op dezelfde dag overeen, te proberen het Duitse leger ten westen van de Seine in te sluiten. Pattons beide pantserdivisies zouden daar op Montgomery's divisies aansluiten, die evenwijdig vanuit Caen in zuidwestelijke richting zouden draaien, en zich dan vanuit Le Mans naar het noorden zouden wenden. Pattons 15e korps zwenkte nu 90 graden naar Argentan, terwijl zijn overige divisies naar de Seine doorstootten. Hierdoor kon Bradley zowel een korte als een lange tangbeweging opzetten. De lange tangbeweging was bedoeld voor de uit Falaise ontkomende Duitse troepen.
Op 16 augustus ontvingen de Duitse troepen van Hitler bevel tot een terugtocht in drie fasen:
1.Allereerst een terugtocht van alle Duitse troepen westelijk van de Orne.
2.Aansluitend een terugtocht over de Dives.
3.Ten slotte het oversteken van de Seine.
Het 2. SS-pantserkorps moest het gebied ten oosten van Falaise houden, om de aftocht uit Falaise mogelijk te maken. Dit bevel kwam te laat, omdat het oversteken van drie rivieren onder artilleriebeschieting geen uitzicht op succes had, en omdat door het geallieerde luchtoverwicht er overdag geen grote Duitse troepenverplaatsingen mogelijk waren.
Bradley gaf Pattons 15e korps opdracht ten noorden van Argentan halt te houden. Hierdoor bleef een strook van 25 kilometer breed open waardoor Duitse troepen konden proberen te ontkomen. Vooral delen van de 12. SS-Panzer-Division Hitlerjugend en het Canadese 1e Leger leverden gedurende verschillende dagen verbitterde gevechten. Gedurende deze gevechten sloot de Poolse 1e Pantserdivisie de omsingeling, om de vlucht van de Duitse troepen te verhinderen. Onder de geconcentreerde aanvallen van de 2. SS-Panzer-Division Das Reich en andere SS-divisies konden ook de geharde en ervaren Polen, die omsingeld waren geraakt bij Mont-Ormel, echter niet verhinderen dat een aantal SS-eenheden uitbrak, die daarbij wel grote verliezen leden doordat ze beschoten konden worden door de Polen die het hoger gelegen gebied in handen hielden. Meer dan 5000 Duitsers, incl. een divisiecommandant, werden door de Polen krijgsgevangen gemaakt. Tussen 18 augustus en 21 augustus slonk het terrein voor het omsingelde Duitse leger tot een 8 km brede strook. Dagelijks werd deze met 80.000 granaten beschoten en voortdurend vonden er luchtaanvallen plaats. Toch wisten er in navolging van de 2e SS-pantserdivisie nog enkele Duitse eenheden te ontkomen.
Op 1 september eindigde de strijd. Het Duitse 7e leger was praktisch vernietigd.

 

Canadese soldaten in Falaise op 14 augustus 1944

 

 

Duitse colonne bij Mont-Ormel, vernietigd door de Poolse 1e Pantserdivisie

Amerikaanse pantservoertuigen rijden door Ballon op jacht naar terugtrekkende Duitsers 
Datum 12 augustus - 21 augustus 1944 
Locatie Falaise en omgeving, NormandiŽ, Frankrijk 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United States.svg Verenigde Staten
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada
Flag of Poland.svg Polen
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg Bernard Montgomery
Flag of the United States.svg Omar Bradley Flag of German Reich (1935Ė1945).svg GŁnther von Kluge
Flag of German Reich (1935Ė1945).svg Walter Model 
Troepensterkte 
Onbekend 150,000 manschappen 
Verliezen 
Canada: 18,500
Polen: 2,300
Verenigde Staten: Onbekend
Verenigd Koninkrijk: Onbekend
Frankrijk: Onbekend 10,000+ gedood
60,000 gewond
50,000

De Laplandoorlog 19 februari 1943

Aanloop tot de Laplandoorlog
Na de Winteroorlog en de daarop volgende Vervolgoorlog was de strijd voor de Finnen nog niet voorbij. De Finnen moesten noodgedwongen vrede sluiten met Rusland in 1944. De Russen eisten naast een aantal grensgebieden en herstelbetalingen ook dat de Finnen de Duitsers zouden verdrijven uit hun land. Dit moest binnen een kort tijdbestek gebeuren. De Finnen waren eerst de bondgenoten van Duitsland en moesten nu in ruil voor vrede met Rusland dus ten strijde trekken tegen hun voormalige bondgenoten. De Finse voormalige veldmaarschalk Mannerheim wilde met Duitsland onderhandelen. De Duitsers voelden niets voor onderhandelingen. Naar hun mening had Finland zich niet gehouden aan het pact tot wederzijdse bijstand. Duitsland vond dat de Finnen hun hadden verraden. In eerste instantie trokken de Duitsers zich wel terug maar dat gebeurde niet zonder gevechten. Zo ontstond een nieuwe oorlog namelijk de Laplandoorlog. Deze oorlog wordt zo genoemd omdat de gevechten voornamelijk plaatsvonden in het noorden van Finland in het gebied dat de naam Lapland draagt. 
De Duitsers waren voorbereid
De Laplandoorlog werd gevoerd tussen oktober 1944 en april 1945. Voor de Duitsers kwam de houding van de Finnen niet onverwacht. De Duitsers hadden in de zomer van 1943 al rekening gehouden met de eventuele gevolgen van een vrede tussen Finland en Rusland. De Duitsers maakten toen al plannen voor een eventuele terugtrekking door het noorden van Finland naar het noorden van Noorwegen. Om die terugtocht zo goed mogelijk te laten verlopen moesten goede wegen worden aangelegd. In de winter van 1943 lieten de Duitsers al krijgsgevangenen werken aan deze wegen. Dat project duurde tot 1944 toen het vermoeden van de Duitsers werkelijkheid werd en de Finnen dus daadwerkelijk een vredesverdrag hadden gesloten met de Russen. De Duitsers waren klaar voor de Laplandoorlog.
De strijd breekt los
Een aantal Finse en Duitse officieren wilden in eerste instantie op vreedzame wijze oplossingen zoeken voor deze complexe situatie. Uiteindelijk was een vreedzame oplossing niet mogelijk omdat de eis van de Russen onverbiddelijk was. De Finnen moesten alle Duitsers van hun grondgebied verjagen. De Duitsers trokken richting het noorden van Finland. Ondertussen werden verschillende mijnen geplaatst in de zeewegen die naar Finland leidden. De Finnen stelden hun generaal Hjalmar Siilasvuo aan om de aanvallen te leiden tegen de Duitsers. Na verschillende gevechten waren de Duitsers tegen het einde van 1944 verdreven. Dit ging echter wel ten koste van veel woningen en gebouwen. De Duitsers pasten namelijk de tactiek van de verschroeide aarde toe. 
Het einde van de Laplandoorlog
In totaal werden meer dan 30 procent van de steden van Noord-Finland verwoest door de woedende Duitsers die onder leiding van generaal Lothar Rendulic stonden. De huizen en gebouwen waren voornamelijk van hout gemaakt, er bleef vrijwel niets meer over van de steden. Ongeveer 100.000 burgers raakten dakloos en konden in het onherbergzame gebied nauwelijks beschutting vinden. Er vielen tijdens de Laplandoorlog echter weinig militaire slachtoffers te betreuren. De Finnen hadden 1000 gesneuvelde militairen en de Duitsers hadden 2000 doden na de strijd. Na april 1945 waren alle Duitsers uit Finland verdreven en kon Finland startten met het herstel van het land. Finland had zwaar geleden tijdens de oorlogen maar hield stand.

Datum 15 september 1944 - 25 april 1945 
Locatie Lapland, Finland 
Resultaat Finse overwinning, Duitse strategische terugtrekking 
Strijdende partijen 
Vlag van Duitsland Duitsland Vlag van Finland Finland 
Commandanten en leiders 
Vlag van Duitsland Lothar Rendulic
Vlag van Duitsland Matthias Krautler
Vlag van Duitsland August Krakau Vlag van Finland Hjalmar Siilasvuo
Vlag van Finland Aaro Pajari
Vlag van Finland Ruben Lagus 
Troepensterkte 
214,000 troepen 75,000 troepen 
Verliezen 
1,000 doden
2,000 gewonden
1,300 krijgsgevangenen 774 doden
2,904 gewonden
262 vermisten 

 

Finse infanterie in Tervaharju

Vluchtelingen tussen Sodankylš en Rovaniemi

Finse militairen planten op 27-4-1945 de vlag op het drielandenpunt Finland-Noorwegen-Zweden.

1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog

1---2---3