Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Plaats in de Tweede Wereldoorlog in Nederland

Het Apeldoornsche Bosch was een Joodse psychiatrische inrichting, die van 1909 tot 1943 gevestigd was aan de Zutphensestraat te Apeldoorn. Van 1938 tot 1943 en van 1946 tot 1966 bevond zich naast het Apeldoornsche Bosch het Paedagogium Achisomog (Achisomog betekent "mijn broeder tot steun"), dat opvang bood aan Joodse kinderen met opvoedingsmoeilijkheden en aan zwakzinnige kinderen.
Stichting en opening
Het Apeldoornsche Bosch en Achisomog gingen beide uit van de vereniging Centraal Israëlietisch Krankzinnigengesticht (CIK), die zich ten doel stelde Joodse geesteszieken te laten verzorgen in een Joodse omgeving. Op 24 mei 1909 werd Het Apeldoornsche Bosch geopend. Vanaf 1925 werden kinderen opgevangen in vier villa’s in Apeldoorn, tot ook voor hen op het terrein van Het Apeldoornsche Bosch een voorziening gebouwd werd, “Achisomog” geheten, die 6 september 1934 betrokken werd.
Het Apeldoornsche Bosch
Geneesheer-directeur waren achtereenvolgens dr. Nico. J. Lemei van 1907 tot 1914; dr. Jan Kat van 1914 tot 1936 en ten slotte van 1936 tot 1943 dr. Jaques Lobstein. De instelling behandelde psychiatrische patiënten naar de normen en inzichten van die tijd. Zo werd in 1926 "actievere therapie" ingevoerd, een soort arbeidstherapie. Wetenschappelijk onderzoek vond plaats naar het verband tussen erfelijkheid en geestesziekte. In de verpleging werd, zoals in die tijd gebruikelijk, verschil gemaakt tussen 1e en 2e en 3e klasse, terwijl Sanatorium Rustoord als "open afdeling" weer andere zorg leverde. De rabbijn leverde godsdienstige bijstand en er werden gebedsdiensten georganiseerd in de eigen synagoge.
Voor het personeel werden de "Boschblaadjes" uitgegeven. De ontspanningsvereniging Tot Ons Vermaak spaarde honderdduizend gulden bij elkaar, waarmee in 1938 het Ontspanningsgebouw geopend werd.
De instelling groeide snel: in 1909 werkten 53 verplegenden voor 235 patiënten; in 1921 werden 542 patiënten verpleegd door 144 medewerkers. Vanaf 1939 werd de inrichting overstroomd door vluchtelingen uit Duitsland. Het officiële maximum lag toen op 762, maar zou steeds verder worden overschreden.
Achisomog
Het aantal patiëntjes van Achisomog groeide tussen 1925 en 1938 van 7 tot 74. De kinderen waren aanvankelijk afkomstig van de kinderafdeling van Het Apeldoornsche Bosch, waar, ook na de opening van Achisomog, steeds meer zwakzinnige kinderen een plek kregen. Aan deze toestand kwam pas een eind toen, een jaar na de opening van de nieuwe gebouwen (Ruben-Simeon; Naftali-Zebulon en Efraïm-Manasse) van Achisomog (op het terrein van Het Apeldoornsche Bosch) een vierde paviljoen Benjamin, huisvesting ging bieden aan dertig van deze kinderen. Benjamin werd tot in de jaren '90 van de 20e eeuw gebruikt voor school en dag/uuractiviteiten en is in het begin van deze eeuw afgebrand. De overige gebouwen hebben nu de namen Fazant, Bosduif en Appelvink.
Achisomog stond onder leiding van het hoofd van het internaat, een verpleegkundige die "tante" genoemd werd, onder supervisie van de geneesheer-directeur van Het Apeldoornsche Bosch. Vanaf 1930 was de onderwijzer Philip Fuldauer onderdirecteur. Om de kinderen ontspanning en plezier te bieden werd de vereniging Lesammeiag Hajeled opgericht. In 1938 kwam prinses Juliana op bezoek.
Deportatie en massamoord in 1943
In de eerste jaren van de oorlog steeg het aantal opgenomen patiënten tot 1181 in 1943 doordat Joodse patiënten niet meer in niet-Joodse instellingen mochten worden opgenomen en men bovendien meende hier beschermd te zijn tegen deportatie. In 1942 was er even een tekort aan personeel, toen men door de bezetter gedwongen werd alle niet-Joodse personeel te ontslaan, maar al snel meldden zich veel Joodse medewerkers aan, onder wie Eli Asser en zijn toekomstige vrouw, tot er in 1943 330 personeelsleden waren.
Aanvankelijk leek het erop dat de Nazi’s Het Apeldoornsche Bosch ongemoeid zouden laten, in Apeldoorn sprak men van de "Jodenhemel". Woensdag 20 januari 1943 verscheen echter de Ordedienst van Kamp Westerbork, naar bleek, een dag te vroeg. Op het station van Apeldoorn werd ondertussen een goederentrein met 40 wagons gereed gemaakt. De helft van het personeel is in die nacht gevlucht en ondergedoken. In de nacht van donderdag 21 januari op vrijdag 22 januari 1943 werden alle patiënten, soms naakt, verward of in dwangbuis, door eenheden van de Waffen-SS en de Ordnungspolizei onder de persoonlijke leiding van Hauptsturmführer Ferdinand aus der Fünten van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (daarbij geholpen werd door Albert Konrad Gemmeker, de SS-commandant van Kamp Westerbork) in vrachtwagens naar de gereedstaande goederentrein gebracht.
Deze trein vertrok de volgende ochtend om 7 uur en bracht de bijna 1200 patiënten en 50 van de personeelsleden, rechtstreeks naar Auschwitz, waar de patiënten bij aankomst direct zijn gedood. Over de manier waarop spreken de bronnen elkaar tegen. Van deze 1250 mensen heeft niemand het drama overleefd. Het resterende, in Apeldoorn gebleven personeel, is samen met de laatste ruim honderd Joodse Apeldoorners in een gewone trein naar Kamp Westerbork gebracht en werd vandaar uit gedeporteerd. Enkelen van hen hebben, net als een deel van degenen die ondergedoken waren, na de oorlog hun verhaal kunnen doen.
Herbestemming
Na de deportatie van de patiënten en personeelsleden werd het terrein van Het Apeldoornsche Bosch en Achisomog een Erholungsheim voor de Waffen-SS. Op 2 oktober 1944 werd het terrein gebruikt voor de standrechtelijke executie van zes leden van de Verzetsgroep Narda en twee door hen verborgen geallieerde piloten.
Na de bevrijding werden tot 1946 Canadese verbindingstroepen in de gebouwen gelegerd.
In 1946 startte Philip Fuldauer (die door zijn gemengde huwelijk gered was), Paedagogium Achisomog weer op, waaraan hij leiding bleef geven tot het in 1966 opging in het Sinaï-centrum te Amersfoort.
Van 1947 tot 1948 werden 500 verweesde Joodse kinderen uit kampen in Roemenië opgevangen in Het Apeldoornsche Bosch, dat voor de gelegenheid een Hebreeuws-talige kibboets (Ilaniah) was geworden. Na de onafhankelijkheid van Israël zijn deze kinderen daarnaartoe geëmigreerd, de meeste met het schip Negbah.
Het terrein van Het Apeldoornsche Bosch was veel te groot geworden voor de gedecimeerde Joodse bevolking. Het CIK, omgedoopt tot Joodse Geestelijke Gezondheidszorg, opende in 1962 het veel kleinere Sinaï Centrum te Amersfoort, dat met name zeer deskundig is op het gebied van traumazorg. Het terrein van Het Apeldoornsche Bosch werd via de overheid verkocht aan wat nu de 's Heeren Loo zorggroep is, die er in 1952 Groot Schuylenburg, een christelijk centrum voor mensen met een verstandelijke beperking, opende en in 1966 ook de grond, gebouwen en enkele patiënten van het ernaast gelegen Achisomog overnam.
Herdenking
Op 23 april 1990 werd door prinses Juliana in het Prinsenpark te Apeldoorn een monument van Ralph Prins onthuld ter herdenking van Het Apeldoornsche Bosch. Op het monument staat een dichtregel van Ida Gerhardt uit haar gedicht Het carillon: ''Nooit heb ik wat ons is ontnomen, zo bitter, bitter liefgehad''. Het monument is geadopteerd door basisschool De Prinsenhof. Elk jaar rond 21 januari wordt bij dit monument een herdenking georganiseerd door het Comité Monument Apeldoornsche Bosch. De Prinsenhof en leerlingen van de Koninklijke Scholengemeenschap leveren ieder jaar een bijdrage aan het herdenkingsprogramma.
Op 27 mei 2009 werden op het terrein twaalf herinneringstekens onthuld ter nagedachtenis aan zowel de deportatie als de zorg die in de jaren daarvóór werd verleend aan de bewoners. Een van de weinige overlevenden van het oorlogsdrama onthulde het eerste van de tekens.
In december 2009 kregen wegen en paden op het terrein officiële straatnamen, die vaak herinneren aan Het Apeldoornsche Bosch: Lemeilaan, Laan van Achisomog, Hannahlaan, Rustoordlaan, Lobsteinlaan, Fuldauerlaan, Benjaminlaan enzovoorts.
In november 2014 werd op de Joodse begraafplaats aan de Arnhemseweg in Apeldoorn een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan de zeshonderd patiënten die tussen de oprichting van het Apeldoornsche Bosch en de Tweede Wereldoorlog zijn overleden

Hoofdgebouw, omstreeks 1930

 

De voormalige directeurswoning.

 

 

Monument Prinsenpark

 


Fort de Bilt

Fort de Bilt, ook wel Fort op de Biltstraat genoemd is een van de verdedigingswerken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de gemeente Utrecht. Het fort is gebouwd in de jaren 1816 - 1819 en diende voor het afsluiten van het acces van de Biltse straatweg, de weg tussen Utrecht en De Bilt.

De weg tussen Utrecht en De Bilt liep sinds de bouw van het fort om het verdedigingswerk heen. Naarmate met de jaren het verkeer toenam werd dit smalle weggetje dat zich om het fort heen kronkelde een steeds groter obstakel voor het verkeer. In 1929 werd de Biltse straatweg uiteindelijk dwars door het fort heen getrokken, waardoor het fort in twee helften werd gesplitst.

In de jaren 1848 - 1852 en 1875 - 1879 werd het fort gemoderniseerd. In de jaren 1930 zijn betonnen mitrailleurkazematten op het fort aangelegd.

Tijdens de mobilisatie in 1939 is door een aantal soldaten een Wilhelminaboom geplant. Deze boom is officieel gedoopt. Niet met champagne, die was even niet verkrijgbaar. In plaats daarvan met chocolademelk uit de kantine.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Fort de Bilt door de bezetter in gebruik als executieplaats. In die periode zijn hier 140 verzetsstrijders gefusilleerd. Direct na de Tweede Wereldoorlog was het fort enige jaren een gevangenkamp voor NSB'ers en collaborateurs. Tegenwoordig wordt op de noordelijke helft van het fort door ProDemos een educatief herinneringscentrum beheerd met een op jongeren gerichte interactieve tentoonstelling over tolerantie, oorlog en vrede en het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.[1] De zuidelijke helft is nog in gebruik door de Koninklijke Marechaussee.

In de buurt van het fort zijn nog enige houten Kringenwetwoningen te vinden.

Wachtgebouw

Wachtgebouw
Locatie Utrecht
Bouwmateriaal baksteen
Gebouwd in 1816-1819
Monumentale status Voorbeschermd
Monumentnummer 532373
Bijzonderheden Tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter gebruikt als executieplaats

 


Fort Westervoort
 

Fort Westervoort is in 1865 gebouwd ten oosten van Arnhem als onderdeel van de IJssellinie die dienstdeed tot in 1940 (niet te verwarren met de IJssellinie uit de Koude Oorlog).

Tweede Wereldoorlog
Het fort is in 1940 de locatie geweest van de eerste gevechtshandelingen op Nederlands grondgebied. Op 10 mei 1940 om 4.45 uur wordt vanuit het fort de brug over de IJssel opgeblazen door Adjudant Van Viersen om zodoende de Duitse invasie te stuiten. Ongeveer 15 Duitse militairen bevonden zich op de brug ten tijde van de explosie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het fort in Duitse handen. Aan het einde van de oorlog geven de Duitse bezetters zich snel over na een zware beschieting.

Bij de aanleg van de Pleijweg is de omgeving van het fort drastisch veranderd. Desondanks heeft men het fort zo veel mogelijk intact gehouden en is het met enige moeite nog te bereiken. Omdat de weg rakelings lang het fort gaat, wat een schrikreactie bij automobilisten teweeg zou kunnen krijgen, is het fort door kunstenaar Wim Korvinus in 1983 voorzien van hoge bijmuren.

Ter plaatste staat een gedenksteen

Anno augustus 2012 is het hele terrein zwaar overwoekerd en dichtgegroeid met onder andere hoge brandnetels en is de bebouwing en de gedenkplaats vrijwel onmogelijk meer te bereiken. Voor de jaarlijkse herdenking wordt dit echter gemaaid, zodat de gedenkplaats wederom bereikbaar is. In de maanden april en mei 2015 is het Fort Westervoort in het weekend toegankelijk voor publiek.

Fort Westervoort borstwering met bijmuren van Kees Korvinius

 


De Grebbelinie

De Grebbelinie was een voorverdediging van de Hollandse Waterlinie, een Nederlandse verdedigingslinie, gebaseerd op inundatie. Deze linie liep door de Gelderse Vallei vanaf de Nederrijn bij de Grebbeberg te Rhenen langs het Valleikanaal en de Eem tot aan de Zuiderzee, later het IJsselmeer.
18e eeuw
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden begon in 1745 met de aanleg van de Grebbelinie om Holland te beschermen tegen inval van vijanden. Diverse onderdelen uit die tijd zijn nog steeds in het landschap te herkennen, zoals de Groeperkade en Fort Daatselaar in de omgeving van Renswoude. In 1794, tijdens de Eerste Coalitieoorlog is de linie voor het eerst gebruikt, zij het uiteindelijk zonder succes, tegen de inval van de Eerste Franse Republiek.
19e eeuw
Tot laat in de 19e eeuw werd de Grebbelinie onderhouden. Hoe langer echter de linie ongebruikt werd gelaten, hoe minder de noodzaak ervan werd gevoeld. In 1926 werd een groot deel van de vestingwerken opgeheven.
20e eeuw
In 1939 is de in onbruik geraakte linie toch nog een keer in werking gesteld. In de plannen van de opperbevelhebber van het leger, generaal Reijnders, nam de linie de rol in van voorverdediging van de Vesting Holland. Op het laatste moment (februari 1940) besloot de nieuwe bevelhebber generaal Henri Winkelman de hoofdverdediging in de Grebbelinie te voeren. De innundaties werden in werking gesteld tussen de Grebbeberg en het IJsselmeer. Bij de Duitse invasie werd hier enkele dagen standgehouden door het Nederlandse leger. Op verschillende plaatsen, zoals bij Fort Engelaar moest de strijd opgegeven worden door gebrek aan munitie. De zwaarste strijd is gevoerd tijdens de Slag om de Grebbeberg.
Tijdens de Duitse bezetting leek het er lange tijd op dat de rol van de Grebbelinie als verdedigingslijn was uitgespeeld. De versperringen werden opgeruimd en Duitse troepen werden ingezet om samen met Nederlandse burgers en werkeloze militairen de aanwezige stellingen af te breken. Maar in oktober 1944 vestigde de Organisation Todt zich in de Gelderse vallei. Deze organisatie werd belast met het herstellen van de Grebbelinie die van de Duitse bezetter de naam de Pantherstellung kreeg.
De Pantherstelling werd voornamelijk door Nederlandse dwangarbeiders maar ook door Russische krijgsgevangenen opgebouwd. In maart 1945 waren meer dan twaalfduizend mensen aan het werk voor 1 kom soep per dag en 1 brood in de week. Tot echte gevechten om de stelling is het niet gekomen, het Canadese leger staakte haar opmars naar West Nederland net voor de Grebbelinie.
In 1951 werd de Grebbelinie als verdedigingswerk opgeheven. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw hebben veel resterende landschapselementen van de Grebbelinie een beschermde status gekregen vanwege zowel hun cultuurhistorische als natuurwaarde.
21e eeuw
Eind 2014 is de Grebbeliniedijk tussen Amersfoort en Bunschoten met 70000 m² klei versterkt. Hierbij is ook het historische Grebbelinieprofiel weer aangebracht. Het profiel bestond uit een 'walgang' (waarover kanonnen konden worden vervoerd) een iets hoger liggende banket waar de soldaten met hun geweren in de aanslag lagen, en vóór hen een hoge borstwering. Hoewel het banket nooit echt aangelegd was, werd het bij de verhoging en versterking van de dijken wel aangemaakt in het stuk Bunschoten-Amersfoort. Dertien kazematten zijn daarbij ingepast in de dijk langs het nieuw aangelegde fietspad tussen Amersfoort en de Malebrug over de Eem.
Op 18 april 2011 kreeg de Grebbelinie de status van rijksmonument vanwege de "unieke staalkaart van verdedigingswerken". De aanwijzing werd gedaan door staatssecretaris Zijlstra tijdens een bijeenkomst op het Fort aan de Buursteeg bij Renswoude.[3] De als rijksmonument aangewezen delen van de Grebbelinie omvatten de hoofdverdedigingslijn en de militaire objecten.
Rondom deze als rijksmonument aangewezen delen is een provinciaal inpassingsplan Grebbelinielandschap in de maak. Doel is het borgen van de waarden van het Grebbelinielandschap

Overzichtskaart Grebbelinie

Overzichtskaart Grebbelinie
Locatie Gelderse Vallei - Zuiderzee
Gebouwd in 1745
Herbouwd in 1939
Monumentale status rijksmonument
Monumentnummer 528527

Grebbelinie met gereconstrueerde loopgraaf bij Woudenberg

 


Gymnasium Beekvliet

Gymnasium Beekvliet is een katholiek categoriaal gymnasium dat gevestigd is te Sint-Michielsgestel. In 2005 telde de school 815 leerlingen.
Geschiedenis
Het huidige "Gymnasium Beekvliet" is ontstaan uit het Seminarie Beekvliet.
In Sint-Michielsgestel werd het kleinseminarie "Beekvliet" opgericht in 1815. Het was een logische stap na de oprichting van een grootseminarie te 's-Hertogenbosch door Antonius van Gils in 1798, dat een jaar later naar Nieuw-Herlaar verhuisde. In 1815 werd het kleinseminarie door Van Gils gesticht in Huize Veebeek bij Berlicum. In 1816 werd het landgoed Beekvliet aangekocht en in 1817 kwam het als kleinseminarie in gebruik. Afgezien van het feit dat de leerlingen intern gehuisvest waren en voor het priesterschap waren bestemd, verschilde de opleiding niet veel van die van een Latijnse school. Koning Willem I voerde echter een antiklerikale politiek en van 1825-1829 moest het seminarie zelfs sluiten. De Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 noopte de Latijnse scholen, en ook het kleinseminarie, om het 16e-eeuwse vakkenpakket aan de moderne tijd aan te passen. Aldus verschafte het kleinseminarie toegang tot het hoger onderwijs. In de jaren 60 van de 20e eeuw kozen steeds meer leerlingen voor het reguliere hoger onderwijs en een afnemend aantal wilde priester worden. Uiteindelijk ontwikkelde het kleinseminarie zich tot een regulier gymnasium, wat in 1972 ook formeel een feit werd.
Gijzelaars
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Beekvliet in gebruik als een gijzelaarskamp voor politiek geëngageerde of invloedrijke Nederlanders, beter bekend onder de naam kamp Sint-Michielsgestel. In dat kamp zaten voornamelijk gijzelaars gevangen. Op 4 mei 1942 werden in Beekvliet 460 Nederlandse mannen geïnterneerd. Onder de gijzelaars kwamen gesprekken op gang over het vernieuwen van de maatschappelijke verhoudingen in Nederland en het doorbreken van de verzuiling. Onder meer Simon Vestdijk en Anton van Duinkerken namen daaraan deel. Geïnterneerde (latere) politici/beroemdheden waren onder andere prof.ir. Wim Schermerhorn (de eerste Nederlandse premier na de Tweede Wereldoorlog), prof.dr. Willem Banning, prof.dr. Pieter Geyl, prof.dr. Niko Tinbergen, prof.dr. Hendrik Brugmans, dr. Hendrik Algra, jhr. Marinus van der Goes van Naters en prof.dr. Jan de Quay. Op 15 augustus 1942 en 16 oktober 1942 zijn enkele geïnterneerden door de Duitsers gefusilleerd, als vergelding voor verzetsacties in het land.
Heden
Toen het seminarie in 1972 sloot, werd het gymnasium voortgezet met externe leerlingen uit de gehele regio. De Duitse Bouw waar tijdens de Tweede Wereldoorlog de gijzelaars verbleven is tot en met 1978 in gebruik geweest als gymnasium, waarna een nieuw pand aan de overkant van de Beekvlietstraat is betrokken door de school. Bijzonder aan dit gymnasium was dat het een ongedeeld gymnasium was, dus geen Alpha of Beta richting kende. Tegenwoordig is het "Gymnasium Beekvliet" een zelfstandig gymnasium met ruim 850 leerlingen. In 2014 is de Beekvliet met een record van 186 brugklassers gestart. In 2005 vierde Beekvliet zijn 190-jarig bestaan. In 2015 is er een groot 200-jarig bestaan gevierd. Dit feest was een groot feest met ongeveer 2000 oud leerlingen als bezoekers. Voor dit jubileum zijn ook een groot boek en een film gemaakt over de geschiedenis en de huidige activiteiten op Beekvliet.
Het oude Beekvliet-complex werd grotendeels gesloopt en besloeg een terrein dat nu omzoomd wordt door de straten Spijt - Beekgraaf - Krommeweg - Beekvlietstraat - Seminarielaan - Schijndelseweg. Alleen de toren en een deel deel van het hoofdgebouw aan de Seminarielaan zijn ontsnapt aan de slopershamer. De boomgaard, sportvelden, botanische tuin en de gebouwen hebben plaatsgemaakt voor een moderne woonwijk waarin alleen nog de Seminarielaan, Grote Cour, Brevierpad, Valklaan en de vijver aan de Willem Sparkweg herinneren aan hun oorspronkelijke functie in het Beekvliet-tijdperk.
Het hoofdgebouw stamt uit 1905-1907 en is ook nu nog een massief complex met torentje. Architect was W.Th. van Aalst.
Ook is er nog een uit 1865 daterend park met vijver overgebleven waarin veel exotische bomen staan. Bovendien is er een beeld van Peter van de Locht uit 1998, genaamd: architectuur der natuur. Het hoofdgebouw zelf behoort nu tot een centrum voor bejaardenzorg.
Aan de periode der gijzelaars herinnert de tekst van een gedicht van Anton van Duinkerken, die aan de Beekvlietstraat te vinden is.

Seminarie Beekvliet

 


HARFSEN - "HET HOL"

In de Tweede Wereldoorlog zijn honderden, misschien wel duizenden mensen om het leven gebracht op verlaten plekken in bossen of duinen. Soms kregen deze mensen vervolgens een laatste rustplaats op een plaatselijke begraafplaats, maar veelal werden ze ter plekke begraven. Na de oorlog kregen ze vaak alsnog, na een fatsoenlijke en eervolle herbegrafenis, een graf op een begraafplaats. Het gemeenschappelijke graf van Ynze Dikkerboom en (Chris)Tine van Heesch in het bos bij Harfsen is een uitzondering.
In de oorlogsjaren verbleven veel onderduikers in de omgeving van het landelijk gelegen Harfsen, niet ver van Deventer en Zutphen. Alleen al op de boerderij van de familie Slagman bevonden zich soms meer dan veertig onderduikers. Sommigen van hen waren betrokken bij de lokale verzetsgroep Laren-Noord. Ynze Dikkerboom was leider van de knokploeg Harfsen-Gorssel. Dikkerboom was zoon van een Friese aannemer en was in het begin van de oorlog opgeroepen om voor de Duitsers te gaan werken. Hij negeerde alle oproepen, maar werd in 1942 opgepakt en naar Duitsland gebracht. Hij wist de Duitsers wijs te maken dat hij voor zijn vaders bedrijf een aantal zaken moest regelen en kreeg een week verlof. Na een week bij zijn ouders te hebben doorgebracht, vertrok Dikkerboom echter niet naar Duitsland, maar nam hij de trein naar Zutphen, waar zijn zuster Sytske woonde. Op 10 februari 1943 kwam Ynze terecht op de boerderij van de familie Koeslag in Harfsen. Hier werkte hij als boerenknecht en raakte betrokken bij het verzetswerk. Niet veel later ontmoette Dikkerboom Appie Nauta, eveneens afkomstig uit Friesland. Met hem raakte hij meer en meer betrokken bij het verzetswerk, van het in veiligheid brengen van piloten tot het repareren van radio's en het uitzoeken van terreinen voor wapendroppings.
Overdag verbleven de beide mannen bij de familie Wilgenhof van boerderij Achterkamp, 's avonds verbleven ze in een ondergrondse schuilhut, "Het Hol" genaamd. Deze hut was verscholen in het bos en gemaakt met delen van een werkkeet en een kippenhok en bood onderdak aan maximaal zeven mensen. Op de grond van de hut lag stro.
In de nacht van 13 op 14 oktober 1944 vertrokken zo'n zestig SD'ers, SS'ers en landwachters vanuit Deventer naar Harfsen om onderduikers op te pakken. Als eerste vielen ze de boerderij van Slagman binnen, waar zich op dat moment een groot aantal onderduikers bevond. De boerderij werd omsingeld, leeggeroofd en in brand gestoken. Gerrit Slagman werd met tal van onderduikers gearresteerd en weggevoerd.
In de tussentijd wist Tine van Heesch, koerierster en vriendin van Ynze Dikkerboom, "Het Hol" te bereiken om daar Ynze Dikkerboom en Appie Nauta te waarschuwen voor de op handen zijnde overval. Nauta vluchtte direct na aankomst van Tine van Heesch en wist zo te ontkomen aan de Duitsers. Dikkerboom was echter overtuigd dat de Duitsers "Het Hol" niet zouden weten te vinden en trok zich, samen met Tine van Heesch, terug in het derde, geheime, compartiment. Hier hadden ze hun belangrijkste spullen en geheime documenten verborgen. harfsen02Na enig speurwerk wisten de Duitsers uiteindelijk de ingang van "Het Hol" te traceren, gingen naar binnen, maar vonden niet het derde compartiment. De twee onderduikers leken gered, maar voordat de Duitsers weggingen, wierpen deze nog enkele handgranaten in de ondergrondse schuilplaats. Hierdoor en door ontploffende munitie zijn Ynze en Tine waarschijnlijk om het leven gekomen. Er ontstond een hevige brand en een deel van de schuilplaats stortte in.
Nadat de Duitsers waren verdwenen, werd de plek nog bezocht door mensen uit het verzet. Wat ze nog konden vinden, namen ze mee, daarna werd de kuil dichtgegooid met aarde.
Eind april 1945 zijn de lichamen op deze plaats herbegraven. Op 13 oktober 1945 werd, in aanwezigheid van honderden familieleden, vrienden en omwonenden, de grafsteen onthuld. Op de stenen de tekst:

HET GEMEENSCHAPPELIJKE GRAF VAN YNZE DIKKERBOOM EN (CHRIS)TINE VAN HEESCH

 


Hollandsche Schouwburg

De Hollandsche Schouwburg is een Joods monument aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam. Tussen 1893 en 1942 was het een theater. In de oorlogsjaren 1942 en 1943 was het een verzamelplaats waarvandaan Joden via Kamp Westerbork gedeporteerd werden naar de vernietigingskampen van nazi-Duitsland.
Schouwburg
De Hollandsche Schouwburg staat op de plek waar vroeger de woning stond van Dr. G.F. Westerman, directeur van Artis. Na diens dood is het terrein aan Louis Bouwmeester aangeboden om er een theater te laten bouwen. Het theater werd ontworpen door Cornelis Antonius Bombach. Na diverse wijzigingen in de bouwplannen werd het uiteindelijk op 5 mei 1892 in gebruik genomen als Artis Schouwburg.
In 1895 werd het gebouw verkocht. Drie jaar later werd de Nederlandsche Tooneelvereeniging huurder van het pand, dat inmiddels was omgedoopt in de Hollandsche Schouwburg. Hier gingen toneelstukken van Herman Heijermans in première; bij voorkeur op kerstavond, zodat de mondreclame zich kon verbreiden vóór De Telegraaf het stuk kon kraken. In 1900 beleefde de première van Op hoop van zegen hier het grootste succes dat een Nederlands stuk ooit heeft gehad. In 1930 onderging het gebouw een grondige renovatie
In 1941 werd de naam van het theater op last van de bezetter gewijzigd in 'Joodsche Schouwburg' en mochten er alleen nog Joodse musici en artiesten optreden voor uitsluitend een Joods publiek.
Deportatieplaats
Vanaf augustus 1942 tot in 1943 werd de schouwburg, gelegen in het hart van de oude Amsterdamse Jodenbuurt, door de Duitsers gebruikt als verzamel-, c.q. deportatieplaats (Umschlagplatz Plantage Middenlaan) van waaruit joden op transport werden gesteld naar Westerbork en Vught en vandaar naar Duitse concentratiekampen. Weinigen overleefden: 104.000 Nederlandse Joden werden vermoord in de vernietigingskampen van de Duitse bezetter.
Al eerder had Hauptsturmführer SS Ferdinand Hugo aus der Fünten, belast met de dagelijkse leiding betreffende de deportatie van de Nederlandse Joden als vertegenwoordiger van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, onderzocht welke locatie geschikt zou zijn om grote groepen Joden korte tijd gevangen te houden in afwachting van deportatie.
Ontsnappingen
Een bijzondere rol was weggelegd voor Walter Süskind, de beheerder van de schouwburg tijdens de Jodenvervolging. Samen met Felix Halverstad, Henriëtte Pimentel en Johan van Hulst lukte het hem ongeveer 600 kinderen uit de schouwburg te laten ontsnappen via de tegenovergelegen crèche. Ook volwassenen slaagden er soms in met behulp van verzetsvrienden om te ontsnappen zoals Herman Ohringer, die sinds 1924 in Nederland woonde.
Andere verzamelplaatsen
Naast de Hollandsche Schouwburg waren er ook elders in Amsterdam locaties waar joden werden verzameld en op transport gezet, zoals het Centraal Station, de Polderweg bij het Muiderpoortstation en de Borneokade en Panamakade in het Oostelijk Havengebied. Daarnaast was de bovengenoemde Zentralstelle aan het Adama van Scheltemaplein in Amsterdam-Zuid ook een verzamelplaats. Ook in Den Haag en Rotterdam waren er verzamelplaatsen.
Oorlogsmonument
In 1947 kocht de Stichting Hollandsche Schouwburg het pand aan, waarmee werd voorkomen dat het weer de functie van theater zou krijgen. In november 1958 is door de gemeente Amsterdam besloten om de Hollandsche Schouwburg als monument in te richten. De voorgevel werd gerestaureerd en de bouwvallige achterzijde grotendeels afgebroken. De schouwburgzaal werd een binnenplaats. Op de plek van het voormalige toneel is een gedenknaald opgericht. De gedenkplaats is een ontwerp van architect L. Waterman. Op 4 mei 1962 is door de toenmalige burgemeester Gijs van Hall de eeuwige vlam ontstoken. In februari 2017 bleek dat de naam van de nazifotograaf Franz Anton Stapf en vier familieleden onterecht op het monument stonden vermeld. Zijn naam zou tussen de slachtoffers zijn beland door een onjuiste interpretatie van aantekeningen uit 1950 op een administratiekaart van de Amsterdamse Raad van Arbeid. Eerder werd ook al een naam van een Joodse vrouw die in een NSB-gezin was ingetrouwd - en geen slachtoffer was van het naziregime - van het monument verwijderd.
Het gebouw staat op de lijst van rijksmonumenten en de gedenkplaats is opgenomen in het Beschermingsprogramma Wederopbouw 1959-1965.
Sinds januari 2012 bestaat er een wandelroute, Westerborkpad genaamd, in het spoor van de Jodenvervolging die van de Hollandsche Schouwburg naar het voormalige Kamp Westerbork loopt over een afstand van 336 kilometer.

Hollandse Schouwburg (Amsterdam).JPG

Locatie Plantage Middenlaan 24, Amsterdam
Coördinaten 52° 22′ NB, 4° 55′ OL
Oorspr. functie theater
Huidig gebruik oorlogsmonument
Opening 5 mei 1892
Verbouwing 1930, 1958
Monumentstatus rijksmonument
Monumentnummer 532241
Architect Cornelis Antonius Bombach

Monument van L. Waterman

 


Hotel De Wereld

Hotel De Wereld is een hotel in de Nederlandse stad Wageningen, in de provincie Gelderland. In 1945 kwam de Canadese geallieerde generaal Charles Foulkes op zaterdag 5 mei, welke dag sedertdien Bevrijdingsdag heet, in dit hotel met de Duitse bezettende militairen de overgave van de Duitsers in Nederland overeen. De overgave werd hier echter niet ondertekend.

De Waerelt wordt voor het eerst in de 17e eeuw vermeld. Het was een logement aan de oude route van Utrecht naar Arnhem, net buiten de ommuurde stad. In 1852 werd het oude pand vervangen door een nieuw, tweelaags gebouw met kap, waaraan aan het einde van die eeuw nog een drielaagse dwarsvleugel werd toegevoegd.
Capitulatieonderhandelingen
1rightarrow blue.svg Zie Capitulatiebespreking in Wageningen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 5 mei 1945 koos generaal Charles Foulkes namens de geallieerden Hotel de Wereld voor de onderhandelingen met de Duitse kolonel-generaal Johannes Blaskowitz over de overgave van de Duitse bezetter in Nederland. Foulkes zou voor deze plaats hebben gekozen wegens de ligging van Wageningen aan het toenmalige front, de afwezigheid van burgers vanwege de evacuatie van de plaats en de symboliek van de naam "De Wereld". Prins Bernhard was bij de onderhandelingen aanwezig.

Op 1 juli 1945 onthulde prins Bernhard in aanwezigheid van Luitenant-Generaal Foulkes een herdenkingsplaat op de muur van ‘De Wereld'.

Na de oorlog
Na de Tweede Wereldoorlog raakte De Wereld als horecagelegenheid in verval. Enkele huurders konden niet meer de grandeur van weleer bereiken. Na enkele decennia werd voor het gebouw zelfs een sloopvergunning afgegeven. Zover kwam het echter niet. Tot 1962 was er een capitulatiemuseum in gevestigd met onder andere de tafels en stoelen die in gebruik waren bij de capitulatieonderhandelingen. De Landbouwuniversiteit kocht het pand en gebruikte het voor onder meer studentendecaan, studentenarts en Theater Het Hemeltje.

In 1994 werd opgericht de Stichting Nationaal Erfgoed Hotel De Wereld - Educatief Centrum Leerstoel Rampenstudies. Deze zet zich in voor het behoud van het pand en zijn geschiedenis. Onder meer prof. dr. Hans Blom, voormalig directeur van het NIOD, is lid van de raad van aanbeveling van deze stichting.

Restauratie
In 2004 werd de restauratie van Hotel de Wereld voltooid. Het gebouw werd wederom ingericht als hotel. De universiteitsvoorzieningen waren vertrokken en een horeca-uitbater betrok het pand. Tegenwoordig is het pand in gebruik als Hotel de Wereld en restaurant O Mundo. Sinds 24 november 2009 is het restaurant in het bezit van een Michelinster. In november 2017 is de eigenaar van hotel en restaurant, de Jaap Venendaal Groep (7Habits BV), failliet verklaard.

Plaquette prins Bernhard[bewerken]
Op 1 december 2005 heeft prins Pieter Christiaan, kleinzoon van prins Bernhard, een plaquette met de afbeelding van de prins onthuld. Deze overleed in 2004. De plaquette is aangebracht op de gevel van het hotel, liggend aan het 5 Mei Plein te Wageningen. Het monument is een bronzen reliëf. De tekst erop luidt:

ter nagedachtenis
Z K H

Prins Bernhard der Nederlanden
verbonden met Wageningen en
de STRIJD voor VREDE en VRIJHEID
Het monument is opgericht door de gemeente Wageningen. Met dit gedenkteken wil de gemeente de verbondenheid tussen de prins, ereburger van de stad, en de stad Wageningen tot uitdrukking brengen. Met de plaatsing van de plaquette wilde de gemeente ook tegemoetkomen aan de wens die bij veel Wageningers leefde.Prins Bernhard nam 29 jaar op 5 mei de parade van veteranen af langs het hotel. Anno 2012 vormt het hotel nog steeds het middelpunt van de bevrijdingsfeesten en herdenkingen in Wageningen.                                                                                                                                                       
   Ondertekening

Hotel de wereld wageningen.JPG

Hotel
Locatie Wageningen
Adres 5 Mei Plein 1
Openingsdatum 1852, restauratie 2004
Aantal kamers 14
Aantal suites 3
Verdiepingen 3

Gevelplaquette Prins Bernhard

 


Huize De Biezen

Huize de Biezen was een landhuis in Barneveld met landgoed. Voor de oorlog was het een werkverschaffingskamp.Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het landhuis en barakken op het landgoed gebruikt als Joods tehuis. Daarna zijn de barakken tot 1974 gebruikt als woonoord, vooral voor Zuid-Molukkers.
Joods tehuis
Circa 250 Joodse, door het Nederlands ministerie van Binnenlandse Zaken bevoorrechte Nederlanders werden op december 1942, als onderdeel van Plan Frederiks in dit pand geïnterneerd, teneinde speciale bescherming te genieten vanwege hun maatschappelijke rol voor de oorlog. De bewoners van het tehuis werden alsnog in september 1943 gedeporteerd naar Kamp Westerbork waar zij enige tijd verbleven als de Barneveldgroep. Bij de ontruiming van Westerbork werd deze groep op transport gesteld naar Theresiënstadt waar zij bijna allemaal de oorlog doorstonden.
Huize De Biezen lag in de gemeente Ede, maar door het doorvoeren van een grenswijziging door het ministerie kwam Huize de Bieze in Barneveld te liggen. Reden was dat de burgemeester van Ede, Van Dierendonck, antisemitisch was. De burgemeester van Barneveld was op dat moment de progressievere Joachim Westrik.
Indische Nederlanders en Molukkers
Na de onafhankelijkheid van Indonesië zijn barakken op de terreinen van De Biezen en De Schaffelaar enkele jaren, in elk geval tot mei 1951, gebruikt als huisvesting voor enkele honderden gerepatrieerde Indische Nederlanders, terwijl al in april 1951 nieuwe bewoners arriveerden: Op 8 april kwamen de eerste Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen aan in de Rotterdamse haven. Met een omstreden dienstbevel, praktisch gesproken een ontslag, waren zij naar Nederland gedirigeerd. De eerste Molukkers, toen Ambonezen genoemd, gingen naar De Schaffelaar, maar later in 1951 werd ook De Biezen bevolkt. Eind 1952 woonden op De Schaffelaar 56 huishoudens (257 personen) en op De Biezen 21 huishoudens (134 personen) van de in totaal ruim 14.000 'Ambonezen' die naar Nederland waren gehaald.Op beide locaties kwamen zo'n zeventig gezinnen te wonen, maar op den duur werd De Biezen volgens plan de enige Barneveldse huisvesting voor Molukkers. Na de Watersnood van 1953 werden hier ook Molukkers ondergebracht uit het Zeeuwse rampgebied, waar verhoudingsgewijs veel van de negentig Molukse woonoorden stonden.In 1955 werden de bewoners van De Schaffelaar overgebracht naar De Biezen, waar vijf nieuwe barakken en andere voorzieningen bijgebouwd waren.De gedwongen overplaatsing gaf veel onrust in De Schaffelaar, omdat een gezin met twee grote kinderen van bijvoorbeeld vijftien en twintig jaar slechts één kamer van veertien vierkante meter kreeg, terwijl ze op hun oude plek over twee grotere kamers beschikten.
In de loop van de jaren werd vertrek uit het woonoord naar de dorpen Barneveld en Voorthuizen gestimuleerd, maar de bewoners hadden weinig sociale contacten met de Nederlandse omgeving en des te meer met elkaar. In 1969 was het aantal bewoners van De Biezen gedaald tot 407. In de Barneveldse woonoorden was een scala aan activiteiten, deels ontspannend of religieus, maar onder andere ook veel bijeenkomsten rond de wens terug te keren naar Indonesië en mogelijk een Republiek der Zuid-Molukken te realiseren. Voetbalclub Maluka Muda bevond zich hier van 1961 tot in de jaren zeventig[6] en in de jaren zestig was er ook een korfbalclub.
Nadat duidelijk was geworden dat de gehoopte terugkeer naar Indonesië onhaalbaar was, droeg het rijk per 1970 de taken rond de Molukse bevolkingsgroep over aan de gemeenten. Voornamelijk voor de Barneveldse Molukkers werd in 1974 rond de huidige Columbusstraat een woonbuurt opgeleverd en eindigde de bewoning van De Biezen.In 1974 is het woonoord ontruimd en deels gesloopt.Later is de bebouwing op het landgoed volledig gesloopt.

Afbeeldingsresultaat voor Huize De Biezen

Huize De Biezen bestaat niet meer. In de oorlog werden hier 250 bevoorrechte Joden geïnterneerd, maar ook zij werden in december 1943 naar Theresienstadt gedeporteerd. Na de oorlog, bij de onafhankelijkheid van Indonesië, werd De Biezen gebruikt om Molukkers op te vangen, zoals ook gebeurde met kamp Westerbork en een aantal andere kampen

 


Huize Lidwina

Huize Lidwina was een villa op een klein landgoed in het Twentse Zenderen. Het was in de Tweede Wereldoorlog vanaf de zomer van 1944 hoofdkwartier van de Landelijke Knokploegen (KP) in Oost-Nederland en is op 23 september 1944 na een Duitse overval geheel verwoest. Drie personen zijn omgebracht.
De villa voor de oorlog
Sietse Hilbrink, die in 1936 met vervroegd pensioen was gegaan en daardoor weinig inkomsten had, betrok de villa samen met zijn vier kinderen en zijn vrouw, die tijdens de economische crisis hulpacties organiseerde voor werkelozen en hun gezinnen. In de prachtige en afgelegen villa vestigden zij een rusthuis voor overwerkte moeders.
Hoofdkwartier van verzet
Toen de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, verstrekte men eerst onderdak aan KP-Zenderen van verzetsman Johannes ter Horst. De knokploegen van Almelo en Enschede volgden, de laatste omdat het in het eigen hoofdkwartier Holterhof te dicht bij de stad lag en te druk met steeds meer onderduikers. De villa werd voorzien van een elektronisch waarschuwingssysteem, wachtposten en er was contact met paters uit de buurt die inlichtingen verzamelden tijdens hun rondgang door de parochies in de omgeving. Er was zelfs een zendinstallatie met een eigen verbindingsteam die deel uitmaakte van Operatie Jedburgh, waarmee men inlichtingen kon doorseinen naar Londen.
Evacuatie en vernietiging van de villa
Vroeg in de avond van 22 september 1944 werd Ter Horst gearresteerd en besloten de kp’ers Lidwina meteen te ontruimen. De KP moest namelijk nog de ‘oogst’ van een wapendropping door een 'Jedburgh-team' in de nabije buurtschap Tilligte in veiligheid brengen. De Duitsers kwamen nog voordat het gelukt was de villa geheel te ontruimen, niet omdat Ter Horst zou hebben doorgeslagen, maar omdat koerierster Ria Hermans een twaalf man tellend SD-commando erheen leidde. Zij was op 23 september ‘s morgens vroeg opgepakt en is volgens verschillende bronnen onder bedreiging de ‘gids’ geweest, enkele uren na haar aanhouding.
Na een vuurgevecht ontsnapten Henk Michel, Chiel Ploeger en Daan Hillenaar; de laatste door eerst zijn pistool leeg te schieten op de aanstormende SD’ers en daarna een handgranaat tussen hen in te gooien. De bronnen melden niet of niet duidelijk of een aanvaller letsel opliep.
Ook Coen Hilbrink, de zoon van Sietse, vluchtte voor de overmacht. Hij aarzelde toen een van de twee vrouwelijke bewoners, koerierster Hermina Schreurs de echtgenote van Johannes ter Horst bij haar vluchtpoging om hulp riep en werd toen doodgeschoten. Diens vader Sietse en een andere KP’er, Dirk Cornelis Ruiter, werden diezelfde middag gefusilleerd, nagenoeg zeker vanwege de vele gevonden wapens in huize Lidwina. De twee vrouwen werden vrijgelaten en de villa werd met springstof opgeblazen.
Controverse rond Ria Hermans
De nasleep in vredestijd leverde na een halve eeuw een uitzonderlijk heftige polemiek op over de rol van Ria Hermans. Tegen haar leidde een intensief, maar ook warrig onderzoek met een verdwijnend dossier na de oorlog niet tot een veroordeling. Daarna doken verschillende historici hierin. Onder hen was Coen Hilbrink junior de opmerkelijkste, die 17 dagen oud was toen zijn vader Coen senior en zijn grootvader in Lidwina werden doodgeschoten. Dat hij zo vroeg halfwees werd, inspireerde hem geschiedenis te studeren met verzetshistorie als specialisme. Over Ria Hermans citeerde hij voor zijn proefschrift ‘De illegalen’ rijkelijk uit processen-verbaal en rapporten, maar onthield hij zich toch van een duidelijke veroordeling. Pogingen van Hilbrink om Hermans op te sporen voor een volledig verhaal, faalden. Toen in 1995 de journalist Jan Haverkate van Dagblad Tubantia haar vond, liet hij zich overtuigen van door haar beschreven onschuld. In de krant verweet hij Hilbrink een misplaatste schuldigverklaring over Hermans te hebben gecreëerd. De wetenschapper beschouwde dat als smaad, maar kreeg naar zijn mening onvoldoende gelegenheid in de krantenkolommen te weerleggen. Dat deed hij in zijn boek 'Vogelvrij Verleden’. De controverse eindigde toen Tubantia (en alle regionale dagbladen van Wegener) op 13 september 2014 in een oorlogsbijlage twee pagina’s inruimden voor Hilbrink en zijn meningen.
Herbouw
Na de oorlog is op de plaats van de vernietigde villa, door Cor Hilbrink jr. een nieuw huis gebouwd met dezelfde naam

Herdenkingsmonument Zenderen

Herdenkingsmonument Zenderen
Locatie Zenderen
Coördinaten 52° 19′ NB, 6° 43′ OL
Oorspr. functie rusthuis voor overwerkte moeders
Start bouw 1936
Status vernietigde villa, thans nieuwbouw
Eigenaar Cor Hilbrink jr

Huize Lidwina

Detailkaart

 


Kamp Mariënbosch

“Sie haben ein Recht hier zu wohnen ja, aber Ihre Heimat, Ihre Wurzeln sind wahrscheinlich wo anders.” Gedecideerd en onverzettelijk geeft Frau Doris Zutt in een recente aflevering van het Duitse tv-programma Panorama antwoord op de vragen van verslaggever Michel Abdollahi. “Heimat ist dort wo ich mich wohl fühle, wo meine Landsleute sind, wo ich geboren bin, wo meine Wurzeln sind”, zo steekt het vooraanstaand lid van de neonazi partij NPD van wal.
Abdollahi, geboren in Iran, maar opgegroeid in Duitsland, is in haar ogen “entwurzelt”. Dat hij zich “total wohl” voelt, doet ze af met “Das ist Ihre Meinung.” “Welche Kultur leben Sie? Die Ihrer Eltern, Ihrer Voreltern? Oder unsere, deutsche Kultur?” “Eine Mischung aus beiden lebe ich” antwoordt Abdollahi, die zichtbaar gefrustreerd raakt. Een opmerkelijk antwoord volgt: “Eine Mischung aus beiden gibt es nicht. Jesus war auch in einem Stall geboren und ist auch kein Esel. Es gibt nur eins was man leben kann.”
Die Heimat. Als het aan de Nederlandse regering gelegen had, waren tussen 1946 en 1948 alle Duitsers die in Nederland gevestigd waren teruggestuurd naar die ‘Heimat’. Niet alleen ‘foute elementen’, zoals nazi’s of oorlogsmisdadigers, maar allen die in het bezit waren van de Duitse nationaliteit moesten uit Nederland worden verwijderd. Dat velen van de naar schatting 25.000 Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland woonachtig waren en hier geworteld waren, volledig geïntegreerd waren in de Nederlandse samenleving en zich hier thuis voelden, deed er niet toe. De gedachte dat met de vijand moest worden afgerekend overheerste: voor onderdanen van het gehate Duitsland was geen plaats meer in het nieuwe Nederland.
Operatie Black Tulip, zoals de uitzetting van Duitsers in de geschiedenisboeken bekend staat, ging officieel van start op dinsdag 10 september 1946. In alle vroegte werden mensen met een Duitse nationaliteit, vaak hele gezinnen, uit hun huis gehaald. Vrachtauto’s werden voorgereden om hun eigendommen, die bij wijze van schadevergoeding voor de tijdens de Duitse bezetting geleden schade in beslag werden genomen, naar een depot van het Nederlands Beheersinstituut te vervoeren. De gearresteerde Duitsers werden in diverse kampen ondergebracht, waarvan kamp Mariënbosch bij Nijmegen het grootste was, om, zoals Het Parool van 10 september schreef, “per eerste gelegenheid over de grens te worden gezet”.
Dit ‘over de grens zetten’ bleek in de praktijk echter niet eenvoudig. Verwoest door de oorlog was er in grote delen van Duitsland gebrek aan eerste levensbehoeften zoals woningen en voedsel. De grote stromen vluchtelingen die naar Duitsland zouden komen wanneer Nederland (maar ook andere westerse landen zoals België en Frankrijk) de in hun land verblijvende Duitsers zou uitwijzen, konden nergens worden ondergebracht. De geallieerde bezettingsautoriteiten werkten de Nederlanders dan ook flink tegen. Snelle doorstroming bleek onmogelijk. Pas in het voorjaar van 1947 kwam de ‘afvoer’ (uitzettingen), en daardoor ook de ‘toevoer’ (interneringen), enigszins op gang.
De kritiek op het uitwijzingsbeleid nam echter toe. De vraag of mensen zonder enige vorm van rechtspraak opgepakt, geïnterneerd en vervolgens uitgewezen mochten worden, werd steeds luider. Was het wel rechtmatig en humaan om mensen enkel op basis van hun nationaliteit uit te wijzen? Mocht een individu wel afgerekend worden op het leed wat door een collectief aangedaan was? En, deed het uit huizen halen van gezinnen, met achterlating van praktisch alle bezittingen, niet sterk denken aan het oppakken en deporteren van de Joden?
Zowel op lokaal niveau, zichtbaar in de kranten uit de tijd, als op nationaal niveau, vanuit de Katholieke Kerk en later ook de Nederlands Hervormde Kerk, kwam protest. Ook in de Ministerraad groeide het besef dat de uitwijzing van Duitsers – van wie velen al lang in Nederland gevestigd waren en vaak geenszins van nationaalsocialistische sympathieën of daden blijk gegeven hadden – onrechtvaardig was.
Uiteindelijk kwam, iets meer dan twee jaar na de officiële start, in de herfst van 1948 een einde aan Operatie Black Tulip. Hoeveel Duitsers er werkelijk uitgezet zijn, is onzeker. Sommige historici spreken van een totaal van 3400 à 3500 Duitsers, anderen stellen dat er meer onderzoek nodig is om uit te zoeken om hoeveel Duitsers het nu precies ging. De uitwijzingsaantallen zijn echter niet de reden waarom deze onderbelichte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis vandaag de dag zo relevant is in een columnreeks met als thema “over de grens”. Dat individuen, zelfs hele gezinnen, enkel en alleen vanwege hun nationaliteit met uitzetting bedreigd werden, uitwijzing uit een land waar zij al jaren woonden en waar zij zich thuis voelden, dat is waarom deze naoorlogse geschiedenis aandacht verdient: Operatie Black Tulip was letterlijk en figuurlijk “over de grens”. Dat brengt me terug bij het fragment uit het interview van Abdollahi met Frau Zutt. Natuurlijk is het onmogelijk om een directe parallel te trekken tussen het Nederlandse naoorlogs uitzettingsbeleid en dit recente Duitse tv-fragment, zeker ook omdat een neonazi niet representatief is voor de hedendaagse publieke opinie. Toch bekroop mij het ongemakkelijke gevoel dat de centrale thema’s “Was ist Heimat für Sie”, “Wie is insider en wie is outsider”, thema’s van toen en nu zijn, en dat in zowel de actuele discussie rondom vluchtelingen als in de discussie over Nederlanderschap dezelfde mechanismen van in- en uitsluiting worden gehanteerd als destijds in naoorlogs Nederland.
Wanneer is iemand geworteld? En vooral, wie bepaalt dat? Wie besluit wie er tot de categorie “van/bij ons horend” behoort, en wie er “outsiders” zijn? Zien wij in Marokko, Suriname of waar dan ook geboren, maar al lang in Nederland gevestigde mannen, vrouwen en kinderen als Nederlanders? Of neigen wij steeds meer naar een soort tweedeling (het recht hier te verblijven vs. geworteld zijn) zoals door Frau Zutt gedefinieerd? Waar ligt de grens, en wanneer gaan wij over de grens?

Het Mariënbosch dankt zijn naam hoogstwaarschijnlijk aan een nabij gelegen zogenoemde ‘Mariënboom’. Waar men geen bidkapel bekostigen kon werd vaak een houten kastje met een heiligenprentje of een klein mariabeeldje er in, aan een boom gespijkerd. Vast staat dat er in 1537 een kapel ‘Mariënboemcken’ stond aan de Groesbeekseweg waaraan het Mariënbosch grenst.
In 1604 werd ‘het muyrwerck van ‘t capel aen Mariënboemken’ afgebroken

 

Kamp Mariënbosch

 


Koninklijke Kunstzaal Kleykamp

Kunstzaal Kleykamp was in de 20e eeuw een kunsthandel in Den Haag. De kunsthandel was gevestigd in een opvallende witte villa aan het begin van de Scheveningseweg bij het Carnegieplein tegenover het Vredespaleis.
Kunsthandel
Pieter († 2 januari 1942) en Ermina Kleykamp hadden omstreeks 1900 een bedrijf in rieten manden en meubelen en een kleine kunsthandel in Aziatische kunst in Rotterdam. Om hun kunstvoorwerpen aan het publiek te kunnen tonen, organiseerden zij verkoopexposities door het hele land. In 1909 verhuisden zij naar Den Haag. Hun eerste huis was in de Oranjestraat, maar in 1916 verhuisden zij naar een groot wit huis aan het Haagse begin van de Scheveningseweg. Dat huis werd al gauw Huize Kleykamp genoemd. In 1920 kreeg de kunsthandel van koningin Wilhelmina het predicaat Koninklijk: 'Koninklijke Kleykamp'.
De oorlog
In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd het persoonsbewijs (PB) verplicht, met daarop een pasfoto en een vingerafdruk. Huize Kleykamp werd medio 1941[2] door de Duitse bezetter gevorderd om het Centrale Bevolkingsregister met duplicaten van alle uitgegeven persoonsbewijzen onder te brengen. De Duitsers konden daarmee steeds onderzoeken of iemands persoonsbewijs vals was. Dit heeft vele verzetsstrijders en onderduikers het leven gekost.
In 1943 stelde de verzetsstrijder Pierre Louis d’Aulnis de Bourouill aan de Nederlandse regering en de RAF voor dat archief te bombarderen. Aanvankelijk werd zijn verzoek afgewezen uit angst voor te veel slachtoffers, maar het werd steeds duidelijker dat het moest gebeuren, vooral omdat men zich realiseerde dat de oorlog nog jaren kon duren. Generaal-majoor Johan Willem van Oorschot gaf uiteindelijk op 11 april 1944 opdracht de missie uit te voeren. Kleykamp was een duidelijk doelwit, het was het enige witte huis tegenover het Vredespaleis. Er werden zes De Havilland Mosquito jachtbommenwerpers van Squadron 613 naar Nederland gestuurd. Piloot van het eerste vliegtuig was Robbie Cohen, die later boven Frankrijk werd neergehaald. De aanvliegroute was langs de Zuid-Hollandse Eilanden, op 15 meter hoogte om onder de Duitse radar te blijven. Met een bocht om Gouda werd het afweergeschut van Rotterdam ontweken. Daarna verminderden de Mosquito's hun snelheid en kwamen ze aanvliegen over het Vredespaleis. 'Kleykamp' werd gebombardeerd, waarbij 61 medewerkers omkwamen. Een aantal bommen miste het doel en verwoestten een deel van de Alexanderkazerne aan de Laan Copes van Cattenburch (nu Patijnlaan), waar de Grüne Polizei was gehuisvest.
Alle piloten kwamen ongedeerd in Engeland terug. Ruim de helft van de persoonsbewijzen was niet goed verbrand. Deze werden overgebracht naar Scheveningseweg 106 (het latere NEBO-ziekenhuis) om alsnog zorgvuldig te worden vernietigd. Na deze actie konden honderden onderduikers en verzetsstrijders aan veilige valse papieren geholpen worden.
Na de oorlog heeft de kunsthandel nog enige tijd voortbestaan aan de Anna Paulownastraat 60, maar de oprichter Pieter Kleykamp was in 1942 overleden en het kenmerkende oude elan was verdwenen. Op de locatie van de villa werd midden jaren zestig het nieuwe kantoor van de Nationale Investeringsbank gebouwd.
Uitzending Andere Tijden
Er rezen twee vragen: waarom het bombardement niet eerder kon plaatsvinden, en waarom werd het niet gedaan tijdens de paasdagen, maar op de dag erna? Beide opties zouden veel levens gespaard hebben. De VPRO probeerde in Andere Tijden in oktober 2008 daarop een antwoord te vinden. Aan het woord kwamen Paul Valkenburgh, die indertijd in het oude tolhuis vlak bij Kleykamp woonde, Coby Versluis-de Greef, die in het pand gewerkt had en levend onder het puin vandaan was gekomen, en Pierre Louis d’Aulnis de Bourouill. Op de eerste vraag kan geen antwoord gegeven worden, maar dit soort precisiebombardementen werd pas sinds september 1943 uitgevoerd. Hoewel het heel gevaarlijk was, moesten de vluchten overdag plaatsvinden omdat dan de groene stalen archiefkasten open zouden staan. Het moest ook op een werkdag gebeuren, om dezelfde redenen.
De stichting
In 2004 is de Stichting Historie Koninklijke Kunstzaal Kleykamp opgericht. De stichting heeft in 2008 een wetenschappelijk boek over de geschiedenis van de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp uitgegeven.Dit boek werd op 31 oktober 2008 gepresenteerd in het Haagse Museum Beelden aan Zee.
Trivia
Op 23 maart 1913 gaf Louis Couperus een voordracht voor Kleykamp, dat toen nog gevestigd was op de hoek Parkstraat/Oranjestraat. Hij las 'De zonen der zon' voor uit het boek God en Goden. Hij las er ook nog voor in 1915, 1916, 1921 en 1923.
Op 9 juni 1923 werd Couperus er gehuldigd vanwege zijn 60e verjaardag de volgende dag. Hij was toen net teruggekeerd van Japan en hield in Kleykamp zijn laatste voordracht.
Op 4 mei 1929 werd Willem Kloos er gehuldigd voor zijn zeventigste verjaardag.

Kunstzaal Kleykamp in 1942.
Locatie Scheveningseweg, Den Haag
Coördinaten 52° 5′ NB, 4° 18′ OL
Oorspr. functie villa
Huidig gebruik kunsthandel
bevolkingsregister
Sluiting 11 april 1944

 

Bombardement door de RAF op gebouw Kleykamp

 


Landgoed Schaffelaar

Landgoed Schaffelaar is een park met landhuis in Barneveld. Het landhuis dateert van rond 1850 en wordt gezien als het belangrijkste Nederlandse landhuis in de neo-tudorstijl. Plaatselijk wordt het Kasteel De Schaffelaar genoemd. Het behoort tot de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
Geschiedenis
Ontstaan
Op hetzelfde landgoed, ongeveer 250 meter in noordwestelijke richting, stond in de zestiende eeuw op de Koewei een huis, dat eerst Hackfort en later Schaffelaar (als eerbetoon aan Jan van Schaffelaar) werd genoemd. De oudst bekende bezitter van dit kasteel was Floris van Hackfort, die leefde voor 1600. Rond 1585 werd het kasteel - toen nog met een slotgracht omgeven - verwoest door de Spanjaarden. Via Floris' kleindochter Geertruid Hackfort, dochter van Johan van Hackfort en Gerarda van Delen, kwam het landgoed met nieuw huis in handen van haar echtgenoot Nicolaas Vijgh (overl. 1663) en vervolgens vererfde het op de adellijke familie Van Essen tot Helbergen. Dit kwam doordat Geertruid Agnes Vijgh, vrouwe van de Schaffelaar (en de kleindochter van Nicolaas Vijgh, dochter van Charles Vijgh en Johanna Vijgh) in 1698 trouwde met Lucas Willem baron van Essen tot Helbergen (1643-1701). Hij was burgemeester van Harderwijk.Het pand werd in 1767 in opdracht van Van Essens gelijknamige kleinzoon Lucas Willem baron van Essen (1739-1791, begraven in de Grote Kerk te Barneveld), met een voor Gelderland ongekende stijl en luxe herbouwd. De tuin werd ontworpen door een leerling van André le Nôtre, ontwerper van de paleistuinen van Versailles. Aangezien Van Essen geen kinderen had, werd bij het overlijden van zijn weduwe, de dichteres.Margriet de Cocq barones Van Haeften in 1793, het kasteel publiekelijk geveild door de erfgenamen. Dit waren twee kleinkinderen van de tante van Van Essen, namelijk het echtpaar, tevens neef en nicht Jan Arend baron de Vos van Steenwijk (1746-1813) en Conradina Wilhelmina van Isselmuden tot Paaslo (1746-1796).
In 1800 brandde het huis af.In 1808 kocht Jasper Hendrik baron van Zuylen Van Nievelt (1751-1828), ambtsjonker van Barneveld en maire aldaar, het landgoed, dat in 1828 op zijn gelijknamige neef (een kleinzoon van zijn broer) overging.[6] Deze maakte in 1840 plannen voor een nieuw huis in classicistische trant. Deze plannen werden gewijzigd tot een huis in neogotische trant. Dat gebeurde in 1852, het jaar waarin Van Zuylen van Nievelt (1808-1877) in het huwelijk trad met Jeanne Cornélie barones Van Tuyll van Serooskerken (1822-1890). Jasper Hendrik van Zuylen van Nievelt was een broer van Gerrit Willem van Zuylen van Nievelt die burgemeester van Barneveld werd. Op 1 april 1852 legde opdrachtgever Jasper Hendrik baron van Zuylen van Nievelt de eerste steen voor een nieuw landhuis, zo'n 250 meter dichter bij het dorp. De architectuur van deze nieuwe 'De Schaffelaar' is van de hand van A. van Veggel. Het pand werd door verscheidene mensen, waaronder bovengenoemde baron Van Zuylen bewoond, maar in 1935 werden de kosten zo hoog, dat er slechts van tijd tot tijd mensen waren die zich het landhuis konden veroorloven. Het werd niet meer permanent bewoond.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw door de Duitse bezetter gebruikt als reserveringskamp, om joodse Nederlanders die volgens het Plan-Frederiks van maatschappelijk belang waren, te interneren. De betreffende Joden hadden bijvoorbeeld in de Eerste Wereldoorlog aan Duitse zijde gevochten, of waren lid geweest van de NSB. Het kamp werd voorgedaan als een liefdadigheid, maar in feite werd het gebruikt om ervoor te zorgen dat Joden minder gauw zouden onderduiken en zouden proberen hun 'recht' te verdedigen bij de regering. Op deze manier werd het de bezetter vergemakkelijkt om Joden te arresteren en te deporteren naar vernietigingskampen. In het kamp zaten tussen december 1942 en september 1943 ongeveer 450 Joden geïnterneerd. Andere, soortgelijke kampen waren Huize De Biezen te Barneveld en Villa Bouchina te Doetinchem.
Nadat de Joden op transport naar Theresienstadt waren gesteld, werden er in De Schaffelaar bejaarden ondergebracht die wegens bombardementen de Randstad waren ontvlucht. Vervolgens huisvestte het gebouw na de oorlog achtereenvolgens een revalidatiecentrum voor oorlogsinvaliden, de Stafschool Bescherming Bevolking, een typeschool en een sportschool.
Huidige omstandigheden
In 1967 verkocht de toenmalige eigenaresse, de achterkleindochter van Jasper Hendrik baron van Zuylen van Nievelt, J.L.A. Clifford Kocq van Breugel-barones van Nagell, vrouwe van Schaffelaar het "kasteel" voor het symbolische bedrag van fl. 1,- aan de gemeente Barneveld. Het landgoed eromheen werd eigendom van Het Geldersch Landschap. De gemeente liet het vervolgens in de periode september 1977 tot december 1979 volledig restaureren en in 1987 werd er een door oud-gevangene Ralph Prins ontworpen monument onthuld, waarna het tot 2002 werd gebruikt als huisvesting voor buitenlandse studenten. Anno 2010 wordt het kasteel als zalenaccommodatie gebruikt en verhuurd voor feesten en partijen en huwelijksvoltrekkingen.
Het Schaffelaarsebos
Het Schaffelaarsebos, de tuin en de zogenaamde Koewei zijn in 2005 opgeknapt door Het Geldersch Landschap. De Oranjerie is herbouwd en wordt als restaurant gebruikt. De totale oppervlakte van het landgoed bedraagt 94 hectare.

Huize De Schaffelaar, februari 2007

Huize De Schaffelaar, eind 19e eeuw

Joods monument naast huize De Schaffelaar

 


Maliebaan (Utrecht)

De Maliebaan is een laan even buiten de singels van de Nederlandse stad Utrecht.
Geschiedenis
In de Gouden Eeuw was Utrecht niet bepaald een centrum van vertier. Gasten aan de Universiteit, zoals René Descartes, klaagden over de ingeslapen saaiheid van de stad. Kennelijk dachten de studenten en de curatoren er ook zo over, want zij vroegen de vroedschap om het maliespel te mogen spelen. Net als in Leiden kregen zij daarvoor in 1637 toestemming, wellicht ook uit concurrentieoverwegingen.
De Maliebaan in 1645
Ten oosten van de stad werd op het Oudwijkerveld een maliebaan aangelegd van 200 roeden (ca 750 meter), een afstand die volgens getuigen uit die tijd in drie slagen overbrugd kon worden. Twee eeuwen daarvoor werden balspelen er juist uitdrukkelijk verboden, zoals het buurspraakboek uit 1401 vermeldt: "voorts verbiet de Raet… nochte met kolven en spelen nochte teneyzen". Met teneyzen werd vermoedelijk kaatsen bedoeld en niet ons huidige tennis. Een jaar na de aanleg volgde een verordening waarin de vroedschap verbood om ossen, koeien, paarden, schapen, varkens en dergelijke op de Maliebaan te weiden.
Bij zijn bezoek in 1672 vond de Franse koning Lodewijk XIV de Utrechtse Maliebaan zo schitterend, dat hij hem volgens zeggen graag naar Parijs had willen meenemen. De baan was geplaveid met schelpen en had houten kantschotten waarop de afstand was af te lezen, met hier en daar een toegang. De schotten achter de palen, het rabat (Oudfrans rabattre = terugslaan) waren verhoogd. Op beide palen pronkte fier het Utrechtse stadswapen. Langs de baan waren aan weerskanten lommerrijke wandelpaden.
Een herberg aan de Singel tegenover het Lepelenburg werd ingericht als maliehuis. Hier werden de ballen en hamers bewaard en verhuurd en de spelers konden er een kop chocolade of iets sterkers drinken. Het bleef er vaak tot in de late uurtjes gezellig. Tegen de regels in liet de poortwachter bij het Lepelenburg, na het luiden van de avondklok in de Buurkerk om 21.55 uur, nog studenten binnen door een deurtje naast zijn poort. De maliespelende studenten trokken veel bekijks. Al gauw kwam er zoveel publiek, dat er theehuizen en andere uitspanningen verschenen. De Maliebaan werd hét uitje van de stad. Welgestelde burgers lieten daar hun buitenhuisjes bouwen. Later bleven zij er permanent wonen en verrezen er statige panden. Zo werd de Maliebaan een woongebied op stand.
Het maliespel verloor, net als het kolfspel, tegen het eind van de 17e eeuw langzaam zijn populariteit. In 1700 klaagde Adriaan van Wijk, de pachter van het Maliehuis, over de geringe omvang van zijn nering. Hij vroeg verlaging van de pacht. Uiteindelijk werd er in 1796 helemaal niet meer gespeeld. De kantschotten en palen verdwenen definitief in 1811, zodat keizer Napoleon Bonaparte er vrij baan had voor de grote wapenschouwing bij zijn bezoek aan Utrecht. De baan werd steeds vaker gebruikt voor andere zaken, zoals in de 20e eeuw voor paardenwedrennen door studenten Diergeneeskunde. Eind 20e eeuw kreeg de Maliebaan aan de kant van de Maliesingel twee nieuwe toegangspalen, die aan de palen van het oude eindrabat herinneren.
Aan de Maliebaan werd in 1883 de voorloper van de ANWB opgericht. Ook het eerste fietspad in Nederland was hier te vinden (1885).
Rond de Tweede Wereldoorlog
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Maliebaan het bestuurlijk-administratieve centrum van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert. Utrecht was vanaf het begin in 1931 de zetel van de NSB omdat Mussert en de mede-oprichter van de NSB, Cornelis van Geelkerken, er woonachtig waren. Na een beginperiode van enkele jaren waarin de NSB haar hoofdkwartier aan de Utrechtse Oudegracht had, werd Maliebaan 35 betrokken.
In de loop van de volgende jaren werden naastgelegen panden aangekocht en in gebruik genomen. Uiteindelijk had de NSB aan oneven kant de nummers 13 en 23 t/m 35 in gebruik (de afdeling Propaganda zat op nummer 29/31). Aan de overkant waren de panden 66 (stafkwartier van de Nederlandse SS), 76/78 (stafkwartier van de Weerbaarheidsafdeling) in handen van de NSB gekomen. Hierdoor kreeg de stad Utrecht de bijnaam 'NSB-hoofdstad van het land'. Dat strookte ook met de intenties van de NSB, die zich liever niet geassocieerd zag met Den Haag als regeringshoofdstad. Den Haag was vóór 1940 immers de zetel van de door de NSB verworpen democratische regering, terwijl die stad ná 1940 de zetel van het Duitse bewind was, waarmee de NSB zich evenmin wenste te associëren.
Toch zaten hier ook de Utrechtse afdelingen van de nazi's. De Sicherheitsdienst[2]/Sicherheitspolizei zat op nummer 74, de Nachrichtenabteilung der Luftwaffe op nummer 108 en de Wehrmachtkommendantur op nummer 84a.
Ook het verzet was actief op de Maliebaan: kardinaal de Jong en Marie Anne Tellegen woonden en werkten in de straat.
Ad van Liempt publiceerde in 2015 een boek over deze periode: Aan de Maliebaan. De kerk, het verzet, de NSB en de SS op een strekkende kilometer.
Tegenwoordig
In 1979 kwam de Adviescommissie voor Beeldende Kunsten met het advies om een beeldenroute in de klassieke zin te verwezenlijken in Utrecht en wees daarvoor de Maliebaan aan. Waarschijnlijk in het licht van het feminisme werd besloten om alleen beelden van vrouwelijke kunstenaars te plaatsen. In 1983 werden de eerste vier beelden geplaatst. Inmiddels telt het zeventien beelden.
1rightarrow blue.svg Zie Beeldenroute Maliebaan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Sinds 1992 wordt op de Maliebaan het Maliebaanfestival gehouden waarvan de Piekenkermis het belangrijkste en bekendste onderdeel is. Deze kermis is gestoeld op de roemruchte Utrechtse jaarmarkt met kermis in juni, aan welke het smedengilde St. Eloy de traditie van Hoveniersmaandag te danken heeft. De kermis bracht immers allerhande onguur volk en vele verleidingen naar de stad. Om de gildebroeders daartegen in bescherming te nemen, verschafte het gilde hen in het St. Eloyen Gasthuis biefstuk, brood, Utrechtse wafels en bier. Hoewel in 1995 een officieel verbroederingsbezoek aan de nieuwe kermis is gebracht, wordt in het St. Eloyen Gasthuis ook nu nog elk jaar de Hoveniersmaandag gevierd.
Aan de Maliebaan is sinds 1898 ook het huidige Aartsbisschoppelijk Paleis van het aartsbisdom Utrecht (Rooms-Katholieke Kerk) gevestigd op nummer 40. Er bevinden zich tal van andere verenigingen, zoals verschillende vrijmetselaarsloges waaronder Loge Ultrajectina op nummer 70A.

Malibaan Utrecht.jpg

Geografische informatie
Locatie Buiten Wittevrouwen, Utrecht
Begin Maliesingel
Eind Oorsprongpark
Lengte 1 km
Breedte 55 m
Algemene informatie
Genoemd naar Maliespel
Naam sinds 1637
Openbaar vervoer Lijn 8 en 477 van U-OV
Portaal Portaalicoon Stad Utrecht
 

Denker door Lotti van der Gaag uit 1951, geplaatst in 1991

1-Plaats in de Tweede Wereldoorlog in Nederland

1---2