Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog

Operatie Barbarossa-22 juni 1941

Operatie Barbarossa (Duits: Unternehmen Barbarossa) was de codenaam voor de Duitse aanval op de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 gedurende de Tweede Wereldoorlog. Men vernoemde de militaire operatie naar Barbarossa, een keizer van het Heilige Roomse Rijk en één van de leiders van de Derde Kruistocht op het einde van de 12e eeuw. De operatie zelf duurde tot december 1941, maar de oorlog aan het oostfront die ermee was ingeluid, eindigde pas in mei 1945 en wel met de Duitse onvoorwaardelijke overgave aan de Sovjet-Unie en de andere geallieerden.
Het doel van de operatie was een snelle inname van het Europese deel van de Sovjet-Unie, ten westen van de AA-lijn. In het begin van de operatie boekten de Duitsers enorme terreinwinst en brachten grote verliezen toe aan het Rode Leger. In oktober liep het Duitse offensief echter vast in de modder.
Operatie Barbarossa is de grootste militaire operatie op het gebied van ingezette troepen en slachtoffers uit de geschiedenis. De mislukking hiervan was een keerpunt in de oorlog en luidde de ondergang van nazi-Duitsland in. Het belangrijkste gegeven was dat Operatie Barbarossa het oostfront had geopend, waar de grootste en meest bloedige campagne van de Tweede Wereldoorlog zich zou afspelen.
Het Duitse plan voor Operatie Barbarossa Datum 22 juni 1941-5 december 1941 Locatie Sovjet-Unie

Aanleiding
Adolf Hitler had verschillende redenen voor de aanval. Op de eerste plaats vermoedde hij dat het Verenigd Koninkrijk zo hardnekkig standhield, omdat het hoopte op deelneming van de Sovjet-Unie aan de oorlog. Door die deelneming zelf te forceren, door meteen de Sovjet-Unie te vernietigen, zou hij het Verenigd Koninkrijk allicht tot vrede kunnen bewegen. Een tweede motief was zijn angst voor het snel groeiende militaire potentieel van het Rode Leger. Hitler was en bleef geneigd om de volle waarheid daarover te verdringen, maar hij besefte toch terdege dat het in 1942 voor een aanval te laat zou zijn. De meest fundamentele beweegreden was misschien wel dat Duitsland afgesneden was van olie en vele essentiële grondstoffen. Beter dan afhankelijk te zijn van Stalins aalmoezen (in de vorm van leveranties van graan en aardolie) kon Duitsland zich volgens hem het noodzakelijke Lebensraum door oorlog verschaffen. Dat sloot weer aan bij het volgende motief: oorlog was voor Hitler een doel op zich en uitdrukking van de eeuwige strijd tussen de rassen, waarin de Germaanse übermensch zich superieur mocht noemen als hij zich eenmaal had losgemaakt van het zieke joods-christelijke ideaal van de naastenliefde. Als goede oefening in de gewenste hardheid werd het officiële oorlogsdoel de totale uitroeiing van het "joodse ras", de communisten en de volledige stedelijke bevolking (dit laatste door uithongering). Zo kon een ideale samenleving worden geschapen waarin een elite van Germaanse kolonisatoren heerste over een onderlaag van ongeletterde Slavische Untermenschen. Een samenleving die minder verweekt en verburgerlijkt zou zijn - en vooral blijven - dan het Duitse moederland

Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog 
Het Duitse plan voor Operatie Barbarossa 
Het Duitse plan voor Operatie Barbarossa 
Datum 22 juni 1941-5 december 1941 
Locatie Sovjet-Unie 
Resultaat Tactische overwinning voor de asmogendheden, strategische overwinning voor de Sovjet-Unie

Op de dag van de aanval, 22 juni 1941, rechtvaardigde Hitler deze tegenover zijn Italiaanse bondgenoot Mussolini als volgt: "Indien de omstandigheden mij zouden dwingen de Duitse luchtmacht tegen Engeland in te zetten, bestaat het gevaar dat Rusland zijn afpersingsstrategie weer zal toepassen en dat ik zwijgend zou moeten toegeven, eenvoudig, omdat ik me in de lucht niet sterk genoeg voel. Engeland zal dan nog minder bereid zijn om vrede te sluiten, aangezien het dan zijn hoop op de Russische partner kan richten. Sterker nog, deze hoop zal groeien naarmate de paraatheid van de Russische strijdkrachten toeneemt. En daarachter dreigen dan nog de massale wapenleveranties uit Amerika die zij in 1942 hopen te krijgen.Ik ben daarom, na mij lange tijd het hoofd te hebben gebroken, eindelijk tot het besluit gekomen dat ik de strop moet doorsnijden voor die kan worden aangetrokken.
De Duitse strategie
De Duitse strategie was de eenvoud zelve. In een toepassing van de in mei 1940 min of meer bij toeval ontdekte tactiek van de Blitzkrieg zouden vier pantserlegers de Sovjettroepen omsingelen. Dit moest ten westen van de rivieren de Dvina en de Dnjepr gebeuren. Na de vernietiging van de ingesloten troepen in de eerste weken, was het verder een kwestie van snel oprukken om het overigens weerloze land te bezetten. Hitler zelf gaf na de uitschakeling van het Rode Leger de prioriteit aan een opmars op de flanken, waar de inneming van de wapenproductiecentra van Leningrad en Charkov het Rode Leger zou beroven van iedere mogelijkheid de oorlog voort te zetten. De generale staf gaf de voorkeur aan Moskou als hoofddoel: door het land zijn zenuwcentrum en centrale spoorwegknooppunt te ontnemen zouden de commandostructuur en bevoorrading worden lamgelegd. Maar men was in ieder geval toch van plan die zomer een lijn te bereiken die zou lopen van Archangelsk via Gorki tot Stalingrad. Voor die opmars had men een kleine vier maanden de tijd, want midden oktober zouden de dalende temperaturen het onverharde wegennet in onbegaanbare modderbanen veranderen; het water van de herfstregens zou niet meer verdampen.

Soldaten trekt een staf auto door de zware modder van de Russische wegen , november 1941

Een hopeloze taak

Het bezetten van zo veel land was bijna onmogelijk, ook als er geen enkele tegenstand zou zijn geweest. In werkelijkheid zouden de Duitsers het grootste en zwaarst bewapende leger ter wereld op hun pad vinden. Van de precieze sterkte en bewapening van dat leger wist Hitler heel weinig, en wat hij wist verkoos hij te negeren. Dat gold overigens voor de meeste Duitse generaals. Het Duitse bevel had als zwakte dat het geen goede spionagedienst bezat en dus ook geen complete informatie bezat over vijandelijke troepensterktes. Normaliter had men in die dagen voor een geslaagde aanval een numeriek overwicht over de gehele frontbreedte nodig van minimaal drie op één. Maar in dit geval was het de verdediger die een overwicht bezat: tweemaal zoveel manschappen, zesmaal zoveel tanks en artillerie. Daarbij begunstigde de geografie het defensief enorm: grote rivieren liepen dwars op de opmarsrichting, de wegen doorsneden enorme moerasbossen en waren dus eenvoudig af te grendelen. De sovjets hadden dus een voor de hand liggende strategie tot hun beschikking die een volkomen succes garandeerde: de tactiek toepassen van het vertragend gevecht in de diepte. De Duitsers zouden na twee maanden een eindeloze reeks grendelstellingen te hebben doorbroken, totaal door hun manschappen en munitie heen zijn. Halverwege Moskou had men ze dan kunnen opvegen.

Toch heerste bij Hitler en de Duitse generaals optimisme. In 1918 had het Duitse leger in Rusland immers ook een kolossale overwinning behaald. De ondermaatse prestaties van het Rode Leger in de Winteroorlog droegen hier nog verder aan bij. Bovendien geloofden de nazi's dat de Slavische volkeren waaronder de Russen inferieur aan de Duitsers waren. Men dacht dat na een snelle overwinning op het Rode Leger de Sovjetmaatschappij zou ineenstorten of in ieder geval niet meer in staat zou zijn tot serieuze tegenstand. Hitler beweerde: 'Trap de deur in en het hele verrotte bouwwerk stort in!


Sovjet-kinderen tijdens een luchtaanval in de eerste oorlogsdagen (24 juni 1941) nabij Minsk

 

Toch heerste bij Hitler en de Duitse generaals optimisme. In 1918 had het Duitse leger in Rusland immers ook een kolossale overwinning behaald. De ondermaatse prestaties van het Rode Leger in de Winteroorlog droegen hier nog verder aan bij. Bovendien geloofden de nazi's dat de Slavische volkeren waaronder de Russen inferieur aan de Duitsers waren. Men dacht dat na een snelle overwinning op het Rode Leger de Sovjetmaatschappij zou ineenstorten of in ieder geval niet meer in staat zou zijn tot serieuze tegenstand. Hitler beweerde: 'Trap de deur in en het hele verrotte bouwwerk stort in!'
Bondgenoten
Een aantal bondgenoten van Duitsland steunde de veldtocht tegen de Sovjet-Unie, en droeg bij met militaire hulp. Deze legers waren echter qua uitrusting inferieur aan de Duitse legers.
Roemenië was in het oostelijk strijdtoneel Duitslands voornaamste bondgenoot, en droeg 18 divisies bij aan de campagne van Legergroep Zuid. Het land was compensatie beloofd voor de gebiedsafstanden aan Hongarije, Bulgarije en de Sovjet-Unie die het in 1940 had moeten accepteren. Zowel het in 1940 door de Sovjet-Unie geannexeerde gebied als een aangrenzend gebied oostelijk van de Dnjestr (Transnistrië) zou het land mogen annexeren.
Finland had een bondgenootschap gesloten met Duitsland uit onvrede over de gebiedsafstand aan de Sovjet-Unie na de Winteroorlog, en viel synchroon met Legergroep Noord de Sovjet-Unie binnen. De Finnen sloten de belegeringsring om Leningrad aan de oostzijde, maar deden niet mee aan aanvallen op de stad zelf. Verder hielden ze een deel van Karelië bezet.
Hongarije had geen specifieke grief tegen de Sovjet-Unie, maar steunde de veldtocht toch met een meer symbolische bijdrage van een enkele divisie. Reden hiervoor was dat Miklós Horthy bang was dat Duitsland de voordelige gebiedstoewijzigingen uit 1939 en 1940 (deels) zou terugdraaien op verzoek van Slowakije en Roemenië. Hoewel Hongaarse soldaten deelnamen aan de campagne van Legergroep Zuid met de Roemenen moesten Hongaarse en Roemeense eenheden uit elkaar worden gehouden wegens de slechte relatie tussen beide landen.
Slowakije droeg met twee divisies bij aan Operatie Barbarossa in de hoop dat het bij de definitieve vredesregeling wellicht een deel van het aan Hongarije afgestane gebied zou terugkrijgen. De divisies hielden zich vooral bezig met ordehandhaving achter de frontlijnen.
Italië stuurde 60.000 manschappen naar het oostfront in de hoop dat Duitsland de Italiaanse aanspraken gunstig zou beoordelen.
Spanje stuurde de Blauwe Divisie naar het oostfront. Dit waren Spaanse nationalistische vrijwilligers die vochten onder Duits commando. Deze bijdrage was grotendeels bedoeld als dank voor de Duitse hulp aan de nationalisten in de Spaanse Burgeroorlog, en als 'goedmakertje' na de Spaanse weigering formeel tot de As toe te treden. De Blauwe Divisie telde op zijn hoogtepunt 18.104 manschappen.
Oorzaken van het aanvankelijke Duitse succes



Duitse soldaten tijdens een aanval op een Russisch dorp, juni 1941.
 

De Sovjet-Unie lijkt de dans te ontspringen
Het grote wonder van 1941 is dan ook niet dat de Sovjet-Unie standhield, maar dat de Duitsers nog zo ver kwamen. Al tijdens de oorlog kwam de Sovjetpropaganda met een verklaring hiervoor. Omdat het land zo bijzonder vredelievend was, had men de bewapening zeer laten verouderen en was men ook helemaal niet bedacht geweest op een oorlog. Hoewel deze voorstelling van zaken met alle bekende feiten in strijd is
kan men haar in veel huidige populaire verslagen van de oorlog nog regelmatig terugvinden (hoewel soms het woord "vredelievend" door "dwaas" wordt vervangen). De werkelijke verklaring is precies omgekeerd. Tot 1938 was het Rode Leger volledig gericht geweest op het voeren van een aanvalsoorlog door gemechaniseerde troepen. Toen kwam één van 's lands beste tactici, generaal Pavlov, terug uit de Spaanse Burgeroorlog met een verontrustende analyse. Tanks waren heel kwetsbaar gebleken voor antitankwapens. Ze moesten nauwer samenwerken met de infanterie. Tankeenheden moesten veel kleiner worden om ze hanteerbaar te houden. Er moest een nieuwe generatie van veel beter gepantserde tanks ontwikkeld worden. En zo geschiedde.
De omslag in de Sovjettactiek
En toen kwam mei 1940 en dat zette alles op z'n kop. Eensklaps werd duidelijk dat de oude lijn de juiste was geweest en Pavlov een reactionair. De Duitsers bewezen dat de Blitzkriegtactiek superieur was. De Fransen hadden verloren door te vertrouwen op een lineaire verdediging in zwaar versterkte opstellingen. Ze hadden hun pantserreserves veel te snel ingezet. De Stavka (de Sovjet generale staf) zou er voor waken die fouten te herhalen. De Sovjettroepen werden opgesteld in mobiele onversterkte concentraties. Die hadden echter niet als opdracht de Duitse pantsereenheden tegen te houden Integendeel, die zou men zo ver mogelijk laten oprukken, zodat ze zo kwetsbaar mogelijk zouden raken. De taak om ze dan door massale omsingelingsaanvallen te vernietigen, was toebedacht aan maar liefst 31 nieuw op te richten gemechaniseerde korpsen, ieder korps nog groter dan een heel Duits pantserleger. Omdat er nog lang niet genoeg nieuwe tanks waren geproduceerd, werden alle tanks weer bij de infanteriedivisies weggehaald. Deze pantserreserves werden diep in het territoir achter de hand gehouden, om pas ingezet te worden als de Duitse aanvalsdoelen duidelijk werden.
De Sovjetstrategie
Na de vernietiging van de Duitse pantserlegers zouden de mobiele Russische infanterielegers met ondersteuning van de gemechaniseerde korpsen de Duitse infanterielegers, kwetsbaar in hun opmars, terugwerpen. De linkerflank van het Rode Leger werd enorm versterkt om het zwaartepunt in de aanval te kunnen vormen. Na de vernietiging van de Duitse Legergroep Zuid, moest die linkerflank vanuit de Oekraïne een enorme omtrekkende beweging maken door Polen naar de Oostzee. Dit zou de opmaak zijn voor de vernietiging van de dan omsingelde Legergroepen Midden en Noord. Was zo de gehele Wehrmacht eenmaal verpletterd, kon de triomfantelijke bevrijding van de rest van Europa niet uitblijven.
Een preventieve aanval?
Eén van de grootste twistpunten op dit moment is de vraag of Stalin nu wel of niet een preventieve aanval had gepland - waarbij de Duitsers dan toevallig eerder toesloegen. Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn geworden dat Stalin in ieder geval niet had gekozen voor een bescheiden en timide opstelling. Voor het bestaan van een concreet plan om de eerste klap te verkopen, zijn echter geen duidelijke bewijzen gevonden. Het lijkt erop dat de historici zich hebben laten misleiden door de keuze voor een actieve verdediging. Wel zeker is dat Stalin hoopte dat de oorlog zou uitblijven - in ieder geval tot 1942 - en dat hij er alles aan gedaan had om een escalatie van een toevallig grensgevecht te voorkomen: het was de grenstroepen zelfs verboden om Duits vuur zonder uitdrukkelijk bevel daartoe te beantwoorden! Een preventieve aanval had bepaalde voordelen gehad: een schokeffect; verstoring en vertraging van de Duitse plannen; enorm munitieverbruik. Maar er zouden ook zeer grote nadelen geweest zijn: grote verliezen als men de Duitsers in versterkte stellingen aanviel; grote kwetsbaarheid voor een tegenaanval van hun pantsereenheden. Achteraf bezien zou natuurlijk bijna alles beter zijn geweest, dan wat er werkelijk te gebeuren stond.
De catastrofe
Al op 22 juni werd het duidelijk dat er voor het Rode Leger iets helemaal mis aan het gaan was. Inderdaad, de Duitse pantserdivisies rukten met verbluffende snelheid op. Zo snel zelfs dat de gemechaniseerde korpsen meestal achter de feiten, en de Duitse tanks, aanholden. In hun geforceerde opmars vielen de meeste eigen tanks óf door pech uit óf liepen zelf in een Duitse hinderlaag, in plaats van omgekeerd. Het voeren van een bewegingsoorlog tegen het best georganiseerde leger van de wereld bleek véél en véél te hoog gegrepen. Het Russische officierenkorps, vier jaar eerder al voor een groot deel uitgemoord tijdens de Zuiveringen, was het ontwend om zelf het initiatief te nemen. Kleine afwijkingen van standaardsituaties leidden tot een enorme verwarring en een snelle ineenstorting van de verdediging. Daarbij kwam nog dat de bevelstructuur zeer bureaucratisch was en initiatieven door bevelhebbers in het veld altijd moesten worden overlegd over veel bevellagen naar de Stavka.
De door de Duitse pantserspitsen afgesneden infanterielegers konden zonder tanks niet effectief aanvallen en zich zonder veldversterkingen niet verdedigen. Ze bleven passief op de Duitse initiatieven reageren totdat ze op den duur veranderd waren in een angstige horde vluchtelingen, waarvan sommigen zich snel overgaven, anderen in de oerbossen verdwenen, en velen dwars door de kleinere Duitse eenheden heen naar het oosten ontsnapten.
Alleen Legergroep Zuid had moeite de weerstand van de enorme numerieke overmacht aan Sovjettroepen en hun nieuwste tanks te overwinnen; Legergroep Noord stond na één maand 100 kilometer voor Leningrad; Legergroep Midden had toen Smolensk bereikt, en dus twee derde van de afstand naar Moskou al afgelegd.



Duitse troepen marcheren door Litouwen, juni 1941.

 

Eerst ging alles goed. Duitse tanks denderden over de Russische steppen en bliezen alle tegenstand

De achilleshiel
De Duitse chef generale staf, generaal Franz Halder, schreef in zijn oorlogsdagboek: "Na twee weken al is de oorlog gewonnen". Twee weken later voegde hij er wrang aan toe: "Maar de vijand schijnt niet te weten dat hij verloren heeft...". Voor het slagen van de Duitse strategie was het essentieel dat na vijf weken iedere weerstand van betekenis was verdwenen. Na die tijd waren de troepen simpelweg door hun munitie en brandstof heen. Door een afwijkende spoorwijdte was het Russische spoorwegnet maar beperkt inzetbaar. Het zou vele maanden duren voordat de spoorbreedte aangepast was. Het Duitse vrachtwagenpark was ontoereikend en door het zware gebruik sleten de vrachtwagens even snel weg als ze geproduceerd konden worden. Men wist dit terdege, maar had welbewust het risico van een logistiek falen op de koop toe genomen. Men had zijn ogen helemaal gesloten voor het simpele feit dat men zonder brandstof hoe dan ook nooit de Wolga had kunnen bereiken, zelfs als er geen enkele Russische soldaat meer was komen opdagen.
De fenik 
Stalin leek inderdaad maar niet te begrijpen dat hij al verslagen was. Nu wreekte zich de gebrekkige informatie die de Duitse inlichtingendiensten hadden verschaft. Wat men nu gedood of gevangen had, vormde maar een vijfde van de primaire mobilisatie van het Rode Leger: zes miljoen man. Daarnaast had men een getrainde reserve van 14 miljoen. Tussen 22 juni en 1 september werden daaruit 2,5 miljoen man opgeroepen. Voor de 44 maanden die de oorlog daarna nog zou duren, werd daar iedere maand gemiddeld bijna een half miljoen man aan toegevoegd. Voor hun verbaasde ogen zagen de Duitse generaals hun stafkaarten rood opbloeien. Het Russische spoorwegnet stiet in een razend tempo complete legers uit. Eind juli lag bij Smolensk en Kiev het hele front weer vol met verse divisies. Legergroep Zuid meldde niet meer op eigen kracht te kunnen oprukken. Legergroep Noord had hetzelfde verhaal: bij de moerassen van de Loega leek de weg naar Leningrad finaal geblokkeerd.
De keuze
Smolensk, op de weg naar Moskou, viel op 5 augustus. Staraja Roessa, iets ten zuiden van het Ilmenmeer, werd op 6 augustus veroverd. Oeman, halverwege Odessa en Kiev (beide nog in Russische handen), gaf zich op 8 augustus over.
De Wehrmacht had nu de rest van de maand augustus nodig om de geslonken voorraden weer enigszins te kunnen aanvullen. Het Duitse opperbevel ruziede in die rustperiode over de verdere strategie. De oorspronkelijke streefdoelen waren nu natuurlijk onhaalbaar. Stalin deed een vredesaanbod, waarbij de Duitsers de veroverde gebieden mochten behouden. Voor Hitler was dat onacceptabel. Dit moest een strijd worden op leven en dood.
In dat geval prefereerden de meeste Duitse generaals nog steeds een directe aanval op het hart van de vijand, Moskou. Hitler begreep echter dat dan de Russische wapenindustrie intact zou blijven. Het centrum moest de 3e pantsergroep (Hermann Hoth) afstaan om de aanval op Leningrad te ondersteunen. De 2e pantsergroep (Heinz Guderian) kreeg, tegen zijn zin, opdracht naar het zuiden op te rukken om de Sovjetlegers rond Kiev te vernietigen. In september lukte hun dat ook.
Hoewel het Rode Leger niet meer probeerde de Duitsers met hun eigen spel te verslaan, verdedigde het zich nog steeds niet in de diepte. Het was overgegaan op een traditionele lineaire verdediging. Dat leidde weliswaar tot grotere Duitse verliezen, maar ook tot een snelle ineenstorting als de Panzerdivisionen eenmaal waren doorgebroken. Toch bracht de uitschakeling van Leningrad en Charkov niet de verwachte analoge ineenstorting van de Sovjetwapenproductie. Er was alleen een dipje. Een groot deel van de machines was op tijd gedemonteerd en vervolgens overgebracht naar nieuwe centra in de Oeral, zoals Jekaterinenburg, Nizjni Tagil en Tsjeljabinsk, die weldra iedere drie weken evenveel zouden produceren als Duitsland in heel 1940. Dit was maar een onderdeeltje van een systematische verwoesting van alle gebieden die werden opgegeve
Te laat
Begin oktober verzamelden zich de meeste Duitse pantserdivisies voor Operatie Typhoon, de aanval op Moskou. Opnieuw werden de Sovjetlegers omsingeld en vernietigd. De weg naar Moskou leek open. Dat was slechts een illusie: daar waren zich de volgende Sovjetlegers al weer aan het formeren. Maar nog voor het tot een werkelijke strijd om de hoofdstad kon komen, viel de Duitse opmars stil. De vier maanden waren voorbij. De temperatuur daalde, de wegen veranderden in modderbanen. De aanvoer van munitie en andere noodzakelijke goederen viel stil.
De tweede catastrofe
Toen in november de eerste vorst de wegen weer begaanbaar maakte, drongen de generaals er bij Hitler op aan het leger te laten terugvallen in veilige winterposities. Want terwijl de Russen zich via hun spoorwegnet op hun gemak hadden kunnen versterken, waren de Duitse troepen volledig uitgeput en vaak zonder brandstof, munitie of zelfs maar voedsel. Hitler echter riep op tot een "allerlaatste krachtsinspanning". Het is niet duidelijk wat die had moeten bereiken; men had Moskou misschien nét kunnen innemen, maar nooit kunnen behouden: dezelfde situatie waarin Napoleon verkeerde in 1812, en waarin de Duitsers zouden hebben verkeerd, indien zij een maand eerder aan hun opmars waren begonnen. (Zie:Veldtocht van Napoleon naar Rusland). Het oorspronkelijke strategische doel om het grootste verkeerskruispunt van Rusland in handen te krijgen schrompelde daarmee ineen tot een poging om zowel het Duitse moreel op te vijzelen als het moreel van het Rode Leger te ondermijnen. Dit laatste zou waarschijnlijk moeilijk te realiseren zijn geweest: Stalin zorgde er wel voor, dat zo weinig mogelijk mensen wisten van de vooruitgang die het Duitse leger boekte. Hoe het ook zij, de Duitse aanval liep rampzalig af. De Russen keken het nog drie weken aan terwijl de Duitsers naderbij kropen. Toen die binnen het bereik van hun nieuw opgerichte legers waren gekomen, viel de winter pas écht in. Bij temperaturen van ver onder nul vielen bijna alle Duitse artilleriestukken en tanks uit; hun troepen, niet voorzien van speciale winteruitrusting, begonnen op grote schaal aan bevriezingsverschijnselen te lijden en ook het dodental liep op. Op dat moment sloeg het Rode Leger toe. Legergroep Midden werd teruggedreven, bijna omsingeld en kon ternauwernood de totale ondergang afwenden. Het verlies aan mankracht was zo groot dat de Wehrmacht zich daar nooit meer van zou herstellen. In totaal vielen in de gehele operatie Barbarossa tot en met operatie Tyfoon meer dan 830.000 Duitse doden en gewonden.

Kaart van de Duitse aanval op de Oekraïne.

 



Russische tankstrijdkrachten in de tegenaanval.

Had Barbarossa anders kunnen verlopen?
Hoewel het Stavka strategische en tactische fouten maakte die de Duitse aanval de beste kans gaven op succes, was de mislukking van Operatie Barbarossa toch vrijwel onvermijdelijk geweest. Het hele, slecht doordachte, avontuur was bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Hoewel het moderne Duitse leger aanvankelijk grote successen boekte tegen het Sovjetleger, bleek dit ook het beslissende keerpunt in de oorlog, al zou die nog vier jaar duren.
Het gebeuren heeft vaak de vraag opgeroepen of een andere opzet van de operatie, in (geo)strategisch opzicht, toch niet tot een voor Duitsland meer bevredigende uitkomst had kunnen leiden.
Betreffende het geostrategische doel wordt vaak gesteld dat als de inval het karakter had gehad van een bevrijdingsoorlog in plaats van een onderwerpingsoorlog, de Sovjetbevolking na de eerste grote Duitse successen haar steun aan Stalins regime had onthouden, met een ineenstorting van de Sovjet-Unie als gevolg. Er bestaat echter geen overeenstemming over twee beslissende factoren: de kracht van Stalins controle over de Sovjetmaatschappij en de sterkte van de afkeer van de bevolking tegen Stalins bewind. In ieder geval was een rechtvaardige behandeling van de Sovjetvolkeren moeilijk verenigbaar met de nazi-ideologie: de hele oorlog veronderstelde al een politiek van onrechtvaardigheid.
Op het punt van de strategie wordt vaak beweerd dat Hitlers grote fout bestond in het geven van de prioriteit aan de economische doelen in de Oekraïne. Dat bracht hem, niet beseffend dat de industrieën naar de Oeral geëvacueerd zouden worden, tot het bevel in september eerst de saillant van Kiev af te snijden, terwijl een onmiddellijke opmars naar het oosten Moskou nog voor de herfstregens zou hebben doen laten vallen. Men had hierop die stad tijdens de moddertijd kunnen versterken en in de winter behouden. Het bezit van het centrale spoorwegknooppunt in Ruslands hartland zou Duitsland dan in 1942 wellicht de eindoverwinning bezorgd hebben — en had hoe dan ook de Duitse strategische situatie aanzienlijk verbeterd. 
Deze gangbare interpretatie wordt echter ook betwist. Om te beginnen zou een eerdere opmars naar Moskou een enorme open flank geschapen hebben voor Legergroep Midden, die zeer kwetsbaar was voor een aanval door de Sovjetlegergroepen rond Kiev. Op de tweede plaats waren de grote successen in het begin van Operatie Tyfoon voor een belangrijk deel te danken aan de aanzienlijke verzwakking van de Sovjetlegers in de centrale sector die eind augustus en begin september onophoudelijk aanvallen uitgevoerd hadden op de Duitse flank van de opmars naar Kiev. Een derde punt is dat de verovering van Kiev een bredere uitgangsbasis opleverde voor de aanval op Moskou, die oorspronkelijk geografisch veel beperkter van opzet was geweest. Een laatste factor is dat de voor het Rode Leger kritische situatie waarin alleen de herfstregens midden oktober Moskou nog konden redden, alleen ontstaan was doordat er op dat moment alle strategische Sovjetreserves gebruikt waren om de fronten in het zuiden weer op te bouwen — die reserves zouden zonder een Duitse aanval op Kiev dus in september ter beschikking hebben gestaan om de hoofdstad te verdedigen.
Nasleep
Na het mislukken van Operatie Typhoon gaf Stalin bevel om de Duitsers Rusland uit te drijven. Daar was het Rode Leger niet toe in staat. Een geconcentreerd offensief tegen Legergroep Midden had wellicht diens volledige instorting kunnen veroorzaken. Nu kon de Wehrmacht zich consolideren in de eerste maanden van 1942.
Inmiddels had Hitler de operationele bevelvoering aan het oostfront op zich genomen. Zijn eerste bevel was het roemruchte "waar de Duitse soldaat staat, daar blijft hij staan." De succesvolle verdediging schreef hij weer volledig toe aan zijn eigen veldheersgenie. Dit zou het vervolg van de Duitse oorlogvoering volledig bepalen. In zijn functie van Oberbefehlshaber Ost maakte Hitler grote strategische fouten die leidden tot de nederlagen bij Stalingrad en Koersk.
Eén van de belangrijkste gevechten van 1942 vond plaats om de stad Stalingrad waar de sovjets in straatgevechten standhielden tegen de Duitse tanks. Het Duitse Zesde Leger onder bevel van generaal Friedrich Paulus werd omsingeld en Hitler verbood een uitbraak en gaf de Luftwaffe de opdracht hen vanuit de lucht te bevoorraden. Uiteindelijk resulteerde dit op 2 februari 1943 in de overgave van de Duitse troepen.
Een volgend keerpunt was de Slag om Koersk in juli 1943, waar de Duitsers voorgoed het strategisch initiatief verloren.

 

De opmarsfases van het Duitse leger: duidelijk is te zien hoe de opmars vertraagt: het oranje gedeelte werd veroverd in de eerste twee weken; het groene in de laatste drie maanden.

Operation Cycle 10-13 juni 1940

Operation Cycle was de codenaam voor de evacuatie van Britse en geallieerde troepen uit Le Havre op 10-13 juni 1940. Ondanks dat veel Britse troepen ontsnapt waren uit Duinkerke, werden de 1e Gepantserde en 51e Highland Division ten zuiden van de Somme ingesloten toen de Duitsers Abbeville bereikten. Daarna vonden vanaf 5 juni gevechten plaats in de Battle of France, de tweede fase van de Duitse veldtocht in het westen. De Duitsers braken na forse strijd door de Franse linies. De Highland Division, samen met een deel van het Franse leger, begon aan de verdediging en beveiliging van de haven van Le Havre, door het zenden van een voorhoede. De uiteindelijke evacuatie werd toegestaan op 9 juni. Admiraal Sir William James, de commander-in-chief van Portsmouth, stuurde de destroyer HMS Codrington als leidschip, zes Britse en twee Canadese torpedojagers, een aantal kleinere oorlogsschepen en een vloot van transportschepen naar Le Havre, waar zij een rendez-vous in het begin van de ochtend van 10 juni maakten. Ook enige Nederlandse kustvaartuigen met een Engelse bemanning namen aan de evacuatie deel.

Na een vierentwintig uur durende vertraging kwam de evacuatie op gang op 11 juni. Op die dag werd het personeelsschip Bruges verwoest door Duitse bombardementen. De volgende dagen begonnen Britse gevechtsvliegtuigen op verzoek van Admiraal James boven de haven te patrouilleren. De meeste mensen werden die nacht geëvacueerd, en dat werd voltooid in de ochtend van 13 juni. Totaal 11.059 mensen werden geëvacueerd uit Le Havre, 9000 van hen werden direct naar Cherbourg gebracht.

Nadat de Duitse troepen de kust bereikten dichtbij St Valery-en-Caux, was het restant van de Highland Division niet meer in staat om naar Le Havre uit te wijken. De terugtrekkende geallieerde troepen moesten toen een positie innemen ten oosten van St Valery-en-Caux. Admiraal James was in staat om nog een evacuatievloot te organiseren, maar door een dichte mist konden de meeste schepen de juiste stranden niet bereiken. In de nacht 10-11 juni was het mogelijk om 2137 Britse en 1.184 Franse troepen te redden uit het gebied bij Veules, maar later op 11 juni werden de resterende troepen gedwongen zich over te geven. Onder hen waren 6000 mannen uit de Highland Division, dat was de enige grote Britse formatie die de kust wist te bereiken, maar niet kon worden geëvacueerd.

Bij de Operatie Cycle, en Operatie Ariel (de terugtrekking in het noordwesten van Frankrijk) werden in totaal 191.870 mensen gered, waaronder 18.246 Fransen, 24.352 Polen en 4938 Tsjechen. Gecombineerd met Operatie Dynamo, de evacuatie van Duinkerke, werden tussen eind mei en juni 1940 iets meer dan een half miljoen geallieerde soldaten gered uit Frankrijk.

Het evacuatiegebied bij Le Havre

Operatie Greif onder SS-Leider Otto Skorzeny

Ardennenoffensief in december 1944 achter de Amerikaanse linies worden ingezet. Het doel was om verwarring te stichten in het Amerikaanse kamp. Dit zou onder andere worden gedaan door middel van het geven van verkeerde bevelen en het niet doorgeven van belangrijke informatie. Via deze weg wilden de Duitsers het succes van de Slag om de Ardennen zekerstellen.
Achtergrond en voorbereiding
  was een plan van Hitler om de meest noordelijke troepen van de geallieerden te vernietigen. De Duitsers moesten volgens Hitler nog één keer overgaan tot een groot, succesvol offensief. Een militaire overwinning was namelijk noodzakelijk om mogelijke onderhandelingen over het beëindigen van het conflict tot een goed einde te brengen.
Op 16 december 1944 openden de Duitsers dan ook het Ardennenoffensief dat uiteindelijk zou duren tot 25 januari 1945. Tijdens het Ardennenoffensief werden er door de Duitsers drie legers ingezet. Namelijk het 6e SS-pantserleger, het 5e pantserleger en het 7e leger. Deze troepen zouden alle geallieerde troepen boven Antwerpen moeten vernietigen.
Naast deze legers, gooiden de Duitsers een nieuw 'wapen' in de strijd, namelijk Pantserbrigade 150. De 'PantserbrigHet Ardennenoffensief ade 150' zocht zich in Amerikaanse uniformen, met Amerikaanse voertuigen een weg achter de vijandelijke linies. Ze moesten achter de vijandelijke linies verwarring stichten en zou op deze manier de opmars van de Duitse legers moeten bevorderen. 
Voorbereiding
Er zouden ongeveer 3000 Duitse soldaten onder het commando van Otto Skorzeny worden gesteld. In november 1944 hadden zich slechts 2200 soldaten gemeld om deel te nemen aan de operatie. Dit kwam waarschijnlijk omdat, als men in een vijandelijk uniform rondliep en gevangen werd genomen door de Duitsers, ze door eigen troepen zouden worden gedood als ze voor een spion werden aangezien. Daarom werden er alleen vrijwilligers gevraagd, aangezien velen het mentaal niet zouden aankunnen. Van de 2200 vrijwilligers konden er slechts 790 vloeiend Engels praten. Mochten ze plotseling met Amerikanen of Britten in aanraking komen, dan zouden zij het woord moeten voeren.
De soldaten werden uitgerust met Amerikaanse uniformen, uitrustingen en wapens. Daar hoorde ook de 'dog tags' bij die waren afgepakt van de gevangengenomen Amerikaanse soldaten.
Naast de uitrusting, die hetzelfde was als die van Amerikaanse soldaten, werden er documenten gedrukt die identiek waren aan de Amerikaanse. Parachutisten hadden tijdens een tegenaanval in Nederland enkele documenten buitgemaakt. Deze documenten werden tot in de kleinste details bekeken, waardoor de Duitsers gelijkende documenten konden produceren voor de eenheid onder leiding van Skorzeny.
De eenheid bestond uit vier infanterie-, vier tankjager- en drie pantsercompagnieën. Daarnaast was er ook nog een compagnie die kleding, munitie en andere materialen zorgde. Ook waren zij verantwoordelijk voor het transport van deze goederen. Naast deze compagnieën werd er ook een artillerieafdeling opgericht en een bataljon met hospikken.
Panzerkampfwagen V Panther Ausf. G
Omdat er te weinig vrijwilligers waren konden de compagnieën niet op de gewenste sterkte worden gebracht. Naast personele problemen kenden de Duitsers ook materiële problemen. Hoofdprobleem was het gebrek aan gevechtstanks. Zonder deze tanks zou de operatie niet mogelijk zijn. Daarbij kwam dat de vijand over een flink aantal pantservoertuigen beschikte. Zonder tanks of antitankwapens zouden ze weinig kunnen uitvoeren.
Van de 25 beloofde Shermantanks werden er uiteindelijk slechts twee geleverd. Daarnaast was Skorzeny beloofd dat hij acht tanks van het soort M10 Wolverine tot zijn beschikking zou krijgen. Dit werd er uiteindelijk slechts één. Slechts 20 van de toegezegde 45 vrachtwagens werden geleverd, en 27 van de 40 toegezegde lichtgepantserde infanterievoertuigen van het type M3. Alleen de M8 Greyhound werd in de beloofde hoeveelheid geleverd. Dit verkenningsvoertuig miste echter een effectieve vuurkracht. Het beschikte slechts over een 0.50 cal. machinegeweer en een licht 3,7 cm kanon.
Ook aan munitie en infanteriewapens was er een ernstig gebrek. Dit kon uiteindelijk nog redelijk worden hersteld door het buitmaken van Amerikaanse wapens op gevangenen of het stelen van wapens achter de frontlinie.
Om de soldaten ongehinderd controlepunten te laten passeren, kregen de commandotroepen van Skorzeny valse identiteitsbewijzen. Dit gaf hen de mogelijkheid om in alle geallieerde gebouwen te komen en om alle controleposten ongehinderd te passeren. De identiteitsbewijzen waren erg goed vervalst, zodat het slechts een enkele wachter opviel dat het geen echte waren.
Om de tekorten aan pantservoertuigen te compenseren, werden 5 Duitse Panther zo omgebouwd dat ze (vanop afstand) geleken op de Amerikaanse M10 Wolverine. Er werden overal rond de Panthers staalplaten gemonteerd, zodat het silhouet overeenkwam met dat van de M10. Toch werden deze omgebouwde Panthers vaak herkend door Amerikaanse troepen door hun toch enigszins rare uiterlijk dat ze hadden. Doordat de Panthers werden herkend, waren de troepen die met hen meereisden ook de klos. Meestal werden ze snel ingerekend of gedood door de Amerikaanse troepen. 
Weersomstandigheden in december 1944
De tankjager "M10 Wolverine", die de Duitsers met de Panzerkampfwagen V Panther der Ausführung G wilde imiteren.
Slecht weer was een voorwaarde voor het slagen van de operatie. In december 1944 hing er boven de Ardennen een lagedrukgebied. De gevolgen hiervan waren hevige sneeuwval en mist. De mist en de zware bewolking zorgden ervoor dat de geallieerden hun luchtmacht niet konden inschakelen. Tegelijkertijd konden de klimaatbestendigere Duitse vliegtuigen wel ondersteuning bieden aan hun grondtroepen. Tijdens een directe confrontatie in de lucht moesten de Duitsers meestal het onderspit delven, maar tijdens deze operatie waren het de Duitsers die het luchtruim beheersten. Dit was tevens voor het laatst in de oorlog.

Het gevaar voor luchtafweergeschut was erg gering. Maar het slechte weer had ook gevolgen voor Duitse troepen. Het vervoer van troepen en materieel ging niet zo snel als verwacht aangezien de wegen waren ondergesneeuwd. Dit leidde uiteindelijk tot een grootschalige vertraging voor de Duitsers. Naarmate de tijd verstreek werd het vervoer steeds moeilijker en door vorst bleven voertuigen vastgevroren aan de grond steken.
Aan beide kanten leden ook de infanterietroepen ernstig onder de barre weersomstandigheden. Door de regen en sneeuw werd de kleding door en door nat en raakten vele soldaten onderkoeld. Tevens zorgde de natte kleding ervoor dat men langzamer kon bewegen, aangezien het aanzienlijk zwaarder is dan wanneer men droge kleding draagt. Metalen delen van de wapens vroren aan materiaal vast. De kou zorgde voor een hoge vermoeidheid onder de troepen. Veel manschappen werden ziek of konden niet meer lopen door onderkoelde voeten. 
De inzet achter het vijandelijke front
Een van de doelstellingen, de verovering van de bruggen in de Ardennen, was al snel voltooid. Maar bij het dorp Sankt-Vith kregen de Duitsers te maken met hevige weerstand. In Sankt-Vith hadden de Amerikanen zich teruggetrokken en ze hadden er een vesting van gemaakt. De brug werd zwaar beveiligd door tanks en zware artillerie. De inname van de brug en het dorp zou de Duitsers waarschijnlijk zware verliezen kosten. Daarom werd besloten om met een omtrekkende beweging om het dorp en de brug heen te trekken en ze langzaam uit te putten. Nadat de Duitsers om het dorp waren heengetrokken, moesten ze een Amerikaanse opslagplaats veroveren. Alvorens de Duitsers de opslagplaats bereikten, was deze al door de Amerikanen in brand gestoken. Slechts weinig oorlogsmateriaal was nog bruikbaar. Dit was voor alle pantsertroepen een zware tegenslag, aangezien ze sowieso al krap in de brandstof en munitie zaten. Iedere gevechtseenheid moest de in beslag genomen benzine, indien ze deze niet zelf nodig hadden, afstaan aan de pantsereenheden.
Maar aangezien deze levering van benzine minimaal was en de pantsertroepen zelf ook geen grote voorraad hadden, werden de pantsereenheden geconfronteerd met een groot gevaar. Ze dreigden namelijk stil te komen liggen door gebrek aan brandstof. Om extra brandstof te vergaren werd er zelfs benzine vanuit stilstaande voertuigen langs de weg in de tanks gepompt. Dit was echter lang niet genoeg benzine om alle tanks van voldoende brandstof te kunnen voorzien. Constant moest men tanks achterlaten vanwege het gebrek aan brandstof.
Bij een andere plaats van het offensief werd een tankjagercompagnie slechts 100 meter voor de Emanuel Brug tegengehouden door Amerikaanse troepen. Onder relatief lichte verliezen konden de Duitsers hun eenheid terugtrekken. Aan het begin van de strijd hadden ze slechts drie tanks, vier halfgepantserde voertuigen en 37 infanteristen beschikbaar. De Amerikanen waren opgedoken met vijf Shermantanks, drie M10-Wolverine tankjagers en zestig infanteristen. Zij moesten de brug openhouden voor Amerikaanse troepen die in een noodsituatie verkeerde en via deze weg wilden terugtrekken. Ze mochten in het uiterste noodgeval de brug met dynamiet opblazen, zodat deze niet in de handen van de Duitsers viel
De Duitsers probeerden Dwight D. Eisenhower (foto) tijdens Operatie Greif om het leven te brengen.
Een zeer aanvallend ingestelde Duitse infanteriecompagnie kwam op 21 december enkele kilometers ten zuidwesten van Bastenaken in aanraking met Amerikaanse troepen. De Amerikanen wisten de Duitse aanval vrij eenvoudig te pareren en dreven de Duitse troepen zelfs terug. Doordat er in het omliggende bos geen vluchtroute meer was en de reserves als munitie en voedsel opgebruikt waren, verwisselden de Duitsers snel van uniformen. De Duitse uniformen werden verbrand in het bos, waardoor de Amerikanen niet wisten wie de opdrachtgever van de groep was en daardoor konden ze niet van spionage worden beschuldigd.
Op 23 december waren alle aan de operatie deelnemende eenheden door de Amerikanen ontmaskerd. De ontsnapte troepen vochten verder in Duitse uniformen. In totaal waren er 2200 man toegewezen. Het aantal doden bedraagt 390, terwijl er 540 gewonden vielen te betreuren. De Amerikanen namen 450 Duitsers gevangen. Er zijn ongeveer 1300 man teruggekeerd in de eigen linies. De Duitsers verloren ook veel materieel. Ongeveer 80% van alle voertuigen en zware wapens was verloren gegaan. De teruggekeerde troepen konden de uitgedunde eenheden bij de Westwall versterken.
Maatregelen
Na de eerste successen van de operatie werden toch enkele Duitse soldaten gevangengenomen. Bij het verhoor gaven zij te kennen dat ze de opdracht hadden gekregen om in Parijs de opperbevelhebber van de geallieerde troepen in het westen, Dwight D. Eisenhower, te ontvoeren of te doden.
De geallieerden waren geneigd deze verklaring te geloven, aangezien het Skorzeny ook was gelukt om Mussolini uit de gevangenis te bevrijden. Eisenhower kreeg extra bescherming voor enkele dagen in zijn hoofdkwartier. Duizenden militairen werden ingezet voor het onderzoek naar de Duitse troepen die zich als Amerikaan voordeden. Zo nu en dan werd er zelfs een dubbelganger van Eisenhower gebruikt bij zijn toespraken. De weken erna werd de bescherming bij wegversperringen opnieuw drastisch versterkt. Documenten en identiteitsbewijzen werden als waardeloos beschouwd, aangezien het nu eenvoudig bleek deze te vervalsen.
Om de Duitse soldaten alsnog te pakken, werden er typische vragen over her sociale leven in de Verenigde Staten gesteld. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan: "Welk honkbalteam werd kampioen in 1934?", "Hoe heet de zus van Mickey Mouse?", "Hoeveel presidenten hebben de Verenigde Staten ooit gehad?", etc. Als iemand geen vraag kon beantwoorden, werd hij onder verdenking gesteld, en afgevoerd naar de gevangenis. Daar werd de verdachte dan verder gecontroleerd. Bijna 2500 Amerikanen werden gearresteerd en onterecht aangezien voor Duitsers. Ze werden later alsnog vrijgelaten. Door deze wegblokkades werden 'slechts' dertien Duitse militairen gevangengenomen. Van hen werden later vijf man geëxecuteerd wegens sabotage. Zij hadden twee dagen eerder geprobeerd een brug, die in Amerikaanse handen was, onbruikbaar te maken. De aanslag werd nog net op tijd verijdeld. Acht Duitse militairen stierven bij het gevecht dat volgde. De overige werden afgevoerd naar gevangenenkampen.
Doordat de troepen van Skorzeny op de eerste dag van het Ardennenoffensief geen doorbraak hadden geforceerd, noemde Skorzeny Operatie Greif een mislukking.
Gevolgen voor de Wehrmacht
Zowel het leger en de Luftwaffe leden in het laatste grote Duitse offensief enorme verliezen. Vele doden en gewonden waren er aan Duitse zijde te betreuren, maar ook zeker een boel krijgsgevangenen. Het verloren materieel zorgde ervoor dat de Duitse eenheden niet meer verder konden vechten en de verliezen konden gedurende de verdere oorlog niet meer worden vervangen. Deze verzwakking droeg bij aan aan een snellere val van het Derde Rijk. Dit ook omdat de geallieerden hun verloren materieel en manschappen weer binnen drie weken hadden vervangen.

Otto Skorzeny was de leider van de Duitse troepen die achter de Amerikaanse linies verwarring trachtten te stichten.

 

 

Panzerkampfwagen V Panther Ausf. G

 

 

 

De Duitsers probeerden Dwight D. Eisenhower (foto) tijdens Operatie Greif om het leven te brengen.

 

 

Als Operatie "Greif" gelukt was .

 

 

16 December 1944, Operatie Greif gaat van start (links een buitgemaakte Amerikaanse Half Track)

Operatie Kirkenes-Petsamo 7-10-29 oktober 1944

Operatie Kirkenes-Petsamo (Russisch: Петсамо-Киркенесская операция; Petsamo-Kirkenesskai operatsjia) was een Sovjet-operatie gericht tegen de Duitse troepen van de Wehrmacht in het noorden van Finland en Noorwegen (Arctisch gebied). Het offensief betekende het einde van het verblijf van de Duitse troepen in het Arctisch gebied en drong ze terug tot het zuiden van Noorwegen. Dankzij de operatie kwamen de nikkelmijnen van Petsamo in Finland in Russische handen.


Achtergrond

Sinds het mislukken van de Duitse Operatie Silberfuchs in de zomer van 1941 had de frontlijn in het Arctisch gebied weinig veranderingen doorgemaakt. Vanwege de omstandigheden in het noorden was het lastig om grote operaties te ondernemen (slechte weersomstandigheden en slecht te bevoorraden). Er waren enkele Duitse troepen in het gebied om de nikkelmijnen in Petsamo, Finland, veilig te stellen die via Operatie Renntier in handen waren gekomen en om de Noorse kust te bewaken tegen een mogelijke geallieerde landing.

Nadat Finland en Rusland tot een wapenstilstand waren gekomen op 4 september 1944 ging Finland ermee akkoord om de Duitse troepen voor 15 september uit haar gebieden te voeren. Tijdens Operatie Birke, de Duitse operatie die het terugtrekken van het Duitse 20e Leger inhield, besloot het Oberkommando der Wehrmacht tot het volledig terugtrekken uit Noorwegen en Finland, in Operatie Nordlicht. Tijdens de voorbereidingen van Nordlicht ging het Russische Karelische Front over tot de aanval. 
Voorbereidingen

Tijdens de offensieve Sovjet successen over de gehele frontlinie besloot de Stavka, het Russische opperbevel, om ook het offensief te openen tegen de Duitse troepen in het arctisch gebied. De operatie zou worden uitgevoerd door het Karelische Front op het land, onder commando van Kirill Meretskov en de Noordelijke Vloot, onder bevel van Arseniy Golovko. Het grootste deel van de operatie zou worden uitgevoerd door het 14e Leger (Sovjet-Unie), dat al sinds het begin van de oorlog in het gebied was.

Het offensief

Het offensief kan worden ingedeeld in drie fases: het doorbreken van de Duitse linies, de opmars richting Kirkenes, Noorwegen, en de slag om Kirkenes en de zuidwaartse opmars erna. Tijdens het offensief voerde de Russische Marine enkele amfibische operaties uit.

Nasleep

De operatie eindigde in een overwinning voor het Rode Leger. De Russische bevelhebber van het Karelische Front, Kirill Meretskov, werd gepromoveerd tot Maarschalk van de Sovjet-Unie en kreeg het bevel over Operatie Augustusstorm, de Sovjet-Russische invasie van Mantsjoerije, dat bezet werd door Japan, in augustus 1945.

Operatie Kirkenes-Petsamo was de laatste succesvolle operatie onder arctische omstandigheden tot nu toe.

Datum 7 oktober - 29 oktober 1944 
Locatie Kirkenes, Noorwegen en Petsamo, Finland 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 
Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie Flag of German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland 
Commandanten en leiders 
Flag of the Soviet Union.svg Kirill Meretskov
Flag of the Soviet Union.svg Arseniy Golovko Flag of German Reich (1935–1945).svg Lothar Rendulic 
Troepensterkte 
96.000 manschappen
110 tanks
2100 kanonnen 56.000 manschappen
145 kanonnen 
Verliezen 
18.435 doden Onbekend


De Sovjet-aanval op Polen 17-9-6 oktober 1939

De Sovjet-aanval op Polen vond plaats op 17 september 1939 en volgde op de Duitse inval in Polen van 1 september 1939. De Sovjet-aanval was een uitvloeisel van het kort tevoren gesloten Molotov-Ribbentroppact, waarbij nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie hun invloedssferen in Oost-Europa hadden afgestemd


Voorgeschiedenis

Na de Russische nederlaag in de Eerste Wereldoorlog had Polen zich onafhankelijk verklaard van Rusland (en Duitsland en Oostenrijk-Hongarije). Polen raakte in het oosten onmiddellijk in een oorlog betrokken waarbij het grote delen van de Oekraïne bezette. Omgekeerd bezette het Rode Leger grote delen van Polen. Met de Vrede van Riga van 1921 kwam de oostgrens van Polen tot stand. Deze oostgrens lag oostelijk van de Curzon-linie die in 1918 als Poolse oostgrens was bepaald. In de jaren twintig normaliseerden de betrekkingen tussen Polen en de Sovjet-Unie.

In 1939 kwam het echter tot een toenadering tussen Hitler en Stalin die uitmondde in het Molotov-Ribbentroppact van 23 augustus 1939. Gedekt door dit pact startte nazi-Duitsland nog geen tien dagen later de aanval op Polen. 
Bevolking

In de gebieden die volgens het Molotov-Ribbentroppact aan de Sovjet-Unie kwamen woonden in 1939 13,299 miljoen mensen, waaronder 5,274 miljoen Polen (39,7%) en 1,109 miljoen Joden (8,3%). De overige 6,916 miljoen inwoners (52%) waren grotendeels Oekraïners en Wit-Russen, maar ook Russen, Litouwers, Tsjechen, Duitsers en andere minderheden. In de meeste steden, zoals Białystok, Wilno en Lemberg, vormden de Polen de meerderheid.

De aanval 

Na de Duitse aanval begonnen ook de Sovjet-strijdkrachten met de voorbereiding op de aanval. Deze liet echter enige tijd op zich wachten. In Moskou kreeg de Poolse ambassadeur van de Sovjet-minister van Buitenlandse zaken Molotov een notitie overhandigd waarin alle bestaande verdragen met Polen werden opgezegd in verband met het verdwijnen van de Poolse staat. Enige uren latere begon de Sovjet-aanval.

Bij de aanval werden ca. 620.000 soldaten met circa 4700 tanks en 3300 vliegtuigen ingezet (dus met een grotere inzet dan de Duitsers), terwijl de Poolse troepen in het midden en westen van Polen in gevecht waren met de Duitsers. In het noorden werden Wilno, Grodno en Brest-Litovsk tussen 20 en 22 september veroverd en Suwałki op 24 september. In het zuiden werd Lemberg op 19 september en Lublin op 28 september veroverd. De laatste gevechten vonden in oktober 1939 plaats.

Op 22 september 1939 vond in Brest-Litovsk de gemeenschappelijke Duits-Russische overwinningsparade plaats.
Poolse front na 14 september 1939.

Verliezen

In gevechten met het Rode Leger verloren tussen 6000 en 7000 Poolse soldaten het leven. Rond de 230.000 soldaten werden gevangengenomen. De ruim 9000 gevangengenomen Poolse officieren verdwenen grotendeels in de Sovjet-Unie. Ongeveer 4000 van hen werden in 1943 vermoord teruggevonden in Katyn.

Deportatie Ontmoeting van Duitse en Sovjet-soldaten in Brest-Litovsk

Net als de Duitsers zagen ook de Sovjets een groot gevaar in de Poolse intelligentsia. De bevolking van Oost-Polen werd vanaf 1939 beschouwd als Sovjet-burger. Om potentieel verzet de kop in te drukken werden meer dan 1 miljoen Polen, waaronder bijna de complete bovenlaag van de Poolse bevolking, verbannen. Van hen werden ongeveer 250.000 mensen tot dwangarbeid in Siberië veroordeeld, waaronder de latere Israëlische premier Menachem Begin. Gustaw Herling-Grudziński zou later een boek schrijven over zijn ervaringen in Sovjetgevangenschap die het Westen in de jaren vijftig voor het eerst kennis zou laten maken met de realiteit van de goelag.

Westelijke geallieerden

Hoewel de Duitse inval in Polen aanleiding was voor Groot-Brittannië en Frankrijk om Duitsland de oorlog te verklaren, bleef een soortgelijke reactie richting Sovjet-Unie uit. Voor Duitsland en de Sovjet-Unie had het Molotov-Ribbentroppact zijn waarde bewezen. Duitsland had nu rugdekking om in mei 1940 Frankrijk aan te vallen en de Sovjet-Unie viel in juni 1940 de Baltische staten binnen.

Sovjet-cavalerie bij de overwinningsparade in Lwów. 
Datum 17 september - 6 oktober 1939 
Locatie Europa: Polen 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen
Flag of Poland.svg Polen Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie 
Commandanten en leiders 
Flag of Poland.svg Edward Rydz-Śmigły Flag of the Soviet Union.svg Kliment Vorosjilov
Flag of the Soviet Union.svg Mikhail Kovalev
Flag of the Soviet Union.svg Semjon Timosjenko 
Troepensterkte 
Poolse grenswachters: 20.000
Poolse leger: 250.000 466.516–800.000 troepen
33+ divisies
11+ brigades
4.959 artillerie
4.736 tanks
3.300 vliegtuigen 
Verliezen 
3.000–7.000 doden of vermisten
20.000 gewonden 1.475–3.000 doden of vermisten
2.383–10.000 gewonden 
 


 

 

 

Poolse front na 14 september 1939

Ontmoeting van Duitse en Sovjet-soldaten in Brest-Litovsk

Fall Blau,later Operatie Braunschweig

Fall Blau, later Operatie Braunschweig genoemd, was een Duits zomeroffensief in 1942. Het doel was het op de Sovjets veroveren van olievelden in de zuidelijke Kaukasus en het vernietigen van het Rode Leger. Het offensief eindigde met de Duitse nederlaag in de Slag om Stalingrad.
Verloop
Aanloop
De operatie begon op 28 juni, toen het 4e panzerleger oprukte richting de stad Voronezj. De Sovjets trokken zich hierop terug. De opmars werd vergezeld door Duitse luchtaanvallen, de Duitsers waren totale baas in de lucht. Op 5 juli kwam het 4e panzerleger terecht in de slag om de stad Voronezj. Ze wonnen deze veldslag na heftige gevechten, maar het volgende doel van de operatie was een punt van heftige discussies tussen Hitler en generaal Von Bock.
Splitsing van de legergroep
Hitler was meermaals door zijn generaals zoals erop geattendeerd dat het verdelen van de krachten zou leiden tot een ernstige vertraging of ramp. Hitler dreef echter eigen zin door. Op 9 juli splitste Hitler het aanvalsleger in legergroep A en legergroep B. Het doel van legergroep A was om de olievelden in de Kaukasus te veroveren, die van legergroep B was om legergroep A te beschermen tegen aanvallen in de rug. Hitler voerde als reden voor de splitsing aan dat hij de belangrijke oliebronnen van de Kaukasus nodig had om de oorlog te kunnen voortzetten. Stalingrad moest worden ingenomen om deze inname van de oliebronnen te dekken. Reeds op 11 juli begon de Duitse opmars te vertragen vanwege een tekort aan brandstof.
Op 23 juli 1942 begon de tweede fase van het Duitse zomeroffensief onder de codenaam Operatie Braunschweig. Het doel van de operatie was de gelijktijdige opmars van de Duitse troepen naar de Kaukasus (legergroep A) als naar Stalingrad (legergroep B).
Kaukasusveldtocht
Legergroep A veroverde op 23 juli de stad Rostov, de poort tot de Kaukasus. Als reactie hierop riep Maarschalk Budyony op tot een terugtrekking naar de bergen en de rivier Terek. Stalin gaf toestemming hiervoor en gaf daarna order 227 'geen stap terug.' Het Duitse 17e leger trok samen met onderdelen van het 11e leger en het Roemeense 3e leger op naar de westelijke Kaukasus. Het Duitse 1e panzerleger trok naar het zuidoosten. De Duitsers vielen de westelijke Kaukasus aan met gespecialiseerde bergtroepen. Ze vochten hevige gevechten met lokale Sovjettroepen in de Klukovpas, en veroverden daarna de Elbroes, de hoogste berg van Europa. Het 1e panzerleger rukte op naar de Terek om die over te steken en de stad Tbilisi te veroveren. Hierna rukte het nog iets zuidelijker op. Maar de aanvallen verzwakten omdat er veel Duitse luchteenheden naar Stalingrad werden verplaatst. De Duitse aanval werd uiteindelijk op 27 september een halt toegeroepen bij Elkhotovo. Ondertussen werd er in de westelijke Kaukasus aangevallen door Sovjetische bergtroepen. Er waren nieuwe gevechten in de Klukovpas, zonder een beslissende veldslag. Ook verder naar het westen bleven gevechten onbeslist. De Duitsers trokken zich pas terug nadat ze dreigden omsingeld te worden.
Slag om Stalingrad
Het splitsen van de Duitse troepen wordt gezien als de oorzaak voor de Duitse nederlaag in de Slag om Stalingrad. Het Duitse 6e leger werd geheel vernietigd door het Rode Leger.
Andere betekenis
De benaming Fall Blau was eerder gebruikt voor een studie door de Luftwaffe in 1938. De studie omvatte de voorbereiding tot een mogelijke Duitse aanval op Groot-Brittannië. Dit plan evolueerde later tot de zogenaamde Planstudie 1939, een essay over een

Datum 28 juni 1942 - 24 november 1942 
Locatie Voronezj, Rostov tot Stalingrad, Koeban, Kaukasus, Zuid-Rusland, Sovjet-Unie 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 
Nazi-Duitsland
Sovjet-Unie 
Commandanten en leiders 
Fedor von Bock
M. von Weichs
Wilhelm List
Erich von Manstein
Adolf Hitler
Paul von Kleist
Alexander Löhr
W. von Richthofen Aleksandr Vasilevski
Georgi Zjoekov
Dmitri Kozlov
Ivan Tyulenev
Semjon Boedjonny
Filipp Golikov
Rodion Malinovski
Andrey Yeryomenko
Konstantin Rokossovski
Semjon Timosjenko 
Troepensterkte 
1.000.000 Duitse militairen
300.000 overige As troepen
1.900 tanks
1.610 vliegtuigen 2.700.000 militairen
1.700.00 soldaten
1.000.000 reserves
3.720 tanks
1.671 vliegtuigen

Operatie Bernhard 1941 door SS Bernhard Krüger
 

Operatie Bernhard was een project van de nazi's om door valse Engelse ponden een inflatie in de hand te werken in Groot-Brittannië. Deze werden in omloop gebracht via Duitse vliegtuigpiloten die het geld vanuit hun vliegtuig boven Britse dorpen en steden uitstrooiden. Het project werd op 8 mei 1941 gelanceerd door de SS-officier Bernhard Krüger. Dit plan leek hem eenvoudig, maar toch bleken er in de ponden vele echtheidskenmerken stonden. De mensen die meewerkten aan deze operatie hadden absolute zwijgplicht. Voor dit werk werden gevangenen uit concentratiekampen, die iets van geld maken afwisten, ingezet. De operatie vormde de inspiratie voor de film Die Fälscher uit 2007.

Oorsprong

Toen de Tweede Wereldoorlog aan de gang was, wilde nazi-Duitsland de Britse economie ontwrichten, waardoor Groot-Brittannië zijn troepen minder weerstand en wapens zou kunnen bieden en een overwinning voor de hand zou liggen. Later bleek dat toch niet zo gemakkelijk te zijn. Engelse ponden waren met meer dan 50 echtheidskenmerken uitgerust, waaronder het Britannia-medaillon en het speciale linnenpapier. 
Lancering

Op 8 mei 1941 moest de SS-officier Bernhard Krüger naar een 'dringende' vergadering aanwezig zijn. Hij kreeg een bevel van de chef van de buitenlandse inlichtingendienst, Walter Schellenberg, in een zwaar beveiligde kamer. Hij kreeg de opdracht om met behulp van behendige gevangenen Britse bankbiljetten na te maken.

Het eerste obstakel was het papier. Dat werd naar verschillende Duitse hogescholen gestuurd om het te laten onderzoeken. Het bleek van linnen gemaakt te zijn. De nazi's bestelden al gauw vlas in Turkije. Later voelde het papier niet hetzelfde aan. Dat kwam omdat het hergebruikt Brits linnen was. In 1942 konden de papierfabrieken het speciale papier maken.

Het tweede obstakel waren de vele echtheidskenmerken. Deze waren overal op het bankbiljet aanwezig. Het zogenaamde Britannia-medaillon stond bijvoorbeeld vol met minuscule velden en de uitgavedatum stond in verband met het serienummer. Overal waren watermerken aanwezig.

Het derde obstakel was dat de biljetten er te nieuw uitzagen. Gevangenen uit Sachsenhausen met 'vuile' handen werden ingezet om de biljetten er gebruikt te laten uitzien. Een andere bijzonderheid was dat de biljetten met naalden samengebundeld werden. De gevangenen prikten opzettelijk door het Britannia-medaillon vanuit de gedachte dat Britse bankbedienden dat niet zouden doen.

In 1959 vond een journalist van het Duitse blad Stern op de bodem van een bergmeer in Oostenrijk 73 miljoen valse ponden. Meteen was het daarmee bewezen dat de nazi's op grote schaal geld vervalsten. Nog later werd bekend dat de nazi's ook Joegoslavisch, Italiaans en Amerikaans geld vervalsten.

Een vervalst briefje van 5 pond

Adolf Burger,een gevangene die gedwongen moest meewerken aan het project houdt een vervalst briefje vast

Operatie Dragoon 15 augustus 14-9-1944

Operatie Dragoon was de geallieerde amfibische landing op de Franse Middellandse Zeekust op 15 augustus 1944, met als doel het openen van een tweede front in Frankrijk om de geallieerde opmars te versnellen. Operatie Dragoon werd grotendeels gebaseerd op de geannuleerde Operatie Anvil.
Het plan
Tijdens de planningsfase, werd de operatie Anvil genoemd, om Operatie Hammer aan te vullen, die op dat moment de codenaam was voor de invasie in Normandië. Later kregen beide operaties een andere naam, de laatstgenoemde kreeg de naam Operatie Overlord en operatie Anvil werd hernoemd tot Operatie Dragoon.
Zowel de Britten als de Amerikanen waren van mening dat de strijd in Europa tegen Duitsland voorrang genoot boven de strijd tegen de Japanners. Daarnaast wilde ze, door nog een nieuw front te openen, de druk bij de andere fronten doen afnemen en het de Duitsers nog lastiger maken.
Op 6 juni 1944 waren de westerse geallieerden geland op de stranden in Normandië. Terwijl de grootste amfibische invasie ooit aan de gang was, waren de leiders al bezig met nieuwe plannen voor te bereiden. De Amerikanen waren van mening dat men nog een front zou moeten openen, de Britten vonden dat ze de huidige fronten moesten versterken.
Ondertussen moesten de Duitsers al op drie fronten vechten, namelijk in Italië, in Noord-Frankrijk en aan het oostfront, waar het snel werd teruggedrongen. De Amerikanen waren de mening toegedaan dat men nóg een front er aan toe moest voegen, om de Duitsers definitief te kunnen verslaan.
Winston Churchill, de Britse leider, was echter de mening toegedaan dat Operatie Dragoon niet nodig was. Hij vond dat het onnodig troepen en materieel kostte, wat beter kon worden gebruikt voor een invasie in de Balkan, aangezien Duitsland uit deze landen hun olievoorraad haalde. Naast het beperken van de toegang van Duitsland tot de veelgevraagde olie, zou West-Europa, na de overgave van de Duitsers, niet in handen vallen van het Rode Leger. Churchill was van mening dat op deze manier kon worden verhinderd dat de troepen van de Sovjet-Unie zouden doorstoten tot de Atlantische Oceaan. Churchill heeft later alsnog ingestemd met de plannen van de Amerikanen voor een invasie in Zuid-Frankrijk.
Het oorspronkelijke plan was dat een mix van Vrije Fransen en Amerikaanse troepen nabij Toulon zouden landen. Ze zouden dan eerst Toulon veroveren en dan doorstoten naar Marseille om daar de Duitsers uit de stad te verdrijven. Echter werd het plan in 1944 herzien, doordat er een conflict was ontstaan tussen de Britten, die van mening waren dat alle mogelijke geallieerde troepen en het beschikbare materiaal naar Italië moest worden gestuurd, en de Amerikanen, die het plan steunden.

Door de val van Rome begin juni en het succes van Operatie Cobra, de uitbraak in Normandië, viel de keuze op Operatie Dragoon. Uit tactische overwegingen gingen de Britten hiermee akkoord. Operatie Dragoon zou plaatsvinden op 15 augustus 1944.
De Amerikaanse 6e legergroep, onder leiding van Jacob L. Devers, werd op 1 augustus 1944 gevormd en gestationeerd op Sicilië, vanwege de Operatie Dragoon. In eerste instantie stond de legergroep onder het commando van de AFHQ (Allied Forces Headquarters). Een maand na de landing werd het commando overgedragen aan de SHAEF (Supreme Headquarters, Allied Expeditionary Forces), dat onder leiding stond van generaal Dwight D. Eisenhower, de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in West-Europa. Task Force 88 werd ook in augustus gelanceerd, om de landing te ondersteunen. 
Duitse verdediging
De verdediging van de 640 kilometer lange kustlijn, tussen Menton en Cerbère, viel onder de verantwoordelijkheid van het Duitse 19e leger.Tijdens de landingen in Normandië had het leger de beschikking over zes divisies. Daarvan moest het er naarmate de strijd in Noord-Frankrijk vorderde drie afstaan en kreeg het slechts de 198e Infanteriedivisie terug.Tevens werden de restanten van de 716e Infanteriedivisie naar het zuiden gestuurd.Generaal Blaskowitz, bevelhebber van de Duitse Legergroep G waar het 19e leger onder viel, liet weten dat hij door de verzwakking niet langer zekerheid kon bieden aan de Zuid-Franse kust.
Op 10 augustus werd bovendien de 338e Infanteriedivisie overgeplaatst naar het noorden. De 11e pantserdivisie had daarentegen opdracht gekregen om zich van Montauban naar Avignon te begeven, maar dit zou echter pas op 13 augustus gebeuren.Een dag later stonden vrijwel alle troepen van de divisie nog op de rechteroever van de Rhône en waren dus niet direct inzetbaar.Het 19e leger onder leiding van Generaal Wiese was dus flink verzwakt en de beloofde versterking was nog niet gearriveerd.
Op zee was de situatie niet veel beter voor de Duitsers. Slechts een beperkte hoeveelheid marine-eenheden waren gestationeerd in Zuid-Frankrijk. De Amerikaanse bombardementen op de marinebasis in Toulon werden in de weken voorafgaand aan Operatie Dragoon flink opgevoerd, waarbij de Duitsers ook nog relatief grote verliezen leden.
In het luchtruim hadden de Duitsers de beschikking over 70 jagers en 130 bommenwerpers.Deze vliegtuigen konden niet op tegen de overmacht van de geallieerden in het luchtruim.
De landingen
De situatie vlak voor de landingen
De geallieerden versterkten het gevoel van de Duitsers dat er landingen kwamen nabij Marseille en Genua, door rubber poppen als parachutisten te droppen nabij de Rhônemonding, zoals eerder al was gebeurd bij Sainte-Mère-Église. Bovendien werden de kuststroken bij deze steden flink gebombardeerd, waardoor de Duitse leiding ervan overtuigd was dat de invasie plaats zou vinden nabij deze twee steden. Ze lieten het zware geschut en een groot deel van de troepen richting Marseille en Genua trekken, waardoor de plaats van de werkelijke invasie onderbezet was aan Duitse zijde.
Als de BBC het codezinnetje "Gabi dort dans les herbes" (=Gaby slaapt in het gras) en het codewoord "Nancy a un torticollis" (= Nancy heeft een stijve hals) via de radio zou zenden, dan wist het Franse verzet dat de landing binnen 24 uur zou plaatsvinden. Het verzet had, in overleg met de geallieerden, besloten dat het verzet bruggen zou opblazen, telefoonkabels zou doorknippen, fabrieken zou aanvallen en Duitse opslagplaatsen zou bestoken. Ook hier liet het Duitse antwoord niet lang op zich wachten. Het verzet had een Duitse officier vermoord en om dat te wreken werden er al op 9 juni in Tulle 99 mensen opgehangen. Kinderen uit Vence werden zonder reden naar een concentratiekamp gevoerd. Velen hiervan zouden nooit meer terugkeren.
De landing.
De geallieerde troepen waren verdeeld in drie Amerikaanse divisie van de 6e Legergroep, ondersteund door één Franse pantserdivisie. De 3e Infanteriedivisie landde links op Alpha Beach (Cavalaire-sur-Mer), de 45e infanteriedivisie landde in het midden op Delta Beach (Saint-Tropez) en de 36e infanteriedivisie landde rechts op Camel Beach (Saint-Raphaël). Bij Cap Negre, de westflank van de invasie, landden een grote groep Franse commando's. Zij hadden als opdracht het uitschakelen van Duitse artillerie. Deze opdracht staat beter bekend als Operatie Romeo. Zij werden ondersteund door andere Franse commando's, die op beide flanken van de invasie landden. Tevens werd er, ter ondersteuning, een aanval vanuit de lucht nabij Le Muy - Le Luc uitgevoerd. Hier landden parachutisten van het 1st Airborne Task Force in het kader van Operatie Dove. Ook werden er twee eilanden nabij het vasteland bezet door de 1st Special Service Force. Zij hadden een beschermende factor voor de troepen op de stranden. Deze operatie draagt de naam Operatie Sitka.
Naast de grote troepenmacht, werd Operatie Dragoon ook ondersteund door zwaar geschut vanaf de zee en vanuit de lucht. Meer dan vijftig geallieerde schepen ondersteunden de grondtroepen die de stranden bestreken. De ondersteuning vanuit de lucht was afkomstig van zeven kleine vliegdekschepen die voor de kust van Zuid-Frankrijk lagen.
Meer dan 94.000 manschappen en 11.000 voertuigen kwamen aan land op de eerste dag. Een groot aantal Duitse troepen was overgebracht naar Noord-Frankrijk om daar tegen de geallieerde troepen te vechten, die tijdens landingen in Normandië aan land waren gekomen. Bovendien had het Franse verzet strijd geleverd met Duitse troepen en deze Duitse troepen werden gedwongen zich terug te trekken. Hierdoor konden de geallieerden zonder veel tegenstand voet aan wal zetten, waarna ze het binnenland konden intrekken. Het eerste etmaal was er al een bruggenhoofd van 20 km gevormd. De geallieerde landingen waren geslaagd, terwijl de Duitsers er wederom een front bij hadden. Ze moesten nu vechten in Zuid-Frankrijk, Noord-Frankrijk, Italië en aan het oostfront.
Na de landingen
Monument voor de landingen van geallieerde troepen onder leiding van generaal Alexander Patch op de stranden van St. Tropez, Frankrijk
De snelle terugtocht van het Duitse 19e leger resulteerde in vele winsten voor de geallieerden. Bij het opstellen van het plan werd rekening gehouden met een flinke weerstand nabij de landingsgebieden. Echter de weerstand aan de kust was gering, waardoor de geallieerde troepen sneller oprukten dan verwacht. Hierdoor kwam men na een tijd met brandstoftekort te zitten, waardoor enkele Duitse troepen konden ontsnappen.
Na een snelle opmars vanuit de kust naar het binnenland, werd de Duitse weerstand iets heviger, maar was nog steeds minimaal. Doordat veel troepen naar Noord-Frankrijk waren overgebracht, kampten de Duitsers in het zuiden met een troepentekort. De Duitsers hadden 186 vliegtuigen en ongeveer 250.000 manschappen tot hun beschikking, waaronder veel gewonden en zieken. Tegenover deze Duitse troepenmacht stonden ruim 500.000 geallieerde troepen. In Dramont en Agay boden de Duitsers nog hevige weerstand, maar verder waren ze met niet veel meer bezig dan het terugtrekken van de nog beschikbare troepen.
De snelle terugtocht van de Duitsers, leidde midden september, nabij Dijon, tot het eerste contact tussen de geallieerde troepen uit Noord-Frankrijk en de geallieerde troepen uit Zuid-Frankrijk
Tijdens Operatie Dragoon trachtten de geallieerde troepen om de haven van Marseille in te nemen. Deze opzet slaagde en dit leverde veel voordeel op voor de geallieerden. Door de Operatie Cobra en Operatie Dragoon, kampten de geallieerden met een brandstofgebrek. Er moest bijna een stop worden gezet aan de opmars, vanwege een tekort aan brandstof.
Ondanks de beschadigingen aan de haven van Marseille en zijn toevoerlijnen, werd die toch in gebruik genomen, aangezien het van essentieel belang was dat de opmars kon voortduren. De aanvoerroute vanuit Marseille werd een zeer belangrijke bevoorradingsroute voor de geallieerde troepen en zorgde voor ruim 30% van alle bevoorrading. 
  

 

 

 

Datum 15 augustus 1944–14 september 1944 
Locatie Zuid-Frankrijk 
Resultaat Geallieerde overwinning 
Strijdende partijen 
US flag 48 stars.svg Verenigde Staten
Flag of Free France 1940-1944.svg Vrije Fransen
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk Flag of German Reich (1935–1945).svg Duitsland 
Commandanten en leiders 
US flag 48 stars.svg Jacob L. Devers
US flag 48 stars.svg Alexander Patch Flag of German Reich (1935–1945).svg Johannes Blaskowitz 
Troepensterkte 
175.000-200.000 85.000-100.000 in gevechtsgebied,
285.000-300.000 in Zuid-Frankrijk 
Verliezen 
Onbekend Onbekend 
 

Operatie Dragoon was de geallieerde amfibische landing op de Franse Middellandse Zeekust op 15 augustus 1944, met als doel het openen van een tweede front in Frankrijk om de geallieerde opmars te versnellen. Operatie Dragoon werd grotendeels gebaseerd op de geannuleerde Operatie Anvil.

 

 

 

 


Monument voor de landingen van geallieerde troepen onder leiding van generaal Alexander Patch op de stranden van St. Tropez, Frankrijk

De landing van de Amerikaanse 3e infanterie divisie

Operatie Gunnerside 27 februari 1943

Operatie Gunnerside was tijdens de Tweede Wereldoorlog het tweede Britse plan om de Vemork zwaar-waterfabriek in Rjukan in Noorwegen te vernietigen via een geheime sabotageaanval uitgevoerd door de Royal Engineer Commando’s. Na de Duitse inval in Noorwegen stond deze fabriek onder controle van de nazi's. In de fabriek werd onder meer zwaar water geproduceerd, wat door de Duitsers (ten onrechte) noodzakelijk werd geacht voor de productie van de atoombom.

Inleiding

Het Vemork-complex
Na het mislukken van operatie Freshman, waarbij alle leden van het Britse team waren omgekomen, werd in februari 1943 een nieuwe poging ondernomen om de Vemork-fabriek stil te leggen. De vier Noorse commando's die "operatie Grouse" hadden uitgevoerd, waren nog steeds in Noorwegen en onderhielden contact met het Britse hoofdkwartier. Dit team stond bekend onder de codenaam Swallow. Zij werden versterkt door zes andere Noorse commando's die vanuit een Halifax bommenwerper werden gedropt. Na enkele dagen ontmoetten de teams elkaar en in de nacht van 27 februari 1943 begon hun acti

De operatie


Na operatie Freshman was de bewaking verscherpt en waren zoeklichten rond het complex aangebracht. Hierdoor was het moeilijker geworden om ongezien de fabriek te naderen. De enige toegangsweg vanuit het dal vormde een zwaar bewaakte hangbrug van 75 meter over een ravijn. Het team daalde in het ravijn af, stak de rivier over en klom aan de andere kant naar boven. Via een onbewaakte spoorlijn kwamen de saboteurs onopgemerkt het complex binnen. Nog voor operatie Grouse had de SOE een Noorse agent binnen Vemork. Dankzij zijn aanwijzingen konden de commando's via een kabelgoot en een raam naar binnen komen. Eenmaal binnen werden tijdbommen geplaatst op de hogeconcentratiecellen die het zwaar water produceerden. Om de Duitsers op een dwaalspoor te brengen werd een Amerikaanse Thompson M1 machinepistool achtergelaten. De Duitsers mochten niet vermoeden dat de actie was uitgevoerd door Noren, omdat er dan represailles zouden volgen die de plaatselijke bevolking zouden treffen. Deze methode werd overigens ook in andere bezette gebieden (zoals in bezet Nederland) gebruikt door het plaatselijk verzet.

De operatie was een succes: de productie lag enkele maanden stil en alle teamleden wisten veilig te ontkomen. Zes leden trokken op ski's naar Zweden, een afstand van ongeveer 400 km. De anderen sloten zich aan bij het Noorse verzet. 
De aanslag op de Hydro

De productie van zwaar water werd verplaatst naar Duitsland omdat de Duitsers vermoedden dat de geallieerden nieuwe aanvallen zouden uitvoeren op Vemork. De fabriek was wel in bedrijf en produceerde nog steeds zwaar water.



Knut Haukelid, één van de achtergebleven leden van het team, heeft een transport van zwaar water vanuit Vemork verhinderd door in de nacht van 20 februari 1944 de veerboot Hydro met twee tijdbommen op te blazen. Aan boord van deze veerboot bevonden zich treinwagons met vaten zwaar water, waarvan er rond 2004 één is geborgen. Analyse van de inhoud toonde aan dat het vat inderdaad zwaar water bevatte, waarmee een eind kwam aan de geruchten dat het transport slechts een afleidingsmanoeu
vre van de Duitsers was. De reden voor dit vermoeden lag in het feit dat de veerboot niet bewaakt werd door Duitse troepen, en dat was Engeland opgevallen. Vandaar dat men aan het Noorse verzet vroeg om vast te stellen dat het hier geen 'dummy'-jerrycans betrof.

Ter hoogte van de plaats waar de Hydro is gezonken bevindt zich nu een gedenkteken ter herinnering aan de verzetsdaad en de onschuldige slachtoffers die bij deze actie zijn gevallen.

Het Vemork-complex. De steile helling onderaan vormt een natuurlijke vesting

De ingang met de hangbrug

De hangbrug over het ravijn

De Invasie van de Koerilen 18 Augustus 1945

De Invasie van de Koerilen, ook Landingsoperatie Koerilen (Russisch: Курильская десантная операция; Koerilskaja desantnaja operatsija) genoemd, was een militaire operatie door de Sovjet-Unie gericht op het veroveren van de Koerilen op Japan tussen 18 augustus en 1 september 1945 als onderdeel van Operatie Augustusstorm op het moment dat de plannen om Hokkaido te veroveren waren opgegeven. De basis voor de operatie vormden eerdere succesvolle operaties van het Sovjetleger in Mantsjoerije en Zuid-Sachalin (Zuid-Sachalinoperatie).
Legereenheden
De operatie werd uitgevoerd door het 87e infanteriekorps (o.l.v. gardegeneraal-luitenant A.S, Ksenofontov) van het 16e Leger (o.l.v. generaal-luitenant L.G. Tsjeremisov) van het 2e Verre-Oostelijke Front en omvatte onderdelen van het Verdedigingsgebied Kamtsjatka (o.l.v. majoor-generaal A.R. Gnetsjko), oorlogsschepen en transportboten van de militaire basis van Petropavlovsk-Kamtsjatski (o.l.v. marinekapitein D.G. Ponomarjov) en werd ondersteund door de 128e luchtlandingsdivisie (78 vliegtuigen). In totaal zou de aanvalskracht hebben bestaan uit ongeveer 9.000 soldaten en officieren, 60 schepen, ongeveer 100 vliegtuigen en 205 stukken mortiergeschut.
De verdediging van de eilanden stond onder leiding van de Japanse bevelhebber luitenant-generaal Tsutsumi Fusaki en bestond uit de 91e Japanse infanteriedivisie op Shashukotan (Sjiasjkotan), Paramushiro (Paramoesjir), Shumushu (Sjoemsjoe) en Onekotan, de 42e divisie op Simushiro (Simoesjir), het 41e onafhankelijke regiment op Matsuwa (Matoea), de 129e onafhankelijke brigade op Uruppu (Oeroep) en de 89e infanteriedivisie op Etorofu (Itoeroep) en Kunashiri (Koenasjir). In totaal zou de troepensterkte ruim 80.000 man hebben bedragen, die de beschikking had over 60 tanks en 600 vliegtuigen, verdeeld over 9 vliegvelden. De belangrijkste troepensterkte bevond zich op Shumushu (ongeveer 8.500 man).
Uitvoering
Het aanvalsplan van de sovjetleiding voorzag in een verrassingslanding met amfibievoertuigen in het noordwesten van Shumushu gevolgd door een snelle opmars naar de marinebasis Kataoka (nu Bajkovo) en het vliegveld Miyoshino, om het eiland zo snel in handen te krijgen en het vervolgens te kunnen gebruiken als bruggenhoofd voor het veroveren van de andere zuidoostelijker gelegen Koerileneilanden.
Op 18 augustus begon de aanval op Shumushu. Twee kustschepen, de mijnenlegger Ochotsk, 17 transportboten en 16 landingsvaartuigen landden met bijna 9000 matrozen, soldaten en officieren op de noordwestkust van Shumushu en het noorden van Paramushiro. De voorbereiding van de sovjetleiding bleek hierbij te kort te hebben geschoten. Van de eerste landingseenheid op Shumushu van 1500 man kwamen bijvoorbeeld maar 600 man aan land, hetgeen vooral veroorzaakt werd doordat de landingsboten de soldaten op 200 meter van de kust naar buiten lieten in water van 0 °C. De bittere strijd om het eiland duurde tot 19 augustus, toen de Japanse leiding van de eilanden Shumushu, Paramushiro en Onekotan zich overgaf. De strijd kostte volgens sovjetbronnen het leven aan meer dan 1500 Rode Legersoldaten en 1000 Japanse troepen (volgens Japanse bronnen 3000 Sovjetdoden en -gewonden en 600 Japanse doden en 500 tot 700 gewonden). 400 vrouwelijke Japanse arbeiders wisten het eiland Shumushu tijdens de strijd net op tijd te verlaten.
Op 23 augustus werd de overgave getekend door de Japanse troepen als onderdeel van de algemene Overgave van Japan. In de dagen daaropvolgend werd daarom geen verzet meer geboden. Een detachement troepen van de 113e onafhankelijke infanteriebrigade (o.l.v. kapitein-luitenant G.I. Broensjtejn) voerde een landing uit in de Rubetzubaai op het eiland Etorofu. Op dezelfde dag landden onderdelen van het 87e infanteriekorps met torpedoboten, mijnenvegers en transportboten (vertrokken uit Otomari op Sachalin) op Kunashiri, Shikotan en de vijf kleinere eilanden Sibotzu, Taraku-Shima, Uri-Shima, Akiuri en Suiseto. De landingen op Etorofu werden gevolgd door de 355e infanteriedivisie die op de 24e op het kleinere eiland Uruppu landde. Op 26 augustus werd het Japanse garnizoen op Matsuwa ontwapend, een dag later werd Simushiro ingenomen. Op 31 augustus werd het garnizoen op Uruppu ontwapend. In de dagen erop werden alle overige eilanden van de Koerilen, inclusief de Chabomai-eilanden bezet door sojvettroepen.
Bij de strijd waren ongeveer 20.000 Japanse soldaten en officieren omgekomen. Over cijfers aan Russische zijde is weinig bekend. De overige 60.000 Japanse soldaten werden gevangengenomen en naar de Goelagkampen van Siberië gestuurd, zoals de Sevvostlag, waarvan een aantal nooit terugkeerden. In 1949 werden de overgebleven krijgsgevangenen overgedragen aan Japan. Bij de strijd werden verder 300 stuks wapentuig en mortieren en 60 tanks buitgemaakt door het sovjetleger. 9 mannen kregen de titel Held van de Sovjet-Unie wegens bewezen moed. Met name de zuidelijke eilanden van de Koerilen worden nog altijd betwist door Japan en vormen het onderwerp van het Koerilenconflict tussen Rusland en Japan.

Locatie van de Koerilen in de Westelijke Stille Oceaan 
Locatie van de Koerilen in de Westelijke Stille Oceaan 
Datum 18 augustus – 1 september 1945 
Locatie Koerilen 
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie 
Strijdende partijen 
Flag of the Soviet Union.svg Sovjet-Unie Merchant flag of Japan (1870).svg Japanse Keizerrijk

Operatie Paukenschlag januari-juni 1942

Operatie Paukenschlag was Duitslands eerste aanslag op de Amerikaanse scheepvaart voor de Amerikaanse Oostkust. Operatie Paukenschlag begon eigenlijk met de aankomst van vijf U-boten voor de Amerikaanse kust in januari 1942. De strijd bleef voortduren tot juni 1942. Het jachtterrein werd verder verlegd naar de Caribische Zee. Tijdens deze operatie werden 609 schepen tot zinken gebracht, 3,1 miljoen tonnage en kostte duizenden levens, hoofdzakelijk koopvaardij personeel. De Duitsers verloren 22 onderzeeboten. In deze maanden werd een kwart van alle schepen tot zinken gebracht gedurende de tweede wereldoorlog. Historicus Michael Gannon noemt het "America's Second Pearl Harbor" en legt de schuld voor dit verlies bij Admiraal Ernest King, bevelhebber van de Amerikaanse Marine.
Vóór december 1941
Vóór december 1941 voeren geregeld Amerikaanse oorlogsbodems mee met de konvooien voor Groot-Brittannië. Dit was in zekere zin een vorm van provocatie voor de Duitse U-boten in de Engelse blokkadewateren. Men mocht geen neutrale scheepsbodem aanvallen maar ze beschermden, samen met de Britten, de konvooien en leidden andere Britse torpedobootjagers en vliegtuigen, met hun radio- en sonarcommunicaties, naar de U-boten die op de loer lagen voor een torpedoaanval, zodat ze zelf aangevallen werden door Amerikaanse hulp. President Franklin Delano Roosevelt had aan Winston Churchill hulp beloofd in de vorm van oudere torpedojagers en korvetten, die onder neutrale Amerikaanse vlag naar Groot-Brittannië werden gebracht. Tegelijkertijd vergezelden ze een konvooi naar Engeland. U-boten stegen op en de commandanten wisten niet goed wat te doen: neutrale schepen aanvallen of hen laten passeren, zodat de vijandelijke konvooien ongehinderd konden aankomen in de Engelse havens.
Oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten
Schermutselingen bleven niet uit zodat menig Amerikaanse oorlogsbodem door de U-boten aangevallen werd, nog vóór ze in oorlog waren met de Verenigde Staten. In die omstandigheden kan het nauwelijks verwondering wekken dat Hitler, nadat tussen Japan en de Verenigde Staten op 7 december 1941 de oorlog uitgebroken was, eindelijk op 9 december alle beperkingen van de U-bootoperaties tegen Amerikaanse schepen ophief. Twee dagen daarna volgde de oorlogsverklaring. De oorlog met de Verenigde Staten was dus een gevolg van de feiten; de oorlogsverklaring was louter een formaliteit. 
Aanvang Operatie Paukenschlag
Admiraal Karl Dönitz was verantwoordelijk voor de Duitse aanvallen op de kustvaart aan de Amerikaanse Oostkust vanaf de oorlogsverklaring door Duitsland aan de Verenigde Staten van Amerika.
Na de stilte in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan in de vorige wintermaanden, was het een verleidelijk vooruitzicht voor admiraal Dönitz en zijn U-bootcommandanten om Amerikaanse schepen in hun wateren aan te vallen. Ondanks hun pogingen om van de Britten te leren, hadden de Amerikanen geen ervaring met de maatregelen die ze tegen "wolfsbende"-aanvallen van U-boten moesten nemen. Zolang ze niet de tijd hadden hun verdediging te organiseren en hun koopvaardijschepen onder te brengen in konvooien, beloofde het westelijk deel van de Atlantische Oceaan een succesvol jachtterrein te worden voor de Duitsers. Admiraal Dönitz kwam dan ook met het voorstel onmiddellijk 12 U-boten te zenden, waaronder 6 grote IXB- en IXC-boten die op dat moment ingezet waren in de buurt van Gibraltar, maar die met hun grotere brandstofcapaciteit en torpedolaadvermogen beter ingezet konden worden bij lange-afstandoperaties.
Operatie Paukenschlag
Tussen 16 en 25 december 1941 vertrokken 6 onderzeeboten uit havens aan de Golf van Biskaje om aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ingezet te worden bij Operatie Paukenschlag. In verband met de grote afstand waren uitsluitend onderzeeboten van het type IX geschikt voor de operatie, waarvan de Kriegsmarine - destijds met een totale omvang van 91 U-boten - twintig exemplaren in dienst had. Hiervan waren op het moment dat de aanval werd voorbereid slechts zes beschikbaar: U- 66 onder commando van Robert-Richard Zapp, U-109 onder Heinrich Bleichrodt, U-123 onder Reinhard Hardegen, U-125 onder Ulrich Folkers, U-130 onder Ernst Kals en U-502 onder Jürgen von Rosenstiel. De U-502 moest vanwege een olielek op 22 december terugkeren. De zes boten hadden opdracht gekregen om tijdens de overtocht geen aanvallen uit te voeren met uitzondering van bijzondere doelen, zoals grote oorlogsschepen.
De vijf overgebleven commandanten voeren vol goede moed door en bereikten midden januari het gebied dat ze voor hun aanvallen aangewezen hadden; tussen de Baai van de St.-Laurens en Kaap Hatteras. Hun optimisme was er niet minder om, want de Amerikanen hadden zelfs minder afweermaatregelen genomen dan werd verwacht.
De schepen voeren met hun normale vredestijd-verlichting. Steden langs de kust waren fel verlicht, en lichtboeien en vuurtorens deden normaal hun werk. Koopvaardijschepen zonden lustig uit op de 600-m-band, terwijl de marconisten onophoudelijk over van alles en nog wat praatten, ook over hun posities. De strijdkrachten maakten per radio gegevens bekend over patrouillevaarten van kustwacht en torpedobootjagers, vluchten van luchtverkenners en reddingswerkzaamheden die aan de gang waren, wat allemaal door de U-bootcommandanten werd opgevangen en gebruikt.
Het resultaat was huiveringwekkend. Overdag lagen de U-boten stil op de bodem, dicht in de buurt van de scheepvaartroutes. 's Nachts naderden ze onder water varend de kust, doken midden in de scheepvaartroutes en gingen tekeer tegen de niets vermoedende koopvaardijschepen. De U-boten konden ongehinderd hun aanvalsposities kiezen en torpederen, zonder dat ze ooit gehinderd werden door aanvallende vliegtuigen of torpedojagers. De Amerikanen hadden nog geen notie hoe ze dit moesten aanpakken en gingen in de leer bij de Britten. De Duitsers daarentegen gingen slim te werk en verspilden zo min mogelijk brandstof voor de terugweg naar hun bases in de Golf van Biskaje. 
Wederom "gouden tijd"
Voordat de vijf U-boten dat operatiegebied verlieten wegens gebrek aan torpedo's, hadden ze meer schepen tot zinken gebracht dan zelfs in de "gouden tijd" in het noorden van de Atlantische Oceaan; de rapporten vermeldden 8 schepen van 53.000 ton door de U-123 van Reinhard Hardegen, 5 schepen van 50.000 ton door Richard Zapp met de U-66, en 4 schepen van 31.000 ton door Ernst Kals met de U-130. In zijn oorlogsdagboek betreurde Hardegen het feit dat er niet méér U-boten in de buurt waren. "Waren er maar tien, of zelfs twintig boten geweest," schreef hij, "Dan zouden ze allemaal, dat weet ik zeker, net zoveel succes gehad hebben."
Eerste aanvalsgolf (Operation Drumbeat)
De eerste vijf U-boten, type IX, die de Amerikaanse kustvaart aanvielen ontdekten dat het een eenvoudige opdracht was. deze eerste aanvalsgolf staat bekend als Operation Drumbeat. Overdag bleven ze onderwater en in de nacht konden ze ongestoord schepen tot zinken brengen. De Amerikanen namen geen enkele voorzorgsmaatregelen zoals verduistering van de kust. De Duitsers konden de schepen eenvoudig zien omdat ze langs de verlichte kust voeren.
Reinhard Hardegen in de U-123 torpedeerde zeven schepen met een totaal tonnage van 46.744 voordat het schip geen torpedo's meer had;
Ernst Kals in de U-130 torpedeerde zes schepen met een totaal tonnage van 36.988;
Robert-Richard Zapp in de U-66 torpedeerde vijf schepen met een totaal tonnage van 33.456;
Heinrich Bleichrodt in de U-109 torpedeerde vier schepen met een totaal tonnage van 27,651; en
Ulrich Folkers in de U-125 torpedeerde één schip met een totaal tonnage van 6.666, de West Ivis.
De tanker MS Pennsylvania Sun, getorpedeerd door de U-571 op 15 juli 1942
Ondanks de noodzaak om zich tegen de U-boten te verdedigen, werd weinig ondernomen. De Amerikaanse Marine had een groot tekort aan anti-onderzeeboot vaartuigen en vliegtuigen. Daarnaast sloegen ze de adviezen van de Britten in de wind en namen geen maatregelen om de koopvaardij te beschermen.
Tweede en derde aanvalsgolf 
In de tussentijd bereikten de tweede aanvalsgolf, bestaande uit type IX U-boten, de Amerikaanse kust. De derde aanvalsgolf (Operation Neuland) bereikte het doelgebied bij de oliehavens in de Caribieën. Het succes bracht Admiraal Dönitz ertoe om ook U-boten (type VII) met een kleiner bereik te sturen. De boten werden hiertoe aangepast: alle beschikbare ruimte werd gebruikt om voorraden op te slaan. In gevallen werd dieselolie in de zoetwater tanks opgeslagen en voeren schepen met een zeer lage snelheid om olie te besparen.
De Amerikaanse Marine reageerde nog steeds niet effectief op de aanvallen. De verantwoordelijkheid hiervoor lag bij Admiraal King. Zijn aandacht werd opgeslokt door de Japanse aanvallen in de Pacifische Oceaan. Het operatiegebied van Admiraal Andrews (North Atlantic Coastal Frontier) werd uitgebreid tot en met South Carolina en hernoemd tot de "Eastern Sea Frontier" De noodzakelijke schepen en vliegtuigen bleven echter onder het commando van Admiraal Royal E. Ingersoll, bevelhebber van de Atlantische vloot. Hij verbleef veel op zee en was onbereikbaar om besluiten te nemen. De wekelijkse rapporten van Rodger Wynn, vanuit Londen, over de U-boten werden genegeerd. 
Resultaat van de aanvallen
Tegen eind januari 1942 waren 62 schepen met een totaal van 327.000 ton tot zinken gebracht. De meeste slachtoffers waren gevallen in de Amerikaanse wateren, in de tweede helft van januari. Toen het nieuws van de successen, en dat van de mogelijkheid om nog meer succes te boeken, de U-bootbases bereikte, vertrokken meer U-boten met geestdriftige bemanningen naar het veelbelovende jachtterrein. Tot eigen verbazing bleek een middelbare U-boot de Atlantische Oceaan over te kunnen steken en dan nog voldoende brandstof over te hebben voor enkele weken actieve dienst. Ontdekt werd dat bij een constante snelheid, als ze niet opgejaagd werden en dus niet met hoge snelheid hoefden te varen, meer brandstof kon worden bespaard dan ooit voor mogelijk was gehouden. Natuurlijk gaf admiraal Dönitz bevel om alle U-boten die beschikbaar kwamen, uit te rusten in de havens van West-Frankrijk en zo snel mogelijk naar de Amerikaanse kustwateren te varen. De felheid van de aanvallen van Operatie Paukenschlag duurde tot juni 1942. Hiermee werd ook de uitbreiding naar zuidelijke Amerikaanse gebieden bewerkstelligd. Men verlegde het jachtterrein naar de Caribische Zee.
De gebrekkige Amerikaanse reactie
Animatie simulatie van een tankersilhouet tegen de verlichting van een kuststad. Na de introductie van de verduistering bleek de gloed van het achterland een blijvend probleem te zijn.
De Britten ervoeren in de eerste twee jaar van de tweede wereldoorlog dat de koopvaardij het best beschermd werd tegen vijandelijke aanvallen (zoals door onderzeeboten) door te varen in een konvooi. De Britten verloren in de eerste jaren veel schepen en stelden daarom een aantal regels voor de koopvaardij op die erg nuttig bleken. Handelsschepen moesten in een konvooi varen met of zonder marine escorte. Tevens moesten de schepen de standaard routes mijden. Daarnaast werden alle navigatiehulpmiddelen verwijderd zoals navigatieboeien, vuurtorens en het handhaven van een volledige verduistering van de kust. De marine en luchtmacht patrouilleerden dagelijks de zee om de Duitse onderzeeboten onmogelijk te maken zich te verplaatsen.
Deze ervaringen werden doorgegeven aan de Amerikanen. Deze adviezen werden echter maandenlang genegeerd. De kustvaart bleef via bekende routes varen en maakte gebruik van verlichte navigatiemiddelen. Kuststeden werd verzocht om te verduisteren vanaf 18 december 1941, ze werden niet verplicht het te doen. De kuststeden deden dit niet omdat ze de recreatie, toerisme en het bedrijfsleven wilden ontzien. Op 12 januari 1942 werd Admiraal Andrews gewaarschuwd dat 3 of 4 U-boten de Amerikaanse kustvaart zouden aanvallen. Andrews weigerde toen het konvooisysteem in te voeren omdat hij meende dat het de onderzeeboten juist meer doelwitten zou geven.
Ondanks de noodzaak om zich tegen de U-boten te verdedigen, werd weinig ondernomen. Een belangrijke fout van de Amerikanen was dat de verkeerde schepen gebouwd en ingezet werden. De Amerikaanse Marine had een groot tekort aan anti-onderzeeboot vaartuigen. Het constructieprogramma van de marine kende geen prioriteit toe aan anti onderzeebootjagers. Tevens bleven destroyers in de haven aan de oostkust en werden niet ingezet als escort voor een konvooi. Marine escortschepen moeten lang op zee kunnen blijven, een relatieve lage snelheid hebben en een groot aantal dieptebommen kunnen vervoeren. De beschikbare destroyers voldeden niet aan deze eisen. De Amerikaanse Marine beschikte niet over de Britse "Black Swan klasse" of fregatten. Tevens waren er weinig vliegtuigen voor de bestrijding van onderzeeboten beschikbaar inclusief een geoefende bemanning. Het aanbod van hulp vanuit de koopvaardij en particulier luchtvaartmaatschappijen werd geweigerd. Pas nadat de situatie nijpend was geworden accepteerde de Amerikaanse Marine hulp door rederijen en luchtvaartmaatschappijen.
De verantwoordelijkheid hiervoor lag bij Admiraal King. Zijn aandacht werd opgeslokt door de Japanse aanvallen in de Pacifische Oceaan. Het operatiegebied van Admiraal Andrews (North Atlantic Coastal Frontier) werd uitgebreid tot en met South Carolina en hernoemd tot de "Eastern Sea Frontier" De noodzakelijke schepen en vliegtuigen bleven echter onder het commando van Admiraal Royal E. Ingersoll, bevelhebber van de Atlantische vloot. Hij verbleef veel op zee en was onbereikbaar om besluiten te nemen. De wekelijkse rapporten van Rodger Wynn, vanuit Londen, over de U-boten werden genegeerd.
Als een typisch voorbeeld geldt: Toen de U-123 de Noorse tanker "Norness" tot zinken bracht in het zicht van Long Island op 14 januari, werd nagelaten een oorlogschip op onderzoek te sturen. Deze nalatigheid gaf de U-123 de kans om vervolgens de Britse tanker "Coimbra" tot zinken te brengen bij Sandy Hook, New Jersey. Op dat moment lagen er 13 destroyers in de haven van New York. 
Verhullende Amerikaanse propaganda
De onrust bij de bevolking over het verlies van de schepen was groot. De Amerikanen probeerden de onrust te verminderen door een combinatie van geheimhouding en misleidende informatie. De Amerikaanse marine maakte bekend dat de Duitse U-boten niet terugkeerden naar hun thuisbases en dat de details van de gezonken U-boten helaas niet openbaar konden worden gemaakt. Deze informatie zou de vijand namelijk kunnen helpen om aanvallen op de U-boten te vermijden. De Amerikaanse Marine vertelde dat alle getuigen gevraagd werd om het zinken van een U-boot geheim te houden. De eerste succesvolle vernietiging van een U-boot, de U-85, was op 14 april 1942 door de destroyer USS Roper. Pas na jaren werd duidelijk dat het voornaamste doel van de beroemde oorlogsslogan Loose Lips Sink Ships niet het geheimhouden van informatie aan de vijand was maar juist om het moraal van de bevolking hoog te houden. Het aantal verliezen was namelijk zo hoog dat de Amerikaanse Marine vreesde dat het de bevolking zou ontmoedigen.
Verdediging door Amerikaanse strijdkrachten
Het aantal Amerikaanse oorlogsbodems aan de Oostkust was beperkt in de eerste maanden van 1942. De reden was dat de meeste schepen betrokken waren in de zeeslag in de Pacifische Oceaan. De Amerikanen, onder de leiding van Admiraal Andrews, bewapende de koopvaardij om de handelsvloot tegen de U-boten te verdedigen en riepen de hulp in van de Canadezen en Britten. Vanaf maart 1942 werden 24 bewapende vissersboten en tien korvetten door de Britse Royal Navy ingezet aan de Amerikaanse Oostkust tevens escorteerden de Canadezen de handelsschepen op route tussen Halifax en Boston. Men kan echter spreken van een ongelijkwaardige strijd daar de Duitse U-boten moderner en beter bewapend waren dan de bewapende handelsschepen. De Britten brachten het 53ste Squadron van de Royal Air Force Coastal Command over naar Quonset Point, Rhode Island. Het doel was om de haven van New York te beschermen in de maand juli 1942. Het 53ste squadron werd in augustus 1942 verplaatst naar Trinidad samen met een squadron van de Amerikaanse luchtmacht om de handelsroute tussen de olievelden in Venezuela en Norfolk, Virginia te beschermen. De Amerikanen voerden langzamerhand het varen in een konvooi in en de verduistering van de kuststeden. In april 1942 mochten handelsschepen alleen nog overdag varen in (kleine) konvooien. Een volledig konvooisysteem inclusief escorte oorlogsbodems werd per midden mei 1942 ingevoerd. Het aantal handelsschepen dat tot zinken werd gebracht nam daarna fors af. Het konvooisysteem maakte het moeilijker voor de Duitse onderzeeboten. Admiraal Karl Dönitz besloot om het operatiegebied van de U-boten aan de Amerikaanse Oostkust te verleggen naar het zuiden. Het konvooisysteem werd vervolgens ook ingevoerd tot en met de Golf van Mexico; met het zelfde resultaat. Dit was het definitieve bewijs dat het konvooisysteem zeer effectief was en bewees dat de aanvankelijke bezwaren van de admiralen Ernest King en Adolphus Andrews onterecht waren. De Britse Royal Navy en de Royal Canadian Navy namen de escortering over van de handelsroute van Aruba naar New York. Snelle konvooien werden georganiseerd om de Britse eilanden van voldoende olie te voorzien.
De Duitse Marine was in de eerste maanden van 1942 zeer succesvol en bracht een groot aantal schepen tot zinken. De Duitse marine leed echter zelf ook een aantal verliezen. De Amerikaanse strijdkrachten brachten deze onderzeeboten tot zinken:
U-85: gezonken op 14 april door de destroyer USS Roper op de positie 35.917°N 75.217°W bij Cape Hatteras, de eerste U-boot die tot zinken werd gebracht in Amerikaanse wateren
U-352: gezonken op 9 mei door de kotter USS Icarus op de positie 34.2°N 76.583°W bij Cape Hatteras
U-157: gezonken op 13 juni door de kotter USS Thetis op de positie 24.217°N 82.05°W bij Havana, Cuba
U-158: gezonken op 30 juni door het marine vliegtuig (USN VP-74) op de positie 32.833°N 67.467°W ten westen van Bermuda
U-215: gezonken op 3 juli door de bewapende ASW Trawler HMS Le Tiger op de positie 41.48°N 66.38°W door middel van dieptebommen
U-701: gezonken op 7 juli door een Lockheed Hudson vliegtuig op de positie 34.833°N 74.917°W bij Cape Hatteras
U-153: gezonken op 13 juli door de destroyer USS Lansdowne op de positie 9.933°N 81.483°W bij Colón, Panama
U-576: gezonken op 15 juli door twee Kingfisher vliegtuigen en de onderzeeboot werd geramd door het U.S. motorvaartuig Unicoi op de positie 34.85°N 75.367°W bij Cape Hatteras
U-166: gezonken op 30 juli door het US Navy patrouille vaartuig, PC 566, op de positie 28.517°N 90.75°W in de Golf van Mexico, de enige U-boot die in the Golf van Mexico tot zinken werd gebracht tijdens de tweede 
 wereldoorlog

De tanker "Dixie Arrow", getorpedeerd bij Cape Hatteras door de U-71 op 26 maart 1942

 

 

 

 

 

 

 

 

Admiraal Karl Dönitz was verantwoordelijk voor de Duitse aanvallen op de kustvaart aan de Amerikaanse Oostkust vanaf de oorlogsverklaring door Duitsland aan de Verenigde Staten van Amerika.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De tanker MS Pennsylvania Sun, getorpedeerd door de U-571 op 15 juli 1942

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Animatie simulatie van een tankersilhouet tegen de verlichting van een kuststad. Na de introductie van de verduistering bleek de gloed van het achterland een blijvend probleem te zijn.

Operatie Market Garden 17-10-25 september 1944

Operatie Market Garden was een geallieerd offensief, in september 1944, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.Het is de grootste operatie op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was voor de geallieerden en Nederland grotendeels een mislukking doordat de laatste brug (die bij Arnhem) niet kon worden ingenomen en het westen van Nederland mede hierdoor niet bevrijd kon worden. Hierop kreeg het westen van Nederland te maken met de Hongerwinter.


Onderdelen en doelen

Market Garden bestond uit een grootschalige luchtlandingsoperatie (Market) en een grondoffensief vanuit België (Garden). Britse, Poolse en Amerikaanse luchtlandingstroepen zouden belangrijke bruggen over Nederlandse rivieren innemen, waarna grondtroepen via deze bruggen snel zouden kunnen doorstoten naar het IJsselmeer.Daarmee zouden de Duitse troepen in het westen van Nederland in de tang zijn genomen en was er tevens de mogelijkheid om naar het oosten door te stoten, waar het Ruhrgebied lag, het industriële hart van Duitsland.Bovendien werd op deze manier de gevreesde Westwall tussen Frankrijk en Duitsland omzeild. Minder bekend is de betekenis die Operatie Market Garden had voor het omsingelen van Antwerpen en het gebied waar de Slag om de Schelde zou worden uitgevochten.
Resultaat
Over het algemeen wordt de uitkomst van Market Garden als een mislukking gezien. Eisenhower noemde de operatie echter gedeeltelijk geslaagd, omdat het minder bekende doel, het beveiligen van de sector Antwerpen, wel was bereikt. Het afsnijden van de Duitse troepen in het westen van Nederland en het doorstoten naar het Ruhrgebied konden geen doorgang vinden, omdat de laatste en meest cruciale doelstelling van de operatie, de brug bij Arnhem, niet op tijd bereikt kon worden.
In het algemeen wordt verondersteld dat door het mislukken van de Slag om Arnhem de oorlog met een half jaar werd verlengd, terwijl het noordelijk en vooral het westelijk deel van Nederland een lange hongerwinter doormaakte. Die mening deelt overigens niet iedereen. Zo verklaarde de directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) in 1994 dat het vermoedelijk niets zou hebben uitgemaakt, omdat de Duitse bezetting in het westen van Nederland behoorlijk sterk was.Verder heeft Eisenhower in zijn boek "Kruistocht door Europa" kenbaar gemaakt dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, na een volledig succes van Market Garden er geen offensief richting het Ruhrgebied zou hebben plaatsgevonden voordat de bevoorradingsproblemen na de ingebruikname van de Antwerpse haven zouden zijn opgelost

Plan voor Market Garden
De Britse bevelhebber veldmaarschalk Bernard Montgomery pleitte tijdens de geallieerde opmars vanuit Normandië voor een bruggenhoofd in de Duitse linies. Na enige twijfel ging opperbevelhebber Eisenhower akkoord met dit gewaagde plan.
Het plan van Montgomery bestond uit twee del veldmaarschalk Bernard Montgomeryen, Operatie Market en Operatie Garden, en hield in dat Britse en Amerikaanse luchtlandingsdivisies belangrijke bruggen over, onder andere, de Rijn, de Maas en de Waal moesten veroveren, waarna grondtroepen uit België via deze bruggen konden oprukken richting het IJsselmeer. Hierdoor konden de Duitsers in Nederland in een tangbeweging worden gepakt en was het mogelijk om op te rukken naar het Ruhrgebied, waar het hart van de Duitse oorlogsindustrie was.
Het plan was zeer ambitieus en snelheid was van belang. Het Britse 30e Legerkorps, onder leiding van luitenant-generaal Brian Horrocks, moest vanuit België oprukken en binnen drie dagen in Arnhem zijn. Hiervoor moesten binnen deze drie dagen alle tussengelegen bruggen veroverd zijn. De Amerikaanse 101e Luchtlandingsdivisie (Screaming Eagles), onder leiding van generaal-majoor Maxwell D. Taylor, moest alle bruggen tussen Eindhoven en Veghel veiligstellen. De andere Amerikaanse luchtlandingsdivisie, de 82e Luchtlandingsdivisie (All-American), onder leiding van brigade-generaal James Gavin, kreeg de opdracht om alle bruggen tussen Grave en Nijmegen te veroveren. De Britse 1e Luchtlandingsdivisie, onder leiding van  generaal-majoor Roy Urquhart, moest de bruggen over de Rijn bij Arnhem innemen. De Poolse 1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade, onder leiding van generaal-majoor Stanisław Sosabowski, ondersteunden de Britten bij Oosterbeek, ter verdediging van de Rijn.
De operatie zou worden voorafgegaan door een bombardement om het Duitse luchtdoelgeschut en de vliegvelden in het zuiden van Nederland uit te schakelen.
Operatie Market omvatte het luchtlandingsplan en Operatie Garden het grondoffensief, samen werd dit Operatie Market Garden.
Verdeeldheid
Begin september naderde de Britse 21e legergroep, onder leiding van , de Belgisch-Nederlandse grens, terwijl generaal Omar Bradley met zijn Amerikaanse 12e Legergroep ten zuiden van de Ardennen niet ver meer van de Duitse grens was verwijderd. De opmars begon echter zijn vaart kwijt te raken doordat alle munitie, brandstof en andere legervoorraden nog altijd vanuit Normandië moest worden aangevoerd.Bovendien nam de Duitse tegenstand stevig toe nu de geallieerden de Duitse grens naderden.
Montgomery wilde via het Ruhrgebied in één keer doorstoten naar Berlijn.Patton wilde daarentegen een snelle doorbraak forceren in het Saarland.Beide bevelhebbers waren het erover eens dat de vluchtende Duitsers niet de tijd mochten krijgen om te herstellen. Opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower  was echter een andere mening toegedaan. Hij vond één doorstoot te riskant en wilde over een breed front oprukken. Eisenhower was van mening dat het ondanks de logistieke problemen mogelijk moest zijn om Patton van voldoende materieel te voorzien, zonder daarbij te korten op de voorraden van Montgomery.
Op 2 september, tijdens een bespreking met Bradley, Patton en Hodges, verklaarde Eisenhower dat hij zowel in het noorden (Montgomery) als in het zuiden (Patton), wilde oprukken.Eisenhower ging ervan uit dat de Duitsers hun troepen concentreerden rondom het Ruhrgebied en Saarland. Hierop moesten dan ook de geallieerde legers op worden aangepast. Zo kreeg Patton als versterking de beschikking over een extra legerkorps.Het zwaartepunt van de geallieerden bleef echter, zoals op 23 augustus afgesproken, voorlopig nog in het noorden liggen.
Rekening houdend met de penibele voorraadsituatie, verwachtte Eisenhower op korte termijn het punt waarop de geallieerde aanvallen noodgedwongen zouden stagneren en het initiatief uit hand werd gegeven. Voor dit punt bereikt was, wilde hij echter over een zo breed mogelijk front posities innemen die een succesvolle eindstrijd garandeerden. Dit hield in dat hij een doorbraak wilde forceren in de Westwall en een aantal bruggenhoofden over de Rijn wilde vormen. Daarnaast hoopte hij op de verovering van zowel het Ruhrgebied, als het Saarland.
Naast het bevoorradingsprobleem was er een communicatieprobleem tussen de geallieerde commandanten. Door de snelle opmars waren de hoofdkwartieren over heel het veroverde gebied verspreid. Eisenhower zat zelfs nog in Granville aan de Normandische kust.
Montgomery, wiens bevel over alle geallieerde grondtroepen eerder was afgenomen, was er heilig van overtuigd dat zijn plan, een doorstoot naar het Ruhrgebied, de oorlog nog voor Kerstmis kon beëindigen. Hij had zijn plan voorgelegd bij Eisenhower, maar kreeg te horen dat er over een breed front zou worden aangevallen.De Brit eiste daarop een persoonlijk gesprek met de Amerikaanse opperbevelhebber, dat plaatsvond op 10 september 1944.Één dag voor deze conferentie, kreeg hij vanuit Londen het bericht dat de eerste V2 raketten Engeland hadden getroffen en dat men voornemens was om de hoofdstad in zijn geheel te evacueren.Dit was een belangrijke factor in het uiteindelijke plan van Montgomery. Hij wilde een doorbraak forceren over de Waal en Rijn, waarna West-Nederland, waar de lanceerplaatsen van de V2’s zich bevonden, zou worden afgesneden.
Eisenhower kwam in de middag aan op het vliegveld in Evere bij Brussel, waar het onderhoud met Montgomery plaats zou vinden. Al snel uitte de Britse veldmaarschalk hevige kritiek op Eisenhower, omdat de Amerikaan over een breed front wilde oprukken. Nadat Eisenhower de Brit tot bedaren had gebracht, opperde deze direct dat hij Berlijn binnen een paar maanden zou bereiken, mits alle bevoorrading op zijn 21e Legergroep werd geconcentreerd.Eisenhower was echter de mening toegedaan dat Montgomery in dat geval te veel divisies zou moeten achterlaten om de flanken te beschermen, waardoor de opmars ergens diep in vijandelijk gebied tot stilstand werd gebracht.Dit zou er voor kunnen zorgen dat zijn legergroep werd ingesloten en in het slechtste geval vernietigd. Daarnaast wilde de Amerikaanse opperbevelhebber eerst de waterwegen naar de haven van Antwerpen vrij maken.Hiermee zouden de aanvoerproblemen grotendeels worden opgelost.
Montgomery liet het daar niet bij zitten en vertelde Eisenhower dat de Britten na diverse V2-aanvallen nu overwogen om Londen te evacueren. Ten slotte kwam Montgomery met zijn plan dat hij van tevoren zorgvuldig had uitgewerkt.
De Britse bevelhebber wilde bij Arnhem een bruggenhoofd over de Rijn vestigen na in een eerder stadium er al een over de Maas te hebben geslagen.Daardoor zouden de Duitse troepen in West-Nederland, waar de V2’s zich bevonden, worden ingesloten.Vanuit het bruggenhoofd zouden de geallieerden om de Westwall, die eindigde bij Kleef, heen kunnen trekken en van daaruit het Ruhrgebied kunnen innemen om de belangrijkste Duitse industrie te vernietigen. Daarna konden de geallieerden via de Noord-Duitse laagvlakte naar Berlijn doorstoten. Dit terrein was ideaal voor een snelle opmars met tanks. Het bruggenhoofd zou moeten worden gevormd door het 2e Britse leger, dat zich aan de Nederlands-Belgische grens bevond.Langs de marsroute van de Belgische grens tot aan Arnhem zouden bij iedere rivier- en kanaalovergangen luchtlandingstroepen worden gedropt.Die zouden de bruggen moeten veroveren en standhouden totdat het Britse leger arriveerde.
Eisenhower was diep onder de indruk van het gedurfde plan. De Amerikaan besefte echter wel dat de uitvoering van het plan leidde tot een vertraging van het vrijmaken van de Antwerpse haven. De bevoorradingsproblemen zouden voortduren en aangezien Montgomery alle voorraden nodig had, zou George Patton zijn opmars in Saarland niet kunnen voortzetten. Daar tegenover stond dat bij uitvoering van het plan het noordelijk front weer in beweging kwam en men een bruggenhoofd over de Rijn sloeg. Dit gaf voor Eisenhower de doorslag en hij ging akkoord met het plan van de Britse veldmaarschalk.Hij gaf Montgomery de opdracht zijn offensief zo snel mogelijk uit te voeren. Eisenhower zei nadrukkelijk dat het beslist niet zijn bedoeling was, dat Montgomery na het slagen van de operatie direct zou doorstoten naar Berlijn. De Amerikaan gaf het vrijmaken van de haven naar Antwerpen prioriteit.
Toen Bradley, bevelhebber van de 12e Legergroep, waar tevens het 3e Leger van Patton onder viel, kennis nam van het plan, maakte hij onmiddellijk bezwaar tegen het plan.Hij vertelde tegen Eisenhower dat de aanval ervoor zorgde, dat ze met een zak in het front kwamen te zitten. Eisenhower was het niet eens met deze bezwaren en liet weten het een verantwoorde gok te vinden. Het plan zou, ondanks de bezwaren van diverse Amerikaanse bevelhebbers, doorgang vinden.

Geallieerde parachutisten landen in Nederland tijdens Operatie Market Garden 
Datum 17 september 1944[1] – 25 september 1944[1] 
Locatie Corridor tussen Eindhoven en Arnhem, Nederland 
Resultaat Duitse overwinning 
Strijdende partijen 
Flag of the United Kingdom (3-5).svg Verenigd Koninkrijk 30e Legerkorps
1e luchtlandingsdivise
US flag 48 stars.svg Verenigde Staten
82e Luchtlandingsdivisie
101e Luchtlandingsdivisie
Flag of Poland.svg Polen
1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade
Canadian Red Ensign 1921-1957.svg Canada
1e Leger (Canada)
Flag of the Netherlands.svg Nederland
Prinses Irene Brigade
Nederlands verzet
Flag of German Reich (1933–1935).svg Duitsland 9e SS-Pantserdivisie
Kampfgruppe Walther van de 10e SS-Pantserdivisie
Commandanten en leiders 
Flag of the United Kingdom.svg Bernard Montgomery
Flag of the United Kingdom.svg Brian Horrocks
Flag of the United Kingdom.svg Roy Urquhart
US flag 48 stars.svg Lewis Brereton
Flag of the United Kingdom.svg Frederick Browning
US flag 48 stars.svg James Gavin
US flag 48 stars.svg Maxwell D. Taylor
Flag of Poland.svg Stanisław Sosabowski Flag of German Reich (1933–1935).svg Gerd von Rundstedt
Flag of German Reich (1933–1935).svg Walter Model
Flag of German Reich (1933–1935).svg Wilhelm Bittrich
Flag of German Reich (1933–1935).svg Hans von Tettau
Flag of German Reich (1933–1935).svg Hans von Obstfelder
Flag of German Reich (1933–1935).svg Hans Reinhard
Flag of German Reich (1933–1935).svg Eugen Mendl
Flag of German Reich (1933–1935).svg Kurt von Gottberg
Flag of German Reich (1933–1935).svg Kurt Feldt
Flag of German Reich (1933–1935).svg Kurt Student 
Troepensterkte 
30.000 20.000 
Verliezen 
Britten: 13.785
Amerikanen: 4000
Polen: 378 doden 2000-3000 doden, 7.000 inclusief gewonden en vermisten



De bruggen over Rijn, Maas en Waal

Operatie Market
Operatie Market was de codenaam van het luchtlandingsplan. In Engeland was op 2 augustus het Eerste Geallieerde Luchtlandingsleger gevormd, onder bevel van de Amerikaanse luitenant-generaal Lewis Brereton. Drie geallieerde luchtlandingsdivisies zouden worden afgeworpen boven de Nederlandse steden Eindhoven, Arnhem en Nijmegen en de weg vrijmaken voor het Britse 117e Legerkorps, dat opgesteld was nabij Leopoldsburg en via Joe's Bridge te Lommel oprukte richting Nederland. Op de eerste dag zou dit korps Eindhoven moeten hebben bereikt, op de tweede dag Nijmegen en op de derde dag Arnhem.
Eindhoven
De Amerikaanse 101e Luchtlandingsdivisie, bijgenaamd de Screaming Eagles, onder bevel van generaal-majoor Maxwell D. Taylor, zou in het gebied rond Eindhoven worden gedropt. Er waren droppingzones in Best, Son, Sint-Oedenrode en Veghel. De divisie moest de bruggen over de rivier de Aa en Zuid-Willemsvaart bij Veghel, de brug over de Dommel bij Sint Oedenrode en de brug over het Wilhelminakanaal bij Son innemen. Vervolgens moesten de manschappen oprukken tot Eindhoven en daar contact zien te leggen met oprukkende grondtroepen van het 30e Legerkorps.
Nijmegen
De Amerikaanse 82e Luchtlandingsdivisie, bijgenaamd All American, onder bevel van (toen nog) brigadegeneraal James Gavin, kreeg het gebied rond Nijmegen toegewezen. De droppingzones bevonden zich bij Groesbeek, Overasselt en Grave. Deze divisie had de taak om de hoogvlakte rondom Groesbeek te bezetten en de bruggen over de Waal bij Nijmegen, over de Maas bij Grave en ten minste één brug over het Maas-Waalkanaal in te nemen. De inname van de Waalbrug bij Nijmegen kreeg hierbij de laagste prioriteit, waardoor deze pas na enkele dagen van zware gevechten werd ingenomen.
Arnhem
De Britse 1e Luchtlandingsdivisie, onder bevel van generaal-majoor Roy Urquhart, zou landen nabij Arnhem. Er waren droppingzones in Wolfheze, Oosterbeek en Ede. Deze divisie moest de verkeersbrug in Arnhem veroveren en deze minstens 48 uur bezet houden, totdat er versterking zou komen vanuit het zuiden. Deze divisie zou steun krijgen van de Poolse 1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade, onder bevel van generaal-majoor Stanisław Sosabowski die later werd gedropt. 
Operatie Garden
Het Britse 30e Legerkorps, onder leiding van luitenant-generaal Brian Horrocks, moest uit het bruggenhoofd over het Maas-Scheldekanaal bij Lommel oprukken over de door de luchtlandingstroepen vrijgemaakte route. Ze moesten de route volgen over de as Eindhoven, Sint-Oedenrode, Veghel, Uden, Grave, Nijmegen en Arnhem. Van daaruit moest het korps doorstoten naar het IJsselmeer om de Duitse troepen in West-Nederland af te snijden. Hierna moesten er bij Doesburg, Zutphen en Deventer bruggenhoofden over de IJssel worden geslagen, waarna men direct kon doorstoten naar het Ruhrgebied.
De voorhoede van het Britse 30e Legerkorps werd gevormd door de pantserdivisie "Grenadier Guards". Daarachter kwamen de 43e Wessex- en de 50e Northhumberland-infanteriedivisie. Ten slotte volgden nog de Britse 8e pantserbrigade en de Nederlandse Prinses Irene Brigade.
Het Britse 30e Legerkorps bestond uit ruim 50.000 manschappen en omvatte ongeveer 22.000 voertuigen. Dit moest tot aan Arnhem over slechts één weg worden verplaatst. De grondoperatie was dus zeer kwetsbaar voor tegenaanvallen. Om de kwetsbaarheid ietwat te verminderen, werden nog twee legerkorpsen ingezet om de flanken te beveiligen. Het Britse 8e Legerkorps dekte de rechterflank, terwijl de linkerflank werd beschermd door het Britse 12e Legerkorps.

Kenteken van het Eerste Geallieerde Luchtlandingsleger

Monument bij de John Frostbrug


Duitse wanorde en herstel, begin september 1944
Dolle Dinsdag

Toen de geallieerden België binnen enkele dagen hadden veroverd, leek het een kwestie van tijd dat ook Nederland werd bevrijd. Radio Oranje zond zelfs een proclamatie uit van Koningin Wilhelmina:
Aanhalingsteken openen 
"Leve het Vaderland! Nederland herrijst. De bevrijding is begonnen. Landgenoten. Er hangt veel af van uw rustige, ordelijke en eendrachtige houding in de komende dagen. Ik en mijn verantwoordelijke raadgevers hopen spoedig weer op vaderlandse bodem te zijn ten einde de leiding van ’s lands zaken weer op te nemen.
Minister-president Gerbrandy maakte bekend dat de geallieerde troepen de Nederlandse grens waren gepasseerd.Op 4 september meldde de BBC zelfs dat Breda al was bevrijd. In heel Nederland ontstond een vrolijke stemming. De geruchten varieerden per stad. In Rotterdam werd verteld dat de Canadese troepen al bij de Moerdijk waren, terwijl in Amsterdam al de ronde ging dat Rotterdam en Den Haag waren bevrijd.
De Duitse Rijkscommissaris, Arthur Seyss-Inquart, had op 1 september 1944 het bevel gegeven dat alle Duitse burgers in Nederland naar het oosten van het land moesten worden geëvacueerd.Zodra het nodig was, konden ze naar Duitsland ontsnappen. Zelf betrok Seyss-Inquart een bunker in Apeldoorn. Anton Mussert, leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), gaf zijn partijleden de raad om ook naar het oosten te vluchten.
In eerste instantie verliep de Duitse evacuatie vrij ordelijk en rustig, maar na de val van Antwerpen op 4 september en een proclamatie van de koningin vanuit Engeland ontstond er grote paniek. Grote aantallen NSB’ers verzamelden zich op de stations om naar het oosten van het land of zelfs naar Duitsland te vluchten. Duitse soldaten deserteerden en vluchtten eveneens naar het oosten en/of Duitsland.
De Nederlanders kregen steeds meer het gevoel dat het einde van de oorlog nabij was. In het zuiden van het land had men dagenlang kanongebulder gehoord en iedereen was aan het wachten op de eerste geallieerde troepen. Diverse oranje lintjes en Nederlandse vlaggen werden uitgehangen, maar de troepen kwamen maar niet.Al snel besefte het verzet dat Breda helemaal niet was bevrijd, zoals wel werd gemeld. Ze kwamen er zelfs achter dat de Britten niet eens de grens waren gepasseerd. Ze begonnen zich ongerust te maken en hoopte dat de geallieerden snel aanvielen, nu de Duitsers nog ongeordend rond renden.
Duitse orde herstelt
Op 4 september 1944 onthief Hitler veldmaarschalk Walter Model van het opperbevel in het westen.Hij benoemde hem tot bevelhebber van Heeresgruppe B. Model was niet blij met de nieuwe situatie, aangezien hij zichzelf geen geschikte opperbevelhebber vond. Hij had een hekel aan alle administratieve zaken die erbij kwamen kijken: het liefste was hij tussen zijn troepen aan het front.
Direct na zijn benoeming tot bevelhebber van Legergroep B, kreeg hij te maken met grote problemen. Zijn legergroep was door de geallieerden in tweeën gesneden. Het 15e leger, onder leiding van Von Zangen, bevond zich ten zuiden van de Westerschelde en probeerde via Walcheren en Zuid-Beveland naar Brabant te ontkomen. Het 7e leger was door de Amerikaanse troepen teruggeslagen naar Aken en Maastricht. Tussen beide legers bevond zich een gat van ruim 120 kilometer. Mede door dit gat vluchtten Duitse soldaten naar het noorden en oosten van Nederland. Model was bang dat het Britse 2e leger, dat aan de Nederlandse grens stond, in dit gat dook.
Model, die faam had gemaakt aan het oostfront met geïmproviseerde verdediging, had de zware taak om de wanordelijke terugtocht tot staan te brengen. Hij liet een dagorder uit gaan, waarin hij een oproep deed om de terugtocht te staken. Deze dagorder bereikte slechts weinigen.
Luitenant-generaal Kurt Chill had de dagorder echter wél ontvangen. Hij was in de strijd vrijwel zijn gehele 85e infanteriedivisie kwijt geraakt. Hij kreeg het bevel om de restanten ervan te verzamelen en zich daarna terug te trekken naar Duitsland.Toen hij de wanordelijke terugtocht zag en de dagorder van Model las, besloot hij het eerdere bevel te negeren. Nadat hij zijn troepen had verzameld, liet hij de soldaten zich ingraven aan het Albertkanaal en plaatste hij officieren op de brug.Deze officieren kregen de taak om de vluchtende troepen tegen te houden. De troepen, variërend van kanonniers tot koks, werden gebruikt ter verdediging van het Albertkanaal.De wanordelijke terugtocht in dit gebied was tot staan gebracht en het Albertkanaal werd nu gedeeltelijk verdedigd.
Op 4 september 1944 kreeg Kurt Student het bevel van Hitler om het 1e Duitse Parachutistenleger samen te stellen en daarmee het gat tussen Antwerpen en Maastricht te dichten.Student kreeg de beschikking over 4000 getrainde parachutisten en moest het verder zien te rooien met oudere mannen zonder gevechtservaring, werklozen van de luchtmacht, matrozen en luchtdoelartilleristen. Hij kreeg tevens de beschikking over vijfentwintig tanks.
Student stuurde zijn parachutisten onmiddellijk vooruit en binnen vierentwintig uur waren ze bij het Albertkanaal.Daar maakte hij een verkenningstocht en kwam tot de conclusie dat Chill een klein wonder tot stand had gebracht. Student richtte zijn hoofdkwartier in bij Vught.
Het leger van Student kreeg onverwachts versterking. Von Zangen was er met zijn 15e leger in geslaagd om met allerlei vaartuigen de Westerschelde over te steken en trok via Zuid-Beveland naar Brabant.Het gat tussen de twee legers van Model begon zich langzaam te sluiten en daarmee was een van zijn voornaamste problemen opgelost.
Verloop van de slag
Dag 1: Zondag, 17 september
Op de vliegvelden in Groot-Brittannië stonden de troepen klaar bij de vliegtuigen voor het begin van Operatie Market Garden. Om 09.45 uur stegen de eerste vliegtuigen op. Ze zetten koers naar twee verzamelpunten, Hatfield, even ten noorden van Londen, en March. De totale luchtvloot bestond uit 1073 troepentransportvliegtuigen en 500 zweefvliegtuigen die begeleid werden door meer dan 1500 jagers.Dit was geen overbodige luxe gezien de lage snelheid (200 km/u) en de geringe vlieghoogte (500m). Na twee uur was het hele leger van 20.000 man, 511 voertuigen en 330 stukken geschut in de lucht.De Noordzee was kalm en er lagen tientallen reddingsboten om eventuele drenkelingen te redden.
Landingen bij Eindhoven
De Amerikaanse 101e Luchtlandingsdivisie had boven het door de geallieerde veroverde België een rustige vlucht gehad. Toen ze bij de Belgisch-Nederlandse grens waren, zagen ze lange colonnes van het Britse 30e Legerkorps klaarstaan. Al snel over de grens werden de vliegtuigen van de 101e Luchtlandingsdivisie stevig onder vuur genomen.De langzaam en laagvliegende vliegtuigen waren, zeker op klaarlichte dag, een eenvoudig doelwit voor het Duitse afweergeschut. In tegenstelling tot in Normandië, bleven de formaties ditmaal wel gesloten en werd er dwars door het afweergeschut naar de landingsgebieden gevlogen.
Een gebombardeerd stuk van Nijmegen. In de verte de brug over de Waal
Van de 424 Dakota's werden er zestien neergeschoten en raakten er iets meer dan honderd beschadigd.Van de zeventig zweefvliegtuigen (van het type Waco CG-4 en het type Horsa) bereikte er drieënvijftig hun bestemming.Ondanks de verliezen, beschouwde Maxwell Taylor, bevelhebber van de 101e Luchtlandingsdivisie, de landing als een groot succes. Vrijwel alle troepen waren op de juiste plaats geland, hetgeen de snelheid van de operatie ten goede kwam.
Het 501e regiment dat bij Veghel was geland, had die plaats en de bruggen over de Aa en de Zuid-Willemsvaart binnen twee uur ingenomen.Het 502e regiment nam al vrij snel Sint Oedenrode in en veroverde de brug over de Dommel.Eén compagnie van het 502e regiment werd direct naar de brug over het Wilhelminakanaal bij Best gestuurd. Deze brug stond niet op de route, maar diende als reserve brug voor het geval de brug nabij Son niet onbeschadigd in handen van de geallieerden viel.
Het 506e regiment rukte direct van de Sonse Heide op naar de brug over het Wilhelminakanaal bij Son. Die brug was het hoofddoel van het regiment. Vlak voordat ze het dorp bereikte, kwam het regiment onder hevig vuur van de Duitsers te liggen.Het 88 mm kanon werd al vrij snel uitgeschakeld en de troepen namen het dorp in. Toen ze oprukten naar de brug, werd deze voor hun ogen door de Duitsers opgeblazen.[12][13] Geniesoldaten hadden de brug binnen anderhalf uur deels hersteld, maar het was niet voldoende om voertuigen over te verplaatsten. Ze konden echter wel een klein bruggenhoofd aan de andere kant van de brug vestigen, waardoor het bouwen van een nieuwe brug minder gevaarlijk was.De reservebrug bij Best, was eveneens opgeblazen en dus moesten de genietroepen zo snel mogelijk een nieuwe, voor tanks berijdbare, brug bouwen.

Walter Model en Kurt Student houden krijgsberaad tijdens de Slag om Arnhem

Dakota C-47-vliegtuigen gereed voor vertrek op 17 september 1944

 

Gevangengenomen geallieerde parachutisten

Een gebombardeerd stuk van Nijmegen. In de verte de brug over de Waal

Landingen bij Nijmegen
Waar de 101e Luchtlandingsdivisie een rustige vlucht over het bevrijde België had, moest de 82e Luchtlandingsdivisie over een groot deel van Nederland vliegen. Hierdoor was de vlucht een stuk onrustiger. Niet ver van Vught, waar Kurt Student zijn hoofdkwartier had, stortte een Amerikaans zweefvliegtuig neer.Een door Student uitgezonden verkenningseenheid vond in de borstzakken van een dode officier het complete plan van Operatie Market Garden.Niet veel later had Student het plan op zijn bureau liggen en wisten de Duitsers wat de geallieerden allemaal van plan waren.
De landingen van de 82e Luchtlandingsdivisie verliepen eveneens vrij succesvol.Nadat de hoofdmacht was geland, werd er nog een eenheid met twaalf uitneembare 75 mm houwitsers gedropt
Het 504e regiment landde bij Overasselt. Één compagnie van dit regiment kwam vlak ten zuiden van de Maas bij Grave terecht.Het doel was de brug met een lengte van 520 meter te veroveren. Deze brug moest onbeschadigd in handen van de geallieerden vallen, want een nieuwe brug maken was vrijwel onmogelijk. Na een kort, maar hevig gevecht viel de brug in Amerikaanse handen.Nog diezelfde dag werd er contact gemaakt met de troepen die ten noorden van de brug waren geland.
De geallieerden kregen van het verzet te horen dat veel Duitsers uit Nijmegen vluchtten en dat de Waalbrug slecht werd verdedigd. Bevelhebber van de 82e Luchtlandingsdivisie, James Gavin, besloot pas in de avond van de eerste dag een aanval te doen. Twee compagnieën trokken de stad binnen. Één peloton kwam tot aan de brug, maar stuitte daar op zware tegenstand van een verkenningseenheid van de 9e SS-Pantserdivisie, die door Wilhelm Bittrich direct na de landingen naar Nijmegen was gestuurd. De brug van Nijmegen werd deze eerste dag dus niet veroverd wat later grote gevolgen zou hebben voor de gehele operatie. 
Landingen bij Arnhem
In de morgen en middag vlak voor de landingen werd de omgeving van Arnhem en de stad zelf flink aangevallen door jachtvliegtuigen. Zij hadden het voornamelijk voorzien op het Duitse luchtdoelgeschut. Het centrum van Arnhem liep hierbij ook aanzienlijke schade op.
In de omgeving van Heelsum en Wolfheze landden in de middag de parachutisten en zweefvliegtuigen van de Britse eerste luchtlandingsdivisie onder generaal-majoor Roy Urquhart. De landingen werden perfect uitgevoerd en er was geen weerstand. Urquhart vestigde zijn hoofdkwartier aan de bosrand. Hoewel er geen Duitsers te bekennen waren, waren er al direct problemen voor de Britten. De radioapparatuur deed het niet goed en de radiotelegrafisten hadden de grootste moeite om contact te krijgen met andere bataljons, laat staan het opperbevel in Engeland.Bovendien hoorde Urquhart dat een groot deel van de verkenningseenheid van majoor Freddy Gough niet aangekomen was. Dit bericht bleek later onjuist te zijn maar de jeeps die de opdracht hadden snel in een "coup de main" de brug te bezetten liepen direct na vertrek van het landingsterrein in een hinderlaag bij Wolfheze. De brug kon dus niet "snel" bezet worden.
De eerste parachutistenbrigade van brigadegeneraal Lathbury had als opdracht om zo snel mogelijk naar de verkeersbrug in Arnhem op te rukken, een afstand van 13 kilometer.De eerste luchtlandingsbrigade van brigadegeneraal Hicks moest het landingsgebied behouden, aangezien op 18 september nog een tweede landingsgolf zou volgen. De helft van de divisie werd dus naar Arnhem gestuurd, de andere helft zette een verdedigingsgordel op rondom het landingsgebied. Wegens het wegvallen van de verkenningseenheid en het feit dat er geen verbinding was tussen de eenheden, besloot Urquhart er zelf op uit te trekken. Achteraf gezien bleek dit een van de slechtste beslissingen.
Zowel het 1e parachutisten bataljon als het 3e parachutisten bataljon liepen op de eerste dag ernstige vertraging op.Een paar honderd Duitse SS soldaten onder leiding van Sepp Krafft hielden de Britse eenheden op. Door de voorzichtigheid van de Britten konden de Duitsers lang standhouden. Daarnaast werden beide Britse bataljons flink opgehouden door de hen begroetende burgerbevolking. Alleen de opmars van het 2e parachutisten bataljon, onder leiding van luitenant kolonel John Frost, verliep voorspoedig.Frost had op de zuidelijke route veel minder last van tegenstand. De spoorbrug van Arnhem werd op het moment dat het bataljon arriveerde opgeblazen en bij de schipbrug ontbrak het middenstuk. De enige overgebleven brug bleef dus de verkeersbrug. Deze moest ten koste van alles worden ingenomen, zonder enige beschadiging. Frost en zijn eenheid nestelden zich aan de noordzijde van de brug in enkele gebouwen. Twee aanvallen om ook de zuidelijke oprit van de brug te bezetten faalden.De troepen bleven aan de noordzijde zitten. De Britten werden constant vanuit een kazemat onder vuur genomen, waarna Frost besloot er twee man met een vlammenwerper op af te sturen. De vlammen bereikte echter ook een houten schuur, die dienst deed als munitiedepot.Een flinke chaos was het gevolg. Op datzelfde moment opende de Duitsers ook aan de andere kant van de brug het vuur. Frost kwam al snel tot de conclusie dat hij met alleen zijn eenheid niet in staat was het andere einde van de brug te bezetten.
Het 3e bataljon was ondertussen pas halverwege de geplande route gekomen. Het 1e bataljon was in stukjes uiteengevallen, maar trok, zij het met een flink aantal schermutselingen, wel een flink eind op. Ze wisten iets meer dan de helft van de route af te leggen.

Twee sergeanten kammen een beschadigde school te Oosterbeek uit op zoek naar Duitse scherpschutters

 

Door bombardementen vernielde verkeersbrug. Later is de nieuwe brug "John Frostbrug" gedoopt.

Opmars Britse 30e Legerkorps
Om twee uur vlogen de vliegtuigen over de lange colonnes van het Britse 30e Legerkorps. Dit was het signaal voor de grondtroepen om te beginnen met hun aanval. Bevelhebber Brian Horrocks gaf het signaal voor de artilleriebeschietingen. Ongeveer 350 kanonnen openden het vuur op Duitse stellingen.Na langdurige beschietingen gaf Keith Heathcote, commandant van de voorste tankeenheid, om 14:35 uur het bevel om te gaan rijden.De tanks zetten zich in beweging en met een snelheid van gemiddeld twaalf kilometer per uur rolden ze over de weg. Het artillerievuur werd steeds verlegd. De infanteriesoldaten gebruikten de tanks tevens als vervoermiddel. De colonne werd beschermd door Hawker Typhoon jachtbommenwerpers. De pantsereenheden droegen gele linten als herkenningsteken.
De eerste troepen waren al snel de grens over. Aan beide zijden van de weg lag de Kampfgruppe Walther.De Duitsers lieten de eerste tanks ongehinderd passeren, waarna ze het vuur openden. Binnen enkele minuten waren negen tanks uitgeschakeld. De stukgeschoten tanks versperden de weg en de colonne moest stoppen. De grondtroepen vuurden paarse rookgranaten af om de Duitse stellingen te markeren en de Typhoons vielen deze vanuit de lucht aan.Het kostte de geallieerden enkele uren om de Duitse stellingen volledig op te rollen en de weg vrij te maken. Horrocks had in zijn planning opgenomen dat de twintig kilometer naar Eindhoven binnen twee, hooguit drie uur zou zijn afgelegd. Toen de avond viel waren de Britten echter niet verder gekomen dan Valkenswaard, ongeveer halverwege.
Dag 2: Maandag, 18 september
Op 18 september werd Eindhoven door de 101e Luchtlandingsdivisie veroverd. Het Britse landleger maakte in de middag met deze divisie contact. Er werd direct doorgestoten naar Son, waar begonnen werd met het bouwen van een Baileybrug. Ondertussen hadden het 2e en 3e bataljon van het 501e Parachute Infantry (Geronimo) Regiment, die geland waren op De Dubbelen, tussen Eerde en Veghel deze plaatsen versterkt met het oog op een op handen zijnde Duits tegenaanval. Die begon op 18 september, toen Duitse troepen via het Duitse Lijntje vanuit Schijndel de aanval op Veghel openden. Ondertussen werden de Amerikanen in Eerde vanuit de ten zuidoosten van het dorp gelegen zandduinen door Duitse troepen bestookt.
De 82e Luchtlandingsdivisie probeerde ondertussen met man en macht de Waalbrug bij Nijmegen te veroveren, maar alle pogingen werden afgeslagen. Rondom Groesbeek werden zware Duitse aanvallen vanuit het Reichswald tot staan gebracht. Daarnaast werd rondom Niftrik zwaar gevochten om de spoor- en verkeersbrug over de Maas in handen te krijgen. In en rondom Arnhem werd ook zwaar gevochten. De troepen bij de noordelijke oprit onder leiding van Luitenant-Kolonel John Dutton Frost sloegen aanval na aanval af. Op de Ginkelse Heide landde de 4th Parachute Brigade onder Brigadegeneraal John Hackett midden in een veldslag. De rest van de divisie probeerde de mannen bij de brug te bereiken maar konden niet door de, nu al zeer taaie, Duitse tegenstand breken.
Dag 3: Dinsdag, 19 september
Op 19 september leek het Operatie Market Garden voor de wind te gaan: de grondtroepen hadden de brug bij Son gerepareerd, Britse tanks versterkten de ingenomen kanaalbrug bij Veghel en na een korte rit door het niemandsland tussen Veghel en Grave werd de link gelegd met de 82e Luchtlandingsdivisie. De verkeersbrug bij Niftrik was opnieuw veroverd, de brug bij Nijmegen kon echter opnieuw niet veroverd worden. Rondom Son werden zware Duitse tegenaanvallen gestopt. Het dorp Eerde onder Veghel was wederom in Duitse handen gevallen, waardoor de Duitsers op minder dan een kilometer afstand van de corridor zaten. Kolonel Johnson, die bang was dat de troepen in Veghel geïsoleerd kwamen te liggen, besloot om een deel van zijn regiment voor een tegenaanval naar Eerde te sturen.
In Arnhem was het verloop van de dag catastrofaal. Het lukte de Britten niet om door te stoten naar de brug: met zeer zware verliezen moest er teruggetrokken worden op Oosterbeek. De 4e Parachutistenbrigade vocht zich kapot in hun poging de droppingzone voor de bevoorrading te veroveren, slechts een klein deel lukte het om zich op Oosterbeek terug te trekken. Midden in de terugtrekking landde een deel van de Polen in zweefvliegtuigen met al hun zware materieel in de droppingzone. Op dat moment werd daar zwaar gevochten. Het grootste gedeelte van dit gevechtsmateriaal ging hierbij verloren. Bij de brug werd de situatie steeds zorgwekkender. In de avond bombardeerden de Duitsers Eindhoven, hierbij kwamen 227 mensen om het leven.
Dag 4: Woensdag, 20 september
Op 20 september lukte het eindelijk om de brug bij Nijmegen te veroveren. De Duitsers hadden explosieven aangebracht aan de Waalbrug, maar deze werden niet tot ontploffing gebracht, mogelijk mede door sabotage van verzetsstrijder Jan van Hoof. De manschappen van de 82e staken in canvasbootjes onder zwaar vuur van de Duitsers de Waal over en wisten, met grote verliezen, de spoor- en verkeersbrug te veroveren. Deze Waaloversteek wordt nu door het Amerikaanse leger als een van hun meest heroïsche daden beschouwd. Tegen de tijd dat de brug in geallieerde handen was, was het avond en waren er niet genoeg grondtroepen beschikbaar om meteen de aanval richting Arnhem te beginnen. In Nijmegen werd op dat moment nog hard gevochten.
In Arnhem was de situatie bij de brug uiterst precair. De brug was nog steeds in handen van de Britten, maar omdat zij zonder water en voedsel zaten en met een gebrek aan munitie kampten leek de uitslag duidelijk. Ook in de op 19 september gevormde perimeter rondom Oosterbeek werd zwaar gevochten; op dit moment waren er van de 10.000 gelande parachutisten van de 1e Luchtlandingsdivisie er slechts 3.000 over in Oosterbeek en ongeveer 500 bij de brug.
Bij het Brabantse Eerde hadden op 20 september weer zware gevechten plaats, waarbij een groot deel van het dorp in puin geschoten werd. Aan het einde van de dag hadden de Amerikanen het dorp echter opnieuw in handen.

De 4e Parachutistenbrigade in actie te Oosterbeek

Dag 5: Donderdag, 21 september
Op 21 september werd in alle vroegte door de Duitsers het laatste Britse verzet bij de brug opgeruimd, waarna de brug door de Duitsers onmiddellijk werd gebruikt om versterkingen aan te voeren die de aanval van de Britse grondtroepen richting Arnhem moesten tegenhouden. De Duitse aanval begon in alle vroegte maar werd al snel tot staan gebracht, verder dan Elst op 5 km van de brug bij Arnhem kwamen de Duitsers niet. Bij Driel landde het merendeel van de Poolse brigade; een deel van de vliegtuigen keerde terug naar Engeland zonder de parachutisten te droppen. In Oosterbeek probeerden de Duitsers de perimeter van de Rijn te scheiden maar na zware gevechten bleef de perimeter nagenoeg hetzelfde. Dit was mede dankzij de hulp van de zware artillerie van de Britse grondtroepen.
Dag 6: Vrijdag, 22 september
Op 22 september werd de geplande zware Duitse aanval op de Britse parachutisten in de perimeter uitgesteld. Direct zetten de Duitsers 2.500 man in tegen de op 21 september gelande Polen. Een verkenningsonderdeel van het Britse 30e Legerkorps wist via achterafwegen Driel te bereiken, waarmee de laatste link gelegd was. Onmiddellijk werden er plannen gemaakt om de perimeter rondom Oosterbeek te versterken met Poolse para's. Hier kwam echter weinig van terecht. De Polen moesten de Duitsers afslaan en zij hadden nauwelijks boten. Bovendien lag de oversteekplaats onder Duits vuur vanaf de hoge oeverwal bij de Westerbouwing. Uiteindelijk werden er ongeveer 50 Polen in rubberbootjes de Rijn overgezet.
Aangezien bronnen meldden, dat de Duitsers vanuit Schijndel een aanval planden op Veghel, besloten de Amerikanen de Duitsers in Schijndel te verslaan. De verovering van Schijndel verliep via Heeswijk en Eerde en het dorp werd zonder veel noemenswaardigheden bezet. Ondertussen hadden de Duitsers vanuit oostelijke richting een offensief op Veghel geopend. Terwijl de Amerikanen Schijndel innamen hadden Duitse troepen de corridor bij Eerde opnieuw doorbroken en het dorp veroverd. Ook bij het noordelijk van Veghel gelegen kerkdorp Mariaheide werd de corridor door de Duitsers doorbroken. Pas na 24 uur lukt het de geallieerden om de geallieerde corridor weer te heropenen.
Dag 7: Zaterdag, 23 september
Op 23 september werd rondom de perimeter hard gevochten en de Duitsers probeerden met sluipschutters en artilleriebeschietingen de Britse para's murw te maken. Deze hadden een chronisch gebrek aan voedsel, medicijnen en munitie. Het grootste gedeelte van de dagelijkse droppings kwam in vijandelijke handen terecht. Nog eens 150 Polen van het 3e Bataljon wisten de Rijn over te steken en versterkten de perimeter. Alle overgebleven burgers uit Arnhem, Oosterbeek, Renkum en Wageningen werden geëvacueerd door de Duitsers.
Dag 8: Zondag, 24 september
Op 24 september bedachten de generaals van het 30e Britse Legerkorps een halfslachtige poging om de perimeter te versterken en hielden de Conferentie van Valburg. In de avond staken de 4th Dorsets de Rijn over maar zij kwamen door de Duitse beschietingen vanaf de Westerbouwing zo verspreid terecht dat maar heel weinigen de perimeter bereikten. Bij Veghel (Koevering) werd de geallieerde corridor opnieuw door Duitse troepen doorbroken. Dit was de nekslag voor de operatie. Er werd besloten om de overgebleven troepen uit de perimeter te evacueren.
Dag 9: Maandag, 25 september
Op 25 september werden de hele dag voorbereidingen getroffen om de para’s uit Oosterbeek te evacueren. Boten werden gereed gemaakt en de tactiek werd nog eens doorgenomen. De Polen zouden als laatste de overtocht maken, nadat ze de Britten hadden gedekt in hun overtocht.
Dag 10: Dinsdag, 26 september
In de nacht vond de grootschalige evacuatie plaats. In barre weersomstandigheden en onder dekking van zware artilleriebeschietingen vanuit Nijmegen, voeren stormboten van de 43e Infanteriedivisie af en aan om de ongeveer 2400 manschappen naar de zuidelijke Rijnoever te brengen.Er waren echter te weinig boten, waardoor niet iedereen kon worden overgezet. Die nacht slaagde 2163 man erin om de rivier over te steken.Bij het aanbreken van de dag werd de evacuatie gestaakt. Duits vuur maakte verder gaan onmogelijk. De gewonden werden samen met de medische eenheden achtergelaten.
Het was de hele dag doodstil in Oosterbeek en omstreken. De bewoners van het dorp en Arnhem kregen van de Duitsers het bevel het gebied te verlaten.In het zuiden in de sector van de 101e Luchtlandingsdivisie werd de corridor door de geallieerden weer geopend. Arnhem was niet meer de eindbestemming van de route, maar de nieuwe frontlijn lag bij Nijmegen.
Later slaagde dankzij Nederlandse hulp nog eens 250 man erin om naar de overkant van de Rijn te komen.Daaronder waren de brigadegeneraals Hackett en Lathbury, die in het Elisabeths Gasthuis waren doorgegaan voor korporaal eerste klasse.
Resultaat
Door het mislukken van Market Garden duurde de Tweede Wereldoorlog in Europa een half jaar langer. Men hoopte dat de oorlog voor kerst 1944 voorbij had kunnen zijn als de operatie wel geslaagd was. De operatie had veel militaire middelen gekost en de geallieerde opmars kwam vrijwel tot stilstand. Dit gaf de Duitsers de gelegenheid om het Ardennenoffensief voor te bereiden waar de geallieerden hun handen vol aan hadden. Doordat het mislukken van de operatie Market Garden samenviel met de Spoorwegstaking leed het westen van Nederland zwaar onder de hongerwinter en het staken van de voedselvoorziening door de bezetter als represaille, terwijl het zuiden al bevrijd was.

Sosabowski en Browning

Herdenkingen
Airborne Wandeltocht
De Airborne Wandeltocht is een van de grootste eendaagse wandeltochten ter wereld. Deze herdenkingstocht in het kader van de Slag om Arnhem 1944 vindt ieder jaar plaats op de eerste zaterdag in september te Oosterbeek en vormt de aftrap van de Airborne herdenkingen in de regio. Aan de wandeltocht doen ruim 32.000 wandelaars mee uit 17 verschillende landen.
Herdenking Airborneplein
Tijdens de jaarlijkse herdenking bij het monument op het Airborneplein met een internationaal karakter worden alle geallieerden herdacht, die gesneuveld zijn bij hun pogingen om de brug over de Rijn (de John Frost brug) te veroveren en te behouden in de periode 17 – 26 september 1944.
Herdenking Begraafplaats
Op de begraafplaats in Oosterbeek liggen meer dan 1750 geallieerde militairen begraven, die gesneuveld zijn tijdens de Slag om Arnhem. Op de eerste zondag na 17 september worden zij met groot eerbetoon herdacht in het bijzijn van veteranen, hun familie en duizenden geïnteresseerden. Traditioneel leggen ‘bloemenmeisjes’ – schoolkinderen uit de gemeente Renkum - bloemen bij de graven.
Ginkelse Heide
Jaarlijks vindt er op de Ginkelse Heide een dropping plaats ter nagedachtenis van de Slag om Arnhem. In 2006 hebben nog vijf oud-strijders met een tandemsprong en een bestuurbare parachute aan de dropping meegedaan. Daarnaast zijn er ook Engelse en Nederlandse parachutisten gesprongen met de traditionele modellen van de in 1944 gebruikte parachutes. Het Engelse type is niet en het Nederlandse beperkt bestuurbaar.
World Liberty Concert
In 1995 is er een uniek herdenkingsconcert in het kader van 50 jaar vrijheid in Europa georganiseerd aan de voet van de John Frostbrug, het World Liberty Concert. Daarbij werd de Slag om Arnhem voor een publiek van 85.000 man en onder live televisieuitzending in 31 landen, op een muzikale manier met veel special effects nagespeeld. Muzikale gasten waren onder meer UB40 en Alan Parsons.
OMG2014
Van 14 tot 20 september 2014 is herdacht dat deze operatie 70 jaar geleden plaatsvond. In Veghel werd een Base Camp ingericht vanwaaruit de deelnemers, inclusief enkele veteranen, in de verschillende plaatsen langs de Corridor de diverse slagen herdachten. Op zondag 14 september was er een defilé van originele voertuigen en tanks van Borkel en Schaft naar Veghel en op zaterdag 20 september van Veghel naar Nijmegen langs de oorspronkelijke route (Hell's Highway). Ook zijn er op verschillende plaatsen parachute-droppings vanuit een C-47 Skytrain (in Europa beter bekend onder de RAF aanduiding "Dakota") te zien geweest.
Eindhovense Lichtjesroute
De jaarlijkse Lichtjesroute in Eindhoven, beginnend met de bevrijdingsoptocht op 18 september, is het 'gevolg' van de bevrijding van Eindhoven. Het doel van de lichtjesroute is het in stand houden van de herinnering aan de bevrijding van Eindhoven tijdens Operatie Market Garden.

Airborneplein met gedenkteken

Operatie Plunder 24 maart 1945

Operatie Plunder was een militaire operatie aan het einde van de Tweede Wereldoorlog met als doel de Rijn over te steken, het belangrijke Ruhrgebied in handen te krijgen en op te rukken naar Berlijn. De operatie bevatte een luchtlandingsoperatie (Operatie Varsity), en Operatie Archway.
Aanloop naar de operatie
Na de mislukte luchtlanding bij Arnhem in 1944 stonden de geallieerden voor de moeilijke taak de Ardennen en Eifel op de Duitse legers te veroveren.
Het Ardennenoffensief betekende een verdere terugslag voor de geallieerde legers, maar putte ook de Duitse kracht uit. Gedurende bittere gevechten tegen het Duitse Westelijke Leger werd in de periode januari-maart het Duitse leger op de westelijke Rijnoever teruggedrongen. Op 10 maart was de westelijke Rijnoever vrijwel gezuiverd van Duitse troepen. 6000 geallieerden, voornamelijk Britten, hadden hierbij het leven verloren. De Duitse terugtocht over de Rijn verliep ordelijk en werd afgesloten met het opblazen van de Rijnbrug bij Wesel.
De staf van generaal Bernard Montgomery stelde in deze periode een nieuw plan op om de Rijn over te steken: Operatie Plunder.
De operatie bevatte oorspronkelijk een luchtlanding van drie divisies op de rechter-Rijnoever om de oversteek te dekken. In totaal maakte Montgomery 29 divisies voor de aanval vrij, een miljoen man.
De Amerikanen reageerden furieus op dit plan: zij zouden de troepen voor de oversteek moeten verschaffen, zodat de Britten triomfantelijk naar Berlijn konden oprukken. Montgomery stelde hierop zijn plan bij.
De operatie werd vergemakkelijkt doordat op 7 maart Amerikaanse troepen onder generaal Omar Bradley de Rijnbrug bij Remagen in handen kregen en een bruggenhoofd op de rechter-Rijnoever konden opbouwen. Hoewel George Patton blufte dat hij op elk moment en waar dan ook zonder wekenlange voorbereiding de Rijn kon oversteken, verbood Bradley een uitbraak uit het bruggenhoofd om de Engels-Amerikaanse verhoudingen niet verder op scherp te zetten. In plaats hiervan nam hij genoegen met het aantrekken van Duitse versterkingen naar het bruggenhoofd, iets wat de Duitse legerleiding keurig uitvoerde. Ze voerden zelfs een tegenaanval uit, die door de Amerikanen werd afgeslagen.
De oversteek
In de nacht van 23 op 24 maart begon Operatie Plunder met de oversteek door amfibische pantservoertuigen van Dempseys Tweede Leger over een 20 kilometer breed front. De 51e Highland Division nam hierin de leiding bij de oversteek bij Rees. De eerste golf bestond uit pantservoertuigen, in de tweede golf volgden tanks die geïmproviseerd drijvend waren gemaakt.
In de ochtend van 24 maart werd Operatie Varsity uitgevoerd, waarin twee luchtlandingsdivisies (Britse 6e luchtlandingsdivisie en de Amerikaanse 17e luchtlandingsdivisie) op de rechter-Rijnoever werden gedropt bij het dorpje Hamminkeln, in de buurt van Wesel, de heuvels op de rechter oever, de weg- en spoorbruggen over de Issel en Diersfordter Wald.
Doordat de parachutisten dit keer vlak bij het front werden neergelaten, plusminus 8 kilometer achter de Rijn, werden zij bij de landing dicht bij de Duitse troepen ontvangen met gericht vuur en leden zware verliezen. Toch wisten zij zich te hergroeperen, en na 24 uur hadden zij de hun gestelde doelen in handen.
De genie begon met het aanleggen van bruggen achter de dekking van een rookgordijn. Duitse artillerie vuurde, zonder zicht, door het rookgordijn heen. Desondanks werd een groot aantal baileybruggen aangelegd.
De oversteek werd gevolgd door het Canadese 1e leger. Binnen 24 uur was er aansluiting met de luchtlandingstroepen.
Rond Speldrop boden de Duitsers nog felle tegenstand. De gehele 9e Canadese brigade was nodig om hier de Black Watch af te lossen. Het bruggenhoofd was op 17 maart stevig gevestigd met een breedte van 55 kilometer en een diepte van 30 kilometer.
Resultaat
De Amerikanen braken uit hun bruggenhoofd bij Remagen. Het 1ste Parachutistenleger, dat de verdediging bij Wesel voerde, trok zich vechtend terug richting Hamburg, waardoor een groot gat in de Duitse linies ontstond tussen deze eenheid en legergroep H. De twee geallieerde legergroepen waren hierdoor in staat het Duitse westelijke leger in het strategisch belangrijke Ruhrgebied in te sluiten.
De Britse para's rukten in 7 dagen 500 kilometer op naar Wismar aan de Oostzeekust, waar ze de Russische troepen ontmoetten.
Het hoofddoel, Berlijn, zou buiten Montgomery's bereik blijven. Eisenhower verlegde de prioriteit naar het bereiken van de Elbe.
In de periode na deze operatie is er veel kritiek geuit op Montgomery's aanpak. Hij verspeelde veel Amerikaanse goodwill, een uitbraak uit het bruggenhoofd bij Remagen zou veel sneller resultaat hebben geleverd, terwijl het een ook in mensenlevens kostbare luchtlandingsoperatie overbodig zou hebben gemaakt.

Wesel 1945.jpg

Datum 24 maart 1945
Locatie Wesel, Duitsland
Resultaat Geallieerde overwinning


Troepensterkte
Britse 2e Leger
Canadese 1e Leger
Amerikaanse 9e Leger
Amerikaanse 18e luchtlandingskorps. 1ste Parachuti



Verliezen
2378–2700 doden en gewonden.
56 vliegtuigen Onbekend.
3.500 krijgsgevangenen.

1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog

1---2