Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Nederlands militair in de Tweede Wereldoorlog

Jan van Andel

Jan van Andel (Poederoijen, 29 januari 1877 - Leidschendam, 1972) was in de rang van luitenant-generaal de bevelhebber van de Vesting Holland ten tijde van de mobilisatie en gedurende de Duitse aanval op Nederland in 1940.
Militaire levenswande
Van Andel werd in 1895 toegelaten tot de toenmalige Koninklijke Militaire Academie, waar hij met goed gevolg tot officier der artillerie werd opgeleid en als zodanig op 29 juli 1899 werd beŽdigd tot tweede luitenant der artillerie.
Artillerist Jan van Andel doorliep de traag verlopende dienstjaren der subalterne beroepsofficieren, zoals al zijn tijdgenoten. Na in 1903 tot eerste luitenant te zijn bevorderd werd hij pas in zijn zestiende jaar van officierschap (1915) eindelijk tot kapitein (rang) bevorderd. Na de Eerste Wereldoorlog volgde de opleiding aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag en, na succesvolle afronding daarvan, enige tijd later de toelating tot de generale staf.
Op 1 januari 1926 werd Van Andel bevorderd tot majoor der generale staf, drie jaar later tot luitenant-kolonel. Al in 1931 volgde de bevordering tot kolonel.
Op 1 maart 1934 werd Jan van Andel bij Koninklijk Besluit aangesteld als generaal-majoor. Hij was toen 57 jaar oud, maar zou enige maanden voor zijn functioneel leeftijdsontslag in mei 1937 nog tot luitenant-generaal worden bevorderd. Als 60-jarige verliet generaal Van Andel de dienst.
Generaal van Andel zou in 1939 worden geheractiveerd en worden aangesteld als reserve luitenant-generaal. Tijdens de meidagen van 1940 commandeerde hij de Vesting Holland. Hij werd gevangengenomen en, zoals het gehele leger, enige tijd geÔnterneerd nadat Nederland had gecapituleerd.
Heractivering en commando
Nadat de algehele mobilisatie eind september 1939 haar beslag had gekregen en het leger in zijn oorlogsconcentraties was gekomen, werd er zo'n groot tekort aan hoofd- en opperofficieren geconstateerd dat een groot aantal gepensioneerde officieren uit de periode 1935-1939 opnieuw in actieve dienst werd geroepen. Velen van hen werden daarbij bevorderd, maar kregen ondanks lange beroepscarriŤres als officieren wel het weinig populaire voorvoegsel 'reserve' voor hun rang. Dit overkwam ook luitenant-generaal Van Andel, die formeel na zijn heractivering als reserve-luitenant-generaal werd aangesteld.
Voor generaal Van Andel was echter een bijzonder belangrijk commando weggelegd, hoewel dit niet direct bij zijn aanstelling als zodanig bekend was. Hij werd door de opperbevelhebber, generaal Izašk Reijnders, benoemd tot commandant van het Vestingleger, wat vrijwel geheel binnen de Vesting Holland lag. Dit vestingleger bestond uit een operationeel deel, gevormd door de vestingtroepen, welke gevormd waren uit de oudste regimenten en grensbataljons. De operationele vestingtroepen binnen de Vesting, in beginsel ca. 20.000 man, bestonden uit de beveiligen op de vier fronten van de Vesting, waarvan overigens het Noordfront niet bezet was en het Oost-front een eigen commandant had, wat verband hield met de benodigde coŲrdinatie met het Veldleger. Voor de commandant Vesting-Holland gold dat het Zuidfront en het Westfront zijn directe operationele zorg waren, naast de zorg voor opleiding- en depoteenheden. Daarnaast was er het logistieke en organisatiedeel, bestaande uit de talloze logistieke eenheden van de krijgsmacht, de opleidingsdepots, de kantonnementen (inclusief zaken van Militair Gezag) en alle overige legerinstanties in het westen des lands, die niet rechtstreeks onder een andere entiteit vielen.
De defensiestrategie van de generaal Reijnders was zodanig dat het Veldleger de strijd met de aanvaller zou voeren en pas in laatste instantie een verdediging van de Vesting-Holland aan de orde zou zijn. Dat zou dan inmiddels de restanten van het Veldleger, met zijn omvangrijke en (naar Nederlandse maatstaven) goed geoefende staf, ook huisvesten. Daarmee zou de rol en betekenis van de commandant van de Vesting-Holland relatief blijven. Deze zou operationeel ondersteunend en niet leidend worden. Vanuit dat oogpunt werd de staf gevormd ťn geŽncadreerd.
Nadat het opperbevel van het Nederlandse leger in februari 1940 was overgenomen door de generaal Henri Winkelman, veranderde er het een en ander aan de defensiestrategie. Het was inmiddels de bedoeling dat het Veldleger de strijd zo lang mogelijk buiten de Vesting Holland zou houden en in de Grebbelinie de Duitsers beslissend zou tegenhouden. Daarmee werd de verdediging van de Vesting Holland veel meer een taak van de aldaar liggende vestingtroepen dan onder de vorige strategie. De rol van de commandant Vesting Holland werd daarmee aanzienlijk verzwaard. Hij kreeg echter geen volwaardige staf, ontbeerde generale staf officieren en de generaal zelf stond niet bekend als een modern denker en tacticus. De aanvalsstrategie van de Duitsers zou het grote nadeel van de keuze van de Nederlandse Generale Staf voor een bejaarde generaal uit een vorige generatie op zo'n belangrijke post, ondersteund door een verre van volwaardige staf, nog eens sterk vergroten. Dat laatste was echter een kwestie, die men vooraf niet had kunnen voorzien. Men hield wel rekening met een eventuele stoutmoedige plaatselijke landing van parachutisten of de poging om met vliegtuigen vol militairen op vliegvelden te landen - ergo de sterke bezetting van de vliegvelden met troepen en luchtafweer - maar nimmer had men kunnen voorzien dat de schaal der luchtlandingen zo omvangrijk zou worden. De Duitsers zouden met hun overval uit de lucht niet alleen de landsdefensie in het hart raken, maar tevens de achilleshiel van de operationele bevelvoering.

Jan van Andel in 1939

Jan van Andel in 1939
Geboren 29 januari 1877
Poederoijen
Overleden 1972
Leidschendam
Dienstjaren 1895-1945
Rang luitenant-generaal
Eenheid Artillerie
Leiding over Vesting Holland
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

De vooravond van de Duitse inval
Dat generaal Jan van Andel een klassieke militaire denker uit een vorige generatie was, zonder enige oorlogservaring en met weinig kennis van de moderniteiten der buitenlandse legers, bleek wel uit zijn beleid aan de vooravond van de meidagen. Uit angst voor de slordige omgang met munitie door 'burgersoldaten', zoals men de oudere reservisten wel eens noemde in die dagen, verordonneerde de generaal dat munitie bij de eenheden centraal zou worden opgeslagen en enkel bij wachtposten en piketten een zeer klein rantsoen voor handen mocht zijn. Uitsluitend in de hoogste gradatie van strijdvaardigheid mocht de scherpe munitie aan de eenheid worden gedistribueerd en mochten handgranaten, waarvan houder en schokbuis gescheiden werden opgeslagen, gereed worden gemaakt. Deze verordening leidde ertoe dat op vele locaties, zelfs op strategische posities zoals bij de Moerdijkbruggen, de munitie vaak op grote afstand van de legeringskwartieren lag. Dit zou op een aantal locaties zeer nadelige gevolgen hebben.
Bovendien had de generaal besloten dat, ondanks de aan hem medegedeelde wetenschap dat de Duitse inval in de vroege ochtend van 10 mei 1940 vrijwel zeker was, zijn troepen binnen Vesting-Holland, met uitzondering van de kustverdediging en de luchtverdediging, beter nog een goede nacht slaap konden genieten dan paraat de zaken af te wachten. De vijand zou zich immers eerst aan de buitengrenzen van het land melden. Met geen mogelijkheid had deze klassieke militair rekening gehouden met een moderne oorlog, waarbij luchtstrijdkrachten tot diep op Nederlands territoir zouden opereren en zelfs grote troepenformaties zouden afzetten. Daarom had de generaal aan de nachtrust van zijn troepen binnen de Vesting een grotere waarde gehecht en hen niet gealarmeerd. Een curieus besluit dat de Parlementaire enquÍte naar het regeringsbeleid in de Tweede Wereldoorlog naoorlogs uitgebreid kritisch zou onderzoeken, mede omdat generaal Winkelman het besluit tot wel of niet alarmeren van de troepen binnen Vesting Holland nadrukkelijk aan zijn onderbevelhebber zelf had overgelaten ťn, samen met zijn chef landmachtstaf, zelf ook had besloten om thuis een goede nachtrust te zoeken in plaats van op het algemene hoofdkwartier de nacht door te brengen.
De Meidagen
Generaal Van Andel zijn stafkwartier bevond zich in de Bezuidenhout in Den Haag. Daar werd men door de massale Duitse overval door de lucht verrast terwijl men direct zelf ook midden in de gevarenzone zat, door de Duitse landen op de vliegvelden rondom de residentie. Onderwijl was het Zuidfront van de Vesting Holland ook overvallen door vier Duitse luchtlandingen bij Moerdijk, Dordrecht, Waalhaven en in op de Nieuwe Maas te Rotterdam. De defensie had het zwaar, mede wegens de onverstandige besluiten rond paraatheid en munitieopslag, wat hier en daar funest uitpakte. Bovendien kon het hoofdkwartier van de Vesting Holland, dat zich ineens in plaats van geleidelijk, in het centrum der gebeurtenissen gesteld zag, de stroom gebeurtenissen en noodzakelijke bevelen niet aan. Men zou van begin tot eind van de Duitse veldtocht geen seconde rust meer krijgen.
De generaal Van Andel zou als commandant Vesting Holland [C-VH] zich voortdurend voor allerhande operationele en strategische besluitvorming gesteld zien, waar hij niet tegen opgewassen bleek. Van Andel zou als klassiek opgeleide officier vooral falen in zijn operationele leiding en besluitvorming. Een aantal sprekende voorbeelden van zijn onjuiste inschattingen en curieuze instructies waren:
Er zou gedurende de meidagen op geen enkel moment gecoŲrdineerd (concentrisch) worden opgetreden tegen de lichte Duitse luchtlandingstroepen. Dat gold zowel voor het theater rond de residentie als op de corridor Rotterdam-Moerdijk. De schaarse Nederlandse (tegen)actie die wel tot stand kwam, was zwak ontworpen, kwam stroperig tot ontwikkeling en had een plaatselijk karakter. Zodoende konden de Duitsers voortdurend met eenheden manoeuvreren en iedere Nederlands actie stuiten of ontlopen, ondanks het feit dat de Nederlanders binnen de Vesting Holland voortdurend een groot numeriek en vuuroverwicht hadden en ook in veel gevallen positioneel sterker waren. Uitsluitend de Duitse superioriteit in de lucht was in het voordeel van de paar duizend gelande Duitse troepen.
Er werd wegens de prevalerende angst voor hernieuwde Duitse luchtlandingen na de ochtend van 10 mei door de C-VH een bevel gegeven niet met verbanden groter dan een bataljon te manoeuvreren, om zodoende geen gaten in de dispositie van de defensie te trekken. Dit operationeel alles verlammende bevel werd pas op de vierde oorlogsdag ingetrokken. Het gevolg was dat voordien geen veldcommandant (behoudens de C-Lichte Divisie) machtiging had tot grotere gecoŲrdineerde tegenactie, zodat deze dan ook vanaf de avond van 10 mei uitbleven.
Er werd op 10 mei door C-VH een bevel aan de snelle Lichte Divisie gegeven om gedurende de eerste oorlogsnacht via de Noord bij Alblasserdam overstekende en vervolgens dwars over het eiland IJsselmonde trekkende op Waalhaven aan te vallen. Dit bevel werd niet uitgevoerd, omdat de divisiecommandant kolonel Van der Bijl vond dat zijn troepen na een dagmars te uitgeput waren en nog niet gereed waren voor vervolgactie. Daarom werd de actie naar de vroege ochtend van 11 mei verplaatst. Van Andel sanctioneerde dit besluit. Dat was ongelukkig, want het momentum gebruikende - de Duitsers ontdekten het bestaan van de eind 1939 voor verkeer geopende brug bij Alblasserdam pas in de avond van 10 mei en hadden deze tot de nacht nauwelijks bezet - had men in de avond van 10 mei de brug vrijwel zonder tegenstand kunnen overtrekken. Het uitstel naar de vroege ochtenduren werd echter goedgekeurd. Vervolgens werd na zeer lichte verliezen door de divisiecommandant aan Van Andel gemeld dat de oversteek niet slaagde, waarop de generaal vrijwel direct toestemming gaf tot afbreken van de actie. Bovendien verlangde hij een zeer ambitieuze alternatieve actie, dat de Lichte Divisie niet alleen zou opsplitsen in twee formaties, maar tevens ťťn der formaties via het Eiland van Dordrecht, de Hoekse Waard en uiteindelijk Barendrecht alsnog bij Waalhaven moest brengen. Een onwerkelijk bevel aan een divisiecommandant, die even voordien er niet in was geslaagd om een nauwelijks verdedigde smalle waterweg met zijn divisie over te steken en na minder dan een dozijn slachtoffers al van een 'onmogelijkheid' sprak.
De na 11 mei voortdurend veel te traag verlopende handelingssnelheid van de Lichte Divisie werd pas op 13 mei door Van Andel opgevolgd met maatregelen tegen de divisiecommandant. Op dat moment was de strijd ter plaatse echter al gestreden.
Generaal Van Andel speelde een ronduit onverstandige rol toen zijn onderbevelhebbers van Lichte Divisie en Groep Kil grote bezwaren maakten tegen het operationeel betrekken van de kantonnementscommandant van Dordrecht, de luitenant-kolonel Josephus Adrianus Mussert, broer van de NSB leider Anton Adriaan Mussert. Hoewel achteraf zou blijken dat Josephus Mussert volkomen loyaal aan de Nederlandse zaak heeft gehandeld, was zijn positie door zijn besmette naam en zonderlinge gedrag feitelijk onhoudbaar geworden en gaven onderbevelhebbers te kennen hem als onbetrouwbaar en als obstructie te ervaren. Een neef van de generaal Van Andel, kolonel J.A. van Andel, commandant van de voormalige brigade C [Groep Kil] in de Hoekse Waard, had als rangmeerdere Mussert uit zijn positie gezet. Toen de laatste zich bij de generaal daarover beklaagde achtte generaal Van Andel het verstandig om Mussert in zijn functie te herstellen en daarvan ondercommandanten, met bijzonder weinig beheersing en stijl (een conscriptie van ťťn der telefoongesprekken is bewaard gebleven), van te verwittigen. Dit leidde tot zeer veel onrust in en om Dordrecht en bij de Lichte Divisie. Een besluit dat uiteindelijk operationeel niet heel veel gevolg meer zou hebben, maar wel tot de dood van overste Mussert zou leiden. Deze werd, als gevolg van de hetze tegen hem, door een doorgedraaide reserve luitenant van de Lichte Divisie op 14 mei te Sliedrecht vermoord, onder het mom van verzet bij zijn arrestatie wegens landverraad.
De berichtgeving door een Nederlandse subalterne officier dat er op 12 mei nabij Bergen op Zoom gemotoriseerde Franse troepen richting oosten reden achtte o.m. generaal Van Andel voldoende aanleiding om aan zijn ondercommandanten herhaald melding te doen dat gemechaniseerde Franse troepen op het punt stonden om de Moerdijkbruggen over te trekken. Berichten van het tegendeel, dat juist Duitse pantsertroepen richting Breda opstoomden, veel talrijker in aantal, werden door de generaals in Den Haag gewantrouwd en dus genegeerd. Het gevolg was dat toen op 13 mei Nederlandse formaties rond Dordrecht gemechaniseerde formaties waarnamen, bevelhebbers valselijk in de veronderstelling verkeerden dat dit Franse hulptroepen zouden kunnen zijn. Dat gevoel werd nog versterkt door de Duitse keuze om voor de Westfeldzug okergele/oranje lappen over de voertuigen te spannen om zo de Luftwaffe onderscheid te bieden t.o.v. vijandelijke formaties. Deze lappen wekten aan Nederlandse kant de indruk dat Fransen met deze kleur hun verbondenheid met de Nederlanders nog eens onderstrepen wilden. Het leidde bij straatgevechten in Dordrecht tot een aantal incidenten met dodelijke afloop voor Nederlandse militairen. Overigens werd dit fenomeen toentertijd vooral de kantonnementscommandant van Dordrecht, overste Mussert, voor de voeten geworpen en als bewijs van diens Duitsgezindheid gezien. Hij had militairen verteld dat Franse troepen in aantocht waren en dat men goed moest kijken voordat men op tanks het vuur zou openen, omdat het heel goed Franse tanks zouden kunnen zijn. In werkelijkheid was Mussert in een telefoongesprek met Van Andel - hetzelfde waarin hij was herbevestigd in zijn functie als kantonnementscommandant - op het hart gedrukt dat Franse tanks over de Moerdijk zouden komen. Onder het mom: Houd vol, hulp is onderweg! Mussert deed niets anders dan zijn rechtstreekse meerdere, de generaal Van Andel, die hem zojuist nog eens herbevestigd had als kantonnementscommandant, trouw volgen. Het werd hem en een aantal ondergeschikten uiteindelijk fataal.
Het disfunctioneren van de staf van de Vesting Holland en zijn commandant, als het aankomt op adequate en verstandige gevechtsleiding, is bepaald niet alleen te wijten aan gebrekkige kwaliteiten van de officieren in kwestie. Het is vooral ook te wijten geweest aan een groteske onderbezetting van deze staf. Een staf, welke uiteindelijk een gevechtsterrein zo groot als de Grebbelinie (met een vergelijkbare numerieke sterkte troepen) moest leiden met qua omvang een kwart van de staf van het Veldleger, zonder dat voldoende generale staf officieren voorhanden waren en zonder dat te velde de organisatiestructuur bestond van een veldleger. Deze reeks aan tekortkomingen kon het uiterst bescheiden Nederlandse leger, dat qua beroepskader tussen 1922 en 1936 tot onwerkelijk geringe porties was afgeslankt, niet compenseren. Generaal Van Andel en zijn aid-de-campes waren uitgesproken producten van een elitaire generale staf, die door de onwerkelijke besparingen op de krijgsmacht en de isolationistische benadering van defensievraagstukken ver af stonden van de realiteit van moderne oorlogsvoering. De oorlog duurde veel te kort om beginnersfouten te mogen maken en op het slagveld een leger te kunnen vormen naar moderne maatstaven. Het falen van de bevelvoering van de commandant Vesting Holland was dan ook niet zo zeer het persoonlijk falen van de generaal Van Andel, maar stond symbool voor een krijgsmacht die in geen enkel opzicht voorbereid was geweest voor de moderne oorlog.

 


Dirk "Dick" Lucas Asjes

Dirk "Dick" Lucas Asjes (Soerabaja 21 juni 1911 - 's-Gravenhage 2 februari 1997) was een Nederlandse luchtvaartpionier en oorlogsvlieger die zich boven Nederlands-IndiŽ onderscheidde in de strijd tegen Japan.
Loopbaan
Al vroeg kwam Dick Asjes in contact met de luchtvaart via de Luchtvaartafdeling van het KNIL. Hij vertrok vervolgens naar Nederland op te gaan studeren bij de Technische Hogeschool in Delft. In 1930 onderbrak hij deze studie om zijn militair vliegbrevet te behalen tijdens zijn dienstplicht. Op 24 augustus 1931 behaalde hij dit brevet. Tijdens zijn dienst onderhield hij wel contact met zijn medestudenten en was hij ťťn van de oprichters van de Delftsche Studenten Aeroclub (DSA). Na zijn dienstplicht in 1933 werd hij instructeur bij de Nationale Luchtvaartschool (NLS).
Dick Asjes werd in eerste instantie bekend als de motor achter de Pander S.4 Postjager. Dit vliegtuig werd ontworpen door Theo Slot om speciaal om postvluchten te verzorgen tussen Nederland en Nederlands-IndiŽ. Dick Asjes wist enkele scheepsmagnaten en de Bataafse Petroleum Maatschappij te interesseren om hierin te investeren en richtte zij het Studiecomitť Snelpost Nederland-IndiŽ op. Samen met KLM vlieger Gerrit J. Geysendorffer en S. van Straaten begonnen zij op 9 december 1933 de eerste vlucht richting Nederlands-IndiŽ. De vlucht stokte echter in het Italiaanse Grottaglie, waarna de post werd overgenomen door Imperial Airways en van Brindisi naar CaÔro werd gevlogen. Daar nam de KLM "IJsvogel" het over die het in Jodhpur op zijn beurt weer overdroeg aan de Fokker F.XVIII 'Pelikaan' in de beroemde kerstvlucht. De Postjager vervolgde later alsnog zijn tocht in recordtempo. Toch werden de postvluchten niet hervat. In 23 januari 1934 trouwde Dick Asjes met Anne Wilhelmina Klopper (-1975), zij kregen twee zoons. Pander en Dick Asjes schreven de Postjager in voor de beroemde Melbourne race. Deze race eindigde voor de Postjager in een drama in Allahabad. De Pander brandde volledig uit waarbij Asjes, Geysendorffer en KLM marconist Pieter Pronk nog maar net aan de vlammen ontkomen. Dit betekende het einde van de Postjager alsmede voor Pander.
Tweede Wereldoorlog
Dick Asjes vervolgde zijn werkzaamheden bij de NLS en af en toe bij de vliegtuigenfabriek Koolhoven. Na het behalen van zijn ingenieursdiploma ging hij werken voor Shell en vertrok in 1939 naar Borneo.Daar raakte hij betrokken bij de ML-KNIL. Hij werd opgeleid voor het vliegen van de Martin bommenwerper. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tegen Japan werd hij aangesteld als commandant van de 7de afdeling, een afdeling die was samengesteld uit leden van de vliegschool. Deze afdeling nam deel aan de aanvallen op Tarakan, welke het einde betekende voor de slagkracht van het ML-KNIL. Asjes en enkele vliegtuigen werden geŽvacueerd naar AustraliŽ waar hij de leiding kreeg bij het opzetten van de Royal Netherlands Military Flying School. Deze vliegschool en Asjes verhuisde in 1942 naar de Verenigde Staten, Fort Leavenworth in Kansas. Nog weer later verhuisde de school naar Jackson, Mississippi. Van hieruit vloog hij een squadron B-25 Mitchells terug naar AustraliŽ, waar hij uiteindelijk squadron commandant werd van het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron dat was uitgerust met Mitchells en over het PEE. Bij dit squadron vloog hij minstens 47 missies tegen de Japanners. Aan het einde van de oorlog kreeg hij de onder andere leiding over de terugkeer van geallieerde krijgsgevangenen burgers (RAPWI). In april 1946 keerde Asjes terug naar Nederland om de reorganisatie van de Koninklijke Luchtmacht te begeleiden.
Naoorlogse Loopbaan
In december 1946 kreeg hij eervol ontslag. Hij ging weer werken voor Shell. Hij werkte in Trinidad en Venezuela waar hij uiteindelijk opklom tot mededirecteur van Mexican Eagle Oil Company - of La Compania Mexicana de Petrolie ed Aquila S.A., onderdeel van Shell - tot 1963. Daarna nog enkele jaren voorzitter van de Kamer van Koophandel in Mexico en later nog weer vicepresident/directeur van Verolme. Hij hertrouwde nog met Marie Antonetta Catharina van der Veen (9 maart, 1911 - 17 november, 2004).
Militaire Willems-Orde
MWO.4
Asjes werd op 31 juli 1950 op eigen voordracht, hij maakte gebruik van het statutaire recht van reclame, als Ridder 4e klasse opgenomen in de Militaire Willems-Orde.
Het zich in de strijd onderscheiden hebben door uitstekende daden van moed, beleid en trouw door in het tijdvak van 27 februari 1944 tot en met 22 september 1944 -door- op voorbeeldige wijze persoonlijk deel te nemen aan een groot aantal operationele vluchten van het Nederlands-Indische bommenwerpers uit AustraliŽ naar door de vijand bezet gebied in de Zuid-Molukken, op Timor en Flores en op eilanden in de Banda Zee en de Arafoera Zee, zomede op Nieuw-Guinea.
In het bijzonder werd de Militaire Willems-Orde toegekend omdat Asjes bij het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron persoonlijk het bevel over deze vluchten nam, waarbij hij meestal optrad als "Pathfinder" en hij bij het uitvoeren van dag- en nacht bombardementen veelal, ter nadere verkenning van de verkregen uitkomsten, als laatste met zijn toestel na het uitvoeren van de opdracht het opgegeven doel verliet. Hij wist daardoor niet alleen te bereiken dat het moreel van dit squadron zo hoog mogelijk werd opgevoerd maar tevens dat de uitkomsten van daarop volgende operaties konden worden opgevoerd.Hij wist door steeds op tactisch juiste wijze en dikwijls door het toepassen van een nieuwe methode bij het aanvliegen der doelen de verliezen van het squadron zo veel mogelijk te beperken, hetgeen echter niet kon verhinderen dat de zeer gevaarlijke opdrachten vele verliezen van toestellen en bemanningen ten gevolge van vijandelijke afweer, zowel van de grond als in de lucht met zich meebrachten.
Vliegveld Batchelor, juli 1944. Squadron commandant luitenant-kolonel D.L. Asjes, (2e van rechts) met groupscommander J.P. Ryland, commandant van no. 79 Wing RAAF (uiterst rechts) praten met leden van de Empire Parliamentary Delegation
Gedurende het tijdvak van 27 februari tot en met 30 juni 1944 maakte Asjes als onder-commandant en chef van de vliegdienst van het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron 31 operationele vluchten, met inbegrip van niet beschermde dagaanvallen op de Kai-eilanden, maakte hij fotografische opnamen van de door de vijand bezette eilanden in het Molukkengebied en wist hij aanvallen op vijandelijke schepen in Arafoera en de Banda-Zee persoonlijk te leiden. Tijdens het tijdvak van 1 juli tot en met 22 september 1944, nadat hij benoemd was tot commandant van het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron, nam hij opnieuw persoonlijk deel aan 16 operationele vluchten, waarbij hij, hoewel hij dat niet verplicht was, steeds zichzelf bij de gevaarlijkste opdrachten indeelde. Een van die vluchten was de riskante vlucht op 21 augustus 1944 tijdens een zeer donkere nacht naar de Kai-eilanden om te zoeken naar de bemanning van een verloren gegaan vliegtuig. Een andere vlucht was die van 24 augustus 1944, waarbij hij zocht naar de bemanning van een vliegtuig, en bij Larat in een benarde positie geraakte door het ontvangen van onverwacht en onbekend, vermoedelijk rocketafweervuur. Op 29 augustus 1944 vloog Asjes naar de Kai- en Tanimbareilanden, waarbij vijandelijke schepen tot zinken werden gebracht en zwaar tot halfzwaar vijandelijk luchtafweergeschut tot zwijgen werd gebracht; bij deze vlucht werd zijn toestel dusdanig beschadigd dat de vernielingen onherstelbaar bleken te zijn. Door zijn voorbeeldige, moedige en enthousiaste optreden onder zeer moeilijke omstandigheden wist hij het personeel van het 18de squadron, dat een zeer groot vertrouwen in hem had, steeds te bezielen en de naam van dit squadron bij de geallieerde vliegdienst, waarmee hij in dit gebied moest samenwerken, door de grote successen van zijn onderdeel bijzonder in aanzien te doen stijgen.
Asjes was behalve Ridder in de Militaire Willems-Orde ook Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, sinds 21 december 1944 drager van het Vliegerkruis[6] en later begiftigd met twaalf andere onderscheidingen. Opvallend waren zijn Oorlogsherinneringskruis met drie gespen, zijn Ereteken voor Orde en Vrede, de Gouden Medaille van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart en zijn Britse Distinguished Flying Cross.

Dirk Lucas Asjes

Dirk Lucas Asjes
Bijnaam Dick
Geboren 21 juni 1911
Soerabaja
Overleden 2 februari 1997
's-Gravenhage
Land/partij Nederlands-IndiŽ
Onderdeel ML-KNIL
Koninklijke Luchtmacht
Rang Reserve Kolonel[1]
Eenheid Royal Netherlands Military Flying School
No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Vliegerkruis
Ridder Militaire Willemsorde 4e klasse
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
Oorlogsherinneringskruis met drie gespen
Ereteken voor Orde en Vrede
Gouden Medaille van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart
Britse Distinguished Flying Cross

Vliegveld Batchelor, juli 1944. Squadron commandant luitenant-kolonel D.L. Asjes, (2e van rechts) met groupscommander J.P. Ryland, commandant van no. 79 Wing RAAF (uiterst rechts) praten met leden van de Empire Parliamentary Delegation

 


Willem Bartelings

Willem Bartelings (Balikpapan, 9 april 1919) was Engelandvaarder net als zijn broer Charles.
Oorlogsjaren
Bartelings vertrok in 1941 met Hans Knoop via Spanje naar Engeland en werd onder meer in Sevilla geholpen door Albert de Voogd. In 1942 werden zij onderscheiden met het Kruis van Verdienste (KV) wegens "voorbereiden en uitvoeren plan tot ontsnapping uit bezet Nederland en na vele moeilijkheden Engeland bereikt "
Nadat Bartelings in Engeland was aangekomen, zou hij met Hans Knoop (1919-2012) naar Suriname gestuurd worden, maar met steun van de koningin werd dat gewijzigd en kregen ze een vliegersopleiding aan de Royal Netherlands Military Flying School in de Verenigde Staten. Daarna werden George van Dam en Rudy Albert Blatt bij de RAF ingedeeld en werden Knoop en Bartelings naar AustraliŽ gestuurd om bij de net opgerichte 120 Squadron RAAF te Merauke te dienen. Later werden ze overgeplaatst naar Biak en vlogen ze op de Curtiss P-40 Kittyhawk. Deze gemengde Nederlands-Australische eenheid vloog veel missies onder Australisch commando.
Na de oorlog
Na de oorlog ging 120 Squadron naar Soerabaja en werden Knoop en Bartelings ingedeeld bij 121 Squadron. Daar vlogen ze met de nieuwe P-51 Mustang.
In 1950, na de overdracht van IndonesiŽ, gingen ze terug naar Nederland. Bartelings bleef vliegen en werd squadroncommandant met F-84 straaljachtvliegtuigen. Bartelings werd de eerste commandant van de 3e Groep Geleide Wapens in het Duitse Blomberg 1965.
Later kwam hij op de stafschool terecht en daarna werd hij als exchange officer op een RAF hoofdkwartier geplaatst als squadron leader Plans. Daar schreef hij onder meer het witboek voor de verdediging van Nieuw-Guinea. Hij mocht ook als hoofd van een Belgisch-Nederlandse commissie een nieuw vliegtuig selecteren en dat later als projectofficier invoeren. Bartelings nam ontslag en gaf vervolgens zeven jaar lang les in natuurkunde op het Aloysius College in Den Haag. Ondertussen maakte hij plannen om te emigreren en besloot naar Alberta in Canada te verhuizen. Hij trouwde in Canberra met een vrouw die bij het Canadese Ministerie van Buitenlandse Zaken werkte. Ze gingen in Calgary wonen en kregen vier kinderen

v.l.n.r. Hans Knoop, Willem Bartelings en John Flemer op vliegveld Craig Field ten ZO van Selma, Alabama

 


Aernout 'Nout' Bergman

Aernout 'Nout' Bergman (Nieuwer-Amstel, Amstelveen, 7 maart 1919 Ė IJsselmeer, 24 maart 1943) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. De viermotorige Handley Page Halifax van de Royal Airforce van waaruit de agenten van het Bureau Inlichtingen (BI), Nout Bergman en Pieter Roelof Gerbrands (1919-1999) op dinsdag 23 maart 1943 zouden worden geparachuteerd werd boven Noord-Holland door Duits FLAK-afweergeschut onder vuur genomen en daarna door een Duitse nachtjager uit de lucht gehaald. Het vliegtuig stortte boven het IJsselmeer in de omgeving van Enkhuizen neer. Aernout Bergman kwam hierbij om het leven. Gerbrands kon zijn opdracht voor het BI uitvoeren. Hij keerde op 17 december 1943 in Londen terug.
Londen
Nout Bergman werd in Londen opgeleid tot agent bij het Bureau Inlichtingen (BI). Het BI werkte nauw samen met de Engelse Secret Intelligence Service (SIS). Na zijn opleiding tot radiotelegrafist was hij gereed om boven bezet Nederland te worden geparachuteerd.
Terug naar Nederland
Bergman en Gerbrands zouden in de nacht van 23 op 24 maart 1943 boven bezet Nederland worden geparachuteerd. Toen de piloot van het viermotorige Handley Page Halifax vrachtvliegtuig van de Royal Airforce, op dinsdag 23 maart 1943 om 2300 uur, ter hoogte van de Nederlandse kust in noordwestelijk Friesland, het luchtruim van Nederland binnenvloog was het mistig. De piloot liet weten dat het doel door slecht zicht niet kon worden waargenomen. Het toestel veranderde koers bij de Afsluitdijk in de richting van Noord-Holland.
Een voltreffer
In de omgeving van de Afsluitdijk werd het toestel door Duits FLAK-afweergeschut onder vuur genomen. Aan boord stonden enkele zakken sabotagemateriaal. De zakken werden op een pinpoint boven Limmen afgeworpen. Vervolgens veranderde het toestel de koers naar Friesland. De machine was aan bakboordzijde getroffen. Er ontstond brand door kortsluiting. Het boordpersoneel probeerde de vlammen met brandblussers te blussen. Voor ze daarin slaagden werd het toestel door een Duitse nachtjager aangevallen en neergehaald. Kennelijk was de bommenwerper door de nachtjager opgewacht. De aankondiging via de radiozender Radio Oranje, dat een afwerpterrein in de omgeving van Limmen in gereedheid diende te worden gebracht, om materiaal te ontvangen, had de Duitse luchtafweer in staat van verhoogde paraatheid gebracht.
De landing op het IJsselmeer
Een voltreffer van de Duitse nachtvlieger maakte de machine onbestuurbaar. In steile duikvlucht viel de bommenwerper in het IJsselmeer. Gerbrands raakte door de klap even buiten bewustzijn. Nout Bergman was door een kogel van de nachtjager dodelijk getroffen. Ter hoogte van Enkhuizen maakte het toestel op het water van het IJsselmeer een noodlanding en bleef drijven. De zevenkoppige Engelse bemanning en Gerbrands kropen door het noodluik van het toestel naar buiten. Het levenloze lichaam van Bergman lieten ze in het toestel achter. In een rubber reddingsvlot brachten de mannen zich in veiligheid.
De opdracht
Bergman en Gerbrands hadden van het BI in Londen de opdracht gekregen om een koeriers- en ontsnappingslijn over de PyreneeŽn tot stand brengen. De spionageberichten die op microfotofilm waren vastgelegd dienden langs deze route op het Nederlandse consulaat in Madrid te worden afgeleverd. Nout Bergmann zou tijdens de radiocontacten met het BI gebruikmaken van de codenamen: Rudolf en Robert Johnson. Zijn schuilnaam in "het veld" was Jan Hallema.
Aernout Bergman
Een patrouille van de Kriegsmarine vond het lijk van Bergman. In een van zijn schoenen onder een vastgelijmde zool vonden ze bij Bergman de foto van majoor Jan Marginus Somer (1899-1979), het hoofd van het BI in Londen. De foto moest dienen als identificatie bij een familielid van de vrouw van Somer, burgemeester Van Veen van Aalten. Ook Piet Gerbrands was in het bezit van een foto. De dienst van Joseph Schreieder probeerde Gerbrands op te sporen hetgeen mislukte.
Onderscheidingen
Het Bronzen Kruis, KB nr.8 van 30 augustus 1948 (postuum toegekend).
Het Kruis van Verdienste, KB nr.11 van 25 februari 1943.

Aernout Bergman
Geboren 7 maart 1919
Nieuwer-Amstel, Amstelveen
Overleden 24 maart 1943
IJsselmeer
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Flag of the Royal Netherlands Army.svg Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1940 - 1943
Rang Nl-landmacht-sergeant-wachtmeester.svg
Dienstplichtig Sergeant[1]
Eenheid Bureau Inlichtingen
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940

Kruis van Verdienste 1941

 


Willem Anton Hendrik Cornelius (Pim) Boellaard

Willem Anton Hendrik Cornelius (Pim) Boellaard (Delft, 16 augustus 1903 Ė De Bilt, 27 januari 2001) was een Nederlands ondernemer, militair, politicus en verzetsman.
Familie
Boellaard was een lid van het geslacht Boellaard en een zoon van Willem Hendrik Cornelius Boellaard (1866-1951), officier, laatstelijk luitenant-generaal titulair en plaatsvervangend gouverneur van de residentie, en Margaretha Antoinette RŲmer (1879-1973). Hij trouwde in 1929 Anna Louisa barones van Heeckeren (1907-1991), kunstschilderes; zij kregen een zoon wiens echtgenote, Maria Julie Boellaard-Stheeman, hofdame van koningin Beatrix was.
Levensloop
Boellaard stamde uit een geslacht waarvan de mannelijke leden sinds 1790 generaal waren geweest, maar koos zelf voor een carriŤre bij een verzekeringsmaatschappij, nadat hij zijn studie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in Rotterdam had afgesloten. In zijn studiejaren was Boellaard lid van het Rotterdamsch Studenten Corps.
In 1939 werd hij als reservekapitein bij de artillerie gemobiliseerd. Bij de Duitse inval in 1940 was hij betrokken bij de tegenaanval op de Duitsers, die het vliegveld Ockenburg hadden ingenomen. Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten op 15 mei 1940 werd Boellaard gewestelijk commandant van de ordedienst in de regio Utrecht. De ordedienst was een verzetsorganisatie van reserveofficieren van het Nederlandse leger.
In mei 1942 werd Boellaard gearresteerd en kwam in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) terecht. Hoewel hij op 11 mei werd ondervraagd sloeg hij niet door. Hij werd toch ter dood veroordeeld.
Toen Boellaard op 14 mei uit zijn cel gehaald werd, dacht hij dat zijn laatste uur geslagen had. Hij werd echter geknipt en geschoren en daarna naar landgoed Clingendael gebracht. Han Jordaan onderging dezelfde behandeling. Op Clingendael volgde een uitgebreid gesprek met Himmler, die even in Den Haag was om met de Nazitop de laatste details te bespreken over de wegvoering van joden naar de vernietigingskampen. Toen Boellaard en Jordaan aankwamen, volgde een gesprek met Himmler, waarbij ook Hanns Rauter, Otto Schumann, Wilhelm Harster en Karl Wolff aanwezig waren. Ze liepen tijdens dit gesprek in het park rond om niet afgeluisterd te kunnen worden. Later bleek dat Boellaard en Jordaan waren uitgenodigd omdat Himmler weleens een prototype verzetsman wilde ontmoeten.
Kampen
Via Kamp Amersfoort belandde Boellaard in het concentratiekamp Natzweiler-Struthof. Boellaard maakte in die moeilijke omstandigheden indruk, omdat hij zijn waardigheid wist te bewaren en de tegenstellingen tussen communisten en oranje-aanhangers wist te verzoenen.
Toen de geallieerden in september 1944 oprukten, werd Boellaard overgebracht naar Dachau. Hier was hij betrokken bij het International Prisoners Committee, een illegaal overleg tussen gevangenen van verschillende nationaliteiten. Na de bevrijding van Dachau verliep de repatriŽring van de Nederlandse ex-gevangenen moeizaam. Boellaard reisde naar Nederland en wist met steun van prins Bernhard voor de nodige transportmiddelen te zorgen.
Na de oorlog
Na de oorlog was Boellaard verzekeringsdirecteur en statenlid voor de VVD in de Provinciale Staten van Utrecht en vervulde hij een belangrijke rol in organisaties voor oud-gevangenen. Hij was onder meer de oprichter van het Nederlands Dachau Comitť.
In april 2013 schonk Boellaards zoon Willem aan het Verzetsmuseum in Amsterdam de blauw-grijs gestreepte kampjas van zijn vader en het deksel van de kist waarin hij in Dachau zijn persoonlijke bezittingen bewaarde. Aan de binnenkant van dat deksel had hij een schaakbord getekend. Daarnaast stond zijn naam, W. Boellaard, en zijn kampnummer, 100649, en de letters BLń 20 (Block šlteste).

Pim Boellaard

 

Plaquette in Clingendael

 


Evert Willem ("Wim") Boomsma

Evert Willem ("Wim") Boomsma (Delft, 16 februari 1914 Ė 11 december 1986) was een Nederlands verzetsman en Engelandvaarder.


Biografie
Wim Boomsma was de zoon van Rein Boomsma en Gerardina Maria Schallenberg (1880-1963). Hij ging na zijn opleiding aan de Automotive Technische School in Den Haag eerst aan de slag als chauffeur en later, in 1934 als vliegtuigmonteur bij de KLM. Wegens inkrimping werd hij ontslagen in 1936 en ging Boomsma bij de militaire luchtvaartdienst, eerst op vliegkamp Valkenburg en op vliegbasis Soesterberg. In 1939 werd hij overgeplaatst naar de in april geformeerde BomVA [1] op Schiphol en begin 1940 naar de 4e JAVA op Bergen aan Zee. Inmiddels was hij bevorderd tot korporaal-vliegtuigmonteur.

Tweede Wereldoorlog
Gedurende de eerste vier dagen van de Tweede Wereldoorlog repareerde Boomsma de G1ís die daar gestationeerd waren. Na de capitulatie ging hij op 16 juni op "wachtgeld". Op 6 mei 1941 wist hij met 3 andere mannen, Govert Steen, Jan Beelaerts van Blokland en Wijbert Lindeman, uit Nederland te ontsnappen in een gekaapt watervliegtuig, een Fokker T8W. Ze vetrokken rond 7 uur 's morgens en landden in Broadstairs vijf kwartier later. In Engeland kwam hij in dienst bij het 320 Dutch Squadron RAF.

Na de oorlog
Boomsma kwam na de oorlog terug naar Nederland, nu inmiddels getrouwd met een Engelse vrouw en ging eerst naar Deelen met de "GLV" (Groep Lichte Vliegtuigen) en later naar Ypenburg en Soesterberg. Hij was inmiddels sergeant-majoor geworden toen hij met pensioen ging in februari 1969. Boomsma verhuisde met zijn familie terug naar Wales en bracht daar zijn pensioentijd door tot hij overleed op 11 december 1986 op 71-jarige leeftijd.

Bronzen Kruis
Op aanvraag van het Ministerie van Oorlog in Engeland kreeg Boomsma in 1941 het Bronzen Kruis (KB 061141-5).

Bronzen Kruis

 


Jan Willem Theodore Bosch

Mr Jan Willem Theodore Bosch (Pampanoea, 29 juni 1915 - Den Haag, 2003) was een Nederlandse jachtvlieger en Engelandvaarder die, tijdens de Tweede Wereldoorlog in De Havilland Mosquito's vanuit Engeland, over bezet Nederland vloog en 61 missies boven vijandelijk Duitsland uitvoerde en al die vluchten heeft overleefd.
Op 10 mei 1940, toen Jan Bosch aan het landen was om te tanken bij De Kooy tijdens het luchtgevecht tegen de Duitse Luftwaffe, werd zijn Fokker D.XXI in brand geschoten door Messerschmitts Bf-109 die op zijn laag vliegende machine neerdoken. Hij wist zich uit de brandende, nog op de landingsbaan rijdende, machine te bevrijden door zich uit het toestel te laten vallen en zo uit de vuurzee te kunnen ontsnappen. Hij bleef ongedeerd.
Hij ontving o.a. het Kruis van Verdienste en was ťťn van de drie vliegers die tweemaal het Vliegerkruis kreeg voor zijn dapperheid tijdens de Duitse bezetting in 1940-1945.
Ook werd hij gedecoreerd met een van Engeland's hoge militaire onderscheidingen, het Distinguished Flying Cross.
Engelandvaarder
Jan Bosch slaagde erin om, samen met Nederlandse luchtmachtpiloten Bodo Sandberg, Fernand Janssens en Ad Kanters, uit bezet Nederland uit te wijken naar Zwitserland. Daar kwamen ze in een internerings werkkamp terecht van waaruit Jan Bosch en Bodo Sandberg samen verdergingen en er uiteindelijk in geslaagd zijn om door bezet Frankrijk, over de PyreneeŽn, via Spanje en Portugal, Engeland te bereiken, om vandaar uit de strijd tegen de nazi's voort te zetten. Toen ze uiteindelijk in Engeland aankwamen was Jan Bosch al 27 en daardoor eigenlijk te oud om voor de RAF te vliegen. Maar hij insisteerde en kreeg toch een vliegopleiding in Engeland. Tijdens de oorlog was Bosch gedetacheerd bij de Royal Air Force, 139 Squadron Bomber Command (Pathfinder Force).
Hij vloog hij zijn eerste oorlogsvluchten tijdens D-Day. Op 14 augustus 1944 vloog hij voor de eerste keer in zijn Mosquito naar Berlijn, niet als gevechtspiloot, maar - nůg gevaarlijker - als pathfinder. Bosch markeerde de doelen voor de bommenwerpers die hem volgden. In soortgelijke missies vloog hij naar OsnabrŁck, Hannover, Keulen, Mannheim, Stuttgart en Kiel. Bosch vloog - en overleefde! - 61 bombardementsvluchten boven vijandelijk gebied.

Hij ontving zijn Distinguished Flying Cross (DFC), een hoge Engelse onderscheiding voor daden die getuigen van moed en doorzettingsvermogen tijdens gevechtsvluchten, en zijn eerste Vliegerkruis voor zijn "Oorlogsvluchten in West Europa". Zijn tweede Vliegerkruis ontving hij in 1948 voor luchtgevechten boven Nederland tijdens de meidagen van 1940 bij De Kooy, Waalhaven en de Slag om de Grebbeberg.

Na de oorlog
Na de oorlog werd Bosch piloot ij de KLM, eerst op DC-7's en later op 747's.

Een van Bosch' beste vrienden tijdens de oorlog en daarna was de Nederlandse mede-luchtmachtpiloot en Engelandvaarder jhr. Bodo Sandberg. Ze bleven vrienden voor het leven totdat, bijna een halve eeuw later, zo'n twee jaar na elkaar, beiden overleden.

Militaire loopbaan
Reserve Tweede luitenant-Vlieger: 30 oktober 1937
Reserve Eerste luitenant-Vlieger: 30 oktober 1941
Reserve Kapitein-Vlieger: 15 mei 1948
Onderscheidingen[bewerken]
Kruis van Verdienste op 26 juli 1943[2]
Vliegerkruis op 22 september 1945 met cijfer 2 op 4 november 1948
Oorlogsherinneringskruis 1941 met 2 gespen
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier
Distinguished Flying Cross (Verenigd Koninkrijk) op 11 juni 1944
1939-1945 Ster (Verenigd Koninkrijk)
Frankrijk en Duitsland Ster (Verenigd Koninkrijk)
War Medal 1939-1945 (Verenigd Koninkrijk)
Piloten Wings
Pathfinders badge

Mr. J.W.Th. Bosch (1915-2003)

Mr. J.W.Th. Bosch (1915-2003)
Geboren 29 juni 1915
Pampanoea, Nederlands-IndiŽ
Overleden 2003
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Nederlandse regering in ballingschap
Onderdeel Flag of the Royal Netherlands Air Force.svg Koninklijke Luchtmacht
Air Force Ensign of the United Kingdom.svg Royal Air Force
Rang Nl-luchtmacht-kapitein.svg
Reserve Kapitein-Vlieger
Eenheid Militaire Luchtvaart
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Duitse aanval op Nederland in 1940

Uniform van mr. J.W.Th. Bosch, met de vliegerwing van de Royal Air Force en de batons van zijn onderscheidingen. Tevens de wing voor bemanningsleden van de special Pathfinder squadrons

 


Gerardus Meinardus (Gerard, Gerry) Bruggink

Gerardus Meinardus (Gerard, Gerry) Bruggink (Tubbergen, 4 augustus 1917 - Skipperville (Alabama), 5 december 2005) was een Nederlandse vlieger die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-IndiŽ tegen de Japanners vocht. Na de oorlog was hij in de Verenigde Staten inspecteur van vliegtuigongelukken en vliegveiligheid.

Loopbaan
Bruggink volgde een katholiek seminarie. In 1939 begon hij met een training bij de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger in het toenmalige Nederlands-IndiŽ. Na de Japanse inval voerde hij diverse gevechtsvluchten boven onder meer Singapore en Java uit. In 1942 werd hij krijgsgevangen gemaakt en ondergebracht in werkkampen in Thailand, waar hij onder andere aan de beruchte Birmaspoorweg te werk werd gesteld.
Na de oorlog werd hij voor zijn inzet bij de luchtmacht in Nederlands-IndiŽ gedecoreerd met de Militaire Willems-Orde, het Vliegerkruis, het Bronzen Kruis en een Eervolle Vermelding. Omdat men in Nederland voor ťťn en dezelfde dappere daad slechts een onderscheiding kan krijgen, werden de Eervolle Vermelding en het Bronzen Kruis later ingetrokken en vervangen door de Militaire Willems-Orde.
Verenigde Staten
Bruggink verliet in 1955 de luchtmacht en verhuisde in dat jaar naar de Verenigde Staten. Eerst was hij een tijdlang vlieginstructeur voor de burgerluchtvaart in Texas, alvorens hij vanaf 1959 voor allerlei onderzoeksorganisaties op het gebied van vliegtuigongelukken en vliegveiligheid ging werken. Als zodanig werkte hij onder meer bij de NTSB, waarbij hij leidinggevende functies vervulde. Alhoewel hij in 1982 met pensioen ging, kwamen er nog geregeld artikelen over vliegveiligheid van zijn hand.
Gerard Bruggink overleed na een lang ziekbed op 88-jarige leeftijd.

Onderscheidingen
Militaire Willems-Orde op 14 juli 1948
Vliegerkruis op 27 januari 1942
Oorlogsherinneringskruis
Wing Piloot KNIL
Museum[bewerken]
In maart 2009 werd in het Nationaal Luchtvaart-Themapark Aviodrome een replica van een brewster B-339C toestel worden geplaatst. De replica is gemarkeerd met B-3107, de markering van het toestel van Bruggink.

Gerardus Meinardus Bruggink
Bijnaam Tub
Geboren 4 augustus 1917
Tubbergen
Overleden 5 december 2005
Skipperville, Alabama, Verenigde Staten
Land/partij Flag of the Netherlands.svg Nederlands-IndiŽ
Onderdeel Militaire Luchtvaart
Dienstjaren 1939 - 1955
Rang Nl-luchtmacht-eerste luitenant.svg Eerste luitenant
Eenheid 2-VLG-V
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Verdediging van Singapore
Slag om Malaya
Slag om Balikpapan
Slag om Java

 


Mattheus Reindert de Bruijne

Mattheus Reindert de Bruijne (Terneuzen, 9 oktober 1895 - Renkum, 13 oktober 1973) staat bekend als kolonel De Bruyne. Hij was marinier en zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen. Hij was daar de opvolger van FranÁois van 't Sant als hoofd van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst.
Mattheus de Bruijne was de zoon van Mattheus de Bruijne en Jacomina Blankert. Zijn vader was broodbakker. Hij ging naar de HBS in Vlissingen en Middelburg.
Voor de oorlog
De Bruyne bezocht de HBS en vervolgens de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1917 werd hij benoemd tot tweede luitenant der infanterie en in 1922 bevorderd tot eerste luitenant der mariniers. Hij kreeg een opleiding tot sportinstructeur en werd in 1924 gestationeerd op de gymnastiek- en sportschool van de marine in Willemsoord.In mei 1924 werd hij aan boord van de Hr.Ms. Gelderland werd geplaatst. Dit was een artillerie instructie schip waar hij een cursus artillerie volgde. Na deze opleiding vertrok hij in november 1924 naar IndiŽ. Hij werd eerst geplaatst op de Hr.Ms. De Zeven ProvinciŽn, en in verband met communistische onlusten in maart 1927 overgeplaatst naar de marinierskazerne Goebengen in Soerabaja. Hij was aldaar belast met de vorming en opleiding van een detachement voor speciale diensten. Eind 1927 keerde De Bruyne naar Nederland, waar hij in 1928 werd benoemd tot leraar in diverse militaire vakken op het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder.
In 1929 werd hij bevorderd tot kapitein en gedetacheerd bij de Hogere Krijgsschool. Hij werd tevens lid van de Zeekrijgsraad. In 1933 werd hij benoemd tot eerste officier van het Koninklijk Instituut voor de Marine. In 1934 werd De Bruyne aangesteld als commandant van het detachement mariniers dat deel uitmaakte van de internationale troepenmacht tot veiligstelling van de orde en rust tijdens de volksstemming in het Saargebied. Kort daarna werd hij geplaatst als eerste officier van de Goebengkazerne in Soerabaja en benoemd tot voorzitter van de krijgsraad aldaar. Al voor het uitbreken van de oorlog bestudeerde De Bruyne amfibische landingen.
De oorlogsjaren
In mei 1941 werd De Bruyne door de Nederlandse regering naar Londen geroepen. Hij reisde aan boord van de Ms. Tanimbar, die hem via de Verenigde Staten naar Engeland bracht. Op 14 augustus 1941 trad FranÁois van 't Sant af als hoofd van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst en kreeg De Bruyne tot juni 1942 de leiding. Vervolgens kreeg hij de leiding over Bureau Militaire Inlichtingendienst en Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer, waar hij het operatief gebruik van de Prinses Irene Brigade organiseerde. Hij werd in 1942 bevorderd tot kolonel.
Geheim agenten
De Bruyne heeft nooit door gehad dat het Englandspiel (maart 1942 - mei 1943) veel levens eiste en bleef berichten naar Nederland sturen die in Duitse handen kwamen. Hij dacht dat de agenten in Nederland vergaten codes toe te voegen, dat wil zeggen expres kleine fouten te maken. In zijn kantoor in Londen had hij plattegronden gehangen waarop landingsplaatsen bij Scheveningen, Noordwijk en Walcheren duidelijk waren aangegeven. Toen geheim agent Louis d'Aulnis dat zag, nam hij zich voor zijn landingsplaats niet vooraf bekend te maken, hetgeen zijn leven heeft gered. De Bruyne en Erik Hazelhoff Roelfzema waren niet bevriend. Erger nog, De Bruyne wilde hem voor het gerecht slepen omdat zijn opdracht niet werd uitgevoerd. Dit gebeurde op hetzelfde tijdstip dat koningin Wilhelmina in 1942 hem voor de Willems-Orde voordroeg.
Mariniers Brigade & Oost-Java
In het najaar van 1942 kwam kapitein der mariniers baron E.J. Lewe van Aduard bij De Bruyne met een plan om een Mariniers-eenheid op te richten om deel te nemen aan de strijd tegen Japan. De eenheid zou bestaan uit 250 beroepsmariniers en aangevuld worden door oorlogsvrijwilligers (OVW-ers), die na de oorlog gerekruteerd konden worden. Op 17 mei 1943 werd besloten een dergelijke eenheid op te richten. In het najaar van 1943 benoemde de Minister van Oorlog hem tot inspecteur van de Nederlandse troepen. Op 15 augustus 1944 diende De Bruyne verzoek tot ontslag in. Op 16 oktober 1944 werd De Bruyne commandant van de mariniers in de Verenigde Staten met de opdracht de eerste Nederlandse marinebrigade te vormen. De opleiding vond voornamelijk plaats in Camp Lejeune, gebouwd in 1941 aan de stranden van North Carolina om amfibische landingen te trainen, en Camp Endicott, gebouwd in 1942 in Rhode Island. Na de oorlog werden honderden oorlogsvrijwilligers naar Camp Lejeune gestuurd. Van 14 september 1945 - 20 juli 1946 was De Bruyne commandant van de Mariniersbrigade in Nederlands-IndiŽ, hij werd opgevolgd door kolonel P.J. van Gijn. Deze brigade vertrok eind 1945 naar IndiŽ. Op 17 november vertrok de 'Noordam' uit de Verenigde Staten met de eerste mariniers, op 11 december vertrok de 'Bloemfontein' vanuit Norfolk met de rest van de groep. Een deel van de troepen van de Noordam werden afgezet in Batavia, de anderen gingen door naar Singapore om vandaar naar Malakka te gaan. Van juli 1946 tot oktober 1947 was hij territoriaal commandant van Oost-Java. Hij was betrokken bij de eerste politiŽle acties waarbij twee amfibische acties werden uitgevoerd waardoor een groot deel van Oost-Java weer onder Nederlands bewind kwam.
Kolonel C.E. baron van Asbeck zei over De Bruyne: Hij was door en door eerlijk en recht door zee. Alles wat geen hele waarheid was, was voor hem een leugen.[2] Generaal-majoor A.M. Luijk zei: Als er iets mis dreigde te gaan ging hij voor de troep staan en alleen al door de manier waarop hij daar stond had hij het pleit al gewonnen. Hij keek iedereen aan, althans dat gevoel had je.

Mattheus Reindert de Bruijne (1949)

Mattheus Reindert de Bruijne (1949)
Geboren 9 oktober 1895
Terneuzen
Overleden 13 oktober 1973
Renkum
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Embleemkorpsmariniers.png Korps Mariniers
Rang Nl-marine-vloot-vice-admiraal.svg Luitenant-generaal der mariniers
Leiding over Hoofd van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

Militaire loopbaan
Cadet: 1914
Tweede luitenant: 25 juli 1917
Eerste luitenant der Infanterie: 25 juli 1921
Eerste luitenant der Mariniers: 8 augustus 1922
Kapitein der Mariniers: 5 maart 1929
Luitenant-kolonel der Mariniers: 1 mei 1938
Kolonel der Mariniers: 16 augustus 1943
Generaal-majoor der Mariniers: 1 september 1946
Luitenant-generaal der mariniers: 16 februari 1953
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw: in november 1947
Officier in de Orde van Oranje-Nassau in februari 1935
Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon in brons
Ereteken voor Orde en Vrede met twee gespen
Huwelijksmedaille 1937
Mobilisatiekruis 1914-1918
Officier in het Legioen van Verdienste op 30 oktober 1947

 


Hugo Victor Benjamin Burgerhout

Hugo Victor Benjamin Burgerhout (Rotterdam, 21 mei 1913 - Le Regal, Antraigues-en-ArdŤche, 7 maart 1988) was een Nederlands militair van de Marine Luchtvaartdienst die vocht als luitenant ter zee-vlieger der eerste klasse der Koninklijke Marine Reserve tegen het Japanse Keizerrijk. Op 11 december 1950 werd hij tot ridder in de Militaire Willems-Orde benoemd.
Hugo Burgerhout bleef in dienst tot aan zijn functioneel leeftijdsontslag, hij werd in een Koninklijk Besluit van 4 augustus 1958 eervol ontslagen, in dienst van de Koninklijke Luchtmacht.
Omdat men in Nederland slechts eenmaal gedecoreerd kan worden voor hetzelfde wapenfeit werd een eerdere Eervolle Vermelding ingetrokken en vervangen door een Militaire Willems-Orde
Luitenant-ter-zee der Eerste Klasse-vlieger H.V.B. Burgerhout was op 17 december 1941 zojuist op het vliegveld van Ternate (Celebes) geland met zijn Dornier Do 24 K vliegboot 'X 30' toen een vijandelijk verkenningsvliegtuig, een viermotorige Japanse Kawanishi-vliegboot, langsvloog. Burgerhout startte direct hierop zijn Dornier en zette de achtervolging in, waarbij hij de Kawanishi "enige schade" wist toe te brengen. Omdat de boordschutters van de Kawanishi hem hadden geraakt moest hij met averij naar Ternate terugkeren. Deze actie leverde hem een Eervolle Vermelding op.
Later vloog Burgerhout in het 320 Dutch Squadron RAF.
Onderscheidingen
MWO.4
DSO
In een Koninklijk Besluit No. 40 van koningin Juliana van 11 december 1950[1] werd Hoofdofficier-vlieger der tweede klasse, Marine Luchtvaartdienst Hugo Victor Benjamin Burgerhout tot Ridder IVe Klasse der Militaire Willems-Orde benoemd. In dat Koninklijk Besluit werd een uitgebreide overweging van de Kanselier van de Militaire Willems-Orde en het Kapittel van de Militaire Willems-Orde geciteerd.
Het Kapittel noemde "Het zich in de strijd onderscheiden door uitstekende daden van moed, beleid en trouw in het tijdvak van 8 december 1941 tot 25 december 1944 als officier-vlieger en commandant van de onder hem gestelde vliegtuigen, waarbij hij door zijn voorbeeld en agressieve geest het moreel van zijn ondergeschikten steeds op hoog peil wist te houden en zijn personeel, ook onder dikwijls moeilijke omstandigheden, op uitmuntende wijze wist te leiden, door van zichzelf steeds meer te eisen dan van zijn ondergeschikten en door bij alle gevaarlijke opdrachten zelf de spits af te bijten. In het bijzonder: I. In het tijdvak van 8 December 1941 tot 6 Maart 1942 als commandant van een groep vliegboten van de Marine Luchtvaartdienst en wel a. door het uitvoeren van vele, dikwijls zeer gedurfde verkenningen en enkele succesvolle bomaanvallen; b. door, tijdens een bomaanval op Ternate op 17 December 1941 door een viermotorige Japanse vliegboot, onverwijld te starten met de vliegboot X 30 en de sterkere tegenstander te achtervolgen en aan te vallen, waarbij beide vliegtuigen ernstig werden beschadigd; c. door op 23 December 1941, na het uitvoeren van een gedurfde bomaanval op Davao, onder gevaarvolle en moeilijke omstandigheden in volle zee te landen en de bemanning van een neergeschoten vliegtuig van zijn groep over te nemen en in veiligheid te brengen; d. door begin Maart 1942, tijdens de evacuatie van Java, van een onder zijn leiding geÔmproviseerde startbaan in het havencomplex van Tjiliatjap, op te stijgen met een pas uit de Verenigde Staten gearriveerde en ter plaatse gemonteerde DB. 7 lichte bommenwerper van een hem volkomen onbekend type en dit waardevolle vliegtuig behouden op zijn bestemming te brengen; e. door de nacht daarop met het enige overgebleven vliegtuig van zijn groep het grootste gedeelte van zijn personeel, onder zeer moeilijke omstandigheden, op beleidvolle wijze naar AustraliŽ over te brengen. II. Door het tijdvak van 12 December 1943 tot 25 December 1944, met een tijdelijke onderbreking van 28 Juni - 8 September 1944, als commandant van het 320e squadron van de Marine Luchtvaartdienst aan het westfront in totaal 80 operaties tegen de vijand uit te voeren, veelal onder zware vijandelijke afweer en daarbij formaties te leiden van 6 tot 14 vliegtuigen, terwijl vele van deze operaties op zeer succesvolle wijze werden uitgevoerd en de vijand belangrijke afbreuk werd gedaan. Voorts, door zijn doorzettingsvermogen, zijn moedig voorbeeld en verdere leiderseigenschappen, het onder hem gestelde personeel dusdanig te bezielen, dat zijn squadron in de Tactical Airforce, waartoe het behoorde, een uitstekende gevechtseenheid vormde en elke vergelijking met Britse en andere geallieerde squadrons kon doorstaan".
Hugo Burgerhout heeft een aantal Nederlandse onderscheidingen voor dapperheid gedragen. Die onderscheidingen zijn op het op 24 februari 1944[2] verleende vliegerkruis na vervolgens weer ingetrokken en vervangen door zijn ridderkruis in de Militaire Willems-Orde. Zijn Eervolle Vermelding van 24 februari 1944[2] was op het lint van het Vliegerkruis bevestigd maar deze kroon werd vervangen door een Bronzen Leeuw. De Bronzen Leeuw werd op zijn beurt ingetrokken en vervangen door de Willems-Orde,
Zijn Kruis van Verdienste werd ingetrokken en vervangen door een Militaire Willems-Orde der Vierde Klasse
Zijn Vliegerkruis, toegekend in een Koninklijk Besluit van Koningin Wilhelmina van 12 oktober 1944[3] mocht Burgerhout blijven dragen. Wilhelmina verleende het Vliegerkruis omdat Hoofdofficier-vlieger der tweede klasse, Marine Luchtvaartdienst, commanding officer R.A.F. no. 320 (R.D.N.A.S.) Squadron Burgerhout "als commandant van het 320e Squadron R.D.N.A.S. van Onzen Marine Luchtvaartdienst in het Vereenigd Koninkrijk, gedurende geruimen tijd in oorlogsvluchten tegen den vijand blijk (had) gegeven van moed, bekwaamheid, volharding en plichtsbetrachting".
Burgerhout ontving ook het Oorlogsherinneringskruis[2] met twee gespen en het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier[2] met het getal XX.
De Britse Koning George VI verleende Burgerhout op 25 augustus 1944[2] voor wat door de Britten "excellent gallant leadership in war" werd genoemd de exclusieve Distinguished Service Order. Op 8 september 1944 gaf Koningin Wilhelmina haar officier toestemming het Britse ereteken aan te nemen en te dragen.
De Belgische regering verleende Burgerhout het Oorlogskruis 1940 met de Palm waarmee een Eervolle Vermelding op legerniveau werd aangeduid.

Hugo Burgerhout
Geboren 21 mei 1913
Rotterdam
Overleden 7 maart 1988
Le Regal, Antraigues-en-ArdŤche, Frankrijk
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Marine Luchtvaartdienst
Dienstjaren ..... - 1958
Rang Nl-marine-vloot-luitenant ter zee der 2e klasse.svg Luitenant ter zee der tweede klasse
Eenheid 320 Dutch Squadron RAF
Leiding over 320 Dutch Squadron RAF
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Westfront
 

MWO.4

 


Michael Rudolph Hendrik Calmeyer

Michael Rudolph Hendrik Calmeyer (Hellevoetsluis, 11 juni 1895 - 's-Gravenhage, 7 maart 1990) was een Nederlands politicus en generaal.
Calmeyer volgde tussen 1914 en 1917 een opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA), voor hij als 2e luitenant der infanterie werd benoemd en diende van 1921 tot 1925 bij het KNIL op Java (eiland) en in Atjeh. In 1926 volgde hij de opleiding aan de Hogere Krijgsschool (of HKS) in Den Haag, waarna hij de opleiding en benoeming tot officier der Generale Staf meemaakte. Kort nadien werd hij zelf docent (tactiek en stafdienst) aan de HKS. In 1938 vertrok kapitein Calmeyer naar Berlijn waar hij de unieke kans kreeg aan de Duitse Hogere Krijgsschool te studeren en de leergang voor Generalstabsoffizier (tot en met divisieniveau) te volgen. Tijdens die opleiding werd hij in augustus 1939 naar Nederland teruggeroepen omdat de mobilisatie intussen was afgekondigd.
In de jaren dertig toonde Calmeyer zijn sympathie voor rechts-conservatieve politiek. Hij was in 1933 lid geworden van de rechtse splinterpartij Verbond voor Nationaal Herstel (VNH), waar ook de oud opperbevelhebber van het Nederlandse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, generaal Cornelis Jacobus Snijders, prominent lid van was. Het VNH was naast de bekende NSB de enige rechtse splinterpartij die uiteindelijk voldoende stemmen kreeg om een zetel te behalen in 1933. In 1937 verloor de partij die zetel weer. Onderwijl was Calmeyer al lid af. Het was beroepsmilitairen intussen verboden om politieke lidmaatschappen aan te gaan.
Calmeyer was onder meer militair docent, plaatsvervangend chef van de Generale Staf, afgevaardigde in de Noord-Atlantische Raad en directeur van het Defensie Studie Centrum.
Tijdens de meidagen van 1940 was hij chef-staf en kapitein der Generale Staf van de Groep Kil, een eenheid ter grootte van een brigade die een deel van het zuidfront van Vesting Holland diende te verdedigen. Hij functioneerde vier dagen lang als operationeel bevelhebber over de Groep. Naoorlogs werd hem gevraagd het Stafwerkdeel - een militair historisch onderzoek vanuit het Ministerie van Defensie- over de strijd op het zuidfront Vesting Holland te schrijven. In de oorlog was hij vanaf 1942 - nadat de Nederlandse officieren terug in krijgsgevangenschap waren geroepen - krijgsgevangene in Duitsland, waaronder in Kamp Stanislau. Voordien was hij enige tijd fanatiek sympathisant en lid van de Nederlandse Unie. Die door het Driemanschap geleide Unie werd enige tijd door de bezetter oogluikend toegestaan, omdat het een tamelijk conformistische richting koos.
Naoorlogs maakte Calmeyer een stoomcarriŤre. Hij doorliep binnen enkele maanden de rangen majoor, luitenant-kolonel en kolonel om ten slotte in 1949 als generaal-majoor sous-chef van de landmachtstaf te worden onder de bekende luitenant-generaal Hendrik Johan Kruls. Calmeyer toonde zich solidair met Hendrik Johan Kruls toen deze omwille van een hardnekkig dispuut over het defensiebeleid in 1951 zijn ontslag nam. Enige jaren later werd Calmeyer gevraagd om als afgevaardigde van Nederland zitting te nemen in de Noord-Atlantische Raad, het bestuursorgaan van de NAVO. Hij verliet de NAR in 1955. Als luitenant-generaal verliet Calmeyer de dienst.
Calmeyer was een trouw Christen, conservatief en naoorlogs lid van de Christelijk-Historische Unie (CHU). Hij was enige tijd de woordvoerder voor defensieaangelegenheden van de CHU-fractie. Op voorspraak van de Tweede Kamer fractie van de partij trad hij in 1959 toe tot het Kabinet-De Quay.Calmeyer was daarin als staatssecretaris voor land- en luchtmacht verantwoordelijk voor de o.a. aanschaf van de Starfighter. In 1963 trad hij samen met het kabinet af. Hij behoorde tot de rechtervleugel van de CHU en verliet die in 1972 uit onvrede over de fusie met de KVP.
Memoires
Calmeyer schreef zijn memoires op en deze werden onder de titel "Herinneringen - memoires van een christen, militair en politicus", bewerkt (door J. Hoffenaar) en uitgegeven door de SDU in 1997. ISBN 90 12 08440 7. Dat werk is als voornaamste bron gebruikt voor bovenstaande beschrijving.

Staatssecretaris Calmeyer beantwoordt Kamervragen bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de kwestie "legering van Duitse militairen in Budel".

Staatssecretaris Calmeyer beantwoordt Kamervragen bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de kwestie "legering van Duitse militairen in Budel".
Algemene informatie
Volledige naam Michael Rudolph Hendrik Calmeyer
Geboren Hellevoetsluis, 11 juni 1895
Overleden 's-Gravenhage, 7 maart 1990
Partij CHU
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland

 


Adriaan Quirinus Hendrik Dijxhoorn

Adriaan Quirinus Hendrik Dijxhoorn (Rotterdam, 10 september 1889 - De Steeg (gem. Rheden, Gld.), 22 januari 1953) was een Nederlands generaal en politicus.

Dijxhoorn was aanvankelijk officier en werd vervolgens in het tweede kabinet-De Geer minister van Defensie. Hij had in die functie de politieke verantwoordelijkheid voor de mobilisatie in 1939 en voor de Nederlandse verdediging bij de daarop volgende Duitse inval in 1940. Hij had hierover voortdurend meningsverschillen met de Nederlandse opperbevelhebber, generaal Reijnders. Dijxhoorns positie werd bemoeilijkt, doordat hij als militair een lagere rang had gehad dan generaal Reijnders, maar nu als minister boven Reijnders stond. Hij trad vaak nogal aarzelend op, maar verving de in legerkringen populaire Reijnders ten slotte in februari 1940 toch door generaal Winkelman. Zijn aanzien bij het leger had hieronder te lijden. Hij trad in Londen af, nadat koningin Wilhelmina het vertrouwen in hem had opgezegd. In december 1941 trad hij weer als militair in actieve dienst en bekleedde daarna nog enige militaire functies. Hij was o.a. actief in de staf van generaal Montgomery, werd waarnemend chefstaf van het Nederlandse leger (in deze functie werd hij opgevolgd door generaal Kruls) en lid van het Hoog Militair Gerechtshof.

 


Damiaen Joan van Doorninck

Damiaen J. van Doorninck Azn (Vught, 29 augustus 1902 ó Mynachlog-ddu, Wales, 24 september 1987) was een officier bij de Koninklijke Marine. Hij is een van de weinige krijgsgevangenen die succesvol uit het krijgsgevangenenkamp Oflag IV C (Slot Colditz) ontsnapten.

Erewoord en gevangenschap

Van Doorninck werd in 1923 benoemd tot luitenant ter zee der derde klasse In mei 1940 was Van Doornink luitenant ter zee der eerste klasse en adjudant van de opperbevelhebber van het Nederlandse leger, generaal Henri Winkelman.

Op 15 mei 1940 reden generaal Winkelman, van Voorst tot Voorst, kapitein Schepers en van Doorninck naar Rijsoord om de capitulatie te ondertekenen.
Na de capitulatie werd alle Nederlandse officieren gevraagd de erewoordverklaring te tekenen. Deze erewoordverklaring hield in dat de ondertekenaars daarvan op geen enkele wijze in verzet zouden komen tegen de Duitsers. Van Doorninck weigerde deze erewoordverklaring te tekenen en ging met generaal Winkelman in Duits gevangenschap. Nadat de Duitsers het onnodig vonden dat de adjudanten bij hun generaal bleven werd van Doorninck overgeplaatst naar het kamp met de overige officieren die de erewoordverklaring niet hadden getekend. Deze groep kwam uiteindelijk in Oflag IV C terecht.
In Colditz gaf van Doorninck les aan andere krijgsgevangenen in kosmografie, hogere wiskunde en sleutelvervalsing. Met toestemming van de Duitsers repareerde van Doorninck horloges waarvoor hij speciaal gereedschap kon gebruiken. Dit gereedschap gebruikte hij echter ook om sleutelgaten te meten en valse sleutels te maken. Hierdoor kon de Nederlandse ontsnappingsofficier, kapitein KNIL Machiel van den Heuvel bijna alle deuren binnen het kasteel openen wat gebruikt werd voor diverse ontstnappingspogingen.
Op 9 september 1942 ontsnapte van Doorninck met de Britse kapitein vlieger (RAF) H.N. Fowler uit Colditz. Samen met vier anderen waren zij verkleed als Duitse bewakers en Poolse soldaten. Via een opslagplaats liep de groep naar een poort waar van Doorninck de wacht overblufte. De vier anderen werden uiteindelijk gepakt maar Fowler en van Doorninck bereikten Zwitserland via de route die eerder ontdekt en gebruikt was door LTZ Hans Larive.
Voor en na de oorlog
Damiaen van Doorninck was de zoon van titulair luitenant-generaal Adam van Doorninck (1856-1936) en jkvr. Adriana Janke Gevaerts (1871-1944). In 1933 trad Van Doorninck in het huwelijk met Henriette Sophia Wilhelmina barones d'Aulnis de Bourouill (1909-1982); in 1948 werd de echtscheiding uitgesproken. Ze kregen twee dochters.
Tijdens de Koreaoorlog was luitenant-ter-zee Van Doorninck commandant van de Hr.Ms. Evertsen . Na zijn pensionering verhuisde hij naar Wales, waar hij in 1987 overleed.
Onderscheidingen
Bronzen Kruis op 2 juni 1945
Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier (XXX, dertig jaar)
Officier in de Orde van het Britse Rijk

Van Doorninck als kapitein-luitenant ter zee

Van Doorninck als kapitein-luitenant ter zee
Geboren 29 augustus 1902
Vught
Overleden 24 september 1987
Mynachlog-ddu, Wales
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Marine
Eenheid Marine
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Koreaanse Oorlog

 


Oscar Louis Drijber

Oscar Louis Drijber (Ende, Flores, 4 april 1914 - 27 januari 1995) is een van de zes Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Slot Colditz ontsnapten.
Oscar Drijber was de tweede zoon van Lukas Drijber en Jeanette Caroline Helfrich. Drijbers eerste huwelijk eindigde al snel in een echtscheiding. Hun zoontje Michael overleed in 1944. Drijbers schoonfamilie kwam ook uit Nederlands-IndiŽ. Lt. Oscar Louis Helfrich (1860-1958), zijn grootvader, woonde op Sumatra, hij was bestuursambtenaar en hij was gouverneur van CuraÁao van 1919 tot 1921.
Oorlogsjaren
Drijber kreeg zijn opleiding op de KMA in Breda en diende in het Nederlandse leger tijdens de meidagen van 1940. Daarna weigerde hij de erewoordverklaring te tekenen en werd hij krijgsgevangen genomen. Hij verbleef in Oflag VI A Soest, Oflag VIII C Juliusburg en Oflag IV C Colditz.
Ontsnapping uit Colditz
De eerste vier mannen die uit Colditz ontsnapten, waren Franse officieren. Op 13 augustus slaagden Dolf Dufour en John Smit erin via een waterput te ontsnappen, net als twee dagen later Hans Larive en Francis Steinmetz. Ze waren aan het rugbyspelen. Terwijl anderen een scrum vormden, kropen de Nederlanders in een waterput. Toen bleek dat ze veilig waren weggekomen en de Duitsers niet ontdekten hoe dat was gebeurd, verdwenen Oscar Drijber en Cornelis Giebel op 19 september op dezelfde manier.
Engeland
Via Zwitserland bereikte hij Engeland, waarna hij een commandotraining kreeg. Hij werkte voor de Netherlands Forces Intelligence Service en werd naar AustraliŽ gestuurd. Hij was betrokken bij diverse commandoacties achter de Japanse linies in Nederlands-IndiŽ.
Nr. 18 RAAF Squadron
In AustraliŽ kreeg Drijber daarna een opleiding tot navigator. In 1942 werd hij ingedeeld bij de Nr. 18 RAAF Squadron, dat in juli 1942 werd opgericht. Het squadron bestond uit 18 B-25 Mitchell-bommenwerpers die in de Verenigde Staten waren gebouwd. Hoewel het eerst deel uitmaakte van de Royal Australian Air Force, werden de vliegtuigen meteen met de Nederlandse vlag beschilderd. Ook de identificatiecode van de vliegtuigen was Nederlands.
Op 6 juli werd het squadron onder het Nederlandsch-Indisch Leger geplaatst. De commandant was B.S. Fiedeldij. Op 31 januari 1943 werd de eerste missie gevlogen. Het squadron verloor 90 Nederlanders tot het einde van de oorlog. Drijber was eerste luitenant bij het KNIL.
Na de oorlog
Na het overlijden van zijn tweede echtgenote trouwde hij in Batavia op 16 maart 1946 met Sytske Brandsma, een onderwijzeres uit Friesland. Ze emigreerden naar Canada en kregen zes kinderen. Hij werd testpiloot. Later werd hij wiskundeleraar op een middelbare school in Rockwood, Ontario.

Oscar Drijber in 1942

 


Adolphe Louis Charles Dufour

Adolphe Louis Charles Dufour (1907) was in 1941 de eerste Nederlandse militair, die uit Colditz ontsnapte.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Dolf Dufour militair bij het KNIL. Hij weigerde de erewoordverklaring te tekenen en werd op 14 mei 1940 gearresteerd, waarna hij de rest van de oorlog als krijgsgevangene moest doorbrengen. Op 16 juli 1940 werd hij naar Oflag VI A Soest gebracht, en op 14 november overgeplaatst naar Oflag VIII C Juliusburg. Op 27 juli 1941 kwam hij in Oflag IV C Colditz aan, waar hij twee ontsnappingspogingen deed. Na de eerste poging werd hij gearresteerd en teruggebracht naar Colditz. Nadat zijn tweede poging mislukte, werd hij op 11 juni 1943 overgeplaatst naar Stalag 371 Stanislau samen met John Smit, zijn ontsnappingsmaat. Op 17 januari 1944 werd hij met John Smit en enkele andere gevangenen op transport gezet naar Oflag 67 Neubrandenburg. Op 1 juni 1944 probeerde hij vergeefs te ontsnappen. Neubrandenburg werd op 28 april 1945 door de Russen bevrijd.

Ontsnappingspogingen
Op 24 juli 1941 kwamen de eerste Nederlandse krijgsgevangenen al in het middeleeuwse kasteel Colditz aan. Kapitein Machiel van den Heuvel, ook van het KNIL, werd de ontsnappingsofficier die de ontsnappingsplannen coŲrdineerde. Hij had al gauw in het hertenkamp een vierkante waterput gevonden met een houten deksel. Kapitein Dolf Dufour en 1ste luitenant John G Smit (ook KNIL) moesten zich tijdens het sporten daarin verstoppen. Bij terugkeer in het kamp werden de gevangenen opnieuw geteld. Toen er twee ontbraken, lachte Van den Heuvel de Duitser uit en zei dat er twee Engelsen waren teruggestuurd. De Duitser liet zich overbluffen. Toen alles weer rustig was, klommen Dufour en Smit uit de put en over de muur van het kamp. Ze werden bij Zschiria, vlak voor de Zwitserse grens, weer opgepakt en naar het kamp teruggestuurd.

Diezelfde waterput werd twee dagen later ook gebruikt door Lt Hans Larive en Lt Francis Steinmetz. Als afleidingsmanoeuvre had Gerrit Dames een gat in het prikkeldraad geknipt. Hij kroop erdoor en riep naar (niet bestaande) medevluchters dat hij ontdekt was. Larive en Steinmetz bereikten Zwitserland en kwamen via Frankrijk, Spanje en Gibraltar op 17 december 1941 in Engeland aan. In september werd de waterput gebruikt door Majoor Cornelis Giebel en Lt Oscar Drijber.

Dufour probeerde nogmaals te ontsnappen. In een Duits uniform, dat gebruikt werd voor het toneelspelen, wilde hij het kamp verlaten, maar de schildwacht hield hem staande.

Na de oorlog werd Dufour naar Nederlands-IndiŽ gestuurd. Hij werd troepencommandant Zuid-Oost-Borneo.

Het kasteel in 2011

Dolf Dufour
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Volledige naam Adolphe L C Dufour
Geboren Djokjakarta, 11 augustus 1907
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep militair
Bekend van ontsnapping uit Colditz

 


Johannes Frans (Jan) van Dulm

Johannes Frans (Jan) van Dulm (Den Helder, 24 oktober 1907 - Wassenaar, 20 augustus 1991) was een Nederlandse officier bij de Nederlandse marine en onderzeebootcommandant tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Jan van Dulms vader, Maarten van Dulm, was eveneens marineofficier met de rang van viceadmiraal. In 1923 werd van Dulm adelborst aan het Koninklijk Instituut voor de Marine waar zijn vader toen leraar artillerie was. Hij deed van 1929 tot 1 juni 1961 dienst bij de Koninklijke Marine. Na de Tweede Wereldoorlog was hij achtereenvolgens commandant van de Onderzeedienst en Commandant Maritieme Middelen in Rotterdam, stafofficier bij het NAVO hoofdkwartier SHAPE in Parijs, Commandant Maritieme Middelen in Amsterdam en hoofd van het Bureau Inlichtingen van de Marinestaf.

Tweede Wereldoorlog

Met zijn bemanning van de O 21
Op 10 mei 1940 was van Dulm commandant van de onderzeeboot O21. Deze lag nog in afbouw op de werf van de Koninklijke Schelde, nu Damen Schelde Naval Shipbuilding in Vlissingen. Hij moest onmiddellijk naar Engeland oversteken, hoewel het schip niet gereed is en de bemanning niet volledig. De O 21, opererend vanuit Dundee, Gibraltar, Colombo (Sri Lanka) en Fremantle (AustraliŽ), maakte tijdens de oorlog veel patrouilles en bracht acht vijandelijke schepen tot zinken. Ook voerde van Dulm verscheidene verkenningsmissies en vijf speciale operaties uit, waarbij geheime agenten in de Indonesische Archipel werden afgezet.

Tweemaal heeft Van Dulm drenkelingen opgevist nadat hij hun schip had getorpedeerd. Op 5 september 1941 waren dat bemanningsleden van het Italiaanse koopvaardijschip Isarco, waaronder negen militairen. Op 28 november 1941 torpedeerde de O 21 de Duitse onderzeeŽr U-95 in de buurt van Gibraltar. Daarbij werden twaalf overlevenden opgepikt, waaronder de commandant G. Schreiber, die hij 25 jaar later op de Kieler Woche weer ontmoette.

De jaren na de oorlog beschouwde hij als een toegift, want veel vrienden van hem waren niet thuisgekomen. Hij bleef altijd bij de marine. Na zijn overlijden werd Jan van Dulm gecremeerd op Ockenburgh in Den Haag. Hierbij was o.a. Piet de Jong aanwezig, die als eerste officier onder Van Dulm diende.

Rang bij de marine
Jan van Dulm had de volgende rangen bij de marine:

september 1923 - Adelborst
16 augustus 1923 - Luitenant ter zee III
16 augustus 1927 - Luitenant ter zee II
11 februari 1939 - Luitenant ter zee I
1 september 1948 - Kapitein-Luitenant ter zee
1 augustus 1952 - Kapitein ter zee
4 september 1956 - Commandeur
Commando over onderzeeboten[bewerken]
De volgende onderzeeboten hebben onder commando van Jan van Dulm gestaan:

O 14 Februari - juli 1935
O 11 Juli - november 1935
O 16 November - april 1937
O 10 April 1937 - augustus 1937
O 13 Augustus 1937 - november 1937
O 16 November 1937 - september 1938
O 12 September 1938 - januari 1939 (reis naar West IndiŽ)
O 13 Januari 1939 - oktober 1939
O 21 Oktober 1939 - 28 maart 1944
Onderscheidingen

MWO.4
Ridder in de Militaire Willems-Orde (MWO.4), 23 augustus 1947
Bronzen Kruis; omdat deze tweemaal - op 16 augustus 1940 voor de ontsnapping van de Hr. Ms. O 21 op 13 mei 1940, en op 4 mei 1944 voor zijn gevechten in zowel de Middellandse Zee als in Oost-AziŽ - aan hem werd toegekend droeg hij het getal "2" op het lint.
Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden
Drager van het Oorlogsherinneringskruis met vier gespen
Drager van het Ereteken voor Orde en Vrede
Drager van het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het getal XXXV
Honorary Companion in de Distinguished Service Order van het Verenigd Koninkrijk, uitgereikt op Gibraltar door admiraal Sir Max Horton. Hij kreeg deze hoge Britse onderscheiding voor de tweede maal voor het tot zinken brengen van een vijandelijke onderzeeboot bij ItaliŽ, zodat hij een 'bar' op het lint mocht dragen.

1941: Op de brug van de O 21

1941: Op de brug van de O 21
Geboren 24 oktober 1907
Den Helder
Overleden 20 augustus 1991
Wassenaar
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Marine
Dienstjaren 1927 - 1956
Rang Nl-marine-vloot-commandeur.svg Commandeur
Eenheid Onderzeedienst
Leiding over Meerdere onderzeeboten
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Ridder in de Militaire Willems-Orde.jpg Militaire Willems-Orde
Portaal Portaalicoon Marine

Met zijn bemanning van de O 21

Ridder in de Militaire Willems-Orde.jpg

MWO.4

 


Joseph Constant EugŤne (Joop) Haex

Joseph Constant EugŤne (Joop) Haex (Maastricht, 24 november 1911 Ė Wassenaar, 14 april 2002) was een Nederlandse staatssecretaris van defensie van het Kabinet-Marijnen van 1963 tot 1965 en van het Kabinet-De Jong van 1967 tot 1971.

Nadat hij het HBS- diploma had behaald, studeerde hij wiskunde in de V.S. van 1931 tot 1932. Hierna doorliep Haex de officiersopleiding KMA (Koninklijke Militaire Academie) te Breda, van 1932 tot 1935. Van 1935 tot 1939 diende hij als officier bij de landmacht. Vanaf 1939 werd hij eerste luitenant der artillerie totdat hij in 1942 een krijgsgevangene werd. In mei 1945 werd hij bevrijd door de Russen.

Na de oorlog was hij drie termijnen geplaatst bij de Generale Staf: van oktober 1945 tot 1946, van 1948 tot 1951 en van 1960 tot 1962 als hoofd van het bureau voor voorlichting, vorming en psychologische oorlogsvorming (vvp). In 1951 werd hij Kapitein van de Generale Staf. Tussen deze termijnen door was hij adjunct-militair attachť te Washington, van 1951 tot 1955 en hoofd sectie organisatie en personeel bij de Nederlandse territoriaal bevelhebber (ntb), van 1957 tot 1959.

In 1951 kwam hij met het plan voor de IJssellinie. De IJssellinie was een verdedigingslinie, gebouwd tussen 1951 en 1954, bedoeld om door inundatie van een deel van oostelijk Nederland het overige deel van Nederland te beschermen tegen een eventuele Russische invasie.

Op 14 augustus 1963 nam hij zitting in het Kabinet-Marijnen als staatssecretaris van Defensie (belast met aangelegenheden betreffende de Koninklijke Landmacht) tot 14 april 1965. Na deze periode was hij directeur Staatsbedrijf der Artillerie-inrichtingen te Zaandam, van 16 november 1965 tot april 1967. Hierna volgde nog een kabinetsperiode in het Kabinet-De Jong van 18 april 1967 tot 6 juli 1971 als staatssecretaris van Defensie (belast met aangelegenheden betreffende de Koninklijke Landmacht). In 1971 werd hij luitenant-generaal.

In het voorjaar van 2002 overleed Joop Haex op negentigjarige leeftijd.

J.C.E. Haex (1963)

J.C.E. Haex (1963)
Algemene informatie
Volledige naam Joseph Constant EugŤne (Joop) Haex
Geboren Maastricht, 24 november 1911
Overleden Wassenaar, 14 april 2002
Partij CHU

 


Giovanni Narcis Hakkenberg

Giovanni Narcis Hakkenberg (Soerabaja, 6 december 1923 Ė Ede, 15 februari 2013) was een Nederlands marinier (kapitein der mariniers b.d.) en ridder der Militaire Willems-Orde.
Verrichtingen in de kolonie
Op 17-jarige leeftijd meldde Hakkenberg zich met een broer en een aantal neven in Nederlandsch-IndiŽ aan bij de Nederlandse Marine om in Europa tegen de Duitsers te gaan vechten; Hakkenberg kwam in februari 1941 in dienst als lichtmatroos.Na drie maanden werd hij overgeplaatst op Hr. Ms. Soerabaja; dat was de voormalige Hr. Ms. De zeven ProvinciŽn, waar hij zijn nautische opleiding kreeg. In oktober 1941 werd oorlogsmaterieel ingescheept voor het KNIL en AustraliŽ en voer men naar de kleine Soendaeilandengroep. Na de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan werden KNILmilitairen ingescheept en werden per Soerabaja naar Portugees Timor vervoerd, waar een vliegveld bezet werd. Hakkenberg fungeerde als roeier in de B2 sloepen. Na deze landing voer de Soerabaja naar Soerabaja, waar Hakkenberg werd overgeplaatst op Hr. Ms. torpedobootjager Kortenaer.
Aan boord van Hr. Ms. Kortenaer nam hij als jongste matroos op 27 februari 1942 deel aan de luchtslag bij de Straat van Billiton en de Slag in de Javazee. De Kortenaer werd getorpedeerd en zonk binnen een paar minuten. Hakkenberg had een zwemvest maar zijn benen zaten verstrikt in touwen. Toch wist hij zich te redden en was hij een van de 104 overlevenden die door de HMS Encounter werden opgepikt en naar Soerabaja gebracht. Omdat Hakkenberg gewond was werd hij naar het ziekenhuis overgebracht. Op 8 maart 1942 capituleerde Nederlands-IndiŽ. Hakkenberg kwam in een krijgsgevangenkamp in Thailand en werd te werk gesteld aan de beruchte Birma-spoorlijn. In 1944 werd hij naar een steenkolenmijn in Japan overgeplaatst. Aan het einde van de oorlog woog hij nauwelijks 40 kg. Na de oorlog kwam hij terecht in een groot rustkamp in Manilla en vandaar zou hij worden overgebracht naar AustraliŽ, om aan te sterken. Hakkenberg gaf zich echter, samen met twintig vrienden, op voor de marinebewakingsafdeling in Batavia.
Na de oorlog
Zijn ouders overleefden de oorlog, ze vertelden hem toen hij terugkwam uit krijgsgevangenschap dat hij de enige overlevende was van de groep van elf. Hakkenberg bleef bij de Marine en kwam als marinier tot inzet op Java bij de Mariniersbrigade (mei 1946). De eerste tijd werd hij opgeleid als "verhoorder" van gevangenen die bij de voorposten der mariniers gevangen waren genomen. Later werd hij bevorderd tot detachmentscommandant van de VDMB in Gedangan.Hij was toen 22 jaar en matroos der eerste klasse. In zijn functie bij de VDMB gaf hij zich soms uit voor Japans officier en zwierf hij door dessa's en kampongs. Hij werd teruggeroepen om deel te nemen aan de actie naar Modjokerto, waar hij in de tank van luitenant Spook meereed. Hierna werd hij opnieuw tewerk gesteld te Soerabaja en vervolgens te Djember, waar hij werd bevorderd tot detachementscommandant in Besoeki en Bondowoso; hij werd benoemd tot kwartiermeester, een functie gelijk in rang met die van korporaal der mariniers.In maart 1949 werd hij tijdelijk bevorderd tot sergeant. In deze rang werd hij benoemd tot hoofdkwartiercommandant in Loemadjang.
Hakkenberg vocht nog in Nieuw Guinea en werd in 1970 benoemd tot officier vakdiensten in de rang van eerste luitenant der mariniers. In de rang van kapitein was hij later belast met de algemene militaire vorming in de marinekazerne te Amsterdam. Hakkenberg verliet in 1974 de dienst als kapitein der Mariniers. Op 29 mei 2009 was hij een van de zes Ridders die aanwezig waren op het Binnenhof toen kapitein Kroon geridderd werd. Op 12 augustus 2010 was hij bij de herdenking van de line-crossers bij het Brugje van St Jan in de Biesbosch. Giovanni Hakkenberg woonde in Rumah Kita, een verzorgingshuis voor Molukkers en Indische Nederlanders in Wageningen, en overleed 15 februari 2013. Op 21 februari is hij in Utrecht met militaire eer gecremeerd. Zijn as werd begin 2014 uitgestrooid in de Javazee, waar zijn broer en zeven neven in 1942 sneuvelden.
Militaire Willems-Orde
Als korporaal der Mariniers - echter aangesteld als tijdelijk sergeant der Mariniers - kwam Hakkenberg tot inzet in Nederlands-IndiŽ, tegen zowel opstandelingen als de Tentara Nasional Indonesia (TNI), het nieuw opgerichte Indonesische leger. Hij was ingedeeld bij de mariniersbrigade, die de veiligheidsdienst op Oost-Java verzorgde. Hij was bij vele belangrijke acties betrokken, als groepscommandant van een klein detachement te Loemadjang. Meestal voerde hij deze acties alleen of met een handvol anderen uit, vaak 's nachts. Hij was buitengewoon actief en doortastend en kreeg voor een vijftal prominente acties, uitgevoerd tussen 24 augustus 1948 en 6 maart 1949, de Militaire Willems-Orde der 4e Klasse toegekend (KB no.40 van 6 maart 1951). Hakkenberg werd voorgedragen voor de Militaire Willemsorde door kapitein Meerdink in opdracht van de bataljonscommandant, luitenant kolonel der mariniers W.A. van Heuven.De mutatie bij deze onderscheiding was als volgt:
(Wegens) Het zich in den strijd onderscheiden hebben door uitstekende daden van moed, beleid en trouw als commandant van een detachement van de veiligheidsdienst van de mariniers-brigade van September 1947 tot Mei 1949 bij de bestrijding van terroristische benden in Oost-Java, waarbij hij aan het hoofd van slechts een zeer kleine groep - somtijds niet sterker dan drie tot vijf man - met een fanatieke aanvalsgeest deze numeriek sterkere en goedbewapende benden wist op te sporen en verrassend aan te grijpen, hun daarbij gevoelige verliezen aan manschappen en wapenen toebrengend, zonder zelf verliezen te lijden, te weten: door zijn op een uitnemende kennis van taal, land, volk, steunend beleid en onverschrokken optreden, achtereenvolgens in het bijzonder:
a. op 24 augustus 1948 in Daragowak de invloedrijke bendeleider Pa Tai met vijf zijner handlangers te arresteren;
b. op 25 oktober 1948 in de kampong Djakarta een geÔnfiltreerde TNI groep te overrompelen en gevangen te zetten;
c. op 7 en 19 april 1949 ten Zuiden van Mentoeroes de overmachtige tegenstander gevoelige verliezen toe te brengen;
d. op 14 februari 1949 te Bodag verscheidene uit bestuursoogpunt belangrijke personen te overmeesteren en daarbij een archief van de chef staf van de TNI met zeer waardevolle gegevens in handen te krijgen;
e. op 6 maart 1949 te Nitikan de republikeinse resident van Madioen te arresteren en deze met enige andere gevangenen, ondanks heftig verzet, veilig het eigen hoofdkwartier binnen te brengen

Decoraties
Militaire Willems-Orde, Ridder vierde klasse
Orde van Oranje-Nassau, eremedaille in goud
Bronzen Leeuw
Oorlogsherinneringskruis, 2 gespen
Ereteken voor Orde en Vrede, 4 gespen
Nieuw-Guinea Herinneringskruis
Onderscheidingsteken voor Langdurige en Trouwe Dienst
Orde van het Zwaard (Zweden), Medaille van het zwaard

Giovanni Hakkenberg in 2011

Giovanni Hakkenberg in 2011
Geboren 6 december 1923
Soerabaja
Overleden 15 februari 2013
Ede
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Korps Mariniers
Dienstjaren 1940-1974
Rang Nl-marine-vloot-luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie.svgKapitein der mariniers
Onderscheidingen Ridder in de Militaire Willems-Orde.jpg Militaire Willems-Orde
Portaal Portaalicoon Marine
 

Hakkenberg werd begraven met militaire eer

Ridderkruis 3e klasse van de Militaire Willems-Orde

Ridderkruis 3e klasse van de Militaire Willems-Orde

 


Jacob Harberts

Jacob Harberts (Den Haag, 10 juli 1883 - Rotterdam, 6 oktober 1971) was een Nederlandse generaal-majoor der Artillerie, die in mei 1940 het IIe Legerkorps van het Nederlandse Veldleger aanvoerde tijdens de strijd in de Grebbelinie.
Harberts kwam door een televisieprogramma in 1970 op negatieve wijze in het nieuws omdat hij op 12 mei 1940 de 22-jarige sergeant Chris Meijer vanwege desertie had laten executeren.
Levensloop
Harberts volgde de HBS te 's-Gravenhage en daarna de zogenaamde Cadettenschool in Alkmaar (1898-1900), de Koninklijke Militaire Academie te Breda (1900-1903) en de Hogere Krijgsschool te 's-Gravenhage in 1913 en 1918. Hij werd in juli 1903 aangesteld als 2e luitenant der artillerie. In november 1934 werd Harberts aangesteld tot kolonel en toegevoegd aan de Generale Staf als sous-chef. In mei 1938 werd hij benoemd tot generaal-majoor en inspecteur der Artillerie. Kort voor de meidagen van 1940 werd hij commandant van het IIe Legerkorps.
Het IIe legerkorps, bestaande uit de 2e en de 4e Divisie, was betrokken bij de Slag om de Grebbeberg. Harberts kwam op de derde oorlogsdag in conflict met de Commandant Veldleger, Godfried van Voorst tot Voorst, over welke commandant een tegenaanval zou moeten ontwerpen om de doorgestoten Duitse troepen op de Grebbeberg terug te dringen. Van Voorst tot Voorst gaf zonder voorafgaand overleg met Harberts de opdracht hiertoe aan kolonel Barbas van de IIe divisie, een ondercommandant van Harberts. Van Voorst tot Voorst overtrad daarmee gedragsregels en fatsoensnormen. Harberts was furieus daarover. De laatste meende dat de IVe divisie van Kolonel Van Loon de tegenaanval moest doen, voorzien van versterkingen. Harberts annuleerde de opdracht van Van Voorst tot Voorst en liet de staf van de 4e Divisie de tegenaanval ontwerpen en leiden. In 1949 moest Harberts zich voor deze interventie voor het Hoog Militair Gerechtshof verantwoorden. Hij werd vrijgesproken.
In de late middag van 13 mei - na drie dagen onafgebroken leiding geven in een chaotische strijd - was Harberts totaal uitgeput en was hij het overzicht kwijt. Hij was daardoor niet langer meer in staat zijn functie naar behoren uit te voeren, naar de mening van de Commandant Veldleger. Hij werd toen door Van Voorst tot Voorst als commandant van het IIe Legerkorps vervangen door kolonel Barbas. Generaal Winkelman zou Harberts spoedig rehabiliteren.
Tijdens de oorlog verkeerde Harberts in Duits krijgsgevangenschap. Hij werd in 1947 eervol ontslagen als generaal-majoor en ging in Wassenaar wonen.
Jacob Harberts overleed op 88-jarige leeftijd.
De zaak van sergeant Meijer
1rightarrow blue.svg Zie Chris Meijer voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Tijdens de eerste oorlogsdagen werd Harberts overstelpt door berichten over massaal laf gedrag en desertie van Nederlandse militairen in de Grebbelinie. Harberts had voor dit gedrag al gevreesd en was er daarom bijzonder op gebrand het in de kiem te smoren. Toen de voorpostenstrook bij de Grebbeberg op lichtvaardige wijze leek te zijn ontruimd door eigen troepen, verordonneerde de generaal niet alleen de herovering ervan, maar wilde hij ook een voorbeeld stellen. Hij gaf zijn staf opdracht enkele deserteurs met een veldcommando te selecteren, om deze voor een krijgsgerecht voor hun desertie te laten veroordelen. Twee militairen werden geselecteerd. Een vaandrig Tack, commandant van een sectie zware mitrailleurs in de voorpostenstrook, en sergeant-capitulant Meijer, commandant van twee stukken modern pantserafweergeschut in de hoofdweerstandstrook. De vaandrig bleek tijdens het vooronderzoek verzachtende omstandigheden te hebben omdat hij bij direct gevechtscontact was betrokken geraakt, maar de sergeant Meijer, die uit de niet aangevallen hoofdweerstand was verdwenen, leek aan alle criteria voor desertie te voldoen. Harberts stelde de krijgsraad te velde aan en instrueerde de krijgsraad de in beschuldiging gestelde Meijer de doodstraf te geven omdat hij het voorbeeld nodig achtte voor de algemene tucht. De voorzitter van de krijgsraad instrueerde onmiddellijk en in aanwezigheid van de generaal zijn krijgsraad dat zij volkomen zelfstandig zou moeten beslissen. Harberts wilde een "afschrikwekkend voorbeeld" stellen om de Nederlandse militairen tot harder vechten aan te zetten. De executie zou breed kenbaar moeten worden gemaakt zodat anderen zich wel tweemaal zouden bedenken te vluchten zonder hardnekkige tegenstand te bieden.
Uitspraak en executie
Uiteindelijk werd de sergeant op alle punten schuldig bevonden. Zo had hij zonder opdracht zijn stelling verlaten, zijn kanon en en ťťn groep meegenomen, hij had verzuimd zijn commandant of willekeurige iedere andere superieur te informeren, en zijn tweede stuk met bezetting volkomen in het ongewisse en zonder leiding achtergelaten. Voorts telde dat in zijn sector niemand was gevlucht, niemand gewond was geraakt of gesneuveld en zijn stelling volkomen ongeschonden was, bovendien helemaal niet aangevallen was. Daarnaast toonde de sergeant geen enkele intentie elders in het vak van zijn eenheid door te vechten, want hij reed met zijn stuk 40 kilometer westwaarts, vele posten passerende, waar hij vervolgens koffie ging drinken met zijn manschappen in een cafť, waar ze door hun grote mond opvielen bij de plaatselijke veldwachter.
Na uitspreken van het vonnis op 12 mei, waarbij het doodvonnis werd geveld, werd de sergeant niet de reguliere 48 uur tijd gegeven voor zijn executie. Harberts zag de Grebbelinie wankelen en wilde direct een voorbeeld kunnen stellen om zo excessen voor te zijn. Al op diezelfde 12e mei werd Meijer, binnen een uur na het vonnis, op de schietbaan te Doorn geŽxecuteerd.
De ontwikkelingen gingen echter vlug. De Duitsers hadden inmiddels de aanval ingezet. Op het moment dat het vonnis werd voltrokken (zondag 12 mei 1940 om 15:00 uur) werd er zwaar gevochten op de Grebbeberg en waren de meeste verbindingen verbroken. De Duitsers waren inmiddels de hoofdweerstand al binnengedrongen en zouden de volgende dag de stelling doorbreken. De chaos aan het front was zodanig, dat het bericht van de executie niet eens meer aankwam, laat staan een afschrikwekkende werking kon hebben. De vraag is natuurlijk of dit laatste de generaal verwijtbaar is of een omstandigheid was die hij juist had willen voorkomen.
In 1970, na de publicatie van een tweetal boeken - deel 3 van "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog" van Lou de Jong en het sterk vooringenomen "De zaak van sergeant Meijer" van J.F.A. Boer - kwam de zaak voor een groot publiek aan het licht. Deze publicaties leidden tot veel beroering, temeer daar de zaken weinig objectief aan het publieke domein werden gepresenteerd. Harberts zelf zou er echter even weinig geraffineerd op reageren, zodat hij de toorn van vele luisteraars over zich heen zou krijgen.
AVRO's Televizier
Jaap van Meekren en Ria Bremer vroegen op 25 april 1970 in AVRO's Televizier de toen 86-jarige Harberts naar zijn motivatie. Zijn barse woorden in antwoord op de vragen van de media wekten bij velen verbijstering op. De inmiddels hoogbejaarde Harberts stelde nogmaals dat de houding van het Tweede Legerkorps 'over het algemeen laf' was geweest; 'er waren kerels op de vlucht, er werden witte vlaggen gehesen, er was een spreekkoor bij de Grift dat Wir wollen kapitulieren oefende'. Hij zou 'de zaak-Meijer' nu net zo aanpakken; het beÔnvloeden van de krijgsraad gebeurde 'in het belang van het vaderland'. 's Avonds werd zijn huis belaagd door woedende oud-Grebbesoldaten. De volgende dag vluchtte Harberts naar Engeland.
De ontzetting over de zaak kwam ook tot uiting op 4 mei 1970, toen duizenden voormalige Grebbestrijders voor de Dodenherdenking naar Dieren kwamen, waar bij het graf van sergeant Meijer een erewacht was opgesteld.
Kamervragen
Het PvdA-Tweede Kamerlid Lems stelde Kamervragen: 'Kan de Minister voorts zijn opinie geven over de executie van sergeant Meijer op 12 mei 1940 en de procesgang die daaraan voorafging?' De ministers Den Toom van Defensie en Polak van Justitie gaven hierop aan: 'Nadien hebben verschillende van de toenmalige functionarissen bij de Krijgsraad verklaard dat zij zich door de toespraak van de commanderend generaal niet beÔnvloed achtten'.
De kwestie van de executie van de sergeant blijft tot op de dag van vandaag voor controverse zorgen. In Nederland werd de berechting van sergeant Meijer de eerste zitting van een krijgsraad te velde sinds 1839. Het zou ook de laatste keer zijn dat in Nederland door zo'n gerecht de doodstraf werd uitgesproken.

Jacob Harberts omstreeks 1945

Jacob Harberts omstreeks 1945
Geboren 10 juli 1883
Den Haag, Zuid-Holland, Nederland
Overleden 6 oktober 1971
Rotterdam, Zuid-Holland, Nederland
Land/partij ? Vlag van Nederland (verhouding 2:3) Koninkrijk der Nederlanden
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1903 - 1947
Rang Nl-landmacht-generaal majoor.svg Generaal-majoor
Leiding over IIe legerkorps
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

 


Conrad Emile Lambert Helfrich

Conrad Emile Lambert Helfrich (Semarang, Nederlands-IndiŽ, 11 oktober 1886 Ė 's-Gravenhage, 20 september 1962) was een Nederlands marineofficier. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij commandant der Zeemacht in Nederlands-IndiŽ en daarna bevelhebber der Zeestrijdkrachten.
Jeugd en opleiding
Conrad Helfrich werd in Nederlands-IndiŽ geboren als zoon van Alexander Josef Helfrich, officier van gezondheid van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, en Marie Anna Lambertina Steijns. Hij doorliep de driejarige HBS in Nederlands-IndiŽ en vertrok in 1903, op zeventienjarige leeftijd, naar Nederland om aan het KIM opgeleid te worden tot marineofficier.
Eerste jaren bij de Koninklijke Marine

In 1907 werd Helfrich beŽdigd als officier bij de Koninklijke Marine. In 1908 keerde hij terug naar Nederlands-IndiŽ, waar hij in 1908 deelnam aan de Bali-expedities. Voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Nederland waarna hij verschillende staffuncties bekleedde. Zo was hij van 1919 tot 1922 verbonden aan de Marinestaf in Den Haag, waar hij meewerkte aan het opstellen van een nieuw vlootplan voor Nederlands-IndiŽ. Van 1922 tot 1924 volgde hij een studie aan de Hoogere Marine Krijgsschool, na afloop daarvan werd hij bij datzelfde instituut benoemd als docent. In 1928 keerde hij als commandant van een torpedobootjager terug naar Nederlands-IndiŽ en in de jaren daarna vervulde hij verschillende functies in Nederlands-IndiŽ. In 1938 en 1939 was hij vervolgens in Nederland directeur van de Hoogere Marine Krijgsschool. Hierna vertrok hij opnieuw naar Nederlands-IndiŽ om, inmiddels bevorderd tot Schout-bij-nacht, dienst te doen als Commandant der Zeemacht in Nederlands-IndiŽ.
Tweede Wereldoorlog
Helfrich ondertekent namens de Nederlandse regering de capitulatie van Japan aan boord van USS Missouri
In Nederland brak op 10 mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uit en na vijf dagen strijd moest Nederland capituleren voor de Duitsers. Nederlands-IndiŽ bleef vooralsnog gespaard voor het oorlogsgeweld. Op 31 augustus 1940 werd Helfrich als commandant der Zeemacht in Nederlands-IndiŽ bevorderd tot viceadmiraal. Door het opgeven van de Nederlandse neutraliteit na de Duitse inval was een oorlog met Japan onvermijdelijk geworden en Helfrich hield zich bezig met de voorbereidingen voor de strijd. Aangezien de plannen voor een sterke vloot in Nederlands-IndiŽ door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geen doorgang hadden kunnen vinden, ontwikkelde Helfrich een andere tactiek: de marine zou met snelle en kleine acties, met name van onderzeeboten, schade aan de vijand moeten toebrengen.
In 1941 werd een samenwerkingsverband tussen de Amerikaanse, Britse, Australische en Nederlandse strijdkrachten in de Pacific opgericht, het American-British-Dutch-Australian Command (ABDACOM). Tot zijn teleurstelling werd Helfrich gepasseerd als commandant van de maritieme component: die functie ging naar de Amerikaanse admiraal Thomas C. Hart. Op 10 januari 1942 vielen de Japanners Nederlands-IndiŽ binnen, en Helfrich leidde de maritieme operaties tegen de Japanners. Door de successen die de Nederlandse onderzeeboten tegen de Japanners behaalden, kreeg Helfrich van de Amerikanen al spoedig de bijnaam "ship-a-day Helfrich". Op 14 februari 1942 volgde Helfrich admiraal Hart op als maritieme bevelhebber van ABDACOM. Helfrich formeerde een Combined Striking Force die het moest opnemen tegen de Japanners, maar dit vlootverband werd in de Slag in de Javazee verslagen waarbij haar commandant, de Nederlandse schout-bij-nacht Karel Doorman, omkwam.
Op 2 maart 1942 evacueerde Helfrich zijn staf naar Colombo op Ceylon, alwaar hij benoemd werd tot Bevelhebber van de Strijdkrachten in het Oosten (BSO). Aangezien de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-IndiŽ inmiddels verslagen waren en hadden moeten capituleren voor de Japanners, was dat eigenlijk niet meer dan een administratieve functie, waardoor hij geen operaties tegen de vijand kon leiden. Dit frustreerde Helfrich enorm. Ook kwam hij verschillende malen in conflict met minister Hubertus van Mook, die bezig was een naoorlogs gezagsapparaat voor Nederlands-IndiŽ voor te bereiden, waarvan de ambtenaren in belangrijke mate uit de Nederlandse Strijdkrachten werden gerekruteerd. Helfrich was van mening dat deze voorbereidingen voor een naoorlogs Nederlands-IndiŽ afbreuk deden aan de oorlogsinspanningen.
Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog werd Helfrich op 25 augustus 1945 benoemd tot bevelhebber der Zeestrijdkrachten (BDZ). Bij die gelegenheid werd hij bevorderd tot luitenant-admiraal. Na de Japanse overgave in 1945 tekende Helfrich op 2 september 1945 namens de Nederlandse regering de Japanse capitulatie aan boord van het Amerikaanse slagschip USS Missouri.
Na de Tweede Wereldoorlog
Helfrich keerde op 1 oktober 1945 terug in Nederlands-IndiŽ, waar hij tot 24 januari 1946 het bevel over de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-IndiŽ voerde. Op die datum werd de functie van bevelhebber van de Strijdkrachten in het Oosten opgeheven. In deze periode kreeg Helfrich te maken met de vrijheidsstrijd van de IndonesiŽrs. Hij was fel tegenstander van het sluiten van een compromis met Soekarno en de zijnen. Na het sluiten van de Overeenkomst van Linggadjati op 15 december 1946 protesteerde hij samen met chef Generale Staf Hendrik Johan Kruls hiertegen bij minister-president Louis Beel, maar dit mocht niet baten.
Helfrich bleef nog tot 1 oktober 1948 bevelhebber der Zeestrijdkrachten en stond hierbij aan de basis van de naoorlogse wederopbouw van de Koninklijke Marine. Op 1 oktober 1948 ging hij met pensioen. In 1950 publiceerde hij zijn memoires in twee delen: De Maleise BarriŤre en Glorie en tragedie. Op 10 september 1962 overleed hij in Den Haag.
Onderscheidingen en eerbewijzen
Voor zijn verdiensten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving Helfrich verschillende onderscheidingen. Zo was hij Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden, Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Ridder Commandeur in de Orde van het Bad (Groot-BrittanniŽ) en drager van het Zilveren Kruis (5e klasse) Virtuti Militari (Polen). Tevens kreeg hij een Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Kleine Soenda-eilanden 1905-1909.
In veel steden zijn straten naar Helfrich vernoemd.

Helfrich in 1946

Helfrich in 1946
Geboren 11 oktober 1886
Semarang, Nederlands-IndiŽ
Overleden 20 september 1962
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Naval Jack of the Netherlands.svg Koninklijke Marine
Dienstjaren 1903-1948
Rang Nl-marine-vloot-luitenant admiraal.svg Luitenant-admiraal
Leiding over Zeemacht in Nederlands-IndiŽ
Koninklijke Marine
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Orde van Oranje-Nassau
Orde van de Nederlandse Leeuw
Orde van het Bad
Virtuti Militari
Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven
Portaal Portaalicoon Marine
 

Helfrich ondertekent namens de Nederlandse regering de capitulatie van Japan aan boord van USS Missouri

 


Rudi Willem Hemmes

Rudi Willem Hemmes (Harderwijk, 20 juni 1923) is generaal-majoor b.d. van de Koninklijke Luchtmacht.
Rudi wilde naar de KMA, maar door het uitbreken van de oorlog was dat niet mogelijk en koos hij voor de studie geneeskunde in Utrecht.
Oorlogsjaren
Hemmes werd Engelandvaarder. Hij ging eind 1943 met zijn jeugdvriend Bob Tusenius via Parijs, Toulouse en NÓmes naar de PyreneeŽn. In Spanje werden ze opgepakt en gevangengezet. Na een maand werden ze vrijgelaten. Ze reisden vervolgens via Lissabon naar Bristol. In Engeland meldden ze zich als dienstplichtigen bij de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton. Op 8 augustus 1944 landde hij met de 1100 man sterke Brigade op de stranden van Arromanches in NormandiŽ.
Na de oorlog
In de 60'er jaren was hij commandant van de Luchtmacht Kaderschool te Schaarsbergen.
Hemmes is voorzitter van de Stichting Genootschap Engelandvaarders, de Stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945 en de Vereniging Oud Strijders Prinses Irene Brigade.
Onderscheiden
Hemmes heeft diverse onderscheidingen ontvangen, waaronder:
Kruis van Verdienste (KV.4), KB 06-07-1944 No. 11
Chevalier de la Lťgion d'Honneur (EL.5), uitgereikt door president Jacques Chirac (2004)
France and Germany Star
Defence Medal 1939-1945 (DM), Britse Gemenebest
War Medal 1939-1945 (WM.2), Groot-BrittanniŽ
Verzetsherdenkingskruis (VHK)
Oorlogsherinneringskruis (OHK.2)
Onderscheidingsteken voor Langdurige, Eerlijke en Trouwe Dienst XXV
Freedom of the City, ereburgerschap, uitgereikt door de burgemeester van Wolverhampton (2006)
In juni 2013 werd de 89-jarige Hemmes ereburger van Den Haag. Burgemeester Jozias van Aartsen overhandigde hem de gouden erepenning van de gemeente, die hiermee ook eer wil betuigen aan de andere leden van de Prinses Irene Brigade, die betrokken waren bij de bevrijding van Den Haag op 8 mei 1945.

Generaal Rudi Hemmes met onderscheidingen.JPG

Rudi Willem Hemmes

 


Machiel van den Heuvel

Machiel van den Heuvel (Haarlemmermeer, 7 mei 1900 - Padalarang (Java), 29 juni 1946) was de Nederlandse ontsnappingsofficier in Oflag IV C in Colditz voor Nederlandse krijgsgevangenen in Duitsland gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het is een soortgelijke rol die kapitein Pat Reid, de auteur van Colditz '40-'42, had voor de Britse krijgsgevangenen. Van den Heuvel speelde een verbindende factor in de meeste ontsnappingen gedurende de oorlog van Nederlandse officieren onder anderen die van Henri Etienne Larive, Francis Steinmetz en Anthony Luteyn.
Krijgsgevangen
Machiel (Jim) van den Heuvel, ook wel bekend als "Vandy" bij de Britse krijgsgevangen, was een kapitein in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) die bij toeval in Nederland was tijdens de uitbraak van de tweede Wereldoorlog in mei 1940. Na de Nederlandse capitulatie weigerde hij zijn erewoord te geven om het Duitse belang te dienen en werd naar een krijgsgevangenkamp gestuurd. Hier werd van den Heuvel al snel aangesteld als ontsnappingsofficier.
Samen met luitenant Gerrit Dames waren de twee KNIL-officieren een hoofdfactor in de meeste Nederlandse succesvolle ontsnappingen gedurende de oorlog.
Hij ontdekte de ontsnappingsroute in het park bij Colditz waar twee man verstopt konden worden in een mangat; luitenant Hans Larive, Francis Steinmetz, Oscar Drijber en majoor Cornelis Giebel ontsnapten op deze manier. Vandy werkte samen met de andere ontsnappingsofficieren waaronder de bekende kapitein Pat Reid. In juni 1943 werden alle Nederlandse officieren verplaatst naar stalag 371 in Stanislau om andere Nederlandse krijgsgevangen te vergezellen. Vandy claimde ook in dit kamp vele ontsnappingen. Uiteindelijk werd Vandy overgeplaatst naar een Oflag bij Tittmoning. De Duitsers dachten dat hij hier niet veel slechts aan kon richten aangezien de meeste gevangenen oudere generaals waren. Vanuit Tittmoning hielp Vandy Giles Romilly te ontsnappen. Romilly was een prominente gevangene in Colditz omdat hij het neefje was van Winston Churchill.
Na de oorlog
Na de oorlog kreeg Van den Heuvel de rang van "Majoor der Infanterie" en werd hij naar Java gestuurd om te vechten in de Politionele acties. Hij was commandant van een bataljon toen hij werd gedood tijdens een missie bij Padalarang op Java op 29 juni 1946. Op 13 september 1947 kreeg hij postuum het Bronzen Kruis voor zijn daden.

Kasteel Colditz (gevangenis) (1945)

 


Edzard Jacob van Holthe

Jhr. Edzard Jacob van Holthe ('s-Gravenhage, 29 januari 1896 - Hilversum, 17 juli 1967) was een Nederlandse viceadmiraal en van 1948 tot 1951 bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Van Holte was onder meer begiftigd met het Bronzen Kruis voor zijn verrichtingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Loopbaan
De onderzeeboten onder commando van Van Holthe in Brussel
Van Holthe kwam in augustus 1913 in aanmerking voor plaatsing als adelborst tweede klasse aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord.Met ingang van 9 oktober 191 werd hij benoemd tot luitenant-ter-zee der derde klasse en vertrok naar Nederlands-IndiŽ; hij keerde, in de rang van luitenant-ter-zee tweede klasse, in februari 1920 naar Nederlands terug en werd aldaar ter beschikking gesteld. Met ingang van 30 mei 1921 werd hij overgeplaatst van de onderzeedienst te Vlissingen bij de onderzeedienstkazerne te Willemsoord[5] en in november 1922 geplaatst op de KII als oudste officier;[6] de commandant van dit schip, dat in de Indische wateren voer, was luitenant-ter-zee eerste klasse L.A.C.M. Doorman. In mei 1923 werd hij eervol ontheven van de waarneming van het bevel over de KII; dat was na afloop van de invaring van die bodem.Van Holthe kreeg in oktober 1925 toestemming naar Nederland terug te keren,[9] werd bevorderd tot luitenant-ter-zee eerste klasse en werd in 1929 aangewezen voor de dienst in Oost-IndiŽ; hij vertrok op 19 november 1929 per stoomschip P.C. Hooft van Amsterdam.In IndiŽ werd hij belast met het bevel over Hr. Ms. K VII en commandeerde in mei 1930 Hr. Ms. KII, die deel uitmaakte van de vloot schepen die in die maand naar Banjoewangi stoomde.

Van Holthe werd in oktober 1930 eervol ontheven van zijn commando over het schip waarmee hij toen voer, Hr. Ms. K IX,[13] en verkreeg uiteindelijk in januari 1934 vergunning om naar Nederland terug te keren.Met ingang van 21 mei van dat jaar werd hij bij de onderzeedienstkazerne in Willemsoord aangesteld  en van 16 tot 22 mei 1935 bezocht hij Brussel met de onder zijn groepscommando varende onderzeeboten Hr. Ms. OXV en OXIII.Zowel Van Holthe als zijn medecommandant van de de OXIII, luitenant-ter-zee J. Beckering Vickers, werden in Brussel onderscheiden met het Militaire Kruis van BelgiŽ.Datzelfde jaar voer een journalist van de Leeuwarder Courant een dagje mee met Hr. Ms. OXV, commandant van Holthe. Hij schreef in de Leeuwarder Courant: Na een kort gesprek dat ik aan de walkant met de commandant had had ik al begrepen dat ik geen betere gastheer kon treffen. Vriendelijk en mededeelzaam als hij was wist ik nu reeds dat ik onder zijn leiding een prettige en leerzame reis zou hebben. 

Latere loopbaan
In juni 1936 werd Van Holthe benoemd tot gewoon adjudant van de Koningin.In juli 1937 kreeg hij toestemming tot het aannemen en dragen der versierselen van de herinneringsmedaille, hem geschonken door de koning van Engeland en in januari 1939 werd hij bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee. Tijdens een ťťndaagse oefening van Hr. Ms. Tromp, dan de flottieljeleider der Koninklijke Marine, werd een schietoefening gehouden. Deze schietoefening werd bijgewoond door prins Bernhard, die vergezeld was van Van Holthe.In de meidagen van 1940 begeleidde Van Holthe de koningin naar Engeland. Op 14 mei 1940 werd hij benoemd tot commandant van de kruiser Jacob van Heemskerck, wat hij bleef tot 30 april 1943. Vervolgens werd hij aangesteld als sous-chef van de Marinestaf in Londen. Vanaf september 1945 tot januari 1947 was Van Holthe commandant der marine. In januari 1947 werd hij chef van de marinestaf. Op 1 september 1947 werd hij bevorderd tot viceadmiraal en van 1 oktober 1948 tot 1 augustus 1951 was hij Bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Daarna was Van Holthe tot in 1953 voorzitter van het Comitť Verenigde Chefs van Staven.
Na zijn pensionering in 1953 was hij commissaris bij Philips en voorzitter van de Stichting Het Residentieorkest. Edzard van Holthe overleed op 71-jarige leeftijd.

Viceadmiraal Van Holthe

Viceadmiraal Van Holthe
Geboren 29 januari 1896
Den Haag
Overleden 17 juli 1967
Hilversum
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Marine
Dienstjaren 1913-1953
Rang Nl-marine-vloot-vice-admiraal.svg Viceadmiraal
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Bronzen Kruis
Portaal Portaalicoon Marine

 


Gerrit (Gijs) IJsselstein

Gerrit (Gijs) IJsselstein (Leeuwarden, 27 februari 1916 ó Den Haag, 27 juli 2004) was een Nederlandse opperofficier der Intendance van de Koninklijke Landmacht.

Levensloop
IJsselstein begon in 1935 zijn militaire opleiding bij het wapen der Infanterie op de school voor Reserve Officieren. In 1938 ging hij over in actieve dienst en vocht in de dagen van mei 1940 aan de Maas bij Venlo. Tussen mei 1942 en 29 mei 1945 verbleef hij in Duitse krijgsgevangenenschap. Tussen september 1946 en oktober 1949 vocht hij in IndonesiŽ. Na een opleiding aan de Hogere Krijgsschool vervulde hij diverse functies op de Landmachtstaf en op 1 september 1967 werd hij Souschef Plannen. Na zijn bevordering tot brigadegeneraal op 1 maart 1968 volgde zijn bevordering tot generaal-majoor en de benoeming tot plaatsvervangend chef van de Generale Staf. Op 1 januari 1972 volgde zijn benoeming tot chef Generale Staf tevens bevelhebber der Landstrijdkrachten. Een jaar later stapte IJsselstein op als BLS als gevolg van de Generaalsruzie.

Onderscheidingen
Luitenant-generaal IJsselstein had tijdens zijn militaire carriŤre een tal van onderscheidingen uitgereikt gekregen.

De dapperheidsonderscheiding Bronzen Kruis viel hem ten deel als reserve tweede luitenant der infanterie, verdiend tijdens de gevechten te Blerick bij de defensie van de Maas aldaar op 10 mei 1940.

Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden.
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Officier in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden.
Het Bronzen Kruis.
Oorlogsherinneringskruis met gesp.
Ereteken voor Orde en Vrede met 4 gespen.
Officierskruis, met cijfer XXV
en nog een hoge buitenlandse onderscheiding.

Gerrit IJsselstein.jpg

Geboren 27 februari 1916
Leeuwarden
Overleden 27 juli 2004
Den Haag
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijke Landmacht
Dienstjaren 1935 - 1973
Rang Nl-landmacht-luitenant generaal.svgLuitenant-generaal
Leiding over Landstrijdkrachten
Slagen/oorlogen Meidagen 1940
Politionele acties

 


Reinier Emil Jessurun

Reinier Emil Jessurun (Haarlem, 15 december 1904 - Kroja, 14 mei 1949) was een Nederlandse luchtmachtofficier bij de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger in Nederlands-IndiŽ en ridder der Militaire Willems-Orde vierde klasse.

Loopbaan
Jessurun was een reserve kapitein-waarnemer bij de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij vele gevechtsacties in de oorlog tegen Japan. Hij was erin geslaagd te ontsnappen aan de Japanners en heeft samen met de geallieerden in het No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron van het Koninklijke Nederland-Indisch Leger gestreden als waarnemer en squadroncommandant. Hij kreeg vele onderscheidingen, waaronder de Medal of Freedom met bronzen Palm in 1947[2] en een Air Medal in 1947[2]van de Amerikaanse regering, het Verzetskruis, het Vliegerkruis per Koninklijk Besluit van 18 oktober 1943[3], de Bronzen Leeuw van de Nederlandse regering en op 16 oktober 1948[4][5] werd hij tevens (met intrekking van de Bronzen Leeuw pro forma) benoemd tot ridder Vierde Klasse in de Militaire Willems-Orde wegens:

Het zich in de strijd onderscheiden hebben door uitstekende daden van moed, beleid en trouw door onmiddellijk na herstel van zijn zeer zware verwondingen, bekomen bij een nachtstart naar Ambon op 28 mei 1943, in het tijdvak van september 1943-april 1945, onderscheidelijk ingedeeld zijnde bij de "18e Squadron" en de Amerikaanse "13th Air Force" in het Zuidwestelijke Stille Oceaangebied talrijke zeer gevaarlijke en belangrijke bombardementsopdrachten en grondverkenningen met succes te volbrengen, zich daarbij als Nederlands officierwaarnemer, vele malen het operationele leiderschap van grote formaties geallieerde vliegtuigen toevertrouwd ziende. Met grote bekwaamheid, voortvarendheid en moed heeft hij een voor de geallieerden onmisbare bijdrage geleverd tot het neutraliseren van een 20-tal vijandelijke luchtbases op Halmaheira, in de Minhassa, Kendari en op de Boeroe-Ceramgroep en als gevolg van deze neutralisatie de uiterst storende vijandelijke luchtactie tegen Morotai van deze bases uit op afdoende wijze bedwongen, na te voren het plan van actie zelfstandig ontworpen en door onder grote gevaren verrichte offensieve lucht- en grondverkenningen voorbereid te hebben. Ten slotte heeft hij een werkzaam aandeel gehad bij verscheidene acties naar het door de vijand bezette gebied in de Filipijnen, onder meer tegen Cebu, Puerta Princessa, Zamboanga, Jolo en Davao.

Na de oorlog is Jessurun omgekomen bij een vliegtuigongeluk in Kroja.

Nagedachtenis
De Koninklijke Luchtmacht noemde ter nagedachtenis een militair complex naar hem: het Jessurunkamp in Soestduinen, nabij de Vliegbasis Soesterberg.

Reinier Emil Jessurun

Reinier Emil Jessurun
Geboren 15 december 1904
Haarlem
Overleden 14 mei 1949
Kroja, Nederlands-IndiŽ
Begraven Ereveld Menteng Pulo; afd. Tjililitan, vak/rij/nummer cil. 8, Jakarta, IndonesiŽ[1]
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel LA-KNIL
Dienstjaren - 1949
Rang Nl-luchtmacht-luitenant kolonel.svg Luitenant-kolonel
Leiding over No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog

 


Marinus Willem Cornelis (Marien) de Jonge

Jhr.Mr. Marinus Willem Cornelis (Marien) de Jonge (Weert, 25 september 1911 Ė Den Haag, 16 juli 2012) was een Nederlands militair, kolonel der Cavalerie en Engelandvaarder. Hij kwam in Engeland bij de Prinses Irene Brigade en werd na de Tweede Wereldoorlog commandant van het 4e Eskadron Pantserwagens.
Jeugd
De vader van Marien en Ernst de Jonge was ingenieur en werkte in Weert aan een spoorbrug toen zijn oudste zoon geboren werd. Daarna ging de familie naar IndonesiŽ, waar vader De Jonge bij een houtmaatschappij ging werken die teak en ijzerhout exporteerde vooral naar AustraliŽ en Zuid-Afrika. Hij zorgde voor de kap en het vervoer vanuit de bossen. Het hardhout werd veel gebruikt bij de aanleg van bruggen en spoorlijnen, want het hout was weer- en mierbestendig. Na de Eerste Wereldoorlog werden de ondernemingen in de buitengewesten (buiten Java) gesloten.
Marien de Jonge zat zeven jaar op de lagere school in Semarang. Hij wilde beroepsmilitair worden, en anders burgemeester. Op aandringen van zijn vader deed hij de gymnasiumopleiding op Baarnsch Lyceum. Daarna studeerde hij rechten in Leiden, waar hij bij KSRV Njord roeide. Na zijn afstuderen ging hij werken bij het Nationaal Fonds voor Bijzondere Noden.
De Jonge trouwde in 1938 met Cornelia Adriana ter Horst (1915-1971). Ze kregen vier zonen en een dochter. Hun jongste zoon, jhr. Harm de Jonge (1952) werd generaal-majoor der cavalerie.
Hij was vrijgeloot voor de militaire dienst. Toen de oorlog in 1940 uitbrak, moest hij dus zelf verzinnen hoe hij iets voor zijn land kon doen.
Tweede Wereldoorlog
Marien de Jonge was een van de allereerste Engelandvaarders. Nadat Nederland had gecapituleerd in de middag van 14 mei 1940, fietste hij naar Scheveningen om een mogelijkheid te vinden om naar Engeland te gaan. Omdat inmiddels bekend was dat in Zeeland nog Nederlandse troepen vochten, bedacht hij dat hij ook wel naar Zeeland wilde. In de haven zag hij dat de reddingboot Zeemanshoop werd gekaapt door vier Delftse studenten, en hij sprong aan boord, evenals circa 40, soms Duits-sprekende, Joden. Vrijwel iedereen wilde naar Engeland, dus dat werd de bestemming. Halverwege de Noordzee werd de Zeemanshoop opgepikt door een Engelse torpedobootjager.
Toen hij in Londen aankwam, was de Nederlandse regering daar ook net aangekomen. Hij ontmoette er Jhr.Ir. O.C.A. van Lidth de Jeude, die voorzitter was van een vluchtelingenorganisatie, en werd zijn secretaris. In augustus werd het Nederlands Legioen gevormd, de voorloper van de Prinses Irene Brigade, die op 11 januari 1941 werd opgericht. De eerste groep bestond vooral uit militairen van de Peel-Raamstelling, die op drift geraakt waren in BelgiŽ en naar Engeland uitgeweken; zij waren niet erg gemotiveerd. De Jonge werd reserveofficier van het Wapen der Cavalerie bij een verkenningscompagnie van de Prinses Irene Brigade. Na zijn opleiding begon het wachten op een geallieerde invasie tegen nazi-Duitsland.
Na de aanval op Pearl Harbor verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. De Jonge vroeg overplaatsing aan naar het Verre Oosten om tegen de Japanners te kunnen vechten. Hij verwachtte namelijk daar nuttiger werk te kunnen doen dan in Engeland te zitten wachten op de invasie. Hij kreeg een commando-opleiding inclusief 'jungle fighting' op Ceylon. De Jonge diende bij het Korps Insulinde, een commando-eenheid waarmee hij tijdens de Japanse bezetting vanuit Ceylon werd ingezet op Sumatra. Doel was om daar inlichtingen te verzamelen. Voor blanken was dat uiteraard uiterst gevaarlijk, omdat men niet wist in hoeverre de bevolking op de hand was van Nederland of van de Japanners. Een klein groepje militairen, onder wie ten minste ťťn Nederlandse officier, werd dan, meestal met een onderzeeboot, aan wal gebracht. Zij legden daar contacten met de Sumatranen, die meestal nog trouw waren aan het Nederlandse gezag omdat zij ook niet veel moesten hebben van de Japanners.
Indie
Vervolgens werd Marien de Jonge als vrijwillig dienend officier commandant van het 4e Eskadron Pantserwagens, Regiment Huzaren van Boreel. Dit eskadron bestond uit 178 man: 10 officieren, 14 onderofficieren, 154 korporaals en huzaren, bijna allen dienstplichtigen. Het eskadron telde 35 Ďwagensí: 12 pantserwagens (Humber Mark IV), 14 scoutcars (Humber Mark II en 9 gepantserde wagens (GMC). Het maakte deel uit van de V-Brigade van kolonel Johannes Kroese Meijer. Hij deed mee aan de politionele acties in toenmalig Nederlands-IndiŽ van 1947 - 1949, en vindt dat de gang van zaken aldaar vaak te eenzijdig wordt belicht.
In 2008, op 97-jarige leeftijd, publiceerde hij het boek Mijn Ruiters over zijn ervaringen tijdens de Politionele Acties en over de achtergronden en de afloop van het conflict met IndonesiŽ. Het boek is verplichte literatuur op de KMA in Breda vanwege de vele parallellen tussen de strijd in Nederlands IndiŽ en de moderne guerrilla-oorlogsvoering zoals bijvoorbeeld in Afghanistan.
Na IndiŽ
Pas na terugkomst uit IndiŽ in 1950 besloot De Jonge beroepsmilitair te worden. In 1951 en 1952 volgde hij de Hogere Krijgsschool in Den Haag. Hij werd adjudant van de koningin en militair attachť in Brussel. Daarna kreeg hij nog diverse staffuncties, maar bleef in Amersfoort wonen vanwege de centrale ligging.
Na het overlijden van zijn eerste echtgenote en zijn gelijktijdige pensionering hertrouwde hij in 1972 met Elisabeth Clara Schuller tot Peursum (1917-2004). Zij werd Bessy genoemd, was eerder getrouwd geweest met Esgo Taco Kuiper (1902-1985), lid van de familie Kuiper en had twee zoons, Taco Esgo (1941-2004) en Joost Christiaan Lodewijk Kuiper (1947).
Zij gingen wonen in Den Haag.
In Den Haag voerde hij een bestaan als actief gepensioneerde. Hij schreef een belangrijk deel van het tweede deel van de familiegenealogie en - zoals al vermeld - Mijn Ruiters. Op 9 maart 2012 onthulde hij nog een plaquette op de LSV Minerva waarop zijn broer Ernst herdacht wordt. Vier maanden later overleed hij op 100-jarige leeftijd. Na een afscheidsdienst in de Kloosterkerk op 23 juli werd hij begraven op begraafplaats Rusthof in Leusden.

De Jonge in 2009 met das van de Johanniter Orde

Het embleem van de Johanniter Orde in Nederland

1-Nederlands militair in de Tweede Wereldoorlog

1---2