Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Kampgevangene in Auschwitz

Jean Améry

Jean Améry, schuilnaam van Hans Mayer (Wenen, 31 oktober 1912 – aldaar, 17 oktober 1978) was een Oostenrijks schrijver van Joodse afkomst, auteur van het boek Schuld en boete voorbij, een van de belangrijkste teksten over de uitroeiingskampen van de nazi's.
Levensloop
Mayer groeide op in Hohenems, provincie Vorarlberg, in een geassimileerd, gemengd joods-katholiek gezin. Zijn vader was echter geen praktiserende jood. Toen zijn vader in 1916 sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog, kreeg Hans Mayer een rooms-katholieke opvoeding van zijn moeder in Bad Ischl. Zij verhuisden samen naar Wenen, waar Mayer zich inschreef aan de universiteit om literatuur en filosofie te studeren. Maar vanwege zijn penibele economische omstandigheden kon hij vaak de colleges niet op regelmatige wijze bijwonen. Hij kluste bij als barpianist, loopjongen, kruier en hulpje in een boekenwinkel.
Toen de nazi's in 1933 in Duitsland aan de macht kwamen, begon Mayer geschriften over antisemitisme en de ideologie van het nationaalsocialisme te bestuderen. Dit maakte zijn joodse eigenheid voor hem ingewikkelder. Hij schreef: “Ik wilde in elk geval een antinazi te zijn, maar ik moet toegeven dat ik nog niet klaar was om mijn joodse lot op te nemen. Ik was een Oostenrijker, opgevoed als een christen, en toch was ik er geen.” Voor de eerste maal zag hij zichzelf als een buitenstaander in de cultuur waarin hij leefde.
De afkondiging van de "Neurenberger rassenwetten" in 1935 was het doorslaggevende element en gaf hem een ware schok. Het deed hem beseffen dat de nazi's in feite een doodvonnis voor de joden hadden uitgevaardigd waarbij alleen de executiedatum nog niet ingevuld was. Hij leerde de tekst van deze wetten uit het hoofd. Hij besefte dat hij door deze wetten in feite uit zijn eigen gemeenschap gestoten werd. Hij zag de tekenen aan de wand en vluchtte in het logisch-positivisme van de Wiener Kreis. Hij schreef hierover een jeugdroman, Die Schiffbrüchigen
Met dit vonnis voor ogen schreef hij een essay, een zoektocht naar “De noodzakelijkheid en de onmogelijkheid een jood te zijn.” Hij kon zich niet vinden in het gedachtegoed van het orthodox judaďsme. Integendeel, hij voelde zich eerder aangetrokken tot het christendom, omdat dit hem het gevoel gaf deel te hebben aan de gemeenschap waarin hij opgegroeid was. Toch had hij het essentialistische gevoel dat zijn intellectuele en spirituele ingesteldheid in wezen joods waren. Deze tweestrijd zou de rest van zijn leven beďnvloeden. Van 1943 tot zijn dood in 1978 zou zijn belangrijkste joodse identiteit niet meer zijn dan het reeksnummer uit het concentratiekamp, getatoeëerd op zijn arm.
Na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 vluchtte hij in december eerst naar Frankrijk, samen met zijn joodse vrouw, met wie hij gehuwd was tegen de wil van zijn moeder. Vervolgens vluchtte hij verder naar Antwerpen, België. Toen de Duitsers in mei 1940 België binnenvielen, werd hij door België gerepatrieerd naar Frankrijk als een “Duitse vreemdeling”. Hij werd geďnterneerd in Zuid-Frankrijk, maar kon in juli 1941 ontsnappen uit het kamp Gurs. Hij keerde terug naar zijn vrouw in Brussel en sloot zich aan bij het Österreichische Freiheitsfront, een kleine communistische verzetsbeweging, bestaande uit jonge Oostenrijkse en ook enkele Duitse emigranten. Hij schreef later dat hij dat deed omdat hij niet gearresteerd wilde worden als jood, maar als lid van het verzet.
Hij werd ten slotte op 23 juli 1943 gevat door de Gestapo onder zijn verzetsnaam Roger Lippens, wegens het verspreiden van antinazistische propaganda. Hij werd als communistische verzetsstrijder opgesloten in het Fort van Breendonk. Hij zat er drie maanden in een isolatiecel. Toen zijn ondervraging door de Gestapo uiteindelijk niets opleverde, werd hij door SS-Untersturmführer Arthur Prauss naar de folterkamer gebracht. Hier werd hij dan verschillende dagen zwaar gefolterd. Een vleeshaak werd aangebracht tussen de boeien die, achter zijn rug, zijn handen vastklonken. Daarna werd hij met een katrol omhoog gehesen tot een meter boven de grond. Terwijl zijn ondervragers vragen op hem afvuurden leed hij ondraaglijke pijn. Zijn armen schoten uit hun kom en werden totaal ontwricht. Ondertussen werd hij afgeranseld met de bullenpees. Af en toe liet men hem neervallen op grote driehoekige houten wiggen tot hij uiteindelijk bezwijmde. Die foltering heeft hem kleingekregen. Maar hij kon de Gestapo niets nuttigs vertellen, gewoonweg omdat hij niets wist behalve aliassen. Maar toen de Gestapo vernam dat hij een jood was en geen politieke gevangene, werd hij op 15 januari 1944 naar Auschwitz gestuurd.
Die foltering zal hem zijn hele leven blijven achtervolgen. Hij schrijft: “Wie gefolterd wordt, blijft gefolterd. Tweeëntwintig jaar later bengel ik nog steeds aan mijn ontwrichte armen boven de vloer. Ik snak naar adem en beschuldig mezelf.”
Hij kwam terecht in het werkkamp Buna-Monowitz van Auschwitz III. Hij kende geen vak en noemde zichzelf bij de registratie "filosofiestudent". Dat was in feite een doodvonnis, want men had vakmannen nodig. In het kamp diende cultuur tot niets en was in feite een zware handicap. De gedetineerde die dit moest noteren, schreef echter "stukadoor" in het register. Dat werd, zonder dat hij het wist, zijn redding. Hij werd aangesteld als werkman en moest zware handenarbeid verrichten in de IG Farben-fabriek. Toch slaagde hij erin dit te overleven.
Toen het Russische leger midden januari 1945 oprukte in de richting van Auschwitz, werd hij overgebracht eerst naar Gleiwitz-II, toen naar Dora-Mittelbauen en vervolgens naar Bergen-Belsen. Hier werd hij in april 1945 bevrijd door het Britse leger.
Hij keerde naar Brussel terug, waar hij moest vaststellen dat zijn vrouw in augustus 1944 aan een hartkwaal overleden was.
De ervaringen in de kampen hadden hem zo getekend dat hij zich niet meer kon terugvinden in het cultureel gedachtegoed van zijn tijd.
Hij hertrouwde in april 1955 en veranderde zijn naam in Jean Améry (Jean is het Franse equivalent van Hans en Améry is een Frans anagram van zijn achternaam Mayer). Hierdoor zette hij zich totaal af tegen zijn Duitse cultuur en omarmde hij de Franse cultuur. Hij werd in zekere mate een volgeling van de Franse filosoof Jean Paul Sartre. Twee decennia lang zou hij weigeren naar Duitsland te reizen. Nochtans bleef hij schrijven in het Duits. Hij werd correspondent voor een Duitstalige Zwitserse krant.
Pas in 1964 kon de Duitse dichter Helmut Heissenbüttel hem overhalen tot een spreekbeurt over Auschwitz op de Duitse radio. Deze spreekbeurt werd in 1966 het openingsessay van zijn boek Jenseits von Schuld und Sühne (vertaald als Schuld en boete voorbij). Dit boek werd een klassieker uit de naoorlogse kampliteratuur.
Hij had voordien al vijf boeken gepubliceerd: Karrieren und Köpfe (1955), Teenager-Stars (1960), Im Banne des Jazz(1961), Geburt der Gegenwart (1961), en een studie van Gerhart Hauptmann, Gerhart Hauptmann. Der ewige Deutsche (1963).
Voortaan legde hij zich toe op het literair-essayistisch genre en schreef filosofisch waardevolle en literair hoogstaande boeken met sterk autobiografische inslag, zoals Über das Altern. Revolte und Resignation (1968) en Unmeisterliche Wanderjahre (1971). Maar hij schrijft niets meer over de vernietigingskampen. Hij schrijft nog twee romans: Lefeu oder der Abbruch (1974) en Charles Bovary, Landarzt. Portrait eines einfachen Mannes (1978)
Angst en wrok blijven hem zijn hele leven achtervolgen. Een deel hiervan komt voort uit het feit dat de folteringen hem hebben kleingekregen. Hij schrijft een boek over zelfmoord, Hand an sich Legen. Diskurs über den Freitod (1976). Deze filosofische beschouwingen en zijn angst voor het ouder worden, zijn gezondheid die achteruitging en zijn groeiende desillusie over de Franse filosofie en de politiek van Nieuw Links in Duitsland moeten te veel voor hem zijn geweest. Hij sprak zijn diepe twijfel uit over alles wat hij ooit had gedacht en geschreven: Revision in Permanenz. Selbstanzeige im Zweifel (1977). Beetje bij beetje gaf hij de moed op. Zijn machteloze toorn, treurnis en berusting blijken nog een laatste keer in zijn laatste roman In den Wind gesprochen (1978).
In 1978 pleegde hij zelfmoord met een overdosis slaappillen. Hij werd begraven op het Zentralfriedhof van Wenen.
Besluit
Hij schreef vanuit een slachtofferperspectief op een onverwerkt verleden. Maar slachtoffers kunnen mentaal niet loskomen van de begane wreedheden. Ze zitten, zoals Améry schrijft, "vastgenageld aan het kruis van hun vernielde verleden". Maar ook de daders zitten vastgekluisterd in hun verleden. Uiteindelijk zitten beiden, bij wijze van spreken, rug aan rug aan elkaar vastgekluisterd, elk een andere kant opkijkend. De uiteindelijke les is: om deze verschrikkingen te kunnen voorkomen moet men eerst begrijpen hoe een gewone mens een beul kan worden.

Afbeeldingsresultaat

Geboren Hanns Chaim Mayer 31 oktober 1912 Wenen , Oostenrijk-Hongarije

Ging dood 17 oktober 1978 (65 jaar) Salzburg , Oostenrijk
Bezetting Auteur
Nationaliteit Oostenrijks

De spoorlijn naar Auschwitz

 

 

Graf van Jean Améry in het Zentralfriedhof in Wenen .

 


Philipp Auerbach

Philipp Auerbach (Hamburg, 8 december 1906 - München, 16 augustus 1952) was een Duitse overlevende van de concentratiekampen van Auschwitz en Buchenwald.
Biografie
Vlucht naar België

In 1934, na de machtsgreep van Hitler, vluchtte Auerbach met zijn gezin naar België. In Brussel vervolledigt hij zijn studies en komt aan het hoofd van een fabriek van schoonmaakproducten in Berchem bij Antwerpen. Na de Kristallnacht in 1938 en de moord op zijn vader door de nazi's wil hij met zijn gezin naar Cuba vluchten maar het land wil de vluchtelingen niet aannemen.
Auschwitz
Bij de Duitse inval in België wordt hij gearresteerd en met honderden andere Duitsers en Duitsgezinden naar Frankrijk gebracht. Dat bracht hem langs Saint-Cyprien, Gurs, Le Vernet, Perpignan, Vichy en Pau. Het collaborerende Franse Vichy-regime zet hem uiteindelijk in januari 1944 op een trein naar Auschwitz.
Het feit dat Auerbach chemicus is en gespecialiseerd in het vervaardigen van zeep uit dierlijke vetten, wordt zijn redding in Auschwitz. Volgens bepaalde versies zou hij gedwongen geweest zijn om zeep te maken van menselijke resten. Op de zeepjes die elke Duitse soldaat meekreeg stond in Gotische letters 'RIF', wat stond voor Reichsstelle für Industrielle Fettversorgung. Deze zeep zou ook menselijke resten bevatten maar Auerbach schrijft letterlijk: "Als chef van de zeepfabricatie moest ik voor de productie van vet zorgen in het slachthuis". Er was in Auschwitz ook een slachthuis voor koeien, schapen en varkens.
Na-oorlogse periode
In het Wienerarchief in Londen bevindt zich een manuscript van 35 vellen, waarin Auerbach zijn oorlogsverhaal optekent, vanaf de arrestatie in Antwerpen, de deportatie naar Frankrijk en het verblijf in de Duitse kampen. Hij schreef het ergens in 1945 in het Engels onder de titel I Am the Man Who Saw Misery!.
Na de oorlog was hij van 1946 tot 1951 staatscommissaris voor racistisch, religieus en politiek vervolgden in München. Hij kreeg de leiding over een operatie Wiedergutmachung: financiële tegemoetkomingen voor de slachtoffers van het naziregime. Daarnaast was hij lid van het eerste directorium van de Centrale Raad voor de Joden in Duitsland. In 1952 werd hij veroordeeld tot 2,5 jaar cel wegens fraude met compensatiegelden. De nacht na het vonnis nam hij een overdosis slaappillen. In zijn afscheidsbrief schrijft Auerbach: "Ik heb mij nooit persoonlijk verrijkt en kan deze schandelijke uitspraak niet tolereren. Ik heb gevochten tot het einde, het werd niets.".
In 1954 werd hij door een onderzoekscommissie van de Beierse Landdag volledig in ere hersteld.

Auerbach op 27 februari 1948 bij zijn getuigenis in het Wilhelmstraßen-proces

 


Dina Babbitt

Dina Babbitt (geboren Gottliebová , 21 januari 1923, Brno , Tsjechoslowakije - 29 juli 2009, Felton, Californië ) was een kunstenaar en overlevende van de Holocaust . Een genaturaliseerde Amerikaanse burger, ze woonde in Santa Cruz, Californië . 
Als Dina Gottliebová zat ze gevangen in het concentratiekamp Auschwitz tijdens de Tweede Wereldoorlog , waar ze portretten maakte van Roma- gevangenen voor de beruchte Dr. Mengele . Na de bevrijding van het kamp en het einde van de oorlog emigreerde ze naar de Verenigde Staten en werd een animator. Op het moment van haar dood vocht ze voor het teruggeven van haar schilderijen aan het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau .
Naast de overlevenden van het concentratiekamp en kunstenaars Jan Komski en Felix Nussbaum was ze te horen in de documentaire Eyewitness uit 1999 , die genomineerd was voor een Academy Award voor Documentary Short Subject . 
Early Life and War 
Annemarie Dina Gottliebová werd geboren in Brno , Tsjechoslowakije (tegenwoordig Tsjechië). In 1939, toen de Duitsers haar geboorteland binnenvielen, woonde ze in Praag, waar ze was gaan studeren aan de Academie voor Schone Kunsten. In 1942 werden zij en haar moeder, Johanna Gottlieb, gearresteerd en naar het concentratiekamp Theresienstadt gestuurd, buiten Praag. Het jaar erop werden ze overgebracht naar het vernietigingskamp Auschwitz. 
Auschwitz Paintings
In 1944, terwijl in Auschwitz de 21-jarige Gottliebová door Mengele werd gekozen om portretten van Roma-gevangenen te maken. Mengele wilde de huidskleur van de Romanis beter vangen dan hij op dat moment met camera en film kon. Gottliebová was het ermee eens dat ook het leven van haar eigen moeder werd gespaard.
Vanaf 2009 overleven zeven aquarellen , allemaal in het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau. Volgens de website van het museum werden zeven van haar portretten van Romani-gevangenen ontdekt na de Tweede Wereldoorlog buiten het Auschwitz-kamp in de vroege jaren 1970 en verkocht aan het museum door mensen die blijkbaar niet wisten dat Gottliebova nog leefde en in leven was Californië als Dina Babbitt. Het museum vroeg Babbitt om terug te keren naar de Auschwitz-site in 1973 om haar werk te identificeren. Nadat ze dat had gedaan, werd haar verteld dat het museum haar niet toestond haar schilderijen mee naar huis te nemen. Gottliebová-Babbitt verzocht formeel om de terugkeer van haar schilderijen, maar het museum wees haar beweringen af. De Amerikaanse overheid raakte hierbij betrokkenResoluties van House en Senate . De huisversie werd geschreven door vertegenwoordiger Shelley Berkley . De Senate-versie was co-auteur van senator Barbara Boxer en voormalig senator Jesse Helms . Beide werden in 2003 onderdeel van het congresverslag en kwamen unaniem tot stand. 
In samenwerking met Rafael Medoff , directeur van het David S. Wyman Institute for Holocaust Studies , verdedigde Neal Adams van de stripwereld de inspanningen van Babbitt. Adams illustreerde met behulp van tekst van Medoff een grafische documentaire van zes pagina's over Babbitt die geďnkt was door Joe Kubert en bevat een inleiding door Stan Lee . Adams noemde de Babbitt-situatie 'tragisch' en 'een gruweldaad'. In 2008 publiceerde Adams, het Wyman Institute en Vanguard Publications-uitgever J. David Spurlockleidde een petitiecampagne waarin meer dan 450 stripontwerpers en cartoonisten er bij het Auschwitz-Birkenau-museum op aandrongen Babbitts zeven portretten terug te geven. Een herdruk van de grafische documentaire en een verslag van de benarde toestand van Babbitt werden opgenomen in de laatste uitgave van het komische X-Men: Magneto Testament . 
Een groep studenten van Palo Alto High School , geleid door leraar David Rapaport, werkte om Babbitt te helpen door te communiceren met functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken om de schilderijen terug te krijgen en door te schrijven aan personen in de regering. Ze hebben een boek geschreven over deze ervaring.
Persoonlijk leven
Ze was de tweede vrouw van animator Art Babbitt (maker van Goofy ). Het paar had twee dochters, Michele Kane en Karin Babbitt, en drie kleinkinderen, die allemaal actief zijn geweest in het nastreven van haar beweringen.
Gottliebova-Babbitt kreeg de diagnose van een agressieve vorm van abdominale kanker en werd geopereerd op 23 juli 2008. Ze stierf een jaar later, op 29 juli 2009, op de leeftijd van 86.

Dina Babbitt.jpg

Dina Babbitt with a copy of one of the portraits she painted in Auschwitz
Born Dina Gottliebová
January 21, 1923
Brno, Czechoslovakia
Died July 29, 2009 (aged 86)
Felton, California, U.S.
Occupation Artist
Spouse(s) Art Babbitt
Children 2

 


Tadeusz Borowski

Tadeusz Borowski ( Poolse uitspraak: [tadɛuʂ bɔrɔfskʲi] , 12 november 1922 - 1 juli 1951) was een Poolse schrijver en journalist . Zijn poëzie in oorlogstijd en verhalen over zijn ervaringen als gevangene in Auschwitz worden erkend als klassiekers in de Poolse literatuur en hadden veel invloed in de Midden-Europese samenleving.
Vroege leven 
Borowski werd in 1922 geboren in de Poolse gemeenschap in Zhytomyr , de Oekraďense SSR (tegenwoordig Oekraďne ). In 1926 werd zijn vader, wiens boekwinkel door de communisten was genationaliseerd , naar een kamp in het Gulag- systeem in het Russische Karelië gestuurd omdat hij lid was geweest van een Poolse militaire organisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog . In 1930 werd Borowski's moeder gedeporteerd naar een nederzetting aan de oevers van de Yenisey , in Siberië, tijdens de Collectivisatie . Gedurende deze tijd woonde Tadeusz bij zijn tante.
In 1932 werd Borowski gerepatrieerd van de USSR naar Polen vanwege de inspanningen van het Poolse Rode Kruis . Hij vestigde zich in Warschau met zijn broer Juliusz. Kort na hun terugkeer in Warschau werd Borowski's vader bevrijd uit de goelag na een gevangenenruil met een Poolse communist. In 1934 werd de moeder van Borowski vrijgelaten en keerde terug naar Polen.
Ervaringen onder nazi-bezetting
In 1940 voltooide Borowski zijn middelbare schoolopleiding in een geheim ondergronds lyceum in het door de nazi's bezette Polen, en begon toen met studies aan de ondergrondse universiteit van Warschau (Poolse taal en literatuur).
Hij raakte ook betrokken bij verschillende ondergrondse kranten en begon zijn gedichten en korte romans te publiceren in de maandelijkse Droga , terwijl hij als nachtwaker werkte in een magazijn. Het was tijdens deze periode dat hij het grootste deel van zijn oorlogstijd poëzie schreef, en hij clandestien publiceerde zijn eerste collectie, getiteld Gdziekolwiek Ziemia ( waar de aarde ).
Terwijl hij lid was van de ondergrondse educatie in Warschau, woonde Borowski bij zijn verloofde Maria. Nadat Maria op een nacht in februari 1943 niet naar huis was gegaan, begon Borowski te vermoeden dat ze was gearresteerd. In plaats van weg te blijven van een van hun gebruikelijke ontmoetingsplekken, liep hij echter rechtstreeks de val in die was ingesteld door de Gestapo- agenten in het appartement van de goede vriend van zijn en Maria. Hij arresteerde zichzelf, hij werd in de beruchte Pawiak- gevangenis geplaatst en vervolgens naar Auschwitz getransporteerd .
Gedwongen tot slavenarbeid onder extreem zware omstandigheden, beschreef Borowski later deze ervaring in zijn geschriften. In het bijzonder, toen hij aan een spoorweghelling in Auschwitz-Birkenau werkte, zag hij dat Joden voor het eerst werd verteld hun persoonlijke bezittingen achter te laten en vervolgens rechtstreeks van de treinen naar de gaskamers werden overgebracht. Terwijl hij een gevangene in Auschwitz was, kreeg Borowski een longontsteking ; daarna werd hij aan het werk gezet in een nazi-medisch experiment "ziekenhuis". Hij was in staat schriftelijk en persoonlijk contact te onderhouden met zijn verloofde, die ook in Auschwitz gevangen zat. 
Eind 1944 werd Borowski getransporteerd van Auschwitz naar het Dautmergen-subkamp van Natzweiler-Struthof en uiteindelijk naar Dachau . Dachau-Allach, waar Borowski gevangen werd gehouden, werd op 1 mei 1945 door de Amerikanen bevrijd en daarna bevond Borowski zich in een kamp voor ontheemden in de buurt van München .
Na de oorlog 
Hij bracht enige tijd in Parijs door en keerde op 31 mei 1946 terug naar Polen. Zijn verloofde, die de kampen had overleefd en naar Zweden emigreerde, keerde eind 1946 terug naar Polen en zij trouwden in december 1946. 
Borowski wendde zich tot de proza ​​na de oorlog, in de overtuiging dat wat hij te zeggen had niet meer in vers kon worden uitgedrukt. Zijn reeks korte verhalen over het leven in Auschwitz werd gepubliceerd als Pożegnanie z Marią ( Farewell to Maria , Engelse titel This Way for the Gas, Ladies and Gentlemen ). De belangrijkste verhalen zijn geschreven in de eerste persoon vanuit het perspectief van een gevangene van Auschwitz; ze beschrijven het moreel verdovende effect van dagelijkse terreur, waarbij gevangenen proberen te overleven, vaak onverschillig of gemeen tegen elkaar zijn; de voorrechten van niet-Joodse gevangenen zoals Borowski; en de afwezigheid van heldendom. Al vroeg na zijn publicatie in Polen werd dit werk beschuldigd van nihilistisch, amoreel en decadent te zijn. Zijn korte verhaalcyclusWorld of Stone beschrijft zijn tijd in ontheemdenkampen in Duitsland.
Hij werkte als journalist, voegde zich bij de door de communisten gecontroleerde Poolse arbeiderspartij in 1948 en schreef ook politieke traktaten. Aanvankelijk geloofde hij dat het communisme de enige politieke macht was die werkelijk in staat was om te voorkomen dat een toekomstige Auschwitz zou plaatsvinden. In 1950 ontving hij de Nationale Literaire Prijs, Second Degree.
In de zomer van 1949 werd hij naar het persgedeelte van de Poolse militaire missie in Berlijn gestuurd . Hij keerde een jaar later terug naar Warschau en ging een buitenechtelijke relatie aan met een jong meisje. 
Al snel na een goede vriend van hem (dezelfde vriend die eerder gevangen was gezet door de Gestapo, en in wiens appartement zowel Borowski als zijn verloofde waren gearresteerd) werd gevangengezet en gemarteld door de communisten. Borowski probeerde in zijn naam in te grijpen en faalde; hij raakte volledig gedesillusioneerd door het regime.
Op 1 juli 1951 pleegde hij op 28-jarige leeftijd zelfmoord door gas in te ademen van een gasfornuis. Zijn vrouw had drie dagen voor zijn dood een dochter gekregen van hun dochter. 
Legacy
Zijn boeken worden erkend als klassiekers van Poolse naoorlogse literatuur en hadden veel invloed in de Midden-Europese samenleving.
Tadeusz Borowski is het onderwerp van de 'Beta' sectie in het boek van Czesław Miłosz , The Captive Mind .
Zijn vriend Tadeusz Drewnowski publiceerde verschillende boeken over Borowski, waaronder de biografie van 1962 Ucieczka z kamiennego świata ( Escape from the World of Stone ) en Postal indiscretions: de correspondentie van Tadeusz Borowski .
De Poolse film Landscape After the Battle uit 1970 is gebaseerd op Borowski's geschriften.
De 1984 Style Council lied " Ghosts of Dachau " is geďnspireerd op deze manier voor de Gas, dames en heren . 
Borowski's boeken worden genoemd in de bekroonde roman The Reader ("Der Vorleser") uit 1995 door de Duitse auteur Bernhard Schlink , waarin een voormalige concentratiekampbewaarder zelfmoord pleegt in wroeging na het lezen van zijn en andere memoires van overlevenden.
In 2002 verklaarde Imre Kertész , terwijl hij de Nobelprijs voor de Literatuur ontving, dat al zijn werken werden geschreven vanwege zijn eigen fascinatie voor Borowski's proza.
Bibliografie in het Engels 
Deze weg voor het gas, dames en heren ( Proszę państwa do gazu ), Penguin Books , Londen, 1992. 192 pagina's, hardcover. ISBN 0-14-018624-7 .
We waren in Auschwitz ( Byliśmy w Oświęcimiu ), Natl Book Network, 2000. 212 pagina's, hardcover. ISBN 1-56649-123-1 .
Postal indiscretions: de correspondentie van Tadeusz Borowski ( Niedyskrecje pocztowe: korespondencja Tadeusza Borowskiego , Northwestern University Press, 2007. ISBN 0-8101-2203-0 .

Tadeusz Borowski.jpg

Geboren 12 november 1922 
Żytomierz , Oekraďense SSR
Ging dood 1 juli 1951 (28 jaar) Warschau , Polen
Bezetting schrijver, journalist
Nationaliteit Pools
Genre poëzie, korte verhalen
Opvallende werken Deze weg voor het gas, dames en heren
Opmerkelijke prijzen Nationale literaire prijs, Second Degree (Polen)

 


Thomas Buergenthal

Thomas Buergenthal (geboren op 11 mei 1934, in Ľubochňa , Tsjecho-Slowakije , tegenwoordig Slowakije ) is een voormalige rechter van het Internationaal Gerechtshof . Hij trad af op 6 september 2010. Buergenthal keert terug naar zijn positie als Lobingier-hoogleraar rechtsvergelijking en jurisprudentie aan de George Washington University Law School . 
Vroege leven 
Thomas Buergenthal, geboren uit Duits-Joodse / Pools-Joodse ouders die in 1933 uit Duitsland naar Tsjechoslowakije waren verhuisd, groeide op in het Joodse getto van Kielce ( Polen ) en later in de concentratiekampen in Auschwitz en Sachsenhausen . Na de oorlog woonde hij bij zijn moeder in Göttingen .
Op 4 december 1951 emigreerde hij van Duitsland naar de Verenigde Staten . Hij studeerde aan het Bethany College in West Virginia (afgestudeerd in 1957) en ontving zijn JD aan de New York University Law School in 1960, en zijn LL.M. en SJD-graden in internationaal recht van de Harvard Law School . Rechter Buergenthal is de ontvanger van verschillende eredoctoraten van Amerikaanse, Europese en Latijns-Amerikaanse universiteiten.
Carričre 
Buergenthal is een specialist in internationaal recht en mensenrechtenwetgeving .
Bergenthal diende als rechter bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag vanaf 2 maart 2000 tot zijn ontslag op 6 september 2010. Voorafgaand aan zijn verkiezing tot het Internationaal Gerechtshof was hij de Lobingier-hoogleraar vergelijkend recht en jurisprudentie in The George Washington University Law School . Hij was decaan van het Washington College of Law of American University van 1980 tot 1985 en bekleedde hoogleraarschappen aan de University of Texas en Emory University . Buergenthal diende vele jaren als rechter, waaronder lange perioden bij verschillende gespecialiseerde internationale instanties. Tussen 1979 en 1991 diende hij als rechter van deInter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens , inclusief een termijn als voorzitter van dat hof; van 1989 tot 1994 was hij rechter in het bestuursgerecht van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank ; in 1992 en 1993 was hij lid van de Waarheidscommissie van de Verenigde Naties voor El Salvador ; en van 1995 tot 1999 was hij lid van het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties . 
Buergenthal is de auteur van meer dan een dozijn boeken en een groot aantal artikelen over internationaal recht, mensenrechten en rechtsvergelijkende onderwerpen. Hij is lid van een aantal redacties van juridische tijdschriften, waaronder de American Journal of International Law.
Rechter Buergenthal is mede-ontvanger van de Gruber Prize for Justice 2008 voor zijn bijdragen aan de promotie en bescherming van mensenrechten in verschillende delen van de wereld, en met name in Latijns-Amerika . Hij ontvangt ook de volgende onderscheidingen: Goler T. Butcher Medal, American Society of International Law, 1997; Manley O. Hudson-medaille, American Society of International Law, 2002; Elie Wiesel Award, US Holocaust Memorial Council, 2015; en Olympische Orde, Internationaal Olympisch Comité, 2015.
Zijn memoires, A Lucky Child , die zijn ervaring beschrijft in verschillende Duitse concentratiekampen, is vertaald in meer dan twaalf talen.
Geselecteerde werken 
Wetgeving in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (1969)
Internationale bescherming van mensenrechten (met LB Sohn, 1973)
Public International Law in a Nutshell (4e editie 2007, met SD Murphy) 5e editie, 2013 met SD Murphy)
Internationale mensenrechten in een notendop (3e druk 2002, met D. Shelton en D. Stewart)
Bescherming van de mensenrechten in Noord- en Zuid-Amerika (4de editie 1995, met D. Shelton)
Grundzüge des Völkerrechts (3e druk 2003, met K. Doehring en J. Kokott)
Menschenrechte (met D. Thürer, 2010)
Een gelukskind (2009) 
Lezingen
Een beknopte geschiedenis van de internationale mensenrechtenwetgeving in de colleges van de Audiovisuele Bibliotheek van de Verenigde Naties over internationaal recht
"The Lawmaking Role of International Tribunals," Dean Fred F. Herzog Memorial Lecture, 17 oktober 2011, The John Marshall Law School , Chicago, Illinois.

Thomas Buergenthal.jpg

President van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens
In functie
1985-1987
Voorafgegaan door Pedro Nikken
Opgevolgd door Rafael Nieto Navia
Persoonlijke gegevens
Geboren 11 mei 1934 (83 jaar) 
Ľubochňa , Tsjechoslowakije (nu Slowakije )
Onderwijs Bethany College, West Virginia ( BA ) 
Universiteit van New York ( JD ) 
Harvard University ( LLM , SJD )

 


Jetty Cantor

FRANK, Henriëtte, vooral bekend als Jetty Cantor (geb. Den Haag 16-5-1903 – gest. Hilversum 23-4-1992), violiste, zangeres en actrice. Dochter van Meijer Frank (1880-1942), pianist, en Sophia de Jong (1879-1942), actrice. Henriëtte Frank trouwde (1) op 9-4-1924 in Amsterdam met Mozes Cantor (1902-1954), cellist; (2) na echtscheiding (2-1-1948) op 26-8-1953 in Hilversum met Johannes Antonius Fresco, alias Maarten Kapteyn (1905-1999), zanger, voordrachtskunstenaar en hoorspelacteur. Uit huwelijk (1) werd 1 zoon geboren.
Henriëtte (Jetty) Frank werd geboren als tweede van vier – twee jongens en twee meisjes – in een muzikaal Joods gezin in Den Haag. Vader was pianist en orkestleider, moeder was actrice en Jetty’s broers Louis (1901) en Jacob (1905) speelden cello. Het gezin Frank verhuisde rond 1905 naar Amsterdam, daarna naar Den Haag en in 1920 naar Rotterdam. Als kind volgde Jetty vioollessen aan de muziekschool, maar zelf wilde ze daarna naar de toneelschool. Op aandringen van haar ouders ging ze toch naar het conservatorium. Al op jonge leeftijd speelde Jetty in het ensemble van haar vader, waar ze zich als ‘krullenjongen’ verschool achter de laatste lessenaar. Zijn orkest begeleidde ook films, en zo leerde ze uiteenlopende muzikale genres. Als zestienjarige leidde Jetty ook een eigen muziekensemble, waarin ze zong en viool speelde. In tearooms trad ze op als ‘een vrouwelijke Stehgeiger die aan haar viool smeltende melodieën ontlokte’ (NRC, 23-4-1992).
Westerbork
Op haar twintigste trouwde Jetty Frank met de Amsterdamse cellist Mozes Cantor, met wie ze in Amsterdam ging wonen. Voortaan ging ze als Jetty Cantor door het leven. In 1926 kregen ze een zoon, Jacob (1926-2007). Jetty studeerde zang en maakte tegelijkertijd furore in de Haagse cabaretwereld: in het gezelschap van Louis Davids en als mimespeelster bij Tony Hartweger en Ernst Busch. Verder speelde ze in de gezelschappen van Johan Fiolet en Jan Musch, bij wie ze toneellessen had gevolgd. In de zomermaanden zat ze met haar man en Jos Termolen in het Star Trio, dat artiesten van het Kurhaus Cabaret in Scheveningen begeleidde – zelf zong ze ook elke avond een chanson. Toen op een avond een Duitse actrice verstek liet gaan, mocht zij haar plaats innemen in een eenakter. Het beviel zo goed dat ze de rol mocht houden. Later speelde Cantor ook eenakters met Fien de la Mar. Vanwege haar goede beheersing van het Duits trad zij tijdens een reeks optredens in Arnhem op als ‘Wiener Vortragskünstlerin’.
In 1933 verhuisden Jetty en Mozes Cantor met hun zoon naar Scheveningen (Neptunusstraat 66), dichterbij het Kurhaus, en in 1934 naar Rotterdam (Aert van Nesstraat 121a). In 1937 maakte ze in Berlijn plaatopnamen met Bob Scholte, daarbij begeleid door het orkest van Otto Dobrindt. Een van de liederen die ze opnam (Op een avond in mei), was een tekst van Martie Verdenius. Voor de AVRO-radio zong Jetty chansons, leidde ze een muziekensemble en presenteerde ze uitzendingen, waarvoor ze lange dagen maakte – ’s ochtends vroeg vertrok ze naar Hilversum, om half vier ’s nachts was ze weer thuis. Op 21 mei 1940 ontsloeg AVRO-baas Willem Vogt haar en andere Joodse medewerkers, als preventieve knieval voor de Duitse bezetter. Van de Kultuurkamer mocht Cantor vervolgens niet langer in Nederland optreden, zodat zij zonder werk kwam te zitten. Om toch aan geld te komen trad ze op feestjes op met haar voormalige radio-ensemble. Ze woonde inmiddels in Hilversum (Langestraat 118).
Begin oktober 1942 werd Jetty Cantor met man en kind uit huis gehaald, naar Amsterdam gebracht en op transport gezet naar Westerbork. In het kamp sloot ze zich aan bij de Duits-Joodse artiesten die daar revueavonden verzorgden. Deze Gruppe Bühne, onder leiding van de Duitse komiek Max Ehrlich, trad iedere dinsdag op: de dag van de transporten. Kampcommandant Gemmeker had een voorliefde voor kleinkunst en nodigde gasten uit voor de cabaretvoorstellingen. ‘Als je premičre had, zat de hele zaal vol’, vertelde Cantor later, ‘maar na afloop moest je ineens in die diep-donkere nacht door het zand – straten waren er niet – naar je barakje teruglopen’ (NRC, 16-4-1999). Begin 1944 mocht haar zoon Jacob, volgens de rassenwetten van de nazi’s half Joods’, Westerbork verlaten; de achttienjarige jongen wilde liever bij zijn moeder blijven, maar Cantor stuurde hem weg. De dagelijkse repetities van het cabaretgezelschap boden nog enige afleiding, maar in juni werd verder vermaak verboden door de kampcommandant – de laatste voorstelling heette ‘Total Verrückt!’.
In augustus 1944 moest Jetty Cantor op transport naar Theresienstadt. Daar zag zij haar zus, de modeontwerpster Lea (1910-1944), voor het laatst. Een paar maanden later belandden zij beiden in Auschwitz, waar twee jaar eerder hun beide ouders waren vermoord. Ook haar zus werd vergast. In het vernietigingskamp werd Cantor gevraagd mee te spelen in het orkestje dat muziek maakte terwijl gevangenen naar de gaskamers liepen. Ze had haar viool nog bij zich, maar kon het niet opbrengen te spelen. Cantor overleefde het verblijf in de barak voor ter dood veroordeelden en werd gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Tijdens een beruchte dodenmars wist ze uit een trein te springen en te vluchten. In het Zuid-Boheemse Budweiss (České Budějovice) maakte ze de bevrijding mee en kwam ze terecht in het ziekenhuis.
Op tv en toneel
Na de oorlog keerde Jetty Cantor gebroken en op krukken terug naar Nederland. Eind juli 1945 stond ze alweer op de planken in het Concertgebouw van Amsterdam en was ze met haar ensemble te horen op de radio, ook weer bij de AVRO. Haar huwelijk met Mozes Cantor liep in 1948 op de klippen, maar ze bleef zich Jetty Cantor noemen. Vijf jaar later trouwde ze in Hilversum met de acteur Johannes Antonius Fresco, bekend onder de schuilnaam Maarten Kapteyn. Getuige Rosa Spier begeleidde het huwelijk met harpspel (De Telegraaf, 27-8-1953). Samen met haar nieuwe echtgenoot richtte Cantor de in blijspelen en volkstoneel gespecialiseerde Radiostad Comedie op. Daarnaast begon ze een nieuwe carričre als tv-actrice: in de jaren 1963-1964 speelde ze de rol van Saartje in de televisieserie Swiebertje (1963-1964) en tezelfdertijd de moeder van Stiefbeen in het populaire programma Stiefbeen en Zoon. Daarna verscheen Cantor nog in een aantal televisieseries van Willy van Hemert, zoals De kleine waarheid (1970-1971), en presenteerde ze het jeugdprogramma Kijkkast.
Met de Radiostad Comedie bleef Jetty Cantor ook in de jaren zeventig optreden, bijvoorbeeld voor kunstkringen, personeelsverenigingen en nutsdepartementen. Het echtpaar Cantor-Kapteyn deed alles zelf, van de kostuums tot het dramaturgische werk. Sporadisch zong ze nog een chanson op de radio, maar langzamerhand verdween ze bij het grote publiek uit beeld. Van huldigingen tijdens jubilea wilde ze weinig weten, al accepteerde ze in 1979 wel het Ridderschap in de Orde van Oranje-Nassau. In 1990 gaf zij een aangrijpende getuigenis over haar ervaringen in Westerbork in Kamp van hoop en wanhoop, een documentaire van Willy Lindwer. Twee jaar later, op 23 april 1992, overleed Jetty Cantor in haar woonplaats Hilversum

Frank, Henriette (1903-1992)

 

Cantor huwde in 1953 met hoorspelacteur Maarten Kapteyn

 


Frits van Hall

Frederik Jan (Frits) van Hall (Suikerfabriek Bodja bij Semarang, 8 mei 1899 – Gliwice, 18 januari 1945) was een Nederlandse beeldhouwer.

Leven en werk
Van Hall werd in 1899 geboren op het eiland Java in voormalig Nederlands-Indië. De familie Van Hall keerde in 1905 terug naar Nederland. Van Hall studeerde van 1918 tot 1923 beeldhouwkunst bij Jan Bronner aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam. In 1923 won hij, kort na zijn afstuderen, de gouden medaille van de Prix de Rome en hij verbleef in 1924 in Rome. Aansluitend woonde hij met zijn echtgenote, de schilderes Jeanne Brandsma, onder andere in Cagnes-sur-Mer in Frankrijk. In 1929 kwamen zij terug in Nederland en tot 1943 woonden zij in Sloterdijk. Met Jan Havermans had hij zijn atelier in de voormalige pastorie aan de Spaarndammerdijk, waar tussen 1933 en 1936 de Russisch-Joodse beeldhouwer Moissey Kogan, die in die periode in Amsterdam woonde, veelvuldig werkte. Kogan had een grote invloed op de stijl van zijn werk.

Van Hall was lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en nam in 1941 deel aan de herdenkingstentoonstelling voor de in 1939 overleden beeldhouwer Joseph Mendes da Costa. Vele leden zegden begin 1942 hun lidmaatschap van de Kring op en weigerden, na de instelling van de Nederlandsche Kultuurkamer in november 1941, de Ariërverklaring te ondertekenen.

Van Hall speelde een actieve rol in het kunstenaarsverzet en werd in 1943 gearresteerd en opgesloten in Kamp Vught. Op 24 mei 1944 werd hij naar het concentratiekamp Dachau gedeporteerd en later naar Auschwitz. Hij werd op 18 januari 1945, na de ontruiming van Auschwitz, tijdens de dodenmars langs de weg gefusilleerd in Gliwice in Polen.

Frits van Hall was de biologische vader van de musicus, regisseur en toneelschrijver Lodewijk de Boer (1937 - 2004), geboren uit een relatie met Agnes A.M. Lichtveld, een jongere zus van schrijver Albert Helman. Hij was verder een neef van de latere Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall en een broer van danseres Suzy van Hall, in de Tweede Wereldoorlog de gezellin van Gerrit van der Veen.

Werken (selectie)
Ot en Sien (1930), Beeldenroute Zuiderpark Den Haag in Den Haag
Kinderhof: Meisje met kat en vogel (1931)[5], Muzenplein in Amsterdam - van Hall maakte een van de negen beelden                                                                                          
Beeldhouwwerk Stadhuis Enschede (1933), Enschede - in samenwerking met de architect Gijsbert Friedhoff
Monument Indië-Nederland (1935)[6], Olympiaplein/Apollolaan in Amsterdam - voormalig Van Heutsz Monument in samenwerking met architect Gijsbert Friedhoff
Monument Moerdijkbrug - (1936) bronzen sculptuur, Moerdijkbruggen - de sculptuur is geďntegreerd in het monument van 1978 in de gemeente Moerdijk  
Houtsculptuur (1937/38), achtervestibule promenadedek van het passagiersschip Nieuw Amsterdam (1938)
Mr. Harm Smeenge Monument - reliëf (1938), Wilhelminapark in Meppel
Rechtvaardigheid en Voorzichtigheid of Justitia en Prudentia (1938)[7], Grote Markt in Bergen op Zoom
Ulricus Huber (1938), Kazernestraat in Den Haag
Onvoltooide sculptuur (1940)[8], opdracht Hildo Krop en Van Hall voor het Apollo Huis aan de Apollolaan in Amsterdam                                                                                                                             Frits van Hall
 

Ot van Ot en Sien, Den Haag

Ot van Ot en Sien, Den Haag
Persoonsgegevens
Volledige naam Frederik Jan van Hall
Geboren 8 mei 1899
Overleden 18 januari 1945
Geboorteland Indonesië
Nationaliteit Nederlands
Beroep(en) Beeldhouwer
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Figuratief
RKD-profiel
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur

 


Max Hamburger

Het interview met psychiater Max Hamburger, dat verscheen in de maart 2012 Nederlandse tijdschrift Aanspraak werd vertaald in het Engels voor mij door Hasso Castrup. Sommige dingen die Hamburger zei, onthullen zijn algehele eerlijkheid als het gaat om zijn uitspraken over 'de Holocaust'. Het zijn van een 'holocaustoverlevende' die op de beroemde foto verschijnt, is tenslotte zijn enige aanspraak op roem.
Ik heb al in een vorig artikel gerapporteerd (scroll naar beneden) dat zijn vader een Amsterdamse diamanthandelaar was, Hartog Hamburger, die stierf aan een bizar ongeluk toen Max nog maar vier jaar oud was. Zijn moeder, een modeontwerper, werkte daarna nog harder en liet hem vaak bij zijn grootouders achter. Toen Max tien was, stierf zijn broer aan leukemie, waardoor Max alleen was met zijn moeder. Dit is nogal wat trauma in de eerste tien jaar van het leven, wat niet anders kon dan een stempel drukken op zijn psyche.
Hij zegt dat de dood van zijn broer is wat hem inspireerde om geneeskunde te studeren, te beginnen in 1938 toen hij 18 was. Maar in 1942 werd hem verdere openbare opleiding ontzegd omdat hij joods was. Door zijn functie bij de Joodse Raad (Judenrat) kon hij immuun blijven voor deportatie naar Westerbork door een speciale stempel op zijn Ausweis (ID) te krijgen. In de zomer van 1942 ging hij aan het werk als stagiair bij het New Israelite Hospital, waar hij leerde dat wanneer de substantie 'Pyrifer' intraveneus wordt ingespoten, het hoge koorts zal veroorzaken vergelijkbaar met wat men krijgt met malaria of tyfus. Hamburger injecteerde dit bij de joodse patiënten zodat ze ongeschikt voor deportatie werden verklaard.
Dit leidde natuurlijk tot wantrouwen onder de Duitsers en Hamburger zegt in juni 1943 dat het New Israelite Hospital werd overvallen om te worden geleegd. Hij en ander medisch personeel verstopten patiënten in de wasserij en in het mortuarium en brachten ernstig zieke patiënten ertoe zich te verstoppen (?). Hij is er trots op zichzelf te beschrijven als onderdeel van het verzet en zegt dat hij daardoor later werd bekroond met een herdenkingskruis. Hij vertelt een verhaal dat beschrijft hoe hij in augustus 1943 opnieuw deportatie ontvlucht, maar ik herhaal het niet omdat er geen manier is om te verzekeren dat het waar is.
Werken met het verzet
Vervolgens verhuisde hij naar de Joodse gehandicapten (Asylum) op het Weesperplein, waar hij en andere artsen opnieuw probeerden zoveel mogelijk patiënten te "redden" door hen ziek te verklaren met besmettelijke ziekten. Hij zegt dat mensen in gemengde huwelijken in het Portugees-Israëlische ziekenhuis gesteriliseerd moesten worden. Samen met het merendeel van het personeel weigerde hij mee te werken en ging door een verborgen deur naar een naburige villa en dook onder. Hij en zijn vriendin waren getrouwd door een rabbijn; ze waren nu beiden volledig in het verzet. Zijn moeder werd ook gebracht naar waar hij was, maar ze verstopte zich snel elders.
Hij zegt dat "kort daarna werden we verraden en gearresteerd, verhoord en gedeporteerd naar Westerbork . Mijn moeder is ook verraden. "Op zondag 6 februari 1944 zag hij haar voor de laatste keer in de strafbarakken bij Westerbork. Ze vielen in elkaars armen en huilden. Maar dan ... "In Auschwitz ontmoette ik een collega-radioloog die samen met haar werd gedeporteerd. Hij vertelde me dat mijn moeder op 6 maart 1944 vergast was. Ik kwam daar aan op 10 februari 1944 (zijn 24e verjaardag, maar hij noemt het niet) , maar heeft haar niet meer gezien. '
Omdat we weten dat er geen vergassingen zijn in Auschwitz - dit is een dode weggeefactie dat hij een grote leugen vertelt, hoewel hij de leugen in de mond legt van een naamloze "mede-radioloog." Dit is een truc die vaak wordt gebruikt door zogenaamde getuigen en "overlevenden". De zogenaamde informant moet altijd worden genoemd; als ze de exacte bron van de informatie niet kunnen noemen, moeten ze niet geloofd worden.
In Auschwitz faalde hij aanvankelijk en slaagde er toen in om erkend te worden als een dokter. Hij begon met een werkdetail waarin hij zei dat hij "slecht gekleed was in het ijskoude, vochtige weer, het werk een maximale overleving van 3 maanden betekende" (we horen zo vaak dat de levensverwachting "3 maanden" was, maar waarom de meeste gevangenen leven niet alleen tot de bevrijding, maar worden ook oud? Hamburger is 93 jaar oud - 10 februari, drie dagen geleden, was zijn verjaardag.) Als arts stond hij gedurende de dag in voor de schoonmaak van de kazerne, in de namiddag uitgedeeld soep, 's avonds deed hij luizen controle. Wat is daar zo moeilijk aan? Toch zegt hij dat hij in april koorts kreeg en op 1 meist slaagde erin de medische inspectie te vermijden (een vreemd verhaal over 'geluk') om te worden opgenomen in een transport van Hongaarse 'gedwongen' arbeiders naar Silesia. Hij zegt dit "redde zijn leven" (gezien zijn 3 maanden bijna waren, weet je dat niet).
Volgens deze was Hamburger van 10 tot en met 1 mei 1944 in Auschwitz - iets minder dan drie maanden. Dit was de gebruikelijke lengte van de quarantaine in Birkenau voor degenen die vervolgens als werk naar andere kampen werden gestuurd. Tijdens de quarantaineperiode van 2 tot 3 maanden werkten de gevangenen niet, dus ik denk dat zijn account nogal wat uitvindingen bevat om niet als quarantaine te klinken. Zijn moeder zou ook in quarantaine zijn geweest en hij zou haar daar niet hebben gezien, omdat de mannen en vrouwen strikt gescheiden waren in afzonderlijke kampen. Dit is de gebruikelijke situatie van waaruit "overlevenden" beweren dat hun familieleden vergast zijn, de informatie die zo vaak afkomstig is van een naamloze medegevangene; soms van een 'sadistische bewaker'.
Na Auschwitz wordt het verhaal verwarrend
De trein bracht hen naar Gross Rosen , waar een oude fabriek werd toegewezen als hun ziekenhuis. Hij zegt dat we in februari 1945 iedereen moesten vaccineren tegen tyfus . Hun enige hoop waren verslagen van oprukkende Russen en Amerikanen, waarvan ze wisten dat een medegevangene heimelijk naar de radio luisterde. Bij de evacuatie van het kamp moesten ze in de sneeuw naar de Tsjechische Republiek lopen. Vandaar werden ze met de trein van Praag naar het Flossenbürg- kamp in Beieren meegenomen .
Volgens USHMM werd het Gross Rosen-kamp begin februari 1945 geëvacueerd en "ongeveer 40.000" vanuit het hoofdkamp en moesten de subkampen naar het westen marcheren. Dit is heel wat inenting om over een paar dagen te worden gedaan. Maar belangrijker is dat de periode van 9 maanden die hij in Gross Rosen tussen mei 1944 en februari 1945 doorbracht, leeg is. Mei 1944 valt samen met de tijd van de grote Hongaarse deportatie naar Auschwitz; Hamburger zegt dat hij bij een Hongaarse arbeidseenheid was die al in Auschwitz was geweest en van daaruit was uitgezonden. Zouden de nieuwkomers ook niet op dezelfde manier zijn uitgezonden? Vanaf nu is zijn verhaal erg schetsmatig en bestaat het voornamelijk uit vage horrorverhalen.
Hij zegt: " De kampbewakers doodden gevangenen die hun levende doelen waren in het witte landschap. Dagelijks waren er doodvonnissen en gevangenen werden voor onze ogen opgehangen. " Toch waren de gevangenen nodig om in de steengroeven en de Messerschmitt-fabrieken te werken ... en ze waren in februari tegen wat tyfus geďnnoculeerd, ongetwijfeld ten koste van alles. Dus waarom zouden ze worden verspild als doelpraktijk voor de bewakers? Dit is het moment waarop verhalen over overleven echt ongelofelijk worden. Begin maart 1945 zegt hij dat ze naar Ohrdruf zijn gedeporteerd, een werkkamp van Buchenwald. "Hier waren bomvrije ondergrondse fabrieken voor de assemblage van V-wapens. Na ondergrondse explosies met dynamiet moesten we de grote stenen uit de gangen verwijderen door treinen met een kleine maat. "Maar hij blijft daar niet. "We moesten vier dagen en nachten 80 km (ongeveer 40 mijl) door de sneeuw naar Buchenwald lopen ." Hoewel hij zegt dat hij praktisch "in coma was", is hij duidelijk over de data en afstanden.
" Op 11 april 1945 werd Buchenwald bevrijd door het Amerikaanse leger. Vijf dagen na de bevrijding werd onze bekende foto (genomen). Ik ga daar liggen, vierde van links. Terwijl ik daar lag, adviseerde iemand me om naar het ziekenhuis te gaan, omdat ik anders niet zou overleven. "Als ze je niet opnemen, ga je 'onder het gras'. Wanneer een Amerikaan voorbij komt en je ziet liegen, zorgt hij ervoor dat je wordt opgenomen. En zo ging ik. Met DDT poeder was ik luizenvrij. De luizen en ik kregen Amerikaanse babyvoeding! Dat was voor mij de bevrijding. Tijdens een nacht in het ziekenhuis wist ik: 'Als ik in slaap val, zal ik nooit meer wakker worden en zal ik niet kunnen getuigen van wat er met ons is gebeurd.' Ik vocht die nacht tot het uiterste tegen de slaap en daardoor heb ik het overleefd. '
Van begin maart tot en met april 11 heeft Hamburger niets te zeggen behalve dat hij 4 dagen doorbracht van Ordruf naar Buchenwald en dat hij op de foto was genomen op 16 april. Hij geeft niet de datum waarop hij in Buchenwald aankwam. Wat hij vertelt kan worden opgehaald uit een willekeurig aantal accounts van de periode. Kunnen we geloven dat hij zelfs in Buchenwald was? Waarom was hij in die kazerne # 56? Hoe lang was hij daar? Waarom moest "iemand" hem vertellen om 5 dagen nadat de Amerikanen arriveerden naar het ziekenhuis te gaan? Allemaal onwaarschijnlijk omdat hij een medische professional was.
Maar verder dan dit alles is het feit dat de figuur die hij zegt dat hij inderdaad een geretoucheerd exemplaar is van de figuur in de rij hierboven , de derde van links. Hij claimt geen enkele relatie met die persoon, die (onnauwkeurig) is geďdentificeerd door Yad Vashem Museum als Yehuda Doron of Yaakov Marton. Het is bewezen dat deze beroemde foto een composietfoto is, gemaakt door een Amerikaanse militaire inlichtingenafdeling om gebruikt te worden in de voortdurende propaganda-oorlog tegen Duitsland en Hitler's Derde Rijk, dus alles daarover is verdacht.
De rest van wat Hamburger in het interview zei, is niet van toepassing op de vragen die ik heb. Nogmaals, mijn belangrijkste vraag is: wanneer zei Max Hamburger voor het eerst dat hij op die foto zat? Zoals zoveel anderen was het niet bevrijd, noch in de jaren erna. In feite is er geen informatie die ik heb gevonden over wanneer dit heeft plaatsgevonden. Waarom? Omdat het recent moet zijn - te recent.
Afsluitende gedachten
In 1945 was Max 25 jaar. Hij schreef dat hij en de trouwe vrouw met wie hij trouwde toen hij 22 was ergens in of na 1957 gescheiden waren, en hij is nu bij zijn derde vrouw.
" Ik ben lange tijd psychiater geweest en heb veel oorlogsslachtoffers geholpen dankzij mijn eigen ervaringen. Totdat ik het me niet langer kon veroorloven om naar hen te luisteren. Helaas heb ik nooit een psychiater gevonden die me kon helpen . Ik betreur het dat ik een slechte partner was in de vorige huwelijken, maar dat kwam omdat ik in de greep was van het verleden dat ik had meegemaakt. Ik vind het vervelend als mensen eisen aan me stellen en ik boos kan worden. "
Ik wed dat hij zeker boos op me zou kunnen worden! Ik stel eisen aan Max Hamburger om de spaties in zijn verhaal over de 'holocaustoverlevende' in te vullen. Ik heb geen reden om aan het eerste deel van zijn verhaal te twijfelen, maar vanaf de aankomst van zijn en zijn moeder in Auschwitz is er veel te betwijfelen.
Hij is, van alle uiterlijkheden, een loyale Jood met het typisch Joodse verlangen om het "onrecht" dat zijn volk is aangedaan en de onderbreking en pijn in zijn eigen persoonlijke leven te wreken. Het vertellen van leugens om dit te bereiken is daarom niet verkeerd in zijn ogen. Een fout voor een fout is, voor Joden, een eerlijke ruil ... niets om je voor te schamen. Dit kan zelfs zijn hoe hij zijn patiënten raad gaf.

Max Hamburger in 2012 wijzend op zichzelf in de beroemde foto van Buchenwald Lie-beration uit 1945

 

 

 

 

 

 

 

Max Hamburger is de op de rug liggende man, vierde van links op de onderste bank. Elie Wiesel is in de tweede rij, zevende van links.

 

 


Mischa Hillesum

Michael (Mischa) Hillesum, (Winschoten, 22 september 1920 - Warschau, winter 1943-1944)was een veelbelovende Nederlandse pianist en componist. Hij werd in 1943 via Westerbork in Drenthe naar Auschwitz gedeporteerd. Door de ontberingen die hij als dwangarbeider moest ondergaan kwam hij om het leven.
Hillesums talent als pianist, maar zeker ook als componist, werd al vroeg als uitzonderlijk herkend. Hij is echter vooral bekend als de jongste broer van Etty Hillesum, de schrijfster van dagboeken en brieven die in de jaren tachtig in boekvorm werden uitgegeven. Van het gezin zou niemand de nazi-vervolging overleven.
Biografie
Hillesum verhuisde met zijn ouders, zus Esther (Etty) en broer Jacob (Jaap) in 1924 naar Deventer, waar vader Levi Jacob (Louis) Hillesum rector werd aan het Stedelijk Gymnasium. Moeder Rebecca (Rivka) Hillesum-Bernstein was een Russische vluchtelinge. Al op jonge leeftijd bleek dat Mischa een muzikaal talent had en was hij regelmatig achter de piano te vinden. Op 11-jarige leeftijd werd hij ondergebracht in een pleeggezin in Amsterdam om daar piano-onderricht te kunnen krijgen en het conservatorium te bezoeken. De bekende pianist George van Renesse gaf hem les en constateerde dat Mischa op twaalfjarige leeftijd het niveau had van een afgestudeerde aan het conservatorium. Hij was ook leerling aan het Vossius Gymnasium.
Mischa leed onder psychiatrische klachten, hij werd als psychotisch gediagnosticeerd. Meerdere malen werd hij voor behandeling opgenomen in de Joods psychiatrisch ziekenhuis Het Apeldoornsche Bosch waar hij onder meer met electroshocks werd behandeld. Ook hier trok hij de aandacht door zijn bijzondere pianospel. De electroshock-kuur ervoer hij als nadelig voor de kwaliteit van zijn muzikaal gevoel.
Na de inval van de Duitse bezetter was het voor Joodse kunstenaars al snel onmogelijk om op te treden in het openbaar. Bij mensen thuis werden privé-concerten gegeven, zogenaamde Zwarte avonden waar ook Hillesum regelmatig optrad. Zijn muzikale talent als pianist en componist werd door Willem Andriessen, directeur van het Amsterdams Conservatorium en Willem Mengelberg, chef-dirigent van het Concertgebouworkest, onderkend. Beide heren schreven een aanbevelingsbrief aan de bezetter met het verzoek hem te behouden voor de Nederlandse muziekcultuur. Het verzoek werd ingewilligd en de mogelijkheid bestond om als uitvloeisel van het Plan-Frederiks ondergebracht te worden op Landgoed Schaffelaar, een luxe interneringsoord op de Veluwe. Mischa verkoos het echter om bij zijn ouders te blijven en ging met hen mee het kamp in. Mogelijk heeft zijn kwetsbare geestelijke gesteldheid een rol gespeeld bij de overweging bij zijn ouders te blijven.
In de zomer van 1943 werd de familie Hillesum naar Kamp Westerbork gestuurd. Mischa kreeg daar een bevoorrechte positie, hij mocht licht werk doen in het badhuis en kon vaak een uur per dag piano spelen. In september 1943 diende zijn moeder een schriftelijk verzoek om bepaalde privileges in bij de SS'er Hanns Rauter. Deze was Generalkommissar für das Sicherheitswesen en de verantwoordelijke voor het oplossen van het 'Jodenprobleem' in Nederland. Hij reageerde woedend en gaf opdracht de familie Hillesum de volgende dag op transport naar Auschwitz te zetten. Daar aangekomen werden vader en moeder meteen vermoord in de gaskamer. Mischa werd op 8 oktober, enkele weken later, vanuit het kamp naar het concentratiekamp Warschau getransporteerd om als dwangarbeider puin te ruimen in het voormalige getto. De gruwelijke omstandigheden daar overleefde hij niet.
Composities
Van Hillesums muziek worden documenten bewaard in het Joods Historisch Museum. Er is muziek gepubliceerd en twee voltooide preludes zijn uitgevoerd en opgenomen. Tijdens onderzoek in het Joods Historisch Museum kwam journaliste Jet Schouten in de archieven een map tegen met daarin schetsen en uitgewerkte bladmuziek van Mischa Hillesum. Ze trof bewerkingen aan van bestaande Joodse muziek en twee oorspronkelijke preludes. Schouten liet de muziek aan musicoloog en componist Leo Samama zien die de kwaliteit uitzonderlijk vond. Leo Samama noemde Hillesum een ongeduldige, chaotische componist die moeite had de concentratie vast te houden. Beide preludes omschreef hij als energiek en virtuoos geschreven door een jonge componist "die zijn spierballen wil laten zien". De preludes doen denken aan Frédéric Chopin en Rachmaninov. Chopin was voor Hillesum zijn grote inspiratiebron.
In januari 2012, bij de presentatie van het boek over de ondergang van de familie Hillesum, zijn beide werken uitgevoerd.
Literatuur
Over zijn leven is een biografie geschreven, een toneelstuk en er is een documentaire gemaakt.
J.W. Regenhardt, Mischa's spel en de ondergang van familie Hillesum, uitgeverij Balans, 2012
George Isherwood, Mischa (toneelstuk gebaseerd op Mischa's Spel), 2012

Mischa Hillesum achter de piano in 1942

Mischa Hillesum achter de piano in 1942
Volledige naam Michael Hillesum
Geboren 22 september 1920
Overleden winter 1943-1944
Land Vlag van Nederland Nederland
Instrument piano
Leraren George van Renesse
Portaal Portaalicoon Muziek

 


Johnny & Jones

Johnny & Jones is de naam van het Amsterdamse jazz-duo Nol (Arnold Siméon) van Wesel (Johnny) (3 augustus 1918 - 20 maart 1945) en Max (Salomon Meyer) Kannewasser (Jones) (24 september 1916 - 15 april 1945).
Carričre
MENU0:49
Westerbork Serenade (1944)
MENU0:00
Wij slopen met muziek (1944)
Van Wesel en Kannewasser werkten beiden voor de Bijenkorf. In 1934 werden ze ontdekt, toen ze tijdens een personeelsfeest met het kwartet The Bijko Rhythm Stompers speelden. Twee jaar later gaven ze definitief hun baan op en begonnen met optredens onder de naam Johnny & Jones. Hun grootste hit werd Mijnheer Dinges weet niet wat swing is. Ze maakten jazzy liedjes begeleid op de gitaar, hun teksten, steevast met een Amerikaans accent uitgesproken, kenmerkten zich door humoristische parodieën op de actualiteit. Vanaf 1937 traden Johnny & Jones regelmatig op voor de VARA-radio en werden mateloos populair.
Tweede Wereldoorlog
Vanwege hun Joodse afkomst mochten Johnny & Jones tijdens de Duitse bezetting nog alleen voor Joods publiek optreden, en vanaf 1941 helemaal niet meer. In 1943 werden ze samen met hun echtgenotes opgepakt en naar doorvoerkamp Westerbork gebracht. Ze werden tewerkgesteld als slopers van neergestorte oorlogsvliegtuigen. Bij een vliegtuigdemontage bij Weesp hebben ze van de gelegenheid gebruik gemaakt om in Amsterdam nog zes liedjes op te nemen, waaronder de Westerbork serenade.
In het kamp traden ze nog slechts eenmaal op onder de naam Jonny und Jones, aangezien in de revue slechts de Duitse taal toegestaan was die ze nauwelijks machtig waren. Ze traden nog wel informeel op in het koffiehuis.
Op 4 september 1944 werden Johnny & Jones tijdens een van de laatste transporten uit Westerbork naar achtereenvolgens de kampen Theresienstadt, Auschwitz, Sachsenhausen, Ohrdruf en Bergen-Belsen gedeporteerd. Uiteindelijk stierven ze van uitputting in de laatste oorlogsdagen van 1945.
Discografie
Mijnheer Dinges weet niet wat swing is (single, 1938) (componist Joop de Leur, tekst Max Kannewasser), Metro-muziek
Westerbork Serenade (1944)
Maak het Donker in het Donker (2001, compilatie)
Two Kids and a Guitar, 1938-'40 (compilatie)
Johnny and Jones: Two Kids and a Guitar (album) (2010, compilatie)
Postuum[bewerken]
De VARA produceerde in 1983 de radiodocumentaire Johnny & Jones: een legende.In 2001 opende het Holland Festival met de premiere van de kameropera Johnny & Jones van De Nationale Opera in de stadsschouwburg van Amsterdam, dat de vraag centraal stelde of ze hadden kunnen onderduiken tijdens hun opname in Amsterdam.[4] De opera ging gepaard met een tentoonstelling over het duo in het Verzetsmuseum.Eveneens werd er in hetzelfde jaar een documentaire over de opera en het duo gemaakt

Prentbriefkaart uit 1938
Achtergrondinformatie
Ook bekend als Jonny und Jones, Johnny and Jones
Jaren actief 1934-1944
Oorsprong Amsterdam, Nederland
Genre(s) jazz, folk
Label(s) Nederlands Jazz Archief, Panachord, Granny's Records
Verwante acts The Bijko Rhythm Stompers
Oud-leden
Zang en gitaar Nol van Wesel (Johnny)
Zang en gitaar Max Kannewasser (Jones)
(en) Last.fm-profiel
Portaal Portaalicoon Muziek

 


Imre Kertész

Imre Kertész [ˈimrɛ ˈkɛrteːs]? (Boedapest, 9 november 1929 – aldaar, 31 maart 2016) was een Hongaarse schrijver. Hij overleefde de Holocaust en won de Nobelprijs voor Literatuur (2002).
Leven
Kertész werd in 1944 door de Duitse bezetter vanwege zijn Joodse afkomst naar het concentratiekamp Auschwitz afgevoerd, vervolgens naar het kamp Buchenwald en het kamp Tröglitz/Rehmsdorf bij Zeitz. Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma in 1948 werkte hij voor de kranten Világosság en Esti Budapest. In 1951 werkte hij een tijdje als fabrieksarbeider. Van 1951 tot 1953 was hij medewerker bij het Ministerie van Metallurgie en Werktuigindustrie. Vervolgens zat hij twee jaar in militaire dienst. Daarna werd hij beroepsschrijver en vertaler.
Werken
Aanvankelijk wilde men zijn boek Sorstalanság, dat de ervaringen beschrijft van een vijftienjarige jongen in bovengenoemde concentratiekampen, niet uitgeven, wegens vermeend gebrek aan niveau. Uiteindelijk kwam het in 1975 uit (vert. Henry Kammer: Onbepaald door het lot, 1995). Onder de naam Fateless is het boek verfilmd (2005, regisseur Lajos Koltai). Het boek vond in het begin geen grote weerklank. Kertész schreef over dit gebrek aan erkenning in A kudarc uit 1988 (vert. Henry Kammer: Het fiasco, 1998). In 1990 verscheen Kaddis a meg nem született gyermekért (vert. Kammer: Kaddisj voor een niet geboren kind, 1994). De drie genoemde boeken worden als een trilogie gezien. Andere prozawerken van Kertész zijn A nyomkereső uit 1977 (vert. Kammer: Sporenzoeker, 2004) en Az angol lobogó uit 1991. Een soort dagboek in romanvorm is Gályanapló van 1992 (vert. Kammer: Dagboek van een galeislaaf, 2003). Valaki más: a változás krónikája van 1997 bestaat uit aantekeningen uit de jaren 1991-1995. Zijn lezingen en essays zijn verzameld in A Holocaust mint kultúra uit 1993, in A gondolatnyi csend, amíg a kivégzőosztag újratölt (1998) en in A száműzött nyelv uit 2001. Zijn werken zijn in vele talen vertaald. Kertész' werk werd aanvankelijk niet erg erkend in Hongarije, waarop hij naar Berlijn verhuisde. Hij schreef nog wel steeds in het Hongaars en stuurde zijn manuscripten ook naar uitgevers in Hongarije.
Schrijverschap
In de werken van Kertész staat de Holocaust centraal. Hij zag Auschwitz, oftewel de meedogenloze vervolging van en moord op de Joden niet als een toevallige gebeurtenis, maar eerder als een gevolg van de ontmenselijking in de moderne tijd. Niet alleen het nationaalsocialisme, maar ook het communisme zag hij als totalitaire staatsvorm die tot vernedering van de mens leidt. De mens, die ervoor moet kiezen slachtoffer of dader te worden. Collaboratie en compromissen waren nodig om te overleven. Kertész was niet negatief over zijn periode in Auschwitz en Buchenwald. Tegen Newsweek zei hij ooit:"Ik beleefde mijn meest wezenlijke geluksmomenten in het concentratiekamp. Je kunt je niet indenken wat het betekent om in het kampziekenhuis te mogen liggen, of om tien minuten pauze te krijgen van onbeschrijflijke arbeid. Om zo dicht bij de dood te staan, is ook een soort geluk. Alleen al het overleven is de grootste vrijheid die je kunt beleven".
Overleden
In 2012 keerde hij om gezondheidsredenen vanuit Berlijn terug naar Boedapest. Hij overleed daar in 2016 op 86-jarige leeftijd.
In het Nederlands vertaalde werken
Kaddisj voor een niet geboren kind. Henry Kammer, 1994. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Onbepaald door het lot. Henry Kammer, 1995. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Het fiasco. Henry Kammer, 1999. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Ik, de ander. Henry Kammer, 2001. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Dagboek van een galeislaaf. Henry Kammer, 2003. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Sporenzoeker. Henry Kammer, 2004. Uitgever Van Gennep, Amsterdam.
Liquidatie. Mari Alföldy, 2004. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
(Met Péter Esterházy:) Een verhaal, twee verhalen. Robert Kellermann en Henry Kammer, 2004. Uitgever De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen.
De verbannen taal. Mari Alföldy, 2005. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
De samenzwering. Henry Kammer, 2005. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.
Dossier K. Een onderzoek. Mari Alföldy, 2007. Uitgever De Bezige Bij, Amsterdam.

Imre Kertész in Szeged (2007)

Imre Kertész in Szeged (2007)
Algemene informatie
Geboren 9 november 1929, Boedapest
Overleden 31 maart 2016, Boedapest
Land Vlag van Hongarije Hongarije
Werk
Jaren actief 1975-2015
Portaal Portaalicoon Literatuur

 


David Koker

David Koker (Amsterdam, 27 november 1921 – Groß-Rosen/Dachau, 23 februari 1945[1]) was een (aankomend) Nederlands-Joods dichter en vertaler, schrijver van het kampdagboek Dagboek geschreven in Vught en slachtoffer van de Holocaust. David Koker was geďnteresseerd in het jodendom; hij was niet-gelovig, werd zionist, leerde Hebreeuws, vertaalde psalmen en — samen met Jozeph Melkman (pseudoniem van Jozeph Michman) — moderne Hebreeuwse poëzie.
Biografie

David Koker werd geboren in Amsterdam als zoon van de juwelenontwerper en bedrijfsleider van een juwelengrossier Jesaja Koker en Judith Koker-Presser. Hij had een broer, Max Koker. Hij bezocht het Amsterdamse Vossius Gymnasium, waar hij les kreeg van onder anderen D.A.M. Binnendijk en Jacques Presser en nauw bevriend raakte met Karel van het Reve. Enige tijd zat hij in de redactie van het schoolblad Vulpes en daarnaast gaf hij met enkele vrienden de illegale schoolkrant De ventilator uit, die vooral was gewijd aan literaire onderwerpen. De vrienden ontvingen een brief van Willem Frederik Hermans - leerling van het Barlaeus Gymnasium - die geestdriftig was over dit illegale initiatief. Een gedicht van David Koker dat in Vulpes was verschenen werd opgemerkt door Jeanne van Schaik-Willing. Dit had tot gevolg dat David Koker Menno ter Braak bezocht op de redactie van Het Vaderland. In 1939 gingen Van het Reve en David Koker beiden sociografie studeren, maar ze stopten hiermee in mei 1940. David Koker ging vervolgens geschiedenis studeren. Eind september 1942 ontving hij een brief van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek dat hij geen examens meer mocht afleggen.
Deportatie Tweede Wereldoorlog
De niet-ondergedoken familie Koker werd in de nacht van 11 op 12 februari 1943 opgepakt en vervolgens naar Kamp Vught gebracht.Hier bleven ze tot juni 1944. Daarna werden ze naar Auschwitz gedeporteerd. Omdat ze tot de zogenaamde 'Philips-Joden' behoorden, werden ze niet vergast, maar tewerkgesteld in Reichenau in Neder-Silezië (Kamp Langenbilau, dat behoorde bij Groß-Rosen). Davids vader stierf daar. David werd ziek en ging mee met een ziekentransport van Groß-Rosen naar Dachau. Dit transport heeft hij niet overleefd. Zijn moeder en zijn broer zijn na de oorlog naar Nederland teruggekeerd.
Dagboek geschreven in Vught
Het kampdagboek dat hij bijhield in Vught werd in delen uit het kamp gesmokkeld en bewaard door zijn vrienden in Amsterdam. Het is in 1977 uitgegeven, bezorgd en ingeleid door Karel van het Reve. Het manuscript bevindt zich in de collectie van het NIOD. In het Letterkundig Museum te Den Haag bevindt zich een Dossier David Koker met brieven van en aan David Koker.
In 2012 verscheen de Engelse vertaling: At the Edge of the Abyss: A Concentration Camp Diary, 1943-1944 bij Northwestern University Press. Kokers dagboek was in 2012 finalist voor de Jewish Book Award in de categorie 'Holocaust'.
Citaat
Onderstaand gedicht van David Koker is overgenomen uit Karel van het Reves 'Inleiding' tot Dagboek geschreven in Vught, Amsterdam: G.A. van Oorschot 1977, p.14.
"Wat of de wereld is weet iedereen,
daarover hoef ik hier geen woord te zeggen,
aangezien hier geen filosofen zijn,
wien men die dingen altijd uit moet leggen.
De wereld wordt verdeeld in goed en kwaad
en ook in levende en dode zaken.
Als men u over God iets wijs wil maken,
dan zegt ge maar, dat die niet meer bestaat.
Dit is een kort begrip der werkelijkheid,
voldoende om in 't vervolg de weg te weten.
Twee dingen nog, ik zou ze haast vergeten:
Als men wil blijven leven, moet men eten
en menigeen, die naar een meisje vrijt
heeft van tevoren angst, erna vaak spijt." 
Publicaties
D. Koker en J. Melkman, Modern-Hebreeuwse poëzie (bevat origineel met vertaling), Amsterdam: Joachimsthal 1941
Dagboek geschreven in Vught (bezorgd en ingeleid door Karel van het Reve), Amsterdam: G.A. van Oorschot 1977

Afbeeldingsresultaat voor David Koker

David Koker
Geboren David Koker 27 november 1921 Amsterdam , Nederland

Ging dood 23 februari 1945 (23 jaar) Groß-Rosen / Dachau Duitsland

Nationaliteit Nederlands
Bezetting Student
Notes
Hij schreef een dagboek tijdens zijn verblijf in Kamp Vught

 


Yisrael Kristal

Yisrael Kristal (geboren Izrael Icek Kryształ ; Hebreeuws : ישראל קרישטל ; 15 september 1903 - 11 augustus, 2017) was een Pools-Israëlische supercentenarian , erkend als de oudste levende overlevende van de Holocaust en na de dood van Yasutaro Koide op 19 januari 2016 , was de oudste levende man ter wereld evenals een van de tien oudste mannen ooit .

Geboren door religieuze ouders in Polen, toen onderdeel van het Russische rijk, bleef Kristal zijn hele leven religieus observerend. 

Een banketbakker van beroep, hij heeft de Eerste Wereldoorlog als kind en de Tweede Wereldoorlog als volwassene ervaren . Na het overleven van de Holocaust emigreerde hij naar Israël .

Kristal werd 's werelds oudste erkende overlevende van de Holocaust in 2014 en' s werelds oudste man in 2016.

Vroege leven

Kristal werd geboren in een religieuze Joodse familie in Maleniec, Końskie in de buurt van Żarnów , toen onderdeel van het Congres Polen van het Russische Rijk , op 15 september 1903. Zijn vader was een Torah- geleerde die ervoor zorgde dat zijn zoon een godsdienstige opleiding volgde, en Kristal zou Blijf heel zijn leven religieus observerend. Hij ging op driejarige leeftijd naar een cheder , waar hij Judaďsme en Hebreeuws studeerde . Hij leerde de Hebreeuwse Bijbel om vier uur en de Misjna om zes uur. In een interview in 2012 herinnerde hij zich dat zijn vader hem om vijf uur 's nachts wakker maakte om zijn religieuze instructie te beginnen. 

Zijn moeder stierf in 1910 toen hij 7 jaar oud was. Nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914, zag hij Kaiser Franz Joseph in eigen persoon toen de vorst door zijn stad reed in een auto en herinnerde hij hen dat hij snoepjes gooide terwijl hij passeerde. Zijn vader werd opgeroepen tot het imperiale Russische leger en stierf kort daarna. Ondertussen ging Kristal wonen bij zijn ooms.

In 1920 verhuisde hij op 17-jarige leeftijd naar Łódź . Na korte tijd als metaalarbeider te hebben gewerkt, opende hij een snoepwinkel met een oom. Aanvankelijk werkte hij als een fysieke arbeider, maar later werd hij een gerenommeerd expert snoepjesmaker. Hij trouwde in 1928 met Chaja Feige Frucht en kreeg twee kinderen.

Holocaust overleving 
In 1940, nadat de Duitsers Polen hadden overgenomen tijdens de Tweede Wereldoorlog , bleef Kristal suikergoed produceren, soms in het geheim en op andere momenten met de aanmoediging van de hoofden van het getto, waaronder het hoofd van de Łódź Ghetto Judenrat Chaim Rumkowski . Zijn twee kinderen stierven in het getto, terwijl Kristal en zijn vrouw werden gedeporteerd naar het concentratiekamp Auschwitz tijdens de liquidatie van het getto in augustus 1944.

Kristal's vrouw stierf in Auschwitz terwijl hij werkte als een dwangarbeider en overleefde. Toen het kamp werd bevrijd door het Rode Leger , woog Kristal 82 pond (37 kg). Hij werd naar het ziekenhuis gebracht, waar hij terugkeerde naar zijn beroep en snoep maakte voor Sovjet-soldaten, voordat hij terugkeerde naar Łódź, waar hij zijn verwoeste snoepwinkel herbouwde en zijn tweede vrouw, Batsheva, ontmoette. Ze trouwden in 1947. Het echtpaar kreeg een zoon, Chaim, die in Polen werd geboren, en een dochter, Shula, die in Israël werd geboren. 

Leven in Israël 
In 1950 emigreerde de familie naar Israël op het schip Komemiyut en vestigde zich in Haifa . Hij werkte aanvankelijk bij de Palata snoepfabriek, waar hij werd beschouwd als een expert en leerde de eigenaren om een ​​hele productielijn van snoep te maken. Hij werd toen zelfstandige, maakte thuis snoep en verkocht het in een Haifa- kiosk. Onder de zoetigheden hij geproduceerd waren klein liquor flacons chocolade verpakt in gekleurde folie, jam gemaakt van johannesbrood en chocolade bedekte sinaasappelschillen. In 1952 begon hij zijn snoep te produceren in de Sar and Kristal Factory op Shivat Zion Street. Nadat de fabriek in 1970 werd gesloten, keerde hij terug naar het maken van zijn snoepjes thuis voordat hij met pensioen ging. 

Kristal had negen kleinkinderen. Hij had ook achterkleinkinderen, maar zijn familie gaf er de voorkeur aan niet zijn exacte aantal nakomelingen te vermelden uit angst voor het ' boze oog '.

Na de dood van Alice Herz-Sommer in Londen op 23 februari 2014 werd Kristal erkend als 's werelds oudste bekende overlevende van de Holocaust (hoewel hij eigenlijk ouder was dan zij).
Hij werd 's werelds oudste levende man op 18 januari 2016, na de dood van de Japanse supercentenarian Yasutaro Koide . 

Op 11 maart 2016 werd Kristal officieel erkend als 's werelds oudste man door Guinness World Records . Zijn status werd geverifieerd nadat documenten die zijn leeftijd bewezen ongedekt waren in Polen (vroeger was het oudste document van de familie afkomstig van zijn huwelijk op 25-jarige leeftijd, maar de Guinness-voorschriften vereisen documentatie uit de eerste 20 jaar van iemands leven om het record te claimen; documenten werden ontdekt door Jewish Records Indexing - Poland).

Omdat ze dit op 13-jarige leeftijd niet had kunnen doen vanwege de Eerste Wereldoorlog, vierde Kristal zijn bar mitswa een eeuw later, in september 2016, op de leeftijd van 113 jaar. Op 11 augustus 2017 , Kristal stierf in zijn huis in Haifa op de leeftijd van 113 jaar en 330 dagen.

Yisrael Kristal (bijgesneden) .jpg

Kristal in september 2016
Geboren Izrael Icek Krysztal 15 september 1903 Maleniec, Końskie County , Congress Poland , Russian Empire

Ging dood 11 augustus 2017 
(leeftijd van 113 jaar, 330 dagen)
Haifa , Israel
Nationaliteit Israëlisch
Bezetting Zakenman
Bekend om Oudste levende man
(19 januari 2016 - 11 augustus 2017) 
Oudste overlevende van de holocaust
Partner (s) 
Chaje Feige Frucht (huwde 1928, 2 kinderen, zij en de kinderen stierven in de Holocaust)
Batsheva Kristal (gehuwd met 1947, 2 kinderen)

Kristals naam en geboortedatum op een record uit 1918

 


Bernhard Weiss

Bernhard Weiss (Berlijn, 30 juli 1880 – Londen, 29 juli 1951) was een Duitse jurist en politiefunctionaris. Hij was van 1927 tot 1932 de vicecommissaris bij de Berlijnse politie en had het in deze functie vaak aan de stok met de opkomende Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Hij werd vooral vanwege zijn Joodse afkomst een mikpunt van spot en vluchtte een paar dagen voor de machtsovername van de nazi's naar het buitenland.
Levensloop
Weiss groeide op in een liberaal-Joods gezin. Hij studeerde rechten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij mee in het Duitse leger en bracht het tot de rang van kapitein. Voor zijn inzet kreeg hij het IJzeren Kruis (Eerste klasse). Tijdens de oorlog verloor hij een broer die in het gevecht omkwam.
De jurist was actief binnen de Joodse gemeenschap. Zo was Weiss bestuurslid van het Rabbijnse seminarie en actief binnen een mensenrechtenorganisatie die opkwam voor de belangen van de Duitse Joden, maar tegelijkertijd streefde naar een goede integratie van de Joodse gemeenschap in de Duitse maatschappij.
Weiss stond tevens bekend als een uitstekend jurist, voordat hij toetrad tot de Berlijnse politie. In 1918 werd hij benoemd tot tweede man van de Berlijnse Kriminalpolizei. In 1925 werd hij benoemd tot het hoofd van deze dienst. Weer twee jaar later werd hij de tweede man in rang van de gehele Berlijnse politie. Weiss was tevens lid van de Deutsche Demokratische Partei. Hij speelde een belangrijke rol in de na de Eerste Wereldoorlog nieuw gevormde Weimar Republiek. De democratie stond onder druk vanuit zowel linkse (communisten) als rechte hoek (nazi's). Zo werd Walter Rathenau, een Joodse industrialist en politicus in 1922 vermoord. Als minister van Buitenlandse Zaken had hij twee maanden eerder het Verdrag van Rapallo getekend. Weiss was nauw betrokken bij de opsporing van de daders. Ook leverde hij het bewijs van staatsondermijnende activiteiten van een handelsdelegatie afkomstig uit de Sovjet-Unie.
Weiss verbood in 1927 de Berlijnse afdeling van de NSDAP, omdat partijleden regelmatig gewelddadig waren naar andersdenkenden. In hetzelfde jaar arresteerde hij vijfhonderd nazi's die met de trein terugkwamen van een partijbijeenkomst in Neurenberg vanwege het lidmaatschap van een illegale organisatie. Door zijn optreden werd Weiss het doelwit van Joseph Goebbels, op dat moment gauleiter van de Nazipartij in Berlijn. Goebbels gaf de krant Der Angriff uit en was zeer antisemitisch in zijn uitlatingen. Hij gaf Weiss de bijnaam Isidor. Isidor was een Joodse naam en werd door Goebbels gebruikt om te suggereren dat Weiss zijn voornaam had verduitst. Weiss werd – in negatieve zin – neergezet als stereotype Jood en werd afgeschilderd als een laf, achterbaks en lachwekkend figuur, die bovendien symbool stond voor de Joodse hegemonie in het "systeem". Op zijn beurt klaagde Weiss Goebbels aan vanwege laster.[1] Hij won de rechtszaak, maar Goebbels trok zich weinig aan van de veroordeling. Uiteindelijk klaagde Weiss hem meer dan veertig keer aan. Goebbels kreeg meerdere malen hoge boetes opgelegd.
Onder druk van de NSDAP onthief rijkskanselier Franz von Papen Weiss in 1932 uit zijn functie. Een paar dagen voordat Adolf Hitler aan de macht kwam (januari 1933) kreeg de politie van Berlijn de opdracht hun oud-collega te arresteren. Op het moment dat de politie zijn huis bezocht was hij met zijn dochter Hilda bij familie op bezoek. Daar werd hij in de kolenkelder verstopt om ontdekking te voorkomen. Met behulp van een vriend bereikte hij Tsjecho-Slowakije. Zijn vrouw reisde hem achterna. De Duitse regering ontnam hem zijn staatsburgerschap en nam zijn vermogen in beslag.[2]
Weiss belandde uiteindelijk in Groot-Brittannië. Daar begon hij een kantoorwinkel. Kort nadat hij in 1951 zijn Duitse paspoort had terug gekregen overleed hij aan kanker. Zijn vrouw Lotte keerde terug naar Berlijn waar ze een jaar later overleed. Een plein bij het Station Berlin Friedrichstraße en een plein vlak bij de Alexanderplatz in het centrum van Berlijn zijn naar Weiss vernoemd.

Weiss in 1930
Algemeen
Geboortedatum 30 juli 1880
Sterfdatum 29 juli 1951
Geslacht man
Geboorteplaats Berlijn
Plaats van overlijden Londen
Functie
Organisatie Berlijnse politie
Portaal Tweede Wereldoorlog
 

 


Zoni Weisz

Zoni Weisz (geboren als Johannes Weisz, roepnaam Johan) (Den Haag, 4 maart 1937) is een Nederlandse Sinto, overlevende van de Holocaust en bloemist.
Leven
Weisz is het oudste kind van Jacoba en Johannes Weisz. Johannes Weisz was een muzikant en instrumentmaker, die ook een muziekwinkel dreef in Zutphen. Hij had twee zusters en een broer.
Toen op 16 mei 1944 in Nederland razzia’s plaatsvonden die gericht waren tegen de Sinti en Roma werden Johannes Weisz en zijn gezin naar het doorgangskamp Westerbork gebracht.
Doordat Zoni Weisz was ondergedoken bij een tante in een dorp buiten de stad, kon hij aanvankelijk aan arrestatie ontkomen. Korte tijd later werd hij ontdekt en zou met de overige familie naar het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau worden gedeporteerd. Omdat op 19 april 1944 de met Zigeunertransport aangeduide deportatietrein met 245 Nederlandse Sinti en Roma al op weg was naar Auschwitz, werd besloten dat zij moesten worden overgebracht naar Assen om daar bij zijn familie in de deportatietrein te worden gevoegd.
Dankzij de hulp van een Nederlandse politieman die mogelijk deel uitmaakte van het verzet, lukte het Weisz met het gezin van zijn tante te ontsnappen in een andere trein, terwijl zijn familie werd gedeporteerd naar Auschwitz. Zijn vader werd vermoord in het concentratiekamp Mittelbau-Dora, zijn moeder, zusjes en broertje in Auschwitz-Birkenau. Weisz en zijn overgebleven familie verborgen zich in het bos en werden vervolgens bij boeren ondergebracht. Ten slotte bereikte Weisz zijn grootouders, waar hij bleef tot het einde van de oorlog.
Weisz ging na de oorlog weer naar school en voltooide zijn opleiding. Hij werkte vervolgens bij een bloemist en bezocht daarna de tuinbouwschool. Weisz kreeg een stageplaats op Paleis Het Loo. Na zijn opleiding ging hij voor twee jaar in militaire dienst in Suriname. Na zijn terugkeer werkte Weisz bij de bekende Nederlandse bloemenhandelaar Georg Kiersch in Amsterdam en studeerde hij tuin- en landschapsarchitectuur en kunstgeschiedenis.
In 1958 nam Weisz het bedrijf van Kiersch over. Met tentoonstellingen werd hij internationaal bekend, in Nederland werd hij een toonaangevend bloemist. Weisz kreeg een vermelding in het Guinness Book of Records voor het grootste bloemstuk ter wereld.
Weisz werkte voor de Nederlandse koninklijke familie en maakte onder andere de bloemversieringen bij de inauguratie van Koningin Beatrix en het huwelijk van Prins Willem-Alexander. Hij was actief als een vertegenwoordiger van de Nederlandse bloemenindustrie.
Publicatie
In 2016 verscheen de autobiografie "Zoni: De vergeten holocaust. Mijn leven als Sinto, ondernemer en overlevende. ISBN 9789021020259
Inzet voor de nagedachtenis van de slachtoffers van het nationaalsocialisme
Weisz is lid van het Nederlands Auschwitz Comité en van het Internationaal Auschwitz Comité en hij houdt met tal van activiteiten de herinnering aan de Holocaust levend. In januari 2007 was hij de belangrijkste spreker bij de opening van de tentoonstelling The Holocaust against the Roma and Sinti and present-day racism in Europe in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York.
Weisz is jurylid voor de toekenning van de Europese Burgerrechtenprijs van de Sinti en Roma.
Op 27 januari 2011 was Weisz de eerste vertegenwoordiger van de Sinti en Roma die de Duitse Bondsdag toesprak, in nagedachtenis aan de bevrijding van Auschwitz. In de toespraak beschreef Weisz zijn ervaringen. 
Onderscheiding
Koningin Beatrix benoemde Zoni Weisz tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Hij ontving de onderscheiding voor zijn inzet voor de Nederlandse bloemenindustrie en zijn inzet voor de Sinti en Roma.

Zoni Weisz (1983)

Zoni Weisz (1983)
Algemene informatie
Volledige naam Johannes Weisz
Geboren Den Haag, 4 maart 1937
Nationaliteit Nederlands
Beroep Bloemist
Bekend van Inzet voor de nagedachtenis van de slachtoffers van het nationaalsocialisme

1-Kampgevangene in Auschwitz

1---2