Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Japans militair in de Tweede Wereldoorlog

Sadao Araki

Sadao Araki (荒木 貞夫 Araki Sadao, 26 mei 1877 - 2 november 1966) was een generaal in het Japans Keizerlijk Leger voor de Tweede Wereldoorlog. Op politiek vlak werd hij als de leider van de ultranationalistische Keizerlijke partij, beter gekend als de Kodoha, beschouwd. Zijn tegenhanger binnen de Duitse nazi's was Alfred Rosenberg, waar hij ook vaak mee vergeleken werd. Hij was minister van Oorlog gedurende het Inukai en het Saito kabinet. Later was hij actief als minister van Onderwijs gedurende het Konoe en het Hiranuma kabinet. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij berecht voor zijn oorlogsmisdaden. Hij werd veroordeelt tot een levenslange gevangenisstraf, maar werd later vrijgelaten ten gevolgen van zijn slechte gezondheid.
Vroege carriŤre
Legerdienst

Araki werd geboren in Komae, Tokio op 26 mei 1877. Zijn vader was een ex-samoerai knecht van de Tokugawa familie, meer bepaald van de Hitotsubashi familietak.
Araki studeerde in november 1897 af aan de Japanse Keizerlijke Militaire Academie. In juni van het volgende jaar ontving hij de rang van tweede luitenant. Hij werd in november 1900 gepromoveerd tot eerste luitenant en in juni 1904 tot kapitein.
Tijdens de Russisch-Japanse Oorlog was Araki commandant van het 1ste Keizerlijke Regiment. Na de oorlog studeerde Araki af aan het Army Staff College als de top van de klas. Nadat hij afgestudeerd was werkte hij in april 1908 in dienst van de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger.
Hij werd in november 1909 gepromoveerd tot majoor en deed vanaf november 1909 tot mei 1913 dienst als language officier[1], gestationeerd in Rusland. Hier was hij tijdens de Eerste Wereldoorlog actief als militair attachť in Sint-Petersburg.
In augustus 1915 kreeg hij de rang van luitenant-kolonel en werd hij tot november 1918 als stafofficier toegewezen aan het Harbin Agentschap voor Speciale Diensten van het Kwantung leger in Mantsjoerije.
Op 24 juli 1918 werd Araki gepromoveerd tot kolonel. Hij was vanaf dan tot 1 november 1918 gebonden aan de Kanto prefectuur. Nadien was hij actief als stafofficier in de Expeditionary Army Headquarters in Vladivostok tijdens de Siberische interventie tegen het Bolshevik Rode leger tot 25 juli 1919. Twee dagen later nam hij zijn nieuwe functie op als commandant van het 23ste infanterie regiment. Dit deed hij tot 01 april 1921, waarna hij aan de slag ging als hoofd van de 4de Sectie, 2de Bureau van de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger. Deze Sectie was de militaire inlichtingendienst dat betrekking had op Europa en Amerika.
Hier was hij actief tot 17 maart 1923, wanneer hij gepromoveerd werd tot majoor-generaal. Daarnaast werd hij aangesteld als commandant van de 8ste infanterie brigade, waar hij actief was tot 9 januari 1924.
Daarna was hij actief als hoofd van de militaire politie tot 1 mei 1925. Waarna hij terugkeerde naar de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger als hoofd van de 1ste Sectie. Tijdens deze periode ontving hij op 26 juli 1927 de rang van luitenant-generaal. Hier was hij actief tot 10 augustus 1928.
Nadien werd hij benoemd tot commandant van het Oorlogs College tot 1 augustus 1929. Vanaf dan was hij de bevelhebber van de 6de divisie als generaal officier.
Precies twee jaar later werd hij aangesteld als ťťn van de meest prestigieuze posten binnen het leger, Inspectie-generaal van Militaire Training. Deze functie beoefende hij tot 9 januari 1932, nadat hij op 13 december 1931 als minister van Oorlog werd aangesteld.
Op 20 oktober 1933 werd hij gepromoveerd tot generaal. Hij ontving na zijn functie als minister van Oorlog op 26 december 1935 de titel van baron.
Het oktober incident
Het Oktober incident was een mislukte poging op een staatsgreep in Japan. De getrachte staatsgreep vond plaats op 21 oktober 1931. Deze werd uitgevoerd door de Sakurakai, gesteund door Araki, binnen het Japans Keizerlijk Leger. Ook kon deze getrachte staatsgreep steun vinden bij groepen van ultranationalistische burgers.
Er zou een nieuw kabinet gevormd worden onder Araki, die momenteel dienst deed als Inspectie-generaal van Militaire Training, als zowel eerste minister als ook minister van Oorlog. Deze nieuwe regering zou dan alle politieke partijen verbannen en hun grip op het pas veroverde Mantsjoerije versterken.
Maar tijdens de staatsgreep waren er jonge officieren die besloten hadden om er niet mee door te gaan. Daarnaast waren er plannen van de staatsgreep gelekt waardoor Araki ingeroepen werd om de situatie onder controle te brengen. Het was de bedoeling van de tegenstanders van Araki binnen de regering om hem naar voor te brengen als de leider van de staatsgreep. Maar Araki was een doortrapte politicus en een zeer goede spreker, waardoor hij ongeschonden uit het incident kwam. De straf die de medeplichtigen opgedragen kregen waren echter zeer mild.
Minister van Oorlog
Nadat het beslissende bewijs was geleverd van de corruptie tussen de politieke partijen en de grote bedrijven[2], was eerste minister Tsuyoshi Inukai genoodzaakt om Araki op 13 december 1931 aan te stellen als minister van Oorlog om zo zijn eigen positie te kunnen behouden. Araki was namelijk geliefd in het leger, voornamelijk bij de jonge officieren. Araki was de eerste minister van Oorlog sinds het Mantsjoerije incident.
Kodo
Tijdens zijn ambtstermijn als minister van Oorlog, was Araki diegene die verantwoordelijk was voor het verspreiden en populariseren van de kodo ideologie of de Keizerlijke weg. Daarnaast was hij ook een voorstander van bushido, de weg van de krijger. In de ogen van Araki waren de kokutai en de kodo ideologie hetzelfde. De kodo ideologie hield in dat de superioriteit van Japan over de andere landen te danken was aan de unieke relatie die het volk had met de troon. Toen Araki in de vroege jaren 1920 commandant was benadrukte hij het belang van de kodo ideologie al reeds in de opleiding van de soldaten. In het leger was het de gewoonte om kodo op te leggen aan de soldaten om hen zo bewust te maken dat ze deel uitmaakten van het Japans Keizerlijk Leger, meer bepaald het leger van de Keizer.
Dankzij zijn benoeming tot minister van Oorlog kon Araki door middel van vele toespraken de kodo ideologie verkondigen. Dit deed hij door het voor te stellen als een allesomvattende, keizer-gecentreerde en als gevolg foutloze ideologie.
Voor Araki was de Keizerlijke weg de oorsprong van alles dat Japans en dus goed was. Hij was van mening dat de Japanse bevolking haar geestelijke puurheid moest doen herleven, om zo moeilijkheden te kunnen doorstaan en nationale doelen te verwezelijken.
Kodoha
Nagata Tetsuzan leider van de Toseiha en belangrijkste tegenstander van Araki en de Kodoha.
Araki was ťťn van de oprichters van de Kodoha of de ultranationalistische Keizerlijke partij. Dit was een politieke partij in het Japans Keizerlijk Leger.[3] De partij was actief in de jaren 1920 en 1930. De meeste aanhangers van de partij waren jonge officieren die een militaire overheid wouden vestigen waarbij totalitarisme, militarisme en expansionisme gepromoot werden. De belangrijkste tegenstander van deze partij was de Toseiha of de controle partij. De voornaamste tegenstander van Araki binnen deze partij was Tetsuzan Nagata.
Tijdens zijn jaren als minister van Oorlog had de Kodoha de bovenhand in het leger. Araki kon door deze functie uit te oefenen zijn ideeŽn en beleid invoeren. Hij zorgde ervoor dat posten binnen het leger opgevuld werden door officieren van de toenmalige Tosa en Saga prefecturen. Daarnaast werd er ook een agressieve houding aangenomen tegenover de Sovjet-Unie. De ultranationalistische manier van denken zorgden ervoor dat hun expansie verantwoord was, doordat ze van mening waren dat ze superieur waren. Ook had hij een voorkeur voor geestelijke indoctrinatie in plaats van technologische modernisering in de opleiding van het leger. Araki steunde ook groepen jonge radicale officieren die trachten om de Showa Restoratie te realiseren. Hij was dan ook zeer populair bij de jonge officieren.
Hokushin-ron
Araki was binnen het leger een aanhanger van het Hokushin-ron of ze werden ook wel de Strike North Group genoemd. Deze groep wou een aanval op SiberiŽ en het gebied in het oosten van de Sovjet-Unie realiseren. Tijdens het jaar 1932 en in het begin van 1933 werd hij beschouwd als de enige Japanse leider die in kon gaan tegen Keizer Hirohito. Er waren vele die hem ondanks hun onderlinge verschillen steunden. Araki was tegen Keizer Hirohito's Nanshin-ron of Strike-South ambities. Hij zag hier namelijk een mogelijke oorlog met de Verenigde Staten uit voortvloeien die Japan niet zou kunnen winnen. Om Japan te redden stelde hij een oorlog voor die minder risicovol was, namelijk deze met de Sovjet-Unie. Een belangrijke stap voor de Hokushin-ron was de overname van Mantsjoerije.
Mantsjoerije
Mantsjoerije was volgens Araki een belangrijke factor om de kodo ideologie te verkondigen. Tegelijkertijd was het ook een manier om de problemen van Japan omtrent de bevolking en de zware industrie te helpen oplossen. Daarnaast had Mantsjoerije ook een hoge strategische waarde, waardoor het dus voor Japan als geheel zeer belangrijk was.
Een vertrouweling van Araki, Shigeru Honjo, was tijdens de verovering van Mantsjoerije de bevelhebber van het Kwantung leger. Maar dit leger alleen was niet sterk genoeg, waardoor Araki geregeld had dat een andere vertrouweling van hem, Senjuro Hayashi, zou helpen. Hayashi, die gestationeerd was in Korea, verplaatsten zijn troepen naar Mantsjoerije. En dankzij hun gebundelde krachten waren ze succesvol in de verovering van Mantsjoerije.
Een map van de wereld tussen 1920 en 1945 waarop te zien is welke landen bij de Volkenbond aangesloten waren. Hierop is te zien dat Japan de Volkenbond verlaten had.
Ten gevolgen van de bezetting van Mantsjoerije had de Volkenbond de Commissie-Lytton in 1931 de taak opgelegd om de situatie omtrent het Mantsjoerije-incident te bepalen. Deze kwam tot de conclusie dat de acties van het Japans Keizerlijk Leger niet beschouwd konden worden als een manier van zelfverdediging.[4] Als gevolg weigerde de Volkenbond om de nieuwe staat Mantsjoekwo te herkennen.[5] De vertegenwoordiger van Japan, die de mening van Araki vertegenwoordigde, ging hierop in beroep. Deze was van mening dat het beschouwen van Japan als aanvallers tegen hun bestaan zou zijn. De overname van Mantsjoerije was volgens Japan nodig om de vrede in het verre oosten te bewaren. En indien de Volkenbond de staat niet zou herkennen er consequenties zouden volgen. Hiermee dreigde hij met de terugtrekking van Japan als lid van de Volkenbond.
In een speech van Araki op 25 december 1932 verklaarde hij dat het Kwantung leger elk deel van de provincie Jehol[6] mocht bezetten om hun flank te versterken. Hierdoor begon het Kwantung leger met de overname van de provincie en op 4 maart 1933 was deze onder hun controle. De Volkenbond was hier niet tevreden mee en wou de staat niet herkennen. Als gevolg trok Japan zich terug op 27 maart 1933 als lid van de Volkenbond.
De Sovjet-Unie
Araki's vijandigheid tegenover de Sovjet-Unie was professioneel en diep. Hij had van 1909 tot 1913 als majoor in het Japans Keizerlijk Leger in Rusland gediend. Nadat hij "Das Kapital"[7] had gelezen, begon hij zich te verzetten tegen het gevaar van het bolsjewisme. Hij was ervan overtuigd dat Keizer Hirohito het gevaar van het marxisme niet herkende en had meerdere malen geprobeerd de Keizer hierop attent te maken. Maar Hirohito luisterde enkel naar de toenmalige minister van FinanciŽn, Takahashi Korekiyo. Volgens deze kon het bolsjewisme in Rusland niet blijven bestaan eens dat er zware industrie ontwikkeld zou worden en wanneer er nood zou zijn aan kapitalistische complexiteiten. Daarnaast was Keizer Hirohito ervan overtuigd dat het shintoÔsme superieur was tegenover het bolsjewisme. Naast het Communisme verafschuwden Araki en de meeste Japanners ook het traditionele Russische Expansionisme.
Araki was ervan overtuigd dat de Sovjet-Unie zich aan het voorbereiden was op een oorlog met Japan. Om dit tegen te gaan had hij een vredesakkoord onderhandeld tussen het Kwantung leger en de Chinese autoriteiten. Daarnaast had hij een noodbeleidsplan ingevoerd dat ervoor zou zorgen dat de sterkte van Japan zou toenemen in een periode van twee jaar. Het plan bestond hoofdzakelijk uit twee componenten. Als eerste had hij bevolen dat er binnen het leger een radicale herstructurering van de middelen en het mobilisatieplan moest gebeuren. Het was niet langer de bedoeling om de Japanse economie te richten op lange termijn, maar op korte termijn. Zo kon Japan zich voorbereiden op een oorlog met Rusland tegen 1936.[8] In juni 1933 had Araki de belangrijkste officiers in het leger bijeengeroepen. Iedereen was ervan overtuigd dat Sovjet-Unie het meeste gevaar vormde voor de veiligheid van Japan, maar men kwam niet overeen hoe hier best mee om te gaan. Araki stelde een plan voor om het Japanse leger in Mantsjoerije te versterken, de grens te verstevigen, de spoorwegen uit te breiden en een toename van het budget voor het leger te realiseren.
Araki's voornaamste tegenstander Nagata was tegen deze plannen en werd nadien net zoals de medestanders van Nagata gedegradeerd.
Het plan werd in september 1933 voorgelegd aan het kabinet. Hij begon met de bewering dat Japan tegen 1936 een internationale crisis zal ondergaan. En dat zijn plan aanvaard moest worden zodat er zowel op uitwendig als inwendig vlak maatregelen getroffen konden worden om dit tegen te gaan. Uitwendig zouden ze de verdediging van Mantsjoerije versterken. Daarnaast zouden ze ervoor moeten zorgen dat de Sovjet-Unie zijn bondgenoten verliest en dat er een buffer gecreŽerd zou worden in het noorden van China. Op inwendig vlak zou de overheid ideologische en onderwijshervormingen moeten doorvoeren om zo het moraal van de bevolking te versterken. Ook zou er geldsteun komen voor de boeren, zodat er genoeg voedsel in het eigen land geteeld kon worden. En als laatste zou er onmiddellijk gestart moeten worden met het produceren van brandstof. Araki hield zich niet in en vroeg of er plannen opgesteld konden worden voor de financiŽn tijdens de jaren van oorlog.
Ondanks dat Araki de voorkeur had voor geestelijke indoctrinatie in plaats van technologische modernisering was hij geen primitieveling. Maar er waren twee redenen waarom hij ideologie en onderwijs belangrijker vond dan mobilisatie, dat door Nagata voorgesteld werd. Als eerste was hij niet overtuigd dat Japan kon concurreren met een krachtige tegenstander op gebied van oorlogsmateriaal. Ten tweede had Araki zijn bedenkingen over de tussenkomst van het leger in de burgerlijke economie, waardoor hij vreesde dat niet militaire burgers zich op hun beurt gingen mengen in militaire zaken.
Het 15 mei incident
Het leger had berichten onderschept waarin vermeld werd dat Inukai in het geheim met de Chinezen aan het onderhandelen was over de terugtrekking van het leger in Shanghai. Araki en zijn aanhangers daarentegen waren het niet met hem eens. Ze begonnen samen te zweren om Inukai te verwijderen en hem te vervangen. Op 15 mei 1932 vond er een poging plaats tot een staatsgreep. Tijdens het 15 mei incident werd eerste minister Inukai doodgeschoten.
Het Saito kabinet, met vanonder in het midden Saito Makoto en daarachter Sadao Araki in zijn legeruniform.
In tegenstelling tot Araki's tegenhanger in de zeemacht, voelde hij zich niet verplicht om ontslag te nemen voor zijn deelname in de moord op Inukai. Hij bleef in het nieuwe Saito kabinet zijn functie als minister van Oorlog uitvoeren.
Ontslag
Araki was nu ook eerste minister in alles,behalve naam. Hij verloor geen tijd en probeerde het land de Keizerlijke weg in te sturen. Zijn eerste prioriteit was het realiseren van een stijging in het militaire budget, om zo de toekomstige oorlog met de Sovjet-Unie te financieren. En bij elke kabinetsvergadering stelden hij steeds nieuwe eisen.
Door zijn steeds toenemende eisen ontstond er een enorm budgettekort. Hierdoor kwam van alle kanten druk om Araki te verwijderen. Op 23 december 1933 werd de nieuwe kroonprins Akihito, huidige Keizer van Japan, geboren. Hierdoor werden de plannen om Keizer Hirohito te vervangen door zijn broer[9] geruÔneerd. Een maand later, op 23 januari 1934, nam hij ontslag als minister van Oorlog als gevolg van zijn slechte gezondheid.
Lid van de Opperste Krijgsraad van Japan
Het 26 februari incident[bewerken]
Vanaf 23 januari 1934 was hij actief in de Opperste Krijgsraad. Ook hier had Araki enorm veel gezag samen met andere Hokushin-ron aanhangers. Op 26 februari 1936 nam er een nieuwe poging tot een staatsgreep plaats. Dit werd het 26 februari incident genoemd. De organisatoren van de staatsgreep waren jonge officieren binnen het Japans Keizerlijk Leger die verbonden waren aan de Kodoha. De reden voor deze staatsgreep was het feit dat Keizer Hirohito omringd werd door mensen die zijn gezag ondermijnden en de Keizerlijke Wil gebruikten om de krijgsmacht voor hun eigen doelen te gebruiken.
Gevolgen van de mislukte staatsgreep
Ondanks dat het gelukt was om enkele leidinggevende ambtenaren te vermoorden, was de staatsgreep mislukt. Door de enorme tegenstand moesten de rebellen zich overgeven. En in tegenstelling tot vorige mislukte pogingen tot een staatsgreep werden de deelnemende officieren zwaar gestraft. De Kodoha verloor hun invloed in het leger. Araki werd als gevolg samen met andere generaals die banden hadden met de Kodoha op 10 maart 1936 uit zijn actieve dienst ontheven.
Minister van Onderwijs
Ondanks Araki's geforceerde pensioen was men nog altijd goedgunstig gezind over hem. Araki's invloed heeft op geen enkel moment opgehouden met het beÔnvloeden van ontwikkelingen. Hij was na zijn ontslag actief in de staatsraad tussen 15 oktober 1937 en 26 mei 1938. Nadat er verhalen de ronde deden over de gruwelpraktijken die zich afgespeeld hadden in Nanking was het moeilijk om de controle over deze verhalen te controleren. Om ervoor te zorgen dat deze verhalen geen onrust veroorzaakte werd Araki ingeschakeld. Hij kreeg een nieuwe functie binnen het Konoe kabinet, deze van minister van Onderwijs.
Hervormingen
Hij was verantwoordelijk voor de opleiding van de jongeren. Hij voerde onmiddellijk hervormingen in in het onderwijs. Het onderwijs ging zich meer toelichten op een morele opleiding en minder op een intellectuele opleiding. Deze manier van opleiden leek erg op de kodo ideologie die hij voordien toepaste op de opleiding van soldaten. Daarnaast moest hij er ook voor zorgen dat het steeds dalende niveau van de gezondheid en de lichamelijke fitheid van de opgeroepen nieuwe rekruten verbeterd werd. Zelfs na de opvolging van Konoe bleef Araki actief in het Hiranuma kabinet tot 30 augustus 1939. Waarna hij terugkeerde naar de staatsraad, waar hij actief was tussen 20 januari 1940 en 22 juli 1940.
Na de Tweede Wereldoorlog
Het proces van Tokio

Klasse A oorlogscriminelen op de bus, met Araki vooraan aan de binnenkant links.
Na de Tweede Wereldoorlog werd Araki gearresteerd door de Amerikaanse bezettingsautoriteiten. Hij werd berecht tijdens het Proces van Tokio. Hier werd hij beschuldigd van klasse A oorlogsmisdaden, wat inhield dat hij als hoog gerankte persoon beslissingen had genomen waardoor hij medeplichtig was aan het starten en het voeren van oorlog. Hij werd schuldig bevonden aan agressieve oorlogsvoering. Dit deed hij door jonge mannen aan te zetten tot geweld, door materiaal te mobiliseren voor de oorlog, door toespraken te geven en de pers te controleren om zo de Japanse bevolking aan te zetten tot oorlog. Hij werd levenslang opgesloten in de gevangenis van Sugamo als straf. In 1947 werd hij uit zijn erfelijke adelstand ontheven. In juni 1955 werd hij echter vrijgelaten op basis van medische redenen.
Latere jaren
Nadat hij vrij gekomen was heeft hij zich teruggetrokken. Op 26 februari 1965 heeft hij als hoofdspreker deelgenomen aan een rechtse bijeenkomst waar ook andere personen van zijn tijd, van zowel uit het leger als de politiek, aanwezig waren. Araki is op 2 november 1966 op 89 jarige leeftijd gestorven. Hij ligt begraven op het kerkhof van Tama te Fuchu, Tokio.
Onderscheidingen
Orde van de Heilige Schatten, der Eerste klasse
Orde van de Gouden Wouw
Orde van de Rijzende Zon, der Eerste klasse
Orde van Sint-Vladimir, der Vierde Klasse in 1916
Orde van Sint-Anna, der Tweede Klasse met Zwaarden in 1917
Baron op 26 december 1935
Russisch-Japanse Oorlogsmedaille 1904-1905
Commandanten insigne
Badge voor Afgestudeerden van Army Staff College
Groot Oostelijke-Aziatische Oorlogsmedaille

Sadao Araki.jpg

Bijnaam "Baron Araki"
"De tijger van Japan"
Geboren 26 mei 1877
Komae, Tokio, Japan
Overleden 2 november 1966 (89 jaar)
Totsukawa, Nara, Japan
Begraven Fuchu, Tokio, Japan
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1898 - 1936
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg Generaal
(陸軍大将 Rikugun-Taisho)
Eenheid Kanto-leger
Leiding over 1e Keizerlijke regiment
23e Infanterie regiment
4e Sectie, 2e Bureau van de Generale Staf van het JKL
8e Infanterie regiment
23e Infanterie brigade
Militaire politie
1e Sectie van de Generale Staf van het JKL
Oorlogs College
6e Divisie
Inspectie van militaire training
Slagen/oorlogen Russisch-Japanse Oorlog
Siberische interventie
Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog

Sadao Araki op de cover van Time Magazine, 1933.

 

 

 

 

Een map van de wereld tussen 1920 en 1945 waarop te zien is welke landen bij de Volkenbond aangesloten waren. Hierop is te zien dat Japan de Volkenbond verlaten had.

 

 

 

 

 

Het Saito kabinet, met vanonder in het midden Saito Makoto en daarachter Sadao Araki in zijn legeruniform

 

 

 

 

Nagata Tetsuzan leider van de Toseiha en belangrijkste tegenstander van Araki en de Kodoha.

 


Minoru Genda

Minoru Genda (源田 実, Genda Minoru) (Hiroshima, 16 augustus 1904 - Matsuyama, 15 augustus 1989) was een Japanse piloot en politicus. Hij was ťťn van de strategen van de aanval op Pearl Harbor.
Vroege leven
Minoru Genda was de tweede zoon van een boer. Zijn twee broers waren afgestudeerd aan de Universiteit van Tokio, een andere broer studeerde af aan de Medische faculteit van Chiba en zijn jongste broer begon aan de Japanse Keizerlijke Militaire academie (陸軍士官学校, Rikugun Shikan Gakkō). Na te zijn afgestudeerd aan de Middelbare school van Hiroshima, begon Genda in 1924 aan de Japanse Keizerlijke Marine academie (海軍兵学校, Kaigun Heigakkō) met als doel piloot te worden. In 1929 studeerde hij af als eerste van zijn klas.
Officier in de Japanse Keizerlijke Marine
In de daaropvolgende zes jaar voerde Genda verschillende luchtopdrachten uit. Hij begon naam te maken binnen de marine en tijdens de jaren 1930 leidde hij een divisie dubbeldekkers rond het land, om stunts en demonstraties uit te voeren. Het werd ďGendaís vliegende circusĒ genoemd. Dit maakte deel uit van een pr-campagne om de Luchtmacht van de Japanse Keizerlijke Marine te promoten.
Genda was ťťn van de eerste marineofficieren ter wereld die de mogelijkheden van het gebruik van vliegdekschepen inzag. In de jaren dertig was het vliegdekschip nog een nieuw en ongetest gevechtswapen. De meeste marinestrategen van zijn tijd wilden de vliegdekschepen gebruiken onder de vorm van een enkel vliegdekschip dat vijandelijke doelen bombardeerde of als luchtbescherming voor de vloot tegen vijandelijke bommenwerpers. Genda wilde echter meerdere vliegdekschepen tegelijk laten samenwerken om zo massale luchtaanvallen uit te voeren.
Genda adviseerde de Japanse militaire leiders om te stoppen met het bouwen van slagschepen en zich te concentreren op de bouw van vliegdekschepen, onderzeeŽrs en snelle kruisers en torpedobootjagers. Genda was er bovenal van overtuigd dat een geavanceerde en grote marinevloot nodig was indien Japan ooit met de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ of Nederland in oorlog zou komen.
Pearl Harbor en de Tweede Wereldoorlog
Het aanvalsplan dat uiteindelijk werd gebruikt voor de aanval op Pearl Harbor door de Japanse admiraal Isoroku Yamamoto, was grotendeels het werk van Genda, met belangrijke bijdragen van derden. Yamamoto had in 1933 met Genda kennisgemaakt toen Genda op het vliegdekschip Ryujo diende. Het plan van Yamamoto was oorspronkelijk om een aanval op Pearl Harbor uit te voeren vanaf een afstand van 800 tot 960 kilometer. In zijn plan zouden terugkerende vliegtuigen zich in de oceaan voor de kust van Oahu storten en de piloten zouden worden opgepikt door torpedobootjagers en onderzeeŽrs. Yamamoto concentreerde zich in zijn plan op het vernietigen van de United States Pacific Fleet en het tot zinken brengen van zo veel mogelijk slagschepen. De meeste Amerikanen en Japanners geloofden in het begin van 1941 nog steeds dat slagschepen de krachtigste wapens van de oorlog waren. Het zinken van een aantal van deze slagschepen, zou een grote slag betekenen voor de vijand.
Yamamoto ontmoette Genda in februari 1941 en stelde hem zijn plan voor. Genda was het sterk oneens met een dergelijke aanval. Genda had reeds in 1934 plannen gemaakt voor een aanval op Pearl Harbor. Hij had die toen samen met Takijiro Onishi besproken. Genda benadrukte aan Yamamoto dat ďgeheimhouding de sleutel is en de verrassingsaanval de allerbelangrijkste factorĒ. Genda voelde het als zijn roeping om de moeilijke, maar niet onmogelijke taak op zich te nemen en begon te werken aan de details van het aanvalsplan. Genda was verantwoordelijk voor een groot deel van de training, met name het aanleren van de nieuwe technieken van het gebruik van torpedo's in ondiep water, het effectief gebruik van hoogtebommen vanuit tactische vliegtuigen en het coŲrdineren van meerdere vliegdekschepen tegelijk.
26 maart 1942. Genda diende aan boord van het vliegdekschip Akagi als stafofficier bij de 1e Luchtvloot onder het bevel van viceadmiraal Chuichi Nagumo tot dit schip tot zinken werd gebracht in de Slag bij Midway.
De verrassingsaanval op Pearl Harbor resulteerde in Japanse tactische overwinning, met twaalf zinkende Amerikaanse gevechtsschepen en met meer dan 180 vernietigde Amerikaanse vliegtuigen. De Japanse vloot zelf verloor geen schepen en in totaal gingen er slechts 29 vliegtuigen verloren. In de volgende zes maanden van de Pacifische oorlog doorkruisten de vliegdekschepen van de Japanse Keizerlijke Marine de Stille en de Indische oceaan waarbij zij zeer veel schade toebrachten aan de geallieerden. Er kwam pas een einde aan deze fase van de Pacifische oorlog toen bij de Slag bij Midway vier van de zes vliegdekschepen van Japan tot zinken werden gebracht. De Pacifische oorlog duurde nadien nog meer dan drie jaar.
Genda diende in de Japanse Keizerlijke Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog en vocht persoonlijk mee in vele gevechten. Hij was een gewaardeerde marinevlieger en jachtpiloot met meer dan drieduizend vlieguren. Aan het einde van de oorlog richtte hij een Japanse elite luchteenheid op (de 343 Kokutai) als alternatief voor de Kamikaze-eenheden. Genda geloofde tot aan het eind van de oorlog, dat de Japanse piloten in staat waren de strijd aan te gaan met ervaren Amerikaanse piloten indien de Japanse piloten goed getraind waren en goede vliegtuigen hadden.
Genda was ervan overtuigd dat de Kawanishi N1K2-J Shiden-Kai (geallieerde codenaam: ďGeorgeĒ) evenwaardig was aan de Amerikaanse F6F Hellcat en de F4U Corsair. Zijn eenheid behaalde enkele successen in de strijd tegen de Amerikaanse vliegtuigen. Genda beschreef zijn ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog in een autobiografie.
Naoorlogse activiteiten en het Lockheed-schandaal
Na zijn dienst in de Tweede Wereldoorlog kwam Gendaís militaire carriŤre voorlopig ten einde. De Keizerlijke Marine was officieel opgedoekt in 1945. In tegenstelling tot vele andere militairen, die na het einde van de oorlog ernstige economische moeilijkheden ondervonden, had Genda het geluk ondersteund te worden door een rijke zakenman. Toen Japan zich begon te ďherbewapenenĒ in de jaren 1950 sloot Genda zich opnieuw aan bij het leger. Hij keerde in 1954 terug in dienst bij de nieuwe luchtmacht van Japen, de Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen. Hij verwierf de rang van generaal en werd chef van de Generale Staf. Genda testte in deze periode ook Lockheed-straaljagers in de Verenigde Staten. In de late jaren 1950 was Genda, als vice-stafchef van de Japanse Luchtmacht, betrokken bij de politieke beroering die ontstond over de aanwerving van de opvolger van de F-86 Sabre, die toen gebruikt werd door de luchtmacht. De luchtmacht en het toenmalige Japanse Defensie Agentschap (防衛庁, Bōei-chō) wilden de Grumman F-11 Super Tiger, maar stevig lobbyen door Lockheed en zelfs omkoperij zorgde ervoor dat er gekozen werd voor de Lockheed F-104 Starfighter. Lockheed betaalde steekpenningen via de Yakuza-leider Yoshio Kodama aan belangrijke LDP-politici zoals de Minister van FinanciŽn, Eisaku Sato en aan Ichiro Kono, de voorzitter van de Seimu Chōsakai (自由民主党政務調査会, Jiyū-Minshutō Seimu Chōsakai), het belangrijkste interne orgaan van de LDP. Genda werkte als de stroman van Sato. Hij bekritiseerde openlijk het ontwerp van de Grumman-straaljager.
In augustus 1959 werd Genda, met de steun van Eisaku Sato, de nieuwe stafchef van de Luchtmacht. In zijn functie rondde hij de aankoop van de Lockheed F-104 af. Nadat hij met pensioen was gegaan bij de luchtmacht in 1962 zat hij nog twintig jaar in de politiek. Hij zetelde van 1962 tot 1986 in het Hogerhuis voor de Sato-factie van de Liberaal-Democratische Partij. Hij was tevens een belangrijk lid van de afdeling Defensie van de Seimu Chōsakai. Genda stierf op 15 augustus 1989, exact 44 jaar nadat Japan zich had overgegeven (VJ dag) in de Tweede Wereldoorlog. Hij was getrouwd en had drie kinderen.
Invloed op de media
In 1970 is de film Tora! Tora! Tora! uitgekomen, waar Tatsuya Mihashi de rol van Genda speelde als technisch adviseur. Cary-Hiroyuki Taga speelde de rol van Genda in Pearl Harbor (2001). Acteur Robert Ito speelde de rol van Genda in 1976 in de film Midway. Alternatieve-geschiedenis schrijver Harry Turtledove gebruikte Genda als de primaire Japanse protagonist in zijn fictieve beleving van een invasie van Oahu volgens de Pearl Harbor aanval in zijn boeken ďDays of InfamyĒ en ďEnd of the BeginningĒ. Hij is ťťn van de belangrijkste figuren in ďPearl Harbor: A Novel of December 8thĒ, geschreven door historicus/schrijver William R. Forstchen en politicus/historicus/schrijver Newt Gingrich.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (少尉 Shōi), Japanse Keizerlijke Leger:
Eerste luitenant (中尉 Chūi), Japanse Keizerlijke Leger: 1940
Kapitein (大尉 Taii), Japanse Keizerlijke Leger: 1944
Majoor (3等空佐), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen:
Luitenant-kolonel (2等空佐), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen:
Kolonel (1等空佐), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen:
Generaal-majoor (少将 Shōshō), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen: 1954
Luitenant-generaal (空将), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen:
Generaal (統合・航空幕僚長たる空将), Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen: 1959
Decoratie[bewerken]
Commandeur in het Legioen van Verdienste in 1962
Orde van de Heilige Schatten, der Tweede Klasse in 1974
Orde van de Rijzende Zon, der Tweede Klasse in 1981

Minoru Genda.jpg

Geboren 16 augustus 1904
Hiroshima, Hiroshima (prefectuur), Japans Keizerrijk
Overleden 15 augustus 1989
Matsuyama, Japan
Begraven Onbekend
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Flag of Japan.svg Japan
Onderdeel Generale Staf van de Japanse Keizerlijke Marine, Hoofdofficier op de Zuikaku, Stafofficier bij de 1e Luchtvloot, Commandant van eenheid 343 van de Luchtmacht van de Japanse Keizerlijke Marine, Stafchef van de Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen)
Dienstjaren 1924 Ė 1945 (Japanse Keizerlijke Marine)
1954 - 1962 (Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen)
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大尉.svg Kapitein (大尉 Taii) (Japanse Keizerlijke Marine)
帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg Generaal
(大将 taishō) (Luchtmacht van de Japanse Zelfverdedigingstroepen)
Leiding over Stafchef van de Japanse Zelfverdedigingstroepen
(1959-1962)
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Pacifische oorlog
Aanval op Pearl Harbor
Slag bij Midway
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Zakenman
Lid van de Liberaal-Democratische Partij van Japan (1962-1986)

 

26 maart 1942. Genda diende aan boord van het vliegdekschip Akagi als stafofficier bij de 1e Luchtvloot onder het bevel van viceadmiraal Chuichi Nagumo tot dit schip tot zinken werd gebracht in de Slag bij Midway.

 


Masaharu Homma

Masaharu Homma (本間雅晴, Honma Masaharu; Sado, Japan, 27 november 1887 - Los BaŮos, Filipijnen, 3 april 1946), was de Japanse luitenant-generaal (陸軍中将, Rikugun Chūjō) die aan het hoofd stond van de Veertiende Legergroep van het Japanse Keizerlijke Leger. Hij werd belast met de verovering van de Filipijnen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was in 1942 verantwoordelijk voor de Dodenmars van Bataan die duizenden Amerikaanse soldaten moesten lopen. De soldaten werden gedwongen tot deze tocht nadat de Amerikanen zich overgaven in de Filipijnen. De meeste soldaten stierven onderweg aan malaria, darmontsteking en gebrek aan water en voedsel. Wie niet meer verder kon werd ter plekke neergeschoten. Door het opzetten van deze tocht kreeg Homma de bijnaam Beest van Bataan. Na de oorlog werd Homma op zijn beurt gevangengenomen en geŽxecuteerd door de Amerikanen.


Generaal Masahara Homma, Japanse commandant tijdens de Dodenmars van Bataan, in de gevangenis, alvorens te worden berecht door het internationaal militair tribunaal voor het verre oosten.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (少尉 Shōi), Japanse Keizerlijke Leger: mei 1907
Eerste luitenant (中尉 Chūi), Japanse Keizerlijke Leger: november 1907
Kapitein (大尉 Taii), Japanse Keizerlijke Leger: 1915
Majoor (少佐 Shōsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1922
Luitenant-kolonel (中佐 Chūsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1926
Kolonel (大佐 Taisa), Japanse Keizerlijke Leger: 1 augustus 1930
Generaal-majoor (少将 Shōshō), Japanse Keizerlijke Leger: 1 augustus 1935
Luitenant-generaal (中将 Chūjō), Japanse Keizerlijke Leger: 15 juli 1938
Decoraties[bewerken]
Grootlint in de Orde van de Rijzende Zon op 29 april 1940
Military Cross
Orde van Verdienste van de Duitse Adelaar op 18 januari 1940

Homma Masaharu in 1943

Homma Masaharu in 1943
Bijnaam "Beest van Bataan"
Geboren 27 november 1887
Sado
Overleden 3 april 1946
Los BaŮos, Filipijnen
Begraven Yasukuni-schrijn, Chiyoda, Tokio, Japan
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1907 - 1943
Luitenant-generaal

 


Hitoshi Imamura

Hitoshi Imamura (今村均, Imamura Hitoshi; Sendai, 28 juni 1886 - 4 oktober 1968) was een Japans militair. Hij bracht het tot generaal en commandeerde de 5e Divisie, het 23e Leger, het 16e Leger en de 8e Legergroep. Hitoshi Imamura vocht in de Tweede Chinees-Japanse Oorlog, tegen Nederland en de geallieerden in Nederlands-IndiŽ en Nieuw-Guinea en op de Salomonseilanden.
De zoon van een rechter koos voor een militaire loopbaan in de Japanse landmacht. Hij verliet in 1907 als luitenant de militaire academie ((陸軍士官学校, Rikugun Shikan Gakkō) en trad in 1915 als kapitein toe tot de Generale Staf (参謀本部, Sanbō Honbu). Hij werd in 1918 militair attachť in Londen en in 1927 militair attachť in Brits-IndiŽ.
Na 1930 was hij als kolonel verbonden aan het hoofdkwartier in Tokio.
In 1932 werd hij ingezet aan het front in China[1]. In 1935 werd hij generaal-majoor en plaatsvervangend Chef-Staf van het Kanto-leger in Mantsjoerije. In 1936 werd hij commandant van de Legerschool.
In 1938 werd luitenant-generaal Imamura bevelhebber van de 5e divisie aan het Chinese front. In 1940 werd hij inspecteur-generaal van de Militaire Training, een van de invloedrijkste posities in het Japanse Keizerlijk leger. In deze functie bereidde hij de aanvallen op Nederlands-IndiŽ, het Britse Rijk en de Verenigde Staten voor. Daarna kreeg hij het commando van het 23e Leger.
In november 1941, kort voor de aanval op Pearl Harbor werd luitenant-generaal Imamura commandant van het 16e leger dat de opdracht had Nederlands-IndiŽ en de voor Japan onmisbare oliebronnen op Borneo te veroveren. Zijn transportschip de Ryujo-maru werd in de Straat van Soenda getorpedeerd maar hij kon zijn leven redden door naar een eiland te zwemmen.
In 1942 nam hij het gezag van de Gouverneur-Generaal van Nederlands-IndiŽ over. Zijn hoofdkwartier was niet in Batavia maar in Rabaul op het eiland Nieuw-BrittanniŽ voor de kust van Nieuw-Guinea. Zijn "ongewoon milde" behandeling van de IndonesiŽrs wekte wrevel in Tokio en bij zijn eigen staf maar het maakte het de Japanners gemakkelijk om het grote eilandenrijk te besturen [2].
In 1943 werd Hitoshi Imamura bevorderd tot generaal. Met vice-admiraal Jinichi Kusaka gaf hij zich en de Japanse strijdkrachten in september 1945 in Rabaul over aan de AustraliŽrs.
Zijn troepen hadden zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden zoals de executie van geallieerde krijgsgevangenen. Hij moest voor een Australisch militair tribunaal terechtstaan en werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij werd in 1954 uit de Sugamo-gevangenis, in Tokio,vrijgelaten[3] [4].
Het zwaard van Imamura bevindt zich in de vaste tentoonstelling te Bronbeek.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (少尉 Shōi), Japanse Keizerlijke Leger: 26 december 1907
Eerste luitenant (中尉 Chūi), Japanse Keizerlijke Leger: november 1910
Kapitein (大尉 Taii), Japanse Keizerlijke Leger: april 1917
Majoor (少佐 Shōsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1922
Luitenant-kolonel (中佐 Chūsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1926
Kolonel (大佐 Taisa), Japanse Keizerlijke Leger: 1 augustus 1930
Generaal-majoor (少将 Shōshō), Japanse Keizerlijke Leger: 15 maart 1935
Luitenant-generaal (中将 Chūjō), Japanse Keizerlijke Leger: maart 1938
Generaal (大将 Taishō), Japanse Keizerlijke Leger: 1 mei 1943
Decoratie
Commandeur in de Orde van de Rijzende Zon
Badge voor Afgestudeerden van Leger Staf College
Groot Oostelijke-Aziatische Oorlogsmedaille
Commandanten insigne
1937 China Incident medaille

Hitoshi Imamura met het versiersel van een Commandeur in de Orde van de Rijzende Zon

Hitoshi Imamura met het versiersel van een Commandeur in de Orde van de Rijzende Zon
Geboren 28 juni 1886
Sendai, Miyagi, Japans Keizerrijk
Overleden 4 oktober 1968
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1907 Ė 1945
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg Generaal
(大将 Taishō)
Leiding over 5e Divisie
23e Leger
16e Leger
8e Legergroep
Slagen/oorlogen Shanghai-incident
Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
Pacifische oorlog
Slag om de Salomonseilanden
Nederlands-Nieuw-Guinea campagne
Slag in de Straat van Soenda

 


Tadamichi Kuribayashi

Tadamichi Kuribayashi (栗林忠道 Kuribayashi Tadamichi) (Nagano prefectuur, 7 juli 1891 - Iwo Jima, circa 26 maart 1945), was een generaal in het Japans Keizerlijk Leger. Hij is vooral bekend om zijn rol als commandant van de Japanse troepen op het eiland Iwo Jima in de Tweede Wereldoorlog
Leven voor de oorlog
Tadamichi Kuribayashi werd geboren in de prefectuur Nagano, in de regio Chubu.[5] Hij was de vijfde generatie van een familie van samoerai die zes keizers had gediend en hij droeg deze traditie met trots en volle toewijding.
Ondanks zijn ambities om journalist te worden, werd hij overtuigd door zijn leerkrachten om deel te worden van het Japans Keizerlijk Leger. In 1911 studeerde hij af aan de hogeschool te Nagano, waarna hij drie jaar een opleiding onderging aan de Japanse Keizerlijke Militaire Academie. Hij specialiseerde zich in ruiterij en zette deze discipline voort aan de cavalerieschool tot in 1918. In 1923 studeerde hij met grote onderscheiding af aan de Militaire Academie en kreeg hierbij een militair sabel, uitgereikt door keizer Taisho, omwille van zijn uitmuntende resultaten.
In 1928 werd hij vervangend militair attachť bij de Japanse ambassade in Washington D.C. De daaropvolgende twee jaar heeft hij vooral Amerika doorgereisd en zijn tijd gestoken in observaties en onderzoeken naar de Amerikaanse industriŽle ontwikkelingen. Verder was dit een gelegenheid om zijn Engels te oefenen in regio's als Buffalo, New York en de Amerikaanse Militaire Ruiterschool in Fort Bliss, Texas, waar hij de belangrijke tactieken van cavalerie leerde.
Kuribayashi was getrouwd met Yoshii Kuribayashi en had drie kinderen. Hij was enorm toegewijd aan zijn familie en allesbehalve tevreden dat het Japans beleid niet toeliet zijn vrouw en zoon mee te laten gaan naar Amerika. Regelmatig schreef hij hen brieven met gedetailleerde beschrijvingen van plaatsen die hij had gezien en mensen die hij had ontmoet.
Na een korte terugkeer naar Tokio werd hij gepromoveerd naar de rang van majoor en kreeg hij in 1931 de status van Eerste Japanse Militair Attachť in Canada. Twee jaar later werd hij luitenant-kolonel en lid van het bureau militaire zaken van het oorlogsministerie.
Tweede Wereldoorlog
In december 1941 kreeg Kuribayashi de functie van stafchef van het 23e leger van Japan tijdens de Invasie van Hong Kong en werd twee jaar nadien aangewezen als luitenant-generaal en commandant van de 2e Keizerlijke Garde.
In 1944 werd hij uitgekozen door keizer Hirohito en premier Hideki Tojo om de strategische verdediging van de Bonin-eilanden, waaronder Iwo Jima en Chichi Jima uit te stippelen. Hij moest zich vooral concentreren op het eiland Iwo Jima dat een belangrijke strategische ligging had. Bewust dat dit geen simpele taak zou worden en er heel wat druk op zijn schouders werd gelegd, vertrok hij op 8 juni naar Iwo Jima. Voordat Kuribayashi overvloog naar Iwo Jima, kreeg hij de eer om Hirohito persoonlijk te begroeten, die hem de boodschap meegaf dat de Amerikanen koste wat kost gestopt moesten worden. Deze ontmoeting was zelfs voor een samoerai een zeer zeldzame gebeurtenis. Omwille van zijn training, discipline en trouw aan de keizer was Hirohito ervan overtuigd dat Kuribayashi de juiste man was om Japan te redden van schande, invasie en een nederlaag. Op Iwo Jima was hij de commandant van de Ogasawara Legergroep, die vooral bestond uit militairen van de 109e divisie.
Slag om Iwo Jima
1rightarrow blue.svg Zie Landing op Iwo Jima voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Dood[bewerken]
Bij de slag om Iwo Jima overleefden slechts 214 van de ruim 21.000 Japanners die deelnamen aan de strijd. Ook Tadamichi Kuribayashi stierf, maar de manier waarop is onbekend. Zijn lichaam is nooit gevonden.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (少尉 Shōi), Japanse Keizerlijke Leger: mei 1911
Eerste luitenant (中尉 Chūi), Japanse Keizerlijke Leger: juli 1918
Kapitein (大尉 Taii), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1923
Majoor (少佐 Shōsa), Japanse Keizerlijke Leger: maart 1930
Luitenant-kolonel (中佐 Shūsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1933
Kolonel (大佐 Taisa), Japanse Keizerlijke Leger: 2 augustus 1937
Generaal-majoor (少将 Shōshō), Japanse Keizerlijke Leger: 9 maart 1940
Luitenant-generaal (中将 Chūjō), Japanse Keizerlijke Leger: 10 juni 1943
Generaal (大将 Taishō), Japanse Keizerlijke Leger: 17 maart 1945 (Postuum)
Onderscheidingen[bewerken]
Grootlint van de Orde van de Rijzende Zon in 1967 (Postuum)
Orde van de Rijzende Zon met Gouden en Zilveren Ster
Orde van de Rijzende Zon met Gouden Ster en Cravatte
Grootlint van de Orde van de Heilige Schatten
Orde van de Heilige Schat, 1e Klasse
Orde van de Heilige Schat, 2e Klasse

Tadamichi Kuribayashi

Tadamichi Kuribayashi
Geboren Nagano prefectuur
7 juli 1891
Overleden 26 maart 1945
Iwo Jima, Bonin-eilanden, Japan
Begraven Yasukuni-schrijn, Chiyoda, Tokio, Japan
Japanse Oorlogsbegraafplaats
Iwo Jima[2][3]
Land/partij Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japans Keizerlijk Leger
Dienstjaren 1911 Ė 1945
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg Generaal
(大将 Taishō) (Postuum)[4]
Eenheid Cavalerie
Leiding over 1e Cavalerie Brigade (Japanse Keizerlijke Leger)
2e Guards Divisie (Japanse Keizerlijke Leger)
109e Divisie (Japanse Keizerlijke Leger)
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Slag om Hong Kong
Landing op Iwo Jima
Onderscheidingen Zie onderscheidingen
Ander werk Militair attachť in Washington D.C. (1928)

 


Jinichi Kusaka

Jinichi Kusaka ((草鹿 任 uitgesproken als "Kusaka Jin'ichi", (7 december 1888 - 24 augustus 1972) was een Japans militair en zeeman. Hij was een jaar lang commandant van het slagschip Fuso. In september 1945 gaf hij als viceadmiraal en bevelhebber van de zeestrijdkrachten in Rabaul zichzelf en zijn vloot over aan de AustraliŽrs. Generaal Hitoshi Imamura deed hetzelfde voor de daar gelegerde troepen.

Anders dan Generaal Imamura werd Jinichi Kusaka niet voor oorlogsmisdaden vervolgd.

Militaire loopbaan
Adelborst (海軍少尉候補生 Kaigun shōi kōhosei), Japanse Keizerlijke Marine: 19 november 1909
Luitenant ter Zee 3e klasse (海軍少尉 Kaigun-shōi), Japanse Keizerlijke Marine: 15 december 1910
Luitenant ter Zee 2e klasse (海軍中尉 Kaigun-chūi), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1912
Luitenant ter Zee 2e klasse (oudste categorie) (海軍大尉 Kaigun-daii), Japanse Keizerlijke Marine: 13 december 1915
Luitenant ter zee 1e klasse (海軍少佐 Kaigun-shōsa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1921
Kapitein-luitenant ter zee (海軍中佐 Kaigun-chūsa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1921
Kapitein-ter-zee (海軍大佐 Kaigun-daisa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1936
Schout-bij-nacht (海軍少将 Kaigun-shōshō), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1936
Viceadmiraal (海軍中将 Kaigun-chūjō), Japanse Keizerlijke Marine: 15 november 1940
Decoraties
Grootofficier in de Orde van de Gouden Wouw
Grootofficier in de Orde van de Rijzende Zon
1937 China Incident medaille
Groot Oostelijke-Aziatische Oorlogsmedaille
Badge voor Afgestudeerden van de Marine Staf College
Commandanten insigne

Vice Admiraal Kusaka was onder andere Grootofficier in de Militaire Orde van de Gouden Wouw en de Orde van de Rijzende Zon

Vice Admiraal Kusaka was onder andere Grootofficier in de Militaire Orde van de Gouden Wouw en de Orde van de Rijzende Zon
Geboren 7 december 1888
Ishikawa (prefectuur), Japans Keizerrijk
Overleden 24 augustus 1972
Begraven Onbekend[1]
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Onderdeel Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine

 


Hideyoshi Obata

Hideyoshi Obata (小畑英良, Obata Hideyoshi; Osaka, 2 april 1890 - Guam, 11 augustus 1944) was een generaal van het Japanse Keizerlijke Leger die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was op de eilandengroepen ten zuidoosten van Japan. Hij was lid van de Kodo-factie (皇道派, Kōdōha), een rechts-nationalistische politieke groepering.
Militaire carriŤre
In 1911 studeerde Obata af in de 23e klas aan de Academie van het Japanse Keizerlijke Leger (陸軍士官学校, Rikugun Shikan Gakkō) en werd aangesteld als tweede luitenant in de cavalerie. Acht jaar later studeerde hij af in de 31e klas aan Keizerlijke Militaire Academie (陸軍大学校, Rikugun Daigakkō) en werd bevorderd tot kapitein in de cavalerie. In 1921 werd hij in de Keizerlijke Militaire Academie aangesteld als instructeur. Van 1923 tot 1927 was hij militair attachť in het Verenigd Koninkrijk en van 1927 tot 1934 in Brits-IndiŽ. In augustus 1934 werd hij bevordert tot luitenant-kolonel in de cavalerie en naar Japan teruggeroepen om vergaderingen van de Generale Staf van het Japanse Keizerlijke Leger bij te wonen. In datzelfde jaar werd hij bevordert tot kolonel. In 1935 voerde hij het bevel over het 14e regiment van de cavalerie. Twee jaar later werd hij overgeplaatst van de cavalerie naar de luchtcomponent. Op 1 maart 1938 wordt hij bevordert tot majoor-generaal. Op 15 juni 1938 werd hij commandant van de Akeno Luchtmachtschool.
Rol in WOII
Op 2 december 1940 werd hij gepromoveerd tot luitenant-generaal en tevens bevelhebber van de 5e Luchtdivisie. Zo raakte Obata betrokken bij het treffen van de Japanse en de Amerikaanse strijdmachten in de Stille Oceaan.[2] Zijn eenheid viel vanaf 9 december 1941 de Filipijnen aan.
Op 23 december van datzelfde jaar werd hij overgeplaatst naar Siam om leiding te geven aan de 10e eenheid van de luchtbrigade ter ondersteuning van de aanval van het 15e Leger op Birma (het huidige Myanmar). De eenheid ondernam herhaaldelijk bombardementen op Rangoon. Tegen het einde van februari 1942 had de eenheid een aanzienlijk deel van zijn manschappen verloren.
In 1943 was hij aanvoerder van de 3e Luchtleger van Luchtmacht van het Japans Keizerlijk Leger. Begin 1944 was hij bevelhebber van het 31e Leger, dat samengesteld was uit verschillende bataljons afkomstig uit Mantsjoerije. Het 31e Leger controleerde de Noordelijke Marianen, de Bonin-eilanden, de Marshalleilanden en de Carolinen. Zijn hoofdkwartier vestigde hij op Saipan, een eiland van de Marianen. Hij was op inspectie op Palau toen de Amerikanen op 11 juni 1944 Saipan aanvielen en er vier dagen later landden waardoor hij niet meer in staat was naar zijn hoofdkwartier terug te keren. Vanaf 9 juli was Saipan definitief in handen van de Amerikaanse troepen. Het verlies van Saipan had tot gevolg dat eerste minister Hideki Tojo en zijn kabinet ontslag namen.
Op 15 juni 1944 richtte Obata een nieuw hoofdkwartier op op Guam, ook een eiland van de Marianen. In theorie had hij nog steeds de leiding op Saipan en Tinian, maar in werkelijkheid had hij weinig invloed op de veldslagen die op deze eilanden gevoerd werden. Minder dan een maand later landden de Amerikanen op Guam. Op 28 juli sneuvelde Takeshi Takashina, de leidinggevende commandant op Guam. Obata nam zijn functie over op het moment dat de Japanse troepen vrijwel volledig weggevaagd waren.
Op 10 augustus 1944 stuurde Obata een laatste bericht naar het hoofdkwartier in Tokio, waarin hij meldde dat de verdediging van Guam hopeloos was. De volgende dag lanceerde hij een laatste aanval tegen de Amerikanen, alvorens seppuku te plegen.Na zijn zelfmoord werd hij gepromoveerd tot generaal.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (少尉 shōi), Japanse Keizerlijke Leger: 1911
Eerste luitenant (中尉 chūi), Japanse Keizerlijke Leger:
Kapitein (大尉 taii), Japanse Keizerlijke Leger: 1919
Majoor (少佐 shōsa), Japanse Keizerlijke Leger:
Luitenant-kolonel (中佐 chūsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1934
Kolonel (大佐 taisa), Japanse Keizerlijke Leger: 2 december 1935
Generaal-majoor (少将 shōshō), Japanse Keizerlijke Leger: 20 maart 1938
Luitenant-generaal (中将 chūjō), Japanse Keizerlijke Leger: 2 december 1940
Generaal (大将 taishō), Japanse Keizerlijke Leger: 30 september 1944 (Postuum)
Decoraties[bewerken]
Orde van de Rijzende Zon
Orde van de Heilige Schatten

Hideyoshi Obata

Hideyoshi Obata
Geboren 2 april 1890
Osaka
Overleden 11 augustus 1944
Guam
Land/partij Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1911 - 1944
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg 大将 taishō (Postuum)
Eenheid Cavalerie
Leiding over 5e Luchtdivisie
3e Luchtleger
31e Leger
Slagen/oorlogen Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Pacifische oorlog
Salg om Guam (1944)
Mariana en Palau eilanden campagne

 


Takijiro Onishi

Takijirō Ōnishi (大西瀧治郎, Ōnishi Takijirō) (Tamba, 2 juni 1891 Ė Tokio, 16 augustus 1945) was een Japans admiraal in de Japanse Keizerlijke Marine gedurende de Tweede Wereldoorlog. Aan hem wordt vaak het bedenken van de kamikaze toegeschreven, hoewel deze techniek feitelijk al voor hem bestond. Daarom wordt hij ook wel de ďvader van de kamikazeĒ genoemd.
Biografie
Ōnishi werd geboren in het dorpje Ashida, dat vandaag de dag deel uitmaakt van Tamba. Hij studeerde in de 40e klas van de Japanse Keizerlijke Marine Academie, alwaar hij in 1912 afstudeerde als 20e van de 144 cadetten. Hij diende als adelborst op de kruiser Soya en slagkruiser Tsukuba. Na zijn bevordering tot vaandrig werd hij toegewezen aan het slagschip Kawachi.
Alssub-luitenant werd hij toegewezen aan het zeevliegtuigschip Wakamiya, en hielp daar de Japanse Keizerlijke Marineluchtmacht op te zetten. Hij werd in 1918 ook naar Engeland en Frankrijk gestuurd om daar meer te leren over de ontwikkeling van gevechtsvliegtuigen, en het gebruik ervan in de Eerste Wereldoorlog.
Na zijn terugkeer werd hij gepromoveerd tot luitenant, en toegewezen aan de Yokosuka Naval Air Goup. Hier diende hij van 1918 tot 1920. Hij bleef nadien in dienst op verschillende posities van de marine en luchtvaart. Zo was hij onder andere vlieginstructeur in Kasumigaura.
Na zijn promotie tot lieutenant commander, werd hij op 10 december 1928 toegewezen aan het vliegdekschip Hōshō. Op 5 november 1932 werd hij uitvoerend officier van de Kaga. Op 15 november 1939 werd hij benoemd tot rear admiral.
Tweede Wereldoorlog
Al vroeg in de pacifische slag van de Tweede Wereldoorlog was Ōnishi het hoofd van de luchtvaartafdeling van het ministerie van defensie. Hij was verantwoordelijk voor enkele van de technische details van de aanval op Pearl Harbor in 1941, uitgevoerd onder bevel van admiraal Isoroku Yamamoto. Ōnishi was zelf tegen de aanval daar hij van mening was dat dit zou leiden tot een grote oorlog met een tegenstander die de middelen had om Japan te overmeesteren en tot onvoorwaardelijke overgave te dwingen. Desondanks speelde zijn IJN 11th luchtvloot een cruciale rol bij de aanval. Deze vloot viel aan vanuit basissen in Taiwan.
Op 1 mei 1943 werd Ōnishi gepromoot tot viceadmiraal. Als admiraal had Ōnishi veel interesse in psychologie, met name de reacties van soldaten onder kritische omstandigheden. In 1938 publiceerde hij al een boek hierover getiteld "War Ethics of the Imperial Navy").
Na oktober 1944 werd Ōnishi commandant van de eerste luchtvloot. Hier ging hij zich bezighouden met het uitvoeren van zelfmoordaanslagen met vliegtuigen genaamd kamikaze. Hoewel deze techniek al in ontwikkeling was voor zijn komst, werd Ōnishi vooral hier beroemd en berucht mee. Bij een bijeenkomst op Mabalacat Airfield (Clark Air Base) op 19 oktober 1944, kwam Ōnishi met de stelling dat kamikaze-aanvallen de enige manier waren om de kracht van de Japanse vliegtuigen optimaal te benutten. Vooral aanvallen uitgevoerd met Mitsubishi A6M Zero-toestellen beladen met bommen waren volgens hem effectief.Toen de Marianen werden veroverd door de geallieerden en Ōnishi het bevel kreeg om de vloot van Amerikaanse vliegdekschepen te vernietigen als onderdeel van "Operatie Sho", begon hij de kamikaze-aanvallen op grote schaal toe te passen. In totaal stuurde hij zoín 4000 piloten de dood in.
Op 19 mei 1945 werd Ōnishi teruggeroepen naar Tokio, alwaar hij vice-chef werd van de generale staf van de marine.
Op 16 augustus 1945, na het horen van de overgave van Japan, pleegde Ōnishi seppuku in zijn thuiskwartier. Hij liet een brief achter waarin hij zijn excuses maakte tegenover de 4000 piloten die hij de dood in had gestuurd, en alle jonge Japanse burgers die de oorlog hadden overleefd aanspoorde het land weer op te bouwen. Ook liet hij in de brief weten zijn zelfmoord uit te hebben gevoerd als genoegdoening voor de families van de kamikazepiloten. Hij voerde het ritueel alleen uit zonder hulp van een kaishakunin, en stierf ongeveer 15 uur na het ritueel aan zijn verwondingen.
Het zwaard waarmee Ōnishi zich het leven benam wordt momenteel bewaard in het Yushukan Museum naast de Yasukuni-schrijn in Tokio. Ōnishi's lichaam werd gecremeerd, en de as verdeeld over twee graven: een in de Zen tempel van Sōji-ji in Tsurumi, en de andere op een openbare begraafplaats in het voormalige dorp Ashida.
Militaire loopbaan
Adelborst (海軍少尉候補生 Kaigun shōi kōhosei), Japanse Keizerlijke Marine: 17 juli 1912
Luitenant ter Zee 3e klasse (海軍少尉 Kaigun-shōi), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1913
Luitenant ter Zee 2e klasse (海軍中尉 Kaigun-chūi), Japanse Keizerlijke Marine: 13 december 1915
Luitenant ter Zee 2e klasse (oudste categorie) (海軍大尉 Kaigun-daii), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1918
Luitenant ter zee 1e klasse (海軍少佐 Kaigun-shōsa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1924
Kapitein-luitenant ter zee (海軍中佐 Kaigun-chūsa), Japanse Keizerlijke Marine: 30 november 1929
Kapitein-ter-zee (海軍大佐 Kaigun-daisa), Japanse Keizerlijke Marine: 15 november 1933
Schout-bij-nacht (海軍少将 Kaigun-shōshō), Japanse Keizerlijke Marine: 15 november 1939
Viceadmiraal (海軍中将 Kaigun-chūjō), Japanse Keizerlijke Marine: 1 mei 1943

Takijirō Ōnishi

Takijirō Ōnishi
Geboren 2 juni 1891
Tamba, Hyogo (prefectuur), Japans Keizerrijk
Overleden 16 augustus 1945
Tokio, Japan
Begraven Gecremeerd; as, verdeelt tussen de Zen tempel van Sōji-ji in Tsurumi-ku, Yokohama en openbare begraafplaats in voormalig Ashida village in Hyogo (prefectuur)
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japans Keizerrijk
Onderdeel Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Dienstjaren 1912 - 1945
Rang Imperial Japanese Navy Insignia Vice admiral 海軍中将.png Viceadmiraal
(海軍中将 Kaigun-chūjō)
Eenheid Kruiser Soya
Slagkruiser Tsukuba
Slagschip Kawachi
Vliegtuigtender Wakamiya
Yokosuka Marine District
Hosho (vliegdekschip)
Leiding over Stafchef van de Eerste luchtvloot
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Beleg van Tsingtao
Tweede Wereldoorlog
Aanval op Pearl Harbor
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog

 


Hiroo Onoda

Hiroo Onoda (Japans: 小野田 寛郎, Onoda Hirō) (Kainan, 19 maart 1922 Ė Tokio, 16 januari 2014) was een Japans militair, die vooral bekend werd doordat hij zich bijna dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog nog ophield in de jungle van het Filipijnse eiland Lubang omdat hij weigerde te geloven dat de oorlog was beŽindigd.
Biografie
Onoda was lid van de commandoklasse "Futamata Bunkō" (二俣分校) van de Nakanoschool en was getraind in het voeren van een guerrilla. Op 26 december 1944 werd hij naar het eiland Lubang gestuurd om met de daar aanwezige soldaten de opmars van de geallieerden zo veel mogelijk te hinderen. Hij had het bevel gekregen zich nooit over te geven of een eind aan zijn leven te maken.
Op 28 februari 1945 werd het eiland door de geallieerden aangevallen, waarbij de meeste Japanse soldaten werden gedood. Onoda en drie soldaten, Yūichi Akatsu, Shōichi Shimada en Kinshichi Kozuka, hielden zich schuil in de bergen. Mede daardoor bereikte hen het nieuws niet dat de oorlog beŽindigd was. Ze ontvingen wel eenmaal een bericht, achtergelaten door een eilandbewoner, dat de oorlog voorbij zou zijn, maar vertrouwden dat niet.Een pamflet waarin werd gemeld dat de oorlog voorbij was, beschouwden ze als een vervalsing. Onoda en zijn medestrijders bleven zich daarom schuil houden. Nadat Akatsu zich in 1949 had overgegeven en Onoda's andere twee collega's gedood waren bij vuurgevechten (Shimada in 1954 en Kozuka in 1972), zette hij de strijd in zijn eentje voort. Hij bleef oorlog voeren tegen de niet-Japanners op het eiland en hield zich schuil in de jungle, levend van wat hij daar vond of van de plaatselijke bewoners kon stelen.
Onoda werd in 1959 in Japan officieel doodverklaard. Desondanks werden er pogingen ondernomen hem op te sporen, onder andere in 1972 door een groep met zijn zuster en in 1973 door een groep met zijn vader.In 1974 vertrok de Japanner Norio Suzuki voor een wereldreis. Hij was volgens eigen zeggen op zoek naar luitenant Onoda, een reuzenpanda en de verschrikkelijke sneeuwman, in die volgorde. Suzuki slaagde er op 20 februari 1974 in Onoda na vier dagen zoeken te vinden en wist hem ervan te overtuigen dat de oorlog voorbij was. Onoda wilde zich echter pas overgeven als zijn commandant uit de Tweede Wereldoorlog, majoor Yoshimi Taniguchi, hem daartoe persoonlijk het bevel gaf. Suzuki keerde daarom met foto's van Onoda terug naar Japan, waarna de overheid Onoda's voormalige commandant opspoorde. Deze ging naar Lubang en gaf de tweede luitenant het bevel de wapens neer te leggen. Onoda droeg daarop zijn dienstgeweer over, dat zich met zorgvuldig bewaarde munitie nog in werkende toestand bevond. Op 10 maart 1974 gaf Onoda zich op de Lubang Radar Base formeel over aan generaal-majoor J. L. Rancudo van de Filipijnse luchtmacht.[6]
Onoda keerde 29 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog terug naar Japan. Daar werd hij als een held onthaald en zelfs voorgedragen voor een positie in de Kokkai. Voor het feit dat hij na de oorlog nog zeker tien en mogelijk circa dertig Filipijnen had gedood, kreeg hij gratie van de Filipijnse president Ferdinand Marcos.
Onoda overhandigt zijn zwaard aan de Filipijnse president Marcos (maart 1974)
Onoda had moeite zijn draai te vinden in het sterk veranderde Japan en besloot net als zijn broer Tadao naar BraziliŽ te emigreren.Daar trouwde hij in 1976. Hij schreef een boek (in het Frans getiteld Ne pas se rendre : Ma guerre de Trente Ans, in het Engels getiteld No Surrender en in het Nederlands Mijn dertigjarige oorlog) over zijn jaren in de jungle, dat in en buiten Japan een bestseller werd. In 1984 keerde Onoda terug naar Japan, na te hebben gelezen over een Japanse tiener die in 1980 zijn ouders had gedood. Hij stichtte bij zijn terugkomst de Onoda Shizen Juku ("Natuurschool Onoda") voor kinderen, die op diverse plaatsen in Japan onderwijskampen organiseerde.
In 1996 keerde Onoda nog eenmaal terug naar Lubang en doneerde 10.000 dollar aan de lokale school. Op 21 februari 2010 kreeg hij van de wetgevende macht van de Braziliaanse deelstaat Mato Grosso do Sul de titel "Cidad„o do (Ereburger van) Mato Grosso do Sul.
Hiroo Onoda overleed begin 2014 op 91-jarige leeftijd in het St. Luke's International Hospital in Tokio aan de gevolgen van hartfalen en complicaties als gevolg van een longontsteking.
Militaire loopbaan
Soldaat der Tweede Klasse (二等兵 Nitōhei), Japanse Keizerlijke Leger: december 1942
Soldaat der Eerste Klasse (一等兵 Ittōhei), Japanse Keizerlijke Leger: 21 juli 1943
Korporaal (兵長 Heichō), Japanse Keizerlijke Leger: november 1943
Sergeant (軍曹 Gunsō), Japanse Keizerlijke Leger: april 1944
Sergeant-majoor (曹長 Sōchō), Japanse Keizerlijke Leger: 1944
Tweede luitenant (陸軍少尉 Rikugun Shōi), Japanse Keizerlijke Leger: januari 1945
Onderscheidingen[bewerken]
Eremedailles van Japan
Medaille van Verdienste van Santos-Dumont

De jonge Onoda

 

De jonge Onoda
Geboren 19 maart 1922
Kamekawa, Wakayama, Japanse Keizerrijk
Overleden 16 januari 2014
Tokio, Japan
Begraven Onbekend[1]
Land/partij Vlag van Japan Japanse Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1941 - 1974
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―少尉.svg Tweede luitenant
(陸軍少尉 Rikugun Shōi)
Eenheid 61e Infanterie Regiment
218e Infanterie Regiment
14e Leger Inlichtingen Divisie
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Filipijnse Campagne (1944Ė'45)
Pacifische oorlog/Lubang

 


Saburo Sakai

Saburo Sakai (坂井 三郎, Sakai Saburō; Nishiyoka, 25 augustus 1916 - Kanagawa, 22 september 2000) was een Japans onderluitenant tijdens de Tweede Wereldoorlog. Sakai was de eerste Japanse piloot die, nadat de oorlog tegen de Verenigde Staten uitgebroken was, een Amerikaans jachtvliegtuig, een Curtiss P-40 Warhawk, neer wist te halen. Sakai groeide uit tot ťťn van de beste vliegende azen van de Japanse Keizerlijke Marine.

Nederlands-IndiŽ
Begin 1942 werd Sakai overgeplaatst naar het eiland Tarakan in Borneo, om van daaruit te vechten tegen Nederlands-IndiŽ. De groep van Sakai kreeg de opdracht alle vijandelijke vliegtuigen neer te schieten, of ze bewapend waren of niet. Tijdens een patrouille in een Mitsubishi A6M Zero over Java kwam Sakai, vlak nadat hij een jachtvliegtuig van de ML-KNIL neergeschoten had, een Nederlandse Douglas DC-3 tegen. Doordat deze laag over het dichte oerwoud vloog dacht Sakai dat dit toestel belangrijke mensen vervoerde en beval zijn vleugelman om hem te volgen tijdens een aanval. Deze weigerde echter Sakai te volgen. Nadat Sakai voorbij vloog en door een raam een vrouw met jong kind op schoot zag zitten begreep hij dat dit normale burgers waren en besloot om het toestel niet neer te halen.[2]

Gewond

Een zwaargewonde Sakai brengt verslag uit aan zijn meerdere. (Guadalcanal, 8 augustus 1942)
Tijdens zijn eerste missie in de Slag om Guadalcanal raakte Sakai, tijdens een mislukte hinderlaag, zwaargewond. Tijdens een aanval werd Sakai onder vuur genomen, waarbij de overkapping van zijn toestel werd geschoten. Een kogel doorboorde zijn schedel waardoor hij direct aan ťťn oog blind raakte. Ondanks deze zware verwonding wist hij zijn toestel, tijdens een vier uur en 47 minuten durende vlucht (1.040 km), terug te vliegen en veilig te landen op zijn thuisbasis. Volgens Japanse rapporten zou Sakai eerst verslag hebben uitbracht aan zijn meerdere voordat hij medische hulp accepteerde.

Luchtoverwinningen
64 vliegtuigen (diversen soorten)
Militaire loopbaan[bewerken]
Matroos der 4e klasse (四等水兵 Yontōsuihei), Japanse Keizerlijke Marine: 31 mei 1933
Matroos der 3e klasse (三等水兵 Santōsuihei), Japanse Keizerlijke Marine: 1934
Matroos der 2e klasse (二等水兵 Nitōsuihei), Japanse Keizerlijke Marine: 1935
Matroos der 1e klasse (一等水兵 Ittōsuihei), Japanse Keizerlijke Marine: 1936
Korporaal (三等兵曹 Santōheisō), Japanse Keizerlijke Marine: 1936
Sergeant (二等兵曹 Nitōheisō), Japanse Keizerlijke Marine: 1938
Adjudant (飛行兵曹長), Japanse Keizerlijke Marine: november 1943
Luitenant ter Zee 2de klasse (海軍中尉 Kaigun Chūi), Japanse Keizerlijke Marine: 11 juli 1944
Luitenant ter Zee der 2e klasse oudste categorie (海軍大尉 Kaigun Daii), Japanse Keizerlijke Marine: augustus 1945

Saburō Sakai in 1939 voor een Mitsubishi A5M Type 96

Saburō Sakai in 1939 voor een Mitsubishi A5M Type 96
Bijnaam "Sky Samurai"
Geboren 25 augustus 1916
Nishiyoka
Overleden 22 september 2000
Amerikaanse marinebasis Atsugi in Yamato en Ayase
Begraven Sagami Memorial Park, Kamakura, Kanagawa, Japan, Plot: Sectie C, rij 25
Religie Boeddhisme
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japanse Keizerrijk
Onderdeel Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Dienstjaren 31 mei 1933 Ė 1945
Rang Imperial Japanese Navy Insignia Lieutenant 海軍大尉.png 海軍大尉 Kaigun Daii
Eenheid Artillerie
Kirishima (slagschip)
Tainan Air Group
Yokosuka Air Wing
Slagen/oorlogen Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Java
Slag om de Salomonseilanden
Slag om Guadalcanal
Slag om de Filipijnen (1944-1945)

 


Graaf Hisaichi Terauchi

Graaf Hisaichi Terauchi (Japans: 寺内 寿; Yamaguchi (prefectuur) 8 augustus 1879 Ė Malaya 12 juni 1946) was een Gensui in het Japanse Keizerlijke Leger.
CarriŤre
Terauchi werd geboren als oudste zoon van de toenmalige officier en latere 18e premier van Japan, Masatake Terauchi. Nadat hij de militaire academie had doorlopen werd hij officier bij de landmacht. Hij diende tijdens de Russisch-Japanse Oorlog van 1904 tot 1905, waarna hij een vervolgopleiding deed, die hij in 1909 afsloot. Terauchi was vervolgens enige tijd docent aan een militaire school in Duitsland. In 1919 werd hij in eigen land bevorderd tot kolonel en aangesteld als commandant van het eerste regiment van de Keizerlijke Garde. Hij erfde na de dood van zijn vader in november 1919 de titel van Hakushaku (graaf). Vanaf 1922 was Terauchi stafchef van de Keizerlijke Gardedivisie en in 1924 kreeg hij in de rang van generaal-majoor de leiding over de 19e brigade van het Japanse leger. In 1927 werd hij naar Korea gezonden als stafchef van de daar gestationeerde Japanse bezettingsmacht. In 1930 werd Terauchi bevordert tot luitenant-generaal en kreeg hij het bevel over de 5e Divisie van het Japanse leger. (twee jaar later de 4e Divisie)
In 1935 werd hij generaal en lid van de opperste oorlogsraad. Hij was op dat moment aanvoerder van het Japanse bezettingsleger in Taiwan. Na een veredelde staatsgreep van officieren in 1936 werd hij minister van oorlog in het kabinet van premier Kōki Hirota. Eind augustus 1937 brak de Tweede Chinees-Japanse Oorlog uit en kreeg Terauchi het commando over het nieuw opgerichte Regioleger van Noord China. Deze post bekleedde hij tot hij in december 1938 weer terugkeerde in de opperste oorlogsraad.
Tweede Wereldoorlog
Op 6 november 1941 kreeg Hisaichi Terauchi het bevel over het Japanse Zuidelijke Leger. Samen met admiraal Yamamoto ontwierp hij de oorlogsplannen voor de verovering van Nederlands-IndiŽ. Terauchi stond erom bekend dat hij de mening van zijn ondergeschikten altijd zwaar liet meewegen in zijn besluitvorming. Na de verovering van de Indische Archipel vestigde hij op 4 december 1941 zijn hoofdkwartier in Singapore. In 1943 kreeg hij de titel Gensui. Dit is een eretitel voor generaals die vergeleken kan worden met de rang van veldmaarschalk. In mei 1944 verplaatste Terauchi zijn hoofdkwartier naar de Tweede Filipijnse Republiek. Toen dit gebied echter door Amerikaanse troepen werd bedreigd vertrok hij in november naar Saigon in de Unie van Indochina. Hier maakte hij een einde aan het bestuur van de Vichy-Franse gouverneur Jean Decoux en werd het Keizerrijk Vietnam gesticht.
Dood
op 10 april 1945 werd Terauchi getroffen door een beroerte toen hij het bericht kreeg over de verliezen in Birma. Hij herstelde niet van de erop volgende hersenbloeding en kon daarom niet aanwezig zijn bij de algemene capitulatieceremonie van de Japanse strijdkrachten in Singapore. Hij gaf zich op 30 november 1945 over aan de Britse legerleider Lord Mountbatten. Op 12 juni 1946 stierf Hisaichi Terauchi in een krijgsgevangenkamp.
Militaire loopbaan
Kolonel (大佐 Taisa): 27 juli 1919
Generaal-majoor (少将 Shōshō): 4 februari 1924
Luitenant-generaal (中将 Chūjō): 1 augustus 1929
Generaal (大将 Taishō): 30 oktober 1935
Veldmaarschalk (元帥 Gensui): 21 juni 1943
Decoratie[bewerken]
Orde van de Rijzende Zon, 1e klasse
Commandanten insigne
Badge voor Afgestudeerden van Army Staff College
Groot Oostelijke-Aziatische Oorlogsmedaille
Chinese Incident 1937 medaille

TerauchiH.jpg

Geboren 8 augustus 1879
Yamaguchi (prefectuur)
Overleden 12 juni 1946
Malaya
Begraven Japans graven park, Hougang, Singapore
Land/partij Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1900-1946
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg 元帥徽章.svg Veldmaarschalk
(元帥 Gensui)
Leiding over Zuidelijke Leger
Slagen/oorlogen Russisch-Japanse Oorlog
Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
Verovering van Ned.-IndiŽ

 


Hideki Tojo

Hideki Tojo (東條 英機, Tōjō Hideki; Tokyo, 30 december 1884 - aldaar, 23 december 1948) was een Japans militair en politicus tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tojo werd geboren te Tokyo. Hij had een succesvolle carriŤre binnen het Japanse Keizerlijke Leger. In 1933 werd hij bevorderd tot generaal-majoor. In 1935 stond hij aan het hoofd van de Kempeitai van het in Mantsjoerije gelegerde Kanto-leger. In 1936 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal. In 1937 werd hij benoemd tot stafchef van het Kanto-leger. Tojo was een aanhanger van de 'Groot-Oost-Aziatische Gedachte' en behoorde tot de kliek die Japan in oorlog stortte. In de laatste kabinetten van premier Fumimaro Konoe was hij minister van Oorlog (vanaf februari 1941).
In oktober 1941 werd hij - als kandidaat van de nationalistische militairen - premier, minister van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken. Hij behield tevens het ministerschap van Oorlog.

Aanvankelijk bleek hij bereid om met de Amerikanen tot een vergelijk te komen, maar in december 1941 steunde hij de aanval op Pearl Harbor. Zolang de oorlogssituatie voor de Japanners gunstig was, bezat Tojo macht, maar geen absolute macht, zoals Hitler en Mussolini. Volgens sommigen bezat hij dit wel en had hij zoveel macht dat hij Japans dictator was.[bron?] Op 18 juli 1944 trad Tojo als gevolg van een reeks militaire nederlagen af.

Na de Japanse capitulatie (1945) schoot Tojo zichzelf in de borst bij een poging zelfmoord te plegen. Hij overleefde deze poging, en werd korte tijd later door de geallieerden gearresteerd. Vervolgens stond hij terecht in het Proces van Tokyo. Hij werd op 12 november 1948 schuldig bevonden aan het beginnen van oorlog tegen diverse landen, en onmenselijke behandeling van krijgsgevangenen. Op 23 december van dat jaar werd hij te Tokyo opgehangen.
Tojo wordt verantwoordelijk gehouden voor de dood van bijna vier miljoen Chinezen en het goedkeuren van biologische experimenten op krijgsgevangenen.[bron?]
De vroege jaren van Tōjō
Tōjō werd geboren op 30 december 1884 in Tokyo. Al vrij snel in zijn leven werd zijn latere carriŤre bepaald. Zijn vader, Hidenori Tojo, een zeer toegewijde soldaat van het Japanse leger, kreeg tien kinderen waaronder drie zonen. Omdat twee van zijn zonen jong stierven werd Hideki de oudste van het gezin, en zoals de Japanse traditie het wil, zou ook Hideki in de voetsporen van zijn vader treden en een militaire opleiding krijgen. Het jonge leven van Hideki was sterk gefocust op discipline en volgens het confucianisme dwingt de positie van de oudste zoon heel wat respect af. Hideki had een grote dunk van zichzelf in die jonge jaren en stond ook steeds op zijn strepen. Dit lokte echter vaak een gevecht uit op school maar hij doorstond ze allemaal.
Toen hij de militaire school betrad bezorgde zijn tengere en kleine gestalte hem heel wat problemen. Bovendien was hij nog bijziend en blonk hij niet uit in iets speciaals. Doordat hij deze gaven ontbeerde moest hij al zijn energie steken in het normale maar tevens harde werk om mee te kunnen met de rest van de jongeren. Hij ontwikkelde in die periode van zijn leven de capaciteit om altijd alles zo perfect mogelijk te doen. Dit definieerde zijn persoon, meer dan iemand anders geloofde hij in de kracht van de eigen wil en vooral in zichzelf. Vaak versloeg hij andere medestudenten in dingen gewoon omdat hij niet opgaf en kost wat kost het onder de knie zou krijgen. Ook in zijn latere carriŤre werd Hideki gezien als een persoon met een ongekend doorzettingsvermogen en een uiterst gedisciplineerd en verzorgd karakter.

Hideki Tojo.jpg

27e Minister-president van Japan
Geboortedatum 30 december 1884
Geboorteplaats Tokio
Politieke partij geen
Ambtstermijn 18 oktober 1941 Ė 18 juli 1944
Voorganger Fumimaro Konoe
Opvolger Kuniaki Koiso
Portaal Portaalicoon Japan
Politiek
 

Zijn vroege militaire carriere
In 1902 zette Hideki de volgende stap in zijn carriŤre, de militaire academie waar hij zich inschreef voor de opleiding infanterie. Rond die periode was net de Russisch-Japanse Oorlog uitgebroken en dit zorgde voor een toename in het enthousiasme van het leger. Ongeveer rond de 21ste verjaardag van Hideki werd eindelijk Port Arthur ingenomen na een lang en zwaar beleg. De jonge officieren zoals Hideki wilden ook hun kans krijgen om zich te bewijzen in militaire acties. Voor Hideki kwam deze dag net na de val van Mukden (瀋陽), de dag waarop hij werd aangesteld als 2e luitenant. Maar de glorie die ze zochten werd opgeborgen voor latere tijden, de jonge officieren moesten eerst hun diensttijd in het garnizoen volmaken. Dit en de frustratie van een onderhandelende vrede tussen Rusland en Japan bracht een anti-climax teweeg voor de officieren. Niet alleen de glorie of het eervol sterven werd hun ontnomen maar ook hun kans op een snelle promotie viel weg. Dus zat er niets anders op dan te wachten tijdens de tijd van vrede.
De eerste en enige vrouw in zijn leven
Drie jaar na zijn terugkeer in 1906 trouwde Hideki met Katsu Ito. Katsu was een geŽmancipeerde vrouw die niet zomaar de rol van onderdanige huisvrouw op zich zou nemen. Ze was de dochter van een kleine landeigenaar in Kyushu en was een van de weinige vrouwen die hogere studies ambieerde. Het was wel wat vreemd hoe het huwelijk in elkaar zat. Alhoewel Hideki een redelijke koppig en asociaal persoon was, werd hun huwelijk niet de zoveelste liefdesloze verbintenis die opgedrongen werd door de ouders. Katsu was al vroeg bevriend met de familie en bezocht vaak hun huis. Al snel bleek dat Hideki haar wou als zijn toekomstige vrouw. Dat was ook zijn ouders opgevallen maar omdat het normaal de gewoonte is dat de ouders de bruid kiezen werd het huwelijk in het begin niet zo gelukkig onthaald. De moeder van Hideki weigerde zelfs een tijdlang om haar in het familieregister in te schrijven. Katsu had het zeker niet makkelijk met de strikte moeder van Hideki en vroeg zich af of het niet beter zou zijn om zijn familie en hem te verlaten. Uiteindelijk besloot ze toch te blijven door de aanhoudende steun en liefde van Hideki.
Het huwelijk werd een succes en ze leefden gelukkig samen. In 1911 bracht ze het eerste kind van Hideki op de wereld in het ouderlijke huis van Hideki in Kōjimachi, Tokyo. Ze zouden later nog zes andere kinderen krijgen. Dat Hideki niet de man was die iedereen dacht dat hij was blijkt vooral uit de getuigenissen van zijn vrouw 17 jaar na zijn dood. Ze blikte terug op hun leven samen met een gevoel van verdriet en affectie. Elke dag dacht ze aan haar man en bezocht het familie-altaar om hem te eren. Ze vond haar man een heel zacht en warm persoon. Hij was wel een man van weinig woorden en niet iedereen begreep hem altijd maar ze kon altijd op zijn steun rekenen. Ze consulteerde hem dan ook altijd alvorens een grote beslissing te nemen. Nu hij de verantwoordelijkheid van een huwelijk en een gezin droeg, werd de druk op hem nog groter om zijn vader achterna te gaan.
Opkomst
Door harde arbeid en lange uren van geconcentreerd werk steeg hij traag in de hiŽrarchie. Hij werd benoemd tot luitenant op 23-jarige leeftijd en werd pas zes jaar later kapitein. Zijn harde werk viel ook hoger geplaatsten op en dit leverde hem een plaats op in het college voor stafleden. Hij was bijna 30 wanneer hij daar afstudeerde, maar nu was zijn verdere toekomst tenminste verzekerd. Door zijn status van staflid moest hij niet op vroege leeftijd op pensioen gaan, wat wel het geval was bij minder succesvolle officieren.
Een paar maanden na de dood van Meiji (keizer) (明治天皇) in 1912 begon voor Hideki en zijn familie ook een periode van rouw. Zijn vader stierf op 57-jarige leeftijd. Hij was het grote voorbeeld voor Hideki omdat hijzelf van lage afkomst was maar toch een indrukwekkende militaire carriŤre had opgebouwd. Het eindpunt van zijn carriŤre was de benoeming tot generaal. Rond 1915 kwam de tijd van oorlog weer terug voor Japan dat besloot om de haven van Tsingtao, op dat moment in Duitse handen, in te nemen en zo de eerste stappen in China te zetten. De Japanners slaagden in dit opzet en legden China de "21 eisen" voor. Van al deze veranderingen merkte Hideki maar weinig, hij deed enkel mee in een aanval tegen de Bolsjevieken in SiberiŽ. Buiten dat klein verzetje zat hij zijn staftijd uit in verscheidene regimenten zonder eigenlijk mee te doen in de oorlog. Maar zijn harde werk ging wederom niet onopgemerkt voorbij, hij werd geselecteerd voor een missie in het buitenland.
Zijn korte verblijf in het buitenland[bewerken]
In 1919 werd hij aangesteld als militair attachť in Zwitserland en Duitsland. Het Japanse officierenstelsel was gemodelleerd op dat van Duitsland en de studie hiervan betekende de toetreding tot een select groepje elite-officieren. Ook Hidenori Tojo, de vader van Hideki, had de eer dit te mogen meemaken. Deze kleine periode, die veel weg had van een pelgrimstocht, was een belangrijk punt in de ontwikkeling in de denkwijze van Hideki. Hij bewonderde de Duitsers omwille van hun hardheid en hun vermogen om toch op te staan in tijden van moeilijkheden. Vaak zei Hideki dat de Japanners nog heel wat konden leren van de Duitsers.
Omdat zijn verblijf in het westen een beetje uitliep had Hideki maar beperkte tijd om het grote Amerika te zien. Mede door het feit dat hij er maar kort verbleef ontwikkelde Hideki een negatief beeld van Amerika. Hij dacht een Amerika te zien dat rijk en blijkbaar onaangeraakt door de Eerste Wereldoorlog gekomen was. Daarboven vond hij dat de Amerikanen redelijk onbeleefd en zeer nonchalant waren. Op het militaire vlak dacht Hideki dat Amerika niet zo ver stond en dat alles in het teken stond van het behalen van materiŽle welvaart. Hij kwam tot de conclusie dat Amerika misschien wel materieel sterker stond dan de Japanners maar de Amerikaanse wil om te winnen kon niet tippen aan die van het vurige Japan. Dit bleek later een zwak punt te zijn in de gedachtegang van Hideki Tōjō.
Hideki keerde terug als majoor naar Japan in 1922. Hoewel zijn typische bril zijn zicht herstelde was zijn geest niet zo snel te herstellen. Hij bleef maar zitten met de gedachten die hij zich in zijn jonge jaren had gevormd. Vooral de haat tegenover Rusland zat hem diep. Zijn droom bleef " The Great Asia " en om dat te bereiken moest de ultieme vijand Rusland worden verslagen. Ook had hij geen liefdevolle woorden over voor Amerika. Hij vond dat zij indringers waren in AziŽ en kon geen motief vinden dat Amerika zou kunnen hebben om Japan van zijn veroveringsdrang te houden. Ook vond hij dat het Japanse ras werd gediscrimineerd door de Amerikanen.
De wisselende visie op het militarisme
Tōjō studeerde met onderscheiding af aan het Militair Staf college en nam bij dit college de job aan van instructeur. Hierbij kon hij met een slecht gevoel getuige zijn van de neergang van het Japanse leger. Op dat moment was de jonge regent prins Hirohito (裕仁) aan de macht. Hij luisterde gehoorzaam naar de ouderen die zetelden in de genrō. Deze hadden het echter gehad met de bewaping van Japan en zagen meer heil in het pompen van geld in de economie. Het leger voelde maar weinig van de economische vooruitgang; maar wat erger was dat het beeld van de militairen achteruit ging. Er werd zelfs openlijk de vraag gesteld of het budget dat werd gespendeerd aan het leger niet te groot was.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren vooral de handelaren erop vooruitgegaan. Onder andere de Zaibatsu zoals Mitsubishi (三菱) en Toyota waren een voorbeeld voor vele jonge en ambitieuze Japanners. Daartegenover stelde een carriŤre in het leger helemaal niet zoveel meer voor. Ook het loon van een Japanse officier was niet om jaloers op te zijn. Maar een herwaardering van de militairen kwam er wat ongelukkig bij de grote Aardbeving Kanto 1923.[2] Ze kregen zo de kans om zich in positieve zin te laten opmerken. Het leger betekende dan ook een zeer grote hulp voor de bevolking en won zo weer aan populariteit.
De aardbeving had echter ook negatieve gevolgen voor het Japanse leger. De economie had een zware klap gekregen en er moest opnieuw geld worden ingepompt. Er werd door verschillende groepen in Japan geŽist dat het budget voor het leger werd teruggeschroefd. Ondanks hevig protest van ultranationalisten en militaire toppers ging de regering akkoord met die eis. Maar er stonden het leger nog ergere zaken te wachten: de regering vroeg zich af of het wel lonend was om de troepen gestationeerd in Mantsjoerije daar te houden. De troepenmacht in Mantsjoerije gestationeerd houden betekende een aanhoudende vijandige houding van de Chinese bevolking, en als Mantsjoerije niet meer in de toekomstige plannen paste van de leiders van Japan dan zou ook het Kanto-leger (関東軍) geen nut meer hebben.
Het incident in Mantsjoerije (満州事件)
Omdat onderhandelen niet zoveel meer uithaalde besloot het Kanto-leger zijn eigen slag te slaan dit zonder de goedkeuring van de Japanse regering weliswaar. De in Mantsjoerije gestationeerde soldaten hadden zo hun eigen mening over de China-kwestie. Zij zagen terugtrekking uit China niet eens als een optie. In 1928 kreeg Hideki Tōjō voor het eerst het bevel over een regiment. Eindelijk kon hij zijn visie doorgeven aan andere mensen. De invloed van de militairen van het Kanto-leger bereikte Hideki echter niet. Hideki vond het trouwens ook ongepast om bezig te zijn met politieke kwesties of andere activiteiten buiten zijn administratieve taken.
Maar door de economische crisis van 1929 leerde Hideki toch meer over de politieke en sociale kwesties. Niet door boeken of rapporten maar door de verhalen die zijn regimentsleden hem vertelden. Zij stonden symbool voor de miserie en crisis van die tijd. Hij was erg begaan met de moraal van zijn regiment en hield speciale bijeenkomsten over de staat van de regimenten. Hij zette de officieren aan tot het opkrikken van de moraal, hij vond dat ze vooral oog moesten hebben voor het behoud van de natie en persoonlijke emotionele zorgen opzij moesten zetten, want hij was ervan overtuigd dat soldaten zich niet kunnen concentreren op hun taak als ze persoonlijke zorgen aan hun hoofd hebben.
Een beslissende datum voor Japan was 18 september 1931. Op die dag ondernam het Japanse Kantō-leger een actie tegen de Chinese soldaten gestationeerd in Mukden. Zogezegd reagerend op een aanval van Chinese zijde was heel de operatie opgezet spel. Het Kantō-leger had zonder de toestemming van de regering een regelrechte aanval uitgevoerd op China, dit zou later bekend worden als het Mantsjoerije Incident. Twee officiŽle afgevaardigden van de Japanse regering werden wandelen gestuurd. Elk werd ontvangen door kolonel Itagaki Seishirō (板垣 征四郎), eentje werd met de schrik op het lijf teruggestuurd. Itagaki was van mening dat China als eerste had aangevallen en dat het leger nu gewoon de nodige acties van zelfverdediging ondernam. De ander ging akkoord met Itagaki en steunde zijn koerswijziging en verdedigde deze dan ook tegenover de regering.
Hideki nam geen deel aan deze actie, en had er dan ook geen uitgesproken mening over. Rond die tijd werd hij wel bevorderd tot hoofd van Algemene zaken van het Bureau van Oorlog. Dit veranderde wel degelijk iets voor Hideki. Vroeger sprak hij zich niet zo vaak uit over allerhande zaken buiten het militaire omdat dat niet zijn gebied was. Maar voor deze job was dat evenwel nodig, dus begon hij meer en meer zijn visie op politieke zaken te verbreden en ook te uiten. In 1934 verloor Hideki ook nog eens een zeer dierbare vriend van hem, Generaal Tetsuzan Nagata (永田). Hij werd vermoord door een jonge ultranationalistische imperialist, luitenant-kolonel Aizawa Saburo (相沢 三郎). Dit maakte Hideki nog meer vastbesloten om promotie te maken. Dit lukte hem dan ook een jaar later toen hij in oktober 1935 vertrok naar Mantsjoerije om daar hoofd van de legergendarmerieŽn te worden, later bekend geworden onder de naam Kempeitai (憲兵隊).
Het leven in Mantsjoerije
In Mantsjoerije stelde Hideki direct orde op zaken, hij zou geen onofficiŽle acties steunen noch toelaten. Hij liet aan iedereen weten dat alleen de Kempeitai de macht had om de wet te handhaven. Kort erna gebeurde wel een soort van opstand die zijn oorsprong vond in Mantsjoerije. GeÔnspireerd door het Kabuki-stuk Chūshingura(忠臣蔵) kwam een groep jonge officieren in opstand tegen de toenmalige regering. Het kwam uiteindelijk zo ver dat Hirohito moest ingrijpen en verklaarde dat de zogenaamde loyalisten rebellen en een gevaar voor Japan waren en dus vernietigd moesten worden.
Er kwam van de rebellen ook een oproep naar de mede-officieren die nog in Mantsjoerije waren. Itagaki toonde geen interesse en droeg Tōjō op de orde te bewaren. Hideki deed dit dan ook zeer grondig. Sinds zijn aantreden in Mantsjoerije had hij van iedere persoon een persoonlijk dossier laten aanleggen. Hideki's netwerk van informanten, spionnen en geheim agenten slaagde erin alle mogelijke rebellen op te sporen en gevangen te nemen, onder wie ook enkele van zijn voormalige eigen officieren.
Hideki's doortastend optreden was ook zijn meerderen niet ontgaan. Zijn reputatie als hardwerkende en efficiŽnte dienaar van het land begon eindelijk verspreid te geraken. Hij nam de plaats van luitenant-generaal Itagaki in 1937 over. Hij werd geselecteerd omwille van zijn betrouwbaarheid en toewijding als militair en het idee dat hij duidelijk niet werd geraakt door de actuele politieke verhoudingen. Hideki zorgde ervoor dat het leger gestationeerd in Mantsjoerije in een constante staat van paraatheid was.
Tweede Sino-Japanse oorlog
Aanleiding voor de 2de oorlog tegen China was het Marco Polobrugincident (盧溝橋事件), waarbij Japanse soldaten die over de grens oefeningen aan het doen waren, werden beschoten door Chinese troepen. Algemeen wordt aangenomen dat er ook provocatie van Japanse zijde in het spel was.Hideki werd er niet van verdacht dit plan te hebben gesteund of gestart, maar hij was in de jaren dat hij al in Mantsjoerije was tot de overtuiging gekomen dat het regime van Chiang Kai-Shek in China moest worden vernietigd. Aanvankelijk dacht Hideki dat dit een gemakkelijke volgende stap zou worden in het verslagen van Rusland maar niets was minder waar. De Chinezen waren niet zo eenvoudig te verslaan als men had gedacht en er was eigenlijk heel veel weerstand van hun zijde wat leidde tot irritatie bij de leiders van het Kanto-leger waaronder dus ook Hideki Tōjō.
Hideki zelf leidde ook een Kanto-groep om de Chinezen die Japanse troepen in Beijing bedreigden te elimineren. Dit was eigenlijk de eerste maal dat Hideki soldaten op het slagveld leidde. Hij deed dit met zoveel brio en sloeg hard en diep toe in China zodat hij voor Japan het gebied van Binnen-MongoliŽ veiligstelde. Hij keerde echter al snel na de voltooiing van zijn missie terug naar zijn vertrouwde post in Mantsjoerije. Dat was dan ook zijn enige maar wel succesvolle operatie in China. Ondertussen waren er twee beelden ontstaan over Japan. Enerzijds het beeld dat de rest van de wereld zag: een bruut en agressief Japan dat de Chinese troepen afslachtte maar anderzijds werd in Japan hetzelfde beeld van de Chinese troepen gepropageerd. De Japanse militairen kregen al snel door dat propaganda via radio een zeer effectief wapen werd in het opzwepen van de algemene opinie en maakten hier dan ook veelvuldig gebruik van.
De oorlog kwam langzamerhand op gang en vooral de generaals van het leger hadden nu de macht over de regering, ook al waren er ministers zoals Konoe Fumimaro (近衛 文麿) die dachten dat zij nog steeds controle over het land hadden. Dit was echter niet zo, er kwam meer en meer een vraag naar een meer competente regering die het land kon verdedigen tijdens deze turbulente periode. En zo gebeurde het: generaal Sugiyama (杉山), minister van Oorlog, besloot om af te treden en stelde voor dat de andere regeringsleden dit ook doen. Hij wilde zijn plaats wel afstaan aan iemand die beter geschikt was om het land te redden. Eerste minister Konoe, die graag wou blijven, ging met dit voorstel akkoord en wendde zich tot personen die wel door het leger werden aanvaard. Een van die personen was Generaal Itagaki, die een van de leidende personen was tijdens het Kantō-hoofdstuk in de geschiedenis van Japan. Als geschikte viceminister werd meteen gedacht aan Hideki Tōjō. En zo gaf Hideki zijn job als leider van het Kantō-leger op om aan zijn eerste politieke baan te beginnen.
Viceminister
Hideki was zeker niet geliefd door buitenlandse afgevaardigden die kwamen om te onderhandelen. Blijkbaar werd zijn politieke visie zeer vertroebeld door gedachten uit het verleden die hem nog beheersten. Hij voelde antipathie tegenover de buitenlanders en kon dit niet verstoppen. Hij koesterde nog steeds een groot wraakgevoel tegenover de Britten en Russen. Dit werd ook de buitenwereld duidelijk na een discussie met hem en een groep industriŽlen. Nationaal en internationaal werden zijn uitspraken bekend. Hij had openlijk gesuggereerd dat Rusland zich klaarmaakte voor een oorlog tegen Japan. Dit zorgde ervoor dat Hideki stilletjes werd verwijderd van zijn post als viceminister en werd verplaatste naar de plaats van Inspecteur-Generaal van de luchtmacht.
In 1939 viel Japans bondgenoot Adolf Hitler Polen binnen. Hiermee begonnen de gevechtshandelingen op het Europese strijdtoneel van de Tweede Wereldoorlog. Ondertussen nam de druk op de Japanse regering toe. Konoe was al afgetreden in 1939 en werd opgevolgd door Hiranuma(平沼). Ook deze bleek niet in staat om de steun van het leger te verwerven. Daarna volgde nog Abe(阿部)en Yonai(米内). Deze laatste was een voormalig admiraal die een eerder traag vorderend nationalistisch beleid voor ogen had. Maar omdat Hitler snel progressie maakte in Europa en BelgiŽ, Nederland en Frankrijk veroverde werden ook de kolonies van deze landen bedreigd. Dit vormde de ideale gelegenheid voor Japan om deze in te palmen. In 1940 werd Yonai door Minister van Oorlog Hata Shunroke (畑俊六,) gezegd dat het leger een renovatie van de interne structuur wenste om de internationale situatie aan te kunnen. Minister Hata zelf trad hiervoor af en daardoor was het politiek onmogelijk om de huidige regering bijeen te houden aangezien dit niet mocht zonder dat er een minister van Oorlog was.
Voormalig premier Konoe had al een alternatief voorzien. Hij stelde een unificatie voor van alle partijen onder ťťn grote noemer namelijk de Taisei Yokusan-kai (大政翼賛会 De vereniging voor steun aan het keizerlijk systeem). Het doel van deze beweging of organisatie was om het Japanse volk te verenigen door terug te keren naar de oude Japanse geest en deugden. Aan de basis hiervan lag Shin Taisei, of de studie van oude kunsten en folklore. En dus begon Konoe aan zijn tweede ambtstermijn als premier van een eenpartijkabinet in juli 1940. Aan Hata werd gevraagd zijn eigen opvolger te zoeken. Het moest zeker een man zijn die de controle kon houden over het leger. De geschikte persoon hiervoor vond Hata in Hideki Tōjō, die de job aanvaardde en de nieuwe minister van Oorlog werd.
Minister van Oorlog
Al snel na de aanstelling van Konoe bleek dat deze niet opgezet was met het idee van een democratie. Dit liet hij dan ook al snel weten aan de bevolking. Zo werden onder meer in 1938 en 1939 wetten uitgevaardigd die ervoor zorgden dat het volk nu kon worden opgeŽist om mee te werken aan de oorlogsvoorbereidingen. Ondanks zijn vrees voor de Sovjet-Unie was Konoe niet te impulsief, hij besefte ook wel dat een oorlog in de grote vlakten van Rusland een van de slechtste keuzes zou zijn. Konoe wou ook ten alle koste de oorlog met Amerika vermijden maar later werd duidelijk dat dit al van in het begin een taak zou zijn waar hij niet tegen was opgewassen. Na zijn falen stond hij dan ook de positie van premier af aan Hideki.
In het begin leek het er nog op dat Hideki en Konoe goed met elkaar overweg konden. Hideki stemde in met het idee dat het hoofdstuk China snel gesloten moest worden, ze vonden ook allebei dat de discipline in het leger moest gehandhaafd worden en dat het leger en de marine nauwer moesten samenwerken. Zelfs over de herstelling van de macht van de post als 1ste minister had Hideki een positieve mening. Maar dit gevoel begon na een tijdje om te slaan. Toen Konoe's beleid nergens naartoe bleek te leiden en twijfel in de geest van Konoe sijpelde, veranderde Hideki's aanvankelijke eerbied in een gevoel van verachting. De nieuwe doelen van het kabinet Konoe waren een expansie van het Japanse territorium. Dit betekende de toevoeging van onder ander de Filipijnen, maar dit was evenwel tegen de zin van Amerika. Voor het eerst dreigden enkele ministers dat Japan zou terugvechten.
In Europa had Hitler op dat moment alles onder controle en was bezig plannen te maken voor een verrassingsaanval tegen Rusland. Samen met Japan en ItaliŽ werd op 27 september 1941 het driemogendhedenpact ondertekend. Hitler was ervan overtuigd dat Rusland snel veroverd zou zijn en dit gevoel werd volledig geloofd door Tōjō. Hij begon het leger klaar te stomen voor de oorlog en beval de aanzet tot een volledige bewapening van Japan. Vooral het Kanto-leger in China werd in opperste staat van paraatheid gebracht. Japan's invloedssfeer in die periode werd nu snel uitgebreid en al snel reikte die tot het noorden van Frans Indo-China. Enige tijd later bezette Japan volledig Indo-China en hadden ze een perfecte uitvalsbasis voor hun luchtmacht en marine. De beslissing om Indo-China te bezetten werd genomen door Tōjō en andere ministers en verantwoordelijken. Dit besluit was duidelijk verbonden met het idee dat als er verzet kwam men desnoods de oorlog aan Amerika en Groot-BrittanniŽ zou verklaren.
Overal in Japan begon men zich voor te bereiden op de grote oorlog. Verschillende verkenningsschepen en vliegtuigen namen poolshoogte van de militaire situatie in Amerika zoals koerswijzigingen van de Amerikaanse vloot of de toestand rond HawaÔ, waar de Amerikaanse vloot zich had verzameld. De verovering van Indo-China bleef niet zonder gevolgen, vlak na de landing van Japanse troepen in Indo-China kondigden de VS, Groot-BrittanniŽ en Nederland een handelsembargo op tegen Japan. De ergste klap voor Japan kwam kort erna, de VS stopte de uitvoer van aardolie naar Japan. Dit zorgde ervoor dat Japan na enkele maanden met een tekort aan olie zou komen te zitten en dus er moest snel een plan bedacht worden. Dit plan was het veroveren van de olievelden van Nederlands-IndiŽ.
Dit zou waarschijnlijk leiden tot oorlog met Amerika, premier Konoe kreeg nog wel tijd tot oktober om te onderhandelen met de VS over een eventueel vredesakkoord. Omdat vorige onderhandelingen niet echt effectief waren, stelde Konoe uiteindelijk een onderling gesprek met President Roosevelt voor. Hevig verzet op dit idee kwam er niet hoewel Hideki hier niet tevreden mee was. De reden hiervoor was dat Duitsland deze onderhandelingen misschien als een belediging zou kunnen opvatten. Hij hield een eventueel gesprek echter niet tegen, maar de hoop van Konoe bleek verloren moeite, Amerika wou eerst garanties dat de Japanners zouden toegeven en weigerden dus een rechtstreeks gesprek. Uiteindelijk werden Konoe, Sugiyama en Nagano (永野) bij de keizer geroepen die zich afvroeg wanneer de geplande verdere verovering zou plaatsvinden.

De onderhandelingen bleven maar op niets uitdraaien en kritiek op Konoe was overal te horen. Ook uit de hoek van Hideki. Hij vertelde de premier dat de tijd van overleggen en onderhandelen voorbij was en dat er tijden waren waarin er actie moest ondernomen worden ongeacht de risico's. Tijdens de laatste conferentie voor de deadline die aan Konoe was opgedragen veranderde Admiraal Oikawa(及川) van mening en zei dat de marine aan de kant van de minister stond en dat zijn keuze voorgaat op al de rest. Dus als Konoe de onderhandelingen nog verder wou zetten dan had hij het fiat van Oikawa om door te gaan. Het grote probleem tijdens de onderhandeling was de bezetting van China door Japanse troepen. Dat was echter het gebied van Hideki en hij wou van geen wijken weten, zijn oordeel was dat de Japanse troepen essentieel waren voor het behouden van Manshukoku en Korea en voor het tegenhouden van de verspreiding van het communisme.

Hideki weigerde alle andere voorstellen van Konoe om hem toch overhalen. Hij kon niet toegeven aan een land dat de macht over het Oosten voor zichzelf wou. Een gesprek hieromtrent liep zelfs uit de hand en Hideki raadde Konoe aan om voortaan uit zijn buurt te blijven want hij was niet zeker of hij zijn woede wel kon controleren. Ook spoorde hij aan op een ontslag van Konoe die niet anders kon dan hieraan toegeven, en dus moest er een nieuw kabinet gevormd worden maar wie zou dit leiden? Wie was er sterk genoeg om Japan naar een eventuele overwinning te leiden? Uiteindelijk ging het nog tussen twee personen, namelijk Hideki Tōjō en Admiraal Oikawa. Maar de druk die het leger uitoefende op de leiders was vreselijk groot en dus was de vraag of een marinebevelhebber de militairen wel de baas kon.

Formateur Kido (木戸) riep Hideki tot zich om hem uit te horen. Tōjō werd door iedereen wel gezien als iemand met genoeg discipline en loyaliteit. Maar Kido wou toch ook eens zijn visie en plannen horen. Hideki vond dat de marine doorslaggevend was. Admiraal Oikawa had verkondigd dat de marine over de kwestie van oorlog of vrede innerlijk verdeeld was. Maar Admiraal Nagano ontkende dit, als bleek dat de marine over de wilskracht en reserves beschikte dan was de keuze voor oorlog onvermijdelijk volgens Hideki. Blijkbaar was dit genoeg voor Kido en had deze zijn besluit gemaakt. En zo geschiedde het, op 17 oktober werd Hideki Tōjō benoemd tot premier door Keizer Hirohito. Hij vroeg om even een moment alleen te zijn op het moment van zijn aanstelling om in zichzelf te kijken of hij het wel waard was om deze eer te krijgen. Na een tijdje aanvaardde hij nederig de hoogste politieke post die men maar kon krijgen in Japan.
Eerste minister van Japan
Aanzet tot de oorlog

Over heel de wereld werd zijn aanstelling met belangstelling gevolgd. Voor de meeste landen betekende dit dat Japan zich nu in de oorlog zou storten. Hij werd afgebeeld als een soldaat-premier die zonder tegenstribbelen de bevelen van het leger zou opvolgen. In het kamp van de nazi's echter werd de aanstelling met applaus ontvangen. Zijn beeld was dat van een met energie gevulde man voor wie de woorden "plicht is plicht" niet enkel woorden zijn. De koers die Japan zou varen stond nu wel ongeveer vast.
Hideki stelde Admiraal Tōgō Shigenori(東郷茂徳) aan als minister van Buitenlandse Zaken. Hideki zelf gaf zich ook nog de titel van Minister van Oorlog. Op dezelfde dag nog als zijn aanstelling, gaf Hideki zijn eerste speech als eerste minister. Hij stuurde aan op eenheid en Japan's vastberadenheid om mee te werken aan wereldvrede. Hiervoor wilde hij de "Greater East Asia Co-prosperity Sphere[3] "bedacht door Konoe, verder uitwerken. Ook de onderhandelingen met Amerika werden nog voortgezet ook al waren ze misschien futiel. Tōjō moest vooral de samenwerking tussen de marine en het leger behouden en versterken. Maar toch waren deze zogezegde initiatieven tot vrede slechts schijn, Hideki bleef van mening dat Japan ten oorlog moest trekken. Hij was ervan overtuigd dat Amerika's acties gericht waren tegen het verdrijven van de Japanse troepen in China.
Nadat de verlengde deadline van de onderhandelingen met de VS gepasseerd was, verkondigde de eerste minister dat het land heerste in een staat van crisis. Op vergaderingen werd geopperd door Admiraal Nagano dat als Japan tot november wachtte met aanvallen dat het zich dan misschien zou moeten overgeven zonder te vechten. En dit spoorde Tōjō aan tot actie, hij verklaarde dat het beter was om om de dood tegemoet te gaan in een poging tot een onafhankelijk leven dan met gevouwen handen wachten op de uitroeiing. Hieropvolgend stapte Hideki naar de keizer om te melden dat een finale onderhandelingspoging zou worden ondernomen maar als dit geen resultaat bekwam dat Japan moest overgaan tot de oorlog.
Concreet nam dit de vorm aan van de Aanval op Pearl Harbor. Toen de schepen die opgedragen waren om de missie uit te voeren op weg waren naar de Koerilen sprak Hideki het parlement toe. Hij zei dat Japan op het kruispunt stond van zijn 2600-jarig bestaan. Ook voegde hij eraan toe dat derde machten geen obstructie meer zouden vormen voor de volledige inpalming van China. Hij feliciteerde zelf Duitsland en ItaliŽ met hun voortgang en hoopte dat zij tezamen een nieuwe wereldorde zouden kunnen stichten, gebaseerd op Rechtvaardigheid. Toen de laatste onderhandelingspoging faalde, vroeg iedereen zich nu af wat Hideki Tōjō ging doen. Vrienden, politici drongen aan op een snelle beslissing en sommige begonnen hem al besluiteloos te noemen maar Hideki liet zich niet opjagen.
Op 26 november kwam Hideki met zijn besluit naar buiten, tijdens een parlementaire zitting waar ook de keizer aanwezig was stapte hij vol met respect naar de verhoging waarop de keizer zat en overhandelde hem een brief waarin de regering wetten had goedgekeurd die noodzakelijk waren in de tijd van nood. In de speech die volgde verkondigde Hideki dat de Amerikanen, Britten en Nederlanders een complot hadden beraamd tegen Japan. In de nacht die volgde op deze speech vertrokken de schepen, gestationeerd in de Koerilen, voor het uitvoeren van hun missie, de Aanval op Pearl Harbor. Hideki claimde hier niets van af te weten en of dit al dan niet echt zo was is nog altijd niet duidelijk. Maar toen hij op de viering van het anti-Kominternpact een paar dagen na het begin van de missie een toespraak hield kon men wel afleiden dat een aanval van Japanse zijde imminent was.
Keizer Hirohito wou het niet zo ver laten komen en vroeg zich af of er niets meer kon gedaan worden om de oorlog af te wenden. Tezamen met een raad van adviseurs, waaronder Konoe, besprak Hirohito het hele gebeuren nog eens met de premier. Hideki, gesteund door zijn kabinet en het hoogste commando oordeelde dat oorlog onvermijdelijk was voor het behoud van Japan. Er was geen weg meer terug, en hij stelde dat Japan er niet zo slecht voor stond. Als het de Pacific Fleet kon uitschakelen en de grondstoffen van Nederlands-IndiŽ kon veroveren dan had Japan een stabiel gebied veroverd waar het zou kunnen blijven standhouden. Hideki stelde zelfs voor dat als er andere waren met betere ideeŽn dat die dan nu naar voren stapte maar niemand had blijkbaar een beter voorstel. Op 2 december verklaarde Hideki dat Japan ten strijde zou trekken tegen de VS, Groot-BrittanniŽ en Nederland. Door de overdreven en zelfs absurde eisen van Amerika en de toenemende militaire en economische druk van deze grootmacht op Japan moest er nu iets gebeuren. En Japan had net de top bereikt van zijn militaire capaciteit.
Het begin van WO II voor Japan
Hideki Tōjō en de rest van Japan mochten in de maanden die volgden twee keer juichen. Eenmaal na de Aanval op Pearl Harbor die door de Japanners als een groot succes werd bekeken. Ook na de verovering van de Britse basis in Singapore, werd er stevig gevierd. Hideki zette het parlement in vuur en vlam door de ultieme overwinning te beloven en luid de kreet "Banzai"[4] te roepen. De triomftocht van Japan zette zich ook nadien verder. Op 12 maart konden ze opnieuw vieren, ditmaal voor de verovering van Nederlands-IndiŽ en de val van de Birmaanse hoofdstad Rangoon. Deze hoofdstad werd ingenomen door Thaise troepen die zich aan de kant van Japan hadden geschaard. Hideki zelf werd beloond met de hoogste eer die men van Thailand kon krijgen, de Orde van de Witte Olifant.
De oorlog eiste zijn tol bij de tegenstanders en velen gaven zich ook over: deze gevangenen leidden echter een hard en zwaar bestaan. Mensonwaardig was in vele gevallen niet ontoepasselijk. Deze "slaven" moesten zware arbeid verrichten en werden vaak bespot en mishandeld door de Japanse officieren. Niet alleen hoger geplaatste officieren en ministers maar ook Hideki Tōjō zag dit allemaal door de vingers en later zou dit zich dan ook op hem wreken. Er bestaan genoeg rapporten die uitgebreid de wanpraktijken beschrijven. Mede hierdoor stond Hideki tijdens het Proces van Tōkyō terecht voor misdaden tegen de mensheid. Tōjō gaf later zelf toe dat hij van het bestaan van deze praktijken afwist. Hij had er zelfs vragen over gesteld tijdens een bezoek aan de Filipijnen. Hideki vond dat hij reden genoeg had om dit door de vingers te zien. Zijn visie was dat in het Japanse leger een officier een missie kreeg, maar hoe deze die invulde, werd volledig overgelaten aan de officier.
Toen er een spoorweg moest worden gebouwd tussen Thailand en Birma liet Hideki zich weer van zijn slechtste kant zien. Hij zei dat de oorlogsgevangenen best gebruikt konden worden voor het meehelpen met het opzetten van deze treinverbinding. Pas na lang aandringen van Mamoru Shigemitsu(重光 葵), zijn minister van Buitenlandse Zaken, gaf hij het bevel voor het opstellen van een rapport over deze wanpraktijken. Toen hij het rapport ontving, gaf hij het door aan beter geplaatste mensen die hier meer mee konden aanvangen. Hideki zelf beval enkel de aanklaging van een officier die zijn boekje wel erg te buiten was gegaan.
De eerste grote nederlaag
Tojo te Manilla in 1943
De slag om Midway was voor de Japanners de eerste echt grote tegenslag. Admiraal Isoroku Yamamoto die de aanval op dit eiland leidde was niet voorbereid op de intelligentie van de geallieerde troepen. Het bezit van een radar was van groot belang voor de Amerikanen maar ook strategisch waren ze efficiŽnter. Uiteindelijk verloor Japan vier vliegdekschepen, de helft van de gehele Japanse vloot. Na deze nederlaag sprak Hideki het land wederom toe. Hij beloofde om door te vechten zolang het nodig was om de vijand te vermorzelen. Zelf was hij ervan overtuigd dat Japan economisch, militair en politiek sterk genoeg stond om de oorlog te winnen. Over de nederlaag in Midway sprak hij met geen woord.
Maar rond die tijd werd Hideki zelf het slachtoffer van een proces dat hijzelf altijd had gesteund. Vroeger was hij van mening dat het goed was dat het leger soms eens actie ondernam zonder politieke interventie. Maar nu begon dit systeem zich tegen hem te wreken. Als de premier geen stem heeft in het beslissen van sommige militaire acties dan kan een land geen oorlog winnen, vond hij zelf na de oorlog. De reden waarom hij in de speech geen melding had gemaakt van de nederlaag was dat hij zelf pas een maand later op de hoogte was gebracht van deze mislukking.
In de kranten en op de radio werd Hideki evenwel ten hemel geprezen. Veel tijd bracht hij door met het bezoeken van oorlogsfabrieken, vissersdorpen etc... Overal waar hij kwam was men onder de indruk van zijn uitstraling. Ook zijn persoonlijk motto, hard werken en je komt er wel, werd overal verspreid. Bijvoorbeeld toen vissers van een visserij klaagden over een tekort aan benzine riep hij luidkeels:
"Benzine, Benzine. Wie geeft er nu om benzine. Sta gewoon vroeger op!"
Hij had zelfs de tijd om een geallieerden gevangenenkamp te bezoeken. Getuigen van dit bezoek omschreven hem als een vriendelijk uitziende oude man die wel degelijk gaf om het lot van de gevangenen.
Het werd stilaan duidelijk dat Japan meer verliezen begon te tellen dan overwinningen. In Japan zelf werd alles stil gehouden door de pers om het moreel niet nog meer naar beneden te halen. De redevoeringen van Hideki veranderden ook in toon, hij verkondigde na nog meer verliezen van Japan dat als men de oorlog zou verliezen dat dit zou komen door een verdeelde publieke opinie. Tōjō zag dat het slecht ging met de natie, mede door een verdeelde mening tussen de marine, het leger en de politici. Hij wou dit probleem verhelpen maar zag maar weinig of geen oplossingen. En dus zocht hij toevlucht tot Mamoru Shigemitsu, voormalig ambassadeur in Londen. Misschien kon Hideki door het verbeteren van de relaties met de andere Aziatische landen de Japanse natie militair versterken. Maar Brits-IndiŽ, in wie Hideki de grootste potentiŽle bondgenoot zag weigerde enige associatie met Japan.[bron?] Ook de andere Aziatische landen waren onvermurwbaar en bogen niet voor Japan.

Tojo in uniform

 

 

Tojo met zijn ministers

 

 

Tojo te Manilla in 1943

Tojo op zijn proces

Ondergang
De strategische situatie van Japan verslechterde steeds meer, ondanks heftig en suÔcidaal verzet van vrijwel alle Japanse militairen. Op 16 en 17 februari 1944 lanceerden de Amerikanen een zware aanval op het Japanse hoofdkwartier op het eiland Truk, tegenwoordig bekend als Chuuk in de Carolinen, waarbij veel schepen en troepen aan boord werden vernietigd. Dit werd ook meegedeeld in het parlement door de eerste minister. Hij waarschuwde Japan er ook voor dat de moeilijkheden voor Japan nog veel groter zouden worden en dat het maar de vraag was of Japan de oorlog zou winnen. Op 20 februari nam Hideki dan toch de volledige controle over het leger. Hij eigende zichzelf de positie van Hoofd van het Leger toe en combineerde zo als eerste deze positie met het premierschap en de leiding van de kabinetten van Munitie, Onderwijs en Oorlog. 'Total Tōjō' werd zijn nieuwe bijnaam.
Het beleid van Tōjō kreeg steeds meer kritiek en velen raadden hem aan de oorlog te beŽindigen. Zo ook de Jushin, een raad van voormalige ministers en premiers. Hideki wou hier echter niets van weten en dacht dat de Jushin van plan was om hem te ontslaan. Door het verlies van het eiland Saipan in de Marianen werden de tegenstanders nog aangemoedigd in hun plannen tot het smeden van een complot tegen Hideki Tōjō. De tijd was gekomen dat Hideki de verantwoordelijkheid van de mislukking op moest eisen maar hij weigerde koppig om op te geven. Hij stelde zelfs voor aan Kido dat de keizer hem gratie moest verlenen voor het mogelijk verliezen van de oorlog. Hideki wou zelfs leden van de Jushin opnemen in zijn regering om te voorkomen dat hij zou worden ontheven van zijn functie.
Het pakte echter anders uit. In een onderlinge afspraak tussen de leden van de Jushin was er besloten dat de keizer moest worden geadviseerd om Hideki Tōjō te ontslaan. Tōjō wou nog allerlei wijzigingen in zijn kabinet aanbrengen, maar hij stuitte op algemeen verzet. Ook Kishi, een van zijn jongste protťgťs, had hem in de steek gelaten. Dit kwam hard aan bij Hideki, en enkele dagen later vertelde dezelfde Kishi dat hij zou aftreden als het voltallige kabinet samen met hem zou aftreden. Zelfs na aandringen van een in tranen uitgebroken Tōjō weigerde hij toe te geven. Na de aanstelling van de nieuwe premier, een voormalig Kantō-leger generaal, Koiso(小磯) accepteerde Hideki zijn nederlaag. Op 18 juli trad hij af als eerste minister.
Diezelfde dag nog had hij aan zijn vrouw verteld om zich voor te bereiden om naar huis te gaan. Dit kwam geheel onverwacht voor haar. Zij had gedacht dat alleen de dood hem zou stoppen. Maar Hideki vertelde haar dat hij meende zijn verantwoordelijkheden niet te hebben ontlopen, maar dat hij alles had gedaan wat in zijn macht lag en de omstandigheden het nu voor hem onmogelijk maakten om aan te blijven als premier. En dus keerde hij terug naar zijn ouderlijke huis in Tokyo.
Voor Tōjō was dit een persoonlijk drama; hij moest een totaal ander levensritme aannemen. Voordien had hij vaak genoeg tegen zijn vrouw gezegd dat officier zijn een 24 op 24 uur bezigheid was. Nu had hij echter tijd over en wist hij niet hoe die te gebruiken. Haiku en Waka schrijven was niet zijn ding geweest en ook shogi of go kon hem niet meer boeien. Ondertussen moest Hideki met ontzetting toekijken hoe de oorlog volledig de verkeerde kant opging voor Japan. Hij luisterde dagelijks naar de radio en volgde het nieuws in de kranten. Na het verlies van Saipan in juni 1944 rukten de Amerikanen verder op naar het eiland Iwo Jima, waar het stuitte op hevig verzet.
In januari 1945 nodigde keizer Hirohito alle staatslieden uit om hun visie op de oorlogssituatie te verkrijgen. Als voormalig premier en dus nu ook lid van de Jushin mocht Tōjō op 26 februari op bezoek bij de keizer komen. Nu werd duidelijk hoe verward Hideki was geworden. Ook al waren de Filipijnen verloren, en daarmee de aanvoer van vitale natuurlijke hulpbronnen afgesneden, toch kon Tōjō de algemene situatie niet echt vatten. Hij vertelde de keizer dat Japan de oorlog kon overleven, dat de legers nog in Mantsjoerije en Korea genoeg waren om de natie te verdedigen en dat de luchtaanvallen uitgevoerd op de Japanse steden in niets te vergelijken waren met die op de Duitsers. Alles zou verslechteren maar als iedereen zich zou kunnen verenigen onder de keizer dan zou alles in orde komen.
Kort hierna trad Koiso af als eerste minister en moest er weer overlegd worden wie de nieuwe premier zou worden. Ook Tōjō nam deel aan deze debatten en vond dat een generaal nog altijd de beste keuze was. Hijzelf stelde dan ook generaal Hata voor. Maar Konoe en Kido waren het roerend oneens met Tōjō en stelden voor om iemand te verkiezen die niet de kant koos van het leger, maar voor Japan, om zo te redden wat er nog te redden viel. Japan werd bedreigd aan alle kanten. Steden als Ōsaka waren al volledig platgebombardeerd. Toen Hitler op 30 april zelfmoord pleegde en Duitsland enkele dagen later capituleerde, stond Japan er alleen voor.
In steden als Tōkyō, Ōsaka en Kōbe hield het gewone leven op, elke dag was een dag van nieuwe terreur en helse bommen die de lucht bleven vullen. Toch hielden de generaals voet bij stuk en dachten ze dat ťťn overwinning voldoende zou zijn om het tij te doen keren. En die overwinning moest dan maar plaatsvinden op Japanse bodem. Elke man, vrouw of kind werd ingezet om de geallieerden te weren uit het land. Onderhandelingen aanknopen voor vrede was ondenkbaar voor de geallieerden als er nog soldaten bereid waren om te vechten. Ze vroegen een volledige overgave van alle gewapende regimenten en soldaten of anders zou men Japan volledig verwoesten. De Japanners geloofden dit dreigement spijtig genoeg niet. Op 6 augustus veranderde Japan in een hel. De eerste atoombom was gelost op Hiroshima en had de totale verwoesting van deze stad tot gevolg.
Kort hierop volgde de aanval op Nagasaki en er waren geruchten dat het volgende doelwit Tōkyō zou zijn. Hideki Tōjō geloofde de geruchten, en raadde zijn vrouw en familie aan om de stad te ontvluchten. Hij zou blijven aangezien opgeven niet in hem zat en de keizer misschien nog een beroep op hem zou doen. Op 15 augustus verklaarde keizer Hirohito dat Japan akkoord zou gaan met de Verklaring van Potsdam en de gevechten zou staken. Vele jonge officieren kwamen dit met Hideki bespreken, maar deze bleef heel nuchter. Hideki vond dat het de wil van de keizer en de regering was en die moest dus gehoorzaamd worden. In de dagen die volgden bezette het leger van Generaal Douglas MacArthur zowel Yokohama als Tōkyō en hadden de troepen van Stalin het Kantō-leger in Mantsjoerije overmeesterd.
De bezetting door de geallieerden zorgde voor een verandering in de gedachtegang van Hideki Tōjō. Hij stuurde zijn vrouw en kinderen op weg naar andere familieleden in Kyūshū. Het was duidelijk dat the razor[5] van plan was om zijn eigen leven te ontnemen na het horen van de overgave. Voor hem moest een soldaat altijd klaar zijn om de dood te aanvaarden. De geruchten dat Hideki zijn leven zou beŽindigen hadden ook al de regering bereikt en Tōjō werd in een brief van Generaal Shimomura(下村) naar zijn verdere intenties gevraagd. Hideki repliceerde dat hij bereid was om de volledige verantwoordelijkheid van de oorlog op zich te nemen maar dat hij geen aanstalten maakte om dit voor de regering en de overwinnaars te verklaren.
Zelfmoordpoging
Na een interview te hebben afgelegd wist Hideki dat weldra de tijd zou komen dat MacArthur hem zou oproepen om een verklaring af te leggen. Op 11 september 1945 kwamen twee agenten die welbekend waren bij de familie Tōjō langs om 'even' met Hideki te spreken. Deze stuurde ze echter weg en sloot de deur achter zich. Rondom het huis hadden zich in die tijd verscheidene patrouilles gevestigd. De geallieerden waren uiteindelijk gekomen om hem op te halen. Na door een klein raampje te vragen aan de omstaanders of ze een arrestatiebevel konden voorleggen sloot hij zich helemaal op en kort daarna volgde er een geweerschot. De geallieerden die hierop binnen vlogen vonden Hideki Tōjō, onderuitgezakt met de blik gericht naar het paleis, in de zetel met een schot ter hoogte van het hart. De commotie die volgde was uitzinnig. Amerikanen die door elkaar zaten te roepen, journalisten en fotografen die gretig het nieuws vastlegden en bezorgde inwoners en een dokter die Hideki probeerde te redden maar verklaarde dat de toestand hopeloos was.
De ironie van het hele gebeuren was dat Hideki uiteindelijk toch nog overleefde. Hij werd gered door uitgerekend een Amerikaanse dokter die net op tijd toekwam met een ambulance en het broodnodige (Amerikaans) bloed toediende bij de voormalige premier. Na deze mislukte zelfmoordpoging regende het bakken kritiek, en heel de wereld mokte met Hideki. Het feit dat de gefaalde oorlogsleider nog niet eens zijn eigen dood kon waarmaken werd met hoongelach onthaald. Overal werden valse feiten omtrent Hideki verspreid, zoals bv. een vermeende buitenechtelijke relatie met een actrice. In Tōkyō zelf werd er met Hideki gespot tijdens verscheidene theatervoorstellingen. Er waren zelfs theorieŽn dat Hideki zijn zelfmoord zou gefaked hebben maar de kogel had zijn hart maar op enkele millimeters gemist en dus was het duidelijk dat zelfmoord zijn uitendelijke doel geweest was. Ook had een dokter genaamd Suzuki een kruis over de plek getekend waar hij moest schieten.
Tokyo Tribunaal
Op 3 mei 1946, begon het proces tegen oorlogsmisdadigers tijdens WO II. Hideki zat al die tijd al in de Sugamo-gevangenis (巢鴨拘置所)en een tijdje ervoor in de gevangenis van Omori waar ze slecht werden behandeld. Hideki's vrouw mocht haar man elke week twee keer bezoeken. Voor velen was de aanwezigheid van Hideki Tōjō een eer. Zoals luitenant-kolonel Kenworthy die de leiding had over het aanwezige poltiekorps dat de orde tijdens het proces moest handhaven. In een artikel van een Japanse krant schrijft Kenworthy dat hij nooit de indruk had dat hun relatie die van gevangenen en bewaker was. Hij vond het eerder een meester-leerling relatie. Hideki, stelde Kenworthy, heeft hem geduld en verdraagzaamheid bijgebracht. Ook voor andere gevangen was Tōjō een licht in de duisternis, iemand die de moraal hoog hield en zijn medegevangenen steunde in de moeilijke tijden.
De hoofdaanklager, Joseph Keenan, kon maar weinig animo in het proces krijgen en door de vele nodige vertalingen was het hele gebeuren een slaapverwekkende vertoning. Buiten op de eerste dag waar de later gek verklaarde dokter Okawa, Hideki een klap op het hoofd gaf, hing er in het gerechtsgebouw maar een gespannen en gestresseerde sfeer. Tijdens de ondervraging van Hideki Tōjō kreeg de buitenwereld het beeld van een sympathiek en imposant man te zien. In tegenstelling tot de stijve aanklager was Hideki ontspannen doorheen het hele proces, maar achter zijn zorgvuldig opgebouwde muur van geduld bleek een heel ander persoon te zitten. Iemand die het einde zo snel mogelijk tegemoet wou gaan.
Zijn verhaal
Vooral de buitenlands pers zat te wachten tot de dag dat Hideki's ondervraging startte. Aangezien de keizer niet verantwoordelijk werd gehouden, mede door de hulp van Generaal MacArthur , werd Hideki Tōjō aanzien als de 'grote' schuldige. Al snel bleek dat Hideki de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor de beslissing van Japan om ten strijde te trekken. Hij was van mening dat die beslissing uitgelokt was door Groot-BrittanniŽ en de VS die al doorheen de jaren 30 Japan aan het provoceren waren. Door de economische sancties van China en Amerika had Japan een kritiek punt bereikt en was de volgende stap een keuze tussen een mogelijke overwinning of vernietiging van Japan. Hideki getuigde ook dat de Aanval op Pearl Harbor niet als een sneak attack was bedoeld.
Dan was er het probleem van de behandeling van de oorlogsgevangenen. Ook hier vertelde hij dat het niet zijn opzet was dat de Japanse officieren zich zo wreed gedroegen. De rapporten van deze onmenselijke toestanden stuurde Hideki door naar het bureau dat daarvoor bevoegd was. Maar zijn eigen macht om hieraan iets te doen werd beperkt door de vrije hand die de officier ter plaatse had. Terloops vermeldde hij ook nog dat de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog al sinds de Middeleeuwen bezig waren met onmenselijke praktijken in AziŽ. Ook de kwestie van raciale gelijkheid die Japan wou afdwingen in Versailles werd geweigerd door de Britten en de VS voegde hij toe. Wat vooral opviel was dat Tōjō de schuld tot zichzelf wou beperken. Hij stelde dat de keizer in geen geval aansprakelijk gehouden kon worden, aangezien die geen vrije keuze had in het doen en laten van de regering.
De uitspraak
Het uiteindelijke vonnis voor alle beklaagden viel tussen 4 en 11 november 1948. Hideki kreeg pas als laatste zijn straf te horen. Hij werd schuldig bevonden voor
Aanklacht 1: een aanvalsoorlog voeren en oorlogvoering in strijd met internationaal recht
Aanklacht 27: niet uitgelokte aanvalsoorlog voeren tegen de Chinese Republiek
Aanklacht 29: niet uitgelokte aanvalsoorlog voeren tegen de Verenigde Staten van Amerika
Aanklacht 31: niet uitgelokte aanvalsoorlog voeren tegen het Britse Gemenebest
Aanklacht 32: niet uitgelokte aanvalsoorlog voeren tegen het Koninkrijk der Nederlanden
Aanklacht 33: aanvalsoorlog voeren tegen de Franse Republiek
Aanklacht 54: bevelen, goedkeuren en toelaten van onmenselijke behandeling van krijgsgevangenen en anderen
Hij werd veroordeeld tot de doodstraf door ophanging. Op de dag dat het vonnis uitgesproken werd bezocht mevrouw Tōjō haar man met hun twee dochters. Ze trof hem in een goede bui aan. Hij vroeg haar enkel nog een boodschap door te geven aan Giichi Miura, een filosoof wiens visie hij bewonderde. Daarna stuurde hij haar weer naar huis, waar Katsuko Ito het uiteindelijke vonnis via de radio te horen kreeg.
Zijn eigen einde had hij al lang van tevoren zien aankomen. Over de straffen van sommige andere was hij evenwel verbaasd. De terugkeer naar zijn cel verliep streng en het gebruik van zijn bril werd hem zelfs ontnomen. Toch sliep hij goed en werden in de ochtend zijn persoonlijke spullen teruggegeven. Persoonlijk was hij tevreden over het feit dat de cel alleen voor hem was en dat er boeddhistische soetra's ter zijner beschikking stonden. Minder blij was hij met de strenge veiligheidsmaatregelen die na de uitspraak opgedreven waren. Zo moest hij een volledig, naar eigen zeggen denigrerend, lichamelijk onderzoek ondergaan om te voorkomen dat er ergens pillen met gif in waren verstopt.
Hideki's ongenoegen werd duidelijk in de brief die hij richtte aan het hoofd van de Sugamogevangenis. In deze brief vermeldde Tōjō dat hij graag met alle eer terecht zou worden gesteld. Ook vroeg hij nog vijf andere zaken:
Dat de lagere rangen zich moesten onthouden van denigrerende kritiek en commentaar.
De vraag naar religieuze vrijheid. Dit was belangrijk voor de rituelen voor en na de dood.
De eis om ťťn keer per dag buiten in het zonlicht te lopen.
De vraag naar het voorzien van een omgeving waarin hij zijn mentale training kan ontwikkelen om zich op de dood voor te bereiden.
De vraag voor de terbeschikkingstelling van een ruimte om van zijn familieleden afscheid te nemen.
Zijn laatste dagen bracht Hideki door met het uitproberen van tanka's maar vooral met het lezen van boeddhistische literatuur. Toen het finale moment eindelijk daar was kwam zijn familie hem nog een laatste bezoek brengen. Vreemd genoeg was de sfeer zeer gespannen en ongemakkelijk. Mevrouw Tōjō weet dit later vooral aan het feit dat ze alles tegen elkaar al hadden gezegd wat er te zeggen viel. Wat Hideki wel opviel was dat zijn kleinste dochter de hele tijd naar zijn geboeide handen staarden. Hierop vertelde hij haar: "Ze kunnen mijn handen en voeten vastbinden maar niemand zal ooit mijn hart vastbinden."
Na hun vertrek overhandigde hij aan de lokale boeddhistische priester een zelfgeschreven haiku voor zijn vrouw en een brief waarin hij haar verzocht om haar eigen leven niet te beŽindigen als eerbetoon aan hemzelf, maar in leven te blijven voor de kinderen. Ook gaf hij de priester zijn persoonlijk testament. Hierin stond ook nog eens zijn visie en laatste woorden. Hij verontschuldigde zich hierin ook tegenover de keizer en de Japanse natie. Over zijn executie schreef hij alleen maar dat hij blij was om zijn schuld ten overstaande van het Japanse volk te kunnen inlossen. Voor zijn executie bezocht hij nog de Boeddhistische tempel en bedankte de priester voor hun samen gespendeerde tijd. Hideki Tōjō stierf om exact 1u30 in de ochtend van 23 december 1948.

 


Isoroku Yamamoto

Isoroku Yamamoto (Japans: 山本 五十六, Yamamoto Isoroku; Nagaoka, 4 april 1884 - Salomonseilanden, 18 april 1943) was een belangrijk Japans admiraal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij ontwierp het plan om de Amerikaanse basis van Pearl Harbor aan te vallen waardoor Amerika in het wereldconflict werd betrokken. Ook tijdens de Slag bij Midway, waarbij Japan zijn overwicht in de Stille Oceaan verloor, en bij de Slag om Guadalcanal was Yamamoto commandant van de Japanse vloot.
In 1905, tijdens de Russisch-Japanse Oorlog, deed hij dienst bij de Japanse marine en verloor twee vingers van zijn linkerhand (zie foto).
Tussen 1919 en 1921 studeerde hij aan de Harvard-universiteit in de Verenigde Staten. Van 1926 tot 1928 vervulde hij er een officiŽle functie bij de Japanse ambassade, waardoor hij de mogelijkheid kreeg door het land te reizen en zich een beeld te vormen van zijn militaire en economische macht. Onder de indruk van wat hij gezien had, verzette hij zich (zonder resultaat) tegen een oorlog met de VS en een bondgenootschap met Duitsland.
Nadat Japanse vliegtuigen in 1937 een Amerikaanse kanonneerboot op de Jangtsekiang hadden beschoten, verontschuldigde Yamamoto zich persoonlijk bij de Amerikaanse ambassadeur. Extreem-rechtse organisaties in zijn land poogden hem uit de weg te ruimen, omdat ze in hem een pro-Amerikaanse verrader zagen. Toch werd hij op 30 augustus 1939 benoemd tot admiraal en chef van de Japanse vloot.
Op 17 september 1940 ondertekenden afgevaardigden van de Japanse regering het Driemogendhedenpact met Duitsland en ItaliŽ. Yamamoto waarschuwde eerste minister Fumimaro Konoe geen oorlog te beginnen tegen de VS, omdat hij wist dat Japan op lange termijn hierbij het onderspit zou delven.
Yamamoto's plicht tegenover de keizer stond boven alles, en toen anderen beslisten dat een oorlog onvermijdelijk was, moest hij zorgen dat zijn land voorbereid was op de strijd. Hij liet twee nieuwe vliegdekschepen bouwen. die hij van groter militair belang achtte dan de slagschepen die op stapel stonden. Yamamoto was ervan overtuigd dat vliegdekschepen, beschermd door kruisers en torpedojagers, de doorslaggevende factor waren in een zeegevecht. De beste slang zal door een zwerm mieren worden overwonnen zei hij. Hij legde nadruk op het verbeteren van de opleiding in aanvallen van op vliegdekschepen gestationeerde vliegtuigen.
Yamamoto kwam tot de conclusie dat het beschermen van Japans logistieke lijnen zoals de olietoevoer uit Nederlands-IndiŽ, onvermijdelijk tot een oorlog met de VS zou leiden. Hij dacht na over een plan om de Amerikaanse marine in haar thuisbasis (zie Aanval op Pearl Harbor) te vernietigen. Daarbij realiseerde hij zich dat Japan zich misschien een jaar staande kon houden, maar dat het moeilijk zou worden om de eindoverwinning te behalen.
Twee weken na zijn 59e verjaardag, op 18 april 1943 vond hij om 9h30 de dood toen zijn Mitsubishi G4M vliegtuig door Amerikaanse P-38 Lightning jachtvliegtuigen werd neergehaald tijdens een rondvlucht vanaf Rabaul langs Japanse steunpunten, bedoeld om het moreel van zijn troepen op te krikken. De aanval kwam nadat het gecodeerde bericht met zijn reisweg was ontcijferd door de Amerikaanse inlichtingendiensten.
Militaire loopbaan
Adelborst (海軍少尉候補生 Kaigun Shōi Kōhosei), Japanse Keizerlijke Marine: 14 november 1904
Luitenant ter Zee 3e klasse (海軍少尉 Kaigun Shōi), Japanse Keizerlijke Marine: 31 augustus 1905
Luitenant ter Zee 2e klasse (海軍中尉 Kaigun Chūi), Japanse Keizerlijke Marine: 29 september 1907
Luitenant ter Zee 2e klasse (oudste categorie) (海軍大尉 Kaigun Daii), Japanse Keizerlijke Marine: 11 oktober 1909
Luitenant ter zee 1e klasse (海軍少佐 Kaigun Shōsa), Japanse Keizerlijke Marine: 13 december 1915
Kapitein-luitenant ter zee (海軍中佐 Kaigun Chūsa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1919
Kapitein-ter-zee (海軍大佐 Kaigun Daisa), Japanse Keizerlijke Marine: 1 december 1923
Schout-bij-nacht (海軍少将 Kaigun Shōshō), Japanse Keizerlijke Marine: 30 november 1929
Vice-Admiraal (元帥、海軍大将 Gensui, Kaigun Taishō), Japanse Keizerlijke Marine: 15 november 1934
Luitenant-admiraal (大元帥 Dai-gensui), Japanse Keizerlijke Marine: 15 november 1940
Admiraal (元帥、海軍大将 Gensui-kaigun-taishō) , Japanse Keizerlijke Marine: 18 april 1943 (Postuum)
Decoraties
Borstster in de Chrysanthemumorde (Postuum) op 18 april 1943
Grootlint van de Orde van de Rijzende Zon met Pauwlonia bloesems
Grootlint in de Orde van de Heilige Schatten
Orde van de Gouden Wouw, 1e Klasse op 23 maart 1939
Orde van de Gouden Wouw, 2e Klasse op 14 mei 1931
Ridderkruis met Eikenloof en Zwaarden op 27 mei 1943

Admiraal Isoroku Yamamoto

Admiraal Isoroku Yamamoto
Geboren 4 april 1884
Nagaoka, Niigata, Japanse Keizerrijk
Overleden 18 april 1943
Bougainville, Salomonseilanden
Begraven Tama Begraafplaats (Fuchu City), Tokio, Japan
Land/partij Flag of Japan (1870-1999).svg Japanse Keizerrijk
Onderdeel Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Dienstjaren 1901 - 1943
Rang Japan-navy-1931-1944-sleeve 30-1-.gif 元帥徽章.svg Admiraal
(元帥、海軍大将
Gensui-kaigun-taishō) (Postuum)
Eenheid Kruiser Nisshin
Leiding over Kruiser Suzu
Akagi, Verenigde Vloot (Rengō Kantai)
Slagen/oorlogen Russisch-Japanse Oorlog
Slag bij Tsushima
Slag op de Gele Zee
Tweede Wereldoorlog
Pacifische Oorlog
Aanval op Pearl Harbor
Operatie Vengeance
Slag bij Midway
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Militair attachť in de Verenigde Staten

 


Tomoyuki Yamashita

Tomoyuki Yamashita (山下 奉文, Yamashita Tomoyuki; Otoyo, 8 november 1885 - Manilla, 23 februari 1946) was een generaal van het Japanse Keizerlijke Leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd het meest bekend door de verovering van de Britse kolonies Malaya en Singapore, die hem de bijnaam "Tijger van Malaya" opleverde. Eerder was hij betrokken geweest bij het Marco Polobrugincident.

Singapore werd door zware kustbatterijen verdedigd, maar Yamashita deed wat de Britten niet hadden verwacht: hij trok dwars door de jungle om de stad vanaf de landzijde aan te vallen. Na zijn verlies tijdens de Slag om Manilla vocht hij door tot de laatste dag van de oorlog. Hij weigerde seppuku en gaf zich op 2 september 1945 over aan de geallieerden. Hij motiveerde dit besluit met de woorden: "Als ik zelfmoord pleeg, moet iemand anders deze schande dragen".

Berechting
Van 29 oktober tot 7 december 1945 werd Generaal Yamashita door een Amerikaans militaire commissie wegens oorlogsmisdaden berecht voor zijn vermeende aandeel in wat bekend zou worden als het Bloedbad van Manilla. Hierbij brachten tussen 4 februari en 3 maart 1945 19.000 Japanse militairen, die in de Filipijnse hoofdstad Manilla door de Amerikanen waren omsingeld, meer dan 100.000 burgers op vaak gruwelijke wijze om het leven. Ook werd hij berecht voor oorlogsmisdaden tijdens de gevechten in Malakka en Singapore.

De snelheid van de rechtsgang leverde veel kritiek op. Tijdens het proces bleek dat er gegronde aanwijzingen waren dat Yamashita, die om bloedvergieten te voorkomen zijn troepen in Manilla eerder juist had bevolen zich terug te trekken, niet op de hoogte van de misdaden was geweest. Bovendien had hij tijdens de Amerikaanse aanval op Manilla zijn troepen niet of nauwelijks kunnen leiden, doordat de verbindingen daarmee juist als gevolg van dat offensief waren verbroken. Daarnaast waren de meeste wreedheden begaan door troepen die niet onder Yamashita's bevel stonden, maar onder dat van Sanji Iwabuchi, viceadmiraal van de Japanse Keizerlijke Marine. Desondanks werd Yamashita ter dood veroordeeld.

Executie
De verdediging van Yamashita ging in beroep bij het Hooggerechtshof van de Filipijnen en het Amerikaanse Hooggerechtshof, maar zonder resultaat. President Truman weigerde een gratieverzoek in behandeling te nemen en liet de zaak over aan generaal MacArthur, de opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in het Verre Oosten. MacArthur bevestigde het vonnis van de militaire commissie. Op 23 februari 1946 werd Yamashita in Los Banos Prison Camp bij Manilla opgehangen.
Militaire loopbaan[bewerken]
Tweede luitenant (少尉 Shōi]), Japanse Keizerlijke Leger: juni 1906
Eerste luitenant (中尉 Chūi), Japanse Keizerlijke Leger: december 1908
Kapitein (rang) (大尉 Taii), Japanse Keizerlijke Leger: mei 1916
Majoor (少佐 Shōsa), Japanse Keizerlijke Leger: februari 1922
Luitenant-kolonel (中佐 Chūsa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1925
Kolonel (大佐 Taisa), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1929
Generaal-majoor (少将 Shōshō), Japanse Keizerlijke Leger: augustus 1934
Luitenant-generaal (中将 Chūjō), Japanse Keizerlijke Leger: november 1937
Generaal (大将 Taishō), Japanse Keizerlijke Leger: februari 1943
Decoraties
Grootlint in de Orde van de Gouden Wouw
Orde van de Rijzende Zon

Tomoyuki Yamashita, 1945

Tomoyuki Yamashita, 1945
Bijnaam "Tijger van Malaya"
"Het Beest van Bataan"
Geboren 8 november 1885
Otoyo, Kochi, Japanse Keizerrijk
Overleden 23 februari 1946
Manilla (Filipijnen)
Begraven Tama Reien Cemetery (Fuchu stad), Tokio, Japan
Land/partij Vlag van Japan Japans Keizerrijk
Onderdeel War flag of the Imperial Japanese Army.svg Japanse Keizerlijke Leger
Dienstjaren 1905 - 1945
Rang 帝國陸軍の階級―襟章―大将.svg Generaal
(大将 Taishō)
Leiding over 4e Divisie
44e Leger
25e Leger
14e Legergroep
14e Legergroep
Slagen/oorlogen Tweede Chinees-Japanse Oorlog
Tweede Wereldoorlog
AziŽ in de Tweede Wereldoorlog
Slag om Singapore
Invasie van Sumatra in 1942
Malaya Campagne
Slag om Manilla (1945)
Slag om Leyte

1-Japans militair in de Tweede Wereldoorlog