Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

1-Italiaans militair in de Tweede Wereldoorlog

 

Pietro Badoglio

Pietro Badoglio (Grazzano Badoglio, 29 juli 1871 - Grazzano Badoglio, 1 november 1956) was een Italiaanse militair en politicus.
Levensloop
Na het dienen in de Eerste Wereldoorlog was hij stafchef van het Italiaanse leger. Hij had een grote invloed op de koning, en toen de parlementaire democratie begin jaren '20 op haar einde liep, werd een benoeming van generaal Badoglio tot premier verwacht. Het was echter Mussolini die de macht greep.
Badoglio werd gouverneur van LibiŽ (1929Ė33) en volgde generaal Emilio De Bono op als bevelhebber bij de Ethiopische verovering, hetgeen hij (1936) succesvol volbracht. Hij werd in de Italiaanse adelstand verheven als hertog van Addis Abeba en verbleef enige tijd in EthiopiŽ als onderkoning. Hij werd leider van de Italiaanse algemene dienst tot 1940. Na de val van Mussolini werd hij door koning Victor Emmanuel III benoemd tot premier van ItaliŽ in 1943. Hij sloot op 8 september een wapenstilstand met de geallieerden en dat terwijl de opmars van de Geallieerden op Italiaans grondgebied in volle gang was en er grote aantallen Duitse troepen aanwezig waren. Op 23 september werd nog eens een gedetailleerder wapenstilstandsverdrag getekend op Malta. Op 13 oktober verklaarde het koninkrijk ItaliŽ de oorlog aan nazi-Duitsland. Hij had echter te kampen met de oppositie in ItaliŽ en trad op 9 juni 1944 af en werd opgevolgd door Ivanoe Bonomi.
Pietro Badoglio ontving de Amerikaanse Army Distinguished Service Medal.
Zijn kleinzoon Duca Gian Luca woont op Villa Rota in Flambruzzo, en bezit veel historische foto's, schilderijen en de tafel waaraan de overeenkomst met de geallieerden werd getekend.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (Sottotenente), Koninklijk Italiaans Leger: 16 november 1890
Eerste luitenant (Primo Tenente), Koninklijk Italiaans Leger: 7 augustus 1892
Kapitein (Capitano), Koninklijk Italiaans Leger: 13 juli 1903
Majoor (Maggiore), Koninklijk Italiaans Leger:
Luitenant-kolonel (Tenente Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 25 februari 1915
Kolonel (Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 25 mei 1916
Brigadegeneraal (Generale di Brigata), Koninklijk Italiaans Leger:
Generaal-majoor (Generale di Divisione), Koninklijk Italiaans Leger: 27 augustus 1916
Luitenant-generaal (Luogetenente Generale), Koninklijk Italiaans Leger:23 augustus 1917
Maarschalk (Maresciallo d'Italia), Koninklijk Italiaans Leger: 17 juni 1926
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Aankondiging in 1929
Orde van de Italiaanse Kroon
Grootkruis op 30 december 1919
Grootofficier op 11 november 1918
Commandeur op 30 december 1917
Ridder op 4 juni 1908
Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
Grootkruis op 17 juli 1921
Commandeur op 18 juni 1920
Grootofficier op 13 september 1917
Grootkruis in de Militaire Orde van Savoye op 6 november 1918
Grootofficier in de Koloniale Orde van de Ster van ItaliŽ
Commandeur in de Orde van het Heilig Graf op 4 december 1939
Herinneringsmedaille voor militaire operaties in Italiaans Oost-Afrika, 1935-36
Herinneringsmedaille voor de Campagne in LibiŽ
Zilveren medaille voor Dapperheid
Bronzen medaille voor Dapperheid
Croce d'oro per anzianitŗ di servizio
Intergeallieerde Medaille
Herinneringsmedaille van de Eenheid van ItaliŽ
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Oostenrijkse Oorlog 1915-1918 (4 jaar van campagne)

Pietro Badoglio in 1921

Pietro Badoglio in 1921
Geboren 29 juli 1871
Grazzano Badoglio, Asti, ItaliŽ
Overleden 1 november 1956
Grazzano Badoglio, Asti, ItaliŽ
Begraven Grazzano Badoglio begraafplaats, Grazzano Badoglio, Asti, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Rang Rank insignia of maresciallo d'Italia of the Italian Army (1940).png
Maarschalk
(Maresciallo d'Italia)
Eenheid Artillerie
Leiding over Stafchef van het Italiaanse leger (1919-1921)
Slagen/oorlogen Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog
Italiaans-Turkse Oorlog
Eerste Wereldoorlog
Slag bij Caporetto
Slag om Vittorio Veneto
Slag om de Piave Rivier
Isonzofront
Tweede Wereldoorlog
Operatie Giant 2
Fall Achse
Grieks-Italiaanse Oorlog
Onderscheidingen Zie onderscheidingen
Ander werk Ambassadeur in BraziliŽ (1924-1925)
Onderkoning van EthiopiŽ
Premier van ItaliŽ (1943-1944)

Emilio Bianchi

Emilio Bianchi' (Sondalo, 22 oktober 1912 - Torre del Lago Puccini, 15 augustus 2015) was een Italiaans militair. Hij behoorde tot de Incursorei (Rangers), de opererende oorlogskikvorsmannen van de Regia Marina tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bianchi werd gehuldigd met de Medaglia d'Oro al Valor Militare (Gouden Medaille voor Militaire Moed).
Zijn carriŤre
Emilio Bianchi werd geboren op 22 oktober 1912 in Sondalo, vlak bij de Italiaanse Alpen. Hij kwam als 19-jarige vrijwilliger bij de Italiaanse marine in maart 1932 en werd als jonge student ingedeeld in Palombaro, waar hij deelnam aan een opleidingscursus in de CREM-Scuola Corpo Reali Equipaggi di Marina (Korps van de Koninklijke Marineschool). Deze marineschool was gelegen in Varignano nabij La Spezia. Nadat de Marineschool voor het eerst begon met een aanschaf van een hydrografische schip, de Ammiraglio Magnaghi, ondernamen ze twee hydrografische cruisetochten in de EgeÔsche Zee en voor de kust van Egypte in de Rode Zee.
In 1934 begon men met het onderzoekingsschip de Fiume met riviercruises, waar Bianchi bevorderd werd tot sottocapo (korporaal), en in 1936 werd hij toegewezen aan de 1e Gruppo Sommergibili van la Spezia. Hij bereikte vervolgens een bevordering tot sergeant in 1937, en ging aan het werk bij de X-Flottiglia MAS, met aanvang van een duikopleiding, die hij vervolgens beŽindigde als officiŽle gevechtsduiker.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de oorlog had hij mede deelgenomen als sergeant-majoor om twee pogingen te ondernemen tegen de Britse vlootbasis van Gibraltar, n.l. in oktober en november 1940. Vervolgens ondernam hij met een duikteam een aanval in de Britse vlootbasis van AlexandriŽ in Egypte, als tweede Siluro, een langzame bemande-torpedo Maiale nį 221, onder leiding van luitenant-ter-zee Luigi Durand de la Penne. De drie Maialeís met 6 gevechtsduikers, werden gedropt vanaf de Italiaanse onderzeeŽr ScirŤ, in de nacht van 18 december 1941. Na het passeren van de stuwdammen kwamen de drie Maialeís onder water varend, in de haven en brachten elk hun respectievelijke explosieven onder de kielen van de uitgekozen schepen. Bianchi bracht ook zijn kleefmijn onder de kiel van het slagschip HMS Valiant, De Valiant zonk in de vroege ochtend van 19 december, nadat het aanvallende duikersteam al krijgsgevangen waren genomen aan boord van het slagschip.
Bianchi werd echter opgemerkt doordat hij noodgedwongen naar de oppervlakte moest zwemmen, als gevolg van zuurstofvergiftiging. Ook als gevolg van het harde werk dat verricht werd tijdens de vijf uren durende onderwateroperatie, werd hij gedwongen om terug te gaan naar de oppervlakte, waar hij werd ontdekt door de Britse dekwachten. Samen met zijn bevelhebber Luigi Durand de la Penne en al de andere duikers, werd hij opgesloten in een afgesloten coupť op een legertrein, in de onmiddellijke nabijheid van Santabarbara, een Brits munitiedepot...
Doordat de slagschepen HMS Valiant, HMS Queen Elisabeth en een tanker, door hen tot zinken waren gebracht Ė weliswaar op de ondiepe havenbodem - werden ze van boord gehaald en vandaar op een bewaakte trein gezet. Bianchi en de anderen werden weggevoerd naar een krijgsgevangenkamp in Palestina en hij keerde pas terug uit krijgsgevangenschap op het eind van de oorlog. Enkele mannen van het duikteam werden voorwaardelijk vrijgelaten na de Italiaanse capitulatie, in ruil voor actieve deelname aan de oorlog, maar nu samen met de geallieerden tegen de Duitsers, hun voormalige bondgenoten.
Na de oorlog
Bianchi werd gepromoveerd met de Oorlogsverdiensten als Chef van de 3e- en 2e Klasse-Duikers in 1954. Nadien werd hij als promotie Chef en Hoofd van de 1e Klasse-Duikers. Deze bevordering werd hem gegund na de oorlog voor de stoutmoedige commando-actie in de haven van AlexandriŽ in Egypte met daarbij nog een huldiging met het Medaglia d'oro al Valor Militare.
Naarmate hij nog offieel in dienst was bij het CEMM (Corpo Equipaggi Militari Marittimi) (Korps Militaire Maritieme Eenheid), werd hij later opeenvolgend overgeplaatst naar het Centro Subacqueo del Varignano (Centrum van het Onderwaterwapen te Varignano), de Nucleo Sminamento di Genova (de Ondermijnings Eenheid van Genua) en ten slotte naar de l'Accademia Navale di Livorno (Marine Academie van Livorno). Emilio Bianchi beŽindigde zijn carriŤre als Korvetkapitein bij de Marina Militare en ging met pensioen.
Op de 25e Verjaardag in 1966 bracht Emilio Bianchi samen met Luigi Durand de la Penne en Mario Marino, met een groot gevolg, een officieel bezoek aan het Maritiem Museum in La Spezia waar een Maiale tentoongesteld stond.
Tijdens de 50e Verjaardag op 9 juni 1991 in La Spezia, was Bianchi aanwezig tijdens de Ceremonieherdenking aan boord van een Italiaans marineschip. Aanwezig waren de voormalige gevechtsduikers: Birindelli, Barberi, Beccati, de la Penne, Marceglia, Bianchi, Marisco, Arillo, Ferrara en Marcellini, alle gehuldigden met de Gouden Medaille voor Militaire Moed. Hierbij werden vooral majoor Teseo Tesei en alle andere gesneuvelden herdacht.
Militaire loopbaan
Korvetkapitein (Capitano di corvetta)
Onderofficier (Capo di 1a Classe)
Onderofficier (Capo di 2a Classe) in 1941
Onderofficier (Capo di 3a Classe) in 1941
Sergeant in 1937
Korporaal (Sottocapo) in 1934
Onderscheiding
Gouden medaille voor Dapperheid

Afbeeldingsresultaat voor Emilio Bianchi

Emilio Bianchi
Geboren 22 oktober 1912
Sondalo, Sondrio, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 15 augustus 2015
Torre del Lago Puccini
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1861-1946) crowned.svg Regia Marina
Rang Rank insignia of capitano di corvetta of the Italian Navy.svg
Korvetkapitein
(Capitano di corvetta)
Eenheid La Decima or X™ MAS
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie onderscheiding
Portaal Portaalicoon Tweede Wereldoorlog
 

Ugo Cavallero

Ugo Cavallero (Casale Monferrato, 20 september 1880 - Frascati, 14 september 1943) was een Italiaans generaal die vocht in de Eerste Wereldoorlog en in de Tweede Wereldoorlog.
Beginjaren
Ugo Cavallero studeerde wiskunde in Turijn. Hij nam deel aan de Italiaans-Turkse Oorlog.
Eerste Wereldoorlog
In de Eerste Wereldoorlog onderscheidde hij zich bij de terugtocht uit Caporetto. In 1918 vocht hij in de slag aan de Piave en de slag bij Vittorio Veneto. Hij werd op pas 38-jarige leeftijd generaal. Hij vertegenwoordigde ItaliŽ bij het Verdrag van Versailles in 1919.
Interbellum
Hij werd directeur-generaal bij Pirelli. Van mei 1925 tot november 1928 was hij secretaris bij het ministerie van oorlog onder Benito Mussolini. In 1926 werd hij senator. In 1928 werd hij verheven tot graaf. In 1928 werd hij voorzitter van Ansaldo. Van 1937 tot 1939 kreeg hij het bevel over de Italiaanse troepen in Italiaans Oost-Afrika. In 1939 werd hij ondervoorzitter van de economische en militaire commissie voor uitvoering van het Staalpact met Duitsland.
Tweede Wereldoorlog
In december 1940 werd hij met terugwerkende kracht tot 1934 bevelhebber van het legerkorps. Op 4 december 1940 werd hij hoofd van de generale staf ter vervanging van Pietro Badoglio. De twee hadden meermaals ruzie gemaakt. Hij kreeg het bevel van het leger in AlbaniŽ ter vervanging van generaal Ubaldo Soddu. Ugo Cavallero werkte nauw samen met Albert Kesselring, maar had geen hoge dunk van Erwin Rommel. Op 14 februari 1942 kreeg hij het IJzeren Kruis (Duitsland). Op 1 juli 1942 werd hij bevorderd tot maarschalk, nadat Erwin Rommel tot veldmaarschalk bevorderd was. In juli 1943 hadden de geallieerden LibiŽ ingenomen en werd Cavallero vervangen door Vittorio Ambrosio. De fascist Galeazzo Ciano drukte zijn vreugde uit over het ontslag.
Op 25 juli 1943 na de val van Mussolini liet de ondertussen premier geworden Badoglio Ugo Cavallero arresteren op beschuldiging een staatsgreep te beramen. Vanwege zijn rang van senator moest hij niet in de gevangenis, maar kreeg hij huisarrest in een paleis. Op voorspraak van Victor Emanuel III werd hij vrijgelaten. Eind augustus werd hij opnieuw gearresteerd en opgesloten in Fort Boccea.
Op 12 september 1943 werd hij door de Duitsers bevrijd en werd hij naar Frascati gebracht. Veldmaarschalk Albert Kesselring stelde hem in naam van Adolf Hitler voor om het Italiaanse leger te leiden. Hij weigerde en werd in de ochtend van 14 september 1943 in de tuin van hotel BelvedŤre dood teruggevonden met een pistoolschot door zijn hoofd.
Militaire loopbaan
Tweede luitenant (Sottotenente), Koninklijk Italiaans Leger: 1900
Eerste luitenant (Primo Tenente), Koninklijk Italiaans Leger: 1904
Kapitein (Capitano), Koninklijk Italiaans Leger: februari 1912
Majoor (Maggiore), Koninklijk Italiaans Leger: oktober 1915
Luitenant-kolonel (Tenente Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 31 mei 1917
Kolonel (Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 21 oktober 1917
Brigadegeneraal (Generale di Brigata), Koninklijk Italiaans Leger: 12 december 1918
Generaal-majoor (Generale di Divisione), Koninklijk Italiaans Leger: 13 oktober 1927
Luitenant-generaal (Luogetenente Generale), Koninklijk Italiaans Leger: 16 juni 1934
Generaal (Generale d'armata), Koninklijk Italiaans Leger: 10 mei 1940
Maarschalk (Maresciallo d'Italia), Koninklijk Italiaans Leger: 1 juli 1942
Onderscheidingen
Orde van de Italiaanse Kroon
Grootofficier op 18 december 1921
Commandeur op 8 augustus 1920
Officier op 29 december 1918
Ridder op 4 juni 1914
Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
Commandeur op 11 juni 1925
Officier op 21 september 1921
Ridder op 13 september 1917
Militaire Orde van Savoye
Officier op 27 juni 1918
Ridder op 12 augustus 1916
Ridder in de Koloniale Orde van de Ster van ItaliŽ op 3 april 1924
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Turkse Oorlog van 1911-1912
Oorlogskruis[2]
Croce d'oro per anzianitŗ di servizio (40 dienstjaren)
Gouden medaille voor Dapperheid in december 1942
Bronzen medaille voor Dapperheid op 16 mei 1913
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Oostenrijkse Oorlog 1915-1918
Herdenkingsmedaille van de Eenheid van ItaliŽ
Overwinningsmedaille
Ridderkruis op 14 februari 1942
Ridder Grootkruis in de Orde van Malta

Ugo Cavallero met Erwin Rommel

Ugo Cavallero met Erwin Rommel
Geboren 20 september 1880
Casale Monferrato, Alessandria, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 14 september 1943
Frascati, Lazio, ItaliŽ
Begraven Parrocchia di Ponzano Monferrato, Ponzano Monferrato, Alessandria (provincie), PiŽmont, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Dienstjaren 1900 - 1943
Rang Rank insignia of maresciallo d'Italia of the Italian Army (1940).png Maresciallo d'Italia
Leiding over Chef van de Generale Staf (6 december 1940-1 februari 1943)
Comando Supremo
Slagen/oorlogen Italiaans-Turkse Oorlog
Eerste Wereldoorlog
Slag bij Vittorio Veneto
Slag aan de Piave
Italiaans-Oost-Afrika
Tweede Wereldoorlog
Grieks-Italiaanse Oorlog
Onderscheidingen Zie onderscheidingen
Ander werk Bestuursvoorzitter van Pirelli
Staatssecretaris bij het Ministerie van Oorlog (4 mei 1925-24 november 1928)

Emilio De Bono

Emilio De Bono (Cassano d'Adda, 19 maart 1866 - Verona, 11 januari 1944) was een Italiaans militair en fascistisch politicus.
CarriŤre
De Bono vocht tijdens de Eritrea-oorlog (1887), de Italiaans-Turkse Oorlog (1911) en tijdens de Eerste Wereldoorlog (1915-1918) in het Italiaanse leger. In 1915 werd hij commandant van het 15de Regiment Bersaglieri en in 1918 werd hij commandant van het 9de Legerkorps. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd De Bono bevorderd tot luitenant-generaal. Na de oorlog werd hij een van de commandanten van de arditi (elitekorps van het leger) en sloot hij zich aan bij de fascistische beweging. In 1921 werd hij lid van de Nationale Fascistische Partij van Benito Mussolini en in datzelfde jaar in de Kamer van Afgevaardigden gekozen.
Fascistische machtsovername
Tijdens de Mars op Rome (28 oktober 1922) was hij ťťn van de leden van het quadrumviri (viermanschap) dat de mars leidde.
Na de fascistische machtsovername werd hij senator en politiechef (1923). Zijn naam werd echter in verband gebracht met de moord op Giacomo Matteotti, de antifascistische socialistische volksvertegenwoordiger (1924), waarna De Bono tot aftreden werd gedwongen als politiechef. Van 1925 tot 1929 was hij gouverneur van Italiaans-LibiŽ en daarna minister van KoloniŽn (1929).
In 1929 werd De Bono tot generaal bevorderd en in 1935 tijdens de oorlog tegen EthiopiŽ, trad hij op als opperbevelhebber van het Italiaanse koloniale leger. In 1936 werd hij maarschalk van ItaliŽ. Hij was onderscheiden met de zilveren Medaille voor Militaire Dapperheid, een hoge Italiaanse onderscheiding. Hij was ook commandeur en later grootkruis in de Militaire Orde van Savoye en een van de weinige grootkruisen in de exclusieve Koloniale Orde van de Ster.
Emilio de Bono was katholiek en van adel en was een van de rechtsridders in de Orde van Malta
Val
Op 24 juli 1943 stemde De Bono als lid van de Fascistische Grote Raad voor de motie van Dino Grandi en was dus voor de afzetting van Mussolini als dictator. Als gevolg van deze keuze werd hij in Noord-ItaliŽ door fascisten van Mussolini's Italiaanse Sociale Republiek onder huisarrest gesteld. Tijdens een showproces in Verona werd De Bono als verrader ter dood veroordeeld en ondanks zijn hoge leeftijd terechtgesteld.
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Aankondiging op 3 oktober 1937
Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
Grootofficier op 8 april 1923
Commandeur op 30 december 1919
Officier op 12 januari 1919
Ridder op 3 april 1913
Militaire Orde van Savoye
Ridder Grootkruis op 19 juni 1936
Grootofficier op 10 augustus 1928
Commandeur op 19 september 1918
Ridder op 28 december 1913
Orde van de Italiaanse Kroon
Ridder Grootkruis op 14 september 1920
Grootofficier op 1 juni 1919
Commandeur op 13 september 1918
Officier op 13 september 1917
Ridder op 7 november 1907
Ridder Grootkruis in de Koloniale Orde van de Ster van ItaliŽ
Ridder Grootkruis in de Orde van Malta
Herdenkingsmedaille van de campagne in Afrika
Croce d'oro per anzianitŗ di servizio (40 dienstjaren)
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Turkse Oorlog 1911-1912
Zilveren medaille voor Dapperheid
Kruis voor Militaire Moed
Medaglia mauriziana al merito militare di dieci lustri
Herdenkingsmedaille van de Mars op Rome op 28 oktober 1922
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Oostenrijkse Oorlog 1915-1918 (2 jaren campagne)
medaglia ricordo dell'Unitŗ d'Italia 1848-1918

De Bono1.jpg

Geboren 19 maart 1866
Cassano d'Adda, Lombardije, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 11 januari 1944
Verona, Veneto, Koninkrijk ItaliŽ
Begraven Cassano díAdda Begraafplaats, Cassano d'Adda, Milaan (provincie), Lombardia, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Dienstjaren 1884 - 1920
1935 - 1943
Rang Rank insignia of maresciallo d'Italia of the Italian Army (1940).png Maresciallo d'Italia
Slagen/oorlogen Italiaans-Turkse Oorlog
Eerste Wereldoorlog
Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog
Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie onderscheidingen
Ander werk Staatssecretaris bij het Ministerie van KoloniŽn (18 december 1928-12 september 1929)
Minister van KoloniŽn (12 september 1929-17 januari 1935)
Minister van staat

Luigi Durand de la Penne

Luigi Durand de la Penne (Genua, ItaliŽ, 11 februari 1914 Ė Genua, 17 januari 1992), was een Italiaanse marineduiker bij de Regia Marina in het Decima MAS tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Decima Flottiglia MAS (Decima Flottiglia Mezzi d'Assalto, was ook bekend als La Decima o X™ MAS) (Italiaans voor "10e Assault Vehicle Flotilla"). Durand de la Penne werd geboren in Genua, waar hij ook overleden is.
Iride-onderzeeŽr redden bemanning in actie
Op 22 augustus 1940, in de Golf van Bomba, was de Italiaanse onderzeeboot Iride, eigenlijk een "menselijke torpedo"-onderzeeboot, tot zinken gebracht door een torpedo van een Britse Fairey Swordfish-vliegtuig. De luchtaanval gebeurde tijdens een oefening in ondiep water, toen vier Italiaanse "menselijke torpedo"-squadrons in de buurt waren, met inbegrip van Teseo Tesei en Luigi Durand de la Penne.
De duikers waren onmiddellijk in staat om een reddingsactie te ondernemen. Van de 12 Iride-bemanningsleden overleefden negen kikvorsmannen de aanval. Negen kikvorsmannen werden nog levend boven water gebracht, maar twee van hen stierven al snel ten gevolge van hun opgelopen verwondingen. Eťn duiker was in shocktoestand en was niet in staat om zijn gezonken torpedo-onderzeeŽr te verlaten en naar de oppervlakte te zwemmen. De la Penne probeerde om hem naar de oppervlakte te brengen en gaf hem zelfs zijn eigen aqualong, maar de zeeman weigerde en overleed onder water.
Twee aanslagen op vijandelijke Britse schepen die toen waren voorbereid en uitgevoerd door de Italiaanse torpedo-onderzeeŽrs Iride op 22 augustus 1940 en Gondar op 29 september 1940, mislukten echter.
Zinken van HMS Valiant
Hij nam deel in de "menselijke torpedo"-aanvallen op Britse oorlogsschepen in de Middellandse Zee. Op 17 december 1941 was hij een van de zes duikersteams die een aanval leidde en ondernam in de Egyptische haven AlexandriŽ. Tijdens de nacht van 17 december naderde de Italiaanse onderzeeŽr Scirť AlexandriŽ en dropte drie menselijke bestuurbare mini-torpedo-onderzeeboten, genaamd Maiale, met hun kikvorsbemanning; Luigi Durand de la Penne, Vincenzo Martellotta, Antonio Marceglia, Emilio Bianchi, Mario Marino en Spartaco Schergat.
Onderwater varend zaten ze met elk twee duikers achter elkaar, op de bemande torpedo's. De duikers naderden de schepen die ze doelbewust hadden uitgekozen. De bestuurders van de torpedo-onderzeeŽrs lieten hun tuigen op de havenbodem zakken terwijl de andere kikvorsmannen met hun kleefmijnen onder de romp van de schepen zwommen. Daar kleefden ze hun magnetische mijnen met ontstekingsmechanisme tegen de scheepsrompen.
Enkele alerte Britse matrozen aan boord van de schepen hoorden de doffe klap van de magnetische kleefmijn tegen de scheepsromp aanstoten, maar eerder de luchtbellen van de kikvorsmannen verrieden hun aanwezigheid. Ook Emilio Bianchi kwam na 5 uren zwoegen, boven water wegens zuurstofvergiftiging. De Britten sloegen alarm en zoeklichten gingen aan terwijl men naar het wateroppervlak schoot in het schijnsel van het zoeklicht. Ondanks de kogels onder water werd niemand van de Italiaanse duikers geraakt. Alle duikers kwamen boven water en gaven zich over en moesten daarna aan boord komen van HMS Valiant.
Durand de la Penne werd, samen met alle kikvorsmannen, gevangengenomen en hij weigerde op het slagschip aan de kapitein informatie te geven waar de kleefmijnen precies bevestigd waren, tot een paar minuten vůůr hun explosies om de Britse bemanning hun schepen te evacueren. Alle geplaatste kleefmijnen op verscheidene schepen in de haven ontploften op bijna hetzelfde moment. De explosieduurtijd was zo ingesteld dat de Italiaanse duikers al veilig weg zouden geweest zijn vooraleer alles ontplofte.
Twee Britse slagschepen HMS Valiant en HMS Queen Elizabeth werden tot zinken gebracht. De la Penne plaatste persoonlijk zijn kleefmijn onder water tegen de romp van de HMS Valiant. De tanker Sagone (het oorspronkelijke doel was het vliegdekschip HMS Eagle, maar deze was niet in AlexandriŽ aanwezig), werd ondermijnd door de Italiaanse duikers en eveneens beschadigd. Ook de torpedojager HMS Jervis, die naast het tankschip lag om bij te tanken, werd beschadigd.
Hoewel beide slagschepen waren gezonken en op de ondiepe havenbodem lagen, bleven de dekken nog duidelijk boven water uitsteken. Het hele Italiaanse duikersteam werd krijgsgevangen genomen en bij beide schepen bleek het te zijn, dat de vijandelijke operatie ogenschijnlijk niet gelukt was en dat de Royal Navy deze aanslagen, op hun kapitale schepen wilden neutraliseren, maar dit was niet bekend. Zeker was dat de Royal Navy fotoís publiceerde naar de Britse pers, dat er aan de schepen niet zoveel schade was. Dit was ook een anti-propaganda tegenover de vijand om door te laten schijnen dat de Italiaanse raid eigenlijk niet gelukt was.
Met de geallieerden in La Spezia
Na de Italiaanse wapenstilstand op 8 september 1943, werd de la Penne in de gelegenheid gesteld, vrijgelaten te worden uit krijgsgevangenschap, in ruil om de strijd aan te vatten samen met de geallieerden. Hij aanvaardde dit voorstel.
Op 22 juni 1944 nam hij deel aan een gezamenlijke operatie tegen de Duitsers. Een team bestaande uit Britse en Italiaanse duikers werden vervoerd door de Italiaanse torpedojager Grecale voor een aanval in de haven van La Spezia, die op dat moment nog in Duitse handen was. Buiten La Spezia gingen de duikers in zee en zwommen de haven binnen. Het duikersteam bracht de kruisers Gorizia en Bolzano tot zinken, voordat ze gebruikt konden worden voor het blokkeren van de haveningang.
Naoorlogse carriŤre
Na de oorlog verbleef Durand de la Perre bij de Marina Militare. Hij werd gepromoveerd tot Capitano di Fregata (Fregatkapitein) in 1950 en Capitano di Vascello (Kapitein-ter-zee) in 1954. In 1956 werd hij benoemd tot Marine Attachť in BraziliŽ. Hij was ook afgevaardigde van het Italiaanse Parlement als de tweede van de zes Wetgevers als onafhankelijke kandidaat. Hij werd gepensioneerd met de rang van Ammiraglio di Squadra (Vice-admiraal).
Ter ere van hem, werd door de Marina Militare (Italiaanse Marine), zijn naam aan ťťn van haar nieuwste torpedojagers van de Klasse 1993 gegeven, als de Durand de la Penne (D 560) en Francesco Mimbelli (D 561). Luigi Durand de la Penne stierf op 17 januari 1992 in zijn geboortestad Genua. Hij werd net geen 78 jaar toen hij overleed. In Genua werd een wandelpromonade langs de haven naar de pier naar hem vernoemd; Calata Al Molo Vecchio Luigi Durand de la Penne.

Durand de la Penne - VI Legislatura.jpg

Geboren 11 februari 1914
Genua, LiguriŽ, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 17 januari 1992
Genua, LiguriŽ, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Flag of Italy.svg ItaliŽ
Onderdeel Emblem of the Regia Marina.svg Regia Marina
Naval Ensign of Italy.svg Italiaanse Marine
Dienstjaren 1934 Ė 1956
Rang Rank insignia of ammiraglio di squadra of the Italian Navy.svg Viceadmiraal
(Ammiraglio di Squadra)
Eenheid X™ MAS
Slagen/oorlogen Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog
Tweede Wereldoorlog

HMS Valiant

Enzo Emilio Galbiati
 

Enzo Emilio Galbiati (Monza, 23 mei 1897-1982), was een Italiaans fascistisch politicus. In 1920 richtte Galbiati het Actie Squadron van Monza op en werd in 1921 lid van Mussolini's Partito Nazionale Fascista (PNF).

In 1933 werd Galbiati commandant van de Gruppo Legioni di Roma (Legionaire Groep van Rome), een eenheid van de fascistische militie (MVSN). In 1935 werd hij bevelhebber van de in EthiopiŽ opererende 219de eenheid van de Zwarthemden (dat wil zeggen de fascistische militie) en later van het Vittorio Veneto legioen. Tijdens de Italiaanse veldtocht tegen Griekenland (1940-1941) werd hij commandant van de Zwarthemden die onderdeel uitmaakten van het 11de Italiaanse leger. In 1941 was hij bevelhebber van alle in Griekenland strijdende Italiaanse Zwarthemden.

Na de (voor ItaliŽ desastreus verlopen) veldtocht in Griekenland werd Galbiati bevorderd tot luitenant-generaal en werd hij chef van de staf van de fascistische militie MVSN (Milizia Volontaria per la Sicurezza Nazionale). Galbiati werd tevens lid van de Fascistische Grote Raad.

Tijdens de beroemde zitting van de Fascistische Grote Raad op 24 en 25 juli 1943 stemde Galbiati tegen de motie van Dino Grandi en was dus vůůr het aanblijven van Mussolini als Italiaans dictator. De dag daarop werd Mussolini op last van de Italiaanse koning Victor Emmanuel III gearresteerd en werd Galbiati als chef van de staf van de MVSN afgezet. Hij werd enige tijd vastgehouden, maar vestigde zich daarna in het door Duitsland bezette Noord-ItaliŽ.


Militaire loopbaan
Soldaat (Soldato), Koninklijk Italiaans Leger:
Korporaal (Caporale), Koninklijk Italiaans Leger: juli 1917
Tweede luitenant (Sottotenente), Koninklijk Italiaans Leger: 1918
Kolonel (Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 1 juli 1923
Brigadegeneraal (Generale di Brigata), Koninklijk Italiaans Leger: 1 juli 1933
Luitenant-generaal (Luogetenente Generale), Koninklijk Italiaans Leger: 23 december 1939
Onderscheiding
Zilveren medaille voor Dapperheid (Medaglia d'argento al valor militare) (2)

Geboren 23 mei 1897
Monza, Lombardije, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 23 mei 1982
Solbiate, Lombardije, ItaliŽ
Begraven Seborga, LiguriŽ, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Dienstjaren 1917 - 1945
Rang Rank insignia of generale di corpo d'armata of the Italian Army (1940).png
Luitenant-generaal

Rodolfo Graziani, Marghese di Neghell

Rodolfo Graziani, Marghese di Neghelli (Frosinone, 11 augustus 1882 - Rome, 11 januari 1955) was een Italiaans officier.

CarriŤre
Graziani werd in 1923 generaal en bekleedde tot 1936 functies in de Italiaanse koloniŽn. In 1936 werd hij onderkoning van Italiaans-Oost-Afrika, het huidige EthiopiŽ, dat toen bezet werd door ItaliŽ. Hij volgde hiermee Pietro Badoglio op. Op 19 februari 1937 werd een aanslag op hem gepleegd in Addis Abeba, die hij ternauwernood overleefde. Als wraak voor deze aanslag werden zo'n 30.000 mensen doodgeschoten. In juni 1940 werd hij benoemd tot gouverneur van Italiaans-LibiŽ als opvolger van Italo Balbo, die vlak daarvoor was omgekomen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij trouw aan Benito Mussolini en hij werd in 1943 minister van Defensie in ItaliŽ. Na de oorlog werd hij in mei 1950 door een militair tribunaal tot 19 jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens collaboratie met de nazi's. Hij werd echter al op 29 augustus 1950 na een amnestie wegens het Heilig Jaar vervroegd vrijgelaten. Graziani overleed op 72-jarige leeftijd.

Militaire loopbaan
Tweede luitenant (Sottotenente), Koninklijk Italiaans Leger: 1904
Kapitein (Capitano), Koninklijk Italiaans Leger: 1915
Luitenant-kolonel (Tenente colonnello), Koninklijk Italiaans Leger: 1916
Kolonel (Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 1918
Luitenant-generaal (Luogetenente Generale), Koninklijk Italiaans Leger: februari 1932
Generaal (Generale d'armata), Koninklijk Italiaans Leger: 1934
Maarschalk (Maresciallo d'Italia), Koninklijk Italiaans Leger:
Onderscheidingen[bewerken]
Ridder Grootkruis in de Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
Ridder Grootkruis in de Militaire Orde van Savoye
Ridder Grootkruis in de Orde van de Italiaanse Kroon
Ridder Grootkruis in de Koloniale Orde van de Ster van ItaliŽ
Commandeur in de Silvesterorde
Ridder van Eer en Devotie in de Orde van Malta
Zilveren medaille voor Dapperheid (2)
Bronzen medaille voor Dapperheid
Medaglia Mauriziana per merito militare di 10 lustri (10 dienstjaren)
Militaire medaille voor verdienste als commandant (20 dienstjaren)
Croce per anzianitŗ di servizio militare (40 dienstjaren}
Herdenkingsmedaille van de militaire operaties in Oost-Afrika
Herdenkingsmedaille van de Italiaans-Turkse Oorlog 1911-1912
Herdenkingsmedaille van de Italiaans-Oostenrijkse 1915-1918 (4 jaar campagne)
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse onafhankelijkheid
Overwinningsmedaille

RGraziani.jpg

Bijnaam De Slager van Fezzan
De Slager van EthiopiŽ
Geboren 11 augustus 1882
Frosinone, Lazio, ItaliŽ
Overleden 11 januari 1955
Rome, Lazio, ItaliŽ
Begraven Affile Begraafplaats, Affile, Rome Hoofdstad (metropolitane stad), Lazio, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svgKoninkrijk ItaliŽ
War flag of the Italian Social Republic.svg Italiaanse Sociale Republiek
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Dienstjaren 1903 Ė 1945
Rang Rank insignia of maresciallo d'Italia of the Italian Army (1940).png Maarschalk
(Maresciallo d'Italia)
Leiding over 10e Leger (Italie)
Legergroep Liguria
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog
Pacificatie van LibiŽ
Slag om de Ogaden
Slag om Genale Doria
Tweede Wereldoorlog
Noord-Afrikaanse veldtocht
Italiaanse veldtocht

Angelo Iachino

Angelo Iachino (San Remo, 4 april 1889 Ė Rome, 3 december 1976) was een Italiaanse admiraal tijdens de Tweede Wereldoorlog.


Biografie
Iachino werd in 1889 geboren in San Remo in LiguriŽ en ging in 1904 bij de Italiaanse marineacademie in Livorno waar hij in 1907 afstudeerde.

Iachino nam in 1911 en 1912 deel aan de oorlog tegen Turkije. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als een commandant van een torpedoboot. Voor zijn moed in een slag werd hij aan het einde van de oorlog in november 1918 onderscheiden. Van 1923 tot 1928 diende hij als marineattachť bij de Italiaanse ambassade in China. In 1928 kreeg hij het bevel over een torpedojager en aan het begin van de jaren dertig kreeg het commando over een kruiser. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog was hij commandant van twee groepen van lichte schepen. Hij nam ook deel in april 1939 aan de bezetting van AlbaniŽ.

Iachino voerde in 1940 tijdens de Slag bij Kaap Spartivento het commando over een kruiser-eskader en na de Slag van Tarente werd hij benoemd tot Ammiraglio di Squadra (vice-admiraal) en opperbevelhebber van de Regia Marina. Hij leidde de marine tijdens de Slag van Matapan (maart 1941), Eerste Zeeslag van Sirte (december 1941) en de Tweede Zeeslag van Sirte (maart 1942).

Op 5 april 1943 werd hij ontslagen uit zijn commando en vervangen door Carlo Bergamini. Hij ging in 1954 met pensioen met de rang van Ammiraglio d'Armata (admiraal) en stierf in 1976 in Rome op 87-jarige leeftijd.

Militaire loopbaan
Guardiamarina, Regia Marina: 1 december 1907
Sottotenente di Vascello, Regia Marina: 15 mei 1910
Tenente di vascello, Regia Marina: 1 mei 1914
Korvetkapitein (Capitano di Corvetta), Regia Marina:
Fregatkapitein (Capitano di Fregata), Regia Marina: 1 januari 1926
Kapitein-ter-zee (Capitano di Vascello), Regia Marina: 22 februari 1932
Commandeur (Contrammiraglio), Regia Marina: 17 augustus 1936
Schout-bij-nacht (Ammiraglio di Divisione), Regia Marina: 1 januari 1938
Vice-Admiraal (Ammiraglio di Squadra), Regia Marina: 16 september 1939
Luitenant-admiraal (Ammiraglio di squadra designato d'Armata), Regia Marina: 6 april 1942
Admiraal (Ammiraglio d'Armata), Regia Marina: 6 april 1943

Admiraal Angelo Iachino

Admiraal Angelo Iachino
Geboren 4 april 1889
San Remo, LiguriŽ, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 3 december 1976
Rome, Lazio, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Emblem of the Regia Marina.svg Regia Marina
Rang Rank insignia of ammiraglio d'armata of the Regia Marina (1936).svg Admiraal
(Ammiraglio d'Armata)
Slagen/oorlogen Italiaans-Turkse Oorlog
Spaanse Burgeroorlog
Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag bij Kaap Spartivento
Slag van Tarente
Eerste slag om Sirte
Tweede slag om Sirte
Operatie Vigorous
Slag bij Kaap Matapan

Vincenzo Martellotta

Vincenzo Martellotta (Tarente, 1 januari 1913 - Castelfranco Emilia, 27 augustus 1973), was een Italiaans militair. Hij diende als kikvorsman bij de Regia Marina tijdens de Tweede Wereldoorlog. Martellotta werd gehuldigd met de Medaglia d'Oro al Valor Militare (Gouden Medaille voor Militaire Moed).
Zijn carriŤrre
Na de middelbare school in het Liceo Morea van Conversano, schreef hij zich in voor ťťn jaar bij de Faculteit Ingenieurswetenschappen aan de Universiteit van Napels. Aangetrokken door de zee deed hij zijn aanvraag op de Accademia Navale di Livorno en in oktober 1931 werd hij een leerling bij het Corpo delle Armi Navali (Korps van Marinebewapening).
In 1934 waren zijn studies gericht op de Defensie Hogeschool in Turijn en in de Hogeschool van deze stad, behaalde hij zijn diploma als industrieel ingenieur. Vincenzo Martellotta werd bevorderd tot onderluitenant bij de AN (Armi Navali) (Marine Wapens) in 1935 en als luitenant-ter-zee in 1936. In oktober 1937, na het beŽindigen van de cursus ging hij naar de Accademia Navale (Marine Academie), met de bedoeling zijn duikopleiding voort te zetten in Massawa, Eritrea, aan de Rode Zee, waar de opleiding van artillerie en Torpedo's dell'Autoreparto gevestigd waren.
Tweede Wereldoorlog
Hij werd vooreerst overgeplaatst in 1939 bij het Direzione Armi Subacquee (Onderwaterwapen Directoraat) in La Spezia en vervolgens bij de afdeling Torpedo's, Lanciasiluri, torpedo- en onderzeeŽrtesten in Tarente. In oktober 1940 kwam hij in dienst bij de Xe Flottiglia MAS en na een harde trainingsperiode, werd hij actief ingezet voor een onderwateraanval in de haven van Valletta in Malta op 26 juli 1941, samen met de groepsleider majoor Teseo Tesei. Tesei en zijn Maiale-begeleider, Alcide Pedretti lieten echter het leven bij deze eigenlijke zelfmoord-operatie. Deze operatie was een ramp voor de Italiaanse duikers en moesten zich noodgedwongen terugtrekken uit de Britse wateren rondom Malta.
Daarna werd Martellotta ingezet voor een operatie in AlexandriŽ, Egypte, in de nacht van 18 en 19 december 1941 samen met de groepsleider luitenant-ter-zee Luigi Durand de la Penne. Deze actie was het hoogtepunt met het tot zinken brengen van twee Britse slagschepen en een Britse olietanker. Martellotta voer met zijn Maiale-menselijke-torpedo, samen met de 3e Klasse-duiker Mario Marino, naar hun doel en zette een aanval in op de Britse tanker Sagona die ze lieten zinken op de ondiepe havenbodem en brachten tevens schade toe aan de Britse torpedojager HMS Jarvis. Martellotta werd samen met de gehele duikersgroep krijgsgevangengenomen door de Britten na de succesvolle actie.
In februari 1944 keerde hij terug uit krijgsgevangenschap en nam hij nu samen met de geallieerden deel aan de oorlog met de bevrijding van de "Mariassalto", de Italiaanse CONSUBIN (Comando Raggruppamento Subacquei ed Incursori "Teseo Tesei" - Italiaanse Kikvorsman-Commandogroep "Teseo Tesei").
Na de oorlog
Na de oorlog nam hij vrijwillig deel aan het opruimen van zeemijnen en het vrijwaren van mijnen, obstakels en terugwinnen van de havens van Genua, San Remo, Oneglia en Porto Maurizio, en met zijn broer Diego Martellotta, de hoogste in rang bij de Bersaglieri (Italiaanse elite infanterie) en expert op het gebied van chemische oorlog, werkten ze samen aan de renovatie van de havens van Brindisi, Bari, Barletta, Molfetta en Manfredonia.
In 1947 ging hij samen met een reddingsploeg voor een noodopdracht om een brand in een opslagplaats van explosieven in Bari te bestrijden. Men kon de krachtige agressieve chemische lekkage van een apparaat neutraliseren, waardoor ernstige schade voor de burgers en omgeving werd vermeden. Voor deze actie, waarin gemeld werd dat hij brandwonden opliep en die hij in het ziekenhuis liet verzorgen, werd hij hiervoor gehuldigd met de Medaglia d'Argento al Valore Civile (Zilveren Medaille voor Burgerlijke Moed). Martellotta werd bevorderd tot luitenant-kolonel in januari 1953, en in 1960 werd hij geplaatst met de positie van hulpfunctionaris-kolonel bij de Armi Navali.
Vincenzo Martellotta stierf in Castelfranco Emilia, op 27 augustus 1973 op 60-jarige leeftijd.
Militaire loopbaan
Adelborst (Guardiamarina), Regia Marina: 1935
Luitenant ter Zee der 2de klasse (Sottotenente di Vascello), Regia Marina: 1936
Luitenant ter Zee der 2e klasse (oudste categorie) (Tenente di vascello), Regia Marina:
Korvetkapitein (Capitano di Corvetta), Regia Marina: 1941
Fregatkapitein (Capitano di Fregata), Regia Marina: januari 1953
Kapitein-ter-zee (Capitano di Corvetta), Regia Marina: 27 augustus 1973
Onderscheidingen[bewerken]
Gouden medaille voor Dapperheid op 18 - 19 december 1941
Ricompense al valor militare op 26 juli 1941
Burgermedaille voor Moed (Valor civile) op 30 mei - 1947

Vincenzo Martellotta
Geboren 1 januari 1913
Tarente, Tarente, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 27 augustus 1973
Castelfranco Emilia, Modena, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Emblem of the Regia Marina.svg Regia Marina
Dienstjaren 1931 - 1973
Rang Rank insignia of capitano di vascello of the Regia Marina (1936).svg Kapitein-ter-zee (Capitano di Vascello)
Eenheid Kikvorsman
Corpo delle armi navali
Comando Raggruppamento Subacquei e Incursori Teseo Tesei
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Zie onderscheidingen
Ander werk Industrieel ingenieur

 

Giovanni Messe

Giovanni Messe (Mesagne, 10 december 1883 - Rome, 18 december 1968) was een Italiaanse generaal en politicus.
Militaire carriŤre[bewerken]
Messe nam in 1901 vrijwillig dienst in het leger van het Koninkrijk ItaliŽ. Als onderofficier vocht hij in de omgeving van Tripoli tijdens de Italiaans-Turkse Oorlog. In 1915 werd hij bevorderd tot kapitein en keerde hij terug naar ItaliŽ, waar hij deelnam aan de strijd aan het Italiaanse front. Na de Eerste Wereldoorlog nam de carriŤre van Messe een vogelvlucht: in 1923 werd hij veldadjudant van koning Victor Emanuel III, in 1927 werd hij kolonel en in 1935 werd hij brigadegeneraal. In datzelfde jaar leverde hij een succesvolle bijdrage aan de verovering van EthiopiŽ, wat hem de rang van generaal-majoor opleverde.
Tweede Wereldoorlog
Messe had tijdens de Grieks-Italiaanse Oorlog (1940-1941) de leiding over een legerkorps waarmee hij enkele successen boekte tegen de Griekse bevelhebber Alexandros Papagos. De oorlog draaide voor ItaliŽ echter uit op een fiasco en pas na de tussenkomst van nazi-Duitsland kon Griekenland worden verslagen.
In de zomer van 1941 werd Messe commandant van het Corpo di Spedizione Italiano in Russia, de Italiaanse strijdkrachten die deelnamen aan Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Een jaar later werd Messe vervangen door Italo Gariboldi. Tegen die tijd vochten er ongeveer 200.000 Italianen aan het oostfront.
In februari 1943 werd Messe gestationeerd in TunesiŽ waar hij het bevel kreeg over het 1ste Italiaanse Leger, dat deel uitmaakte van de Heeresgruppe Afrika onder leiding van Erwin Rommel. Hij werd ook gouverneur van de kolonie Italiaans-LibiŽ die echter al grotendeels was veroverd door de geallieerden. Op 12 mei werd hij nog door Benito Mussolini bevorderd tot Veldmaarschalk van ItaliŽ, maar hij kon niet meer voorkomen dat de laatste troepen van de asmogendheden in Noord-Afrika zich de volgende dag over moesten geven. Messe werd vervolgens gevangengenomen door de geallieerden. Na de wapenstilstand tussen ItaliŽ en de geallieerden in september 1943 werd hij weer vrijgelaten. Net als veel andere koningsgezinde officieren sloot hij zich aan bij de Italiaanse troepen die tot het einde van de oorlog samen met de geallieerden tegen nazi-Duitsland vochten.
Na de Tweede Wereldoorlog
In 1946 ging Messe na 45 dienstjaren met pensioen. Hij schreef in de daaropvolgende jaren een boek over de Italiaanse strijd aan het oostfront tijdens de Tweede Wereldoorlog (La Guerra al Fronte Russo) en een boek over de strijd in TunesiŽ (Come finž la guerra in Africa. La "Prima Armata" italiana in Tunisia). Hij werd in 1953 senator namens de monarchistische Partito Democratico Italiano di Unitŗ Monarchica. Daarnaast zou hij tot zijn dood voorzitter zijn van de Italiaanse veteranenorganisatie. Messe overleed in 1968 op 85-jarige leeftijd.
Militaire loopbaan
Soldaat (Soldato), Koninklijk Italiaans Leger: 1901
Sergeant (Sergente), Koninklijk Italiaans Leger: 1907
Tweede luitenant (Sottotenente)[1], Koninklijk Italiaans Leger: 1911
Eerste luitenant (Tenetne), Koninklijk Italiaans Leger: 1913
Kapitein (Capitano), Koninklijk Italiaans Leger: 17 november 1915
Majoor (Maggiore), Koninklijk Italiaans Leger:
Luitenant-kolonel (Tenente colonnello), Koninklijk Italiaans Leger: 1923
Kolonel (Colonello), Koninklijk Italiaans Leger: 1927
Brigadegeneraal (Generale di Brigata), Koninklijk Italiaans Leger: september 1935
Luitenant-generaal (Luogetenente Generale), Koninklijk Italiaans Leger: 1939
Generaal (Generale d'armata), Koninklijk Italiaans Leger: 16 november 1942[2]
Maarschalk (Maresciallo d'Italia), Koninklijk Italiaans Leger: 12 mei 1943
Onderscheidingen
Grootofficier in de Militaire Orde van Savoye op 8 mei 1943
Commandeur in de Militaire Orde van Savoye op 14 maart 1942
Officier in de Militaire Orde van Savoye op 21 september 1939
Ridder in de Militaire Orde van Savoye op 9 februari 1919
Ridder in de Orde van Vittorio
Zilveren medaille voor Dapperheid
Bronzen medaille voor Dapperheid (2)
Oorlogskruis op 19 juni 1920
Kruis van Oorlogsverdienste (3)
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Turkse Oorlog
Herdenkingsmedaille van de Expeditie in AlbaniŽ
Herdenkingsmedaille van de Campagne in Afrika (1882-1935)
Herdenkingsmedaille van de Operatie in Oost-Afrika (1935 Ė 1936)
Herdenkingsmedaille van de Italiaanse-Oostenrijkse Oorlog 1915 Ė 18 (4 jaar campagne)
Herdenkingsmedaille Eenwording van ItaliŽ
Overwinningsmedaille
Promozione per merito di guerra (fino a Ufficiale superiore - 2 volte)
IJzeren Kruis 1939, 1e klasse en 2e klasse
Ridderkruis op 23 januari 1942 als Maresciallo d'Italia en Commandant van het Corpo di spedizione italiano in Rusland

Generaal Giovanni Messe, 1940

Generaal Giovanni Messe, 1940
Geboren 10 december 1883
Mesagne, ApuliŽ, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 18 december 1968
Rome, Lazio, ItaliŽ
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Flag of Italy (1860).svg Koninklijk Italiaans Leger
Dienstjaren 1901 - 1946
Rang Rank insignia of maresciallo d'Italia of the Italian Army (1940).png Maarschalk
(Maresciallo d'Italia)
Eenheid Infanterie[1]
84ļ Reggimento fanteria "Venezia"
Leiding over Panzer Leger Afrika
Slagen/oorlogen Italiaans-Turkse Oorlog

1-Italiaans persoon in de Tweede Wereldoorlog

Italo Balbo

Italo Balbo (Ferrara, 6 juni 1896 - Tobroek, 28 juni 1940) was een Italiaans fascist.

Al voor de machtsovername van Benito Mussolini, was hij lid van de fascistische partij en nam deel aan de vervolging van socialisten en communisten.

In 1926 werd hij door Mussolini benoemd tot staatssecretaris voor luchtvaartzaken. Hij had toen nog geen verstand van luchtvaart, dus volgde een spoedcursus tot piloot. Hij werd vervolgens in 1929 minister van luchtvaart.

In 1933 vloog hij van Rome naar New York. In Chicago werd een straat naar hem genoemd. In ItaliŽ werd hij door Mussolini benoemd tot maarschalk luchtvaartzaken.

In 1934 werd hij gouverneur van Italiaans-LibiŽ waar hij zich inzette voor verbetering van de infrastructuur en hij hoopte dat meer Italianen zich daar zouden vestigen.

Als het enige vooraanstaande lid van het fascistische regime sprak Balbo zich in 1938 uit tegen de anti-joodse wetten. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, keerde hij zich tegen een verbond tussen Mussolini en Adolf Hitler.

Balbo werd op 28 juni 1940 door Italiaans afweergeschut met zijn vliegtuig neergeschoten boven Tobroek in LibiŽ en kwam daarbij om het leven.

Onderscheidingen
Gouden medaille voor Dapperheid in 1940
Zilveren medaille voor Dapperheid op 27 oktober 1918 en juli-augustus 1918
Bronzen medaille voor Dapperheid op 27-31 oktober 1918
Grootkruis in de Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus
Grootkruis in de Orde van de Italiaanse Kroon
Grootkruis in de Koloniale Orde van de Ster van ItaliŽ
Grootkruis in de Orde van Pius
Overwinningsmedaille (ItaliŽ)
Oorlogskruis (ItaliŽ)
Herinneringsmedaille voor de Italiaanse-Turkse oorlog 1911-1912
Herinneringsmedaille van de Italiaanse-Oostenrijkse Oorlog 1915-1918
Herinneringsmedaille van de Eenheid van ItaliŽ
Medaille van Verdienste voor de Vrijwilligers van de Italiaanse-Oostenrijkse oorlog 1915-1918
Herinneringsmedaille van de Mars naar Rome
Medaglia commemorativa della spedizione di Fiume
Medaglia commemorativa della Crociera aerea del Decennale
Herinneringsmedaille van de militaire operaties in Oost-Afrika
Herinneringsmedaille
Medaglia d'oro al merito della Croce Rossa Italiana
Croce di anzianitŗ di servizio nella Milizia Volontaria Sicurezza Nazionale
Gezamenlijke Piloot-Observatiebadge in Goud met Diamanten
Distinguished Flying Cross (Verenigde Staten)
Harmon Trophy in 1931

Italo Balbo

Italo Balbo
Geboren 6 juni 1896
Geboorteplaats Ferrara
Overleden 28 juni 1940
Overlijdensplaats Tobroek, Italiaans-LibiŽ
Partij Fasci di Combattimento
(1919 Ė 1921)
Partito Nazionale Fascista
(1921 Ė 1940)
Functies
1 januari 1934 Ė
28 juni 1940 Gouverneur-generaal van het Italiaans-LibiŽ
24 mei 1924 Ė
28 juni 1940 Lid van de Kamer van Afgevaardigden
12 januari 1923 Ė
28 juni 1940 Quadrumvir in de Fascistische Grote Raad
12 september 1929 -
7 november 1933 Minister van Luchtvaart
Portaal Portaalicoon Politiek
Italo Balbo
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Begraven Cimitero Comunale: Orbetello, Toscane, ItaliŽ
Religie DeÔsme
Land/partij Flag of Italy (1861-1946).svg Koninkrijk ItaliŽ
Onderdeel Lesser coat of arms of the Kingdom of Italy (1929-1943).svg Regia Aeronautica Italiana
Dienstjaren 1915 Ė 1940
Rang IT-Airforce-OF-10.png Maresciallo dell'Aria
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Italiaans front
Tweede Wereldoorlog
Noord-Afrikaanse veldtocht

Galeazzo Ciano

Galeazzo Ciano, graaf van Cortellazzo (Livorno, 1 maart 1903 Ė Verona, 11 januari 1944) was een Italiaans fascistisch staatsman. Hij was de schoonzoon van Benito Mussolini en een van de personen die voornoemde ten val brachten.
Jeugd
Galeazzo Ciano werd in 1903 geboren als zoon van Constanzo Ciano, tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijk Italiaans admiraal. Zijn vader was een belangrijk fascist en sloot zich na de Eerste Wereldoorlog aan bij de Partito Nazionale Fascista (PNF) van Benito Mussolini. Constanzo Ciano werd na WO I beloond met de graventitel.
Aanvankelijk wilde de jonge en intelligente Ciano kunstcriticus worden, maar nadat hij als zodanig mislukte, sloot hij zich aan bij de PNF. Zeker na zijn huwelijk met Benito Mussolini's dochter Edda Mussolini, met wie hij drie kinderen kreeg, rees zijn ster snel.
CarriŤre
In 1932 werd Ciano secretaris van de Italiaanse ambassade in het Vaticaan en kort daarna werd hij benoemd tot gezant in China. In 1935 keerde hij naar ItaliŽ terug en werd hij lid van de Fascistische Grote Raad en vliegenier in de oorlog tegen EthiopiŽ (1935-1936). Van 1936 tot 1939 was hij minister van Buitenlandse Zaken.
In die functie tekende hij het Staalpact met nazi-Duitsland, en een vriendschapsverdrag met Japan. In 1939 was hij een van de verantwoordelijken voor de oorlog met AlbaniŽ, dat na drie dagen door ItaliŽ werd veroverd. Ciano (die het zich min of meer kon permitteren) was zeker niet bang om zijn schoonvader te bekritiseren, maar in tijden van nood of crisis koos hij toch altijd diens zijde.
Mussolini, die zijn schoonzoon begon te wantrouwen vanwege zijn openlijke anti-Duitse houding, zond hem in januari 1943 als ambassadeur naar het Vaticaan. Vanuit het Vaticaan begon Ciano te onderhandelen met andere anti-Duitse fascisten over een mogelijke afzetting van Mussolini, teneinde de oorlog met de geallieerden en het Duits-Italiaanse vriendschapspact te beŽindigen. Op 24 juli 1943, tijdens de zitting van de Fascistische Grote Raad, stemde Ciano vůůr de befaamde motie van graaf Dino Grandi en vůůr de afzetting van Mussolini als regeringsleider.
Ter dood veroordeeld
De dag na de zitting van de Fascistische Grote Raad werd Mussolini op last van koning Victor Emanuel III om 'veiligheidsredenen' gearresteerd en geÔnterneerd. Ciano, die met het vertrek van Mussolini geenszins van plan was om het fascisme overboord te zetten, werd uit al zijn functies ontheven. Later probeerde maarschalk Badoglio, Mussolini's opvolger, om Ciano te arresteren, maar die wist via de achtertuin van zijn huis naar de Duitse ambassade te vluchten en daar asiel aan te vragen.
In september 1943 werd Mussolini door SS-majoor Otto Skorzeny bevrijd en naar Duitsland overgevlogen, waar Ciano zich inmiddels ook bevond. Hoewel op het eerste gezicht een verzoening tussen de twee tot stand leek te komen, liet Mussolini Ciano onder Duitse druk arresteren en naar het door de Duitsers bezette Noord-ItaliŽ overvliegen, waar Mussolini een marionettenstaatje had opgericht. Samen met andere leden van de Fascistische Grote Raad die voor de afzetting van Mussolini hadden gestemd, werd hij wegens 'verraad' vervolgd. Op 10 januari 1944 werd hij schuldig bevonden en ter dood veroordeeld. Ondanks verzoeken aan Mussolini van zijn dochter om haar man te laten leven, werd het vonnis op 11 januari 1944 in het fort van San Procolo (Verona) voltrokken. Van de executie bestaat een kleurenfilmopname.
Trivia
Ciano bouwde in Ishull i LezhŽs, een dorpje bij de Albanese stad LezhŽ, een jachthut waar hij regelmatig verbleef. Het gebouw staat er nog steeds en doet reeds sinds de communistische periode dienst als sober hotel, het Hoteli i GjuetisŽ, wat zoveel betekent als 'jachthotel' of 'stroophotel'.

Galeazzo Ciano 1938

Roberto Farinacci

Roberto Farinacci (Isernia, 16 oktober 1892 Ė Vimercate, 28 april 1945)[1] was een vooraanstaand Italiaans fascistisch politicus en journalist.

Farinacci vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Italiaanse leger en werd meerdere malen onderscheiden. Hij was tevens een correspondent voor Mussolini's krant Il Popolo d'Italia. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij ťťn van de oprichters van de Partito Nazionale Fascista (PNF). In 1921 werd hij voor de PNF in de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden gekozen en in 1922 werd hij burgemeester van Cremona.

Farinacci ontwikkelde zich tot een fel antikatholieke, antisocialistische en antisemitische fascist. Hij raakte vaak in conflict met Mussolini die toen nog een gematigde koers voer. Van 1924 tot 1936 was Farinacci secretaris van de PNF. Van 1935 tot 1943 was hij lid van de Fascistische Grote Raad.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij op de hand van Duitsland. De Duitse regering overwoog zelfs om Mussolini te vervangen door de radicale antisemiet Farinacci. Farinacci verwierp de motie van Dino Grandi tijdens de zitting van de Fascistische Grote Raad omtrent het wel of niet aanblijven van Mussolini en beschouwde de motie als een verraad aan het adres van de Duce. Uiteindelijk stemde een meerderheid voor de motie en werd Mussolini afgezet en gearresteerd (25 juli 1943).

Nadat Mussolini door de Duitsers was bevrijd en president werd van het onder Duitse protectie staande Noord-ItaliŽ, werd Farinacci directeur van de krant Regima Fascista. Op 28 april 1945 werd Farinacci door antifascistische partizanen geŽxecuteerd.

Dino Grandi

Dino Grandi, graaf van Mordano (Mordano, 4 juni 1895 Ė Bologna, 21 mei 1988) was een Italiaans fascistisch staatsman.

Dino Grandi studeerde rechten en was actief in de Italiaanse Socialistische Partij. Nadat hij gebroken had met het socialisme werd hij syndicalist. Hij was voorstander van de Italiaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog werd hij lid van de fascistische partij van Benito Mussolini (1920). Hij vervulde sindsdien regionale functies binnen de Partito Nazionale Fascista (PNF).

Fascistisch ItaliŽ
Tijdens de zgn. 'Mars naar Rome' (oktober 1922) was hij secretaris van het Quadrumvirum waar Mussolini's vier belangrijkste fascistische leiders deel van uitmaakten. Van 1924-1925 was hij onderstaatssecretaris van Binnenlandse Zaken en van 1925-1929 onderstaatssecretaris van Buitenlandse Zaken. In 1929 werd hij onderminister van Buitenlandse Zaken (Mussolini bekleedde in die tijd zelf het ministerschap van Buitenlandse Zaken). Als minister van Buitenlandse Zaken (tot 1932) verbeterde hij de betrekkingen met westerse landen en maakte hij van ItaliŽ een gerespecteerd land. In 1932 benoemde Mussolini de pro-Engelse Grandi tot ambassadeur in Londen, waar hij veel vrienden maakte onder de Britse politici. In 1939, terug in ItaliŽ, werd hij voorzitter van de Kamer van Fasci en Corporaties (parlement) en minister van justitie. Van het begin af aan een tegenstander van de oorlog, keerde hij zich tegen het beleid van Mussolini toen de oorlogskansen voor de As zich begonnen de keren.

Afzetting Mussolini
Na de geallieerde luchtlandingen in juni 1943 op SiciliŽ besloot Grandi om de Fascistische Grote Raad bijeen te roepen om Mussolini's positie ter discussie te stellen. Mussolini zelf ging akkoord met een vergadering van de Fascistische Grote Raad. Tijdens de bijeenkomst van deze raad op 24/25 juli 1943 stemden 19 van de 28 leden voor de afzetting van Mussolini. Een dag later werd Mussolini door de koning (Victor Emanuel III) gearresteerd. Grandi ging vervolgens op eigen houtje naar Portugal om contact op te nemen met de geallieerden, hetgeen echter al door de officiŽle Italiaanse regering was gebeurd. Bang dat hij door de Duitsers zou worden gegijzeld, vluchtte Grandi naar BraziliŽ, waar hij een succesvol zakenman werd.

Door de 'Fascistische Rechtbank' van Verona werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. Na een algemene amnestie keerde hij in 1947 naar ItaliŽ terug.

Dino Grandi

Cesare Orsenigo

Cesare Orsenigo (Olginate, 13 december 1873 Ė Eichstštt, 1 april 1946) was van 1930 tot 1945 nuntius, diplomatiek vertegenwoordiger van het Vaticaan, in Duitsland.

Levensloop
Cesare studeerde aan het seminarie in Milaan. In 1896 werd hij priester gewijd. Vanaf 1897 was hij kapelaan en later priester van de San Fedele kerk in Milaan. In Milaan leerde hij Achille Ratti kennen, de latere paus Pius XI. Tussen beiden bestond een wederzijdse bewondering, die uiteindelijke resulteerde in de benoeming van Cesare tot titulair aartsbisschop van Ptolemais in LibiŽ toen Ratti tot paus gekozen was. Tevens werd Cesare aangesteld als internuntius voor Nederland, waar hij in de periode 1922-1925 resideerde in Den Haag.

Nadat hij van 1925 tot 1930 nuntius was geweest in Hongarije werd hij op 25 april 1930 benoemd als nuntius in Duitsland, waar hij Eugenio Pacelli, de latere paus Pius XII, opvolgde. Met name in de beginperiode leek Cesare sympathie te hebben voor het fascisme en nationaalsocialisme. Zo bezocht hij tot 1935 de jaarlijkse nazi-bijeenkomst in Neurenberg. Deze sympathie zou ertoe geleid hebben, dat zijn verstandhouding met Eugenio Pacelli slecht was.

Op 4 mei 1939 bezocht Cesare Adolf Hitler op het Berghof (Obersalzberg, Berchtesgaden) om hem te informeren over een voorstel van paus Pius XII om een conferentie bijeen te roepen met Duitsland, Frankrijk, Groot-BrittanniŽ, ItaliŽ en Polen om zo een dreigende oorlog te voorkomen. Adolf Hitler toonde echter een oppervlakkige interesse en wees de nuntius op de sterkte van Duitsland ten opzichte van Frankrijk en Polen en haalde tijdens dezelfde ontmoeting uit naar Groot-BrittanniŽ. In november 1943 trof Cesare Hitler opnieuw op de Obersalzberg om namens de paus te spreken over het lot van de vervolgde Joden. Het gesprek zou op niets uitlopen. Tegenover een journalist gaf Cesare weer, hoe het gesprek verlopen was; Hitler had de boodschap van Cesare aangehoord, terwijl hij met zijn rug naar hem toe gekeerd was, uitkijkend vanuit het raam. Nadat Cesare zijn verhaal gedaan had, was de FŁhrer in woede uitgebarsten.

Als een van de weinige internationale diplomaten in Berlijn beleefde hij van begin tot einde de opkomst en val van het naziregime. Op 8 februari 1945 legde hij zijn ambt als nuntius neer, tegen de wil in van paus Pius XII en verliet Berlijn voor de oprukkende Sovjetlegers.

Cesare Orsenigo overleed op 72-jarige leeftijd in Eichstštt. Met hulp van Amerikanen werd zijn lichaam overgebracht naar Olginate, waar hij begraven werd.

Visie
De rol van Cesare Orsenigo als diplomaat namens het Vaticaan in nazi-Duitsland was niet onomstreden. Hoewel hij gold als de opvolger van Eugenio Pacelli in Berlijn was het Pacelli zelf die alle onderhandelingen met Duitsland over het Concordaat van Rome uit 1933 op zich nam. Cesares beoordeling van de situatie in Duitsland werd voornamelijk gedomineerd door de angst, dat een protest van de kant van de Heilige Stoel desastreuze gevolgen zou kunnen hebben voor de positie van de kerk.Toch bleef Cesare het Vaticaan informeren over de situatie in Duitsland, waarbij hij erop aandrong dat de paus een standpunt zou innemen.

Kardinaal Theodor Innitzer, aartsbisschop van Wenen, verweet Orsenigo dat hij precaire kwesties uit de weg ging, o.a. het Jodenvraagstuk.

Ook het optreden van Cesare in het publieke leven heeft geleid tot een veroordeling van zijn persoon; getuigen hiervan zijn overgeleverde foto's. Zo is bekend, dat Cesare jaarlijks de receptie bezocht waarbij de verjaardag van Hitler werd gevierd (20 april).

Tijdens een van zijn tafelgesprekken meldde Hitler over Orsenigo:

"De pauselijke nuntius probeert onveranderlijk van de gelegenheid gebruik te maken om het gesprek te brengen op de positie van de katholieken in Duitsland. Maar ik weet hem altijd op een zijspoor te brengen.Afgezien van deze receptie[4], heb ik altijd principieel geweigerd de pauselijke nuntius te ontmoeten. Zo ben ik erin geslaagd me te onttrekken aan ieder persoonlijk contact met het Vaticaan"

Cesare Orsenigo met het Allerheiligste tijdens een mis in Berlijn, op de dag van de kroning van paus Pius XI
Aartsbisschop van de Rooms-Katholieke Kerk
Wapen van een aartsbisschop
Geboren 13 december 1873
Plaats Olginate
Overleden 1 april 1946
Plaats Eichstštt
Wijdingen
Priester 5 juli 1896
Bisschop 25 juni 1922
Kerkelijke carriŤre
1922-1925 Nuntius voor Nederland
1925-1930 Nuntius voor Hongarije
1930-1946 Nuntius voor Duitsland

Persbijeenkomst in 1934. Van links naar rechts: Joseph Goebbels, Adolf Hitler en Cesare Orsenigo

Clara Petacci

Clara Petacci (Rome, 28 februari 1912 - Giulino di Mezzegra (Mezzegra), 28 april 1945), officieel Claretta Petacci, was de 29 jaar jongere vriendin en maÓtresse van Benito Mussolini. Ze kwam uit een vooraanstaande familie in Rome, haar vader was medewerker voor de paus op het Vaticaan. Op het moment dat ze een relatie met Mussolini kreeg, was ze nog getrouwd met een officier, Riccardo Federici. Mussolini was al sinds 1915 getrouwd en had vijf kinderen, maar hield er meerdere affaires op na. Clara was wat men nu een groupie zou noemen, die zich voor de 49-jarige leider vlak voor zijn midlifecrisis aandiende. Voor haar was de verhouding met de Duce een vervulling van een meisjesdroom, die ze monomaan zou beleven in een "ondoordringbare aura". Deze obsessie zou ze tot het einde volhouden. Ze sprak Mussolini altijd met 'Ben' aan.

Eind april 1945 werd Mussolini door partizanen gevangengenomen, tezamen met een aantal andere vooraanstaande fascisten waaronder haar broer Marcello die zich als Spaans consul voordeed. Ze voegde zich vrijwillig bij Mussolini in zijn gevangenschap. Toen Walter Audisio hen wilde fusilleren, probeerde ze Mussolini's leven te redden door met haar lichaam de kogel op te vangen die voor Mussolini bedoeld was. Audisio keerde daarna terug om de resterende fascisten te fusilleren, waarbij Clara's broer Marcello werd doodgeschoten toen hij in doodsnood probeerde te ontsnappen door in het Comomeer te springen.

De lichamen van de dode Mussolini en Clara Petacci werden op 29 april 1945, na mishandeling en bespotting, samen met drie andere geŽxecuteerden in Milaan op het Piazzale Loreto publiekelijk ondersteboven opgehangen aan een benzinestation en half ontkleed tentoongesteld aan de massa.


Clara's stoffelijke resten verhuisden in 1956 van een naamloos graf naar het familiegraf op het Veranokerkhof in Rome.

Trivia
In 1984 werd haar leven verfilmd met de actrice Claudia Cardinale als Clara in de hoofdrol.

Van links naar rechts, de dode lichamen van Bombacci, Mussolini, Clara Petacci, Pavolini en Starace op Piazzale Loreto, Milaan 1945.

Clara Petacci.png

Clara Petacci

 

Victor Emanuel III van ItaliŽ

Victor Emanuel III (Italiaans: Vittorio Emanuele III) (Napels, 11 november 1869 - AlexandriŽ, 28 december 1947) was een lid van het Huis Savoye en koning van ItaliŽ (29 juli 1900 - 9 mei 1946). Daarnaast eiste hij de kronen van EthiopiŽ en AlbaniŽ op en maakte hij aanspraak op de titels "Keizer van EthiopiŽ" (1936-1941) en "Koning der Albanezen" (1939-1943), die niet werden erkend door de Grote Mogendheden. Gedurende zijn lange heerschappij (46 jaar) werd het Koninkrijk ItaliŽ betrokken bij twee wereldoorlogen. Zijn heerschappij omvatte ook de geboorte, opkomst en ondergang van het Italiaans fascisme
Algemeen
Victor Emanuel was de zoon van koning Umberto I en diens nicht Margaretha, beiden uit het Huis Savoye. Hij volgde een militaire opleiding. Hij was klein van stuk (zo zeer zelfs dat hij in Nederland gekscherend "Victorretje Emanuelletje" werd genoemd), zwijgzaam, pretentieloos en zeer geÔnteresseerd in wetenschappelijk onderzoek. Ook hield hij erg van jagen, het verzorgen van bloemen en verzamelde hij munten.
Koningschap
Victor Emanuel kwam op de troon nadat zijn vader op 29 juli 1900 was doodgeschoten door de anarchist Gaetano Bresci. Hij was - zeker vergeleken met zijn vader - liberaal gezind en een hard en plichtsgetrouw werker die grote idealen over het koningschap had. De populariteit van het koningshuis, die onder Umberto vrijwel onbestaand was, steeg dankzij Victor Emanuel weer enigszins.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef hij voornamelijk aan het front en liet hij het regeren aan zijn oom Ferdinand over. Hij weigerde in 1922 maatregelen te nemen tegen de fascistische mars op Rome.
Op 28 oktober benoemde hij Benito Mussolini tot premier en werkte zo mee aan diens machtsovername. Victor Emanuel zelf gaf later als reden dat zijn leger niet sterk genoeg geweest zou zijn om het van de zwarthemden te winnen, maar archieven spreken dit tegen. In ieder geval zou het tot een bloedige burgeroorlog gekomen zijn. Bovendien dreigde ook van links gevaar voor gewelddadigheden en hoopte de koning dat Mussolini ItaliŽ de stabiliteit kon bieden die het zo hard nodig had en de bolsjewieken onder de duim kon houden. Mussolini's politiek van orde, tucht en efficiŽntie beviel hem wel, maar uiteindelijk werd het toch een moeilijk samenleven tussen koning en dictator.
EthiopiŽ
Victor Emanuel en Mussolini hadden de wens een Italiaans rijk in Afrika te creŽren om de Middellandse Zee te beheersen. AbessiniŽ (EthiopiŽ) was hier de ideale kandidaat voor aangezien het niet was gekoloniseerd, een brug vormde tussen de Italiaanse kolonies Italiaans-Eritrea en Italiaans-Somaliland en rijk, maar zwak was. De Italiaanse troepen verzamelden zich in 1935 rond EthiopiŽ en keizer Haile Selassie mobiliseerde een leger van 500.000 soldaten, vaak bewapend met speren en bogen.
Op 3 oktober viel een 100.000 man sterk leger vanuit Eritrea aan - zonder oorlogsverklaring. Op 7 oktober veroordeelde de Volkenbond deze daad en kondigde aan sancties op te leggen. ItaliŽ rukte langzaam maar zeker op en maakte ook gebruik van gifgas. Op 31 maart 1936 wonnen de Italianen de laatste slag. Haile Selassie vluchtte op 2 mei en op 5 mei werd de hoofdstad Addis Abeba veroverd.
ItaliŽ annexeerde EthiopiŽ formeel op 7 mei en Victor Emanuel werd op 9 mei officieel tot keizer uitgeroepen. Koningin Helena had zelfs haar trouwring laten omsmelten om de campagne financieel te steunen. EthiopiŽ, Eritrea en Somaliland werden samengevoegd tot Italiaans-Oost-Afrika.
Victor Emanuels titel keizer van EthiopiŽ werd lang niet door alle landen erkend. Vele beschouwden het afzetten van de lokale keizer Haile Selassie als onrechtmatig. Het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld accepteerde het keizerschap niet en adviseerde koning George VI ambassadeurs te accrediteren aan Victor Emanuel als koning van ItaliŽ. De Ierse regering daarentegen erkende de keizerstitel wel.
AlbaniŽ
Het volgende land op Mussolini's verlanglijstje was AlbaniŽ dat als brug tussen ItaliŽ en de Balkan zou fungeren. Tot ergernis van de Albanese koning Zog hadden de Italianen grote invloed op zijn land en beheersten de financiŽn en delen van de regering. Op 7 april 1939 vielen de Italiaanse troepen binnen. Koning Zog vluchtte naar Griekenland en AlbaniŽ werd een Italiaans protectoraat. Een Albanese delegatie bood Victor Emanuel op 16 april het koningschap aan en hij aanvaardde dit. Ook dit koningschap werd internationaal niet door iedereen erkend.
Tweede Wereldoorlog
ItaliŽ bleef in de Tweede Wereldoorlog - met toestemming van Adolf Hitler - aanvankelijk neutraal. Toen het echter duidelijk was dat Frankrijk zou gaan verliezen verklaarde Mussolini dat land en het Verenigd Koninkrijk op 10 juni 1940 de oorlog. Victor Emanuel had aanvankelijk zijn twijfels maar steunde Mussolini hierin uiteindelijk volkomen. Naar de familietraditie van de Savoyes trok hij zijn militaire uniform aan. De Duce had verwacht dat Groot-BrittanniŽ om vrede zou smeken, een grote misrekening. De Italiaanse strijdkrachten stelden teleur en hadden in Griekenland en Afrika continu Duitse hulp nodig. De gehoopte eer en glorie van de oorlog bleven uit.
In mei 1943 werden de Italianen en Duitsers in Afrika verpletterend verslagen door de Britten en Amerikanen, die in juli op SiciliŽ landden. In EthiopiŽ kwam Haile Selassie weer op de troon. AlbaniŽ werd op de Italianen veroverd door de communisten en tot republiek gemaakt.
Als reactie hierop zette Victor Emanuel met maarschalk Pietro Badoglio een staatsgreep op touw en dwong Mussolini zijn ontslag in te dienen. Hij werd gevangengezet in Gran Sasso in de Abruzzen en de koning benoemde Badoglio tot premier.
De nieuwe regering zette officieel de oorlog tegen de geallieerden voort maar hield geheime onderhandelingen met hen. Hitler vertrouwde Badoglio niet en zond een grote troepenmacht naar ItaliŽ onder het voorwendsel steun te bieden tegen de geallieerde invasie. Op 8 september 1943 kondigde Badoglio een wapenstilstand aan, maar verklaarde nazi-Duitsland niet de oorlog. Mussolini, die door de Duitsers op spectaculaire wijze was bevrijd, keerde terug en zette de fascistische Italiaanse Sociale Republiek op, die nu in feite slechts een satellietstaat van Duitsland was. Victor Emanuel vluchtte met zijn gezin naar SiciliŽ. De vergelijking van zijn gedrag met dat van George VI, die weigerde Londen te verlaten tijdens de bombardementen, en paus Pius XII, die zich in Rome onder het volk mengde en met hen bad, deed de populariteit van de Italiaanse koning geen goed.
Victor Emanuels dochter prinses Mafalda werd diezelfde maand gearresteerd door de Gestapo. Ze was getrouwd met een nazi en had als verbinding tussen Duitsland en ItaliŽ gefungeerd. De officiŽle reden voor haar arrestatie waren "subversieve activiteiten" tegen de nazi's maar in feite gebruikte Hitler haar om de koning onder de duim te houden. Na ondervraging in MŁnchen en Berlijn werd ze afgevoerd naar het concentratiekamp Buchenwald waar ze op 27 augustus 1944 stierf aan de gevolgen van een geallieerd bombardement, gecombineerd met uitputting en verhongering.
De koning trok zich onder Anglo-Amerikaanse druk in 1944 terug uit de openbare zaken. Hij deed echter geen troonsafstand, hoewel zijn zoon Umberto al zijn functies had overgenomen. De geallieerden, die Zuid-ItaliŽ al bezet hadden, rukten op naar het noorden en bevrijdden in 1945 het gehele land.
Einde van de monarchie
Victor Emanuel had met zijn samenwerking met Mussolini de ondergang van de Italiaanse monarchie bewerkstelligd, ook al had hij ItaliŽ van de verwoesting van de totale nederlaag gered door Mussolini tijdig uit te schakelen. De goed bewapende linkse partizanen in het noorden van ItaliŽ zagen hun kans schoon om zich niet alleen van de koning, maar van de hele constitutionele monarchie te ontdoen. Op 9 mei 1946 trad hij aan de vooravond van een referendum over de toekomst van de monarchie af ten gunste van zijn populaire zoon Umberto II. In het niet zonder intimidatie van gewapende groepen verlopen referendum stemde het noorden in meerderheid tegen en het zuiden voor de monarchie (in totaal zo'n 12 miljoen stemmen voor de republiek tegenover 10 miljoen voor de monarchie; meer dan drie miljoen stemmen raakten zoek, terwijl anderzijds ook overledenen gestemd bleken te hebben). Umberto werd zo al na 33 dagen afgezet en moest zijn leven in ballingschap doorbrengen. Politieke stabiliteit vond ItaliŽ niet meer.
Victor Emanuel stierf in 1947. Zijn laatste levensdagen bracht hij door in AlexandriŽ waar hij zich bezighield met vissen, postzegels verzamelen en wandelen in de tuin. Zijn dochter Johanna en haar zoon tsaar Simeon II van Bulgarije voegden zich na de afschaffing van de Bulgaarse monarchie in 1946 bij hem. Helena ging naar Montpellier, waar ze in 1952 aan kanker stierf. Simeon is nog in leven.
Huwelijk en kinderen
Victor Emanuel trouwde in 1896 met Helena Petrović-Njegoö, dochter van koning Nicolaas I van Montenegro. Victor Emanuel en Helena bleven tot 1901 kinderloos. Koningin-moeder Margaretha meende dat de twee duidelijk veel van elkaar hielden, maar misschien te veel aan het ouderschap dachten en dat het daarom niet lukte. Uiteindelijk kregen ze dan toch vijf kinderen. Deze werden bescheiden en Namelijk sober opgevoed in de vrij kleine Villa Ada bij Rome.
Jolanda Margaretha Milena Elisabeth Romana Maria (1901-1986), getrouwd met Carlo Calvi di Bergolo
Mafalda Maria Elisabeth Anna Romana (1902-1944), getrouwd met landgraaf Filips van Hessen-Kassel
Kroonprins Umberto (1904-1983), getrouwd met prinses Marie Josť van BelgiŽ, dochter van koning Albert I
Johanna Elisabeth Antonia Romana Maria (1907-2000), getrouwd met tsaar Boris III van Bulgarije
Maria Francisca Anna Romana (1914-2001), getrouwd met prins Lodewijk van Bourbon-Parma

Victor Emmanuel III of Italy.jpg

Koning van ItaliŽ
Periode 1900-1946
Voorganger Umberto I
Opvolger Umberto II
Keizer van EthiopiŽ
Periode 1936-1941
Voorganger Haile Selassie
Opvolger Haile Selassie
Koning van AlbaniŽ
Periode 1939-1943
Voorganger Zog
Opvolger --
Vader Umberto I van ItaliŽ
Moeder Margaretha van Savoye
Dynastie Savoye

Victor Emanuel III (rechts) en koning Albert I van BelgiŽ. Hier is duidelijk te zien dat de Italiaanse koning klein van stuk was.

 

Victor Emanuel III en zijn gezin in 1915

Benito Mussolini

Benito Amilcare Andrea Mussolini (Predappio, 29 juli 1883 Ė Giulino di Mezzegra, 28 april 1945) was een Italiaanse politicus, journalist en onderwijzer. Hij was van 1922 tot 1943 minister-president van ItaliŽ. Na de mars op Rome kwam Mussolini aan de macht en maakte van ItaliŽ een fascistische staat.
Jeugd en jonge jaren
Mussolini werd geboren in Predappio, een klein plaatsje in het noorden van ItaliŽ. Zijn vader Alessandro Mussolini werkte als smid en was een socialist. Zijn moeder Rosa was een katholieke onderwijzeres. Zijn anti-monarchistische vader vernoemde hem naar Benito JuŠrez, een Mexicaanse revolutionair, op wiens bevel keizer Maximiliaan gefusilleerd werd. In zijn jeugd werd Mussolini sterk beÔnvloed door zijn socialistische vader.
Socialist
Hij studeerde voor onderwijzer, maar stond slechts een korte tijd voor de klas. De politiek van het socialisme trok hem meer aan dan het onderwijs en hij sloot zich aan bij de Socialistische Partij van ItaliŽ (PSI). De PSI was over het algemeen een revisionistische partij, maar bezat wel een sterke marxistische vleugel. Mussolini sloot zich aan bij deze vleugel en keerde zich sterk tegen het revisionistisch socialisme. Om zijn dienstplicht te ontlopen vluchtte hij tijdelijk naar Zwitserland (1902-1904). Hier kwam hij in contact met vooraanstaande marxisten.
Ondanks zijn antimilitarisme vervulde hij na zijn terugkeer in ItaliŽ toch zijn dienstplicht (1906). In 1909 werd Mussolini secretaris van de vakbond van Trentino (Zuid-Tirol). Hij ontdekte zijn roeping als propagandist en schreef tal van socialistische brochures met een sterk antimilitaristisch en antiklerikaal karakter.
Hij sprak zich uit tegen de Italiaanse oorlog tegen het Ottomaanse Rijk, die als doel de verovering van LibiŽ had. In 1912 werden de revisionisten uit de partij gestoten en werd Mussolini hoofdredacteur van Avanti! ('Voorwaarts'). In dit marxistische blad sprak hij zich uit voor de revolutie. Toen de Eerste Wereldoorlog begon sprak hij zich uit voor neutraliteit, omdat in zijn visie oorlogen slechts de belangen van de landeigenaren verdedigen met het bloed van de arbeider. Hij was dan ook, evenals velen met hem, verbouwereerd en enorm teleurgesteld toen Duitse en Oostenrijkse socialisten afweken van de socialistische lijn van neutraliteit, en in de oorlog de zijde van hun regering kozen. Op dat moment verloor hij het geloof in het internationale socialisme. Hierdoor veranderde hij zijn visie op neutraliteit van een absolute naar een van voorwaardelijke neutraliteit. Als ItaliŽ het risico liep om te worden aangevallen dan moest zij zich durven verdedigen. Dit viel, zoals hij al had verwacht, niet in goede aarde bij andere leiders van de PSI die hem als een verrader beschouwden. Hierdoor moest hij Avanti! verlaten, waarna hij het blad Il Popolo d'Italia stichtte dat later in ItaliŽ het toonaangevende fascistische orgaan zou worden. In dit blad begon hij artikelen te schrijven waarin hij erop aandrong dat ItaliŽ aan de zijde van de democratische landen van de geallieerden (Entente) aan de oorlog zou deelnemen tegen de monarchistische landen van de Centrale mogendheden. Zijn kritiek was vooral gericht tegen het keizerlijk Duitsland. Vanuit zijn socialistische achtergrond was hij van mening dat je rechten op mag eisen voor iets waar je hard voor hebt gewerkt. Door de oorlog kwam hij tot de conclusie dat een burger dat recht verliest indien hij niet voor het land wil vechten waar hij zijn identiteit en bestaan aan te danken heeft. Hij sloot zich aan bij diegenen die dat wel wilden, en keerde zich tegen die socialisten die dat niet wilden. Een aantal fabrikanten zagen het nut van Mussolini's krant om ItaliŽ te bewegen de kant van de geallieerden te kiezen, en besloten hem te financieren. Later toen de krant in financiŽle problemen kwam heeft Mussolini zelfs geld van de Franse regering geaccepteerd om de krant te kunnen laten voortbestaan.
Soldaat
Toen ItaliŽ deelnam aan de Eerste Wereldoorlog werd Mussolini als vrijwilliger aan het front met Oostenrijk-Hongarije gestationeerd. Hij schopte het tot sergeant. Op 23 februari 1917 raakte hij gewond en werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Hij kon daarna niet meer deelnemen aan de strijd. Nadat hij genezen was, greep hij weer naar de pen. In Il Popolo d'Italia schreef hij positief over de Februarirevolutie van 1917 en de Russische socialistenleider Aleksandr Kerenski (de bolsjewieken waren toen nog niet aan de macht). Steeds meer begon Mussolini te verlangen naar de revolutie. Hij keerde zich echter wel af van een marxistische revolutie en hij streefde naar een niet-marxistische, socialistische en nationalistische revolutie.
Stichter van het Italiaanse fascisme
Fasci italiani di combattimento

Na de Eerste Wereldoorlog streefden de communisten naar een revolutie, de reformistisch-socialisten naar een verdere uitbreiding van de democratie en de middenklasse naar een herstel van de orde en garanties voor het veiligstellen van hun bezittingen. De nationalisten wilden meer annexaties van Joegoslavisch en Oostenrijks grondgebied.
Veel Italianen, waaronder Mussolini waren boos omdat hun land bij de vredesverdragen tekort was gedaan, aangezien de geallieerden de afspraken van het "Pact van Londen" niet waren nagekomen. Op basis van dat verdrag had ItaliŽ besloten aan de oorlog deel te nemen. En die oorlog had diepe wonden in de samenleving en de economie geslagen. Honderdduizenden keerden niet meer terug van het slagveld, de nationale schuld was torenhoog, en er heerste schaarste. Hierdoor braken er in 1919 en 1920 enorme stakingen en onlusten uit. Ten gevolge van deze "Rode jaren" (BiennioRosso), die in andere landen zoals Duitsland en Hongarije leidde tot communistische radenrepublieken, ontstond er een sterke tegenreactie, die vooral de op orde en discipline geŽnte fascistische beweging een enorme impuls gaf.
Op 23 maart 1919 stichtte Mussolini op de Piazza San Sepolcro in Milaan de Fasci italiani di combattimento. Deze groep bestond voor een groot deel uit veteranen. De beweging groeide snel. De leden, die zich fascisten noemden, droegen een zwart hemd, een zwarte muts en veelal wapens. Van een sterk leiderschap was geen sprake. Dat was juist gedecentraliseerd en iedere stad of streek had haar eigen fascistenbaas. Een dergelijke baas werd ras genoemd, naar de Ethiopische provinciegouverneurs. Het kostte Mussolini vaak moeite om alle ras op een lijn te krijgen. De fascisten knokten met hun vijanden, de socialisten, de communisten, de leden van de katholieke volkspartij, hun vakbonden en hun kranten, waarbij veel doden vielen. Op 15 april 1919 viel een groep fascisten het redactiebureau van de socialistische partijkrant Avanti aan, waarbij vier socialisten gedood werden.[2] De fascisten pleegden het meeste geweld op de Povlakte. De grootgrondbezitters op de Povlakte zochten steun bij de fascisten tegen de sterke onderhandelingspositie van landarbeiders. De landarbeiders hadden door socialistische arbeidsbureaus en stakingen hoge lonen afgedwongen. De fascistische zwarthemden vielen op 21 november 1920 het stadshuis van Bologna binnen omdat socialistische ambtenaren een rode vlag hadden opgehangen. Bij deze aanval vielen zes doden onder de ambtenaren. In het eerste half jaar van 1921 werden Ė volgens fascistische partijdocumenten Ė de gebouwen van 17 drukkerijen, 59 socialistische partijbureaus, 119 arbeidsbureaus, 107 coŲperaties, 83 boerenbonden, 151 socialistische clubs en 151 culturele verenigingen vernield door de fascisten .Door de fascistische aanvallen tussen 1 januari en 7 april 1921 werden 41 socialisten, 20 politieagenten en 16 andere personen vermoord.[3] Een favoriete afstraffing van tegenstanders was het laten opdrinken van wonderolie. In Noord-ItaliŽ namen de zwarthemden hele dorpen en steden over.
Partij
Mussolini streefde inmiddels naar een sterk leiderschap en rond 1921 werd de fascistische beweging omgezet in een politieke partij: de Partito Nazionale Fascista (PNF). Mussolini werd de absolute leider en het gezicht van de partij. Hij voerde de titel Duce (van het Latijnse Dux = legeraanvoerder). Tegelijkertijd met de oprichting van de PNF werd er een partijprogramma aangenomen. Het republicanisme en antiklerikalisme werden afgezworen vanwege praktische redenen (de bevolking van ItaliŽ was katholiek en het merendeel monarchistisch), maar bleven op de achtergrond, zeker ook bij Mussolini, een rol spelen.

Bundesarchiv Bild 183-2007-1022-506, Italien, deutsche Frontkšmpfer in Rom crop.jpg

Geboren 29 juli 1883
Predappio, Koninkrijk ItaliŽ
Overleden 28 april 1945
Giulino di Mezzegra, Koninkrijk ItaliŽ
Partner Rachele Mussolini
Regeringsleider van ItaliŽ en Duce van het fascisme
Aangetreden 24 december 1925
Einde termijn 25 juli 1943
Voorganger Hijzelf
(als premier)
Opvolger Pietro Badoglio
(als premier)
Premier van ItaliŽ
Aangetreden 31 oktober 1922
Einde termijn 25 juli 1943
Voorganger Luigi Facta
Opvolger Pietro Badoglio
Eerste maarschalk van het Rijk
Aangetreden 30 maart 1938
Einde termijn 25 juli 1943
Staatshoofd van de Italiaanse Sociale Republiek
Aangetreden 23 september 1943
Einde termijn

Minister-president
Bij de verkiezingen van mei 1921 deed de PNF mee met de lijst Nationaal Blok, waarin ze samenwerkten met liberalen en nationalisten. Deze lijst stond onder leiding van de liberaal Giovanni Giolitti. Bij deze verkiezingen kreeg het Nationaal Blok in totaal 105 parlementszetels die ingenomen werden door 52 liberalen, 33 fascisten en 20 nationalisten van de Italiaanse Nationalistische Associatie. Daarnaast kreeg de PNF bij kiesdistricten waar ze zelfstandig meededen nog eens twee zetels. Bij de verkiezingen van 1921 kwamen in totaal 35 fascisten in het parlement.De Italiaanse Nationalistische Associatie fuseerde in 1923 met de fascistische partij. Als parlementslid keerde Mussolini zich vooral tegen de democratie.

Mars op Rome


In oktober 1922 werd een mars op Rome begonnen. Uit vier verschillende richtingen vertrokken groepen fascisten met de bedoeling de hoofdstad over te nemen. Iedere groep werd geleid door een vooraanstaand leider van de beweging. De regering reageerde sterk verdeeld. De demissionaire premier Luigi Facta liet politie en treinpersoneel 20.000 deelnemers aan de mars tegenhouden in Civita Vecchia, Orte en Avezzano. Negenduizend uitgeputte zwarthemden bereikten ten slotte op 28 oktober in de regen de buitenwijken van Rome. Koning Victor Emanuel III weigerde Facta's wet voor de noodtoestand te ondertekenen. Hij vreesde een burgeroorlog als er soldaten zouden overlopen en bood Mussolini (die overigens niet meeliep maar in Milaan bleef en een vluchtweg naar Zwitserland had voorbereid voor het geval dat de mars mislukte) het premierschap aan. Mussolini accepteerde en kwam op 30 oktober 1922 meteen naar Rome. Op 31 oktober werd aan 10.000 zwarthemden, inmiddels van voedsel en droge kleren voorzien, een parade door Rome toegestaan, waarbij zeven doden en 17 gewonden vielen. Na aanzienlijke schade aan kantoren van kranten van de oppositie zette Mussolini ze diezelfde avond Rome uit.Hij werd premier van een coalitiekabinet van fascisten, katholieken, liberalen en socialisten. Mussolini keerde zich echter spoedig tegen zijn coalitiegenoten en gooide ze ťťn voor ťťn uit de coalitie: de socialisten werden als eersten weggewerkt en moesten ondergronds gaan opereren, de liberalen werden uit de regering gezet, maar mochten hun zetels in het parlement behouden, mits zij de fascistische politiek zouden steunen. De katholieke partij werd het werken onmogelijk gemaakt. Een deel van haar leiders week uit naar het buitenland. De rest van de partij opereerde sindsdien eveneens ondergronds.
Moord op Matteotti
Sinds 1924 regeerde Mussolini met volmachten en liet zich verheerlijken als il Duce, die altijd gelijk had (ha sempre ragione). De eerste ernstige crisis die het regime kreeg te verwerken was de moord op de reformistisch-socialistische leider Giacomo Matteotti, die op 30 mei 1924 geprotesteerd had tegen de onwettige maatregelen van Mussolini: hij wilde de verkiezingen ongeldig laten verklaren, na een verzoek van Mussolini diezelfde dag om in een keer een paar duizend wetten goed te keuren en de miljoen klachten over de verkiezingen niet te behandelen. Op 10 juni 1924 raakte Matteotti vermist en de publieke opinie verdacht de fascisten ervan hem te hebben vermoord. Mussolini ontkende stellig iets te maken te hebben met de verdwijning. Na de moord op 10 juni werd het lichaam van Matteotti pas op 16 augustus 1924 ontdekt even buiten Rome. Matteotti was in een auto ontvoerd en doodgeslagen, volgens vrijwel iedereen door fascisten en handlangers van de regering. De auto waarmee Matteotti ontvoerd was, werd door de politie teruggevonden. Het bleek dat een aantal fascisten achter de moord zat.Vanwege de betrokkenheid van zijn adviseurs Rossi, Aldo Finzi en Marinelli werd alom aangenomen dat de moord met medeweten van Mussolini was gepleegd.Mussolini had al op 11 juni 1924 elke betrokkenheid ontkend. Maar later moest Mussolini's fascistische onderminister van Binnenlandse Zaken, Finzi, de welgestelde joodse financier van de partij, aftreden. (Mussolini bekleedde zelf het ministerschap van Binnenlandse Zaken). Ten slotte stelde Mussolini zichzelf op 3 januari 1925 in een rede in het parlement verantwoordelijk voor de moord. Maar uiteindelijk overleefde hij de nationale storm van protest, dankzij de greep die hij op de pers had. Na enige tijd waren de meeste mensen de zaak-Matteotti al weer vergeten.
Dictator
Mussolini presenteerde zich steeds meer als de autoritaire dictator. Dit kwam ook tot uiting in zijn karaktereigenschappen: bravoure, show, veel gezwaai met handen, militaristische uitspraken enzovoorts. Langzaam groeide het idee dat Mussolini ItaliŽ zou hebben gered van de bolsjewieken (communisten).
In de stad Rome is Mussolini verantwoordelijk geweest voor het afbreken van de oude middeleeuwse buurt bij het Colosseum. Hij heeft er een brede weg aan laten leggen, de Via dell' Impero, later omgedoopt tot Via dei Fori Imperiali. Dat hij de treinen zogenaamd op tijd liet rijden, is een van de vele staaltjes van zijn geslaagde propaganda: het wordt ook nu nog vaak geloofd. Elders in Europa werd het doen en laten van Mussolini destijds met enige welwillendheid bezien. Al was hij een praalhans en bediende hij zich van weinig zachtzinnige methoden, een massamoordenaar was hij niet en hij leek toch meer klaar te spelen dan veel zwakke naoorlogse democratische regeringen in Europa, waar een algehele malaise en cultuurpessimisme heerste. Zo merkte bijvoorbeeld het Nederlandse protestants-christelijke geÔllustreerde jongerenweekblad 'Timotheus' van 20 november 1926 op dat Mussolini een geweldig organisatorisch talent had, en dat hij het vadsig-luie, onbetrouwbare Italiaanse ras wilde maken tot een volk van vlijtige en eerlijke werkers. Daarnaast sprak het de vrees uit dat zijn macht hem naar het hoofd zou stijgen en hij zich in onberaden buitenlandse avonturen zou storten.
Beleid
Mussolini trachtte met projecten de economische malaise in het land te bestrijden. Volgens de propaganda was hij hierin succesvol. Onder zijn autoritaire bewind vonden geen gewelddadige stakingen of vechtpartijen plaats - behalve door fascistische bendes zelf - zodat de economie weer enigszins kon draaien. Vele projecten dienden vooral zijn prestige. Bijvoorbeeld de strijd om het graan: ItaliŽ moest wat de graanproductie betreft onafhankelijk worden van het buitenland, terwijl import goedkoper was. Er was meer kunstmest uit het buitenland nodig, kleine boeren dolven het onderspit, rendabeler landbouwproducten werden minder geteeld. Dat veel van zijn maatregelen niet werden uitgevoerd - het ging Mussolini vooral om de afkondiging met veel bombarie - voorkwam vaak grotere schade. Hij voerde eerst een privatiseringsbeleid, dat hij zoals zoveel maatregelen later gedeeltelijk terugdraaide. Eerst bestreed hij verstedelijking, later bevorderde hij die weer enzovoorts. De steun van de bevolking bleek niet groot.

Een Nieuw Romeins Rijk
Verdrag van Lateranen

In 1929 sloot Mussolini met het Verdrag van Lateranen een concordaat met het Vaticaan. Zo slaagde Mussolini erin om het geschil met het Vaticaan op te lossen dat was ontstaan na de Italiaanse eenwording - wat geen enkele Italiaanse staatsman voor hem was gelukt. Mussolini erkende het Vaticaan als soeverein land en beloofde dat het katholieke onderwijs en de jeugdbeweging zou blijven bestaan, mits de katholieken mee zouden werken aan zijn regime.
De antiklerikale Mussolini, sinds 1927 gedoopt, hield zich niet aan het concordaat. Vanaf 1929 werden de katholieke jeugdbewegingen ontbonden en werd alleen de fascistische jeugdbeweging (Balilla) nog toegestaan. Het racisme, dat eind jaren dertig zijn intrede deed in het fascisme, maakte een einde aan de goede relaties met het Vaticaan. Paus Pius XI had zich met de encycliek Mit brennender Sorge tegen racistische theorieŽn gekeerd.
Expansie
In 1933 kwam Adolf Hitler in Duitsland aan de macht. Aanvankelijk behandelde Mussolini Hitler als een minderwaardige pupil, wat voor deze moeilijk te verteren was. Hitler beschouwde Mussolini echter wel als voorbeeld. Toen nazi's in Oostenrijk tevergeefs een coup pleegden tegen de vriend van Mussolini, bondskanselier Engelbert Dollfuss - die daarbij overigens wel om het leven kwam - mobiliseerde ItaliŽ tegen Duitsland. Hitler, toen nog niet bij machte om een oorlog te beginnen, trok zijn plannen met Oostenrijk tijdelijk in.
Maar net als Hitler begon Mussolini een Lebensraum na te streven voor het Italiaanse volk. Aanvankelijk was Mussolini tevreden met wat hij had: een ItaliŽ dat naar buiten toe als een sterk en belangrijk land overkwam. Maar het was frustrerend voor hem dat ItaliŽ vergeleken met andere Europese landen zoals Frankrijk, Portugal, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, maar weinig koloniŽn had, naar eigen zeggen "slechts een verzameling woestijnen" (destijds was in LibiŽ nog geen aardolie ontdekt).

Mussolini droomde van een herstel van het Romeinse Rijk en hij beschouwde het Middellandse Zeegebied als Italiaanse invloedssfeer omdat de Romeinen de Middellandse Zee ooit Mare Nostrum, 'onze zee', hadden kunnen noemen. Hij liet zijn oog vallen op EthiopiŽ, naast Liberia het enige land in Afrika dat geen kolonie was. Het had de Italiaanse legers in 1896 verslagen toen deze een poging deden het land te onderwerpen. Deze nederlaag moest volgens Mussolini gewroken worden. In 1936 viel het Italiaanse leger het zwakke EthiopiŽ aan. Het Ethiopische leger kon welgeteld ťťn sportvliegtuigje inzetten tegenover de overweldigende overmacht van het Italiaanse leger. De Italianen, die wapens gebruikten die verboden waren door de Geneefse Conventie - zoals gifgas - behaalden spoedig de overwinning en EthiopiŽ werd een Italiaanse kolonie met koning Victor Emmanuel III als keizer. Door het beginnen van een oorlog en het gebruik van gifgas daalde het aanzien van Mussolini in de westerse wereld aanzienlijk en moest hij noodgedwongen zijn heil zoeken bij zijn "minderwaardige" pupil Adolf Hitler (Noord-Europeanen waren in zijn ogen nog steeds een soort barbaren).
Vanaf eind 1936 mengde Mussolini zich in de Spaanse Burgeroorlog en begon de falangisten en de nationalisten van Francisco Franco (militair) te steunen. In september 1937 bezocht Mussolini Hitler in Duitsland. Hij was zeer onder de indruk van diens vorderingen. Mussolini begon steeds sterker naar Hitler te neigen, terwijl de relaties met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk steeds slechter werden.
Jodenvervolging
Aanvankelijk deed Mussolini antisemitisme af als "onwetenschappelijk" en "belachelijk". Een van zijn maÓtresses, Margherita Sarfatti, auteur van het propagandaboek Dux over Mussolini, was Joods, evenals partijleden en adviseurs.
Maar in oktober en november 1938 voerde Mussolini antisemitische wetten in, samen met de 'campagne tegen de burgerlijkheid'. Gemengde huwelijken tussen Joden en niet-Joden werden ondanks hevige kritiek van de Italiaanse kerk op raciale gronden verboden, zoals eerder na de verovering van EthiopiŽ huwelijken tussen EthiopiŽrs en Italianen. Joodse kinderen mochten niet meer naar gewone scholen samen met kinderen van het zogenaamd superieure Italiaanse ras. Joden werden verwijderd uit de partij, het ambtenarenkorps, het leger enzovoorts en mochten geen grote bedrijven of veel land meer bezitten. De Jodenvervolging strekte zich in ItaliŽ nog niet uit tot systematische moord. Mussolini zou tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs pogingen hebben gedaan om deportatie van Joden te voorkomen uit gebieden die door ItaliŽ bezet waren. Ook Italiaanse overheidsfunctionarissen in ItaliŽ zelf en de bezette gebieden werkten halfhartig of niet mee aan de vervolgingen. Hierdoor werden de door ItaliŽ bezette gebieden in JoegoslaviŽ een vluchtoord voor Joden uit ServiŽ en KroatiŽ.
In 1943 kwam Mussolini ten val en werd hij door de Duitsers aan het hoofd gesteld van de Italiaanse Sociale Republiek, een marionettenregering. De Duitsers namen de macht over en begonnen Joden uit ItaliŽ vanaf dan daadwerkelijk naar concentratiekampen af te voeren, hetgeen door verzet en onderduik niet altijd effectief bleek.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog


In 1939 viel ItaliŽ AlbaniŽ binnen, dat niet eens een leger had maar slechts een gendarmerie. AlbaniŽ werd na drie dagen verslagen en koning Zog I van AlbaniŽ en diens vrouw, koningin Geraldine Apponyi, weken uit naar Engeland, waarna AlbaniŽ door ItaliŽ werd geannexeerd. ItaliŽ sloot zich aan bij Duitsland en de As Berlijn-Rome was geboren. Mussolini ging ervan uit dat het nog wel een paar jaar zou duren voor een grote oorlog zou uitbreken. Volgens de planning zou het Italiaanse leger pas in 1943 gereed zijn voor de strijd. Duitsland viel echter al in 1939 Polen binnen, waarna het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk Duitsland de oorlog verklaarden. Mussolini twijfelde lang of hij zich ook in de oorlog moest mengen. Hij wilde niet als lafaard en breker van de Ascoalitie gezien worden maar aan de andere kant was hij beducht voor het risico dat de geallieerden de oorlog toch zouden winnen. Bovendien zag hij Hitler als concurrent en zou het hem goed uitkomen, als die eens wat werd afgeremd. Hij verklaarde zich tot non-belligerent en keek voorlopig de kat nog uit de boom. Wel stelde hij op 2 september 1939 een conferentie voor maar dit voorstel werd niet geaccepteerd.
De Duitse overwinningen in 1940 veranderden de zaak voor Mussolini. Duitsland had binnen enkele maanden West-Europa veroverd in een aantal snelle militaire campagnes, en beheerste nu de Atlantische kust van Biarritz tot de Noordkaap. De aanvoerroute voor ijzererts was in Duitse handen en Frankrijk was militair verslagen. Nu hoopte Mussolini snel aan een oorlog deel te nemen die al gewonnen leek en eiste Corsica, TunesiŽ en Savoye van Frankrijk. Uiteindelijk verklaarde hij pas op 10 juni 1940 de oorlog en viel hij Frankrijk aan in de Provence en de Zee-Alpen, om daar wat territoriale winst te kunnen boeken. Het reeds door de Duitsers half verslagen Franse leger wist zich daar echter te handhaven tegen de zwakke en ongemotiveerde Italiaanse troepen en pas na de door Duitsland opgelegde wapenstilstand kon ItaliŽ een paar kleine stukjes land annexeren ten koste van het door het Vichyregime bestuurde deel van Frankrijk. De overige eisen wilde Hitler niet inwilligen omdat hij de medewerking van Vichy-Frankrijk nodig had. Hoewel de Fascistische Partij en de media naar buiten toe de oorlog toejuichten, waren de gevoelens gemengd in alle lagen van de bevolking. Velen, met name binnen het leger, beseften dat ItaliŽ niet klaar was voor een grote oorlog en dat Mussolini tegenstanders had uitgezocht die van een ander kaliber waren dan EthiopiŽ en AlbaniŽ. Buiten ItaliŽ werd met afkeer gereageerd op het plotseling aanvallen van een reeds verslagen tegenstander. Roosevelt vergeleek de oorlogverklaring tegen Frankrijk met een dolksteek in de rug.
Later dat jaar viel ItaliŽ Griekenland aan. Mussolini wilde hiermee Hitler enigszins de wind uit de zeilen nemen en voorkomen dat de Tweede Wereldoorlog een puur Duitse oorlog zou worden. Bovendien was hij gefrustreerd over het feit dat de Duitsers hem telkens voor voldongen feiten stelden, zoals de bezetting van de Roemeense olievelden. De Grieken wisten de Italiaanse aanvallen echter af te slaan en konden zelfs stukken Albanees grondgebied op de Italianen veroveren. Griekenland, voordien pro-As, werd nu in het kamp van de geallieerden gedwongen en de mogelijkheid dreigde dat de Britten in Griekenland zouden landen en de door de As beheerste Balkan zouden bedreigen. Pas toen de Duitsers in 1941 in enkele weken de hele Balkan onder de voet hadden gelopen, capituleerden de Grieken. Mussolini kon delen van DalmatiŽ, Kosovo en Epirus aan zijn grondgebied toevoegen maar het was wederom duidelijk dat dit slechts mogelijk was geweest met Duitse steun. Op de Balkan vluchtten veel joden naar de door de Italianen bezette gebieden omdat de Italiaanse bevelhebbers niet wilden meewerken aan de Jodenvervolging.
Eind 1940 begonnen de Italianen ook de oorlog in Noord-Afrika tegen Egypte en Brits-Somaliland, hoewel de militaire leiders protesteerden en Mussolini met ontslag moest dreigen voor ze gehoorzaamden. De Italiaanse opmars in Afrika begon met een bescheiden succesje door de verovering van het zwak verdedigde Brits-Somaliland. De aanval op Egypte, werd door de Britten tot staan gebracht. Pas toen de Duitsers het Afrikakorps onder Erwin Rommel stuurden, wisten de Italianen weer terreinwinst te boeken. In de loop van 1941 ging Italiaans-Oost-Afrika echter in zijn geheel verloren. Naarmate de oorlog vorderde, verliep deze steeds dramatischer voor ItaliŽ.
Door al deze zwakke prestaties van het Italiaanse leger toonde dit zich niet echt als het evenbeeld van de eertijds zegevierende Romeinse legioenen en Mussolini leed ernstig gezichtsverlies bij zijn fascistische 'collega-dictators'. In de zomer van 1941 vielen de Duitsers de Sovjet-Unie binnen - zeer tegen de zin van Mussolini, die liever wilde dat Hitler meer aandacht aan het Middellandse Zeegebied zou schenken. Mussolini stuurde wel enkele divisies naar Rusland. Hoewel de Italiaanse divisies redelijk presteerden in Rusland, moest Mussolini vaststellen dat langzamerhand Antonescu een belangrijker bondgenoot voor Hitler aan het worden was.
In 1942 namen de Italiaanse troepen ten slotte nog in samenwerking met de Duitsers deel aan Operatie Anton, de bezetting van het resterende deel van Frankrijk in reactie op de geallieerde bezetting van Frans Noord-Afrika (Operatie Toorts). Corsica en een deel van Zuid-Frankrijk werden bezet, maar het was duidelijk dat de tijd voor ItaliŽ begon op te raken

Afgezet
Militaire tegenslagen

Inmiddels hadden de Britten de Italianen uit EthiopiŽ verdreven, waarna Haile Selassie weer op de troon was gezet. Ook Italiaans- en Brits-Somaliland werden bezet. Ook in Noord-Afrika werden de As-troepen langzaam maar zeker teruggedreven door de geallieerden, waarbij het Duitse Afrika-korps verreweg de meeste weerstand bood. Op 13 mei 1943 capituleerden de Duitse en Italiaanse troepen in Afrika, waardoor de weg naar ItaliŽ voor de Geallieerden open lag. Op 10 juli landden Britse en Amerikaanse troepen op SiciliŽ.
Mussolini was door alle tegenslagen steeds apathischer geworden, terwijl ook zijn gezondheid steeds verder achteruit ging. Iedere bijeenkomst met Hitler werd een frustratie daar deze hem de les las over de militaire teleurstellingen. Mussolini gaf de Italianen de schuld van de mislukkingen. Hij wilde zelfs de Apennijnen herbebossen "zodat het klimaat kouder wordt met meer sneeuw  zodat dit middelmatige volk gehard wordt.
Arrestatie
Bij veel Italiaanse fascisten rezen twijfels over de capaciteiten van Mussolini. Koning Victor Emmanuel III had er reeds in 1940 aan gedacht om Mussolini te vervangen. Steeds meer stemmen gingen op om Mussolini af te zetten. Het waren de graven Galeazzo Ciano en Dino Grandi (resp. schoonzoon van de Duce en de minister van FinanciŽn), die de leiding namen over een groep fascisten die Mussolini wilden afzetten. Grandi verzocht Mussolini om de Fascistische Grote Raad bijeen te roepen, de hoogste regeringsinstantie. Op 24 juli 1943 riep Mussolini nietsvermoedend .de Raad - die al sinds 1940 niet meer bijeen was gekomen - bijeen. Grandi diende een motie in waarin hij het aftreden van Mussolini eiste. De meerderheid van de leden stemde vůůr de motie. Mussolini, die de Raad slechts als een adviesorgaan zag, vond de stemming niet bindend en ging naar huis. Een dag later bezocht hij Victor Emmanuel III, die hem meedeelde dat hij maarschalk Pietro Badoglio zou benoemen tot minister-president. Mussolini werd bij het verlaten van het paleis in opdracht van de koning gearresteerd en zogenaamd 'om veiligheidsredenen' naar het eilandje Ponza overgevlogen. Later werd hij naar de Gran Sasso in de Abruzzen gebracht. Hij scheen te berusten in zijn lot. Toen de Italianen echter capituleerden en de regering van ItaliŽ beloofde om Mussolini uit te leveren om te worden berecht, werd hij zenuwachtig.
Bevrijding en dood
Op 12 september 1943 werd Mussolini plotseling bevrijd door middel van een Duitse luchtlandingsoperatie onder leiding van SS-majoor Otto Skorzeny. Hij werd naar Duitsland overgevlogen en werd daar herenigd met zijn familie en enkele fascisten.
Republiek van SalÚ
Hitler drong er bij Mussolini op aan om opnieuw regeringsleider te worden van ItaliŽ. Hij was verbijsterd de Duce, die hij zo bewonderd had, in zo'n slechte en apathische conditie te zien. Mussolini had hoegenaamd geen belangstelling meer voor het vormen van een nieuwe regering, en wilde zich uit de politiek terugtrekken. Binnen de nazitop gingen stemmen op om de sterk pro-Duitse Roberto Farinacci tot staatshoofd of regeringsleider te maken, maar daar wilde Hitler niets van weten: het moest Mussolini zijn. Uiteindelijk zwichtte Mussolini voor Duitse dreigementen om Milaan, Turijn en Genua te vernietig
Met enkele fanatieke volgelingen vestigde hij zich aan het Gardameer (in SalÚ) in Noord-ItaliŽ, waar Mussolini de Italiaanse Sociale Republiek uitriep en president en premier werd. Deze republiek was een door de Duitsers beheerste politiestaat, die antisemitischer was dan zijn voorganger. Mussolini liet de personen die tegen hem hadden gestemd in de Fascistische Grote Raad in Verona berechten. Deze showprocessen eindigden met het uitspreken van de doodstraf voor deze personen. Zij werden op stoelen vastgebonden en door een vuurpeloton middels rugschoten gefusilleerd. Onder hen die het leven verloren, bevonden zich Emilio De Bono, Giovanni Marinelli en Mussolini's schoonzoon Galeazzo Ciano.
 Villa Feltrinelli, de residentie van Mussolini te Gargnano gedurende 1943-1945


De Italiaanse Sociale Republiek moest gebieden afstaan aan Duitsland en KroatiŽ, waar Mussolini sterk op tegen was. Naar eigen zeggen zou hij dit direct tegen Hitler hebben gezegd, die hier echter geen boodschap aan had. Het toonde aan hoe sterk de Duitsers feitelijk de touwtjes in handen hadden en ItaliŽ waren gaan wantrouwen. Dit betekende voor joodse vluchtelingen die wegens de Italiaanse weigering joden te vervolgen hun toevlucht hier hadden gezocht, dat ze opnieuw moesten vluchten. Achterblijvers werden vrijwel onmiddellijk opgepakt door de Duitse en Kroatische autoriteiten en (alsnog) naar de vernietigingskampen in Polen gestuurd. Ook in de republiek zelf werd harder tegen joden opgetreden. Onder Duitse supervisie begon men nu werk te maken van de Jodenvervolgingen, hoewel ook nu nog de uitvoering hiervan bemoeilijkt werd.

Het grondgebied dat de republiek beheerste werd bovendien dankzij de geallieerde opmars steeds kleiner. Hierdoor ontstond een burgeroorlog, daar aan beide zijden Italianen aan de strijd deelnamen. De fascisten steunden de Duitsers, en de regering-Badoglio de geallieerden. Bovendien nam ook binnen de Italiaanse Sociale Republiek de partizanenactiviteit toe.
Mussolini bezat geen macht; de werkelijke macht lag in handen van de bezetter. Mussolini besefte dit zelf maar al te goed, maar wist evenzeer dat hij van Hitler afhankelijk was geworden. Hij leed aan depressies, maar knapte af en toe ook wat op en kwam dan met grootse plannen: de industrie moest worden genationaliseerd, evenals de landbouw. Er moest een coalitieregering komen van fascisten en socialisten. Mussolini woonde in deze periode in Gargnano aan het Gardameer. Echt regeren deed hij niet meer. Hij hield zich voornamelijk bezig met het schrijven van zijn memoires.
Dood
In 1945 stootten de geallieerden door tot in de Povlakte, terwijl de partizanen van Tito enkele oostelijke gebieden bezetten en Italiaanse partizanen overal de macht overnamen. In april 1945 voerde de SS achter de rug van Mussolini besprekingen met de geallieerden. Toen Mussolini hierachter kwam was het te laat: de Duitsers hadden in ItaliŽ gecapituleerd. Mussolini vatte vervolgens het plan op om met 3.000 'trouwe fascisten' in de Alpen een guerrillaoorlog te voeren, maar slechts dertien kwamen opdagen.[bron?]
Mussolini vluchtte naar Milaan, en trachtte daar te onderhandelen met het Italiaanse verzet, wat mislukte. Vermomd als Duits militair vluchtte hij naar de Italiaans-Zwitserse grens waar hij zich aansloot bij een SS-colonne die op weg was naar Oostenrijk. Op 27 april 1945 werd deze colonne in Musso, bij Dongo aan het Comomeer, aangehouden en door Italiaanse partizanen op zwarthemden gecontroleerd. Mussolini, die vergezeld werd door Clara Petacci, sinds 1936 zijn maÓtresse, droeg een Duits uniform en had een helm over zijn hoofd getrokken. Hij deed alsof hij dronken was. Mussolini werd echter door Urbano Lazzaro herkend en gearresteerd.
Op 28 april 1945 werden Mussolini en zijn vriendin geŽxecuteerd op bevel van de leiding van de partizanen in Milaan (het Comitato di liberazione nazionale dell'Alta Italia).Mussolini's volgelingen en reisgenoten Bombacci, Pavolini, Starace en Buffarini werden eveneens doodgeschoten.
Vele andere verhalen kwamen van veronderstelde ooggetuigen.Zo'n andere lezing  luidt als volgt: naar het schijnt wilden de partizanen hem eerst berechten, maar werd het koppel ontvoerd door de partizanenleider kolonel Valerio (werkelijke naam: Walter Audisio) die hier niet op wilde wachten. Audisio vertelde hen dat hij hen wilde bevrijden, maar bracht de twee naar een stille plek in Giulino di Mezzegra aan het Comomeer om ze te executeren. Clara Petacci sprong voor Mussolini waarop ze als eerste werd neergeschoten. Alvorens Mussolini zelf aan de beurt was zou hij de laatste woorden: "Schiet mij in de borst." hebben uitgesproken. Audisio zelf zou altijd blijven volhouden dat hij Mussolini en Petacci had vermoord, en dat hij handelde op bevel van het Nationaal Bevrijdingscomitť, dat een doodvonnis tegen Mussolini zou hebben uitgesproken. Nadien keerde Audisio terug om ondanks protesten van Lazzaro en andere partizanen de overgebleven vooraanstaande fascisten te fusilleren. Hieronder was ook Clara's broer Marcello Petacci, die probeerde te ontsnappen door in het Comomeer te springen en bij deze poging gedood werd.
Een kruis te Mezzegra geeft de plaats van Mussolini's executie op 28 april 1945 aan.
De lichamen werden naar Milaan overgebracht waar ze tentoongesteld werden. Op de Piazzale Loreto werden de lijken van Mussolini en Petacci, samen met die van drie lotgenoten, aan de voeten opgehangen aan een portaalbalk van een benzinestation, waar ze werden bespot en aangevallen door de menigte.
Later werd Mussolini in Milaan begraven. In april 1946 werd zijn lichaam gestolen, mogelijk om losgeld te eisen, maar toen dat niets opleverde werd het een maand later bij een klooster in Milaan ingeleverd. Daar zorgde men voor een waardige maar stilgehouden begrafenis onder een altaar in een ander klooster bij Legnano. In 1957 werd Mussolini door de familie herbegraven in de buurt van zijn geboortedorp Predappio.

1-Italiaans militair in de Tweede Wereldoorlog