Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

Yehuda Amital

Yehuda Amital ( Hebreeuws : יהודה עמיטל , geboren Yehuda Klein ; 31 oktober 1924 - 9 juli 2010) was een orthodoxe rabbijn , de Rosh Yeshiva van Yeshivat Har Etzion en een voormalig lid van het IsraŽlische kabinet .
Biografie
Yehuda Klein (later Amital) werd geboren in Oradea , RoemeniŽ , zoon van Yekutiel Ze'ev en Devora. Na vier jaar seculier basisonderwijs begon hij religieuze studies bij Rabbi Chaim Yehuda Levi. Toen Duitsland het gebied in 1944 bewoonde, stuurden de nazi's zijn hele familie naar Auschwitz waar ze werden gedood. Amital werd naar een werkkamp gestuurd en overleefde zo de holocaust . Hij bleef acht maanden in het werkkamp en werd op 4 oktober 1944 door het Sovjetleger bevrijd. Na zijn bevrijding maakte hij zijn weg naar Boekarest , vanwaar hij naar Palestina reisde, aankomst op 11 december 1944. 
Na een kort verblijf in het Atlit-gedetineerde kamp , ging hij op weg naar Jeruzalem , waar hij studeerde aan Hebron Yeshiva en semicha ontving van Rabbi Isser Zalman Meltzer . Hij leerde ook met Rabbi Yaakov Moshe Charlop , een student van Rabbi Avraham Yitzchak Kook . Rond deze tijd trad hij toe tot de Hagana .
Na het leren bij Hebron, verhuisde hij naar Pardes Hanna om te leren bij Kletzk Yeshiva. Tijdens het leren aan de Jesjiva trouwde hij met Miriam, de dochter van de Rosj Yeshiva, Rabbi Zvi Yehuda Meltzer en de kleindochter van Rabbi Isser Zalman Meltzer. Toen de yeshiva naar Rehovot verhuisde , volgde Amital en vestigde zich in Rehovot totdat hij in de jaren zestig naar Jeruzalem verhuisde.
De dag na de Onafhankelijkheidsverklaring werd Amital's eenheid gemobiliseerd. Hij nam deel aan veldslagen van Latrun en het westen van Galilea . Na de oorlog werd Amital een rabbijnse secretaris in de Beth Din van Rehovot en twee jaar later werd hij instructeur bij Yeshivat HaDarom, waar hij hielp bij het formuleren van het idee van een Hesder Yeshiva .
Amital stierf op 9 juli 2010 en werd op de begraafplaats Har HaMenuchot in Jeruzalem gelegd , waar duizenden zijn begrafenis bijwoonden. 
Politieke carriŤre
In 1988 richtte Amital de links gerichte religieuze Meimad- beweging op en werd gekozen tot voorzitter nadat het een politieke partij was geworden . In 1995 diende hij als een minister zonder portefeuille in de regering van Shimon Peres , ondanks dat hij geen Knesset-lid was. 
Educatieve carriŤre 
Na de Zesdaagse Oorlog stichtte hij Yeshivat Har Etzion , een Hesder Yeshiva in Gush Etzion . De yeshiva opende in 1968 in Kfar Etzion met 30 studenten. Na twee jaar verhuisde de instelling naar haar huidige locatie in Alon Shvut . In 1971 vroeg Amital Aharon Lichtenstein om zich bij hem te voegen als Rosh Yeshiva .
Op 80-jarige leeftijd vroeg Amital de directie van Yeshivat Har Etzion om zijn opvolgers te selecteren. De yeshiva koos Rabbis Yaaqov Medan en Baruch Gigi . Op 4 januari 2006 werden Medan en Gigi officieel geÔnvesteerd als co- roshei yeshiva , naast Amital en Aharon Lichtenstein. 
Op 25 september 2008 heeft Amital officieel zijn pensionering aangekondigd, van kracht worden op de laatste dag van de Joodse maand van Tishrei, in het jaar 5769 (28 oktober 2008). Hij kondigde ook aan dat Mosheh Lichtenstein , de zoon van Aharon Lichtenstein, op dezelfde dag de positie als vierde Rosh Yeshiva zou aannemen.
Amital bleef een prominent publiek figuur in IsraŽl, met een brede impact op zaken van religieuze en nationale zorg. Zijn studenten en discipelen zijn leidende figuren in vele geledingen van het leven. Hij had een opvoedingsfilosofie ontwikkeld die diepe trouw combineert met traditie en ethische verantwoordelijkheid aan de samenleving als geheel, met toewijding aan de morele en spirituele bloei van elk individu.
Gepubliceerd werkt 
Joodse waarden in een veranderende wereld ISBN 0-88125-881-4
Betrokkenheid en complexiteit: Joodse wijsheid in een tijdperk van ufeaval ISBN 1-60280-030-8
Een wereld gebouwd, vernietigd en herbouwd, Rabbi Jehoeda Amital's confrontatie met het geheugen van de holocaust ISBN 0-88125-864-4
By Faith Alone: ​​The Story of Rabbi Yehuda Amital ISBN 1-59264-192-X

Rav yehuda amital portrait.JPG

Geboortedatum 31 oktober 1924
Geboorteplaats Oradea , RoemeniŽ
Jaar van aliyah 1944
Sterfdatum 9 juli 2010 (leeftijd 85)
Plaats van dood Jeruzalem , IsraŽl
MinisteriŽle rollen
1995-1996 Minister zonder portefeuille

 


Emmy Andriesse

Emmy Eugenie Andriesse (Den Haag, 14 januari 1914 Ė Amsterdam, 20 februari 1953) was een Nederlandse fotografe. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat zij ondergedoken wegens haar Joodse afkomst.
Jeugd
Emmy Eugenie Andriesse werd geboren in Den Haag als enig kind van de advertentieacquisiteur voor de NRC Abraham Andriesse en de modeagent voor luxelingerie Else Fuld in een progressief joods-liberaal gezin waarvan beide ouders werkten. Al op jonge leeftijd had ze grote belangstelling voor vrouwenemancipatie en links-georiŽnteerde politieke ideeŽn.
Opleiding en werk
Na haar middelbare school bezocht Andriesse van 1932 tot 1937 de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag waar ze de opleiding reclameontwerpen volgde. Dit was een nieuwe opleiding onder leiding van de ontwerper Gerrit Kiljan die samen met zijn collega Paul Schuitema[1] een curriculum was begonnen waarin fotografie en film als medium een belangrijke plaats innamen. Andriesse leerde hier functionalistische ideeŽn over eerlijk materiaalgebruik en het toepassen van eigentijdse technieken. Ook was het onderwijs pedagogisch vernieuwend omdat niet-autoritaire zelfredzame lesvormen gegeven werden en er een sterke nadruk lag op een bewuste maatschappijvisie van waaruit een kunstenaar diende te werken. Vanaf het tweede jaar specialiseerde Andriesse zich vooral in de fotografie en kreeg zij door haar gedrevenheid de bijnaam "Emma-Leica" naar de camera Leica. Behalve met deze voor die tijd snelle kleinbeeldcamera ging zij vooral ook werken met een Rolleiflex-spiegelreflexcamera.
Fotografie en engagement
Tijdens haar studie woonde Andriesse in een "gemeenschapshuis" in Voorburg waarvan de bewoners sociaal geŽngageerd leefden en contacten onderhielden met verschillende progressieve en antifascistische organisaties. Ook werd er hulp aan de Spaanse Republikeinen geboden tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Andriesse kwam zo in contact met jonge maatschappelijke reportagefotografen van de "Nieuwe Fotografie"-stroming als Eva BesnyŲ, Cas Oorthuys en Carel Blazer. Blazer was jarenlang haar steun en toeverlaat op techniekgebied.
Andriesse exposeerde al in 1937 in het Stedelijk Museum in Amsterdam met een sociale fotorapportage over de Jordaan als arbeidersbuurt in crisistijd. Na afronding van haar studie verhuisde zij naar Amsterdam waar ze ging werken als fotograaf en aan kranten en tijdschriften vele foto's leverde die zich kenmerkten door het gebruik van verrassende camerastandpunten en een voorliefde voor diagonale beeldopbouw. De onderwerpen waren ambachten, landschappen en het leven van volwassenen en kinderen in steden en dorpen. Dit kon zij doen tot het zogenaamde "Journalistenbesluit" van de Duitse bezetter in 1941.
Huwelijk en onderduiken
In 1941 trouwde Andriesse met grafisch ontwerper en beeldend kunstenaar Dick Elffers. Hoewel hij niet joods was, kon zij als volle jodin niet meer werken of publiceren en moest ze onderduiken. Eind 1944 regelde de bevriende antropoloog Arie de Froe een vervalste ariŽrverklaring voor haar en kon zij weer aan het publieke leven deelnemen en zich aansluiten bij de fotografenverzetsgroep "de Ondergedoken Camera". Haar foto's uit die periode betroffen de gruwelijke omstandigheden van de hongerwinter in Amsterdam en waren documenten van honger, armoede en ellende, gefotografeerd met een grote indringendheid en symboliek.
Na de oorlog
Behalve haar sociaal bewogen onderwerpen die de mens en zijn gedrag bestreken, leverde Andriesse na de oorlog ook bijdragen aan fotoboeken over Nederland tijdens de bevrijding, over steden en landschappen en begon zij zich te specialiseren in het maken van portretten. Tussen 1947 en 1951 maakte ze in opdracht van de directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, Willem Sandberg, een serie kunstenaarsportretten. Hiertoe bezocht ze in Nederland, BelgiŽ, Frankrijk en Zwitserland kunstenaars in hun ateliers. De foto's waren bestemd voor tentoonstellingscatalogi en waren van een strakke symmetrische beeldopbouw, wat ze een monumentaal karakter geeft. Ze behoren tot de hoogtepunten van haar werk door hun hoge artistieke en technische kwaliteit.

Afbeeldingsresultaat voor Emmy Andriesse

Emmy Andriesse
Geboren 14 januari 1914, Den Haag
Overleden 20 februari 1953, Amsterdam
Land Nederland
Groep De Ondergedoken Camera
Emmy Andriesse
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Persoonsgegevens
Volledige naam Emmy Eugenie Andriesse
Geboren Den Haag, 14 januari 1914
Overleden Amsterdam, 20 februari 1953
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) fotografe
RKD-profiel
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur

 


Clara Asscher-Pinkhof

1815-1945
Clara Asscher-Pinkhof: rebelse rabbijnsvrouw en pedagoge

Het boek Sterrekinderen van Clara Asscher-Pinkhof is even belangrijk als het Dagboek van Anne Frank. Dat vond de beroemde Duitse schrijver Erich Kšstner. Meer dan twintig jaar lang leefde Clara Asscher-Pinkhof in de stad Groningen, als pedagoge, schrijfster en moeder. Waarvan zes jaar als rabbijnsvrouw: een rol die haar niet altijd gemakkelijk afging.
Clara Pinkhof (Amsterdam, 1896) trouwde in 1919 met rabbijn Avraham Asscher. Korte tijd later vertrokken ze naar Groningen, waar Avraham benoemd was tot opperrabbijn. Het paar ging niet wonen in het Rabbinaatshuis dat bij de synagoge in de Folkingestraat hoort, maar net buiten het centrum van Groningen, achtereenvolgens aan de Korreweg, de Petrus Campersingel en de Westersingel. Dat deden in die tijd de meeste joden die net als Clara en Avraham redelijk welvarend waren. Ze wilden liever buiten de oude joodse buurt rond de synagoge wonen, omdat ze het daar maar een armoedige boel vonden, met al die handelaren in vodden, oud ijzer en oud papier.
In Groningen bleek Clara al gauw een rebelse pedagoge te zijn. Ze maakte plannen om het godsdienstonderwijs aan joodse kinderen te verbeteren. Later schreef ze in haar autobiografie wat er allemaal aan schortte.
ďMijn schooljuffrouwen-hart was hevig betrokken bij wat er in de godsdienstscholen tegen de kinderziel gezondigd werd. (...) Er viel een stal op te ruimen, die minstens een eeuw van stof en spinnewebben in zich vergaard had."
Volgens Clara deed het joodse godsdienstonderwijs er toen alles aan om jonge mensen zich van het jodendom te laten afkeren. Kinderen zouden de lessen ervaren als 'gehate uren der gevangenschap'.
'MEVROUW DE RABBIJNSVROUW'

Haar rol als rabbijnsvrouw lag haar niet altijd. Ze had er een hekel aan om telkens weer als 'mevrouw de rabbijnsvrouw' aangesproken te worden. En om haar eigen mooie lange haar op straat volgens de joodse voorschriften te moeten bedekken onder een 'sjeitel' (jiddisch voor pruik). Toch deed ze wat van haar verwacht werd.
Avraham stierf in 1926 aan een longziekte (mogelijk tuberculose). Haar autobiografie die in 1966 verscheen, noemde ze daarom De danseres zonder benen. Want net als een danseres die haar belangrijkste instrument, haar benen, kwijt was, moest zij op haar negenentwintigste door zonder haar Avraham.
ALLEEN
Clara Asscher-Pinkhof stond er nu alleen voor. Ze moest rondkomen van een klein pensioen dat ze aanvulde met geld, dat ze verdiende met het houden van lezingen, het geven van cursussen aan de Volksuniversiteit in Groningen en het schrijven van kinderboeken en romans voor volwassenen.
Ondertussen had Clara zelf ook nog haar eigen zes kinderen op te voeden. Dat was een zware taak. Zo kostte het haar nogal wat moeite om ze op te voeden in de joodse traditie, zoals ze vast van plan was toen haar man Avraham stierf. 
ďOmdat mijn huis het huis van Avraham was, moest ik wel volhouden, dat de Joodse wetten van spijs en Shabbathrust in dit huis gehandhaafd werden, maar over de principes, over het wel of niet aanvaardbare, voerden we hevige discussies, en als zij [de kinderen, MW], met hun jong en radikaal inzicht, het naar mijn mening bij het rechte eind hadden, beaamde ik hun argumenten."
Dit citaat maakt ook duidelijk dat Clara vond dat ouders niet autoritair moeten zijn. Ouders moeten hun kinderen altijd uitleggen waarom ze iets moeten doen.
DE OORLOG
In 1940 kwam een einde aan haar vruchtbare periode in Groningen. Ze ging samen met dochter Fieke terug naar Amsterdam om er uit idealisme onderwijzeres te worden op een joodse meisjesschool. Tijdens een razzia in 1943 werd Clara opgepakt en op transport gesteld naar het doorgangskamp Westerbork. Van daar reisde ze naar Bergen Belsen, het kamp voor mensen met een zonaamd Palestinacertificaat. Dit cerficaat werd uitgereikt aan joden die familie in Palestina (het huidige Israel) hadden. Clara kwam hiervoor in aanmerking, omdat haar dochter Roza in Palestina woonde. Vanuit Bergen Belsen reisde ze in 1944, samen met 250 oude en zieke lotgenoten, met een vrijgeleide naar Palestina om uitgeruild te worden voor Duitse gevangenen.
Daar schreef ze haar bekendste boeken: Sterrekinderen (1946) en de al genoemde autobiografie De danseres zonder benen (1966). Op 25 november 1984 stierf Clara Asscher-Pinkhof in het bejaardentehuis voor Nederlandse en Duitse joden Beth Joles in Haifa. Ze liet een koffer na met een stapeltje Duitse recensies van haar boek Sternkinder.

Afbeeldingsresultaat

Clara Asscher-Pinkhoh als jonge vrouw

Joodsche Kinderliedjes, haar eerste boek uit 1918.

Joodsche Kinderliedjes, haar eerste boek uit 1918.

 


Eli Asser

Elias (Eli) Asser (Amsterdam, 22 december 1922) is een Nederlands scenarioschrijver en tekstdichter.
Levensloop
Asser werd geboren als de jongste zoon van Isašc Asser (1883-1942), een standwerker die op de markt scheermesjes verkocht, en diens tweede echtgenote Johanna van West (1892-1942). Vader Asser had uit zijn eerste huwelijk met Esther Kreveld (1892-1943) een zoon (een tweede zoon was al na een paar weken gestorven). Na Eli's geboorte werd nog een dochter geboren. Assers vader, zijn moeder, de eerste vrouw van zijn vader en zijn broer en zus kwamen om in de vernietigingskampen.
In de Tweede Wereldoorlog werkte hij onder andere bij de Joodsche Raad en als leerling-verpleger in de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. Begin 1943, op de avond vůůr alle patiŽnten door de bezetter werden weggevoerd, dook Asser samen met zijn vriendin en latere echtgenote Eva Croiset onder. Later zou hij zijn ervaringen verwerken in het toneelstuk Aan de vooravond. Asser zat vervolgens een tijd ondergedoken bij een boer in Friesland.
Loopbaan
Asser werd na de bevrijding journalist. Hij werkte voor het Haagsch Dagblad en weekblad Vrij Nederland. Zijn doorbraak als tekstschrijver kwam in 1953 bij de VARA, waarvoor hij de komische radiostrip Mimosa (later Mimoza, MInisterie van MOeilijke ZAken, genoemd) schreef. Dit programma, met in de hoofdrollen Ko van Dijk, Johan Kaart en Conny Stuart en de special effects van het geluidenwonder Jan Oradi, was bijzonder populair. Ook de teksten van de aansluitende serie Willem Parel (Wim Sonneveld) waren van zijn hand.
Later schreef Asser reclameteksten. Daarnaast maakte hij onder andere komedies voor de KRO en de AVRO. Nationale roem verwierf hij met de komedieseries die in de jaren 1969-1972 werden uitgezonden door de KRO: 't Schaep met de 5 pooten en Citroentje met suiker.
Hij schreef ook de liedteksten voor deze twee series, zoals Het zal je kind maar wezen, op muziek gezet door Harry Bannink en vertolkt door AdŤle Bloemendaal. Met haar en Leen Jongewaard werkte hij ook aan theatershows. In 1979 maakte hij een musical-versie van het klassieke toneelstuk Potasch & Perlemoer. De verzameling liedteksten van Asser is gebundeld onder de titel: Het zal je kind maar wezen; verzamelde liedteksten.
In 1996 vertelde Eli Asser zijn levensverhaal aan het Visual History Archive van het USC Shoah Foundation Institute, opgericht in 1994 door Steven Spielberg. Dit verhaal is opgenomen in de Collectie 2000 Getuigen Vertellen van het Joods Historisch Museum.
In 2004 publiceerde hij het boek Alles is meegenomen, dat grotendeels bestaat uit brieven die hij en zijn vrouw Eefje (Eva Croiset, 1923-2002) elkaar schreven vanaf hun onderduikadressen tijdens de oorlog.
Asser was in 2008 te zien in een aflevering van de dramaserie Keyzer & De Boer Advocaten als de joodse heer Simon.
Eli Asser heeft drie kinderen, onder wie Hella de Jonge (1949), echtgenote van cabaretier Freek de Jonge.
Trivia

Een bekende grap is: "Van wie is die tekst?" Ė "Van Eli Asser!"

Eli Asser in 1990

Eli Asser in 1990
Algemene informatie
Volledige naam Elias Asser
Geboren 22 december 1922
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Jaren actief 1953-heden
Dbnl-profiel
Portaal Portaalicoon Literatuur

 


Philipp Auerbach

Philipp Auerbach (Hamburg, 8 december 1906 - MŁnchen, 16 augustus 1952) was een Duitse overlevende van de concentratiekampen van Auschwitz en Buchenwald.
Biografie
Vlucht naar BelgiŽ

In 1934, na de machtsgreep van Hitler, vluchtte Auerbach met zijn gezin naar BelgiŽ. In Brussel vervolledigt hij zijn studies en komt aan het hoofd van een fabriek van schoonmaakproducten in Berchem bij Antwerpen. Na de Kristallnacht in 1938 en de moord op zijn vader door de nazi's wil hij met zijn gezin naar Cuba vluchten maar het land wil de vluchtelingen niet aannemen.
Auschwitz
Bij de Duitse inval in BelgiŽ wordt hij gearresteerd en met honderden andere Duitsers en Duitsgezinden naar Frankrijk gebracht. Dat bracht hem langs Saint-Cyprien, Gurs, Le Vernet, Perpignan, Vichy en Pau. Het collaborerende Franse Vichy-regime zet hem uiteindelijk in januari 1944 op een trein naar Auschwitz.
Het feit dat Auerbach chemicus is en gespecialiseerd in het vervaardigen van zeep uit dierlijke vetten, wordt zijn redding in Auschwitz. Volgens bepaalde versies zou hij gedwongen geweest zijn om zeep te maken van menselijke resten. Op de zeepjes die elke Duitse soldaat meekreeg stond in Gotische letters 'RIF', wat stond voor Reichsstelle fŁr Industrielle Fettversorgung. Deze zeep zou ook menselijke resten bevatten maar Auerbach schrijft letterlijk: "Als chef van de zeepfabricatie moest ik voor de productie van vet zorgen in het slachthuis". Er was in Auschwitz ook een slachthuis voor koeien, schapen en varkens.
Na-oorlogse periode
In het Wienerarchief in Londen bevindt zich een manuscript van 35 vellen, waarin Auerbach zijn oorlogsverhaal optekent, vanaf de arrestatie in Antwerpen, de deportatie naar Frankrijk en het verblijf in de Duitse kampen. Hij schreef het ergens in 1945 in het Engels onder de titel I Am the Man Who Saw Misery!. [1].
Na de oorlog was hij van 1946 tot 1951 staatscommissaris voor racistisch, religieus en politiek vervolgden in MŁnchen. Hij kreeg de leiding over een operatie Wiedergutmachung: financiŽle tegemoetkomingen voor de slachtoffers van het naziregime. Daarnaast was hij lid van het eerste directorium van de Centrale Raad voor de Joden in Duitsland. In 1952 werd hij veroordeeld tot 2,5 jaar cel wegens fraude met compensatiegelden. De nacht na het vonnis nam hij een overdosis slaappillen. In zijn afscheidsbrief schrijft Auerbach: "Ik heb mij nooit persoonlijk verrijkt en kan deze schandelijke uitspraak niet tolereren. Ik heb gevochten tot het einde, het werd niets.".
In 1954 werd hij door een onderzoekscommissie van de Beierse Landdag volledig in ere hersteld.

Auerbach op 27 februari 1948 bij zijn getuigenis in het WilhelmstraŖen-proces

 


Maria Austria

Maria Austria (geboren als Marie Karoline Oestreicher) (Karlsbad, 19 maart 1915 Ė Amsterdam, 10 januari 1975)was een Nederlandse fotograaf. De belangrijkste thema's in haar werk zijn theater- en documentairefotografie.
Levensloop
Zij groeide op in een Joods artistiek gezin. Haar vader was arts. Zij volgde in Wenen een vaktechnische opleiding voor fotografie aan de HŲhere Graphische Bundes Lehr- und Versuchanstalt. In 1934 werkte ze als assistente voor de Weense fotograaf Willinger en fotografeerde ze avant-gardistische toneeluitvoeringen. Vanwege de maatregelen die tegen Joden werden ingevoerd, verhuisde ze in 1937 naar Amsterdam. Zij woonde bij haar zus Lisbeth, die textielontwerpster was. Zij werkten samen onder de naam 'Model en Foto Austria'. Vanaf dat moment gebruikte zij de naam Maria Austria. In 1942 trouwde zij met de Duitse zakenman Hans Bial. Zij is als Joodse niet naar het doorgangskamp Westerbork gegaan, maar dook onder. Zij ontmoette Henk Jonker, die bij het Amsterdamse bevolkingsregister werkte en actief was in het verzet met het vervalsen van persoonsbewijzen. Austria maakte daar pasfoto's bij. Eind 1945 scheidde ze van Hans Bial en in 1950 trouwde ze met Henk Jonker.
Werk
In 1945 richtte Maria Austria het fotobureau Particam op, samen met fotografen Henk Jonker, Aart Klein en Wim Zilver Rupe. Zij richtten zich op documentaire reportages voor kranten en tijdschriften over de werkende mens en het culturele leven van Nederland in de wederopbouw. Van 1949 tot 1960 hadden Austria en Jonker een fotorubriek over maatschappelijke thema's op de achterpagina van het Algemeen Handelsblad. Samen fotografeerden ze onder andere ook de Watersnoodramp voor het christelijk nationaal weekblad De Spiegel.
Austria specialiseerde zich in theaterfotografie en portretteerde dansers, acteurs, cabaretiers, musici, dirigenten en regisseurs. Haar opdrachtgevers waren onder andere grote balletgezelschappen, het Holland Festival (vanaf 1947), de Nederlandse Opera Stichting (vanaf 1949) en het Concertgebouworkest.
Na haar overlijden werd in 1976 het Maria Austria Instituut (MAI) opgericht. Dit beheert, in samenwerking met het Stadsarchief Amsterdam, de archieven van ruim 50 fotografen, waaronder het archief van Maria Austria zelf.

Afbeeldingsresultaat voor Maria Austria

Maria Austria
Persoonsgegevens
Volledige naam Marie Karoline Oestreicher
Geboren Karlsbad, 19 maart 1915
Overleden Amsterdam, 10 januari 1975
Beroep(en) fotograaf
RKD-profiel
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur

 


Betsy Bakker-Nort

Bertha (Betsy) Bakker-Nort (Groningen, 8 mei 1874 - Utrecht, 23 mei 1946) was een Nederlands feministe, jurist en politicus namens de Vrijzinnig-Democratische Bond.
Betsy Nort groeide op in Groningen, als jongste van vier dochters in een Nederlands-Isrešlitisch gezin. Ze zou later bewust afstand doen van haar joodse opvoeding, en was geen lid van joodse vrouwenclubs of verenigingen zoals haar zussen. Ze studeerde enige tijd Scandinavische talen in Denemarken en Zweden, en werd ook beŽdigd vertaler. Ze vertaalde zo'n 40 boeken tussen 1900 en 1911 naar het Nederlands.
Feminist
In 1895 raakte Nort betrokken bij de feministische beweging, en werd ze lid van de lokale afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, onder meer geÔnspireerd door de ervaringen die zij in ScandinaviŽ heeft gehad. In 1904 trouwde Betsy met Gerrit Pieter Bakker, ook een lid van de VvVK, en bleef ze actief feministe. Dit huwelijk zou kinderloos blijven. In 1908 gaat ze rechtsgeleerdheid studeren aan de Rijksuniversiteit Groningen als 34-jarige student. In 1914 promoveerde ze op de rechtspositie van een getrouwde vrouw in Duitsland, Zwitserland, Engeland, Frankrijk en Nederland.
Na haar promotie ging ze als advocaat en procureur aan de slag in Groningen, tot ze in 1930 zou verhuizen en haar praktijk zou voortzetten in Den Haag.
Politiek
In 1918 werd Bakker-Nort bestuurslid bij de progressief-liberale partij Vrijzinnig-Democratische Bond, en nadat in 1919 het actief vrouwenkiesrecht werd ingevoerd, werd ze in 1922 namens de VDB in de Tweede Kamer der Staten-Generaal gekozen, feitelijk als 'opvolgster' van de in 1918 niet gekozen Aletta Jacobs. Daar zette ze zich in voor gelijke rechten voor vrouwen. Zo sprak ze in haar maidenspeech over de "schandalige huwelijkswetgeving" gezien dat mannen binnen het huwelijk wettelijk de baas over hun echtgenotes waren: "ít Huwelijk berooft de vrouw van haar met groote offers verkregen zelfstandigheid en brengt haar terug in de staat van onmondigheid".
Bakker-Nort trachtte onder meer (tevergeefs) via een initiatiefwetsvoorstel de belemmeringen voor vrouwen op te heffen om notaris te worden (ingetrokken in 1937). Een ander initiatiefvoorstel van haar hand, over het zusterpensioen (pensioen voor bij broer inwonende ongehuwde zuster) strandde in de Eerste Kamer in 1923. Bijna haar gehele lidmaatschapsduur (tot 1942) was ze fractiesecretaris.
Ondanks de parlementaire tegenstand spande Bakker-Nort zich ook buiten de Tweede Kamer in om de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen op te heffen. In 1926 werd zij voorzitter van het nieuw opgerichte Comitee voor eene gemeenschappelijke actie tot hervorming onzer huwelijkswetgeving. Bij deze organisatie sloten zich in totaal 22 vrouwenbewegingen aan.
In de Kamer sprak ze onder meer over justitie, Binnenlandse Zaken, FinanciŽn, de PTT, Onderwijs, Volksgezondheid en Sociale Zekerheid.
In de zomer van 1933 was zij in Londen betrokken bij het tegenproces, georganiseerd door gevluchte leden van de KPD, dat een ander beeld zou moeten geven van de Berlijnse Rijksdagbrand.
Tweede Wereldoorlog
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en de daaropvolgende bezetting van Nederland door nazi-Duitsland in mei 1940 nam Bakker-Nort, immers van joodse afkomst, in januari 1942 ontslag als parlementariŽr. Van december 1942 tot februari 1943 werd ze, net als vele andere Nederlandse joden, geÔnterneerd in doorgangskamp Westerbork, en daarna met andere bevoorrechte joden overgebracht naar Kamp Barneveld. In april 1944 was ze ťťn van de Barneveldse joden die werden getransporteerd naar Kamp Westerbork, en daarna in september 1944 naar concentratiekamp TheresiŽnstadt werden overgebracht. Bakker-Nort was ťťn van de 400 mensen die dit kamp overleefde, en keerde na de oorlog terug naar Nederland, waar ze in Utrecht ging wonen. Daar zou ze in mei 1946 overlijden.

Afbeeldingsresultaat voor Betsy Bakker-Nort

Betsy Bakker-Nort
Algemene informatie
Volledige naam Bertha Bakker-Nort
Geboren Groningen, 8 mei 1874
Overleden Utrecht, 23 mei 1946
Partij Vrijzinnig-Democratische Bond
Titulatuur Mr.
Politieke functies
1918 - 1922 lid partijbestuur VDB
1922 - 1942 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
Parlement & Politiek - biografie
Portaal Portaalicoon Politiek
Nederland
 

 


Benny Behr

De in Groningen geboren violist Benny Behr (1911) vertrok in 1937 naar Amsterdam waar hij in verschillende orkesten naam maakte. Op 1 augustus 1944 kwam hij in kamp Westerbork terecht. ĎIk speelde er op mijn viool voor de mensen in de strafbarakí, zo vertelde Benny 45 jaar later aan documentairemaker Willy Lindwer.
Benny speelt voor de kinderen in kamp Westerbork.

Benny Behr

ĎIk heb in de strafbarakken voor de kinderen en ook voor de oudere mensen gespeeld. Voor de kinderen heb ik natuurlijk vrolijke schoolliedjes gespeeld. De ouderen wilden ook weleens wat klassieks horen. Ik heb onder meer stukjes van Kreisler gespeeld. En zo heb ik geprobeerd de mensen te amuseren. Ik zat daar in de strafbarak samen met ondergedoken Joden die in de ogen van de Duitsers een strafbaar feit hadden verricht: ze hadden geprobeerd hun leven te redden. Ze hebben me direct aan het werk gezet. Ik kwam terecht bij de batterijen. We zaten allemaal aan lange tafels waar we deze batterijen moesten kloven, een vreselijk smerig werk. Na een uur was je pikzwart van dat poeder wat in die batterijen zat.
Je kan kamp Westerbork het beste typeren met termen als verslagenheid maar ook hoopvolle verwachting. Aan de gezichten van de mensen zag je dat ze op de lijst stonden om op transport te gaan. En je zag mensen die, soms voorlopig, gevrijwaard waren van transport. De ťťn had een glimlach maar de ander stond het huilen nader dan het lachen. We hebben allemaal vreselijk angst gehad vooral voor de transporten die op dinsdagavond gingen. Dan kwam er iemand van de ordedienst de lijst aflezen van personen die zich de volgende morgen, of die nacht al, klaar moesten maken om op transport te gaan. Als de ĎBí van mijn naam voorbij was, dat moet ik eerlijk bekennen, slaakte ik een zucht van opluchting. Ik was er dus deze week niet bij. De volgende week kon het wel zijn dat je erbij zat. Maar ik ben godzijdank overgebleven. En zo is de strafbarak langzaam leeggestroomd.
en het mooiste was misschien wel mijn optreden op de dag van de bevrijding. toen heb ik diezelfde avond nog voor de canadese commandant en voor de officieren in de grote zaal gespeeld. het was ongelooflijk.
Op een gegeven moment was er een rechtszitting. Daar waren de zogenaamde rechters: Aus der FŁnten, Gemmeker en Fischer. Toen die rechtszitting er was en ik binnenkwam zaten der heren achter een tafel. Ik hoorde de ťťn tegen de ander zeggen: ďWieder ein Jude.Ē Binnen een minuut was de rechtszitting voor mij voorbij. Zo werd iedereen vanuit de strafbarak voorgeleid. Eťn of twee dagen later kwam het bericht dat 59 personen bis auf weiteres vrijgesteld waren van transport. En daar stond ik bovenaan. De lijst begon bij de ĎBí. En zo ben ik met 58 andere personen achtergebleven, de overigen gingen allemaal op transport. Dit was begin september 1944. De 59 strafgevallen werden uit de strafbarakken ontslagen en konden zicht bij het zogenaamde Ďvrije kampí voegen.
Ik heb daarna verschillende baantjes gehad. Zo ben in begonnen in de buitendienst. Ook heb ik nog in de houtzagerij gewerkt waar ik planken aan moest geven. Tussen de bedrijven door heb ik ook nog regelmatig viool gespeeld. Ik heb daar ook voor de Duitse Joden, waarvan een aantal in aparte huisjes woonde, gespeeld. Dan kreeg ik soms sigaretten en wat extra eten. Ook speelde ik met anderen in een trio. En het mooiste was misschien wel mijn optreden op de dag van de bevrijding. Toen heb ik diezelfde avond nog voor de Canadese commandant en voor de officieren in de grote zaal gespeeld. Het was ongelooflijk. Ik heb toen een uur lang achter elkaar gespeeld. Na afloop kreeg ik een heleboel dozen sigaretten Sweet Caporal, dat kan ik me nog herinneren. Ik rookte zelf niet en heb ze uitgedeeld onder de jongens toen ik terugkwam in de barak. En die jongens zeiden: ďGa je nou morgenavond weer spelen?Ē Ik zei: ďDat weet ik nog niet. Ik ben daarvoor nog niet uitgenodigd.Ē Maar inderdaad de volgende avond heb ik nog eens gespeeld. Dat was mijn bevrijding.í

Benny Behr (links) met Sem Nijveen (1963)

Benny Behr (links) met Sem Nijveen (1963)
Algemene informatie
Volledige naam Benjamin Behr
Geboren Groningen, 27 februari 1911
Overleden Hilversum, 16 augustus 1995
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Genre(s) Jazz
Instrument(en) Viool
Verwante artiesten Sem Nijveen
Portaal Portaalicoon Muziek

 


Bennie Bluhm

Barend (Bennie, ook wel Beertje genoemd) Bluhm (Amsterdam, 1 mei 1917 Ė idem, 12 juni 1986) was een Nederlandse verzetsstrijder. Hij was betrokken bij het Joods verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Levensloop

Bluhms grootvader vluchtte weg uit Rusland vanwege de pogroms die tegen Joden waren gericht. In zijn jeugd was Bluhm betrokken bij de Arbeiders Jeugd Centrale. Rond 1936 werd hij lid van de Communistische Partij Holland. Via Lard Zilverberg kwam hij aanraking met het boksen, eerst bij DOS en daarna bij de Joodse boksvereniging Maccabi, voordat hij bij de gemengde boksvereniging Olympia uitkwam. In 1937 bracht Bluhm een bezoek aan Duitsland, waar hij verschillende Joodse families ontmoette die erg leden onder de nazi-vervolgingen. Hij hielp een aantal mensen om naar Nederland te ontkomen.

Na de Duitse inval in mei 1940 kreeg de Joodse gemeenschap te maken met toenemende treiterijen. Zo dwong de Weerbaarheidsafdeling, de geŁniformeerde ordedienst van de Nationaal-Socialistische Beweging cafťhouders in Amsterdam om de bordjes Verboden voor Joden op te hangen. In de hoofdstad vormde ontstonden de eerste Joodse knokploegen, waarvan veel leden een boksachtergrond hadden, inclusief Bluhm.

In de vroege avond van 11 februari 1941 marcheerde een groep zingende WA'ers het Waterlooplein op en werden daar opgewacht door een Joodse knokploeg bestaande uit tachtig tot honderd man, waaronder Bluhm en Zilverberg. Zij werden bijgestaan door een communistische knokploeg. Bij het gevecht dat daarop volgde kwam de NSB'er Hendrik Koot om het leven. Deze gebeurtenis werd door de NSB in propagandistische zin aangegrepen om fel tegen de Joden te keer te gaan.

De Duitse bezetter reageerde op 22 en 23 februari met twee grote razzia's waarbij meer dan vierhonderd Joodse mannen werden opgepakt, die uiteindelijk op transport naar het concentratiekamp Mauthausen werden gezet. Slechts twee van hen keerden na de oorlog levend terug. Bluhm wist bij de razzia maar net de dans te ontspringen. De razzia's, die in het openbaar plaats vonden, zorgden voor een heuse schokgolf en waren de aanleiding tot de Februaristaking.[1] Een paar dagen voor de razzia's hadden de Duitsers al 19 betrokkenen bij het gevecht op gepakt. Drie van hen, waaronder Bluhms vriend Zilverberg, moesten gedwongen poseren met hun "wapens". Zilverberg kwam via Kamp Amersfoort in Mauthausen terecht, waar hij overleed.

Na de Februaristaking raakte Bluhm betrokken bij een communistische verzetsgroep, deels bestaande uit Joden. Zo zochten zij onderdak voor onderduikers, zorgden voor voedselbonnen en kalkten teksten op muren. Bluhms eigen ouders werden halverwege 1942 gedeporteerd. In augustus 1944 werd Bluhm zelf ook opgepakt voor de Arbeitseinsatz. Hij weigerde en werd daarop als strafgeval overgebracht naar Kamp Westerbork. Op dat moment vonden er geen transporten meer plaats.

In april 1945 werd Westerbork bevrijd door de Canadezen. Bluhm zelf vertrok naar IsraŽl en werd boksinstructeur in het IsraŽlische leger. Later woonde hij nog in een kibboets, maar kon toch niet goed aarden, waarop hij terugkeerde naar Nederland. Hoewel Bluhm zich na de oorlog bleef beschouwen als communist, werd hij geen lid meer van de CPN, omdat hij in aanraking kwam met antisemitisme binnen die partij en omdat het "voor een jood gevaarlijk is om je te laten registreren".

In de laatste jaren van zijn leven streefde Bluhm naar meer aandacht voor het Joods verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Samen met oud-verzetsstrijder Chaim Natkiel zette hij zich daarvoor in. Op de dag van zijn begrafenis werd de oprichtingsakte getekend van Stichting Comitť Joods Verzet 1940-1945.[2] De stichting zorgde er uiteindelijk voor dat er een monument kwam op de hoek van de Amstel en de Zwanenburgwal in Amsterdam.
Persoonlijk
Bluhm trouwde aan het begin van de oorlog met een (niet-Joodse) Friezin. Zijn zoontje overleed aan de griep.

Benny Bluhm.

Bennie Bluhm
Algemene informatie
Geboren Amsterdam, 1 mei 1917
Overleden Amsterdam, 12 juni 1986
Nationaliteit Nederlandse

Het Joods Verzetsmonument in Amsterdam. Bluhm was een van de initiatiefnemers, maar maakte de plaatsing ervan niet meer mee.

 


Tadeusz Borowski

Tadeusz Borowski ( Poolse uitspraak: [tadɛuʂ bɔrɔfskʲi] , 12 november 1922 - 1 juli 1951) was een Poolse schrijver en journalist . Zijn poŽzie in oorlogstijd en verhalen over zijn ervaringen als gevangene in Auschwitz worden erkend als klassiekers in de Poolse literatuur en hadden veel invloed in de Midden-Europese samenleving.
Vroege leven 
Borowski werd in 1922 geboren in de Poolse gemeenschap in Zhytomyr , de OekraÔense SSR (tegenwoordig OekraÔne ). In 1926 werd zijn vader, wiens boekwinkel door de communisten was genationaliseerd , naar een kamp in het Gulag- systeem in het Russische KareliŽ gestuurd omdat hij lid was geweest van een Poolse militaire organisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog . In 1930 werd Borowski's moeder gedeporteerd naar een nederzetting aan de oevers van de Yenisey , in SiberiŽ, tijdens de Collectivisatie . Gedurende deze tijd woonde Tadeusz bij zijn tante.
In 1932 werd Borowski gerepatrieerd van de USSR naar Polen vanwege de inspanningen van het Poolse Rode Kruis . Hij vestigde zich in Warschau met zijn broer Juliusz. Kort na hun terugkeer in Warschau werd Borowski's vader bevrijd uit de goelag na een gevangenenruil met een Poolse communist. In 1934 werd de moeder van Borowski vrijgelaten en keerde terug naar Polen.
Ervaringen onder nazi-bezetting 
In 1940 voltooide Borowski zijn middelbare schoolopleiding in een geheim ondergronds lyceum in het door de nazi's bezette Polen, en begon toen met studies aan de ondergrondse universiteit van Warschau (Poolse taal en literatuur).
Hij raakte ook betrokken bij verschillende ondergrondse kranten en begon zijn gedichten en korte romans te publiceren in de maandelijkse Droga , terwijl hij als nachtwaker werkte in een magazijn. Het was tijdens deze periode dat hij het grootste deel van zijn oorlogstijd poŽzie schreef, en hij clandestien publiceerde zijn eerste collectie, getiteld Gdziekolwiek Ziemia ( waar de aarde ).
Terwijl hij lid was van de ondergrondse educatie in Warschau, woonde Borowski bij zijn verloofde Maria. Nadat Maria op een nacht in februari 1943 niet naar huis was gegaan, begon Borowski te vermoeden dat ze was gearresteerd. In plaats van weg te blijven van een van hun gebruikelijke ontmoetingsplekken, liep hij echter rechtstreeks de val in die was ingesteld door de Gestapo- agenten in het appartement van de goede vriend van zijn en Maria. Hij arresteerde zichzelf, hij werd in de beruchte Pawiak- gevangenis geplaatst en vervolgens naar Auschwitz getransporteerd .
Gedwongen tot slavenarbeid onder extreem zware omstandigheden, beschreef Borowski later deze ervaring in zijn geschriften. In het bijzonder, toen hij aan een spoorweghelling in Auschwitz-Birkenau werkte, zag hij dat Joden voor het eerst werd verteld hun persoonlijke bezittingen achter te laten en vervolgens rechtstreeks van de treinen naar de gaskamers werden overgebracht. Terwijl hij een gevangene in Auschwitz was, kreeg Borowski een longontsteking ; daarna werd hij aan het werk gezet in een nazi-medisch experiment "ziekenhuis". Hij was in staat schriftelijk en persoonlijk contact te onderhouden met zijn verloofde, die ook in Auschwitz gevangen zat. 
Eind 1944 werd Borowski getransporteerd van Auschwitz naar het Dautmergen-subkamp van Natzweiler-Struthof en uiteindelijk naar Dachau . Dachau-Allach, waar Borowski gevangen werd gehouden, werd op 1 mei 1945 door de Amerikanen bevrijd en daarna bevond Borowski zich in een kamp voor ontheemden in de buurt van MŁnchen .
Na de oorlog 
Hij bracht enige tijd door in Parijs en keerde op 31 mei 1946 terug naar Polen. Zijn verloofde, die de kampen had overleefd en naar Zweden was geŽmigreerd, keerde eind 1946 terug naar Polen en zij trouwden in december 1946. 
Borowski wendde zich tot de proza ​​na de oorlog, in de overtuiging dat wat hij te zeggen had niet langer in vers kon worden uitgedrukt. Zijn reeks korte verhalen over het leven in Auschwitz werd gepubliceerd als Pożegnanie z Marią ( Farewell to Maria , Engelse titel This Way for the Gas, Ladies and Gentlemen ). De belangrijkste verhalen zijn geschreven in de eerste persoon vanuit het perspectief van een gevangene van Auschwitz; ze beschrijven het moreel verdovende effect van dagelijkse terreur, waarbij gevangenen proberen te overleven, vaak onverschillig of gemeen tegen elkaar zijn; de voorrechten van niet-Joodse gevangenen zoals Borowski; en de afwezigheid van heldendom. Al vroeg na zijn publicatie in Polen werd dit werk beschuldigd van nihilistisch, amoreel en decadent te zijn.Zijn korte verhaalcyclusWorld of Stone beschrijft zijn tijd in ontheemdenkampen in Duitsland.
Hij werkte als journalist, voegde zich bij de door de communisten gecontroleerde Poolse arbeiderspartij in 1948 en schreef ook politieke traktaten. Aanvankelijk geloofde hij dat het communisme de enige politieke macht was die werkelijk in staat was om te voorkomen dat er in de toekomst Auschwitz zou plaatsvinden. In 1950 ontving hij de Nationale Literaire Prijs, Second Degree.
In de zomer van 1949 werd hij naar het persgedeelte van de Poolse militaire missie in Berlijn gestuurd . Hij keerde een jaar later terug naar Warschau en ging een buitenechtelijke relatie aan met een jong meisje. 
Al snel na een goede vriend van hem (dezelfde vriend die eerder gevangen was gezet door de Gestapo, en in wiens appartement zowel Borowski als zijn verloofde waren gearresteerd) werd gevangengezet en gemarteld door de communisten. Borowski probeerde in zijn naam in te grijpen en faalde; hij raakte volledig gedesillusioneerd door het regime.
Op 1 juli 1951 pleegde hij op 28-jarige leeftijd zelfmoord door gas in te ademen van een gasfornuis. Zijn vrouw had drie dagen voor zijn dood een dochter gekregen van hun dochter. 
Legacy
Zijn boeken worden erkend als klassiekers van Poolse naoorlogse literatuur en hadden veel invloed in de Midden-Europese samenleving.
Tadeusz Borowski is het onderwerp van de 'Beta' sectie in het boek van Czesław Miłosz , The Captive Mind .
Zijn vriend Tadeusz Drewnowski publiceerde verschillende boeken over Borowski, waaronder de biografie van 1962 Ucieczka z kamiennego świata ( Escape from the World of Stone ) en Postal indiscretions: de correspondentie van Tadeusz Borowski .
De Poolse film Landscape After the Battle uit 1970 is gebaseerd op Borowski's geschriften.
Het lied ' Ghosts of Dachau ' uit 1984, Style Council, werd geÔnspireerd door This Way for the Gas, Ladies and Gentlemen . 
Borowski's boeken worden genoemd in de bekroonde roman The Reader ("Der Vorleser") uit 1995 door de Duitse auteur Bernhard Schlink , waarin een voormalige concentratiekampbewaarder zelfmoord pleegt in wroeging na het lezen van zijn en andere memoires van overlevenden.
In 2002 verklaarde Imre Kertťsz , terwijl hij de Nobelprijs voor de Literatuur ontving, dat al zijn werken werden geschreven vanwege zijn eigen fascinatie voor Borowski's proza.

Tadeusz Borowski.jpg

Geboren 12 november 1922 
Żytomierz , OekraÔense SSR
Ging dood 1 juli 1951 (28 jaar) Warschau , Polen
Bezetting schrijver, journalist
Nationaliteit Pools
Genre poŽzie, korte verhalen
Opvallende werken Deze weg voor het gas, dames en heren
Opmerkelijke prijzen Nationale literaire prijs, Second Degree (Polen)

 


Barend (Ben) Bril

Barend (Ben) Bril (Amsterdam, 16 juli 1912 Ė aldaar, 11 september 2003) was een Nederlands bokser van Joodse afkomst, die Nederland onder andere vertegenwoordigde bij de Olympische Zomerspelen 1928.

Biografie
Hij werd geboren op Valkenburgerstraat 108 in Amsterdam als op ťťn na de jongste van zeven kinderen en hij groeide op in het hart van het armere gedeelte van de Joodse buurt, waar zijn vader handelde in vis. Ben was een echte straatvechter. Op elfjarige leeftijd bezocht hij met zijn oudste broer "De Jonge Bokser" in de Wagenstraat, ťťn van de bokstenten in Amsterdam, en vanaf die dag wilde hij bokser worden. Op straat vocht hij nu niet meer, omdat hij zijn energie alleen nog maar in het boksen stopte. De jonge Bril was bijzonder getalenteerd en behaalde in 1927, vijftien jaar jong, zijn eerste nationale titel.

Bril was ruim zestien jaar toen hij in Amsterdam zijn Olympisch debuut maakte; hij was toen ťťn van Nederlands jongste OlympiŽrs uit de geschiedenis, en de jongste Olympische bokser die Nederland ooit gekend had. Hij kwam uit in het vlieggewicht (tot 50,8 kilogram) en haalde de kwartfinales, de laatste acht. Zijn sportieve hoogtepunt beleefde Ben Bril in 1935, toen hij de gouden medaille won bij de Maccabiade (Joodse Wereldspelen).

Bril won acht maal de Nederlandse titel in zijn gewichtsklasse. Hij weigerde echter deel te nemen aan de Olympische Zomerspelen 1936 in nazi-Duitsland, ook al was hij geselecteerd door het Nederlands Olympisch Comitť. Wegens zijn Joodse afkomst werd Bril tijdens de Duitse bezetting, samen met zijn vrouw en zoon, via de kampen Vught en Westerbork naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Het gezin overleefde de verschrikkingen, maar Brils glansrijke bokscarriŤre was voorbij.

Pas jaren nadien zette Bril als scheidsrechter weer voet in de boksring en ontpopte hij zich als spreekbuis van en voor de Nederlandse bokssport. Bril was arbiter/ringrechter bij verscheidene Olympische Spelen, waar hij opviel door het kritiseren van omstreden jurybeslissingen, met name in MŁnchen (1972} en Montrťal (1976). In 1960 werd hij op de Olympische Spelen in Rome uitgeroepen tot beste boksscheidsrechter ter wereld.

Ook was hij arbiter bij het populaire NCRV-televisieprogramma Spel zonder Grenzen. Daarnaast baatte Bril met zijn echtgenote Celia een broodjeszaak (Beter belegde broodjes bij Ben Bril) annex restaurant uit aan het Vredenburg in Utrecht.

Ben Bril overleed op 91-jarige leeftijd in het Amsterdamse verpleeghuis Beth Shalom en ligt begraven op de joodse begraafplaats in Muiderberg.

Op 9 oktober 2006 verscheen zijn biografie Ben Bril. Davidsster als Ereteken geschreven door Ed van Opzeeland. Het eerste exemplaar werd door Erica Terpstra overhandigd aan zijn zoon Albert Bril.

Sinds 2007 is er een Ben Bril Memorial elk jaar op de tweede maandag van oktober in theater Carrť in Amsterdam. Dit evenement is in het leven geroepen door Martin Overste en Jan Lenten in samenwerking met de Nederlandse Boksbond.

Ben Bril (1965)

Ben Bril (1965)
Persoonlijke informatie
Volledige naam Barend Bril
Geboortedatum 16 juli 1912
Geboorteplaats Amsterdam
Overlijdensdatum 11 september 2003
Overlijdensplaats Amsterdam
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Sportieve informatie
Discipline Boxing pictogram.svg Boksen
Onderde(e)l(en) Vlieggewicht
Club Olympia-Maccabi, Amsterdam (NED)
Olympische Spelen 1928
Portaal Portaalicoon Sport

 


David Brodman

David Brodman (Hebreeuws: דוד ברודמן) (Rotterdam, 22 februari 1936) is een IsraŽlische rabbijn en vredesactivist van Nederlandse komaf.

Biografie
Brodman is afkomstig uit een gelovig joods gezin. Als kleuter maakte hij het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 mee. Net op tijd had het gezin Brodman zichzelf in een schuilkelder in veiligheid gebracht toen hun huis werd platgebombardeerd. De dag erna verhuisden ze naar Den Haag.

Vanwege de Jodenvervolging werden Brodman met zijn moeder en jongere zus eind 1942 naar kamp Vught afgevoerd. Vervolgens kwamen ze in kamp Westerbork terecht, waar een milder regime heerste. Vandaar uit werden ze naar het concentratiekamp Theresienstadt overgebracht. Op zijn vader na die weliswaar was gevlucht maar later toch werd gepakt en in het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz om het leven kwam, overleefde het gezin Brodman de oorlog en vestigden zij zich weer in Den Haag.

De oprichting van de staat IsraŽl op 14 mei 1948 was voor het gezin een emotionele gebeurtenis die ze via de radio meemaakten. Brodman volgde een opleiding tot rabbijn en was als zodanig van 1963 tot 1973 bij het Amsterdamse rabbinaat (de Nederlands-IsraŽlitische Hoofdsynagoge) werkzaam. In 1973 emigreerde (alia) hij naar IsraŽl. In het bij Tel Aviv gelegen plaatsje Savyon - Brodman is opperrabbijn van Savyon - richtte hij het Savyon Center op, een centrum voor joodse studies. Hiermee beoogt hij de niet-gelovige Joden in IsraŽl en dan met name de jeugd interesse bij te brengen voor het joodse geloof en alles wat daarmee samenhangt. Hij had namelijk na zijn vestiging in IsraŽl bemerkt dat veel Joodse IsraŽliŽrs hun religieuze wortels waren kwijtgeraakt en wilde daar wat aan doen. Heden ten dage neemt hij een groeiende belangstelling bij seculiere Joden voor het joodse geloofs- en cultuurgoed en de joodse geschiedenis waar omdat zij zich vanwege alle negatieve verwikkelingen omtrent IsraŽl willen oriŽnteren op hun oorsprong.

Rabbijn Brodman is lid van de Council of Religious Institutions of the Holy Land (Raad van Religieuze Instituties van het Heilige Land). Dit is een vredesforum van joden, islamieten en christenen in IsraŽl.
Hoewel hij gelooft dat God in de Thora IsraŽl aan de Joden heeft beloofd en ook dat God het land en zijn inwoners beschermt, is hij van mening dat als het gaat om een duurzame vrede en het sparen van levens de bepalingen in de Thora mogen worden gepasseerd en stukken land mogen worden (terug/weg)gegeven. Een IsraŽl dat het gehele Bijbelse gebied omvat - Eretz IsraŽl Hashlema in het Hebreeuws - kan volgens hem namelijk alleen door God tot stand worden gebracht.

Rabbijn Brodman bezoekt nog regelmatig zijn oude vaderland Nederland, onder meer als gesprekspartner op christelijke bijeenkomsten.

Gerelateerde afbeelding

David Brodman
דוד ברודמן
Hoofdambt rabbijn
Religie Jodendom
Plaats Nederland
Geboortedatum 22 februari 1936
Geboorteplaats Rotterdam
Spiritueel ambt
Ambt rabbijn
Ander ambt Raad van Religieuze Instituties van het Heilige Land
Portaal Portaalicoon Religie
Jodendom

 


Thomas Buergenthal

Thomas Buergenthal (geboren op 11 mei 1934, in Ľubochňa , Tsjecho-Slowakije , tegenwoordig Slowakije ) is een voormalige rechter van het Internationaal Gerechtshof . Hij trad af op 6 september 2010. Buergenthal keert terug naar zijn positie als Lobingier-hoogleraar rechtsvergelijking en jurisprudentie aan de George Washington University Law School . 
Vroege leven 
Thomas Buergenthal, geboren uit Duits-Joodse / Pools-Joodse ouders die in 1933 vanuit Duitsland naar Tsjechoslowakije waren verhuisd, groeide op in het Joodse getto van Kielce ( Polen ) en later in de concentratiekampen in Auschwitz en Sachsenhausen . Na de oorlog woonde hij bij zijn moeder in GŲttingen .
Op 4 december 1951 emigreerde hij van Duitsland naar de Verenigde Staten . Hij studeerde aan Bethany College in West Virginia (afgestudeerd in 1957), en ontving zijn JD aan de New York University Law School in 1960, en zijn LL.M. en SJD-graden in internationaal recht van de Harvard Law School . Rechter Buergenthal is de ontvanger van verschillende eredoctoraten van Amerikaanse, Europese en Latijns-Amerikaanse universiteiten.
CarriŤre
Buergenthal is een specialist in internationaal recht en mensenrechtenwetgeving .
Buergenthal diende als rechter bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag vanaf maart 2000 tot zijn ontslag in september 2010. Vůůr zijn verkiezing tot het Internationaal Gerechtshof was hij de Lobingier-hoogleraar Rechtsvergelijking en jurisprudentie aan de George Washington University Law School . Hij was decaan van het Washington College of Law of American University van 1980 tot 1985 en bekleedde hoogleraarschappen aan de University of Texas en Emory University . Buergenthal diende vele jaren als rechter, waaronder lange perioden bij verschillende gespecialiseerde internationale instanties. Tussen 1979 en 1991 diende hij als rechter van deInter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens , inclusief een termijn als voorzitter van dat hof; van 1989 tot 1994 was hij rechter bij het administratieve tribunaal van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank ; in 1992 en 1993 was hij lid van de Waarheidscommissie van de Verenigde Naties voor El Salvador ; en van 1995 tot 1999 was hij lid van het mensenrechtencomitť van de Verenigde Naties . 
Buergenthal is de auteur van meer dan een dozijn boeken en een groot aantal artikelen over internationaal recht, mensenrechten en rechtsvergelijkende onderwerpen. Hij is lid van een aantal redacties van juridische tijdschriften, waaronder het American Journal of International Law.
Rechter Buergenthal is mede-ontvanger van de Gruber Prize for Justice 2008 voor zijn bijdragen aan de promotie en bescherming van mensenrechten in verschillende delen van de wereld, en met name in Latijns-Amerika . Hij ontvangt ook de volgende onderscheidingen: Goler T. Butcher Medal, American Society of International Law, 1997; Manley O. Hudson-medaille, American Society of International Law, 2002; Elie Wiesel Award, US Holocaust Memorial Council, 2015; en Olympische Orde, Internationaal Olympisch Comitť, 2015.
Zijn memoires, A Lucky Child , die zijn ervaring beschrijft in verschillende Duitse concentratiekampen, is vertaald in meer dan twaalf talen.
Geselecteerde werken 
Wetgeving in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (1969)
Internationale bescherming van mensenrechten (met LB Sohn, 1973)
Public International Law in a Nutshell (4e editie 2007, met SD Murphy) 5e editie, 2013 met SD Murphy)
Internationale mensenrechten in een notendop (3e druk 2002, met D. Shelton en D. Stewart)
Bescherming van de mensenrechten in Noord- en Zuid-Amerika (4de editie 1995, met D. Shelton)
GrundzŁge des VŲlkerrechts (3e druk 2003, met K. Doehring en J. Kokott)
Menschenrechte (met D. ThŁrer, 2010)
Een gelukskind (2009)

Thomas Buergenthal.jpg

Rechter van het Internationaal Gerechtshof
In functie
2 maart 2000 - 6 september 2010
Persoonlijke gegevens
Geboren 11 mei 1934 (83 jaar) 
Ľubochňa , Tsjechoslowakije
Alma mater 
Bethany College ( BA )
New York University School of Law ( JD )
Harvard Law School ( LL.M. , SJD )

 


Ellen Burka

Ellen Burka-Danby (Amsterdam, 11 augustus 1921 Ė Toronto, 12 september 2016) was een Nederlands kunstschaatsster en Canadees kunstschaatscoach.
Biografie
Danby werd geboren uit Joodse ouders die elkaar in Engeland ontmoet hadden. In haar jeugd begon ze met kunstschaatsen en won wedstrijden toen de sport in Nederland nog geen officiŽle nationale titel kende. Samen met haar vriendin Elsbeth Bon-Meyer, die slechts enkele maanden vůůr haar overleed, was ze een van de eerste echte kunstrijdames in Nederland. Vanuit de Veronesestraat in Zuid ging ze naar de ijsbaan in Oost, naast het Sportfondsenbad. Gedurende de Tweede Wereldoorlog zat Danby in de concentratiekampen Westerbork en Theresienstadt. In Westerbork liet zij zich registreren als 'Nederlands kampioene kunstrijden', hoewel die titel pas in 1951 werd ingevoerd. Haar ouders en zieke grootmoeder werden vrijwel direct afgevoerd naar Sobibůr, waar ze omgebracht werden.Ze overleefde omdat kampcommandant Albert Konrad Gemmeker geÔnteresseerd was in kunstschaatsen. Ze mocht haar schaatsen en schaatskleding op laten sturen en oefenen op de bevroren vijver.Ook kwam ze regelmatig bij Gemmeker in huis om kookadvies te geven. De vriendin van Gemmeker zorgde ervoor dat Ellen Danby niet naar Sobibůr gestuurd werd, maar naar Theresienstadt. Daar ontmoette ze de Tsjechische kunstenaar Jan Burka. Ze overleefde beide kampen en nam deel aan een speciaal sport- en amusementsprogramma. Hij bracht het er ook levend van af.
Schaatscoach
Na de bevrijding van het kamp liepen Ellen Danby en Jan Burka in twee weken naar Amsterdam. Daar begon ze weer te schaatsen, ditmaal in de Apollohal, waar door de Canadese bevrijders een ijsbaan was aangelegd. In 1946 en 1947 won ze het officieuze Nederlands kampioenschap kunstrijden. Ook trad het paar in het huwelijk.
Toen de Koude Oorlog uitbrak, wilde Burka emigreren. Ze vroegen visa aan voor de Verenigde Staten en Canada, en toen het visum van Canada binnenkwam, besloten ze naar Toronto te gaan. Ze hadden inmiddels twee dochters. In 1954 verliet Jan Burka zijn gezin echter. Ellen ging vervolgens aan de slag als kunstschaatscoach bij de Granite Club in Toronto en was coach van onder anderen haar oudste dochter Petra (brons Olympische Winterspelen 1964 en goud Wereldkampioenschappen kunstschaatsen 1965), Toller Cranston (zes Canadese titels en brons Olympische Winterspelen 1976), Tracey Wainman en Christopher Bowman. Met Elvis Stojko (wereldkampioen in 1994, 1995 en 1997 en Olympisch zilver in 1994 en 1998) was Burka het meest succesvol.
Ze werd onderscheiden in 1978 met de Orde van Canada en in 1996 opgenomen in Canada's Sports Hall of Fame. Haar andere dochter, Astra, maakte over haar periode in Canada de documentaire Skate to Survive.
In januari 2015 kwam Ellen Burka als 93-jarige even terug naar Nederland. Met mensen van het programma Andere Tijden Sport bracht ze een bezoek aan Kamp Westerbork en kreeg van de KNSB op de Jaap Edenbaan de onderscheiding Blijk van Erkenning.
Ze overleed uiteindelijk op 95-jarige leeftijd. Tijdens haar leven was Burka succesvol als coach op 26 WK's en 7 Winterspelen
Onderscheidingen
1978: Orde van Canada
1996: Canadese Sports Hall of Fame
2015: Blijk van Erkenning van de KNSB

Ellen Burka-Danby (ca. 1990)

Ellen Burka-Danby (ca. 1990)
Persoonlijke informatie
Geboortedatum 11 augustus 1921
Geboorteplaats Amsterdam
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Overlijdensdatum 12 september 2016
Overlijdensplaats Toronto
Overlijdensland Vlag van Canada Canada
Sportieve informatie
Specialisatie(s) kunstschaatsen
Actieve jaren 1930-1950
Portaal Portaalicoon Schaatsen

 


Frank, Henriette (1903-1992)

FRANK, HenriŽtte, vooral bekend als Jetty Cantor (geb. Den Haag 16-5-1903 Ė gest. Hilversum 23-4-1992), violiste, zangeres en actrice. Dochter van Meijer Frank (1880-1942), pianist, en Sophia de Jong (1879-1942), actrice. HenriŽtte Frank trouwde (1) op 9-4-1924 in Amsterdam met Mozes Cantor (1902-1954), cellist; (2) na echtscheiding (2-1-1948) op 26-8-1953 in Hilversum met Johannes Antonius Fresco, alias Maarten Kapteyn (1905-1999), zanger, voordrachtskunstenaar en hoorspelacteur. Uit huwelijk (1) werd 1 zoon geboren.
HenriŽtte (Jetty) Frank werd geboren als tweede van vier Ė twee jongens en twee meisjes Ė in een muzikaal Joods gezin in Den Haag. Vader was pianist en orkestleider, moeder was actrice en Jettyís broers Louis (1901) en Jacob (1905) speelden cello. Het gezin Frank verhuisde rond 1905 naar Amsterdam, daarna naar Den Haag en in 1920 naar Rotterdam. Als kind volgde Jetty vioollessen aan de muziekschool, maar zelf wilde ze daarna naar de toneelschool. Op aandringen van haar ouders ging ze toch naar het conservatorium. Al op jonge leeftijd speelde Jetty in het ensemble van haar vader, waar ze zich als Ďkrullenjongení verschool achter de laatste lessenaar. Zijn orkest begeleidde ook films, en zo leerde ze uiteenlopende muzikale genres. Als zestienjarige leidde Jetty ook een eigen muziekensemble, waarin ze zong en viool speelde. In tearooms trad ze op als Ďeen vrouwelijke Stehgeiger die aan haar viool smeltende melodieŽn ontlokteí (NRC, 23-4-1992).
Westerbork
Op haar twintigste trouwde Jetty Frank met de Amsterdamse cellist Mozes Cantor, met wie ze in Amsterdam ging wonen. Voortaan ging ze als Jetty Cantor door het leven. In 1926 kregen ze een zoon, Jacob (1926-2007). Jetty studeerde zang en maakte tegelijkertijd furore in de Haagse cabaretwereld: in het gezelschap van Louis Davids en als mimespeelster bij Tony Hartweger en Ernst Busch. Verder speelde ze in de gezelschappen van Johan Fiolet en Jan Musch, bij wie ze toneellessen had gevolgd. In de zomermaanden zat ze met haar man en Jos Termolen in het Star Trio, dat artiesten van het Kurhaus Cabaret in Scheveningen begeleidde Ė zelf zong ze ook elke avond een chanson. Toen op een avond een Duitse actrice verstek liet gaan, mocht zij haar plaats innemen in een eenakter. Het beviel zo goed dat ze de rol mocht houden. Later speelde Cantor ook eenakters met Fien de la Mar. Vanwege haar goede beheersing van het Duits trad zij tijdens een reeks optredens in Arnhem op als ĎWiener VortragskŁnstleriní.
In 1933 verhuisden Jetty en Mozes Cantor met hun zoon naar Scheveningen (Neptunusstraat 66), dichterbij het Kurhaus, en in 1934 naar Rotterdam (Aert van Nesstraat 121a). In 1937 maakte ze in Berlijn plaatopnamen met Bob Scholte, daarbij begeleid door het orkest van Otto Dobrindt. Een van de liederen die ze opnam (Op een avond in mei), was een tekst van Martie Verdenius. Voor de AVRO-radio zong Jetty chansons, leidde ze een muziekensemble en presenteerde ze uitzendingen, waarvoor ze lange dagen maakte Ė ís ochtends vroeg vertrok ze naar Hilversum, om half vier ís nachts was ze weer thuis. Op 21 mei 1940 ontsloeg AVRO-baas Willem Vogt haar en andere Joodse medewerkers, als preventieve knieval voor de Duitse bezetter. Van de Kultuurkamer mocht Cantor vervolgens niet langer in Nederland optreden, zodat zij zonder werk kwam te zitten. Om toch aan geld te komen trad ze op feestjes op met haar voormalige radio-ensemble. Ze woonde inmiddels in Hilversum (Langestraat 118).
Begin oktober 1942 werd Jetty Cantor met man en kind uit huis gehaald, naar Amsterdam gebracht en op transport gezet naar Westerbork. In het kamp sloot ze zich aan bij de Duits-Joodse artiesten die daar revueavonden verzorgden. Deze Gruppe BŁhne, onder leiding van de Duitse komiek Max Ehrlich, trad iedere dinsdag op: de dag van de transporten. Kampcommandant Gemmeker had een voorliefde voor kleinkunst en nodigde gasten uit voor de cabaretvoorstellingen. ĎAls je premiŤre had, zat de hele zaal volí, vertelde Cantor later, Ďmaar na afloop moest je ineens in die diep-donkere nacht door het zand Ė straten waren er niet Ė naar je barakje teruglopení (NRC, 16-4-1999). Begin 1944 mocht haar zoon Jacob, volgens de rassenwetten van de naziís half Joodsí, Westerbork verlaten; de achttienjarige jongen wilde liever bij zijn moeder blijven, maar Cantor stuurde hem weg. De dagelijkse repetities van het cabaretgezelschap boden nog enige afleiding, maar in juni werd verder vermaak verboden door de kampcommandant Ė de laatste voorstelling heette ĎTotal VerrŁckt!í.
In augustus 1944 moest Jetty Cantor op transport naar Theresienstadt. Daar zag zij haar zus, de modeontwerpster Lea (1910-1944), voor het laatst. Een paar maanden later belandden zij beiden in Auschwitz, waar twee jaar eerder hun beide ouders waren vermoord. Ook haar zus werd vergast. In het vernietigingskamp werd Cantor gevraagd mee te spelen in het orkestje dat muziek maakte terwijl gevangenen naar de gaskamers liepen. Ze had haar viool nog bij zich, maar kon het niet opbrengen te spelen. Cantor overleefde het verblijf in de barak voor ter dood veroordeelden en werd gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Tijdens een beruchte dodenmars wist ze uit een trein te springen en te vluchten. In het Zuid-Boheemse Budweiss (Českť Budějovice) maakte ze de bevrijding mee en kwam ze terecht in het ziekenhuis.
Op tv en toneel
Na de oorlog keerde Jetty Cantor gebroken en op krukken terug naar Nederland. Eind juli 1945 stond ze alweer op de planken in het Concertgebouw van Amsterdam en was ze met haar ensemble te horen op de radio, ook weer bij de AVRO. Haar huwelijk met Mozes Cantor liep in 1948 op de klippen, maar ze bleef zich Jetty Cantor noemen. Vijf jaar later trouwde ze in Hilversum met de acteur Johannes Antonius Fresco, bekend onder de schuilnaam Maarten Kapteyn. Getuige Rosa Spier begeleidde het huwelijk met harpspel (De Telegraaf, 27-8-1953). Samen met haar nieuwe echtgenoot richtte Cantor de in blijspelen en volkstoneel gespecialiseerde Radiostad Comedie op. Daarnaast begon ze een nieuwe carriŤre als tv-actrice: in de jaren 1963-1964 speelde ze de rol van Saartje in de televisieserie Swiebertje (1963-1964) en tezelfdertijd de moeder van Stiefbeen in het populaire programma Stiefbeen en Zoon. Daarna verscheen Cantor nog in een aantal televisieseries van Willy van Hemert, zoals De kleine waarheid (1970-1971), en presenteerde ze het jeugdprogramma Kijkkast.
Met de Radiostad Comedie bleef Jetty Cantor ook in de jaren zeventig optreden, bijvoorbeeld voor kunstkringen, personeelsverenigingen en nutsdepartementen. Het echtpaar Cantor-Kapteyn deed alles zelf, van de kostuums tot het dramaturgische werk. Sporadisch zong ze nog een chanson op de radio, maar langzamerhand verdween ze bij het grote publiek uit beeld. Van huldigingen tijdens jubilea wilde ze weinig weten, al accepteerde ze in 1979 wel het Ridderschap in de Orde van Oranje-Nassau. In 1990 gaf zij een aangrijpende getuigenis over haar ervaringen in Westerbork in Kamp van hoop en wanhoop, een documentaire van Willy Lindwer. Twee jaar later, op 23 april 1992, overleed Jetty Cantor in haar woonplaats Hilversum.

Geboortenaam HenriŽtte Frank
Geboren Den Haag, 16 mei 1903
Overleden Hilversum, 23 april 1992
Land Vlag van Nederland Nederland
(en) IMDb-profiel
Portaal Portaalicoon Film
 

Afbeeldingsresultaat voor Jetty Cantor

Cantor huwde in 1953 met hoorspelacteur Maarten Kapteyn

 


Judy Cassab

Judit Kaszab AO CBE (15 augustus 1920 - 3 november 2015), beter bekend als Judy Cassab , was een Australische schilder.

Judy Cassab werd in 1920 in Wenen , Oostenrijk, aan Hongaarse ouders geboren . Haar man werd door de nazi's in een gedwongen werkkamp in de Tweede Wereldoorlog geplaatst en keerde in 1944 terug naar Hongarije. Ze verhuisde in 1950 naar AustraliŽ en vestigde zich in Sydney.

Cassab was de eerste vrouw die tweemaal de Archibald-prijs won:

1960 voor een portret van Stan Rapotec
1967 voor een portret van Margo Lewers .

Ze hield meer dan vijftig solo-exposities in AustraliŽ, evenals anderen in Parijs en Londen. Cassab stierf op 3 november 2015 op 95-jarige leeftijd in haar verpleeghuis in de voorstad Randwick in Sydney . 
Honours 
Op 14 juni 1969 werd ze benoemd tot commandant van de Orde van het Britse Rijk (CBE) in "erkenning van dienstverlening aan de beeldende kunst". 

Op 26 januari 1988 werd zij opnieuw benoemd tot Officier in de Orde van AustraliŽ (AO) in "erkenning van dienstbetoon aan de beeldende kunst". 

Op 3 maart 1995 ontving zij een Doctor of Letters ( honoris causa ) van de Universiteit van Sydney . 

Awards 
1961 - Archibald Prize (portret van Stanislaus Rapotec)
1964 - Sir Charles LLoyd Jones Memorial Prize
1965 - De Helena Rubenstein-prijs
1967 - Archibald Prize (portret van Margo Lewers)
1971 - Sir Charles Lloyd Jones Memorial Prize
1994 - The Pring Prize, Art Gallery of NSW; The Trustees Watercolor Prize, Art Gallery of NSW
1997 - The Pring Prize, Art Gallery of NSW

Judy Cassab 1945.jpg

Judy Cassab (1945)
Persoonsgegevens
Volledige naam Judith Kaszab
Geboren 15 augustus 1920
Wenen
Vlag van Oostenrijk Oostenrijk
Overleden 3 november 2015
Sydney
Vlag van AustraliŽ AustraliŽ
Beroep(en) kunstschilder
Portaal Portaalicoon Kunst & Cultuur

 


Ernest Cassutto

Ernest Henricus Cassutto (achternaam uitgesproken als 'cassoetto') (Probolinggo (Java), 1 december 1919 Ė Baltimore (Maryland), 18 maart 1985) was een Nederlandse predikant. Van Joodse komaf zijnde, had hij zich even in de twintig tijdens de Tweede Wereldoorlog tot het christendom bekeerd. Hij wist de oorlog te overleven en verbond zich na afloop daarvan aan de beweging van de Messiasbelijdende Joden. Begin jaren 50 emigreerde hij als Nederlands-hervormde dominee naar de Verenigde Staten, waar hij behalve als predikant ook als evangelist onder daar woonachtige Joden werkzaam was.
Levensloop
Cassutto werd geboren in een Joods-Nederlands gezin dat in 1915 naar het toenmalige Nederlands-IndiŽ (het huidige IndonesiŽ) was verhuisd. Enige tijd na zijn geboorte verkaste het gezin naar het eveneens op Java gelegen Bandung, waar zijn vader als leraar Nederlands koloniaal recht een baan had weten te bemachtigen. In 1934 keerden de Cassutto's weer naar Nederland terug.
Ernest zat korte tijd in het leger voordat in mei 1940 Nederland door nazi-Duitsland onder de voet werd gelopen. Naarmate de oorlog vorderde, werd de toestand voor de Joden steeds benauwder, reden waarom hij in de zomer van 1942 samen met zijn Joodse verloofde Hetty Winkel besloot onder te duiken. Zij kregen hierbij hulp van de predikantenfamilie Kwint uit de Duinoordkerk in Den Haag.
Beiden verhuisden gescheiden van elkaar van onderduikadres naar onderduikadres, totdat in 1944 Ernest opgepakt werd en terechtkwam in de gevangenis van Rotterdam. Waarschijnlijk met hulp van het verzet miste hij het laatste transport van Joden naar Duitsland. Hierbij speelt waarschijnlijk ook een rol dat de Duitsers in verwarring waren geraakt omdat Cassutto aan het begin van de oorlog christen was geworden en hij in de gevangenis kerkdiensten voor de gevangenen mocht houden. Het hoofd van de gevangenis noemde hem 'De laatste Jood van Rotterdam'. Zijn verloofde werd ook opgepakt maar overleefde de oorlog niet; zij kwam in januari 1944 om in het concentratiekamp Auschwitz.
Na de Tweede Wereldoorlog begon hij aan een studie theologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Na afloop van de studie werd hij in 1949 predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk. Kort voor zijn aanstelling was hij getrouwd met Elly Rodrigues, evenals hij een christen geworden Jodin die hij in 1948 was tegengekomen op een jongerenbijeenkomst van Messiasbelijdende Joden in Amsterdam. In 1952 emigreerden zij naar de Verenigde Staten, alwaar hij een bijdrage leverde aan de messiaanse beweging onder Joden. In eerste instantie evangeliseerde hij in opdracht van de kerk onder de Joden in de staat New Jersey, later was hij namens de Presbyteriaanse Kerk van 1968 tot 1979 predikant van de Emmanuel Hebrew Christian Congregation in Baltimore (Maryland). Vanaf 1979 was hij met emeritaat.
In 1974 publiceerde Ernest Cassutto zijn levensverhaal in het boek The Last Jew of Rotterdam. In 1985 overleed hij op 65-jarige leeftijd aan de ziekte van Alzheimer, een jaar nadat zijn echtgenote op 5 mei 1984 op 53-jarige leeftijd aan een hersentumor was gestorven.
Werk
De laatste Jood van Rotterdam, 2005, ISBN 90-6659-045-9, vertaling van een door zijn zoon Benjamin uitgevoerde herschrijving van The Last Jew of Rotterdam

Elly and Ernest Cassutto

1-Holocaustoverlevende Tweede Wereldoorlog

1---2---3---4---5