Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Frans verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Lucie Aubrac

Lucie Aubrac, eigenlijke naam Lucie Samuel-Bernard (Mâcon, 29 juni 1912 – Issy-les-Moulineaux, 14 maart 2007) was een Joods-Franse verzetsstrijdster, lerares en activiste.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ze een belangrijk lid van het Franse verzet en keerde ze zich tegen het met de Duitse bezetter collaborerende regime van Vichy-Frankrijk. Na de oorlog was Aubrac lid van de tijdelijke Franse regering die werd geleid door generaal Charles de Gaulle. Ook zette zij zich in voor de rechten van de Mens en pleitte ze voor onafhankelijkheid van Algerije. Daarnaast was ze lerares geschiedenis en aardrijkskunde en begaf ze zich op het schrijverspad.

Jeugd
Aubrac werd geboren in een Joodse familie die zich bezighield met de wijnteelt. Na een voorbeeldige schoolcarrière besloot ze op zeventienjarige leeftijd niet verder te gaan leren en nam ze een baan als serveerster in een restaurant. Eind jaren dertig startte ze met een studie geschiedenis en aardrijkskunde. In 1936 brengt ze een bezoek aan de Olympische Zomerspelen in Berlijn waar ze werd geconfronteerd met het antisemitisme in nazi-Duitsland. Na haar studie werd ze lerares geschiedenis in Straatsburg. Hier ontmoette ze Raymond Samuel met wie ze in 1939 trouwde.

Verzet
Na de capitulatie van Frankrijk in 1940 trad ze in 1941 samen met haar man toe tot een verzetsbeweging in Lyon, de Libération-sud. Samen met Jean Moulin zouden ze bekend worden als drie zeer prominente verzetshelden. Zij en haar man kozen toen voor een valse, niet-Joodse achternaam, Aubrac. Na de oorlog zou ze deze naam blijven gebruiken.

Toen haar man op 21 juni 1943 samen met onder anderen Jean Moulin door de Gestapo werd opgepakt voerde de groep een legendarisch geworden overval op het gevangenentransport uit. Als voorbereiding bracht ze eerst een bezoek aan het hoofd van de Gestapo, Klaus Barbie, ook wel bekend als de 'Slachter van Lyon' en vroeg ze hem persoonlijk of ze haar man mocht spreken. Op dat moment was ze zwanger van hun eerste kind. Tijdens haar bezoek stelde ze haar man op de hoogte van het plan. Op 21 november 1943 werd het plan uitgevoerd en werden veertien verzetsmensen bevrijd.

In februari 1944 zag het echtpaar zich gedwongen om naar Groot-Brittannië te vluchten. Lucie was toen al moeder geworden van haar eerste kind.

Na de oorlog
Na de bevrijding maakte ze deel uit van een adviescommissie voor de voorlopige regering van generaal de Gaulle. Later begon zij zich in te zetten voor de mensenrechten in Marokko en pleitte ze voor de onafhankelijkheid van Algerije. Ook nam ze haar baan als lerares weer op.

In 1984 publiceerde ze haar memoires. De verzetstijd van de Aubracs werd in 1997 verfilmd. Lucie Aubrac overleed op 94-jarige leeftijd in een ziekenhuis in de buurt van Parijs.

Lucie in mei 2003
Belangrijke feiten
Geboorte naam Lucie Bernard
geboorte 29 juni 1912
Parijs
dood 14 maart 2007 (op 94-jarige leeftijd) 
Issy-les-Moulineaux
nationaliteit Frans
Land van verblijf Vlag van Frankrijk Frankrijk
onderscheidingen 
Grootofficier van het Legion of Honor
gewricht 
Raymond Aubrac (1914-2012)

 


Josephine Baker

Josephine Baker of Joséphine Baker, artiestennaam van Freda Josephine McDonald (Saint Louis (Missouri), 3 juni 1906 - Parijs, 12 april 1975) was een Amerikaans-Franse danseres, zangeres en actrice.
Haar leven
Baker groeide op in armoede. Als kind was ze dienstmeid bij verschillende families om vanaf haar twaalfde als dakloze te leven. Ze bedelde door op straat voor voorbijgangers te dansen. Op haar vijftiende trad ze op in het Vaudeville in Saint Louis. Hierna verhuisde ze naar New York en debuteerde begin jaren twintig op Broadway. Hierna trad ze op in Europa en Zuid-Amerika, in Parijs voor het eerst in 1925, onder andere in de Folies Bergère. In deze tijd verscheen ze ook bijna naakt op het podium en werd beroemd vanwege haar bananenrokje en haar erotische dansen. Vaak had ze dan een jachtluipaard bij zich, die zelfs een keer in de orkestbak gesprongen is.
In 1937 nam ze de Franse nationaliteit aan door met de Fransman Jean Lion te trouwen en ging ze definitief in Frankrijk wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed ze verzetswerk voor de Résistance door haar positie te gebruiken om inlichtingen te verkrijgen. Hiervoor werd zij later onderscheiden met het Croix de Guerre, de Herinneringsmedaille van de Vrijwilligers van het Vrije Frankrijk en de Verzetsmedaille. Zij droeg ook het ridderkruis van het Legioen van Eer.
Baker zette zich na de oorlog in voor de rechten van Afro-Amerikanen. Zo weigerde ze zelf in gesegregeerde zalen op te treden. In 1951 werd haar de toegang tot een club in New York geweigerd. Grace Kelly, die wel binnengelaten was, besloot meteen het pand te verlaten met al haar vrienden en nooit meer terug te komen. Hierna werden Baker en Kelly goede vrienden. In 1963 liep ze met Martin Luther King mee in de March on Washington waarbij ze de enige vrouwelijke spreker was. Na de moord op Martin Luther King werd haar gevraagd om zijn plaats in te nemen. Ze bedankte voor de eer, omdat ze haar kinderen te jong vond om hun moeder te verliezen.
Op 12 april 1975, vier dagen na de opening van een succesvolle première van een nieuwe revue, werd Baker dood in bed gevonden. Ze had een hersenbloeding gehad. Ze ligt begraven in het Cimetière de Monaco in Monte Carlo. In Château des Milandes is een expositie van wassen beelden, kleding en voorwerpen te zien over het leven van Josephine Baker.
Privéleven
In 1941 had Baker een miskraam waarna haar baarmoeder verwijderd moest worden. Later adopteerde ze twaalf kinderen uit alle delen van de wereld, haar kinderen werden daarom wel de regenboogkinderen (la tribu arc-en-ciel) genoemd. Een tijd lang woonde ze met haar kinderen in het Château des Milandes in Castelnaud-la-Chapelle in de Dordogne. De Nederlandse schrijver en illustrator Piet Worm schreef hierover in 1957 het kinderboek De Regenboogkinderen.
Josephine Baker heeft diverse relaties gehad:
Willie Wells 1919
William Howard Baker 1921
Giuseppe Pepito Abatino 1926, (publiciteitsstunt)
Jean Lion 1937-1940
Frans orkestleider Jo Bouillon 1947, (gescheiden 1957)
Amerikaans artiest Robert Brady (1928-1986), getrouwd 1973 tot 1974
Ook zou ze relaties gehad hebben met vrouwen, zoals met Colette en Frida Kahlo.

Josephine Baker 1950.jpg

Algemene informatie
Volledige naam Freda Josephine McDonald
Geboren 3 juni 1906
Overleden 12 april 1975
Land Verenigde Staten
Werk
Beroep zangeres
danseres
(en) IMDb-profiel
Portaal Portaalicoon Muziek

 


Georges Catroux

Georges Catroux , geboren op29 januari 1877in Limoges en stierf op21 december 1969in Parijs , is een generaal van het leger, minister van de IV e Republiek en ambassadeur Frans . Hij was een van de belangrijkste generaals die zich na de oproep van 18 juni tot generaal de Gaulle verenigden en een vooraanstaande rol speelde in de actie van Free France .

Biografie
Georges Catroux is de zoon van een carrièreofficier in de rij (zie hieronder het hoofdstuk over zijn familie ). In richel op de militaire academie in La Flèche , trad hij in Saint-Cyr in 1896 (het bevorderen van "The Grand Maneuver").

Een briljante militaire carrière bracht hem, in zijn vroege jaren, uit Algerije (waar hij Foucauld 's vader , vervolgens de vader van Lyautey , ontmoette ) naar Indochina . In 1915 was hij bataljonscommandant toen hij door de Duitsers werd gevangengenomen. In de gevangeniskampen ontmoet hij Captain de Gaulle .

Na de Eerste Wereldoorlog maakte hij deel uit van de Franse militaire missie in Arabië en diende vervolgens in Marokko , Algerije en de Levant .

In juli 1939 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal van Frans Indochina , een maand vóór de oorlogsverklaring (augustus 1939 ), waar hij Jules Brévié opvolgde , een hoge ambtenaar: aan de vooravond van de oorlog wil Parijs een sterk signaal in het Verre Oosten .

25 juni 1940, maarschalk Pétain, toenmalige voorzitter van de raad van bestuur ter vervanging van Paul Reynaud 1 , vervangen door admiraal Decoux die in functie 20 juli 1940, duurt 10 dagen na de oprichting van het Vichy-regime door ' nationale Vergadering . 
Echter, admiraal Decoux beurt beslist naar het voorbeeld van de door Catroux.

Het wordt vervangen door een regering gevormd van de Republiek die Catroux weer richting Frankrijk, en verstoten door Vichy, profiteerde hij van de tussenstop in Singapore , een Brits grondgebied, om toe te treden Generaal de Gaulle .

Algemeen 5 sterren, het is de hoogste officier van het Franse leger te verzamelen om hem (toen ze elkaar ontmoetten, het is Catroux wie de Gaulle geprezen, erkennen hem als de politiek leider en niet de militaire rang junior).

Hij bewijst zijn nieuwe trouw in 1941 tot het einde van de campagne in Syrië tegen de Vichy krachten, die samen met de Britten, de Fransen ondertekende de wapenstilstand van Saint Jean d'Acre . Vervolgens werd hij benoemd tot Hoge Commissaris voor de Levant door De Gaulle en het is hij die komt in de naam van de Vrije Frankrijk, erkent de onafhankelijkheid van Libanon en Syrië kort na zijn benoeming. Hij is dan gouverneur-generaal van Algerije ( 1943 - 1944 ), nog steeds benoemd door generaal de Gaulle (zie de lijst van Franse ministers van Algerijnse aangelegenheden ).

Metgezel van de Bevrijding , was hij minister van Noord-Afrika in de eerste regering van Charles de Gaulle 's 9 september 1944 tot 21 oktober 1945. Daarna werd hij ambassadeur in Sovjet-Unie uit 1945 tot 1948 .

In 1954 werd generaal Catroux benoemd tot grootkanselier van het legioen van eer . Hij bekleedde deze posities tot 1969. Hij was degene die het project uitvoerde om de Nationale Orde van Verdienste te creëren (1963).

Na de onrust in Marokko onderhandelt hij de terugkeer van Sultan Mohammed V in 1955 .

Benoemd tot minister-resident in Algerije door de regering Guy Mollet in 1956 ter vervanging van Jacques Soustelle , kon hij niet aan de macht komen vanwege de nationalistische demonstraties van 6 februari in Algiers .

Hij is een rechter van het Hoge Militaire Tribunaal dat generaals putschisten van Algiers van 1961 heeft berecht .

In 1953 trad hij toe tot de Culturele Raad van de Culturele Kring van Royaumont .

Hij stierf op 21 december 1969 in Parijs. Zijn begrafenis in de kerk van Saint-Louis-des-Invalides , op 24 december 1969, werd live uitgezonden op een van de slechts twee Franse televisiekanalen uit die tijd.

Familie
Georges Catroux is de zoon van René-Michel Catroux ( 1835 - 1920 ), een carrière ranker die in het Verre Oosten en in Algerije onder Napoleon III geserveerd, geboren in Rablay in Maine-et-Loire die in huwde 1871 Felicity Solari ( 1852 - 1935 ), geboren in Genua en dochter van een kolonist op het Algerijnse grondgebied.

Georges Catroux is de derde van vier kinderen, allemaal jongens. Zijn oudere broer, Charles, geboren in 1872 , wordt een militaire carrière beloofd maar sterft jongeman. De tweede broer, René Claude ( 1874 - 1964 ) staat bekend als een internationale expert in schilderijen, zijn vader wordt boos op hem omdat hij niet voor een militair leven heeft gekozen. De laatste broer is Alexander ( 1881 - 1959 ).

Van de drie neven die hem zijn broer René Claude geleden Tristan Catroux, expert tafels geeft ook, en Diomède Catroux (1916-2008), politicus, afgevaardigde van Maine-et-Loire en de Alpes-Maritimes en secretaris Staat Air en bewapening in de jaren 1950 en 1960.

Georges Catroux is drie keer getrouwd geweest. de27 oktober 1902Hij trouwde met Marie Pérez, een Oran-meisje, de dochter van een voormalige burgemeester van Mascara , die hem twee zonen gaf, André en René. In tegenstelling tot dit huwelijk woont zijn vader niet op 2 . Na zijn dood 3 , hertrouwt hij11 mei 1932met Marguerite Jacob ( 1881 - 1959 ), dochter van een syndicus van de effectenmakelaars. Gescheiden Hippolyte Peyronnet dan General Gaston Humieres 4 , 5 , is gerelateerd aan Jean Cocteau 6 . de31 augustus 1963Hij trouwde Frances Dellschaft ( 1923 - 2012 ), vrouw van brieven (onder de naam Frances Dalmatische), een Amerikaans staatsburger, dochter van Frederick Dellschaft, olie-industrie, en Martha Chaumont, eerste echtgenoot in 1947 met Jean- de-Dieu Reille-Soult, markies van Dalmatië, met wie ze scheidde in 1962 2 , 7 .

De actrice Hélène Duc , erkend als een van de naties , was de vrouw van de diplomaat en toneelschrijver René Catroux 8 , een van de zonen van Georges Catroux. Een van zijn kleinzonen, François Catroux, decorateur, trouwde in 1968 met Betty Saint .

Illustratieve afbeelding van het artikel Georges Catroux


geboorte 29 januari 1877
Limoges
dood 21 december 1969(op 92 jaar oud ) 
Parijs
Afkomst Frans
trouw Vlag van Frankrijk Frankrijk
rang Leger generaal
Jarenlange dienst 1896 -
commando 6 e regiment van Algerijnse riflemen 
14 th Infantry Division 
19 th Army Corps

Decoraties Franse versieringen, Franse of met elkaar verbonden kolonies
Grootkanselier van het Legion of Honor ( 1954 - 1969 ).
Grootkruis van het Legion of Honor in 1961 (Ridder in 1913, officier in 1920, commandant in 1929, grootofficier in 1933)
Companion of the Liberation
Militaire medaille
Grootkruis van de Nationale Orde van Verdienste
1914-1918 War Cross (4 citaten)
Oorlogskruis 1939-1945 met palm
War Cross of Theatres of Foreign Operations
Medaille van de ontsnapte
Medaille van luchtvaart
Commandant van de Fighting Merit
Commandant van de Saharan Verdienste
Commandant van de orde van kunst en letteren
Koloniale medaille met nietjes "Marokko 1925", "Sahara"
Herinneringsmedaille van Marokko met nietjes van "Haut-Guir", "Oujda"
Herinneringsmedaille van Syrië-Cilicië
Herinneringsmedaille van de oorlog van 1914-1918
Overwinning Geallieerde medaille
Grootkruis van de Dragon Order van Annam
Buitenlandse decoraties
Grootkruis in de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek ( West-Duitsland )West-Duitsland 
Groot koord in de Orde van Leopold ( België )Vlag van België 
Grootkruis van de koninklijke orde ( Cambodja )Vlag van Cambodja 
Order of Military Merit ( Spanje )Vlag van Spanje
Commander of the Legion of Merit ( Verenigde Staten )Vlag van de Verenigde Staten 
Grootofficier van de nationale orde ( Gabon )Vlag van Gabon 
Grootkruis in de Orde van George I st ( Griekenland )Vlag van Griekenland 
Ridder Grootkruis in de Orde van Verdienste van de Italiaanse Republiek ( Italië )Vlag van Italië 
Grootkruis in de Orde van de Ster ( Jordanië )Vlag van Jordanië 
Grootkruis in de Orde van Miljoen Olifanten en Witte Parasol ( Laos )Vlag van Laos 
Grootkruis van de nationale orde van Cedar ( Libanon )Vlag van Libanon 
Grootkruis van Ouissam Alaouite ( Marokko )Vlag van Marokko 
Grootkruis in de Orde van St. Olaf ( Noorwegen )Vlag van Noorwegen 
Commandant van de Pakistaanse orde ( Pakistan )Vlag van Pakistan 
Ridder Grootkruis in de Orde van het Bad ( Verenigd Koninkrijk )Vlag: Verenigd Koninkrijk 
Grootkruis in de Orde van Verdienste ( Syrië )Vlag van Syrië 
Grootkruis in de orde van Nichan El Ahed ( Tunesië )Vlag van Tunesië 
Grootkruis van de Nationale Orde van Joegoslavië ( Joegoslavië )Vlag van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië

 


Jean Cavaillès

Jean Cavaillès (Saint-Maixent-l'École, 15 mei 1903 – Arras, 17 februari 1944) was een Frans filosoof en logicus, gespecialiseerd in wetenschapsfilosofie en filosofie van de wiskunde. Hij was tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de grondleggers en een van de meest merkwaardige en consequente figuren van het Frans verzet, oprichter van Libération, stichtend lid van Libération-Nord en Cohors-Asturies.
Biografie
Cavaillès stamt uit een oud hugenoots geslacht uit de Tarn en de Pyreneeën met voorwereldlijke ervaringsdeskundigheid in het maquis (de "Camisards"). Zijn grootoom langs vaderskant was Eugène Casalis (1812-1891), stichter van de Missions Protestantes, etnograaf-linguïst van de Lesotho en directeur van de "Missions évangéliques de Paris". Langs moederskant was de grootvader een protestants bekeerling, stammend uit een even vurig katholieke familie. Jeans vader, Ernest Cavaillès (1872-1940), was beroepsmilitair en niet gespeend van intellectuele, meer bepaald geografische en historische belangstelling. Hij was onder meer de vertaler van C.R.L. Fletchers en Rudyard Kiplings A School History of England. Diens broer Henri Cavaillès (1870-1951) werd hoogleraar geografie in Bordeaux. De militaire loopbaan van vader (hij werd luitenant-kolonel) bracht het gezin Cavaillès van garnizoen tot garnizoen, wat niet bevorderlijk was voor een consistente en gestaag continue schoolcarrière voor hun kinderen Gabrielle (1901-2001) en Jean. Daarentegen wel voor een eigenzinnige en solitaire zin voor zelfstudie. De familiale atmosfeer is religieus en patriottisch, maar ook republikeins en dreyfusgezind. En Jean en zijn oudere zus Gabrielle, zijn latere biografe (Ferrières 1950/1982/2003), zouden vanuit die gezamenlijke jeugd door een innige band aan elkaar vastgeklonken blijven (levenslang, en langer).[1]
Na een voorbereidingsjaar aan het Lycée Louis-le-Grand (Parijs) komt Cavaillès in 1923 als eerste uit het ingangsexamen voor de École Normale Supérieure (rue d'Ulm). Hij behaalt een licentie wiskunde en voltooit in 1927 zijn "diplôme d'études supérieures" in filosofie met een thesis over "La philosophie et les applications du calcul des probabilités chez les Bernouilli" (een werkstuk dat verloren is gegaan). Zijn promotor en voornaamste leermeester is de neokantiaan en kritisch intellectualist Léon Brunschvicg. Daarnaast volgt hij onder meer ook de colleges van Emile Bréhier. Onder zijn medestudenten bevinden zich Georges Canguilhem en Raymond Aron (met wie hij bevriend zal blijven), Jean-Paul Sartre, Paul Nizan, Jean Hyppolite,... Van 1929 tot 1935 zal hij in de Ecole Normale de rol van "agrégé-répétiteur" spelen, waarbij hij onder andere Maurice Merleau-Ponty, Etienne Borne, Jean Gosset, Georges Gusdorf en Albert Lautman, de wiskundige filosoof, op hun diploma voorbereidt. In 1929 geeft hij verslag van de historische discussie tussen Martin Heidegger en Ernst Cassirer op de "Cours universitaires de Davos".
Wanderjahre: van Duitsland tot Straatsburg
Tijdens de jaren 1930-31 verblijft hij in Duitsland, nadat hij via Célestin Bouglé, directeur van het Centre de documentation sociale en later van de hele "École", een Rockefellerbeurs heeft verworven voor de studie van de Duitse jeugdbewegingen en van de evolutie van het Duitse protestantisme. (Bouglé was een belangrijke schakel in de Franse sociologische school, evenzeer beïnvloed door Emile Durkheim als door Georg Simmel. De ENS was in die tijd ook een tempel van de sociologie.) In het kader van die missie heeft Cavaillès talrijke contacten met theologen van de nieuwe dialectische school (zoals Karl Barth, Friedrich Gogarten), maar ook katholieke theologen (zoals Przywara en vooral Romano Guardini). Hij leest ook Kierkegaard. Hij ontmoet Edmund Husserl; en in de biografie vindt men daar een merkwaardig verslag van, met zin voor pathos en tragikomische humor.[2] Hij volgt er ook de politieke ontwikkelingen op de voet en schrijft er artikels over, onder meer voor Politique en Esprit (zie Philosophia Scientiae 1998).
Het voornaamste doel van zijn Duitse verblijf ligt evenwel elders. In overleg met Brunschvicg is omstreeks 1928 de beslissing gevallen een proefschrift te schrijven over het ontstaan en de geschiedenis van de verzamelingenleer. Daartoe gaat hij in München, Berlijn, Hamburg, Göttingen de bronnen verzamelen en onderzoeken. Daartoe ook komt hij in contact met enkele van de grootste Duitse wiskundigen van die tijd: Abraham A. Fraenkel, Emmy Noether. Via Fraenkel en Noether komt hij uit bij de correspondentie tussen Georg Cantor en Richard Dedekind, welke hij samen met Emmy Noether in 1937 uitgeeft. Hij bestudeert verder het werk van David Hilbert, Felix Klein, Paul Bernays, Gerhard Gentzen, Leopold Löwenheim, Thoralf Skolem, Kurt Gödel, Jacques Herbrand, Arend Heyting en andere mathematici en logici. Studie van mathematische logica was op Herbrand na totaal ongebruikelijk in Frankrijk, en zelfs voorwerp van argwaan, onder invloed van figuren als Henri Poincaré en, jawel, Cavaillès' eigen promotor Brunschvicg. In de loop van zijn onderzoek komt Cavaillès gaandeweg tot het besluit dat zijn oorspronkelijk project (de verzamelingenleer) de rol van "thèse complémentaire" toebedeeld zal krijgen, en de "thèse principale" zal gaan over de oplossingspogingen die in het werk van genoemde metamathematici en logici worden uitgewerkt voor de zogenaamde crisis van de verzamelingenleer. Op die manier zal de "thèse principale" qua onderwerp chronologisch aansluiten op de "thèse complémentaire". Beide "thèses" verdedigt hij in 1938 aan de Sorbonne. Voordien zou hij, tijdens de afwerking van zijn proefschriften, nog twee jaar in de hogere jaren aan het "lycée" van Amiens lesgeven (1936-38): filosofie en literatuur. Op het programma staan Valéry, Rimbaud, poëtisch ritme en verstechnieken, maar ook Proust; en dat gebeurt niet volgens recepten van onderwijskundigen avant la lettre, maar wel verrassend interactief.[3] Eveneens in Amiens leert hij de legendarische Lucie Aubrac kennen, toen nog gewoon Lucie Bernard, en ook Raymond Samuel (later Raymond Aubrac). Hij overtuigt hen ervan, en met hen Georges Canguilhem en andere leerlingen van Alain, dat pacifisme niet de meest geschikte houding is om het oprukkende nazisme het hoofd te bieden.
In 1938 en 1939 zal Cavaillès logica en wetenschapstheorie alsook "philosophie générale" doceren in Straatsburg. Daar zal hij vriendschappen aanknopen of heraanknopen met leden van de polycefale groep Bourbaki die de formele en abstracte wiskunde in Frankrijk een hoge vlucht zou geven: Charles Ehresmann, André Weil, Henri Cartan, Jean Dieudonné, Claude Chevalley. Met Albert Lautman, zijn Frans-Joodse vriend die eveneens in het verzet zou omkomen, houdt hij een gezamenlijke sessie "La pensée mathématique" voor de "Société française de philosophie", waar Lautman zijn platonisme verdedigt en Cavaillès daartegenover zijn interne rationaliteit en autonomie van de wiskunde stelt. Eveneens in 1939 redigeert Cavaillès een artikel "Du collectif au pari" waar hij het statuut en de rol van de probabiliteitstheorie bespreekt, en in de discussie over de interpretatie van een probabiliteit (Is het een frequentie? Is het een graad van geloof?) verdedigt hij de laatste optie: het probabiliteitsoordeel als gok. Het opmerkelijke is ook, dat Cavaillès na dertien jaar terugkomt op het onderwerp van zijn "diplôme d'études supérieures", onderwerp destijds gesuggereerd door Brunschvicg en waarvan hij het belang aanvankelijk niet erg inzag. Dit betekent voor de globale duiding van zijn werk vooral ook dit: dat hij voortaan wel de relatie tussen wiskunde en wereld, en vooreerst tussen wiskunde en fysica, als een belangrijk thema erkent, ongeacht alle nadruk op de autonomie van de wiskunde. Dit is onder meer ook van belang om het project van zijn "filosofische testament" Sur la logique et la théorie de la science (infra) min of meer volkomen inzichtelijk te maken.
Tweede Wereldoorlog
Bij het begin van de oorlog wordt Cavaillès gemobiliseerd als officier; in juni 1940 wordt hij gevangengenomen. Hij onstnapt tijdens het transport in België en vervoegt de Universiteit van Straatsburg die teruggetrokken is in Clermont-Ferrand. Daar sticht hij met Lucie Aubrac en Emmanuel d'Astier de la Vigerie de verzetsbeweging 'Libération-Sud" en het blad "Libération". Tot de netwerken die vandaaruit zullen ontstaan zullen ook mensen als Raymond Aubrac, Jean Gosset, Yves Rocard, Georges Canguilhem, Pierre-Yves Canu, Christian Pineau, Cavaillès' zus Gabrielle Ferrières en schoonbroer Marcel Ferrières behoren, naast zovele anderen: zie Ferrières (1950/2003) en het boek van Alya Aglan en Pierre Azéma (2002). In 1941 wordt Cavaillès plaatsvervangend benoemd aan de Sorbonne voor de leerstoel Logica en Wetenschapsfilosofie. Naast die opdracht gaat hij zich dieper en dieper in de clandestiniteit begeven.Tijdens een tweede gevangenschap in 1942, na arrestatie bij een poging om de leiding van France libre in Londen te bereiken, schrijft Cavaillès zijn filosofisch testament, in 1947 postuum uitgegeven door Georges Canguilhem en Charles Ehresmann onder de bewust neutraal gehouden titel Sur la logique et la théorie de la science. Met het voltooide manuscript onder de arm ontsnapt hij, graaft zich nog dieper in in de clandestiene actie, die van langsom een meer militair karakter van directe actie en sabotage aanneemt. In februari 1943 weet hij dan toch Londen te bereiken waar hij met Charles de Gaulle en zijn omgeving onderhandelt over betoelaging van, verbindingen met en tussen, en coördinatie tussen de diverse verzetsbewegingen. Terug in Frankrijk in april raakt hij steeds dieper verstrengeld in acties van sabotage en spionage, onder meer ten aanzien van de Kriegsmarine en de Duitse radiobakens op de kustlijn. De acties, individueel en in wisselende groepen, onder alsmaar nieuwe schuilnamen, reiken in het Noorden ook tot in de Belgische netwerken. Uiteindelijk blijkt zijn eigen netwerk Cohors geïnfiltreerd. Op 28 augustus volgt de definitieve arrestatie en opsluiting, samen met zes andere leden, waaronder zijn zus en schoonbroer. Na vijf maanden komt zijn zuster vrij, haar echtgenoot wordt samen met de vijf anderen gedeporteerd en zal terugkeren uit Buchenwald; Cavaillès zelf echter wordt ten slotte, nadat de bezetter zich eindelijk de hoeveelheid van zijn schuilnamen en dus de radius van zijn actie heeft gerealiseerd, door een Duits militair tribunaal ter dood veroordeeld en op 17 februari 1944 gefusilleerd.
Oeuvre
Cavaillès schreef in zijn korte leven een reeks teksten die handelden over epistemologische problemen omtrent wetenschap en wiskunde. De bekendste tekst is Sur la logique et la théorie de la science (geredigeerd 1942). In dit werk bekritiseerde hij onder meer het logisch positivisme van de Wiener Kreis en Husserls transcendentaal project. Zo plaatste hij na grondige analyse van Husserls Formale und transzendentale Logik (1931) diens transcendentale fundering van de logica voor een dilemma: als die logica transcendentaal wil zijn, kan ze niet absoluut gelden, en als ze absoluut wil gelden, kan ze niet transcendentaal zijn.[4] Cavaillès was ook de eerste om het conflict te zien tussen Husserls ideaal van een nomologische theorie en Gödels onvolledigheidsstellingen.[5] Verder verzette hij zich ook tegen het radicale formalisme en het logicisme in de wiskunde; zelf probeerde hij een vorm van dialectiek te denken binnen de wiskunde. Zijn filosofie werd door hemzelf en door andere auteurs ook omschreven als een vorm van spinozisme. Hij geldt, onder meer ook in dat opzicht, als een belangrijk pionier van het naoorlogse Parijse structuralisme. Die invloed en die lijn werden door denkers als Georges Canguilhem, Gilles-Gaston Granger en Michel Foucault als een belangrijke traditie naast en tegenover het sartriaanse existentialisme en de fenomenologie geplaatst, ook wat betreft het denken over mens en cultuur. Een filosofie van het cogito zou plaats moeten ruimen voor een filosofie van het concept, aldus de beroemde slotformule van Sur la logique: "Geen filosofie van het bewustzijn, maar een filosofie van het concept is in staat een wetenschapstheorie op te leveren. De voortbrengende noodzakelijkheid is niet deze die een activiteit kenmerkt, maar is die van een dialectiek." [6]
Zijn filosofie valt te plaatsen binnen een bredere traditie van Franse wetenschapsfilosofen of epistemologen. Zo schreef hij zijn doctoraatsthesissen bij Léon Brunschvicg. Specifieker is hij vooral beïnvloed door een reeks filosofen die zich in de eerste plaats met wiskunde en logica bezighielden, zoals David Hilbert, Kurt Gödel, Georg Cantor en Dedekind, Emmy Noether, Jacques Herbrand. Hij beïnvloedde en werkte samen met zijn jongere vriend in filosofie en verzet Albert Lautman. Zijn denken was invloedrijk bij auteurs als Gaston Bachelard, Georges Canguilhem, Raymond Aron, Louis Althusser, Jules Vuillemin, Michel Foucault, Gilles-Gaston Granger, Suzanne Bachelard en Jean-Toussaint Desanti. Vandaag grijpen een aantal epistemologen van twee volgende generaties in Frankrijk terug op zijn werk; zo onder meer Hourya Benis Sinaceur, Gerhard Heinzmann, Baptiste Mélès, Dominique Pradelle. In België en Nederland beïnvloedde hij - en werd de studie van zijn werk opgenomen bij - Jean Ladrière, Herman Roelants, Paul Cortois en Wim Klever.
Jeugdwerk
Daarnaast is ook zijn (tot hiertoe vrijwel vergeten) jeugdwerk van metafysische, godsdienstfilosofische en godsdienstsociologische aard aan herontdekking toe. Hier blijkt hij, vanuit zijn protestantse achtergrond en ook vanuit de oecumenische belangstelling uit zijn jongere jaren, beïnvloed geweest te zijn door nieuwe dialectische theologen als Karl Barth en Romano Guardini, met wie hij (ook persoonlijk) kennismaakte tijdens zijn langere studieverblijven in Duitsland. Via deze connectie en ook via zijn leermeester Brunschvicg zijn er lijnen te trekken tot bij Blaise Pascal. De merkwaardige verhouding bij deze laatste tussen rationaliteit en leven staat daarbij mee op de voorgrond. Cavaillès' reflectie gold niet enkel de wiskunde, maar ook het verband zowel als de spanning tussen het zuiver en autonoom wiskundige enerzijds, met zijn verbanden van interne noodzaak, en anderzijds de wereld (vooreerst maar niet alleen als object van de fysica) waarin we handelen en waar gebeurtenissen plaatsvinden. Deze kunnen in hun historische contingentie enkel het voorwerp uitmaken van een "gok", die overigens het wezen uitmaakt van de probabiliteit, de modus die ons optreden in de wereld kenmerkt. Toch is er iets wat ook hier aan deze contingentie ontsnapt: een morele noodzakelijkheid, mogelijk gemaakt door een pascaliaanse "oubli de soi" die, desnoods tegen elke overlevingswaarde in, de oproep fundeert tot verzet. Verzet dat onverzettelijk wordt volgehouden tegen de macht en de arbitrariteit van de feiten in. Hier ziet men, niet alleen in de vroege en onrijpe begintijd, maar juist tot en met het eind - in leven en werk - in sterven en erfenis - gemanifesteerd eerder dan in teksten uitgeschreven -, hoe in de unieke figuur van Cavaillès, bij die logicus "volgestouwd met explosieven" (dixit Canguilhem), Spinoza kan convergeren met denkers die het subject evenzeer transformeren én onderschikken aan een eis die het te boven gaat zoals Hegel (dixit Ladrière, net als Dominique Dubarle, Benis Sinaceur) én Blaise Pascal (dixit Cortois).
Thèses
Begin 1938 verdedigt Cavaillès zijn beide "thèses" aan de Sorbonne. In Remarques sur la formation de la théorie abstraite des ensembles (ondertitel: Etude historique et critique) komt het erop aan door middel van een casestudy aan te tonen dat de geschiedenis van de wiskunde eigenlijk geen geschiedenis is, want de temporele ontwikkeling is er gekenmerkt door een noodzakelijkheid in de manier waarop nieuwe conceptuele systemen voortkomen uit reeds gevestigde. Geschiedenis - ook van de wetenschap - in de courante zin van het woord is gekenmerkt door een zekere mate van contingentie en relativiteit (ten opzichte van de cultuur, de psychologie, evenementiële factoren ...). Welnu, de wording van de wiskunde ontsnapt daar voor een essentieel stuk aan: wat er gesanctioneerd wordt en overblijft is wat via een kern van noodzakelijkheid uit het oude is voortgekomen, en er bovenuit groeit. Dit betekent evenwel niet dat het om een logische noodzakelijkheid gaat, in de zin van de pure logica. De logicistische poging om elke wiskundige theorie te funderen in een daaraan voorafgaand systeem van formele redeneerprincipes slaat evenzeer de bal mis. Ook de verzamelingentheorie zelf is niet het absolute fundament dat voorafgaat aan alle andere wiskundige theorieën. Getuige daarvan de paradoxen die in de verzamelingenleer zelf zullen opduiken, ironisch genoeg op het moment zelf (rond 1900) waarop de theorie eindelijk ingang en aanvaarding zou vinden, omwille van haar belangrijke toepassingen. De noodzakelijkheid in de ontwikkeling van de wiskundige concepten is dus eigen aan haar niet-historische historiciteit: in de onvoorspelbare overgang waarin essentiële nieuwheid ontstaat is een kern aanwezig die zich onontkoombaar opdringt als uitbreiding en verdieping van de vorige stadia en waarbij nieuwe problemen in het verlengde van de oude pas effectieve antwoorden krijgen.
Die houding kan evenwel pas een geloofwaardige kijk bieden op de verzamelingenleer, zeker als poging om de wiskunde ultiem te unificeren, indien de crisis van de paradoxen van een oplossing kan worden voorzien. Dat is net de vraagstelling van de "thèse primaire" Méthode axiomatique et formalisme (ondertitel: Essai sur le problème du fondement des mathématiques). Hier worden de drie klassieke scholen voorgesteld welke dat antwoord moesten bieden: intuïtionisme (Brouwer, Heyting), logicisme (Frege, Russell), en formalisme of bewijstheorie (Hilbert). Het intuïtionisme blijkt daarbij te schatplichtig aan kantiaanse en andere constructivistische in- en aspiraties, en vooral: het perkt op absolutistische wijze de wiskundige praktijk in, op grond van een apriorische afwijzing van de klassieke logica. Indien de oplossing het kind (de klassieke analyse) met het badwater (de paradoxen) weggooit, moet het devies van de wiskundige en de filosoof zijn: voorrang aan de praktijk! Wat onmisbaar is in het organische geheel van wiskundige theorieën zal door de verdere ontwikkeling ervan gelegitimeerd worden, amputatie is geen optie.
Het proces van het logicisme, anderzijds, was al gemaakt - het is evenzeer in strijd met de solidariteit tussen alle delen van dat organisme en de autonomie van de wiskunde als geheel, wanneer men er een elementair deel uit afzondert om dat de rol van fundament toe te kennen. Bovendien, oordeelt Cavaillès, zijn Russell en Whitehead er niet in geslaagd Freges project van reductie van wiskunde tot logica te reanimeren door middel van de logische typentheorie: deze laatste heeft minstens twee axioma's nodig (oneindigheid en reductibiliteit) die allesbehalve logisch evident zijn.
En ten slotte het formalisme dan: Hilberts bewijstheorie biedt de mogelijkheid om heel wat kenmerken van het (zeker ook moderne, abstracte) wiskundige denken te profileren: de rol van het teken als zintuigelijke basis die op zijn beurt vertrekpunt van thematisering en dus nieuwe, intern gegenereerde inhoud kan worden; de idealisering of uitbreiding van een objectdomein door de beperkingen opgelegd aan een bepaalde operatie op te heffen - op voorwaarde van consistentie en bewaring van reeds bereikte resultaten. Er is autonomie van de wiskunde (tegenover logica, tegenover fysica); er is plaats voor radicale nieuwheid, zonder de banden met de vorige theorieën te doorbreken.
Wat evenwel fout gaat in de poging tot formalistische fundering van de wiskunde, is de ambitieuze onderneming om de consistentie van alle wiskundige theorieën aan te tonen via de metatheorie: als men er maar in slaagt de consistentie van de analyse (en alle grotere theorieën) terug te voeren op deze van de aritmetica, en vervolgens een absoluut consistentiebewijs van deze laatste te leveren, dan zou het probleem zijn opgelost. Welnu, de onvolledigheidsstellingen van Gödel hebben - ruw gezegd - tot gevolg dat een dergelijk consistentiebewijs onmogelijk is. Loopt alles dan op een mislukking uit? Wat we te leren hebben uit de zogenaamde crisis is dat er geen absolute fundamenten zijn - en dat zij ook overbodig zijn. De wiskunde gaat haar eigen gang en zal telkens in een volgend stadium de nodige middelen ontwikkelen om de paradoxen of andere conceptuele moeilijkheden uit het overgeleverde stadium van antwoorden te voorzien. Zonder dat er ooit een definitieve fase met laatste antwoorden bereikt zal zijn. Dat alles betekent dat men de term "crisis" beter met het nodige voorbehoud zou hanteren. En een voorrang aan de wiskundige praktijk - de "wiskundige ervaring" zal Cavaillès ook zeggen - moet toekennen.

Afbeeldingsresultaat voor Jean Cavaillès

Persoonsgegevens
Geboren Saint-Maixent-l'École, 15 mei 1903
Overleden Arras, 17 februari 1944
Land Frankrijk
Functie Filosoof
Oriënterende gegevens
Discipline Epistemologie, filosofie van de wiskunde
Tijdperk Hedendaagse filosofie
Belangrijkste ideeën interne conceptuele dialectiek, kritiek van het logicisme, kritiek van transcendentale analyse, kritiek van radicaal formalisme; sleutelbegrippen: Filosofie van het concept, act (operatie) en actbetekenis, ponerende actbetekenis en geponeerde actbetekenis, paradigmatische abstractie (idealisering) en thematische abstractie (thematisering), rationele aaneenschakelingen, gebeurtenis en gok, noodzakelijkheid van aaneenschakelingen vs. historiciteit en probabiliteit van gebeurtenissen en handelingen
Beïnvloed door Spinoza, Kant, Hegel, Bernard Bolzano, Léon Brunschvicg, Georg Cantor, Richard Dedekind, David Hilbert, Kurt Gödel, Felix Klein, Gerhard Gentzen, Edmund Husserl, Emmy Noether, Blaise Pascal, Romano Guardini, Henri Cartan, Gaston Bachelard, Ludwig Wittgenstein, Luitzen Egbertus Jan Brouwer, Jacques Herbrand, Thoralf Skolem
Beïnvloedde Gaston Bachelard, Georges Canguilhem, Jean Gosset, Jacques Bouveresse, Gilles-Gaston Granger, Jacques Derrida, Jean-Toussaint Desanti, Suzanne Bachelard, Albert Lautman, Tran Duc Thao, Jules Vuillemin, Jean Ladrière, Jean Hyppolite, Paul Ricœur, Hourya Benis Sinaceur, Gerhard Heinzmann, Dominique Lecourt, Louis Althusser, Michel Foucault, Michel Fichant, Dominique Pradelle, Michael Hallett, Herman Roelants, Jan Sebestik, Renato Jacumin, Paul Cortois, Baptiste Mélès, Pierre Cassou-Noguès, W.N.A. Klever
 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Jean Cavaillès

 

 

 

 

 

Afbeeldingsresultaat voor Jean Cavaillès

 


Pierre de Chambrun

Charles Louis Antoine Pierre Gilbert de Pineton markies de Chambrun (Parijs, 11 juni 1865 - Marvejols, 24 augustus 1954), was een Frans edelman en politicus.

Achtergrond en vroege carrière
Pierre de Chambrun stamde uit een oude adellijke familie uit Lozère. Hij was verwant aan markies de La Fayette.

Pierre de Chambrun volgde zijn vader Adolphe markies de Pineton de Chambrun (1831-1891) in 1892 op als lid van de Franse ambassaderaad in Washington D.C. (Verenigde Staten) en bleef dit gedurende vijf jaar. Op 20 oktober 1895 trouwde hij te Cincinnati met de Amerikaanse Margaret Rives Nichols (1872-1949). Tijdens de Eerste Wereldoorlog was zij verpleegster te Marvejols en werd in 1917 onderscheidden als Ridder in het Legioen van Eer[2]. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren: Marthe, getrouwd met een prins Ruspoli, Jean-Pierre, kunstenaar en schilder en Gilbert, diplomaat en politicus.

Politicus
Pierre de Chambrun keerde in 1898 in Frankrijk terug en werd voor het departement Lozère in de Kamer van Afgevaardigden (Chambre des Députés) gekozen. Hij bleef kamerlid tot 1933. Aanvankelijk was hij lid van de fractie van de Républicains Modéré (Gematigde Republikeinen), daarna zat hij als onafhankelijke kandidaat in de Kamer van Afgevaardigden (1914-1924), maar sloot zich in 1914 aan bij de Alliance Démocratique (Democratische Alliantie; 1924-1928). Bij de parlementsverkiezingen van 1928 werd hij opnieuw als onafhankelijke kandidaat in de Kamer van Afgevaardigden gekozen en sloot zich aan bij de fractie van Onafhankelijken, geleid door Paul Reynaud. Gedurende zijn kamerlidmaatschap was hij lid van diverse kamercommissies, waaronder, tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Frans-Britse commissie.

Pierre de Chambrun werd in 1933 lid van de christendemocratische Parti Démocrate Populaire (PDP, Democratische Volkspartij) en werd voor die partij in de Senaat (Sénat).

Een van de Vichy 80
Op 10 juli 1940, na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland, stemde hij tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain. Hierna begaf hij zich in het verzet tegen de Duitse bezetter.
Na de Bevrijding van Frankrijk (1944) werd hij voor het departement Lozère in de Nationale Raadgevende Vergadering (Assemblée Consultative Provisoire) gekozen. In 1945, op de leeftijd van 80 jaar, ging hij met pensioen. In 1946 volgde zijn zoon Gilbert de Chambrun hem op als lid kamerlid.
Onderscheidingen
Na de Tweede Wereldoorlog werd hij onderscheidden voor zijn deelname aan het verzet:

Croix de Guerre 1939-1945 (Oorlogskruis 1939-1945) met vergulde (vermeil) ster - 27 maart 1947
Legioen van Eer voor bewezen diensten voor het verzet - 9 juli 1949
Pierre de Chambrun overleed op 89-jarige leeftijd, op 24 augustus 1954 te Marvejols.

Pierre Chambrun (rechts) en Émile Daeschner (links), de Franse ambassadeur van de Verenigde Staten, in Washington D.C., 1925

Pierre Chambrun (rechts) en Émile Daeschner (links), de Franse ambassadeur van de Verenigde Staten, in Washington D.C., 1925
Termijn Afgevaardigde 1898 - 1933
Senator 1933 - 1942
Afgevaardigde 1944 - 1945
Departement Lozère (48)
Parlementaire groep Partijloos (1898-1914)
Modéré (1914-1924)
RDG (1924-1928)
Indépendant (1928-1932)
Partijloos (1932-1933)
PDP (1933-1942)
MRP (1944-1945)
Tijdvak Vierde Franse Republiek
Vijfde Franse Republiek

 


Auguste Champetier de Ribes

Auguste Champetier de Ribes (Antony, 30 juli 1882 - aldaar, 6 maart 1947), was een Frans christendemocratisch politicus en rechtsgeleerde.
Biografie
Champetier studeerde rechten aan de universiteit van Parijs. Hij nam als militair deel aan de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Tijdens deze oorlog raakte hij gewond.
Hij werd sterk beïnvloed door de christendemocratische en -sociale theorieën van Albert de Mun (1841-1914). In 1919 was Champetier medestichter van de christendemocratische en centristische Parti Démocrate Populaire (PDP, Democratische Volkspartij). Van 1924 tot 1934 was hij voor het departement Basses-Pyrénées lid van de Kamer van Afgevaardigden (Chambre des Députés) en van 1934 tot 1940 vertegenwoordigde hij het departement Basses-Pyrénées in de Senaat.
Minister
Van 3 november 1929 tot 21 februari 1930 was Champetier onderstaatssecretaris van Financiën in het kabinet van premier André Tardieu. Van 2 maart tot 13 december 1930 was hij minister van Pensioenen onder Tardieu. In de daaropvolgende kabinetten-Laval en Tardieu III (27 januari 1931 - 3 juni 1932) was hij ook minister van Pensioenen. Op 13 september 1938 werd hij opnieuw minister van Pensioenen, maar bekleedde daarnaast ook de ministerspost van Oud-strijders (in het kabinet-Daladier). Van 13 september 1938 tot 10 mei 1940 was hij onderstaatssecretaris van Buitenlandse Zaken (kabinet-Daladier en kabinet-Reynaud).
Verzetsheld
In zijn hoedanigheid als senator stemde hij op 10 juli 1940, na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland, tegen het verlenen van volmachten aan maarschalk Philippe Pétain. Hij trad vervolgens als senator af en ging met pensioen. Al snel trad hij toe tot het Franse verzet en werd hij één van de leiders van de verzetsgroep Combat ("Strijd"). Later ging Combat op in de overkoepelende Conseil National de la Résistance (CNR, Nationale Raad voor de Bevrijding).
Openbaar aanklager
Na de oorlog trad Champetier toe tot de Voorlopige Consultatieve Raad (Assemblée Consultative Provisoire).
Voorlopig staatshoofd Charles de Gaulle benoemde Champetier tot één van de Franse openbare aanklagers bij het Neurenberg Proces tegen de Nazi-oorlogsmisdadigers (1946). Terug in Frankrijk stelde hij zich kanididaat voor het voorzitterschap van de Conseil de la République (Raad van de Republiek)[2]. Hij verkreeg 129 stemmen, evenveel als zijn concurrent, de communist Georges Marrane. Toch werd Champetier de Ribes voorzitter, omdat Marrane jonger was.
Presidentskandidaat
Champetier werd lid van de christendemocratische Mouvement Républicain Populaire (MRP, Republikeinse Volksbeweging) en stelde zich kandidaat voor het presidentschap. Tijdens de stemming in het Franse parlement (29 december 1946) kreeg hij 242 stemmen, terwijl de SFIO-kandidaat (en medeverzetsleider) Vincent Auriol 452 stemmen kreeg. Auriol won de presidentsverkiezingen. Het hem aangeboden voorzitterschap van het parlement moest hij wegens ziekte afwijzen.
Auguste Champetier de Ribes overleed op 64-jarige leeftijd in zijn geboorteplaats

Auguste Champetier de Ribes.jpg

Termijn 1924 - 1947
Departement Basses-Pyrénées
Parlementaire groep PDP (1924-1940)
MRP (1946-1947)
Tijdvak Derde Franse Republiek
Vierde Franse Republiek
Portaal Portaalicoon Politiek
Frankrijk

 


Georges Thierry d'Argenlieu

Georges Thierry d'Argenlieu, zijn religieuze naam was Louis de la Trinité, (Brest, 7 augustus 1889 – Brest, 7 september 1964) was een priester, diplomaat en een officier en admiraal in de Franse marine. Hij was een van de belangrijkste persoonlijkheden van de Vrije Fransen en de Forces navales françaises libres. Hij was de kanselier van de Orde van de Bevrijding.
Biografie
Vroegere carrière

Georges Thierry d'Argenlieu werd geboren in een familie van marineofficieren. Toen hij 17 jaar was ging hij studeren aan de École navale. Hij diende op het Du Chayla als een adelborst (Aspirant) en nam in 1912 deel aan de campagne in Marokko die tot het Verdrag van Fez leidde. Tijdens de campagne werd hij op onderscheiden met de benoeming in het Franse Legioen van Eer en raakte hij bevriend met Hubert Lyautey, wat d’Argenlieu later als een van zijn gelukkigste momenten van zijn leven beschreef.
Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in de Middellandse Zee; in 1915 nam hij de eerste stappen om bij een kloosterorde te gaan. Hij bleef dienen bij de marine en werd in juli 1917[2] bevorderd tot luitenant-ter-zee (Lieutenant de vaisseau). Het volgende jaar werd hij bevelvoerend officier op een patrouilleboot, de Tourterelle.
Religieuze carrière
Aan het einde van de oorlog studeerde hij theologie in Rome en ging bij de religieuze order van de Ongeschoeide Karmelieten als Louis de la Trinité. Hij maakte op 15 september 1921 zijn gelofte en studeerde voor vier jaar aan de Katholieke Universiteit van Rijsel. In 1932 werd hij Provinciaal Superieur van Parijs.
Tweede Wereldoorlog
In september 1939 werd d’Argenlieu gemobiliseerd als reserve-marineofficier en werd op 10 februari 1940[2]bevorderd in de rang van een korvetkapitein (Capitaine de corvette). Tijdens de Slag om Frankrijk tijdens de verdediging van de arsenalen van Cherbourg werd d’Argenlieu gevangengenomen. Na drie dagen ontsnapte hij van de gevangenentrein die richting Duitsland zou gaan en voegde zich op 30 juni bij Charles de Gaulle.
D’Argenlieu ging bij de Vrije Fransen om in eerste instantie te dienen als kapelaan, maar nam de taken van een marineofficier op zich met een speciale vergunning van zijn religieuze superieuren vanwege het kleine aantal marineofficieren bij de Vrije Fransen. Hij werd stafchef in juli 1940[2]. Hij probeerde de gouverneur van Dakar die loyaal was aan Vichy-Frankrijk over te halen om zich aan te sluiten bij de Gaulle. Hij raakte op 23 september 1940 zwaargewond toen hij onder vuur werd genomen in zijn kleine en onbewapende boot tijdens de Slag om Dakar. In november leidde hij de succesvolle operaties bij de herovering van Gabon.
D’Argenlieu werd in december 1941[2] bevorderd tot kapitein-ter-zee (Capitaine de vaisseau) en werd kanselier van de nieuw ingestelde Orde van de Bevrijding. Op 19 juli 1943[2] werd hij schout-bij-nacht (Contre-amiral); hij ondernam diverse missies om de Franse kolonies onderbeheer te brengen van de Vrije Fransen. In 1943 werd hij bevelvoerend officier voor de zeestrijdkrachten in Groot-Brittannië. Op 14 juni 1944 begeleidde hij de Gaulle aan boord van de Combattante naar Frankrijk en betrad samen met hem op 25 augustus Parijs.
Eerste Indochinese Oorlog
Nadat Japan was verslagen, werd d’Argenlieu naar Frans-Indochina gezonden om met het Franse Verre Oosten Expeditiekorps het Franse gezag aldaar te herstellen. Hij werd in december 1944[2] gepromoveerd tot vice-admiraal (vice-amiral d'escadre) en in juni 1946[2] tot luitenant-admiraal (Amiral). Zijn acties raakte meer en meer controversieel en in maart 1947 werd hij vervangen door Emile Bollaert. Terug in Frankrijk werd hij inspecteur-generaal van de Marine.
Na de oorlog
In 1958 werd hij ziek en trad af als kanselier van de Orde van de Bevrijding en trok zich terug in een klooster. Hij stierf in Brest op 7 september 1964 en werd begraven in Avrechy.
Onderscheidingen
Grootkruis in het Legioen van Eer
Orde van de Bevrijding op 29 januari 1941
Médaille Militaire
Croix de Guerre 39 - 45 met 3 Palmen 
Croix de Guerre des Théâtres d'Opérations Extérieures (TOE) met Palm 
Verzetsmedaille met rosette
Médaille des Blessés 
Médaille du Sauvetage 
Médaille du Maroc 
Oorlogskruis met Palm (België)
Commandeur in de Leopoldsorde (België)
Ridder in de Orde van het Bad (Verenigd Koninkrijk)
 

Georges Thierry d'Argenlieu, 1941

Georges Thierry d'Argenlieu, 1941
Geboren 7 augustus 1889
Brest
Overleden 7 september 1964
Brest
Begraven Avrechy-d'Argenlieu Kerk, Avrechy, Departement Oise, Hauts-de-France, Frankrijk
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Flag of Free France (1940-1944).svg Vrije Fransen
Onderdeel Franse marine
Naval Ensign of Free France.svg Forces navales françaises libres
Dienstjaren 1912 - 1947
Rang French Navy-Rama NG-OF9.svg Amiral
Eenheid Van Chayla (kruiser)
Leiding over Tourterelle
Inspecteur-generaal van de Marine
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk
Slag om Dakar
Slag om Gabon
Eerste Indochinese Oorlog
Onderscheidingen zie onderscheidingen
Ander werk Vice-voorzitter van de Hoge Raad van de Marine

 


Charles Delestraint

Charles Delestraint geboren op12 maart 1879in Biache-Saint-Vaast in de Pas-de-Calais en stierf op19 april 1945in Dachau in Duitsland is een Franse generaal, held van het verzet , eerste leider van het geheime leger .
Biografie 
Inscriptie op de muren van het Pantheon van Parijs
Na de middelbare school, in Marist Fathers 2 , in Lille , kwam Charles Delestraint, de zoon van accountant, de speciale militaire school van Saint-Cyr in 1897 binnen , ter promotie van Bourbaki (1897-1899). Genoemd luitenant jagers te voet, werd hij toegelaten tot de School of War maart 1914. De Delestraint kapitein onderscheidt zich in augustus 1914 in een speciale missie in de buurt van Haybes in België , waar het mogelijk maakt de verbinding IV e Army en V e- leger . Hij wordt gevangen genomen30 augustus 1914tijdens de aanval op Chesnois-Auboncourt en zal pas in november 1918 worden vrijgegeven.
Regelmatig gepromoveerd 1918-1936 tot de rang van kolonel , beval hij de 3 e tank brigade Quartier Lize naar Metz en accountinformatie kolonel Charles de Gaulle onder zijn ondergeschikten, commandant van het 505e regiment van tanks 3 . De twee mannen geërfd van generaal Jean-Baptiste Eugène Estienne dezelfde innovatieve visie op het gebruik van gepantserde voertuigen in de moderne strategie. de23 december 1936Charles Delestraint werd verheven tot de rang van brigadegeneraal in Metz.
Algemeen Delestraint onder voorbehoud geplaatst sinds maart 1939 als gevolg van leeftijdsgrens, wordt opgeroepen in het actieve frame op 1 ste september 1939 tijdens de algemene mobilisatie in september 1939. Hij beval de gevechtstanks de VII th leger toen, uit2 juni 1940, de Battleship Group, waarmee het de terugtrekking van twee legers afdekt en de Abbeville-pocket reduceert .
Weerstand 
Tijdens de retraite, nadat hij gevochten had tot aan Valençay , weigerde generaal Delestraint de nederlaag en de wapenstilstand en ging in juli 1940 in verzet 2 door zijn overtuigingen te manifesteren. Hij neemt afscheid van zijn soldaten in het Caylus-kamp in de Tarn-et-Garonne en trekt zich terug in Bourg-en-Bresse, waar hij in de reserve wordt geplaatst . In augustus 1942, na advies van Henri Frenay , en op voorstel van Jean Moulin , koos generaal de Gaulle hem om het geheime leger te organiseren en te besturen , dat verschillende bewegingen van deVerzet in de zuidelijke zone: Combat , Liberation-South en Franc-Tireur . Delestraint aanvaardt de orders van zijn voormalige ondergeschikte, neemt het pseudoniem "Vidal" en werkt in coördinatie met Jean Moulin om de structuur uit te breiden naar de noordelijke zone. Het was tijdens deze periode als secretaris François-Yves Guillin , als hoofd van de 2 e kantoor zijn medewerkers Joseph Gastaldo wiens plaatsvervanger is André Lassagne . Ondanks de krappe vallen, zal Vidal het geheime leger organiseren, structureren en bevelen totdat hij wordt gearresteerd.
Arrestatie en deportatie
De algemene werd gearresteerd door een agent van de Abwehr van Dijon naar de metro La Muette ( 16 e arrondissement van Parijs ) 3 , de9 juni 1943, twaalf dagen voor de arrestatie van Jean Moulin , terwijl hij een afspraak heeft met verschillende functionarissen, waaronder René Hardy en Joseph Gastaldo . Generaal Delestraint werd op 9 juni door Moog en Multon gearresteerd. Echter, dezelfde Moog en Multon hadden René Hardy gearresteerd in de trein van Parijs in de nacht van 7 op 8. Het blijkt dat René Hardy niet op de hoogte was van de afspraak die Delestraint Multon had geleerd door een doos te verhogen naar de letters 4 van Henri Aubry .
Na meer dan 50 uur continu ondervraging, wordt General Delestraint vastgehouden in de gevangenis van Fresnes in juli 1943 en gedeporteerd, onder het decreet Nacht und Nebel , in Natzwiller-Struthof concentratiekamp in de Elzas .
Hij werd overgebracht naar het kamp Dachau in september 1944. Tegen het midden april 45, de priester Lavigne herstel van de onsamenhangende slipje Algemene Delestraint gevangen met de bisschop van Clermont-Ferrand M gr Gabriel Piguet . De drie mannen praten, dan General geeft Élie Lavigne ijs, gebreid, kam en vooral een stuk toiletpapier per brief kantoor. Deze boodschap vraagt Edmond Michelet om het leiderschap van het verzet in Dachau over te nemen .
Hij werd naar verluidt neergeschoten, op bevel, met een kogel in zijn nek. 19 april 1945een paar dagen voor de komst van de geallieerden. Maar volgens de rekening in 1946 van een ooggetuige, M. Penchenat, naar Dachau gedeporteerd die als chiropractie naar de ziekenboeg was toegewezen, de algemene was "dood in haar armen" als gevolg van dysenterie en andere vormen van mishandeling behandelingen 5 . Zijn lichaam is gecremeerd in het crematorium van het kamp.
Eerbetoon en onderscheidingen 
Tributes natie 

Generaal Delestraint was commandant van het Legioen van Eer, 14-18 oorlogskruis met palm, 39-45 oorlogskruis en Belgisch oorlogskruis .
Hij werd postuum benoemd tot Companion of Liberation . Zijn naam is gegraveerd in het Pantheon van Parijs , als eerbetoon aan de Franse natie.
Toponymische hommages posthuum [ bewerken

Charles Georges Antoine Delestraint
bijnaam Vidal
geboorte 12 maart 1879
Biache-Saint-Vaast ( Pas-de-Calais )
dood 19 april 1945 (tot 66 jaar) 
Dachau ( Duitsland )
Afkomst Vlag van Frankrijk Frankrijk
wapen Gepantserd wapen en cavalerie
rang Generaal van Corps 1
Jarenlange dienst 1897 - 1945
commando 505 th Tank Regiment Combat 
2 th Cavaleriedivisie 
Geheim Leger
onderscheidingen Legion of Honor 
Cross of War 1914-1918 
Kruis van oorlog 1914-1918 Belgisch 
oorlogskruis 1939-1945
opzichten Metgezel van de Bevrijding postuum naar 
de 175 ste bevordering van de Militaire Academie van Saint-Cyr (1988-1991) heet "General Delestraint"

 


Edgar Faure

Edgar Faure (Béziers, 18 augustus 1908 – Parijs, 30 maart 1988) was een Frans liberaal politicus en tweemaal premier van Frankrijk.
Biografie
Edgar Faure werd geboren in Béziers, Languedoc-Roussillon. Hij volgde voortgezet onderwijs aan het Lycée Voltaire in Parijs. Hij studeerde rechten en oosterse talen (Russisch) in Parijs en werd op zijn zevenentwintigste toegelaten tot de balie en werd hiermee toentertijd de jongste advocaat van Frankrijk. In 1931 trouwde hij met de even oude Lucie Meyer (1908–1977), die zelf naam maakte als schrijfster.
Intussen raakte Faure geïnteresseerd in de politiek hij en sloot zich aanvankelijk aan bij de Parti Républicain Socialiste (PRS, Republikeins-Socialistische Partij), maar stapte later over naar de links-liberale ('radicale') Parti Républicain, Radical et Radical-Socialiste (PRS, letterlijk Republikeinse en Radicaal-Socialistische Partij).
Edgar Faure sloot zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aan bij de Franse verzetsbeweging Maguis. In 1942 wist hij met zijn echtgenote Lucie uit Frankrijk te ontkomen en sloot zich aan bij de Vrije Fransen van generaal Charles de Gaulle, die hun hoofdkwartier in Algiers (Algerije) hadden. Faure werd hoofd van de wetgevende afdeling van de Voorlopige Franse Regering te Algiers (1944). Na de Tweede Wereldoorlog was hij de Franse adjunct-procureur-generaal bij het Neurenberg tribunaal (1945).
Naoorlogse carrière
Edgar Faure overwoog na de Tweede Wereldoorlog om zich aan te sluiten bij de christendemocratische Mouvement Républicain Populaire (MRP, Republikeinse Volksbeweging), maar bleef uiteindelijk toch lid van de PRS. Bij de Franse parlementsverkiezingen van 1946 werd hij voor het departement Jura in de Franse Nationale Vergadering (Assemblée Nationale) gekozen (tot 1958). In 1947 werd hij tot burgemeester van Port-Lesney (in de Franche-Comté) gekozen, hetgeen hij tot 1970 bleef. In 1949 werd hij voorzitter van de departementsraad (Président du Conseil Général) van de Jura (tot 1967). Hij ontpopte zich tot fel verdediger van de regionale belangen van Franche-Comté en de Jura.
Binnen de PRS was Faure de leider van de gematigd conservatieve vleugel, terwijl Pierre Mendès France de leider was van de linkervleugel van de partij.
In 1949 werd hij voor het eerst lid van een kabinet. Hij was van 13 februari 1949 tot 2 juli 1950 staatssecretaris van Financiën. Van 2 juli 1950 tot 11 augustus 1951 was hij minister van Begrotingszaken, daarna was hij van 11 augustus 1951 tot 20 januari 1952 minister van Justitie en Grootzegelbewaarder in het kabinet-Pleven II.
Tweemaal premier
Op 20 januari 1952 werd hij door president Vincent Auriol (SFIO) als opvolger van René Pleven (UDSR) tot premier (Président du Conseil) benoemd van een kabinet van de centrum- en centrum-rechtse partijen: naast Faures eigen PRS de Mouvement Républicain Populaire (MRP), de Union Démocratique et Socialiste de la Résistance (UDSR) en het Centre National des Indépendants et Paysans (CNIP). De socialisten van de Section Française de l'Internationale Ouvrière (SFIO) werden niet in het kabinet opgenomen, maar de regering bleek wel afhankelijk te zijn van de socialistische fractie in het Franse parlement. Naast premier werd hij ook minister van Financiën. Het kabinet-Faure viel echter al na veertig dagen, omdat de premier en minister van Financiën geen meerderheid in de Franse Nationale Vergadering achter zich kreeg voor zijn plannen de belasting met 15% te verhogen.In het centrum-rechtse kabinet van premier Joseph Laniel (CNIP) was hij opnieuw minister van Financiën en bekleedde ook de post van minister van Economische Zaken (28 juni 1953 – 18 juni 1954).
Onder Pierre Mendès France, die van 18 juni 1954 tot 23 februari 1955 premier was, was Faure van 18 juni 1954 tot 20 januari 1955 minister van Financiën en Economische Zaken. Van 20 januari tot 23 februari 1955 was hij minister van Buitenlandse Zaken.
President René Coty benoemde hem op 23 maart 1955 tot premier van een centrum-rechts kabinet. Als premier bereidde hij de onafhankelijkheid van de Franse protectoraten (feitelijk koloniën) Tunesië en Marokko voor. Binnen de PRS rees echter verzet over de rechtse koers van de partij zoals deze werd vertegenwoordigd door Faure. In december 1955 drongen de linkse elementen binnen de partij onder Mendès France aan op een "ruk naar links" en naar de vorming van een volksfront met de SFIO en andere linkse partijen. Uiteindelijk besloot Faure op 30 november 1955 om de Franse Nationale Vergadering te ontbinden en vervroegde verkiezingen uit te schrijven voor januari 1956, omdat hij vond dat de partijen zich te veel bezighielden met de geplande parlementsverkiezingen die in juni 1956, waardoor, betoogde Faure, hij niet in staat was om een aantal plannen door de Nationale Vergadering te loodsen. Dit stuitte vooral op verzet binnen zijn eigen PRS. De linkervleugel van de PRS, de SFIO en andere linkse en centrum-partijen vonden dat zij te kort de tijd zouden hebben om campagne te voeren. In december werd Faure als partijlid geroyeerd. Faure vormde daarop het Rassemblement des Gauches Républicaines (RGR, Groepering van Linkse Republikeinen), een conservatieve groepering, bestaande uit rechtse radicalen (dit wil zeggen voormalige leden van de rechtervleugel van de PRS) en rechtse onafhankelijken, waarvan Faure het voorzitterschap op zich nam.Onder leiding van Mendès France werd het linkse Front Républicain van socialisten en de PRS gevormd.
De parlementsverkiezingen van 2 januari 1956 mondden uit in een overwinning van het Front Républicain en op 24 januari 1956 diende Faure het ontslag van zijn kabinet in. Op 1 februari 1956 werd Guy Mollet (SFIO) premier van een Regering van het Republikeinse Front.
In het centrum-linkse kabinet van premier Pierre Pflimlin – het laatste kabinet van de Vierde Franse Republiek – was Faure minister van Financiën en Economische Zaken (14 mei – 1 juni 1958). Van april 1959 tot februari 1966 was hij senator voor het kanton Pontarlier. In 1967 werd hij opnieuw in Franse Nationale Vergadering gekozen, nu voor het departement Doubs.
Tijdens de Vijfde Franse Republiek werd hij een gaullist en de Union pour la Nouvelle République (UNR, Unie voor de Nieuwe Republiek), de gaullistische partij, stuurde hem als hoofd van een onofficiële missie naar de Volksrepubliek China (1963). In 1967 werd hij lid van de Generale Raad (Conseiller Général) van het kanton Pontarlier (tot 1979). Van 8 januari 1966 tot 10 juli 1968 was hij minister van Landbouw in de kabinetten-Pompidou. In het kabinet onder premier Maurice Couve de Murville was hij minister van Onderwijs (12 juli 1968 – 20 juni 1969) en onder premier Pierre Messmer was hij minister van Sociale Zaken (6 juli 1972 – 2 april 1973). Van 1971 tot 1978 was hij opnieuw burgemeester van Pontarlier en van 1983 tot 1988 opnieuw van Port-Lesney. Van 1973 tot 1978 was hij voorzitter van de Nationale Vergadering en van 1974 tot 1981 en van 1982 tot 1988 was hij President van de Regionale Raad van Franche-Comté en van 1980 tot 1988 was hij senator voor het departement Doubs.
Edgar Faure was sinds 1978 lid van de Académie Française.
Edgar Faure was een serieus man en een carrièremaker. Omdat hij vaak met de winden meewaaide verkreeg hij de bijnaam la girouette ("het windhaantje").
Edgar Faure overleed op 79-jarige leeftijd, op 30 maart 1988 in Parijs.

Edgar Faure in 1955

Edgar Faure, 18 juni 1955.
functies
Senator van de Doubs
2 oktober 1980 - 30 maart 1988
( 7 jaar, 5 maanden en 28 dagen )
verkiezing 28 september 1980
President van de Nationale Assemblee
2 april 1973 - 2 april 1978
( 5 jaar )
wetgevende macht V e
voorganger Achille Peretti
opvolger Jacques Chaban-Delmas
Kamerlid voor Doubs
4 maart 1973 - 28 september 1980
( 7 jaar, 6 maanden en 24 dagen )
verkiezing 11 maart 1973
herverkiezing 19 maart 1978
wetgevende macht V e en VI e
Minister van Sociale Zaken
6 juli 1972 - 2 april 1973
( 8 maanden en 27 dagen )
president Georges Pompidou
overheid Messmer I
voorganger Joseph Fontanet
opvolger Georges Gorse
Minister van Nationaal Onderwijs
12 juli 1968 - 20 juni 1969
( 11 maanden en 8 dagen )
president Charles de Gaulle 
Alain Poher (interim)
overheid Maurice Couve de Murville
voorganger François-Xavier Ortoli
opvolger Olivier Guichard

 


André Gaillard (verzetsstrijder)

André Gaillard, beter bekend onder zijn verzetsnaam Léon, speelde samen met zijn vrouw Françoise (alias Irma) een voorname rol in een Franse verzetsgroep in de Tweede Wereldoorlog, die actief was in Picardië. Ze vernielden Duitse verbindingslijnen, vingen neergeschoten piloten op, organiseerden wapendroppings en hielden nauwkeurig de Duitse activiteiten in 'hun' zone in de gaten. Gaillard, een opzichter in de suikerbietenfabriek van Saint-Blimont, vormde in de zomer van 1942 de verzetsgroep na een oproep van generaal Charles de Gaulle.
Het koppel had twee dochters: Lucienne Gaillard en Josiane Gaillard. Op 16 juni 1944 werden André en zijn vrouw gevangengezet in de gevangenis van Abbeville.In diezelfde gevangenis zaten op dat moment 161 gevangenen waaronder 70 verzetsstrijders. Vier van hen, waaronder Gaillard, stonden op de lijst om gefusilleerd te worden.
Ondertussen zette Maurice Fuzelier een bevrijdingsactie op touw. Op 22 juni 1944 pleegde hij samen met tien verzetsstrijders een aanval op de gevangenis van Abbeville. De aanval werd mede mogelijk gemaakt door Charles Fournet, de leider van een lokaal verzetsnetwerk met de bijnaam "Big John". Hij was gevangenisbewaker in Abbeville. Zonder één schot te lossen bevrijdde de groep 70 mannen en vrouwen.
Verzetsgroep Vimeu
In juni 1940 luisterde vrijwel geen Fransman naar de toespraken van generaal Charles de Gaulle. In 1941 had hij, volgens schattingen van zijn tegenstanders in Vichy, zo'n driehonderdduizend luisteraars. In 1942 steeg dat aantal tot drie miljoen. Charles de Gaulle praatte in deze toespraken over de résistance alsof het een gewoon staand leger was in plaats van een beginnende guerrillabeweging van, aanvankelijk, geen zevenduizend mannen en vrouwen. Vanaf het begin werkte hij aan een nieuwe nationale mythe, een hoopgevend geschiedenisverhaal dat Frankrijk geestelijk overeind zou helpen. 'Frankrijk heeft in 1940 een slag verloren, niet de oorlog', was het motto dat hij voortdurend herhaalde.
Zo begon de résistance: als een losse beweging van beneden af van Fransen van allerlei standen en rangen, een guerrilla van enthousiaste amateurs. Ze kregen al snel wapens vanuit Engeland en werden door Britse undercover-agenten geïnstrueerd.
De résistance kreeg een sterke impuls door het groeiende verzet tegen de Jodenvervolging. De kerken speelden hierin een centrale rol. In veel opzichten bleef de Katholieke Kerk het Vichy-regime tot het bittere eind trouw, maar in de zomer van 1942 ontstond er over de jodenvervolging een hevig conflict. Op 23 augustus liet de bejaarde aartsbisschop van Toulouse, Jules-Géraud Saliège, van de kansels in zijn diocees een herderlijke brief voorlezen, waarin hij de jacht op de joden veroordeelde:
Joden zijn mannen. Joden zijn vrouwen. Ze zijn een deel van de mensheid. Ze zijn onze broeders zoals ieder ander. Een christen kan dat niet vergeten.
— Jules-Géraud Saliège, aartsbisschop van Toulouse
De brief veroorzaakte een kettingreactie: tientallen andere bisschoppen en kerkelijke leiders volgden zijn voorbeeld. Een kerkelijke verzetsgroep begon joodse kinderen uit Vénissieux weg te smokkelen, een van de ergste opvangkampen bij Lyon. Daarmee ontstond een nieuwe bron van verzet: katholieken die Pétain in beginsel goedgezind waren, maar die de toenemende mensenjacht van Vichy en de Duitsers niet langer met hun geweten konden verenigen en de protestanten die eerder al massaal in actie kwamen.
Op 1 februari 1944 fuseerden de belangrijkste militaire groeperingen van het Franse verzet: l'Armée Secrète (AS), l'Organisation de Résistance de l'Armée (ORA) en de Francs-Tireurs et Partisans (FTP). Zo ontstonden de Franse Binnenlandse Strijdkrachten of Les Forces Françaises de l'Intérieur (FFI).
Het amateuristische groepje waartoe André Gaillard behoorde was ondertussen uitgegroeid tot een ervaren guerrillacompagnie van de Franse Binnenlandse Strijdkrachten, met zeven officieren, tweeëntwintig onderofficieren en honderdzestig manschappen. Ze waren nu een onderdeel, het 3e FTP du Vimeu, van één groot leger: de Vrije Fransen die in Afrika en Italië met de geallieerden meevochten en de diverse verzetsgroepen in Frankrijk zelf. Ook Françoise en hun dochter Lucienne speelden een voorname rol binnen de 3e FTP du Vimeu.[1] Ze brachten berichten over wapentransporten en locaties waar neergehaalde piloten zich bevonden naar de verzetslieden die om veiligheidsredenen overal verspreid waren. Het feit dat ze vrouwen waren en vooral de jonge leeftijd van Lucienne wekte weinig wantrouwen bij de Franse en Duitse politie. Per fiets konden ze makkelijk afstanden overbruggen van 30 tot 40 kilometer.
Van het 3e FTP Vimeu kwamen uiteindelijk achttien mannen en vrouwen om het leven. Twee werden gefusilleerd, zes gedood in vuurgevechten, en tien van de vijftien die werden gedeporteerd naar concentratiekampen zouden nooit meer terugkomen.
Activiteiten van de verzetsgroep
Van augustus tot december 1943 pleegde de verzetsgroep de volgende daden:
Op 3 augustus blies André Gaillard met zijn mannen een lanceerplatform op.
Op 23 augustus lieten ze een Duitse militaire trein ontsporen; de Duitsers in hun zone waren voortdurend bezig met kustversterkingen in verband met een mogelijke invasie.
In de nacht van 23 oktober lieten ze een troepentransport voor Rusland exploderen, met menselijke en materiële verliezen.
Op 28 oktober saboteerden ze de lijn Parijs-Calais, waardoor een trein vol troepen en oorlogsmaterieel in volle vaart uit de rails liep.
Op 11 november lieten ze – op de hoogte gehouden door Frans spoorwegpersoneel – op dezelfde lijn een trein met militair materieel ontsporen. Over het effect van dit soort acties waren ze tevreden, want de lijn kon dagenlang niet gebruikt worden voor versterkingen, er waren meestal veel slachtoffers en het materieel waren de Duitsers voorgoed kwijt.
Op 16 november werd een partij vlas die door de Duitsers was gevorderd, in brand gestoken.
Op 10 december bevrijdden ze, met hulp van de plaatselijke brigadier, twee verzetsmensen uit de gendarmerie van het plaatsje Gamaches, net voor hun transport naar de Gestapo-gevangenis in Abbeville.
Op 16 december lieten ze 's nachts een trein met artillerie ontsporen. Toen de volgende dag een Duitse hulptrein arriveerde, joegen ze bij de laatste stop, de machinist weg en zetten alles op volle stoom vooruit. De spooktrein reed in volle vaart op de wrakstukken van het eerder ontspoorde artillerietransport in.
Op 28 december wisten ze de spoorlijn te blokkeren: een trein met vier wagons verongelukte.

Valse identiteitskaart van Françoise Gaillard, vrouw van André. Het koppel speelde een belangrijke rol in het Franse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

 

De elf verzetsstrijders die de aanval op de Gestapo-gevangenis van Abbeville uitvoerden op 22 juni 1944.

 


Geneviève de Gaulle-Anthonioz

Geneviève de Gaulle-Anthonioz (Saint-Jean-de-Valériscle, 25 oktober 1920 – Parijs, 14 februari 2002), was een Frans verzetsstrijdster en activiste voor de mensenrechten. Ze was in 1998 de eerste vrouw die het Grootkruis in het Legioen van Eer kreeg uitgereikt.
De Gaulle was de oudste dochter van Xavier de Gaulle, een broer van de Franse oorlogsleider en latere president Charles de Gaulle. Kort na de Franse capitulatie in 1940 trad ze toe tot het Franse verzet. Ze werd op 20 juli 1943 gearresteerd en werd opgesloten in de gevangenis van Fresnes. Op 2 februari 1944 werd ze naar Ravensbrück gedeporteerd. In oktober van dat jaar werd ze in de kampbunker opgesloten. Heinrich Himmler besloot haar in leven te laten om haar te kunnen uitwisselen. In april 1945 kwam De Gaulle vrij toen Ravensbrück door het Rode Leger werd bevrijd.
In 1946 trouwde ze met de oud-verzetsman Bernard Anthonioz, met wie ze vier kinderen kreeg. Ze werd lid en later voorzitter van de Association nationale des anciennes déportées et internées de la Résistance (ADIR), en trad toe tot het Rassemblement du Peuple Français (RPF) van haar oom. In 1958 kwam De Gaulle-Anthonioz in contact met pater Joseph Wresinski die in een barakkenkamp voor daklozen in Noisy-le-Grand werkte. De armoede, maar ook de onderlinge solidariteit in het kamp deden haar aan haar periode in Ravensbrück denken. Ze werd in 1964 presidente van ATD Vierde Wereld, een internationale beweging tegen armoede en uitsluiting die door pater Wresinski was opgericht en zou deze functie tot september 2001 bekleden.
In 1987 was De Gaulle-Anthonioz getuige in het proces tegen Klaus Barbie. Een jaar later werd ze lid van de Conseil économique, social et environnemental. Ze streed tien jaar voor een wet tegen extreme armoede, die in 1998 werd aangenomen. In hetzelfde jaar kreeg ze het Grootkruis in het Legioen van Eer uitgereikt en publiceerde ze het boek La Traversée de la nuit over haar ervaringen in Ravensbrück.
De Gaulle-Anthonioz overleed op 81-jarige leeftijd te Parijs en werd begraven te Bossey.
In 2014 kondigde president François Hollande aan dat haar stoffelijk overschot zou worden bijgezet in het Panthéon. De familie was hier tegen, waarop werd besloten dat de kist in het Panthéon een urn met aarde van het kerkhof te Bossey zou bevatten
Verzet en Deportatie 
Geneviève de Gaulle is een student aan de Faculteit Geschiedenis van Rennes inJuni 1940wanneer ze terugkeert naar weerstand, onder de naam Germaine Lecomte 4 . Ze begon haar eerste acts door Duitse posters te verscheuren, kruisen van Lorraine of tearing, van de brug van de Vilaine , een Nazi-wimpel die ze mee naar huis nam als een trofee. Met zijn medestudenten, drukt het en verspreidt pamfletten tegen de nazi's en de Vichy Regime 5 .
Begin 1941, genomineerd in de geschiedenis aan de Sorbonne , wordt Geneviève de Gaulle georganiseerd door haar tante Madeleine de Gaulle. In de Groep van het Museum van de Man vermenigvuldigt het de acties van intelligentie en informatie. In 1943 trad ze toe tot het Franse Defensienetwerk . Ze schrijft twee artikelen in de clandestiene krant van deze groep over haar oom generaal De Gaulle. Ze ondertekent ze onder de naam Gallia .
Ze werd gearresteerd na een verraad in een gespannen muizenval in een boekhandel in de Rue Bonaparte door Pierre Bonny van de Franse Gestapo op 20 July 1943 6 . Ze verbergt zich dan met verkeerd papier dat wordt gedetecteerd, ze onthult haar ware identiteit onmiddellijk. In eerste instantie wordt gevangen Fresnes , vervolgens verstuurd naar Royallieu kamp alvorens naar het concentratiekamp deportatie Ravensbrück de2 februari 1944met het nummer 27 372 2 . In het kamp, ontmoet ze en raakt bevriend met vier andere resistente: Jacqueline Péry Alincourt , Suzanne Hiltermann , Anijs Postel-Vinay en Germaine Tillion 7 .
In oktober 1944 werd ze in eenzame opsluiting geplaatst in de 'bunker' van het kamp, ​​een beslissing van Himmler om haar in leven te houden en haar als ruilmiddel te gebruiken, in een tijd waarin Charles de Gaulle Frankrijk bevrijdde. Ze zal niet weggaan tot 25 april 1945 tijdens de bevrijding van het kamp door het Rode Leger .
Ze heeft geleerd van deze ervaring Crossing Night , geschreven vijftig jaar na zijn vrijlating, gepubliceerd op 1 ste januari 1998 en die het leven in Ravensbrück, wederzijdse bijstand tussen gevangenen en de omstandigheden van zijn verlaten van het kamp en oproept die artikelen, in het bijzonder over de toestand van kinderen in Ravensbrück

Afbeeldingsresultaat voor Geneviève de Gaulle-Anthonioz

Herinneringsplaquette aan de gevel van de woning van Geneviève de Gaulle te Rennes

 


Robert Hebras

Robert Hebras , geboren op29 juni 1925in Oradour-sur-Glane , is een van de zes mensen die het overleefden massamoorden gepleegd op deze locatie de 10 June 1944 en werd, in het Frankrijk van de naoorlogse, een nationaal symbool van de nazi-wreedheden.
Biografie 
Robert Hébras, Jean-Marcel Darthout Mathieu Borie, Clement BROUSSAUDIER Ms. Roufanche en Pierre-Henri Poutaraud zijn de enige burgers die de executie met machinegeweren uitgevoerd overleefd. Geïnteresseerde bleef liggen - voor een deel onder het lichaam van hun kameraden - in de Laudy schuur en deed alsof hij dood te zijn, voor de leden van de Schutzstaffel (of SS, Duitse "bescherming squad") reed op de lichamen en eindigde degene die nog steeds in beweging was. Een kwartier na de executies zette de SS de schuur in brand om de sporen van hun misbruik uit te wissen. Pierre-Henri Poutaraud vluchtte vanaf het begin van het vuur en werd geëxecuteerd bij de begraafplaats.
De andere vijf mannen bleven onder de brandende lichamen totdat ze voor hun eigen leven vreesden (Robert Hebras: "Mijn linkerarm en mijn haar waren al ontstoken. waarom ik weggelopen was. ") Drie van de vijf mannen die het brandende dorp ontvluchtten, raakten zwaar gewond; Robert Hebras was op de borst, één been en rechter pols. De helft van de familie Hebras - de moeder en twee meisjes - kwam om tijdens het bloedbad. Met uitzondering van de zoon, Robert, overleefde alleen de oudste dochter, die niet meer in Oradour woonden, en de vader (het was ten tijde van de feiten, in een nabijgelegen dorp, waar hij hielp een boer van zijn vrienden).
Na 10 juni 1944 nam Robert Hebras actief deel aan het verzet tegen het nationaal-socialisme en vocht hij ook op het slagveld.
In 1953 , hield het proces in Bordeaux, waar de SS heden werden beoordeeld in Oradour 10 juni 1944. Robert Hébras getuigde van wat hij die dag had meegemaakt.
In 1983 woonde hij een juridisch debat in de DDR bij tegen een van de beulen van Oradour, Heinz Barth .
In 2003 werd een documentaire met de titel "Ontmoeting met Robert Hebras: over de sporen van gewist leven" gepubliceerd door de Duitse regisseur Bodo Kaiser.
Tijdens zijn leven heeft hij zich gecommitteerd aan verzoening tussen Duitsland , Frankrijk en Oostenrijk . Ondanks zijn leeftijd onderneemt hij rondleidingen in de ruïnes van het martelaarsdorp. Hij staat altijd open voor interviews, voor videoprojecten, vooral voor de jeugd.
Robert Hebras is getrouwd, heeft één zoon en drie kleinkinderen en woont in Saint-Junien , in de buurt van Oradour.
Sinds de dood van Jean-Marcel Darthout op 4 oktober 2016hij is de enige overlevende van het bloedbad dat nog leeft. Hij en Darthout namen beiden deel aan de documentaire Une vie avec Oradour , geregisseerd in 2011. Robert Hébras bespreekt zijn reis na het bloedbad.
Marguerite Rouffange is de enige vrouw die het bloedbad heeft overleefd. De vrouwen en kinderen waren verzameld in een dorpskerk waar ze stikken, beschoten en / of levend verbrand worden door het vuur veroorzaakt door SS-soldaten. De 207 kinderen en baby's en 254 vrouwen stierven terwijl Marguerite Rouffange, profiterend van een wolk van rook, ontsnapte door een raam van de kerk en de nabijgelegen tuin bereikte, slechts lichtgewond.
Controversie
Robert Hébras werd veroordeeld op 14 september 2012 in een symbolische bedrag van één euro schadevergoeding en 10 000 in de juridische kosten tot twijfels over de gedwongen aard van de Elzassers inschrijving hebben in de Waffen SS in zijn boek Oradour sur-Glane het uur drama per uur, gepubliceerd in 1994. Hij schreef dat: "Onder de schurken, sommige Elzassers zogenaamd ingelijfd kracht in SS-eenheden" . Na protest van verenigingen ontsnapte en onder dwang opgenomen (Adeif) van de Bas-Rhin en Haut-Rhindie om intrekking van het boekwinkelboek had gevraagd, had hij dit in de volgende edities gekwalificeerd, maar in een nieuwe herdruk in 2009 had hij zijn oorspronkelijke versie 1 hervat .
Het Hof van Beroep van Colmar oordeelde dat Robert Hebras " de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden door het geforceerde en niet-vrijwillige karakter van de gedwongen inlijving van jonge Elzasser in de Duitse eenheden van Waffen SS te betwisten " Ze overwoog ook dat "Robert Hebras niet kon beweren een getuige te zijn, omdat hij ten tijde van het bloedbad " geen onderscheid maakte tussen de Nazi- Duitsers en de Elzassers die allemaal hetzelfde uniform droegen " en dat hij "Nog minder getuige van de gedwongen opneming van Elzasser in Duitse eenheden " . De opname van kracht , zegt het Hof van Beroep, is een"Waarheid historisch en juridisch vastgesteld. "
Robert Hébras zei dat de gewraakte opnieuw te tekenen werd gemaakt op initiatief van de uitgever, die vroeger de oude typons ongecorrigeerde afdrukken en nooit getekend voor de pers voor deze heruitgave. In januari 2013 heeft hij cassatieberoep ingesteld 2 .
Op 16 oktober 2013 werd Robert Hebras definitief witgewassen door de Franse rechtbanken, waardoor het arrest van het hof van beroep Colmar nietig werd verklaard . Het Hof van Cassatie oordeelde dat de verklaringen, "als zij de eilandsverenigingen geschokt, geschokt of gestoord hadden kunnen maken, alleen maar een twijfel hadden geuit over een historische controversiële kwestie, zodat zij de grenzen niet overschreden vrijheid van meningsuiting " 3 .
Onderscheidingen en decoraties
Ridder van het Legioen van Eer ,9 juni 2001
Oostenrijkse prijs voor het geheugen ,17 maart 2008
Order of Merit van de Bondsrepubliek Duitsland , de2 juni 2015 4 .
European Citizen's Award 2017 5 .
De Oostenrijkse prijs voor de nagedachtenis van de Holocaust werd door ambassadeur Hubert Heiss op de Oostenrijkse ambassade in Parijs aan Robert Hebras toegekend " vanwege zijn opmerkelijke inzet voor de strijd tegen het vergeten als getuige, maar ook voor zijn hartstochtelijke betrokkenheid bij het werk van verzoening tussen de Duitsers, de Fransen en de Oostenrijkers " .

Andreas Maislinger , president en oprichter van het Oostenrijkse ministerie van Herdenking : " We moeten het onderscheid van Robert Hebras beschouwen als een eerbetoon aan de slachtoffers van het bloedbad in Oradour en als een teken van respect voor het werk van overlevenden . "

Robert Hebras.JPG

biografie
geboorte 
29 juni 1925Bekijk en bewerk gegevens op Wikidata (92 jaar oud) 
Oradour-sur-GlaneBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
nationaliteit 
FransBekijk en bewerk gegevens op Wikidata
Andere informatie
onderscheidingen 
Ridder van het Legioen van Eer
Officier in de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland ( d )

 


Stéphane Hessel

Stéphane Frédéric Hessel (Berlijn, 20 oktober 1917 – Parijs, 27 februari 2013) was een diplomaat, ambassadeur, schrijver, voormalig strijder van het Franse verzet en overlever van de naziconcentratiekampen. Geboren in Duitsland naturaliseerde hij in 1939 en nam daarmee de Franse nationaliteit aan.
Vroege jaren
Hessel werd geboren in Berlijn als de zoon van Helen Grund en de Duitse schrijver Franz Hessel. Samen met zijn ouders emigreerde hij in 1924 naar Parijs. Nadat hij op 15-jarige leeftijd zijn baccalauréat behaalde, werd hij in 1937 toegelaten tot de École normale supérieure. In 1939 werd hij genaturaliseerd als Frans burger, waarna hij gemobiliseerd werd voor het Franse leger in Saint-Maixent-l'École.
Hessel weigerde zich te schikken onder het Vichy-bewind van maarschalk Philippe Pétain en vluchtte in 1941 naar Londen, alwaar hij zich bij de verzetsstrijders van Generaal Charles de Gaulle voegde. Hij keerde in maart 1944 terug naar Frankrijk om een communicatienetwerk op te zetten voor de geallieerde invasie van Frankrijk. Op 10 juli werd hij in Parijs gevangengenomen door de Gestapo waarna hij in een bureau aan de Avenue Foch werd gemarteld, onder andere door middel van waterboarding. Op 8 augustus 1944 werd hij naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd. Hessel, Forest Yeo-Thomas en Harry Peulevé wisten hun executie in Buchenwald te vermijden met de hulp van Eugen Kogon, die ervoor zorgde dat hun identiteit verward werd met die van drie gevangenen die aan tyfus waren overleden. Hessel werd op 25 oktober 1944 overgeplaatst naar een buitenkamp van Buchenwald in Rottleberode, waar hij bij de kampadministratie te werk werd gesteld. Na een mislukte poging tot ontsnapping werd hij naar concentratiekamp Dora gestuurd. Tijdens de evacuatie van kamp Dora wist hij in station Lüneburg te ontsnappen uit een trein die hem naar concentratiekamp Bergen-Belsen zou brengen. Op 20 april 1945 stuitte hij bij Hannover op een eenheid van het Amerikaanse leger.
Voorvechter van mensenrechten
Van 1946 tot 1948 was Hessel kabinetschef van Henri Laugier, een van de acht adjunct-secretarissen-generaal van de Verenigde Naties, verantwoordelijk voor sociale en economische zaken. In 1962 richtte hij de Associatie voor Training in Afrika en Madagaskar op en werd haar eerste voorzitter. In 1982 werd Hessel voor drie jaar benoemd tot de Haute Autorité de la communication audiovisuelle, het Franse instituut voor audiovisuele communicatie. Hessel voerde tot zijn dood een diplomatiek paspoort aangezien hij tot ambassadeur voor het leven was benoemd.
Hij was ook een lid van de Franse divisie van de International Decade for the Promotion of a Culture of Peace and Non-Violence for the Children of the World. Hij was een van de grondleggers van het internationaal collegium en heeft als haar vicevoorzitter gefungeerd. Hij was ook lid van de Commission nationale consultative des droits de l'homme en de Haut Conseil de la coopération internationale.
In 2003 tekende hij samen met andere oud-verzetsstrijders de petitie Voor een Verdrag van een Sociaal Europa en in augustus 2006 tekende hij een motie tegen de Israëlisch-Libanese Oorlog.
In 2004 werd hem door de Raad van Europa de Noord-Zuidprijs uitgereikt. In hetzelfde jaar nam hij deel aan de herdenking van het zestigjarig bestaan van de Nationale Raad van het Verzet van 15 maart 1944. Een raad die jongere generaties oproept de nalatenschap van het verzet te eren, deze door te geven en ernaar te leven.
Op 14 juli 2006 werd Hessel benoemd tot Grand Officier de la Légion d'honneur. In 1999 had hij al het Grootkruis van de Nationale Orde van Verdienste ontvangen.
Op 21 februari 2008 riep Hessel de Franse overheid op om geld beschikbaar te stellen om daklozen te huisvesten. Hij veroordeelde de Franse regering die ingevolge artikel 25 van de Verklaring van de Rechten van de Mens verplicht was in huisvesting te voorzien, maar daar onvoldoende in slaagde.
Ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op 10 december 2008 ontving Hessel de UNESCO/Bilbao Prize for the Promotion of a Culture of Human Rights. Hessel ontving in 2008 ook de United Nations Association of Spain Peace Prize Award.
Op 5 januari 2009 uitte Hessel kritiek op de Israëlische aanvallen op de Gazastrook. Hij noemde de aanvallen een oorlogsmisdaad en zelfs een misdaad tegen de menselijkheid. Hij merkte op dat dit woord niet licht opgevat moet worden, maar dat hij op basis van zijn bezoek aan Gaza de term ‘misdaad tegen de menselijkheid’ toepasselijk vond.
Neem het niet!
In oktober 2010 werd Hessels essay Neem het niet! (oorspronkelijke Franse titel: Indignez-vous!) gepubliceerd in een oplage van 6.000 stuks. Sindsdien is het essay meer dan anderhalf miljoen keer verkocht[2] en is het vertaald in o.a. Baskisch, Catalaans, Italiaans, Roemeens, Duits, Grieks, Engels, Portugees, Sloveens, Spaans, Kroatisch, Nederlands en Hebreeuws.
In zijn boek stelt Hessel dat Frankrijk zich weer boos moet maken, zoals zij die het verzet vormden dat tijdens de Tweede Wereldoorlog deden. Hessel draagt zelf de volgende redenen aan waarom hij zich boos maakt: de groeiende ongelijkheid tussen arm en rijk, de wijze waarop Frankrijk omgaat met zijn illegale immigranten, het gebrek aan persvrijheid, de noodzaak het milieu te beschermen, het versterken van de Franse welvaartsstaat en de erbarmelijke situatie van het Palestijnse volk. Hij roept met zijn boek op tot vreedzaam verzet.
Tijdens een Spaanse protestactie tegen corruptie en het politieke systeem gebruikten de demonstranten de term Los Indignados, de verontwaardigden. Ze baseerden zich daarbij op de titel van Hessels boek. Deze Spaanse protesten inspireerden, samen met de Arabische Lente, verscheidene andere protestacties, waaronder Griekse, en Italiaanse protesten. Occupy Wall Street en de bredere Occupy-beweging zijn ook geïnspireerd door deze beweging.

Stéphane Hessel bij een politieke betoging, maart 2010

Stéphane Hessel bij een politieke betoging, maart 2010
Algemene informatie
Volledige naam Stéphane Frédéric Hessel
Geboren Berlijn, 20 oktober 1917
Overleden Parijs, 27 februari 2013
Nationaliteit Franse
Beroep Diplomaat, Ambassadeur, Schrijver
Bekend van Verzetsstrijd, Neem het niet!

1-Frans verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog