Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Frans militair in de Tweede Wereldoorlog

Jean-Pierre Aumont

Jean-Pierre Aumont (5 januari 1911 - 30 januari 2001) was een Franse acteur en houder van het legioen d'honneur en het Croix de Guerre voor zijn militaire dienst in de Tweede Wereldoorlog.
Vroege leven 
Aumont werd geboren als Jean-Pierre Philippe Salomons in Parijs , de zoon van Suzanne (geboren Cahen; 1885-1940), een actrice, en Alexandre Salomons, eigenaar van La Maison du Blanc (een linnenwarenhuis). De oom van zijn moeder was de bekende toneelacteur George Berr (1942).Zijn vader was van een Nederlands Joods gezin; het gezin van zijn moeder bestond uit Franse joden. Aumont's jongere broer was de bekende Franse filmregisseur François Villiers . Aumont begon op 16-jarige leeftijd met drama te studeren aan het Conservatorium van Parijs ; zijn moeder had daar ook gestudeerd. Zijn professionele podiumdebuut vond plaats op 19-jarige leeftijd. Zijn filmdebuut kwam een ​​jaar later, toen Jean de la Lune( Jean of the Moon ) werd geproduceerd in 1931.
Carrière 
Zijn belangrijkste, carrièrebepalende rol kwam echter in 1934, toen het toneelstuk van Jean Cocteau , The Machine Infernale ( The Infernal Machine ), werd opgevoerd. Terwijl zijn film- en toneelcarrière snel begon te stijgen, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Aumont bleef tot 1942 in Frankrijk, toen hij zich realiseerde dat hij als Jood de nazi's zou moeten ontvluchten. Hij migreerde van de onbezette zone van Frankrijk Vichy , naar New York City en vervolgens naar Hollywood om zijn filmcarrière na te streven. Hij begon te werken met MGM ; echter, na het voltooien van The Cross of Lorraine , trad hij toe tot de Vrije Franse strijdkrachten . Hij werd gestuurd naarNoord-Afrika , waar hij deelnam aan operatie Torch in Tunesië. Hij verhuisde met de geallieerde legers door Italië en Frankrijk. Tijdens de oorlog raakte hij tweemaal gewond. De eerste was op een missie met zijn broer; de tweede was serieuzer. De Jeep van Aumont werd opgeblazen in de buurt van een door land gestorte brug. Generaal Diego Brosset , commandant van de 1e Vrije Franse Divisie , aan wie Aumont de aide de camp was, werd gedood. Voor zijn dapperheid tijdens de gevechten ontving Aumont het Legion d'Honneur en de Croix de Guerre . 
Na de oorlog hervatte Aumont zijn filmcarrière snel, met in tegenovergestelde zin Ginger Rogers in Heartbeat (1946) en als magiër in de klassieke film Lili (1953) met Leslie Caron , naast vele andere rollen. Hij werkte met een aantal prominente regisseurs en sterren, waaronder zijn (toenmalige) vrouw Maria Montez . In het midden van de jaren vijftig begon Aumont te werken op het nieuwe medium televisie, verscheen op verschillende bloemlezingprogramma's, zoals 'Robert Montgomery Presents' en als gast in de show What's My Line? . In de jaren 1960 en 1970 verscheen hij in verschillende theaterproducties, waaronder de musicals Tovarich met Vivien Leigh, Jacques Brel leeft en is goed en leeft in Parijs , de Stille Zuidzee en Gigi .
Een van zijn laatste acteerprestaties was in A Tale of Two Cities (1989). Twee jaar later, in 1991, op 80-jarige leeftijd, ontving hij een erecesar-onderscheiding en werd hij versierd met het kruis van Commandeur des Arts et des Lettres . 
Persoonlijk leven 
Aumont was vier keer getrouwd met drie vrouwen. Zijn eerste vrouw was de Franse actrice Blanche Montel , met wie hij twee jaar getrouwd was (1938-1940), uiteindelijk scheidend. In Hollywood trouwde Aumont met Maria Montez , een Dominicaanse actrice. Ze stond bekend als de koningin van Technicolor en hun huwelijk was heel gelukkig. Montez verdronk echter in haar badkuip op 7 september 1951 na een klaarblijkelijke hartaanval in de familie Suresnes . Montez en Aumont hadden één kind, een dochter, Tina (1946 - 2006).
In 1956 trouwde Aumont met de Italiaanse actrice Marisa Pavan . Het paar speelde samen in één film, John Paul Jones (1959), waarin Pavan de romantische interesse van de hoofdrol speelde, terwijl Aumont verschijnt als koning Lodewijk XVI . Ze scheidden, maar hertrouwden later en bleven samen tot zijn dood op 92-jarige leeftijd in 2001. Aumont en Pavan hadden twee zonen, Jean-Claude en Patrick. 
Dood 
Jean-Pierre Aumont stierf in 2001 aan een hartaanval in Gassin , Frankrijk, op de leeftijd van 92, en werd gecremeerd.

Jean-Pierre Aumont in 1959

Jean-Pierre Aumont in 1959
Geboren Jean-Pierre Philippe Salomons 5 januari 1911 Parijs , Frankrijk

Ging dood 30 januari 2001 (90 jaar) Gassin , Frankrijk
Bezetting Acteur
jaren actief 1931-1996
Partner (s) Blanche Montel (1938-1940; gescheiden) 
Maria Montez (1943-1951; haar dood; 1 kind) 
Marisa Pavan (1956-2001; zijn dood; 2 kinderen)

 


Antoine Béthouart

Marie Émile Antoine Béthouart (Dole (Jura), 17 december 1889 – Fréjus, 17 oktober 1982) was een Franse generaal die diende in de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog.
Biografie
Béthouart studeerde af aan de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr en diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als een pelotonaanvoerder in de 159ste Alpen Infanterieregiment. Na de Eerste Wereldoorlog diende hij als adviseur bij het Joegoslavisch leger en werd benoemd tot Instructeur op de École de guerre.
In 1937 werd hij bevorderd tot kolonel en werd in januari 1940 bevorderd tot général de brigade. Deze bevordering werd in april 1941 definitief en werd gevolgd door de bevordering tot général de division in december 1942. Béthouart werd in november 1943 opnieuw bevorderd tot général de corps d’armée en in 1948 werd hij bevorderd tot Général d'Armée.
Béthouart voerde in 1940 tijdens de campagne in Noorwegen het bevel over de 1e Division of Chasseurs. In deze hoedanigheid was hij betrokken bij gevechten in het gebied van Narvik.
Béthouart voerde in Marokko het bevel over de Casablanca Divisie en stond de geallieerden bij om de Franse troepen in Noord-Afrika over te halen om zich bij de geallieerden aan te sluiten. Hij werd op 10 november 1942 door de autoriteiten van Vichy gearresteerd en op 14 november bevrijdt door de geallieerde troepen. Béthouart diende daarna van november 1942 tot december 1943 als hoofd van de Franse militaire missie in Washington en daarna van april 1944 tot augustus 1944 als chef-staf van de (Franse) Comité voor Nationale Defensie in Algiers. In augustus 1944 diende Béthouart als stafchef van Armée B, later bekend als het Franse Eerste Leger.
Op 1 september 1944 nam Béthouart het bevel over van het Franse Eerste Korps in Armée B. Hij vocht met 140.000 man in de Elzas maar werd beroemd met zijn korps voor zijn aandeel in het offensief in Duitsland. Zijn korps was de eerste van de geallieerde eenheden die de Donau bereikten en Oostenrijk binnenrukten. Zijn korps nam 101.556 Duitsers tijdens de campagne van de bevrijding van Frankrijk tot de invasie in Duitsland krijgsgevangen.
In de naoorlogse jaren diende Béthouart tussen 1946 en 1950 eerst als chef van de Franse bezettingstroepen in Oostenrijk en daarna als hoge commissaris voor Frankrijk in Oostenrijk. De Franse bezettingszone in Oostenrijk bestond uit de deelstaten Tirol en Vorarlberg. In de Franse sector van Wenen, richtte hij de Franse Lyceum van Wenen op.
Béthouart diende van 1955 tot 1971 als senator voor overzeese Franse burgers. Hij overleed in Fréjus op 17 oktober 1982 en werd begraven in Rue.
War Cross 1914-1918 ribbon.svg War Cross 1939-1945 ribbon.svg Vrijwilligersstrijderskruis 1914-1918 ribbon.svg
Herinneringsmedaille van de Slag om Verdun ribbon.svg Ons legioen van verdienste officier rib.png Krigskorset med sverd stripe.svg 
Franse decoraties 
Militaire medaille als generaal die bevel voerde voor de vijand
Grootkruis van het Legion of Honor
Companion of the Liberation
1914-1918 War Cross 3 citaten
War Cross 1939-1945
Kruis van de vrijwillige strijder 1914-1918
Herdenkingsmedaille van de slag om Verdun
Buitenlandse decoraties 
Companion of the Order of the Bath (Verenigd Koninkrijk)
Officier van het Legion of Merit (VS)
Zilveren medaille van militaire waarden 1914-1918 (Italië)
1914-1918 War Cross (Italië)
Grootofficier in de Orde van de Kroon (België)
Oorlogskruis 1940-1945 (België)
Oorlogskruis met zwaard (Noorwegen)
Grootkruis in de Orde van St. Olaf (Noorwegen)
Ridder van de Militaire Orde Virtuti Militari (Polen)
Ster van de overwinning (Tsjechoslowakije)
Commandant van de Orde van de Witte Leeuw (Tsjechoslowakije)
Oorlogskruis 1939-1945 (Tsjechoslowakije)
Grootofficier van de Koninklijke Orde van Sint-Sava (Joegoslavië)
Commandant van de Witte Adelaar van Servië (Joegoslavië)
Commandant van de Kroon van Joegoslavië (Joegoslavië)
Grootkruis van de Soevereine Orde van Malta
Grootkruis in de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland
Medaille van Sherifian Military Merit (Marokko)
Grootkruis in de Orde van Ouissam Alaouite (Marokko)
Grootkruis in de Orde van Nichan Iftikhar (Tunesië)
Ridder in de Orde van de Witte Roos (Finland)
Gouden medaille van de verdienste van de Republiek Oostenrijk

Antoine Béthouart

Antoine Béthouart
Geboren 17 december 1889
Dole, Jura
Overleden 17 oktober 1982
Fréjus
Begraven Rue
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Onderdeel Franse landmacht
Dienstjaren 1909 - 1955
Rang Army-FRA-OF-09.svg Général d'armée
Eenheid 152e régiment d'infanterie
12e corps d'armée
Leiding over 24e bataillon de chasseurs alpins
Franse Expeditie Leger in Scandinavië
1e Legerkorps (Frankrijk)
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Westfront
Chemin des Dames
Slag om Verdun
Slag aan de Somme
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk

 


René Carmille

René Carmille (Trémolat, 1 januari 1886 - Dachau 25 januari 1945) was een Franse officier, en tijdens de bezetting van Frankrijk gedurende de Tweede Wereldoorlog de oprichter van de Service National des Statistiques (SNS), de voorloper van wat in 1946 het INSEE zou worden, het Franse equivalent van het CBS. Als hoofd van de SNS heeft Carmille de registratie en identificatie van joden voor de Duitse bezetters tegenwerkt: hij gaf niet aan op kaarten of iemand jood was, en liet ook veel kaarten (circa 100.000) van joden uit de kaartenbakken verdwijnen zodat hun identiteit bij de bezetter niet bekend werd. Hij werd door de SS gevangengenomen en is in het concentratiekamp Dachau omgekomen. Mede door zijn tegenwerking heeft de bezetter in Frankrijk maar 25% van de joden kunnen vermoorden. Zijn optreden staat in schril contrast met dat van de vergelijkbare Nederlandse ambtenaar Jacob Lentz, wiens griezelig perfecte persoonsbewijs en de bijbehorende administratie het werk van de Duitse bezetter in Nederland juist aanzienlijk vergemakkelijkten. Lentz zou na de bevrijding in 1945 drie jaar gevangenisstraf voor zijn daden krijgen.
Carmille was ook de bedenker van het persoonsgebonden nummer dat later het Franse sofinummer zou worden, en dat heden ten dage nog steeds in gebruik is.
Carmille was in Frankrijk voor de Tweede Wereldoorlog al pionier op het gebied van het gebruik van ponskaartenmachines voor administratief gebruik. Hij stelde al in 1934 voor, teneinde mobilisaties te vergemakkelijken, jongens bij hun geboorte en aangifte bij de burgerlijke stand een immatriculatienummer toe te wijzen. Daartoe voerde hij enkele experimenten uit, het belangrijkste te Rouen. In deze periode vertegenwoordigde hij ook het ministerie van Oorlog in diverse commissies die zich met de statistiek bezighielden, en ook gaf hij les op de Vrije school der politieke wetenschappen. Uit deze tijd stamt ook een werk van zijn hand getiteld "Vues d'économie objective" en een toespraak "over het Germanisme" (1938).
Na de Franse overgave in 1940 werd het het Vichy-regime toegestaan een leger van 100.000 man te handhaven. Kolonel Du Vigier en Carmille in zijn hoedanigheid van Algemeen controleur (Controleur Géneral) stelden aan het Vichy bewind voor een overheidsinstelling op te zetten die met mechanische middelen de bevolking registreert. Dit om later een clandestiene mobilisatie uit te kunnen voeren, bedoeld om tegen de Duitse bezetters in opstand te komen. Het lukte Carmille om op 15 december 1940 de "Service de Démographie" op te zetten, de demografisch dienst die onderdeel vormt van het ministerie van Financiën.[2] Deze dienst nam een gedeelte van de rekruteringscentra van het Franse leger over, alsmede hun dossiers, die daarna netjes werden bijgehouden. De dienst werd bemand door honderden gedemobiliseerde officieren en onderofficieren. Het hoofdkantoor was gevestigd in Lyon, met zes regionale centra in de vanuit Vichy bestuurde delen van Frankrijk, alsmede kantoren in Parijs, Algiers, Tunis en Rabat.
Voor de techniek kon men een beroep doen op drie fabrikanten van "statistische machines" die op de Franse markt actief waren:
Bull
la Compagnie électro-comptable (CEC), een dochter van IBM
Samas-Powers, een van origine Engels bedrijf.
De relaties met CEC werden alweer snel beëindigd, aangezien het belangrijkste filiaal van IBM in bezet Europa Dehomag[3] was. Carmille had bovendien voor de oorlog het bedrijf een paar keer bezocht, wat achteraf als spionage had kunnen worden betiteld. En verschillende medewerkers van CEC waren inmiddels medewerkers geworden van de organisatie die toezicht moest houden op de wapenstilstandsvoorwaarden.
Onderscheidingen
Legioen van Eer
Commandeur op 30 juni 1941
Officier op 8 juli 1928
Ridder op 10 juli 1920

René Carmille

René Carmille
Algemeen
Geboortedatum 1 januari 1886
Sterfdatum 25 januari 1945
Geslacht Man
Geboorteplaats Trémolat, Frankrijk
Plaats van overlijden Dachau, Nazi-Duitsland

 


Christian de Castries

Christian Marie Ferdinand de la Croix de Castries (11 augustus 1902 - 29 juli 1991) was de Franse bevelhebber in de slag bij Dien Bien Phu in 1954.

Biografie
Castries werd geboren in een vooraanstaand militair gezin, het Huis van Castries , en werd op 19-jarige leeftijd aangenomen bij het leger. Hij werd naar de Saumur Cavalerieschool gestuurd en kreeg in 1926 een officier, maar nam later ontslag om zich te wijden aan paardensport. Na terugkomst in het leger aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, werd hij gevangengenomen (1940), ontsnapt uit een Duits krijgsgevangenenkamp (1941), en vocht hij met de geallieerden in Noord-Afrika, Italië, het zuiden van Frankrijk en eindelijk, tijdens de invasie van Zuid-Duitsland. Hij beëindigde de oorlog onder bevel van de 3e Marokkaanse Spahis (gemechaniseerde cavalerie), wiens hoedje hij vervolgens tijdens zijn dienst in Indochina moest dragen. 


In 1946 werd Castries, die binnenkort luitenant-kolonel werd, naar Indochina gestuurd. Hij raakte gewond en bracht een jaar door met recupereren in Frankrijk voordat hij terugkeerde naar Vietnam als een volledige kolonel. In december 1953 werd hij beschuldigd van het verdedigen van Dien Bien Phu tegen de Viet Minh en kreeg hij een veldpromotie voor de brigadegeneraal. Na een belegering van acht weken werd het garnizoen verslagen. De Fransen werden op 7 mei 1954 overspoeld door de Viet Minh-troepen, waardoor de Eerste Indochina Oorlog en de Franse aanwezigheid in Zuidoost-Azië effectief werden beëindigd . Castries werd vier maanden lang gevangen gehouden, terwijl in Genève een wapenstilstandsakkoord werd bereikt.

Bij zijn terugkeer in Frankrijk werd Castries aangesteld om de 5e Pantserdivisie te besturen , en vervolgens gestationeerd in West-Duitsland. Na een auto-ongeluk in 1959 trok hij zich terug uit het leger. Daarna leidde hij een recyclingbedrijf. Castries stierf op 29 juli 1991 in Parijs.

Dien Bien Phu001.jpg

Geboren 11 augustus 1902 Parijs , Frankrijk
Ging dood 29 juli 1991 (88 jaar) Parijs , Frankrijk
Trouw Frankrijk
Service / tak Frans leger
Dienstjaren 1921-1959
Rang Generaal de brigade
Commando's gehouden Mobiele groep 2 
Mobiele groep 1 
operationele groep Noord-West
Gevechten / oorlogen Tweede Wereldoorlog 
Eerste Indochina Oorlog
* Slag bij Dien Bien Phu

 


François Darlan

Jean Louis Xavier François Darlan (Nérac, 7 augustus 1881 - Algiers, 24 december 1942) was een Franse admiraal en collaborateur van Vichy-Frankrijk.
Vroegere carrière
Darlan studeerde van 1899 tot 1901 aan de École navale. Hij was in 1912 een specialist in ballistiek en was een instructeur op het oefenschip Jeanne d’Arc. Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde hij het bevel over een diverse batterijen van marinestrijdkrachten aan diverse fronten. Na de oorlog bleef hij bij de marine en werd op 18 november 1929[2] tot contre-amiral en op 4 december 1932[2] tot vice-amiral bevorderd. Tussen 1926 en 1936 was hij kabinetschef van de minister van Marine, Georges Leygues en daarna voerde hij het bevel over een Atlantisch eskader. Darlan werd bevorderd op 1936 tot Amiral en in 1937 stafchef van de marine. Op 24 juni 1939[2] werd hij bevorderd tot amiral de la flotte en kreeg bevel over de gehele Franse vloot.
Vichy-regering
Toen Parijs in juni 1940 werd bezet was Darlan een van degenen die achter maarschalk Philippe Pétain ging staan. Darlan werd beloond met het behoud van zijn functie van minister van Marine en eiste snel het vertrek van de meerderheid van de Franse vloot naar Frans Noord-Afrika. Ondanks toezeggingen van admiraal Darlan vreesden de Britten dat de vloot in Duitse handen zou vallen, en dat resulteerde op 3 juli 1940 in de aanval op Mers-el-Kébir door de Royal Navy waarbij ongeveer 1.300 Fransen omkwamen. Darlan had een afkeer van het parlementarisme en Groot-Brittannië.
In februari 1941 verving Darlan Pierre-Étienne Flandin als de plaatsvervanger van Pétain. Hij werd ook benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken, Defensie en Buitenlandse Zaken, waarbij Darlan de-facto het hoofd werd van het Vichy-regime. In januari 1942 nam Darlan andere regeringsposten over. Darlan streefde naar economische en militaire samenwerking met Duitsland in ruil voor betere voorwaarden ten opzichte van de wapenstilstand. Darlan was ervan overtuigd dat Groot-Brittannië door oorlog niet kon winnen en het Europees continent aan Duitsland moest overlaten. Hij zag Frankrijk hierin als bemiddelaar. Volgens hem was samenwerking met Duitsland de minst slechte oplossing. Hij onderschatte echter Hitlers wantrouwen ten opzichte van Frankrijk.
In mei 1941 tekende Darlan en de Duitse ambassadeur in Frankrijk Otto Abetz de Protocollen van Parijs. Het wantrouwen van Hitler tegenover Frankrijk sloot elke mogelijkheid van een alliantie met Frankrijk uit. Eind februari 1942 bleek Darlans beleid een mislukking. In april 1942 moest Darlan aftreden ten gunste van Pierre Laval maar behield zijn post van bevelhebber van de Franse strijdkrachten.
Staatsgreep van 8 november 1942
Op 7 november 1942, vlak voor Operatie Toorts, vertrok Darlan richting Algiers om zijn zoon te bezoeken die in het ziekenhuis lag wegens polio. Darlan wist niets van de geheime overeenkomst die tussen het verzet in Algerije en de Amerikaanse generaal Mark Wayne Clark op 23 oktober 1942 was gesloten in Cherchell.
Even na de middag op 8 november 1942 vielen 400 slecht bewapende Franse partizanen de kustartillerie van Sidi Ferruch en de Vichy XIV Legerkorps van Algiers aan. Ongeveer 15 uur later hadden de verzetsstrijders beide troepen geneutraliseerd. Onder het bevel van José Aboulker, Henri d’Astier de La Vigerie en kolonel Jousse bezette het verzetsleger de meeste strategische punten in Algiers en arresteerde militaire en staatsfunctionarissen van Vichy. Een van de burgergroepen, cadetten van het Ben-Aknoun College slaagde erin om Darlan en generaal Alphonse Juin, bevelhebber in Noord-Afrika, te arresteren.
Na drie dagen van bedreigingen en gesprekken dwong Clark Darlan en Juin om aan de Franse troepen het bevel te geven om de vijandelijkheden op 10 november in Oran en 11 november in Marokko te staken. Darlan bleef hoofd van het Franse bestuur. In ruil daarvoor stemde generaal Dwight D. Eisenhower in met de zelfbenoeming door Darlan op 14 november als Hoge Commissaris van Frankrijk voor Noord- en West-Afrika, een stap die woede wekte bij Charles de Gaulle. Op 27 november werden de laatste Franse marineschepen tot zinken gebracht in Toulon.
Toen men in Vichy dacht dat Darlan een gevangene was van de geallieerden werd hij ontslagen uit de Vichy-regering vlak voor het begin van Operatie Anton, de Duitse invasie van onbezet Frankrijk. De meeste Franse troepen volgden Darlan, maar bepaalde elementen voegden zich bij de Duitse troepen in Tunesië.
Op 24 december 1942 werd Darlan in Algiers door Fernand Bonnier de La Chapelle vermoord, die hiervoor op 26 december 1942 werd geëxecuteerd.
Onderscheidingen
Legioen van Eer
Grootkruis op 21 december 1937
Grootofficier op 31 december 1935
Commandeur op 31 december 1930
Officier op 1 september 1920
Ridder op 21 mei 1915
Médaille militaire op 9 april 1940
Croix de guerre 1914-1918
Soldatenkruis
Overwinningsmedaille
Herinneringsmedaille aan de Dardanellen
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1914-1918
Officier in de Maritieme Orde van Verdienste
Ridder in Orde van Agrarische Verdienste

François Darlan in 1942

François Darlan in 1942
Volledige naam Jean Louis Xavier François Darlan
Geboren 7 augustus 1881
Geboorteplaats Nérac, Frankrijk
Overleden 24 december 1942
Overlijdensplaats Algiers, Frans-Algerije
Land Frankrijk
Voorganger Pierre-Étienne Flandin
Opvolger Pierre Laval
Partij Vichyregime
Religie Rooms-katholicisme
Functies
9 februari 1941 –
18 april 1942 81ste Premier van Frankrijk
Portaal Portaalicoon Politiek
François Darlan
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Begraven Darlan Mausoleum, Algiers, Algerije
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Vichy-Frankrijk
Onderdeel Franse marine
Dienstjaren 1899– 1942
Rang French Navy NG-OF10.svg Amiral de la flotte
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Slag om Verdun
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk
Operatie Torch

 


Maurice Gamelin

Maurice Gustave Gamelin (Parijs, 20 september 1872 - Parijs, 18 april 1958), was de opperbevelhebber van de Franse strijdkrachten tijdens de begindagen van de Tweede Wereldoorlog.
Vroege jaren
Gamelin's vader, Zéphyrin, vocht in de Slag bij Solferino in 1859. Van jongs af aan toonde Gamelin potentieel als soldaat, opgegroeid in een generatie die op zoek was naar wraak op Duitsland voor hun annexatie van Elzas-Lotharingen aan het einde van de Frans-Pruisische oorlog. Gamelin ging naar de militaire academie van Saint-Cyr op 31 oktober 1891 en startte de officierenopleiding. In 1893 studeerde hij af als eerste van zijn promotie op Saint-Cyr.
Hij begon bij de Franse Tirailleurs bij het 3de Regiment gevestigd in Tunesië. Hij trad vervolgens toe tot de topografische brigade. Toen Gamelin terugkwam naar Parijs in 1897, ging hij naar de prestigieuze École Superieure de Guerre en eindigde als tweede van zijn klas van ongeveer tachtig van de beste toekomstige officieren in het Franse leger. Charles Lanrezac, de tweede in commando op het École Superieure, en later een generaal in de vroege dagen van de Grote Oorlog, omschreef Gamelin als een intelligente, gecultiveerde en ijverige jonge officier, met een reële kans om hogere rangen in de toekomst te verdienen. Gamelin trad toe tot de staf van de 15e Corps d'Armee voordat hij commandant werd van een compagnie in het 15e bataljon van de Chasseurs Alpins in 1904. Hij kreeg applaus van zijn superieuren voor zijn ijver op manoeuvre.
Hij publiceerde Étude philosophique sur l’art de la guerre in 1906, wat maakte dat zijn critici hem prezen als een van de verwachte militaire denkers in de nabije toekomst en werd dan een attaché van de Franse generaal Joseph Joffre (toekomstige Marechal de France omdat hij de leiding gaf aan de Franse troepen tijdens de Eerste Wereldoorlog). Deze positie had hij verkregen met de hulp van Ferdinand Foch (ook een toekomstige Marechal de France omdat hij de geallieerden leidde naar de overwinning in 1918). Deze netwerken verschaften Gamelin een stevige kennis van strategische en tactische oorlogsvoering.
Eerste Wereldoorlog
In 1911 verkreeg Gamelin het commando van de 11de bataljon van de Chasseurs Alpins in Annecy. Toch trad hij in maart 1914 toe tot de staf van Generaal Joffre. Aan het begin van de oorlog hielp Gamelin bij het ontwerp van de plannen die naar de overwinning leidde in de Eerste Slag bij de Marne. Hij werd gepromoveerd tot luitenant-kolonel en vocht in de Elzas op de Linge en later op de Somme. Hij werd kolonel in april 1916 en met zijn resultaten op het slagveld kon hij binnen de acht maanden opklimmen tot de rang van Général de brigade. Hij beval de 11e divisie d'Infanterie van april 1917 tot het einde van de oorlog. In de streek van Noyon, manifesteerde hij zijn geavanceerde tactische vaardigheden nog maar eens door het veroveren van grondgebied zonder dat er onnodige slachtoffers waren.
Interbellum
Van 1919 tot 1924 was Gamelin het hoofd van de militaire missie in Brazilië. Hij beval het Franse leger in de Levant, het huidige Syrië en Libanon. Hij was de commandant van de 30e militaire regie in Nancy van 1919 tot 1931, totdat hij werd benoemd tot hoofd van de generale staf van het Franse leger.
Tweede Wereldoorlog
Hij was dus een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog toen hij met bravoure diende onder Joseph Joffre, een militair van de oude school die een grote voorstander was van defensieve opstellingen en offensieve strategieën vermeed. Gamelin was erg gerespecteerd wegens zijn militaire inzichten. Eén daarvan was dat het Franse leger het niet in een bewegingsoorlog op kon nemen tegen het Duitse leger, dat een veel grotere operationele competentie bezat. Zo'n oorlog moest dus voorlopig vermeden worden totdat de modernisering van het Franse leger voltooid was en de voorsprong in materieel verder uitgebouwd. Een Duitse aanval tot die tijd moest defensief opgevangen worden door een snelle opmars en versterking in België. Gamelin voorspelde echter de Duitse hoofdaanvalsas tijdens de inval in Frankrijk fout bij Gembloers in plaats van bij de werkelijke locatie: Sedan. Hierdoor zette hij zijn reserves te vroeg in. Zo konden de Duitse pantsertroepen op minder versterkte sectoren van het front doorbreken en ondertussen de grote Franse militaire vestingwerken vermijdend, met hun Blitzkrieg paniek onder de Fransen zaaien door snel en geconcentreerd op te rukken.
Gamelin had weliswaar de verdedigingsstrategie voor een mogelijke Duitse invasie opgesteld, en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan doorgegeven aan zijn generaal Alphonse-Joseph Georges, de commandant van het Noordoostfront, die het vaak niet met Gamelin eens was. Gamelin had ook een slechte controle over de Franse luchtmacht die niet van plan was ingezet te worden ter ondersteuning van de landtroepen. Gamelin was zich wel bewust van het gevaar dat dit inhield, ook zijn mening was dat oorlogen werden gevoerd op de grond in plaats van in de lucht. Gamelin vertraagde ook lang het plan van Charles de Gaulle voor de vorming van pantserdivisies van de Infanterie (pantsertroepen). Hij was een beschermeling van premier Édouard Daladier die hem afschermde tegen de druk van Paul Reynaud om hem te vervangen.
Gamelin voerde het bevel over de Franse troepen tijdens de schemeroorlog. Zijn commandopost bevond zich in Vincennes, een voorstad van Parijs, zonder enige vorm van rechtstreekse telefoonlijnen of radiocommunicatiemiddelen naar de operationele hoofdkwartieren. Dit werd overigens zo geregeld in het kader van wat meer eigen initiatief te gunnen aan de Franse troepen. Het betekende ook dat zijn reactie op de crisis erg traag was. Gamelin stelde de noodzakelijke beslissingen uit. Maurice Gamelin werd, na het falen van de Franse troepen, op 19 mei 1940 ontheven uit zijn functie en vervangen door Maxime Weygand. Gamelin werd na de Duitse overwinning gearresteerd. In februari 1942 werd hij op het Proces van Riom door het Vichy-regime veroordeeld en gedeporteerd naar het concentratiekamp Buchenwald waar hij in mei 1945 door de Amerikaanse troepen werd bevrijd.
Onderscheidingen
Legioen van Eer
Grootkruis op 7 augustus 1932
Grootofficier
Commandeur
Officier op 16 september 1926
Ridder in 1913
Virtuti Militari, 2e klasse
Ridder Grootkruis in de Koninklijke Orde van Victoria 1938
Ridder Grootkruis in de Orde van het Bad in 1939

Gamelin in 1936

Gamelin in 1936
Geboren 20 september 1872
Parijs
Overleden 18 april 1958
Parijs
Begraven Cimetière de Passy, Parijs, Frankrijk
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Dienstjaren 1891 - 1940
Rang Army-FRA-OF-09.svg Général d'armée
Leiding over Franse strijdkrachten
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Eerste Slag bij de Marne
Slag aan de Somme
Saaroffensief
Schemeroorlog
Pools-Russische Oorlog (1919-1921) (adviseur)
Grote Syrische opstand
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk

Gamelin (rechts) samen met Edward Rydz-Śmigły.

 


Charles de Gaulle

Charles André Joseph Marie de Gaulle (Rijsel, 22 november 1890 - Colombey-les-Deux-Églises, 9 november 1970) was een Frans militair en politicus. Hij vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog als officier in de Slag bij Verdun, was de leider van een Franse regering in ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog en werd de eerste president van de door hem ontworpen Vijfde Republiek (1959-1969).
Levensloop
Jeugd en familie

Charles de Gaulle werd geboren als het derde van vijf kinderen in een katholiek, patriottisch gezin in Rijsel. Hij werd beïnvloed door de lectuur van Barrès, Bergson, Boutroux en Péguy en toonde reeds jong een bijzondere interesse in militaire zaken. Hij ging studeren aan de militaire school van Saint-Cyr en in 1913 werd hij ingedeeld bij het 33e regiment infanterie dat behoorde tot de divisie onder leiding van kolonel Philippe Pétain. De Gaulle trouwde op 6 april 1921 met Yvonne Vendroux. Zij kregen drie kinderen: Philippe, Elisabeth en Anne. Anne had het syndroom van Down en overleed in 1948 op 20-jarige leeftijd.
Eerste Wereldoorlog en intellectuele ontwikkeling
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende De Gaulle in het leger als luitenant. Op 15 augustus 1914, de eerste dag van de slag van Dinant, werd hij in zijn been geschoten op de brug over de Maas. Deze brug is later naar hem vernoemd. Hij raakte in 1916 betrokken bij de Slag bij Verdun en werd bij het Fort Douaumont gevangengenomen. Na herhaalde ontsnappingspogingen verbleef hij ruim twee jaar in een Duits kamp voor krijgsgevangenen in het fort van Ingolstadt. Na de oorlog diende hij bij de pantsereenheden, die toen nog deel uitmaakten van de infanterie. Van 1919 tot 1921 was hij als beschermeling van Pétain als militair deskundige betrokken bij de opbouw van het leger van het zojuist onafhankelijk geworden Polen, waar de Pools-Russische Oorlog (1919-1921) woedde. Hij kreeg al snel de reputatie van een vernieuwend tacticus. In Le fil de l'épée (1932) ("Het scherp van de snede") wees hij op het belang van het vormen van leiders en op invloed van toevallige omstandigheden. Ook bepleitte hij het formeren van pantsereenheden, waarmee vuurkracht en mobiliteit beter dan ooit gecombineerd zouden kunnen worden. In Vers l'Armée de Métier ("Naar een Beroepsleger") (1934) bepleitte hij de oprichting van een professioneel gemotoriseerd kernleger in vredestijd om een eventuele verrassingsaanval vanuit Duitsland af te kunnen slaan. In Duitsland zag de latere tankgeneraal Heinz Guderian hierin zijn ideeën bevestigd. In Engeland werd door de militair historicus Liddell-Hart met belangstelling kennisgenomen van De Gaulles ideeën. In Frankrijk, waar statische verdediging vanuit immense fortificaties zoals de Maginotlinie voorop stond, vond hij echter weinig weerklank. Na de Tweede Wereldoorlog werd ten onrechte beweerd dat hij de Duitse Blitzkrieg voorspeld had. De in grote oplagen verschenen naoorlogse edities van zijn publicaties uit het interbellum had hij namelijk in die zin aangepast.[bron?]
Uit zijn particuliere correspondentie blijkt dat hij weinig op had met parlementaire democratie en eigenlijk meer zag in een sterk monarchaal regime. De socialist Léon Blum, premier van Volksfront-regeringen tussen 1936 en 1939, was fel tegen een beroepsleger, omdat dit gemakkelijk zou kunnen worden ingezet tegen de eigen bevolking. De Gaulle lijkt dat zelf ook niet uitgesloten te hebben.[bron?]
Tweede Wereldoorlog
In de Tweede Wereldoorlog kreeg De Gaulle tijdens Fall Gelb, zoals de Duitsers hun offensief in het westen noemden, op 15 mei 1940 het bevel over een provisorische pantserdivisie, de 4e Division Cuirassée de Réserve, waarmee hij zonder veel effect vocht tegen de Duitse invallers, die om de Maginotlinie heen waren getrokken, dwars door de volgens de Fransen ondoordringbare Ardennen. Na de oorlog werd vaak beweerd dat hij juist als enige generaal in die weken nog wat tactische successen heeft geboekt.[bron?] Vlak voor de totale ineenstorting werd hij bevorderd tot brigadegeneraal. Hij kreeg op 6 juni de post van onderminister voor defensie in het kabinet van premier Paul Reynaud. In die hoedanigheid nam hij deel aan de besprekingen met de Britten tijdens de laatste fases van de Duitse opmars in juni 1940. Toen bleek dat maarschalk Pétain in juni 1940 een wapenstilstand met de Duitsers zou sluiten, stapte De Gaulle in een Brits vliegtuig en ontkwam daarmee naar Londen. Op 18 juni verklaarde hij via de Britse radio dat Frankrijk wel een slag had verloren, maar niet de oorlog en hij riep het Franse volk op de strijd tegen Duitsland voort te zetten. Het onmiddellijke resultaat daarvan was dat hij wegens desertie bij verstek ter dood werd veroordeeld door het Vichy-regime, dat na de overwinning van de Duitsers door hen werd getolereerd als een marionettenregime in het zuidoostelijke deel van Frankrijk. Het staatshoofd van dit regime was de 83-jarige Pétain, zijn vroegere commandant. De Gaulle organiseerde na zijn vlucht de Vrije Franse Strijdkrachten; het lukte hem om sommige Franse koloniën aan zijn kant te brengen. Hij kreeg ook het bestuur in Syrië en Libanon in handen, nadat de Britten deze Franse mandaatgebieden op Vichy-troepen hadden veroverd. De Gaulle had aanvankelijk grote moeite om serieus genomen te worden door de geallieerden, want het Franse Vichy-regime had - bij gebrek aan beter - zowel in eigen land als daarbuiten een zekere legitimiteit, waartegenover De Gaulle niet veel anders had te stellen dan zijn vastberadenheid om de waardigheid van Frankrijk te verdedigen. Voor het oplossen van de voortdurende conflicten en ruzies met de Britse regering was zijn stafchef Gaston Palewski verantwoordelijk. De Gaulle omschreef zijn eigen positie als volgt: "Ik kan geen concessies doen, ik ben te zwak".
Terwijl de Britse premier Churchill nog een zeker respect voor de koppige Franse generaal had, wantrouwden de Verenigde Staten hem. Toen Amerikaanse en Britse legers in november 1942 Franse gebieden in Noord-Afrika binnenvielen, gaven de Amerikanen het bestuur ervan niet in handen van de leider van de Vrije Fransen, maar aan Henri Giraud, een andere Franse generaal die voorheen tegen Vichy had aangeleund. De Gaulle bleek echter een behendiger politicus te zijn en over een forse aanhang te beschikken, ook in bezet Frankrijk, waar het Vichy-regime zijn restant van geloofwaardigheid had verloren toen vanaf november 1942 ook op het eigen gebied Duitse troepen gelegerd werden. In juni 1943 kwam er een compromis: De Gaulle en Giraud werden co-voorzitters van een Frans Comité van Nationale Bevrijding in Algiers. Na enkele maanden wist De Gaulle Giraud aan de kant te schuiven. Hoewel de Amerikanen De Gaulle niet wilden betrekken in de landing in Normandië op 6 juni 1944 en ze van plan waren het bevrijde Frankrijk althans voorlopig zonder hem te besturen, bleek het hele binnenlandse verzet achter De Gaulle te staan. Het Vichy-regime verdween als sneeuw voor de zon en bij zijn terugkeer in Frankrijk werd De Gaulle overal toegejuicht. De tegenstellingen tussen het communistische verzet en het niet-communistische verzet leken voor even vergeten. Na een met emoties beladen intocht in Parijs vestigde hij daar op 26 augustus 1944 zijn voorlopige regering, die al snel door de geallieerden werd erkend. Tot aan het einde van de oorlog had De Gaulle wrijvingen met de Amerikanen, want hij stond erop dat Frankrijk als een grote mogendheid werd behandeld en weigerde soms om bevelen van het geallieerde opperbevel op te volgen. De erkenning van De Gaulle door de geallieerden ging niet zo ver dat hij ook werd uitgenodigd op de conferenties van Jalta (februari 1945) en Potsdam (juli 1945), waar de verdeling in invloedssferen van het naoorlogse Europa werd vastgelegd. Dit zou doorwerken in De Gaulles eigenzinnige buitenlandse politiek in de jaren zestig, toen hij eens opmerkte: 'Ik heb geen boodschap aan Jalta, ik kon er niet bij zijn!'
De naoorlogse periode
In eigen land was de Gaulle aan het einde van de oorlog een algemeen aanvaarde leider die boven de partijen stond. Hij bleef ook na de verkiezingen van november 1945 voorzitter van de voorlopige regering, maar trad in januari 1946 af, toen het duidelijk werd dat zijn opvattingen over een sterke uitvoerende macht niet in de nieuwe grondwet van de Vierde Republiek zouden worden opgenomen. In 1947 stichtte hij een nieuwe politieke partij, Rassemblement du Peuple Français (Verzameling van het Franse Volk) die namens alle Fransen beweerde te spreken. De partij had een tijdelijk kiessucces, maar in 1953 hief De Gaulle de partij op en trok zich uit de politiek terug in zijn buitenverblijf in Colombey-les-Deux-Églises en ging zijn memoires schrijven. De Vierde Republiek werd, zoals hij gevreesd had, gekenmerkt door chronische politieke instabiliteit. Ondertussen woedde in Frans Indo-China al een dekolonisatie-oorlog, die in 1954 zou uitlopen op een definitieve Franse nederlaag bij Điện Biên Phủ. In datzelfde jaar brak de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog uit.
In 1958, toen deze zeer bloedige oorlog uitzichtloos was geworden, maakte een opstand van de Franse strijdkrachten in Algerije duidelijk dat de Vierde Republiek niet tegen de situatie was opgewassen. Na twaalf jaar in de politieke wildernis werd De Gaulle als voldoende sterk en patriottisch beschouwd om een uitweg te vinden. Hij vormde een regering en verkreeg van het parlement een speciale volmacht voor zes maanden. Hij stelde een nieuwe grondwet op die de macht van de president versterkte ten koste van het parlement. De Gaulle werd in januari 1959 op 68-jarige leeftijd zelf de eerste president van de nieuwe Vijfde Republiek. De opstandige militairen hadden gehoopt dat de Gaulle de Algerijnse opstand de kop in zou drukken. De Gaulle wekte de stellige indruk dat te zullen doen, toen hij voor een grote menigte Franse kolonisten op het Forum-plein in Algiers uitriep: "Je vous ai compris!" (Ik heb u begrepen). Hij besefte echter al snel dat Frankrijk daar nooit in zou slagen, aangezien dit niet te combineren was met zijn onwil de negen miljoen islamitische Algerijnen volwaardig Frans staatsburgerschap te geven. Uiteindelijk kondigde hij aan om Algerije via onderhandelingen zelfbeschikking te willen verlenen. Daarop kwam het tot ernstige ongeregeldheden met Franse kolonisten in Algerije die zich tegen de onafhankelijkheid verzetten. In Algiers dreigde in 1961 zelfs een militaire staatsgreep; de geheime para-militaire Organisation de l'Armée Secrète (OAS) pleegde talloze dodelijke aanslagen; De Gaulle zelf ontsnapte hier ternauwernood aan. Linkse intellectuelen als Jean-Paul Sartre spraken zich uit voor Algerijnse onafhankelijkheid, reden waarom sommige ministers voor diens arrestatie pleitten. Dat De Gaulle geen dictator was, bleek uit zijn standpunt dat je 'Voltaire niet arresteert', waarmee hij Sartre bedoelde. De Akkoorden van Evian in 1962 bezegelden de Algerijnse onafhankelijkheid, waarna honderdduizenden Franse kolonisten ("pied-noirs") en koloniale militairen ("harki's") een goed heenkomen zochten in het moederland.
Force de Frappe
De Gaulle was vastberaden Frankrijk weer zijn vroegere positie op het wereldtoneel te laten innemen en wilde de invloed van de Verenigde Staten in Europa beperken. Hij onttrok de Franse strijdkrachten aan de militaire bevelstructuur van de NAVO en liet het oppercommando AFCENT uit Parijs vertrekken. Hij bouwde een verdediging op naar alle kanten ("défense à tous azimuts"). Een Amerikaans aanbod om de Britse en Franse strijdkrachten kernwapens ter beschikking te stellen, wees hij af. In plaats daarvan liet hij de force de frappe ontwikkelen, de Franse kernmacht. Het kon voor hem niet zo zijn dat een groot land als Frankrijk zijn veiligheid in laatste instantie aan een andere mogendheid overliet. Zijn geopolitieke visie vatte De Gaulle als volgt samen: "Ik meen op de kaart te hebben gezien dat Amerika niet in Europa ligt." Daarmee bedoelde hij dat voor elk land het hemd nader is dan de rok. Een afschrikking die gebaseerd was op de veronderstelling dat Amerika het eigen bestaan op het spel zou zetten ten behoeve van Europese bondgenoten, leek hem niet geloofwaardig.
Buitenlandse politiek
Tweemaal sprak hij zijn veto uit tegen een Britse toetreding tot de Europese Gemeenschappen, omdat het Verenigd Koninkrijk volgens hem te veel onder Amerikaanse invloed stond. Anderzijds streefde hij naar goede betrekkingen met West-Duitsland en kon hij zowaar goed overweg met de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer. Adenauer heeft als enige buitenlandse regeringsleider ooit gelogeerd in La Boisserie, De Gaulles woning in Colombey-les-Deux-Églises. Op 22 januari 1963 tekenden De Gaulle en Adenauer het Élysée-verdrag, dat aan de erfvijandschap tussen Duitsland en Frankrijk een eind moest maken.[1] Daarbij bevestigden beide landen overigens wel hun eigen prioriteiten. Voor West-Duitsland was dat de sterke band met Amerika en de EEG, voor Frankrijk het verzwakken van de Amerikaanse invloed. De Gaulle ging rechtstreeks met de Sovjet-Unie praten over ontspanning en knoopte diplomatieke betrekkingen aan met de Volksrepubliek China. De Amerikaanse interventie in Vietnam wees hij af. Dit alles paste in zijn wereldbeeld, waarin de natie, bijeen gehouden door eeuwenlange lotsverbondenheid, de beslissende factor is; wie meende dat de mensheid is ingedeeld in ideologische blokken, liet zijn blik volgens hem vertroebelen door de waan van de dag. Ideologieën waren volgens hem namelijk van voorbijgaande aard. Zo waren volgens De Gaulle bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk twee landen die fundamenteel met elkaar in oorlog waren, terwijl toch tijdens zijn leven de Fransen en de Britten zij aan zij hadden gestreden in twee wereldoorlogen.
Voorts zag hij een fundamentele tegenstelling tussen de Angelsaksische cultuur enerzijds en de Franse en de continentale Europese cultuur anderzijds, hetgeen bijdroeg aan zijn weerzin tegen het Britse lidmaatschap van de EEG en tegen de AmPlaquette ter herinnering aan het gewond raken van Charles de Gaulle in Dinant.Plaquette ter herinnering aan het gewond raken van Charles de Gaulle in Dinant.erikaanse hegemonie via de NAVO. Vooral dat laatste werd slecht begrepen in rechtse Europese en Amerikaanse kringen, voor wie het Amerikaanse tegenwicht contra het Sovjet-blok het belangrijkste was. In eigen land vond hij voor zijn antiamerikanisme echter brede steun, in linkse kringen, omdat die wegens het Amerikaanse kapitalisme nu eenmaal anti-Amerikaans waren, in rechtse kringen wegens de pijn om het verlies van nationale macht en status na twee uitputtende wereldoorlogen.
De Gaulles geopolitieke visie verklaart zijn openlijke steun aan de onafhankelijkheidsbeweging in de Franstalige Canadese provincie Quebec, die in 1967 leidde tot een diplomatieke rel. Hij bezocht toen Canada bij het eeuwfeest van de Canadese onafhankelijkheid. Tijdens een toespraak vanaf het balkon van het stadhuis van Montreal riep hij, tot enthousiasme van de toeschouwers: "Vive le Québec! Vive le Québec Libre!" (Leve het vrije Quebec). Daarmee was hij een onwelkome gast geworden, die vertrok om nooit in Canada terug te keren.
In de Europese Gemeenschap zorgde hij regelmatig voor moeilijkheden, omdat hij de invloed van de Europese Commissie wilde beperken en weigerde zich neer te leggen bij besluitvorming bij meerderheid van stemmen in de Raad van de Europese Unie, waarin ministers van de lidstaten zitting hebben. Hij voelde zich veiliger bij besluitvorming door consensus, die nu eenmaal moeilijker bereikbaar is dan een gewone meerderheid. In plaats van een "Europa der bureaucraten" stond hij een "Europa der vaderlanden" voor, waar de staatshoofden en regeringsleiders zelf de grote beslissingen nemen. Deze houding had tot gevolg dat de Europese instellingen geblokkeerd raakten en Frankrijks relaties met de Europese partners gespannen werden. De Gaulle accepteerde dat, omdat volgens hem staten geen vrienden hebben, maar belangen.
Binnenlandse politiek
In eigen land was De Gaulles bewind nogal autoritair. Zijn aanhangers - de gaullisten - hadden meestal een ruime meerderheid in het parlement, mede dankzij een districtenstelsel dat De Gaulle had ontworpen om hem in de kaart te spelen en de politieke stabiliteit te creëren waaraan het tijdens de Vierde Republiek zo had ontbroken. Bovendien was de regering helemaal aan de president ondergeschikt. Het hebben van een eigen achterban in de vorm van een partij zag De Gaulle als een noodzakelijk kwaad; hij wilde eigenlijk boven de partijen staan, als een belangeloze scheidsrechter die het nationale belang vooropstelt. Hij maakte geen geheim van zijn minachting voor de 'zogenaamde partijen' met hun 'zogenaamde leiders'. Belangrijke beslissingen liet hij ondersteunen met een referendum, waarbij hij het Franse volk voor de keuze stelde: of het voorstel werd goedgekeurd, of hij trad af. Telkens kreeg hij een meerderheid achter zich. Op die manier kreeg hij ook een grondwetswijziging gedaan, zodat de president voortaan rechtstreeks verkozen zou worden. Dit gaf de president nog meer gezag, omdat hij toen geen vertrouwensvotum van het parlement meer nodig had. Bij de presidentsverkiezingen van 1965 kon De Gaulle zichzelf opvolgen voor een nieuwe ambtstermijn van zeven jaar. De linkse partijen beschuldigden hem ervan een dictatuur na te streven. Het bestuur onder De Gaulle voerde echter wel een aantal belangrijke hervormingen door die Frankrijk op heel wat gebieden moderniseerden, iets wat tijdens de zwakke Vierde Republiek niet mogelijk was geweest.
De Gaulles bewind leek onaantastbaar, totdat er in mei 1968 massale studentendemonstraties uitbraken, gevolgd door massale stakingen in een quasi-revolutionaire sfeer, die gedeeltelijk uit de autoritaire regeringsstijl van De Gaulle was te verklaren, maar toch vooral voortkwamen uit de door baby-boomers gedragen 'culturele revolutie', die toen door een groot deel van de westerse wereld waarde en nauwelijks een uitgewerkt politiek alternatief voor de gevestigde orde bood. De oude generaal leek even geen antwoord te hebben op de crisis en vloog zelfs naar de in Duitsland gelegerde Franse troepen om zich daar bij generaal Massu te verzekeren van de steun van het leger. Er werden vervroegde parlementsverkiezingen uitgeschreven, waarbij bleek dat hij nog altijd massaal gesteund werd. Maar de president, die al tegen de tachtig liep, had toch aan prestige ingeboet. In april 1969 schreef hij opnieuw een referendum uit over een grondwetsherziening, waarbij hij ook toen weer het volk voor de keuze stelde: geef mij mijn zin of ik ga weg. Deze maal leed hij een nederlaag en hij deed wat hij gezegd had: hij trad meteen af, drie jaar voor het einde van zijn termijn en trok zich terug in zijn landhuis in het dorpje Colombey-les-Deux-Églises (departement Haute-Marne).
Overlijden
Op bijna 80-jarige leeftijd stierf hij onverwacht, thuis in Colombey-les-Deux-Églises. Hij werd op het plaatselijke kerkhof begraven, niet alleen omdat hij een staatsbegrafenis had geweigerd, maar vooral omdat hij begraven wilde worden bij zijn dochter Anne, die op jonge leeftijd was overleden. Eerder had hij alle onderscheidingen en eerbewijzen afgewezen.
Ter herinnering aan Charles de Gaulle werd in Parijs een herdenkingsbijeenkomst gehouden waar veel staatshoofden, waaronder Koningin Juliana, aanwezig waren. In de Riddarholmskyrkan in Stockholm werd een wapenbord te zijner herinnering opgehangen. Daar werd de Franse driekleur met daarop het kruis van Lotharingen als wapen aangebracht. Ter ere van Charles de Gaulle werd een groot Lotharings kruis opgericht te Colombey-les-Deux-Églises. Dat hij er met zijn politieke macht niet op uit was geweest persoonlijk voordeel te behalen, bleek wel uit de zeer bescheiden financiële middelen die hij naliet.
Nalatenschap
Met zijn grote gestalte, zijn effectief bespelen van de media, zijn politiek tactisch vernuft van verdelen en heersen en vooral met zijn staatkundige visie was Charles de Gaulle in meer dan één opzicht een indrukwekkende figuur, die altijd streed voor het nationaal belang, zoals hij dat zag en velen daarvan wist te overtuigen. Zijn autoritaire stijl, die hij evenwel nooit liet ontaarden in dictatuur, is daarom lange tijd voor lief genomen.
Zijn invloed is in Frankrijk nog immer zeer groot; er is nog altijd wel een politieke partij die zich gaullistisch noemt. Belangrijker nog is dat hij op twee cruciale momenten, bij de Duitse inval in 1940 en bij de dekolonisatie van Algerije in 1962 een eigen weg insloeg, met enorme persoonlijke risico's en het uiteindelijk bij het juiste eind bleek te hebben: in het eerste geval behoedde hij het land voor totale capitulatie, in het tweede geval voor burgeroorlog. De grondwet van de Vijfde Republiek is zijn schepping, die hem met slechts marginale wijzigingen ruimschoots overleefd heeft en nog voor onbepaalde tijd mee lijkt te kunnen. De versterking van de uitvoerende macht ten koste van het parlement heeft geleid tot de beoogde vergroting van de politieke stabiliteit, terwijl de klassieke burgerrechten onaangetast zijn gebleven. De Gaulle heeft niet meer meegemaakt dat zijn politieke tegenstander François Mitterrand als president ook uit de voeten bleek te kunnen met een grondwet die hij ooit als 'permanente staatsgreep' had omschreven.
De naam van De Gaulle leeft voort in het grootste vliegveld van Frankrijk, Aéroport Charles De Gaulle. Ook het drukste plein van Parijs, Place Charles de Gaulle, is naar hem vernoemd. Dit plein heette voorheen Place de l'Etoile. Op dit plein staat de Arc de Triomphe. Frankrijks enige vliegdekschip, de MN Charles de Gaulle is ook naar hem vernoemd.
De Gaulle werd op 4 april 2005 door tv-kijkers tot de grootste Fransman aller tijden verkozen. Men kan stellen dat hij daarmee zijn doel bereikt heeft, want hij merkte ooit op dat "de persoon Charles de Gaulle hem slechts interesseerde als historische figuur"

Charles André Joseph Marie de Gaulle

Charles André Joseph Marie de Gaulle
Geboren 22 november 1890
Rijsel, Derde Franse Republiek
Overleden 9 november 1970
Colombey-les-Deux-Églises, Frankrijk
Politieke partij RPF (1947–1955)
UNR (1958–1968)
UDR (vanaf 1968)
Partner Yvonne de Gaulle
Beroep Politicus
Militair (Brigadegeneraal)
Religie Katholiek
Handtekening Handtekening
18e President van de Franse Republiek
Aangetreden 8 januari 1959
Einde termijn 28 april 1969
Premier Michel Debré (1959–1961)
Georges Pompidou (1961–1968)
Maurice Couve de Murville (1968–1969)
Voorganger René Coty
Opvolger Georges Pompidou
Co-vorst van Andorra
Aangetreden 8 januari 1959
Einde termijn 28 april 1969
Afgevaardigde Ramon Iglesias i Navarri
Voorganger René Coty
Opvolger Georges Pompidou

 

 

Plaquette ter herinnering aan het gewond raken van Charles de Gaulle in Dinant.

 

 

Charles de Gaulle (midden), 1943.

 

 

De Gaulle spreekt een menigte toe tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1944.

 

Het graf van Charles de Gaulle.

 

Lotharings kruis ter herdenking van Generaal de Gaulle.

 


Henri Giraud

Henri Honoré Giraud (Parijs, 18 januari 1879 – Dijon, 11 maart 1949) was een Franse generaal die in de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog vocht. In beide oorlogen werd hij als krijgsgevangene vastgehouden, beide keren wist hij te ontsnappen. Na zijn tweede ontsnapping voegde hij zich bij de Vrije Fransen.
Jeugdjaren
Giraud, afkomstig uit de Elzas studeerde aan de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr en trad in 1900 toe tot het Franse leger. Giraud diende in Noord-Afrika tot hij in 1914 vanwege de Eerste Wereldoorlog terug moest naar Frankrijk. Hij voerde het bevel over de Franse Zouaaf-troepen. Hij werd in augustus 1914 tijdens de Slag om Saint Quentin zwaargewond gevangengenomen, twee maanden later ontsnapte hij echter en keerde via Nederland terug naar Frankrijk.
Daarna diende Giraud in Constantinopel onder generaal Louis Franchet d'Espérey. In 1933 werd hij naar Marokko overgeplaatst om te vechten tegen de Rif-rebellen. Hij werd onderscheiden met de Légion d’Honneur na de gevangenname van Abd-el-Krim en werd later de militaire commandant van Metz.
Gevangenname en ontsnapping
Toen de Tweede Wereldoorlog begon werd Giraud lid van de Conseil supérieur de la guerre. Hij verschilde met Charles de Gaulle van mening over de inzet van gepantserde troepen. Giraud werd bevelhebber van het Franse Zevende Leger, waarmee hij op 10 mei 1940 België binnenrukte en tot Breda doordrong. Na de Duitse doorbraak bij Sedan kreeg Giraud het bevel over het Franse Negende Leger, dat in het noordoosten van Frankrijk wanhopig trachtte de Duitse opmars te stuiten. Zijn hoofdkwartier werd onder de voet gelopen en Giraud werd op 19 mei bij Wassigny krijgsgevangen genomen en geïnterneerd in Festung Königstein.
Hij leerde Duits en een kaart van de omgeving uit het hoofd om zo op 17 april 1942 weten te ontsnappen. Hij klom via de rots waarop de vesting stond naar beneden. Giraud had zijn snor afgeschoren, droeg een Tiroler hoed en reisde naar zijn contact van de SOE in Schandau. Via verschillende listen bereikte hij de Zwitserse grens en uiteindelijk bereikte hij de grens van Vichy-Frankrijk. Het Vichy-Frankrijk van maarschalk Philippe Pétain weigerde om Giraud aan de Duitsers uit te leveren.
Samenwerking met de geallieerden
De ontsnapping van Giraud raakte snel bekend in Frankrijk. Heinrich Himmler gaf aan de Gestapo het bevel om Giraud te vermoorden. Pierre Laval en Otto Abetz probeerden Giraud te overtuigen terug te keren naar Duitsland. Giraud verklaarde in een gesprek met Abetz in Moulins alleen terug te keren als Duitsland 500.000 Franse krijgsgevangenen zou vrijlaten.[1]. Giraud steunde Pétain en het Vichy-regime, maar weigerde om samen te werken met de Duitsers.
Giraud reisde naar Noord-Afrika en op 7 november 1942 nam de Britse onderzeeër Seraph hem mee om generaal Dwight D. Eisenhower in Gibraltar te ontmoeten. Eisenhower gaf hem de codenaam King-Pin en vroeg het bevel te voeren over de Franse troepen in Marokko, Algerije en Tunesië na Operatie Toorts. Maar Giraud was teleurgesteld dat hij niet het bevel mocht voeren over de gehele operatie. Hij deed een aantal belangrijke concessies in Gibraltar voordat deze operatie plaatsvond. Giraud weigerde om onmiddellijk naar Algiers te gaan, waar het Franse verzet op hem stond te wachten. Hij bleef tot 9 november in Gibraltar.
Het Franse verzet wees op afspraken die in Cherchell op 23 oktober 1942 gemaakt werden met generaal Mark Wayne Clark en ging zonder hem verder. De staatsgreep van 8 november 1942 werd verwezenlijkt door 400 zwak bewapende militairen die ’s nachts de Vichy-troepen en kustbatterijen neutraliseerde en de meerderheid van de strategische punten in Algiers innamen. Ze arresteerde het merendeel van de Vichy-militairen en civiele leiders, inclusief generaal Alphonse Juin en de opperbevelhebber in Noord-Afrika François Darlan. Geallieerde troepen bezetten Algiers en dwongen Juin en Darlan tot een staakt-het-vuren. Schepen die weigerden zich aan te sluiten bij de Vrije Fransen werden tot zinken gebracht. Duitsland ging over tot de militaire bezetting van Vichy-Frankrijk.
Eisenhower aanvaardde de zelfbenoeming door Darlan als Hoge Commissaris voor Frans Noord- en West-Afrika, dit tot woede van De Gaulle, die weigerde de status van Darlan te erkennen. Giraud kwam in de avond van 9 november in Algiers aan en op 10 november stemde hij ermee in dat hij ondergeschikt was aan Darlan als de Frans-Afrikaanse legercommandant. Darlan handhaafde de rassenwetten en deporteerde mensen naar Vichy-concentratiekampen. Deze situatie, omschreven door Roosevelt als "militaire opportuniteit", kon niet worden aanvaard door het Franse verzet. Op 24 december 1942 werd Darlan in Algiers vermoord door Fernand Bonnier de La Chapelle.
Leider van de Vrije Fransen
Na de moord op Darlan werd Giraud, met steun van de geallieerden, hoofd van de Conseil Imperiál en Hoge Commissaris. Dit gebeurde via een reeks van overleggen tussen Giraud en De Gaulle. De Gaulle streefde een politieke positie na in Frankrijk en ging akkoord dat Giraud opperbevelhebber werd. In januari 1943 maakte Giraud deel uit van de Conferentie van Casablanca. Later, na zeer moeizame onderhandelingen, stemde Giraud ermee in dat de rassenwetten werden verdrongen en dat Vichy-gevangenen in de concentratiekampen in Zuid-Algerije werden vrijgelaten. Giraud en generaal De Gaulle werden beide co-presidenten van het Comité français de la Libération Nationale (CFLN) en de troepenmacht van de Vrije Fransen. Giraud wilde alle rassenwetten onmiddellijk afschaffen, maar alleen het Cremieux-decreet werd onmiddellijk hersteld door generaal De Gaulle. De Gaulle consolideerde zijn politieke positie ten koste van Giraud omdat hij meer bekend was met de politieke situatie.
Op 13 september 1943 leidde Giraud de landingen op Corsica en bewapende het Corsicaanse communistisch georiënteerde Front National. Dit leidde tot kritiek van De Gaulle en Giraud verloor in november 1943 zijn co-presidentschap.
Toen de geallieerden ontdekten dat Giraud zijn eigen spionagedienst onderhield [2], dwong de CFLN Giraud af te treden als opperbevelhebber van de Franse strijdkrachten. Giraud weigerde de post van inspecteur-generaal van het leger te accepteren en koos ervoor met pensioen te gaan. Op 28 augustus 1944 overleefde hij in Algerije een moordaanslag.
Na de oorlog
Op 2 juni 1946 werd Giraud als vertegenwoordiger van de Parti Republicain de la Liberté voor het departement Moselle in de Nationale Vergadering gekozen. Kort voor zijn dood werd hem alsnog, als een soort eerherstel, de Médaille Militaire, de hoogste Franse militaire onderscheiding, toegekend.
Werken

Henri Giraud: Mes Évasions, 1946
Henri Giraud: Un seul but la victoire, 1942-1944, 1949
Onderscheidingen
Legioen van Eer
Grootkruis
Grootofficier
Médaille militaire
Croix de guerre 1914-1918 met 5 Palmen en 1 Ster[3]
Oorlogskruis voor alle andere Gebieden (Croix de Guerre T.O.E)
Medaille der ontsnapten[3]
Soldatenkruis
Koloniale Medaille
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1914-1918
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1939-1945 met gespen "FRANCE", "AFRIQUE", "LIBÉRATION"
Insigne van de Verwonde Militairen
Chief Commander in het Legioen van Verdienste
Grootkruis in de Kroonorde
Oorlogskruis 1940-1945 met Palm
Oorlogskruis 1914-1918
Grootkruis in de Orde van Sharifian Alawaidis
Sherifien Orde van Militaire Verdienste
Orde van de Witte Adelaar met Zwaarden

Henri Giraud (1943)

Henri Giraud (1943)
Bijnaam King-Pin
Geboren 18 januari 1879
Parijs
Overleden 11 maart 1949
Dijon
Begraven Les Invalides, Parijs
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Onderdeel Franse landmacht
Dienstjaren 1900-1943
Rang Army-FRA-OF-09.svg Général d'armée
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Slag om St. Quentin (1914)
Rifoorlog (1920)
Tweede Wereldoorlog

 

Giraud tijdens zijn dagelijkse wandeling. Duitsland, ca. 1940-41.

 

 

Giraud en De Gaulle tijdens de Conferentie van Casablanca

 


Jean de Laborde

Jean de Laborde (29 november 1878 - 30 juli 1977) was een Franse marineofficier die vanaf het einde van de 19e eeuw een lange en illustere carrière had en zich uitstrekte tot de Tweede Wereldoorlog, waar hij als admiraal diende . Als pionier van de marinevaart in Frankrijk leidde hij het eerste Franse vliegdekschip, verdiende hij vele onderscheidingen en bekleedde hij vele topfuncties. Hij is het meest bekend om zijn laatste militaire act, het kelderen van de Franse vloot in Toulon tijdens de Duitse bezetting van Vichy Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog , die zijn prestige in puin achterliet en leidde tot zijn arrestatie en veroordeling wegens verraad .
Onderwijs
Jean de Laborde ging in 1895 op de Marineschool met de titel " Graaf ", die zijn bijnaam bleef tijdens zijn carrière. 
Militaire carrière 
Word War I en eerdere

Na zijn afstuderen werd de Laborde in 1897 naar het Verre Oosten gestuurd, waar hij eerst als Ensign diende in 1900 en deelnam aan de Chinese campagne na de Bokseropstand . Bij zijn terugkeer naar Frankrijk kreeg hij in 1908 een luitenant . Na een paar jaar in de Marokkaanse wateren werd hij teruggestuurd naar het Verre Oosten aan boord van de gepantserde kruiser Dupleix . Hoewel er, leerde hij om te vliegen en overflew Saigon , het verdienen van zijn vliegbrevet in 1914. Als een piloot tijdens de Eerste Wereldoorlog leidde hij een vlucht unit en later regisseerde de maritieme luchtvaart centrum bij Duinkerken . 
Tussen de oorlogen 
Als pionier van de marinevaart in Frankrijk werd hij in 1925 benoemd tot hoofd van de scheepvaart en kreeg hij de leiding over de Béarn , het eerste Franse vliegdekschip. In 1928, op 50-jarige leeftijd, behaalde hij de rang van contre-amiral , (equivalent aan achtervaccin ) en werd hij commandant van de maritieme sector van Toulon , en in 1930 commandeur-in-chief van het 2e squadron. Hij werd verheven tot Vice-Amiral (vice-admiraal) in 1932 en opperbevelhebber en maritiem prefect van de 4e maritieme regio (Bizerte) die de Middellandse Zee bedekte . In 1936 nam de Laborde opnieuw het 2e Squadron op zich en later dat jaar werd hij commandant-in-chief van de Atlantische OceaanEskader . 
Van 1937-1940 was hij lid van de Hoge Marine Raad ( Conseil supérieur de la Marine ). In 1938 verdiende hij zijn vijf sterren en werd hij Full Admiral . Van 1938-39 diende hij als inspecteur-generaal van de zeemachten, en was hij betrokken bij verschillende zee-adviescommissies onder de Franse Derde Republiek .
Tweede Wereldoorlog 
Duitse invasie van Frankrijk 

In 1939 en 1940 diende hij als opperbevelhebber van de zeemachten van het Westen, en stond bekend als "Admiral West". Tegen die tijd had hij talrijke medailles verdiend, waaronder het zeer prestigieuze Legioen van Eer .
Nazi-Duitsland viel Frankrijk binnen in mei 1940, en een wapenstilstand werd ondertekend in juni, waarbij Frankrijk werd opgesplitst in twee sectoren, een bezette zone in het noorden en westen, en een vrije zone in het zuidoosten, met een Franse regering geadministreerd door maarschalk Philippe Pétain in Vichy . De Laborde had de pensioengerechtigde leeftijd bereikt tegen september 1940, maar nadat de wapenstilstand was gereactiveerd en benoemd tot leider van de Forces de Haute mer (FHM), een nieuw gecreëerde eenheid, voor twee jaar. 
Scuttling of the Fleet 
Pétain rekende op de rivaliteit tussen de Laborde en de admiraal van de vloot François Darlan om de controle te houden. Darlan was admiraal van de vloot geweest .
Als vice-admiraal was Laborde chef van het First Squadron, georganiseerd rond het slagschip Straatsburg . Na de val van Frankrijk en de opkomst van Vichy Frankrijk , verleende Laborde steun aan het regime, en werd aanvoerder van de High Sea-vloot door Philippe Pétain , die erop rekende dat Laborde de afkeer van Darlan had om de vloot gemakkelijker te beheren. De High Seas Fleet bestond uit 38 moderne eenheden en vertegenwoordigde een kwart van de totale Franse vloot.
Zeer vijandig tegenover de Britten en Charles de Gaulle , promoot Laborde een project om Tsjaad opnieuw te nemen . Toen de geallieerden in operatie Torch de Franse koloniën van Noord-Afrika binnenvielen , stelde hij voor dat de Franse vloot zou varen en de geallieerden zou aanvallen als vergelding; dit voorstel werd door Gabriel Auphan scherp afgewezen .
Te midden van intriges, pogingen tot deals en het veranderen van loyaliteiten, na de invasie van Noord-Afrika door de geallieerden op 7 november 1942, sloot Darlan een deal met de geallieerden en beval Franse troepen om zich bij de bondgenoten aan te sluiten, wat zij deden. Pétain ontdeed Darlan van zijn kantoor en bestelde verzet in Noord-Afrika, maar werd genegeerd. Als reactie daarop bezetten Nazi-troepen de vrije zone, maar pauzeerden buiten Toulon, de basis waar de meeste overgebleven Franse schepen afgemeerd lagen.
Op 27 november 1942 gaf Laborde opdracht tot storting van de Franse vloot in Toulon om te voorkomen dat zijn schepen in Duitse, Italiaanse of Britse handen zouden vallen. Tegen de tijd dat de Duitsers probeerden de schepen te grijpen, waren ze allemaal tot zinken gebracht of waren ze ontsnapt.
Na de bevrijding, tijdens de heilige légale , werd Laborde ter dood veroordeeld door de Haute Cour de Justice (Frankrijk) [ fr ] wegens verraad en omdat hij de vloot niet had gered door deze aan de geallieerden te laten ontbinden. Zijn vonnis werd omgezet in levenslange gevangenisstraf en hij kreeg gratie op 9 juni 1947.
Militaire loopbaan
Aspirant: 1895
Enseigne de vaisseau: oktober 1900
Lieutenant de vaisseau: 1908
Contre-amiral: 8 augustus 1928
Vice-amiral: 4 oktober 1932
Amiral: 27 september 1938
Onderscheidingen
Legioen van Eer
Grootkruis op 1 januari 1940
Grootofficier op 28 juni 1935
Commandeur op 27 december 1924
Officier op 18 maart 1915
Ridder op 31 december 1912
Médaille militaire
Croix de guerre 1914-1981 met 3 Palmen en 1 bronzen Ster
Croix de guerre 1939-1945 met 1 Palm
Maritieme Orde van Verdienste
Commandeur op 27 maart 1939
Officier op 11 juli 1936
Herinneringsmedaille aan de Expeditie naar China (1901)
Herinneringsmedaille aan Marokko (1909) met gesp "CASABLANCA"
Koloniale Medaille met gesp "TONKIN"
Navy Distinguished Service Medal
Grootkruis in de Orde van Sharifian Alawaidis
Distinguished Service Cross
Grootkruis in de Orde van de Glorie

Józef Unrug, Jean de Laborde (midden), Eugeniusz Solski (1931)

Geboortenaam Jean Joseph Jules Noël de Laborde
Bijnamen) Comte Jean
Geboren 29 november 1878 
Chantilly, Frankrijk
Ging dood 30 juli 1977 (98 jaar) Castillon-la-Bataille
Trouw Franse Derde Republiek Vichy Frankrijk

Service / tak Franse marine
Dienstjaren 1897-1943
Rang Admiraal
Commando's gehouden 
Chief of Naval Aviation
Béarn vliegdekschip
Maritieme sector van Toulon
Opperbevelhebber 4e maritieme regio
Commandant-in-chief Atlantic squadron
Opperbevelhebber van de Westelijke Zeekracht
Chief of Forces de Haute Mer
Gevechten / oorlogen 
Boxer Rebellion
Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Sloop van de Franse vloot in Toulon
Awards 
Legion of Honor (uitgekleed)
Médaille militaire (uitgekleed)
Croix de guerre 1914-1918
Croix de guerre 1939-1945 (Frankrijk)
Ordre du Mérite Maritime
1901 China expeditie herdenkingsmedaille
Herdenkingspenning Marokko (1909)
Koloniale medaille
Distinguished Service Medal (VS)
Orde van Ouissam Alaouite
Distinguished Service Cross (Verenigd Koninkrijk)
Order of Glory (Tunesië)
Partner (s) Rose Marie Saldo

 


Alphonse Juin

Alphonse Pierre Juin (Bône (Algerije), 16 december 1888 – Parijs, 27 januari 1967) was een Franse generaal tijdens de Tweede Wereldoorlog en later maarschalk van Frankrijk.
Biografie
Juin studeerde in 1912 af aan de École Spéciale Militaire de Saint-Cyr. In 1914 was hij in Marokko waar hij bevel voerde over inheemse troepen. Na de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog werd Juin naar het westfront in Frankrijk gezonden waar hij in 1915 gewond raakte.
Na de oorlog studeerde hij aan de “ecole de guerre” en had uitstekende resultaten. Hij koos ervoor om in Afrika te dienen, eerst onder bevel van Hubert Lyautey, dan onder van Philippe Pétain en Henri Giraud. Hij diende in de verschillende staven van de Afrikaanse officieren.[bron?]
In 1938 werd Juin genomineerd om bevel te voeren over een brigade. Tijdens de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog voerde hij bevel over de 15de Gemotoriseerde Infanteriedivisie. De divisie werd tijdens de Slag om Frankrijk in mei-juni 1940 bij Rijsel omsingeld en Juin werd gevangengenomen. Tot 1941 was Juin krijgsgevangenen in Festung Königstein. In datzelfde jaar werd Juin vrijgelaten en op voordracht van het Vichy-regime benoemd om het bevel te voeren over Franse troepen in Noord-Afrika.
Na de invasie van Algerije en Marokko in november 1942 door Britse en Amerikaanse troepen veranderde Juin van zijde en gaf generaal Barrés troepen in Tunesië bevel om zich tegen de Duitse en Italiaanse troepen te verzetten.
Zijn grote vaardigheden kwamen tijdens de Italiaanse campagne tevoorschijn, hij voerde bevel over het Franse Expeditiekorps (French Expeditionary Corps, FEC) in het Amerikaanse Vijfde Leger. De expertise van berggevechten van het korps kon goed gebruikt worden. De FEC was in mei 1944 een van de cruciale factoren in de doorbraak van de Gustav-linie. Het was Juin die het plan maakte voor de doorbraak van de Gustav-linie; hij nam de Belvedère en Monte Majo in, viel de Liri-vallei aan, won de slag van de Garigliano, de slag ten oosten van Rome en speelde een belangrijke rol in de slag bij Siena.
Juin was chef-staf van de Franse troepen en vertegenwoordigde Frankrijk bij de Conferentie van San Francisco. Hij was ook verantwoordelijk voor de organisatie van het Franse leger en had contact met zowel de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force als met generaal de Lattre de Tassigny, bevelhebber van het Franse Eerste Leger.
In 1947 keerde Juin terug naar Marokko als resident-generaal. Hij was tegen de Marokkaanse pogingen voor onafhankelijkheid. In 1951 kreeg Juin een NAVO-positie, hij kreeg tot 1956 het bevel over de Allied Joint Force Command Brunssum. Tijdens zijn tijd bij de NAVO werd Juin in 1952 gepromoveerd tot maarschalk van Frankrijk. Hij was daarmee de laatste Franse generaal - en de enige sinds de Tweede Wereldoorlog - die tijdens zijn leven de maarschalkstaf ontving (de anderen werden postuum maarschalk). In datzelfde jaar werd hij verkozen tot lid van de Académie française.
In 1962 nam maarschalk Juin ontslag uit zijn functies, omdat hij het als geboren pied-noir niet eens was met de onafhankelijkheid van Algerije. Hij nam echter niet deel aan de complotten van Franse generaals om die onafhankelijkheid te verhinderen.
Decoraties
Grootkruis in het Legioen van Eer
Médaille militaire
Croix de guerre 1914-1918
Croix de guerre 1939-1945
Croix de guerre des Théâtres d'opérations extérieures
Bronnen
Clayton, Anthony (1992). Three Marshals of France. Brassey's. ISBN 0080407072.
Atkinson, Rick (2007). The Day of Battle: The War in Sicily and Italy, 1943-1944 (vol. 2 of The Liberation Trilogy). ISBN 978-0805088618.
"Alphonse Juin (1888-1967)" (in het Frans). Académie française. 2009. http://www.academie-francaise.fr/les-immortels/alphonse-juin

USA-MTO-NWA-p651 Alphonse Juin.jpg

Geboren 16 december 1888
Bône
Overleden 27 januari 1967
Parijs
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Dienstjaren 1912-1962
Rang Army-FRA-OF-10.svg Maréchal de France
Leiding over 15de Gemotoriseerde Infanteriedivisie
Franse Expeditiekorps
chef-staf van de Franse troepen
Allied Joint Force Command Brunssum
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Ander werk Resident-generaal van Marokko

 


Marie-Pierre Kœnig

Marie-Pierre Kœnig (Caen, 10 oktober 1898 - Neuilly-sur-Seine, 2 september 1970) was een Frans generaal en politicus. In 1984 werd hij postuum benoemd tot maarschalk van Frankrijk.
Levensloop
Kœnig was afkomstig uit een Elzasser familie. Hij volgde middelbaar onderwijs aan het college van Sainte-Marie en studeerde daarna aan het prestigieuze Lycée Malherbe te Caen. In 1917 studeerde hij af. Hierna werd hij opgenomen in het 36ste infanterieregiment en onderscheidde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1918 werd hij gepromoveerd tot onderluitenant.
Pierre Kœnig diende na de Eerste Wereldoorlog als kapitein in het Vreemdelingenlegioen in Marokko.
Tweede Wereldoorlog
Pierre Kœnig keerde kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar Frankrijk terug en werd benoemd tot kapitein van een compagnie soldaten bestemd om tegen de Duitsers te vechten in Noorwegen (1940). De steeds verdere Duitse opmars in Frankrijk gooide roet in het eten en Kœnig bleef in Frankrijk. Na de Franse nederlaag tegen nazi-Duitsland wist Kœnig naar Engeland te ontkomen, waar hij zich bij generaal Charles de Gaulle's Vrije Fransen aansloot (juli 1940). Kœnig werd bevorderd tot kolonel en staf-chef van de 1ste Divisie van de Vrije Fransen.
In 1940 nam hij deel aan de Slag om Gabon en de Slag bij Keren (Eritrea). In 1941 vocht hij tijdens de Libanon-Syrië campagne tegen de troepen van de Vichy-Fransen die de Franse mandaatgebieden Libanon en Syrië controleerden. In juli 1941 waren de troepen van Vichy-Frankrijk verslagen en vielen de landen in handen van de geallieerden. Later werd hij bevorderd tot generaal.
Van maart tot juni 1942 nam hij deel aan de Slag om Bir-Hakeim (Libië). Zijn legereenheid moest zich op 9 juli 1942 gedwongen terugtrekken, maar het aantal slachtoffers aan Vrije Franse zijde was beperkt, terwijl het aantal slachtoffers aan de zijde van de asmogendheden veel groter was.
Later diende Kœnig als afgevaardigde van de Vrije Fransen bij het Geallieerde hoofdkwartier van generaal Dwight D. Eisenhower. In 1944 was hij bevelhebber van de Vrije Fransen die deelnamen aan de Landing in Normandië. In juni 1944, kort na de invasie, werd hij bevelhebber van de Franse Binnenlandse Strijdkrachten en had hij de taak om de verschillende Franse verzetsgroepen te verenigen. Op 21 augustus 1944 benoemde generaal De Gaulle hem tot militair gouverneur van Parijs.
Van 1945 tot 1949 was hij bevelhebber van de Franse troepen in de Franse Bezettingszone in Duitsland. In 1949 volgde zijn benoeming tot inspecteur-generaal van het Franse leger in Noord-Afrika en in 1950 werd hij vicevoorzitter van de Opperste Oorlogsraad. In 1951 volgde zijn pensionering.
Politieke carrière
Na zijn pensionering deed hij zijn intrede in de politiek. Hij zat van 1951 tot 1958 namens de Gaullistische Rassemblement du Peuple Français (RPF), Union des Républicains d'Action Sociale (URAS) en het Centre National des Républicains Sociaux (CNRS) in de Franse Nationale Vergadering (Assemblée Nationale). Hij vertegenwoordigde het departement Bas-Rhin.
Generaal Pierre Kœnig was van 19 juni tot 14 augustus 1954 en van 23 februari tot 6 oktober 1955 minister van Defensie in de kabinetten Mendès France I en Faure II.
Koning was getrouwd, maar heeft gedurende zijn periode in Noord Afrika een liefdesrelatie gehad met Susan Travers.
Generaal Marie-Pierre Kœnig overleed op 71-jarige leeftijd, op 2 september 1970 te Neuilly-sur-Seine. Hij werd begraven op het Cimetière de Montmartre. In 1984 werd hij door president François Mitterrand postuum benoemd tot maarschalk van Frankrijk (Maréchal de France) vanwege zijn verdiensten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Militaire loopbaan
Sous-lieutenant: 3 september 1918
Lieutenant:
Capitaine: 25 juni 1931
Commandant: 1 juli 1940
Lieutenant-colonel: november 1940
Colonel: juni 1941
Général de Brigade: 5 juni 1942
Général de division: 25 mei 1943
Général de corps d'armée: 25 juni 1944
Général d'armée: 20 mei 1946
Maarschalk van Frankrijk: 6 juni 1984 (postuum)
Franse onderscheidingen
Grootkruis van het Legioen van Eer
Orde van de Bevrijding op 25 juni 1942
Médaille militaire
Croix de guerre 1914-1918
Croix de guerre 1939-1945
Croix de guerre des Théâtres d'opérations extérieures
Verzetsmedaille met rosette
Koloniale Medaille met gespen "Maroc", "Sahara", Libye", Bir-Hakeim, "Tunisie 43-43"
Soldatenkruis
Luchtvaartmedaille
Commandeur in de Orde van Agrarische Verdienste
Medaille der ontsnapten
Overwinningsmedaille 1914-1918
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1914-1918
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1939-1945
Herinneringsmedaille van de Vrijwilligers van het Vrije Frankrijk
Franse Erkentelijkheidsmedaille
Hij was ook Grootkruis met de Zwaarden in de Orde van Oranje-Nassau
Voor de complete lijst met onderscheidingen: fr:Marie-Pierre Kœnig#Décorations

 

Eerste rij v.l.n.r.: Bradley, Eisenhower, Kœnig en Tedder (Parijs, 1944)

Eerste rij v.l.n.r.: Bradley, Eisenhower, Kœnig en Tedder (Parijs, 1944)
Geboren 10 oktober 1898
Caen
Overleden 2 september 1970
Neuilly-sur-Seine
Begraven Cimetière de Montmartre
Land/partij Vlag van Frankrijk Frankrijk
Flag of Free France (1940-1944).svg Vrije Fransen
Onderdeel Franse landmacht
Dienstjaren 1917 – 1951
Rang Army-FRA-OF-10.svg Maarschalk van Frankrijk
(Maréchal de France )
(Postuum)
Eenheid 36ste infanterie regiment
Leiding over Militair gouverneur van de Franse bezettingszone in Duitsland
Inspecteur-generaal van de Franse troepen in Noord-Afrika
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Slag om Frankrijk
Slag bij Gazala
Slag om Bir Hakeim
Onderscheidingen zie franse onderscheidingen
Ander werk Minister van Defensie van Frankrijk
(19 juni – 14 augustus 1954)
(23 februari – 6 okt. 1955)

1-Frans militair in de Tweede Wereldoorlog

1---2