Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Duits verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Philipp Auerbach

Philipp Auerbach (Hamburg, 8 december 1906 - München, 16 augustus 1952) was een Duitse overlevende van de concentratiekampen van Auschwitz en Buchenwald.
Biografie
Vlucht naar België

In 1934, na de machtsgreep van Hitler, vluchtte Auerbach met zijn gezin naar België. In Brussel vervolledigt hij zijn studies en komt aan het hoofd van een fabriek van schoonmaakproducten in Berchem bij Antwerpen. Na de Kristallnacht in 1938 en de moord op zijn vader door de nazi's wil hij met zijn gezin naar Cuba vluchten maar het land wil de vluchtelingen niet aannemen.
Auschwitz
Bij de Duitse inval in België wordt hij gearresteerd en met honderden andere Duitsers en Duitsgezinden naar Frankrijk gebracht. Dat bracht hem langs Saint-Cyprien, Gurs, Le Vernet, Perpignan, Vichy en Pau. Het collaborerende Franse Vichy-regime zet hem uiteindelijk in januari 1944 op een trein naar Auschwitz.
Het feit dat Auerbach chemicus is en gespecialiseerd in het vervaardigen van zeep uit dierlijke vetten, wordt zijn redding in Auschwitz. Volgens bepaalde versies zou hij gedwongen geweest zijn om zeep te maken van menselijke resten. Op de zeepjes die elke Duitse soldaat meekreeg stond in Gotische letters 'RIF', wat stond voor Reichsstelle für Industrielle Fettversorgung. Deze zeep zou ook menselijke resten bevatten maar Auerbach schrijft letterlijk: "Als chef van de zeepfabricatie moest ik voor de productie van vet zorgen in het slachthuis". Er was in Auschwitz ook een slachthuis voor koeien, schapen en varkens.
Na-oorlogse periode
In het Wienerarchief in Londen bevindt zich een manuscript van 35 vellen, waarin Auerbach zijn oorlogsverhaal optekent, vanaf de arrestatie in Antwerpen, de deportatie naar Frankrijk en het verblijf in de Duitse kampen. Hij schreef het ergens in 1945 in het Engels onder de titel I Am the Man Who Saw Misery!. .
Na de oorlog was hij van 1946 tot 1951 staatscommissaris voor racistisch, religieus en politiek vervolgden in München. Hij kreeg de leiding over een operatie Wiedergutmachung: financiële tegemoetkomingen voor de slachtoffers van het naziregime. Daarnaast was hij lid van het eerste directorium van de Centrale Raad voor de Joden in Duitsland. In 1952 werd hij veroordeeld tot 2,5 jaar cel wegens fraude met compensatiegelden. De nacht na het vonnis nam hij een overdosis slaappillen. In zijn afscheidsbrief schrijft Auerbach: "Ik heb mij nooit persoonlijk verrijkt en kan deze schandelijke uitspraak niet tolereren. Ik heb gevochten tot het einde, het werd niets.".
In 1954 werd hij door een onderzoekscommissie van de Beierse Landdag volledig in ere hersteld.

Auerbach op 27 februari 1948 bij zijn getuigenis in het Wilhelmstraßen-proces

 

 


Gerhard Badrian

Gerhard Joseph Badrian (Beuthen, 13 oktober 1905 - Amsterdam, 30 juni 1944) was een Joodse, naar Nederland gevluchte, Rijksduitser die tijdens de Tweede Wereldoorlog verzetsdaden heeft verricht.
Hij woonde aan de Vijzelstraat 72-II in Amsterdam en was fotograaf. Hij werkte onder meer voor de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van Gerrit van der Veen. Hij droeg vaak een smetteloos SD-uniform waarmee hij op volgepropte overvalwagens toestapte en met valse papieren mensen redde van transport naar SD-kantoren en gevangenissen.
Kraak van de Landsdrukkerij in Den Haag
1rightarrow blue.svg Zie Overval op de Landsdrukkerij in Den Haag voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Op zaterdag 29 april 1944 'kraakten' Badrian, Gerrit van der Veen en drie anderen de Landsdrukkerij in Den Haag. Ze namen vellen met in totaal 10.000 persoonsbewijzen mee, die voor vervalsers zeer bruikbaar waren. Badrian speelde een in SS-uniform geklede Duitser.
Overval op Weteringschans
1rightarrow blue.svg Zie Overval op het Huis van Bewaring I te Amsterdam (1 mei 1944) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Na de mislukte overval op het Huis van Bewaring Weteringschans enkele dagen later (in de nacht van 30 april op 1 mei 1944) slaagde Badrian, als deelnemer aan de overval, erin om de zwaargewonde Gerrit van der Veen mee te dragen en naar een onderduikadres te brengen. Daar raakte Van der Veen echter verlamd en werd hij opgepakt. Badrian volgde Van der Veen op als leider van de PBC.
Verraad
Badrian zelf werd op 30 juni 1944 tijdens een vuurgevecht in de Rubensstraat (de Apollobuurt in het huidige Amsterdam Oud-Zuid) doodgeschoten. Een ‘vriendin’ Betje Wery zei voor hem en zijn vrouw een veilig onderduikadres aan de Rubensstraat 26 in Amsterdam te hebben (pal boven een huis met SD'ers). Maar hij werd verraden. Bij een overval op dat huis wist Badrian nog een de trap opkomende Duitser te doden en naar buiten te vluchten. Op de stoep werd hij echter doodgeschoten. De Sicherheitspolizei (Sipo) beloonde de ‘vriendin’ met duizend gulden.
Na zijn dood
Badrian is 38 jaar geworden. Zijn lichaam is door de Duitsers gecremeerd. De asbus werd later op het Nederlands Ereveld Loenen (gemeente Apeldoorn) bijgezet.
Ook op de plek waar hij is doodgeschoten (Rubensstraat 26) is een gedenksteen voor Badrian aangebracht. De tekst op deze gedenksteen luidt:
IN MEMORIAM
GERHARD BADRIAN
GEBOREN ALS DUITSCHE JOOD EN OP
DEZE PLAATS OP VRIJDAG 30 JUNI 1944
ALS STRIJDER VOOR NEERLAND'S[1]
VRIJHEID GESNEUVELD.

Privéfoto uit het Nieuw Israëlietisch Weekblad (1946)

Privéfoto uit het Nieuw Israëlietisch Weekblad (1946)
Volledige naam Gerhard Joseph Badrian
Geboren 13 oktober 1905, Beuthen
Overleden 30 juni 1944, Amsterdam
Groep Persoonsbewijzencentrale

 


Ludwig Beck

Ludwig August Theodor Beck (Biebrich, 29 juni 1880 – Berlijn, 20 juli 1944) was een Duitse generaal. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij de aanslag op Hitler.
Levensloop
Beck nam in 1898 dienst bij het 15e artillerieregiment van het Pruisische leger. Van 1908 tot 1911 bezocht hij de Militaire academie in Berlijn, waarna hij in 1912 een functie kreeg bij de Generale Staf. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij aan het westfront. In 1919 ging hij deel uitmaken van de Reichswehr. Op 1 oktober 1933 werd hij benoemd tot chef van het Truppenamt (een "schaduw" Generale Staf). In 1935 werd de Reichswehr gereorganiseerd tot Wehrmacht, Beck werd chefstaf van de Generale Staf van het Heer (de Duitse landmacht).
Verzet tegen Hitler
In 1938 sprak hij zich uit tegen de annexatie van Sudetenland in Tsjechoslowakije. Ervan overtuigd dat de Deutsche Wehrmacht niet sterk genoeg zou zijn om tegen Frankrijk en Engeland een eventueel komende oorlog te winnen, probeerde hij veel officieren in zijn omgeving ervan te overtuigen om massaal ontslag te nemen om zo Hitler op andere gedachten te brengen. Dat lukte niet, onder meer door tegenstand van generaal Walther von Brauchitsch. In augustus 1938 nam hij als enige ontslag.
Inmiddels had hij de nodige mensen om zich heen verzameld die ook tegenstanders van het bewind van Adolf Hitler waren. Een aanslag op het leven van Hitler werd voorbereid, na het slagen hiervan zou Beck staatshoofd worden en proberen vrede te sluiten met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
Aanslag op Hitler
Verschillende plannen voor een aanslag op Hitler werden op het laatste moment stopgezet, maar uiteindelijk werd op 20 juli 1944 door kolonel Claus Schenk von Stauffenberg een bomaanslag gepleegd. Deze mislukte echter, Hitler overleefde de aanslag. Beck was de enige officier in burgerkledij onder de militairen die de aanslag beraamden op die dag. Hiermee wilde hij de humanitaire kant van de zaak benadrukken, en niet zozeer zijn militaire overtuigingen. De samenzweerders werden door generaal Friedrich Fromm op het hoofdkwartier van het leger aan de Bendlerstrasse in Berlijn opgepakt en meteen ter dood veroordeeld. Aan Beck werd de "gunst" verleend om zelfmoord te mogen plegen. Twee pogingen om zichzelf dood te schieten mislukten echter, hij raakte alleen zwaargewond. Daarop schoot een Feldwebel van de Wehrmacht hem dood.
In 1956 werd een Duitse kazerne in Sonthofen ter nagedachtenis naar hem vernoemd: de Generaloberst-Beck-Kaserne.
Militaire loopbaan
Fähnrich: 8 oktober 1898
Leutnant: 18 augustus 1899
Oberleutnant: 17 september 190
Hauptmann: 1 oktober 1913
Major: 18 april 1918
Oberstleutnant: 15 april 1923
Oberst:1 november 1927
Generalmajor: 1 februari 1931
Generalleutnant: 1 december 1932
General der Artillerie: 1 oktober 1935
Generaloberst: 1 november 1938
Decoraties
IJzeren Kruis 1914, 1e en 2e klasse
Ridderkruis in de Huisorde van Hohenzollern met Zwaarden
Kroonorde (Pruisen), 4e klasse
Onderscheiding voor Trouwe Dienst (Pruisen)
Ridderkruis der 1e klasse in de Albrechtsorde met Zwaarden
Ridderkruis der 1e klasse in de Frederiks-Orde met Zwaarden
Hanseatenkruis van Hamburg
Friedrich August-Kruis, 1e en 2e klasse
Hanseatenkruis van Bremen
Kruis voor Trouwe Dienst (Schaumburg Lippe
IJzeren Halve Maan
Dienstonderscheiding van Leger en Marine (Duitsland) voor (4, 12, 18 en 25 dienstjaren)

Bundesarchiv Bild 146-1980-033-04, Ludwig Beck.jpg

Ludwig Beck (1937)
Geboren 29 juni 1880
Biebrich, Hessen-Nassau
Overleden 20 juli 1944
Berlijn, Duitsland
Begraven Alter St. Matthäus-Kirchhof in Berlin-Schöneberg, kort daarna opgegraven en gecremeerd; as verstrooid in de Berlijnse riolering.
Land/partij Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Rijk
Vlag van Duitsland tijdens de Weimarrepubliek Weimarrepubliek
Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Onderdeel War Ensign of Prussia (1816).svg Preußische Armee
War Ensign of Germany (1903-1918).svg Deutsches Heer
War Ensign of Germany (1921-1933).svg Reichswehr
Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Dienstjaren 1898 - 1938
Rang Collar tabs for the Generals of the Heer.svg Generaloberst (Wehrmacht) 
Generaloberst
Eenheid Feldartillerie-Regiment Nr. 15
5. Artillerie-Regiment (Reichswehr)
Leiding over Oberkommando des Heeres
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Westfront
Tweede Wereldoorlog
Operatie Walküre
Complot van 20 juli 1944

 


Philipp von Boeselager

Philipp Freiherr von Boeselager (Burg Heimerzheim in Heimerzheim, 6 september 1917 - Burg Creuzburg in Altenahr, 1 mei 2008) was een Duitse militair, verzetsstrijder, bosbouwer en bosbeschermer.
Levensloop
Achtergrond

Afkomstig uit een adellijke, rooms-katholieke familie uit het Rijnland, wilde hij na de middelbare school rechten gaan studeren om daarna een betrekking in de buitenlandse diplomatieke dienst te vinden. Omdat hij daarmee de belangen van het hem niet-welgezinde nazi-Duitsland zou moeten vertegenwoordigen, begaf hij zich op raad van zijn grootvader in 1936 in de cavalerie van de Wehrmacht, waarin hij uiteindelijk de rang van majoor zou bereiken.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Von Boeselager in 1942 ordonnansofficier van generaal-veldmaarschalk Günther von Kluge. Tot dan had hij zich afzijdig gehouden van verzetsactiviteiten tegen het regime van Hitler. Dat veranderde toen hij merkte dat de misdaden die door SS-eenheden en dergelijke tegen Joden, zigeuners en de Russische bevolking van Oost-Europa werden gepleegd, geen loze praatjes of incidentele gevallen betroffen maar een welbewust beleid was van nazi-Duitsland. De eerste keer dat hij hier officieel van hoorde, was toen SS-Obergruppenführer Erich von dem Bach-Zelewski in juni 1942 bij een ontmoeting met generaal-veldmaarschalk Von Kluge waarbij ook hij aanwezig was, meedeelde dat alle Joden en zigeuners die in hun handen vielen, werden doodgeschoten. Von Boeselager begon zich te bezinnen op mogelijkheden tot verzet en zocht op voorzichtige wijze naar gelijkgezinden. Zo kwam hij in contact met Henning von Tresckow, die samen met andere Duitse officieren een verzetsgroep tegen Hitler had opgezet. Ook zijn broer Georg von Boeselager behoorde hiertoe.
Als lid van deze militaire verzetsgroep kwam Von Boeselager tweemaal tegen Hitler in actie.
De eerste keer vond plaats in maart 1943 toen Hitler tezamen met SS-leider Heinrich Himmler het oostfront kwam bezoeken. Tijdens het diner in Smolensk zou een groepje officieren beide doodschieten, Von Boeselager zou een van degenen zijn die op Hitler zou mikken. Boeselager bezat nog steeds het Walther pistool dat hem gegeven was, om Hitler te vermoorden.
Omdat Himmler afzegde, gelastte Von Kluge (deze zat ook in het complot) de aanval af omdat hij bang was dat er anders een oorlog tussen de Wehrmacht en de SS zou uitbreken.
De tweede keer vond plaats in juli 1944. Het plan was een bom te plaatsen in het hoofdkwartier van Hitler in Oost-Pruisen, de Wolfsschanze. Von Boeselager, herstellende van zware verwondingen die hij aan het oostfront had opgelopen, bracht de explosieven per vliegtuig aan generaal Hellmuth Stieff in de Wolfsschanze. Von Boeselager vertrok weer naar het front en Stieff gaf het explosieve materiaal aan Claus Schenk von Stauffenberg. Deze plaatste de betreffende bomkoffer op 20 juli 1944 in het hoofdkwartier. Omdat een officier deze later achter een dikke tafelpoot verzette, doodde de explosie Hitler niet. Een groot deel van de samenzweerders werd opgepakt en ter dood gebracht. Von Boeselager ontsprong de dans doordat andere complotplegers zijn naam ondanks martelingen niet prijs gaven. Hierdoor wist hij de oorlog heelhuids te overleven.
Na de oorlog
Na de oorlog trouwde hij in 1948 met Rosa Maria Gräfin von Westphalen zu Fürstenberg en studeerde hij rechten en economie. In tal van organisaties was hij actief als bosbeschermer (hij bezat zelf een bosbedrijf) en trad in de jaren vijftig als adviseur van de West-Duitse Bundeswehr op. In 1953 was hij medeoprichter van de katholieke Maltezer Hulpdienst en in 1963 medeoprichter van de Duitse afdeling van het Wereld Natuur Fonds.
Als uitvloeisel van zijn katholieke geloofsovertuiging kwam hij op voor de bescherming van het ongeboren leven en keerde hij zich tegen abortus. Toen in 1993 in Duitsland een compromis werd bereikt over het toestaan van abortus zegde hij zijn lidmaatschap van de CDU op. Ook zette hij zich in voor de politieke bewustwording van met name de Duitse jeugd en riep hij hen op hun verantwoordelijkheid te nemen en de weg van de democratie in te slaan. Voorts was hij dikwijls te gast bij openbare aangelegenheden betreffende de herdenking van de wandaden van de Tweede Wereldoorlog en werd hij veelvuldig op radio en televisie hierover geïnterviewd.
Als laatst overgebleven deelnemer aan het complot van 20 juli 1944 tegen Hitler overleed Philipp von Boeselager op negentigjarige leeftijd.
Militaire loopbaan
Fahnenjunker: 1936
Leutnant: 1938
Oberleutnant: 1941
Rittmeister: 1943
Major: 1944
Oberstleutnant: 1945
Decoraties
Ridderkruis (uitgereikt door zijn broer Georg) in 1944 als Major en Kommandeur I. / Kavallerie-Regiment Mitte / 3. Kavallerie-Division
IJzeren Kruis 1939, 1e klasse (1941) en 2e klasse (1940)
Gewondeninsigne in zilver in 1944en zwart
Medaille Winterschlacht im Osten 1941/42
Allgemeines Sturmabzeichen
Nahkampfspange in zilver en brons
Ehrenblatt des Heeres op 5 januari 1944- 15 januari 1944
Anerkennungsurkunde des Oberbefehlshabers des Heeres für hervorragende Leistungen auf dem Schlachtfeld op 27 september 1943
Grootkruis in de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland in 1989
Officier in het Legioen van Eer in 2004

Philipp von Boeselager ontvangt de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland (1989)
Geboren 6 september 1917
Heimerzheim, Duitse Keizerrijk
Overleden 1 mei 2008
Altenahr, Duitsland
Begraven Burg Kreuzburg Kapel, Altenahr, Landkreis Ahrweiler, Rheinland-Pfalz, Duitsland: familie crypte
Land/partij Vlag van Duitsland tijdens de Weimarrepubliek Weimarrepubliek
Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Vlag van nazi-Duitsland Flensburgregering
Onderdeel Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Bundeswehr Kreuz.svg Bundeswehr
Dienstjaren 1936 - 1945
Rang Insignia Wehrmacht Heer Major 1.svg Major der Kavallerie (Wehrmacht)
DH261-Oberstleutnant.png Oberstleutnant der Reserve (Bundeswehr)
Eenheid 15. (Preußisches) Reiter-Regiment (Reichswehr)
41. Kavallerie-Regiment
31. Kavallerie-Regiment
Leiding over 3. Kavallerie-Brigade
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Oostfront
Complot van 20 juli 1944
Operatie Walküre
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Bosbouw
Econoom

 


Cato Bontjes van Beek

Cato Bontjes van Beek (14 november 1920 - 5 augustus 1943) was een Duits lid van het verzet tegen het nazi- regime.
Vroege jaren 
Cato werd geboren in Bremen en was de oudste van drie kinderen. Ze bracht haar jeugd en jeugd door in de nabijgelegen Fischerhude kunstenaarskolonie rond haar oom Otto Modersohn . Haar ouders, de Nederlands- geboren pottenbakker Jan Bontjes van Beek (1899-1969) en danseres en schilder Olga Bontjes van Beek, geboren Breling (1896-1995) boden hun kinderen veel persoonlijke vrijheid tijdens het opgroeien. Vanaf 1929 verbleef Cato in het buitenland om de Duitse school in Amsterdam bij te wonen , en in 1937 bracht ze tijd door in Winchcombe , Gloucestershire , als au pair . [1]
In tegenstelling tot veel andere Cato geen lid van de Liga van Duitse Meisjes ( Bund Deutscher Mädel , BDM) jongerenorganisatie.Door haar broer Tim ontmoette ze de Luftwaffe- sergeant Helmut Schmidt , de latere Bondskanselier van Duitsland , die vanaf 1937 in Bremen-Vegesack was gestationeerd voor zijn militaire dienst en gedurende deze tijd een intense vriendschap had met de familie Bontjes van Beek. Echter, Schmidt brak uiteindelijk deze vriendschap af toen hij een officiersopleiding begon om zich bij het Oberkommando der Luftwaffe in Berlijn aan te sluiten .
Vanaf 1940 woonden Cato en haar zus Mietje bij hun vader in Berlijn, waar hij al in 1933 was verhuisd in de hoop zijn artistieke werk te verspreiden. Ze ontmoetten vrienden in het huis van hun vader die tegen het nazi-regime waren. Cato worstelde echter om een ​​beroep te kiezen en probeerde piloot te worden. Dit omvatte zelfs het lid worden van het nationaal-socialistische vliegerskorps om te leren zweefvliegen . Maar Cato besloot uiteindelijk om het vak van haar vader te leren.
In 1940 ondervond Cato de deportatie van een joods gezin dat in hetzelfde huis woonde. In een brief aan haar tante Paula Modersohn-Becker , drukte ze vervolgens haar zorgen uit over "iets vreselijks" dat nog zou komen. Beide zussen zagen het onrecht dat de nazi's anderen hadden aangedaan, werden erdoor getroffen en probeerden te helpen. Vanaf september 1940 omvatte dit onder meer humanitaire hulp aan Franse krijgsgevangenen . Zowel Cato als Mietje zouden brood uitdelen of brieven uitwisselen tijdens het rijden op de Berlijnse S-Bahn .
Verzetactiviteiten 
Het actieve werk van Van Beek tegen de nazi's begon in de verzetsorganisatie Red Orchestra nadat ze Libertas Schulze-Boysen in het najaar van 1941 had leren kennen .Samen met haar vriend, de auteur Heinz Strelow, verspreidde ze illegale geschriften en folders die probeerden de lezers opwekken voor de strijd en het verzet tegen het naziregime.
Tijdens de onderdrukking van de verzetsgroep werd Van Beek op 20 september 1942 gearresteerd door Gestapo- agenten in de pottenbakkerij van haar vader in Berlijn. Op 18 januari 1943 werd ze schuldig bevonden aan het Reichskriegsgericht militaire hof van "aanranding van een samenzwering om hoogverraad te plegen " en ter dood veroordeeld . Een gratie appèl van de 22-jarige werd persoonlijk ontkend door Adolf Hitler , hoewel de rechtbank zelf een uitstel had voorgesteld. Ze werd op 5 augustus 1943 in de Plötzensee-gevangenis in Berlijn gegummillotineerd ,samen met de 19-jarige Liane Berkowitz, die in april een dochter had gekregen. Haar lichaam werd dezelfde avond vrijgegeven aan het instituut voor anatomie van Hermann Stieve . [1] [6] Haar laatste rustplaats is onbekend.
Cato's jongere zus Mietje Bontjes van Beek slaagde erin om ondanks haar activiteiten te ontsnappen aan de vervolging van de nazi's en leefde tot Fischerhude tot haar dood in 2012. Cato's moeder bereikte na een 12-jarig proces eindelijk de officiële omkering van de veroordeling van haar dochter in 1999. 
Honours
Een gymnasium middelbare school in Achim , een stad in de buurt van Bremen, is sinds 1991 gedragen de naam Cato Bontjes van Beek-Gymnasium . Een straat in het nabijgelegen Fischerhude draagt ​​ook haar naam en een toelichting. Beide plaatsen liggen in de wijk Verden . Verdere straten en openbare pleinen zijn naar haar vernoemd in Bremen, Leipzig en Meldorf .
Referenties 
^ Spring omhoog naar: a b c d e f g h Geyken, Frauke (2015). " ' Etwas Furchtbares wird passieren ' " ['Er zal iets vreselijks gebeuren']. Damals (in het Duits). Vol. 47 nee. 5. pp. 72-76.
Spring omhoog ^ Landesentrale für politische Bidung Baden-Württemberg (2013),Cato Bontjes van Beek - Als junge Frau im Widerstand
Jump up ^ Gedenkstätte Deutscher Widerstand (1996-2014),Biografien: Cato Bontjes van Beek
Spring op ^ "AGIS" (1942),Die Sorge um Deutschlands Zukunft geht durch das Volk, Gedenkstätte Deutscher Widerstand 1996-2014
Spring omhoog ^ Gnadengesuche, Gedenkstätte Plötzensee
Spring omhoog ^ Stein, Rosemarie (2007), Erinnern und Vorbeugen - Ärzte im Nationalsozialismus ,Berliner Ärzte44 (4), 28-29
Jump up ^ Schmidt, Helmut (2003), Rezension:Hermann Vinkes bewegendes Buch über das Leben und Sterben der Widerstandskämpferin Cato Bontjes van Beek, Die Zeit, Nr. 23/2003, pagina 47
Verder lezen [ bewerken ]
Kluge, Heidelore (1995). Cato Bontjes van Beek. 'Ich zal nins ein sein und das ist ein Mensch' [ 'Ik wil maar één ding zijn - en dat is een mens' ] (in het Duits). Stuttgart: Urachhaus. ISBN 3-8251-7003-9 .
Vinke, Hermann (2003). Cato Bontjes van Beek. 'Ich habe nicht um mein Leben gebettelt'. Ein Porträt [ 'Ik smeekte niet om mijn leven'; Een portret ] (in het Duits). Zürich, Hamburg: Arche. ISBN 3-7160-2313-2 .
Friedman, Ina R. (1995). Tegen de wind in vliegen: het verhaal van een jonge vrouw die de nazi's trotseerde . Brookline, Mass .: Lodgepole Press. ISBN 1886721009 .
Flügge, Manfred (1998). Meine Sehnsucht ist das Leben. Eine Geschichte aus dem deutschen Widerstand . Berlijn: Aufbau-Verlag. ISBN 3351023472 .
Margarete Bertzbach, Manfred Ringmann, Klaus Schaumann, Hrsg. (2008). Cato Bontjes van Beek 1920-1943 , Ev.-luth. Kirchengemeinde Fischerhude

CIC RO C Bontjes van Beek detail.jpg

Geboren 14 november 1920 
Bremen , Duitsland
Ging dood 5 augustus 1943 (22 jaar) Plötzensee Prison , Berlijn , Duitsland

Doodsoorzaak Uitgevoerd
Nationaliteit Duitse
Bekend om Lid van de Widerstand

Cato Bontjes van Beek gedenkteken, Fischerhude begraafplaats

 


Axel von dem Bussche

Axel von dem Bussche (Baron Axel von dem Bussche-Streithorst, 24 april 1919 - 26 januari 1993) was een Duitse officier tijdens de Tweede Wereldoorlog die lid was van het Duitse verzet . Hij was van plan om Adolf Hitler in coördinatie met Claus von Stauffenberg in november 1943 in de Wolfsschanze te vermoorden .
Legerloopbaan 
Geboren in Brunswick , zijn Duitse vader en zijn Deense moeder Jenny Lassen, sloot hij zich aan bij het Duitse leger in 1937 op 18-jarige leeftijd als een professionele officier en werd gepost als een onderofficier van het elite Infanterie Regiment 9 Potsdam (IR 9) naar het oostfront in Polen. In 1942 zag Bussche bij toeval een door de SS georganiseerde massamoord van meer dan 3.000 joodse burgers, uitgevoerd door de SD op het oude Dubno- vliegveld. Deze ervaring heeft hem zijn hele leven getraumatiseerd en was genoeg om hem beslist tegen Hitler te keren. Hij sloot zich aan bij een ad hoc- verzetsgroep binnen het Army Group Centerlater (september 1943) onder leiding van graaf Stauffenberg. Na deze ervaring verklaarde hij dat er nog maar drie wegen over waren om zijn eer als officier te behouden: om te sterven in de strijd, om te deserteren, of om te rebelleren tegen de regering die dit en alle andere bloedbaden had bevolen. Hij koos de laatste optie en rechtvaardigde zijn voornemen om Hitler te doden door zijn wettelijk recht om anderen te verdedigen tegen onwettige, aan de gang zijnde, misdadige aanvallen.
Resistance 
In november 1943 engageerde Bussche, persoonlijk aangemoedigd door graaf Claus Stauffenberg, zich om zelfmoordaanslagen te plegen om Hitler te doden . Hitler moest nieuwe winteruniformen van het leger inspecteren in zijn Führerhauptquartier Wolfsschanze , nabij Rastenburg in Oost-Pruisen (tegenwoordig in Polen). Bussche, meer dan twee meter lang, blond en blauwogig, illustreerde het uiterlijk van Hitlers 'Scandinavische' raciale ideaal en was een ideaal model voor de uniformen. Bussche voorzag in een landmijn met een snel reagerende handgranaatontsteker, die hij in de diepere zakken van zijn uniformbroek wilde verstoppen. Hij was van plan om deze bom te laten ontploffen terwijl hij Hitler omarmde, waarmee hij zowel Hitler als zichzelf doodde.
De bezichtiging was gepland op 16 november 1943, maar de nacht ervoor werd de spoorwegtruck met de nieuwe uniformen vernietigd tijdens een geallieerde luchtaanval op Berlijn . Op 18 november 1943 keerde Bussche terug naar zijn eenheid aan het oostfront. Hij had drie verschrikkelijke nachten doorgebracht in het Führerhauptquartier. Bussche bood aan om het opnieuw te proberen in februari 1944, toen er nieuwe uniformen beschikbaar zouden zijn. In januari 1944 raakte hij echter ernstig gewond en verloor hij een van zijn benen.
Een andere officier, kapitein Ewald von Kleist , bood zich vrijwillig aan om de missie uit te voeren tijdens een bezichtiging op 11 februari 1944. Hitler stelde echter herhaaldelijk uit en annuleerde uiteindelijk de gebeurtenis. Bussche bracht vele maanden door in het Waffen-SS- ziekenhuis in Lychen en was dus helemaal niet betrokken bij het complot op 20 juli om Hitler te vermoorden. Bussche's rol in de eerdere moordaanslagen werd niet vermoed, en hij werd niet verraden door een van de officieren die wisten van zijn betrokkenheid. Daarom was hij een van de weinige legerplotters om de oorlog te overleven.
Na de oorlog 
Na de oorlog studeerde Bussche rechten aan de universiteit van Göttingen en werd later een diplomaat, die van 1954 tot 1958 in de Duitse ambassade in Washington diende . Daarna was hij hoofd van de Kurt Hahn kostschool " Schule Schloss Salem " gelegen aan het Bodenmeer in Zuid-Duitsland. Hij was ook lid van het voorzitterschap van de Evangelische Kerk in Duitsland , een adviseur van de Wereldbank , en een afgevaardigde naar de Stockholm VN- milieuconferentie van 1972.
In 1950 trouwde hij met Lady Mildred Camilla Nichola Acheson, de oudste dochter van de 5e graaf van Gosford en Mildred Carter (uit Virginia), die eerder getrouwd was geweest met Baron Hans Christoph Schenk von Stauffenberg. Bussche had twee dochters met Lady Camilla, (mevrouw) Nicola Dietzsch-Doertenbach en barones Jane von dem Bussche.
Awards en decoraties
IJzeren Kruis van 1939, 1e en 2e klas
Duits kruis in goud op 15 december 1941 als Oberleutnant in de 11./Infanterie-Regiment 9 
Ridderkruis van het IJzeren Kruis op 7 maart 1944 als Hauptmann en bevelhebber van de I./Grenadier-Regiment 9 
Wondbadge in goud
Ridder van de Orde van de Heilige Johannes (Zwitserse Commanderij)

Axel Freiherr von dem Bussche-Streithorst, 1943
Geboren 24 april 1919
Brunswijk, Duitse Keizerrijk
Overleden 26 januari 1993
Begnins, Zwitserland[1]
Land/partij Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Onderdeel Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Dienstjaren 1937 - 1945
Rang Collar tabs of Offiziere of the Heer.svg Insignia Wehrmacht Heer Major
Majoor
Eenheid Infanterie-Regiment 9 (Wehrmacht)
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Poolse veldtocht
Oostfront
Complot van 20 juli 1944
Onderscheidingen Zie decoraties
Ander werk Diplomaat

 


Hans Calmeyer

Hans Georg Calmeyer (23 juni 1903 - 3 september 1972) was een Duitse advocaat uit Osnabrück die duizenden joden heeft gered van een zekere dood tijdens de Duitse bezetting van Nederland van 1941 tot 1945.
Calmeyer studeerde rechten in Freiburg , Marburg en München . In 1923 nam hij als lid van de Reichswehr deel aan Hitlers gepoogde Putsch . Later opende hij zijn advocatenpraktijk in Osnabrück, waar hij een uitstekende reputatie als advocaat genoot.
In 1933 werd zijn licentie om recht te praktiseren ingetrokken vanwege zijn activiteit en leunend naar communistische denkwijzen. Tien maanden later werd zijn licentie hersteld. Hij was lid van de federatie van de nationaal-socialistische Duitse advocaten, maar niet van de nazi-partij .
In 1940 nam Calmeyer, die dienst deed als soldaat en lid was van een luchtverdedigingsintelligentie-eenheid, deel aan de invasie van Nederland door het Duitse leger . In 1941 was hij actief in het Rijkskommissariaat ( Reichskommissariat ), dat de leiding had over alle bezette districten in Nederland. Terwijl hij daar was, werd Calmeyer benoemd tot Directeur voor de Binnenlandse Administratie, die ook 'Joodse aangelegenheden' behandelde, waardoor Calmeyer, als administratief jurist, 'raciaal ambigue' Joodse zaken voor de Duitse beroepsadministratie in Den Haag kon zuiveren .
Anders dan het beleid in Duitsland zouden mensen van joodse afkomst kunnen weerleggen dat ze worden geregistreerd als "volbloed joden" door het documenteren en bewijzen van voorouders via mond-tot-mondreclame en geboorteakte om te kwalificeren als "half-joods", "kwart-joods" of van Arische afkomst . Calmeyer beschreef in zijn eigen woorden hoe hij zijn positie gebruikte: "Een reddingsboot bouwen." Hij accepteerde vervalste papieren van afkomst die de persoon beschreven als Arisch of "half-joods". Hij slaagde er ook in om hints en adviezen te geven over verschillende stratagems en excuses. Ondanks waarschuwingen van het naziregime, bleef hij volharden in zijn werk.
Ongeveer 5.660 personen dienden een verzoek in en werden als dubieuze zaken aangewezen via het kantoor van Calmeyer. Van hen werden er minstens 3.700 gespaard voor deportatie en voor de dood. Toch waren de beslissingen over "dubieuze zaken" met betrekking tot de overblijvende ongeveer 1.960 personen het equivalent van een doodvonnis: ze deelden het lot van 107.000 van de 140.000 Joden die in Nederland woonden, die door de Duitsers werden vervoerd naar verschillende concentratiekampen om te worden uitgeroeid , met name Auschwitz-Birkenau en Sobibor. Slechts ongeveer 5.200 mensen hebben de deportatie naar deze kampen overleefd.
Volgens een beschrijving van Calmeyer door de Duitse Bundespresident Johannes Rau : "Calmeyer kwam in de gelederen van mensen die hielpen, maar die ook schuldig waren aan het worden meegesleept in de ongerechtvaardigde wandaden van het regime". Zijn werk was bijna vergeten tot een beweging om hem te eren in de jaren tachtig tot stand kwam. Op 4 maart 1992 eerde Yad Vashem Hans Calmeyer postuum met de titel "A Righteous Man Among Nations". Op 2 januari 1995 verleende de stad Osnabrück Calmeyer haar hoogste onderscheiding postuum: "De Moesermedaille". Aanwezig bij de ceremonie waren zijn zoon, Dr. Peter Calmeyer, en de ambassadeur van Israël , Avi Primor .
Referenties 
Joachim Castan / Thomas (Hg): Hans Calmeyer en de Redding van de Joden in Nederland ;
Catalogus voor de tentoonstelling, zelfde titel. Goettingen: V & Runipress 2003. ISBN 389971122X
Frijtag Drabbe Künzel, Geraldien G. von (2008). Het geval Calmeyer (De zaak Calmeyer ). Amsterdam : Mets & Schilt. ISBN 978-90-5330-627-7 .
Niebaum, Peter; Rolf Düsterberg; Siegfried Hummel; Tilman Westphalen (2001). Ein Gerechter unter den Völkern: Hans Calmeyer in seiner Zeit (1903-1972) (A Righteous Man Among Nations: Hans Calmeyer in zijn tijd (1903-1972)) (in het Duits). Osnabrück : editie Rasch. ISBN 3-934005-95-0 .

Hans-calmeyer-yadvashem-4997 1.jpg

Geboren 23 juni 1903
Osnabrück, Duitse Keizerrijk
Overleden 3 september 1972
Osnabrück, Bondsrepubliek Duitsland
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel War Ensign of Germany (1921-1933).svg Reichswehr
Balkenkreuz.svg Wehrmacht
Dienstjaren 1940 - 1945
Eenheid Reichskommissariat Niederlande
Leiding over Hoofd van de Abteilung (afdeling) Innere Verwaltung
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Yad Vashem-onderscheiding (Postuum)
Ander werk Jurist

 


Wilhelm Canaris

opperbevel (Oberkommando der Wehrmacht), die opgehangen werd nadat hij had samengezworen tegen Adolf Hitler.

Eerste Wereldoorlog
Canaris groeide op in Duisburg waar hij het Steinbart-Gymnasium bezocht. Hij trad in 1905 in dienst bij de Kaiserliche Marine en diende in de Eerste Wereldoorlog als officier tijdens de Slag bij de Falklands op 8 december 1914 aan boord van de SMS Dresden, een Duits keizerlijk licht marineschip. Na de slag werd hij geïnterneerd in Chili. Na zijn ontsnapping in augustus 1915 werd hij overgeplaatst naar de inlichtingendienst (geheime dienst), met Spanje als werkgebied.
Na een mislukte Britse moordaanslag, keerde hij terug in actieve dienst en eindigde de oorlog als commandant van een U-boot met achttien gezonken schepen op zijn naam.
Weimar-Republiek
In 1919 was Wilhelm Canaris lid van de krijgsraad waar de beschuldigde vrijkorpsleden zich moesten verantwoorden voor de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht. Deze krijgsraad sprak een groot aantal van de beschuldigden vrij. Reeds een jaar later nam hij deel aan de Lüttwitz-Kapp-Putsch, werd hierom aangehouden en gearresteerd en na korte tijd weer vrijgelaten. Hij werkte na het Verdrag van Versailles weer bij de Reichsmarine en vanaf 1931 bij de inlichtingendienst van de Abwehr.
Spaanse Burgeroorlog
Bij het begin van het Nazi-Duitsland stond Canaris bekend als fervent Duits nationalist. Hij schopte het tijdens het Hitler-bewind zelfs tot chef van de Duitse Abwehr, ondanks het feit dat Canaris geen NSDAP-lid was. Zijn eerste grote klus was een interventiepoging tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Canaris zelf sprak vloeiend Spaans en ontwikkelde een goede band met generaal Francisco Franco, die hij later officieus afraadde doortocht te verlenen aan Duitse troepen om Gibraltar te veroveren.
In 1936 lukte het Canaris om Duitsland en Mussolini-Italië te overhalen de nationalistische opstandelingen van Franco in Spanje te steunen. Door de Duitse en Italiaanse steun behaalden de aanvankelijk zwakke Spaanse opstandelingen in de Spaanse Burgeroorlog de overwinning.
Tweede Wereldoorlog
Pas na het begin van de oorlog rezen er bij hem twijfels over de uiteindelijke doelen van het Hitler-regime, die met de tijd groeiden. Hij was ooggetuige van de willekeurige moord door SS-troepen op meer dan 200 Joodse mannen in Będzin in Polen.
Hij behield in zijn positie als chef van de Abwehr naar buiten toe het gezicht van een loyale inlichtingendienst. Hij had hierbij een groot talent om zijn tegenstanders om de tuin te leiden. Nazi-teksten kon hij zo overtuigend voordragen, dat ook zijn grootste tegenstanders vaak overtuigd werden van zijn trouw.
Maar ondertussen gaf hij zijn nauwste medewerkers, Hans Oster en Hans von Dohnányi, bescherming en gelegenheid voor het samenzweren tegen Hitler. Op deze wijze was hij direct betrokken bij het lekken van de aanvalsdata van Fall Gelb en bij de couppogingen van leden van de generale staf in 1938 en 1939. In maart 1943 vloog hij naar Smolensk om de antinazistische Wehrmacht-samenzweerders van de staf van Heeresgruppe Mitte te ontmoeten.
Tijdens de zomer van 1943 ontmoette Canaris heimelijk generaal Stewart Menzies, chef van de Britse Secret Intelligence Service, in Spanje. Canaris presenteerde Menzies een vredesplan: overgave van de Duitse troepen en staakt-het-vuren in het westen, eliminatie of uitlevering van Hitler en de voortzetting van de oorlog tegen de Sovjet-Unie aan het oostfront. Het vredesvoorstel vond gehoor bij de Amerikaanse en Britse geheime diensten, maar werd door president Roosevelt en zijn adviseurs onmiddellijk verworpen.
Midden februari 1944 werd Canaris van zijn functie als Abwehrchef ontheven en drie dagen na de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 door zijn rivaal bij de SD-buitenland, SS-Brigadeleider Walter Schellenberg, aangehouden. Pas begin april 1945 ontdekte een generaal in een brandkast op het legerhoofdkwartier van de Abwehr in Zossen Canaris' langgezochte privédagboeken, die op 5 april door Ernst Kaltenbrunner, de RSHA-chef van de Sicherheitspolizei en van de SD, aan Hitler persoonlijk getoond werden. Hitler gaf direct opdracht tot de "onmiddellijke vernietiging van de samenzweerders". In een "SS-Standgerichtverfahren" in concentratiekamp Flossenbürg werd Canaris ter dood veroordeeld en op 9 april 1945, samen met Dietrich Bonhoeffer en Hans Oster, opgehangen.
Zijn laatste boodschap, via een geïmproviseerde code aan een medegevangene, de voormalige chef van de Deense inlichtingendienst, begint met de woorden:
"Ben lelijk mishandeld, neus gebroken."
Zijn laatste woorden:
"Ik sterf met een schoon geweten voor mijn vaderland. Ik deed alleen mijn plicht tegenover mijn land toen ik de misdadige dwaasheden van Hitler probeerde te stoppen."
Militaire loopbaan
Soldat: 1905
Seekadett: 1 april 1905
Fähnrich zur See: 7 april 1906
Leutnant zur See: 28 september 1909
Oberleutnant Zur See: 29 augustus 1910
Kapitänleutnant: 16 november 1915
Korvettenkapitän: 4 oktober 1924
Fregattenkapitän: mei 1929
Kapitän zur See: 1 oktober 1931
Konteradmiral: 1 mei 1935
Vizeadmiral: 1 april 1938
Admiral: 1 januari 1940
Decoraties
IJzeren Kruis 1914, 1e en 2e klasse
Kroonorde, 4e klasse
Onderzeebootoorlogsinsigne 1918
Kruis voor Militaire Verdienste (Oostenrijk-Hongarije), 3e klasse met Oorlogsdecoratie
IJzeren Halve Maan
Erekruis voor de Wereldoorlog
Dienstonderscheiding van Leger en Marine (Duitsland) voor (4, 8, 12, 25 dienstjaren, DA IV)
Kruis voor Oorlogsverdienste, 1e en 2e klasse met Zwaarden
Herhalingsgesp bij IJzeren Kruis 1939, 1e en 2e klasse
Orde van het Vrijheidskruis (Finland), 1e klasse met Ster, Eikenloof en Zwaarden en Borstster op 19 september 1941
Orde van het Vrijheidskruis (Finland), 1e klasse met Ster en Zwaarden op 16 september 1941
Duitse Kruis in zilver op 11 november 1943
Orde van de Buste van Bolivar, 4e klasse in 1909

Wilhelm Canaris in 1940

Wilhelm Canaris in 1940
Bijnaam "De Oude Man"
Geboren 1 januari 1887
Aplerbeck, Duitse Keizerrijk
Overleden 9 april 1945
Flossenbürg, Nazi-Duitsland
Begraven Massagraf, Flossenbürg, Duitsland
Land/partij Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Rijk
Vlag van Duitsland tijdens de Weimarrepubliek Weimarrepubliek
Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Onderdeel War Ensign of Germany (1903-1918).svg Deutsches Heer
Flag of German Empire (jack 1903).svg Kaiserliche Marine
Flag of Weimar Republic (jack).svg Reichsmarine
Balkenkreuz.svg Wehrmacht
Dienstjaren 1905 - 1944
Rang Kriegsmarine-Generaladmiral.png Kriegsmarine epaulette Admiral.svg
Admiral
Eenheid Königlich Bayerische 1. Schwere-Reiter-Regiment "Prinz Karl von Bayern
Leiding over U 16
(2 juni 1917 -
11 september 1917)
UC 27
(november 1917)
U 34
(januari 1918)
UB 128
(mei 1918)
SMS Schlesien
Abwehr
(1935-1944)
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Slag bij Coronel
Slag bij de Falklands
Slag om Más a Tierra
Spaanse Burgeroorlog
Tweede Wereldoorlog

 


Georg Elser

Johann Georg Elser (Hermaringen, 4 januari 1903 - Dachau, 9 april 1945) was een Duitse meubelmaker die zich tegen het nationaalsocialisme verzette. Hij pleegde op 8 november 1939 in de Bürgerbräukeller in München een bomaanslag op Adolf Hitler en de leidinggevende figuren van de NSDAP.
Aanleiding voor de aanslag
Elser, die timmerman/meubelmaker was, was aanvankelijk antinazi vanwege zijn linkse sympathieën. Hij verafschuwde de onderdrukking van links en van de burgerrechten in het algemeen. Begin jaren 30 was zijn voornaamste argument tegen Hitler de onderdrukking van de arbeiders ten gunste van het grootkapitaal. Elser weigerde de Hitlergroet te brengen of naar Hitlers radiotoespraken te luisteren.
Na drie maanden werkloosheid begon hij in december 1936 als hulparbeider in de lichtarmaturenfabriek Waldenmaier te Heidenheim te werken, aanvankelijk als polijster, maar vanaf de zomer 1937 op de expeditieafdeling waar hij de binnenkomende goederen behandelde. Daar merkte hij dat er binnen het bedrijf ook een "speciale afdeling" was waar kruit en ontstekingsmechanismen verwerkt werden. Tijdens deze periode raakte hij steeds sterker overtuigd van de rampzalige invloed van het nazibewind op de levensomstandigheden van de arbeiders, bovendien werd het volgens Elser in 1938, als gevolg van de Oostenrijkse Anschluss in maart en de annexatie van het Tsjechische Sudetenland via diplomatieke weg in oktober, duidelijk dat Hitler uit was op oorlog. Volgens Elser zou dit slechts leiden tot de vernietiging van Duitsland. Hij kwam tot de conclusie dat de enige manier om dit te vermijden de dood van de Nazileiding was, te weten Adolf Hitler, Hermann Göring en Joseph Goebbels.
Elser woonde op 8 november 1938 Hitlers jaarlijkse toespraak in de Bürgerbräukeller bij, waar de mislukte Bierhalleputsch van 1923 werd herdacht. Hij merkte op dat het evenement slecht beveiligd was terwijl meerdere nazikopstukken, inclusief Hitler, bij elkaar kwamen. Daarna maakte hij de Kristallnacht mee, die hem over zijn laatste reserves heen hielp. Een regering die tot dergelijk geweld in staat was zou, volgens Elser, ook weinig scrupules hebben om een internationale oorlog te beginnen.
Voorbereiding en uitvoering van de aanslag
Elser had nu een jaar de tijd om zijn aanslag voor te bereiden. Al tijdens zijn baan op de expeditieafdeling bij Waldenmaier had hij een voorraad kruit weten te stelen. Toen hij daar in maart 1939 opstapte na een conflict met een ander personeelslid solliciteerde hij doelbewust naar een baan in een steengroeve in het nabije Königsbronn met de bedoeling er nog meer explosieven te stelen voor zijn bom. Hoewel hij er zelf niet met springstoffen werkte, kon hij, mede door de slordige manier waarop de voorraden beheerd werden, in meerdere diefstallen voldoende materiaal ontvreemden voor de geplande aanslag. Door een arbeidsongeval, waarbij hij een beenbreuk opliep, beschikte Elser vanaf medio mei over twee maanden tijd waarin hij zich volledig kon toeleggen op het ontwerpen van een zelfgemaakt ontstekingsmechanisme. Hiervoor dacht hij een geweerkogel te gebruiken die hij gestuurd door een tijdmechanisme zou afvuren op een van de gestolen springbuisjes, die de eigenlijke bom zou doen ontploffen. Half juli was hij klaar met zijn ontwerp en testte hij dit meermaals succesvol uit in de boomgaard van de ouderlijke woning. Zijn job in de steengroeve liet hij voor wat ze was en op 5 augustus verhuisde hij naar München onder het voorwendsel daar een baan als meubelbewerker te hebben gevonden.
Na zijn eerste bezoek aan de Bürgerbräukeller in november 1938 was hij er in april 1939 al een eerste keer teruggekeerd om de nodige opmetingen te maken van de steunpilaar waarin hij de springlading wilde verbergen. Bij die gelegenheid had hij er zelfs tevergeefs gepoogd een baan te krijgen. Gedurende meer dan 30 nachten liet Elser zich telkens insluiten en wist hij op de bovengalerij van de grote zaal ongemerkt de steunpilaar, die zich pal achter de plek bevond waar Hitler zijn jaarlijkse toespraak hield, voldoende uit te hollen om ruimte te maken voor zijn bom.
Dit moeizame werk, dat hij zo stil mogelijk diende uit te voeren met wat handgereedschap, kon hij voor de dagelijkse bezoekers verstoppen door de houten lambrisering rond de pilaar een eerste keer los te wrikken en om te bouwen tot een deurtje dat hij makkelijk kon verwijderen en terugplaatsen. Elke nacht na enkele uren werken verstopte Elser zich in een afgeschermde opslagruimte op de bovengalerij om te rusten en er het puin te verbergen, tot de zaal 's morgens tussen zeven en acht terug geopend werd waarna hij ongemerkt verdween. Slechts één keer werd Elser bij het verlaten van de opslagruimte ontdekt door een bediende van de zaak die een kartonnen doos kwam halen. Zonder enig woord te spreken verdween deze, om kort nadien terug te komen met de directeur. Elser, die ondertussen aan een tafeltje op de galerij was gaan zitten, wist zich met een smoes uit de situatie te redden, en de ontdekking bleef zonder gevolg. Begin november was Elser klaar met het uithollen en op 2 en 3 november bracht hij de explosieven aan. In de nacht van 5 op 6 november plaatste hij het zelfgemaakte tijdsgestuurde ontstekingsmechanisme en stelde hij het in op 8 november 21.20. Dit tijdstip was bepaald op basis van de duur van Hitlers toespraak in 1938, toen hij zelf aanwezig was, en deze van de voorgaande jaren. Tijdens de laatste nacht voor de geplande ontploffing controleerde hij of het tijdsmechanisme nog steeds liep, waarna hij München definitief verliet.
De aanslag op Hitler mislukte doordat Hitler wegens het slechte weer niet per vliegtuig maar met de trein naar Berlijn terugkeerde. Daarom was hij eerder met de toespraak begonnen en vroeger vertrokken dan verwacht. Om 21.20 uur ontplofte de bom, een deel van de bierkelder stortte in. Hitler had het pand op dat moment zo'n acht minuten eerder verlaten. Bij de aanslag vielen 63 gewonden en kwamen acht mensen om het leven, onder wie zeven leden van de NSDAP. Het vertrek van Hitler hing samen met de voorbereiding van het offensief in het westen, dat uiteindelijk uitgesteld zou worden tot mei 1940. In totaal werden er 42 aanslagen op Hitler gepland of uitgevoerd.
Vlucht, vervolging en gevangenschap
Elser was al bij de opzet van zijn aanslag van plan naar Zwitserland te vluchten. Vanuit München vertrok hij richting Konstanz bij de Duits-Zwitserse grens, een stad die hij goed kende doordat hij er jarenlang gewoond en gewerkt had. Bij zijn poging om, nog voor het afgaan van de bom, op 8 november om kwart voor negen 's avonds de grens ongezien over te steken werd hij door twee grensbewakers opgemerkt en meegenomen voor ondervraging naar de douanepost. Het feit dat hij de grensbewakers een verlopen grenspas toonde, die hij nog bezat uit de periode dat hij in Konstanz woonde en in Zwitserland werkte, maakte hem verdacht. Voor verdere ondervraging werd hij overgebracht naar de Gestapo te München waar hij uiteindelijk de aanslag zou bekennen. Tijdens zijn verhoor zei hij dat hij Hitler had willen ombrengen om zo de slavernij van het Duitse volk en de oorlog te beëindigen. Elser werd afgevoerd naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Berlijn waar men hem onder foltering verder ondervroeg in de hoop dat hij er toe zou komen mededaders en opdrachtgevers te verraden. Voor propagandadoeleinden had het regime immers al gesproken van een complot door de Britse geheime diensten, en men kon nauwelijks geloven dat Elser alleen had gehandeld. Ze achtten één persoon immers niet in staat om zo'n aanslag alleen te plannen en uit te voeren. De Gestapo liet Elser zelfs het zelfgebouwde mechanisme nabouwen in de gevangenis en in de Bürgerbräukeller demonstreren hoe hij de pilaar had uitgehold en de bom geplaatst. Ook verschillende familieleden werden opgepakt, naar Berlijn gebracht voor ondervraging en met Elser geconfronteerd om hun eventuele betrokkenheid te achterhalen.
Toen eenmaal duidelijk werd dat Elser inderdaad alleen gehandeld had, werd hij in Sachsenhausen en uiteindelijk in Dachau opgesloten. Daar kreeg hij een kamer voor zichzelf en een naar verhouding betere behandeling. Andere gevangenen, zoals Martin Niemöller, meenden daarom zelfs dat Elser helemaal geen echte gevangene maar een SS'er was, en dat de aanslag opgezet was om Hitler een aura van onkwetsbaarheid te bezorgen. De ware reden was echter dat de nazi's Elser na de overwinning in een showproces wilden veroordelen en uiteindelijk terechtstellen. Kort voor het einde van de oorlog liet Hitler in een laatste aanval van rancune een aantal politieke opponenten vermoorden. Elser was een van hen en werd op Hitlers bevel op 9 april 1945 met een nekschot omgebracht. Elser wordt door Geert Mak in diens boek In Europa een lichtpuntje genoemd in een overigens donkere periode.
Gedenktekens
Op 11 april 2010 is op het station van Königsbronn een 2,20 meter hoog standbeeld van Elser onthuld. Voor deze plaats is gekozen omdat hij hiervandaan naar München reisde, waar hij later de aanslag zou plegen.
Op initiatief van Rolf Hochhuth werd een gedenkteken voor Georg Elser opgericht op de plaats van de voormalige Hitlerbunker in Berlijn. De 17 meter hoge sculptuur van Ulrich Klages werd op 8 november 2011 onthuld

Geboren 4 januari 1903 
Hermaringen , Württemberg , Duits rijk
Ging dood 9 april 1945 (42 jaar) concentratiekamp Dachau , Duitsland
Doodsoorzaak Uitgevoerd voor moord
Nationaliteit Duitse
Bezetting Timmerman
Bekend om Proberen om Adolf Hitler te vermoorden

 

Portretbuste van Georg Elser uit 2008 in Berlijn van Kay Winkler

 


Engelmar Unzeitig

Engelmar Unzeitig (* 1 maart 1911 te Greifendorf bij Zwittau - † 2 maart 1945), geboren als Hubert Unzeitig, was een Duitse priester die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp Dachau stierf. Hij behoorde tot de Congregatie der Missionarissen van Mariannhill en nam de naam "Engelmar" aan toen hij tot de orde toetrad. Unzeitig werd wegens zijn goede werken in het kamp de "Engel van Dachau" genoemd,
In 2016 bevestigde paus Franciscus dat Unzeitig in odium fidei (in de haat van het geloof) stierf, dat dient als één van de voorwaarden voor zijn zaligverklaring dat in de herfst van 2016 zal plaatsvinden.
Leven
Op 17-jarige leeftijd begon hij met zijn studie voor het priesterschap en sloot hij zich aan bij de Missionarissen van Mariannhill en kreeg de naam Engelmar. Oorspronkelijk zou Unzeitig missionaris worden. Na de studie Theologie en Filosofie in Würzburg werd hij in 1939 tot priester gewijd. Op 15 augustus 1939 droeg hij zijn eerste Heilige Mis op in zijn geboorteplaats Greifendorf en werd daarna priester in Glöckelberg bij Krummau in het Bohemer Woud.
Zowel in het geloofsonderricht als van de kansel protesteerde Unzeitig tegen de vervolging van de Joden. In het begin van 1941 arresteerde de Gestapo Unzeitig op beschuldiging van kwaadaardige opmerkingen en de verdediging van de Joden. Zonder proces werd hij na zes weken detentie in Linz aan de Donau op 8 juni 1941 naar het concentratiekamp Dachau getransporteerd. Toen in 1944 een tyfus-epidemie uitbrak, meldde hij zich vrijwillig om de zorg voor de zieken op zich te nemen. Honderden stervenden, waaronder veel Russen, schonk hij de laatste sacramenten. Andere kampbewoners redde hij van de hongerdood door hen zijn eigen eten te geven. Ten slotte stierf hij zelf aan vlektyfus.
Door medegevangenen en overlevenden werd Unzeitig de "Engel van Dachau" en de "Maximiliaan Kolbe van de Duitsers" genoemd.
Unzeitig's as werd op avontuurlijke wijze uit het concentratiekamp gesmokkeld en begraven op de gemeentelijke begraafplaats in Würzburg. In 1968 werd de urn naar de kapel van de Mariannhiller Heilig Hartkerk te Würzburg overgebracht, alwaar men een herdenkingsplek inrichtte.
De plaats Glöckelberg werd na de verdrijving van de Sudeten-Duitsers geheel verwoest. Een uitzondering vormde de kerk, die na de Wende van 1989-1990 werd gerenoveerd. De kerk wordt tegenwoordig ter nagedachtenis aan Unzeitig zowel door Duitsers als Tsjechen voor de eredienst gebruikt.
Zaligverklaring
Nadat het proces om Unzeitig zalig te verklaren in 1991 werd ingezet, ondertekende paus Benedictus XVI in 2009 een decreet van de Congregatie voor de Heilig- en Zaligsprekingsprocessen, dat Unzeitig de heldhaftige deugdzaamheid toeschrijft. Op 22 januari 2016 bevestigde paus Franciscus het martelaarschap, waarmee aan de beslissende voorwaarden is voldaan voor de zaligverklaring.

Engelmar Unzeitig

 


Kurt Gerstein

Kurt Gerstein (Münster, 11 augustus 1905 – Parijs, 25 juli 1945), was een Duits ingenieur en verzetsstrijder.
Gerstein was vennoot in de machinefabriek De Limon Fluhme & Co. te Düsseldorf, productiebedrijf voor automatische smeerinstallaties voor locomotieven, Knorr- en Westinghouse-remmen. Gerstein was een mijnbouwkundige en een gediplomeerd ingenieur, die op 27 september 1936 wegens staatsgevaarlijke activiteiten uit de Hogere Pruisische Mijnbouwdienst werd verwijderd. Hij werd na de oorlog bekend door zijn pogingen als lid van de SS om de Holocaust te stoppen.
Politieke activiteiten
Gerstein was sinds zijn studietijd actief in de protestantse jeugdbeweging en naar eigen zeggen aanhanger van de conservatieve politici. Vanaf juni 1933 werd hij door de Gestapo vervolgd wegens christelijke acties tegen de nazistaat. Op 2 mei 1933 was hij lid geworden van de NSDAP, maar op 2 oktober 1936 werd hij uit de NSDAP gezet wegens staatsgevaarlijke (religieuze) activiteiten voor de belijdeniskerk. Gelijktijdig werd hij uitgesloten als ambtenaar uit de staatsdienst. Op 30 januari 1935 werd hij wegens verstoring van een partijplechtigheid in het Stadstheater van Hagen - de opvoering van het drama "Wittekind" - publiekelijk afgerammeld en raakte hij gewond. Op 27 november 1935 slaagde hij voor het examen mijnbouwkundige op het ministerie van Economische Zaken in Berlijn. Tot aan zijn arrestatie op 27 september 1936 was hij rijksambtenaar bij het bestuur van de Saar-mijnen in Saarbrücken. Deze eerste arrestatie volgde op de verzending van 8.500 staatsvijandige brochures aan alle directeuren van de ministeries en hogere justitiefunctionarissen in Duitsland. Door zijn financiële onafhankelijkheid kon hij de kosten hiervoor zelf dragen. Na enkele weken schutzhaft werd Gerstein op 18 oktober vrijgelaten. Hij studeerde medicijnen in Tübingen aan het Duitse Instituut voor de Uitzending van Medici. Op 14 juli 1938 volgde zijn tweede aanhouding, waarna hij wegens staatsvijandige activiteiten werd opgesloten in de Gestapo-gevangenis te Welzheim. Dit keer werd hij na zes weken weer vrijgelaten.
SS-lidmaatschap
Gerstein werd op 10 maart 1941 lid van de Waffen-SS , naar eigen zeggen omdat hij meer wilde weten over de dood van zijn geesteszieke schoonzus Bertha Ebeling in de psychiatrische inrichting in Hadamar. Geruchten gingen dat de SS verantwoordelijk was voor haar dood en die van andere gehandicapten in psychiatrische instellingen. Na zijn training werd hij in juni 1941 overgeplaatst naar het Hygiene-Institut der Waffen-SS.Hij construeerde verplaatsbare en plaatsgebonden ontsmettingsinstallaties voor de troepen, voor gevangenkampen en concentratiekampen om hiermee de vlektyphusgolf van 1941 in de kampen in te dammen. Wegens zijn succes werd hij gepromoveerd tot Leutnant en Oberleutnant. In januari 1942 werd hij afdelingschef bij de afdeling Gezondheidstechniek. Als afdelingschef werd hij gevraagd om in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka het blauwzuurgas Zyklon-B te implementeren voor het vermoorden van Joden. Dat zou uiteindelijk niet gebeuren, aangezien in deze kampen de voorkeur gegeven werd aan koolstofmonoxide.
Verzetsheld
In augustus 1942 werd Gerstein op een missie naar Polen gezonden, waar hij in vernietigingskamp Belzec getuige was van hoe honderden Joden werden vermoord met koolstofmonoxide. Geschokt door wat hij gezien had, wilde hij de wereld waarschuwen voor de massamoord op de Joden. Hij legde contact met de katholieke kerk en met de Zweedse diplomaat Göran von Otter. Hij probeerde ook de geallieerden te bereiken via een vriend in Nederland, J.H. Ubbink.Het rapport bereikte de Nederlandse regering in Londen. Op 8 mei 1943 schreef Otto Cornelis Adriaan van Lidth de Jeude een samenvatting van het rapport in zijn dagboek.Hij bleef tegelijkertijd echter tot het einde van de oorlog actief binnen de SS en zorgde voor de levering van Zyklon-B aan vernietigingskampen, hoewel na de oorlog niet onomstotelijk bewezen kon worden dat met het door hem geleverde gifgas mensen gedood werden. Zelf beweerde hij meerdere leveringen gesaboteerd te hebben. In zijn positie als SS’er probeerde hij aanvankelijk nog een brug te slaan tussen zijn opvattingen over christendom en nazisme. Toen hij weet had van wat er zich in de vernietigingskampen afspeelde, kreeg hij het hier steeds moeilijker mee, getuige de brieven aan zijn vader, de rechter Ludwig Gerstein. Hij was ervan overtuigd dat Duitsland de oorlog zou verliezen en besloot zijn werk als SS'er te blijven doen, opdat hij na de oorlog als getuige kon optreden.
Arrestatie en overlijden
Op 22 april 1945 gaf hij zich over aan de Fransen. Hij werd aanvankelijk beschouwd als getuige van nazimisdaden en schreef zijn getuigenis, die bekend is komen te staan als het Gersteinrapport. Op 5 juli 1945 werd hij als verdachte gevangengezet in de militaire gevangenis Cherche-Midi in Parijs. Volgens de officiële versie kwam Kurt Gerstein om door zelfmoord. Er zijn echter ook mensen, waaronder zijn eigen vrouw, die niet geloofden dat hij zelfmoord gepleegd heeft. Ze zijn ervan overtuigd dat hij vermoord is door zijn bewakers of door Duitse medegevangenen die wilden voorkomen dat hij zou spreken over de nazimisdaden. Hij werd begraven op de cimetière parisien de Thiais.
Rehabilitatie
In 1953 werd Gersteins getuigenis van de vergassing in Belzec voor het eerst in Duitsland gepubliceerd door de historicus Hans Rothfels, die Gerstein beschreef als "consequente verzetsstrijder". Van grote invloed op Gersteins bekendheid was het toneelstuk Der Stellvertreter uit 1963 van Rolf Hochhuth. In het stuk werd Gerstein neergezet als held, terwijl paus Pius XII bekritiseerd werd vanwege zijn zwijgen tijdens de oorlog over de genocide op de Joden. De speelfilm Amen van Costa-Gavras uit 2002 werd gebaseerd op dit toneelstuk. Na een campagne ter rehabilitatie van Gerstein werd hij op 1965 door Kurt Georg Kiesinger, de toenmalige minister-president van Baden-Württemberg, onschuldig verklaard aan nazi-oorlogsmisdaden

Kurt Gerstein.jpg

Kurt Gerstein
Geboren 11 augustus 1905
Münster (Westfalen, Duitse Keizerrijk
Overleden 25 juli 1945
Parijs, Frankrijk
Begraven Thiais, Val-de-Marne, Frankrijk
Land/partij Flag of the German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Flag of the Schutzstaffel.svg Schutzstaffel
Dienstjaren 1941 - 1945
Rang HH-SS-Obersturmfuhrer-Collar.png Shoulder-wss-ill-obersturmf.jpg
SS-Obersturmführer
Eenheid SA-Logo.svg Sturmabteilung
Instituut voor Hygiëne van de Waffen-SS
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

 


Carl Friedrich Goerdeler

Carl Georg Goerdeler (Schneidemühl, 31 juli 1884 - Berlijn, 2 februari 1945) was een Duits politicus en verzetsstrijder die betrokken was bij het Complot van 20 juli 1944.
Biografie
Achtergrond, opleiding en vroege carrière

Carl Georg Goerdeler stamde uit een Pruisische ambtenarenfamilie. Hij was de zoon van Dr. Julius Goerdeler, rechter en Adelheid Roloff. Hij studeerde net als zijn drie broers rechten (1902 tot 1905, te Tübingen en Königsberg). Tijdens zijn studie was hij lid van de Turnerschaft Eberhardina Tübingen ("Turnvereniging Eberhardina Tübingen"). In 1911 sloot hij zijn opleiding te Göttingen af met een Assessorexamen (dat wil zeggen ambtenarenexamen).
Carl Georg Goerdeler trad in 1911 in het huwelijk met Anneliese Ullrich, de dochter van een arts. Het echtpaar kreeg twee dochters en drie zonen.
Carl Goerdeler werd in 1912 wethouder van Solingen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als officier en wetgevingsexpert in het door Duitsland bezette Wit-Rusland. Na de Eerste Wereldoorlog, in 1920, werd hij lid van de conservatieve Deutschnationale Volkspartei (DNVP, Duitse Nationale Volkspartij). Hij was democratischer dan zijn medepartijgenoten, ofschoon hij altijd een deftige conservatieve monarchist bleef.
Tijdens het interbellum hield hij zich als politicus veel bezig met economische vraagstukken. Hij had een conservatieve kijk op de economie en aanvankelijk had hij een zekere sympathie voor de economische plannen van de NSDAP. Hij raakte echter al snel teleurgesteld in de nazi's en verliet in 1931 de DNVP toen deze partij met de NSDAP ging samenwerken.
Burgemeester en tegenstander van de nazi's
Van 1920 tot 1930 was hij tweede burgemeester (Zweite Bürgermeister) van Königsberg en sinds 23 mei 1930 was hij burgemeester (Oberbürgermeister) van Leipzig. Zijn vriend, rijkskanselier Heinrich Brüning, benoemde Goerdeler in 1931 tot prijzencommissaris, hetgeen hij tot 1932 bleef. Ondanks dat hij geen lid was van de NSDAP, kon hij als Oberbürgermeister van Leipzig aanblijven. In 1934 werd hij opnieuw benoemd tot prijzencommissaris. Wegens zijn kritiek op het economische beleid (autarkie) van de nazi's, werd hij in 1935 als prijzencommissaris ontslagen. Inmiddels groeide zijn kritiek op de nazi's uit tot regelrechte oppositie. Hij keerde zich niet alleen tegen het economische beleid van de Hitler-regering, maar ook tegen de kerken- en rassenpolitiek van de nazi's. Hij nam als Oberbürgermeister van Leipzig Joodse zakenlieden in zijn stad in bescherming tegen de nazi's.
In november 1936, toen Goerdeler in het buitenland was, vernielden de nazi's het standbeeld van de Duits-Joodse componist Felix Mendelssohn in Leipzig. Goerdeler was woedend en probeerde het standbeeld te laten herbouwen. De nazi's stonden dit echter niet toe. Uit protest stelde hij zich niet meer kandidaat voor de burgemeestersverkiezingen van 1937.
Tussen 1937 en 1939 reisde hij veel naar het buitenland. Hij bezocht Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Canada. Hij sprak met politici, journalisten en industriëlen en waarschuwde voor de agressieve buitenlandpolitiek van de nazi's. Hij sprak ook met Winston Churchill en Robert Vansittart, bij wie hij een luisterend oor vond. Ofschoon een tegenstander van de buitenlandpolitiek van Hitler, eiste hij tijdens zijn gesprekken met buitenlandse vrienden de teruggave van bepaalde na de Eerste Wereldoorlog verloren gegane gebieden aan Duitsland, waaronder de Poolse Corridor, Memelland en de Vrije Stad Danzig, alsook de voormalige Duitse koloniën.
In 1938 verkreeg Duitsland krachtens het Verdrag van München Sudetenland van Tsjecho-Slowakije. Goerdeler - ofschoon hij niet afwijzend stond tegen opzichte van de annexatie van Sudetenland - schreef teleurgesteld aan een Amerikaanse vriend dat de ontevredenheid onder de generale staf over Hitlers bewind dankzij de annexatie van Sudetenland was verdwenen[4]. De kans op een putsch - die reëel was - was (voorlopig) verkeken.
Carl Goerdeler verzamelde nadien enkele conservatieve politici, militairen en industriëlen om zich heen. Onder hen bevonden zich de diplomaat Ulrich von Hassell, generaal Ludwig Beck en de voormalige minister van Financiën van Pruisen Johannes Popitz. Samen met Popitz schreef hij een voorlopige grondwet voor het Duitsland na Hitler (Vorläufiges Staatsgesetz). In het nieuwe Duitsland moest volgens Goerdeler een sterke uitvoerende macht bestaan (het liefst onder een keizer, anders onder een staatspresident), de autonomie van de deelstaten moest worden hersteld en de Rijksdag moest bestaan uit vertegenwoordigers van de kerken en beroepsgroepen. Al met al zag het Duitsland van Goerdeler er niet echt democratisch uit.
Dankzij contacten met zijn vriend ds. Dietrich Bonhoeffer, was hij in staat om een aantal hoogleraren aan de Universiteit van Freiburg, zoals Adolf Lampe, Erich Wolff, Walter Eucken, Constantin von Dietze en Gerhard Ritter ("Freiburger Cirkel") bij zijn verzetsgroep te betrekken.
Goerdeler onderhield gedurende de Tweede Wereldoorlog ook contacten met sociaaldemocraten, zoals Wilhelm Leuschner en vakbondsbestuurders, zoals Jakob Kaiser.
Luitenant-Generaal Henning von Tresckow en Beck vroegen Goerdeler om na de omverwerping van het naziregime regeringsleider (kanselier) te worden. Goerdeler was bereid de post van regeringsleider in een anti-naziregering te worden. Generaal Beck zou in dat geval rijksbestuurder (= staatshoofd) worden.
Anders dan de Kreisauer Kreis ("Kring van Kreisau"), een verzetsbeweging die er Christelijk-socialistische denkbeelden op na hield, waren Goerdeler en zijn medestanders voorstander van het laissez-faire kapitalisme (ongebreideld kapitalisme). In 1943 schreef hij brieven aan Duitse generaals waarin hij hen opriep om Hitler af te zetten. Goerdeler wilde dat Hitler voor de rechter verscheen om verantwoording af te leggen. Hij was een tegenstander van een moordaanslag op Hitler. Overigens vond hij het niet bezwaarlijk als Hitler tijdens een rechtszaak ter dood zou worden veroordeeld. Sommige leden van de Kreisauer Kreis hadden kritiek op Goerdelers verzet tegen een moordaanslag en zij ergerden zich ook aan Goerdelers plannen om de monarchie opnieuw in te voeren. Goerdelers anticommunisme zagen zij als een sta in de weg.
Arrestatie en berechting
Op 20 juli 1944 pleegde kolonel Claus Schenk Graf von Stauffenberg een mislukte aanslag op Hitler. Op 25 juli 1944, toen men er achter was gekomen dat de samenzweerders Goerdeler tot kanselier zouden hebben benoemd als coup zou zijn geslaagd, vaardigde de Gestapo een arrestatiebevel uit[5]. Goerdeler was echter nergens te vinden en de Gestapo plaatste een beloning van 1 miljoen rijksmark op zijn hoofd.
Op 20 juli had Goerdeler Berlijn verlaten en hij zwierf van het ene naar het andere onderduikadres. Op 25 juli keerde hij naar Berlijn terug en leefde ondergedoken bij vrienden. Omdat hij wist dat hij zijn vrienden in gevaar bracht, vertrok hij op 8 augustus met een rugzak uit Berlijn om zijn geboortehuis in West-Pruisen te bezoeken. Op 10 augustus bereikte hij Mariënburg en bracht de nacht door op het station. De dagen hierna zwierf hij door zijn geboortestreek. Op 12 augustus werd hij in een herberg door een vrouw herkend. Hij werd door de Gestapo gearresteerd toen hij de bossen probeerde in te vluchten.
Op 9 september 1944 werd Goerdeler door het Volksgerichtshof (Volksgerechtshof) ter dood veroordeeld. Zijn straf werd echter niet direct voltrokken. Men probeerde nog informatie bij hem los te krijgen. Hij werd door de Gestapo ondervraagd en gemarteld in de gevangenis Plötzensee. Om tijd te rekken stelde hij lange en ingewikkelde (en, naar bleek, voor de Gestapo nutteloze) verklaringen op. Hij hoopte, nu de Geallieerde overwinning nog korte tijd op zich liet wachten, voldoende tijd te winnen en de oorlog te overleven. Om tijd te winnen verbeterde hij in opdracht van enkele "intellectuelen" van de Gestapo, de administratie van de gevangenis[6].
Op 2 februari 1945 werd de zestigjarige Carl Friedrich Goerdeler op aandrang van de rijksminister van Justitie, Otto Georg Thierack[1], op de binnenplaats van de gevangenis Plötzensee opgehangen.
Trivia
De vrouw die Goerdeler in de herberg herkende kreeg van Hitler persoonlijk de beloning van 1 miljoen rijksmark overhandigd. Later zou de vrouw veel spijt krijgen van de fout die zij had gemaakt, en zij raakte het geld nauwelijks aan[5].
In Leipzig is een deel van de stadsringweg, de Goerdelerring naar Goerdeler vernoemd.
In heel Duitsland zijn diverse straten naar Goerdeler vernoemd.
Sinds 1999 bestaat de Carl Goerdelerpreis für kommunalwissenschaft, die wordt uitgereikt aan gemeentepolitici.
In Duitsland bestaat de Carl und Anneliese Goerdeler-Stiftung.

Carl Goerdeler rond 1930

Carl Goerdeler rond 1930
Geboren 31 juli 1884, Schneidemühl, Posen, Pruisen (hedendaags Polen)
Overleden 2 februari 1945, Plötzensee, Berlijn, nazi-Duitsland
Land Duitsland
Ook bekend als Een van de leiders van het conservatief verzet in nazi-Duitsland
Jaren actief

 

 

 

 

Goerdeler in de rechtbank.

 


Albert Göring

Albert Günther Göring (Friedenau, 9 maart 1895 - München, 20 december 1966) was een Duitse zakenman die tijdens het nazi-regime vele Joden en dissidenten wist te redden. Zijn oudere broer Hermann Göring was rijksmaarschalk van nazi-Duitsland en werd tijdens het Proces van Neurenberg vanwege onder meer misdaden tegen de menselijkheid ter dood veroordeeld.
Jeugd
Albert Göring was een zoon van de Duitse jurist en ambtenaar Ernst Heinrich Göring en zijn vrouw Franziska Tiefenbrunn. Alhoewel hij en zijn oudere broer Hermann goed met elkaar op konden schieten, hadden ze verschillende karakters: Hermann vertoonde meer bravoure dan zijn broer, Albert was een neerslachtige jongen. Hij leek uiterlijk zo sterk op zijn peetoom, ridder Hermann Epenstein, dat velen dachten dat deze zijn natuurlijke vader was.
Hij groeide op in de kastelen van Von Epenstein, die als een surrogaatvader voor de vijf kinderen Göring optrad, omdat vader Heinrich vanwege zijn werk veel afwezig was. Albert Göring nam van zijn peetoom diens voorliefde voor het "goede leven" over en werkte, zonder veel succes, als filmmaker in Wenen.
Antinaziactiviteiten
De nazi's kwamen in 1933 in Duitsland aan de macht. Zijn broer Hermann was al sinds 1922 lid van de NSDAP en zou één van de belangrijkste figuren binnen het regime worden. Albert moest van de partij van Adolf Hitler en haar ideologie totaal niets hebben. Hij was een gelovig rooms-katholiek en antisemitisme was hem vreemd. In de jaren voor de Anschluss sprak hij zich regelmatig in het openbaar tegen Hitler uit.
Toen de Duitsers in 1938 Oostenrijk annexeerden, had hij in grote moeilijkheden kunnen raken, maar als hij al werd gearresteerd, was zijn achternaam of rechtstreeks ingrijpen door zijn broer voldoende om hem weer vrij te krijgen. Göring maakte hier dankbaar gebruik van. Zo zag hij een keer een groep Joden, die door de SS gedwongen werd de straat te schrobben. Zonder zich te bedenken trok hij zijn jas uit, ging ook op handen en knieën en deed met hen mee. Daarop beëindigde de verantwoordelijke SS-officier deze openbare vernedering.
Albert Göring maakte zich zeer verdienstelijk door velen te helpen het land te verlaten. Zijn oude werkgever, de filmproducent Oskar Pilzer, was Joods en toen deze werd gearresteerd wendde Göring zijn invloed aan om hem en zijn familie vrij en het land uit te krijgen. Toen de beroemde componist Franz Lehár door de autoriteiten bedreigd werd omdat diens vrouw Joods was, regelde Göring voor haar een Ariër-status. Uit dankbaarheid droeg Lehár later een compositie aan hem op.
Later verhuisde Göring naar Pilsen waar hij exportmanager in de Škoda-fabriek werd. Daar moedigde hij sabotageactiviteiten van het personeel aan waardoor het kon gebeuren dat een inwoner van Rochester na een bombardement een "bom" uit de Škoda-fabriek vond die niet met explosieven maar met zand was gevuld.[2] Ook zond hij ten minste eenmaal een vrachtwagen naar een concentratiekamp onder het mom arbeiders voor zijn fabriek nodig te hebben. Een groot aantal gevangenen werd aan hem overgedragen en door hem diep in de bossen vrijgelaten.
Herhaaldelijk pleitte Albert Göring bij zijn broer voor vrijlating of betere behandeling van individuele Joden en dissidenten. Deze ging vaak op de verzoeken in, waarschijnlijk om Albert te laten zien hoe machtig hij was, maar wellicht zal het voor Hermann ook een goede aanleiding zijn geweest de macht van zijn concurrenten Reinhard Heydrich en Heinrich Himmler in te perken.
Overigens was Albert niet de enige Göring die het opnam tegen de nazi's. Zijn neef Werner was voor de oorlog geëmigreerd naar de Verenigde Staten en vloog 48 missies boven Duitsland in een B-17 (zijn co-piloot had geheime orders hem dood te schieten als hij zou proberen in Duitsland te landen). Zijn neef Henchz woonde in Polen en werd geëxecuteerd toen hij weigerde zijn Joodse buren in de steek te laten toen die door een SS-commando werden uitgeroeid.
Na de oorlog
Albert Göring werd na de bevrijding gearresteerd en gehoord in Neurenberg. Hij zat twee jaar achter de tralies, enkel en alleen vanwege zijn achternaam. Pas nadat getuigenissen werden afgelegd over zijn daden werd hij 'vrijgelaten'. Voor zijn eigen veiligheid werd hij overgebracht naar Argentinië, waar hij enkele jaren woonde. Er volgden bittere jaren met perioden van werkloosheid, waarin hij financieel werd bijgestaan door mensen wier levens hij gered had.
Daarna woonde hij in München, waar hij werkte als vertaler en ontwerper bij een bouwbedrijf. De man die zijn jeugd doorbracht in kastelen sleet zijn laatste jaren in een klein flatje. Vele jaren na zijn dood was hij totaal vergeten. In het herinneringscentrum Yad Vashem wordt zijn naam niet vermeld. Pas na de publiciteit rond Oskar Schindler, die een paar honderd kilometer van Göring verwijderd vergelijkbare daden had verricht, werd zijn naam aan de vergetelheid ontrukt.

Goering albert2.jpg

Albert Göring in 1936
Geboren Albert Günther Göring 9 maart 1895 Friedenau , Berlijn, Duitsland

Ging dood 20 december 1966 (71 jaar) München , West-Duitsland
Rustplaats Familieperceel Göring, München 
Nationaliteit Duitse
Onderwijs ging naar de Technische Universiteit van München
Alma mater Technische Universität München 
Bezetting Zakenman
Bekend om Anti-nazi-activiteiten
Partner (s) Maria von Ummon (gescheiden) 
Erna von Miltner (gescheiden) 
Mila Klazarova (gescheiden) 
Brunhilde Seiwaldstätter (zijn dood)
Ouders) 
Heinrich Ernst Göring (1839-1913)
Franziska Tiefenbrunn
familie Hermann Göring (broer) 
Edda Göring (nicht) 
Elizabeth Göring (dochter)

 


Hans-Bernd von Haeften

Hans-Bernd August Gustav von Haeften (Berlijn, 18 december 1905 - aldaar, 15 augustus 1944) was een Duits jurist die betrokken was bij het Complot van 20 juli 1944.
Levensloop
Von Haeften was de zoon van generaal-majoor b.d. Hans von Haeften (1870-1937), president van het Reichsarchiv Potsdam en Agnes von Haeften, geb. von Brauchitsch (1869-1945). Hij was de broer van Elisabeth von Haeften (*1903) en eerste luitenant Werner von Haeften (1908-1944), de adjudant van kolonel Claus Schenk von Stauffenberg).
Von Haeften volgde onderwijs aan het Bismarck Gymnasium in Berlin-Wilmersdorf. In 1924 deed hij eindexamen en studeerde rechten. Als uitwisselingsstudent studeerde hij ook enige tijd aan de Universiteit van Oxford. Na zijn afstuderen werkte hij voor de Stresemann Stichting, totdat hij in 1933 in dienst van het Rijksministerie van Buitenlandse Zaken trad. Hij werkte als cultureel attaché in Kopenhagen, Wenen en Boekarest. In 1940 werd hij directeur van het cultureel-politiek departement van het Rijksministerie van Buitenlandse Zaken. Hij weigerde echter om toe te treden tot de NSDAP.
Von Haeften was vanaf het begin een fel tegenstander van de nazi's. Sinds 1933 behoorde hij tot de Bekennende Kirche (Belijdende Kerk). De Bekennende Kirche vormde het protestants-christelijke verzet tegen Hitler. Von Haeften had ook contacten met de Kreisauer Kreis (Kring van Kreisau) en haar leiders, zoals Ulrich von Hassell en Adam von Trott zu Solz. Hij stond ook in contact met militairen, zoals zijn broer Werner en ook Stauffenberg, die Hitler middels een aanslag wilden ombrengen. Hans-Bernd von Haeften wees om religieus-morele redenen een aanslag op Hitler af, maar de militaire samenzweerders wisten Von Haeften wel zover te krijgen om na een aanslag op Hitler de macht over te nemen op het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Op 20 juli 1944 vond de aanslag op Hitler plaats. De aanslag mislukte en Stauffenberg, Werner von Haeften en enige anderen werden nog dezelfde dag terechtgesteld. Hans-Bernd von Haeften werd op 23 juli gearresteerd. Hij stond terecht voor het Volksgerichtshof (Volksgerechtshof). Von Haeften noemde Hitler op 15 augustus 1944 voor het Volksgerichtshof de "beul van het kwaad in de geschiedenis" ("Vollstrecker des Bösen in der Geschichte"). Dezelfde dag werd hij ter dood veroordeeld en op de binnenplaats van de gevangenis Plötzensee opgehangen.
Familie
Hans-Bernd von Haeften trouwde op 2 september 1930 met Barbara Curtius (7 juli 1908 - 1 april 2006). Het echtpaar had vijf kinderen:
Johann-Adam (*1931)
Dirk (1934-2006)
Adda-Benita (*1936)
Dorothea (*1940)
Ulrike (*1944)
Trivia[bewerken]
In Berlin-Charlottenburg werd op 14 juli 1957 de Haeftenzeile naar de gebroeders Von Haeften genoemd.

bron 18 december 1905 
Berlijn, Duitsland
gestorven 15 augustus 1944 (38 jaar) Berlin , Duitsland
Doodsoorzaak Uitvoering door op te hangen
bezetting diplomaat
Bekend om Duits verzet

 


Werner von Haeften

Werner Karl Otto Theodor von Haeften (Berlijn, 9 oktober 1908 - aldaar, 21 juli 1944) was een Duits jurist en Wehrmacht-officier die betrokken was bij de aanslag op Hitler op 20 juli 1944.

Levensloop
Von Haeften was de zoon van generaal-majoor b.d. Hans von Haeften (1870-1937), president van het Reichsarchiv Potsdam en Agnes von Haeften, geb. von Brauchitsch (1869-1945). Zijn zus was Elisabeth von Haeften (*1903) en zijn broer Hans-Bernd von Haeften (1905-1944).

Von Haeften studeerde rechten in Berlijn en werkte daarna als juridisch adviseur voor een bank in Hamburg. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd hij aangesteld als eerste luitenant (Oberleutnant) der reserve en naar het oostfront gezonden. In de winter van 1942 raakte hij zwaargewond. Na te zijn hersteld werd hij in 1943 aangesteld als adjudant van luitenant-kolonel Claus Schenk Graf von Stauffenberg. Von Stauffenberg, die bij gevechten in Noord-Afrika invalide was geraakt, werkte voor de generale staf van het reserveleger (Ersatzheer) aan de Bendlerstrasse.
Von Haeften werd de vertrouweling van Von Stauffenberg en was net als zijn chef een fel tegenstander van Hitler geworden. Von Haeften was nauw betrokken bij de voorbereiding van het complot tegen Hitler. Op 20 juli 1944 begeleidde Von Haeften in zijn hoedanigheid van adjudant Von Stauffenberg naar het Führerhauptquartier Wolfsschanze bij Rastenburg, Oost-Pruisen. Von Haeften was erbij aanwezig toen Von Stauffenberg in een verkleedruimte in één van de barakken in de Wolfsschanze de bom op scherp stelde, om hem vervolgens in zijn aktetas te stoppen[1]. Von Haeften ging hierna naar buiten om met een chauffeur (die overigens niet bij het complot betrokken was) in een auto te wachten. Von Stauffenberg ging naar de kaartenkamer waar Hitler en zijn generaals de situatie aan het oostfront bespraken en zette de tas met de bom onder de tafel en excuseerde zich. Von Stauffenberg - hij moest zogenaamd naar Berlijn bellen - haastte zich naar buiten.
Nadat de bom was ontploft - Stauffenberg was er nu van verzekerd dat Hitler dood was - stapte Von Stauffenberg in de auto die Von Haeften in gereedheid had gebracht en zij snelden zich naar het vliegveld van Rastenburg, waar zij aan boord gingen van een vliegtuig dat hen naar Berlijn bracht. Terug in Berlijn assisteerde hij Von Stauffenberg en de medesamenzweerders bij de uitvoering van de coup. Toen duidelijk werd dat de Hitler nog leefde en de coup mislukt was, werden de samenzweerders, waaronder Von Stauffenberg en Von Haeften, op bevel van generaal Friedrich Fromm op de binnenplaats van het Bendlerblock terechtgesteld.
Hans-Bernd von Haeften, Werners broer, die op de hoogte was van de plannen van de samenzweerders, werd enige dagen later gearresteerd. Hij werd ter dood veroordeeld en opgehangen.
Decoraties
Eisernes Kreuz I. Klasse 1939
Eisernes Kreuz II. Klasse 1939
Verwundetenabzeichen (1939) in Zilver
Verwundetenabzeichen (1939) in Zwart
Trivia[bewerken]
In Berlin-Charlottenburg werd op 14 juli 1957 de Haeftenzeile naar de gebroeders Von Haeften genoemd.

Werner von Haeften in 1939

Werner von Haeften in 1939
Geboren 9 oktober 1908
Berlijn, Duitse Keizerrijk
Overleden 21 juli 1944
Berlijn, Nazi-Duitsland
Land/partij Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Onderdeel Balkenkreuz.svg Heer (Wehrmacht)
Dienstjaren 1939 - 1944
Rang Collar tabs of Offiziere of the Heer.svg Insignia Wehrmacht Heer Oberleutnant
Oberleutnant
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Oostfront
Complot van 20 juli 1944


 


Otto en Elise Hampel

Otto en Elise Hampel waren een paar uit de arbeidersklasse die een eenvoudige manier van protest creëerden toen ze in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog in Berlijn woonden . Ze stelden ansichtkaarten samen die de regering van Hitler hekelden en lieten ze achter in openbare plaatsen in de stad. Ze werden uiteindelijk gevangen, geprobeerd en onthoofd in de Berlijnse Plötzensee-gevangenis in april 1943. Kort na het einde van de oorlog werd hun Gestapo- bestand gegeven aan de Duitse romanschrijver Hans Fallada , en hun verhaal inspireerde zijn roman uit 1947, vertaald in het Engels en gepubliceerd in 2009 zoals Every Man Dies Alone ( Alone in Berlin in the UK).
Leven en verzet 
Otto Hampel (21 juni 1897 - 8 april 1943) werd geboren in Mühlbock , een voorstad van Wehrau , nu in Polen, maar toen een deel van Duitsland. Hij diende in de Eerste Wereldoorlog en was later fabrieksarbeider.
Elise Lemme (27 oktober 1903 - 8 april 1943) werd geboren in het Bismark- gebied van Stendal . Haar opleiding duurde slechts via de lagere school . Ze werkte als een huisgenoot en was lid van de National Socialist Women's League .
Het paar trouwde in 1935. Nadat ze hadden gehoord dat de broer van Elise in actie was gedood, ondernam de Hampels inspanningen om het verzet tegen het Derde Rijk aan te moedigen .Vanaf september 1940 tot aan hun arrestatie in de herfst van 1942, schreven ze met de hand meer dan 200 ansichtkaarten in postbussen en lieten ze achter in trappenhuizen in Berlijn, vaak in de buurt van Wedding , waar ze woonden.
De ansichtkaarten spoorden mensen aan om te weigeren samen te werken met de nazi's, af te zien van het doneren van geld, het weigeren van militaire dienst en het omverwerpen van Hitler.Hoewel bijna alle ansichtkaarten onmiddellijk naar de Gestapo werden gebracht , duurde het twee jaar voordat de Gestapo het paar vond.De Hampels werden in het najaar van 1942 aan de kaak gesteld en werden gearresteerd. Otto verklaarde aan de politie dat hij blij was om te kunnen protesteren tegen Hitler en het Derde Rijk. Tijdens het proces in het Volksgerichtshof , het nazi-'People's Court', werden de Hampels veroordeeld voor Wehrkraftzersetzung en voor 'voorbereiding op hoogverraad '. Ze werden allebei onthoofd op 8 april 1943 in dePlötzensee-gevangenis , Berlijn. 
Legacy 
Hun leven was gefictionaliseerd in de roman van Hans Fallada, waarin zij Otto en Anna Quangel worden genoemd, en het is hun zoon die wordt gedood in plaats van de broer van de vrouw.  De Engelstalige versie van het boek uitgegeven door Melville House Publishing bevat een appendix met enkele pagina's uit het eigenlijke Gestapo-bestand, inclusief mug shots, ondertekende bekentenissen, politierapporten en verschillende van de daadwerkelijke ansichtkaarten gebruikt in het protest. 
Er zijn vijf schermaanpassingen van de roman: Jeder stirbt für sich allein , geregisseerd door Falk Harnack in West-Duitsland in 1962; een televisie-miniserie onder leiding van Hans-Joachim Kasprzik [9] en geproduceerd door DEFA in Oost-Duitsland in 1970; een filmversie geregisseerd door Alfred Vohrer in 1975, uitgebracht in het Engels als Everyone Dies Alone in 1976; en het werd in 2004 tot een driedelige televisie-miniserie in Tsjechië gemaakt , geregisseerd door Dušan Klein (cs ) . Hildegard Knef portretteerde "Anna Quangel". Een 2016 film Alone in Berlijn , met Emma Thompson en Brendan Gleeson als Anna en Otto, werd geselecteerd om mee te dingen naar de Gouden Beer op het 66e Internationale Filmfestival van Berlijn .

Elise en Otto Hampel

Gedenkplaat op de site van de voormalige residentie van de Hampels, Amsterdamer Straße 10 in Berlijn

 


Ulrich von Hassell

Christian August Ulrich von Hassell (Anklam, 12 november 1881 - Berlijn, 8 september 1944), was een Duits politicus en diplomaat die betrokken was bij het Duitse verzet tegen Hitler.
Biografie
Ulrich von Hassell was de zoon van eerste luitenant (Oberleutnant) Ulrich von Hassell en Margarette von Stosch. Tussen 1899 en 1903 studeerde hij rechten en economie aan de universiteiten Lausanne, Tübingen en Berlijn. Tijdens zijn studie was hij actief lid van de studentenvereniging Corps Suevia Tübingen. Na zijn studie verbleef hij enige tijd in Qingdao (toentertijd een Duitse kolonie) en Londen. Sinds 1909 werkte hij als ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Ulrich von Hassell trad in 1911 in het huwelijk met Ilse von Tirpitz, dochter van grootadmiraal Alfred von Tirpitz. Het echtpaar kreeg vier kinderen. In het jaar van zijn huwelijk werd Von Hassell benoemd tot viceconsul in Genua.
Ulrich von Hassell nam tijdens de Eerste Wereldoorlog dienst in het Duitse leger. Tijdens Eerste Slag bij de Marne werd Von Hassell in de borst geraakt (8 september 1914). Later in de oorlog fungeerde hij als adviseur en privésecretaris van grootadmiraal Von Tirpitz. In september 1917 was hij medeoprichter van de nationalistische Deutsche Vaterlandspartei (Duitse Vaderlandspartij). Hij werd gekozen tot vicevoorzitter van de Deutsche Vaterlandspartei onder grootadmiraal Von Tirpitz en Wolfgang Kapp. De Deutsche Vaterlandspartei, waarbij zich veel invloedrijke Duitsers aansloten, was voorstander van een Groot-Duitsland onder keizer Wilhelm II van Duitsland, annexatie van grote stukken Rusland en tegenstander van vredesonderhandelingen met de Entente. Het annexionisme van de Deutsche Vaterlandspartei beïnvloedde de NSDAP sterk.
In november 1918, na de omverwerping van de monarchie, trad Von Hassell uit de Deutschen Vaterlandspartei (die in december 1918 werd opgedoekt) en sloot zich aan bij de Deutschnationale Volkspartei (DNVP, Duitse Nationale Volkspartij). De DNVP stond kritisch tegenover de Weimarrepubliek en streefde naar herstel van monarchie. De DNVP stond algemeen bekend als een ondemocratische partij. Anders dan de meeste leden van de DNVP streefde Von Hassell naar de invoering van een corporatistische standenstaat en distantieerde hij zich van de reactionaire krachten binnen de partij.
Tot aan het begin van de jaren 30 werkte hij als medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Rome, Barcelona, Kopenhagen en Belgrado. In 1932 werd hij benoemd tot Duits ambassadeur in Rome.
Verzet tegen het nazisme
Ulrich von Hassell werd in 1933 lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. Hij was echter geen aanhanger van de nazi-ideologie en werd waarschijnlijk alleen om carrièreredenen lid van de NSDAP. In november 1936 nam hij deel aan de onderhandelingen die uitmondden in de As Rome-Berlijn. Reeds toen werd het hem duidelijk wat de ware bedoelingen achter dit pact waren: een grote oorlog[1]. In 1938 kantte hij zich scherp tegen de totstandkoming van het Anti-Kominternpact dat Duitsland en Italië nauw verbond met Japan. Von Hassell streefde zelf naar een samenwerking van West- en Midden-Europese Christelijke staten ("abendländischen-christliche Einheit Europas"). In 1938, kort na de Blomberg-Fritschaffaire, werd Von Hassell naar Berlijn terug te roepen en van zijn post als ambassadeur in Italië ontheven. In feite was hij sindsdien ambteloos burger, ofschoon hij een erebaantje had bij de uitvoerende commissie van de Centraal-Europese Economische Conferentie[1]. Zijn huis werd een ontmoetingsplaats van ouddiplomaten, aristocraten en leidinggevende figuren, onder wie zich enkele nazi-kritische personen bevonden.
Op 1 september 1939, na de Duitse inval in Polen, werd Von Hassell als hoofd van een delegatie naar Noord-Europese landen gestuurd om de leiders van die staten gerust te stellen dat Duitsland hun landen niet zou aanvallen.
Kort na het beginnen van de Tweede Wereldoorlog legde Von Hassell contacten met enkele conservatieve tegenstanders van Hitler, als Carl Friedrich Goerdeler (voormalig burgemeester van Leipzig) en kolonel-generaal Ludwig Beck. Beiden waren nauw betrokken bij samenzweringen tegen de Führer. Algauw sloot Von Hassell zich aan het verzet tegen Hitler en dankzij zijn lange staat van dienst als diplomaat had hij allerlei contacten in het buitenland. In februari en april 1940 had hij in Zwitserland een geheime ontmoeting met een Britse ambtenaar James Lonsdale Bryans met wie hij sprak over vrede mocht Hitler na een staatsgreep ter zijde zijn geschoven[2]. Verdere contacten tussen Von Hassell en Lonsdale Bryans bleven uit vanwege de Duitse inval in Denemarken en Noorwegen. De Britten waren door deze aanvallen op twee kleine Noord-Europese landen zo verbolgen dat zij geen behoefte meer hadden in onderhandelingen met Duitsers, ook al waren deze Duitsers dan tegenstander van Hitler[2].
Tijdens het verdere verloop van de oorlog trad Von Hassell op als tussenpersoon tussen de oudere conservatieve verzetslieden (Goerdeler, Beck) en de jonge progressieve verzetslieden van de Kreisauer Kreis ("Kring van Kreisau") (Helmuth James von Moltke, Peter Yorck von Wartenburg). Samen met Goerdeler, Beck en Johannes Popitz maakte hij plannen over de inrichting van het binnenlandse bestuur nadat Hitler terzijde was geschoven. Sinds 1943 was hij echter niet meer op de hoogte van de plannen van de voornaamste verzetsleiders[3]. Von Hassell was niet op de hoogte van Claus von Stauffenberg's plannen om Hitler bij een aanslag om te brengen.
Na de mislukte aanslag op Hitler (20 juli 1944), werd Von Hassell, zoals hij reeds zelf voorzag, op 21 juli 1944 aangehouden door de Gestapo en vastgezet in de gevangenis Plötzensee. Op 8 september, na een proces van twee dagen, door het Volksgerichtshof veroordeeld tot de doodstraf. Nog dezelfde dag werd hij geëxecuteerd. Ulrich von Hassell werd 62 jaar oud.

Ulrich von Hassell voor het Volksgerichtshof, 1944
Algemene informatie
Geboren Anklam, 12 november 1881
Overleden Plötzensee, Berlijn, 8 september 1944
Nationaliteit Duits
Beroep Diplomaat
politicus

 

Gedenksteen van Ulrich von Hassell in Berlijn

 


Wolf-Heinrich von Helldorf

Wolf-Heinrich Graf von Helldorff (14 oktober 1896 - 15 augustus 1944) was een Duitse politieambtenaar en politicus, die tijdens de Republiek Weimar als lid van het Pruisische parlement diende als lid van het Duitse parlement voor de Nazi-partij vanaf 1933 en als president van de politie in Potsdam en Berlijn . Vanaf 1938 werd hij geassocieerd met het verzet tegen de nazi's en werd hij in 1944 geëxecuteerd vanwege zijn rol in het complot van 20 juli om het regime van Hitler omver te werpen.
Vroege leven 
Helldorff werd geboren in Merseburg, de zoon van een edele landeigenaar, Helldorff diende als luitenant vanaf 1915 in de Eerste Wereldoorlog. Hij was lid van het Pruisische parlement van 1924 tot 1928, en opnieuw in 1932.
Hij was ook bevriend met de toneelgoochelaar en paranormaal begaafde, Erik Jan Hanussen , die hem voortdurend geld leende voor zijn schulden. 'De graaf had altijd schulden en zijn privéleven was een wrak, hij was gescheiden van zijn vrouw en had slechte bedoelingen met zijn moeder nadat hij zijn belofte om haar huur te betalen, had verloond.Vaak was hij achter in zijn eigen huur. één keer was hij 'vergeten' om voor een nieuwe Mercedes te betalen, en hij betaalde altijd zijn persoonlijke kleermaker en de trainer die hij had ingehuurd voor zijn renpaard.Er waren ook andere schulden, allemaal vanuit een gokgewoonte die Helldorff niet kon afschudden. hij kon altijd rekenen op een hand-out van Hanussen, maar hij hoefde alleen maar een IOU te ondertekenen , die Hanussen zou toevoegen aan zijn groeiende groep van kasten die hij veilig in zijn appartement bewaarde. "
Berlin chief of police
Hij werd lid van de National Socialist Freedom Party in 1924, die als juridisch front diende voor de Nazi-partij toen het na de Beer Hall Putsch werd verboden . De NSFP werd opnieuw opgenomen in de NSDAP in 1926 nadat de laatste opnieuw legaal was gemaakt, en tegen 1931 had Helldorff zich aangesloten bij de SA , functionerend als SA-leider in Berlijn. De reikwijdte van zijn werk werd groter in 1933 toen hij ook de verantwoordelijkheid kreeg voor het leiderschap van de SS 's Berlijn - Brandenburg . Tegelijkertijd werd hij ook gekozen in de Reichstag .
In maart van hetzelfde jaar werd hij benoemd tot Police President van Potsdam en vanaf juli 1935 kreeg hij dezelfde functie in Berlijn, een functie waarin hij het laatste decennium van zijn leven bleef. Helldorff, een verstokte gokker, was berucht vanwege het arresteren van rijke joden, het in beslag nemen van hun paspoorten en het afpersen van enorme steekpenningen om hun vrijlating en vertrek uit Duitsland veilig te stellen
Hij was nauw verbonden met Dr. Joseph Goebbels , Gauleiter van Berlijn en minister van Propaganda en Openbare Verlichting. Als hoofd van de Berlijnse politie speelde Helldorff een belangrijke rol bij het lastigvallen en plunderen van de joodse bevolking van Berlijn in het begin en midden van de jaren dertig. Joseph Goebbels vermeldde in zijn dagboek op 2 juli 1938 dat "... Helldorff een Joods getto in Berlijn wil bouwen, en dat de rijke joden verplicht zijn om de bouw ervan te financieren." Helldorff was het organisatorische brein achter de brandstichting en plundering van de synagogen en joodse bedrijven in de Kristallnacht- pogroms van november 1938.Op 8 november 1938, de dag dat Kristallnacht begon, werd hij in de New York Times geciteerd: "als gevolg van een politieactiviteit in de afgelopen paar weken was de hele joodse bevolking van Berlijn ontwapend".
20 juli Plot 
Er wordt beweerd dat Helldorff reeds in 1938 een vorm van communicatie had met de militaire oppositie tegen Hitler. Dit is vooral het geval in het boek "To the Bitter End" van Hans Gisevius , waarin Helldorff een belangrijke rol speelt in Gisevius 'kring van samenzweerders en anti-nazi's.
Op 20 juli 1944 was hij in gesprek met de couppurs van de staatsgreep. Zijn geplande rol in het complot was om zijn politie ervan te weerhouden zich te mengen in de militaire overname en vervolgens de nieuwe regering te helpen. 
Het feit dat Helldorff de zijde was van de anti-Hitler-beweging in hun poging om Adolf Hitler te vermoorden, leverde hem een ​​plaats op in de geschiedenis als een Duitse verzetsstrijder tegen het regime van de nazi's .
Proef en uitvoering 
Vanwege zijn betrokkenheid bij het complot van 20 juli om Adolf Hitler te vermoorden op het Wolvenhol in Oost-Pruisen , werd Helldorf door Roland Freisler in het Volksgerichtshof veroordeeld en later ter dood gebracht in de Plötzensee-gevangenis . Hitler was zo woedend over de deelname van Helldorf aan de samenzwering dat hij erop stond dat Helldorf moest toezien hoe zijn collega-samenzweerders werden opgehangen voor zijn eigen executie.

Wolf-Heinrich Graf von Helldorf

Wolf-Heinrich von Helldorff
Lid van de Pruisische Landtag
In functie
1924-1928
Lid van de Reichstag
In functie
1933-1944
Chef van de Berlijnse politie
In functie
1935-1944
Persoonlijke gegevens
Geboren 14 oktober 1896 
Merseburg , Duits keizerrijk
Ging dood 15 augustus 1944 (47 jaar oud) Berlin, Duitsland
Politieke partij Nationaal Socialistische Vrijheidspartij (NSFP) 
NSDAP
Militaire dienst
Rang SS-Obergruppenführer

 


Andreas Hermes

Andreas Hermes (Keulen, 16 juli 1878 – Krälingen, 4 januari 1964) was een Duits christen-democratisch politicus, verzetsstrijder en landbouwdeskundige.

Andreas Hermes was afkomstig uit de kleine burgerij. Tussen 1896 en 1906 studeerde Hermes rechten in Bonn en landbouwwetenschappen en filosofie in Berlijn. Vanaf 1901 was hij leraar landbouw in Cloppenburg. Van 1911 tot 1914 was Hermes directeur van het Internationaal Landbouw Instituut te Rome.

In 1920 sloot hij zich aan bij de katholieke Zentrumspartei. Van 1920 tot 1922 was hij minister van Landbouw en van 1921 tot 1923 minister van Financiën. Hermes was van 1924 tot 1928 lid van de Pruisische Landdag en van 1928 tot 1933 lid van de Rijksdag. Hij was tevens voorzitter van de Duitse Boerenvereniging. In die laatste functie werd hij na de machtsovername van de nazi's in 1933 gedwongen om zich naar hun wensen te schikken. In maart 1933 werd hij door nazi's gearresteerd.

In 1936 vertrok Hermes naar de Verenigde Staten en werkte er als economisch adviseur aan de Columbia University.

In 1939 keerde Hermes naar Duitsland terug en nam contact op met het Duitse verzet tegen de nazi's. Hij sloot zich aan bij de katholieke Von Ketteler Cirkel (verzetsgroep). Hij was betrokken bij de plannen van Carl Friedrich Goerdeler en Claus von Stauffenberg om Hitler om te brengen. Als een eventuele aanslag op Hitler gelukt zou zijn, zou Hermes minister van Landbouw zijn geworden in een antinazi-kabinet, geleid door Goerdeler (een oud-burgemeester van Leipzig).

Na de mislukte juli-aanslag op Adolf Hitler door Von Stauffenberg werd Hermes gearresteerd. Op 11 januari 1945 werd hij ter dood veroordeeld. Zijn vrouw wist steeds zijn executie uit te stellen. In april 1945 werd hij door de Sovjets bevrijd.

In mei 1945 werd Hermes raadslid van Berlijn en plaatsvervangend burgemeester. In juni 1945 richtte hij met vrienden de Christlich-Demokratische Union (CDU) op in de Sovjet-bezettingszone in Duitsland. Hermes wil nadrukkelijk een interconfessionele partij, waarin plaats is voor rooms-katholieken en protestanten. Tot december 1945 was hij voorzitter van de Oost-CDU. Hij streefde naar een neutraal en verenigd Duitsland. Hij kwam in conflict met de Sovjet-autoriteiten in Oost-Duitsland over de door de Sovjets voorgenomen landhervorming. Hij verliet daarop de Sovjet-sector van Berlijn en vestigde zich in West-Duitsland en werd actief voor de West-Duitse CDU. Hij was sindsdien één van de belangrijkste politici die zich inzetten voor de vereniging van Duitsland en verbetering van de betrekkingen met Oost-Europese landen. Van 1947 tot 1954 was hij voorzitter van het Deutsche Bauernverband.

In 1950 verkreeg hij een eredoctoraat aan de Universiteit van Bonn. In 1958 legde hij om gezondheidsredenen zijn ambten neer.

Hij overleed op 85-jarige leeftijd in Krälingen in de Eifel.

Andreas Hermes, eind jaren '40
Geboren 16 juli 1878
Geboorteplaats Keulen
Overleden 4 januari 1964
Overlijdensplaats Krälingen, gemeente Berg
Land Duitsland
(Weimarrepubliek, SBZ, Bondsrepubliek Duitsland)
Partij Zentrumspartei, CDUD, CDU (BRD)
Religie Rooms-katholiek
Titulatuur Dr. agr.
Functies
1920-1921 Rijksminister van Landbouw
1921-1923 Rijksminister van Financiën
1945 Plaatsvervangend burgemeester van Berlijn (SBZ)
1945 Voorzitter van het CDU in de SBZ
1948-1955 Voorzitter van de Deutsche Bauernverband

 


Johannes Schulz

Johannes Schulz, vaak ook Johann Schulz (* 3 april 1884 te Völklingen in het Ortsteil Luisenthal; † 19 augustus 1942 in het concentratiekamp Dachau), was een Duitse priester in het bisdom Trier. Tijdens de nationaalsocialistische dictatuur werd de priester door het regime vervolgd en als slachtoffer van de willekeur van het regime vastgezet in de kampen Buchenwald, Sachsenhausen en ten slotte in het priesterblok van het kamp Dachau, waar hij op 19 augustus 1942 stief.
Leven en werk
Johannes Schulz werd in het Saarlandse Völklingen als zoon van de spoorwegambtenaar Conrad Schulz en zijn vrouw Louise Schwartz geboren. Hij bezocht het gymnasium in Trier respectievelijk Saarbrücken en vervolgens het priesterseminarie te Trier. Op 12 augustus 1911 werd Schulz door bisschop Michael Felix Korum tot priester gewijd. Hij kreeg eerst een aanstelling als kapelaan in de Drievuldigheid- en Mariakerk te Lebach en daarna in de Maria-Visitatiekerk te Wadgassen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging Schulz in dienst en werd hij in 1917 priester bij de 255e Infanteriedivisie van het Koninklijke Pruisische leger. Schulz werd met het IJzeren Kruis van de 2e klasse onderscheiden. Na de afloop van de oorlog werkte Schulz tot 1919 als kapelaan in de Sint-Petruskerk te Bous (Saar). Hij werkte vanaf 1919 tot 1935 als pastoor in de Sint-Jozefkerk te Derlen, waar hij de machtsgreep van de nationaal-socialisten meemaakte. Net als in zijn volgende aanstelling in de Arnolfusparochie te Nickenich stond hij ook hier al bekend als een actief tegenstander van deze nieuwe ideologie. Daarnaast was hij vanaf 1939 definitor van het dekanaat Andernach.
Op de namiddag van 27 mei 1940 zaten Schulz en zijn confrater Josef Zilliken uit het naburige Wassenach op het terras van het restaurant Waldfrieden in de buurt van Maria Laach. Toen daar plotseling rijksmaarschalk Hermann Göring met zijn gevolg een bezoek aan het restaurant brachten, stonden alle aanwezigen direct op om de belangrijke gast de Hitlergroet te brengen. De beide priesters bleven echter rustig zitten en negeerden Göring verder alsof er niets aan de hand was. Nog dezelfde avond werden de beide priesters opgepakt. In juni en juli 1940 verbleven ze in Buchenwald en tussen augustus en december van dat jaar in Sachsenhausen. Eind 1940 werden ze overgeplaatst naar het priesterblok van het concentratiekamp Dachau. Hier werden de beide geestelijken gedwongen om voortdurend met gestrekte arm langs een stok met daarop een oude hoed van Göring te marcheren. Andere pesterijen hielden in dat ze ontelbare keren op een bord "Jeder Deutsche ist verpflichtet, den Reichsmarschall zu grüßen" moesten opschrijven.
Vanaf het voorjaar 1942 moest Schulz totdat hij erbij neerviel in een naburig veengebied werken. Op 5 augustus 1942 kwam hij in de ziekenbarak van het kamp, waar volgens een medegevangene de beide benen van de priester werden geamputeerd. Als gevolg van de zware dwangarbeid, de honger en de mishandelingen stierf de sterk verzwakte priester op 19 augustus 1942. Zijn laatste woorden waren: "Ik sterf voor mijn parochie, zodat allen worden gered voor de eeuwigheid". Zijn medebroeder Josef Zilliken stierf in het najaar van 1942 eveneens in gevangenschap.
Overlijden en nagedachtenis
Op 28 augustus 1942 vond in Nickenich een requiem voor Schulz plaats, dat dankzij de deelname van zeer veel geestelijken uit de verre omtrek een demonstratie werd tegen het nazisme. De burgemeester van Nickenich stond de bijzetting van de urn van de gecremeerde priester op de gemeentelijke begraafplaats evenwel niet toe, zodat de urn in 1943 in Saarbrücken werd bijgezet.
In 1949 richtten katholieke jongeren in Elm-Derlen (voorlaatste standplaats van de priester) een herdenkingssteen op voor de priester. Daarna werd in 1954 een herdenkingsplaquette aan de Sint-Arnulfuskerk van Nickenich (laatste standplaats van Schulz) bevestigd, gevolgd door een herdenkingsplaquette bij het priestergraf in Elm-Derlen. In 2003 werd in Elm-Derlen een herdenkingsplek ingericht en een locatie naar de priester vernoemd. Bisschop Reinhard Marx plaatste de urn ten slotte op 7 maart 2004 in het priestergraf van de gemeente Elm-Derlen.
De namen van beide priesters werden als geloofsgetuigen in het Duitse Martyrologium van de 20e eeuw opgenomen.
Nog lang bestond er twijfel of de arrestatie van de beide priesters wel werkelijk in opdracht van Göring zelf had plaatsgevonden. Men liet de mogelijkheid open dat het onbeduidende voorval op het terras van Waldfrieden ook een welkome kapstok voor lokale partijfunctinarissen zou kunnen zijn geweest om zich zo van deze lastige priesters te kunnen ontdoen, tenslotte was het tussen de plaatselijke nationaal-socialisten en de beide priesters herhaaldelijk tot oplopende spanningen en geschillen gekomen. Meer dan 60 jaar bleven de vragen onbeantwoord, totdat de verhoorprotocollen van de Russische geheime dienst toegankelijk werden. Tijdens de gevangenenschap van Hitler's persoonlijke adjudant Otto Günsche en zijn bediende Heinz Linge werden de uitspraken vastgelegd in protocollen. Decennialang bleven deze protocollen gesloten, maar na de vrijgave werden ze ook in het Duits vertaald. In een passage wordt bericht over een ontmoeting tussen Hitler en Göring in juni 1940, waarbij Hitler zich na de terugkeer van een frontbezoek in Frankrijk met verachting over de Engelsen uitlaat.De passage gaat dan verder met:
Ook Göring was in opperbeste stemming. Tijdens het wachten op de auto vertelde hij Hitler over zijn laatste "avontuur". Enkele dagen tevoren had hij een gelegenheid aan de Rijn bezocht. Alle gasten waren opgestaan, maar twee katholieke priesters niet. "Die hebben het echter geweten, ik heb ze naar het concentratiekamp gestuurd", zei Göring lachend. En ik heb bevolen om daar een stang met een oude muts van mij op te stellen. Nu mogen ze elke dag daaraan voorbijmarcheren om er te oefenen in de nationaal-socialistische groet.
— Uit het NKVD-protocol, vertaald citaat volgens de bronvermelding op de website van de parochie Nickenich.[1]
Op de plek waar de aanleiding werd gevonden voor de arrestatie van de priesters, het restaurant Waldfrieden, werd in de zomer van 2010 een herdenkingsplaquette aangebracht. Het werd door de bisschoppen Felix Genn en Stephan Ackermann onthuld. Bisschop Genn stamt oorspronkelijk uit Wassenach, waar Josef Zilliken voor het laatst diende en bisschop Ackermann groeide op in Nickenich, de plaats waar Johannes Schulz voor het laatst diende.

Johannes Schulz 1924.jpg

Wapen van een priester

Priester van de Rooms-Katholieke Kerk

Wapen van een priester
Geboren 3 april 1884
Plaats Völklingen-Luisenthal
Overleden 19 augustus 1942
Plaats Dachau
Wijdingen
Priester 12 augustus 1911
Portaal Portaalicoon Christendom

 


Jakob Kaiser

Jakob Kaiser (Hammelburg, 8 februari 1888 – Berlijn, 7 mei 1961) was een Duits politicus, vakbondsman en verzetsstrijder tijdens het naziregime.
Vroege carrière
Jakob Kaiser was een boekbinder van beroep. Daarnaast was hij en actief lid van de katholieke Zentrums-partei en binnen het katholieke vakbondswezen. Tijdens de Weimarrepubliek gold hij als dé christelijke vakbondsleider. Van 1924 tot 1933 was hij lid van het Uitvoerend Comité van de Christelijke Vakbonds Unie. Van mei 1933 tot november 1933 was hij voor de Zentrum-partei lid van de Rijksdag.

Verzetsstrijder
Na Hitlers machtsovername werden de vakbonden – behalve de nationaalsocialistische (Arbeitsfront) – verboden. Hetzelfde lot trof ook de politieke partijen. Kaiser was een groot tegenstander van Hitler en het nationaalsocialisme. In 1934 sloot hij zich bij het georganiseerde verzet aan. In 1938 zat hij meerdere maanden gevangen vanwege zijn activiteiten. Na zijn vrijlating werkte hij nauw samen met de verzetsleider Carl Goerdeler (voormalig burgemeester van Leipzig). Hij was betrokken bij het juli-complot (mislukte moordaanslag van Claus von Stauffenberg op Adolf Hitler). Kaiser dook na het mislukken van de aanslag op Hitler onder in Potsdam. Zijn vrouw, dochter en andere familieleden werden gedeporteerd naar concentratiekamp Buchenwald (Sippenhaftung).

Medeoprichter Berlijnse CDU
Na de oorlog werd hij medeoprichter van de Berlijnse afdeling van de CDU (1945). Van 1945 tot 1946 was hij voorzitter van de CDU-Berlijn. In 1946 hielp hij mee de Vrije Duitse Vakbond (FDGB) op te richten en was lid van haar bondsbestuur en van het regio bestuur van de FDGB-Oost-Berlijn.

Kaiser behoorde tot de christen-socialisten binnen de CDU. Hij hoopte dat er een nieuwe orde, gebaseerd op de katholieke ethiek in Duitsland zou ontstaan. Hij geloofde dat de zware industrie gecontroleerd diende te worden door de overheid. Toch raakte hij al snel in conflict met de Sovjetautoriteiten in Oost-Duitsland, omdat hij een tegenstander was van de klassenstrijd en het marxisme.

Minister in het kabinet van Konrad Adenauer
Van 1946 tot december 1947 was hij samen met Ernst Lemmer covoorzitter van de Oost-Duitse CDU. Op 5 en 6 februari 1947 vond er, vooral op initiatief van Kaiser, te Ahlen een conferentie plaats waaraan alle CDU-afdelingen deelnamen. Op deze conferentie nam een partijprogramma aan, waarin ook enkele linkse programmapunten waren opgenomen, dit overigens tot ergernis van Konrad Adenauer. In december 1947 werden Kaiser en Lemmer door de Sovjet-Russische bezettingsautoriteiten tot aftreden gedwongen. Kaiser en Lemmer vertrokken daarop naar West-Berlijn. Van 1946 tot 1949 was hij raadslid van Berlijn. Van 1948 tot 1958 was hij medewerker van de CDU-commissie Sociale Zaken.

In 1949 werd Kaiser in de Bondsdag van de Bondsrepubliek Duitsland (West-Duitsland) gekozen en tot 1957 was hij minister voor Duitse Vraagstukken in het kabinet van Konrad Adenauer. Van 1950 tot 1958 was hij vicebondsvoorzitter van de CDU.

Voorstander van een verenigd en neutraal Duitsland
Jakob Kaiser behoorde binnen de West-Duitse CDU tot de groep die naar een verenigd, neutraal en blokvrij Duitsland streefden dat goede betrekkingen zou onderhouden met het Oosten en het Westen.

Het Jakob-Kaiser-Haus maakt deel uit van de Bondsdag in Berlijn.

Jakob Kaiser
Geboren 8 februari 1888
Geboorteplaats Hamburg
Overleden 7 mei 1961
Overlijdensplaats Berlijn
Land Duitsland, Bondsrepubliek Duitsland
Partij Zentrumspartei, Christlich Demokratische Union
Religie Rooms-katholiek
Titulatuur Dr. h.c.
Functies
1946-1947 Co-Voorzitter van de CDU (DDR)
(met Ernst Lemmer)
1949-1957 Minister van Duitse Vraagstukken
1950-1958 Vicevoorzitter van de CDU (BRD)
Politiek

 


Friedrich Karl Klausing

Friedrich Karl Klausing (München, 24 mei 1920 – gevangenis Plötzensee, 8 augustus 1944) was officier in het Duitse leger, verzetsstrijder en een van de jongste deelnemers aan het complot van 20 juli 1944 om Adolf Hitler te vermoorden. Hij was de adjudant van Claus Schenk von Stauffenberg.

Biografie
Friedrich Karl Klausing was de zoon van Herman Friedrich en Marie-Sybille Klausing. Zijn vader was een vooraanstaand jurist, hoogleraar aan verschillende universiteiten, rector aan de Universiteit van Praag en een overtuigde nazi. Toen Friedrich Karl 13 jaar oud was, werd hij lid van de Hitlerjugend. Na zijn eindexamen aan het gymnasium in 1938 wilde hij beroepsofficier bij de Duitse leger worden, en hij nam dienst van het 9e Infanterieregiment in Potsdam. Klausing vocht eerst in Polen en Frankrijk en vervolgens in Rusland. Hij raakte meermaals gewond, onder meer tijdens de Slag bij Stalingrad in de winter van 1942/1943. Hij kreeg verschillende militaire onderscheidingen, waaronder het IJzeren Kruis eerste en tweede klasse. Ook werd hij bevorderd tot kapitein. In de herfst van 1943 raakte hij in Rusland zwaargewond. Na zijn ontslag uit het militaire ziekenhuis in januari 1944 verliet hij de actieve gevechtsdienst en werd hij gestationeerd bij het oppercommando van het Duitse leger.

Het Potsdamse 9e Infanterieregiment was een prestigieus regiment met een lange historische traditie, dat de bijnaam 'Graaf Negen' (in Duits: 'Graf Neun') had omdat veel leden uit de adel in dit regiment dienden. Daaronder hoorde ook een aantal leden uit het verzet tegen Hitler, waaronder Henning von Tresckow en Fritz-Dietlof von der Schulenburg. Klausing raakte in het regiment bevriend met Axel von dem Bussche-Streithorst, die eveneens betrokken was bij een poging om Hitler te vermoorden, en Richard von Weizsäcker, de latere president van de Bondsrepubliek Duitsland. Volgens Weizsäcker deelde Axel von dem Bussche zijn schokkende ervaringen als ooggetuige van massamoorden op joden en andere burgers achter het front met zijn vrienden. Klausing begon hierdoor, en doordat hij de oorlog zelf als steeds zinlozer ervoer, sterk te twijfelen aan het naziregime.[2] Klausing ontwikkelde zich gaandeweg tot een overtuigd tegenstander van Hitler en zijn regime.

Aanslagen op Hitler
Klausing's overplaatsing was mede te danken aan Fritz-Dietlof von der Schulenburg. Schulenburg behoorde tot een groep officieren die een aanslag op Hilter beraamden en was tevens goed bekend met de Kreisauer Kreis. Niet later dan in 1943 leerde Klausing via Schulenburg Claus Schenk von Stauffenberg kennen. De twee mannen hadden al snel een vertrouwensband en op verzoek van Stauffenberg werd Klausing zijn adjudant en ordonnansofficier.

Klausing begeleidde Stauffenberg bij twee pogingen om een bomaanslag te plegen op Hitler op 11 juli en op 15 juli 1944. Beide keren werd de aanslag afgeblazen omdat te weinig hoge leden van het naziregime aanwezig waren. Het plan was om naast Hitler Heinrich Himmler en bij voorkeur ook Hermann Göring te vermoorden. Op 20 juli 1944 was Klausing ziek. Daarom werd Stauffenberg door Werner von Haeften begeleid naar de Wolfsschanze waar Stauffenberg de bomaanslag pleegde. Wel was Klausing aanwezig op het hoofdkwartier van de samenzweerders in het Bendlerblock (het ministerie van Oorlog en hoofdkwartier van het Duitse leger) in Berlijn van waaruit de staatsgreep, die onderdeel was van het Complot van 20 juli 1944, werd gedirigeerd. Het was Klausing die de zogeheten 'Walküre-orders' doorgaf aan andere samenzweerders en de telefoons en telex bediende. Hitler overleefde echter de aanslag en de staatsgreep mislukte. Klausing wist aan arrestatie door de Gestapo te ontsnappen en vluchtte naar vrienden. Daar overwoog hij zijn mogelijkheden: zelfmoord, vluchten of zichzelf aangeven. Vluchten vond hij laf en zou zijn vrienden in gevaar kunnen brengen. Dat laatste gold ook voor zelfmoord. Hij besloot om zichzelf aan te geven en keerde om acht uur 's ochtends terug naar het Bendlerblock waar hij werd gearresteerd. Volgens getuigen deed hij dat kalm, zelfverzekerd, zonder angst en wist hij precies wat hij deed.

Proces en executie
Op 7 en 8 augustus 1944 stond Klausing samen met zeven andere samenzweerders terecht voor het Volksgerichtshof, een showproces onder leiding van Roland Freisler. Op 8 augustus werd hij ter dood veroordeeld en dezelfde dag met een pianosnaar opgehangen in de gevangenis Plötzensee, samen met Erwin von Witzleben, Erich Hoepner, Helmuth Stieff, Paul von Hase, Robert Bernardis, Albrecht von Hagen en Peter Yorck von Wartenburg. Kapitein Friedrich Karl Klausing was 24 jaar oud toen hij stierf.

Militaire loopbaan
Offiziersanwärter: 1938
Leutnant:
Oberleutnant: 1943
Hauptmann:
Decoraties
IJzeren Kruis 1939, 1e klasse en 2e klasse
Gewondeninsigne in zilver (?) en zwart (?)

Afbeeldingsresultaat voor Friedrich Karl Klausing

Geboren 24 mei 1920
München, Beieren, Weimarrepubliek
Overleden 8 augustus 1944
gevangenis Plötzensee, nazi-Duitsland
Begraven Onbekend: lichaam verloren gegaan of vernietigd.
Land/partij Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Onderdeel RAD Hausflagge.svg Reichsarbeitsdienst
Balkenkreuz.svg Wehrmacht
Dienstjaren 1938 - 1944
Rang Collar tabs of Offiziere of the Heer.svg Insignia Wehrmacht Heer Captain Hauptmann
Eenheid Hitlerjugend
(1933 - 1938)
Infanterie-Regiment 9 (Wehrmacht)
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Westfront
Poolse veldtocht
Slag om Frankrijk
Operatie Barbarossa
Oostfront
Slag bij Stalingrad
Complot van 20 juli 1944
Operatie Walküre

Bundesarchiv Bild 146-1984-079-02, hoofdkwartier "Wolfsschanze" op 15 juli 1944, links en uitvergroot Claus Schenk von Stauffenberg met Adolf Hitler. De beraamde aanslag op deze datum ging niet door. Stauffenberg werd op deze dag begeleid door zijn adjudant Klausing

 


Bernhard Lichtenberg

Bernhard Lichtenberg (Ohlau/Oława, 3 december 1875 - Hof, 5 november 1943), was een Duits geestelijke en verzetsstrijder, geboren in de thans Poolse stad Oława (Silezië).
Bernhard Lichtenberg studeerde theologie in Innsbruck en Breslau (het huidige Poolse Wrocław) en werd vervolgens in 1899 tot rooms-katholiek priester gewijd. Hij was werkzaam als kapelaan en later als pastoor in Berlijn. Van 1913 tot 1920 was gemeenteraadslid voor de Zentrumspartei in Charlottenburg (Berlijn). Als lid van een katholieke familie in een in meerderheid protestantse omgeving ten tijde van de Kulturkampf was het niet vreemd, dat Lichtenberg politiek actief werd. Evenmin verwondert zijn keuze voor de katholieke Centrumpartij, namens welke zijn oom Alfred Hubrich 25 jaar lang afgevaardigde in de Rijksdag was.
Loopbaan
Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was Lichtenberg als aalmoezenier in het Duitse leger werkzaam. In 1926 nam hij deel aan het Eucharistisch Congres in Chicago (Verenigde Staten). In 1929 protesteerde hij bij president Paul von Hindenburg over de antiklerikale agitatie van de extreem-nationalistische Tannenbergbund van Erich Ludendorff. Nadien was hij adviseur van de bisschop. In 1931 riep hij op tot het zien van een anti-oorlogsfilm (Im Westen nichts Neues, naar het boek van Erich Maria Remarque). Hierna startte de NSDAP van Hitler een hetze tegen de pastoor. Hij werd in het blad "Der Angriff" van Joseph Goebbels fel aangevallen. Vanaf 1932 was Lichtenberg pastoor van de St. Hedwigskerk in Berlijn. Na de machtsovername van de nazi's in 1933 werd zijn huis regelmatig door de Gestapo doorzocht. Hij was bij voorbaat verdacht, omdat Lichtenberg nooit een blad voor zijn mond nam. Zo diende Lichtenberg een protest in bij Hermann Göring, de Pruisische minister van Binnenlandse Zaken, nadat hij in 1935 door een lid van de SPD op de hoogte was gesteld van de toestanden in een concentratiekamp. In 1938 maakte hij de Kristallnacht van dichtbij mee. De dag daarna riep hij in zijn kerk op te bidden voor Joden en niet-Arische christenen. Samen met bisschop Konrad Graf von Preysing en bisschop Clemens August Graf von Galen ondersteunde hij sindsdien financieel de Joden die slachtoffer waren geworden van de Nazi-terreur. In 1941 protesteerde hij met andere katholieken tegen het euthanasieplan van de nazi's voor mensen met psychische aandoeningen en lichamelijk gehandicapten.
Arrestatie
Gedurende de gehele tijd tussen de beide wereldoorlogen bleef Lichtenberg bij zijn afwijzende houding jegens het communisme en fascisme, hij weigerde pertinent te buigen voor de nationaalsocialisten. In 1935 (toen hij schriftelijk protesteerde tegen mensenrechtenschendingen betreffende het kamp Esterwegen) werden al twee procedures tegen hem begonnen, die vooreerst zonder afsluiting bleven liggen. Zijn protest tegen het euthanasieprogramma in 1941 gaven de doorslag voor zijn arrestatie. In 1942 werd Lichtenberg naar aanleiding van zijn "kansel-protest" tegen het regime gearresteerd en tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij belandde eerst in het tuchthuis in Berlijn-Tegel, daarna echter in het doorgangskamp Berlijn-Wuhlheide. Hoewel hij hier al ziek is, besluit men hem naar concentratiekamp Dachau te sturen. Omdat tijdens het transport naar Dachau zijn gezondheidstoestand kritiek wordt, brengt men hem naar het ziekenhuis in het Beierse Hof, dat op de route van de treinreis lag. Hier overlijdt hij op 5 november 1943. Vlak voor zijn dood bad hij hardop de kruisweg van Christus en putte hij kracht uit het gebed.
In 1965 werd hij bijgezet in de crypte van de St. Hedwigskathedraal in Berlijn. Bernhard Lichtenberg werd op 23 juni 1996 door Paus Johannes Paulus II zaligverklaard. Zijn gedachtenis valt op 5 november.
Bibliografie
Otto Ogiermann SJ: Bis zum letzten Atemzug. Das Leben und Aufbegehren des Priesters Bernhard Lichtenberg. Leipzig 1985.
Ludger Stühlmeyer, Barbara Stühlmeyer: Bernhard Lichtenberg. Ich werde meinem Gewissen folgen. Topos plus Verlagsgemeinschaft Kevelaer 2013, ISBN 978-3-836708-35-7.
Ludger Stühlmeyer: Gerechter unter den Völkern. Vesper zu Ehren des seligen Bernhard Lichtenberg. Mit einer Biografie und Zitaten. Geleitwort von Nuntius Eterovic. Verlag Sankt Michaelsbund, München 2017, ISBN 978-3-943135-90-9.

Buste van Bernhard Lichtenberg

Graf van Bernhard Lichtenberg

 


Freya von Moltke

Freya Gravin von Moltke (Keulen, 29 maart 1911 - Norwich, Vermont, 1 januari 2010), was een Duitse schrijfster, juriste en verzetsstrijdster tegen het nationaalsocialisme. Zij werd vooral bekend als weduwe van de verzetsstrijder Helmuth James graaf von Moltke.
Leven
Freya von Moltke werd in 1911 geboren als dochter van de bankier Carl Theodor Deichmann. Zij studeerde rechten en promoveerde in 1935 aan de Friedrich-Wilhelms-Universiteit in Berlijn tot doctor in de rechtswetenschappen.
In 1931 trouwde zij met Helmuth James von Moltke en richtte in 1940 met haar echtgenoot, Peter Yorck von Wartenburg en Marion Yorck von Wartenburg een groep op, die nadacht over een democratische maatschappij die zou komen na het einde van de nationaalsocialistische tirannie. Uit deze groep kwam, met een aantal gelijkgezinden, de Kreisauer Kreis voort, genoemd naar het landgoed van de familie von Moltke in het Silesische dorp Kreisau (tegenwoordig Krzyżowa in Polen). Freya organiseerde met deze groep drie bijeenkomsten: in mei 1942, oktober 1942 en juni 1943. Deze hadden als doel een blauwdruk voor de Duitse samenleving van na de Tweede Wereldoorlog te ontwerpen. Uiteindelijk werd Helmuth James von Moltke door de Gestapo gearresteerd en op 23 januari 1945 terechtgesteld. Freya vluchtte met hun twee zonen.
Na de oorlog woonde Freya von Moltke van 1947 tot 1956 in Zuid-Afrika, het vaderland van haar inmiddels overleden schoonmoeder; hier groeiden haar beide zoons op. Ze leerde de protestantse cultuurfilosoof Eugen Rosenstock-Huessy (1888-1973) kennen en vestigde zich in 1960 bij hem bij Norwich (Vermont) in de Verenigde Staten, waar ze tot haar dood geleefd heeft.
Met haar ondersteuning werd het landgoed van de Von Moltkes in Kreisau na 1990 omgevormd tot een ontmoetingsplek die ten dienste staat van de Duits-Poolse en Europese onderlinge verstandhouding. In 2004 werd in Berlijn de Freya-von-Moltke-Stichting voor het Nieuwe Kreisau opgericht met het doel de continuïteit van de ontmoetingsplaats in Kreisau te verzekeren en het daar verrichte werk te bevorderen. Freya von Moltke ondersteunde dit werk actief. Zij was daarnaast erevoorzitster van de stichtingsraad van de Stichting Kreisau voor Europees Inzicht.
Boeken
Briefe an Freya 1933–1945 (Brieven van haar man), C.H. Beck, München 2005³, ISBN 3-406-35279-0
Erinnerungen an Kreisau 1930–1945, C.H. Beck, München 2003, ISBN 3-406-51064-7
(met Annedore Leber): Für und wider, Entscheidungen in Deutschland 1918–1945, 1961
Die Verteidigung Europäischer Menschlichkeit, in: Beilage zur Wochenzeitung Das Parlament van 28 juni 2004, Aus Politik und Zeitgeschichte, B 27/2004, Bonn 2004

Freya von Moltke in 2009

 


Martin Niemöller

Martin Niemöller (Lippstadt, 14 januari 1892 - Wiesbaden, 6 maart 1984) was een Duits militair, lutherse theoloog en verzetsstrijder.
Levensloop
Als jongeman vervulde hij zijn dienstplicht bij de marine. Hij werd uiteindelijk commandant van een duikboot en nam als zodanig aan de Eerste Wereldoorlog deel.
In 1919 ging Niemöller theologie studeren en werd predikant. Adolf Hitler kwam op 30 januari 1933 aan de macht. Niemöller was hier aanvankelijk wel blij mee als aanhanger van de NSDAP (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei). Langzaam kwam hij erachter dat de ideeën van de nazi's niet waren zoals hij had gedacht en dat de nazi's niet de grote gemeenschapsstichters waren zoals ze zich voordeden.
De Arierparagraph was doorslaggevend voor hem. Hierin stond dat iedereen die van niet-arische afkomst was of was getrouwd met iemand van niet-arische afkomst geen ambt in de kerk mocht bekleden. Christenen van Joodse afkomst die als dominee, jeugdwerker of administrateur in dienst van de kerk waren, zouden hun baan kwijtraken. Niemöller richtte de Pfarrernotbund (een noodbond van predikanten) op om te protesteren tegen de invoering van de Arierparagraph in de kerk.
Hij verzette zich ook tegen de Führer. Op 25 januari 1934 meldde Niemöller zich met een kerkelijke delegatie in de Rijkskanselarij waar Hitler aanwezig was. Göring verscheen met een geheim dossier van een afgeluisterd telefoongesprek. Hitler beet Niemöller toe: "Dit is rebellie, dit aanvaard ik niet. De zorg voor het Derde Rijk laat u maar aan mij over, dan zorgt u voor de kerk."
De Verklaring van Barmen kwam tot stand. Dit is het document van de Bekennende Kirche (Belijdende kerk) oftewel de kerkelijke verzetsbeweging van Duitse protestanten. Zij vinden dat de ‘Deutsche Christen’ met hun nationaalsocialistische instelling de kerk uitgezet moeten worden. Volgens ‘Barmen’ telt er maar één woord: de Heilige Schrift.
De Gestapo hield Niemöller goed in de gaten en luisterde naar al zijn preken. De preek van 19 juni 1937 ging te ver. Het was een tirade tegen Hitler. De Führer greep zelf in en verklaarde Niemöller tot zijn persoonlijke gevangene. Hij werd overgebracht naar het concentratiekamp Sachsenhausen, later naar Dachau en zat in totaal zeven jaar vast. Niemöller dichtte in deze tijd:
Toen de nazi's de communisten arresteerden heb ik gezwegen;
ik was immers geen communist.
Toen ze de sociaaldemocraten gevangenzetten heb ik gezwegen;
ik was immers geen sociaaldemocraat.
Toen ze de syndicalisten kwamen halen heb ik gezwegen;
ik was immers geen syndicalist.
Toen ze de Joden opsloten heb ik gezwegen;
ik was immers geen Jood.
Toen ze de katholieken arresteerden heb ik gezwegen;
ik was immers geen katholiek.
Toen ze mij kwamen halen
...was er niemand meer die nog kon protesteren.
Na de Tweede Wereldoorlog bleef Niemöller waakzaam. Hij bekritiseerde de deling tussen Oost en West, sloot zich aan bij pacifistische organisaties, nam deel aan vredesdemonstraties en was in de jaren 60 actief bezig met het verzet tegen de Vietnamoorlog.

Martin Niemöller (1952)

Martin Niemöller (1952)
Algemene informatie
Geboren Lippstadt, 14 januari 1892
Overleden Wiesbaden, 6 maart 1984
Nationaliteit Vlag van Duitsland Duitsland
Beroep militair, theoloog
Bekend van Duitse verzet in de Tweede Wereldoorlog
Overig
Religie ‎

1-Duits verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

1---2