Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Brits Persoon in de II Wereldoorlog

Arthur Aaron

Arthur Louis Aaron (Leeds, 5 maart 1922 - Algerije, 13 augustus 1943) was een Brits bombardementspiloot die tijdens de Tweede Wereldoorlog talloze bombardementsvluchten boven bezette gebieden maakte. In 1943 schreef hij geschiedenis toen hij ondanks zijn zware verwondingen toch een gevaarlijke missie wist uit te voeren. Aaron bezweek kort na het uitvoeren van de missie aan zijn verwondingen en werd onderscheiden met het Victoria Cross, de allerhoogste Britse militaire onderscheiding.

Wat voorafging
Aaron werd geboren als zoon van rijke Joodse ouders. Hij wilde eerste architect worden en studeerde architectuur aan de Universiteit van Oxford. Toen Duitsland Engeland begon te bombarderen, besloot Aaron zich aan te meldden bij Royal Air Force.

Aaron deed dit, naar eigen zeggen: omdat Engeland koste wat het kost verdedigd moest worden, een verovering van Engeland zou vanwege Aarons Joodse afkomst het einde van zijn leven betekenen.

Aaron volgde een opleiding tot officier en werd in 1941 benoemd tot Flight Sergeant. Hij kreeg het commando over een viermotorige Short Stirling bommenwerper. Met deze bommenwerper moest hij 's nachts de Duitse industriegebieden bombarderen. Arthur Aaron vloog bij het No. 218 "Gold Coast" Squadron en was gestationeerd op de vliegbasis Downham Market in Groot-Brittannië.

De missie
Arthur Aaron had al 19 succesvolle missies uitgevoerd toen hij op 12 augustus 1943 een Duitse munitiefabriek in Turijn (Noord-Italië) moest vernietigen. De Short Stirling vertrok van zijn basis en vloog zonder veel problemen Naar Turijn. Vlak bij het doel aangekomen, werd de viermotorige bommenwerper aangevallen door een Duitse nachtjager. Drie van de vier motoren werden in brand geschoten en een aantal kogels kwam in de cockpit terecht. De navigator die naast Aaron zat, werd gedood en Aaron zelf werd geraakt door 3 kogels: een kogel verbrijzelde zijn kaak, een ander kwam in zijn rechterschouder waardoor hij zijn rechterarm niet meer kon bewegen, een derde trof hem in de linker longzak waardoor hij nauwelijks meer kon ademhalen. Aaron werd verdoofd en achter in het vliegtuig gelegd.
De bemanning stond nu voor een dilemma: het toestel stond in brand en was grotendeels onbestuurbaar. De bommenlast was afgeworpen maar het toestel was inmiddels tot 1000 meter hoogte gedaald. Plotseling kwam Aaron ineens van achteren aan lopen. Hij besloot de stuurknuppel zelf over te nemen en de bemanning alsnog naar eigen gebied te vliegen. Ondanks de afschuwelijke pijn weigerde Aaron nog meer morfine te nemen omdat het gebruik van pijnstillers zijn reactievermogen deed afnemen.


Omdat het dichtstbijzijnde vliegveld van de RAF in Algerije lag, werd de koers hier naar toe verlegd. Aaron raakte een paar keer bewusteloos en hij moest bloed ophoesten, desondanks weigerde Aaron de stuurknuppel uit handen te geven en naar achteren te gaan. Aaron vloog het toestel verder naar Algerije en maakte daar een noodlanding op het vliegveld (het landingsgestel, dat zich in de brandende motorgondels bevond, kon niet uitklappen).
Kort nadat de bommenwerper was geland, stierf Aaron alsnog aan zijn verwondingen. Aaron had deze verwondingen makkelijk kunnen overleven als hij was gaan rusten. Dan had hij de stuurknuppel echter moeten overdragen aan een van de andere bemanningsleden die niet waren opgeleid om de grote en moeilijk te besturen Stirling te vliegen.
Aaron is postuum onderscheiden met het Victoria Cross, hij was met zijn 21 jaar de jongste persoon die de hoogste Britse onderscheiding ontving. Ook is hij de enige Joodse persoon die deze medaille ooit heeft gekregen.
Decoraties
Victoria Cross op 5 november 1943
Distinguished Flying Medal op 19 oktober 1943

Sculptuur van Arthur Aaron, gemaakt door Graham Ibbeson

Sculptuur van Arthur Aaron, gemaakt door Graham Ibbeson
Geboren 5 maart 1922
Leeds, West Yorkshire
Overleden 13 augustus 1943
ziekenhuis Bône, Algerije
Begraven Oorlogsbegraafplaats van het Gemenebest Bone, vak: II. Rij: B. Graf: 3.
Land/partij Verenigd Koninkrijk
Onderdeel Royal Air Force
Dienstjaren 1941 -1943
Rang Flight sergeant
Eenheid No. 218 Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog

 


Clement Attlee

Clement Richard Attlee (Putney, 3 januari 1883 – Londen, 8 oktober 1967) was een Brits politicus die van 1945 tot 1951 premier van het Verenigd Koninkrijk was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij de vervanger van Winston Churchill in de coalitieregering gevormd in mei 1940.
Levensloop
Attlee werd beroepshalve advocaat. In 1908 trad hij toe tot de socialistische Labour Party. Hij diende in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk en het Midden-Oosten waar hij opklom tot de rang van majoor en ernstig gewond raakte. In 1921 huwde hij met Violet Milar en samen kregen ze vier kinderen.
Van 1922 tot 1955 zetelde hij in het House of Commons. In 1922 werd hij ook de privésecretaris van Labourleider Ramsay MacDonald. Onder MacDonald was hij van 1930 tot 1931 kanselier van het hertogdom van Lancaster en daarna was hij in 1931 enkele maanden Algemeen Postmeester.
Nadat in 1931 National Labour onder leiding van Ramsay MacDonald zich afscheurde van de Labourpartij en samen met de conservatieven en liberalen een regering vormden, werd hij in 1932 ondervoorzitter van zijn partij. Vervolgens werd hij in oktober 1935 partijleider en bleef dit tot in 1955. Van 1935 tot 1940 was hij in deze functie leider van de oppositie. Hij was een uitgesproken tegenstander van het fascisme en de appeasementpolitiek van Neville Chamberlain.
Na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog vormde Winston Churchill in mei 1940 een nationale regering. In deze regering werd Attlee van 1940 tot 1942 Lord Privy Seal, van 1942 tot 1943 minister bevoegd voor de Dominion en van 1943 tot 1945 Lord President of the Council. Tevens was hij van 1942 tot 1945 vicepremier. Hierdoor speelde hij als vervanger van Churchill en als leidinggever van werkgelegenheid en andere burgerzaken een cruciale rol tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ondanks zijn natuurlijke bescheidenheid en laconieke stijl van spreken, won Clement Attlee na de oorlog in 1945 de verkiezingen van Winston Churchill en werd zo de eerste minister-president van de Labour-partij die een volledige parlementaire termijn diende, en de eerste die een meerderheid in het Lagerhuis had. Hij was premier van 26 juli 1945 tot 26 oktober 1951. Ook bekleedde hij van 1945 tot 1951 de functie minister van Financiën. De regering die hij leidde voerde de welzijnsstaat in, onder meer door de invoering van de National Health Service in 1948, en nationaliseerde openbare instellingen om een beleid tot stand te brengen dat goedgekeurd werd door alle partijen.[bron?] Hij ving ook de dekolonisatie van het Britse imperium aan met het verdrag van de Indische onafhankelijkheid. In 2004 werd hij verkozen tot succesvolste Britse premier van de 20e eeuw in een opiniepeiling onder politieke academici, die door MORI en de Universiteit van Leeds werd georganiseerd.
Na de verkiezingen van 1951 belandde Labour terug in de oppositie, waarna Attlee van 1951 tot 1955 opnieuw oppositieleider was. In november 1955 stopte hij als partijleider en verliet de politiek, waarna koningin Elizabeth II hem als graaf Attlee in de adel verhief. Hierdoor zetelde hij tot aan zijn dood in het Hogerhuis. In 1967 overleed hij aan de gevolgen van een longontsteking.
Voorganger:
Winston Churchill Premier van het Verenigd Koninkrijk
Kabinet-Attlee
1945-1951 Opvolger:
Winston Churchill

Attlee cropped.jpg

Premier van het Verenigd Koninkrijk
Periode 1945-1951
Voorganger Winston Churchill
Opvolger Winston Churchill

 


Donald Caskie

De Eerwaarde Dr. Donald Currie Caskie DD OBE OCF (22 mei 1902 - 27 december 1983) was een predikant in de Church of Scotland , vooral bekend om zijn heldendaden in Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog , tijdens welke hij naar schatting 2.000 geallieerde matrozen hielp , soldaten en piloten om te ontsnappen uit bezet Frankrijk (voornamelijk via Spanje). De ' Fasti ' - het verslag van alle predikanten van de Church of Scotland sinds de Reformatie - vermeldt eenvoudig dat hij 'betrokken was bij kerkelijke en patriottische taken in Frankrijk, 1939-1945'. In zijn autobiografie The Tartan Pimpernel stelt hij dat 'hij in 1935 naar Parijs was geroepen'.
Biografie 
Als zoon van een vleesvererver werd hij in 1902 in Bowmore op Islay geboren . Hij studeerde eerst aan de Bowmore School en vervolgens aan de Dunoon Grammar School voordat hij kunst en goddelijkheid studeerde aan de Universiteit van Edinburgh . Zijn eerste aanklacht was in Gretna , voordat hij in 1938 minister van de Scots Kirk in Parijs werd. Een 2001 Gaelic- taaldocumentaire uitgezonden op BBC2 verklaarde dat Caskie homo was, met documentariër Angus Peter Campbell die zei dat Caskie het leven leefde als een man die "rechtstreeks thuis [en] homo was in het buitenland". 
Nadat hij het kwaad van het nazisme vanaf de kansel had aangeklaagd , na de Duitse inval in Frankrijk in 1940, moest Caskie Parijs ontvluchten. In plaats van te proberen terug te keren naar huis (zoals sterk aangeraden door personeel van de bureaus van de Church of Scotland in Edinburgh) vluchtte hij naar het zuiden en belandde uiteindelijk in Marseille aan de Franse zuidkust (nadat hij de mogelijkheid had geweigerd op het laatste schip naar Groot-Brittannië te vertrekken) Bayonne ). Bij de British Seamen's Mission in Marseille richtte Caskie een toevluchtsoord op voor gestrande Britten. Hij zou zelfs telegrammen sturennaar de kantoren van de Church of Scotland in Edinburgh om hen te informeren over het aantal Britse servicepersoneel dat was ontsnapt. Met hulp van Lt-Cmdr Pat O'Leary RN (later bekroond met het George Cross ), Britse inlichtingendienst , plaatselijke predikant Pastor Marcel Heuzé , de Amerikaanse consulaire autoriteiten en anderen, hielp Caskie maar liefst 500 geallieerde dienstpersoneel om Frankrijk te ontvluchten. 
Detentie 
Caskie kwam onder het vermoeden van de Vichy Frankrijk en de Duitse autoriteiten, en een collega-Brit verraste hem. Pastor Heuzé was een van de vele om geëxecuteerd te worden. Gebrek aan bewijs redde Caskie's leven voor de eerste keer; in plaats daarvan kreeg hij een voorwaardelijke gevangenisstraf en werd hij bevolen om Marseille te verlaten. Dit werd gedeeltelijk geholpen door het vermogen van Caskie om Gaelic te spreken , waardoor zijn ondervragers in verwarring werden gebracht.
Caskie ging op weg naar Grenoble , waar hij in dienst was van de universiteit, en fungeerde als kapelaan voor geïnterneerde Britse soldaten en ingezeten burgers. De Duitsers hebben later bevolen dat alle in Engeland geboren burgers in de bezette landen worden geïnterneerd in Duitsland; Caskie slaagde erin om een ​​Italiaanse commandant te beïnvloeden om veel van hen vrij te laten. Caskie werd opnieuw gearresteerd en verbleef enige tijd in Italiaanse hechtenis in Sanremo , in de oude gevangenis zonder straf. Later in 1943 werd hij overgebracht naar Duitse hechtenis en uiteindelijk berecht in Fresnes, en ter dood veroordeeld. In afwachting van uitvoering door vuurpeloton, Vroeg Caskie om een ​​voorganger te zien. Dit heeft zijn leven gered; de Duitse legerleider Hans Helmut Peters heeft met succes een beroep gedaan op Berlijn om Caskie te sparen. Vervolgens bracht hij de rest van de oorlog door in een kamp van de Prisoner of War en hervatte zijn bediening in Parijs na de oorlog. Hij werd benoemd tot Officier in de Orde van het Britse Rijk (OBE) en ook geëerd door de Franse regering voor zijn dienst in oorlogstijd.
Scots Kirk Church 
De Schotse Kirk in Parijs was gedurende de hele oorlog ongebruikt geweest en het gebrek aan onderhoud leidde ertoe dat de kerk in de jaren vijftig moest worden herbouwd. Om te helpen betalen voor de wederopbouw, werd zijn autobiografische verslag van zijn buitengewone activiteiten in oorlogstijd gepubliceerd als The Tartan Pimpernel in 1957. Het gebouw uit de jaren 1950 bleek ernstige gebreken te vertonen en moest opnieuw worden opgebouwd in de late jaren 1990, waarbij Caskie's boek opnieuw werd uitgegeven.
Later leven 
Caskie keerde uiteindelijk terug naar Schotland als minister in de Old Gourock Church. In 1961 werd hij minister bij Wemyss Bay en Skelmorlie aan de Firth of Clyde . Hij was laatst ook minister in de kerk van St. Cuthbert in Monkton, Ayrshire .
Hij was het onderwerp van This Is Your Life in september 1959 toen hij werd verrast door Eamonn Andrews in de foyer van het BBC Television Theatre.
Hij ging in het begin van de jaren zeventig met pensioen in Edinburgh en woonde het laatste jaar van zijn leven bij zijn jongere broer in Greenock . Hij stierf in 1983 en ligt begraven op Bowmore op Islay. Verschillende persoonlijke voorwerpen, waaronder zijn oorlogsmedailles, zijn te zien in Kilarrow Parish Church , Bowmore.

Afbeeldingsresultaat voor Donald Caskie

Donald Currie Caskie
Religie Kerk van Schotland
persoonlijk
Nationaliteit Verenigd Koningkrijk Brits
Geboren 22 mei 1902 
Bowmore , Islay , Schotland
Ging dood 27 december 1983 (81 jaar) Greenock , Schotland
Religieuze carrière

 


Neville Chamberlain

Arthur Neville Chamberlain [ˈɑːθə ˈnɛvɪl ˈtʃeɪmbəlɪn] (uitgesproken als "Tsjeemberlin") (Birmingham, 18 maart 1869 – Reading, 9 november 1940) was een Brits politicus voor de Conservative Party en eerste minister van het Verenigd Koninkrijk van 1937 tot 1940. Hij zou de geschiedenis ingaan als de man die dacht de wereldvrede te hebben gered ("Peace for our time").
Biografie
Persoonlijk

Chamberlain werd geboren op 18 maart 1869 als zoon van Joseph Chamberlain, de burgemeester van Birmingham. Zijn moeder, Florence Kenrick, stierf in het kraambed toen hij 6 was. Hij had drie zussen en een halfzus en halfbroer uit een vorig huwelijk van zijn vader. Zijn halfbroer Joseph Austen zou hem voorgaan in de politiek en werd Minister van Financiën.
In 1910 trouwde hij met Anne Cole. Uit dit huwelijk kwamen 2 kinderen voort: Francis en Dorothy Chamberlain
Carrière
Neville groeide op als een fijnzinnig man met sterke interesse in muziek, literatuur, plantkunde en ornithologie. Hij haalde zijn ingenieursdiploma en specialiseerde zich in metaalkunde. In een poging om verminderd familiefortuin terug te verdienen, stuurde Joseph Chamberlain zijn jongste zoon naar een sisal plantage op Andros (Bahama’s). Neville verbleef er zes jaar, maar de plantage was een mislukking. Joseph Chamberlain leed een verlies van 50.000 £.
Bij zijn terugkeer naar Groot-Brittannië ging Neville werken voor Hoskins & Company. 17 jaar leidde hij dit bedrijf en kende het florerende tijden. Tevens zette hij zich in voor maatschappelijke en culturele activiteiten in Birmingham, zoals de oprichting van het City of Birmingham Symphony Orchestra in 1920. .
Pas op 42-jarige leeftijd zette hij zijn eerste stappen in de politiek en werd hij in 1911 verkozen in de gemeenteraad van zijn thuisstad. Zeven jaar later, in 1918, werd hij verkozen in het House of Commons en zetelde er tot aan zijn dood in 1940. Zijn politieke carrière kwam nu op gang, en in 1923 werd hij voor het eerst minister. Hij kreeg het Ministerie van Volksgezondheid onder zich en onderscheidde zich door hervormingen met een sociale inslag. Vooral huisvesting zag hij als een manier om het leven van de minder bedeelden te verbeteren. Hij zorgde voor betaalbare woningen via subsidies aan bouwondernemingen.
Met een kleine onderbreking van enkele maanden in 1924 bleef hij deze post bekleden tot 1929. Vervolgens was hij in 1931 enkele maanden minister van Volksgezondheid en daarna van 1931 tot 1937 minister van Financiën. In deze functie liet hij zich weer als sociaal hervormer gelden door de excessieve bedrijfswinsten af te romen. Ook zette hij zich in voor het wegwerken van de oorlogsschulden en de vernieuwing van fabrieken en mijnen. Dankzij dit laatste kon het Verenigd Koninkrijk met de modernste technologie en middelen de Tweede Wereldoorlog beginnen, al was dit voor Chamberlain niet de uiteindelijke doelstelling van dit beleid. Ook in het buitenland bleven zijn prestaties niet onopgemerkt, en hij kwam zelfs op de omslag van het Amerikaanse blad "Time Magazine" te staan.Tevens was hij van 1937 tot 1940 partijleider van de conservatieven
Een volgende opstap kon niet uitblijven en op 28 mei 1937 bereikte hij het hoogste ambt en werd eerste minister. Al snel werd hij geconfronteerd met de oorlogszucht van nazi-Duitsland, dat ondertussen reeds Oostenrijk had geannexeerd.
Vanwege de oorlogsmoeheid van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk probeerde hij bij de Conferentie van München in september 1938 Hitler te paaien met een zeer grote concessie. Hitler mocht Sudetenland (een deel van Tsjechoslowakije waar veel Volksduitsers woonden) inlijven. Voor Tsjechoslowakije was dit een ramp, want in Sudetenland was zeer veel industrie gevestigd en ook bevonden zich hier verdedigingslinies. Het Verdrag van München luidde Chamberlains politieke ondergang in: op 1 september 1939 viel Duitsland ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen toch Polen binnen. Daarmee was de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk geworden en bleek het Verdrag van München een dode letter te zijn. Chamberlains positie begon onhoudbaar te worden. Binnen zijn eigen coalitie groeide de weerstand. Die werd nog aanmerkelijk vergroot na het falen van de Britse Royal Navy tijdens de Duitse aanval op Noorwegen. Toen nazi-Duitsland op 10 mei 1940 België, Nederland en Frankrijk binnenviel, zag Chamberlain zich gedwongen af te treden. Hij werd opgevolgd door anti-appeaser Winston Churchill.
Chamberlain overleed zes maanden later aan maagkanker, terwijl Duitse bommenwerpers over Groot-Brittannië zwermden.
Citaten
Over het Verdrag van München uit 1938:

”We regard the agreements signed last night as symbolic of the desire of our two peoples never to go to war with one another again." (We beschouwen het akkoord dat gisteren getekend werd als symbool van de wil van onze volkeren om nooit meer oorlog met elkaar te voeren.)
”I believe it is peace for our time.” (Ik geloof dat het een vrede voor onze tijd is.)

Britse premier Neville Chamberlain

Neville Chamberlain in 1921
Eerste minister van het Verenigd Koninkrijk
In functie
28 mei 1937 - 10 mei 1940
Monarch George VI
Voorafgegaan door Stanley Baldwin
Opgevolgd door Winston Churchill
Leider van de Conservatieve Partij
In functie
27 mei 1937 - 9 oktober 1940
Voorafgegaan door Stanley Baldwin
Opgevolgd door Winston Churchill
Kanselier van de Schatkist
In functie
5 november 1931 - 28 mei 1937
premier 
Ramsay MacDonald
Stanley Baldwin
Voorafgegaan door Philip Snowden
Opgevolgd door Sir John Simon

 


Ernle Chatfield

Admiral of the Fleet Alfred Ernle Montacute Chatfield, 1st Baron Chatfield (Southsea, 27 september 1873 – Farnham Common, 15 november 1967) was een Britse officier in de Royal Navy en was van 1933 tot 1938 First Sea Lord. Hij was voor korte tijd tussen 1939 en 1940 Minister for Coordination of Defence (een soort minister van Defensie).
Marinecarrière
Chatfield werd geboren in Southsea in Hampshire en was de enige zoon van admiraal Alfred John Chatfield. Hij ging in 1886 bij de Royal Navy. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als vlaggenkapitein aan boord van de HMS Lion en vocht mee tijdens de Slag bij Helgoland in 1914, de Slag bij de Doggersbank in 1915 en de Zeeslag bij Jutland in 1916.
Na de Eerste Wereldoorlog diende hij van 1925 tot 1928 als Third Sea Lord en controller van de marine, van 1929 tot 1930 was hij opperbevelhebber van de Atlantic Fleet en van 1930 tot 1932 van de Mediterranean Fleet.Tot slot was hij van 1933 tot 1938 First Sea Lord. Hij werd in 1930 bevorderd tot admiraal en in 1935 tot Admiral of the Fleet. In 1937 kreeg Chatfield een peerage: Baron Chatfield, of Ditchling in the County of Surrey.
Minister of Coordination of Defence
In 1939 volgde Lord Chatfield Sir Thomas Inskip op als Minister for Coordination of Defence in de regering van Neville Chamberlain ondanks dat hij geen politieke achtergrond had. In deze rol zijn kijk op Rusland als een mogelijke bondgenoot tegen nazi-Duitsland was dat zij “van aanzienlijke, maar niet van grote militaire waarde zou zijn”.
Chatfield was de voorzitter van de Expert Committee bij de Defence of India die met behulp van het werk van de Auchinleck Committee van 1938 die in 1939 de herbewapening, modernisatie en uitbreiding van het Brits-Indische leger (die groeide van 183.000 man in 1939 tot 2.250.000 man aan het einde van de oorlog) schetste. Hij pleitte er ook voor de hervorming van de Britse economie naar een oorlogseconomie voordat de oorlog in 1939 uitbrak waardoor de binnenlandse consumptie werd verminderd. Maar Oliver Stanley bij de Board of Trade weigerde met het argument dat een dergelijke stap in vredestijd ‘revolutionair’ zou zijn. Chatfield diende als minister tijdens bij de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog maar kon maar weinig invloed uitoefenen. Lord Chatfield werd gevraagd om af te treden en zijn post werd afgeschaft.
Militaire loopbaan
Cadet: 1886
Midshipman: november 1888
Sub-Lieutenant: 27 september 1892
Lieutenant: 27 maart 1894
Commander: 1 januari 1904
Captain: 30 juni 1909
Rear Admiral: 31 juli 1920
Vice Admiral: 1 maart 1926
Admiral: 1 april 1930
Admiral of the Fleet: 3 mei 1935
Onderscheidingen
Ridder Grootkruis in de Orde van het Bad in 1934
Ridder Commandeur in de Orde van het Bad in 1922
Lid in de Orde van het Bad in 1916
Order of Merit op 2 januari 1939
Ridder in de Orde van Sint-Michaël en Sint-George op 5 april 1919
Lid in de Orde van Sint-Michaël en Sint-George op 31 mei 1916
Commandeur in de Koninklijke Orde van Victoria
Grootkruis in de Orde van de Feniks (Griekenland) in 1933
Grootkruis in de Orde van Aviz (Portugal) in 1940

Echatfield.jpg

Geboren 27 september 1873
Southsea, Hampshire, Engeland
Overleden 15 november 1967
Farnham Common, Buckinghamshire, Engeland
Land/partij Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Onderdeel Naval Ensign of the United Kingdom.svg Royal Navy
Dienstjaren 1886 – 1938
Rang Generic-Navy-O12.svg Admiral of the Fleet
Eenheid HMS Britannia
HMS Cleopatra
HMS Warspite
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Slag bij Helgoland
Slag bij de Doggersbank
Zeeslag bij Jutland

 


Anthony Eden

Anthony Robert Eden (Windlestone Hall, (Durham), 12 juni 1897 - Salisbury (Wiltshire), 14 januari 1977) was een conservatief Engels staatsman. Hij was eerste minister van het Verenigd Koninkrijk van 6 april 1955 tot en met 10 januari 1957 en minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet van Winston Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Eden studeerde aan Eton en Oxford. Hij nam als militair deel aan de Eerste Wereldoorlog waar hij een onderscheiding (Military Cross) kreeg. In 1923 werd hij als conservatief verkozen in het Lagerhuis voor het district Warwick & Leamington en zetelde er tot in 1957. Zijn specialiteit was de buitenlandse staatkunde. Anthony Eden werd in 1926 privésecretaris van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Austen Chamberlain. In 1931 werd hij onderstaatssecretaris voor Buitenlandse Zaken waardoor hij veel in Genève verbleef. In 1934 werd Eden benoemd tot Lord Privy Seal en in 1935 tot minister voor Volkenbondzaken in de regering van Stanley Baldwin. Hij was een van de eersten die erkenden dat vrede niet kon worden bewaard door het volgen van een appeasementpolitiek tegenover de nazi's in Duitsland en de fascisten in Italië. Hij was gekant tegen de politiek van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Samuel Hoare om de invasie van Italië in Abyssinië door de vingers te zien. Na het falen van het verdrag van Hoare-Laval, dat beoogde een eind te maken aan de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog, nam Samuel Hoare ontslag en volgde Anthony Eden hem in december 1935 op als minister van Buitenlandse Zaken. Hij steunde de politiek om zich niet te moeien in de Spaanse Burgeroorlog, ondersteunde premier Neville Chamberlain om de vrede te bewaren door middel van concessies aan nazi-Duitsland en protesteerde niet toen Hitler het Rijnland militariseerde in 1936. In 1938 stapte hij uit de toenmalige regering omdat hij het niet eens was met Chamberlains onderhandelingen met Italië. Er is vaak ten onrechte beweerd dat hij aftrad uit protest tegen het verdrag van München, waarbij Tsjecho-Slowakije in 1938 werd 'verkwanseld' aan nazi-Duitsland. In het Lagerhuis onthield hij zich overigens van stemming over dit verdrag. Hij werd de voorman van de 'Glamour boys', een conservatieve factie die het buitenlandse beleid van de conservatieve regering afwees. Winston Churchill zat in een andere kritische factie, de 'Old Guard'.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 nam Neville Chamberlain hem opnieuw op in de regering als minister van het Brits Gemenebest. Toen Winston Churchill in mei 1940 premier werd, benoemde deze Eden tot minister van Oorlog en in december 1940 tot minister van Buitenlandse Zaken. Samen met Churchill nam Eden deel aan de belangrijkste conferenties tijdens WO II. Eden leidde nagenoeg alle onderhandelingen tussen Groot-Brittannië en generaal Charles de Gaulle van de Vrije Fransen en tussen 1942-45 was Anthony Eden voorzitter van het Lagerhuis. Toen de conservatieven in juli 1945 in de oppositie terechtkwamen, werkte hij aan een heropbouw van de conservatieve partij en was hij betrokken bij de oprichting van de Verenigde Naties. Hij werd voor de derde maal minister van Buitenlandse Zaken onder Churchill in 1951 en volgde hem in april 1955 op als premier. Harold Macmillan, minister van Buitenlandse Zaken en diegene die Groot-Brittannië bij de Suezcrisis betrok, bracht Anthony Eden in een moeilijke situatie waardoor deze in januari 1957 ontslag nam en zo werd Macmillan de nieuwe Eerste minister. Eden verloor zijn internationale reputatie als staatsman, maar bleef populair bij het publiek en kreeg in 1961 de titel Graaf van Avon, waardoor hij tot aan zijn dood in het Hogerhuis zetelde.

Tijdens zijn pensioen woonde hij in Broad Chalke met zijn tweede vrouw en publiceerde hij zijn memoires. In 1977 stierf Anthony Robert Eden op 79-jarige leeftijd aan leverkanker te Salisbury.

Sir Anthony-Eden number 10 Official.jpg

Premier van het Verenigd Koninkrijk
Periode 1955-1957
Voorganger Winston Churchill
Opvolger Harold Macmillan
Portaal Portaalicoon Politiek
Verenigd Koninkrijk

 


Paul Fildes

Sir Paul Gordon Fildes OBE FRS (10 februari 1882 - 5 februari 1971) was een Britse patholoog en microbioloog die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan Porton Down werkte aan de ontwikkeling van chemisch- biologische wapens . 
Biografie 
Vroege leven

Fildes werd geboren in Kensington, Londen, de zoon van de kunstenaar Sir Luke Fildes en achterkleinzoon van de hervormingsgezinde Mary Fildes , Paul ging naar de Winchester School en studeerde vervolgens een operatie aan het Trinity College in Cambridge , waar hij een MB-BCh- graad behaalde.
Carrière 
Fildes diende als luitenant-commandant in het Royal Naval Volunteer Reserve , gestationeerd in het Royal Naval Hospital Haslar (1915-19) tijdens de Eerste Wereldoorlog . In 1919 werd hij benoemd tot officier in de Orde van het Britse rijk .
Nadat hij in het ziekenhuis van Londen werkte als assistent bacteriologist, verhuisde hij in 1934 naar het Middlesex Hospital . Hij werd ook verkozen tot Fellow of the Royal Society in 1934.  In 1940 hielp hij Donald D. Woods ontdekken hoe sulfonamiden werkten.
Hij was lid van de wetenschappelijke staf, Medical Research Council (1934-49).
Tweede Wereldoorlog
Fildes beweerde dat hij met Operatie Anthropoid de moord op top Nazi Reinhard Heydrich in Praag had bijgestaan door de Tsjechische agenten van de Special Operations Executive te voorzien van gemodificeerde No. 73 granaten gevuld met botulinetoxine . Het verhaal is met scepticisme ontvangen, gezien het ontbreken van enige indicatie dat Heydrich een van de zeer kenmerkende symptomen van botulisme vertoonde . 
In 1940 kreeg Fildes de leiding over een nieuw opgerichte afdeling, de afdeling Biologie, Porton (BDP) in Porton Down om de defensieve implicaties van een bacteriële aanval te bestuderen en bouwde een team van microbiologen op om het gebruik van biologische wapens te bestuderen, inclusief anthrax en botulinum toxine. Een vroeg project was de creatie van een voorraad van een miljoen met miltvuur geïmpregneerde runderkoekjes om te gebruiken in een mogelijke vergeldingsaanval. In 1942 voerde het op beroemde wijze proeven uit van een anthrax-biowapen, ontwikkeld in Porton Down op Gruinard Island . Hij heeft ook geassisteerd met de miltvuur strain tests op Gruinard Island, het uitvoeren van necropsieën op de lichamen van miltvuur blootgestelde schapen, om te bepalen of ze waren gestorven als een direct gevolg van miltvuurvergiftiging. Dit werk produceerde 's werelds eerste werkende anthrax-bom in de zomer van 1942. 
Aan het einde van de oorlog keerde hij terug naar het universitaire leven en overhandigde de controle over de afdeling aan zijn plaatsvervanger David Henderson , die toezicht zou houden op de bouw van een nieuwe, speciaal ontworpen laboratoriumfaciliteit en de oprichting van de autonome Microbiological Research Department. Hij werd geridderd in 1946.
Latere jaren 
Na de oorlog werkte Fildes aan de Sir William Dunn School of Pathology in Oxford, geleid door Nobelprijswinnaar Sir Howard Florey , om te studeren over de biochemie van bacteriofaag T1 (en in mindere mate T2) vermenigvuldiging.
Fildes ontving de Copley-medaille in 1963 van de Royal Society.
Werkt 
Hij was de auteur van werken over hemofilie en syfilis .

Paul Fildes, in marine-uniform

Paul Fildes, zoals geschilderd door zijn vader, Luke Fildes in 1919
Geboren Paul Gordon Fildes 10 februari 1882
Ging dood 5 februari 1971 (leeftijd 88)
Alma mater Trinity College, Cambridge
Awards Fellow of the Royal Society 
Royal Medal (1953) 
Copley-medaille (1963)
Wetenschappelijke loopbaan
instellingen Universiteit van Cambridge

 


Guy Gibson

Guy Gibson (Shimla, India, 12 augustus 1918 – Steenbergen, Nederland, 19 september 1944) was een Britse bombardementspiloot die in 1943 leiding gaf aan Operatie Chastise. Hiervoor werd Gibson onderscheiden met het Victoria Cross.
Wat voorafging
Gibson werd in India geboren maar verhuisde al op driejarige leeftijd naar Engeland. Na de middelbare school te hebben doorlopen koos Guy voor een carrière in de RAF: hij werd beroepsofficier. In 1936 kwam hij bij de Royal Air Force. Na zijn vliegeropleiding en zijn bevordering tot luitenant-vlieger vloog Gibson de Handley Page Hampden. Uiteindelijk werd hij aangesteld als commandant van het 83e squadron. In de tussentijd had Gibson de op zichzelf niet geringe overstap gemaakt gedurende meer dan 6 maanden Bristol Beaufighter nachtjagers te vliegen en te leiden. Hij maakte in die periode jacht op Duitse vliegers die vaak alleen of in geringe aantallen kostbare, storende aanvallen op Britse doelen deden.
In 1941 werd Gibson benoemd tot kapitein. Vanaf 1942 was hij piloot van de beste Britse bommenwerper van de Tweede Wereldoorlog, de Avro Lancaster. Later kreeg hij de leiding over een eskader van 30 Lancaster bommenwerpers: het 106e squadron. Begin 1943 werd hij gevraagd het nieuw op te richten 617e squadron samen te stellen uit ervaren en vrijwillig toetredende bemanningen. Het 617e werd in eerste instantie speciaal geformeerd om de Duitse stuwdammen aan te vallen.
Operatie Chastise
1rightarrow blue.svg Zie Operatie Chastise voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Operatie Chastise was een operatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was een poging van de geallieerden om het Ruhrgebied zonder stroom te zetten, door de stuwdammen die de stroom leverden te bombarderen.
Verscheidene keren hadden de geallieerden de wapenfabrieken gebombardeerd maar iedere keer bouwden de Duitsers ze razendsnel weer op. Gibson kreeg de opdracht om niet de fabrieken, maar de stuwdammen te vernietigen. Deze missie werd door velen als onmogelijk gezien omdat de stuwdammen extreem zwaar waren en de aanval extreme precisie vereiste.
De missie was een succes, maar de verliezen waren zwaar. Dankzij het bombardement zat het hele Ruhrgebied een maand lang zonder stroom, waardoor de Duitse oorlogsindustrie ernstige vertraging opliep. Mede door de inzet van grote aantallen dwangarbeiders uit geheel Europa wisten de Duitsers veel sneller dan verwacht de stuwdammen weer op te bouwen, waardoor de Duitse oorlogsindustrie al na een paar maanden weer op volle toeren draaide. Desalniettemin was de morele klap groot. Enige tijd waren de Duitsers gechoqeerd door het idee dat de vijand een zo goed verdedigd doel zo precies en succesvol kon opsporen en vernietigen. De aanval was tevens een enorme opsteker voor het Britse moreel, dat na drie jaar aardig in elkaar begon te zakken vanwege de uitzichtloosheid van de oorlog.
Na de missie
Gibson werd benoemd tot majoor en kreeg diverse staffuncties. Mede door toedoen van de Britse premier Winston Churchill werd hij op dienstreis naar Canada uitgezonden. Het was de wens van Churchill om Gibson binnen de Conservatieve partij een sleutelrol in de naoorlogse politiek te geven. De voorbereidingen op die nieuwe rol waren in volle gang, maar Gibson hield de sleur van de opeenvolgende staffunkties, ingesteld om hem de oorlog te doen overleven, niet langer vol. Hij wist het zo te regelen dat hij weer op operaties werd ingezet met een nieuw vliegtuig: de tweepersoons tweemotorige en voor zijn tijd zeer geavanceerde De Havilland Mosquito jachtbommenwerper. Gibson was leider van een eskader van 60 bommenwerpers.
Op 19 september 1944 werd Gibson's Mosquito getroffen door eigen vuur van een Lancaster bommenwerper. Hij kwam om het leven toen hij nabij Steenbergen (Noord-Brabant) neerstortte. Hij ligt begraven op het katholieke kerkhof van Steenbergen.
Militaire loopbaan
Royal Air Force: augustus 1936
Waarnemend Pilot Officer: 31 januari 1937
Pilot Officer: 16 november 1937
Flying Officer: 16 juni 1939
Flight Lieutenant 3rd: 3 september 1940
Waarnemend Squadron Leader 13 november 1940
Tijdelijk Squadron Leader: 1 december 1941
Squadron Leader: 13 april 1942
Wing Commander: 13 juli 1942
Decoraties
Victoria Cross op 28 mei 1943
Distinguished Flying Cross op 9 juli 1940 met Bar op 16 september 1941
DSO op 20 november 1942[14] met Bar op 2 april 1943
Commandeur in het Legioen van Verdienste op 3 december 1943
War Medal 1939-1945
1939-1945 Star
Air Crew Europe Star met gespen "FRANKRIJK" en "DUITSLAND"

Wing Commander Guy Gibson VC, 1944.

Wing Commander Guy Gibson VC, 1944.
Geboren 12 augustus 1918
Shimla, India
Overleden 19 september 1944
Steenbergen, Nederland
Begraven Oorlogsgraven van het Gemenebest Steenbergen
Land/partij Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Onderdeel Air Force Ensign of the United Kingdom.svg Royal Air Force
Dienstjaren 1936 – 1944
Rang UK-Air-OF4.svg Wing Commander
Eenheid 83 (Bomber) Squadron
29 Squadron
106 Squadron
617 Squadron
Leiding over 617 Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Schemeroorlog
Europa in de Tweede Wereldoorlog
Operatie Chastise

 


Martin Gilbert (historicus)

Martin John Gilbert (Londen, 25 oktober 1936 – 3 februari 2015) was een Brits historicus, lid van het Merton College, Universiteit van Oxford, commandeur van de Orde van het Britse Rijk en lid van de Geheimraad van Groot-Brittannië. Hij schreef van meer dan tachtig boeken, waaronder werken over de Holocaust en de Joodse geschiedenis. Hij werd vooral bekend als de officiële biograaf van Winston Churchill. Gilbert beschreef zichzelf als een 'trotse praktiserende jood en zionist' en hield overal ter wereld lezingen over Churchill en de joodse geschiedenis.
Opleiding en persoonlijk leven
Gilberts joodse ouders zijn Peter en Mirjam Gilbert. Toen hij twee en een half jaar oud was brak de Tweede Wereldoorlog uit. Negen maanden later werd hij geëvacueerd als onderdeel van de evacuaties van burgers in Groot-Brittannië tijdens de Tweede Wereldoorlog.Gilbert heeft, naar eigen zeggen, levendige herinneringen aan deze overtocht van Liverpool naar Quebec en dat wekte zijn interesse voor de oorlog. In Canada kreeg hij zijn basisopleiding. Toen hij zeven was keerde hij terug naar het Verenigd Koninkrijk met het schip 'Mauretania', waar hij net voor D-Day aankwam. Na de oorlog ging hij naar Highgate School in Londen. Na zijn dienstplicht van twee jaar in het Intelligence Corps, studeerde hij vanaf oktober 1957 Geschiedenis aan het Magdalen College in Oxford. Hij behaalde zijn bachelor in Moderne Geschiedenis in 1960. Zijn docenten waren onder meer Karl Leyser, John Stoye en A.J.P Taylor. Na zijn bachelorstudie startte Gilbert een postdoctorale studie aan de St-Antony College in Oxford.
In 1963 trouwde hij met Helen Constance Robinson. Samen hebben ze een dochter. Hij kreeg twee zonen met zijn tweede vrouw, Susan Sacher, met wie hij trouwde in 1974. Sinds 2005 is hij getrouwd met de holocausthistorica Esther Goldberg.
Biografie van Churchill
Na twee jaar van postdoctoraal werk benaderde Randolph Churchill hem om te helpen bij het schrijven van een biografie van zijn vader: Sir Winston Churchill. In datzelfde jaar (1962) werd hij junior lid van het Merton College, Oxford. De volgende zes jaar combineerde hij zijn eigen onderzoeksprojecten in Oxford met het onderzoek van Randolphs team in Suffolk om de eerste twee delen van Churchills biografie te publiceren. Toen Randolph in 1968 overleed, kreeg Gilbert de opdracht om de laatste zes delen van de biografie te voltooien. Elk hoofdvolume van de biografie wordt begeleid met documenten. Gilbert deed hier 20 jaar over en publiceerde gedurende deze jaren diverse andere boeken. Zo stelde hij enkele van de eerste historische atlassen samen, schreef 'Geschiedenis van de Holocaust', een geschiedenis van 'De Eerste Wereldoorlog', 'De Tweede Wereldoorlog' en een opmerkelijke driedelige serie 'Een geschiedenis van de twintigste eeuw'.
Gilbert noemde zichzelf een archiefhistoricus: hij gebruikte uitgebreid primaire bronnen. Tijdens een interview door de BBC over zijn Holocaustonderzoek, zei Gilbert dat hij gelooft dat "het onvermoeibare verzamelen van feiten uiteindelijk het ontkennen van de Holocaust uit de wereld zal helpen."
In 1990 werd Gilbert 'commandeur van de Orde van het Britse Rijk' en in 1995 werd hij geridderd voor diensten aan de Britse geschiedenis en de internationale betrekkingen. In dat jaar trok hij zich terug als lid van het Merton College en werd hij er erelid. In 1999 ontving hij een eredoctoraat van de universiteit van Oxford, voor zijn hele oeuvre. Sinds 2002 was hij lid van het Hillsdale College in Michigan en in 2006 en 2007 was hij professor geschiedenis aan de Universiteit van West-Ontario. In oktober 2008 werd hij verkozen tot erelid van het Churchill College.
Gilbert werd in juni 2009 lid van het Britse regerings-onderzoek naar de oorlog in Irak onder leiding van John Chilcot. William Hague, Claire Short, George Galloway, en Lynne Jones bekritiseerden deze benoeming in het parlement omdat hij ooit George W. Bush en Tony Blair vergeleek met Franklin Delano Roosevelt en Winston Churchill. Ook in 2009 werd Gilbert benoemd tot lid van de Geheimraad.

Sir Martin Gilbert in het midden aan de Ben Gurion Universiteit, Beer Sheva, in Israël.

Sir Martin Gilbert in het midden aan de Ben Gurion Universiteit, Beer Sheva, in Israël.
Algemene informatie
Geboren Londen, 25 oktober 1936
Overleden 3 februari 2015
Nationaliteit Vlag van Engeland Engeland
Beroep historicus, auteur
Overig
Religie praktiserende jood en zionist

Boeken
Biografie van Winston Churchill

Delen één en twee werden geschreven door Churchills zoon Randolph Churchill, hij bewerkte ook de twee begeleidende volumes. Het eerste werk van Gilbert als officiële biograaf was de postume publicatie van de drie begeleidende volumes bij volume twee, deze werden gepubliceerd in Randolph Churchills naam.
1971 · Winston S Churchill: Volume Three: The Challenge of War: 1914-1916
1975 · Winston S Churchill: Volume Four: World in Torment 1917-1922
1979 · Winston S Churchill: Volume Five: The Prophet of Truth 1922-1939
1983 · Winston S Churchill: Volume Six: Finest Hour 1939-1941
1986 · Winston S Churchill: Volume Seven: Road to Victory 1941-1945
1988 · Winston S Churchill: Volume Eight: Never Despair 1945-1965
Begeleidende werken bij de biografie
1972 · Winston S Churchill: Volume Three, Documents (in two volumes)
1977 · Winston S Churchill: Volume Four, Documents (in three volumes)
1979 · Winston S Churchill, The Exchequer Years, 1922–1929, Documents
1981 · Winston S Churchill, The Wilderness Years, 1929–1935, Documents
1982 · Winston S Churchill, The Coming of War, 1936–1939, Documents
1993 · The Churchill War Papers, Volume One: Winston S Churchill, 'At The Admiralty': September 1939–May 1940
1995 · The Churchill War Papers, Volume Two: Winston S Churchill, 'Never Surrender': May–December 1940
2000 · The Churchill War Papers, Volume Three: Winston S Churchill, 'The Ever-Widening War': 1941
Andere boeken over Winston Churchill[bewerken]
1966 · Winston Churchill – een korte biografie voor gebruik in scholen
1967 · Churchill: Great Lives Observed
1974 · Churchill: A Photographic Portrait
1979 · Churchill: An Illustrated Biography
1981 · Churchill's Political Philosophy
1981 · Winston Churchill: The Wilderness Years
1991 · Churchill, A Life
1994 · In Search of Churchill
1997 · Winston Churchill and Emery Reves, Correspondence 1937-1964 (editor)
2003 · Churchill at War: His 'Finest Hour' in Photographs, 1940-1945
2004 · Continue to Pester, Nag and Bite – gewijzigd tot Winston Churchill's War Leadership
2005 · Churchill and America
2006 · Will of the People
2007 · Churchill and the Jews
Andere biografieën en geschiedenisboeken
1964 · Britain and Germany Between the Wars (editor)
1965 · The Appeasers (met Richard Gott)
1965 · The European Powers 1900-1945
1965 · Plough My Own Furrow: The Life of Lord Allen of Hurtwood (editor)
1965 · Recent History Atlas, 1860-1960
1966 · The Roots of Appeasement
1966 · Servant of India (editor)
1968 · Lloyd George: Great Lives Observed (editor)
1968 · British History Atlas
1968 · American History Atlas
1969 · Jewish History Atlas
1970 · The Second World War – voor het gebruik in scholen
1971 · First World War Atlas
1972 · Russian History Atlas
1973 · Sir Horace Rumbold: Portrait of a Diplomat, 1869-1941
1974 · The Arab-Israeli Conflict: Its History in Maps
1976 · The Jews of Arab Lands: Their History in Maps
1976 · The Jews of Russia: Their History in Maps and Photographs
1977 · Jerusalem Illustrated History Atlas
1978 · Exile and Return: The Emergence of Jewish Statehood
1978 · The Holocaust, Maps and Photographs – for use in schools
1979 · Final Journey: The Fate of the Jews of Nazi Europe
1979 · Children's Illustrated Bible Atlas
1981 · Auschwitz and the Allies
1982 · Atlas of the Holocaust
1984 · Jews of Hope, The Plight of Soviet Jewry Today
1985 · Jerusalem: Rebirth of a City
1986 · The Holocaust: The Jewish Tragedy
1986 · Shcharansky: Hero of Our Time
1989 · The Second World War
1993 · Atlas Of British Charities
1995 · The Day the War Ended: May 8, 1945
1996 · Jerusalem in the Twentieth Century
1996 · The Boys, Triumph Over Adversity
1997 · A History of the Twentieth Century, Volume One: 1900-1933
1997 · Holocaust Journey: Travelling in Search of the Past
1998 · Israel: a history. Doubleday.
1999 · A History of the Twentieth Century, Volume Two, 1933-1951
1999 · A History of the Twentieth Century, Volume Three, 1952-1999
2000 · Never Again: A History of the Holocaust
2002 · First World War
2001 · From The Ends of the Earth: The Jews in the Twentieth Century
2001 · History of the Twentieth Century
2002 · Letters to Auntie Fori: The 5,000-Year History of the Jewish People and their Faith
2002 · The Righteous: The Unsung Heroes of the Holocaust
2004 · D-Day
2006 · Kristallnacht: Prelude to Destruction
2006 · The Somme: Heroism and Horror in the First World War
2008 · The Story of Israel
2009 · Atlas of the Second World War
2010 · In Ishmael's House: A History of the Jews in Muslim Lands, Yale University Presse, New Haven

 


William Joyce

William Joyce (New York, 24 april 1906 - Wandsworth, 3 januari 1946) was een Amerikaanse nationaalsocialist, die actief was in het opzetten van nazistische partijen in het Verenigd Koninkrijk en als radiopresentator propaganda maakte voor de Duitsers. Hij gebruikte hierbij het pseudoniem "Lord Haw-Haw". Hij werd door de Britten ter dood veroordeeld wegens landverraad.

Biografie
Joyce werd geboren in New York. Zijn ouders waren van Ierse afkomst, maar hadden het Amerikaanse staatsburgerschap. Desondanks verhuisden ze kort na Williams geboorte naar Galway. Daar namen ze een uitzonderingspositie, omdat ze, hoewel katholiek, toch sterk unionistisch waren. Na de uitroeping van de Republiek Ierland vertrok de familie naar Londen.

Joyce werd aangegrepen door het fascistische gedachtegoed, en werd lid van eerst de British Fascisti en vanaf 1933 de British Union of Fascists van Oswald Mosley. In deze partij klom hij op tot de positie van vicevoorzitter, maar was later een van de personen die ontslagen werd toen de BUF sterk inkromp, vermoedelijk omdat Joyce' sterke antisemitisme Mosley niet aanstond. Joyce vormde hierop zijn eigen splintergroep, de National Socialist League.

In augustus 1939 vluchtte Joyce naar Duitsland, nadat hij gehoord had dat hij bij het eventuele uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waarschijnlijk gedetineerd zou worden, en enige tijd later nam hij het Duitse staatsburgerschap aan. Hij kwam in dienst van het ministerie van propaganda, en verzorgde vanuit Hamburg het programma "Germany Calling", propaganda-uitzendingen gericht op het Verenigd Koninkrijk. Bij de Britten stond hij vanwege zijn sterk nasale en gemaakt-upper class accent bekend als Lord Haw-Haw.

William Joyce droeg het Kriegsverdienstkreuz.

Aan het einde van de oorlog werd Joyce door een Joodse Duitser in dienst van het Britse leger gevangengenomen. Hierbij werd hij in de billen geschoten toen een van de soldaten dacht dat hij een geweer probeerde te grijpen. Joyce werd aangeklaagd wegens landverraad. Aanvankelijk leek het erop dat hij zou worden vrijgesproken omdat hij geen werkelijk Brits onderdaan was toen hij zijn daden pleegde, maar de aanklager beargumenteerde succesvol dat het bezit van een legaal Brits paspoort hem tot Brits staatsburger maakte, ook al was dit paspoort onder valse voorwendselen verkregen (Joyce had beweerd in Galway geboren te zijn). Joyce werd veroordeeld tot de doodstraf en op 3 januari 1946 werd hij opgehangen.

William Joyce wordt na zijn arrestatie naar het ziekenhuis vervoerd

William Joyce wordt na zijn arrestatie naar het ziekenhuis vervoerd
Algemeen
Geboortedatum 24 april 1906
Sterfdatum 3 januari 1946
Geboorteplaats New York
Plaats van overlijden Wandsworth
Functie
Zijde Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Speciale functie radiopresentator

 


Vera Lynn

Dame Vera Margaret Lynn (East Ham (Londen), 20 maart 1917) is een Brits zangeres, die in de Tweede Wereldoorlog met als bijnaam "The Forces' Sweetheart" grote bekendheid kreeg. Het lied We'll Meet Again, geschreven door Ross Parker en Hughie Charles, is haar grootste klassieker.
Biografie
Vera Lynn werd geboren als Vera Margaret Welch in East Ham te Londen. Zij gebruikte de meisjesnaam van haar grootmoeder als artiestennaam. Ze begon met optreden als zevenjarige en trad voor het eerst voor de radio op in 1935, bij het destijds beroemde orkest van Joe Loss.
In 1940 kreeg Lynn haar eigen radioprogramma, Sincerely Yours, waarin zij boodschappen doorgaf aan soldaten in het buitenland en verzoeknummers zong. Ze bezocht ook ziekenhuizen om jonge moeders te interviewen en hun berichten aan hun echtgenoten overzee door te zenden, en trad op voor Britse soldaten, bijvoorbeeld in het toenmalige Birma. In 1939 nam ze het nostalgische We'll Meet Again op, dat goed bleek aan te slaan bij de velen die tijdens de oorlog van hun geliefden gescheiden waren. We'll Meet Again en haar The White Cliffs of Dover behoren tot de beroemdste liederen uit die jaren.
Na de bevrijding werd Lynn de eerste Britse artiest die de top van de Amerikaanse hitparade bereikte, met het lied Auf Wiederseh'n Sweetheart. Ook had ze succes met hits als Forget-Me-Not en My Son, My Son.
In 1975 werd Lynn in de adelstand verheven. Nadat bij haar borstkanker werd geconstateerd, richtte zij een liefdadigheidsorganisatie op.
Jarenlang was Lynn regelmatig te zien bij herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog; zij werd bijna de officieuze woordvoerder van de Britse veteranen. In 1985 trad ze in Nederland op tijdens het officiële concert ter gelegenheid van 40 jaar bevrijding. In 1992 trad zij op op het bordes van het Airborne Museum in Oosterbeek. In 1995 trad zij op bij Buckingham Palace ter gelegenheid van de vijftigste Victory in Europe Day. Tien jaar later was zij nog te gast bij een vergelijkbaar feest op Trafalgar Square, maar zingen deed zij toen niet meer. Wel hield zij een toespraak waarin ze de veteranen van de Tweede Wereldoorlog prees en jongere generaties opriep om zich hun offer te blijven herinneren.
In 2009 maakte Lynn haar comeback in de Britse hitlijsten. Met haar verzamelalbum We'll Meet Again - The Very Best of Vera Lynn haalde zij de album Top 20. Lynn was daarmee de oudste nog in leven zijnde zangeres die de Britse hitparade bereikte. In juli 2016 werd zij op 99-jarige leeftijd benoemd tot lid van de Orde van de Broeders van de Eer.
Drie dagen voor haar honderdste verjaardag verscheen het verzamelalbum Vera Lynn 100, bestaande uit zowel klassiekers als nooit eerder uitgebrachte nummers. Haar eeuwfeest werd gevierd met een benefietconcert in het London Palladium.
Lynn woont in Ditchling.
Trivia

In 1985 werd Lynn geridderd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau
Pink Floyd schreef het lied Vera van het album The Wall over Lynn. In de op de plaat gebaseerde filmmusical is haar kerstlied The Little Boy That Santa Claus Forgot te horen in de openingsscène.
Gary Numan zingt in zijn nummer War songs "Old men love war songs, I'm Vera Lynn".
In 1974 nam Lynn Give me your hand op, een Engelse versie van het lied Geef me je hand van Toon Hermans.
Discografie[bewerken]
Albums[bewerken]
[verbergen]Album met eventuele hitnotering(en) in de Nederlandse Album Top 100 Datum van
verschijnen Datum van
binnenkomst Hoogste
positie Aantal
weken Opmerkingen
We'll meet again 1972 20-05-1972 2 9 Verzamelalbum
Emotions 1985 05-01-1985 12 30 Verzamelalbum
The royal collection - Song of life 1995 01-04-1995 13 14 Verzamelalbum
The very best of Vera Lynn - We'll meet again 2009 17-10-2009 83 1 Verzamelalbum
[verbergen]Album met hitnotering(en) in de Vlaamse Ultratop 200 albums Datum van
verschijnen Datum van
binnenkomst Hoogste
positie Aantal
weken Opmerkingen
The very best of Vera Lynn - We'll meet again 2009 10-10-2009 10 21 Verzamelalbum
National treasure - The ultimate collection 2014 05-07-2014 200 1 
100 2017 25-03-2017 38 6* 
 

Vera Lynn in juli 2009

Vera Lynn in juli 2009
Algemene informatie
Volledige naam Vera Margaret Lynn
Geboortenaam Vera Margaret Welch
Bijnaam The Forces' Sweetheart
Geboren 20 maart 1917
Geboorteplaats East Ham, Londen
Land Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Werk
Jaren actief 1935–heden
Genre(s) traditionele popmuziek
Instrument(en) zang
Label(s) UK Decca/London, HMV
(en) IMDb-profiel
(en) Allmusic-profiel
(en) Last.fm-profiel
Portaal Portaalicoon Muziek

 


Elsie Maréchal

Elsie Maréchal was een Engelse vrouw die actief werd in het Belgische verzet om geallieerde piloten te helpen ontsnappen aan de Duitse troepen. Nadat ze verraden was, werd ze ter dood veroordeeld en onderworpen aan het ' Nacht und Nebel' -beleid om dergelijke tegenstanders van de nazi's te laten' verdwijnen '. Ze overleefde om haar verhaal te vertellen aan haar familie in Engeland en om onderscheidingen te ontvangen voor haar werk.
Vroege leven 
Elsie Mary Bell werd geboren op 21 juni 1894 in Acton, Middlesex , de dochter van Robert Edward Bell en Alice Mary (geboren Gowen). Na het volgen van zijn school in Great Yarmouth , volgde Elsie het Norwich Teacher Training College en werd hij bij zijn vertrek in 1915 door de London County Council als leraar aangenomen .
Tijdens haar werk in Londen tijdens de Eerste Wereldoorlog ontmoette ze een jonge Belgische soldaat, Georges Maréchal, die naar een ziekenhuis in Londen was gestuurd om te herstellen na een langdurige longontsteking tijdens het dienen in de door water gelopen loopgraven van Zuidwest-België.
Ze trouwden op 21 juni 1920 en begonnen te trouwen in Koblenz , Duitsland, waar Georges werkte in de Hoge Commissie. Ze kregen drie kinderen: Lilian Grace, die stierf als een peuter, Elsie en Robert. In 1929 keerde Georges met zijn gezin terug naar Brussel.
Tweede Wereldoorlog 
Vanaf begin 1941 was het gezin betrokken bij het Belgische verzet , de twee Elsies maakten deel uit van het ' Comet' -netwerk dat vele geallieerde vliegeniers hielp die over vijandelijk grondgebied waren neergehaald om gevangenneming te ontwijken en veiligheid te bereiken door hen door Frankrijk naar neutraal Spanje te smokkelen . Net als veel anderen die bij dergelijke netwerken betrokken zijn, werden ze uiteindelijk verraden door iemand die door de Duitsers was gevangengenomen en ondervraagd. Op 18 november 1942 werd de hele familie gearresteerd en voor verhoor meegenomen. Robert, die pas zestien was, werd uiteindelijk in januari 1943 vrijgelaten.
De rest van het gezin werd in eenzame opsluiting gehouden en herhaaldelijk en vaak bruut ondervraagd. Ze weigerden te onthullen wat ze wisten en op 15 april 1943 werden ze berecht, schuldig bevonden en ter dood veroordeeld. Op 20 oktober 1943 werden Georges en verschillende andere mannen geëxecuteerd door een vuurpeloton.
Op nieuwjaarsdag 1944 verlieten de twee Elsies de Sint-Gillisgevangenis ( nl ) in Brussel en begonnen ze bijna anderhalf jaar rond te reizen tussen verschillende gevangenissen en concentratiekampen. Dit was bedoeld om de geallieerden onmogelijk te laten traceren, een systeem dat bekend staat als ' Nacht und Nebel ' (nacht en mist). Ze overleefden en werden uiteindelijk gered uit gevangenschap door het Zwitserse Rode Kruis .
Te zijner tijd ontvingen zowel de Elsies (en Georges postuum) een aantal prijzen en onderscheidingen van de Britse, Amerikaanse en Belgische overheden als erkenning voor hun werk

Afbeeldingsresultaat voor Elsie Maréchal

Elsie Maréchal
Geboren Elsie Mary Bell 21 juni 1894 Acton, Middlesex

Ging dood 25 maart 1969 (74 jaar) Uccle , België
Burgerschap Brits
jaren actief 1941 - 1945
Organisatie België Weerstand ( Comet Line )
Bekend om België Weerstand ( Comet Line )
Partner (s) Georges Maréchal
Kinderen Lilian Grace (overleden), Robert en Elsie
Ouders) Robert Edward Bell (Father) 
Alice Mary (née Gowen) (moeder)

 


David Maxwell Fyfe

David Patrick Maxwell Fyfe (Edinburgh, 29 mei 1900 – Withyham, 27 januari 1967) was een conservatief Engels staatsman, advocaat en rechter die een juridische carrière combineerde met zijn politieke ambities. Hij werd advocaat-generaal, procureur-generaal, minister van Binnenlandse Zaken en minister van Justitie van Groot-Brittannië.
Biografie
Maxwell Fyfe was na de Tweede Wereldoorlog een van de aanklagers bij de Processen van Neurenberg en speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Echter, hij was ook een controversieel minister van Binnenlandse Zaken die weigerde om de terdoodveroordeling van Derek Bentley, op negentienjarige leeftijd medeplichtig aan het doden van een politieagent, ongedaan te maken. Bentley, die zwakbegaafd en analfabeet was, zou uiteindelijk postuum in 1993 een gedeeltelijke en in 1998 volledige gratie krijgen. Maxwell Fyfe's politieke ambities zouden uiteindelijk Harold Macmillan's kabinetsherschikking in juli 1962 niet overleven. Maxwell Fyfe werd verheven in de adelstand, eerst als Bruggraaf van Kilmuir, daarna als Baron Fyfe van Dornoch en laatstelijk als Graaf van Kilmuir, bij zijn vertrek uit de politiek.
Tweede Wereldoorlog
Na de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije in maart 1939 besloot Maxwell Fyfe om zich aan te melden voor het leger. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september van dat jaar, werd hij gedetacheerd op het departement van de rechter advocaat-generaal, met de rang van majoor. Tijdens een luchtaanval in september 1940 raakt hij ernstig gewond. In mei 1941 werd hij plaatsvervangend voorzitter van een commissie in de conservatieve partij, die de komende naoorlogse problemen moest bestuderen. In juli 1943 werd Maxwell Fyfe voorzitter van de commissie.
Neurenberg
In maart 1942 werd Maxwell Fyfe door Winston Churchill aangesteld als advocaat-generaal. Gelijktijdig werd hij toen geadeld en benoemd als Geheimraad. Met grote gedrevenheid werkte hij aan het vraagstuk hoe na de oorlog moest worden omgegaan met het mogelijk ter verantwoording roepen van het regime van Nazi-Duitsland. Als onderdeel van dit werk woonde hij op 8 April 1945 een Anglo-Amerikaanse conferentie bij over dit onderwerp. Na het einde van de oorlog was hij gedurende korte periode Procureur-generaal onder Churchill. Na de verkiezingen dat jaar werd hij vervangen door Hartley Shawcross die vervolgens de Britse hoofdaanklager werd bij de Processen van Neurenberg. Om zijn onpartijdigheid aan te geven stelde Shawcross vervolgens Maxwell Fyfe aan als zijn plaatsvervanger. Echter, Shawcross bevond zich tijdens de processen voornamelijk in Londen waar hij zich aan zijn politieke taken wijdde en had zelf een klein aandeel in de oorlogsprocessen. Hij voerde slechts de openings- en afsluitende toespraken terwijl Maxwell Fyfe de dagelijkse taken op zich nam als advocaat, administrateur en huismeester van de gevangenis waar de oorlogsmisdadigers opgesloten zaten. Doorgaans blonk Maxwell Fyfe niet uit in zijn kruis-verhoren, echter zijn volhardende en methodische kruis-verhoren van Hermann Göring zijn wereldberoemd geworden.
Rechten van de Mens
Maxwell Fyfe nam deel aan het Congres van Europa in Den Haag in 1948, waar de kiem werd gelegd voor het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en was samen met Pierre-Henri Teitgen een van de belangrijke bewerkstelligers van dit verdrag.
Privéleven
Maxwell Fyfe was de zoon van een schoolonderwijzer. Hij trouwde in 1925 met Sylvia Harrison en had drie dochters van wie hij er één zou overleven. De acteur Rex Harrison was de broer van zijn echtgenote.

David Maxwell Fyfe.jpg

De graaf van Kilmuir in de gewaden van de heer Chancellor

 


Sigismund Payne Best

Kapitein Sigismund Payne Best OBE (14 april 1885 - 21 september 1978) was een agent van de Britse Secret Intelligence Service tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Hij werd op 9 november 1939 door Duitse Gestapo- en Sicherheitsdienst (SD) -mannen opgepakt in wat bekend stond als het Venlo-incident . 
Naam 
Hoewel hij de achternaam Best gebruikte , was zijn werkelijke achternaam Payne Best . Dus toen hij in 1950 zijn memoires publiceerde, publiceerde hij onder 'Best, Sigismund Payne', terwijl zijn tweede en derde vrouw de officiële naam droegen van Margaretha Payne Best Van Rees en Bridget Payne Best. 
Vroege leven
Hij werd geboren in Cheltenham , Gloucestershire , de zoon van de arts George Payne Best en zijn vrouw Catherine Sophia (geboren Allison). Zijn vader was de kleinzoon van een relatie van een Indiase maharajah met een Britse vrouw . Na zijn studie Wetenschap in Londen werkte Payne Best eerst als zakenman. In 1908 ging hij viool studeren aan de muziekacademie van Lausanne . Daarna studeerde hij economie en musicologie aan de universiteit van München , waar hij in 1913 afstudeerde. In München verwierf hij een uitstekende kennis van de Duitse taal. Terug in Engeland ging hij als vrijwilliger het leger in. Zijn eerste vrouw, Dorothy Hallwood Adams, stierf in 1918.
Eerste-wereld inlichtingenwerk 
Captain Payne Beste diende in de Eerste Wereldoorlog als een inlichtingenofficier; eerst als een lid van het Inlichtingenkorps , en later als de tweede officier van het bureau Wallinger Londen van de GHQ. In 1917 stuurde majoor Ernest Wallinger hem naar Rotterdam , Nederland om inlichtingennetwerken af ​​te handelen en op te zetten in het door Duitsland bezette België . De Wallinger-service was gekoppeld aan verschillende Belgische verzetsgroepen. Een bekende rekruut van Wallinger was de Belgische verzetsheldin Gabrielle Petit . In Rotterdam raakte Best in een conflict verwikkeld met Richard Tinsley , lokale stationschef van MI6. In november 1917 werd hij teruggeroepen naar Londen nadat hij betrapt werd op slapen met de vrouw van een invloedrijke Belgische verzetsleider. Hij werd vervangen door luitenant Ivone Kirkpatrick . Later zou Best Tinsley beschuldigen van gekonkel tegen hem. 
Captain Best werd benoemd tot Officier in de Orde van het Britse Rijk (OBE) en bekroond met het Belgische Croix de Guerre .
Het leven in Nederland 
Nieuwe Uitleg: de straat in Den Haag waar Payne Best in 1939 zijn kantoor had
Na zijn demobilisatie in 1919 keerde Best terug naar Nederland, waar hij en zijn partner in business en intelligence, PN van der Willik, een Brits bedrijf oprichtten, Continental Trade Service genaamd, ook Pharmisan, een handelsonderneming, voornamelijk in de farmaceutische sector. producten en een adviesbureau voor Britse zakenmensen. 
Wonen op een uitstekende woonlocatie in Den Haag, stond bekend als een serieuze Britse zakenman. De dekking van Payne Best was dun. Hoewel hij getrouwd was met een Nederlandse vrouw, maakte zijn lange figuur, slobkousen en monocle hem in de ogen van veel Nederlanders het prototype van een Britse spion. Soms geloofde hij dat het veilig was om te beweren dat dit vermoeden volledig gerechtvaardigd was. 
Vanaf 1938 was hij lid van de Haag'schen Golf Club en had hij goede relaties met het Nederlandse koningshuis. Op vrijdagmiddag speelde hij regelmatig muziek met zijn buren, Prins Hendrik, hertog van Mecklenburg-Schwerin en echtgenoot van koningin Wilhelmina . Zijn vrouw, die hij 'May' noemde, was een relatief bekende kunstenaar en beeldde koningin Wilhelmina uit. In december 1938 ondernam hij met zijn vrouw May en zijn pleegzoon Enzo Bonopera een uitgebreide reis naar Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. 
Tweede Wereldoorlog inlichtingenwerk 
Met de opdoemende oorlog in 1938 werd Best gerekruteerd in Claude Dansey 's Z-organisatie , een nieuwe tak van het SIS . Best kende Dansey al, nadat hij in 1917 met hem in Nederland had gediend. Den Haag was een belangrijke plaats in het Z-netwerk, Dansey had het regionale hoofdkwartier van zijn netwerk gevestigd in de twee neutrale landen waar hij had gewerkt tijdens de Eerste Wereldoorlog: Nederland en Zwitserland. 
De operaties van Best in Nederland stonden op de zijwind van een politieke storm. Hij had op bevel van Londen, maar tegen alle ambachtslieden, zijn NOC- operaties gecombineerd met die van majoor Richard Henry Stevens , een minder ervaren agent die opereerde vanuit de Britse ambassade als hoofd van een fictief "paspoortcontrolebureau". De PCO (die net als Sectie Z door heel Europa opereerde) kwam in gevaar voordat zijn operaties werden gecombineerd met die van Sectie Z, en het was dus eenvoudig voor de Duitsers om steek- en contraspionageoperaties uit te voeren tegen Britse agenten in heel Europa. 
Een jonge nazi-advocaat, Walter Schellenberg , vervoegde de SS in 1933. Hij ontmoette Reinhard Heydrich en ging aan het werk in de contraspionagedienst van de Sicherheitsdienst (SD). Van 1939 tot 1942 was hij Reichsführer-SS Heinrich Himmler 's persoonlijke assistent en plaatsvervangend hoofd van het Reich Main Security Office onder Heydrich, die alleen op Himmler had geantwoord. In die hoedanigheid speelde hij een belangrijke rol in een valse vlagoperatie uit 1939 tegen Stevens en Best. 
Best, Stevens en de Nederlandse luitenant Dirk Klop (doen alsof hij, omwille van de neutraliteit, een Britse staatsburger was) begonnen een reeks bijeenkomsten, die ondanks de twijfels van de Britten over Fischer en zijn vermeende vrienden (die feitelijk SD waren) agenten), culmineerde in wat voorwendde een overeenkomst te vormen, post-Hitler, een verenigd Duits-Brits front tegen de Sovjet-Unie. De overeenkomst omvatte een periode waarin Adolf Hitler zou worden gehouden als een boegbeeld, vervolgens een herstel van de democratie en juridische bescherming voor Joodse burgers.
In Londen was premier Neville Chamberlain , nadat hij had gezien dat Hitler de overeenkomst van München schond door Tsjechoslowakije in te nemen, meer dan bereid om een ​​Duitse staatsgreep te plegen. Maar Best's vermoedens dat hun Duitse contacten dubbele agenten zouden zijn, waren door de geheime dienst gepasseerd en de agenten werden gewaarschuwd om weg te blijven van de Duitse grens. In Groot-Brittannië werden de topgeheime lezingen door velen gezien - waaronder de nieuwe First Sea Lord van de Admiraliteit, Winston Churchill - als een ander München. 
Ontvoering 
In ieder geval waren de gesprekken niet alleen een ingewikkelde Duitse bluf, maar de hele operatie werd abrupt beëindigd. Himmler had besloten om, tegen de bezwaren van Schellenberg in, de Britse agenten te laten ontvoeren; de poging van Georg Elser om Hitler te vermoorden bij de Bürgerbräukeller , geloofde dat Himmler het resultaat was van Britse machinaties, dwong de zaak. De volgende dag werden Payne Best en Stevens in een gewaagde en gewelddadige ontvoering ontvoerd uit de Cafe Backus aan de rand van Venlo - Klop werd dodelijk gewond bij de schietpartij met Duitse agenten - en haastte zich naar Berlijn .Onder ondervraging gaven Best en Stevens gedetailleerde informatie over Britse spionageactiviteiten. Erger nog, Stevens voerde hem een ​​lijst van SIS-agenten op in gewone tekst in Europa. 
Opsluiting
Luchtmening van het concentratiekamp van Dachau.
Best werd tussen 1940 en 1945 in Sachsenhausen en een paar maanden 1945 in het concentratiekamp Dachau gevangengezet . Hij was vloeiend in Duits en had de bescherming van de Gestapo en was in staat om het leven in Sachsenhausen zo smakelijk mogelijk te maken door een goede kleerkast, een bibliotheek met boeken en een radio te verzamelen om op de hoogte te blijven van de voortgang van de oorlog. 
Tijdens zijn gevangenschap kwam hij in contact met een aantal beroemde figuren, waaronder niet alleen Elser, maar ook de beroemde theoloog Dietrich Bonhoeffer , wiens laatste boodschap hij doorvertelde aan de vriend van Bonhoeffer, bisschop George Bell . De inspanningen van Bell en Bonhoeffer om de Britse regering te interesseren voor de ondersteuning van Duitse anti-nazi-troepen mislukten grotendeels vanwege de afkeer van Churchill voor de acties van Chamberlain en de angst voor een ander Venlo-incident. Eind april 1945 was Best op transport naar Tirol, waar hij werd bevrijd door reguliere Duitse troepen onder het commando van Wichard von Alvensleben 
Leven na de Tweede Wereldoorlog 
In 1953 eindigde zijn huwelijk met mei. Na de scheiding trouwde Best met zijn derde vrouw, Bridget, en verhuisde naar Calne , Wiltshire , Engeland. 
In 1950 publiceerde Best , met toestemming van Stewart Graham Menzies , hoofd van SIS ('C'), zijn memoires onder de titel The Venlo Incident die een bestseller werd. Hij stierf in 1978, op de leeftijd van 93, in Calne . Zijn as was verspreid in de Tuin der Herdenking van het crematorium in Swindon

Sigismund Payne Best, met monocle

Sigismund Payne Best, met monocle
Geboren Cheltenham, 14 april 1885
Overleden Calne, 21 september 1978
Rang Kapitein
Eenheid British Secret Intelligence Service (SIS)

 

Nieuwe Uitleg: the street in The Hague where Payne Best had his office in 1939

 

 

Aerial view of Dachau concentration camp.

 


Giles Romilly

Giles Samuel Bertram Romilly (19 september 1916 – Berkeley (Californië, 2 augustus 1967) was een Brits journalist, krijgsgevangen in nazi-Duitsland, broer van Esmond Romilly en neef van Winston Churchill. Hij diende als een oorlogscorrespondent in zowel de Spaanse Burgeroorlog als de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in oktober 1941 gevangengenomen in Narvik (Noorwegen), toen hij daar was om verslag te doen voor de Daily Express.
Romilly was de eerste gevangenen die door de Duitsers als Prominente werd bestempeld. Deze “Prominente” werden door Adolf Hitler als zeer belangrijk gezien dankzij hun relatie met de geallieerde politieke figuren in de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de waarde die Romilly had voor Hitler werd hij opgesloten in Oflag IV C (Slot Colditz), vanwaar ontsnappen onmogelijk werd geacht. Tijdens zijn verblijf in Colditz leefde Romilly in alle luxe, samen met de andere “Prominente” die later zouden arriveren, hoewel zij 24 uur per dag werden bewaakt voor het geval ze zouden willen ontsnappen.
Romilly gebruikte zijn positie in zijn voordeel en zorgde voor veel problemen door over alles wat hem irriteerde een klacht in te dienen. Onder deze klachten zat onder andere de klacht, dat hij zich erg ergerde aan het geluid, dat de laarzen van zijn bewaker maakten aan de andere kant van de deur van zijn verblijf, waardoor hij niet kon slapen. Na een bezoek van het Rode Kruis werd er een rood tapijt geplaatst in de gang bij zijn deur om het geluid te dempen.
Romilly wist echter succesvol te ontsnappen toen de “Prominente” verbleven in Oflag VII D bij Tittmoning. In het kamp zaten ook enkele Nederlandse officieren waaronder Machiel van den Heuvel, door de Britten ook wel "Vandy" genoemd. Romilly en Vandy kenden elkaar van hun tijd in Colditz waar Vandy de Nederlandse ontsnappingsofficier was. Vandy werd naar Tittmoning overgeplaatst vanwege zijn leidende rol als ontsnappingsofficier en de Duitsers dachten dat hij in Tittmoning, waar de meeste gevangen oude generaals waren, weinig schade kon betrokkenen. Vandy had echter al zijn volgende ontsnappingsplan klaar en samen met twee Nederlandse officieren abseilde Romilly van de kasteel muren naar beneden. De overgebleven “Prominente” verstopte zich in het kasteel, in de hoop dat de bewakers dachten dat ze allemaal waren ontsnapt. Na vier dagen waren ze allemaal gevonden. Romilly wist, hoewel 3.000 man hem zochten, de geallieerde linies te bereiken.
Dit was mede te danken aan de acties van luitenant Andre Tieleman, een Nederlandse officier die vloeiend Duits en Frans kon spreken. Dankzij hun vervalste identiteitsbewijzen, waarop stond dat zij dwangarbeiders waren, wisten zij te ontsnappen. Toen ze door een Duitse officier werden verhoord deed Tielman het woord en deed Romilly of hij doofstom was. Op deze manier wisten zij de vrijheid te bereiken.
Na de oorlog keerde Romilly terug als journalist. In 1952 schreef hij samen met mede “Prominente” Michael Alexander het memoires The Privileged Nightmare, wat later werd uitgegeven onder de titel Hostages at Colditz. Michael Alexander had de status van “Prominente gekregen door zich voor te doen als een familielid van Britse veldmaarschalk Harold Alexander. Hij stierf in Berkeley (Californië) in 1967 aan een overdosis Sedativum.

Afbeeldingsresultaat voor Giles Romilly

De eerste van de 'Prominenten', Giles Romilly

1-Brits Persoon in de II Wereldoorlog