Home     De start Van de Tweede Wereldoorlog     Het Derde Rijk van Adolf Hitler     Duitsland in de Tweede Wereldoorlog     Engeland in de Tweede Wereldoorlog     Amerika in de Tweede Wereldoorlog     Belgie in de Tweede Wereldoorlog     Nederland in de Tweede Wereldoorlog     Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog     Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog          Canada in de Tweede Wereldoorlog     Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog     Griekenland in de Tweede Wereldoorlog     Afrika in de Tweede Wereldoorlog     Polen in de Tweede Wereldoorlog     Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog     Italie in de Tweede Wereldoorlog     Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog     Roemenie in de Tweede Wereldoorlog    Hongarije in de Tweede Wereldoorlog     Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan    Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929     Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog     Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog     Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland     Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog     Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog     Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog     Japan in de Tweede Wereldoorlog     Linken van de Tweede Wereldoorlog     Operatie Overlord 1944     Het einde Van de Tweede Wereldoorlog

1-Belgisch militair in de Tweede Wereldoorlog

 


1e Infanteriebrigade (België)

De Brigade Piron of officieel Belgische 1e Infanteriebrigade werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk opgericht en stond onder bevel van Jean-Baptiste Piron die op zijn beurt onder het commando stond van de Britse 6e Luchtlandingsdivisie van het Canadese 1e Leger. Vanaf 28 augustus 1944 viel de brigade onder de Britse 49ste Divisie van het Britse 2e Leger.
De brigade bestond uit 2200 (volgens een andere bron 2500) gevluchte Belgische en Luxemburgse militairen. De eenheid werd opgeleid in Tenby (Wales). Ze nam niet deel aan de landing in Normandië maar landde op 7 augustus 1944 in Arromanches en Courseulles-sur-Mer, en bevrijdde op 21 augustus Cabourg, op 22 augustus Deauville, op 24 augustus Trouville-sur-Mer en op 25 augustus Honfleur.
Nadien nam de brigade deel aan de bevrijding van België. Ze stak op 3 september bij Rongy de grens over en bevrijdde een dag later de hoofdstad Brussel. De militairen kregen hierna een paar dagen verlof om hun familie te bezoeken.
Vervolgens nam de eenheid deel aan de veldtocht in Nederland, met name op Walcheren en in Betuwe.
Na de oorlog vormde ze de kern voor het nieuwe Belgische leger. De brigade bezette in Duitsland de streek rond Siegen en Lüdenscheid. Later werd ze herdoopt tot Bataljon Bevrijding. In 1992 werden de 5de Linie Regiment en Bataljon Bevrijding samen gevoegd tot Regiment Bevrijding/5 Linie. In 2010 werd ze een Mediaan bataljon waardoor de benaming werd gewijzigd naar Mediaan Bataljon Bevrijding/5 Linie (afgekort als Md Bn Bvr/5 Li). Ze is nu gekazerneerd in Leopoldsburg.
In het kader van de NAVO-gordel kreeg België een zestig kilometer brede sector te verdedigen. Het 1ste Belgische Legerkorps dat deze opdracht uitvoert, vormt alzo een schild ter bescherming van Belgische staatsburgers. Deze opdracht vindt men terug in de leuze op het wapenschild "SCUTUM BELGARUM", wat staat voor het "Schild der Belgen".
Wapenschild
Gekruiste zwaarden: met vereende krachten (de twee gekruiste zwaarden), wordt de doorgang versperd voor éénieder die niet welkom is. De zwaarden symboliseren samen met het schild de doeltreffende verdedigingsschakel binnen de NAVO die borg staat voor het afslaan van elke mogelijke militaire bedreiging.
Leeuwenkop: tijdens haar vormings- en trainingsfase in het Verenigd Koninkrijk nam de Brigade Piron als eerste een gouden leeuwenkop op in haar wapenschild. Het is die leeuwenkop die men nu terugvindt in het wapenschild van het 1e Belgische Legerkorps.
Literatuur
Memoires Brigade Piron ASBL Fidelitas en Superbia 1994 Wettelijk depot D/1994/6795/01

Afbeeldingsresultaat voor 1e Infanteriebrigade (België)

Insigne van het Belgische 1e In

Henri Bernard (professor)


Henri Bernard (Brussel, 3 augustus 1900 – Schaarbeek, 15 februari 1987) was een Belgisch militair en professor. Hij diende als officier in het Belgische leger, nam tijdens de Tweede Wereldoorlog deel aan de Achttiendaagse veldocht, ging daarna in de weerstand, vluchtte naar Engeland, nam deel aan de voorbereiding van de landing door de geallieerden en de latere operaties op het Europese continent. Na de oorlog werd hij professor krijgsgeschiedenis aan de Koninklijke Militaire School (KMS). In 1986 werd hij door koning Boudewijn als baron in de adelstand verheven.
Afkomst en jonge jaren
Henri Bernard was de zoon van Léopold Bernard, een hoger officier van het Belgische leger, en Clémence Dewez. Hij liep school in Waver en, in Brussel, aan het “Collège Saint-Michel“ en het “Institut Saint-Louis”, waar hij in 1918 afstudeerde in de Grieks-Latijnse afdeling. Tussen 1908 en 1913 vergezelde hij vaak zijn vader op bezoek bij luitenant-generaal Gérard Leman, de commandant van de Koninklijke Militaire School en toekomstig verdediger van de vestingen van Luik en bij luitenant-kolonel Jules Marie Alphonse Jacques, tweede in bevel van de KMS die na de Eerste Wereldoorlog zou bekend worden als “Jacques de Dixmude“.
In de Eerste Wereldoorlog was hij, tijdens de bezetting van België door het Duitse leger, actief als verdeler van de clandestiene krant La Libre Belgique, waarvoor hij in 1919 het Burgerlijk Ereteken 1914-1918 1ste Klas kreeg.
Bernard trouwde in 1923 en kreeg twee zoons en een dochter.
Militair loopbaan

De militaire loopbaan van Henri Bernard begon op 2 december 1918 als vrijwilliger bij het 2de Regiment Grenadiers.
Op 26 december 1921 werd hij bevorderd tot onderluitenant en aangeduid voor het 9de Linieregiment.
Van 9 december 1924 tot 14 augustus 1929 volgde hij als leerling van de 85ste promotie genie en artillerie de cursussen aan de Koninklijke Militaire School.
Op 26 december 1924, tijdens de cursus, werd hij bevorderd tot luitenant en aangeduid voor het 4de Regiment van de genie te Namen.
Op 26 maart 1930 werd hij kapitein en aangeduid voor het Regiment van de transmissietroepen in Vilvoorde.
Op 15 september 1932 werd hij leerling aan de Krijgsschool en na de studies op 21 augustus 1934 kapitein SBH (Stafbrevethouder).
Op 4 april|1935 werd hij belast met de cursus geografie aan de Krijgsschool, vanaf 20 juli als lid van het Regiment van de transmissietroepen
Op 27 juli 1938 werd hij chef van het 3de bureau van de staf van het 1ste Legerkorps.
Op 15 juni 1939 werd hij chef van de sectie werken van de 4de Directie van de Genie en Fortificaties (4 DGnF) die belast was met de constructie van de KW-stelling waar Belgische, Britse en Franse legers moesten slag leveren in geval van een Duitse invasie.
Wanneer op 15 mei de stelling werd opgegeven als gevolg van de doorbraak op het Franse front tussen Dinant en Sedan organiseerde en leidde hij de terugtocht van zijn eenheden. Op 18 mei verving hij de commandant van de 4 DGnF. Hij kreeg dan het bevel zijn eenheid naar Frankrijk te brengen.
Op 28 mei 1940 capituleerde het Belgische leger. Op 6 juni was zijn eenheid in Montpellier waar ze ontbonden werd.
Hij werd dan opgenomen in het kabinet van de minister van landsverdediging, luitenant-generaal Henri Denis, dat geïnstalleerd was in Villeneuve-sur-Lot in Frankrijk.
Op 30 september 1940 was hij terug in Brussel waar hij in dienst van de Belgische administratie werkte en tegelijk actief was in het verzet.
In oktober 1941 had een verrader het clandestiene inlichtingennetwerk geïnfiltreerd. Henri Bernard en zijn echtgenote liepen groot gevaar in België. Eind 1941 konden ze met hun dochter via Frankrijk en Portugal vluchten naar Engeland.
Van 1942 tot 1944 diende Henri Bernard in Londen in het Belgische Ministerie van Landsverdediging.
In 1944, op 10 september, verliet hij Londen als stafchef van de Belgische missie bij SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces).
Op 26 juni 1944 werd hij tot majoor SBH (Stafbrevethouder) bevorderd.
Hij werd stafchef van de 1ste Infanteriebrigade en gedetacheerd naar de 52ste Divisie waarmee hij deelnam aan de Slag van het Reichswald.
Op 5 april 1945 werd hij slachtoffer van een ongeval zodat hij niet kon deelnemen aan de verdere operaties van de brigade tot het staakt-het-vuren op 8 mei 1945.
Na enkele weken herstel deed hij dienst in de staf van het Belgische leger, nadien in een centrum voor instructie en tot slot als commandant van de school voor vervolmaking te Bosvoorde.
Op 26 maart 1948 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel en 26 maart 1950 tot kolonel.
In 1948 en in 1950 was hij aide-de-camp van prins-regent Karel van België.
Als lid van het Geheim Leger werd hij erkend als inlichtingenagent en als kapitein en majoor van de weerstand.
Academische carrière
Professor en historicus

Henri Bernard had ervaring opgedaan als professor aan de Krijgsschool, als strijder tijdens de Achttiendaagse veldtocht, als weerstander tijdens de bezetting van België, als stafofficier in Londen bij de voorbereiding van de landing op het continent, en als stafofficier bij de geallieerden en de Belgische Brigade Bevrijding.
Wanneer de Koninklijke Militaire School na de oorlog opnieuw de deuren opende werd hij ermee belast krijgskunst, militaire geschiedenis en aardrijkskunde te doceren. (12 januari 1946).
Op 13 januari 1948 werd hij tot professor militaire geschiedenis benoemd.
Op 1 juni 1951 werd zijn ontslag als officier aanvaard. Hij ging met zijn graad en anciënniteit over naar het reservekader en werd burgerprofessor aan de Koninklijke Militaire School benoemd.
Werken

Tijdens zijn academische loopbaan heeft Professor Henri Bernard talrijke boeken, artikelen en monografieën, geschreven of eraan meegewerkt.
Librarything, een internetcatalogus van boeken somt vierendertig boeken op waarvan enkele heruitgaven. Pallas,[2] een geïntegreerd ontsluiting- en beheerssysteem voor archiefinstellingen en documentatiecentra somt 57 items op waarvan 51, boeken, artikelen en monografieën.
Daarnaast publiceerde Henri Bernard artikelen in diverse Belgische en buitenlandse tijdschriften waaronder vijfentwintig bijdragen voor de Biographie Nationale en de Nouvelle Biographie Nationale.[3]
Zijn werken geven blijk van zijn vernieuwende kijk op krijgsgeschiedenis, van zijn geloof in een Europese unie en de verwerping van elke vorm van totalitarisme. In zijn geschriften en mondelinge colleges verwoordde hij zijn ideeën in een klare en beeldrijke, soms bijtende stijl.
Het Franstalige Wikipedia-artikel waarop dit artikel steunt, vermeldt de titels van een beperkt aantal boeken en zonder enige bibliografische gegevens. De bibliografische gegevens in dit artikel zijn die van Pallas, waar beschikbaar, of bijeengesprokkeld uit diverse bronnen.

. Mogelijk is ook de spelling of het taalgebruik niet in orde. Men wordt uitgenodigd deze pagina aan te passen. Henri Bernard was een Belgisch militair en professor.
Geboren: 3 augustus 1900, Stedelijk gebied van Brussel
Overleden: 15 februari 1987, Schaarbeek

Edmond Cathenis

Edmond Cathenis
Chênée 28/04/1922, Grivegnée 01/01/1976

Lid van het Waals Parlement: 1974-1976 *

Gedeporteerd als verplichte werknemer in Duitsland, ontsnapte resistente Edmond Cathenis vrijwillig is oorlog in de Brigade Piron (1944) en als zodanig, neemt deel aan de bevrijding van het grondgebied. Elektricien training, werknemer Englebert planten FGTB vakbondsvertegenwoordiger, deze militante socialist verkozen gemeenteraadslid in 1958. Wethouder Grivegnée (1962-1976), is het met de burgemeester François Struvay een dominante duo "Grivegnée-la-Rouge."
Provinciale Senator van Luik (1968-1971), senator (1971-1976), hij heeft bijgedragen aan de herziening van de grondwet van 1970, maar niet over de voorlopige regionalisering die niettemin hem een lid van de voorlopige Waalse regionale raad. Net als zijn socialistische collega's boycotte hij het werk (1974-1976).
Managing Director van de Luikse Vereniging van Elektriciteit, diende hij in het Huis van de Commissie voor Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Welzijn en de Openbare Werken Commissie van Regionale Ontwikkeling en Senaatswoningen, dezelfde bevoegdheden waarvoor de mening van de voorlopige Waalse regioraad wordt gevraagd. Na zijn dood werd hij vervangen door Servais Thomas in de Senaat.
Cfr Encyclopedie van de Waalse beweging, Parlementariërs en ministers van Wallonië (1974-2009) , t. IV, Namur, Destree Institute, 2010, p. 90
Gemeenteraadslid van Grivegnée (1959-1976)
wethouder (1962-1976)
Senator provincie Luik (1968-1971)
Senator (1971-1976)
lid van de voorlopige Waalse regionale raad (1974-1976)

Georges Danloy

Georges Danloy (Brussel, 9 februari 1911 - Hoei, 19 oktober 1999) was een Belgische generaal-majoor die samen met luitenant-kolonel Edouard 'Eddy' Blondeel [1] aan de basis stond van de oprichting van de huidige Belgische paracommando's.
Nadat hij een licentie in de economische en financiële wetenschappen behaalde aan de ULB, werd hij reserveofficier bij de artillerie. In 1939 werd luitenant Danloy opgeroepen en nam deel aan de Achttiendaagse Veldtocht. Na afloop hiervan kon hij zich niet neerleggen bij de nederlaag. Daarom besloot hij de strijd voort te zetten en vertrok naar Engeland.
Bij de Belgische strijdkrachten in Groot-Brittannië leidde luitenant (weldra kapitein) Danloy een peloton en daarna een compagnie fuseliers. Hij wilde de strijd zo snel mogelijk hervatten en slaagde erin het bevel te krijgen over een Belgische eenheid die deel uitmaakte van de Commandotroepen die de Britten aan het oprichten waren.
Na de zware commandotraining met succes te hebben volbracht, werd de Belgische eenheid ingezet in Italië, Joegoslavië, op Walcheren en vervolgens in Duitsland. Zijn eigen levendig enthousiasme en dat van de mannen die hij trainde, zorgden ervoor dat Georges Danloy overal de mooiste eerbetuigingen ontving van de chefs die hem onder hun orders hadden.
Na de oorlog besloot Danloy in het leger te blijven. Hij werd majoor, dan luitenant-kolonel en richtte het Trainingscentrum voor Commando's op. In 1951 werd hij de eerste commandant van het nieuw opgerichte Regiment Paracommando. Vervolgens stond hij aan het hoofd van de Zestiende Infanteriebrigade in Duitsland, en daarna van de Infanterieschool.
In juli 1964 werd hij vleugeladjudant van koning Boudewijn en op 26 december van datzelfde jaar werd hij bevorderd tot generaal-majoor. In 1983 brengt koning Boudewijn hem de grootste hulde door hem de titel van baron te verlenen.
Georges Baron Danloy KCVO MBE stierf op 88-jarige leeftijd.
Ter gelegenheid van de 50e verjaardag van de Paracommando's (2002) krijgt generaal-majoor Danloy het peterschap over de 142ste Promotie Sociale en Militaire Wetenschappen van de Koninklijke Militaire School.
Onderscheidingen

Grootofficier in de Kroonorde
Commandeur in de Leopoldsorde Palm
Commandeur in de Orde van Leopold II met Palm
Oorlogskruis 1940-1945 met 3 Palmen
Militair Kruis 1ste klasse
Herinneringsmedaille van den Oorlog 1940-1945
Kruis der Ontsnapten 1940-1945
Koninklijke Orde van Victoria (Verenigd Koninkrijk)
Lid in de Orde van het Britse Rijk (Verenigd Koninkrijk)
Grootkruis in de Orde van Verdienste van Adolf van Nassau (Luxemburg)
Grootkruis in de Grootkruis der Orde van Verdienste (Luxemburg)
Grootkruis in de Orde van Sint-Olaf (Noorwegen)
Officier in het Legioen van Eer (Frankrijk)
Croix de Guerre 1939-1945 met Palm (Frankrijk)
1939-1945 Ster (Verenigd Koninkrijk)
Frankrijk en Duitsland Ster (Verenigd Koninkrijk)
Italië Ster
Defensiemedaille (Verenigd Koninkrijk)
Médaille de la France libérée (Frankrijk)
Grootofficier in de Orde van Verdienste (Tunesië)
COMMANDO A Brevet
 

Afbeeldingsresultaat voor Georges Danloy

Geboren 9 februari 1911
Brussel, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, België
Overleden 19 oktober 1999
Hoei, Luik, België
Land/zijde Flag of Belgium.svg België
Dienstjaren 1932 - 1933
1939 – 1970
Rang Graden generaal-majoor.gif Generaal-majoor
Bevel Belgianparacommandobrigade.png Paracommando Regiment
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Achttiendaagse Veldtocht
Onderscheidingen zie onderscheidingen
Ander werk Adjudant van Koning Boudewijn van België

Luitenant-Kolonel Danloy, Veldmaarschalk Montgomery en Kapitein Roman, Marche-les-Dames, 1947.

Raoul Daufresne de la Chevalerie

Raoul Constantin Joseph Ghislain Daufresne de la Chevalerie (Brugge, 17 maart 1881 - Ukkel, 25 november 1967) was een Belgisch sporter die actief was als voetballer, hockeyer, tennisser en ruiter. Hij was de trainer van het Belgisch voetbalelftal dat in 1920 olympisch kampioen werd. Na zijn sportloopbaan bouwde Daufresne een commerciële loopbaan uit. In 1940 werd hij weer opgeroepen in het leger en werd hij bevelhebber van de Belgische landmacht in Groot-Brittannië.
Familie

Baron Raoul Daufresne de la Chevalerie was de zoon van Mathieu Daufresne de la Chevalerie (Hasselt 1855 - Schaarbeek 1941) en van Hélène Ensor (Brugge 1856 - 1941), enige dochter van de commandant van de Brugse Jagers-Verkenners, Léonce Ensor (Gent 1832 - Brugge 1905).
Hij trouwde in 1903 in Halsteren (Nederland) met Suzanne de Ram (Halsteren 1882 - Boirs 1930) van wie hij scheidde in februari 1922. Hij hertrouwde, twee maanden na de scheiding, in Londen, met Hélène Termote (Brugge 1886 - Ukkel 1973), dochter van de Brugse notaris en liberaal volksvertegenwoordiger Léon Termote (Brugge 1851 - Sint-Joost-ten-Node 1915) en Marie-Henriette Claeys, die eerst getrouwd was geweest met de Brugse koopman, voorzitter van de Brugse Kamer van Koophandel en liberaal gemeenteraadslid William Dumon (1878-1928). Uit het eerste huwelijk had hij een zoon, Guy Daufresne de la Chevalerie (Brugge 1904 - Brussel 2006) die Belgisch ambassadeur werd.
In 1959 werd Raoul Daufresne in de Belgische erfelijke adelstand verheven, met de bij eerste geboorte overdraagbare baronstitel.
Sport
Voetbal

Daufresne de la Chevalerie debuteerde in 1903 als aanvaller in het eerste elftal van Cercle Brugge. Hij bleef er spelen tot einde 1907 en was vanaf 1905 eveneens voorzitter van de vereniging. In totaal speelde hij 35 wedstrijden voor Cercle en scoorde hierbij 6 doelpunten.
In 1908 trok Daufresne naar stadsrivaal Club Brugge en speelde er vier seizoenen tot in 1912 toen hij een punt zette achter zijn spelersloopbaan op het hoogste niveau. Hij was er eveneens bestuurslid.
In totaal speelde Daufresne 98 wedstrijden in Eerste klasse en scoorde hierbij 13 doelpunten. In 1921 ging hij als trainer aan de slag bij Leopold CB voor vier seizoenen, en in 1925 voor twee jaar bij Sprimont Sport.
Andere sporten

Naast het voetbal was Daufresne nog actief in andere sporten. Hij beoefende de paardensport en was daarnaast ook nog tennisser en hockeyer. Na het beëindigen van zijn voetballoopbaan bleef hij een actief tennis- en hockeyspeler.
Olympische Zomerspelen van 1920 in Antwerpen

Tijdens de Olympische Zomerspelen 1920 in Antwerpen was Daufresne de la Chevalerie, die op dat moment 39 jaar was, speler van de Belgische hockeyploeg die de bronzen medaille behaalde. Hij nam eveneens deel aan de kwalificaties in het tennis en was daarnaast ook de trainer van het Belgisch voetbalelftal dat olympisch kampioen werd.
Militaire loopbaan

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Daufresne de la Chevalerie officier in de infanterie en klom op tot de rang van kapitein bij het einde van de oorlog in 1918. Hij verliet toen het leger voor de verderzetting van zijn sportieve en vervolgens commerciële carrière.
Tijdens het interbellum werd Daufresne een aantal maal in het reservekader bevorderd en klom hij op tot de rang van generaal-majoor in de Belgische landmacht.
Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht was hij, als opgeroepen reservist, bevelhebber van de 17de Infanteriedivisie. Hij werd door de Duitsers gevangengenomen maar werd al vlug bevrijd en trok via Marseille naar Groot-Brittannië. In augustus 1941 werd Daufresne, die inmiddels bevorderd was tot luitenant-generaal, bevelhebber van de Belgische landmacht in Groot-Brittannië als opvolger van Victor van Strydonck de Burkel. Daufresne bleef bevelhebber tot augustus 1942 en werd opgevolgd door Jean-Baptiste Piron. Die beschreef in zijn memoires zijn voorganger op een sarcastische manier:
"Op een dag ontmoette ik bij de kleermaker de reserve luitenant-generaal aan wie het bevel over de kleine landmacht was toevertrouwd. In 1914 was hij cavalerieofficier, maar op zijn verzoek was hij overgeplaatst naar de infanterie. Hij had daar eerlijk gestreden. In 1918 verliet hij het leger om zijn talenten als salonjonker in meer winstgevende zaken uit te oefenen. Hij verliet de dienst als kapitein en tijdens de twintig jaar vrede had hij een bevordering gekend die hem als actief militair niet zou zijn te beurt gevallen. Hij had dit te danken, zo zegde men, aan de bescherming van een zeer hooggeplaatste vriend. Tijdens de mobilisatie van 1939 had hij, met de graad van generaal-majoor, het bevel gekregen over een divisie van de tweede reserve. Hij was op spectaculaire wijze in Groot-Brittannië aangekomen, na een gemakkelijke reis van Marseille naar Londen, via de Verenigde Staten, en dit, welteverstaan, in luxeklasse. De generaal had in de mess zondagse tea-parties en woensdagse lunch-parties ingevoerd. Hij had, met de subsidies van het ministerie, een klein salon laten inrichten met daarin roze zetels en divans. Daar ontving hij de mooiste meiden uit het gezelschap. Hij was elegant, het haar opgesmukt, zeer sportief, goed “geconserveerd” ondanks zijn zestig jaar, en men fluisterde dat hij nog bewonderenswaardige scores haalde bij de dames."
Daufresne besloot zijn militaire carrière in 1946 als militair attaché in Tsjecho-Slowakije.
Militaire loopbaan

Eerste luitenant: 1914
Kapitein: 1918
Generaal-majoor: 26 maart 1937
Luitenant-generaal: augustus 1941

Afbeeldingsresultaat voor Raoul Daufresne de la Chevalerie

Geboren 17 maart 1881
Brugge, West-Vlaanderen, België
Overleden 25 november 1967
Ukkel, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, België
Land/zijde België
Onderdeel Belgische Leger
Dienstjaren 1914 - 1918
1939 - 1946
Rang Army-BEL-OF-08.svg Luitenant-generaal
Bevel 17e Divisie
Vrije Belgische Strijdkrachten
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog

Achttiendaagse Veldtocht
Ander werk Militair attaché in Tsjecho-Slowakije (1964)

Jean del Marmol

Jean Prosper Philippe del Marmol (Falaën, 5 augustus 1901 - aldaar, 3 september 1971) was een Belgische verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog in het Geheim Leger.Hij was getrouwd met Mary Lippens, die eveneens lid was van het Geheim Leger en die in 1944 werd gearresteerd door de Gestapo en na haar deportatie overleed in het concentratiekamp Belzig, aan de gevolgen van de zware dwangarbeid en de talrijke mishandelingen.
Verzet

In 1940 nam del Marmol deel aan de Achttiendaagse Veldtocht als luitenant bij de cavalerie. Na de overgave keerde hij uit Frankrijk naar België terug en werd de tweede in bevel bij kolonel Jules Bastin, eerst in de Legion Belge, later omgedoopt in Geheim Leger.
Del Marmol werd verantwoordelijk voor de contacten met andere verzetsgroepen en met administraties zoals de spoorwegen en de PTT. Hij organiseerde droppings van wapens en levensmiddelen. Hij zorgde ook voor financies, afkomstig van de secretaris-generaal voor financies Oscar Plisnier enz.
Zijn contacten met het Onafhankelijkheidsfront werden door de regering in Londen met argwaan bekeken en hij werd naar Londen geroepen, maar weigerde hier op in te gaan, hierin gesteund door generaal Pire, de nieuwe commandant van het Geheim Leger.
In maart 1944 werd del Marmol gezocht door de nazi's, maar dook onder. Zijn vrouw werd als gijzelaar opgepakt en overleed in het concentratiekamp Belzig.
Na de oorlog

Na de oorlog vroeg del Marmol geen erkenning aan als gewapend weerstander. Zijn verzetsdaden achtte hij voldoende bekend.
Hij was een hevig anticommunist en na de oorlog ijverde hij voor het instellen van een militair gezag, onder leiding van koning Leopold III van België.
Toen Patrice Lumumba in 1960 eerste minister werd van Congo-Kinshasa, hielp del Marmol de minister Harold d'Aspremont Lynden om in Katanga een opstand op te zetten tegen Lumumba. Del Marmols oudste zoon was getrouwd met een dochter van d'Aspremont Lynden.
Nageslacht

Het echtpaar del Marmol-Lippens had vier kinderen, onder wie:
Patrick del Marmol (°1930) trouwde met Hedwige d'Aspremont Lynden (1932-2014), dochter van graaf Geoffroy d'Aspremont Lynden.
Anne-Catherine del Marmol (°1939), licentiaat wijsbegeerte, trouwde met Etienne Delperdange (1937-1972).
In 1948 hertrouwde hij met Cecile de Brouwer (1910-1999), uit welk huwelijk nog twee zonen en een dochter werden geboren:
François del Marmol (°1949), ambassadeur, trouwde met Danielle Guilbert (°1943), ambassadeur.
Laurent del Marmol (°1951), trouwde met Isabelle Crick (°1957).
Mary del Marmol (1952-2007), trouwde met graaf Armand d'Aspremont Lynden.
In 2010 werden Patrick en Anne-Catherine del Marmol, evenals François en Laurent del Marmol, in de adelstand erkend, met de titel van baron, respectievelijk baron, overdraagbaar op de nakomelingen van de zoons.

Volledige naam Jean Prosper Philippe del Marmol
Geboren 5 augustus 1901
Falaën
Overleden 3 september 1971
Falaën
Land/zijde België
Onderdeel Geheim Leger
Dienstjaren 1940-1944
Rang Luitenant, verzetsstrijder
Tweede Wereldoorlog

België Vlag - 90 x 150 cm - Zwart / Geel / Rood

 

Edé de Selys Longchamps

Edmond A. Georges Marie Michel Ghislain de Selys Longchamps (Newmarket, 9 december 1914 - Londen, 16 juli 1982) (genaamd Edé) was een Belgisch edelman, officier en verzetsman.

Baron de Selys was de derde zoon van Raymond de Selys Longchamps. Hij streed tijdens de Achttiendaagse Veldtocht met de graad van kapitein-commandant bij de Belgische pantsertoepen. Hij werd als krijgsgevangene meegevoerd naar Duitsland maar slaagde erin in de loop van 1943 te ontsnappen.

Hij kon via Spanje Engeland bereiken en sloot zich daar aan bij de Belgische parachutisten van de Special Air Service (SAS). In september 1944 maakte hij deel uit van de in België en Nederland opererende geallieerde troepen en werd tijdens de gevechten bij Wilmarsdonk gekwetst.

In 1957 (hij was toen al 43) trouwde hij met de twintig jaar jongere Danièle Haesaerts (°1935), dochter van de Belgische cineast Paul Haesaerts. Ze kregen een zoon (die in Montreal geboren werd) en een dochter (die in Tunis geboren werd) en die voor heel wat nageslacht hebben gezorgd.

Afbeeldingsresultaat voor Edé de Selys Longchamps

Verheffing 1656
Fons honorum Ferdinand III en Leopold I
Stamvader Walter de Selys, baron van het Heilig Roomse Rijk
Etniciteit Belgisch

Michel Donnet

Michel Mike Libert Gabriel Marie, baron Donnet (Richmond, 1 april 1917 – Waterloo, 31 juli 2013) was een Belgisch generaal bij de luchtmacht.
Familie

De grootvader van Michel, Fernand Donnet (1856-1927) verkreeg, samen met zijn broers Robert Donnet (1896-1979) en Leon Donnet (1866-1925) opname in de erfelijke Belgische adel.
De vader van Michel, jonkheer Jean Donnet (1888-1957) was oorlogsvrijwilliger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij trouwde einde 1914 in Londen met de Antwerpse Mariquita Eyben (1891-1979). Ze kregen acht kinderen, van wie de eerste drie, onder wie Michel, in Engeland werden geboren.
Michel Donnet trouwde in 1948 met Jacqueline Gautier (°1925) en ze kregen een zoon en vier dochters.
Levensloop

Donnet nam dienst bij de Belgische luchtmacht in 1938, en behaalde zijn brevet als piloot in 1939. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog behoorde hij tot de 9de Escadrille van het Eerste Luchtvaartregiment. Hij werd krijgsgevangen genomen om pas in 1941 terug te keren naar zijn vaderland.
Hij wist nadien, met de eigenhandig herstelde tweedekker Stampe SV-4, naar Engeland te vluchten ondanks de Duitse bezetting.
Daar sloot hij zich aan bij de RAF waar hij verdere opleiding genoot. Eerst voerde hij het bevel over het No. 64 Squadron RAF en vanaf 1944 over het 350th Squadron - het eerste Belgische smaldeel dat in Groot-Brittannië werd opgericht - waarmee hij 375 vluchten uitvoerde.
Na de oorlog bleef hij in dienst bij het Belgisch leger, waar hij verschillende topfuncties bekleedde bij de luchtmacht, op het ministerie van defensie en bij de Navo. Zo was hij onder meer:
commandant van de Belgische Luchtmacht, sectie jachtvliegtuigen,
stafchef van de 2e ATAF,
adjunct algemeen stafchef van het Belgisch leger,
voorzitter van het NADGE-project binnen de NAVO,
Belgisch militair attaché in Groot-Brittannië
Belgisch vertegenwoordiger in het militair comité van de NAVO.
Hij ging in 1975 met pensioen met de rang van luitenant-generaal (drie sterren), toen de hoogste militaire graad in België.
voorzitter van de Koninklijke Aeroclub van België,
voorzitter van de koninklijke vereniging van oud-strijders van de RAF,
voorzitter van de SAAF.
Eerbetoon
Omwille van zijn inzet kreeg Donnet in Engeland de onderscheidingen

Distinguished Flying Cross op 19 februari 1943
Commandeur in de Royal Victorian Order
Air Crew Europe Star
1939-1945 Star
In eigen land kreeg hij
Oorlogskruis met 4 Palmen op 21 juli 1942
Kruis van de Ontsnapten
Grootofficier in de Leopoldsorde
Grootofficier in de Kroonorde
Commandeur in de Orde van Leopold II
Defensiemedaille
Medaille van het Bevrijde Frankrijk
Ridder in het Legioen van Eer
In 1966 werd hij vereerd met de adellijke titel van baron, overdraagbaar op de oudste zoon. Zijn wapenspreuk luidde: Per ardua semper Pro Deo Patriaeque fideles.

Afbeeldingsresultaat voor Michel Donnet

Bijnaam Mike
Geboren 1 april 1917
Richmond
Overleden 31 juli 2013
Waterloo
Land/zijde België
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Onderdeel Roundel of Belgium.svg Militaire Vliegwezen
Air Force Ensign of the United Kingdom.svg Royal Air Force
Air Force Ensign of Belgium.svg Luchtcomponent van Defensie
Dienstjaren 1938 - 1975
Rang BE-Air Force-OF8.svg Luitenant-generaal
Eenheid Royal Air Force Volunteer Reserve (RAFVR)
No. 64 Squadron RAF
350th Squadron
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Achttiendaagse Veldtocht
Europa in de Tweede Wereldoorlog

 

August Haus

Auguste Louis Lucien Haus (Nevele, 18 januari 1892 – Gent, 15 september 1948) was een Belgisch luitenant-kolonel.

Loopbaan

Auguste Haus was de zoon van Ernest-Victor-Auguste Haus (vrederechter van Nevele) en Hortense Smessaert. Hij deed rechtenstudies aan de Universiteit Gent toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij werd in februari 1915 oorlogsvrijwilliger bij het 21ste Linieregiment, waar hij op het einde van de veldtocht aan de IJzer reeds de graad van kapitein had.

Na de oorlog bleef hij bij het leger, eerst bij het tankregiment te Sint-Denijs-Westrem, dan bij het 2de bataljon van het 2de Linieregiment in de Leopoldskazerne te Gent, waar hij op 26 december 1939 bevorderd werd tot majoor. Later voerde hij het bevel over een compagnie Ardeense jagers te Bastenaken.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak maakte hij de 18-daagse veldtocht mee als bevelhebber over het 9de bataljon van het 22ste linieregiment dat slag leverde te Ronsele.

Na de capitulatie werd hij krijgsgevangen genomen en naar Duitsland gevoerd maar op 2 mei 1942 werd hij (om gezondheidsredenen en als groot oorlogsinvalide) gerepatrieerd en op 8 juni 1942 sloot hij zich aan bij het Geheim Leger met als schuilnaam was “Hamilcar”.

Hij werd eerst militair raadgever, dan commandant van de Gentse sector, stafoverste en in februari 1944 bevelhebber van Zone III van het Geheim Leger. Tijdens de actie in de Papegaaistraat te Gent op 15 juli 1944 (om de weerstander Albert Mélot uit de handen van de Duitsers te bevrijden en waarbij 2 Duitsers werden doodgeschoten), kon hij op het nippertje ontsnappen, maar de Duitsers namen zijn vrouw (Marguerite de Puydt) en dochter gevangen en voerden ze naar het concentratiekamp van Ravensbrück, waar beiden omkwamen.

Na de oorlog werd hij op 26 april 1946 gepromoveerd tot Luitenant-kolonel en werd hij ondervoorzitter van de ’’Broederlijke Vereniging van het Geheim Leger’’.

Auguste Haus trok zich na de bevrijding terug in het familiaal buitenverblijf ’’Vijfringengoed’’ op de Sterrewijk te Aalter, maar werd wegens ziekte naar het hospitaal te Gent overgebracht waar hij overleed op 15 september 1948.

Onderscheidingen
Commandeur in de Kroonorde met Palmen
Officier in de Leopoldsorde
Officier in de Orde van Leopold II met Zwaarden
Oorlogskruis met Palmen 14-18
Oorlogskruis met Palmen 40-45
Vuurkruis
Medaille van de Weerstand 1940-1945
Medal of Freedom U.S.A.
Gedenkingplat

gedenkplaat kolonel Haus te Gent

te Aalter op de Sterrewijk onder het Kalvariekruis werd in 1949 een gedenkplaat aangebracht met de tekst ’’Vroom aandenken aan Mrite, F. V.F.H. de Puvdt, ech. A. Haus ° 5-10-93, † Ravensbrück deber 44, Heliane-E.J. Haus ° 15-12-23, † Ravensbrück 27-12-44, Jean L.F.M.G. Haus ° 20-2-1920, † Bremen Schutzenhof 9-2-45, Kol Auguste L.L. Haus Kdt Zone III Geheim-Leger, ° 19-1-1892, † Gent 15-91948. Gestorven voor vorst en Vaderland’’. Onderaan staat tussen de twee familiewapens de spreuk "Spes Constanter" (hoop en vastberadenheid).
te Gent aan de Leopoldskazerne werd in 1949 een gedenkplaat voor hem en 1148 helden van het Geheim Leger. Bovenaan de plaat staat CREDIDI*PUGNAVI*TULI*VICI (Ik heb geloofd, ik heb gestreden, ik heb volhard, ik heb overwonnen; de vrouw en het jonge meisje rechts herinneren aan zijn vrouw en dochter, de groep links symboliseert het vaderland. In het midden houdt de weerstander de fakkel van het geloof en het zwaard van de strijd omhoog. De wapenschilden zijn deze van van Oost- en West-Vlaanderen, het kenteken is van het Geheim Leger.

Geboren 18 januari 1892
Nevele
Overleden 15 september 1948
Gent
Land/zijd België
Onderdeel Belgische Leger
Dienstjaren 1915 -
Rang Graden luitenant-kolonel.gif Luitenant-kolonel
Eenheid 2de bataljon van het 2de Linieregiment
Bevel 9de bataljon van het 22ste linieregiment
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Westfront
Tweede Wereldoorlog

Gedenkplaat familie Haus in Aalter

 

gedenkplaat kolonel Haus te Gent

Karel van België

Karel Theodoor Hendrik Anton Meinrad (Brussel, 10 oktober 1903 - Oostende, 1 juni 1983), graaf van Vlaanderen, prins van België, was regent van België van 1944 tot 1950.
Biografie

Prins Karel werd geboren als tweede zoon van koning Albert I en koningin Elisabeth. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde, hertog Karel Theodoor in Beieren. In 1910 kreeg hij de titel Graaf van Vlaanderen.
Hij volgde een opleiding bij de Britse marine, waar hij ereluitenant was. Hij wilde in de jaren dertig trouwen met het burgermeisje Jacqueline Wehrli, maar naar verluidt zou het huwelijk door het Belgische hof zijn afgekeurd. Uit hun relatie werd volgens Michel Capon in 1938 een dochter geboren, Isabelle, die de achternaam van haar stiefvader ontving (Wybo).
In 1939 werd prins Karel kolonel in het Belgische leger. Gedurende de Tweede Wereldoorlog leefde hij teruggetrokken in Brussel, meest waarschijnlijk in één van de vleugels van het Kasteel van Laken. Over het leven van prins Karel in de oorlogsperiode bestaat zeer weinig informatie.
Regent 1944 - 1950

Prins Karel leefde ondergedoken in de Ardennen op het moment dat de Duitsers zijn broer Leopold en zijn gezin wegvoerden naar Duitsland. Op 20 september 1944 verkozen de Verenigde Kamers hem tot regent van het koninkrijk. Zijn broer was feitelijk afwezig: Leopold III zat opgesloten in Duitsland en Oostenrijk en ging later in vrijwillige ballingschap in het Zwitserse Pregny, in de villa Le Reposoir. Naar verluidt steunde zijn moeder, de koningin-weduwe Elisabeth het regentschap. Prins Karel legde op 21 september de grondwettelijke eed af en moest zijn taak vervullen tijdens de moeilijke omstandigheden van de Koningskwestie tot 20 juli 1950, toen het parlement vaststelde dat er een einde was gekomen aan de onmogelijkheid tot regeren van Leopold III. Die dag hield het regentschap automatisch op.
Prins Karel wordt weleens beschouwd als de redder van de monarchie. Hij was een uitstekend diplomaat en had zeer goede contacten met Winston Churchill en andere geallieerde leiders. Door deze contacten was hij dé Belgische contactpersoon voor het Amerikaanse hulpplan voor Europa, het Marshallplan. Prins Karel was waarnemend Belgisch staatshoofd op cruciale momenten in de geschiedenis: de oprichting van de Benelux in 1944, de oprichting van de VN in 1945, de oprichting van de NAVO in 1948 en de Raad van Europa in 1949. In België ondertekende hij verschillende bestuurlijke wetten die nu nog gelden: deze over de Raad van State, de Sociale Zekerheid en het Vrouwenkiesrecht (1948). Hij bezocht Belgisch Congo in 1947. Wanneer prins Karel met de nodige egards en eer werd ontvangen, bijvoorbeeld, in het Witte Huis in Washington, in Londen en (waarschijnlijk ook) in het Vaticaan, ontplofte zijn broer Leopold zowat in zijn Zwitsers ballingsoord. Het zou nooit meer goed komen tussen de broers. Leopold verweet zijn broer Karel een usurpator te zijn en Karel verweet zijn broer dat het hem verboden was te huwen met een burgervrouw; Leopold was ondertussen wel gehuwd met Lilian Baels.
Kunstschilder

Prins Karel trok zich terug uit het openbare leven en legde zich toe op de teken- en schilderkunst onder de artiestennaam Karel van Vlaanderen op een domein aan het strand van Raversijde Over dat pseudoniem heerste in Franstalige milieus ongenoegen, omdat men er van oordeel was dat leden van het koningshuis ambtshalve ook een Franse naam dienden te hebben. Karel zelf heeft die vertaling echter steeds geweigerd, omdat hij zijn status van artiest strikt gescheiden wilde houden van zijn familiale aangelegenheden.
In december 1981 verkocht prins Karel zijn domein aan de Belgische Staat. Hij overleed twee jaar later op 1 juni 1983 in het Oostendse Heilig Hartziekenhuis aan de gevolgen van een acute leukemie Hij werd op 7 juni 1983 met nationale eer in Brussel begraven en bijgezet in de Crypte te Laken.
Hij was de laatste graaf van Vlaanderen. Na hem werd deze dynastieke titel niet meer toegekend.
In populaire cultuur

Prins Karel werd begin jaren 60 twee keer vermeld in een nummer van De Strangers. Beide nummers verwezen naar een toen actueel bericht waarin de prins opgelicht bleek door een van zijn voormalige adviseurs.
Hij wordt kort vermeld in het lied "'t Vuilventje" (1961) waarin een zekere Gérard vier miljoen ontvangt van prins Karel "die er niks mee kon doen."
In een ander lied van de Strangers, Kinderliekes, komt het volgende stukje voor:
wille wij, wille wij veur de deugenieterij
Prinske Karel is gon troosten
na dattem ze geld vermoostte
zeg komde de maand nog deur
anders schiete kik aa wa veur
(vert.: Willen wij Prins Karel eens gaan troosten,
nadat hij zijn geld verspilde.
Kom je de maand nog door,
anders schiet ik je wat voor)[6]
Het deel "Prins Karel" van het lied "Oud Vuil" op de plaat "Goe zot" (1971), gebracht als satire op een BRT-nieuwsuitzending, luidt als volgt:
Prins Karel die kan voort weeral, hij trok een schone achterstal.
Nu smeert hij op zijn brood misschien, weer boter in plaats van margarine.
Maar met die aalmoes van baron Allard, daar loopt de prins toch weer niet ver.
Kom geef die mens toch rap zijn pensioen, dan zullen we hem naar een rusthuis doen.

Afbeeldingsresultaat voor Karel van België

ZKH Prins Karel van België
Graaf van Vlaanderen
Periode 1910-1983
Voorganger Filips, Graaf van Vlaanderen
Opvolger afgeschaft
regent van België
Periode 1944-1950
Vader Albert I van België
Moeder Elisabeth in Beieren
Dynastie Saksen-Coburg en Gotha/België

Coat of Arms of Prince Charles of Belgium (1921-1983).svg

Wapen als graaf van Vlaanderen

 

Leopold III van België

Leopold Filips Karel Albert Meinrad Hubertus Maria Miguel (Brussel, 3 november 1901 - Sint-Lambrechts-Woluwe, 25 september 1983) regeerde als koning der Belgen van 1934, na de dood van zijn vader koning Albert I van België, tot 1951, toen hij na de koningskwestie troonsafstand deed ten gunste van de kroonprins, zijn oudste zoon Boudewijn.
Geboorte en jeugd
Leopold III werd geboren in Brussel als prins Leopold van België, prins van Saksen-Coburg en Gotha.
De geboorte vond plaats in het Paleis Van der Noot d'Assche in de Wetenschapsstraat (Leopoldswijk), waar na de Tweede Wereldoorlog de Raad van State zich vestigde.Bij zijn doopsel was zijn grootoom, koning Leopold II, peter. In 1909 werd hij troonopvolger en kreeg hij de titel hertog van Brabant. Leopold had een broer, Karel en een zus, Maria José.
De jonge Leopold kreeg huisleraars tot aan zijn veertiende jaar. In 1914, na het uitbreken van de oorlog, vergezelde hij zijn ouders en verbleef met hen in De Panne. Van 1915 tot 1919 was hij, met onderbrekingen, leerling in Eton College. Vanaf 1919 volgde hij in Brussel een militaire opleiding. Hij ondernam ook, soms met zijn ouders, grote reizen, onder meer naar de Verenigde Staten en naar Brazilië. In 1925 ging hij op studiereis in Congo.
Eerste huwelijk

Huwelijk van Leopold III met Astrid
Nadat een jaar lang het gerucht ging dat Leopold zich met de Italiaanse prinses Mafalda zou verloven[3], trouwde hij op 4 november 1926 in Stockholm met de Zweedse prinses Astrid. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren:
Josephine Charlotte (11 oktober 1927 – 10 januari 2005), getrouwd met groothertog Jan van Luxemburg;
Boudewijn (7 september 1930 – 31 juli 1993), vijfde koning der Belgen;
Albert (6 juni 1934), zesde koning der Belgen.
Koning
Koninklijk monogram van koning Leopold III

Leopold legde op 23 februari 1934 de eed af, nadat koning Albert I op 17 februari in Marche-les-Dames het leven liet bij een rotsbeklimming.
Op 29 augustus 1935 in het Zwitserse Küssnacht verloor Leopold III als chauffeur de controle over het stuur van de wagen en koningin Astrid werd uit de wagen geslingerd met haar hoofd tegen een perenboom, waarbij zij overleed. Leopold was licht gekwetst. Hij liet op de plaats van het ongeval een kapel bouwen.
Eretekens
Koning Leopold werd bedacht met talrijke eretekens hem verleend door andere landen. Als belangrijkste zijn te vermelden:
Het Gulden Vlies: Hij werd benoemd tot de 1154e ridder van de Orde van het Gulden Vlies in Spanje in 1923,
Hij werd in 1935 de 833e ridder van de Orde van de Kousenband.
Hij ontving in 1927 het 355e grootkruis van de Portugese Orde van de Toren en het Zwaard.
Tweede Wereldoorlog
Neutraliteit

Onder invloed van de Duitse herbewapening liet België de bondgenootschappen uit de Eerste Wereldoorlog los en ging een neutrale koers volgen. Nazi-Duitsland erkende, na het opzeggen van het Verdrag van Locarno, de Belgische en Nederlandse neutraliteit. Leopold bracht ook snelle verbetering in de koele betrekkingen met de noorderbuur. Samen met koningin Wilhelmina nam hij in 1938 en 1939 enkele initiatieven met de bedoeling de vrede in Europa te bewaren. Leopold speelde wel informatie van de Belgische geheime dienst over Duitse troepenbewegingen door aan de Franse bevelhebber Maurice Gamelin.
Achttiendaagse Veldtocht

In mei 1940, bij de inval van België door nazi-Duitsland, stond Leopold erop om persoonlijk het opperbevel over het Belgische leger te voeren in de Achttiendaagse Veldtocht, zoals zijn vader, die zijn grote voorbeeld was, het leger in de Eerste Wereldoorlog had aangevoerd.
Hij gaf een letterlijke betekenis aan het artikel van de grondwet dat aan de koning het opperbevel over het leger gaf. De regering hield het echter bij de stelling dat, net als alle andere koninklijke prerogatieven, het bevel over het leger ondergeschikt was aan het akkoord van de regering, minstens van de minister van Defensie. Zolang er gestreden werd wilde de regering-Pierlot het ongecontroleerde bevelhebberschap aanvaarden, maar stelde de voorwaarde dat zodra de gevechten zouden eindigen en het land onder de bezetting van de Duitse overwinnaar zou komen, de koning mee met de regering het land moest verlaten en vanuit het buitenland de strijd voort moest zetten. Omdat hij dit weigerde en het zijn plicht achtte bij zijn volk te blijven kwam het tot een breuk met de regering van Hubert Pierlot. Dit gegeven vormde de kiem van de latere koningskwestie. Het laatste en dramatische gesprek tussen de koning en zijn ministers Pierlot, Spaak, Vanderpoorten en Denis vond plaats in Wijnendale op 25 mei. Na de slag aan de Leie capituleerde Leopold.
Capitulatie

Vanaf 25 mei en zelfs al vroeger wisten de koning, en ook de regering, dat ze onder de voet zouden worden gelopen door het Duitse leger. Het enige wat nog telde was nog enkele dagen stand te houden, teneinde de evacuatie van de geallieerde legers mogelijk te maken. Om hierin te helpen liet men grote delen van de Westhoek onder water lopen om zo de opmars van de Duitse troepen te hinderen.
De koning spande zich in om de geallieerden duidelijk te maken, als ze dit niet uit zichzelf wisten, dat het uur van de capitulatie van de Belgische troepen snel naderde. Onmiddellijk na die capitulatie werd door de Britse maar vooral door de Franse overheid geprotesteerd dat ze onverwacht was gekomen en ze hierdoor schade hadden geleden. Achteraf bleek dit onjuist te zijn, want de signalen waren talrijk geweest:
Op 24 mei schreef Leopold een brief naar de koning van Engeland, waarin hij duidelijk liet weten dat voor het Belgisch leger de strijd ten einde liep.
Via admiraal Roger Keyes, de speciale gezant van de eerste minister Winston Churchill, verwittigde hij deze in dezelfde zin.
De Franse generaal Champon en de Britse kolonel Davy die bestendig op het Belgische hoofdkwartier aanwezig waren, kenden de hopeloze toestand waarin het leger zich bevond en berichtten hierover aan hun respectieve chefs.
Op 26 mei ontving de koning de generaals Champon en Blanchard en gaf hen een boodschap mee voor opperbevelhebber Maxime Weygand, die meldde dat de grenzen van het weerstandsvermogen bereikt waren.
Leopold achtte de capitulatie onvermijdelijk om een grote slachting onder de Belgische soldaten en onder de massa in West-Vlaanderen toegestroomde vluchtelingen te vermijden. Een groot deel van de Belgen volgde hem in die gedachtegang en rond zijn persoon ontstond een ware cultus.
Nadat tot capituleren besloten was werd nog een aantal uren gewacht, om nog een laatste respijt te geven voor de evacuatie van de Engelse troepen in Duinkerke. De wapens werden neergelegd op 28 mei om 4 uur. In de loop van de voormiddag namen de Duitsers de stad Brugge in en meldden zich aan op de residentie van de gouverneur, waar de koning verbleef. Hij werd in de nacht van 29 mei onder militair escorte naar Laken gevoerd.
Krijgsgevangenschap
Nu de koning in handen was gevallen van de vijand en onder huisarrest in het kasteel van Laken verbleef ontnam de ministerraad hem zijn grondwettelijke bevoegdheden, op basis van artikel 82 van de Grondwet: de koning "verkeerde in de onmogelijkheid om te regeren". De grondwet voorzag in dit geval de bijeenroeping van de verenigde kamers, die een regent moesten aanduiden. Aangezien ook dit onmogelijk was besliste de regering dat zij de volheid van de grondwettelijke bevoegdheden op zich nam.
Naar de buitenwereld werd de verantwoordelijkheid van de gerezen toestand op de koning gelegd. Pierlot zei in een radioboodschap:
"Geen enkele houding van de koning kan enig effect hebben als die niet door de regering wordt gedekt. Door de band met de bevolking te verbreken, plaatst de koning zich onder het gezag van de bezetter. Hij is bijgevolg niet meer in staat te regeren, want de functie van staatshoofd kan niet worden uitgeoefend onder controle van de bezetter. In afwachting zal de grondwettelijke macht van de koning worden uitgeoefend door de regering, verenigd in raad en onder haar verantwoordelijkheid worden uitgeoefend."
Winston Churchill stelde de koning in zijn toespraak op 4 juni 1940 tot het House of Commons verantwoordelijk:
"Op het laatste moment toen de invasie van België al een feit was, riep Koning Leopold ons om hulp en zelfs op dit laatste moment kwamen we. Hij en zijn dapper, efficiënt leger, bijna een half miljoen man sterk, beschermden onze linkerflank en hielden zo onze terugweg naar de zee open. Plotseling, zonder voorafgaand overleg, met zo min mogelijk waarschuwing, zonder advies van zijn ministers en op zijn eigen persoonlijk initiatief, zond hij een bericht naar het Duitse opperbevel, waarin hij de overgave van zijn leger betekende en onze hele flank en onze terugtocht in gevaar bracht."
De Britse pers noemde hem de "Koning Verrader" en "Koning Rat". De Daily Mirror drukte zijn portret af met onderschrift "Het gezicht dat elke vrouw nu veracht". Belgische vluchtelingen in Parijs plaatsten bij het standbeeld van koning Albert een bericht "uw onwaardige opvolger". De Britse historicus Sir Basil Liddell Hart noemde de beslissing van Leopold nochtans eervol.
De Franse premier Paul Reynaud beschuldigde Leopold van verraad. Leopold was de zondebok geworden, omdat Reynaud besefte dat ook de Slag om Frankrijk verloren was. Een koning kon door het republikeinse Frankrijk verantwoordelijk gesteld worden voor het eigen falen. Uiteraard had de breuk tussen de koning en zijn regering het gemakkelijker gemaakt om hem als schuldige aan te wijzen.
Dat ook de Belgische regering hem met de vinger wees en dat op 31 mei in Limoges de aanwezige parlementsleden dit onderschreven, deed Leopold beslissen alle contacten met de regering af te breken. Hij zou dit in de volgende oorlogsjaren consequent doorzetten.
Onderhoud met Hitler
Toen Leopold III van Brugge naar Brussel werd gevoerd en in het paleis van Laken aankwam, waren er al meldingen dat een gesprek met Hitler zeer binnenkort te verwachten was. Op 31 mei meldden twee gezanten van Hitler zich aan in Laken (staatsminister Otto Meissner en dokter Karl Gebhardt) met een uitnodiging voor de koning om de Führer te ontmoeten. Het antwoord van de koning luidde dat hij de uitnodiging aanvaardde, maar op voorwaarde dat de ontmoeting incognito gebeurde. Generaal Van Overstraeten en ook Hendrik De Man schreven dat de koning uitgeput was en erg tegen een confrontatie met Hitler opzag.
Op 4 juni antwoordde Hitler dat hij zich over de principiële aanvaarding verheugde, maar dat hij het incognito onmogelijk achtte. Hij zou er later op terugkomen, wanneer de militaire operaties in Frankrijk achter de rug waren.
Op 26 juni, na de wapenstilstand in Frankrijk, bevestigde Leopold aan zijn bewaker kolonel Werner Kiewitz dat hij bereid bleef Hitler te ontmoeten (zonder nog aan de voorwaarde van incognito te houden) en verzocht hem dit door te seinen. Nu was het Hitler die weigerde. In zijn instructies van 11 juli 1940 over België werd geen rol meer voorzien voor de koning en werd het toekomstig lot van het land onbeslist gelaten. Als er vanuit de omgeving van de koning nog vragen zouden komen over de toekomst van België, moest daar 'dilatorisch' op geantwoord worden.
Begin oktober 1940 verbleef prinses Marie-José gedurende drie weken bij haar moeder en broer in Brussel. Vandaar vertrok ze naar Duitsland en op 17 oktober ontmoette ze er Hitler, tot wie ze relatief gemakkelijk toegang had. Ze vroeg opnieuw een onderhoud Hitler-Leopold aan.
Hitler ging op het verzoek in en liet enkele dagen later weten dat hij de koning zou ontmoeten op 27 oktober 1940 in het station van Yvoir, in de trein waarmee hij door België reed, bij terugkeer uit Frankrijk. De afspraak werd echter te elfder ure afgezegd, omdat Hitler dringend naar Florence afreisde voor een ontmoeting met Benito Mussolini.
Een nieuwe datum werd voorgesteld, die deze keer werd gehonoreerd: 19 november 1940, met als plaats van het onderhoud Hitlers Berghof bij Berchtesgaden. Zowel de koning als de Führer wisten dat van politieke onderhandelingen geen sprake kon zijn, maar de drie punten die de koning wilde bespreken lagen er toch dichtbij. Hij wilde het met name hebben over:
de terugkeer van de Belgische krijgsgevangenen naar België,
de verbetering van de voorwaarden voor voedselbedeling (de rantsoenering zat onder het peil van Frankrijk en Nederland),
de mogelijkheid tot behoud van de Belgische onafhankelijkheid in een door Duitsland gedomineerd Europa.
Het gesprek was georganiseerd door generaal Raoul Van Overstraeten, militair raadgever van Leopold. Aanwezig waren Hitler, Leopold en professor Schmidt, tolk van Hitler.[4] Het gesprek leverde geen resultaat op, want zelfs de vage beloften van Hitler over humanitaire kwesties kregen geen gevolg. Wat betreft het politieke gesprek wisten beiden dat het onmogelijk om onderhandelingen kon gaan betreffende het toekomstig lot van België. Zelfs de door Leopold verhoopte verklaring die de toekomstige onafhankelijkheid van België zou hebben gegarandeerd kwam er niet
Verzet
De door officieren opgerichte eerste verzetsgroepen in België wekten argwaan op bij de regering in Londen. Niet alleen waren ze zeer trouw aan de koning, die ze als hun echte chef beschouwden, maar ze sympathiseerden ook met politieke plannenmakers van uiterst rechtse strekking. Ze waren de regering in ballingschap zeker niet genegen.
De Britse SOE zag dat anders en wilde graag samenwerken met de lokale verzetsbewegingen. Vooral het Belgisch Legioen van commandant Claser sprak hen aan. Deze en een paar andere bewegingen zoals Falanx (van majoor De Grunne) en Gereconstrueerd Belgisch Leger (van kolonel Lentz) bestonden hoofdzakelijk uit Belgische officieren, die al dan niet ondergedoken leefden. De Britten zette dan ook de Belgische regering onder druk het verzet in België te erkennen en te ondersteunen. Dit gebeurde niet zonder problemen, vanwege de bestaande argwaan. De eerste contacten met de naar Londen overgevlogen Claser veranderden daar weinig aan. Het is pas nadat Claser door de Duitsers was opgepakt en kolonel Jules Bastin de leiding nam dat het tij keerde. Het Belgisch Legioen werd vanaf midden 1942 als verzetsbeweging aanvaard. Ze wijzigde haar naam in Geheim Leger. Het vertrouwen in Bastin, een vriend van François De Kinder, de schoonbroer van Pierlot, was groot. Voortaan liepen de contacten direct met de Belgische diensten in Londen en niet meer via de Britse SOE zoals voorheen. De Belgische regering gaf voortaan opdrachten en verstrekte financiën en wapens.
De koning bleef op de hoogte van de verzetsactiviteiten via generaal Van Overstraeten, die nauwe contacten had met verzetslui. Het belette niet dat de koning terughoudend bleef tegenover militaire verzetsacties, die volgens hem te veel offers zouden eisen, zowel tijdens gevechten als tijdens de represailles die er zouden op volgen.
Geheime dochter

Tussen zijn eerste en tweede huwelijk had Leopold twee minnaressen: de dichteres Francesca Erik[5] en de kunstschaatsster Liselotte Landbeck. Samen met Liselotte Landbeck kreeg hij in 1940 in Antwerpen een dochter, Ingeborg Verdun.
Tweede huwelijk
Op 6 december 1941 trouwde koning Leopold met de op dat ogenblik reeds van hem zwangere Lilian Baels, dochter van oud-gouverneur van West-Vlaanderen Hendrik Baels. Het burgerlijk huwelijk werd op 7 december via een kerkelijke brief van kardinaal Van Roey bekendgemaakt. Daarin maakte deze ook melding van hun kerkelijk huwelijk dat reeds op 11 september door hem zou ingezegend zijn.
De geboorte, zeven maanden later, van hun zoon Alexander op 18 juli 1942 maakte de reden van het burgerlijk huwelijk en het kerkelijk huwelijk dat er drie maanden aan voorafging (wat ook in strijd is met de grondwet) voor iedereen duidelijk.
Dit huwelijk, dat slecht onthaald werd bij de onder de bezetting lijdende bevolking (zeker na de bekendmaking van de geboorte), zou de koning ook parten spelen bij de afwikkeling van de koningskwestie na de oorlog. Lilian is sindsdien nooit geaccepteerd geweest; in de ogen van nogal wat Belgen bezoedelde zij de erfenis van Astrid. Zij werd door haar huwelijk geen koningin der Belgen.
Politiek testament

In januari 1944 schreef koning Leopold III een brief (later bekend als 'politiek testament'), die gepubliceerd moest worden indien hij niet in België zou zijn als de geallieerde troepen het land zouden bevrijden. In het testament eiste hij onder meer excuses van de regering in ballingschap voor de gebeurtenissen van 1940 en verwierp hij de verdragen die zij in Londen gesloten had. Hij vermeldde met geen woord de geallieerden die het land bevrijdden, noch het verzet en de slachtoffers van het naziregime. Dit zette hernieuwd kwaad bloed, zowel bij de regering als bij de geallieerden.
Koningskwestie
Deportatie
Schloss Hirschstein

Op 7 juni 1944, daags na de Landing in Normandië werd eerst Leopold III en daags daarop de koninklijke familie door de Duitsers gedeporteerd naar kasteel Hirschstein aan de Elbe in Saksen.[7] Op 7 maart 1945, toen de geallieerde troepen naderden, werden ze overgebracht naar Strobl in Oostenrijk. Heinrich Himmler gaf bevel de koninklijke familie te fusilleren, maar omdat de troepen van generaal George Patton de telefoonlijnen hadden vernield kwam het bericht niet aan.[8] Begin mei werden ze door het 7e Amerikaanse leger van generaal Alexander Patch bevrijd.
Zijn breuk met de Belgische regering tijdens de Duitse inval in mei 1940 en daaropvolgend het verschil in houding tussen de koning en de regering in ballingschap tijdens de bezetting zouden de aanleiding vormen tot de koningskwestie, die na zijn bevrijding uit krijgsgevangenschap in mei 1945 nog vijf jaar lang zou slepen.
Na zijn bevrijding waren de regering-Van Acker en de Amerikaanse regering en legerleiding, evenals de Britse regering, het eens om koning Leopold te verhinderen direct naar België terug te keren.[9]
Strobl

Onmiddellijk na zijn bevrijding werd de koning op 9 en 10 mei opgezocht door zijn broer Karel, de prins-regent, door eerste minister Achille Van Acker en door verschillende Belgische politieke gezagdragers. Het kwam tot dramatische tegenstellingen en heftige scènes. De koning werd voor het eerst grondig geïnformeerd over de gewijzigde toestand in het land en hoe een aanzienlijk deel van de bevolking gekant was tegen zijn terugkeer en zijn hernemen van de koninklijke functie.
Verdere onderhandelingen volgden. Voor- en tegenstanders van zijn terugkeer bezochten Leopold. Ook zijn moeder bracht hem bezoek en wilde zich voor zijn terugkeer inzetten. Ze trok naar Londen om bij de Britten voor hem te pleiten, maar werd daar met een stilzwijgende afkeuring geconfronteerd vanwege de koning, eerste minister Churchill en andere prominenten. Ze kwam van een kale reis terug. Ook hier had het 'politiek testament' een nefaste invloed gehad.
Tegen eind juli was het duidelijk dat de terugkeer van de koning onmogelijk was. De regering weigerde hiervoor verantwoordelijkheid te nemen en Leopold vond niemand bereid om een hem gunstig gezinde regering te vormen. Dat niets meer mogelijk was werd door Achille Van Acker aan de koning betekend op 7 juli 1945 tijdens een gesprek dat amper vijf minuten duurde. Het bezoek op 12 juli van prins Karel en van de voorzitters van Kamer en Senaat veranderde daar niets aan. De koningskwestie werd een lange lijdensweg.
Zwitserland

Op 1 oktober 1945 verhuisde de koninklijke familie naar Zwitserland, waar ze in de grote villa 'Le Reposoir' in Pregny-Chambésy bij Genève ging wonen. Leopold stelde historicus Jacques Pirenne aan als zijn secretaris.
Pregny werd een soort bedevaartplaats, waar talrijke groepen en personen hun aanhankelijkheid aan Leopold kwamen betuigen. Ondertussen woedde de controverse verder, gaandeweg heviger, tussen voor- en tegenstanders van de terugkeer. Parlementaire debatten, publicaties voor en tegen, campagnes in de kranten: alle middelen werden aangewend, zonder dat een overeenkomst in het zicht kwam.
Volksraadpleging

Uitslag van de volksraadpleging: groen = ja, rood = nee
In vijf jaar volgden tien regeringen elkaar in snel tempo op, zonder tot een akkoord te komen over de toekomstige rol van Leopold III. De CVP won de Belgische verkiezingen 1949 met de terugkeer van Leopold III in haar programma. Ze kwam maar één zetel tekort voor een absolute meerderheid. Eerste minister Gaston Eyskens van de katholiek/liberale regering-G. Eyskens I schreef ter oplossing van de koningskwestie een niet-bindende volksraadpleging uit op 12 maart 1950. De vraag luidde: "Zijt U de mening toegedaan dat Koning Leopold III de uitoefening van zijn grondwettelijke machten zou hernemen ?" 57,68% stemde "Ja"; in Vlaanderen was de meerderheid overweldigend met 72%, in Wallonië en Brussel echter was meer dan de helft tegen terugkeer. Toen Eyskens conform de uitslag van de volksraadpleging de koning wilde doen terugkeren, stapten de liberale ministers uit de regering, zodat de regering viel en nieuwe verkiezingen uitgeschreven werden.
Terugkeer naar België

De Belgische verkiezingen 1950 van 4 juni leverden de CVP een absolute meerderheid, waarmee ze een homogene CVP-regering-Duvieusart I vormde. Op 20 juli 1950 stelde het parlement het einde vast van de onmogelijkheid tot regeren van Leopold III. Dit betekende het einde van het regentschap, en twee dagen later landde de koning in België, met de bedoeling zijn koninklijke functies weer op te nemen. Dit leidde bijna tot een burgeroorlog, met betogingen, stakingen en geweld.[10] Te Grâce-Berleur schoot de rijkswacht drie betogers dood en een vierde stierf nadien. De tegenstanders van Leopold kondigden een mars op Brussel aan voor 1 en 2 augustus.
Troonsafstand
Daarop besloot Leopold III, na zware politieke druk van de regering-Duvieusart I en in de onmogelijkheid om iemand te vinden die een nieuwe regering wilde vormen die hem zou ondersteunen, de macht over te dragen aan zijn oudste zoon Boudewijn en op termijn af te treden en het koningschap aan zijn zoon te laten. Met de wet van 10 augustus 1950 werd de "koninklijke prins" Boudewijn tot plaatsvervanger van zijn vader aangesteld en op 11 augustus legde hij de eed af. Tijdens deze plechtigheid werd de kreet 'Vive la république' geroepen, waarvoor algemeen de communist Julien Lahaut verantwoordelijk werd geacht. Julien Lahaut werd op 18 augustus in zijn woning te Seraing doodgeschoten door vier Leopoldisten onder leiding van François Goossens met schuilnaam "Adolphe". Een jaar later, op 16 juli 1951 tekende Leopold zijn troonsafstand en de volgende dag werd Boudewijn beëdigd als vijfde koning der Belgen. Leopold III was daarmee de eerste Belgische vorst die abdiceerde.
Na het koningschap
Leopold III en prinses Lilian bleven, met hun gezin inclusief koning Boudewijn, na zijn aftreden wonen op het kasteel van Laken. Pas na het huwelijk van Boudewijn met Fabiola in december 1960 verhuisden ze naar het domein Argenteuil in Waterloo. Enkel tijdens de begrafenis van koningin Elisabeth in 1965 verschenen Leopold en Boudewijn nog samen in het openbaar.
Ook postuum zorgde Leopold III voor controverse door de publicatie in 2001, in opdracht van prinses Lilian, van Leopold III, kroongetuige met als ondertitel "over de grote gebeurtenissen tijdens mijn koningschap". In dit boek bleef hij, op basis van zijn weergave van de feiten, zijn toenmalige houding en visie verdedigen.
Koning Leopold en prinses Lilian van Retie kregen na de oorlog nog twee dochters en een zoon in de oorlog
Marie Christine (1951), gehuwd met de Franse restauranthouder Jean-Paul Gourgues.
Marie Esmeralda (1956), gehuwd met de wetenschapper Salvador Moncada.
Leopold kreeg een staatsbegrafenis en ligt begraven in een praalgraf in de Koninklijke Crypte, tussen koningin Astrid en Lilian, prinses van Retie. Koning Boudewijn liet - op verzoek van zijn vader - het lichaam van zijn moeder en vader opgraven en de kelder vergroten zodat ook Lilian er na haar overlijden in 2002 bijgezet kon worden.
Wetenschappelijke activiteiten

Na zijn troonsafstand wierp Leopold III zich op wat zijn echte passie was, de natuurkunde, plantkunde en etnologie.
In 1956 werd hij door de regering benoemd tot voorzitter van de Nationale Commissie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Zelf richtte hij een Wetenschappelijke Internationale Stichting en een Leopold III-fonds op. Van het fonds was hij voorzitter en werd na zijn dood hierin opgevolgd door prinses Esmeralda. Leopold onderhield nauwe contacten met talrijke specialisten en geleerden in binnen- en buitenland.
In de schoot van zijn gestichte organisaties realiseerde hij een film die internationale erkenning kreeg en als een meesterwerk wordt beschouwd:
De vrijheren van het woud, over de Congolese fauna en flora en over de leefgewoonten van de inlandse volken.
Hij organiseerde en financierde een tiental expedities en verleende steun aan universitaire projecten op het gebied van plantkunde, zoölogie, antropologie en volkenkunde.
Tijdens zijn indrukwekkend aantal reizen bouwde hij een grote collectie foto's en dia's op. Samen met de door hem verworven verzameling van opgezette dieren, bloemen, planten en voorwerpen verrijkte hij de collecties van de Belgische wetenschappelijke instellingen en musea. Zijn best bekende reis is die in 1952 gehouden door het stroomgebied van de Amazone en de Rio Negro.
Naast de wetenschappelijke betrachtingen van zijn reizen kwam ook een voorlopersrol tot uiting als milieubeschermer.
Overlijden
Op 25 september 1983 onderging Leopold een hartoperatie, maar overleed na de operatie. Hij kreeg een staatsbegrafenis en zijn lichaam werd ten ruste gebracht in de crypte van O.L. Vrouwenkerk van Laken bij zijn echtgenote Astrid.

Leopold III van België (1934).jpg


Periode 1934-1951
Voorganger Albert I
Opvolger Boudewijn
Vader Albert I
Moeder Elisabeth in Beieren
Dynastie Saksen-Coburg en Gotha & België

Coat of Arms of the King of the Belgians (1921).svg

Wapen als koning van België

Leopold III van België, 4e koning der Belgen (1934-1951)
Koningschap
Koningskwestie
Koninklijke familie
Astrid van Zweden
Josephine Charlotte · Boudewijn · Albert
Lilian Baels
Alexander · Marie Christine · Marie Esmeralda
koninklijke familie
Residenties
Kasteel van Argenteuil · Kasteel van Laken · Koninklijk Paleis van Brussel · Kasteel van Ciergnon
Overige
Ingeborg Verdun · Bureau van Leopold III
Royal Monogram of King Leopold III, King of the Belgians.svg

bas-reliëf van Pierre De Soete met Leopold III afgebeeld.

Huwelijk van Leopold III met Astrid

Leopold III op 18 mei 1940 met minister van landsverdediging generaal Denis

Kardinaal Van Roey

 

Schloss Hirschstein

 

Uitslag van de volksraadpleging: groen = ja, rood = nee

 

Kortrijk tijdens de koningskwestie

 

 

 

Koning Leopold III (1963)

René Lunden

René baron Lunden (Brussel, 2 juni 1902 – Chichester, 3 april 1942) was een Belgisch kapitein-vlieger, burgerlijk mijningenieur, winnaar van steeplechase paardenrennen en wereldkampioen bobsleeën.

Biografie
René Lunden erfde na de dood van zijn vader Léopold Lunden (1868-1921) in 1921 diens titel van baron en kasteel in Humbeek. Lunden studeerde mijnbouw aan de Katholieke Universiteit Leuven, maar deed nadien nooit wat met zijn studie. Hij diende een tijdje als diplomaat in Zuid-Amerika. In 1925 werd hij opgeroepen voor dienstplicht. Hij diende eerst bij de cavalerie, alvorens bij de luchtmacht te gaan.

Lunden nam namens België deel aan de Olympische Winterspelen 1936 in Garmisch-Partenkirchen. Hier werd hij in zowel de tweemans- als de viermansbob achtste. Lunden won in 1939 samen met Jean Coops in de tweemansbob de gouden medaille bij de Wereldkampioenschappen bobsleeën in St. Moritz. Daarmee zijn zij de enige Belgische bobsleeërs die goud wonnen bij de wereldkampioenschappen.

Toen in 1940 het Duitse leger België binnenviel, moest Lunden met zijn regiment naar Frankrijk vluchten. Van daaruit vluchtte hij door naar Engeland, waar hij bij de Royal Air Force ging. Hij was toen al te oud om als piloot te mogen dienen, en werd daarom ingezet als navigator. In 1942, toen Lunden terugkeerde van een missie boven Frankrijk, stortte zijn Douglas Boston Mk III neer. Lunden werd naar een ziekenhuis in Chichester gebracht, waar hij aan zijn verwondingen stierf. Hij werd aanvankelijk begraven nabij Pirbright, maar in 1949 werd hij herbegraven in Humbeek. Zijn broer baron Guy Lunden (1904-1995) volgde hem op als kasteelheer van het 's Gravenkasteel.

Externe link

De laatste oorlogsvlucht van baron René Lunden, 2008, Frans Van Humbeek

Grimbergen, 10 december 2008. De Brabantse gemeente Humbeek, een deelgemeente van Grimbergen, herdenkt haar duizendjarig bestaan. Voor die gelegenheid probeerde Hangar Flying de laatste vlucht te reconstrueren van Reserve-Kapitein-Vlieger Baron René Lunden, een van de gewaardeerde dorpelingen die sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog.

Op 3 april 1942 maakte navigator-bommenrichter Pilot Officer Kpt René Lunden zijn laatste oorlogsvlucht. De basis voor deze tekst wordt gevormd door de diverse geschreven getuigenissen van boordschutter Pilot Officer S/Lt Léon Terlinden en door het verslag dat de dag na het dramatische ongeval werd neergepend door piloot Flying Officer Kpt Zeger Van Riel.

Afbeeldingsresultaat voor René Lunden

Geboortedatum 2 juni 1902
Geboorteplaats Brussel
Overlijdensdatum 3 april 1942
Overlijdensplaats Chichester
Nationaliteit Belgisch
Sportieve informatie
Discipline Bobslee
Olympische Spelen 1936

Jean-Baptiste Piron

Luitenant-generaal Jean-Baptiste Piron DSO (1896 - 1974) was een Belgische militairofficier, vooral bekend om zijn rol in de vrije Belgische troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog als commandant van de 1e Belgische Infanteriebrigade , algemeen bekend als de "Piron Brigade", tussen 1942 en 1944.
Piron ging het Belgische leger binnen en diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als zowel een junior infanterieofficier als, kort gezegd , in de Belgische luchtmacht . Hij steeg door de gelederen tijdens het interbellum en bekleedde de rang van majoor ten tijde van de Duitse invasie van België in de Tweede Wereldoorlog. Hij ontsnapte vervolgens uit het door Duitsland bezette België en bereikte het Verenigd Koninkrijk , waar hij leiding gaf aan een reorganisatie van het vrije Belgische leger. Gepromoveerd tot hoofd van de 1e Belgische Infanteriebrigade leidde hij de eenheid van 1942 tot 1944, inclusief aan het westelijk front eind 1944. Hij beval deBelgisch bezettingsleger in Duitsland in 1946-1947 en was adjudant van prins-regent Charles en later koning Boudewijn . Hij beëindigde zijn carrière als luitenant-generaal en ging met pensioen in 1957. Hij stierf in 1974.
Vroege carrière

Piron werd geboren in Couvin in de provincie Namen van België op 10 april 1896. Hij ging op 17-jarige leeftijd in 1913 naar de Koninklijke Militaire Academie in Brussel . Na de Duitse invasie van België in augustus 1914 aan het begin van de Eerste Wereldoorlog , Piron, die zijn studie niet had afgemaakt, werd als een junior officier in het 2e regiment van de linie gemobiliseerd in het Belgische leger . Hij diende bij het Belgische leger aan het IJzerfront en werd gepromoveerd tot de rang van luitenant in 1916. Na te zijn opgenomen in het ziekenhuis metblindedarmontsteking in oktober 1917, werd hij overgeplaatst naar de Belgische luchtmacht en diende hij als luchtwaarnemer bij het 6e verkenningseskader. Hij raakte tweemaal gewond. Aan het einde van de oorlog in 1918 had Piron de rang van waarnemend kapitein.
Tijdens het interbellum keerde Piron terug naar zijn studies aan de academie. Hij bleef in het Belgische leger en diende op het hoofdkwartier van het 2de Legerkorps en later in het 1e Grenadier-regiment . Rising door de rangen tot majoor , diende hij met het Regiment van Frontier Fietsers en later op het hoofdkwartier van het 5e Legerkorps bij het uitbreken van de Phoney-oorlog .
Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Piron tijdens de Duitse invasie van België (10-28 mei 1940), waarna het Belgische leger zich overgaf en België onder militaire bezetting werd geplaatst . Piron weigerde echter de Belgische overgave te accepteren en slaagde erin vanuit bezet België via Frankrijk en Spanje naar het Britse Gibraltar te vluchten . Hij arriveerde in februari 1942 in Schotland .
De Belgische regering in ballingschap begon eind 1940 een Vrij Belgisch leger te vormen onder Belgische soldaten en expats die erin waren geslaagd het Verenigd Koninkrijk te bereiken . Na zijn aankomst in Groot-Brittannië, werd Piron belast met de hervorming van de Belgische en Luxemburgse krachten in een infanterie bataljon , een artillerie batterij en een gepantserde squadron.De verhuizing volgde op een periode van onrust onder de Belgische troepen die culmineerde in een kleine muiterij op 14 november, veroorzaakt door inactiviteit en politieke machtsstrijd. De reactie van de zittende commandant, kolonel Lecomte, werd door de Belgische regering als ontoereikend beschouwd. Piron, aangeduid als Lecomte's opvolger, nam het bevel in december 1942 en werd commandant van de eenheid die hieruit voortkwam, de 1st Belgian Infantry Brigade , bij de oprichting in januari 1943. De eenheid, die tussen 1.800 en 2.200 mannen telde, kreeg in de volksmond de bijnaam de "Piron Brigade" ( Brigade Piron ) achter hem aan. Hij werd in 1944 tot de rang van kolonel bevorderd . Zijn stijl van bevelen leverde hem de bijnaam "de pasja " of "de leeuw" op. Volgens Luc De Vos, historicus, "was het [onbetwistbaar] Piron die de hoofdrol speelde bij het omvormen van de eenheid tot een goed geoliede militaire machine".
De Brigade Piron werd in augustus 1944 ingezet naar Frankrijk na de landing in Normandië . Hoewel het voor het grootste deel van de campagne in reserve werd gehouden, werd het toestel ingezet in de strijd in Normandië naast de Britse 6th Airborne Division en, later, de Guards Armored Division . Onder andere operaties heeft de eenheid op 25 augustus de Franse stad Honfleur bevrijd . Het was ook betrokken bij de bevrijding van België in september 1944 en ging op 4 september naar Brussel , de dag na de aankomst van de eerste Britse troepen. De brigade werd vervolgens verplaatst naar Nederlands Limburg, waar het tot november aan zware gevechten deelnam.
Na de bevrijding werd Piron de assistent van Charles, Graaf van Vlaanderen , die in 1944 prins-regent werd en commandant van het 2e Infanterie-Regiment. Piron werd gepromoveerd tot de rang van generaal-majoor in december 1945.
Naoorlogse carrière

Hoewel hij nog steeds fungeerde als adjudant van de regent, werd Piron in maart 1946 bevorderd tot commandant van het Belgische bezettingsleger in het geallieerde Duitsland. Hij werd vervolgens gepromoveerd tot de rang van luitenant-generaal in december 1947.Piron genoot de rol maar werd in 1951 ontslagen nadat hij uitliep met de Belgische minister van Defensie Eugène De Greef . Hij werd overgeplaatst om de generale staf van het Belgische leger te leiden , maar Piron had een hekel aan de verhuizing. Hij werd assistent van de opvolger van de prins-regent, koning Boudewijn , in 1951.In 1954 kreeg hij een functie als voorzitter van de Hoge Raad van de strijdkrachten ( Conseil supérieur des Forces armées of CSFA), maar hij vond het nog steeds vervelend dat hij werd overgeplaatst van het leger in Duitsland.
Piron trok zich uiteindelijk terug uit het leger in 1957. Hij publiceerde een memoires in 1969. Hij stierf aan een hartaanval in zijn huis in Ukkel , een voorstad van Brussel, op de ochtend van 4 september 1974 na deelname aan de herdenking van de 30ste verjaardag van de bevrijding van Brussel.


Geboren 10 april 1896
Couvin , België
Ging dood 4 september 1974 (78 jaar)
Uccle , België
Trouw België
Service / filiaal Belgian Army
Free Belgian Forces
Dienstjaren 1914-1957
Rang luitenant Generaal
Commando's gehouden 1st Belgian Infantry Brigade
Belgian Army in Germany
Gevechten / oorlogen Eerste Wereldoorlog
Yser Front
Tweede Wereldoorlog

Battle of Belgium
Bevrijding van België

Een T17 Staghound pantserwagen met de markeringen van de Piron Brigade

Emile Van Coppenolle

Adrien Emile Van Coppenolle (1893-1975) is beroepsofficier. Hij begint zijn loopbaan in 1910. In 1914 levert hij strijd in Antwerpen en nadien aan de IJzer. Na de oorlog vervolgt hij zijn militaire carrière. Gevoelig voor de standpunten van de Vlaamse Beweging, ijvert hij voor taalgelijkheid in het leger. Tegelijk volgt hij politieke en sociale wetenschappen en behaalt in 1932 zijn doctoraat aan de KUL met een verhandeling omtrent het huisvestingsbeleid in België.
In mei 1940 is Van Coppenolle kolonel en adjunct bevelhebber van het 11de Linieregiment. Tijdens de Leieslag wordt hij gevangengenomen en in gevangenschap raakt hij betrokken bij de Luitenant De Winde-Kring van Lückenwalde. Op aansturen van Romsée komt hij in 1941 vrij en neemt de leiding over de Algemene Rijkspolitie (ARP) en vanaf 1943 heeft hij ook de Rijkswacht onder zijn hoede. Beide instellingen worden op zijn aansturen grondig hervormd: Het politieapparaat wordt politiek ondersteund, versterkt en gecentraliseerd.
Als voorstander van een pro-Duitse politiek, weigert hij een onderscheid te maken tussen verzetsdaden en gewone criminaliteit en geeft hij voorrang aan de verdediging van de openbare orde en wat hij de behartiging van de Belgische belangen noemt. De ordehandhaving moet met ijzeren hand gebeuren zoals blijkt uit zijn verordeningen inzake het gebruik van wapens en geweld.
EEN ‘ONWAARDIGE CHEF’: VAN DE VEROORDELING NAAR EEN BURGERLIJKE CARRIÈRE
In september 1944 bereikt hij Duitsland. Vanaf november 1944 noemt Eerste Minister Pierlot hem in het parlement een “onwaardige chef”. In 1945 wordt hij aangehouden. Op basis van zijn diverse activiteiten, acht het Krijgshof te Brussel hem schuldig aan zowel militaire als politieke collaboratie. Hij wordt ter dood veroordeeld in 1948, maar de straf wordt omgezet in een levenslange gevangenisstraf. Hij spaart kosten noch moeite om zijn zaak te bepleiten en komt uiteindelijk vrij in 1952, wat tot het ontslag van de minister van justitie, Joseph Pholien, zal leiden. Vervolgens is Van Coppenolle in de privésector actief, in dienst van de Duitse staalreus Mannesman.
Bibliografie
Campion, Jonas. Les Gendarmes Belges, Français et Néerlandais à La Sortie de La Seconde Guerre Mondiale. Bruxelles: André Versaille, 2011.
Fransen, Caroline. “Politiewerk in Bezettingstijd: Emiel Van Coppenolle, Korpscommandant van de Rijkswacht Tijdens de Tweede Wereldoorlog.” MA Thesis, Universiteit Gent, 2001.
Van Coppenolle, Emile. Wat Ik Nog Te Zeggen Heb : Het Belgisch Binnenlands Beleid Inzake de Handhaving van de Openbare Orde Gedurende de Duitse Bezetting, 1940-1944. Boekengilde Brederode: Sint-Job-in-’t-Goor, 1953.

Afbeeldingsresultaat voor Emile Van Coppenolle

Adriaan Emile Van Coppenolle was een Belgisch rijkswachtofficier en collaborateur tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Geboren: 1892
Overleden: 30 juni 1975, Houthalen, Houthalen-Helchteren

Tony Van Dyck

Antoon (Tony) van Dijck (Berchem, 1922, - Boechout, 19 december 2009) was een Vlaamse SS-officier uit Antwerpen.
Van Dijck werd in mei 1940 als dienstplichtige op een trein met bestemming Zuid-Frankrijk gezet. Maar zover geraakte hij niet, nabij Boulogne-sur-Mer werden de treinen gestopt door de oprukkende Duitse tankkolonnes van generaal Heinz Guderian. Het was daar dat Van Dijck voor het eerst de Siegrunen opmerkte op het uniform van een jonge SS-Untersturmführer van de Leibstandarte-SS "Adolf Hitler". In september 1940 sloot Van Dijck zich aan bij de Vlaamse SS, waarna hij zich meldde voor de SS-Freiwilligen Standarte Nordwest nadat hij werd afgekeurd voor de SS-Freiwilligen Standarte Westland. Van Dijck vertrok in april 1941 voor zijn opleiding naar de Germania-Kazerne in Hamburg. Als afsluiting van de opleiding legde hij in de Zonnewendenacht van 20 op 21 juni 1941 de eed van trouw af. In het begin van Operatie Barbarossa werd hij bevorderd tot SS-Sturmmann. Na de ontbinding van de SS-Freiwilligen Standarte Nordwest werd hij naar het Vlaams Legioen overgeplaatst. In maart 1942 werd hem het IJzeren kruis klasse 2 en het Infanterie-Sturmabzeichen verleend voor zijn acties bij het Vlaams Legioen.
De SS-Junkerschule Tölz

Op 5 juni 1942 volgde Van Dijck samen met nog drie andere Vlaamse SS-Junker aan de SS-Junkerschule in Bad Tölz. Op 5 december 1942 slaagde hij en werd bevorderd tot SS-Oberstandartenjunker om dan uiteindelijk op 10 maart 1943 als SS-Untersturmführer te worden bevorderd. Na zijn bevordering werd hij bevolen zich ter beschikking te stellen van het SS-Hauptamt, en werd als volgt naar een van de Wehrtuchtungslager in Duitsland gestuurd om er Lagerführer te worden. Zijn broer, Wim van Dijck, die later ook een Kriegs-Junkerlehrgang volgde aan de SS-Junkerschule Tölz om er af te studeren als SS-Untersturmführer, werd ook Lagerführer van een Wehrtuchtungslager.
Als vierde en laatste Standaardleider der Germaansche SS
In april 1943 werd SS-Untersturmführer Antoon van Dijck naar de Dienststelle gestuurd en werd hij aangesteld tot Adjudant van SS-Untersturmführer François die Standaardleider was van de Standaard der Germaansche SS in Vlaanderen.
Op 9 november 1943 nam de jonge Van Dijck op voorspraak van Reichsführer-SS Heinrich Himmler de taak van Standaardleider op zich nadat de intussen tot SS-Obersturmführer bevorderde François, Verbindungsführer werd voor het SS-FHA (SS-Führungshauptamt) bij de 6. SS-Freiwilligen Sturmbrigade Langemarck. Begin 1943 was het verzet begonnen met het plegen van terreuraanslagen tegen collaborateurs en hun families. Vanuit Van Dijcks Dienststelle te Brussel begon de Germaansche SS met de bloedige contraterreur. Het startschot werd gegeven wanneer in het politiecommissariaat van Vorst Antoon van Dijck zelf drie agenten executeert.
Op 20 mei 1944 ging in de trouwzaal van het stadhuis van Antwerpen het SS-huwelijk door van Antoon van Dijck met Ingeborg Scharl uit München.
Op de Lüneburgerheide

In september 1944 vluchtte Van Dijck naar Duitsland waar hij op de Lüneburger Heide 200 leden van de Germaansche SS terugvond en hij ze beval zich te melden tot de Waffen-SS. In november 1944 werd de inmiddels tot SS-Obersturmführer bevorderde Antoon van Dijck als Militair adjunct van de Landsleiter SS-Obersturmbannführer Dr. Jef van de Wiele aangesteld. SS-Obersturmführer Antoon van Dijck stelde later een verslag op voor Reichsführer-SS Heinrich Himmler, SS-Obergruppenführer Gottlob Berger, hoofd van het SS-Hauptamt en SS-Obergruppenführer Ernst Kaltenbrunner, hoofd van de SD (Sicherheitsdienst). In dat verslag beschuldigde hij de Höhere SS- und Polizeiführer (HSSPF) ‘Belgien-Nordfrankreich’ SS-Gruppenführer Richard Jungclaus ervan de waarborgen die hij Dr. Jef van de Wiele en hemzelf had gegeven inzake de beveiliging van collaboratiegezinnen bij de evacuatie van Duitse troepen en de komst van de geallieerde troepen niet te hebben nageleefd, namelijk deze gezinnen tijdig naar Duitsland te evacueren. Vele collaboratiegezinnen vielen daardoor ten prooi aan de volkswoede. Enkele dagen voor de geallieerden Brussel bezetten, stonden nog honderden gezinnen uit West- en Oost-Vlaanderen in het Noordstation op een reddende trein te wachten. Maar de SS-Gruppenführer Junclaus had al enkele dagen samen met zijn stafofficieren Brussel verlaten. Ook had hij 600 politieke gevangenen vrijgelaten. Als straf werd hij bevolen als SS-Obersturmführer der Reserve zich bij de 7. SS-Freiwilligen Gebirgs Division Prinz Eugen te voegen en hij sneuvelde op 14 april 1945 in Zavidovići, Joegoslavië.
Na de oorlog

Op 4 april 1947 veroordeelde het krijgshof van Antwerpen Antoon Van Dijck een eerste keer tot de doodstraf. Eén jaar later werd hij medeverantwoordelijk gesteld voor de razzia’s in Lamain, Hertain, Doornik, Bree, Peer, Meeuwen-Gruitrode, Wijshagen en vooral Meensel-Kiezegem. Door het Krijgshof van Brussel werd hij tot de dood met de kogel veroordeeld. Maar het vonnis werd niet voltrokken, Antoon van Dijck kwam ervan af met 17 jaar cel. In 1991 bracht hij nog het boek ‘Zo stierven zij en wij’ uit, over het leven aan het oostfront.
Militaire loopbaan

SS-Sturmmann: 1941
SS-Oberstandartenjunker: 5 december 1942
SS-Untersturmführer: 10 maart 1943
SS-Obersturmführer: november 1944

Afbeeldingsresultaat voor Tony Van Dyck

Tony Van Dyck
Geboren 1922
Berchem
Overleden 19 december 2009
Boechout, Vlaanderen, België
Land/zijde Germany (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Onderdeel Schutzstaffel
Dienstjaren 1940 - 1945
Rang HH-SS-Obersturmfuhrer-Collar.png Shoulder-wss-ill-obersturmf.
SS-Obersturmführer
Eenheid SS-Freiwilligen Standarte Nordwest
Standaard der Germaansche SS
Bevel Lagerführer
Slagen/oorlogen Tweede Wereldoorlog
Operatie Barbarossa
Oostfront

Victor van Strydonck de Burkel

Victor Jean Clement van Strydonck de Burkel (Antwerpen, 16 juli 1876 - Etterbeek, 4 augustus 1961[1]) was een generaal in het Belgische leger.
Familie
Victor van Strydonck was de zoon van Auguste van Strydonck (1840-1923) en Maria Storms (1854-1931).
Hij trouwde in 1898 met Olga Willems (Antwerpen 1878 - Etterbeek 1898) en ze hadden twee zoons, Henri (1903-1979) en Yves (1907-1985).
In 1937 mocht hij 'de Burkel' aan zijn naam toevoegen, in herinnering aan zijn aandeel in de slag bij Burkel tijdens de Eerste Wereldoorlog. In hetzelfde jaar werd hem opname in de erfelijke adelstand verleend met de persoonlijke titel van ridder. In 1956 kreeg hij de bij eerstgeboorte overdraagbare baronstitel.
Levensloop

Voor de Tweede Wereldoorlog was hij onder meer het hoofd van de Belgische cavalerieschool, commandant van het Eerste regiment gidsen, inspecteur-generaal van de Rijkswacht en commandant van de Belgische cavalerietroepen, waarna hij naar de reserve overging.
In 1940 verbleef hij in Engeland en na de nederlaag van mei stelde hij zich beschikbaar, werd bevorderd tot luitenant-generaal en benoemd tot bevelhebber van het embryo van een Belgische strijdmacht die zich in Groot-Brittannië vormde.
In 1941 werd hij inspecteur-generaal van het Belgische leger, en in 1944 hoofd van de Belgische militaire missie op de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force, het hoofdkwartier van de geallieerde troepen. Hij verliet het leger in 1945.
Onderscheidingen

Grootkruis in de Kroonorde met Palmen
Grootofficier in de Leopoldsorde met Palmen
Commandeur in de Orde van Leopold II met Zwaarden
Oorlogskruis 1914-1918 met 5 Palmen
Intergeallieerde Medaille
Herinneringsmedaille 1940-1945 met Gekruiste Sabels
Militair Kruis, 1ste Klasse
Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon
Grootofficier in de Koninklijke Orde van Victoria
Grootofficier in het Legioen van Eer
Oorlogskruis 1914-1918 met Palm
Ridder in de Orde van de Dannebrog
Lid in de Orde van het Bad

Victor van Strydonck de Burkel in 1943

Victor van Strydonck de Burkel in 1943
Geboren 16 juli 1876
Antwerpen, België
Overleden 4 augustus 1961
Etterbeek, België
Land/zijde Vlag van België België
Onderdeel Belgisch Leger
Dienstjaren - 1945
Rang Army-BEL-OF-08.svg Luitenant-generaal
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Slag bij Burkel
Tweede Wereldoorlog

1-Belgisch militair in de Tweede Wereldoorlog