Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Belgisch militair in de Tweede Wereldoorlog

Herman Baltia

Baron Herman Baltia (* Open 1. september 1863 in Sint-Joost-ten-Node / Sint-Joost-ten-Node in Brussel ; † 16e September 1938 in Sint-Gillis / Sint-Gillis ) was een Belgische luitenant-generaal, en Hoge Commissaris en Gouverneur-generaal voor de oostelijke kantons , die destijds New Belgium heette.

Biografie
Herman Baltia was de zoon van een generaal van Luxemburgse afkomst en een Duitse moeder. Hij kreeg in 1899 de bovenleiding van de generale staf toegewezen. In 1907 was hij officier in het Cartografisch Instituut van het leger om zich voor te bereiden op een grensmissie in het zuiden van Belgisch Congo , die hij niet nam. In 1908 werd hij bevorderd tot majoor.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontving hij hoge militaire onderscheidingen en werd hij in december 1916 bevorderd tot generaal-majoor. Zijn militaire successen won hij voornamelijk in Noord- Frankrijk en in de Vlaamse veldslagen . In maart 1919 werd hij benoemd tot luitenant-generaal.

Op 22 oktober 1919 vertrouwde hij Koning Albert en de Belgische regering, het Bureau van de Hoge Commissaris en de Gouverneur in de loop van het Verdrag van Versailles in België toegewezen kantons Eupen , Malmedy , St. Vith en de voormalige Neutraal Moresnet in de provincie Oostkantons op. Tot maart 1925 was hij in functie.

Voor de integratie van de oostelijke kantons in de Belgische staatsstructuur was Baltia uitgerust met koloniale machten. De voormalige Belgische premier Léon Delacroix schreef hem in 1920 kort voor zijn aantreden: " Wees voorzichtig met zorg om ervoor te zorgen dat alles draait zonder problemen en de kosten van het verplaatsen in een aanvaardbaar kader, zult u die zijn rapporteert rechtstreeks hou van de gouverneur van de kolonie aan het vaderland. zal in staat zijn om te handelen. "

Een van de eerste symbolische officiële acts Baltias was de ontmanteling van een herinnering aan de Frans-Pruisische oorlog van 1870/1871 in zijn koninklijke stad Malmedy. Nadat de hoge verwachtingen van de regering in Baltië snel waren vervuld, ontving hij bij koninklijk besluit van 28 augustus 1920 de titel van een baron.

Tussen 26 januari en 23 juli 1920 Baltia geleid tot de beoogde door het Verdrag van Versailles referendum waarin de kiezers dat de opname (in de ogen van velen een annexatie Enter oneens), hun namen en adressen in instructieboekje lijsten kon. Er werd dus noodzakelijkerwijs verbonden betekenen dat bekend waren bij naam aan de annexatie niet toestemming inwoners en had wat bang waren voor vergelding, slechts 271 van de 33.726 stemgerechtigden een droeg. Sommigen van hen waren Duitse Rijksambtenaren wier wortels niet in de regio lagen.

Ondanks enkele misrekeningen tijdens zijn ambtstermijn, bleef Baltia contact zoeken met de mensen die hij "bestuurd" had lang na zijn termijn als gouverneur.

Herman Baltia

 


Louis Bernheim

Louis Bernheim (Sint-Joost-ten-Node, 1 oktober 1861 - Parijs, 13 februari 1931) was een Belgisch beroepsmilitair en luitenant-generaal die bekendheid geniet vanwege zijn optreden gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Biografie
Bernheim werd in 1861 geboren in een gezin van Joods-Franse emigranten. In 1878 startte zijn militaire opleiding en twee jaar later nam hij als tweede luitenant dienst bij de Grenadiers. Naderhand gaf hij zelf les aan de Koninklijke Militaire School.

In de eerste jaren van de twintigste eeuw maakte Bernheim snel promotie en hij had de rang van luitenant-kolonel ten tijde van de Duitse inval in België op 4 augustus 1914. Hij verkreeg de bevelvoering over de derde brigade gedurende het Beleg van Antwerpen en onder zijn leiding vocht deze eenheid later rond de Nete. In november 1914 werd Bernheim bevorderd tot generaal-majoor en begin 1915 verkreeg hij het bevel over de 1e Divisie van het leger, die belast was met een deel van het front dat was ontstaan na de Slag om de IJzer. Bernheim raakte in september 1915 ernstig gewond door een granaatinslag tijdens een troepeninspectie, maar was na slechts twee maanden alweer op zijn post. In 1916 verkreeg Bernheim de rang van luitenant-generaal. In september 1918 kreeg hij het bevel over drie divisies, die samen een Belgisch antwoord moesten formuleren in het kader van het Honderddagenoffensief tegen de Duitsers.

Bernheims ongelijke behandeling van het Nederlands, hij liet alle bevelen aan de soldaten in het Frans geven, was de directe aanleiding tot de vorming van de Frontbeweging van ontevreden Fransonkundige Vlaamse soldaten. De Vlaamse zinsnede Et pour les Flamands la même chose die de onwil van de Franstaligen om het Nederlands te gebruiken weergeeft, vond hier zijn oorsprong.
Een ander verwijt vanuit de Vlaamse Beweging betreft de weigering een bevel te geven tot het weghalen van de lijken van de in niemandsland gesneuvelde Gebroeders Van Raemdonck vanwege hun flamingantisme.

Na de oorlog werd Bernheim benoemd tot Inspecteur-Generaal bij de landmacht en in 1926 ging hij met pensioen. Hij overleed in Parijs in 1931, toen hij er bij zijn dochter op bezoek was. Zijn begrafenis aldaar werd onder meer door Koning Albert bijgewoond; de navolgende crematie zette België ertoe aan zelf spoedig een wettelijke regeling voor het cremeren in te stellen.

Bernheim was lid van het Grootoosten van België. Een door beeldhouwer Edmond de Valériola gemaakt monument ter ere van hem is in 1936 op de Marie-Louizasquare te Brussel geplaatst.[1][2] In Etterbeek is een straatnaam naar hem vernoemd.

Onderscheidingen
Bernheim ontving onder meer de volgende onderscheidingen:

de Leopoldsorde in 1914, tevens bedoeld voor alle regimentssoldaten onder zijn bevelvoering
de Amerikaanse Army Distinguished Service Medal, met als toelichting:
for exceptionally meritorious and distinguished service in a position of great responsibility to the Government of the United States, during World War I. In Command of the 1st Belgian Army Division, General Bernheim achieved most valuable results by his brilliant leadership. He prosecuted the operations against the enemy with judgment and vigor and his service was marked by signal success.
Desalniettemin had hij nimmer aan de IJzer het bevel over de frontsoldaten gevoerd.

Image illustrative de l'article Louis Bernheim

Bernheim, niet lang voor zijn overlijden
Geboren 1 oktober 1861
Sint-Joost-ten-Node
Overleden 13 februari 1931
Parijs
Religie vrijmetselarij
Onderdeel Defensie van België
Dienstjaren 1878-1926
Rang luitenant-generaal
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Beleg van Antwerpen
Slag aan de Nete

 


Willy Coppens de Houthulst

Baron Willy Omer François Jean Coppens de Houthulst (Watermaal-Bosvoorde, 6 juli 1892 - Berchem, 21 december 1986) was een aas uit de Eerste Wereldoorlog met de meeste Belgische overwinningen op zijn naam.
Levensloop
Coppens, zoon van kunstenaar Omer Coppens, werd in 1913 opgeroepen voor militaire dienst en gelegerd bij het 2de Regiment Grenadiers. Hij voelde zich meer geroepen tot de Compagnie des Aviateurs maar zijn aanvraag werd afgewezen.
Na een jaar bij de Grenadiers nam hij, op eigen kosten, vlieglessen bij de Burgerluchtvaartschool te Hendon in Groot-Brittannië (met 39 andere Belgen). Daar kreeg hij onder andere les van Albert Ball. Twee maanden later nam Willy Coppens cursussen bij de Militaire Luchtvaartschool van Étampes, waar hij tijdens de training het wereldhoogterecord brak. Op 9 december 1915 haalde hij zijn vliegbrevet.
Zijn actieve dienst in de Eerste Wereldoorlog ving aan eind 1916 met verkenningsvluchten in Houtem bij het 6e escadrille. Op 8 april werd hij gepromoveerd tot sergeant en overgeplaatst naar het 4e escadrille, voor verkenningsvluchten. Hij smeekte om overplaatsing teneinde als jager te vliegen. In juni 1917 werd hij overgeplaatst naar het 1e escadrille van Fernand Jacquet in Moere. Daar werd hij aangesteld als jager en moest hij vliegen met zijn karakteristieke blauwe Hanriot HD-1, bij de Duitsers bekend als "de Blauwe Duivel". In februari 1918 kwam hij bij het 9e escadrille, waar hij zich ontwikkelde tot specialist in het neerhalen van observatie- en artilleriebegeleidingballonnen, de "Drachen". Slechts drie van zijn 37 overwinningen betroffen het uit de lucht halen van andere vliegtuigen. Maar omdat het neerhalen van ballonnen een riskante operatie was, werden deze overwinningen meegeteld.
Op 14 oktober 1918, bij zijn laatste overwinning, werd hij gewond aan zijn been. Met zware bloedingen crashte hij en zijn been moest geamputeerd worden.
Na de oorlog was Willy Coppens Belgisch militair attaché in Groot-Brittannië en vervolgens in Parijs. In maart 1926 voerde hij samen met George Medaets en Jean Verhaegen een geslaagde vlucht uit van Brussel naar Leopoldville. Dit deed het drietal in zeven ettapes in een Breguet 19 genaamd Reine Elisabeth. Een jaar later wilden ze het succes herhalen maar het vliegtuig stortte neer. De inzittenden overleefden de crash. In 1940 ging hij met pensioen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Zwitserland, eveneens als militair attaché. Daar wendde hij zijn invloed aan om Belgische gevangenen in Duitsland te helpen via het Rode Kruis. Na de oorlog schreef hij talrijke artikels over politieke onderwerpen, voornamelijk in La Libre Belgique.
Hij overleed op 94-jarige leeftijd. Hij was getrouwd met Ariane Martin (1915-2003) en ze hadden twee dochters.
Varia
Ondanks zijn geamputeerde been wist hij in september 1928 het hoogterecord parachutespringen te verbeteren door te springen vanaf 6000 meter.
In Klerken staat een gedenksteen ter ere van Willy Coppens, aan de rand van het Willy Coppensplein.
In zijn geboortegemeente Watermaal-Bosvoorde werd een straat naar hem genoemd.
Eervolle onderscheidingen
Willy Coppens werd op 15 november 1919 in de erfelijke adelstand opgenomen met de titel ridder.
In 1930 kreeg hij vergunning om aan zijn naam de Houthulst toe te voegen
In 1960 werd hem de persoonlijke titel van baron verleend.
Ordetekens[bewerken]
Commandeur Kroonorde (België)
Commandeur in de Orde van Leopold II met Zwaarden
Officier Leopoldorde met Palm
Oorlogskruis (België) 1914-1918 met 27 Palmen en 13 Bronzen Leeuwen
IJzerkruis
Vuurkruis
Herinneringsmedaille van de Oorlog 1914-1918
Overwinningsmedaille
Militair Kruis 2de Klasse
Herinneringsmedaille van het Eeuwfeest
Grootofficier Orde van Sharifian Alawaidis, Marokko)
Orde van de Glorie, (Tunesië)
Commandeur Legioen van Eer (Frankrijk)
Orde van de Zwarte Ster, (Benin)
Orde van Isabella de Katholieke, (Spanje)
Officier Orde van de Witte Adelaar met Zwaarden, (Servië)
Officier Orde van Sint-Mauritius en Sint-Lazarus, (Italië)
Ridderorde Orde Virtuti Militari, (Polen)
Orde van Verdiensten, (Verenigd Koninkrijk)
Military Cross, (Verenigd Koninkrijk)
Zilveren medaille voor Dapperheid, (Italië)
Croix de Guerre (Frankrijk) 1914-1918 met 2 Palmen, (Frankrijk)
Oorlogskruis met Gouden Kruis in Palm, (Portugal)
Oorlogskruis 1914-1918, (Italië)
Oorlogskruis 1914-1918, (Polen)
Vijf Frontstrepen
Eén Kwetsuurstreep
Medaille van de IJzer

Willy Coppens (1918)

Willy Coppens (1918)
Geboren 6 juli 1892
Watermaal-Bosvoorde
Overleden 21 december 1986
Berchem
Land/partij Vlag van België België
Onderdeel Grenadiers, Compagnie des Aviateurs
Dienstjaren 1912 - 1940
Rang Majoor
Eenheid 1e Squadron
4e Squadron
6e Squadron
9e Squadron
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Onderscheidingen zie eervolle onderscheidingen

 

Willy Coppens wordt gedecoreerd door de koning.

 


Joseph De Hasque

Joseph Corneille Alexandre De Hasque (Antwerpen, 9 juni 1873 - Sachsenhausen, 24 januari 1942) was een Belgisch politicus voor de UCB.

Levensloop
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij vrijwilliger in het Engels leger en stond als artillerist vier jaar aan het IJzerfront. Vervolgens behoorde hij tot de bezettingstroepen in het Rijnland. In 1921 verliet hij het Engels leger.

Hij was de oudste zoon van Alexander De Hasque, eigenaar van de suikerraffinaderij De Hasque en werd met zijn broers vennoot in de vennootschap, als voorzitter van de raad van bestuur. Tevens was De Hasque betrokken bij het Verbond der Patronaten van Antwerpen en was hij voorzitter van de Christelijke Middenstandsbond van Antwerpen (stad) (1926-1937). Daarnaast was hij voorzitter van de raad van bestuur van Gazet van Antwerpen en voorzitter van de Vlaamse sectie van de Baden Powell Belgian Boy and Sea Scouts (1912-1930), die door zijn broer Georges was opgericht.

Hij was lid van het dagelijks bestuur van de Vereenigde Katholieken van Antwerpen (1921-1937). In 1926 werd hij verkozen tot gemeenteraadslid van Antwerpen. Van 1932 tot 1936 was hij katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Antwerpen en van 1936 tot 1939 senator voor hetzelfde arrondissement. In 1934 werd hij lid van de algemene vergadering van de Katholieke Unie van België als afgevaardigde van het arrondissementsverbond Antwerpen.

In 1940 werd hij door de Duitsers als een der eersten opgepakt en opgesloten in het concentratiekamp Sachsenhausen waar hij in de bitterkoude winter van 1941 aan ontberingen overleed.

In Antwerpen werd de straat waar vroeger de raffinaderij De Hasque stond naar Joseph De Hasque genoemd.

Afbeeldingsresultaat voor Joseph De Hasque

Joseph De Hasque
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Volledige naam Joseph Corneille Alexandre De Hasque
Geboren Antwerpen, 9 juni 1873
Overleden Sachsenhausen, 24 januari 1942
Kieskring Flag of Antwerpen Province, 1928-1997.svg Antwerpen
Regio Vlag Vlaams Gewest Vlaanderen
Land Vlag van België België
Functie Politicus
Ondernemer
Partij UCB
Functies
1926 - ? Gemeenteraadslid Antwerpen
1932 - 1936 Volksvertegenwoordiger
1936 - 1939 Senator
? - ? Voorzitter raad van bestuur Gazet van Antwerpen
Portaal Portaalicoon

 


André De Meulemeester

André Emile Alfons De Meulemeester, bijnamen De Arend van Vlaanderen en Sergent Mystère, (Brugge, 28 december 1894 - 7 maart 1973) was een Belgische toppiloot uit de Eerste Wereldoorlog. Met zijn elf officiële overwinningen is hij als piloot de tweede uitblinker van België na Willy Coppens.
Familie
André De Meulemeester was een zoon van Victor De Meulemeester (1866-1927), die van november 1919 tot aan zijn dood, Belgisch senator was voor het arrondissement Brussel van de Belgische Werkliedenpartij. Hij was de kleinzoon van brouwer Leon De Meulemeester (1841-1922), eigenaar van brouwerij De Arend en getrouwd met Virginie Verstraete, de zus van Jules, stichter van de stokerij Verstraete, later Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek in Brugge. De broer van Victor en oom van André, Alphonse De Meulemeester (1876-1927) was vennoot in De Arend en was van 1903 tot 1914 voorzitter van Club Brugge.
Samen met zijn echtgenote, Cécile Graux (1902-1998), met wie hij in 1925 trouwde, woonde André De Meulemeester in een prachtig rococohuis aan de Sint-Annarei in Brugge. Zij was de kleindochter van Charles Graux, minister van financies (1878-1884) en de dochter van Charles II Graux, secretaris van koningin Elisabeth van België. Haar zus, Marie-Hélène Graux (1901-1955), trouwde met Ernest-John Solvay (1895-1972), sinds 1969 graaf Ernest Solvay de la Hulpe, kleinzoon van Ernest-John Solvay. De enige zoon van het echtpaar, Michel De Meulemeester (°1926) emigreerde naar Canada. De enige dochter, Marie-Anne (°1928), trouwde met de architect Axel Ghyssaert.
Het echtpaar De Meulemeester richtte in de jaren zestig een vereniging op voor hulpverlening aan verlaten kinderen.
Zijn overlijden in 1973 ging bijna onopgemerkt voorbij. Geen kranten, behalve in Brugge, gaven er melding van. De begrafenis gebeurde in strikte intimiteit. Het Festival van Vlaanderen Musica Antiqua, in Brugge droeg zijn concert van 9 augustus 1973 (Recital Nigel Rogers en Colin Tilney in het stadhuis) in dankbare herinnering op aan de trouwe luisteraar en mecenas die André De Meulemeester was geweest.
Oorlogspiloot
De Meulemeester sloot zich op zijn twintigste als vrijwilliger aan bij de Compagnie d’Aviateurs. Hij volgde een opleiding in Hendon waar hij zijn burgervliegbrevet behaalde op 8 oktober 1915. Vervolgens werd hij opgeleid tot militaire vlieger te Étampes en op 8 oktober 1916 werd hij ingedeeld bij de 1e escadrille in De Moeren, waar hij achtereenvolgens met een Nieuport tweedekker, een Nieuport 11 en later met een Nieuport 23 vloog. Zijn eerste overwinning behaalde hij op 30 april 1917. Nadat hij op 21 augustus 1917 een Duitse Albatros had neergehaald, kreeg hij als bijnaam De Arend van Vlaanderen. Bij deze vlucht raakte hij overigens flink gewond. Zijn bijnaam Mystère dankt De Meulemeester aan het feit dat zijn Franstalige collega's moeilijkheden hadden om zijn naam 'Meulemeester' uit te spreken. Zij kortten dit af tot Mystère.
Hij schilderde zijn vliegtuig, een Nieuport 23 geel en nam bij elke vlucht zijn chihuahua genaamd "Stabilo" mee. Begin 1918 veranderde het 1e in het 9e escadrille waar hij nog vier overwinningen behaalde in een Hanriot HD.1. Na zijn tiende overwinning vond André het voor zichzelf rechtvaardig om gepromoveerd te worden van adjudant tot onderluitenant en speldde een tweetal extra sterren op een luitenantuniform. Nadat de staf dit ter ore kwam, werd André alsnog officieel tot onderluitenant benoemd.
Zijn elfde en laatste officiële overwinning was op een kabelballon, een zogenaamde "Drachen", op 3 oktober 1918 boven Torhout. Een riskante operatie, omdat deze ballonnen vaak goed bewapend waren en soms explosieven bevatten om te dienen als vliegende mijn. Ook bij deze actie raakte hij gewond. Tijdens zijn gehele dienst is hij ook nog eens tweemaal in gevecht geraakt met "bevriende" Britse D.H4's. Naast de officiële, behaalde hij ook nog negentien niet-bevestigde overwinningen.
André de Meulemeester bleef in de herinnering van zijn legerkameraden voortleven als een patriottische grappenmaker en pianospeler, met ongrijpbare trekjes.
Het smaldeelinsigne van het eerste smaldeel waar hij toe behoorde, de Schotse Distel met het motto "Nemo me impune lacessit" ("Niemand valt me straffeloos aan") werd bedacht door André de Meulemeester in 1917, en is daarmee het oudste insigne van de Belgische Luchtmacht.
Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940 nam De Meulemeester opnieuw dienst in de Belgische luchtmacht.
Club Mystère
Tot weinige jaren voor zijn dood onderhield De Meulemeester regelmatig contacten met de Belgische oorlogspiloten van de Eerste wereldoorlog. Hij bracht ze samen in Brussel, meestal in het hotel-restaurant Carlton, onder de naam van Club Mystère voor een lunch, waarop telkens een prominente Belg of buitenlander als eregast werd uitgenodigd. Ook andere van André's vrienden of naaste familieleden behoorden soms tot de genodigden. Het laatste gedocumenteerde diner vond plaats in 1967, hoewel er ook nadien waarschijnlijk nog geweest zijn.
De lijst van de uitgenodigde eregasten klinkt als een 'who is who' van wie prominent was in België: koningin Elisabeth, eerste ministers Achiel Van Acker, Paul van Zeeland, Paul-Henri Spaak, Joseph Pholien, Jean Van Houtte, nuntii zoals Fernando Cento en Efrem Forni, ministers zoals Camille Gutt, Arthur Gilson, hoge functionarissen, generaals, voorzitters van grote banken, enz.
Brouwer
Satirische tekening: 'Staking van de lijkdragers' door André De Meulemeester. (Copyright 2012 Bruges Artroute)
Na de Eerste wereldoorlog verliet hij de luchtmacht om zich toe te leggen op het familiebedrijf, de Brouwerij De Meulemeester-Verstraete of De Arend.
De brouwerij Den Arend bestond sinds minstens 1553 en was vanaf het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie De Meulemeester. Na de dood, in 1927, van de twee eigenaars, de gebroeders Victor en Leon De Meulemeester, werd in 1928 een fusie aangegaan met de Gentse brouwerij Belgica. Van de nieuwe naamloze vennootschap Aigle Belgica werd André De Meulemeester voorzitter van de raad van bestuur.
Hij was ook bestuurder in andere vennootschappen, onder meer bij Sabena.
In 1978 werd Aigle Belgica overgenomen door Brouwerij Piedboeuf uit Luik, brouwer van het bier Jupiler. In 1988 ging deze een grote fusie aan met Brouwerij Artois uit Leuven, brouwer van het bier Stella ondere de naam Interbrew. In 2004 fuseerde Interbrew met de Companhia de Bebidas das Americas (AmBev), en werd aldus één van de pijlers van de multinational Inbev, in 2008 nog verder uitgebreid tot Anheuser-Busch InBev.
Kunstenaar
De Meulemeester was vanaf 1931 tot aan zijn dood tekenaar en aquarellist, zonder dat hij hieraan ook maar enige ruchtbaarheid gaf. Zijn oeuvre, bestaande uit een 1400 werken, werd door het echtpaar Axel Ghyssaert en Anne-Marie De Meulemeester (dochter van André) in 2009 geschonken aan Bruges Art Route (vzw Kunstroute), die zorg draagt voor de inventarisering, ontsluiting en bekendmaking van het werk.
Ter gelegenheid van de Open Monumentendagen 2011 werden in het kunstaarsatelier van Flori Van Acker (zetel van Bruges Art Route), voor het eerst tekeningen van André De Meulemeester getoond. Ze hadden betrekking op de Grote Oorlog.
Op Erfgoeddag 21-22 april 2012 werd aandacht geschonken aan André De Meulemeester in het kader van het thema "Helden". Er werd opnieuw een selectie van zijn werk getoond in het kunstenaarsatelier Flori Van Acker, en het provinciale 'Tolhuis' wijdde van april tot juni een tentoonstelling aan de archivalia die op André De Meulemeester en op de brouwerij 'Den Aigle' betrekking hebben.
Van 7 tot 21 maart 2014 ging in de Brugse stadshallen de eerste retrospectieve tentoonstelling door gewijd aan de cartoons van André De Meulemeester.
Ereconservator Jan Hoet verklaarde over de met James Ensor verwante kunst van De Meulemeester: ... Uit het hart, ongelooflijk, machtige kleuren, zeer sterk werk, fantastische composities, wat een verbeeldingskracht, wat een ontdekking.... Wanneer studies over dit werk zullen uitgevoerd worden, zal naast het knappe vakmanschap ook de geest waarin de werken tot stand kwamen en de thema's die behandeld werden onderwerp van onderzoek zijn: humoristisch, sarcastisch tot cynisch, met grote mensenkennis en met een plezierige maar illusieloze kijk op de mens en zijn omgeving.
De Meulemeester maakte kennis met de egyptoloog Jean Capart en sloot vriendschap met hem. Hij leerde hiërogliefen ontcijferen en lezen.
Archief
Het persoonlijk archief van André De Meulemeester werd door de familie geschonken aan het Archief van de provincie West-Vlaanderen en bevindt zich in de Provinciale Bibliotheek Tolhuis in Brugge. Het bevat voornamelijk:
Correspondentie van en aan André De Meulemeester, hoofdzakelijk uit de periode 1914-1918.
Het oorlogsdagboek van zijn grootvader Leon De Meulemeester (22/08/1915 tot 16/10/1918). Het dagboek werpt een uniek ligt op de gebeurtenissen in Brugge tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Foto’s over zijn activiteiten als gevechtspiloot.
Documentatie (krantenknipsels, tijdschriften, brochures…) over het vliegwezen, hoofdzakelijk tijdens Wereldoorlog I.
Medailles.
Onderscheidingen
Officier in de Leopoldsorde met palm
Officier in de Kroonorde
Oorlogskruis (België) 1914-1918 (België)
Croix de Guerre (Frankrijk) (Frankrijk)
Medaglia d'oro al Valore Militare (Italië)

Afbeeldingsresultaat voor André De Meulemeester

 

André De Meulemeester als piloot tijdens de Eerste Wereldoorlog (Copyright 2012 Bruges Artroute)

 

In dit gebouw aan de Sint-Annarei te Brugge was de zetel van de Aigle Belgica gevestigd

 


Hector Deprez

Hector Deprez (Ingooigem, 9 november 1873 - Gent, 15 oktober 1939) was een Belgische generaal.
Deprez werd geboren in café De halve maan te Ingooigem. Rond 1880 verhuisde het gezin Deprez naar Stasegem (Harelbeke). Na de dood van zijn vader groeide Deprez op bij zijn oom en tante in Deerlijk.
Militaire carrière
1890: vrijwillig in dienst bij het 3de Linieregiment
1895: intrede in de militaire school te Brussel
1897: onderluitenant bij het 1ste Linieregiment
1904: luitenant
1906: stafbrevethouder
1911: vleugel-adjudant van generaal-majoor Guiette
1912: kapitein
1913: aangewezen voor de Staf van de 1ste Legerafdeling
1914: kapitein-commandant. Bij het uitbreken van de oorlog adjunct aan de Staf van de 1ste Legerafdeling
1916: majoor
1917: aangewezen voor het 6de Regiment Jagers te Voet en voor het 21ste Linieregiment
1918: aangewezen voor het Commando van het onderrichtscentrum voor Hulponderluitenanten van Infanterie
1921: luitenant-kolonel bij het 2de Linieregiment
1926: kolonel en overgang naar het Strijdwagensregiment
1929: commandant van het 2de Linieregiment
1931 (van maart tot juni): commandant (als generaal-majoor) van de provincie Oost-Vlaanderen
1931 (vanaf juni): commandant van de provincie West-Vlaanderen
1 januari 1934: op rust gesteld en opname in het reservekader tot op 31 december 1938
27 augustus 1938: ere-luitenant-generaal der Infanterie
Vermeldingen en eretekens[bewerken]
Zijn doodsverachting en dapperheid op het slagveld tijdens de Eerste Wereldoorlog leverden Deprez de titels op van Grootofficier in de Kroonorde[1] en Grootofficier in de Leopoldsorde.[2] Deprez behaalde acht frontstrepen en bekwam het Oorlogskruis 1914-1918 met 2 Palmen, de IJzer Medaille, het Vuurkruis, de Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918, de Overwinningsmedaille, het Militair Kruis 1ste Klasse, het Franse Oorlogskruis 1914-1918 en de Herinneringsmedaille van het Eeuwfeest.
Heden
Hector Deprez ligt begraven te Deerlijk op de begraafplaats Centrum: Blok A, middenste rij, perceel 240-241. In 1933 was Deprez er ereburger geworden. Zowel in Deerlijk als in Stasegem is er een Generaal Deprezstraat.

Bidprentje van generaal Deprez

 


Jules 'Juul' De Winde

Jules 'Juul' De Winde (Merchtem, 13 mei 1893 – Westrozebeke, 28 september 1918) was een Vlaams dichter en luitenant die diende in de Eerste Wereldoorlog. Hij geldt als een van de IJzersymbolen van de Vlaamse Beweging.

Biografie
Juul De Winde werd geboren in het Vlaams-Brabantse Merchtem. In 1909 werd daar de cultuurvereniging De Vlaamse Kring opgericht door de bekende toondichter August De Boeck. Hier kwam zijn aanleg voor poëzie tot uiting en werd wellicht ook zijn Vlaamsgezindheid geboren. In de Gazet van Merchtem, een uitgave van Merchtems drukker en geschiedschrijver Maurits Sacré, publiceerde hij zijn eerste verzen. Daarnaast toonde hij zich ook een man van de kunsten door toe te treden tot het toneelgezelschap De Leie.
Op 16 augustus 1913 werd hij opgeroepen tot de dienstplicht. Hij werd ingelijfd bij het eerste regiment Karabiniers. Na enkele maanden werd hij tot korporaal gepromoveerd. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij 21 jaar oud, en had de rang van sergeant.
In 1916 kon hij opklimmen tot onderluitenant en zelfs luitenant. Hij was geliefd bij zijn manschappen en moedigde hen aan met de bekende studentenleuzes uit De Blauwvoet: Vliegt de Blauwvoet ? Storm op zee !. Aan het front organiseerde hij muziekmanifestaties waarbij hij zelf dirigeerde. Als flamingant kwam hij onder meer in contact met Cyriel Verschaeve en Jan Bernaerts. De kapelaan uit Alveringem verzorgde zelfs het voorwoord van zijn eerste dichtbundel, die in 1917 verscheen. Onder de schuilnaam Juul Liseron bundelde hij een aantal oorlogsgedichten onder de titel Granaatscherven. Meerdere verzenbundels lagen in het verschiet, maar zijn nooit uitgegeven.
In augustus 1918 publiceerde hij het eerste en tevens enige nummer van het frontblaadje Merchtem boven, samen met zijn vriend, onderluitenant en Merchtemnaar Pol Knaeps. Hij werd in 1918 benoemd tot toegevoegd stafofficier bij de regimentsstaf.
Hij vroeg en bekwam toelating om het bevrijdingsoffensief in de herfst van 1918 samen met zijn mannen te mogen meemaken. In de zomer van 1918 werd in de driehoek gevormd door Westrozebeke, Passendale en Langemark nog hevig gevochten. In dit eindoffensief kwam hij op 28 september 1918 om het leven, zes weken voor het einde van de oorlog. In welke omstandigheden hij stierf is tot vandaag niet duidelijk.
Eerbetoon
In 1937 werd zijn stoffelijk overschot vanuit Merchtem overgebracht naar Diksmuide, waar het plechtig werd bijgezet in de crypte van de IJzertoren. Als eerbetoon voor zijn engagement werd hij geëerd als IJzersymbool.
In Westrozebeke werd - op de plaats waar hij het leven liet - in 1938, op initiatief van aalmoezenier Oskar Versteele, een gedenkteken van beeldhouwer Karel Aubroeck opgericht. Zowel in Diksmuide als in Merchtem is er een straat naar hem genoemd.

Heldenhuldezerkje van Juul De Winde in de crypte van de IJzertoren

Monument voor luitenant De Winde in Westrozebeke, voorheen in de Poelkapellestraat, thans in de Hyndrickxbosstraat

 


Émile Dossin de Saint-Georges

Émile Jean Henri baron Dossin de Saint-Georges (Luik, 18 juli 1854 - Elsene, 18 januari 1936) was een Belgisch generaal in de Eerste Wereldoorlog.

Militaire carrière
Dossin was beroepsmilitair en werd onder meer onderbevelhebber van de Koninklijke Militaire School en adviseur van de Minister van Oorlog. In 1913 kreeg hij het bevel over de 18de gemengde brigade.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hij het commando over de 2de Belgische legerdivisie met onder meer het 6de en het 7de Linieregiment. Deze divisie had zijn stelling in Antwerpen en kreeg het hard te verduren tijdens het Beleg van Antwerpen. In de nacht van 8 op 9 oktober 1914 verliet de divisie de stelling om naar Nieuwpoort te sporen. Daar kreeg zij geen rust maar moest zich verdedigen in de Slag om de IJzer, in de gemeente Sint-Joris. Manschappen van Dossins 2de divisie voerden de inundatie van de IJzer uit.

Op 5 januari 1915 werd Dossin van zijn commando ontheven en benoemd tot militair gezant bij de Belgische regering in Sainte-Adresse. Daar zou hij blijven tot het einde van de oorlog. Het was tegelijk zijn laatste militaire functie.

Eerbewijzen
Dossin en zijn dochter kregen in 1932 het recht de Saint-Georges (Frans voor Sint-Joris) aan hun naam toe te voegen. In 1934 werd hij door de koning verheven in de erfelijke Belgische adel, met de persoonlijke titel baron.

Na zijn dood in 1936 werd beslist de Mechelse kazerne "Hof van Habsburg" te hernoemen tot Kazerne Dossin.

In Elsene werd een laan naar Dossin genoemd. Ook werd er in 1938 een monument te zijner ere opgericht, geconcipieerd door François Malfait, met de bas-reliëfs die de terugtocht uit Antwerpen en de slag aan de IJzer verbeelden.

Familie
Hij was de zoon van Henri Dossin en Marie-Auguste Delsupexhe. Hij trouwde in 1893 met Emilie Delfosse (1870-1954) uit welk huwelijk een dochter werd geboren: jkvr. Renée Dossin (1894-1972). Zij trouwde in 1926 met Paul van Zeeland (1893-1973), later eerste minister van België. Met haar stierf het adellijke geslacht uit.

Afbeeldingsresultaat voor Émile Dossin de Saint-Georges

Geboren 18 juli 1854
Luik
Overleden 18 januari 1936
Elsene
Land/partij Vlag van België Koninkrijk België
Rang Luitenant-generaal
Leiding over 2de divisie (1914)
Slagen/oorlogen Beleg van Antwerpen
Slag aan de IJzer

 


Gustave Dominique Dungelhoeff

Gustave Dominique Dungelhoeff (Brussel, 9 oktober 1867 - Wezemaal, 12 september 1914) was een Belgisch officier in de Eerste Wereldoorlog.

Gustave Dominique Dungelhoeff was de zoon van een tot Belg genaturaliseerde vader uit het hertogdom Limburg (de streek tussen Verviers en de Nederlandse grens). Hij begon zijn dienst aan de Militaire School te Brussel op 16 november 1886. Hij werd tot Onderluitenant-leerling benoemd op 1 december 1889 en aangeduid voor de artillerie.

Op 24 mei 1892 werd hij aangeduid voor het 7de Artillerieregiment. Hij werd tot Luitenant benoemd op 25 september 1896. Hij werd aangeduid voor het 1ste Artillerieregiment op 28 maart 1900 en afgedeeld bij het Arsenaal op 27 december 1904. Op 26 maart 1907 werd kapitein Dungelhoeff aangeduid voor de vestingartillerie van de versterkte vesting Antwerpen. In die functie kwam hij ook in contact met het 2de Artilleriebataljon (2A), dat gekazerneerd was in Mechelen en twee batterijen in Antwerpen had. Op 1 oktober 1910 werd hij aangeduid voor het 4de Artillerieregiment.

Als gevolg van de grote reorganisatie van 1913 werd Kapitein-commandant Dungelhoeff commandant van de 23ste batterij van de Artillerie van de 6de Gemengde Brigade. Deze batterij was de vroegere 14de bereden batterij van het 2de Artilleriebataljon. In deze functie neemt hij deel aan de gevechten rond Aarschot en Antwerpen. Tijdens de tweede uitval vanuit de vesting Antwerpen Antwerpen sneuvelt Kapitein-commandant Dungelhoeff bij een hevige artilleriebeschieting te Wezemaal op 12 september 1914. Hij werd door verschillende granaatscherven in de borst getroffen op het ogenblik dat zijn batterij stelling neemt langs de weg naar Leuven.

Kapitein-commandant Dungelhoeff krijgt postuum het Oorlogskruis (KB van 15 september 1916) “als held gevallen op 12 september 1914 te Wezemaal voor de verdediging van het Vaderland en de eer van het Belgische volk. Uit dankbaarheid vanwege het erkentelijk Vaderland vereerd met het Oorlogskruis”

Wanneer het 2de Artilleriebataljon (2A) in 1927 zijn intrek neemt in de artilleriekazerne aan de Vaartlaan (later Baron Opsomerlaan genoemd) te Lier, krijgt deze kazerne de naam “Dungelhoeff als herinnering aan de eerste officier van 2A die sneuvelde op het veld van eer”.

Afbeeldingsresultaat voor Gustave Dominique Dungelhoeff

Gustave Dominique Dungelhoeff

 


Charles Edouard Dusart

Charles Edouard Dusart (Gent 25 december 1860 - Rhées (Herstal) 5 of 6 augustus 1914) was een Belgisch officier.

In 1890 vertrok hij naar Kongo, toen nog privé-eigendom van koning Leopold II. Hij verbleef er 3 jaar en streed er tegen Arabische slavenhandelaars vooraleer hij terugkeerde naar België. In 1910 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel en in 1913 tot bevelhebber van het 11e Linieregiment, gekazerneerd te Hasselt.

In Hasselt was hij een graag gezien man. Tijdens langeafstandsmarsen had de kolonel de gewoonte halt te houden in een dorpsherberg. Hij dronk dan een glas met zijn mannen. Hij was een opgemerkt figuur als hij te paard over de Hasseltse Groene Boulevard reed. In de morgen van 29 juli 1914 verzamelde hij zijn regiment op het Wapenplein (nu Kolonel Dusartplein) om de Duitsers aan te vallen tijdens hun beleg van Luik. Hij sneuvelde te Rhées, een gehucht van Herstal, in de nacht van 5 op 6 augustus 1914. Hij was de eerste Belgische hogere officier die sneuvelde tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dusart werd begraven op het kerkhof van Rhées waar een grafmonument werd opgericht voor de 170 gesneuvelden.

In Hasselt werd het Kolonel Dusartplein (het vroegere Wapenplein) en de inmiddels afgebroken Kolonel Dusartkazerne naar hem genoemd. Ook hier is een oorlogsmonument te vinden, alsook een deel van de gevel van de vroegere kazerne

Afbeeldingsresultaat voor Charles Edouard Dusart

 


Joseph Alphonse Marie (Joe) English

Joseph Alphonse Marie (Joe) English (Brugge, 5 augustus 1882 – Vinkem, 31 augustus 1918) was een Vlaamse tekenaar en kunstschilder. Hij overlleed aan de gevolgen van een slecht verzorgde blindedarmontsteking in het legerhospitaal 'L'Océan 2' in Vinkem op 31 augustus 1918. Hij is een van de Vlaamse IJzersymbolen. Zijn beeltenis staat gebeeldhouwd op de Paxpoort in Diksmuide.
Familie English in Brugge
English was de zoon van de Ier Henry English (Waterford, 1853 - Adegem 1918) en Marie Dinnewet (Brugge, 1858-1905). Henry richtte in Brugge, eerst op de hoek van de Vrijdagmarkt en de Boeveriestraat, vervolgens in het Sint-Salvatorskerkhof een goudborduuratelier op, samen met zijn echtgenote, die was opgegroeid in een Brugse kunstenaarsfamilie. Het gezin had tien kinderen, nl. vier zonen en zes dochters, die borduurden in het atelier van hun ouders. Eén van de zoons, Michiel English, werd priester en speelde een belangrijke rol in de liturgie en als kunsthistoricus in het bisdom Brugge. Joe English schilderde en tekende reeds van jongs af aan op school. Om zijn talenten verder te ontwikkelen volgde hij cursussen tekenen en schilderen aan de Stedelijke Academie te Brugge.
Joe English als jonge schilder en zijn gezin
Hij was een talentvolle jongeman en op aanbeveling van de directeur van de Brugse academie kon hij van 1901 tot 1908 een opleiding volgen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. Zijn leraar was er o.a. Juliaan de Vriendt, wiens zoon Samuel de Vriendt een van zijn trouwste vrienden werd.
Joe behaalde in 1904 en 1907 de Romeprijs voor schilderkunst en in 1907 ook de Godecharleprijs. Hij liet zich tot Belg naturaliseren en leerde in Antwerpen zijn echtgenote Elisabeth Goedemé (1876-1926) kennen, die was opgegroeid in een Vlaamsvoelend en kunstminnend gezin. Zij was een begaafde pianiste en muzieklerares. Van 1908 tot 1914 werkte Joe in Brugge als zelfstandig kunstschilder. Voor het goudborduuratelier van zijn vader ontwierp hij onder meer heel wat vlaggen. In het gezin English-Goedemé werden twee kinderen geboren, Lieve (Brugge, 7 maart 1912 - 4 april 1934) en Raf (11 maart 1915 - 9 oktober 1967).
Joe als oorlogssoldaat en kunstenaar

In 1914 werd hij gemobiliseerd. Vanaf eind 1915 werkte hij als kunstenaar in Veurne, waarbij hij zich ontwikkelde tot prominent frontsoldaat. Hij ontwierp de typische heldenhuldezerkjes voor de Vlaamse gesneuvelden in de Eerste Wereldoorlog. In 1918 werd hij ook frontschilder.
Hij stierf op 36-jarige leeftijd in het legerhospitaal L'Océan te Vinkem aan een onbehandelde blindedarmontsteking in de nacht van 31 augustus 1918.
Hij werd begraven op de Belgische militaire begraafplaats van Steenkerke. De allereerste IJzerbedevaart vond daar in 1920 plaats bij zijn graf. In 1930 werd hij bijgezet in de crypte van de IJzertoren.
Eerbetoon
Door toedoen van zijn vriend Samuel de Vriendt, zoon van Juliaan de Vriendt, werden een aantal olieverfschilderijen en aquarellen, die Veurne tijdens de oorlog voorstellen, permanent in het stadhuis van Veurne tentoongesteld.
In 1976 werd in Vinkem op initiatief van de VTB ter ere van English een monument in de vorm van een heldenhuldezerk opgericht, in de nabijheid van het hospitaal L'Océan 2.
In Brugge en Antwerpen is een straat naar hem vernoemd en heeft in Antwerpen een tramhalte (tramlijn 24) zijn naam gekregen.
Zijn naam staat vermeld op het oorlogsgedenkteken in de Kartuizerinnenstraat, Brugge en op het gedenkteken bij de ingang van de Cercle Gaulois, Wetstraat, Brussel.

Grafsteen Joe English in de crypte van de IJzertoren

 


Louis Alphonse (Alfons) Geleyns

Louis Alphonse (Alfons) Geleyns (Rotselaar, 30 januari 1889 – Keerbergen, 25 september 1914) was een Belgisch militair. Hij verwierf postuum enige bekendheid.
Biografie
Geleyns werd geboren te Rotselaar als zoon van een landbouwer, Ferdinand Geleyns, en diens echtgenote, Marie-Thérèse Lambrechts, en was de oudste zoon in een gezin van zeven kinderen. In 1909 werd de dienstplicht voor één zoon per gezin ingevoerd en hierop meldde de twintigjarige Alfons Geleyns zich aan bij het Belgisch leger.
Hij was als dienstplichtig soldaat 2de klasse ondergebracht bij het 1ste Bataljon Karabiniers-Wielrijders, onderdeel van de 1ste Cavaleriedivisie, en sneuvelde op 25-jarige leeftijd "ten velde" gedurende een verkenningsopdracht vanuit de vesting Antwerpen voor het begin van de Duitse belegering van Antwerpen. Zijn bataljon was belast met het dekken van de aftocht van het naar Antwerpen terugtrekkende leger door vertragingsmaneuvers en het bewaken van de fortengordel rondom Antwerpen. Hij sneuvelde te Keerbergen op de hoek van de Bakestraat en de Putsebaan, in de nabijheid van de Kortewelvaart, op 25 september 1914. Alhoewel zijn militair dossier dat foutief tegenspreekt met 26 september 1914. Geleyns leefde nog 54 dagen na het overschrijden van de Belgische grens door Duitse troepen op 4 augustus 1914.
Graf
Na zijn dood werd hij op 25 september 1914, de dag van zijn overlijden, begraven op het kerkhof rond de kerk van Grasheide, deelgemeente van de aan Keerbergen aangrenzende gemeente Putte, en later herbegraven op het nieuwe gemeentelijke kerkhof. Op zijn grafsteen staat te lezen:
Ter nagedachtenis van
Alphons Geleyns
Soldaat van het
3e Carabiniers
Geb. te Rotselaar 30-1-1887
Op het veld van eer gesneuveld
te Grasheide
25 september 1914
R.I.P.
Op zijn grafsteen staat slechts zijn tweede voornaam en tevens roepnaam geschreven en wordt al geboortejaar 1887 gegeven in plaats van 1889. Ook staat er te lezen dat hij tot het Regiment 3de Karabiniers behoord zou hebben, terwijl hij deel uitmaakte van het 1ste Bataljon Karabiniers-Wielrijders.
Geleyns werd nooit herbegraven in zijn thuisdorp Rotselaar omdat zijn ouders hier nooit om vroegen. Het graf van een Belgische soldaat is eigendom van de Belgische Staat en na de oorlog besliste de Staat om de verschillende oorlogsgraven te centreren in militaire begraafplaatsen. Voor de gesneuvelden van en rond Keerbergen was dat de militaire begraafplaats Veltem. De ouders van Alfons Geleyns protesteerden echter tegen een opgraving van het stoffelijk overschot van hun zoon. Hierdoor werd het graf een privé-graf. Zijn jongere broer vernoemde zijn oudste zoon naar hem, Alfons.
Na de wapenstilstand van 11 november 1918 werden in vrijwel alle Belgische gemeenten oorlogsmonumenten opgericht en de gesneuvelden geëerd. In Grasheide was het graf van Alfons Geleyns de plaats waarop oud-strijders en anderen jaarlijks hun respect kwamen betuigen. Na een misviering trok een stoet met fanfare naar zijn graf alwaar de Brabançonne werd gespeeld. Op zijn graf werd jaarlijks een bloemstuk van witte chrysanten en eikenbladeren geplaatst. Deze traditie doofde uit in de jaren 70 met het overlijden van de laatste oud-strijders van de Eerste Wereldoorlog.
Op 4 september 1928 werd ter gelegenheid van een lokale kermis er een dodenhulde gehouden bij het graf van soldaat Alfons Geleyns. De homilie van pastoor Joseph Lavrijzen leidde tot incidenten met aanwezige Vlaams-nationalisten. Ward Hermans, een van de leidende figuren, nam buiten de kerk het woord om het betoog van de pastoor te weerleggen. Er werd heel wat polemiek gevoerd over het onderwerp.
In 2005 besloot het gemeentebestuur van Putte om het graf te verwijderen zodat er plaats kon gemaakt worden voor nieuwe graven. Een aantal personen waren tegen dit besluit gekant en voerden actie voor het behoud van het graf van Geleyns. Uiteindelijk veranderde het gemeentebestuur van mening en mocht het graf blijven bestaan.
Onderscheiding
Op 15 november 1937 werd hij bij Koninklijk Besluit zoals velen gesneuvelden postuum onderscheiden in de Orde van Leopold II met de graad van ridder en met de versierselen van zilveren palm.

Louis Alphonse Geleyns
Bijnaam Alfons Geleyns
Geboren 30 januari 1889
Rotselaar
Overleden 25 september 1914
Keerbergen
Land/partij Flag of Belgium (civil).svg België
Onderdeel Flag of Belgium (civil).svg Belgisch leger
Dienstjaren 1909-1914
Rang soldaat milicien 2de klasse
Eenheid 1ste Bat. Karabiniers-Wielrijders
Slagen/oorlogen Belegering van Antwerpen (Eerste Wereldoorlog)
Onderscheidingen Ridder in de Orde van Leopold II (1937)

 

Ridder in de Orde van Leopold II

 


Pierre Victor Geleyns

Pierre Victor Geleyns (Herent, 30 maart 1894 – Leuven, 196?) was een Belgisch militair gedurende de Eerste Wereldoorlog en verzetsstrijder gedurende de Tweede Wereldoorlog. In beide wereldoorlogen werd hij gevangengenomen en naar Duitsland gedeporteerd.
Jeugd
Hij werd geboren te Herent als oudste kind in een gezin van vijf van Pierre Alfons Geleyns en Marie-Amélie Lemmens. Hij werd politieagent en huwde Marie-Sophie Laurent. Samen kregen ze een kind, dat nog minderjarig was in 1920. Laurent overleed gedurende de Eerste Wereldoorlog.
Eerste Wereldoorlog
Op 5 augustus 1914, daags na het overschrijden van de Belgische grens door Duitse troepen, werd hij, na zich vrijwillig te hebben aangemeld bij het rekruteringsbureau te Leuven, ingelijfd in het Belgisch leger als soldaat tweede klasse. Hij werd ingedeeld in de eerste compagnie van het vijfde bataljon van het 9de Regiment de Ligne. Op 7 september 1914 viel hij in de handen van Duitse troepen en werd als krijgsgevangene geïnterneerd in een Duits krijgsgevangenekamp. Na de ondertekening van de wapenstilstand op 11 november 1918 was hij opnieuw een vrij man. Hij kwam terug in België aan op 8 december 1918 en werd gedemobiliseerd in een speciale recuperatiecompagnie te Leuven.
Interbellum
Op 19 augustus 1919 nam hij onbepaald verlof in het Belgisch leger en keerde terug in actieve dienst op 1 april 1922, ditmaal als beroepssoldaat. Hij werd tewerkgesteld in het divisionair depot van de 9de legerdivisie.
Op 6 december 1922 kreeg Pierre Geleyns het bericht dat hij naar de maatstaven beschreven in een koninklijk besluit van 1919 geen frontstreep had verdiend. In 1947 zou hij uiteindelijk een frontstreep krijgen wegens zijn verdiensten in de Eerste Wereldoorlog. Op 4 december 1923 werd hij opnieuw overgeplaatst. Vanaf dan zou hij in het militair depot van het 3de Legerkorps werken.
Op 17 september 1930 hertrouwde Geleyns als weduwnaar met Emilienne Peridieus.
Op 1 juli 1937 werd hij overgeplaatst naar het Korps Automobiel Transport. Zijn functie als vrachtwagenchauffeur zou hem later als politiek gevangene het leven redden.
Tweede Wereldoorlog
Hij was lid van het monarchistische Geheim Leger sinds maart 1941 met de rang van soldaat. In die hoedanigheid hielp Pierre Geleyns verschillende vluchtelingen en vervoerde met eigen wagen gewapende weerstanders voor het weghalen van ravitailleringszegels. Ook vervoerde hij twee Engelse piloten, één uit Binkom en een andere uit Waanrode, naar Leuven alwaar zij een veilig onderkomen vonden. Hij bezorgde tevens valse stempels van gemeenten voor het afleveren van valse identiteitsbewijzen, verschafte hulp aan ondergeduikten en hielp de sluikpers te verspreiden.
Geleyns werd aangehouden op 27 januari 1944 door de Duitse bezetter en opgesloten als politiek gevangene – niet als krijgsgevangene omdat België zich overgegeven had en bezet was - in fort Breendonk. Op 8 mei 1944 werd hij via een konvooi samen met andere gevangenen naar het concentratiekamp Buchenwald gestuurd.
Hij verbleef er niet lang, want op 23 mei 1944 werd hij van Buchenwald naar Dora verplaatst, oorspronkelijk een subkamp van Buchenwald. In oktober 1944 verkreeg Dora het statuut van onafhankelijk concentratiekamp onder de naam Mittelbau-Dora. Omwille van zijn technische specificaties als vrachtwagenchauffeur werd hij als arbeidskracht ingeschakeld om oorlogstuig voor het Duitse leger te bouwen in Mittelbau.
Op 3 april 1945 werd Pierre Geleyns bevrijdt door Amerikaanse troepen. Het is niet bekend of hij had deelgenomen aan de dodenmarsen uit Mittelbau of ontsnapt was.
Latere leven en dood
Hij overleefde beide wereldoorlogen en stierf in zijn woning te Leuven in de jaren 60.
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van Leopold II met Palm
Medaille van de Vrijwillige Strijders 1914-1918
Overwinningsmedaille 1914-1918
Medaille van de Weerstand (1914-1918)
Herinneringsmedaille aan de Oorlog 1914-1918 met zilveren kroontje (drager nationale orde) en zwarte staafjes (krijgsgevangene)
Oorlogskruis (1940) met Palm
Kruis van Politiek Gevangene van de Oorlog 1940-1945 met drie sterren
Herinneringsmedaille van de Oorlog 1940-1945 met gekruiste sabels
In 1947 kreeg hij wegens zijn verdiensten in de Eerste Wereldoorlog - op aandringen van de Nationale Strijdersbond van België - van de minister van Landsverdediging een frontstreep, hoewel hij het merendeel van de oorlog in krijgsgevangenschap had doorgebracht.

Pierre Victor Geleyns
Bijnaam Pierre Geleyns
Geboren 30 maart 1894
Herent
Overleden 196?
Leuven
Land/partij Flag of Belgium (civil).svg België
Onderdeel Flag of Belgium (civil).svg Belgisch leger
Dienstjaren 1914-1947
Rang soldaat milicien 2de klasse
Eenheid 9de Regiment de Ligne
Slagen/oorlogen Eerste en Tweede Wereldoorlog
Onderscheidingen Ridder in de Orde van Leopold II met Palm
diverse herinneringsmedailles

Afbeeldingsresultaat voor Ridder in de Orde van Leopold II met Palm

Ridder in de Orde van Leopold II met Palm

 


Cyriaque Cyprien Victor Gillain

Cyriaque Cyprien Victor Gillain (Biesme, 11 augustus 1857 - Ukkel, 17 augustus 1931) was een Belgische militair en stafchef van het Belgische leger in de Eerste Wereldoorlog en een Belgisch senator.


Jeugd en opleiding
Gillain kende een moeilijke jeugd. Omdat hij niet overeenkwam met zijn familie bood hij zich in 1875 aan als vrijwilliger in het 4e artillerieregiment.

In 1878 werd Gillain toegelaten aan de Koninklijke Militaire School. Hij bleef er tot in 1883 en verliet de school als onderluitenant van de artillerie. Op zijn vraag werd Gillain enkele maanden later overgeplaatst naar de cavalerie waar hij zijn gehele verdere loopbaan zou blijven. In 1886 werd Gillain toegelaten tot de Belgische Oorlogsschool. Twee jaar later verliet hij de school als luitenant.

Loopbaan in Kongo-Vrijstaat
In 1885 had koning Leopold II Kongo-Vrijstaat opgericht. De jonge staat had nood aan jonge, avontuurlijke officieren. Vanaf 1889 was Gillain actief in de Belgische kolonie en nam er deel aan de campagnes tegen de slavernij. In 1890 werd er een nieuwe militaire post opgericht in Lusambo. Gillain ging er aan de slag als kampoverste en stond in voor de organisatie van de militaire post.

Op 6 oktober 1892 werd Gillain benoemd tot districtchef eerste klasse van Lusambo. Hij nam deel aan de Arabische campagne en werkte met Francis Dhanis samen om de stad Kasongo te veroveren. Het daaropvolgende jaar werd Gillain bevorderd tot districtcommissaris van Kasaï met Luluaburg als standplaats. Nadat de Arabische campagne beëindigd was, keerde Gillain terug naar Lusambo.

Vooroorlogse loopbaan in het Belgische leger
In 1896 keerde Gillain definitief terug naar België. In 1898 werd hij bevorderd tot kapitein-commandant. Gillain werd in 1900 adjudant van generaal-majoor Hallet en in 1904 van generaal-majoor Mersch. In 1906 werd hij bevorderd tot majoor en in 1909 tot luitenant-kolonel. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in 1913 werd Gillain bevorderd tot kolonel.

Gillain tijdens de Eerste Wereldoorlog
Op het ogenblik dat de oorlog uitbrak in augustus 1914 had Gillain het commando over het 4e Regiment Lansiers. Op 12 augustus, tijdens de Slag der Zilveren Helmen in Halen werd het regiment van Gillain opgesteld aan boerderij IJzerwinning die het centrale punt van de verdediging werd. De Belgische cavalerie behaalde er een overwinning op de Duitsers. Vanaf oktober 1914 had hij het commando van de 1e Cavaleriebrigade die deelnam aan de Slag om de IJzer. Gillain werd in 1915 bevorderd tot generaal-majoor en in 1917 tot luitenant-generaal. Hij kreeg hierbij het commando over de 5e legerdivisie.

Op 11 april 1918 werd Gillain door koning Albert I benoemd tot stafchef van het Belgische leger als opvolger van Louis Rucquoy. Gillain werd door de vorst gekozen omdat hij de naam had om door zijn acties zo veel mogelijk mensenlevens te sparen. Onder de leiding van Gillain slaagde het Belgische leger erin om tijdens de Slag om Merkem op 17 april 1918 de Duitse opmars te stuiten. Voor zijn verdiensten kreeg hij uit handen van de Franse generaal Foch het Commandeurskruis in het Legioen van Eer, de belangrijkste Franse onderscheiding.

Op 28 september leidde koning Albert de geallieerde troepen naar de overwinning in de strijd om het bos van Houthulst. Gillain had op dat moment het commando over de troepen die in reserve gehouden werden.

Cyriaque Gillain ontving de Amerikaanse Army Distinguished Service Medal.

Na de oorlog
Gillain werd op 28 februari 1920 om gezondheidsredenen ontheven van zijn functie als stafchef van het Belgische leger. Bij die gelegenheid weigerde hij de aan hem verleende titel van baron. In 1921 werd hij verkozen als gecoöpteerd senator voor de katholieke partij. In de Senaat was hij vicevoorzitter van de senaatscommissie Defensie.

Tegelijk nam hij actief deel aan de koloniale propaganda. In 1923 werd Gillain de eerste voorzitter van de in 1920 gestichte Hogere Koloniale School van Antwerpen die op dat moment werd omgevormd tot de Koloniale Hogeschool van België.

Overlijden en eerbetoon[bewerken]
Gillain stierf op 74-jarige leeftijd en kreeg op 22 augustus 1931 een staatsbegrafenis. Hij ligt begraven op het kerkhof van Marchienne-au-Pont waar een straat naar hem werd vernoemd. In zijn geboortedorp Biesme werd in 1968 een monument te zijner gedachtenis opgericht.

 


Jacques Goethals (piloot)

Jacques Goethals (Kortrijk, 18 november 1889 - 9 oktober 1918) was een gevechtspiloot van de Belgische Luchtmacht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij stierf tijdens een luchtgevecht in de omgeving van Staden.

Familiegeschiedenis
De piloot Jacques Goethals is een afstammeling van de bekende Kortrijkse familie Goethals-Vercruysse. Ook zijn broer André Goethals vocht mee tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar werd krijgsgevangene genomen op 6 augustus 1914 bij een aanval op de forten rond Luik.

Militaire carrière


Jacques Goethals begon zijn militaire carrière als vrijwilliger op 22 februari 1915. Hij had op dat moment al zijn vliegbrevet gehaald in de burgerij. In het begin vloog hij voornamelijk mee als waarnemer bij verkenningsvluchten en bombardementen. Pas op 8 augustus 1915 behaalde hij zijn brevet als militair piloot.

Hij vloog met verschillende types vliegtuigen, waaronder Farman en Nieuport. Op 1 februari 1916 werd hij uiteindelijk jachtpiloot en werd een jaar later, op 19 mei 1917, benoemd tot officier. In januari 1918 raakte hij gewond tijdens een luchtgevecht, in onduidelijke omstandigheden, een maand later trok hij terug naar het front. Zijn laatste vlucht vloog hij met een Spad 7 op 9 oktober 1918. Hij werd geraakt tijdens een luchtgevecht door de Duitse piloot Harald Auffarth en stortte neer in de omgeving van Staden-Hazenwind.

Hij vloog in totaal 302 oorlogsvluchten en was betrokken bij 75 luchtgevechten. Er worden 3 overwinningen met zekerheid aan hem toegewezen en 3 andere waarbij hij betrokken was.

Foto van het originele doodsprentje van Jacques Goethals.

 


Auguste Louis Lucien Haus

Auguste Louis Lucien Haus (Nevele, 18 januari 1892 - Gent, 15 september 1948) was een Belgisch Luitenant-kolonel.

Loopbaan
August was de zoon van Ernest-Victor-Auguste Haus (vrederechter van Nevele) en Hortense Smessaert.

Auguste Haus deed rechtenstudies aan de Universiteit Gent toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij werd in februari 1915 oorlogsvrijwilliger bij het 21ste Linieregiment, waar hij op het einde van de veldtocht aan de IJzer reeds de graad van kapitein had.

Na de oorlog bleef hij bij het leger, eerst bij het tankregiment te Sint-Denijs-Westrem, dan bij het 2de bataljon van het 2de Linieregiment in de Leopoldskazerne te Gent, waar hij op 26 december 1939 bevorderd werd tot majoor. Later voerde hij het bevel over een compagnie Ardeense jagers te Bastenaken.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak maakte hij de 18-daagse veldtocht mee als bevelhebber over het 9de bataljon van het 22ste linieregiment dat slag leverde te Ronsele.

Na de capitulatie werd hij krijgsgevangen genomen en naar Duitsland gevoerd maar op 2 mei 1942 werd hij (om gezondheidsredenen en als groot oorlogsinvalide) gerepatrieerd en op 8 juni 1942 sloot hij zich aan bij het Geheim Leger met als schuilnaam was “Hamilcar”.

Hij werd eerst militair raadgever, dan commandant van de Gentse sector, stafoverste en in februari 1944 bevelhebber van Zone III van het Geheim Leger. Tijdens de actie in de Papegaaistraat te Gent op 15 juli 1944 (om de weerstander Albert Mélot uit de handen van de Duitsers te bevrijden en waarbij 2 Duitsers werden doodgeschoten), kon hij op het nippertje ontsnappen, maar de Duitsers namen zijn vrouw (Marguerite de Puydt) en dochter gevangen en voerden ze naar het concentratiekamp van Ravensbrück, waar beiden omkwamen.

Na de oorlog werd hij op 26 april 1946 gepromoveerd tot Luitenant-kolonel en werd hij ondervoorzitter van de ’’Broederlijke Vereniging van het Geheim Leger’’.

Auguste Haus trok zich na de bevrijding terug in het familiaal buitenverblijf ’’Vijfringengoed’’ op de Sterrewijk te Aalter, maar werd wegens ziekte naar het hospitaal te Gent overgebracht waar hij overleed op 15 september 1948.

Onderscheidingen
Commandeur in de Kroonorde met Palmen
Officier in de Leopoldsorde
Officier in de Orde van Leopold II met Zwaarden
Oorlogskruis met Palmen 14-18
Oorlogskruis met Palmen 40-45
Vuurkruis
Medaille van de Weerstand 1940-1945
Medal of Freedom U.S.A.
Gedenkingplaten

te Aalter op de Sterrewijk onder het Kalvariekruis werd in 1949 een gedenkplaat aangebracht met de tekst ’’Vroom aandenken aan Mrite, F. V.F.H. de Puvdt, ech. A. Haus ° 5-10-93, † Ravensbrück deber 44, Heliane-E.J. Haus ° 15-12-23, † Ravensbrück 27-12-44, Jean L.F.M.G. Haus ° 20-2-1920, † Bremen Schutzenhof 9-2-45, Kol Auguste L.L. Haus Kdt Zone III Geheim-Leger, ° 19-1-1892, † Gent 15-91948. Gestorven voor vorst en Vaderland’’. Onderaan staat tussen de twee familiewapens de spreuk "Spes Constanter" (hoop en vastberadenheid).
te Gent aan de Leopoldskazerne werd in 1949 een gedenkplaat voor hem en 1148 helden van het Geheim Leger. Bovenaan de plaat staat CREDIDI*PUGNAVI*TULI*VICI (Ik heb geloofd, ik heb gestreden, ik heb volhard, ik heb overwonnen; de vrouw en het jonge meisje rechts herinneren aan zijn vrouw en dochter, de groep links symboliseert het vaderland. In het midden houdt de weerstander de fakkel van het geloof en het zwaard van de strijd omhoog. De wapenschilden zijn deze van van Oost- en West-Vlaanderen, het kenteken is van het Geheim Leger.

August Haus
Geboren
18 januari 1892
Nevele
Overleden
15 september 1948
Gent
Land/partij
 België
Onderdeel
Belgische Leger
Dienstjaren
1915 -
Rang
 Luitenant-kolonel
Eenheid
2de bataljon van het 2de Linieregiment
Leiding over
9de bataljon van het 22ste linieregiment
Slagen/oorlogen
Eerste Wereldoorlog
Westfront
Tweede Wereldoorlog
Achttiendaagse Veldtocht
Onderscheidingen
zie onderscheidingen

Gedenkplaat familie Haus in Aalter

 


Jules Marie Alphonse Jacques

Jules Marie Alphonse Jacques (Stavelot, 24 februari 1858 - Elsene, 24 november 1928) was een Belgisch generaal.

Biografie
Na zijn studies aan de militaire academie trok hij naar Kongo-Vrijstaat, waar hij aanvankelijk werkte als eenvoudige klerk, maar later ook een rol speelde in de Belgo-Arabische oorlog. Hij stichtte er Albertstad als militaire post tegen de Arabische slavenhandelaars.

In 1895 werd hij zelfs districtscommissaris van het rubberwingebied Lac Leopold II, privégebied van koning Leopold II. Zijn rol hierin werd aan de kaak gesteld in het Casement-rapport.

Na zijn koloniale avontuur richtte hij zich volledig op zijn militaire carrière, die in een stroomversnelling kwam door de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de Slag om de IJzer stond hij aan het hoofd van het 12de Linieregiment, dat samen met het 11de Linieregiment en Franse troepen het bruggenhoofd aan de oostelijke oever van de IJzer tegen de oprukkende Duitsers moest verdedigen. Op 25 oktober 1914 nam Jacques het bevel over van kolonel Meiser. Zijn hoofdkwartier bevond zich aanvankelijk in het stadhuis van Diksmuide, later aan de IJzerlaan. Jacques raakte zelf gewond door de zware beschietingen en wist nog tot 10 november 1914 het bruggenhoofd Diksmuide uit Duitse handen te houden.

In 1916 werd Jacques bevorderd tot luitenant-generaal. Hij kreeg het commando over de 3de Belgische divisie van 5 februari 1917 tot 4 oktober 1919.
Eerbetoon
Omwille van zijn militaire verdiensten kreeg Jacques onder meer het grootlint in de Leopoldsorde, de hoogste onderscheiding in België. In 1919 werd hij in de adel verheven met de titel van baron, en de toelating om "de Dixmude" aan zijn naam toe te voegen. In verschillende steden werden straten naar hem vernoemd en standbeelden te zijner ere opgericht.
Standbeeld
In Diksmuide werd ter ere van generaal Jacques op 7 september 1930 op de Grote Markt een monument opgericht. Het verwijst zowel naar zijn exploten in Afrika als naar de verdediging van Diksmuide in 1914.
Dit standbeeld heeft sindsdien heel wat negatieve stemmen doen opklinken: velen vonden dat Jacques te veel eer kreeg, want hij was geen Diksmuideling. Hij was Franstalig waardoor Vlaamsgezinde tegenstanders protesteerden tegen de oprichting van het standbeeld. Een Franstalige generaal in het leger die aan Vlaamse soldaten bevelen gaf, lag sowieso al gevoelig. Midden de jaren vijftig werden de hoekbeelden van het standbeeld vernield, maar later gerestaureerd.
Het standbeeld ter ere van generaal baron Jacques kwam in aanmerking voor de lijst van beschermde monumenten die de Eerste Wereldoorlog herdenken. De tegenkanting die hiertegen kwam, was ook uit Vlaamsgezinde hoek, maar even goed waren er antikoloniale motieven. Begin de jaren negentig werd daarom geopteerd om het beeld te neutraliseren tot een onbekende soldaat. Anderen hebben geen problemen met het standbeeld, maar willen wel een bordje met historisch correcte informatie naast het beeld. Het standbeeld werd trouwens enkel vanwege de artistieke waarde voorgedragen voor bescherming door Monumentenzorg, en niet omwille van de historische betekenis.

Generaal Jacques de Dixmude

Het standbeeld van Jacques de Dixmude op de Grote Markt van Diksmuide.

 


Fernand Maximillian Leon Jacquet

Fernand Maximillian Leon Jacquet (Petite-Chapelle, 2 november 1888 - Beaumont, 12 oktober 1947) was een Belgische Eerste Wereldoorlog luchtaas. Hij was de eerste Belg die de status van luchtaas behaalde en de eerste Belg die een vijandelijk vliegtuig neerschoot.

Jacquet was zoon van een rijke landeigenaar. Na zijn studie aan het Athenaeum van Chimay meldt hij zich in oktober 1907 aan bij de Koninklijke Militaire School. De eerste jaren doet hij dienst als tweede luitenant bij de infanterie. In 1912 neemt hij vlieglessen bij de burgervliegschool in Sint-Job-in-'t-Goor en ontvangt zijn brevet op 25 februari 1913. Op 30 augustus van datzelfde jaar behaald hij ook zijn militair brevet te Brasschaat. Hij maakt zijn debuut in het 2e escadrille te Belgrade. Dit escadrille moest zich terugtrekken naar Buc, vanwaar Jacquet naar Antwerpen vloog om verkenningsvluchten aldaar uit te voeren. In 1915 wordt hij overgeplaatst naar het 1e escadrille de chasse te Koksijde. Daar plaats hij, geïnspireerd door Roland Garros, een machinegeweer op zijn Farman. Tot dan toe waren deze vliegtuigen louter als observatievliegtuigen in gebruik.

Op 17 april 1915 claimt hij zijn eerste overwinning. Hij haalt een Duitse Aviatik C neer boven Beerst en wordt hij gepromoveerd tot kapitein. In december 1916 wordt hij commandant van het 1e escadrille en op 1 februari 1917 kan hij zichzelf de eerste aas van België noemen. Koning Albert geeft blijk van veel vertrouwen in Fernand Jacquet als hij, op 18 maart 1917, bij hem in het vliegtuig stapt om boven het front het vliegen. Zij werden geëscorteerd door het volledige eskader. In december 1917 wordt Fernand Jacquet opnieuw gepromoveerd, ditmaal tot Kapitein-commandant. In maart 1918 krijgt hij, op verzoek van Koning Albert, het bevel over de Group de Chasse, ook wel bekend als Groupe Jacquet. Een nieuw jacht-eskader, die bestond uit verschillende escadrilles (het 9e, 10e en 11e). Op 6 november behaalt hij zijn zevende en laatste overwinning ten oosten van Gent.

Na de oorlog neemt Jacquet ontslag uit het leger. Hij start een vliegbouwer ACAZ in Zeebrugge en maakt deel uit van de directie van 1923 tot 1926. Tevens richt hij een vliegschool SEGA te Gosselies op. Deze vliegschool wordt één van de vijf officiële vliegscholen van de Belgische Luchtmacht. Met de komst van het Britse Fairey Aviation in Gosselies in 1931, krijgt hij de aanstelling van commercieel directeur bij deze vliegtuigfabriek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat hij in het Belgisch verzet om onder andere geallieerde vliegers uit het land te smokkelen, maar wordt in 1942 opgepakt door de Duitse bezetter. Hij overlijdt twee jaar na het einde van de oorlog op 58-jarige leeftijd.

Eervolle onderscheidingen
Distinguished Flying Cross (Verenigd Koninkrijk)
Orde van Sint-Anna (Rusland)
Legioen van Eer (Frankrijk)
Kroonorde (België)
Oorlogskruis (België)
Croix de guerre (Frankrijk)

Captain-Commandant Fernand Maximillian Leon Jacquet was a World War I flying ace credited with seven aerial victories. He was the first Belgian pilot to score an aerial victory, on 17 April 1915, and became the first Belgian ace on 1 February 1917


Kapitein-Commandant Fernand Maximillian Leon Jacquet was een World War I vliegende aas gecrediteerd met zeven luchtoverwinningen. Hij was de eerste Belgische piloot een antenne overwinning te scoren, op 17 april 1915, en werd de eerste Belgische aas op 1 februari 1917 Kapitein-Commandant Fernand Maximillian Leon Jacquet was een World War I vliegende aas gecrediteerd met zeven luchtoverwinningen. Hij was de eerste Belgische piloot een antenne overwinning te scoren, op 17 april 1915, en werd de eerste Belgische aas op 1 februari 1917

 


Jean-Baptiste Piron

Jean-Baptiste Piron (Couvin, 10 april 1896 – Brussel, 4 september 1974) was de bevelhebber van de Belgische 1e Infanteriebrigade, ook Brigade Piron genoemd, die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet bij de bevrijding van West-Europa.

Hij had meegevochten in de Eerste Wereldoorlog. Hij werd op 22-jarige leeftijd tot kapitein benoemd. Na de capitulatie van het Belgisch leger op 28 mei 1940 werd hij geïnterneerd in Maria-ter-Heide. Hij slaagde erin te ontsnappen en in april 1941 verliet hij België en via Marseille, Spanje en Gibraltar belandde hij uiteindelijk in januari 1942 in Schotland.

Hij werd bevelhebber van de Belgische 1e Infanteriebrigade, genoemd de brigade Piron. De brigade bestond uit 2500 Belgische militairen. De eenheid werd opgeleid in Tenby (Wales). Ze landde op 7 augustus 1944 in Normandië. Nadien nam de brigade deel aan de bevrijding van België. Ze bevrijdde op 4 september 1944 Brussel. Nadien nam de eenheid deel aan de bevrijding van Nederland.

Na de oorlog leidde hij de Belgische bezettingstroepen in Duitsland, de Belgische strijdkrachten in Duitsland (BSD). In 1947 bracht hij het tot luitenant-generaal in het Belgisch leger. Van 1951 tot 1957 was hij stafchef van het leger en een tijdlang vleugeladjudant van Koning Boudewijn I.

Eretekens[bewerken België België: Grootkruis Kroonorde met Palmen
België: Groot Officier Leopoldsorde
België: Officier Orde van Leopold II met Zwaarden
België: Oorlogskruis 1914-1918 met Vergulde Leeuw België België: Oorlogskruis 1940 met Palm
België: Strijder-Vrijwilliger Medaille 1914-1918
België: Vuurkruis
België: Herinneringsmedaille van de Veldtocht 1914-1918België België: Overwinningsmedaille
Belgie Kruis der Ontsnapten 1940-1945
België België: Herinneringsmedaille 1940-1945 met Gekruiste Sabels
België België: Militair Kruis 1ste KlassBelgië België: Herinneringsmedaille van het Eeuwfeest
Nederland Nederland: Ridder Grootkruis Orde van Oranje Nassau met Zwaarden
Luxemburg: Grootkruis Orde van Adolf van Nassau

Afbeeldingsresultaat voor Jean-Baptiste Piron

Jean-Baptiste Piron (Couvin

 


Gustave Marc Albéric Sylvain Rolin

Gustave Marc Albéric Sylvain Rolin (Gent, 3 november 1892 - De Panne, 22 mei 1918) was een officier van het Belgisch leger, die sneuvelde in de laatste maanden van de Eerste Wereldoorlog, nadat al twee van zijn broers waren gesneuveld.
Levensloop
Gustave Rolin behoorde tot de uitgebreide Belgische familie Rolin en tot het grote gezin van Albéric Rolin en Sylvie Borreman.
Jongste van de vijf zoons van Albéric Rolin, volgde hij een opleiding aan de Militaire School en was onmiddellijk oorlogsvrijwilliger.
Eerst nam hij deel aan de verdediging van Antwerpen. Hij ontsnapte aan de dood toen een Duitse obus op zijn kazemat viel, die hij pas verlaten had. Hij nam deel aan de aftocht, tot in Nieuwpoort. Zijn capaciteiten als artillerist brachten mee dat hij in januari 1915 werd 'uitgeleend' aan de Engelsen. Gustave liet apocalyptische beschrijvingen na van het leven in de loopgrachten.
In 1916 en een gedeelte van 1917 vervoegde hij het 18de Belgische artillerieregiment. De oorlogvoering verkalmde enigszins in de Belgische sector. Toch moest men op 1 oktober 1917 een enorm bombardement doorstaan. Gustaaf verloor acht van zijn manschappen en ontsnapte nauwelijks aan de dood, nadat hij was ondergedolven onder een neergestorte schuilplaats.
Tijdens de winter werd gewerkt aan het bouwen en consolideren van nieuwe verdedigingswerken tussen Koksijde en Oostduinkerke.
In maart 1918 werd hij tot kapitein bevorderd. De Duitsers begonnen in mei weer intenser te schieten. De batterij van Gustaaf was blijkbaar ontdekt en werd met precisie beschoten. Hij moest op zoek gaan naar een veiliger plek. Tijdens die zoektocht werd hij getroffen door obusschilfers. Naar een ziekenhuis in De Panne gevoerd, werd hij geopereerd, maar de chirurg deelde onmiddellijk mee dat er weinig hoop was. De dag daarop overleed hij.
Henri Rolin, die er bij was, schreef aan hun ouders: "Hij heeft een mooie uitvaart gekregen, zoals hij het zou gewenst hebben. Een muziekkorps opende de rouwstoet, gevolgd door een peloton van zijn soldaten. Dan volgden soldaten die kronen droegen: meer dan twintig. Volgde de kist, gedragen door onderofficieren, met de nationaal driekleur er boven en daarop zijn mooie tuniek met zijn decoraties. Dan kwamen wij (Henri noemde een half dozijn vrienden bij de voornaam) en dan zes generaals en andere officieren, evenals de verpleegsters. We liepen door een haag van soldaten die het geweer presenteerden. De bevelvoerende kolonel sprak een aangrijpende redevoering uit. We zijn achteraf samengekomen met zijn vrienden, allen weenden. Franse officieren zijn ons hun medeleven komen betuigen. En een Engelse officier zegde ons: "Je zou ver moeten lopen om nog een zo vriendelijke en zo moedige wapenbroeder te vinden." En luitenant-generaal Biebuyck, bevelhebber van de divisie was tot tranen toe bewogen en greep mijn beide handen terwijl hij zegde dat het in iedereens naam was, officieren, onderofficieren en soldaten, dat hij zijn bewondering uitdrukte voor de familie Rolin."
Gustave was de derde van de broers Rolin die sneuvelde. Er bleven nog Albéric en Henri over, die ook al een paar maal zwaar gekwetst waren geweest. Het drama die deze familie trof werd algemeen bekend en besproken. Ook koning Albert I betuigde zijn medeleven en wilde maatregelen nemen opdat de twee overblijvende broers niet meer in gevechtszones zouden terechtkomen. Maar ze weigerden dit allebei kordaat. Gelukkig overleefden ze de laatste oorlogsmaanden.
Om de drie gesneuvelde broers te eren werd de artilleriekazerne in Etterbeek in 1933 tot Rolin-kazerne omgedoopt. Het is ook in grote mate om hunnentwille dat hun vader en andere leden van de familie Rolin in 1921 in de Belgische adel werden opgenomen.

Gustave Marc Albéric Sylvain Rolin

 


Charles Tombeur

Generaal Charles Henri Marie Ernest Tombeur, geboren 4 May 1867 in Luik en stierf 2 December 1947 in Brussel was een militaire Belg . Hij veredeld de 29 December 1926 de baron Charles Tombeur om deze eer te worden overwinning Tabora hij had tegen de Duitse troepen in won Duits Oost-Afrika .


Biografie 
Na zijn studie aan de School van de oorlog afhankelijk van de Koninklijke Militaire Academie van België , begint hij bij de toetreding tot de rang van kapitein-commandant in 1902 , voor de Congo Vrijstaat .

Terug in België werd hij koning van de ordelijke officier Albert I van België 1909-1912.

Maar, nog steeds aangetrokken tot Afrika, werd hij inspecteur van State en directeur van de provincie Katanga tussen 1912 en 1914.

van 23 February 1915 de 19 September 1916 Hij is de opperbevelhebber van de Public Force . 
Het was tijdens deze periode dat de controle 1916 campagne in Duits Oost-Afrika leidt de 19 September 1916 , De overwinning van Tabora . Het is de dag na de overwinning hij het bevel overgedragen aan luitenant-kolonel Armand Huyghe en wordt up 22 November 1916 commandant van de bezettingstroepen van de toekomst Rwanda-Burundi .

In 1917 werd hij benoemd tot vice-gouverneur van de Belgisch-Kongo en hervat de positie van plaatsvervangend hoofd van de provincie Katanga 1918-1920.

Eer en onderscheidingen 
Veredeld met de titel van baron door Koning Albert 1, de 29 December 1926 .
Memory 
Bij Sint-Gillis , een monument waarin een buste in brons van ten Jacques Marin wordt ingehuldigd 24 June 1951 Park Avenue
in Etterbeek , werd de straat omgedoopt Ma Campagne General Tombeur straat in 1937 ;
in Brussel , de rue de Tabora ; in Namen , de Avenue de Tabora en Oostende , de Taboralaan indirecte eerbetoon;
in Kinshasa en Lubumbashi , Avenue Tabora zijn indirect hommage aan Congolese soldaten van de openbare macht die hebben deelgenomen aan de verovering van de stad.
Zijn begrafenis was in de crypte van de begraafplaats van Sint-Gillis Ukkel Calvoet. Zijn stoffelijke resten werden overgebracht naar de crypte op het veld van eer op het kerkhof van Sint-Gillis 16 september 2016 voor de honderdste verjaardag van de overwinning van Tabora en het rust die voormalige strijder van de oorlog 14-18.

Fichier:Charles Tombeur.jpg

Luitenant-generaal Charles Tombeur
geboorte 4 May 1867 
Liège , Vlag van België België
dood 2 December 1947 (80 jaar) 
Brussel , Vlag van België België
Begrafenis = Begraafplaats van Saint-Gilles Avenue stilte in Ukkel.
Afkomst Belgisch
trouw België
wapen Wapens van België Militaire Forces.svg
rang Army-BEL-OF-08.svg luitenant-generaal
Years of Service 1887 - 1920
conflicten Eerste Wereldoorlog
commando Opperbevelhebber van de openbare macht in Oost-Afrika
feats slag van Tabora
onderscheidingen geridderd baron ( 29 December 1926 )
opzichten Monument ter ere van hem in het Park Avenue in Sint-Gillis / Brussel.
andere functies Vice-gouverneur-generaal van Belgisch Congo , 
plaatsvervangend hoofd van de Katanga

 


Léon Jules Joseph Trésignies

Léon Jules Joseph Trésignies (Bierk, 1886 - Grimbergen, 29 augustus 1914) is een Belgische oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog die dodelijk getroffen werd bij een tegenaanval van het Belgisch leger bij de Verbrande Brug.

Oorlogsheld
Wederopgeroepen bij het uitbreken van de oorlog meldde Léon Trésignies zich op 5 augustus 1914 bij zijn eenheid, het 2de Regiment Jagers te Voet, te Kontich. Op 26 augustus 1914 was hij vrijwilliger om het kanaal van Willebroek op het grondgebied van Grimbergen over te zwemmen en de openstaande hefbrug met behulp van een wiel te laten zakken teneinde de westelijke oever, in handen van de Duitsers, te kunnen bezetten. Voor hij zich in het water begaf, schreef hij zijn naam, geboorteplaats en echtgenote op een papiertje, dateerde het en gaf het aan sergeant-majoor Wery.[1] Hij zwom over en slaagde in zijn opzet, maar de Duitsers bemerkten hem en schoten. Trésignies werd dodelijk gewond.

Léon Trésignies ligt begraven op het Kerkhof van Grimbergen vlak bij de plaats waar hij sneuvelde.

Eerbetoon
Op 15 september 1914 werd Trésignies bij dagorder van het Belgisch Leger door koning Albert I vermeld en postuum tot korporaal bevorderd.

Na de oorlog (vanaf 1921) werden zijn portret en dat van Gabrielle Petit opgehangen in elk Belgisch klaslokaal.

In zijn geboorteplaats Bierk is een straat naar hem genoemd. Het plein ten oosten van de Verbrande Brug in Grimbergen draagt ook zijn naam. Een monument te zijner ere bevindt zich op de westelijke oever van het Kanaal Brussel-Schelde.

Léon Jules Joseph Trésignies

 


Frans Van der Linden

Frans Van der Linden (Antwerpen, 6 juni 1894 - Sint-Michiels, 3 november 1918) was een Vlaamse soldaat. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog betrokken bij de Frontbeweging. Hij geldt als een van de zogenaamde "IJzersymbolen" van de Vlaamse Beweging en werd begraven in de crypte van de IJzertoren in Diksmuide.


Biografie
Van der Linden studeerde aan de Sint-Ignatiushandelshogeschool en aan het Muziekconservatorium in Antwerpen. Hij was lid van de studentenvereniging Eigen Taal Eigen Zeden. In 1911 was hij medestichter en voorzitter van de oudstudentenbond De Vlaamsche Telgen. In 1913 werd hij lid van de Antwerpse Vlaamsche Voorwacht, de juniorafdeling van de Katholieke Partij.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde de twintigjarige zich als vrijwilliger. In 1915 werd hij naar het front gestuurd. Datzelfde jaar organiseerde hij een Vlaamse studiekring in het 3de Regiment karabiniers en werd hij binnen dit regiment verantwoordelijke voor de Frontbeweging. Nadat de legerleiding een manifestatie van Vlaamse soldaten in Hoogstade had uiteengedreven, lanceerde hij de kreet Omver en erover, die later de slogan van de Frontbeweging werd.

In januari 1918 organiseerde hij een pamflettenuitdeling in Hondschote en werd gearresteerd door de Militaire Veiligheidsdienst, op verdenking van staatsgevaarlijke activiteiten. In maart werd hij vrijgesproken na afloop van een proces dat bekendstaat als dat van de "Zesde Legerafdeling".

Tegen het einde van de oorlog werd hij, zoals veel anderen, gegrepen door de Spaanse griep en overgebracht naar een militair ziekenhuis in het pas bevrijde Brugge, waar hij stierf, acht dagen voor de Wapenstilstand.

Vlaams symbool
Van der Linden behoorde tot de Vlaamse activisten aan het Front, rond wie na de oorlog in Vlaams-nationalistische middens een legende van heldhaftigheid en Vlaamse inzet werd opgebouwd. Zo werd de mythe gelanceerd dat een Franstalige arts geweigerd had hem tijdens zijn laatste ziekte de nodige zorgen te verstrekken.

Dit leidde tot het overbrengen op 21 augustus 1932 van zijn stoffelijk overschot naar de crypte onder de IJzertoren, waar hij samen met Lode De Boninge geëerd werd als symbool van de "Vlaamse volksverbondenheid". Ook zijn standbeeld werd op de voetstukken van de IJzertoren geplaatst. Het beeld van Van der Linden en van Lode De Boninge was het vierde en laatste beeld en werd onthuld op de IJzerbedevaart van 19 augustus 1934. Na de vernieling van de eerste IJzertoren werd het beeld, net als de andere, ingewerkt in de Paxpoort.

Herinnering en herdenking
Tijdens de oorlog raakte Van der Linden bevriend met de broers Michielsen, die ook uit Antwerpen afkomstig waren en wier ouders met de rest van het gezin naar Engeland waren gevlucht. Op voorstel van de broers trok de pas vrijgesproken Frans in april 1918 op verlof naar Engeland bij de familie Michielsen, waar hij verliefd werd op hun zus Jeanne. Wanneer hij terug aan het front kwam, componeerde hij voor haar het liedje "een kusje lust ik wel", op tekst van zijn vriend Antoon Vangelder. Hij stuurde zijn foto en het liedje naar zijn geliefde op, maar zou het echter nooit voor haar kunnen zingen. Hij stierf acht dagen voor het einde van de oorlog.

Op 20 augustus 2010 werd dit lied te Diksmuide, ter gelegenheid van de Vierdaagse van de IJzer, voor het eerst - zoveel jaar later - uitgevoerd door een paar honderd zangers onder begeleiding van de Koninklijke Muziekkapel van de Marine en een regionaal gemengd koor.

Afbeeldingsresultaat voor Frans Van der Linden

Frans Van Der Linden

 


Raoul François Casimir Van Overstraeten

Raoul François Casimir Van Overstraeten (Aat, 25 januari 1885 - Brussel, 1977) was een Belgisch generaal die zowel in de Eerste Wereldoorlog als in de Tweede Wereldoorlog vocht en militair raadgever was van koning Leopold III van België.
Jeugd
Zijn vader was een Vlaming en zijn moeder een Waalse. Behalve Frans en Nederlands sprak Raoul Van Overstraeten ook vlot Engels en Duits. Zijn vader was officier bij de infanterie en eindigde zijn carrière als generaal.

Raoul Van Overtraeten legde in 1902 toelatingsexamen af voor de Koninklijke Militaire School te Brussel met het beste resultaat. Hij studeerde af als officier van de artillerie en ging bij de batterijen getrokken door paarden. Hij studeerde verder aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie te Brussel.
Eerste Wereldoorlog
Bij de Duitse inval lag Raoul Van Overstraeten in de eerste linie bij Luik. Hij versloeg bij Halen de Duitse uhlanen in de Slag der Zilveren Helmen. Hij vocht in het Beleg van Antwerpen (1914), de Race naar de Zee en aan de IJzer.

In 1916 reisde hij als vrijwilliger naar Belgisch Kongo en dan naar Ruanda-Urundi en hij won op 19 september onder generaal Charles Tombeur de slag bij Tabora in Duits-Oost-Afrika.

Terug in België werd Van Overstraeten adjudant van koning Albert. Hij was regelmatig aan het front. In 1918 was hij bij de koning en de koningin te Oostende. Ze voeren er bij wilde zee op een snelle boot ter beschikking gesteld door de Britse admiraal Roger Keyes.

Interbellum
Na de Eerste Wereldoorlog gaf Van Overstraeten les aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. Hij gaf drie boeken uit over krijgsgeschiedenis en werd militair raadgever van koning Leopold III. België stelde zich neutraal op, maar Leopold III gaf via Raoul Van Overstraeten informatie van de Belgische geheime dienst over Duitse troepenbewegingen door aan Franse bevelhebber generaal Maurice Gamelin.

Tweede Wereldoorlog
Van 1938 tot 1940 was Van Overstraeten militair raadgever van koning Leopold III. Hij had de functie van stafchef geweigerd, maar leidde de veldtocht als raadgever.[2] Paul Henri Spaak zei over Van Overstraeten tegen een parlementslid: "Van Overstraeten is veruit de meest intelligente van de militairen. Zijn ongeluk is, dat hij het zelf weet." Van Overstraeten wilde in de Achttiendaagse Veldtocht een dag langer tegenstand bieden in de Leieslag.[3] Van Overstraeten schreef later, dat Leopold III gedemoraliseerd was door de desertie van Vlaamse eenheden.

Van Overstraeten regelde het onderhoud van Leopold III met Adolf Hitler in Berchtesgaden op 19 november 1940.

In 1944 was Van Overstraeten aan de kant geschoven: de geallieerden hadden hem niet nodig. In 1946 vroeg en kreeg hij zijn pensioen. Hij schreef nog vier boeken op basis van zijn archieven, het laatste postuum uitgegeven

Afbeeldingsresultaat voor Raoul Van Overstraeten

Raoul Van Overstraeten
Geboren 25 januari 1885
Aat
Overleden 1977
Brussel
Land/partij Vlag van België België
Onderdeel Belgisch Leger
Dienstjaren 1902 - 1946
Rang Army-BEL-OF-09.svg Generaal
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog
Tweede Wereldoorlog
Achttiendaagse Veldtoch


 

Henri Bernard

Henri Bernard (Brussel, 3 augustus 1900 – Schaarbeek, 15 februari 1987) was een Belgisch militair en professor. Hij diende als officier in het Belgische leger, nam tijdens de Tweede Wereldoorlog deel aan de Achttiendaagse veldocht, ging daarna in de weerstand, vluchtte naar Engeland, nam deel aan de voorbereiding van de landing door de geallieerden en de latere operaties op het Europese continent. Na de oorlog werd hij professor krijgsgeschiedenis aan de Koninklijke Militaire School (KMS). In 1986 werd hij door koning Boudewijn als baron in de adelstand verheven.

Afkomst en jonge jaren
Henri Bernard was de zoon van Léopold Bernard, een hoger officier van het Belgische leger, en Clémence Dewez. Hij liep school in Waver en, in Brussel, aan het “Collège Saint-Michel“ en het “Institut Saint-Louis”, waar hij in 1918 afstudeerde in de Grieks-Latijnse afdeling. Tussen 1908 en 1913 vergezelde hij vaak zijn vader op bezoek bij luitenant-generaal Gérard Leman, de commandant van de Koninklijke Militaire School en toekomstig verdediger van de vestingen van Luik en bij luitenant-kolonel Jules Marie Alphonse Jacques, tweede in bevel van de KMS die na de Eerste Wereldoorlog zou bekend worden als “Jacques de Dixmude“.

In de Eerste Wereldoorlog was hij, tijdens de bezetting van België door het Duitse leger, actief als verdeler van de clandestiene krant La Libre Belgique, waarvoor hij in 1919 het Burgerlijk Ereteken 1914-1918 1ste Klas kreeg.
Bernard trouwde in 1923 en kreeg twee zoons en een dochter.

Militaire loopbaan
De militaire loopbaan van Henri Bernard begon op 2 december 1918 als vrijwilliger bij het 2de Regiment Grenadiers.
Op 26 december 1921 werd hij bevorderd tot onderluitenant en aangeduid voor het 9de Linieregiment.
Van 9 december 1924 tot 14 augustus 1929 volgde hij als leerling van de 85ste promotie genie en artillerie de cursussen aan de Koninklijke Militaire School.
Op 26 december 1924, tijdens de cursus, werd hij bevorderd tot luitenant en aangeduid voor het 4de Regiment van de genie te Namen.
Op 26 maart 1930 werd hij kapitein en aangeduid voor het Regiment van de transmissietroepen in Vilvoorde.
Op 15 september 1932 werd hij leerling aan de Krijgsschool en na de studies op 21 augustus 1934 kapitein SBH (Stafbrevethouder).
Op 4 april|1935 werd hij belast met de cursus geografie aan de Krijgsschool, vanaf 20 juli als lid van het Regiment van de transmissietroepen
Op 27 juli 1938 werd hij chef van het 3de bureau van de staf van het 1ste Legerkorps.
Op 15 juni 1939 werd hij chef van de sectie werken van de 4de Directie van de Genie en Fortificaties (4 DGnF) die belast was met de constructie van de KW-stelling waar Belgische, Britse en Franse legers moesten slag leveren in geval van een Duitse invasie.
Wanneer op 15 mei de stelling werd opgegeven als gevolg van de doorbraak op het Franse front tussen Dinant en Sedan organiseerde en leidde hij de de terugtocht van zijn eenheden. Op 18 mei verving hij de commandant van de 4 DGnF. Hij kreeg dan het bevel zijn eenheid naar Frankrijk te brengen.
Op 28 mei 1940 capituleerde het Belgische leger. Op 6 juni was zijn eenheid in Montpellier waar ze ontbonden werd.
Hij werd dan opgenomen in het kabinet van de minister van landsverdediging, luitenant-generaal Henri Denis, dat geïnstalleerd was in Villeneuve-sur-Lot in Frankrijk.
Op 30 september 1940 was hij terug in Brussel waar hij in dienst van de Belgische administratie werkte en tegelijk actief was in het verzet.
In oktober 1941 had een verrader het clandestiene inlichtingennetwerk geïnfiltreerd. Henri Bernard en zijn echtgenote liepen groot gevaar in België. Eind 1941 konden ze met hun dochter via Frankrijk en Portugal vluchten naar Engeland.
Van 1942 tot 1944 diende Henri Bernard in Londen in het Belgische Ministerie van Landsverdediging.
In 1944, op 10 september, verliet hij Londen als stafchef van de Belgische missie bij SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces).
Op 26 juni 1944 werd hij tot majoor SBH (Stafbrevethouder) bevorderd.
Hij werd stafchef van de 1ste Infanteriebrigade en gedetacheerd naar de 52ste Divisie waarmee hij deelnam aan de Slag van het Reichswald.
Op 5 april 1945 werd hij slachtoffer van een ongeval zodat hij niet kon deelnemen aan de verdere operaties van de brigade tot het staakt het vuren op 8 mei 1945.
Na enkele weken herstel deed hij dienst in de staf van het Belgische leger, nadien in een centrum voor instructie en tot slot als commandant van de school voor vervolmaking te Bosvoorde.
Op 26 maart 1948 werd hij bevorderd tot luitenant-kolonel en 26 maart 1950 tot kolonel.
In 1948 en in 1950 was hij aide-de-camp van prins-regent Karel van België.
Als lid van het Geheim Leger werd hij erkend als inlichtingenagent en als kapitein en majoor van de weerstand.

1-Belgisch militair in de Tweede Wereldoorlog