Home      De start Van de Tweede Wereldoorlog      Het Derde Rijk van Adolf Hitler      Duitsland in de Tweede Wereldoorlog      Engeland in de Tweede Wereldoorlog      Amerika in de Tweede Wereldoorlog      Belgie in de Tweede Wereldoorlog      Nederland in de Tweede Wereldoorlog       Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog      Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog      Japan in de Tweede Wereldoorlog      Canada in de Tweede Wereldoorlog      Oostenrijk in de Tweede Wereldoorlog       Griekenland in de Tweede Wereldoorlog      Afrika in de Tweede Wereldoorlog      Polen in de Tweede Wereldoorlog      Sovjet Unie in de Tweede Wereldoorlog      Italie in de Tweede Wereldoorlog      Joegoslavie in de Tweede Wereldoorlog       Roemenie in de Tweede Wereldoorlog      Hongarije in de Tweede Wereldoorlog      Het SS Bloedbad van Oradour Sur Clan      Annelies Marie(Anne) Frank 12 Juni 1929      1-Veldslagen tijdens de tweede Wereldoorlog       1-Operaties tijdens de tweede Wereldoorlog       Werkkampen Concentratie Kampen Van Nazi Duitsland       Bombardement Tijdens de Tweede Wereldoorlog      1-Zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog       1-Begraafplaats van de Tweede Wereldoorlog      Categorie militair in de Tweede Wereldoorlog      Operatie Overlord 1944       Het einde Van de Tweede Wereldoorlog  

1-Albanees verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog

Nexhmije Hoxha

(Xhuglini) Nexhmije Hoxha (Bitola, MacedoniŽ, 7 februari 1921) is een voormalig Albanees politica; ze is de weduwe van de Albanese dictator Enver Hoxha (1908-1985).

Nexhmije Hoxha volgde een middelbareschoolopleiding in de Albanese hoofdstad Tirana. In 1941 haalde ze haar diploma. In november 1941 sloot ze zich aan bij de pas opgerichte Albanese Communistische Partij (ACP). In 1942 werd ze organisator van de vrouwen- en jeugdafdeling van de partij, daarnaast streed ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Eerste Partizanen Divisie van het Nationaal Bevrijdingsleger. In 1942/43 was ze gelegeerde tijdens drie belangrijke congressen van het Nationaal Bevrijdingsfront (NBF).

In 1944 werd Nexhmije Hoxha gekozen in het secretariaat van de Albanese Vrouwenunie. Van 1946 tot 1955 was ze voorzitster van de Albanese Vrouwenunie. Haar macht groeide na haar huwelijk met de communistische partijsecretaris en premier Enver Hoxha in de jaren 40. In 1948 werd mevr. Hoxha in de Nationale Assemblťe (parlement) gekozen en in 1952 werd ze lid van het Centraal Comitť van de Albanese Arbeiderspartij (PPSh).

In 1966 verwierf ze het invloedrijke directeurschap van het Instituut van Marxistisch-Leninistische Studies. In 1975 was ze lid van de commissie die de ontwerpgrondwet opstelde; deze grondwet werd in 1976 aangenomen.

Na het overlijden van haar man (1985) werd mevr. Hoxha in 1986 gekozen als voorzitster van het Democratisch Front (een overkoepelende organisatie waarbij de massaorganisaties, zoals de vakbonden, jeugd- en vrouwenverenigingen waren aangesloten). Aan het einde van de jaren 80 behoorde ze tot de hardliners (haviken) binnen het partijbestuur van de PPSh en dwarsboomde ze ieder hervormingsplan van president Ramiz Alia.

Op 21 december 1990 werd Hoxha gedwongen het voorzitterschap van het Democratisch Front neer te leggen. Premier Adil Carcani volgde haar in die functie op.

In 1994 werd Nexhmije Hoxha gearresteerd wegens financiŽle malversaties tijdens het communistische bewind in AlbaniŽ. Op 10 januari 1997 kwam zij weer op vrije voeten. Hoxha was in 1993 tot elf jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens machtsmisbruik en verduistering van overheidsgeld.

Afbeeldingsresultaat voor Nexhmije Hoxha

Nexhmije Hoxha
Geboren Nexhmije Xhuglini 8 februari 1921 (96 jaar) Bitola , het Koninkrijk JoegoslaviŽ

Nationaliteit Albanees

 


Tuk Jakova

Tuk Jakova ( ShkodŽr , 1914 - 1959) was een Albanese politicus in de Volksrepubliek AlbaniŽ . Hij diende als voorzitter van de constituerende vergadering , minister van FinanciŽn , minister van Binnenlandse Zaken , en tweemaal als vicepremier .

Politieke carriŤre
In november 1941 nam Jacova deel aan de eerste en oprichtingsconferentie van de Partij van de Arbeid van AlbaniŽ als vertegenwoordiger van de ShkodŽr- groep communisten. Andere leden van de ShkodŽr-groep waren Qemal Stafa en Liri Gega. 

Van 25 maart 1946 tot later dat jaar was Jakova voorzitter van de Constituante .

Op 4 maart 1947 arriveerde Jakova in Belgrado , de Socialistische Federale Republiek JoegoslaviŽ, om te dienen als minister van JoegoslaviŽ.Op 1 juni 1948 diende Jakova als minister van Industrie. 

Bij de herschikking van de regering op 4 juli 1950 werd Jakova benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken en vice-premier. Hysni Kapo , Spiro Koleka en Spiro Pano dienden ook als vicepremier. 

Op 23 juli 1953 wordt in een gezamenlijke vergadering van het plenum van het Centraal Comitť van de Partij van de Arbeid, de Albanese Raad van Ministers en het Presidium van de Nationale Assemblee de regering van AlbaniŽ geherstructureerd. Tijdens deze bijeenkomst werd Jakova benoemd tot minister van FinanciŽn. 

Op 20 juli 1954 werd Jakova opnieuw benoemd tot vicepremier .

Hij was president van de Sovjet-Albanese vriendschapsmaatschappij tot 1951 en voorzitter van de Algemene Raad van de Syndicate Union of Albania van 1945 tot 1947.

Oppositie tegen Enver Hoxha
In het midden van de jaren 50 begon Jakova zichzelf te positioneren in oppositie tegen Enver Hoxha , toen de secretaris van de Partij van de Arbeid van AlbaniŽ . Op 4 april 1955, tijdens een besloten bijeenkomst in Rome, vielen Jakova en Bedri Spahiu de harde heerschappij van Enver Hoxha over AlbaniŽ aan. Op 17 juni 1955, tijdens het veertiende plenum van het Centraal Comitť van de Albanese Communistische Partij , spraken Jakova en Bedri Spahiu in het openbaar sterke oppositie tegen Enver Hoxha uit , en vormden een gevecht binnen de Partij.Hoxha antwoordde door Jakova te beschuldigen verbonden te zijn met de rooms-katholieke kerk. [8]De veertiende plenum eindigde met het aannemen van een motie om Jakova uit het Centraal Comitť te verwijderen en hem van zijn regeringspositie te verwijderen. 

Op 24 juni 1955 werd Jakova vervangen door zijn vice-premier door KoÁo Theodhosi . Hij werd vervolgens gearresteerd en veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf. Hij stierf later in de bewaring van de politieke politie. 

De zuivering van Jakova werd bekrachtigd door de leden van de Partij van de Arbeid van AlbaniŽ op het Derde Congres van de Partij, die plaatsvond van 25 mei tot 3 juni 1956.

TukJakova.jpg

Vice-premier van de Volksrepubliek AlbaniŽ
In functie
20 juli 1954 - 24 juni 1955
Dienen met Manush Myftiu
premier Mehmet Shehu
Opgevolgd door KoÁo Theodhosi
In functie
4 juli 1950 - 23 juli 1953
Presenteren met Hysni Kapo , Spiro Koleka , Spiro Pano
premier Enver Hoxha
Minister van FinanciŽn van de Volksrepubliek AlbaniŽ
In functie
23 juli 1953 - 20 juli 1954
premier Enver Hoxha
Voorafgegaan door Abdyl KŽllezi
Opgevolgd door Abdyl KŽllezi

In functie
4 juli 1950 - 23 juli 1953
premier Enver Hoxha

 


Haxhi Lleshi

Haxhi Lleshi (19 oktober 1913 - 1 januari 1998) was een Albanese militaire leider en communistische politicus.

Als onderdeel van de anti- zogistische beweging vluchtte het gezin van Lleshi naar het koninkrijk JoegoslaviŽ , waar ze zich in Debar vestigden en later in Banjishte bij Debar.Met het Italiaanse invasie van AlbaniŽ , Lleshi en zijn geŽmigreerde vriend Myslim Peza werden naar AlbaniŽ. Lleshi ontving financiŽle steun van de Joegoslaven, waarvan een deel ging naar de verspreide anti-Italiaanse activiteiten in AlbaniŽ; meest berucht was de guerrilla- eenheid die bekend staat als "«eta of Peza" ( Albanees : «eta e PezŽs ). 


Aan de vooravond van de Duitse inval in JoegoslaviŽ staken verscheidene paramilitaire eenheden (voornamelijk Albanezen) gesteund door het Joegoslavische leger de grens over en vielen de Italiaanse posities aan, slecht georganiseerd en voorbereid, in twee richtingen: bij ShkodŽr en bij Pogradec ( QafŽ ThanŽ ). Haxhi Lleshi leidde 200 mannen, samen met zijn oom Aqif Lleshi, leidende 100 mannen (beide rapporterend aan kolonel Gojko Jovanović ), stak de grens over en positioneerde zich van Ostren i VogŽl naar BllatŽ . De snelle vooruitgang van het nazi- legerde oorzaak was dat de Joegoslavische opstand faalde; de eenheden trokken zich terug in JoegoslaviŽ waar Lleshi betrokken was en vochten samen met het Joegoslavische leger in de mislukte korte poging om de Duitsers te verhinderen Debar te betreden. 

Lleshi was een van de topcommandanten in de strijd van AlbaniŽ tegen de Italianen en de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog en wordt door sommigen nog steeds beschouwd als een held in AlbaniŽ voor zijn acties tijdens de oorlog. Toen een communistisch gedomineerde regering in 1944 in AlbaniŽ werd opgericht, werd Lleshi minister van Binnenlandse Zaken en diende in die functie van 1944 tot 1946. Zijn naam werd vermeld in een CIA- rapport van 1952 als een Joegoslavische informant, samen met Myslym Peza . 

Op 1 augustus 1953 werd Lleshi voorzitter van het presidium van de Volksvergadering van AlbaniŽ, een functie die gelijkwaardig is aan die van president. Hij was nominaal de derde machtigste man in AlbaniŽ, achter generaal secretaris Enver Hoxha en premier Mehmet Shehu . Tijdens Lleshi's tijd aan de macht werd AlbaniŽ bekend als een van de meest onafhankelijke communistische naties, omdat het vete was met de Sovjet-Unie , een bondgenoot werd van de Volksrepubliek China , en vervolgens in de jaren '70 met China feudiseerde.

Lleshi trok zich terug uit zijn positie als voorzitter van het presidium op 22 november 1982, na bijna 30 jaar in functie, toen Hoxha de regering opnieuw schudde. Hoxha stierf drie jaar later, en tijdens de vroege jaren 1990 viel het communistische regime, maar Lleshi bleef in AlbaniŽ wonen. In 1998 stierf hij aan natuurlijke oorzaken.

Haxhi Lleshi.jpg

Minister van Binnenlandse Zaken
In functie
22 oktober 1944 - 23 maart 1946
Opgevolgd door KoÁi Xoxe
Voorzitter van het presidium van de Volksvergadering
In functie
1 augustus 1953 - 22 november 1982
Voorafgegaan door Omer Nishani
Opgevolgd door Ramiz Alia
Persoonlijke gegevens
Geboren 19 oktober 1913 
Debar , onafhankelijk AlbaniŽ
Ging dood 1 januari 1998 (84 jaar) 
Tirana , AlbaniŽ
Politieke partij Partij van de Arbeid van AlbaniŽ

 


Alfred Moisiu

Alfred Spiro Moisiu (ShkodŽr, 1 december 1929) was tussen 24 juli 2002 en 24 juli 2007 de president van AlbaniŽ.
Hij is geboren in ShkodŽr, in het noordwesten van AlbaniŽ. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde hij een rol in het Albanese verzet tegen de Duitse bezetter. Na de oorlog, in 1946, ging hij in de Sovjet-Unie studeren. In het jaar 1948 studeerde hij in Sint-Petersburg (toen nog Leningrad) af als genieofficier. Terug in AlbaniŽ gaf hij les aan de Militaire Academie in Tirana. Tussen 1952 en 1958 volgde hij lessen aan de Academie voor Militaire Techniek in Moskou, waar hij voor zijn goede resultaten een gouden medaille kreeg.
Na zijn studies zette Moisiu zijn militaire carriŤre verder als ingenieur voor het Albanese Ministerie van Defensie. In 1971 werd hij hoofd van het Bureau voor Techniek en Versterkingen van het Albanese ministerie van Defensie.
In 1979 ontving Moisiu een doctoraat in militaire techniek. Vanaf 1981 was hij afgevaardigd minister van defensie. Deze post behield hij tot de dood van premier Mehmet Shehu in 1982. Waarschijnlijk ten gevolge van het conflict tussen Shehu en Enver Hoxha, werd Moisiu naar Burrel gestuurd waar hij commandant werd van een genie-eenheid. In 1984 beŽindigde Moisiu zijn actieve militaire dienst.
In december 1991 maakt hij zijn comeback op het politieke toneel toen hij minister van Defensie werd in Vilson Ahmeti's regering van experten, de voorloper van het eerste democratisch verkozen regering in het post-communistische AlbaniŽ. Deze functie behield hij tot 1992, toen de eerste regering van de Democratische Partij, onder leiding van Aleksander Meksi gevormd werd.
De nieuwe minister vroeg Moisiu als adviseur voor het ministerie van Defensie te werken. In 1994 werd hij door Safet Zhulali als afgevaardigd minister aangesteld om de Albanese defensie te ontwikkelen. Moisiu adviseerde om de inspanningen te concentreren op het herorganiseren van de verouderde Albanese strijdkrachten, en om de voorbereidingen tot toetreding tot de NAVO te starten. In 1994 stichtte hij de Albanese Noord-Atlantische Associatie en werd verkozen tot voorzitter van de organisatie. Op 24 januari 1995 tekende hij een verdrag dat AlbaniŽ verbond met Partners voor Vrede-project van de NAVO.
Toen de Albanese Socialistische Partij in 1997 aan de macht kwam in AlbaniŽ, verloor hij zijn functie op het ministerie van defensie. De volgende jaren concentreerde hij zich op de organisatie van Albanese en internationale conferenties waar vooral de problematiek van veiligheid en verdediging van Zuidoost-Europa besproken werd, en waar onder meer het particuliere wapenbezit besproken werd.
In 2002 werd Moisiu, onder internationale druk, de consensus kandidaat voor de functie van president van AlbaniŽ, gesteund door alle niet-extremistische politieke partijen van AlbaniŽ, als opvolger van Rexhep Meidani. Moisiu werd gezien als de geknipte kandidaat gezien zijn academische verleden, zijn politieke neutraliteit en vooral zijn kwaliteiten als bemiddelaar, geen overbodige luxe in het vaak woelige AlbaniŽ. Ook zijn pogingen tot toenadering met het Westen en de NAVO spraken in zijn voordeel.
De Albanese media benadrukten vooral de buitengewone eensgezindheid tussen de Socialistische en Democratische partijen, Moisiu kon als kandidaat zowel op de steun van Sali Berisha als op die van Fatos Nano rekenen. Noch Nano, noch ex-president Meidani stelden zich kandidaat omdat ze onmogelijk de vereiste 2/3de meerderheid van de stemmen konden halen. Meidani stond te dicht bij de Socialisten en kon daarom de nodige conservatieve stemmen niet binnenhalen.
Moisiu werd door het Parlement verkozen tot president van AlbaniŽ voor een ambtstermijn van 5 jaar met 97 stemmen voor en 19 stemmen tegen, 14 leden onthielden zich. Hij legde de eed af op 24 juli 2002.
Na de grondwetshervorming van november 1998, ligt de politieke macht vooral bij de regering. Toch beloofde Moisiu bij te dragen tot de versterking van de parlementaire democratie, de stabilisatie van de rechtspraak en de integratie van AlbaniŽ in de Europees-Atlantische structuren.
De dag na het begin van de ambtstermijn van Moisiu, trad de socialistische premier Pandeli Majko af, en de president stelde Fatos Nano, de leider van de Socialistische Partij, aan als zijn opvolger. Die wissel was een compensatie voor Nano, die had afgezien van het presidentschap. Later uitte Moisiu verschillende keren kritiek op Nano omdat hij volgens Moisiu de macht te veel concentreerde en de hervormingen te traag gingen.
In 2007 werd Moisiu opgevolgd als president door Bamir Topi.

AlfredMoisiu.png

Geboren 1 december 1929
ShkodŽr, AlbaniŽ
Politieke partij neutraal
Beroep Militair
President van AlbaniŽ
Aangetreden 24 juli 2002
Einde termijn 24 juli 2007
Voorganger Rexhep Meidani
Opvolger Bamir Topi
Portaal Portaalicoon Politiek

 


Omer Nishani

Dokter Omer Nishani (5 februari 1887 - 26 mei 1954) was een Albanese politieke figuur betrokken in de strijd tegen Ahmet Zogu (bekend na 1928 als koning Zog) in de jaren 1920 en 1930, en vervolgens in de strijd tegen de fascistische bezetting van AlbaniŽ tijdens de periode 1942 - 1944, werd hij voorzitter van het presidium van de Volksvergadering van de Volksrepubliek AlbaniŽ (waarmee hij het staatshoofd werd ) in 1946 en diende hij tot 1953 in deze functie.
Biografie
Omer werd geboren in GjirokastŽr in de Janina Vilayet van het Ottomaanse rijk . Zijn broer, Beso, was een leraar wiens studenten een jonge Enver Hoxha (ook een inwoner van GjirokastŽr) waren. Nishani studeerde geneeskunde in Istanbul , studeerde af maar oefende het niet als een beroep.In de vroege jaren 1920 hield hij zich bezig met politiek en steunde hij Fan S. Noli, wiens strijdkrachten in 1924 de conservatieve orde hadden omvergeworpen door Ahmet Zogu en een democratische regering hadden ingesteld, waarbij Nishani deelnam aan een proces tegen Zogu bij verstek .Na de ondergang van de regering in december datzelfde jaar vluchtte Nishani naar het buitenland en richtte in 1925 de anti-Zogu en de Comintern -gefacadeerde KONARE (Nationaal Revolutionair Comitť) op, waarmee ze samen met de Albanese krant haar krant Liria KombŽtare ( Nationale Vrijheid ) leidde Communist Halim Xhelo van 1925 tot 1932 in GenŤve . 
Na de Italiaanse invasie van AlbaniŽ keerde Nishani in 1939 terug naar het land en voegde zich aanvankelijk bij de Raad van State van de collaborerende regering , die bestond uit verschillende persoonlijkheden die tegen King Zog waren.Nishani, die de vader van Enver Hoxha, Halil, had gekend, werd bezocht door Hoxha (die toen het hoofd was van de Communistische Partij van AlbaniŽ)en leider van het partijdige verzet) en merkte op dat: "Wij, oude fogies, hebben onze dag gehad, lang de jeugd geleefd, omdat u de hoop van het land bent." Ik heb niet veel gedaan, maar ik vocht Zog evenveel als ik En ik had goede kameraden in de krant die me in die richting hielpen: ik gaf niet op, maar wat moest ik doen, in ballingschap sterven? Ik verlangde naar het land en mijn mensen. Ik kwam terug, maar deze fascisten en bezetters en alle schurken die hen dienen als honden, ik haat hen als de dood. Maar je gaat zeggen, waarom kwam je bij de 'Raad van State'? Ik moest, omdat ik niets heb om op te leven en ik heb een vrouw om te houden, dus dit is waar ik toe beperkt ben. Hij raakte snel ontgoocheld door de bezetting na de Zog en beschouwde de betrokkenheid bij de quislingoverheid als een fout; in hetzelfde gesprek zei hij dat "iedereen weet dat het fascisme de hoofden van communisten doorsnijdt, ik ben geen communist, maar ik heb met hen gewoond en gewerkt, ik heb hen gerespecteerd en zij hebben mij gerespecteerd, ik zal u ťťn ding zeggen: voor jou is de weg niet bezaaid met bloemen, maar ga door, vecht, want alleen door te vechten zul je AlbaniŽ redden. 
Na het overtuigen van Nishani om zich te bemoeien met wat de communisten de antifascistische nationale bevrijdingsoorlog noemden, merkte Hoxha op: "Omer Nishani hield zijn woord en werkte in Tirana als een ijverige activist van de Nationale Bevrijdingsbeweging en wanneer de momenten hem nodig hadden, de kameraden en ik praatten erover en we dachten dat hij waardevol zou zijn in het werk van de Algemene Raad als een volwassen, patriottische en beschaafde man voor het werk van propaganda, de organisatie van de staat, enz. We stuurden hem het woord en de dokter verliet Tirana voor de bergen waar hij verbleef tot het land werd bevrijd.Nishani werd lid van de Nationale Bevrijdingsbeweging na zijn oprichting in september 1942.In september 1943 werd Nishani benoemd tot voorzitter van het Permanent Comitť van de Nationale Bevrijdingsgeneraalraad en op het Congres van PŽrmet in mei 1944 werd hij benoemd tot voorzitter van de Anti-Fascistische Nationale Bevrijdingsraad en belast met buitenlandse zaken. Op 12 januari 1946 werd Nishani voorzitter van de constituerende vergadering die op 14 maart werd omgezet in de Volksvergadering van de Volksrepubliek AlbaniŽ. 
Nishani, die geen lid is van de regerende was Albanese Partij van de Arbeid ,diende als de eerste voorzitter van het presidium van de Volksvergadering, totdat hij zijn ontslag aangevraagd op 24 juli 1953 om gezondheidsredenen.Hij werd op 1 augustus opgevolgd door de Albanese communist Haxhi Lleshi .
Volgens een dossier van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van AlbaniŽ , heeft een autopsie op het lichaam van Nishani vastgesteld dat hij zelfmoord pleegde, iets dat indertijd als taboe werd beschouwd 
In 1988 werd een compilatie van zijn artikelen en toespraken gemaakt tijdens de socialistische periode gepubliceerd onder de titel PŽr ShqipŽrinŽ e popullit .

Afbeeldingsresultaat

Omer Nishani
Minister van Buitenlandse Zaken van de Socialistische Volksrepubliek AlbaniŽ
In functie
22 oktober 1944 - 18 maart 1946
Voorafgegaan door Nieuwe positie
Opgevolgd door Enver Hoxha
Voorzitter van het presidium van de Volksvergadering van AlbaniŽ
In functie
16 maart 1946 - 1 augustus 1953
Voorafgegaan door Nieuwe positie
Opgevolgd door Haxhi Lleshi
Persoonlijke gegevens
Geboren 5 februari 1887 
GjirokastŽr , Janina Vilayet , Ottomaans rijk
Ging dood 26 mei 1954 (67 jaar) 
Tirana
Beroep arts en politicus

 


Mehmet Shehu

Mehmet Ismail Shehu (10 januari 1913 - 17 december 1981) was een Albanese communistische politicus die diende als de 23e premier van AlbaniŽ van 1954 tot 1981. Als een erkende militaire tacticus, zonder wiens leiderschap de communistische partizanen misschien wel gefaald hebben in hun strijd om AlbaniŽ te winnen voor de marxistische zaak, Shehu exposeerde een ideologisch begrip en arbeidsethos die hem selecteerde voor snelle promotie in de communistische partij.Mehmet Shehu deelde de macht met Enver Hoxha vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog. Volgens officiŽle Albanese overheidsbronnen pleegde hij zelfmoord op 17 december 1981, waarna de hele Shehu-clan (zijn vrouw, Fiqirete Shehu Sanxhaktari , zonen en een van zijn andere familieleden) werd gearresteerd en gevangengezet terwijl Mehmet Shehu zelf werd aangeklaagd als "een van de gevaarlijkste verraders en vijanden van zijn land ". Aanhoudende geruchten blijven echter dat Shehu daadwerkelijk werd vermoord op bevel van Hoxha.
Vroege jaren 
Shehu werd geboren in «orrush , MallakastŽr District , Zuid- AlbaniŽ , in de familie van een Tosk Muslim Imam. Hij studeerde in 1932 af aan de Albanese middelbare school in Tirana, gefinancierd door het Amerikaanse Rode Kruis. Zijn focus lag op de landbouw. Zonder succes bij het vinden van een baan bij het Ministerie van Landbouw slaagde hij erin om een ​​studiebeurs te krijgen om de Nunziatella militaire academie van Napels , ItaliŽ, te bezoeken . Nadat hij in 1936 van zijn school werd verdreven vanwege zijn pro-communistische sympathieŽn, kreeg hij toegang tot de Tirana Officers School, maar hij verliet het jaar daarop na zijn vrijwilligerswerk om te vechten voor de republikeinse kant in de Spaanse Burgeroorlog. Hij trad toe tot de Spaanse Communistische Partij en richtte zich tot het bevel over het Vierde Bataljon van de XIIde Garibaldi Brigade . Na de nederlaag van de republikeinse strijdkrachten werd hij begin 1939 in Frankrijk gearresteerd terwijl hij zich samen met zijn vrienden uit Spanje terugtrok. Hij zat gevangen in een interneringskamp in Frankrijk en werd later overgeplaatst naar een Italiaans interneringskamp, ​​waar hij lid werd van de Italiaanse Communistische Partij.
Activiteit in de Tweede Wereldoorlog 
In 1942 keerde hij terug naar AlbaniŽ, dat onder Italiaanse bezetting was, waar hij onmiddellijk lid werd van de Albanese Communistische Partij en het Albanese verzet . In 1943 werd hij verkozen als kandidaat-lid van het Centraal Comitť van de Communistische Partij. In augustus 1943, vanwege zijn militaire ervaring, stond hij snel op naar de commandant van de 1st Partisan Assault Brigade. Daarna was hij de commandant van de 1st Partisan Assault Division van het National Liberation Army . Van 1944 tot 1945 was hij lid van de Anti-Fascistische Raad van Nationale Bevrijding (de voorlopige regering).
Na WO II 
Nadat AlbaniŽ was bevrijd van de Duitse bezetting (november 1944), werd Shehu de plaatsvervangend hoofd van de generale staf en, nadat hij in Moskou studeerde , werd hij de chef van de generale staf. Later was hij ook luitenant-generaal en een volledige generaal.
In 1948 "zuiverde" Shehu de partij van het element dat "probeerde AlbaniŽ te scheiden van de Sovjet-Unie en haar onder de invloed van Belgrado te leiden ". Dit maakte hem de dichtstbijzijnde persoon voor Enver Hoxha en bracht hem hoge ambten. Hij bleef echter in de schaduw van Hoxha.
Vanaf 1948 was hij lid van het Centraal Comitť en het Politbureau van de Partij van de Arbeid van AlbaniŽ , en van 1948 tot 1953 was hij secretaris van het Centraal Comitť. Hij verloor de laatste positie op 24 juni toen Enver Hoxha de posten van Minister van Defensie en Minister van Buitenlandse Zaken opgaf met behoud van de premierschap. Hoxha was waarschijnlijk niet bereid om hem teveel macht te geven.
Van 1948 tot 1954 was hij vice-premier (plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Ministers) en minister van Binnenlandse Zaken. De laatste post maakte hem commandant van de geheime politie, de Sigurimi . In 1954 volgde hij Hoxha op als premier . Vanaf 1974 was hij ook de minister van volksverdediging, terwijl hij vanaf 1947 tot zijn dood afgevaardigde was van de Volksvergadering.
Harde lijn man
Tijdens de oorlog won Shehu de reputatie van wreedheid. Op zijn bevel werden de meeste stamhoofden in de bergen van Noord-AlbaniŽ geŽxecuteerd. In 1949 gaf hij opdracht aan 14 katholieke stamleden in de regio Mirdita, die werden geŽxecuteerd nadat ondergrondse jagers zich hadden aangesloten bij conservatieve Albanese politieke ballingen die als spionageagentes van de Italiaanse marine Bardhok Biba hadden geŽxecuteerd, een familielid van de katholieke stamleider Gjon Markagjoni die zich tegen het stamstelsel had gekeerd om een rangschikking Communistische districtsambtenaar. Mike Burke , de Amerikaanse spionagestaf die in 1950 een paramilitair project opzette om de Albanese regering te destabiliseren en te verdrijven, zei in 1986 dat Shehu "een stoere klootzak" was, wiens veiligheidstroepen Amerikaanse agenten "een moeilijke tijd" gaven.
Op het 22ste congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (oktober 1961) citeerde Anastas Mikoyan , een van de Sovjetleiders, Mehmet Shehu, die op een Albanese partijcongres had gezegd: "Wie het niet eens is met ons leiderschap in enig opzicht, zal krijgen spuugde in het gezicht, sloeg op de kin en, indien nodig, een kogel in zijn hoofd. "
Laatste jaren 
Shehu werd beschouwd als de rechterhand van Enver Hoxha en de op een na machtigste man in AlbaniŽ. Hoxha was 40 jaar lang Shehu's vriend en kameraad. Shehu was een van degenen die de Chinees- Albanese alliantie voorbereidden en de breuk met de Sovjet-Unie (december 1961).
Op 17 december 1981 werd hij dood aangetroffen in zijn slaapkamer in Tirana met een kogelwond op zijn hoofd. Volgens de officiŽle aankondiging (18 december) had hij zelfmoord gepleegd na een zenuwinzinking . Dit was een misdaad onder de Albanese wet. Shehu werd verklaard een "volksvijand" te zijn en werd begraven in een woestenij bij het dorp Ndroq in de buurt van Tirana. De zoon van Shehu lanceerde later een campagne om te bewijzen dat zijn vader in feite was vermoord . Naar verluidt was Shehu begonnen zich uit te spreken tegen Hoxha's isolationisme .
Na zijn dood werd Shehu beweerd een spion te zijn geweest, niet alleen voor JoegoslaviŽ , maar ook voor de CIA en de KGB . In Hoxha's boek Titoites (1982) zijn verschillende hoofdstukken gewijd aan de aanklacht van Shehu. In 1982 publiceerde de communistische partij een tweede editie van haar officiŽle geschiedenis, waarbij alle verwijzingen naar Shehu werden verwijderd.Shehu's weduwe Fiqerete (geboren Sanxhaktari) en twee van zijn zonen werden gearresteerd zonder enige verklaring en later gevangengezet onder verschillende voorwendsels.
Na de val van het communisme en zijn vrijlating uit de gevangenis in 1991 begon de jongste zoon van Mehmet Shehu, Bashkim, zijn vaders overblijfselen te zoeken. Op 19 november 2001 werd aangekondigd dat de overblijfselen van Mehmet Shehu waren gevonden.
Een gefictionaliseerd verslag van Mehmet Shehu's val en dood is het onderwerp van Ismail Kadare 's roman The Successor (2003).

Mehmet Shehu -28partizan-29.jpg

23e premier van AlbaniŽ
In functie
20 juli 1954 - 17 december 1981
Voorafgegaan door Enver Hoxha
Opgevolgd door Adil «arÁani
Persoonlijke gegevens
Geboren 10 januari 1913 
«orrush , AlbaniŽ
Ging dood 17 december 1981 (68 jaar) Tirana , Albania
Nationaliteit Albanees
Politieke partij Partij van de Arbeid van AlbaniŽ
Partner (s) Fiqirete Sanxhaktari

 


Nako Spiru

Nako Spiru (4 januari 1918 in DurrŽs - 20 november 1947 in Tirana ) was een Albanese politicus en hooggeplaatst ambtenaar van de Communistische Partij van AlbaniŽ (PKSh).
Leven 
Spiru kwam van een orthodoxe familie uit de Adriatische haven van DurrŽs . Hij studeerde aan de Italiaanse Handelscollege van Korfoe en later economie aan de Universiteit van Turijn . Na de Italiaanse invasie van AlbaniŽ in 1939 ging hij naar het verzet en diende als de rechterhand van Enver Hoxha in de Nationale Bevrijdingsbeweging .In 1941 werd hij lid van de nieuw opgerichte Communistische Partij van AlbaniŽ. Na de moord op Qemal Stafa kreeg hij de leiding over de sectie Jeugd van de Partij. 
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd Spiru verkozen tot leider van de "State Planning Commission", de hoogste entiteit in de economische sfeer in AlbaniŽ. Al snel zou hij een van de slachtoffers worden van de factieoorlog binnen de Partij: enerzijds de zogenaamde "intellectuelen" of "gematigde" onder leiding van Mehmet Shehu en Sejfulla Maleshova , anderzijds de zogenaamde "werkers" onder leiding van KoÁi Xoxe , vice-premier en minister van Binnenlandse Zaken, tevens hoofd van de staatsveiligheidsdienst Sigurimi . Ze drongen eerst in de richting van een relatie met de Sovjet-Unie , later met JoegoslaviŽ .
Spiru verzette zich tegen Xoxe's vriendschaps- en economische overeenkomst van juli 1946, die een fusie van de economieŽn van AlbaniŽ en JoegoslaviŽ oplegde, met als uiteindelijk doel de integratie van AlbaniŽ in de Joegoslavische Federatie als een van de republieken. De secretaris-generaal van de Communistische Partij en premier Enver Hoxha vreesden een overschakeling door Tito op de Albanese Communistische Partij, en namen de zijde van Xoxe's factie.In april 1947 leidde Spiru nieuwe onderhandelingen in Belgrado, waar hij vroeg om de sluiting van een herzien handelsakkoord en meer economische hulp. De Joegoslaven weigerden en riepen in plaats daarvan voor de onmiddellijke coŲrdinatie van de economische plannen van beide staten. Met de steun van Hoxha weigerde Spiru. In plaats daarvan vlogen Hoxha en Spiru in juli 1947 naar Moskou en sloten een handelsovereenkomst met de Sovjet-Unie, die AlbaniŽ een veilige basis garandeerde voor de weigering van de Joegoslavische steun. 
Gesteund door Tito begon Xoxe een lastercampagne tegen Spiru. In november 1947 beschuldigde Xoxe hem tijdens een vergadering van het Centraal Comitť voor "anti-partij, nationalistische activiteit". De volgende dag werd hij in zijn appartement neergeschoten. Een eerste gepubliceerde illustratie voor het feit dat hij zichzelf per ongeluk heeft vermoord tijdens het hanteren van zijn pistool, een tweede officiŽle aankondiging verklaarde de dood als zelfmoord van "wroeging over zijn verraad". Na het overlijden van Xoxe omdat het een "spion" en een " Titoist " was [6] , veranderde alles. Spiru's figuur werd gerehabiliteerd en er werd gezegd "door de Sigurimi voor Xoxe vermoord te zijn, of gedwongen om zelfmoord te plegen". Spiru was getrouwd met Liri Belishova ,wie zou in 1960 worden verdreven en vervolgd voor haar pro-Sovjet-standpunt tijdens de Sovjet-Albanese split . In 1991 gaf Belishova haar versie van het verhaal: ze beweerde dat "Enver Hoxha achter alles zat en dat hij haar man had vermoord".

Nako Spiru als een partizaan tijdens de Tweede Wereldoorlog

 


KoÁi Xoxe

KoÁi Xoxe [/kɔʧi ʣɔʣɛ/]?(spreek uit: Kotsji Dzodze) (1917 - Tirana, 11 juni 1949) was een Albanees communistisch politicus. Volgens sommige bronnen was hij van Bulgaarse of Macedonische afkomst. Xoxe was aanvankelijk een tinsmid in de regio van KorÁe. In november 1941 werd KoÁi Xoxe lid van de nieuw opgerichte Albanese Communistische Partij (ACP) en werd in het politbureau gekozen. Xoxe nam deel aan de bevrijdingsstrijd tegen de Italiaanse en Duitse bezetter (1941-1944). Hij onderhield nauwe banden met de Joegoslavische communistische partizanen en maarschalk Tito. Na de Tweede Wereldoorlog werd Xoxe de voorman van de pro-Joegoslavische factie binnen de ACP die streefde naar een Balkanfederatie bestaande uit AlbaniŽ, JoegoslaviŽ en Bulgarije. De Albanese communistische premier tevens nationalist, Enver Hoxha was hier fel op tegen, hij zag liever een onafhankelijk Communistisch AlbaniŽ. De komende jaren werd Xoxe steeds machtiger, en was in feite de leider in de beginjaren van de Volksrepubliek AlbaniŽ. Het land werd lid van het Warschaupact, en kwam onder de directe invloed van JoegoslaviŽ. Onder zijn bewind werd religie hard aangepakt. Kerken en MoskeeŽn werden gesloten, vernietigd of gebruikt als opslagplaats en geestelijken werden vervolgd. Xoxe overzag ook de executies van personen die hadden samengewerkt met de Italiaanse en Duitse bezetter, en zorgde dat de Albanese Partij van de Arbeid de enige toegestane partij in het land werd. De traditionele bloedvetes van de Gheg in Noord-AlbaniŽ werden uitgeroeid en vrouwen kregen dezelfde rechten als mannen. Vooral de zorg werd hard aangepakt, en de gemiddelde levensverwachting van mensen kwam op het niveau van de rest van het Warschaupact.

In 1945 werd Xoxe minister van Binnenlandse Zaken en chef van de veiligheidsdienst, in 1946 werd hij tevens vicepremier en secretaris van het organiserend comitť van de ACP. Vanwege zijn Joegoslavische contacten, dreigde Xoxe de belangrijkste man in de regering te worden, JoegoslaviŽ had namelijk een grote invloed in het kleine AlbaniŽ, iets wat premier Enver Hoxha liever niet zag. Van 1946 tot 1948 was de pro-Joegoslavische factie haast oppermachtig. In 1946 drong Xoxe erop aan om de contacten met Westerse landen te verbreken, wat ook gebeurde.

Tijdens een vergadering van het politbureau van de ACP in mei 1948, presenteerde hij het plan om AlbaniŽ als zevende republiek te laten opnemen in JoegoslaviŽ. Toen JoegoslaviŽ in juni 1948 uit het Cominform (Communistisch Informatiebureau) werd gestoten en de Sovjet-Unie haar betrekkingen met JoegoslaviŽ verbrak, wist Enver Hoxha Xoxe en zijn aanhangers van de pro-Joegoslavische factie uit de partij en regering te werken, met steun van de Sovjet-Unie. Tijdens een geheim proces werd Xoxe op 10 juni 1949 wegens spionage voor de Joegoslaven ter dood veroordeeld en op 11 juni 1949 terechtgesteld.

Afbeeldingsresultaat voor KoÁi Xoxe

KoÁi Xoxe
Кочи Дзодзе (Bulgaars/Macedonisch)
Geboren 1911
Florina, Ottomaanse Rijk
Overleden 11 juni 1949
Tirana, Volksrepubliek AlbaniŽ
Politieke partij Albanese Partij van de Arbeid

1-Albanees verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog